12de Vergadering 

Voorzitter: Dolman 

Tegenwoordig zijn 128 leden, te we-
ten: 

Van Aardenne, Van Amelsvoort, Van 
den Anker, E. C. Bakker, M. Bakker, 
Beckers-de Bruijn, Ter Beek, De Beer, 
Beinema, Van den Bergh, J. D. Blaauw, 
P. M. Blauw, H. A. de Boer, J. J. P. de 
Boer, De Boois, Braams, Braks, Brink-
horst, Van den Broek, Brokx, Brouwer, 
Buurmeijer, Castricum, G. M. P. Corne-
lissen, P. A. M. Cornelissen, Cotterell, 
G. C. van Dam, M. P. A. van Dam, 
Dees, Deetman, Dekker, Van Dijk, Dijk-
man. Van Dis, Van der Doef, Dolman, 
Epema-Brugman, Van Erp, Van Es, 
Evenhuis, Evenhuis-van Essen, Evers-
dijk, Faber, Frinking, Gardeniers-Be-
rendsen, Gerritse, Ginjaar-Maas, De 
Graaf, Groenman, Gualthérie van 
Weezel, Haas-Berger, Hennekam, Her-
mans, Hermes, Hermsen, Van Houwe-
lingen, Jabaaij, Jacobse, Janmaat-
Abee, Joekes, Keja, Van Kemenade, 
Kohnstamm, Konings, De Korte, Kos-
to, Kraaijeveld-Wouters, Krajenbrink, 
De Kwaadsteniet, Lambers-Hacque-
bard, Lankhorst, Leerling, Van Leijen-
horst, Van der Linden, Lubbers, Meijer, 
Mertens, Mik, Mommersteeg, Moor, 
Niessen, Nijpels, Van Noord, Nuis, Ny-
pels, Van Ooijen, Oomen-Ruijten, Pa-
tijn, Ploeg, Poppe, De Pree, Rietkerk, 
Roethof, Van Rossum, Van der San-
den, Schaapman, Scherpenhuizen, 
Schutte, Smit-Kroes, Van der Spek, 
Stemerdink, Van der Stoel, Stoffelen, 
Tazelaar, Terlouw, Van Thijn, Tommei, 
Toussaint, Tripels, Ter Veer, Veldhui-
zen, Verkerk-Terpstra, Van Vlijmen, B. 
de Vries, K. G. de Vries, Waalkens, De 
Waart, Wagenaar, Wallage, Waltmans, 
Weijers, Wessel-Tuinstra, Willems, 
Wolters, Wöltgens, Worrell, Van Zeil 
en Zijlstra, 

en de heer De Geus, Minister van De-
fensie en mevrouw Haars, Staats-
secretaris van Justitie. 

De Voorzitter: Ik deel aan de Kamer 
mee, dat zijn ingekomen berichten van 
verhindering van de leden: 

Knol en Bolkestein, de hele week, we-
gens andere werkzaamheden; 

Van der Vlies, wegens familieomstan-
digheden; 

Salomons, wegens bezigheden elders; 

Duinker en Müller-van Ast, wegens 
ziekte, de hele week. 

Deze berichten worden voor kennisge-
ving aangenomen. 

De Voorzitter: Namens de Kamer heb 
ik aan de voorzitter van de Nationale 
Vergadering van de Volksrepubliek 
Bulgarije een gelukwens gezonden ter 
gelegenheid van de 1300ste verjaar-
dag van de stichting van de Bulgaarse 
Staat. 

Ingekomen is de volgende brief: 

'Apeldoorn, 4 september 1981 

Hooggeachte Voorzitter, 

Het bekende gezegde er is een tijd van 
komen en van gaan is heden op mij 
van toepassing. In verband met mijn 
benoeming tot burgemeester van 
Apeldoorn zie ik mij namelijk genood-
zaakt voor het lidmaatschap van de 
Tweede Kamer te bedanken met in-
gang van 9 september 1981. 

Het kamerlidmaatschap heb ik 
slechts kort kunnen vervullen, daar 
tegenover staat, dat ik enige jaren in 
de Kamer heb mogen verkeren. Mede 
dit brengt mij ertoe u als Kamervoor-
zitter dankte zeggen voorde leiding 
en in u hen te danken die het 'zitten, 
gaan en staan' in de Kamer vergemak-
kelijkten en mogelijk maakten zoals in 
het bijzonder degenen van de bode-
dienst. 

Bij een vertrek van iemand die 
slechts kort kamerlid is geweest pas-
sen minder lange beschouwingen 
over de toekomst van onze parlemen-
taire democratie en het functioneren 
van de Kamer, zodat ik mij beperk tot 
de wens u zelf mijn beste wensen te 
doen toekomen, zowel in persoon als 
voor uw werk en aan het adres van 
mijn collega's-kamerleden de wens 
dat het allen persoonlijk goed ga en 
dat zij veel inspiratie mogen ondervin-
den en ook voldoening bij hun werk. 
Laten zij voorts weten dat indien zij in 
een natuurrijke omgeving eens weer 

Dinsdag 8 september 1981 
Aanvang 14.00 uur 

op krachten willen komen, zij in Apel-
doorn van harte welkom zijn. 

Met hoogachting en vriendelijke groet, 

(w.g.) Beelaerts van Blokland.' 

Ook zijn ingekomen brieven van me-
vrouw Gardeniers-Berendsen en de 
heren Van Agt, Braks, Brokx, J. de Ko-
ning en De Ruiter, dat zij eveneens met 
ingang van 9 september 1981 ontslag 
nemen als lid van deze Kamer. 

Van het ontslag is mededeling gedaan 
aan de Voorzitter van het Centraal 
Stembureau en aan de Minister van 
Binnenlandse Zaken. 

Ik stel voor, de brieven voor kennisge-
ving aan te nemen. 

Daartoe wordt besloten. 

De Voorzitter: De overige ingekomen 
stukken staan op een lijst, die op de ta-
fel van de griffier ter inzage ligt. Op die 
lijst heb ik ook voorstellen gedaan 
over de wijze van behandeling. Als aan 
het einde van deze vergadering daar-
tegen geen bezwaren zijn ingekomen, 
neem ik aan, dat de Kamer zich met de 
voorstellen heeft verenigd. 

Op verzoek van de fractie van de CPN 
benoem ik in de Bijzondere Commissie 
15 550 (Integraal structuurplan 
Noorden des Lands) het lid Brouwer in 
plaats van het lid M. Bakker. 

