Herziening van het kinderstrafrecht en het kinderstrafproccsrccht, enz. 62ste vergadering - 27 april'61 2701 

Minister Beerman 

62STE VERGADERING Daarin kan men lczcn: 

„Dat de Regering de op zich zelf aantrekkelijke ge-

dachte van de invoering van een kinderwctboek, waarin 

dan het gehele kinderrecht, zowel op civielrechtelijk als 
op strafrechtelijk terrein zou moeten worden opgenomen, 
heeft losgelaten, acht de commissie juist.". 

VERGADERING VAN DONDERDAG 27 APRIL 1961 

(Bijeenroepingsuur 1 namiddag) 

Voorzitter: de heer Kortenhorst 

Tegenwoordig zijn 98 leden, te weten: 

de heren Kortenhorst, Zegering Hadders, Zwanikken, J, M. 
Peters, Van Buel, Franssen, Blom, Albering, mejuffrouw Kok, 
de heren Biewenga, Schurer, mejuffrouw De Vink, de heren 
De Kadt, De Kort, Kikkert, Daams, Van de Wetering, Post-
humus, Wierda, Van Doorn, De Graaf, mejuffrouw Ten 
Broecke Hoekstra, de heer Scheps, mevrouw Heroma-Meilink, 
de heren Van Lier, Berger, Reehorst, Meulink, Mulders, 
Ruygers, Welter, jonkvrouwe Wttewaall van Stoetwegen, de 
heren Geertsema, Maenen, Droesen, Van Leeuwen, Corver, 
Korteweg, Smallenbroek, Lucas, Brouwer, Kodde, Baeten, 
Peschar, Van der Goes van Naters, Egas, mejuffrouw Lemaire, 
de heren Mellema, Van der Zanden, mejuffrouw Nolte, de 
heren Visser, Tans, B. P. van der Veen, Verkerk, Suurhoff, 
Van den Tempel, Schouwenaar, Verhoef, Van Koeverden, 
Vermeer, Van Bennekom, Burger, Kranenburg, Vermooten, 
Schagen, mevrouw Tellegen-Veldstra, de heren Van Helvoort, 
Berkhouwer, Van Eijsdcn, Bommer, Bogaers, Beernink, Vrolijk, 
Van der Mei, Diepenhorst, De Vreeze, mejuffrouw Knol, de 
heren Van Rijckevorsel, Ritmeester, Tilanus, Laan, Aantjes, 
Van den Heuvel, Stokman, Van Eibergen, Willems, Bruins 
Slot, Kramer, Roolvink, Cornelissen, Assmann, Kleijwegt, 
Koersen, Van Thiel, Oud, Andriessen, Lamberts, Van Dis, 

en de heer Beerman, Minister van Justitie, en de heer Van 
Rooy, Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. 

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van de 
wetsontwerpen Herziening van het kinderstrafrecht en het 
kinderstrafproccsrccht; Vaststelling van een nieuwe Beginselcn-
wet voor de kinderbescherming en daarmede verband houdende 
wijzigingen in het Burgerlijk Wetboek (4141). 

De algemene beraadslaging wordt hervat. 

De heer Beerman, Minister van Justitie: Mijnheer de Voor-
zitter! Bij de beantwoording van de spreekster en de vijf spre-
kers, die hebben bijgedragen tot de mondelinge gedachten-
wisseling over het onderhavige wetsontwerp, wil ik beginnen 
met een citaat van Minister Cort van der Linden bij de be-
handeling van de kinderwetten in 1900. Hij zeide: 

„Het is een verblijdend verschijnsel, dat wij over de 
diep in ons volksleven doordringende belangen, welke bij 
deze wetsontwerpen betrokken zijn, in deze Kamer kun-
nen discussiëren zonder politieke hartstocht, ja, zelfs zon-
der dat er enige politieke strijd mee is gemoeid.". 

Sedert 1900 is er veel veranderd, maar ik heb mogen con-
stateren, dat dit citaat ook als samenvatting van de beraad-
slaging tot dusverre waar is. In de eerste plaats is ter sprake 
gekomen de in het kinderrecht bekende vraag, of het niet 
aanbeveling zou verdienen te breken met de huidige systema-
tiek, dat het kinderrecht is verdeeld over het burgerlijk recht 
en het kinderstrafrecht, ondergebracht bij het algemeen straf-
recht. Sommigen bepleiten de invoering van een algemene 
jeugdwet. De geachte afgevaardigde de heer Daams heeft de 
vraag van de wenselijkheid daarvan reeds ontkennend beant-
woord, daarmede ook het gevoelen vertolkende van de vaste 
Commissie voor Privaat- en Strafrecht in haar verslag, op 
29 november 1938 uitgebracht op het wetsontwerp tot wijzi-
ging van bepalingen betreffende het burgerlijk kinderrecht. 

Wij hebben hier te doen met loten van twee verschillende 
stammen: het burgerlijk kinderrecht is een loot van de stam 
van het algemene B.W., het kinderstrafrecht is een loot van 
de stam van het strafrecht. 

Ik zou er de Kamer nog op willen wijzen, Mijnheer de 
Voorzitter, dat recentelijk een gezaghebbende stem uit de 
praktijk van het kinderrecht van een algemene jeugdwet een 
ernstige verarming van het kinderrecht vreest. Ik doel hier op 
een artikel van mr. Knuttel in „Jeugd en Samenleving"', deel 
III, blz. 72. Hij betuigt uitdrukkelijk zijn instemming met 
het huidige stelsel van onze wetgeving en vermeldt dan als 
voorbeeld de Belgische kinderwet van 1912, waarbij het kin-
derstrafrecht werd afgeschaft. Hij relateert een gesprek met 
een Belgische collega-kinderrechter, die hem verklaarde, dat 
daardoor het gehele Belgische kinderrecht te veel in de straf-
rechtelijke sfeer werd getrokken, en daartegenover het Ncder-
landse systeem prees. 

De heer Knuttel bespreekt ook nog het Engelse recht, dat 
de ontzetting en de ontheffing niet kent en waar men onder-
scheidt de kinderen, die jeugdige delinquenten zijn, en de chil-
dren in need of care of protection. Het merkwaardige van het 
Engelse recht is, dat het zich slechts richt tot de minderja-
rige zelf; terwijl bij ons in het burgerlijke kinderrecht de wet-
gever zich speciaal richt tot de ouders, die te kort schieten, 
kent men in de juvenile courts alleen maar als justitiabelen 
de minderjarigen zelf. Dit heeft het merkwaardige gevolg, dat 
de minderjarige altijd in persoon voor the juvenile court heeft 
te verschijnen, soms zelfs in de armen van een constable. 

Het is op zich zelf beschouwd logisch, dat men, toen na 
de oorlog de taak van de herziening van het kinderrecht, da-
terende van 1901 en ingevoerd in 1905, aan de orde kwam, 
is begonnen met de herziening van het burgerlijk recht. Al 
blijft men zich bewust van de eigen taak van het kinderstraf-
recht, sinds 1901 heeft de ontwikkeling van het algemene 
kinderrecht het kinderstrafrecht toch wel naar de tweede 
plaats gedrongen. Kan men trouwens niet van alle strafrecht 
zeggen, dat het een secundaire plaats inneemt? Voor mijn ge-
voel is nl. nog altijd waar, wat Van Hamel al in 1880 als 
kenschetsing van het strafrecht neerschreef: dat geen straf-
recht moet worden toegepast voor zover er andere middelen 
tot beveiliging van ons rechtsgebied voldoende zijn met het 
oog op de omvang en de indruk van hel onrecht, dat te voor-
komen of te herstellen is. 

Bij het mondeling overleg en ook hier is nog ter sprake ge-
komen de vraag, of de onderhavige ontwerpen alweer niet 
achterhaald zijn door de snelle ontwikkeling. Evenals de ge-
achte afgevaardigden, die daarover hebben gesproken, meen 
ik, dat er van een veroudering toch bepaaldelijk geen sprake 
is en dat dit wetsontwerp zoveel nuttige en goede dingen biedt, 
dat het alleszins aanbeveling verdient om het nu te behande-
len. Wanneer men een andere weg had gekozen, zou trou-
wens een zeer aanmerkelijke vertraging het gevolg daarvan 
zijn geweest. 

De geachte afgevaardigde de heer Daams heeft het pleit ge-
voerd voor een verder gaande coördinatie in de particuliere 
sector. Ik wil niet zeggen, dat in de particuliere sector niet 
méér zou kunnen worden gecoördineerd, maar in eerste aanleg 
is dit toch een zaak van die particuliere sector zelf. De heer 
Daams heeft er ook op gewezen, dat verschillende departe-
menten bemoeiingen kunnen hebben met kinderen, die in een 
en dezelfde inrichting zijn opgenomen. Ik geloof, dat dit in 
zoverre niet juist is, dat men enerzijds als regel te maken heeft 
met het Departement van Justitie en men anderzijds te maken 
kan hebben met een gemeente, aangezien het zeer wel mogelijk 

Deel II Zitting 1960—1961 

TWEEDE KAMER 


2702 62ste vergadering - 27 april '61 

Herziening van het kinderstrafrecht en het kinderstrafprocesrecht, enz. 

Minister Beerman 
is, dat kinderen in cen inrichting verblijven b.v. door toedoen 
van een gemeente. Ik heb niet gemerkt, dat dit in de praktijk 
grote bezwaren geeft, omdat er totaal verschillende voorschrif-
ten zouden zijn, waardoor die samenloop in de praktijk tot 
bijzondere moeilijkheden aanleiding zou geven. 
Ik wil thans overgaan tot de behandeling van enkele bijzon-
dere aspecten van de huidige wetsontwerpen. 
In de eerste plaats wil ik iets zeggen over het algemene aspect 
van de leeftijdsgrens, dat weer nauw verband houdt met de 
vraag, in hoeverre het strafrecht ten opzichte van de kinderen 
een taak heeft te vervullen. 
Hierover is het woord gevoerd door de geachte afgevaar-
digden jonkvrouwe Wttewaall van Stoetwegen en de heren 
Daams, Meulink, Van Doorn en Berkhouwer. De vier eerst-
genoemde geachte afgevaardigden hebben zich met de leeftijds-
grens kunnen verenigen, terwijl, indien ik het goed heb be-
grepen, de geachte afgevaardigde de heer Berkhouwer daar kri-
tisch tegenover staat en wellicht zelfs reeds een amendement 
heeft ingediend, waarin die grens zou worden aangevochten. 
De geschiedenis van de leeftijdsgrens is onder meer door de 
geachte afgevaardigde de heer Daams ter sprake gebracht. On-
der de vigeur van de Code Pénal had men geen leeftijdsgrens, 
in de tijd, dat het strafwetboek van Modderman gold — van 
1866 tot 1900 — had men wel een leeftijdsgrens, nl. die van 10 
jaar, in de kinderwetten van 1901 werd de leeftijdsgrens af-
geschaft en nu zegt men — op zich zelf iets, dat voor de hand 
ligt —: Is het niet een terugzetten van de klok, wanneer men 
weer een leeftijdsgrens invoert? 
Mijnheer de Voorzitter! Het laten vervallen van de leeftijds-
grens in 1901 heeft weloverwogen plaatsgevonden, omdat toen 
met name de mogelijkheden op civielrechtelijk gebied veel be-
perkter waren; men kende niet de ondertoezichtstelling met de 
mogelijkheid van plaatsing van kinderen buiten het gezin. Men 
wilde de mogelijkheid behouden om ook jeugdise delinquenten, 
voor die verwijdering uit het milieu noodzakelijk was, daaruit 
weg te halen en dit kon men in veel gevallen met de middelen 
op civielrechtelijk gebied niet doen. 
„Ik zal de Kamer niet vermoeien met verschillende voor-
beelden van vroegtijdige verdorvenheid" — aldus de toen-
malige Minister van Justitie" — maar ik heb hier een 
aantal voorbeelden van kinderen van zes, vijf, vier, zelfs 
van tweeënhalf jaar, die blijk saven van zulk een grote 
verdorvenheid, dat zij hoe eerder hoe beter verwijderd 
moesten worden uit de maatschappij, waarin zij leefden.". 

Dit werd toen aangevoerd als argument voor het schrappen 
van de leeftijdsgrens uit het strafwetboek. Dit argument ver-
trouw ik de geachte afgevaardigde de heer Berkhouwer be-
paald niet toe; het klinkt voor ons — in dat opzicht is er in die 
zestig jaar wel iets veranderd — wat vreemd; wij spreken niet 
meer van een zodanige verdorvenheid bij een kind van t\vee-
enhalf jaar, dat het hoe eerder hoe beter uit de maatschappij 
moet worden verwijderd. Maar het illustreert wel duidelijk, 
wat het motief is geweest bij de aanvaarding van de kinder-
wetten van 1901 om de leeftijdsgrens te schrappen: alleen via 
de strafrechtelijke terbeschikkingstelling kon men die verwijde-
ring bewerkstelligen. 

Ik ben het veel meer eens met hetgeen Minister Van Maarse-
veen in 1947 bij de behandeling van het burgerlijke kinderrecht 
in deze Kamer opmerkte — hij haalde toen een citaat aan van 
professor Pompe als noot onder een arrest van de hoge Raad, 
waarbij een twaalfjarig meisje werd veroordeeld wegens het 
plegen van ontucht —: 

„De eerbied voor het strafrecht zou erbij winnen, wan-
neer men het niet op kinderen toepaste, althans niet bij 
misdrijven.". 

Hij achtte de tegenwoordige grens van twaalf jaar praktisch 
juist en ook tegenover de ouders verantwoord. 

Door de geachte afgevaardigden de heren Daams en Van 
Doorn is de geschiktheid van de kinderrechter ter sprake ge-

bracht. De geachte afgevaardigde de heer Van Doorn voegde 
daaraan nog een vraag over de geschiktheid van de kindcr-
officicr toe. 

In de eerste plaats wil ik verwijzen naar de wet van 16 augus-
tus 1951, houdende regelen tot bevordering van grotere specia-
lisering van de kinderrechters. Het is waar, dat in die wet het 
woord „geschiktheid" niet met zoveel woorden wordt genoemd, 
maar dit neemt niet weg, dat het in de bedoeling van de wet-
gever heeft gelegen, bij benoeming van kinderrechters in het 
bijzonder te letten op de kwalificatie. 

Ten aanzien van de kinderofficieren is het bij de kleinere 
parketten moeilijk, maar toch wordt ernaar gestreefd, de be-
zetting en de taakverdeling op de parketten aldus te doen ge-
schieden, dat met name aan het kinderstrafrecht de nodige zorg 
wordt besteed. Ik ben het geheel met de geachte afgevaardigden 
eens, dat specialisatie hier gewenst is en dat men kinderrechters 
moet hebben, die zich in het bijzonder geroepen voelen deze 
wetten toe te passen. 

De geachte afgevaardigde de heer Meulink heeft de vraag ge-
steld, waarom in artikel 77/ van het ontwerp-kinderstrafrecht 
de combinatiemogelijkheid beperkt wordt. Hij heeft gepleit voor 
cen ruimere mogelijkheid van combinatie van straffen. Het is 
aldus, Mijnheer de Voorzitter, dat als regel de rechter slechts 
één straf of één maatregel kan toepassen, behoudens de drie 
uitzonderingen, die in de wet zijn gesteld: in geval van ver-
beurdverklaring; in geval van ondertoezichtstelling, terwijl ook 
bij arrest of geldboete voorwaardelijke plaatsing in een inrich-
ting voor bijzondere tucht kan worden bevolen. Op de gestelde 
vraag wil ik antwoorden, dat in het huidige ontwerp het arse-
naal van mogelijkheden van de kinderrechter al belangrijk is 
uitgebreid en dat men ergens een grens moet trekken. Per slot 
van rekening is ook een minderjarige subject als drager van 
rechten; het lijkt niet wenselijk, nu wij de straffen en maat-
regelen hebben uitgebreid, ook nog de mogelijkheid van allerlei 
combinaties onbeperkt toe te staan. In het voetspoor van de 
commissie-Overwater hebben wij dus als hoofdregel gesteld: 
één straf of één maatregel met daarnaast de drie genoemde uit-
zonderingen. 

Mijnheer de Voorzitter! De berisping is eveneens besproken 
door de geachte afgevaardigde de heer Meulink. Voor wie is 
de berisping bedoeld? Zij is bedoeld voor die categorie van ge-
vallen, waarin de rechter er niet toe kon overgaan, geen enkele 
straf toe te passen en toch de straf zo licht mogelijk wenst, daar 
hij in die straf niet meer wil zien dan een waarschuwing voor 
het vervolg, aldus de toenmalige Minister van Justitie Cort van 
der Linden in antwoord op een soortgelijke vraag in de Tweede 
Kamer, in 1900 gesteld. Ik sluit mij daarbij aan; aan dat ant-
woord van mijn ambtsvoorganger uit 1900 heb ik niets toe te 
voegen. Alleen zou ik er nog op willen wijzen, Mijnheer de 
Voorzitter, dat sedert 1900 er nog een argument bij gekomen 
is om de straf van berisping te handhaven. De geachte afgevaar-
digde de heer Meulink heeft gezegd: de rechter kan toch op de 
terechtzitting van zijn gevoelen doen blijken, zonder dat de 
straf van berisping eraan te pas moet komen. Wanneer hij dat 
zou doen, zou hij handelen in strijd met artikel 302 van het 
Wetboek van Strafvordering, dat ook geldt voor het kinder-
recht en waarin met zoveel woorden aan de rechter wordt ver-
boden van zijn gevoelens ter terechtzitting te doen blijken. 

Mijnheer de Voorzitter! De geldboete. De geachte afgevaar-
digde de heer Meulink heeft bepleit, citerende een artikel van 
prof. Van Bemmelen, de geldboete verhaalbaar te stellen op het 
vermogen van de ouder en de voogd. Ten aanzien van de 
voogd is dat niet wel mogelijk, omdat artikel 426 van het Bur-
gerlijk Wetboek uitdrukkelijk bepaalt, dat de voogd voor de 
kosten van onderhoud en de opvoeding van de minderjarige 
slechts met het vermogen van de minderjarige aansprakelijk is 
en zeker niet met zijn eigen vermogen. 

Nu rest nog de vraag, of het gewenst is de verhaalsmogelijk-
heid op de ouders van een boete, aan een minderjarige op-
gelegd, in de wet neer te leggen. 

Deel II Zitting 1960—1961 

TWEEDE KAMER 




Herziening van het kinderstrafrecht en het kinderstrafprocesrecht, enz. 62ste vergadering - 27 april '61 2703 

Minister Beerman 

Het is wel interessant de geschiedenis van de boeten, aan 
minderjarigen op te leggen, na te gaan. In het wetsontwerp van 
1900 was in artikel 39septies uitdrukkelijk bepaald: 
„Geldboete wordt alleen opgelegd, indien de rechter 
blijkt, dat de opbrengst van de arbeid van de schuldige 
deze tot betaling in staat stelt.". 
Daarover is toen nogal gediscussieerd. Aan de ene kant was 
er de redenering, dat, wanneer men de boete alleen oplegde aan 
minderjarigen, die al eigen middelen, inkomsten uit arbeid had-
den, de kinderen van de gegoede stand — zoals het toen werd 
genoemd — daarvan zouden profiteren, doordat de rechter ge-
neigd zou zijn aan hen alleen een berisping op te leggen. Boven-
dien was het bezwaar van regeringszijde, dat, wanneer men de 
boete oplegde aan minderjarigen, die geen eigen inkomsten had-
den, dit geen straf voor hen zou zijn, omdat zij dit niet voelden. 
Uit de Kamer werd betoogd, dat ook in die gevallen, waarin de 
minderjarigen geen eigen inkomsten hadden, het toch gewenst 
zou zijn die boete op te leggen, omdat als regel kon worden 
verwacht, dat de ouders die boete zodanig zouden hanteren 
— ook als zij deze uit hun middelen betaalden —, dat de min-
derjarige het zelf zou voelen door tijdelijke vermindering of ge-
hele inhouding van zakgeld, verjaarscadeaus en wat dies meer 
zij. In de Kamer is de strijd no»al hoog gelopen. Er was een 
amendement van de heer Van Karnebeek om deze woorden te 
schrappen. Dit amendement werd met 34 tegen 30 stemmen 
aangenomen. 
Nu gaat men naar een ander uiterste over; immers, men zou 
uitdrukkelijk in de wet willen zetten, dat het ook mogelijk is 
de boete te verhalen op het vermogen van een ander. Daar-
tegen heb ik toch wel bezwaar, Mijnheer de Voorzitter. Men 
zou dan weer in een vrij uitgebreide casuïstiek moeten vervallen: 
geldt het ook voor de ouders, die uit de ouderlijke macht zijn 
ontzet? Het zou in de praktijk resulteren in een kinderafslag 
in plaats van een kinderbijslag en ik zou zeggen: laten wij op 
dit gebied de moeilijkheden niet vergroten. 
De geachte afgevaardigde de heer Berkhouwer heeft de aan-
dacht gevestigd op de regeling van het vervangend arrest. Ik 
geloof, dat hij daarin gelijk heeft en dat het beter is, dat, zoals 
ook in het Wetboek van Strafvordering ten aanzien van de ver-
vangende hechtenis in artikel 23 is geschied, bepaald wordt wat 
het maximum van het vervangend arrest kan zijn. Ik ben be-
reid aan artikel llo een vijfde lid toe te voegen, luidende: 
„De duur van het vervangend arrest is ten minste vier 
uur en ten hoogste 14 dagen.". 
Ik neem aan, dat de geachte afgevaardigde dan een gevoel 
van satisfactie heeft. 
Over de inrichtingen voor bijzondere tucht is door vrijwel 
alle geachte afgevaardigden, die het woord hebben gevoerd, 
gesproken. Zij hebben bezwaar gemaakt tegen het prijsgeven 
van de benaming „tuchtschool". 

De Regering heeft destijds op dit punt het advies gevolgd 
van de commissie-Overwater. Men had indertijd enigszins be-
zwaar tegen de benaming „tuchtschool" en men oordeelde, 
dat er bij velen een zekere aversie tegen het gehele begrip 
„tuchtschool" bestond. Gezien de van vele zijden geuite wen-
sen in de Kamer heb ik er geen bezwaar tegen om deze naam, 
die inmiddels burgerrecht heeft verkregen, weer in de wet 
te brengen. De uitdrukking „inrichting voor bijzondere tucht" 
spreekt mij — eerlijk gezegd — niet zo aan en ik geloof, 
dat men nu weer iets anders staat tegenover het woord „tucht-
school" en dat men niet denkt, dat het een instituut is, dat 
zich niet kan moderniseren. Ik zal dus met een nota van 
wijziging komen, waardoor de naam „tuchtschool" weer in 
de wet wordt gebracht. 

De heren Meulink en Berkhouwer hebben bezwaar gemaakt 
tegen de bestaande termijn van zes maanden per tuchtschool-
straf. Het maximum van zes maanden, dat de commissie-
Overwater voldoende achtte, veronderstelt, dat deze tucht-
schoolstraf in de eerste plaats is bedoeld voor minderjarigen, 

die een specifieke penitentiaire correctie nodig hebben. Men 
zou als het ware kunnen spreken van een ,,shock"-therapie, 
waarvan de „shock" niet langer dan zes maanden behoeft 
te duren. Wanneer het element van heropvoeding overwegend 
is, dan moet volgen terbeschikkingstelling of plaatsing in een 
inrichting voor buitengewone behandeling. Daarnaast is nog 
de mogelijkheid van ondertoezichtstelling met plaatsing bui-
tenshuis; de tuchtschool is dus speciaal bedoeld voor het toe-
dienen van een penitentiaire correctie. Bij die gedachte, wan-
neer dus het opvoedende element op de achtergrond kan blij-
ven, is het gewenst een zeker maximum te hebben in de wet, 
dat voor de tuchtschool niet te lang mag zijn. 

De heer Van Doorn heeft gepleit voor uitbreiding van het 
aantal plaatsen in tuchtscholen; waarschijnlijk heeft hij daar-
bij alleen gedacht aan tuchtscholen voor jongens, aangezien 
plaatsgebrek voor meisjes zich niet voordoet. Ik ben het ge-
heel met de heer Van Doorn eens, dat, wanneer men tucht-
schoolstraf oplegt, een snelle executie daarvan noodzake-
lijk is. 

Enige jaren geleden was in de wereld van de kinderrecht-
spraak de vraag naar plaatsing op een tuchtschool zeer be-
perkt. Toen waren er op de tuchtschool in Breda slechts 16 
jongens. Op het ogenblik gaan de kinderrechters veel meer 
tot oplegging van tuchtschoolstraf over; daarmede zal ook 
rekening gehouden worden. Ik zeg dus de heer Van Doorn 
bepaald toe, dat ik erop zal blijven letten, dat er voldoende 
tuchtschoolruimte aanwezig is. 

Over de nieuwe straf van het arrest is gesproken door jonk-
vrouwe Wttewaall van Stoetwegen en de heren Meulink, Daams 
en Van Doorn. Zij juichen de invoering van deze nieuwe straf 
toe, maar wijzen terecht op de noodzakelijkheid, dat bij opleg-
ging van arrest — een straf van zeer korte duur, van vier uur 
tot veertien dagen — voorop moet staan de mogelijkheid, die 
straf snel ten uitvoer te leggen en in de buurt van de woonplaats 
van de minderjarige. Ik ben het geheel met hen eens. Onze ge-
dachten gaan uit naar plaatsing in particuliere inrichtingen, die 
zich daartoe bereid verklaren. Ik hoop en vertrouw, dat vele 
particuliere inrichtingen dat zullen doen. Ik denk ook aan de 
mogelijkheid van plaatsing, in grote steden, in politiebureaus, 
waar men dan het arrest dienstbaar zou kunnen maken b.v. aan 
verkeerslessen. Ook de rijksinrichtingen zullen uiteraard dienst 
kunnen doen, maar gezien het zeer beperkte aantal rijksinrich-
tingen en de spreiding, die wij nodig hebben, van de plaatsen, 
waar arrest wordt ondergaan, geloof ik, dat de rijksinrich-
tingen op dit terrein een zeer secundaire rol zullen spelen. In 
ieder geval moeten wij in de eerste plaats een prognose maken 
van de omvang van het aantal arreststraffen. Het is, zo stel ik 
mij voor, een soort van wisselwerking. Als wij veel plaats geven 
voor het ten uitvoer leggen van de arreststraf, zal de kinder-
rechter waarschijnlijk die straf ruimer hanteren dan wanneer 
hij weet, dat de straf ten uitvoer wordt gelegd met vertraging 
en op plaatsen, ver van de woonplaats van de betrokkenen. 

De geachte afgevaardigde de heer Berkhouwer heeft ge-
vraagd, waarom nu de kantonrechter krachtens het nieuwe ont-
werp geen tuchtschoolstraf meer kan opleggen. 

Mijnheer de Voorzitter! De wijziging in de competentierege-
ling is welbewust gekozen. In de eerste plaats betekent deze 
nieuwe regeling praktisch geen verandering. De tuchtschool-
straf werd door de kantonrechter hoogst zelden gehanteerd, 
maar nu het niet meer de kantonrechter is, doch de kinder-
rechter, die de, wat ik zou willen noemen: symptomatische 
overtredingen van minderjarigen zal berechten, is het begrijpe-
lijk, dat de berechting van ernstige overtredingen, waarbij de 
tuchtschool kan worden gehanteerd, wordt overgeheveld naar 
het domein van de kinderrechter. 

De geachte afgevaardigde heeft ook gevraagd naar de moge-
lijkheid van omzetting van tuchtschoolstraf in een maatregel 
van heropvoeding. 

Mijnheer de Voorzitter! Op grond van hetgeen ik zoeven 
reeds heb opgemerkt over het specifieke karakter van de tucht-
schoolstraf en het beperkte doel, dat men daarbij voor ogen 

Deel II Zitting 1960—1961 

TWEEDE KAMER 




2704 62ste vergadering - 27 april '61 Herziening van het kinderstrafrecht en het kinderstrafprocesrecht, enz. 

Minister Beerman 

heeft, zou het niet juist zijn, een omzetting van deze straf in een 
maatregel van heropvoeding te bevorderen. 
Ten slotte heelt de geachte afgevaardigde met name bepleit 
de mogelijkheid voor de kinderrechter om de tcrbesehikking-
stelling ook voorwaardelijk te mogen beëindigen. Het is nu zo, 
Mijnheer de Voorzitter, dat de administratie de bevoegdheid 
heeft tot voorwaardelijke en onvoorwaardelijke beëindiging van 
de terbeschikkingstelling te allen tijde, terwijl de kinderrechter 
om de twee jaar de onvoorwaardelijke terbeschikkingstelling 
kan beëindigen. Wat ligt daaraan ten grondslag? Wat is de taak 
van de kinderrechter daarbij? In de praktijk is het zo, dat de 
kinderrechters op het ogenblik eerder beducht zijn — dat is 
enigszins sterk uitgedrukt —, dat de administratie eerder te 
vroeg ontslaat dan te laat. Het ingrijpen van de kinderrechter 
heeft speciaal het oog op die gevallen, waarin men vreest, dat 
de administratie de kinderen te lang vasthoudt. Men kan 
zeggen, dat de kinderrechters vrij algemeen ervóór zijn, dat, 
wanneer een kind eenmaal ter beschikking is gesteld, het een 
zekere tijd, als regel tot zijn meerderjarigheid, ter beschikking 
gesteld blijft. Ik zou de kinderrechter hier ook willen zien als 
trustee van de ouders. Hij moet ervoor waken, mede namens de 
ouders, dat de terbeschikkingstelling bepaaldelijk niet te lang 
duurt. In die opzet, bij die gedachte taakverdeling, is er voor de 
gedachtengang van de geachte afgevaardigde de heer Berk-
houwer geen plaats. 
Mijnheer de Voorzitter! De geachte afgevaardigde de heer 
Berkhouwer heeft verder gesproken over het voorgestelde ar-
tikel lid en, indien ik hem goed heb begrepen, ook over het 
voorgestelde artikel 11 f van het Wetboek van Strafrecht. 
Artikel lid bepaalt, dat de rechter ten aanzien van een 
minderjarige, die de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en 
die normaal dus wordt overgeheveld naar de sfeer van het 
strafrecht van de volwassenen, het kinderrecht kan toepassen, 
indien hij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de 
dader. De geachte afgevaardigde de heer Berkhouwer heeft be-
pleit daaraan toe te voegen, dat ook gronden zouden kunnen 
zijn de geringe ernst van het feit en de omstandigheden. Daar 
ben ik bepaaldelijk te^en, Mijnheer de Voorzitter, omdat het 
de ratio van deze bepaling miskent. Hierbij is gedacht aan een 
jeugdige delinquent, die wel de leeftijd van achttien jaar heeft 
bereikt, maar die door debiliteit of door welke oorzaak ook 
psych;sch gelijk moet worden gesteld met iemand beneden de 
leeftijd van achttien jaar. Het is op zich zelf een abnormale 
figuur, maar die door de persoon van de dader gewettigd wordt. 
Het zou onjuist zijn een volwassene, volkomen compos mentis, 
die een gering feit heeft begaan, b.v. zonder licht heeft ge-
reden, terug te hevelen naar het kinderstrafrecht. Misschien 
heb ik de geachte afgevaardigde verkeerd begrepen, maar naar 
mijn mening is het enige element ter beoordeling van de toe-
passing van de kinderstrafwet op een strafrechtelijk meerder-
jarice gelegen in de bijzondere persoon van de dader. 
Dezelfde terminologie van de persoon en de omstandigheden 
doet zich voor bij artikel 77/. Daar ligt het wat anders. Daar 
heeft men de teruggave aan de ouders zonder meer. Men heeft 
dan cumulatief de persoonlijkheid van de dader, de omstandig-
heden en de geringe ernst van het feit. 
De heer Berkhouwcr (V.V.D.): Is dat niet wat veel? 

De heer Beerman, Minister van Justitie: Dat is naar mijn 
mening niet te veel, omdat men reeds twee factoren heeft in 
het strafrecht voor volwassenen. Krachtens artikel 398, 9°, van 
het Wetboek van Strafvordering kan de kantonrechter schuldig 
verklaren zonder toepassing van straf vanwege de Geringe ernst 
van het feit en — niet: of — de omstandigheden. In het kinder-
strafrecht is het juist, wijl daar de persoon van de delinquent 
zo sterk op de voorgrond staat, dat, wanneer men een feit heeft, 
dat strafbaar is, en — ondanks het algemene minimum, dat ons 
strafrecht kent — de rechter meent, dat in het geheel geen straf 
moet worden toegepast, ten aanzien van de minderjarige ook 
zijn persoon cumulatief in aanmerking genomen wordt naast 
de geringe ernst van het feit en de omstandigheden. 

Deel II Zitting 1960—1961 

Een belangrijke vraag, die zich heeft voorgedaan en die 
met name is besproken door de geachte afgevaardigde jonk-
vrouwe Wttewaall van Stoetwegen en de heren Daams en 
Van Doorn, is die van de verwijdering van het strafblad. Ik 
moet eerlijk bekennen, dat ik, toen ik de betogen van de 
geachte afgevaardigden hoorde, enigszins huiverig was. Ik geef 
toe, dat het een netelige en delicate materie is, niet alleen 
voor minderjarigen, in hoeverre men een strafbaar feit, bin-
nen bepaalde grenzen, iemand moet nadragen op zijn verdere 
gang door het maatschappelijk leven, uiteraard niet in het 
openbaar •— dit is hier niet aan de orde —, maar bij solli-
citaties naar functies in de ambtelijke wereld, bij het bekle-
den van ambten en ook nog wel bij het bekleden van bepaalde 
betrekkingen in de particuliere sector. De burgemeesters heb-
ben sedert de Wet op de justitiële documentatie en de ver-
klaringen omtrent het gedrag inzage van de strafregisters over 
een periode van vier of acht jaar, verstreken sedert het einde 
van de straf. Bij minderjarigen is die periode in de regel vier 
jaar. Dat betekent dus, dat, wanneer iemand op zijn zestien-
de jaar heeft terechtgestaan voor de kinderrechter, b.v. wegens 
verduistering, hij, wanneer hij meerderjarig is geworden, met 
een schoon strafblad de maatschappij ingaat. 

De geachte afgevaardigde de heer Daams heeft bepleit, dat 
de kinderrechter te allen tijde de verwijdering van het straf-
blad zal mogen bevelen. Hij wil die eerdere verwijdering nog 
niet als algemene regel stellen, maar hij zou de mogelijkheid 
daartoe willen scheppen. De geachte afgevaardigde de heer 
Van Doorn gevoelt, naar ik meen, meer voor een tussenop-
lossing, nl. dat dit zal gelden voor degenen, die nog niet de 
leeftijd van zestien jaar hadden bereikt op het ogenblik van 
het plegen van het feit. De rechter zou het dan ook in die 
gevallen kunnen bevelen. 

Mijnheer de Voorzitter! Ik betwijfel toch, of het gewenst is 
om van het moeizaam verkregen compromis met betrekking 
tot de verschillende belangen, die bij het verwijderen van het 
strafblad zijn betrokken, en welk compromis is neergelegd in 
de Wet op de justitiële documentatie en de verklaringen om-
trent het gedrag, af te wijken. Bij de totstandkoming van die 
recente wet heeft men de positie van de minderjarigen uit-
drukkelijk onder het oog gezien. Wij moeten er ons toch wel 
ernstig rekenschap van geven, dat er heel ernstige gevallen 
bij zijn. Ik weet natuurlijk niet, hoe de kinderrechter daar-
tegenover zal staan. Het lijkt mij toch wel juist, dat men ten 
aanzien van de verwijdering van die strafbladen objectieve 
normen hanteert, want anders zou men ook weer appel moe-
ten hebben en de bedoeling is waarschijnlijk, dat iedere kin-
derrechter voor zich zelf uitmaakt of een strafblad verwijderd 
kan worden. Ik denk b.v. aan dat geval van die Haagse min-
derjarige van veertien jaar, die dat hoogst ernstige feit heeft 
gepleegd, waarbij een agent met een bijl het hoofd werd inge-
slagen. Moet nu de wet de mogelijkheid bieden, dat zo iets 
binnen korte tijd uit het strafblad wordt verwijderd? Ik denk 
aan een minderjarige, die één- of tweemaal blijk heeft gegeven 
niet met geld te kunnen omgaan. Moet dan de mogelijkheid be-
staan, dat hij, wanneer hij b.v. op een kantoor komt, als bank-
loper wordt aangesteld? Moet dat c.q. van het oordeel van de 
kinderrechter afhangen? Een termijn van vier jaar is toch bij 
een veroordeling wegens misdrijf een betrekkelijk korte ter-
mijn. Dan weet men in ieder geval, waar men aan toe is. Het 
behoeft wel geen betoog, dat ik de wet op dit punt liever niet 
gewijzigd wil zien, maar wanneer de Kamer zeer algemeen 
van gevoelen is, dat dit ondanks mijn bezwaren toch moet ge-
schieden voel ik meer voor de gedachtengang van de ge-
achte afgevaardigde de heer Van Doorn, die het alleen moge-
lijk wil maken ten aanzien van minderjarigen, die de leeftijd 
van zestien jaar nog niet hebben bereikt. Overigens illustreert 
mijn voorbeeld toch wel, dat dit niet impliceert, dat men dan 
geen ernstige misdrijven kan plegen. 

Mijnheer de Voorzitter! Ik kom tot de Beginselenwet. De 
geachte afgevaardigde de heer Van Doorn heeft met grote 
erkentelijkheid in zijn belangwekkende rede getuigd van de be-

TWEEDE KAMER 




Herziening van het kinderstrafrecht en het kinderstrafprocesrecht, enz. 62ste vergadering" 27 april'61 2705 

Minister Beerman 

langrijke taak, die aan de particuliere kinderbescherming in 
onze wetgeving is toebedeeld. Ik betwijfel, of er veel wct-
gevingen in Europa bestaan, waarin men zo de particuliere 
instellingen met betrekking tot de minderjarigenzorg voorop-
stelt. Wanneer U de wet leest, zult U zien, dat de rijksinrich-
tingen pas genoemd worden nadat uitvoerig over de particu-
liere inrichtingen is gehandeld. In de particuliere kinderbe-
scherming heeft Nederland een zeer waardevol goed. 
In deze tijd, waarin materiële motieven nogal wegen, past een 
woord van grote dank voor het feit, dat er in de gehele tak 
van de kinderbescherming, bij voogdijverenigingen, gezinsvoog-
dijverenigingen en in de inrichtingen tallozen en tallozen zijn, 
die lange arbeidstijden maken, soms veel werk doen in vrije 
tijd en voor zover sprake is van een volledige werkkring, in de 
regel maar een zeer matige beloning ontvangen. 
Niettegenstaande het goede werk van de vele particuliere 
inrichtingen ben ik het met de geachte afgevaardigde eens, dat 
de band met het gezin natuurlijk niet moet worden verbroken 
zonder dat het strikt nodig is. Het is taak van de kinderrechter 
om dat te beslissen. De administratie staat daarin lijdelijk. Ik 
heb bepaaldelijk niet de indruk, dat onze kinderrechters de band 
met het gezin vroegtijdig doorsnijden en ik heb ook niet in het 
betoog van de geachte afgevaardigde beluisterd, dat hij meent 
dat dat het geval is. 
Verschillende sprekers, met name de heren Daams en Meu-
link, hebben zich afgevraagd, of het wel juist is, dat de maat-
regel van plaatsing in een inrichting voor buitengewone behan-
deling kon worden genomen zonder dat er sprake is van schuld. 
Men heeft er bezwaar tegen gemaakt, dat het kinderstrafrecht 
de hantering van deze maatregel zou mogelijk maken buiten 
schuld om. Ik zou erop willen wijzen, dat dit toch niets nieuws 
is. Ik moge verwijzen naar een artikel van mr. Van Houten 
over het verschil tussen straf en maatregel: ,,De straf veronder-
stelt schuld bij de dader. Voor de toepassing van maatregelen 
is schuld geen vereiste.". 
Artikel 37 van het strafwetboek kent de maatregel van plaat-
sing in een krankzinnigengesticht voor volwassenen, die totaal 
niet compos mentis zijn. 
Verder is twijfel uitgesproken over de principiële juistheid 
van de omzetting in de maatregel van terbeschikkingstelling 
van de Regering, voorzien in artikel 77.J van het Wetboek van 
Strafrecht. J 
Bij plaatsing in een inrichting voor buitengewone behande-
ling is de gedachtengang deze, dat de minderjarige een bij-
zondere psychiatrische behandeling, althans aanvankelijk, nodig 
heeft. Het kan zeer wel zijn, dat na verloop van tijd die min-
derjarige zozeer is veranderd, dat de heropvoeding zonder meer 
in een daartoe geschikte inrichting kan worden voortgezet 
zonder dat de plaatsing in de inrichting voor buitengewone 
behandeling nog moet worden voortgezet. 
Ten slotte is ter sprake gebracht een moeilijk punt, nl. de 
vraag of het niet mogelijk moet zijn, dat een minderjarige, 
die ter beschikking is gesteld van de Regering, bij het be-
reiken van de 21-jarige leeftijd niet zonder meer uit de in-
richting wordt ontslagen. Ik geef toe, dat dat een netelige zaak 
is, maar wanneer men erover doordenkt, dan zal men moeten 
toegeven, dat dit niet een kwestie is, die geregeld moet worden 
bij het kinderstrafrecht, maar een kwestie voor het vol-
wassenestraf recht. 

De praktijk heeft zich tot dusverre wel beholpen in die zin, 
dat men een dubbele terbeschikkingstelling uitsprak. Met name 
is dat geschied in het geval van die Haagse jongeman van 
14 jaar. Die dubbele terbeschikkingstelling kan nu niet meer 
worden gehanteerd op grond van artikel 11b. Wanneer dus 
een dergelijk feit zich zou afspelen onder vigeur van de nieuwe 
wet, dan zou zo'n 14-jarige ter beschikking gestelde op 21-
jarige leeftijd moeten worden losgelaten. 

Ik geef toe, dat dat onbevredigend is, en ik wil wel toe-
zeggen, dat ik over deze kwestie advies zal vragen aan de 
enkele maanden geleden ingestelde commissie Psychopaten-
Deel II Zitting 1960—1961 

zorg, maar ik blijf erbij, dat het niet juist zou zijn in het kader 
van dit wetsontwerp daarin verandering te brengen. 

De geachte afgevaardigde de heer Meulink was enigszins 
verontrust over artikel 5 van de Kinderbeginselenwet, waarvan 
lid 3 ook het behoefte-clement ter sprake brengt. Het lijkt mij 
juist — ik meen ook, dat de geachte afgevaardigde daartegen 
geen bezwaar had —, dat met het behoefte-clement wordt 
rekening gehouden, maar hij is van mening, dat onderscheid 
zou moeten worden gemaakt tussen de goedkeuring, die af-
hankelijk zou moeten zijn van bepaalde voorwaarden van in-
richting en personeelsbezetting, en die op grond van het 
behoefte-clement, maar daarop zou ik willen antwoorden, dat 
de geachte afgevaardigde het woord „goedkeuren" in dit ver-
band bepaald te eng opvat. Goedkeuring van een inrichting bc-
tekent ook, dat die inrichting naar de mening van het departc-
ment een bepaalde plaats te vervullen heeft in het kader van 
de kinderbescherming, met andere woorden, dat het tehuis 
nodig is. Het gaat om twee elementen: voldoende niveau en 
voldoende behoefte, en als aan die twee voorwaarden is vol-
daan, kan ook goedkeuring volgen. Wanneer men te veel 
huizen van een bepaalde categorie zou krijgen, zou dit zijn een 
verspilling van energie en van geld en dat komt de kinder-
bescherming als geheel niet ten goede. Ik zou de geachte afge-
vaardigde er ten slotte nog op willen wijzen, dat bij de goed-
keuring altijd zeer nauw overleg wordt gepleegd met de groeps-
federatie, waarbij de betrokken inrichting in de regel is aan-
gesloten. 

Ik kom nu te spreken over de opvangtehuizen. Daarover is 
het woord gevoerd door vrijwel alle geachte afgevaardigden, 
jonkvrouwe Wttewaall van Stoetwegen, de heren Daams, Meu-
link, Van Doorn en B. P. van der Veen. Men heeft bezwaar ge-
maakt tegen de duur van één maand. Er is een amendement 
ingediend, door genoemde sprekers ondertekend, dat beoogt 
die termijn van één maand in bijzondere gevallen te verlengen. 
Over deze kwestie heeft mij ook bereikt een advies van het 
College van Advies voor de Kinderbescherming, dat eveneens 
de voorgestelde termijn van één maand te kort acht en een 
verlenging mogelijk wil maken, maar beperkter, nl. alleen voor 
minderjarigen van 14 jaar en ouder, en als de inrichting, waar-
naar die minderjarige zal gaan, bereids vastligt. 

Welke is de ratio van de opvangtehuizen geweest? Men 
kent dus onder meer de opvangtehuizen, de observatietehuizen 
en opvoedingsinrichtingen. Bij de opvangtehuizen ging het er 
om, in een noodsituatie een minderjarige a bout portant te 
kunnen onderbrengen. Bij de observatie, die ook beperkt van 
duur is, gaat het erom, die minderjarige te bekijken, opdat men 
weet naar welk soort inrichting hij voor de duur van zijn op-
voeding moet gaan. 

Wanneer men nu komt met dit voorstel, zoals het in het 
amendement is geredigeerd, zou het weleens kunnen zijn, dat 
de praktijk ertoe zou leiden, dat de minderjarige in de regel 
drie maanden in een opvangtehuis blijft, en dat is zeer be-
paaldelijk niet de bedoeling geweest. In de commissie-Over-
water werd de termijn van 14 dagen gesteld; de Regering 
heeft in haar ontwerp die termijn verlengd tot één maand. 
Als een rode draad loopt door de gehele schriftelijke behan-
deling de uitgesproken bedoeling, dat de opvangtehuizen niet 
zouden zijn op levensbeschouwelijke grondslag. Omdat ze 
dat niet zouden zijn, omdat het maar ging om een nood-
situatie te overbruggen, is erop toegezien, dat de duur van het 
verblijf in zulk een tehuis kort zou zijn. Wanneer men nu de 
duur van dat verblijf in een opvangtehuis gaat verlengen, 
zonder dat er bepaalde normen aan worden gesteld, gaan die 
opvangtehuizen ten dele over in observatiehuizen. 

Ik heb er geen bezwaar tegen, als de Kamer dat uit-
spreekt, maar de Kamer moet wel weten, dat de opzet niet 
levensbeschouwelijk is. Dat heeft de Regering en in de me-
morie van toelichting èn in de memorie van antwoord èn 
tijdens de besprekingen met de vaste Commissie voor Justitie 
altijd zeer nadrukkelijk gesteld. 

TWEEDE KAMER 




2706 62ste vergadering - 27 april '61 Herziening van het kinderstrafrecht en het kinderstrafprocesrecht, enz. 

Minister Beerman 

Wanneer de Kamer op dit stuk een amendement wil, zou 
het mijns inziens beter zo kunnen worden geredigeerd: In de 
gevallen, waarin de nieuwe verblijfplaats van minderjarigen 
van 14 jaar en ouder wel is aangewezen, doch nog niet be-
sehikbaar is, kan deze termijn van ten hoogste een maand ten 
hoogste tweemaal met een maand worden verlengd. 
De heer Daams heeft nog gesproken over de noodzakelijk-
heid van oprichting van behandelingstehuizen, in het bijzonder 
van gesloten behandelingstehuizen, voor jongens en meisjes. 
Hij heeft in dat verband gesteld, dat de rijksinrichtingen 
voorrang zouden hebben en dat met name een bedrag van 
li miljoen, bestemd voor de particuliere inrichtingen, voor 
de bouw van rijksinternatcn zou zijn aangewend. Daarin ligt 
opgesloten een bedektelijk verwijt van een verschrijving aan 
het Ministerie van Justitie. 
Ik geloof, dat een en ander bepaaldelijk op een misverstand 
moet berusten. Zulk een handelwijze zou begrotingstechnisch 
onmogelijk en in alle gevallen zeer onjuist zijn. Maar het is 
omgekeerd. De particuliere internaten hebben ten opzichte 
van de rijksinrichtingen steeds voorrang. Ik ben het geheel 
eens met de geachte afgevaardigde, dat wij moeten kunnen 
beschikken over behandelingstehuizen voor jongens en meisjes 
en dat die inrichtingen ook aan behoorlijke eisen moeten 
voldoen. Wanneer er verantwoorde initiatieven komen uit de 
sector van de particuliere kinderbescherming, dan zal ik daar 
altijd gaarne het oor aan lenen. 
De heer Meulink heeft nog bezwaar gemaakt tegen artikel 
3, eerste lid, sub c, van de Beginselenwet, dat bij algemene 
maatregel van bestuur voorwaarden kunnen worden gesteld, 
onder meer betreffende het personeel, dat aan de voogdijver-
enigingen wordt verbonden. Hij meent, dat wij allerlei voor-
waarden zouden kunnen stellen, die een onnodige inperking 
van de armslag van die particuliere instellingen zouden mee-
brengen. Het is vanzelfsprekend, dat met die voorwaarden 
speciaal gedacht wordt aan eisen van geschiktheid en be-
kwaamheid. Wij zijn heus niet zo — daarvoor is de verhou-
ding tussen de instellingen van de kinderbescherming en het 
Departement van Justitie te goed; bovendien zijn wij afhanke-
lijk van de particuliere kinderbescherming —, dat wij onrede-
lijk zouden zijn bij het stellen van die voorwaarden. Ik ge-
loof, dat die vrees geheel ongegrond is. Ik verklaar gaarne 
nog eens, dat wij hierbij denken aan bekwaamheid — en ge-
schiktheid vooral — van het personeel. 
De heer Meulink heeft verder ter sprake gebracht het ver-
schil in wettelijke regeling tussen de benoeming van een 
rechtspersoon-voogd, die wordt bekleed met de voogdij, en 
de inschakeling van een gezinsvoogdijvereniging bij het leiding 
geven aan de gezinsvoogd in geval van ondertoezichtstelling. 
Het tweede lid van artikel 396 van het B.W. bepaalt inderdaad, 
dat de rechter, die de voogdij aan een rechtspersoon opdraagt, 
hierbij let op de godsdienstige gezindheid van de minderjarige 
en van het gezin, waartoe hij behoort. Ik ben bereid die rege-
ling ook over te nemen in artikel 366 B.W. door het te doen 
luiden als volgt: 
„In de regel wint de kinderrechter, alvorens tot benoe-
ming over te gaan, het gevoelen in van een rechtspersoon-
lijkheid bezittende vereniging, stichting of instelling van 
weldadigheid, die aan daartoe bij de Beginselenwet voor de 
kinderbescherming gestelde eisen voldoet. Hij roept" — nu 
komt de verandering — „zoveel mogelijk de medewerking 
van zodanige instelling in bij het uitoefenen van de leiding 
van het toezicht. 
Bij de toepassing van de vorige leden let de kinderrech-
ter op de godsdienstige gezindheid van het kind en van het 
gezin, waartoe het kind behoort.". 
De geachte afgevaardigde de heer Van der Veen heeft nog 
gepleit het inschakelen van de gezinsvoogdijvereniging in het 
voetspoor van de voorgdijverenigingen. Mijnheer de Voorzit-
ter! Dit zou een hele verandering teweegbrengen in de plaats 
van de gezinsvoogden ten opzichte van de kinderrechter. Bij 

Deel II Zitting 1960—1961 

ondertoezichtstelling heeft de kinderrechter nog altijd de lei-
ding, zodat hij de gezinsvoogd aanwijzingen kan geven. Wanneer 
men op dit gebied een rechtspersoon inschakelt, dan vrees ik, 
dat, daar de gezinsvoogdijverenigingen nog zeer jeugdige ver-
cnigingen zijn, die zich nog in een groeiproces bevinden, moei-
lijkheden kunnen ontstaan. Ik moet dat in dit stadium nog af-
raden. 