Het Presidium heeft met eenparigheid 
van stemmen besloten te stellen in 
handen van: 

a. de vaste Commissies voor Jusitie 
en voor Binnenlandse Zaken gezamen-
lijk: Nota Automatisering van politiële 
informatievoorziening (17 027); 

b. de vaste Commissie voor Finan-
ciën: Wetsontwerp Goedkeuring van 
de beschikking van 1 juli 1981, nr. 
081-1415 (Stcrt. 123) tot wijziging van 
de Beschikking Wijziging lnvesterings-
bijdragen (17 034). 

Regeling van werkzaamheden 

De Voorzitter: Op verzoek van de Mi-
nister van Justitie stel ik voor, het 

Tweede Kamer 
8 september 1981 

Ingekomen stukken 
Regeling van werkzaamheden 

323 


Een onderonsje tussen kamervoorzitter Dolman en de heer Terlouw (D'66). 

wetsontwerp Wijziging van de regelen 
omtrent de indexering van uitkeringen 
voor levensonderhoud (16 630) van de 
agenda af te voeren. 

Daartoe wordt besloten. 

De Voorzitter: Ik stel ook voor, bij de 
aanvang van de vergadering van 
woensdag 16 september a.s. gelegen-
heid te geven tot het stellen van mon-
delinge vragen. 

Daartoe wordt besloten. 

De Voorzitter: Op ons zien neer leden 
van de Commissie voor Sociale Zaken 
uit het Zweedse parlement. Wij heten 
hen van harte welkom. 

(Applaus). 

Aan de orde zijn de stemmingen in 
verband met het wetsontwerp Wijzi-
ging van de Wet verbetering rechts-
positie verzetsmilitairen (14 913). 

De Voorzitter: De heer Wolff heeft mij 
medegedeeld, dat hij als gevolg van 
de indiening van de tweede nota van 
wijzigingen (stuk nr. 11) zijn amende-
menten op stuk nr. 10 (I en II) intrekt, 
zodat ze geen onderwerp van beraad-
slaging meer uitmaken. 

Het wetsontwerp wordt, na goedkeu-
ring der onderdelen, zonder stemming 
aangenomen. 

Aan de orde is de beantwoording van 
vragen, gesteld overeenkomstig arti-
kel 107 van het Reglement van Orde 
door de leden K. G. de Vries en Ter 
Beek aan de Minister van Defensie, 
over de deelname aan de vlootoefe-
ning 'Ocean Venture '81'. 

[De vragen zijn opgenomen aan het 
eind van deze weekeditie.]' 

D 

De heer De Vries (PvdA): Mijnheer de 
Voorzitter! In de pers hebben de afge-
lopen weken en maanden artikelen ge-
staan over een grote marineoefening 
die wordt gehouden in de buurt van 
Zuid-Amerika. Aan deze oefening ne-
men schepen deel uit NAVO-landen 
en, naar het schijnt, ook uit landen in 
Zuid-Amerika. Voor ons is dat buiten-
gewoon interressant vanuit twee 
gezichtspunten: in de eerste plaats 
vanwege de problematiek rond de 
grenzen van de NAVO en in de tweede 
plaats wegens de samenwerking die 
tijdens zo'n oefening zou kunnen op-
treden met regimes, die wij liever niet 
in een samenwerking betrekken. 

Voor ons is dit aanleiding geweest 
tot het stellen van deze vragen. Later is 
mij gebleken dat de situatie nog inge-
wikkelder is geworden, omdat men 
heeft geprobeerd oefeningen die ge-
lijktijdig worden gehouden in afzon-
derlijke onderdelen te ontleden. Ik 
hoop dat de Minister aan deze verwar-
ring thans een einde kan maken. 

D 

Minister De Geus: Mijnheer de Voor-
zitter! Alvorens tot de beantwoording 
der vragen over te gaan, wil ik graag 
een korte inleiding houden. 

Van 1 augustus tot medio oktober 
wordt in verschillende zeegebieden 
een reeks internationale marineoefe-
ningen gehouden. De Amerikaanse 
marine neemt deel aan alle oefenin-
gen in deze reeks. Daarom gebruikt de 
Amerikaanse marine voor deze reeks 
oefeningen de verzamelnaam 'Ocean 
Venture 81'. Het gaat hier om een aan-
tal in tijd opvolgende NAVO-oefenin-
gen èn enige oefeningen van de Ame-
rikaanse marine met vlooteenheden 
van Zuidamerikaanse landen. De 
twee soorten oefeningen staan geheel 
los van elkaar en worden in verschil-
lende zeegebieden gehouden. Voor 
landen die niet aan alle delen van de 
reeks deelnemen hebben de onderde-
len ervan niet die samenhang als voor 
de Amerikaanse marine het geval is. 
Daarover is enige verwarring ont-
staan. In ieder gevalkan ik verzekeren 
dat aan de oefeningen onder NAVO-
auspiciën geen eenheden van Latijns-
amerikaanse landen meedoen. 

De Koninklijke marine nam van 3 tot 
20 augustus deel aan de oefening 
readex II in het Caraïbisch gebied. Zij oe-
fende daar samen met eenheden van 
Amerika en het Verenigd Koninkrijk. Er 
namen geen eenheden van Latijns-
amerikaanse landen aan deel. Dit 
soort oefeningen werd ook in voor-
gaande jaren gehouden. De Konink-
lijke marine doet daar aan mee, gezien 
de defensieverantwoordelijkheid 
krachtens het koninkrijksstatuut. Deze 
oefening Readex II werd geleid door 
de Amerikaanse bevelhebber voor het 
Caraïbisch gebied. De Amerikaanse 
marine beschouwde deze oefening als 
een fase in de door haar als Ocean 
Venture '81 aangeduide reeks. Voor de 
andere marines, in elk geval de Neder-
landse, was het echter een op zich zelf 
staande oefening. 

Verder zal de Koninklijke marine tus-
sen begin september en medio okto-
ber deelnemen aan enkele NAVO-oe-
feningen, te weten Magie Sword 81 en 
Ocean Safari 81. Deze oefeningen spe-
len zich af in de Noordzee, de Atlanti-
sche Oceaan, de Golf van Biskaje en 
Het Kanaal. 

Mijnheer de Voorzitter! Ik kom nu tot 
de beantwoording van de schriftelijke 
vragen. 