Over het punt van de geestelijke verzorging is gesproken 
door de heer Daams, jonkvrouwe Wttewaall van Stoetwegen 
en de heer Van Doorn. Het is mijn opzet, de geestelijke ver-
zorging in deze inrichtingen van kinderbescherming en rijks-
inrichtingen op dezelfde voet te regelen als voor het gevange-
niswezen is geschied. Zo luidt op het ogenblik ook de ontwor-
pen regeling en in de gevangenissen is de bestaande, naar mijn 
weten, geheel bevredigend. Het zou naar mijn mening niet lo-
gisch zijn, bij inrichtingen voor minderjarigen, voor wat de hu-
manistische verzorging betreft als een van de uitingen van de 
niet-kerkelijke verzorgingen, verder te gaan dan voor volwas-
senen. Hier komt nog bij, dat in de praktijk aan deze niet-
confessionele verzorging van minderjarigen in de inrichtingen 
van kinderbescherming blijkbaar nog altijd een zeer minimale 
behoefte bestaat. Gedurende alle jaren, waarin de rijksinrich-
tingen bestaan, is er éénmaal door een gezinsvoogd ten behoeve 
van één minderjarige een verzoek gedaan om geestelijke ver-
zorging op niet-kerkelijke grondslag. Wanneer men nu 
beziet de regeling, zoals het ontwerp-Beginselenwet die kent — 
hierbij worden de godsdienstige verzorging en de godsdienst-
oefeningen vooropgesteld en daarnaast heeft men het persoon-
lijk contact, al wil dit niet zeggen, dat het altijd met één kind 
moet zijn, want wanneer men met twee of drie kinderen tege-
lijk spreekt, vind ik dit ook nog persoonlijk contact —, dan 
kan men, geloof ik, toch wel zeggen, dat aan alle binnen af-
zienbare tijd te verwachten behoeften is voldaan. 

De geachte afgevaardigde de heer Meulink heeft nog ter 
sprake gebracht het gerucht, dat is ontstaan omtrent het 
Rijksopvoedingsgesticht te Amersfoort, en hij heeft daaraan 
vastgeknoopt de vraag, of de door mij benoemde commissie 
van onderzoek voldoende onafhankelijk was. Voor mij was 
dit een retorische vraag, maar ik weet niet, of het ook een 
retorische vraag was voor de geachte afgevaardigde de heer 
Meulink. Ik zou zeggen: nu die commissie bestaat uit de 
voorzitter van het College van Advies voor de Kinderbescher-
ming, twee rechters, één kinderrechter en één rechter, die 
met name ook in de Enquêtecommissie zijn onafhankelijk-
heidszin wel heeft getoond, en verder uit een hoogleraar aan 
de universiteit van Nijmegen, dan zou het Departement van 
Justitie wel een paranormale invloed moeten uitoefenen op 
iedereen in den lande, wanneer die commissie niet onafhanke-
lijk zou zijn. Ik meen mijn best te hebben gedaan om een 
onafhankelijke commissie •— onafhankelijk van het departe-
ment en onafhankelijk van de direct geïnteresseerden — in het 
leven te roepen. 

De geachte afgevaardigde de heer Meulink heeft nog uiting 
gegeven aan de wens, dat wordt voorzien in een beroep op 
de Kroon tegen een bepaalde ministeriële beschikking op het 
gebied van de kinderbescherming, en hij zal daarbij o.a. ge-
dacht hebben aan een ministeriële beschikking ten aanzien van 
de subsidieverlening. Bij het aanhangige ontwerp Beroep 
Administratieve Beschikkingen is daaraan gedacht, althans 
voor zover de gronden, die in het ontwerp-B.A.B. zijn ge-
noemd, aanwezig zijn. Ik mag dan wijzen op punt 24 van de 
lijst, behorende bij het wetsontwerp-B.A.B. De daar genoem-
de beschikkingen zullen volgens dat ontwerp vatbaar zijn voor 
beroep op de Kroon, de Raad van State gehoord. Nu zal 
de heer Meulink kunnen vragen, of het dan niet gewenst is, 
de mogelijkheid van beroep in te lassen in het wetsontwerp-
Kinderstrafrecht, dat thans in behandeling is. Ik geloof niet, 
dat daaraan een onmiddellijke dringende behoefte bestaat. 
Ik zou de totstandkoming van de B.A.B, willen afwachten. 

De geachte afgevaardigde jonkvrouwe Wttewaall van 
Stoetwegen en de heer Daams hebben gesproken over de 

TWEEDE KAMER 




Herziening van het kinderstrafrecht en het kinderstrafprocesrecht, enz. 62ste vergadering - 27 april '61 2707 

Minister Beerman 

structuur van de particuliere kinderbescherming en met name 
aandacht gevraagd voor de geschriften 31 en 34 van de 
Nationale Federatie. Een groot deel van hun opmerkingen 
was eigenlijk gericht aan het particulier initiatief. Ik geloof 
daarom, dat het juist is, dat ik er niet op inga. De heer 
Daams heeft gesproken van versnippering en van een te laag 
tempo. Ik geef toe, dat er hier en daar wat te verbeteren 
valt, maar nogmaals wil ik zeggen: de particuliere sector is in 
de loop van decennia gegroeid; wanneer men het resultaat 
ziet, kan men achteraf wellicht zeggen, dat het gewenst zou 
zijn hier en daar tot een grotere coördinatie te komen. Ik 
geef toe, dat er een achterstand is op het gebied van de 
arbeidsvoorwaarden van het personeel en dat deze een terug-
slag heeft op de scholing van het personeel. Dat brengt mij 
op een ander onderwerp, de kwestie van de subsidies. 
De geachte afgevaardigde de heer Daams is teruggeko-
men op een opmerking mijnerzijds bij de behandeling van de 
begroting van Justitie. Ook de heer Van Doorn heeft over de 
financiële aspecten van het werk van de particuliere kinder-
bescherming gesproken. Ik kan hiervan zeggen, dat ik een 
andere structuur van subsidiëring heb uitgewerkt en dat ik 
daarover in een ver gevorderd overleg met het Departement 
van Financiën ben. Financiën heeft begrip voor de door mij 
voorgestelde wijziging en heeft mij gemachtigd te verklaren, 
dat in dit opzicht meer voor de particuliere kinderbescher-
ming beschikbaar zal komen. De bedoeling is, in een begro-
tingsstelsel uit te gaan van de reële kosten. 
Wat de voogdijkinderen betreft, heeft de heer Van Doorn 
opgemerkt, dat het nog altijd zo is, dat een zeker percentage 
ten laste van de particuliere instellingen blijft. Dat is zo en 
dat vind ik ook juist, waarmede ik niet wil zeggen, dat dit 
als een wet van Meden en Perzen in alle gevallen moet wor-
den gehandhaafd. De wet spreekt van subsidie en niet van 
een kostenvergoeding. Neemt men de Kinderbeginselenwet 
ter hand, dan ziet men, dat in artikel 11 wordt gesproken van 
kosten, maar in artikel 10 van subsidie. Het werk van de 
particuliere inrichtingen sla ik zeer hoog aan. Wanneer ik 
toch vasthoud aan het uitgangspunt, dat het zo gewenst is 
— en het particuliere karakter zo onderstreep —, dat er iets 
uit de particuliere sector komt, dan is dat niet uit een oog-
punt van „bargaining", maar omdat ik meen, dat er een 
onderscheid moet zijn tussen subsidie en kostenvergoeding 
zonder meer. 
Ik beantwoord nog een concrete vraag van de heer Van 
Doorn ten aanzien van artikel 12 van de Kinderbeginselenwet, 
waarin in het tweede lid wordt gesproken van een daarbij 
aangegeven maximum. Ik kan hem in zoverre geruststellen, 
dat het maximum er bepaald niet is om de zaak te drukken, 
maar omdat het begrotingstechnisch gewenst is een zeker 
maximum vast te houden, waarbij wij dat maximum zó zullen 
berekenen, dat naar onze mening de werkelijke kosten, tot een 
redelijk bedrag uiteraard, worden vergoed. 
De geachte afgevaardigde de heer Van Doorn heeft ook 
een belangrijke vraag aangesneden betreffende de samen-
werking en de grenzen van de justitiële en extra-justitiële 
kinderbescherming. Hij heeft uitgeroepen: Waar ligt toch pre-
cies de grens van de taak van Justitie en die van de ambt-
genoten van de Minister, en waar moet het stuwen door 
subsidiëring van Justitie ophouden om plaats te maken voor 
geen subsidie of subsidie van anderen? 
Mijnheer de Voorzitter! Ik geloof toch wel, dat men in het 
algemeen een bepaalde grenslijn kan aangeven. De justitiële 
kinderbescherming zal daar beginnen, waar het gezin van die 
aard is, dat moet worden ingegrepen in wat een pijler is van 
elk gezinsleven: de ouderlijke macht, of daar, waar het ge-
drag van de minderjarige zo is, dat hij met de politie en met 
de justitie in aanraking komt. Vanaf dat punt zal of de civiele 
of de strafrechtelijke kinderbescherming het moeten doen. 
Natuurlijk is het gewenst, dat wij voeling houden met wat ik 
bijna de prejustitiële zorg zou willen noemen. Dan denk ik 
in de eerste plaats aan Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen 
en aan Maatschappelijk Werk. Wij doen dit ook. Wij hebben 
nu b.v. in onze subsidieregeling voor de ondertoezichtstelling 
de regel aanvaard, dat 15 pet. mag worden bijgeteld als steun 
aan het vrije patronaat, dus wanneer men aan het gezin een 
toezichthouder geeft buiten de kinderrechter om en dit op 
vrijwillige basis geschiedt, met andere woorden wanneer du 
ontwrichting, het niet gaaf zijn van het gezin zodanig beperkt 
is, dat het zonder overheidsingrijpen nog kan worden geredrcs-
seerd. 
De geachte afgevaardigde de heer Berkhouwer heeft ge-
sproken over de jeugdcriminaliteit en de daarmee samen-
hangende problemen. Hoewel ik niet wil zeggen, dat de toe-
stand zonder zorg is, Mijnheer de Voorzitter, mag toch dank-
baar worden geconstateerd, dat de jeugdcriminaliteit in het 
naoorlogse tijdsbestek in ons land lang niet die toeneming 
vertoont als in de ons omringende landen het geval is. Wan-
neer ik dit zeg, is dit geenszins uit een behoefte aan com-
placency, want wij zullen uiterst waakzaam moeten blijven. 
De geachte afgevaardigde de heer Berkhouwer heeft ook 
nog gesproken over een psychiatrisch overwicht. Mijns in-
ziens heeft hij het wel wat simplistisch gesteld. Hij zei, dat na 
1951 in de inrichtingen voor de kinderbescherming de psy-
chiater als het ware de lakens uitdeelt. Zo is het niet, Mijn-
heer de Voorzitter, en zo moet het ook niet zijn. De psy-
chiater is dienstbaar aan de opvoeding. Een goede opvoeder 
moet een goede psycholoog zijn. Bij de psychiater denk ik al 
aan het abnormale, maar pedagogie moet samengaan met 
psychologie, dat wil zeggen zich indenken in de psyche van 
het kind. Dat geldt voor een ouder en dat geldt ook voor 
een directeur van een inrichting. Bij onze moderne aanpak 
— en dan denk ik met name aan de rijksinrichtingen, waar 
de moeilijkste van de moeilijke kinderen vertoeven — is het 
natuurlijk ook zo, dat men van een directeur niet alles kan 
verlangen en dat zo'n directeur zich weleens door psychiaters 
moet laten leiden en voorlichten. Dit wil echter helemaal niet 
zeggen, dat de psychiater het in de inrichtingen — en dit 
geldt evenzo voor de penitentiaire inrichtingen — voor het 
zeggen moet hebben. 

Mijnheer de Voorzitter! Ter illustratie van de plaats van de 
particuliere taak op het gebied van de justitiële kinderbescher-
ming, civielrechtelijk en strafrechtelijk, wil ik enige cijfers 
vermelden. Er zijn ongeveer 300 particuliere inrichtingen, 
waarin 18 000 kinderen van de justitiële kinderbescherming 
zijn ondergebracht, tegenover 8 rijksinrichtingen met 350 
pupillen. Dan de vraag: voor wie zal het kinderstrafrecht 
straks gaan werken? In 1958 bedroeg het aantal minder-
jarigen, dat wegens misdrijven terechtstond, ruim 3000; ter 
zake van overtredingen waren het er 21 000. Er is ten aanzien 
van die overtredingen natuurlijk sprake van een heel scala. 
Er zijn overtredingen bij, die al onze kinderen weleens be-
gaan, b.v. zonder bel op hun fiets rijden. Dat komt aan het 
licht, als zij het ongeluk hebben, dat een agent het ziet. Er 
zijn natuurlijk ook ernstige overtredingen bij. 

Mijnheer de Voorzitter! Ik meen, dat ik mijn beschouwingen 
langzamerhand kan eindigen. Ik heb de verdediging van dit 
wetsontwerp met eerbied en met een gevoel van persoonlijke 
voldoening op mij genomen. Met eerbied, omdat ik mij 
ervan bewust ben — het is ook door verschillende geachte 
afgevaardigden naar voren gebracht —, dat ik voor een be-
scheiden deel heb voortgebouwd op zeer veel arbeid, die vóór 
mij is verricht. Sedert mijn toenmalige ambtsvoorganger in 
1948 aan de commissie, die de naam draagt van haar voorzit-
ter — en terecht —, de opdracht gaf om deze wetsontwerpen 
voor te bereiden en uit te werken, waren er niet minder dan 
acht hoofden aan het Departement van Justitie. 

Van de voorzitter der commissie, die aan de wieg van deze 
wetsontwerpen heeft gestaan, en van de twee ambtsvoorgan-
gers, die beiden op het gebied van de kinderbescherming een 
bijzonder werkzaam aandeel hebben gehad, moet helaas wor-
den gewaagd, dat zij rusten van hun arbeid. Maar tevens mag 
ervan worden getuigd — en dan denk ik in het bijzonder aan 

Deel H Zitting 1960—1961 

TWEEDE KAMER 




2708 62ste vergadering - 27 april '61 Herziening van het kinderstrafrecht en het kindcrstrafproccsrecht, enz. 

Minister Beerman c. a. 

de ontwerpen, die voor ons liggen —: En hunne werken vol-
gen hen na. 
Met een persoonlijk gevoel van voldoening heb ik de verde-
diging op mij genomen, omdat mijn gedachten 35 jaar terug-
gaan. De wijziging van 1921 was pas tot stand gekomen. Wij 
hadden in Rotterdam als eerste kinderrechter de heer De Die. 
Deze verzamelde om zich heen een aantal jonge advocaten, 
van wie hij meende, dat zij belangstelling hadden of zouden 
krijgen voor het kinderstrafrecht; dezen moesten dan bij toer-
beurl de kinderzittingen waarnemen. Men kreeg dan tevoren 
de dossiers van alle te behandelen kinderstrafzaken en woonde 
dan een hele ochtend met de ambtenaar van de Kinderwetten 
en de secretaresse van de voogdijraad de zitting van de kindcr-
rechtcr bij. 
Ik heb dit ongeveer vijf jaar gedaan. Van die vijf jaar heb ik 
zeer veel herinneringen overgehouden, nl. een herinnering 
aan een voortreffelijke kinderrechter en ook de indruk, dat een 
goed kinderrecht een zegen voor de natie kan zijn, ook een kin-
derstrafrecht, omdat het een wezenlijke bijdrage op de verdere 
levensweg kan zijn van minderjarigen, die zijn ontspoord. 
Ik wil besluiten met de wens, dat ook dit nieuwe kinderrecht 
in de decennia, die nu komen, zal mogen blijken te zijn een ver-
mogen, ten goede der natie geschonken. 
De Voorzitter: Ik stel voor, de spreektijd bij de replieken te 
bepalen op ten hoogste tien minuten per spreker. 
Daartoe wordt besloten. 
De heer Daams (P.v.d.A.): Mijnheer de Voorzitter! Ik 
zal inderdaad proberen, zo kort mogelijk te repliceren, maar 
de maximumspreektijd van 10 minuten, waartoe zo juist is 
besloten, zal ik, met Uw goedvinden, waarschijnlijk wel 
overschrijden. 
De eerste opmerking, die de Minister heeft gemaakt, is 
deze geweest, dat hij de door mij bepleite coördinatie in de 
particuliere sector vooral een zaak van de particuliere sector 
zelf acht. 
Ik ben dit uiteraard gaarne met hem eens. Ik heb alleen van 
deze gelegenheid gebruik gemaakt om hierop te wijzen, 
omdat het min of meer een uitvloeisel was van de afspraak, 
die wij bij de behandeling van de begroting hebben gemaakt, 
nl. om ook het werk van de kinderbescherming zelf, zoals dat 
bij het begrotingshoofdstuk van Justitie aan de orde is, meer 
ten principale te behandelen. Als men dat doet, is het uiter-
aard onmogelijk om de structuur van het kinderbeschermings-
werk, dat nu eenmaal particulier werk is — voor het overgro-
te deel van alles, wat er op dit gebied gebeurt —, buiten be-
schouwing te laten. 

Ik hoop, dat ik uit het feit, dat de Minister er toch — zij 
het dan even — op in is gegaan, mag afleiden, dat hij, 
voor zover dit in zijn vermogen ligt, een dergelijke coördina-
tie, een grotere samenwerking, enz. naarstig zal stimuleren. 

De vraag, die ik heb gesteld over het in overeenstemming 
brengen van voorschriften op het gebied van b.v. de kleding-
voorzicning, die door het ene en het andere departement wor-
den gehanteerd ten aanzien van kinderen in één inrichting, 
heeft de Minister beantwoord met de opmerking, dat er al-
leen sprake zou zijn van kinderen, die hetzij voor rekening van 
Justitie op rijkskosten, hetzij op gemeentekosten in een inrich-
ting verblijven. Ik dacht, dat het ook voorkwam — althans 
aan mij is dit gesignaleerd —, dat zowel het Ministerie van 
Justitie als dat van Maatschappelijk Werk er bemoeienis 
mee hebben. 

Met betrekking tot de leeftijdsgrens ga ik akkoord met de 
uiteenzetting van de Minister. 

Wat betreft de geschiktheid van kinderrechters voor hun 
ambt, heeft het mij verheugd, dat de Minister nog eens heeft 
onderstreept de benoeming zo te doen willen verlopen, dat 
in het bijzonder zal worden gelet op het gekwalificeerd zijn. In 
dit verband had ik een wat stelliger geformuleerde vraag ge-
steld, in die zin, dat er dus niet zal worden gelet op promo-
tieverschuivingen e.d. 

Daams 

De Minister heeft aangekondigd, dat bij nota van wijziging 
de naam „tuchtschool" weer zal worden ingevoerd, waarmee 
ik graag akkoord ga. 

Het volgende punt betreft de beëindiging van de terbe-
schikkingstelling. Dienaangaande heeft de Minister opge-
merkt, dat het zijns inziens alleen maar aan de kinder-
rechter toekomt, correctief op te treden op een te lange duur, 
dus als een soort van trustee van de ouders, eens in de twee 
jaar. Zowel bij de schriftelijke voorbereiding als in het monde-
ling overleg als in eerste instantie heb ik mij met deze ge-
dachte akkoord verklaard. Ik begrijp echter nog niet uit de 
uiteenzetting van de Minister, waarom het dan onmogelijk 
zou zijn, dat de kinderrechter bij dat eens in de twee jaar 
eventueel corrigerend optreden per se er alleen maar on-
voorwaardelijk een eind aan zal kunnen maken, en waarom 
dat niet voorwaardelijk zal kunnen. 

Met betrekking tot het strafblad heeft de Minister mede-
gedeeld, dat hij wel heel erg opziet tegen een wijziging van 
hetgeen wordt voorgesteld, omdat bij de wijziging van de Wet 
op de justitiële documentatie toch al de positie van de min-
derjarigen zeer uitdrukkelijk is overwogen; daarom heeft men 
voor hen ook een kortere termijn. De Minister heeft gezegd: 
wat zal de kinderrechter doen?, kan hij het allemaal wel zon-
der norm beoordelen? En verder: als er dan een wijziging 
moet komen, heb ik toch liever de wijziging, die de geachte 
afgevaardigde de heer Van Doorn voorstelt. 

Nu zou ik, naast de argumenten, die ik al in eerste termijn 
heb aangevoerd, toch nog eens uitdrukkelijk willen wijzen op 
het feit, dat een strafrechtelijke behandeling met de mogelijk-
heid van een strafblad in zoverre onbillijk is ten opzichte van 
de betrokken kinderen, dat strafrechtelijke correctie dikwijls 
een minder ingrijpende ingreep is dan een civielrechtelijke 
behandeling, aangezien een civielrechtelijke behandeling nu 
eenmaal nooit met een strafblad gepaard kan gaan. 

Daarnaast wil ik er ook op wijzen, dat het voorstel, dat de 
Minister nu doet, verder gaat dan hetgeen eigenlijk bij de jus-
titiële documentatie was beoogd, omdat nu ook de maatregel 
van de terbeschikkingstelling op het strafblad zal komen. Wan-
neer wij er dus nu iets van willen afknabbelen, kunnen wij het 
o.a. hiermede verantwoorden, dat de Minister tevoren er iets 
bij heeft willen voegen en dat wij er dus alleen voor een stukje 
op terugkomen. 

Uit de reacties in de Kamer heb ik wel begrepen, dat men 
prijs stelt op een gedeeltelijk ongedaan maken van het voorstel, 
zoals het nu door de Regering aan ons is voorgelegd. Ik heb 
eveneens begrepen, dat ik het meeste kans maak op een gedeel-
telijk terugdraaien daarvan, wanneer ik inderdaad dat tussen-
voorstel accepteer, en om die reden heb ik dus de eer, Mijnheer 
de Voorzitter, U hierbij een amendement in deze geest te over-
handigen. 

De Minister heeft verder gesproken over de inrichting voor 
buitengewone behandeling. De straf of maatregel zonder schuld 
komt wel meer voor, zegt de Minister. Ik heb dat niet bestre-
den, ik heb het zelfs toegegeven. Ik heb alleen de vraag gesteld 
waarom in dit opzicht voor kinderen geen uitzondering kan 
worden gemaakt. Hoewel de Minister daaraan verder weinig 
argumentatie verbonden heeft, zou ik hem toch nog eens heel 
dringend in overweging willen geven, deze zaak nader te be-
studeren, omdat naar mijn indruk de overgrote meederheid van 
de betrokkenen tegen deze plaatsing in het strafrecht wel de-
gclijk bezwaar heeft. Ik heb al gezegd, dat ik geen kans zie tot 
amenderingen te komen, die tot een bevredigende oplossing 
zullen leiden. Ik moet het dus wel accepteren, maar ik zou erg 
graag hebben, dat de Minister, zoals hij ook op andere punten 
een nadere overweging heeft toegezegd, dit ook op dit punt 
zou willen doen. 

Ik vraag dus, of de Minister de plaatsing van de inrichting 
voor buitengewone behandeling in het kader van het kinder-
strafrecht nog eens in overweging wil nemen en eventueel bij 
een volgende wetswijziging in cieveilrechtelijk verband wil 
„switchen". 

Deel II Zitting 1960—1961 

TWEEDE KAMER 




Herziening van het kinderstrafrecht en het kiiiderstrafprocesrecht, enz. 62stc vergadering - 27 april'61 2709 

Daams 

Dezelfde soort van toezegging heeft de Minister immers ook 
gedaan ten aanzien van het eventuele continueren van meerder-
jarig geworden psychopaten. Hij zal daarover advies vragen 
aan de Commissie Psychopatenzorg. Meer had ik ook niet 
verlangd. Regeling van deze verlengingsmogelijkheid in het 
kinderstrafrecht vind ik zelf ook onjuist. Zoals de Minister hier 
dus een dergelijke nadere overweging toezegt, zou ik dit op het 
juist genoemde andere punt ook graag hebhen. 
Het volgende punt is de kwestie van de opvangtehuizen. 
De Minister heeft gezegd, dat hij toch wel bezwaar heeft 
tegen het door ons ingediende amendement, omdat uitdrukke-
lijk is uitgegaan van een noodsituatie, die zou moeten worden 
overbrugd en die volgens de commissie-Overwater slechts 14 
dagen zou moeten duren, waarvan wij dus 3 maanden zouden 
willen maken in bepaalde gevallen. Het is zeer uitdrukkelijk 
niet onze bedoeling om daar — zoals de Minister vreest — 
een regel van te maken; het moet echt tot uitzonderingen be-
perkt blijven. 
Nu zegt de Minister, dat, wanneer men hier een wijziging in 
de wet wil aanbrengen, dit zou moeten gebeuren in de vorm 
van een amendement, waarin de norm zou worden opgenomen, 
zodat men inderdaad ook niet buiten die norm om zou kunnen 
verlengen. Hij heeft die norm ook aangegeven, namelijk de 
14-jarigen, waarvoor geen plaats beschikbaar is. Die gevallen 
had ik voornamelijk op het oog, Mijnheer de Voorzitter. Ik 
dacht, dat ik daarmede geheel handelde in de geest van het 
advies, dat de Minister zelf ook vermeldde en dat door het 
College van Advies voor de Kinderbescherming is uitgebracht. 
Wanneer de Minister van mening is, dat het noodzakelijk is 
die normen in het amendement zelf neer te leggen, heb ik 
daartegen geen bezwaar, maar aangezien in de formulering 
ook van het college van advies uitdrukkelijk wordt gesproken 
van bijzondere gevallen, dacht ik, dat ik het daarmede had 
kunnen opvangen. Daarover kunnen wij eventueel bij de be-
handeling van het amendement zelf noj even praten. 
Ik meen, dat de Minister mij niet heeft geantwoord op mijn 
vraag, of het hem mogelijk is een eventuele verlenging van de 
termijn in observatietehuizen te vermijden. Wanneer de Mi-
nister de gevraagde toezegging niet kan doen, moet ik toch over-
wegen om ten aanzien van die termijn nog een voorstel in te 
dienen. Hij zou dit kunnen voorkomen — als ik het zo mag 
zeggen — door de toezegging te doen, dat de noodzaak van 
verlenging van termijn wegens plaatsgebrek elders in feite zich 
niet zal voordoen doordat er voldoende contact is tussen het 
observatietehuis en de komende definitieve inrichting, reeds tij— 
dens de observatieperiode, en doordat het Ministerie van Jus-
titie dan ook bereid zou zijn het tijdelijk openhouden van die 
plaatsen ook financieel mogelijk te maken. 
Wat betreft de „overschrijving", die het Ministerie van 
Justitie zou hebben gepleegd ten voordele van internaten, ik 
heb die vraag juist gesteld, omdat ook ik zelf budgettair een der-
gelijke overheveling van een begrotingspost uitgesloten achtte. 
Ik heb daarnaar informaties ingewonnen; die informaties wezen 
toch in die richting. 
Wanneer de Minister mij nu uitdrukkelijk verzekert, dat 
het niet geschied is, dan moet ik dat accepteren, maar dan 
moet ik toch in elk geval vasthouden aan mijn conclusie, dat 
het desbetreffende bouwproject — een tehuis voor zeer 
moeilijk opvoedbare meisjes, een gesloten inrichting — er niet 
is kunnen komen ten gevolge van het feit, dat het departement 
geen gelden ter beschikking had, nadat men aanvankelijk ge-
zegd had aan degenen, die met dit project voor de dag kwa-
men.dat zij carte blanche hadden. 
Wat betreft de humanistische geestelijke verzorging zou ik 
willen voorstellen het grootste gedeelte van mijn opmerkingen 
bij de behandeling van het amendement te maken; dat lijkt 
mij het verstandigst, omdat ik vrees, dat ik anders de bij deze 
replieken toegestane spreektijd van 10 minuten ver zal over-
schrijden. 

Ik constateer dan, dat de redenering van de Minister mij niet 
bevredigd heeft. Ik meen daarom, dat ik dan ook het door mij 

Daams e. a. 

in eerste termijn genoemde amendement moet indienen; wan-
neer ik het thans indien, dan heeft men gelegenheid het te 
vermenigvuldigen en kan het straks gemakkelijker in discussie 
komen. De strekking van het amendement is, de mogelijkheid 
tot het houden van bijeenkomsten onder leiding van geeste-
lijke verzorgers in de wet op te nemen en voorts om in het 
tweede lid op te nemen de bepaling, dat de verplichting om 
— behoudens uitdrukkelijke vrijstelling — aan de godsdienst-
oefeningen en het godsdienstonderwijs deel te nemen alleen 
geldt voor hen, die behoren tot enig kerkgenootschap of gods-
dienstige gemeenschap. 

Wat de subsidiëring betreft, heeft de Minister medegedeeld, 
dat hij met een ander stelsel zal komen, dat van de reële 
kosten zal uitgaan. Het is zeer verheugend, dat hij deze mede-
deling reeds in dit stadium heeft willen doen. Wordt ter zake 
rekening gehouden met het oorspronkelijke plan om over een 
overzicht van maatregelen op korte termijn (nu eventueel ook 
op lange termijn) beraad te hebben met de vaste commissie 
uit de Kamer? Is het dus de bedoeling om, voordat het een 
definitief voorstel wordt, overleg te plegen met de kamer-
commissie? 

De geachte afgevaardigde de heer Van Doorn heeft ge-
sproken over het maximum van de verplecgkosten, bedoeld in 
het tweede lid van artikel 12. Ik heb bij de behandeling van 
een vorige begroting, naar ik meen die voor 1959, deze zaak 
zelf ook al eens aangesneden en ik heb toen gesteld, dat een 
maximum, dat door de Minister zou worden vastgesteld, maar 
dat in alle inrichtingen van een bepaalde categorie blijkt te 
gering te zijn, natuurlijk een onredelijk maximum zou zijn. De 
toezegging, die de Minister nu heeft gedaan, zou ik dan ook 
gaarne uitgelegd willen zien in deze zin, dat men niet zal 
komen met een korting op verpleegkosten, die in strijd zou zijn 
met de reële kosten van alle inrichtingen van een bepaalde 
categorie. 

De heer Meulink (A.R.P.): Mijnheer de Voorzitter! Ik zal 
mij nu beperken tot enkele punten, punten, die mij het be-
langrijkst schijnen, en ik zal dus niet ingaan op punten, ten 
aanzien waarvan ik met de Minister kan meegaan, en ook 
wel punten van weinig belang. Dat betekent dus, dat ik niet 
nader zal ingaan op vraagstukken als algemene jeugdwet en 
leeftijdsgrens. Ten aanzien van die punten kan ik het nl. geheel 
met de Minister eens zijn. Een dergelijke overeenstemming 
bestaat niet ten aanzien van een punt als de berisping. Ik 
geloof echter niet, dat deze zaak nu van groot belang is. Alleen 
wil ik hieromtrent nog opmerken, dat de gehele behandeling 
toch voor de kinderrechter een berisping betekent. Er moge 
in de wet dan staan, dat de kinderrechter niet van zijn ge-
voelens mag doen blijken, de praktijk is bij de kinderrechter 
gelukkig toch wel wat anders, laat ik het voorzichtig zeggen: 
wat genuanceerder. 

Dankbaar ben ik voor de toezegging van de Minister, dat 
hij de oude naam „tuchtschool" toch maar zal handhaven. 

Ten aanzien van de plaatsing in een inrichting voor buiten-
gewone behandeling kan ik mij wel aansluiten bij wat de heer 
Daams heeft opgemerkt. 

De Minister heeft geen oplossing kunnen geven met betrek-
king tot het feit, dat bij plaatsing in een inrichting voor af-
vvijkende minderjarigen geen omzetting kan plaatsvinden in 
terbeschikkingstelling als psychopaat. De Minister heeft wel 
erkend, dat hier een probleem ligt. Zelfs zeide hij: Tot nu 
toe wist men zich daarbij te behelpen door de dubbele ter-
beschikkingstelling. Maar nu zal in de toekomst deze uitweg 
dus niet meer mogelijk zijn. Daarom is het beslist nodig, dat er 
nu een andere oplossing voor komt. Het mag niet voorkomen, 
dat gevaarlijke, niet toerekeningsvatbaren weer kalmweg op 
de gemeenschap worden losgelaten. Wij hebben in de laatste 
jaren al ellende genoeg hiervan gezien. Of men dit nu hier 
regelt of bij het volwassenenrecht, is niet zo belangrijk, maar 
het moet toch met spoed nu of op korte termijn worden ge-
regeld. Ik vraag mij af waarom dat nu eigenlijk niet mogelijk 

Deel II Zitting 1960—1961 

TWEEDE KAMER 




2710 (>2ste vergadering - 27 upril '61 Herziening van het kinderstrafrecht en het kinderstrafprocesrecht, en/. 

Meulink e.a. 

ZOU zijn. Ik heb hier vóór mij een artikel van prof. Van 
Bemmelen, waarin hij zegt: 
„Volgens artikel 77.v mag de p.i.a.m." — plaatsing in 
inlichtingen voor afwijkende minderjarigen —„wel door 
de rechter worden omgezet in een t.b.s." — terbeschik-
kingstelling — „als minderjarige, „indien het gedrag of de 
persoonlijkheid van de minderjarige daartoe aanleiding 
geeft". Waarom zou zij dan niet mogen worden omgezet 
in een t.b.s. als psychopaath „indien het gedrag of de 
persoonlijkheid van de meerderjarig wordende minder-
jarige daartoe aanleiding geeft". ". 
Mij dunkt, Mijnheer de Voorzitter, dat men ongeveer met 
een dergelijke formulering in dezen toch een regeling zou kun-
nen treffen. 
Ten aanzien van de voorwaarden voor het personeel had ik 
bezwaar gemaakt tegen de te ruime bevoegdheid van de Over-
heid. Het feit, dat de verstandhouding tussen de Overheid en 
instellingen in dezen goed is, acht ik niet van betekenis. Ik 
had eigenlijk gaarne gezien, dat in de wet de beperking was 
opgenomen van de voorwaarden bekwaamheid en geschikt-
heid. Nu de Minister echter uitdrukkelijk heeft verklaard, dat 
hij bij de voorwaarden denkt aan de voorwaarden ten aanzien 
van bekwaamheid en geschiktheid, zal ik daarmee nu genoegen 
nemen. 
Ten aanzien van de beroepsmogelijkheid gaat mijn voor-
keur nog steeds uit naar een directe regeling in deze wet. 
Ik ben echter bereid te wachten op de totstandkoming van 
de Wet beroep administratieve beschikkingen. 
Dankbaar ben ik de Minister voor zijn toezegging een wijzi-
ging te zullen aanbrengen wat betreft het rekening houden 
met de godsdienstige gezindheid van het kind. 
Ook zijn verklaring ten aanzien van de geestelijke verzor-
ging kan ik onderschrijven, hetgeen dus inhoudt, dat ik het 
amendement van de heer Daams niet zal kunnen steunen. 
Ten slotte wil ik de Minister danken voor zijn verklaring 
over de commissie van onderzoek van het Rijksopvoedings-
gesticht. Ik geloof, dat er geen enkele vrees behoeft te be-
staan. dat deze commissie niet onafhankelijk zal zijn. 

Jonkvrouwe Wttewaall van Stoetwegen (C.H.U.): Mijnheer 
de Voorzitter! Ik zal mij beperken tot enkele korte aanteke-
ningen. Ik dank de Minister voor zijn uitvoerige uiteenzetting, 
waarmede ik het in hoofdzaak eens ben. Vooral ten aanzien 
van de leeftijdsgrens bestaat er tussen de Minister en mij geen 
verschil van mening. Ik zou hieraan voorbijgaan, ware het 
niet, dat de geachte afgevaardigde de heer Berkhouwer 
hier de vorige keer een schets heeft gegeven van de verdor-
venheid van kleine kinderen, waarbij ik enigszins zat te ril-
len. Het deed mij denken aan de woorden uit de catechis-
mus: „onbekwaam tot enig goed". Er wordt echter door nie-
mand gezegd, dat kinderen niet verdorven kunnen zijn in 
een erge graad, ook kleine kinderen niet, maar daarom be-
hoett men die kinderen nog niet voor de strafrechter te 
slepen. Dit is eigenlijk het punt, waar het om gaat. De ont-
wikkeling van het civiele kinderrecht is, zoals de Minister 
heeft gezegd, in al die jaren zover gevorderd, dat het dit 
kan opvangen. Ik ben dankbaar, dat, zoals ik heb begrepen 
en zoals de Minister ook heeft begrepen, het indienen van het 
amendement van de heer Berkhouwer op een vergissing be-
rust. 

De geachte afgevaardigde de heer Berkhouwer heeft 
gevraagd de Uichtschoolstraf een heropvoedend element te 
geven. Mijnheer de Voorzitter! Dat was nu juist niet de be-
doeling van de commissie-Overwater, die de inrichtingen 
voor bijzondere tucht aanbeval. Daarom is de maximumter-
mijn van zes maanden in het wetsontwerp gekomen. De eigen-
lijke tuchtschool, zoals wij die tot nu toe kennen, heeft een 
maximum van een jaar. 

De inrichting voor bijzondere tucht — ik heb dit ook in 
eerste termijn gezegd — had de bedoeling geen tuchtschool 

Wttewaall van Stoetwegen e. a. 

te zijn. Nu gaan wij toch weer dat woord invoeren. Ik maak 
daar op zich zelf geen bezwaar tegen — ik heb in eerste termijn 
gezegd, dat deze naamsverandering op zich zelf betrekkelijk 
onbelangrijk is —, maar daar zat toch een andere bedoeling 
achter, nl. om deze ingreep, die vrij straf kan zijn, kort te 
houden en de heropvoeding bepaaldelijk op een andere wijze 
te doen plaatshebben. 

Nog een enkel woord over de straf van arrest. De Minister 
heeft gezegd in welke tehuizen hij deze straf wil laten onder-
gaan, maar hij is met geen woord ingegaan op de opmer-
king, die hier van verschillende zijden, ook door mij, is ge-
maakt, dat men deze arreststraf vooral niet in het huis 
van bewaring moei doen uitzitten. Ik had gaarne de uit-
spraak van de Minister gehoord, dat hij dit zoveel mogelijk 
zal vermijden, want het is een kwaad, dat voortwoekert en 
dat, wanneer er niet dadelijk een ander tehuis is, toch weer 
burgerrecht verkrijgt. Ik wilde zo graag, dat de Minister de 
uitspraak deed, dat ook hij dit bijzonder ongewenst vindt. 
Ik ben het met de Minister eens, dat het wat het strafblad be-
treft niet goed is de kinderrechter te laten beslissen of op 
het strafblad van een minderjarige een bepaalde straf zal 
worden aangetekend of niet. Wel voel ik er iets voor om aan 
kinderen beneden de veertienjarige leeftijd — zestien jaar 
lijkt mij al een te hoge leeftijd — vrijstelling van het straf-
blad eventueel te geven. 

Wat de opvangtehuizen betreft: de motivering van de Minis-
ter tegen het amendement-Daams was nu juist mijn argu-
ment vóór het amendement. Het lijkt mij nl. nodig om die 
termijn wat te verlengen voor het geval de kinderen nog niet 
naar een inrichting, waarvoor zij bestemd zijn, kunnen gaan. 
Nu heeft de Minister de gedachte geopperd — hij heeft het 
nog niet in een nota van wijziging vastgelegd, maar dat kan 
nog komen — dit in de tekst te zetten, dat alleen verlengd 
zal kunnen worden, wanneer men nog niet naar een ander 
tehuis zal kunnen worden overgebracht. Ik gevoelde veel 
voor het amendement van de heer Daams, omdat men dit va-
cuüm moet kunnen opvangen. Dat is bij de huidige wets-
tekst niet mogelijk. Het is allerminst de bedoeling — de ge-
achte afgevaardigde de heer Daams heeft het ook zegd — 
die verlenging van twee weken te wijzigen in een verlenging 
van drie maanden. Er staat hier uitdrukkelijk: in bijzondere 
gevallen. Die bijzondere gevallen zie ik zo, dat het alleen 
mogelijk moet zijn, wanneer men geen andere mogelijkheid 
heeft om het kind op te bergen. 

Over de geestelijke verzorging zal ik gaarne bij de behan-
dcling van het amendement, dat de geachte afgevaardigde de 
heer Daams heeft ingediend, maar waarvan ik de tekst nog 
niet voor mij heb, nog enkele opmerkingen maken. Het eer-
ste gedeelte van het amendement is wat de strekking ervan 
betreft mij bekend, omdat de gedachte reeds is uitgesproken. 
Zoals ik ai in eerste termijn gezegd heb, voel ik hier weinig 
voor, omdat al gebleken is, nu ook uit het antwoord van de 
Minister, dat er aan bijeenkomsten alsnog geen behoefte is, 
maar ik wil daarover gaarne straks nog iets zeggen. 

De heer Van Doorn (K.V.P.): Mijnheer de Voorzitter! Ik 
zal mij •—- dat moet ik wel — zeer beperken. Ik wil in de 
eerste plaats zeggen, dat ik niet heb genoteerd — het is mij 
misschien ontgaan —, dat de Minister zeer in het algemeen 
bereid is te bevorderen, voor zoveel nodig in samenwerking 
met de hierbij het meest betrokken ambtgenoten, dat er over 
enkele wat belangrijkere punten nog eens nader gestudeerd 
wordt. Overigens zijn dit punten, die wij wellicht ook eens in 
de contacten van de vaste commissie met de Minister aan de 
orde kunnen stellen. Wanneer de Minister het dus op het 
ogenblik niet direct zou aandurven om wat dit betreft vol-
ledige toezeggingen te doen, omdat hij nog overleg wil plegen, 
stel ik mij voor daarop in ander verband terug te komen. Ik 
acht deze kwestie van de nadere bestudering van de alge-
mene problematiek, van de vraagstukken ten aanzien van de 
meest wenselijke ontwikkeling voor wat de kinderbescherming 

Deel II Zitting 1960—1961 

TWEEDE KAMER 




Herziening van het kinderstrafrecht en het kinderstrafprocesrecht, enz. <i2sle vergadering - 27 april '61 271 

Van Doorn 

betreft, in het algemeen de plaats van onze kinderwetgeving 
in onze gehele wetgeving, van zodanig belang, dat wij over 
deze zaken naar mijn mening in de komende jaren venier 
zullen moeten kunnen praten, liefst aan de hand van daartoe 
uitgelokte studies. 
!k ben dankbaar voor het feit, dat de Minister het grote 
belang ervan heeft onderstreept, dat wij kunnen beschikken 
over goede kinderrechters. Ik geloof, dat ik hierop niet verder 
behoef in te gaan, maar ik constateer met verheugenis, dat 
men voornemens is ook in de komende jaren dit grote belang 
zeer nauwkeurig in het oog te houden op het departement; 
het is klaarblijkelijk in uitzonderingsgevallen — dat wil ik wel 
aannemen — weleens gebeurd, dat men de benoeming heeft 
bevorderd van rechters, die niet bij uitstek geschikt geacht 
kunnen worden voor het ambt van kinderrechter. 
Er is door de Minister gesproken over de straf van het 
arrest. Hij heeft geruststellende mededelingen gedaan. Voor 
dat arrest zouden de particuliere inrichtingen zoveel mogelijk 
worden ingeschakeld. Ik meen daaruit te mogen opmaken, 
dat men niet denkt aan het opbergen voor korte tijd bij 
wijze van executie van de arreststraf in politiegevangenissen, 
maar dat men zoveel mogelijk zal moeten bevorderen, dat 
de executie plaatsheeft op een wijze, die sociaal gesproken vol-
ledig verantwoord is. 
Daarnaast heeft de Minister gelukkig ook gemeend te 
mogen toezeggen, dat zal worden bevorderd de mogelijkheid 
van een snelle executie van deze straffen, die natuurlijk eigen-
lijk helemaal verkeerd uitkomen, wanneer zij inderdaad niet 
snel zouden kunnen worden geëxecuteerd. 
Voor wat betreft de kwestie van de bewijzen omtrent het 
gedrag ben ik het gaarne eens met de laatste solutie, zoals 
zij nu is te vinden in het nieuwe amendement van de heer 
Daams. Daarop komen wij dus wellicht bij de behandeling 
van de amendementen nog terug, maar het lijkt mij een ver-
standige tussenweg. 
Voor wat aangaat de opvangtehuizen ben ik minder tevreden 
met het standpunt, dat van achter de regeringstafel is ingeno-
men. Er is, als ik het wel heb, zeer vastgehouden aan de gedach-
te, dat deze opvangtehuizen niet zouden kunnen zijn, althans 
niet zouden moeten zijn in het algemeen tehuizen op levens-
beschouwelijke grondslag. 
Ik kan daar uiteraard op zich wel begrip voor opbrengen, 
maar mijn vraag luidde of de Minister hier zou willen verklaren, 
dat het op zich mogelijk geacht moet worden dat opvang-
tehuizen op levensbeschouwelijke grondslag zouden worden op-
gericht. Ik zou er toch wel zeer op willen aandringen, dat althans 
de Minister hier in principe zou willen erkennen, dat een derge-
lijke mogelijkheid niet zonder meer uitgesloten geacht behoort 
te worden. Dat is te meer van belang, als wij toch moeten ver-
wachten, dat zich nu en dan, zij het in bijzondere gevallen, de 
situatie zal kunnen voordoen, dat een langere verblijfsduur no-
dig is. 
Ik wacht op dit punt dus graag nog de nadere beantwoording 
van de Minister af. 

Ik zou over de belangrijke zaak van de geestelijke verzor-
ging op dit ogenblik niet willen spreken. Wij krijgen daartoe 
zo nodig gelegenheid bij de behandeling van de amendementen. 

Rest mij mijn bijzondere erkentelijkheid aan het adres van 
de Minister te betuigen in het algemeen voor de toelichting, die 
hij bij zijn verdediging heeft willen geven. Hij is deze verdedi-
ging geëindigd met zeer treffende woorden, waaruit wel degelijk 
blijkt hoezeer hem — en ik heb daaraan geen ogenblik getwij-
feld — het geheel van de kinderwetgeving en de kinderbescher-
ming ter harte gaat. Met name ben ik hem erkentelijk voor zijn 
mededeling inzake zijn voornemens op het stuk van de subsi-
diëring. Dat is wel een woord, dat wat zakelijk aandoet, maar 
het is eigenlijk merkwaardigerwijze een van de allerwezenlijk-
ste zaken van de gehele materie, die wij nu behandelen, omdat 
zonder een behoorlijke, zeer ruimhartige subsidiëring het werk 
in de kinderbescherming niet van een behoorlijke kwaliteit kan 
zijn. 

Van Doorn e. a. 

De Minister nu heeft medegedeeld, dat hij van mening 
is, dat hij de mogelijkheid om maxima te bepalen uitsluitend 
nog zou behoeven uit begrotingstechnische overwegingen en 
dat hij verder van mening is, dat deze maxima niet onder de 
reële en redelijke kosten zullen mogen uitkomen. Daarvoor ben 
ik hem dankbaar en het leidt mij ertoe af te zien van de gedach-
te op artikel 12 een amendement in te dienen. 

Daarnaast is door de Minister toegezegd het invoeren van 
een ander subsidiesysteem voor wat betreft de z.g. subsidiekin-
deren, een naar woord voor een belangrijke zaak. Ook daarin 
ligt, geloof ik, zeer veel positiefs en wij mogen — en dat gaat 
dan vooral over de belangen van het werk van de voogdijinstel-
lingen, laat ik het beter zo zeggen: over de belangen van de kin-
deren, die worden geplaatst door voogdijinstellingen •— dus met 
erkentelijkheid en vertrouwen, als ik de Minister goed begre-
pen heb. de komende tijd tegemoet zien. Er zal daardoor ein-
delijk bereikt kunnen worden —„eindelijk" is misschien een wat 
te scherpe woord —, maar bereikt kunnen worden, dat er 
een verdere voortgang naar boven zal zijn op het stuk van de 
kwaliteit van het werk, dat voor deze bedreigde kinderen ge-
schiedt. 

De heer Berkhouwer (V.V.D.): Mijnheer de Voorzitter! 
Ik wil gaarne beginnen met mijn erkentelijkheid te betuigen 
voor al hetgeen de Minister in zijn beantwoording heeft ge-
steld. Ik ben het met de Minister eens, dat dit een bijzonder 
belangrijk stuk wetgeving is. Ik stel mij zo voor, dat men in 
vroeger jaren, toen men in 1901 de toenmalige kinderwetten 
behandelde, daar veel langer over heeft gedaan. Wij doen dat 
nu eenmaal tegenwoordig heel wat sneller. Dat neemt echter 
niet weg, dat ik het met de Minister eens ben, dat de jeugd-
berechting als deel van de vorming van de jeugd een bijzonder 
belangwekkend onderwerp, een belangrijke zaak is. 

Ik heb tot mijn genoegen gehoord, dat de Minister in een 
vorige kwaliteit ook veel heeft meegedaan aan de jeugd-
rechtspraak, als ik dat zo mag noemen. Zo is het mij in het 
verleden ook gegaan. Voor één gehele kinderrechtzitting 
werd dan één raadsman aangewezen en deze kreeg alle dos-
siers. Dat was altijd zeer plezierig. Men zat daar dan met 
iemand van de kinderbescherming, met de kinderrechter. Dat 
was altijd een bijzonder aangename ervaring. Ik herinner mij 
nog, dat het in het begin van mijn praktijk altijd op maandag 
was; ik vond het altijd een plezierige aanvang van de week 
om een kinderrechtzitting te mogen waarnemen. Een recente 
ervaring was heel wat anders dan vroegere ervaringen. Ik had 
dezer dagen het voorrecht om een verdachte te mogen bij-
staan, die te zamen met twee andere jongetjes een bord, aan-
duidende het verbod te parkeren, had verwijderd. Die drie 
jongetjes werden alle drie ter zitting van de kinderrechter ge-
bracht. Het betrof, geloof ik, een schade van f 4. Er werden 
drie afzonderlijke raadslieden toegevoegd aan ieder van die 
kinderen. Ik heb toen de zaal verlaten, nadat de kinderen met 
een berisping huiswaarts waren gegaan, met de kinderrechter 
mede te delen, dat ik vond, dat het een zeer dure dag 'was 
geweest voor het Rijk. hetgeen zij, want het was in dit geval 
een vrouwelijke kinderrechter, beaamde. 

Mijnheer de Voorzitter! Wat betreft de door de Minister 
benoemde commissie tot onderzoek van de toestanden in de in-
richting te Amersfoort, hoop ik, met de heer Meulink overi-
gens, dat deze commissie waar zal maken, dat deze vol-
maakt onafhankelijk zal zijn, met name dus van degenen, 
die betrokken zijn bij de uitoefening van het kindertoezicht ten 
departemente. 

Ik kom nu nog tot enige hoofdpunten van de zaak, waarmee 
wij ons bezighouden, en heb dan in de allereerste instantie 
het genoegen ons geëerd medelid jonkvrouwe Wttewaall van 
Stoetweeen een ogenblik te ontmoeten, die mij even heeft 
gemeend te moeten verdenken van een, wat ik dan misschien 
ook ietwat catechistisch zou mogen noemen, een hardigheid 
des harten. Ik kan haar verzekeren, dat die mij volmaakt 
vreemd is. en het is misschien meer een uitlokking geweest 

Deel II Zitting 1960—1961 

TWEEDE KAMER 




2712 62ste vergadering - 27 april '61 

Herziening van het kinderstrafrecht en het kinderstrafprocesrecht, enz. 