Op de eerste vraag kan ik antwoor-
den dat de naam 'Ocean Venture '81' 
een verzamelnaam is voor een reeks 
maritieme oefeningen van alleen de 
Amerikaanse marine. De vraag waar-

Tweede Kamer 
8 september 1981 

Regeling van werkzaamheden 

Verzetsmilitairen 

Vragen 

324 




De Geus 

om de Noorse marine niet deelneemt 
aan de aldus aangeduide reeks is dus 
niet ter zake. 

In vraag 2 wordt naar voren ge-
bracht dat volgens het Noorse blad 
'Aften Posten' mijn Noorse collega on-
der meer heeft gezegd dat Noorwegen 
bezwaren heeft tegen deelname aan 
Ocean Venture '81 omdat deze oefe-
ningen zich ook afspelen in gebieden 
die duidelijk buiten NAVO-gebied val-
len. Deelname van Noorwegen aan 
onderdelen van die oefeningen zou, 
volgens dat bericht militaire en politie-
ke onduidelijkheid kunnen scheppen. 
Vermoedelijk is aanvankelijk bij de 
Noorse autoriteiten als gevolg van de 
door de Amerikanen gelegde koppe-
Mng tussen al deze oefeningen verwar-
ring ontstaan. De officiële Noorse re-
actie is anders geweest. Noorwegen 
deed wel degelijk mee aan de NAVO-
oefening Magie Sword, die inmiddels 
is beëindigd. 

Vraag 3 vloeit uit de vorige vragen 
voort. Zij bevat de kern van de opmer-
king van de heer De Vries. Er is in feite 
geen sprake van uitbreiding van het 
NAVO-taakgebied. 

Wat de vragen 4 en 5 betreft, waarin 
het gaat om de positie van de Bonds-
republiek, is ons bekend dat er geen 
bezwaren van deze zijde zijn aangete-
kend. De Bundesmarine doet aan de 
oefeningen mee overeenkomstig de 
aanvankelijke afspraken. 

In antwoord op vraag 6 deel ik mede 
dat de Regering er in de NAVO op 
heeft gewezen dat bij gelijktijdige be-
kendmaking van twee soorten oefe-
ningen verwarring zou kunnen ont-
staan over de aard van de oefeningen. 
De Regering heeft erop aangedrongen 
dit niet meer te doen. 

Ik kom bij de laatste vraag. Het stati-
onsschip in de Nederlandse Antillen 
oefent één- of tweemaal per jaar inci-
denteel met eenheden van de Colunv 
biaanse marine. Daarnaast bestaan er 
zakelijke contacten met Peru in ver-
band met de verkoop van een aantal 
schepen. 

D 

De heer De Vries (PvdA): Mijnheer de 
Voorzitter! Is het toevallig dat onze oe-
fening zo goed paste in het Ameri-
kaanse kader van 'Ocean Venture '81'? 

Moet uit het feit dat er vooroverleg 
binnen de NAVO is geweest niet wor-
den opgemaakt, dat men zich van de 
politieke gevoeligheid vqn deze zaak 
bewust is geweest? 

Zo ja, waarom heeft men dan toch 
besloten, binnen dit kader de oefenin-
gen te gaan houden? 

Lijkt het niet verstandig om in de 
toekomst nog voorzichtiger te zijn met 
het wekken van verkeerde schijn? 

D 

Minister De Geus: Mijnheer de Voor-
zitter! Ik denk dat het voor de Amerika-
nen niet toevallig is dat een en ander 
past in 'Ocean Venture '81', maar ik 
heb daar uiteraard geen verantwoor-
delijkheid voor. 

De vragensteller zal weten dat elk 
jaar om deze tijd, in de nazomer dus, 
oefeningen in NAVO-verband worden 
gehouden. Als de Amerikaanse plan-
ning daarop dan aansluit, dan behoort 
dat tot de Amerikaanse verantwoorde-
lijkheid, maar de verantwoordelijkheid 
van onze Regering gaat niet verder 
dan de deelname van Nederlandse 
eenheden aan NAVO-oefeningen. Hoe 
andere landen daarop aansluiten met 
hun nationale oefeningen, is een zaak 
die ligt buiten onze verantwoordelijk-
heid. 

In verband met de politieke gevoe-
ligheid, waarop de heer De Vries duidt, 
merk ik op dat wij erop hebben aange-
drongen om in den vervolge na te la-
ten datgene wat door naamgeving of 
andere dingen zou suggereren, dat er 
enigerlei samenhang zou zijn. Ik hoop 
dat men van Amerikaanse zijde inder-
daad deze voorzichtigheid in acht zal 
nemen in het vervolg. 

De heer Ter Beek (PvdA): Mijnheer de 
Voorzitter! Heb ik goed van de Minis-
ter begrepen, dat er geen oefeningen 

zijn geweest of nog zullen komen in 
het kader van wat ik gemakshalve 
noem 'Ocean Venture '81', waaraan de 
Nederlandse marine wel deelneemt en 
de Noorse marine niet? 

Minister De Geus: Mijnheer de Voor-
zitter! Ik moet er bezwaar tegen maken 
dat de geachte afgevaardigde de heer 
Ter Beek een koppeling legt met 'Ocean 
Venture '81'. Wij hebben alleen te 
maken met NAVO-oefeningen en die 
vallen nogal in delen uit elkaar. Het is 
niet onmogelijk dat aan bepaalde de-
len daarvan, maar dat weet ik niet, 
geen Noorse maar wel Nederlandse 
schepen deelnemen. Wij hebben bin-
nen het Suprème Allied Command At-
lantic een andere taak dan de Noren. 

De heer Waltmans (PPR): Mijnheer de 
Voorzitter! Heeft de Regering, voordat 
zij haar zienswijze bepaalde ten aan-
zien van de antwoorden op de vragen, 
overleg gepleegd met de regering van 
de Nederlandse Antillen? 

Minister De Geus: Mijnheer de Voor-
zitter! Het antwoord op deze vraag is: 
neen. Ten aanzien van deze verant-
woordelijkheid handelt de Regering 
als Koninkrijksregering, zodat er naar 
mijn mening geen aanleiding is terza-
ke met de Antilliaanse regering over-
leg te plegen. 

De heer Frinking (CDA): Mijnheer de 
Voorzitter! Wat is de beweegreden 
van het oefenen van het stationsschip 
in de Nederlandse Antillen met de Co-
lumbiaanse marine? 