Berkhonwer 
om in dit debat enige levendigheid te brengen, dat ik haar hier 
op dit punt mag ontmoeten. Ik heb het helemaal niet gehad, 
althans het niet willen hebben over kinderen — ik hoop al-
thans, dat de geachte algevaardigde het heeft willen laten 
'.laan op kinderen —, onbekwaam tot enig goed. Ik heb het 
natuurlijk helemaal niet zo willen stellen, dat er al jonge 
kinderen /ouden zijn, die eens en vooral onbekwaam zouden 
zijn tot enig goed. Ik wil jeugdige kinderen helemaal niet 
dermate gepredestineerd achten, om dan even in deze cate-
gorie te blijven denken. Ik heb een kort historisch overzicht 
gegeven van de toestand zoals deze was onder de Code Pénal. 
Dat heeft ook de Minister gegeven. Ik heb, wat betreft de 
12-jarige leeftijd, alleen willen zeggen, dat zich gevallen kun-
nen voordoen, dat ik er niet voor zou willen terugdeinzen 
om de kinderrechter de bevoegdheid te geven om een repres-
sieve invloed uit te oefenen, omdat ik van oordeel ben, dat er 
zich gevallen kunnen voordoen, dat er wel is de beschutting, 
de omheining van het gezin, maar dat een enkel kind erbuiten 
is getreden en heelt blijk gegeven van zodanig slechte ken-
tekenen, dat een zachte terechtwijzing van de kinderrechter 
— ik heb natuurlijk helemaal niet aan draconische maat-
rcgclen gedacht —-, ook penaal van nut zou kunnen zijn. 
Het woord ,.kritiek op de kwestie van de 12-jarige leeftijd" 
uit de mond van de Minister is misschien iets te veel geweest. 
Ik heb er alleen een kanttekening bij willen plaatsen in het 
1'cht van de historische ontwikkeling. Omstreeks 1900 wordt 
de eis van een minimumleeftijd afgeschaft, nu voeren wij deze 
weer in. Over 50 jaar of misschien eerder zal wellicht moeten 
worden erkend, dat deze stap terug niet juist is geweest, aan 
de hand van de inzichten, die dan misschien weer de overhand 
hebben gekregen. Ik heb ter illustratie daarvan al enkele re-
cente wetenschappelijke bijdragen geciteerd. 
Wat mijn amendement betreft — wij hebben in de laatste 
dagen o.a. met de Wet op het afbetalingsstelsel zoveel wets-
tcchniek met elkaar beoefend, dat het mij in de warmte van 
dat moment was ontgaan —, kan ik ieder en met name de 
Minister geruststellen. Overigens zal de Minister met zijn be-
kwame staf van ambtenaren al hebben vastgesteld, dat du 
moment, dat men niet is tegen de leeftijdsgrens van 12 jaar, 
mijn amendement op het tweede artikel van louter tech-
nische waarde is. In artikel 77a staat, dat niemand beneden 
de 12-jarige leeftijd kan vervolgd worden. Welnu, dan is het 
overbodig in artikel 77b nog eens te releveren, dat met iemand, 
die 12 jaar is, maar nog geen 18 jaar, wat kan gebeuren, want 
dat staat al in 77a. Men kan het dus in 776 rustig weg-
laten. Men kan daar zeggen, dat op iemand, die nog geen 
18 jaar is, de volgende maatregelen kunnen worden toegepast. 
Het spreekt dan vanzelf, dat hij, al is hij dan geen 18 jaar, in 
ieder geval 12 jaar moet zijn, want dat wordt al gestipuleerd 
door het voorafgaande artikel 77A, zodat dit amendement zijn 
waarde houdt, zij het dan als een amendement van technisch 
karakter. Zou men artikel 77w hebben afgestemd, dan zou 
het als consequentie van die afstemming moeten volgen, maar 
het heeft nu alleen zuiver technische waarde. 
De satisfactie, die de Minister mij dacht te geven met de 
wijziging van de vervangende tuchtstraf door er een maxi-
mum, een bodem, in te leggen, heb ik natuurlijk gekregen. 
Ik heb al aanstonds gesteld, dat het een ietwat academisch 
karakter heeft, maar voor academici, als wij toch blijven, is 
het niet onaardig, dat de Minister en ik elkaar op dit punt 
hebben gevonden. De satisfactie van de aanvaarding van 
mijn observatie is dus bij mij zeker aanwezig. 
De Minister heeft mij niet in alle opzichten bevredigd. Dat 
zou ook moeilijk helemaal mogelijk zijn. Het zou iedere con-
troverse uit dit debat lichten. Maar ik acVt het in mijn amen-
dement aan de orde gestelde punt betreffende de voorwaar-
delijke beëindiging van de terbeschikkingstelling door de 
rechter toch een belangrijk punt. De situatie is deze, dat, als 
een minderjarige ter beschikking van de Regering is gesteld, 
de Regering op ieder moment die terbeschikkingstelling kan 
beëindigen. De Regering behoeft daar zelfs de rechter, die 
Deel II Zitting 1960—1961 
Berkhouwer e. a. 

de straf heeft opgelegd, niet over te horen, hetgeen hier en 
daar toch een tekortkoming kan worden geacht, maar daar 
/al ik het niet over hebben. 

Nu is het zo, dat de rechter, die die maatregel heeft opge-
legd, er om de twee jaar dan nog een keer aan te pas komt, 
nl. alleen bij de nacontrole, als ik het zo mag noemen. Nu 
zegt de Minister: Die rechter, die de terbeschikkingstelling 
eenmaal heeft opgelegd, weet niet beter dan dat zij zal hl ij -
ven voortbestaan tot het 21ste jaar. Dat weet ik nog niet, 
Mijnheer de Voorzitter, want die rechter weet wel dege-
lijk, dat de administratie dat eerder kan doen. Er is zelfs 
hier en daar bij de rechterlijke rnacht een zekere angst, dat 
men dit ook doet; er is in dit opzicht sprake van een zekere 
ongerustheid; wij kennen daarvan voorbeelden. Aan die angst 
is zelfs op terechtzittingen in het openbaar uiting gegeven 
door de rechterlijke macht. Dat betrof het voortijdig doen 
beëindigen van terbeschikkingstellingen, zowel ten aanzien 
van minderjarigen als ten aanzien van meerderjarigen, in 
strafrechtelijk opzicht. Is het nu zo erg, Mijnheer de Pre-
sident, om een rechter, die dus om de twee jaar zijn nacon-
trole uitoefent, niet te verplichten het alleen maar onvoor-
waardelijk te doen, doch hem ook de facultatieve bevoegdheid, 
dus helemaal niet de verplichting, te geven, in bepaalde ge-
vallen te zeggen: ,,Nu dubieer ik toch even; is deze minder-
jarige daarvoor nu rijp of niet; is het genezingsproces al ver 
genoeg gevorderd, dat ik hem onvoorwaardelijk uit de ter-
beschikkingstelling kan ontslaan, of kan ik het niet beter doen 
onder voorwaarde, dat ik nog wat nacontrole uitoefen?". 
Ik geloof, dat het toch alleszins aan te bevelen is in dergelijke 
gevallen de rechter nog een soort van lichtere nacontrole te 
geven, in die zin, dat hij kan zeggen: „Ik wil het met deze 
jongen proberen; die ontslaan wij dus voorwaardelijk uit de 
terbeschikkingstelling van de Regering, onder die en die voor-
waarden, die dan door de Raad voor de Kinderbescherming 
moeten worden getolereerd.". 

De Voorzitter: Hora est. 

De heer Berkhouwer (V.V.D.): Mijnheer de President! Ik 
moge dat hora dan wellicht met een minuut overschrijden. 

Ik zou de 18- tot 21-jarigen ook voor de jeugdberechting 
in aanmerking willen doen komen, als het niet alleen betreft 
de persoon, maar ook de geringe ernst van het gepleegde feit 
en de omstandigheden. De Minister heeft gezegd: Wij denken 
hier speciaal aan debiele jongens tussen 18 en 21 jaar. Daar 
denk ik nu juist niet aan. Ik denk aan het voorbeeld van een 
jonge arbeider, die een beitel of een hamer heeft gestolen, 
die niet anders kan worden berecht dan op de zitting van de 
politierechter, terwijl ik vind, dat de omstandigheden, waar-
onder het vergrijp is gebeurd, alsmede de geringe ernst van 
het vergrijp, het wettigen, dat het openbaar ministerie in de 
gelegenheid wordt gesteld dit af te doen in de besloten zit-
ting van de jeugdrechter, zodat de zaak dan nog niet dadelijk 
behoeft te worden prijsgegeven aan de openbaarheid van de 
zitting van de politierechter. Ik geloof, dat dit een nuttige fa-
culteit is; het is ook weer helemaal niet een verplichting. Ik 
denk bij voorbeeld ook aan een student, die een boek ver-
vreemdt uit een bibliotheek. Ik noemde al het voorbeeld van 
een jonge arbeider, die een klein instrument uit de fabriek 
medeneemt. Ik geloof, dat het heel nuttig zou zijn, dit zo te 
doen. Ik geloof beslist, dat dit een verbetering zou zijn. Ik 
hooi? daarom, dat de Minister alsnog bereid zal zijn, hierme-
de in te stemmen. In het andere geval zou het mij spijten, als 
ik over die twee punten een uitspraak van de Kamer zou 
moeten uitlokken, hetgeen de consequentie zou zijn, ind'en de 
Minister zich hiermede niet zou kunnen verenigen. 

De heer Beerman, Minister van Justitie: Mijnheer de Voor-
zitter! De geachte afgevaardigde de heer Daams heeft gevraagd 
of ik bereid zou zijn toe te zeggen ook de coördinatie in de 
particuliere takken van de kinderbescherming te bevorderen. 

TWEEDE KAMER 
\ 




Herziening van het kinderstrafrecht en het kinderstrafprocesrecht, enz. 62ste vergadering - 27 april '61 2713 

Minister Beerman 

Ik zeg hem dit gaarne toe. Het spreekt vanzelf, dat het De-
partement van Justitie ermede is gebaat, als er zoveel mogelijk 
efficiency is in de particuliere takken van de kinderbescher-
ming. 
Ten aanzien van de kledingregcling kan ik slechts herhalen, 
dat de situatie, waarvoor de geachte afgevaardigde de heer 
Daams beducht was, nl. dat meer dan één departement onder-
ling verschillende regelingen zou geven bij voorbeeld ten op-
zichte van de kleding in de inrichting, zich niet voordoet. 
Wat het strafblad betreft, geloof ik, dat het beter is die 
kwestie te bespreken, als de amendementen aan de orde wor-
den gesteld. 
Ik blijf erbij, dat ik het niet erg toejuich, dat ten aanzien 
van deze materie de objectieve normen van de Wet op de 
juridische documentatie, zoals die zijn aangepast voor minder-
jarigen en ook nog weer zijn gewijzigd bij deze wet, overboord 
gaan. 
Nu heeft de heer Daams opgemerkt: ja, maar Gij voert de 
nieuwigheid in, dat Gij de maatregel van de terbeschikking-
stelling wel laat aantekenen op het strafblad. 
Mijnheer de Voorzitter! Dit is in de opzet van deze wet 
logisch. Wij hebben hier formeel te maken met een maatregel, 
die ten aanzien van minderjarigen ook dikwijls wordt toege-
past op diegenen, die van een zekere criminele neiging heb-
ben blijk gegeven. Waar de grens tussen het civiele kinder-
recht en het kinderstrafrecht minder scherp getrokken wordt 
dan in het voor volwassenen geldende strafrecht en burger-
lijk recht, is het begrijpelijk, dat een maatregel, die in vele 
gevallen tot grondslag heeft een crimineel handelen, wordt 
aangetekend op het strafblad van minderjarigen, zij het, dat 
het geheel van alles, wat ten aanzien van minderjarigen op 
het strafblad komt, wordt teruggebracht tot een termijn van 
vier jaar, voor zover het betreft misdrijven. Men moet dus 
wel goed zich voor ogen houden, dat het uitsluitend gaat om 
misdrijven. 
De heer Daams heeft voorts nog gesproken over de even-
tuele verlenging van de termijn van observatiehuizen, die 
thans bedraagt vijf maanden. Ik zou ervoor willen waar-" 
schuwen, dat men met de termijnen niet te veel gaat schuiven, 
want wanneer wij nu enerzijds krijgen een verlenging van de 
termijnen in de opvangtehuizen en dan nog een verlenging in 
de observatietehuizen, dan duurt het steeds langer voordat een 
minderjarige komt in de inrichting, die bestemd is voor her-
opvoeding. 
Dat een ambtenaar van het departement carte blanche zou 
hebben gegeven voor de beschikbaarstelling van fondsen, lijkt 
me hoogst onwaarschijnlijk. Ik geloof, dat zelfs de portier van 
het Departement van Justitie een dergelijke carte blanche niet 
zou uitreiken. 

De heer Berkhouwer (V.V.D.): Dat is ook de allerlaatste, die 
het zou mogen. 

De heer Beerman, Minister van Justitie: Daarom zou hij het 
misschien juist het eerst doen. 

De geachte afgevaardigde de heer Meulink heeft gewezen 
op het probleem, dat het op het ogenblik niet mogelijk is de 
terbeschikkingstelling van een minderjarige, die meerderjarig is 
geworden, te bestendigen. Dit probleem vereist inderdaad een 
oplossing; ik herhaal, dat deze zaak mijn aandacht heeft, maar 
de suggestie een desbetreffende regeling in artikel lis zonder 
meer onder te brengen, brengt toch geen reële oplossing. Men 
zal zich moeten afvragen welke rechter over de verlenging be-
slist. Dit is toch niet de kinderrechter. De man is inmiddels 
meerderjarig geworden en dan kan hij niet zonder meer wor-
den teruggebracht in de sfeer van de kinderrechter. Er zou een 
meer weloverwogen regeling moeten worden getroffen, waar-
uit blijkt, bij welke rechter men terechtkomt, de rechter van het 
arrondissement van zijn woonplaats, als hij die heeft, of de 
rechter van het arrondissement, waar het gesticht is gevestigd. 
In ieder geval zijn hier verschillende aspecten, die een nadere 
regeling behoeven. 

De geachte afgevaardigde de heer Daams heeft mij nog ge-
vraagd of het mijn bedoeling is, verder overleg te plegen met 
de vaste Commissie voor Justitie. Dit is wel mijn bedoeling. 

Jonkvrouwe Wttewaall van Stoetwegen heeft gesproken over 
het arrest en mij gevraagd uit te spreken, dat ik het niet ge-
wenst acht, dat het arrest wordt ten uitvoer gelegd in een huis 
van bewaring. Hiermee ben ik het geheel eens; ik zou dit slechts 
in zeer bijzondere noodgevallen willen doen. Hier geldt uiter-
aard, dat, hoe jonger de minderjarige delinquent is, hoe meer 
ongewenst het is het arrest ten uitvoer te leggen in een huis 
van bewaring. 

Wat de geachte afgevaardigde de heer Van Doorn betreft, 
kan ik mededelen, dat, omdat ik wel begrip heb voor het pro-
bleem van de afbakening van de taken, ik bereid ben, overleg 
en gezamenlijke studie met mijn ambtgenoten ten aanzien van 
een afbakening in de toekomst te bevorderen en de gehele ont-
wikkeling van de justitiële en van de extrajustitiële kinderbe-
scherming te blijven volgen. 

Het is niet zo, dat ik de grenzen, zoals zij nu zijn getrok-
ken, bepaald niet voor wijziging vatbaar acht. Ik heb alleen 
in eerste aanleg nog eens uitdrukkelijk uiteengezet, dat het 
systeem van een algemene jeugdwet. dat misschien prima facie 
aantrekkelijk lijkt, grote bezwaren meebrengt, hetgeen blijkt 
wanneer men deze zaak doordenkt. Ook uit een oogpunt van 
wetssystematiek, want wanneer men met een algemene jeugd-
wet begint, verzamelt men inderdaad niet alleen justitiële 
kinderbescherming en extra-justitiële kinderbescherming, maar 
ook een stuk sociale wetgeving en een stuk onderwijswetgeving. 
Men krijgt dan dus een in de praktijk moeilijk te hanteren wet. 

Een ander punt, dat de heer Van Doorn zeer ter harte 
gaat, is de kwestie van de opvangtehuizen. Hij heeft mij ge-
vraagd instantelijk te verklaren, dat ik de oprichting van op-
vangtehuizen op levensbeschouwelijke grondslag niet uitgeslo-
ten acht. Wat moet ik daarop antwoorden? Ik begin met de 
geschiedenis te recapituleren. Ik heb het al gezegd: in dit 
opzicht wordt het de Minister wel moeilijk gemaakt. Men 
dient een wetsontwerp in, er is een uitvoerige schriftelijke 
behandeling, in de memorie van toelichting wordt uitdrukke-
lijk gezegd, dat die opvangtehuizen werkelijk zijn bedoeld om 
op te vangen in een noodsituatie; voorts, dat in ieder arron-
dissement zoveel mogelijk één opvangtehuis komt en dat 
het verblijf kort moet zijn. De commissie-Overwater heeft 
oorspronkelijk aangeraden de duur van het verblijf in een 
opvangtehuis op 14 da^en te stellen. In de memorie van toe-
lichting wordt gezegd, dat dit te kort is in verband met de 
eisen van de praktijk. Daar de termijn kort moet blijven, is 
er 1 maand van gemaakt. Dit treft men in vrijwel alle stuk-
ken aan; zonder dat er verzet uit de Kamer tesen rijst, wordt 
het karakter van de opvangtehuizen gehandhaafd. Toen ik het 
voorrecht had de laatste maal met de vaste Commissie voor 
Justitie overleg te plegen over het ontwerp-Beginselenwet, is 
daarvan ook een verslag gemaakt, dat mede de handtekening 
van de heer Van Doorn draagt. In de rechterkolom van blz. 2. 
lste alinea, kan hij lezen: 

„Een zodanig tehuis is nodig voor onmiddellijke tijde-
lijke opneming in een verantwoord milieu voor hen, wier 
bestemming nog niet is bepaald. Opvoeding en observatie 
is niet het doel. De opzet is, zo mogelijk in elk arron-
dissement een opvangtehuis beschikbaar te hebben, waar 
alle minderjarigen, van welke godsdienst of levensbe-
schouwing ook, kunnen worden geplaatst. Daarover be-
stond overeenstemming in de Nationale Federatie, mits de 
verblijfsduur zeer kort — veertien dagen — zou zijn. Uit 
exploitatie-overwegingen stelt het ontwerp de termijn op 
een maand. Tegen een langere termijn bestaat — afgezien 
van het bovenstaande — het bezwaar, dat de doorstroming 
zou stagneren en daarmede het karakter van het tehuis 
zou veranderen.". 

Wanneer de geachte afgevaardigde de heer Van Doorn mij 
vraagt om uit te spreken, dat er ook opvangtehuizen op levens-

Deel II Zitting 1960—1961 

TWEEDE KAMER 




271 4 62ste vergadering - 27 april '61 Herziening van het kinderstrafrecht en het kinderstrafprocesrecht, en/.. 

Minister Beerman e. a. 

beschouwelijke grondslag kunnen komen, dan vraagt hij mij dus 
in laatste instantie nl. hij de mondelinge behandeling, het net 
anders te verklaren dan in de gehele schriftelijke behandeling 
en in het mondeling overleg mei de vaste commissie is ge-
schted, Daartegen heb ik bezwaar. Ik wil toegeven, dat de wets-
tekst het niet uitsluit, maar dan zou zich een zo bijzonder geval 
moeten voordoen, dat de omstandigheden het voor de Minister 
rechtvaardigden om zich los te maken van alle gcdachten-
wisselingen omtrent dit ontwerp met de Kamer en met de 
vaste commissie. Ik geef toe, dat in theorie dit geval zich zou 
kunnen voordoen, maar ik leg de nadruk erop, dat het volgens 
mij meer theorie dan praktijk is en dat ik voorlopig geneigd 
ben, dat, wat de Nationale Federatie welbewust heeft over-
wogen en aanvaard als karakter van de opvangtehuizen, nu niet 
lichtvaardig prijs te geven en daarmede de systematiek van de 
wet op dit punt te ondergraven. 
De geachte afgevaardigde de heer Berkhouwer heeft mij ge-
vraagd mij uit te spreken over zijn amendement met betrekking 
tot de voorwaardelijke beëindiging van de terbeschikkingstelling 
door de rechter. 
Mijnheer de Voorzitter! Na hetgeen ik in eerste aanleg heb 
gezegd en verklaard omtrent het karakter van de interventie 
van de rechter en de taak van de rechter ten aanzien van de 
beëindiging, wil ik nogmaals erop wijzen, dat de rechter in-
grijpt, wanneer naar zijn mening de administratie de betrokkene 
onnodig te lang vasthoudt. Voorshands zie ik niet de behoefte 
om die rechter een voorwaardelijke beëindiging te laten uit-
spreken, omdat de tenuitvoerlegging in dit geval geheel bij 
de administratie ressorteert. Dit is dus anders dan bij een voor-
waardelijke veroordeling. Daarbij kan men de betrokkene onder 
toezicht stellen, maar beslist de rechter over de al dan niet 
naleving van de voorwaarden, verder niet. Gezien deze ratio 
van het ingrijpen, ben ik — het spijt mij — niet overtuigd 
door de argumenten, die de geachte afgevaardigde de heer 
Berkhouwer heeft aangevoerd. 
De algemene beraadslaging over beide wetsontwerpen wordt 
gesloten. 
De vergadering wordt te 3.26 uur namiddag geschorst en te 
3.45 uur hervat. 
In behandeling komt het wetsontwerp Herziening van het 
kinderstrafrecht en het kinderstrafprocesrecht (4141. nr. 20). 
Over dit wetsontwerp is de algemene beraadslaging reeds ge-
voerd. 
De Voorzitter: Ik stel voor, de in artikel I onder „Bijzondere 
bepalingen voor minderjarigen" en de in artikel III onder 
„Strafvordering in zaken betreffende minderjarigen, die ten 
tijde van het be ?aan van het feit de leeftijd van achttien jaren 
nog niet hebben bereikt" opgenomen artikelen afzonderlijk te 
behandelen. 

Daartoe wordt besloten. 

De heer Beerman, Minister van Justitie: Mijnheer de Voor-
zitter! Ik wil nog een paar nota's van wijziging indienen in 
verband met de toezeggingen, die ik heb gedaan. 

De vijfde nota van wijziging met betrekking tot het wets-
ontwerp Vaststelling van een nieuwe Beginselenwet voor de 
kinderbescherming en daarmede verband houdende wijzigingen 
in het Burgerlijk Wetboek is reeds vermenigvuldigd, de vijfde 
nota van wijziging met betrekking tot het wetsontwerp Her-
ziening van het kinderstrafrecht en het kinderstrafprocesrecht 
wil ik U ter vermenigvuldiging overhandigen. 

De Voorzitter: Ik deel aan de Kamer mede, dat is ingeko-
men een vijfde nota van wijzigingen, die betrekking heeft op 
het wetsontwerp nr. 4141, stuk nr. 23. 

De heer Beerman, Minister van Justitie: Mijnheer de Voor-
zitter! Ik heb op de griffie van Uw Kamer doen deponeren 
de vijfde nota van wijzigingen betreffende het wetsontwerp 
inzake de herziening van hel kinderstrafrecht en het kinder-
strafproecsrecht. 

De Voorzitter: Beide nota's zullen worden gestencild en 
rondgedeeld. 

In behandeling komt Artikel I. 

De aanhef van het artikel en artikel 77a worden achter-
eenvolgens zonder beraadslaging en zonder hoofdelijke stem-
ming aangenomen. 

Beraadslaging over artikel 77/), luidende: 

„Ten aanzien van de minderjarige, die ten tijde van het be-
gaan van een strafbaar feit de leeftijd van twaalf jaren, doch 
nog niet die van achttien jaren heeft bereikt, zijn de artikelen 
9—33a, 34, 36, 37, tweede en derde lid, 37a—37/, 43bis—44, 
45, tweede, derde en vierde lid, 49, eerste, tweede en derde lid, 
en 57—63 niet van toepassing. In plaats daarvan treden de bij-
zondere bepalingen vervat in de artikelen 77/—llkk", 

waarop door de heer Berkhouwer een amendement is voorge-
steld (stuk nr. 29, I), strekkende om te schrappen de woorden 
„twaalf jaren, doch nog niet die van" en achter het tweede 
woord „jaren" in te voegen: niet. 

De heer Berkhouwer (V.V.D.) verkrijgt het woord tot toe-
lichting van zijn amendement en zegt: Mijnheer de Voorzitter! 
Ik heb al gezegd, dat dit amendement, nu artikel 11a zo blijft, 
zuiver technisch is, en als ik het nog eens bekijk, vind ik het 
eigenlijk toch wel een verbetering, als wij de twaalf jaren eruit 
halen, waar wij juist in artikel 11a hebben gezegd: „Niemand 
kan strafrechtelijk worden vervolgd wegens een feit, begaan 
voordat hij de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt.". Wan-
neer men dan in artikel 11b spreekt over iemand, die de leef-
tijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, spreekt het toch van-
zelf, dat deze de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt. Ik kan mij 
niet voorstellen, dat de Minister het niet met mij eens is, dat 
het beter is die herhaling van de leeftijd van twaalf jaren weg 
te laten. 

Aangezien het amendement van de heer Berkhouwer (stuk 
nr. 29, 1) wordt ondersteund door. de heren Oud, Van Doorn. 
Welter, Van Th iel en B. P. van der Veen, maakt het een 
onderwerp van beraadslaging uit. 

De heer Beerman, Minister van Justitie: Mijnheer de Voor-
zitter! In artikel 11a wordt een bodem gelegd voor de straf-
rechtelijke berechting van minderjarigen. Artikel llh e.v. gaan 
dan differentiëren tussen de verschillende leeftijdsgroepen: de 
leeftijdsgroep van 12—16 jaar. een tussengroep van 16—18 
jaar en de mogelijkheid om in bijzondere gevallen boven de 
18 jaar uit te gaan. Ik geloof toch, dat het voor de leesbaarheid 
van de wet bepaald aanbeveling verdient deze opzet, nadat 
men de bodem heeft gelegd in artikel 77a, te handhaven. 
Ik zou bepaaldelijk willen aanraden de wet te laten zoals deze 
door de commissie-Overwater is ontworpen. Dit zal naar mijn 
stellige overtuiging de leesbaarheid ten goede komen. 

De heer Berkhouvter (V.V.D.): Ik wil dus gaarne die con-
cessie doen. Ik trek dit amendement dus in. 

Aangezien het amendement van de heer Berkhouwer (stuk 
nr. 29, I) is ingetrokken, maakt het geen onderwerp van be-
raadslaging meer uit. 

De beraadslaging wordt gesloten. 

Deel II Zitting 1960—1961 

TWEEDE KAMER 




Vaststelling van een nieuwe Beginselenwet voor de kinderbescherming, enz. (>2sle vergadering - 27 april '61 27 1 Ö 

Voorzitter e.a. 

Artikel 77/> wordt zonder hoofdelijke stemming aangenomen. 
Artikel 77c wordt zonder beraadslaging en zonder hoofde-
lijke stemming aangenomen. 
Beraadslaging over artikel 77d, luidende: 
„Ten aanzien van de minderjarige, die ten tijde van het be-
gaan van een strafbaar feit de leeftijd van achttien jaren heeft 
bereikt, zijn de bepalingen in de voorgaande titels vervat van 
toepassing. Niettemin kan de rechter recht doen overecnkom-
stig de artikelen 77/—77kk, indien hij daartoe grond vindt in 
de persoonlijkheid van de dader.", 
waarop door de heer Berkhouwer een amendement is voor-
gesteld (stuk nr. 29, II), strekkende om de punt aan het slot te 
vervangen door een komma en daarna toe te voegen: de 
geringe ernst van het feit of de omstandigheden, waaronder dit 
gepleegd is. 
De heer Berkhotiwer (V.V.D.) verkrijgt het woord tot toe-
lichting van zijn amendement en zegt: Mijnheer de Voorzit-
ter! Het betreft hier dus een amendement, dat ik wel dege-
lijk van groot materiaal gewicht acht. Het zou mij spijten, 
als de Minister en ik ons niet alsnog hierop zouden kunnen 
vinden. 
Artikel 77d zegt dus, dat op een minderjarige tussen de 
18 en de 21 jaar de jeugdberechting — ik noem het nu maar 
zo •— kan worden toegepast, wanneer de rechter daartoe 
grond vindt in de persoonlijkheid van de dader. 

Nu komt het mij voor, dat de gedachtensfeer, die door de 
Minister werd vertolkt — er werd b.v. gedacht aan een de-
biele jongen of een debiel meisje tussen de 18 en de 21 
jaar —, veel te beperkt is. 

Ik weet wel, dat de kantonrechter schuldig kan verklaren 
zonder oplegging van straf, wanneer de persoon en de om-
standigheden van de verdachte daartoe aanleiding geven. Ten 
aanzien van deze categorie van jonge mensen is dit zeer ge-
wenst. 

Onze jeugd begint toch hoe langer hoe langer te duren. Naar-
mate wij onze vergrijzing zien toenemen, neemt ook de jeugd 
in evenredigheid in duur toe. 

Ik neem nu het voorbeeld van een jonge man van 18 of 

19 jaar, die een kleinigheid in het bedrijf van zijn werkgever 
heeft gestolen, b.v. een student, die uit de bibliotheek een 
boek heeft ontvreemd. Geen ernstige gevallen: het zijn geen 
debiele jongens, op grond van de persoonlijkheid kan het dus 
niet. In zo'n geval moet een jongmens de ontering bespaard 
kunnen blijven terecht te staan voor de politierechter. Het is 
niet zo, dat ik een geval van een geringe overtreding, als 
de Minister noemde, b.v. het niet laten branden van licht, 
voor de kinderrechter zou willen terugbrengen; die treedt 
hier niet op; dan komt men voor de kantonrechter; dan komt 
men niet voor de kinderrechter. Het betreft hier gewone mis-
drijven, volgens het Wetboek van Strafrecht. En dan is het 
mogelijk dat het gewenst is, niet op grond van de persoon, 
maar op grond van de geringe ernst van het feit, en de 
omstandigheden, waaronder het is begaan, deze jeugdige 
delinquent niet te brengen voor de politierechter of enige 
andere volwassenenrcchter, maar voor de kinderrechter, ten 
einde hem die ontering te besparen. Immers, de zitting van 
de kinderrechter wordt gehouden met gesloten deuren en 
ook kunnen het openbaar ministerie en de kinderrechter zelf 
een nuttige en gunstige impressie uitoefenen op de delinquent, 
zonder dat deze voor de strafrechter terecht behoeft te staan. 
Ik acht deze uitbreiding van het grootste belang voor deze 
categorie van personen tussen 18 en 21 jaar, zodat jeugdbe-
rechting niet alleen op grond van debiliteit of van andere 
kwaliteiten of diskwaliteiten mogelijk is, maar ook op grond 
van het feit, dat het een feit is van geringe ernst of dat de 
omstandigheden daartoe aanleiding geven. 

Aangezien het amendement van de heer Berkhotiwer (stuk 
nr. 29, II) wordt ondersteund door de heren Oud, Van Doorn. 
Welter, Van Thiel en B. P. van der Veen. maakt het een 
onderwerp van beraadslaging uit. 

De heer Van Doorn (K.V.P.): Mijnheer de Voorzitter! Naar 
mijn mening ziet de heer Berkhouwer dit niet juist. Ik sluit 
mij geheel aan bij de zienswijze van de Minister. Men zou 
eigenlijk het systeem van het wetsontwerp bepaaldelijk door-
breken. Het gaat hier alleen om de vraag of de persoon, 
het individu, eigenlijk nog als een minderjarige zou moeten 
worden beschouwd. Los daarvan hebben wij te zien de feiten 
en de omstandigheden, waaronder het feit gepleegd is, en de 
vraag van de grotere of kleinere ernst. 

Ik ga op de opvattingen van de geachte afgevaardigde in-
zake de jeugdverlengingsmogclijkheden of -waarschijnlijk-
heden niet in; ik gevoel mij op dat terrein niet voldoende thuis; 
het lijkt mij niet een uitsluitend juridisch terrein toe, maar 
indien de geachte afgevaardigde gelijk zou hebben, zou dat 
aanleiding kunnen zijn zijnerzijds te betogen, dat de gehele 
leeftijdskwestie van 18 jaar een onjuiste bepaling zou zijn. 

Jonkvrouwe Wttcwaall van Stoetwegen (C.H.U.): Mijnheer 
de Voorzitter! Ik zou alleen willen zeggen, dat ik mij geheel 
bij de woorden van de heer Van Doorn kan aansluiten en 
dat ik deze verlenging van het kinderstrafrecht ook bepaalde-
lijk niet kan steunen. 

De heer Daams (P.v.d.A.): Mijnheer de Voorzitter! Ik wil 
gaarne ook even rechtvaardigen waarom ik meen dit amen-
dement niet te kunnen ondersteunen. Ik wil in dezen vooral een 
beroep doen op het spiegelbeeld, dat ik hierin zie met artikel 
77c, waarin de ernst van het begane feit is ingevoerd op 
grond daarvan, dat men over een 16- tot 18-jarige volwas-
senenrecht kan laten gaan. Dat is aanvankelijk voor ons een 
steen des aanstoots geweest, maar dat is te rechtvaardigen 
vanuit de gedachtengang, dat in het volwassenen recht die ernst 
van het begane feit een rol speelt. Ik geloof, dat men dan 
ook als spiegelbeeld, omdat het hier nu juist weer gaat om 
de toepassing van kinderrecht, in artikel 77rf de ernst van het 
feit buiten beschouwing moet laten. 

De heer Beerman, Minister van Justitie: Mijnheer de Voor-
zitter! Mijn taak is nog gemakkelijker na hetgeen bereids is 
opgemerkt door de geachte afgevaardigden de heer Van Doorn, 
jonkvrouwe Wttevvaall van Stoetwegen en de heer Daams. De 
voorbeelden, die de geachte afgevaardigde de heer Berkhouwer 
aanhaalde, vond ik niet gelukkig; men zou zijn betoog wellicht 
met betere voorbeelden kunnen adstrueren, maar ik zie in het 
streven van de geachte afgevaardigde een soort van overspan-
ning van het kinderrecht. Ik zou er nog op willen wijzen, dat, 
wanneer iemand iets heeft gestolen, b.v. een student, uit een 
bibliotheek en hij is 18 jaar, er alle mogelijkheid is van een 
voorwaardelijke niet-vervolging, van een sepo. De officier van 
justitie zal als regel overleg plegen. Wij hebben dan nog het 
gehele arsenaal van straffen. Daarom blijf ik erbij, dat ik zeer 
ernstig moet ontraden om de heer Berkhouwer in deze ge-
dachtengang te volgen. 

De heer Berkhouwer (V.V.D.): Mijnheer de Voorzitter! 
Dat de Minister mij niet volgt, vind ik niet zo erg, maar dan 
moet hij, zo komt het mij voor, het wel doen op grond van 
juiste argumenten. Bij mijn weten komt nl. in zodanige ge-
vallen boven de 18 jaar die berisping niet meer voor toepas-
sing in aanmerking. Dat kan dan misschien wel geschieden 
in het kabinet van mijnheer de officier van justitie in een ge-
sprek over de al of niet vervolgbaarheid, maar dat kan niet 
meer ter zitting. Wij treffen elkander eigenlijk op het punt, op 
grond waarvan men ervóór kan zijn, maar op grond waarvan 
de Minister ertegen is. De Minister zegt: Ten opzichte van die 
18- en 19-jarigen heb je toch het gehele arsenaal van berisping 

Deel II Zitting 1960—1961 

TWEEDE KAMER 




2716 62st6 vergadering - 27 april '61 Vaststelling van een nieuwe Beginselenwet voor de kinderbescherming, enz. 

Berkhouwer e.a. 

en al wat dies meer zij. Neen, dat heb je dan volgens mij 
juist niet meer. Daarom wilde ik die 18- tot 21-jarigen er juist 
hij trekken, ten einde die mogelijkheid te bieden. Helemaal weer 
niet verplicht, maar alleen voor het geval het zich voordoet. 
Ik geloof, dat er niets gevaarlijks mede bedreven wordt. Alleen 
maar weer even een uitbreiding van mogelijkheden, c'est tout. 
De heer Heerman, Minister van Justitie: Mijnheer de Voor-
zitter! Het betreft hier dus de maatregel van teruggave aan de 
ouders, zonder enige strafoplegging. De gedachte is ongeveer 
geweest die, welke voor volwassenen geldt bij de rechtspraak 
van de kantonrechter, nl. het schuldig verklaren zonder toe-
passing van straf. Daar wordt het gerechtvaardigd ten aanzien 
van volwassenen bij geringe feiten onder bepaalde omstandig-
heden. Ten aanzien van het brengen van een strafrechtelijk 
meerderjarige in de sfeer van het kinderstrafrecht is alleen 
beslissend en maatgevend de bijzondere pcrsoonlijkheidsstruc-
tuur van de delinquent. Daat gaat het in wezen om. En de 
elementen, die de geachte afgevaardigde de heer Berkhouwer 
hier in het geding brengt, zijn voor deze vraag niet relevant. 
De Voorzitter: Ik verzoek de vaste Commissie voor Justitie 
haar oordcel over het amendement van de heer Berkhouwer 
(stuk nr. 29, 11) mede te delen. 
De heer Oud, voorzitter van de vaste Commissie voor Jus-
titie: Mijnheer de Voorzitter! Van de aanwezige leden van de 
commissie zijn er vijf tegen het amendement en drie ervóór. 
De Voorzitter: Ik geef het woord aan de heer Berkhouwer. 
die het mij gevraagd heeft. 
De heer Berkhouwer (V.V.D.): Mijnheer de Voorzitter! 
Niet overtuk'd door Zijne Excellentie, maar wel met het oog 
op de stemmenverhouding in de vaste Commissie voor Justitie 
heb ik de eer mijn amendement in te trekken. 
De Voorzitter: Aangezien het amendement van de heer 
Berkhouwer c.s. is ingetrokken, maakt het geen onderwerp van 
beraadslaging meer uit. 
De beraadslaging wordt gesloten. 

Het artikel wordt zonder hoofdelijke stemming aangenomen. 

De artikelen 77c en 77/ worden achtereenvolgens zonder be-
raadslaging en zonder hoofdelijke stemming aangenomen. 

Artikel lig wordt aangehouden. 

De artikelen llh tot en met 77/ worden achtereenvolgens 
zonder beraadslaging en zonder hoofdelijke stemming aange-
nomen. 

Artikel llm wordt aangehouden. 

Artikel 77« wordt zonder beraadslaging en zonder hoofde-
lijke stemming aangenomen. 

Artikel 77o wordt aangehouden. 

Artikel lip wordt zonder beraadslaging en zonder hoofde-
lijke stemming aangenomen. 

Beraadslaging over artikel llq, luidende: 

,,De maatregel van terbeschikkingstelling van de Regering 
eindigt uiterlijk op het tijdstip, waarop de minderjarige meer-
derjarig wordt. 

De terbeschikkingstelling kan te allen tijde van regcrings-
wege voorwaardelijk of onvoorwaardelijk worden beëindigd. 

Voor zover de terbeschikkingstelling niet eerder van rege-
ringswege onvoorwaardelijk is beëindigd, onderzoekt de rech-

Voorzitter e.a. 

ter, die de maatregel heelt opgelegd, telkens na verloop van 
twee jaren, of de terbeschikkingstelling door het belang van de 
minderjarige nog wordt gevorderd. Het openbaar ministerie 
brengt de zaak tijdig aan. De rechter beslist zo spoedig moge-
lijk. Indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft, wordt de 
terbeschikkingstelling door de rechter onvoorwaardelijk be-
eindigd.", 

waarop door de heer Berkhouwer een amendement is voorge-
steld (stuk nr. 29, III), strekkende om in de voorlaatste regel 
na het woord „rechter" in te voegen: voorwaardelijk of. 

De heer Berkhouwer (V.V.D.) verkrijgt het woord tot toe-
lichting van zijn amendement en zegt: Mijnheer de Voorzitter! 
Het gaat hier dus om de vraag, of de rechter ook de terbe-
schikkingstelling moet kunnen beëindigen in de voorwaarde-
lijke vorm. De Minister heeft zoeven gezegd: Als de rechter een 
einde maakt aan de terbeschikkingstelling, geeft hij de minder-
jarige toch weer terug aan de administratie. Ik geloof, salva 
reverentia, dat de Minister dit niet geheel juist ziet. Wat is 
de praktijk? De administatie kan de ter beschikking gestelde 
minderjarige op ieder moment hetzij voorwaardelijk, hetzij 
onvoorwaardelijk in vrijheid stellen. Daarnaast hebben wij 
om de twee jaar de nacontrole van de rechter. Het open-
baar ministerie brengt de betreffende minderjarige voor de 
kinderrechter en deze bekijkt, of de terbeschikkingstelling moet 
worden beëindigd. Nu zou ik het een stringente inperking van 
het arsenaal van middelen van de kinderrechter vinden, als 
deze verplicht was, als hij ertoe geneigd is, de terbeschikking-
stelling onvoorwaardelijk te beëindigen. Ik kan mij namelijk 
zeer wel de situatie voorstellen, dat zowel het openbaar minis-
lerie als de rechter, gezien de stukken en de rapporten uit de 
inrichting, geneigd is te zeggen: Ja, met deze minderjarige 
zouden wij het weleens kunnen proberen, maar laten wij dan 
toch, gedekt door een ruggesteun van de Raad voor de Kin-
derbescherming, Pro Juventute, de Katholieke Reclasserings-
vereniging of iets van dien aard, zeggen: Ja, jongeman, wij 
vinden goed, dat U uit het gesticht gaat; wij zullen het pro-
beren, maar op die en die voorwaarden, o.a. op voorwaarde, 
dat gij U regelmatig in verbinding stelt met de betreffende 
reclasseringsvereniging. Ik kan mij niet voorstellen wat de 
Minister hier in gemoede tegen kan hebben. Men verplicht 
de rechter niet om het te doen; men geeft hem alleen een 
faculteit, een extrafaculteit, waarmede alle betrokkenen zelfs 
gebaat kunnen zijn. Wat pleit er nu voor, als men zegt: 
laten wij het proberen met die jongen, dat men öf die jongen 
terug moet sturen óf hem helemaal los moet laten? Het is 
toch juist in het belang van die jongen en ook in het belang 
van de maatschappij, dat men op een gegeven moment kan 
zeggen: wij laten die jongen lopen, maar onder toezicht van 
die of die reclasseringsvereniging. Ik begrijp het niet, Mijnheer 
de Voorzitter. Wat de Minister hier heeft gezegd, nl. dat als 
de rechter het zou doen, het toch helemaal weer in handen is 
van de administratie, komt mij bepaald voor niet geheel juist 
te zijn, want dan is het uit de administratie, maar onder toe-
zicht van de betreffende vereniging. Ik vind dit in de kern 
toch wel van een zodanig belang, ook in de verhouding 
rechter—administratie, dat men de administratie van alles en 
nog wat toevertrouwt, terwijl men deze heel eenvoudige voor-
waardelijke mogelijkheid niet aan de rechter zou kunnen toe-
vertrouwen, dat ik mij op dit punt, als de Minister hierop van 
zijn kant zou blijken te persisteren, toch genoopt acht het oor-
deel van de Kamer te vragen. 

Aangezien het amendement van de heer Berkhouwer (stuk 
nr. 29, III) wordt ondersteund door de heren Oud. Van 
Doorn, Welter, Van Thiel en B. P. van der Veen, maakt het 
een onderwerp van beraadslaging uit. 

De heer Van Doorn (K.V.P.): Mijnheer de Voorzitter! Ik 
acht het niet onmogelijk, om niet te zeggen: tamelijk waarschijn-
lijk, dat, indien het amendement van de heer Berkhouwer niet 

Deel II Zitting 1960—1961 

TWEEDE KAMER 




Vaststelling van een nieuwe Beginselenwet voor de kinderbescherming, enz. 62ste vergadering - 27 april '61 2717 

Van Doorn c. a. 

in de wet zou worden opgenomen, de kinderrechter nu en dan 
de gedachte van de opheffing van de terbeschikkingstelling 
zal afwijzen, omdat hij of zij deze dan onvoorwaardelijk zou 
moeten opheffen. Daarom en mede omdat de argumentatie van 
de Minister mij op dit stuk niet overtuigd heeft, ben ik voor-
nemens het amendement te steunen. 
De heer Daams (P.v.d.A.): Mijnheer de Voorzitter! Slechts 
een korte opmerking. Op grond van de door de beide vorige 
sprekers aangevoerde argumenten ben ook ik voornemens dit 
amendement te steunen. 
De heer Beerman, Minister van Justitie: Mijnheer de Voor-
zitter! In aansluiting aan hetgeen ik reeds bij de algemene be-
schouwingen heb gezegd, wil ik nogmaals met nadruk ver-
klaren, dat het hier niet gaat om een incidentele wijziging, ook 
niet om een gradueel verschil van visie, maar om een prin-
cipieel verschil. In het huidige stelsel kan de rechter telkens 
na twee jaar een halt toeroepen aan de organen van de kinder-
bescherming. Hij kan zeggen: de bemoeiingen met deze minder-
jarige zijn nu voldoende geweest. Er zijn geen gronden voor 
verdere voortzetting. Hij kan ook zeggen: ik acht het ver-
antwoord, dat de bemoeiingen met het kind worden voort-
gezet. Daartussen heeft hij de keuze, meer niet. De taak van 
de rechter is dan duidelijk. Het voorschrift, dat de rechter 
periodiek moet onderzoeken of er nog voldoende gronden zijn 
voor voortzetting van de maatregel, schept dus een rechtswaar-
borg tegen een te langdurige vrijheidsbeperking en die waar-
borg is van belang vanwege het preventieve effect. Dezelfde 
taak heeft de rechter ten aanzien van de volwassen psycho-
paten, die ter beschikking zijn gesteld. Wat gaat er nu ge-
schieden in het stelsel van het amendement van de geachte 
afgevaardigde de heer Berkhouwer? Dan wordt de rechterlijke 
taak een geheel andere. De rechter kan niet alleen de maat-
regel naar tijdsduur limiteren, maar hij kan de maatregel als 
zodanig ook moduleren, modificeren, tussentijds. Bij de vraag, 
of de bemoeiingen met de minderjarigen moeten worden voort-
gezet, komt ook de vraag in welke vorm de voortzetting moet 
geschieden. Het is niet of voortzetting of niet-voortzetting, 
maar ook voortzetting met al dan niet bepaalde voorwaarden. 
De enkele invoeging van de woorden ,,of voorwaardelijk" aan 
het slot van artikel llq en ook van artikel llr zou dus neer-
komen op een ingrijpende wijziging van de huidige taakver-
deling tussen rechter en administratie. Het gevolg zal dan zijn, 
dat het beleid ten aanzien van de voorwaardelijke beëindiging 
— en dan denk ik niet alleen aan het tijdstip, maar ook aan 
de inhoud van de voorwaarden, met name ook weer aan de 
vraag van de eventuele herroeping bij voorwaardelijke be-
ëindiging — mede afhankelijk wordt van de wellicht niet ge-
heel convergerende inzichten van vijf gerechtshoven en van 
negentien kinderrechters. Dan vrees ik, dat de toch wel ge-
wenste uniformiteit ten aanzien van de voorwaardelijke be-
eindiging en van de voorwaarden, die daarbij worden gesteld, 
ernstig gevaar gaat lopen. Dat acht ik een overwegend bezwaar. 
Daar komt dan nog bij, dat, wanneer men deze gedachten-
gang loslaat, men er met wijziging van artikel llq en arti-
kel llr bepaaldelijk niet is. Hieruit blijkt ook, dat de hele 
wijziging veel dieper gaat dan men zich wellicht aanvankelijk 
realiseert. Die amendementen zouden dan ook weer hun nood-
zakelijke uitwerking moeten hebben in het ontwerp van de 
Kinderbeginselenwet, waarvan titel VI de tenuitvoerlegging van 
de maatregelen van terbeschikkingstelling van de Regering en 
plaatsing in een inrichting voor buitengewone behandeling 
regelt. 
Die aanvulling zou dan nodig zijn, want anders zouden de 
gewijzigde artikelen llq en llr in strijd komen met de Kinder-
beginselenwet. 
Ik zou er nog op willen wijzen, dat er bepaaldelijk geen 
gronden zijn voor de veronderstelling, dat de rechter eerder 
dan de administratie geneigd zou zijn tot voorwaardelijke be-
eindiging over te gaan. De praktijk heeft juist het tegenover-
Deel H Zitting 1960—1961 
Minister Beerman e. a. 
gestelde aangetoond. Ik blijf daarom van mening, dat het niet 
geraden zou zijn om deze principiële wijziging van de taak-
afbakening tussen administratie en rechter ten aanzien van de 
voorwaardelijke beëindiging van de terbeschikkingsiclling hier 
betrekkelijk zo laat in de wet aan te brengen. Het is wel bij 
de schriilelijke gedachtenwisseling ter sprake geweest, maar 
men heeft er toen niet zo sterk op aangedrongen als nu heden-
middag tot mijn verwondering in de Kamer geschiedt. 

De Voorzitter: Wenst de heer Berkhouwer nog het woord? 

De heer Kerkbouwer (V.V.D.): Ik persisteer, Mijnheer de 
Voorzitter. 

De Voorzitter: Ik verzoek de vaste Commissie voor Justitie 
haar oordeel over het amendement van de heer Berkhouwer 
c.s. (stuk nr. 29, III) kenbaar te maken. 

De heer Oud, voorzitter van de vaste Commissie voor Jus-
titie: Mijnheer de Voorzitter! De acht aanwezige leden van 
de commissie zijn allen vóór dit amendement. 

De beraadslaging wordt gesloten. 

De Voorzitter: Ik stel voor, de stemming over het amende-
ment van de heer Berkhouwer c.s. (stuk nr. 29, III) en even-
tueel volgende stemmingen te doen plaatshebben dinsdag, bij 
de aanvang van de vergadering. 

Daartoe wordt besloten. 

De Voorzitter: Door de Regering is in artikel lig een wijzi-
ging (stuk nr. 32) aangebracht na het verschijnen van het 
verslag. 

Ik verzoek de vaste Commissie voor Justitie haar oordeel 
over deze wijziging en de overige op stuk nr. 32 voorgestelde 
wijzigingen mede te delen. 

De heer Oud, voorzitter van de vaste Commissie voor Jus-
titie: Mijnheer de Voorzitter! De acht aanwezige leden van de 
commissie zijn allen vóór de wijzigingen, voorgesteld in de 
vijfde nota van wijzigingen (Stuk nr. 32). 

Artikel lig wordt zonder beraadslaging en zonder hoofde-
lijke stemming aangenomen. 

De artikelen llm en llo worden achtereenvolgens zonder 
beraadslaging en zonder hoofdelijke stemming aangenomen. 

Beraadslaging over artikel llr, luidende: 

„De maatregel van plaatsing in een inrichting voor buiten-
gewone behandeling eindigt uiterlijk op het tijdstip, waarop de 
minderjarige meerderjarig wordt. 

De plaatsing kan te allen tijde van regeringswege voorwaar-
delijk of onvoorwaardelijk worden beëindigd. 

Voor zover de plaatsing niet eerder van regeringswege on-
voorwaardelijk is beëindigd, onderzoekt de rechter, die de 
maatregel heeft opgelegd, telkens na verloop van twee jaren, 
of de plaatsing door het belang van de minderjarige nog wordt 
gevorderd. Het openbaar ministerie brengt de zaak tijdig aan. 
De rechter beslist zo spoedig mogelijk. Indien het onderzoek 
daartoe aanleiding geeft, wordt de plaatsing door de rechter 
onvoorwaardelijk beëindigd.", 

waarop door de heer Berkhouwer is voorgesteld een amende-
ment (stuk nr. 29, IV), strekkende om in de laatste regel in 
plaats van: „onvoorwaardelijk beëindigd" te lezen: voorwaarde-
lijk of onvoorwaardelijk beëindigd. 

De heer Berkhouwer (V.V.D.) verkrijgt het woord tot 
lichting van zijn amendement en zegt: Mijnheer de Voor-
zitter! Het debat ligt hier op precies hetzelfde niveau. Ik ben 

TWEEDE KAMER 




2718 62ste vergadering - 27 april '61 Vaststelling van een nieuwe Beginselenwet voor de kinderbescherming, enz. 

Berkhouwer e.a. 