Minister De Geus (Defensie). 

Tweede Kamer 
8 september 1981 

Vragen 

325 




De Geus 

Minister De Geus: Mijnheer de Voor-
zitter! Voor het stationsschip dat altijd 
voor een periode van negen maanden 
in de Antillen verblijft is er bijzonder 
weinig gelegenheid om te oefenen. 
Als er zich een gelegenheid voordoet 
en van de kant van Columbia daarop 
prijs wordt gesteld, dan wordt dat 
soort oefeningen inderdaad gehou-
den. 

De heer J. D. Blaauw (WD): Mijnheer 
de Voorzitter! Doet Noorwegen nu wel 
of niet mee aan 'Ocean Safari 81'? 

Minister De Geus: Mijnheer de Voor-
zitter! Ik weet niet of Noorwegen deel-
neemt aan alle onderdelen van de gro-
te NAVO-oefening die op dit moment 
aan de gang is. Ik weet wel dat men 
meedoet aan het onderdeel Magie 
Sword. Als er prijs op wordt gesteld, 
kan ik de Kamer schriftelijk laten weten 
of Noorwegen al of niet voor alle on-
derdelen heeft 'ingeschreven'. 

Aan de orde is de behandeling van het 
wetsontwerp Wijziging van de Begin-
selenwet voor de kinderbescherming 
ten aanzien van de rechtspositie van 
in rijksinrichtingen voor kinderbe-
scherming verblijvende minderjarigen 
(15 713). 

De algemene beraadslaging wordt ge-
opend. 

D 

Mevrouw Wessel-Tuinstra (D'66): 
Mijnheer de Voorzitter! Het wets-
ontwerp dat nu voor ons ligt is weer 
een deel van een totale rechtspositie-
regeling voor minderjarigen. Het be-
klagrecht, dat het wetsontwerp beoogt 
te regelen, is belangrijk, maar zal nog 
meer gestalte krijgen door de goed uit-
gewerkte rechtspositie van de minder-
jarigen waarop wij allen hopen en 
waaraan, naar ik heb begrepen, reeds 
hard wordt gewerkt. 

De rechtspositie van deze minderja-
rigen, namelijk zij die in de rijksinrictv 
tingen verblijven, is extra belangrijk. 
Mijn fractie is dan ook blij dat dit wets-
ontwerp met voorrang wordt behan-
deld. Wij hebhen hier immers te ma-
ken met een groep die in een extra af-
hankelijke positie verkeert, die weinig 
macht heeft en dus weinig middelen 
heeft om tot een eigen inrichting van 
het leven te kunnen komen. 

Verschillende fracties, ook de fractie 
van D'66, hebben aangedrongen op 
spoedige realisatie van een klachtrecht 
bij de particuliere inrichtingen. Ook de 

bewindslieden ondersteunen dit. Toch 
zien wij enige wolken aan de hemel 
ten aanzien van de vereiste spoed en 
de inhoud van de regeling voor parti-
culiere inrichtingen. Wij hebben daar-
om enkele vragen aan de Regering. 

Zoals ook in de nota naar aanleiding 
van het eindverslag door de bewinds-
lieden is opgemerkt, wordt nu binnen 
het WIJN opnieuw een voorstel be-
sproken nadat eerder ingediende 
voorstellen door de achterban werden 
afgewezen. Immers, ook de Kamer 
ontving van het Landelijk Bureau 
WIJN nieuwe voorstellen, gedateerd 
mei 1981. Daaruit blijkt dat een getrap-
te vorm van het klachtrecht in de vorm 
van een klachtencommissie en een be-
roepscommissie, analoog aan het nu 
voorliggende wetsontwerp voor de 
rijksinrichtingen, wordt afgewezen door 
de tehuizen. Reden voor het Landelijk 
Bureau om in het nieuwe voorstel uit 
te gaan van een andere vorm namelijk 
van de 'vertrouwenspersoon', die bin-
nenkort als experiment in de geestelij-
ke gezondheidszorg gaat beginnen. 

Hoe beoordeelt de bewindsvrouwe 
deze voorstellen? Zijn de vijf vertrou-
wenspersonen voor het gehele land, 
zoals door het WIJN wordt beoogd, 
voldoende? Maar belangrijker voorals-
nog is: hoe staan de bewindslieden 
tegenover de opvatting van het Lande-
lijk Bureau datdeopzetvan het klacht-
recht zoveel mogelijk moet aansluiten 
bij de experimenten in de geestelijke 
gezondsheidszorg? Is dit wel in over-
eenstemming met het herhaaldelijk 
door de Regering in de schriftelijke 
voorbereiding van dit wetsontwerp in-
genomen standpunt dat een klacht-
recht bij de particuliere kinderbe-
scherming, aan zou moeten sluiten bij 
dat in de rijksinrichting? 

Bij deze ontwikkeling is de fractie 
van D'66 des te meer argwanend ge-
worden naar aanleiding van de opmer-
kingen van de Regering in de nota 
naar aanleiding van het eindverslag 
dat de klachtenregeling naar de strek-
king niet mag onderdoen voor die wel-
ke in de rijksinrichtingen met het on-
derhavige wetsontwerp wordt vastge-
steld. In de memorie van antwoord, in 
oktober vorig jaar dus, schreef de Re-
gering nog met stelligheid dat de ge-
trapte vorm een goed uitgangspunt 
vormde en dat de klachtenregelingen 
voor minderjarigen in particuliere en 
rijksinrichtingen zoveel mogelijk over-
een dienden te komen. Wat is thans 
het uitgangspunt van de Regering, zo 
vragen wij ons af, na beschouwing van 
deze, naar het lijkt, tegenstrijdige op-
vattingen? 

Zou het voor de discussie binnen het 
WIJN over de nieuwe voorstellen van 
het Landelijk Bureau niet bevorderlijk 
zijn als de Regering alle duidelijkheid 
verschafte over de mate van overeen-
stemming tussen de klachtenregelin-
gen in rijks- en particuliere instellin-
gen? Graag de mening van de be-
windsvrouwe hierover. 

Hierbij vinden wij het ook interes-
sant te weten of de bewindsvrouwe 
haar uitgangspunt dat bij voorkeur ie-
mand uit de rechterlijke macht als 
voorzitter van de klachtencommissie 
optreedt, in voldoende mate terug 
vindt in de nieuwe voorstellen van het 
WIJN. Ook kunnen de bewindslieden 
wellicht aangeven op welke termijn 
een rechtspositieregeling voor min-
derjarigen, met als belangrijk onder-
deel het klachtrecht, binnen de particu-
liere instellingen gestalte krijgt. Graag 
duidelijkheid hierover. 