Dl. van oordcel, dat wat in q mogelijk is ten aanzien van de 
terbeschikkingstelling ook mogelijk moet zijn ten aanzien 
van de maatregelen, in artikel llr genoemd, zodat ik het 
overbodig zou achten, dat wij hier nu precies dezelfde ge-
dachtenwissclingen zouden heropenen. Ik heb van mijn kant 
de eer te persisteren bij hetgeen ik hier heb voorgesteld. 
De Voorzitter: Mag ik aannemen, dat de Minister ten aan-
zicn van dit amendement dezelfde verklaring wenst af te leg-
gen als ten aanzien van het vorige amendement? 
De heer Beerman, Minister van Justitie: Mijnheer de Voor-
zitter! De opmerking zou alleen zijn een vraag, hoe de gc-
achle afgevaardigde de heer Berkhouwer zijn amendement in 
overeenstemming acht niet de artikelen 27 en 29 van de Kin-
derbeginselenwet. 
De heer Berkhouwer (V.V.D.): Mijnheer de Voorzitter! 
Ik heb reeds enige keren zonder de microfoon gezegd, dat ik 
op dit stuk de zorg van de Minister niet deel. Ik kan mij haast 
ook niet voorstellen, dat dat een enorm grote zorg zal zijn, 
althans bij mij is dat niet zo. 
De Voorzitter: ik verzoek de vaste Commissie voor Justitie 
haar oordeel over het amendement mee te delen. 
De heer Oud, voorzitter van de vaste Commissie voor Jus-
titie: Mijnheer de Voorzitter! Acht aanwezige leden van de 
commissie zijn allen vóór dit amendement. 
De beraadslaging wordt gesloten. 
De stemming over het artikel en het daarop voorgestelde 
amendement wordt aangehouden. 

De artikelen 77.9 tot en met 77z en llaa tot en met llkk 
worden achtereenvolgens zonder beraadslaging en zonder 
hoofdelijke stemming aangenomen. 

De stemming over artikel I wordt aangehouden. 

De artikelen II tot en met V worden achtereenvolgens 
zonder beraadslaging en zonder hoofdelijke stemming aan-
genomen. 

Beraadslaging over artikel VI, luidende: 

„In de Wet op de justitiële documentatie en op de verkla-
ringen omtrent het gedrag worden de volgende wijzigingen 
aangebracht: 

I. Aan artikel 4 wordt een lid toegevoegd, luidende: 

3. Indien tegen een minderjarige een veroordeling is ge-
wezen, waarbij de rechter recht heeft gedaan overeenkomstig 
de artikelen 77/—77M- van het Wetboek van Strafrecht, wordt 
een strafblad slechts opgemaakt, indien de veroordeling is 
gewezen wegens misdrijf en daarbij, al dan niet tezamen met 
andere straffen of maatregelen, geheel of gedeeltelijk onvoor-
waardelijk, zijn opgelegd: 

1°. plaatsing in een tuchtschool; 

2°. geldboete van meer dan vijftig gulden; 

3°. terbeschikkingstelling van de Regering. 

II. Aan artikel 9 worden twee leden toegevoegd, luidende: 

4. De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op het in 
artikel 4, lid 3, bedoelde strafblad van een veroordeling van 
een minderjarige. 

5. Indien bij de in artikel 4, lid 3, bedoelde veroordeling 
van een minderjarige de maatregel van terbeschikkingstelling 
der Regering is opgelegd, wordt het strafblad, onverminderd 

Voorzitter e.a. 

het bepaalde in artikel 7, lid 1, niet eerder verwijderd dan op 
de dag, waarop de terbeschikkingstelling onvoorwaardelijk is 
beëindigd. 

MI. In artikel 29, lid 2, eerste volzin, wordt in plaats van 
„artikel 32" gelezen: artikel 30.", 

waarop door de heren Daams, Van Doorn, Berkhouwer, 
Meulink en Scheps is voorgesteld een amendement (stuk nr. 
30), strekkende om na onderdeel I, met vernummering van de 
onderdelen II en III tot III en IV, in te voegen een nieuw 
onderdeel II, luidende: 

II. Aan artikel 6 wordt — met plaatsing van het cijfer 1 
aan het begin van dit artikel — een tweede lid toegevoegd, 
luidende: 

2. De rechter, die een veroordeling heeft uitgesproken als 
bedoeld in artikel 4, lid 3, ter zake van een feit hetwelk is 
begaan op een tijdstip, waarop de veroordeelde de leeftijd van 
zestien jaren nog niet had bereikt, kan te allen tijde de ver-
wijdering van het daarop betrekking hebbende strafblad uit 
het strafregister bevelen., 

en om de punt aan het slot van het onder III (oud II) voor-
gestelde nieuwe vijfde lid van artikel 9 te vervangen door een 
komma en daaraan toe te voegen: tenzij de rechter tevoren 
een bevel als bedoeld in artikel 6, lid 2, heeft gegeven. 

De heer Daams (P.v.d.A.) verkrijgt het woord tot toelich-
ting van zijn amendement en zegt: Mijnheer de Voorzitter! 
Ik kan na de algemene beraadslaging kort zijn. Ik meen de 
argumenten, die bij deze algemene beraadslaging naar voren 
zijn gebracht, te moeten handhaven. Ik wil wel aan de Minis-
ter toegeven naar aanleiding van het laatste, dat hij heeft 
opgemerkt, dat de toevoeging van de maatregel, als ook te 
plaatsen op het strafblad, inderdaad een redelijke toevoeging 
is. Ik betwist niet, dat de overweging, die de Minister daar-
bij bezigde, onredelijk zou zijn. Integendeel, ik vind het vol-
komen begrijpelijk, althans vanuit de gedachtengang, dat 
men het strafblad ook voor kinderen aanvaardt. Alleen accen-
tueert dit nog eens, dat de grens van civiel- en strafrecht in-
derdaad een vloeiende grens is, zoals de Minister ook heeft 
opgemerkt, en dat accentueert aan de andere kant, dat civiel-
rechtelijke maatregelen uiteraard niet aanleiding kunnen geven 
tot plaatsing in het strafblad en dat dus, wanneer men dat 
strafblad potentieel zo zwaar op minderjarigen laat drukken, 
de bewegingsvrijheid van de rechter om op adequaat oppor-
tunistische wijze te kiezen tussen civiel- en strafrechtelijke be-
handeling daardoor in gevaar komt. Mede op deze laatste 
grond en dus nog in aanvulling op hetgeen de Minister bij de 
replieken heeft gezegd, wil ik, met verwijzing overigens naar 
de discussies bij de algemene beraadslaging, het amendement, 
zoals het nu luidt en dus alleen betrekking hebbende op die-
genen, die nog geen 16 jaar zijn, graag handhaven. 

Voorgesteld door vijf leden, maakt het amendement van de 
heer Daams c.s. (stuk nr. 30) een onderwerp van beraadsla-
ging uit. 

Jonkvrouwe VVttewaall van Stoetwegen (C.H.U.): Mijnheer 
de Voorzitter! Ik heb bij de replieken reeds gezegd, dat ik 
voor deze maatregel eigenlijk niet zo bijzonder veel voel en 
dat ik daaraan eigenlijk slechts dan zou willen medewerken, 
indien de leeftijd van 16 in 14 jaar werd gewijzigd. Ik ben 
namelijk van oordeel, dat men een strafgeval, waarbij een 
minderjarige van 16 jaar is betrokken, toch niet zo zonder 
meer als een kinderstrafgeval kan behandelen, dat men de 
rechter de mogelijkheid geeft de verwijdering van het daarop 
betrekking hebbende strafblad uit het strafregister te bevelen. 
Vaststelling van een nieuwe Beginselenwet voor de kinderbescherming, enz. 62ste vergadering - 27 april '61 271 9 

Minister Beerman e. a. 

De heer Beerman, Minister van Justitie: Mijnheer de Voor-
zitler! Bij de algemene beraadslaging is dit onderwerp al be-
hoorlijk naar voren gekomen en toegelicht. Wanneer ik niet 
enthousiast ben over deze wijziging, komt het hierdoor, dat 
nog slechts enkele jaren geleden in de Kamer uitvoerig van 
gedachten is gewisseld over de Wet op de justitiële documen-
tatie en op de verklaringen omtrent het gedrag, waarbij men — 
dus betrekkelijk recentelijk — welbewust heeft gekozen voor 
een regeling ten aanzien van minderjarigen en hun het pro-
fijt heeft gelaten van hun jeugd in de vorm van een kortere 
periode, nl. van vier jaar. Ik heb er bezwaar tegen, dat men 
ten aanzien van de strafbladprocedure arrondissementsgewijze 
een verschillende beoordeling kan krijgen. Ik vraag mij ook 
af, of tegen een dergelijk bevel van de rechter b.v. weer een 
beroepsmogelijkheid moet bestaan, dan wel of het alleen zal 
afhangen van de beoordeling door de individuele kinderrech-
ter of het strafblad al dan niet wordt verwijderd. Het is in 
verband met sollicitaties toch wel gewenst, dat men inlich-
tingen kan krijgen over ernstige feiten, door minderjarigen 
begaan -— ik denk aan feiten op zedelijk en op vermogens-
rechtelijk gebied —, en ik vind het niet onredelijk, dat dit 
vier jaar wordt nagehouden. Het wil mij voorkomen, dat een 
minderjarige daardoor niet nodeloos gehandicapt wordt. 
Jonkvrouwe Wttewaal overweegt, de leeftijd van 16 jaar 
terug te brengen tot 14 jaar. Wanneer men zich hiermede zou 
kunnen verenigen, zou ik een dergelijk amendement willen 
overnemen, maar ik acht het amendement, zoals het hier nu 
ligt, bezwaarlijk. 
De heer Oud, voorzitter van de vaste Commissie voor 
Justitie: Mijnheer de Voorzitter! Van de aanwezige leden 
der commissie zijn zes vóór aanneming van het amendement 
en is één daartegen. 
De beraadslaging wordt gesloten. 
De stemming over artikel VI en het daarop voorgestelde 
amendement wordt aangehouden. 
Artikel VII wordt zonder beraadslaging en zonder hoofde-
lijke stemming aangenomen. 
De stemming over het wetsontwerp wordt aangehouden. 
In behandeling komt het wetsontwerp: 

Vaststelling van een nieuwe Beginselenwet voor de kinderbe-
scherming en daarmede verband houdende wijzigingen in het 
Burgerlijk Wetboek (4141, stuk nr. 23). 

Over dit wetsontwerp is de algemene beraadslaging reeds 
gevoerd. 

De Voorzitter: De Regering heeft bij de nota's van wijzi-
gingen (nrs. 26 en 33) in het wetsontwerp enige wijzigingen 
aangebracht na het verschijnen van het verslag. 

Naar mij blijkt, heeft de vaste Commissie voor Justitie tegen 
deze wijzigingen geen bezwaar. 

In behandeling komt artikel I. 

De aanhef van dit artikel wordt zonder beraadslaging en 
zonder hoofdelijke stemming aangenomen. 

De Voorzitter: Ik stel voor, de in artikel I opgenomen artike-
len afzonderlijk te behandelen. 

Daartoe wordt besloten. 

De artikelen 1 tot en met 5 worden achtereenvolgens zonder 
beraadslaging en zonder hoofdelijke stemming aangenomen. 

Voorzitter e.a. 

Beraadslaging over: 

„Artikel 6. 1. Opvangtehuizen zijn bestemd tot voorlopige 
opneming van minderjarigen, die onverwijld moeten worden 
opgenomen en wier bestemming nog niet is bepaald. 

2. De verblijfsduur is ten hoogste een maand, behalve in 
geval van voorlopige hechtenis.", 

waarop door de heren Daan», Van Doorn, Kranenburg, B. P. 
van der Veen, Meulink en jonkvrouwe Wttewaall van Stoet-
wegen is voorgesteld een amendement (stuk nr. 28), strekkende 
om aan het tweede lid van dit artikel toe te voegen: 

In bijzondere gevallen kan deze termijn van ten hoogste een 
maand ten hoogste tweemaal met een maand verlengd worden. 

De heer Daams (P.v.d.A.) verkrijgt het woord tot toe-
lichting van zijn amendement en zegt: Mijnheer de Voorzit-
ter! Ik meen kort te kunnen zijn. Ik geloof, dat de argumenta-
tie, die ik in eerste instantie naar voren heb gebracht, niet 
is aangevochten door de uiteenzetting van de Minister. Dit 
amendement is ingegeven door de nu eenmaal keiharde fei-
telijkheid, dat een aantal kinderen na één maand niet op 
hun bestemming zou kunnen komen. Wanneer zij na die 
maand uit het opvangtehuis zouden moeten verdwijnen, dan 
staan zij op straat, met alle gevolgen van dien — zij zijn zon-
der enig toezicht —, of zij moeten weer worden overgebracht 
naar een huis van bewaring, met alle gevolgen daarvan. De 
enige redelijke mogelijkheid is die kinderen dan korte tijd in 
uitzonderingsgevallen in het opvangtehuis te laten blijven. 
Ik geef gaarne toe, dat het geen ideale oplossing is. Het ware 
mij liever, dat die kinderen na één maand hun definitieve be-
stemming konden vinden. Dat heeft men in de hand door te 
zorgen, dat de inrichtingen, die daarvoor nodig zijn, van de 
grond komen. 

Voorgesteld door zes leden, maakt dit amendement een on-
derwerp van beraadslaging uit. 

De heer Van Doorn (K.V.P.): Mijnheer de Voorzitter! 
Ik wil mededelen, dat ik dit amendement heb medeonder-
tekend en dat ik ook gaarne bereid ben na de nadere toe-
lichting van de heer Daams dit in stand te houden, maar 
dat ik de bijzondere gevallen versta, zoals de Minister deze 
nader heeft aangeduid en zoals deze zijn bedoeld in het ad-
vies van het College van Advies voor de Kinderbescherming. 

De heer Beerman, Minister van Justitie: Mijnheer de Voor-
zitter! Zoals ik in eerste termijn heb opgemerkt, is over deze 
kwestie een advies uitgebracht door het college van advies. 
Ik meen mij te herinneren, dat als interpretatie van de 
bijzondere gevallen het college van advies voorstelt, dat ver-
lenging slechts dan mogelijk zou zijn, indien men al een plaats 
voor de minderjarige gevonden heeft, doch in de bewuste in-
richting, waarheen de opgenomene in het opvangtehuis zal 
gaan, tijdelijk geen plaats is. Ik geef er de voorkeur aan de 
redactie van het college van advies te volgen en die bijzondere 
gevallen te beperken tot minderjarigen boven de leeftijd van 
14 jaar, voor wie de inrichting, waar de behandeling of de 
heropvoeding, desnoods de observatie, zal plaatsvinden, wel 
is gevonden, doch in welke inrichting zeer tijdelijk nog geen 
plaats is. Wanneer wij het over deze authentieke interpretatie 
eens zijn, kunnen wij alleen constateren, dat het jammer is, 
dat de voorgestelde tekst iets te ruim is in vergelijking tot 
hetgeen wij in de gedachten hebben. 

De Voorzitter: Is de Minister bereid, het amendement over 
te nemen? 

De heer Beerman, Minister van Justitie: Neen, Mijnheer de 
Voorzitter, niet met deze tekst. 

Deel II Zitting 1960—1961 

TWEEDE KAMER 
2720 62ste vergadering - 27 april '61 Vaststelling van een nieuwe Beginselenwet voor de kinderbescherming, enz. 

Daains e. a. 

De heer Daains (P.v.d.A.): Mijnheer de Voorzitter! Ik wil 
graag toegeven, dat ik speciaal met het oog op de gevallen, 
die in het rapport van het college van advies zijn vermeld, dit 
amendement heb ingediend. Jk heb echter de behoefte gehad, 
die stringente binding aan de daarin genoemde categorieën 
niet over te nemen, omdat ik het niet uitgesloten acht, dat in 
bepaalde andere gevallen, maar dan nóg meer bij wijze van 
uitzondering, zich inderdaad dezelfde situatie voordoet, nl. 
dat er geen plaats beschikbaar is. Dan geldt dezelfde redene-
ring, die ik zo juist heb gegeven, omdat het dan onverantwoord 
zou zijn de kinderen naar een andere verblijfplaats te sturen, 
zoals het huis van bewaring. Dat vind ik een oplossing, die 
veel meer bezwaren heeft dan wanneer men de kinderen tijde-
lijk nog in het opvangtehuis laat. 
Ik ben het er dus niet mee eens, dat de verlenging, wanneer 
de wet zou zijn geamendeerd, zoals nu is voorgesteld, enkel en 
alleen voor de door de Minister beoogde categorieën zou 
kunnen worden gehanteerd. Ik moet er aanspraak op maken, 
tenzij de Minister zegt, dat het voor hem onaanvaardbaar is, 
dat die mogelijkheid ook in andere gevallen openstaat, al geef 
ik nogmaals toe, dat dit een zeer grote zeldzaamheid zal moe-
ten zijn. 
De heer Beerman, Minister van Justitie: Mijnheer de Voor-
zitter! Het onaanvaardbaar zal ik natuurlijk niet uitspreken in 
deze kwestie. Ik wil echter wel uitspreken, dat, wanneer er geen 
regel zonder uitzondering is, de praktijk leert, dat wettelijke 
uitzonderingen dikwijls regel worden. 
De Voorzitter: Ik verzoek de vaste Commissie voor Justitie 
haar oordeel over het amendement mede te delen. 
De heer Oud, voorzitter van de vaste Commissie voor Justi-
tie: Mijnheer de Voorzitter! De aanwezige leden van de commis-
sie zijn allen vóór het amendement. 
De beraadslaging wordt gesloten. 
De stemming over het artikel en het daarop vastgestelde 
amendement wordt verdaagd. 
Aan de orde is Artikel 7. 

De heer Daams (P.v.d.A.): Mijnheer de Voorzitter! Ik heb 
bij de behandeling van dit artikel nog even het woord ge-
vraagd, omdat ik bij de algemene beraadslaging aan de Minis-
ter heb gevraagd of hij een bepaalde toezegging zou kunnen 
doen ten aanzien van de samenwerking tussen observatiete-
huizen en inrichtingen voor definitieve behandeling, zowel met 
betrekking tot het uitzoeken van een plaats voor de kinderen, 
die nog in de observatieperiode verkeren, als met betrekking 
tot het openhouden van plaatsen in de bchandelingsinrichtingen 
door een zekere soepele financiering mogelijk te maken. 

Ik neem haast aan, dat de Minister in eerste instantie deze 
vraag over het hoofd heeft gezien. Ik moet er nu even op te-
rugkomen, omdat ik aanvankelijk voornemens was — dit heb 
ik in eerste instantie ook tot uitdrukking gebracht — hierop een 
amendement in te dienen om ook hier de termijn te verlengen, 
tenzij de Minister vorenbedoelde toezegging zou kunnen doen. 

Gaarne zou ik van de Minister vernemen hoe hij hier tegen-
over staat. 

De heer Beerman, Minister van Justitie: Mijnheer de Voor-
zitter! Met mijn verontschuldiging, dat ik deze vraag niet bij 
de algemene beschouwingen heb beantwoord, kan ik de geachte 
afgevaardigde de heer Daams toezeggen, dat ik zal bevorderen, 
dat er een geregeld overleg plaatsvindt tussen het observatie-
tehuis en de behandelingsinrichting of de heropvoedingsin-
richting. Ik ben ook bereid om, wanneer in een bepaalde in-
richting een plaats voor een minderjarige voor enige tijd wordt 
gereserveerd, deswege een financiële vergoeding aan die in-
richting toe te kennen. 

De beraadslaging wordt gesloten. 
Deel II Zitting 1960—1961 

Voorzitter 

Artikel 7 wordt zonder hoofdelijke stemming aangenomen. 

De artikelen 8 tot en met 15 worden achtereenvolgens 
zonder beraadslaging en zonder hoofdelijke stemming aange-
nomen. 

Beraadslaging over: 

„Artikel 16. 1. De rijksopvangtehuizen zijn bestemd tot 
voorlopige opneming van minderjarigen, die onverwijld moeten 
worden opgenomen en wier bestemming nog niet is bepaald, 
voor zover zij niet in tehuizen, bedoeld in artikel 6, kunnen 
worden opgenomen of gehandhaafd. Onder hetzelfde voor-
behoud kunnen worden opgenomen minderjarigen aan wie de 
straf, bedoeld in artikel lig, onder a, 2°, of b, 1°, van het 
Wetboek van Strafrecht is opgelegd. 

2. De verblijfsduur is ten hoogste een maand, behalve in 
geval van voorlopige hechtenis.", 

waarop door de heren Daams, Van Doorn, Kranenburg, B. P. 
van der Veen, Meulink en jonkvrouwe Wttewaall van Stoet-
wegen is voorgesteld een amendement (stuk nr. 28), strek-
kende om aan het tweede lid van het artikel toe te voegen: 

In bijzondere gevallen kan deze termijn van ten hoogste een 
maand ten hoogste tweemaal met een maand verlengd worden. 

De Voorzitter: De heer Daams acht dit amendement bij de 
algemene beraadslaging reeds voldoende toegelicht. 

Voorgesteld door zes leden, maakt het amendement van de 
heer Daams c.s. (stuk nr. 28) een onderwerp van beraad-
slaging uit. 

De Voorzitter: Naar mij blijkt, zijn de aanwezige leden van 
de vaste Commissie voor Justitie vóór aanvaarding van dit 
amendement. 

De beraadslaging wordt gesloten. 

De stemming over het artikel en het daarop voorgestelde 
amendement wordt aangehouden. 

De artikelen 17 tot en met 22 worden achtereenvolgens 
zonder beraadslaging en zonder hoofdelijke stemming aange-
nomen. 

Beraadslaging over: 

„Artikel 23. 1. Aan de in de rijksinrichtingen opgenomen 
minderjarigen wordt gelegenheid gegeven aan godsdienstoefe-
ningen deel te nemen en godsdienstonderwijs te ontvangen. 

2. Behoudens uitdrukkelijke vrijstelling nemen zij deel aan 
te hunnen behoeve gehouden godsdienstoefeningen en gegeven 
godsdienstonderwijs. 

3. Zij worden in de gelegenheid gesteld persoonlijk contact 
met geestelijke verzorgers te onderhouden. 
Vaststelling van een nieuwe Beginselenwet voor de kinderbescherming, enz. 62ste vergadering - 27 april '61 2721 

Voorzitter e.a. 

2. Behoudens uitdrukkelijke vrijstelling nemen zij, die be-
horen tot enig kerkgenootschap of godsdienstige gemeenschap, 
deel aan te hunnen behoeve gehouden godsdienstoefeningen 
en gegeven godsdienstonderwijs. 
De heer Daams verkrijgt het woord tot toelichting van zijn 
amendement en zegt: Mijnheer de Voorzitter! Voor de toelich-
ting van dit amendement moet ik iets meer tijd vragen en dus 
ook iets meer van Uw geduld en dat van de Kamer. Ik meen 
dit te mogen doen, omdat ik bij de algemene beschouwingen dit 
heb aangekondigd en U daarmee Uw instemming heeft 
betuigd. Het betreft hier een belangrijk artikel en ook een be-
langrijk amendement, dacht ik, niet zozeer vanwege de kwanti-
tatieve verhoudingen van dit moment. Ik heb de Minister bij de 
algemene beschouwingen horen zeggen — in antwoord op een 
vraag, die door de geachte afgevaardigde jonkvrouwe Wtte-
waall van Stoetwegen is gesteld —, dat in al die jaren met be-
trekking tot de kinderen in de betrokken inrichtingen slechts 
éénmaal een desbetreffend verzoek tot geestelijke verzorging 
van humanistische zijde is ingediend. Het is ook niet belangrijk 
vanwege de subsidiëringsperikelen, die hier achter zouden zitten. 
Het is in mijn ogen alleen belangrijk vanwege het feit, dat wij 
de mogelijkheid dienen te scheppen, dacht ik, tot een vrij entree 
van een volksdeel, dat tot de drie stromingen behoort, waar-
op de cultuur van Nederland als natie is gebaseerd, en tevens 
omdat wij uit een oogpunt van democratie en van verdraag-
zaamheid geen verdere inperkingen moeten maken met betrek-
king tot die entree dan in verband met het algemeen welzijn te 
rechtvaardigen zijn. 
Nu heeft de Minister gezegd, dat hij zich voorstelt een situ-
atie te scheppen, voornamelijk bij wijze van algemene maatre-
gel van bestuur, naar analogie van die in het gevangeniswezen. 
In eerste instantie heb ik gezegd, dat de situatie daar naar 
mijn mening onbevredigend is. Ik heb er in de tweede plaats 
op gewezen, dat de eigen aard van de materie, waar het hier 
om minderjarigen gaat, tevens een afwijkende regeling nood-
zakelijk maakt. Nu heeft de Minister gezegd, dat hij de situatie 
bij het gevangeniswezen niet onbevredigend vond. Dit verwon-
dert mij, omdat ik meende te weten, dat de Minister dit stand-
punt, dat hij inderdaad in 1959 tijdens het mondeling overleg 
had ingenomen, intussen had verlaten. In feite is het aldus, dat 
gedetineerden — en ik spreek nu over de meerderjarigen — 
als regel niet naar geestelijke verzorging vragen. Zij zijn daar 
zelf doorgaans onvoldoende in geïnteresseerd. Bij de overmaat 
van de gevallen •— en dan spreek ik over alle gezindten — gaat 
het leggen van contact uit van de raadsman, de aalmoezenier, 
de predikant. Men mag wel aannemen, dat het niet-geïnteres-
seerd zijn zich bij de minderjarigen in niet geringere mate 
zal voordoen en evenmin bij de ouders of bij anderen, die de 
ouderlijke macht over deze minderjarigen bekleden. Immers, 
dezen zijn in de meeste gevallen juist min of meer te kort ge-
schoten. 
In de tweede plaats vraagt men ook niet graag, als men ge-
detineerd is, naar een werkverband, naar een benadering, die 
terecht of ten onrechte — dit laat ik op het ogenblik nog even 
in het midden — de schijn van discriminatie draagt. Er zijn 
gevallen, daarin betrokkenen het zelfs gevaarlijk schijnen te 
vinden met het oog de voorwaardelijke invrijheidstelling of ont-
slag, om een dergelijk contact te leggen. 
De huidige regeling is in de derde plaats (wederom dus ten 
aanzien van de meerderjarigen) ook te ingewikkeld, zowel voor 
de directies als voor de gedetineerden. In feite brengt de hui-
dige regeling met zich mee, dat iedere gedetineerde binnen drie 
weken tweemaal een gesprek met de directeur moet hebben: 
de eerste maal bij binnenkomst en de tweede maal, als hij 
de geestelijke verzorging van de zijde van een godsdienstige 
gezindte heeft afgewezen. Bij die tweede bespreking kan de ge-
detineerde er dus op gewezen worden, dat hij toelating van een 
buitenkerkelijk raadsman kan verzoeken. 
Deze regeling heeft in de vierde plaats ook tot gevolg, dat 
zij de goede menselijke verhoudingen tussen hen, die bij de gees-
Daams 

telijke verzorging zijn betrokken, niet bevordert, en in de vijfde 
plaats is het resultaat daarvan, dat door de extrabelemmcrin-
gen, die alléén aan de buitenkerkelijke geestelijke verzoi-
ging worden opgeworpen, een groot aantal mensen zonder 
geestelijke verzorging blijft. Op de circa 4000 meerderjarige 
gedetineerden in de rijksgestichten zijn er zeker 600 buitenker 
keiijk, van wie slechts 250 contact hebben met de geestelijke 
raadsman, terwijl vaststaat, dat bij een soepeler regeling, die 
niet discriminatoir zal zijn, veel meer contact zal bestaan. Ik 
heb al gezegd, dat de Minister in 1959 van mening was, dat 
deze regeling wel bevredigend was. Nu dacht ik dus — en ik 
wil dus ook de bron vermelden, waarom ik meende, dat de Mi-
nister erop was teruggekomen —, dat het college van advies 
voor de geestelijke verzorging van buitenkerkelijke gedeti-
neerden hem een voorstel had voorgelegd om tot een bevredi-
gender oplossing te komen. Dat college van advies ging dus van 
een niet bevredigende gang van zaken uit. Ik dacht, dat de Mi-
nister naar aanleiding van zijn beraad over dat voorstel in een 
schrijven aan de voorzitter van het Humanistisch Verbond ook 
had uitgesproken, dat hij zelf begrip had voor het in de prak-
tijk gebleken bezwaar, dat de geestelijke verzorging van de ge-
detineerden, die de godsdienstige verzorging hebben afgewezen, 
niet steeds geheel bevredigend zou verlopen. Ik dacht, dat ik 
een dergelijke zinsnede niet anders zou kunnen uitleggen dan 
als een gevoel — ook zijnerzijds — van onbevredigd zijn. In 
ieder geval meen ik, dat de Minister een wijzigingsvoorstel ter 
zake heeft ingediend, dat thans zal worden beproefd. In de 
samenhang van dit alles meen ik het eerste argument, dat ik heb 
gehanteerd, nl. de onbevredigende gang van zaken bij de meer-
derjarigen dus te moeten staande houden. 