De fractie van D'66 is verheugd dat 
in de schriftelijke voorbereiding de Re-
gering teruggekomen is op haar voor-
nemen de disciplinaire straffen in het 
wetsontwerp op te nemen. Wij achten 
disciplinaire straffen inderdaad een 
achterhaalde zaak. 

De afzondering is in een andere 
vorm teruggekomen. Afzondering als 
strafmaatregel is verdwenen, maar ge-
bleven is echter de afzondering als pe-
dagogische maatregel. Ondanks de 
toezegging van de bewindsvrouwe de 
maatregel met meer waarborgen te 
omgeven, zoals het horen van minder-
jarigen, de eisen aan het vertrek en 
voldoende toezicht, blijft de fractie van 
D'66 moeite hebben met de mogelijk 
zeer lange duur, namelijk maximaal 8 
dagen, van de afzondering. Begint de 
pedagogische maatregel hier toch niet 
op disciplinaire straf te lijken? 

De Regering komt aan onze bezwa-
ren gedeeltelijk tegemoet in de nota 
naar aanleiding van het eindverslag, als 
zij schrijft het voorstel - van onze fractie 
- nog eens te overwegen, namelijk om 
die acht dagen te veranderen in twee 
dagen met mogelijkheid van verlenging 
van nog éénmaal twee dagen. Gezien 
de aard van de maatregel vinden wij de-
ze aankondiging van de Regering om te 
'heroverwegen' toch wat mager in deze 
belangrijk zaak. Kan de bewindsvrouwe 
thans zeggen wat haar expliciete stand-
punt in deze is? D'66 hecht zo aan deze 
zaak dat zij bij een onbevredigend ant-
woord hierover in tweede termijn een 
motie wil indienen. 

Afzondering, ook als pedagogische 
maatregel, blijft naar de mening van 
de fractie van D'66 een ultimum reme-
dium. Alles zal erop gericht moeten 
zijn een situatie te voorkomen, dat ge-

Tweede Kamer 
8 september 1981 

Vragen 
Kinderbescherming 

326 




Wessel-Tuinstra 

grepen moet worden naar de maatre-
gel van afzondering. Mèt de bewinds-
lieden gaat onze voorkeur sterk uit 
naar, indien nodig, de afzondering in 
de eigen kamer. Doch geheel willen 
wij de afzondering in een soberder 
vertrek dan de eigen kamer niet uitslui-
ten. Wèl zal zij zeer duidelijk met waar-
borgen en termijnen omgeven moeten 
zijn. Naar onze mening past daarin een 
afzondering van jonge tot zeer jonge 
minderjarigen in dergelijke afzonderlij-
ke vertrekken niet. Derhalve vragen wij 
de bewindslieden zodanige maatrege-
len te treffen dat voor de minderjarige 
onder de leeftijd van 14 jaar de maat-
regel van afzondering beperkt blijft tot 
afzondering in de eigen kamer. 

Samenvattend is D'66 dus van me-
ning dat voor oudere minderjarigen af-
zondering buiten de eigen kamer 
eventueel toegestaan is, mits slechts 
voor maximaal twee dagen welke ter-
mijn éénmaal verlengd kan worden. 
Voor minderjarigen, jonger dan 14 jaar, 
zien wij een eventuele afzondering al-
leen mogelijk in de eigen kamer. 

De Regering heeft naar aanleiding 
van de opmerkingen in de Kamer dB 
beklagtermijn beperkt tot één week. 
Met enige aarzeling kunnen wij dit on-
dersteunen. Het argument van de snel-
Ie afdoening spreekt ons zeer aan, 
maar mét de Regering zijn wij van me-
ning dat juist die informele pogingen 
tot oplossing van een klacht zo van be-
lang zijn. Derhalve pleiten wij met na-
druk voor een toch ruime interpretatie 
van het tweede gedeelte van artikel 26 
a, lid 3, waar - onder voorwaarde - mo-
gelijkheden zijn geschapen voor het 
indienen van de klacht na één week. 
Deelt de Minister die uitleg? Wij willen 
dit graag van haar vernemen voor de 
Handelingen en tevens voor de inter-
pretatie. 

In het wetsontwerp kan de commis-
sie van toezicht aan de directeur het 
voorstel doen tot schorsing van ver-
dere tenuitvoerlegging van de beslis-
sing waarop de klacht betrekking 
heeft. 

De directeur kan dit echter weigeren. 
Dit wenst de Regering, ondanks her-
haald aandringen vanuit de Kamer, te 
handhaven. De Regering verwijst 
daarbij naar de eigen verantwoorde-
lijkheid die de directeur zou hebben. 
Deze eigen verantwoordelijkheid 
wordt door mijn fractie terdege er-
kend. 

Juist de terughoudende opstelling 
van de commissie van toezicht bij het 
doen van een voorstel tot schorsing -
zoals wij met de Regering verwachten 
- moet met zich mee brengen dat, 

wanneer de commissie een dergelijk 
voorstel doet, dit met des te meer re-
denen zal zijn omkleed. Daarom zou de 
fractie van D'66 willen zien, dat de di-
recteur als het enigszins mogelijk is, 
gehoor geeft aan het voorstel van de 
commissie. 

De woorden van de bewindslieden 
in de schriftelijke voorbereiding van 
dit wetsontwerp gaan weliswaar even-
eens in deze richting, doch gezien het 
belang van deze zaak hebben wij op dit 
punt een amendement ingediend. 
Daarin wordt de Minister van Justitie 
een beslissing omtrent de schorsing 
voorgelegd, indien de directeur 
meent, het voorstel van de commissie 
van toezicht niet te kunnen opvolgen. 

De Minister heeft ons overtuigd van 
de juistheid van de voorstellen over 
het indienen van een klacht over een 
personeelslid, over de termijnen van 
het beroepscollege en over het beklag 
over bezoek, telefoon enzovoorts. Wij 
laten dit dan ook verder rusten. 

In het wetsontwerp wordt voorge-
steld dat de directeur van de inricn-
ting, weliswaar nadat advies is inge-
wonnen bij de voorzitter van de klach-
tencommissie, beslist over een ge-
schikte compensatieregeling, indien 
de minderjarige in het gelijk wordt 
gesteld, maar de gevolgen van de be-
streden beslissing niet meer ongedaan 
kunnen worden gemaakt. Het voert 
naar onze mening te ver om te stellen 
dat het oordeel over de vraag of com-
pensatie wordt toegekend en wat de 
aard daarvan zal zijn, geheel aan de di-
recteur wordt overgelaten. De direc-
teur blijft immers tegenspeler van de 
minderjarige in de 'beklagsituatie', 
hoe goed zijn bedoelingen ook zijn. De 
klachtencommissie en het College van 
advies van de kinderbescherming zou-
den worden onderschat, indien zij niet 
in staat zouden worden geacht, ter za-
ke een juiste beslissing te nemen over 
de aard van de compensatieregeling, 
ook na het horen van de directeur. 
Hiervoor kunnen ook de artikelen 57, 
lid 4 en 58, leden 3 en 4 van de Begin-
selenwet Gevangeniswezen worden 
bekeken, waarin een dergelijke rege-
ling is opgenomen. De bewindslieden 
verwijzen met grote regelmaat naar 
deze wet vanwege de soms analoge 
regeling van het klachtrecht. 

Wij delen niet het bezwaar van de 
Regering over het ontbreken van com-
pensatiecriteria. Ook in de huidige 
rechtsgang met betrekking tot meer-
derjarigen bestaan geen duidelijke 
richtlijnen. Zoiets zal in de praktijk van-
zelf groeien. Juist zonder criteria zal 
men een regeling kunnen treffen die 
optimaal aansluit bij de aard van het 

geval. Graag horen wij van de be-
windsvrouwe hoe zij over deze com-
pensatieregeling denkt. Wij hebben 
onze argumenten in een amendement 
neergelegd. 

De fractie van D'66 zal zich te zijner 
tijd graag uitspreken over de wijziging 
van het Uitvoeringsbesluit Kinderbe-
scherming, te meer daar daarin nog na-
dere regelingen aan de Kamer zullen 
worden voorgelegd. 

De Voorzitter: In de loge zijn enkele le-
den van het Zuid-Koreaanse parle-
ment aanwezig. Ook hen heten wij 
graag welkom. 

(Applaus). 

D 

Mevrouw Evenhuis-van Essen (CDA): 
Mijnheer de Voorzitter! De C.D.A.-frac-
tie heeft veel waardering voor de wij-
ze, waarop de Regering het gemeen 
overleg met de Kamer heeft gevoerd 
ten aanzien van dit voor de rechtsposi-
tie van in rijksinrichtingen verblijvende 
minderjarigen zo belangrijke ontwerp 
van wet. 

Dat dit overleg tevens heeft geresul-
teerd in de honorering van enkele, 
door onze fractie voorgestelde wijzi-
gingen en gedane suggesties, stemt 
ons tot tevredenheid. 

Een van de belangrijkste punten 
hierbij betrof de verkorting van de ter-
mijnen, zowel waarbinnen de minder-
jarige zijn beklag kan doen over een 
door of vanwege de directeur gegeven 
beslissing, als waarbinnen de klacht 
door de voorzitter van de commissie 
van toezicht, of het lid dat hem ver-
vangt, wordt afgedaan dan wel door-
verwezen. De ratio voor het voorstaan 
van kortere termijnen was voor de 
CDA-fractie hierin gelegen, dat naar 
haar oordeel over een bij een minder-
jarige levende grief zo snel mogelijk 
dient te worden beslist en dat ten aan-
zien van een door of vanwege de di-
recteur gegeven beslissing niet te lang 
onzekerheid dient te heersen, zowel bij 
de directeur als bij de minderjarige. 

Volgens artikel 26b, tweede lid, van 
het ontwerp, kan de voorzitter van de 
commissie van toezicht, of het lid dat 
hem vervangt, aan de directeur voor-
stellen om de verdere tenuitvoerleg-
ging van de beslissing waarop de 
klacht betrekking heeft, te schorsen. 
Bij de schriftelijke gedachtenwisseling 
had de C.D.A.-fractie bepleit aan dit 
verzoek een dwingend karakter te ver-
lenen. In de nota naar aanleiding van 
het verslag geeft de Regering aan 
waarom zij op deze suggestie niet wil 
ingaan. Als argument tegen de aan-
vankelijk door mijn fractie voorgesta-

Tweede Kamer 
8 september 1981 

Kinderbescherming 

327 




Evenhuis-van Essen 

ne regeling voert de Regering onder 
meer aan dat de directeur verantwoor-
delijk is voor de gang van zaken in de 
inrichting, een verantwoordelijkheid 
die niet door de voorzitter van de 
klachtencommissie, of het lid dat hem 
vervangt, overgenomen kan worden. 
Ook mijn fractie hecht aan deze verant-
woordelijkheid. 

Tevens zijn wij evenwel van oordeel, 
dat ook de voorzitter of het lid van de 
commissie zich van deze verantwoor-
delijkheid bewust zal zijn. Wij menen 
dan ook dat van de bevoegdheid tot 
het doen van een verzoek om te schor-
sen een terughoudend en afgewogen 
gebruik zal worden gemaakt. Onzer-
zijds blijven wij van belang achten dat 
wettelijk geregeld is dat aan een der-
gelijk verzoek zoveel mogelijk gevolg 
zal worden gegeven. Wij wachten de 
reactie van de Staatssecretaris af. 

Een zaak, die de CDA-fractie van 
het allergrootste belang acht, betreft 
de regeling van de maximale termijn, 
die een minderjarige in afzondering 
moet doorbrengen als gevolg van een 
pedagogische maatregel. 

Met de aanvankelijke gedachte van 
de Regering om de duur van het ver-
blijf te bepalen op hoogstens 4 dagen, 
met de mogelijkheid van verlenging 
gedurende nog eens 4 dagen, kon mijn 
fractie zich bepaald niet verenigen. Zij 
bepleitte aansluiting bij de gewone ge-
zinssituatie met termijnen van maxi-
maal 6 uur voor nog geen 14-jarigen 
en maximaal 12 uur voorouderen. 