De eigen aard van de materie behoeft eigenlijk nauwelijks 
nader betoog. Het gaat hier, zoals gezegd, om minderjarigen 
en dat is daarom nog van belang, omdat bij mijn weten ook de 
door de Minister thans voorgestelde nieuwe benaderingswijze 
in de gestichten voor meerderjarigen ten aanzien van minder-
jarigen niet in praktijk kan worden gebracht. Er moet hier dus 
een andere mogelijkheid worden overwogen. 

Nu zegt de Minister: Ik wil dat alles opvangen in het kader 
van het derde lid van artikel 23, waar sprake is van persoonlijk 
contact met geestelijke verzorgers. Dan komt er nog een derde 
bezwaar bij. De woorden „persoonlijk contact" kunnen moei-
lijk anders worden uitgelegd dan als inderdaad betrekking 
te hebben op persoonlijk contact. Men kan dat wel min of meer 
ruim uitleggen, maar men kan toch zeer gemakkelijk in situa-
ties komen, dat men met vijf, zes kinderen te maken krijgt, 
waarbij dan aan dat persoonlijke contact, in de zin zoals het 
hier wordt gehanteerd, een gewrongen interpretatie moet wor-
den gegeven, zeker wanneer men het vergelijkt met de interpre-
taties, die in het kader van hetzelfde lid ten aanzien van de con-
tacten van aalmoezeniers en predikanten zouden moeten wor-
den gegeven. 

Ik heb daarom aanvankelijk eraan gedacht, een amende-
ment voor te stellen, waarbij ik zowel in het eerste als in het 
tweede lid van artikel 23 de bijeenkomsten onder leiding van de 
geestelijke raadslieden vanwege de door de Minister toegelaten 
geestelijke genootschappen op één lijn zou stellen — zoals men 
het in de Kamer heeft uitgedrukt — met de godsdienstige bij-
eenkomsten en het godsdienstonderwijs. Ik moet echter tegen 
de uitdrukking ,,op één lijn stellen" bezwaar maken. Ik dacht, 
dat het niet in de macht van de wetgever lag om het zodanig 
te kwalificeren, dat hier van één lijn sprake is. Hier is iedere 
waardebeoordeling buiten te houden. Het is zuiver een kwestie 
van gelijkwaardigheid voor de wet. Het heeft echter niets te 
maken met innerlijke en kwalitatieve beoordeling. Als dat zo 
zou zijn, begrijp ik trouwens ook niet, hoe de bestrijders van 
mijn amendement ermede akkoord kunnen gaan, dat in het der-
de lid sprake is van geestelijke verzorgers, die dan persoonlijk 
contact zouden hebben, terwijl dit lid even goed betrekking 
heeft op aalmoezeniers en predikanten als op de humanistische 
raadslieden. Zo heb ik het althans in het overleg, dat wij tot 
nog toe hebben gevoerd, steeds begrepen. 

Deel II Zitting 1960—1961 

TWEEDE KAMER 




2722 62ste vergadering - 27 april '61 Vaststelling van een nieuwe Beginselenwet voor de kinderbescherming, enz. 

Daams 

Dan zou dus de wetgever, door de/e drie categorieën onder 
één begrip „geestelijke verzorgers" te vangen, zeker ook een 
op één lijn stellen uitspreken, hetgeen niet hel geval is en hct-
geen door niemand is aangevochten. Om die reden mag ook het 
invoeren van die geestelijke bijeenkomsten in mijn amendement 
niet uitgelegd worden op de wijze als men mij voorhoudt. 
Ik ben blij, dat de heer Van Doorn in deze discussie uitge-
sproken heelt, dat hij bij een regeling als die bij het gevangenis-
wezen uiteraard niet aan discriminatie denkt. Maar dat is het 
juist! De regeling, als door de lieer Van Doorn voorgesteld, is 
wel een discriminatie, omdat het één, kennelijk om de een o! 
andere reden, in een algemene maatregel van bestuur moet 
worden geregeld en het ander in de wet. Ik kan mij voorstellen, 
dat men. als ik in de wet zou willen vastleggen, dat ook in het 
tweede lid van artikel 23 gesproken zou worden over een 
verplichting van de minderjarigen om die bijeenkomsten bij te 
wonen in de gevallen, waarin zij niet de godsdienstoefeningen 
of het godsdienstonderwijs bijwonen, daarentegen bezwaar zou 
maken, nl. in die zin, omdat men in dat geval een aantal buiten-
kcrkelijke kinderen zou toeschuiven, van overheidswege, door 
die verplichting te hanteren, naar de humanistische geestelijke 
verzorging. In het beraad, dat ik daarover gepleegd heb, heeft 
dit argument mij ook aangesproken. Ik stel dus nu een amen-
dement voor van het wetsartikel, waarbij een dergelijke toe-
schuiving beslist niet voorkomt en ook geen suggestie in die 
richting wordt gedaan. 
Uiteraard was het daartoe nodig, het tweede lid wel zoda-
nig te amenderen, dat het verplicht bijwonen van godsdienst-
oefeningen en godsdienstonderwijs zich niet verder zou uitstrek-
ken dan tot degenen, te wier behoeve die bijeenkomsten wor-
den gehouden. 
Uit een oogpunt van opvoedingsmethodiek lijkt mij dit ove-
ringens evenmin aantrekkelijk. Ik zou het liever zo hebben, dat 
ook t.a.v. deze categorie geen dwang werd uitgesproken, maar 
het werd overgelaten aan de vrije beslissing van kinderen, ou-
ders, directie, in samenwerking met aalmoezenier en predikant. 
Om echter uitgerekend hier een dwang tot een samen-
komst uit te oefenen, lijkt mij alleen al uit pedagogische, psy-
chologische en religieuze overwegingen minder wenselijk. Ik 
geloof, dat het zelfs niet geheel geoorloofd is, omdat in deze 
inrichtingen toch ook kinderen verblijven, die beslist niet ge-
heel aan de ouderlijke macht zijn onttrokken. Ik meen derhal-
ve, dat de directie van zo'n instelling in vele gevallen eigenlijk 
meer overneemt van de zeggenschap van de ouders over deze 
kinderen dan uit de maatregel, waaraan deze kinderen zijn on-
derworpen, is af te leiden. 
Ik hoop, dat het amendement, dat ik heb voorgesteld, zal lei-
den tot een gunstig oordeel van de Kamer. 
Ik heb in het afgelopen jaar met blijdschap kennis genomen 
van verschillende uitlatingen, die wijzen op een veranderend 
klimaat. Ik haal met vreugde b.v. de uitlating van pater Stok-
man aan tijdens de debatten over de wetsontwerp betreffende 
het wetenschappelijk onderwijs. Ik ben blij met een rapport als 
dat van de A.R.P. over de subsidiëring van humanistische in-
stellingen. Ik kom herhaaldelijk ook uitlatingen in kranten en 
periodieken tegen, met name overgenomen uit redevoeringen 
van vooraanstaande figuren uit ons confessionele volksdeel, 
waarin herhaaldelijk blijk wordt gegeven van andere en ruimere 
opvattingen, die volledig afwijken van de sfeer, waarin het hu-
manisme in de jaren, laat ik maar zeggen: 1952—1954, werd 
bejegend. Als een typerend voorbeeld mag ik wel vermelden, 
dat ik het in die jaren eens heel erg aan de stok heb gehad met 
de zeereerwaarde heer Engelen, een geestelijke uit het Limburg-
se, die toen de katholieken in de partij, waartoe ik behoor, ten 
aanzien juist van dit punt het een en ander in de schoenen 
schoof. Diezelfde zeereerwaarde heer Engelen heeft zich, 
na verdere bestudering van dit probleem, bij de strubbelingen 
in Geleen op een werkelijk voortreffelijke wijze uitgelaten o-
ver het standpunt, de gedachtengang, de wereld en de waar-
dering van het humanisme. Desondanks is het nodig, dacht ik, 
dat wij in concreto positieve daden ook als wetgever stellen en 
Daams e. a. 
daarbij uitdrukkelijk in de gedachtengang van dergelijke uit-
eenzettingen doorgaan met niet-discrimincren, de verdraag-
zaamheid gestalte geven, de democratie beoefenen, omdat al-
leen op deze wijze de/e gedachtengang ook verder zal doorwer-
ken en dat ware begrip, die werkelijke eerlijke vrijheid, dat wer-
kelijkc naar de mate van het waardeerbare waarderen van wat 
in deze strevingen ligt, bij het volk gemeengoed zullen worden. 
Als wij die daden niet stellen, houden wij deze doorwerking in-
mers tegen en dat bleek ook in datzelfde Geleen, omdat de zo 
juist vermelde voortreffelijke woorden van de zeerecrwaarde 
heer Engelen de geheel andere daden van de gemeenteraad al-
daar niet hebben kunnen voorkomen. Ik wil in dit verband wel 
zeggen, dat ik ook nog uit een geestelijk oogpunt de buitenker-
kelijke geestelijke verzorging zoveel mogelijk tot haar recht 
zou willen doen komen, omdat ik het in vele gevallen ontbreken 
van elke geestelijke verzorging, zoals ik ten aanzien van meer-
derjarigen hiervóór schetste, een gemis vind. Men moet zich 
er wel van bewust zijn, dat een bijdrage tot de bestrijding van 
het nihilisme, van het indifferentisme, zoals door de buitenker-
kelijke volksgroep aangeboden wordt, niet zonder nadeel voor 
de samenleving kan worden afgewezen. 

Het is werkelijk noodzakelijk, dat iedereen, die de waar-
heid op zijn wijze wil dienen en kan bijdragen tot het vormen 
van ethische normen, waarvan, zoals ik zeide, ook de voor-
lieden uit het confessionele volksdeel de betekenis erkennen en 
waarover zij zich verheugd verklaren, daartoe de gelegenheid 
krijgt en niet kunstmatig daarvan wordt afgehouden. 

Nogmaals — kort samengevat —: geen enkele toeschuiving, 
geen stimulans, alleen vrijheid. 

Voorgesteld door vijf leden, maakt het amendement van de 
heer Daams c.s. (stuk nr. 31) een onderwerp van beraadslaging 
uit. 

De heer Beerman, Minister van Justitie: Mijnheer de Voor-
zitter! De geachte afgevaardigde de heer Daams is begonnen 
met zijn amendement toe te lichten aan de hand van de rege-
ling, die er is voor volwassenen. Hij is, als ik hem goed heb 
begrepen, van mening, dat die regeling niet geheel bevredigend 
werkt en dat ik ten aanzien van die regeling zelf van standpunt 
zou zijn veranderd. Dit is bepaaldelijk niet het geval. Volgens 
de regeling zullen de gedetineerden hebben te verklaren, of 
zij al dan niet de godsdienstoefeningen willen bijwonen. Als 
zij de godsdienstige verzorging afwijzen, is er volgens de 
regeling voor hen gelegenheid een buitenkerkelijke verzor-
ging op geestelijk gebied te krijgen, wanneer zij de wens 
daartoe te kennen geven. Nu hebben de directeuren de plicht 
op het bestaan van die mogelijkheid van geestelijke ver-
zorging te wijzen, maar van de zijde van het Humanistisch 
Verbond is mij medegedeeld, dat men op die wijze altijd af-
hankelijk bleef van de manier, waarop de directeur van een 
gesticht op de mogelijkheid van geestelijke verzorging wees. 
Toen heb ik geantwoord, dat, als dit in de praktijk bezwaar-
lijk was gebleken, ik mij er zeer wel mee kon verenigen, 
dat het Humanistisch Verbond in een eenvoudig geschrift op 
zijn taak en doelstelling zou wijzen, dat wij dit geschrift ter 
beschikking zouden stellen van de directeuren van de diverse 
gestichten met de aanwijzing om, als zij een gedetineerde 
op het bestaan van de mogelijkheid van geestelijke verzorging 
wezen, daarbij het geschrift van het Humanistisch Verbond 
te overhandigen en bij de gedetineerde achter te laten. Het 
was mij er namelijk om te doen de regeling voor de volwassen 
gedetineerden zo goed mogelijk te doen slagen. 

Ik ben het geheel niet eens met de geachte afgevaardigde 
de heer Daams, dat deze regeling, die naar ik meen afkomstig 
is van Minister Donker — de gevangenismaatregel, zoals die 
nu luidt in de artikelen 39 en 40 —, ten opzichte van het 
Humanistisch Verbond een discriminatie inhoudt. De mogc-
üjkheid van geestelijke verzorging buiten de kerkgenootschap-
pen om is voor de gedetineerden, die daarvoor belangstelling 
hebben en daarom vragen, zeer reëel en wordt in geen enkel 
opzicht tegengewerkt. 

Deel II Zitting 1960—1961 

TWEEDE KAMER 




Vaststelling van een nieuwe Beginselenwet voor de kinderbescherming, enz. 62ste vergadering - 27 april '61 272d 

Minister Beerman e. a. 

De vraag is echter nog zeer gering. Dit ligt enigszins in 
de aard, want de mensen, die nog een godsdienstige opvoe-
ding hebben gehad, zullen in de gevangenis dikwijls terugvallen 
op de jeugdjaren. Het aantal gedetineerden, dat bewust wenst 
te leven uit het humanisme, is in ieder geval zeer gering. 
Nu hebben wij hier de moeilijkheid, dat wij te maken hebben 
met minderjarigen. Wanneer de geachte afgevaardigde de heer 
Daams heeft gezegd: vrijheid, dan zou ik hem willen vragen: 
vrijheid, van wie? Toch niet van de veertien-, vijftien- en zes-
tienjarigen? Maar vrijheid van de ouders. De vrijheid ligt hier 
dus niet zozeer in het gesticht als wel buiten het gesticht. Nu 
voorziet de regeling, die in de Kinderbeginselenwet is neer-
gelegd in artikel 23, voor de rijksinrichtingen geheel in de 
mogelijkheid, dat ouders, waarvan een kind in een rijksinriclv 
ting is opgenomen, dat kind een humanistische verzorging zul-
len doen toekomen. Men kan het nu eenmaal niet zo regelen, 
dat een minderjarige zelf te dier zake een keuze doet. Het is 
niet een volwassene, die over het algemeen zijn eigen geestelijk 
leven stempelt; de geachte afgevaardigde zal het naar mijn 
mening met mij eens zijn, dat het een taak, een plicht en een 
recht van de ouders is om een minderjarige ook op religieus 
gebied een bepaalde leiding te geven. Men kan uit pedagogische 
overwegingen van mening verschillen over de vraag, in hoe-
verre men bij een minderjarige een zekere drang mag uitoefe-
nen in een bepaalde richting. Ik geef de geachte afgevaardigde 
toe, dat hoe meer de ouders zelf leven uit het religieuze begin-
sel, dat zij belijden, de kinderen dit, althans later, des te sterker 
zullen beleven. Hier is echter de moeilijkheid, dat wij te maken 
hebben met kinderen in inrichtingen. Te dien opzichte geldt, 
dat, wanneer de ouders daartoe de wens te kennen geven, de 
kinderen met geestelijke verzorgers in contact kunnen komen. 
De rijksinrichtingen hebben — ik heb de cijfers bij de alge-
mene beschouwingen al gegeven — maar een zeer beperkte 
taak op het gebied van de kinderbescherming; wij hebben maar 
een goede driehonderd kinderen. In het verleden is maar één-
maal een verzoek gedaan — en dat was nog van een gezins-
voogd — om een geestelijk gesprek en een contact op humanis-
tische basis voor de minderjarige mogelijk te maken. Nu gaat 
het mij wel wat ver om ter wille van een betrekkelijk theore-
tische mogelijkheid af te wijken van de regeling, die ten aan-
zien van volwassenen in de praktijk alleszins voldoet, en dan 
alleen op grond van wat ik aanvoel als een vermeende discrimi-
natie. Ik aanvaard het mumanisme evenals de geachte afge-
vaardigde de heer Daams; ik belijd het niet, dat weet de ge-
achte afgevaardigde de heer Daams zeer wel, maar ik zie geen 
reden om in enig opzicht discriminerend op te treden ten aan-
zien van het humanisme. Ik mag de regeling echter wel afstem-
men op de eigen aard van de rijksinrichtingen voor kindcrbe-
scherming, de behoefte en op het feit, dat wij hier te doen heb-
ben met minderjarigen, die niet zelf hun religieuze en gees-
telijke keuze, geheel los van de ouders, bepalen. Naar mijn 
mening zou de betekenis van het buitenkerkelijke contact in 
het voorstel van de geachte afgevaardigde de heer Daams wat 
overtrokken worden en aldus verlegt men het accent naar de 
andere kant door ten opzichte van minderjarigen een andere 
regeling te scheppen dan die door een Minister, die het huma-
nisme evenmin discrimineerde als ik, door Minister Donker, 
aanvaard is voor de meerderjarigen. 
De heer Daams (P.v.d.A.): Mijnheer de Voorzitter! Ik wil 
graag kort zijn, omdat de uiteenzetting van de Minister, dacht 
ik, voor een gedeelte wel naast mijn betoog gaat. 
In de eerste plaats echter een opmerking over de vraag of 
de gang van zaken bij de meerderjarigen bevredigend of niet 
bevredigend zou zijn. Ik heb toestemming gekregen om ge-
bruik te maken van het betrokken schrijven en ik mag daaruit 
misschien de volgende zinsnede citeren: 
„Anderzijds echter heb ik begrip voor het in de prak-
tijk gebleken bezwaar, dat de voorlichting der gedetineer-
den, die de godsdienstige verzorging hebben afgewezen, 
over de mogelijkheid van geestelijke verzorging van de 
Daams e. a. 
zijde der genootschappen op geestelijke grondslag niet 
steeds geheel bevredigend zal verlopen, zonder" — 
zegt de Minister dan verder — „daarmede evenwel te 
willen stellen, dat de directeuren, die met deze voorlich-
ting zijn belast, zich niet voldoende van deze taak zouden 
hebben gekweten.". 
Als men dus aan de ene kant zegt, dat er voldoende voor-
lichting is gegeven en dat men die directeuren in dit opzicht 
geen verwijt wil maken, en als men aan de andere kant toch 
moet concluderen, dat desondanks de gang van zaken niet 
bevredigend is, en als dat door de gehele commissie wordt 
medegedeeld — de commissie, waarin ook een aantal niet-
humanisten zitting hebben, expres om te voorkomen, dat de 
humanisten op hol zouden slaan —, dan kan men tot geen 
andere conclusie komen dan dat hier toch van een onbevre-
digende gang van zaken sprake is. 

Wat ervan zij, wanneer men nu — onder handhaving van de 
in het algemeen gekiende verplichting aan godsdienstoefenin-
gen deel te nemen — naar analogie van die regeling of van 
de regeling met dat vlugschrift een soortgelijke dubbele 
drempel in het contact met minderjarigen wil leggen, dan 
meen ik te moeten staande houden, dat dat wel discrimina-
toir is, want die dubbele drempel wordt niet aangelegd ten 
aanzien van de aalmoezeniers en de predikanten. Dat is 
eigenlijk mijn grootste bezwaar. De aalmoezeniers en de pre-
dikanten hebben wel direct toegang tot de buitenkerkelijken. 
Waarom die wel? Ik zie geen enkele reden om het de een wel 
en de ander niet te geven. Dat is discriminatie, ook al ontkent 
men het. 

Het aantal humanisten in de betrokken inrichtingen is wer-
kelijk niet interessant. Daarover heb ik al gesproken. Het gaat 
erom of hier geestelijke noden liggen, waaraan tegemoet ge-
komen kan worden, waaraan in een aantal gevallen van de 
zijde van de confessionele godsdienstige verzorging niet tege-
moet gekomen Wordt en ten aanzien waarvan ik het op prijs 
stel als confessioneel man, dat er wel aan tegemoet gekomen 
wordt, juist omdat ik begrip heb voor de waarheidselementen, 
die ook in het verband van het humanisme liggen. 

Mag ik b.v. verwijzen naar een uiteenzetting als die van 
prof. Schillebeeckx van de universiteit van Nijmegen, weer-
gegeven in „De Tijd-Maasbode" van 22 november van het 
vorige jaar? Een waardering van het humanisme, zoals daar 
wordt uitgesproken, is niet te verenigen met het op een andere 
wijze toegang geven van de raadslieden van dat humanisme, 
een andere wijze dan de aalmoezeniers en de predikanten, 
en om die ongelijkheid en de doorwerking daarvan gaat het mij. 

Ik meen dus mijn amendement te moeten staande houden. 

De heer Oud (V.V.D.): Mijnheer de Voorzitter! Ik heb 
geen behoefte om een uitvoerige beschouwing te houden over 
dit punt, maar ik stel er toch wel ten zeerste prijs op te zeggen, 
dat ik grote waardering heb voor de wijze, waarop de heer 
Daams zijn standpunt heeft uiteengezet en dit amendement 
heeft verdedigd, zodat ik er dus bepaald prijs op stel, mij 
daarbij — en ik weet, dat ik dan spreek uit naam van al mijn 
politieke vrienden in deze Kamer — met nadruk aan te sluiten. 

De Voorzitter: Verlangt de heer Minister nog het woord? 

De heer Beerman, Minister van Justitie: Dank U. Mijnheer 
de Voorzitter. 

De Voorzitter: Ik verzoek de vaste Commissie voor Justitie 
haar oordeel over het amendement mee te delen. 

De heer Oud, voorzitter van de vaste Commissie voor Justitie: 
Mijnheer de Voorzitter! Van de nog aanwezige leden van de 
commissie zijn er drie vóór het amendement en twee tegen. 

De beraadslaging wordt gesloten. 

Deel II Zitting 1960—1961 

TWEEDE KAMER 




2724 62stc vergadering - 27 april '61 Vaststelling van een nieuwe Beginselenwet voor de kinderbescherming, enz. 

Voorzitter 

De stemming over het artikel en het daarop voorgestelde 
amendement wordt aangehouden. 
De overige artikelen van artikel 1 worden achtereenvolgens 
zonder beraadslaging en zonder hoofdelijke stemming aange-
nomen. 
De stemming over artikel I wordt aangehouden. 
De artikelen II, 111 tot en met IV van het wetsontwerp 
worden achtereenvolgens zonder beraadslaging en zonder hoof-
delijke stemming aangenomen. 
De stemming over het wetsontwerp wordt aangehouden. 
Aan de orde is de behandeling van het wetsontwerp Natura-
lisatie van Erde, Franciscus Petrus Izaak en 26 anderen 
(6309). 
De Voorzitter: De Minister heeft mij medegedeeld, dat in 
artikel 3, onder 5, de geslachtsnaam Weigert dient te worden 
veranderd in Weiehert. 
Deze verbetering zal alsnog worden aangebracht. 

Het wetsontwerp wordt zonder beraadslaging en, na goed-
keuring van de onderdelen en nadat de vaste Commissie voor 
de Naturalisaties tot aanneming heeft geadviseerd, zonder 
hoofdelijke stemming aangenomen. 

Aan de orde is de behandeling van de wetsontwerpen: 

Naturalisatie van van den Broeke, Pieter en 19 anderen 
(6310); 

Naturalisatie van Bax, Paulus en 22 anderen (6311); 

Naturalisatie van Geisler, Robby Wilhelm en 19 anderen 
(6312). 

Deze wetsontwerpen worden achtereenvolgens zonder be-
raadslaging en, telkens na goedkeuring van de onderdelen en 
nadat de vaste Commissie voor de Naturalisaties tot aanneming 
heeft geadviseerd, zonder hoofdelijke stemming aangenomen. 

Deel II Zitting 1960—1961 

TWEEDE KAMER 