In de nota naar aanleiding van het 
verslag gaat de Regering nog eens op 
deze kwestie in. Zij geeft daarbij de 
volgende situaties aan, waarin afzon-
derling gedurende langere tijd gebo-
den kan zijn: 

1. afzondering op eigen verzoek; 

2. afzondering vanwege psycho-
tisch gedrag; 

3. afzondering ter observatie, bij 
voorbeeld omdat de minderjarige vóór 
de opname mogelijk verdovende mid-
delen gebruikte; 

4. afzondering als pedagogische re-
actie op wangedrag. 

Mijnheer de Voorzitter! Bij onze 
voorstellen om tot een kortere duur 
van de afzondering te geraken hebben 
wij bepaald niet op het oog de minder-
jarige, die zelf om verblijf buiten de 
groep verzoekt. Evenmin gaat het ons 
om situaties, waarin sprake is van psy-
chotisch gedrag of afzondering ter ob-
servatie. In deze laatste twee gevallen 
betreft het - nemen wij aan - afzonde-
ring op grond van medische indicatie. 

Wèl ging het ons erom de mogelijk-
heid te beperken van afzondering als 

reactie op wangedrag, om de orde en 
tucht in de groep te handhaven. Als ar-
gument voor een langere duur van de 
afzondering voert de Regering ook 
nog aan, dat er een zekere evenredig-
heid moet zijn tot de ernst van het 
wangedrag. Is op deze wijze de maat-
regel toch niet een verkapte straf? De 
straf, welke inmiddels uit het wets-
ontwerp is geschrapt! Het is toch zó 
dat, zodra de orde in de groep en de 
gesteldheid van de afgezonderde min-
derjarige het toelaten, de maatregel 
dient te worden opgeheven? Dit in te-
genstelling tot straf, waarbij men in 
beginsel een van te voren vastgestelde 
tijd 'uitzit'. 

Niettegenstaande dit alles zijn wij 
niet blind voor het feit dat verblijf in 
een rijksinrichting niet zonder meer op 
één lijn gesteld kan worden met de ge-
zinssituatie. Het kan inderdaad nood-
zakelijk zijn een minderjarige wat lan-
ger af te zonderen, waarbij wij toch 
willen opmerken, dat een kamer voor 
afzondering alleen dat gebruikt zal 
worden wanneer een eigen kamer ont-
breekt, omdat men bij voorbeeld in 
groepsverband slaapt! 

Wij wachten de reactie van de be-
windsvrouwe af. Wij stellen ons echter 
voor, eventueel in tweede termijn een 
motie in te dienen, waarin de duur van 
afzondering van jeugdigen onder de 
leeftijd van 14 jaar èn daarboven 
wordt geregeld. 

Het woord 'isoleercel' dient natuur-
lijk uit ons taalgebruik te worden ge-
schrapt. 

In de nota naar aanleiding van het 
verslag geeft de Regering te kennen, in 
overweging te willen nemen, bij alge-
mene maatregel van bestuur de ter-
mijn te stellen op hoogstens 2 dagen 
met de mogelijkheid van verlenging 
gedurende nog eens twee dagen, 
dus de helft van de termijn in het oor-
spronklijke voorstel. Deze handreiking 
zou voor mijn fractie aanvaardbaar 
zijn, indien de Minister de door de 
CDA-fractie voortdurend bepleite dif-
ferentiatie naar leeftijd hierin zou wil-
len aanbrengen. 

In dit verband stellen wij voor, wan-
neer de Staatssecretaris niet antwoordt 
zoals de CDA-fractie bijzonder op prijs 
stelt: voor nog géén 14-jarigen hoog-
stens 1 dag met de mogelijkheid van 
verlenging met nog eens 1 dag. Zou de 
Minister willen toezeggen, bij algeme-
ne maatregel van bestuur de maxima-
le duur van de afzondering te bepalen 
op 1 dag voor nog-geen-14-jarigen en 
voor ouderen op 2 dagen met de mo-
gelijkheid van verlenging gedurende 
achtereenvolgens 1 of 2 dagen? 

Indien dit wetsontwerp wet is ge-
worden, zal de rechtspositie van in rijks-
inrichtingen verblijvende minderjari-
gen belangrijk verbeterd zijn. De CDA-
fractie spreekt de hoop uit, dat een re-
geling voor in particuliere inrichtingen 
verblijvende minderjarigen niet lang 
op zich zal laten wachten. 

D 

De heer Lankhorst (PPR): Mijnheer de 
Voorzitter! Met het schrappen van arti-
kel 25 in de Beginselenwet Kinderbe-
scherming kan een flinke stap gezet 
worden op de weg naar een moderner 
regiem in de rijksinrichtingen voor jon-
geren. De PPR-fractie is daar verheugd 
over, maar is toch nog niet geheel ge-
rustgesteld, want er blijft wel degelijk 
een artikel 22 bestaan met de daarin 
opgenomen mogelijkheid van afzon-
dering. Al mag zo'n afzondering geen 
disciplinaire straf meer heten, maar 
moet ze bij voorbeeld als een pedago-
gische reactie worden beschouwd, de 
vraag is of het verschil erg groot zal 
zijn. Voor een jongere die ermee te 
maken krijgt, waarschijnlijk niet, zeker 
niet als zo'n afzondering ook nog op-
gelegd kan worden na bij voorbeeld 
een belediging. Daarom zal in elk ge-
val in het te herschrijven Uitvoerings-
besluit de afzondering met zeer veel 
waarborgen omgeven moeten wor-
den. Is dat niet het geval, dan heeft het 
schrappen van artikel 25 weinig bete-
kenis. 

Bij de waarborgen is volgens de 
fractie van de PPR te denken aan een 
drastische beperking in de tijd en voor-
al aan de plaats van afzondering. Die 
plaats zal zo vertrouwenwekkend mo-
gelijk moeten zijn. Aan isolatie is wat 
de PPR-fractie betreft geen behoefte. 
Daarbij gaat het ons niet om het woord 
of het invoeren van een nieuw woord, 
maar om het feit zelf. Met isolatie moe-
ten wij stoppen.Dit moet ook niet ge-
beuren om, zoals de bewindslieden 
nog steeds voorstellen, een jongere te 
kunnen observeren in verband met 
drugsmisbruik. Zo'n los genoemd ar-
gument om de afzondering te handha-
ven roept bij ons weer vele vragen op. 
Hoe lang denkt de bewindsvrouw bij 
voorbeeld dat zo'n observatie in dit ge-
val mag duren? 

Het afschaffen van 'de isoleer' in de 
particuliere inrichting 'De Marke', eens 
de kampioen-isoleer, toont aan dat 
een inrichting wel degelijk zonder iso-
leer kan. Natuurlijk is het soms handig, 
een stok achter de deur te hebben in 
de vorm van een isoleer, maar als die 
stok er niet meer is, moet de staf van 
de inrichting naar andere wegen zoe-
ken, hetgeen het klimaat van een in-

Tweede Kamer 
8 september 1981 

Kinderbescherming 

328 




Lankhorst 

richting sterk ten goede kan komen. In 
dat verband heeft de PPR-fractie in het 
eindverslag gevraagd naarde reacties 
van de bewindslieden op het afschaf-
fen van de isoleer in 'De Marke'. Daar 
is helaas geen direct antwoord op geko-
men. 

In de nota naar aanleiding van het 
eindverslag staat alleen: 'Deafschaf-
fing van de isoleercel in bepaalde par-
ticuliere inrichtingen heeft onder meer 
tot gevolg gehad dat de betrokken jon-
geren, indien de situatie in hun inrich-
ting onhoudbaar werd, moesten wor-
den overgeplaatst naar een rijksinrich-
ting of dat opname van zo'n jongere 
door particuliere inrichtingen werd ge-
weigerd'. Maar door 'De Marke' wordt 
die zinsnede niet onderschreven. Kan 
de bewindsvrouw zeggen over welke 
informatie zij beschikt, die deze stel-
ling moet rechtvaardigen? 

In elk geval lijkt ons nu de tijd meer 
dan rijp om de isoleer in de particulie-
re internaten af te schaffen, geen 
machtigingen voor isolatie meer te 
verlenen en de reeds verleende mach-
tigingen in te trekken. Hoe denkt de 
bewindsvrouw daar nu over? Ik 
overweeg een motie over dit onder-
werp in te dienen maar ik wil graag 
eerst het antwoord van de kant van de 
Regering afwachten. 

Ook in een ander opzicht kunnen de 
particuliere instellingen de rijksinrich-
tingen de weg wijzen. De voorstellen 
van het WIJN met betrekking tot een 
vertrouwenspersoon voor jongeren 
spreken de PPR-fractie sterk aan. Deze 
fundamenteel andere klachtregeling 
dan het voorstel voor de rijksinrichtin-
gen, dat nu ter discussie staat, ver-
dient onze bijzondere aandacht. 

Ik zou de bewindsvrouw willen vra-
gen of zij bereid is om enige jaren, na-
dat deze wetswijziging en nadat voor 
de particuliere inrichtingen het 
stelsel van de vertrouwenspersoon in 
werking is getreden, met een vergelij-
king te komen van beide klachtenrege-
lingen. Er is nu geen reden om het 
klachtrecht niet te regelen voor de rijks-
inrichtingen, zoals wordt voorge-
steld, maar er is wel alle reden om met 
grote belangstelling te kijken naar de 
ontwikkeling van de vertrouwensper-
soon in de particuliere inrichtingen; te 
meer omdat het geen goede zaak is als 
op den duur de klachtenregelingen 
voor minderjarigen in particuliere en 
rijksinrichtingen te zeer uiteen gaan lo-
pen. Het wekt verbazing, dat de be-
windslieden dat in de memorie van 
antwoord op vragen van de VVD, D'66 
en DS'70 ook vinden, maar in de nota 
naar aanleiding van het eindverslag 
een andere mening zijn toegedaan. 

In de nota naar aanleiding van het 
eindverslag wordt een gemeen-
schappelijke aanpak niet erg belangrijk 
meer gevonden. Kan de bewinds-
vrouw daar een toelichting op geven 
en dat verhelderen? 

Dat alles neemt niet weg, dat het in 
de wet verankeren van een klacht-
recht voor jongeren in de rijksinrichtin-
gen onze instemming heeft. Maar ook 
op dit punt kan de vreugde nog niet 
volledig zijn. Het klachtrecht zal 
eerst als zinvol door de jongeren wor-
den ervaren als er een goed rechtspo-
sitiereglement en hanteerbare huis-
reglementen bestaan. Daarom stelt 
het de PPR-fractie bijzonder teleur, dat 
de bewindslieden bij de herschrijving 
van die reglementen de Belangenver-
eniging Minderjarigen willen negeren. 

Waarom kunnen de jongeren zelf en 
in elk geval hun belangenvereniging 
geen inspraak krijgen bij het opstellen 
van het rechtspositiereglement en de 
huishoudelijke reglementen? Eerst als 
die reglementen als redelijk worden 
ervaren, kan het straks wettelijk gere-
gelde klachtrecht goed werken. An-
ders zal het klagen vooral over de niet 
veranderbare regels gaan en de frus-
traties, die dat oplevert, zullen op geen 
enkele wijze tot een verbetering van 
het klimaat in de inrichting leiden. Een 
motie over de inschakeling van de Be-
langenvereniging Minderjarigen bij de 
herschrijving van de reglementen dien 
ik hierbij in. 

Motie 

De Voorzitter: Door de leden Lank-
horst, Nijpels, Van Es, Wessel-Tuin-
stra, Evenhuis-van Essen en Brouwer 
wordt de volgende motie voorgesteld: 

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging; 

van oordeel, dat tehuisbewoners zo-
veel mogelijk dienen te worden be-
trokken bij zaken die hun rechtstreeks 
raken; 

verzoekt de Regering, de Belangenver-
eniging Minderjarigen te betrekken bij 
de herschrijving van de in de rijksin-
richtingen geldende reglementen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

Deze motie krijgt nr. 21 (15713). 

De heer Lankhorst (PPR): Mijnheer de 
Voorzitter! Het klachtrecht, zoals nu 
voorgesteld, mist het element van 
compensatie. Ook mevrouw Wessel-
Tuinstra van de fractie van D'66 sprak 
daarover. De PPR-fractie vindt dat, als 
een jongere door de klachtencommis-
sie in het gelijk wordt gesteld, deze 
commissie ook een uitspraak over 

eventuele compensatie moet kunnen 
doen. Als dit gebeurt is de regeling slui-
tend. Dan behoeven directeur en jonge-
re na de uitspraak niet nog eens over 
een compensatie te gaan redetwisten. 
Die twist kan, zeker als de beslissing 
van de directeur tijdens de klachtenpro-
cedure niet is geschorst - hetgeen mo-
gelijk is, zelfs na een verzoek van de 
voorzitter van de commissie van toe-
zicht - wel eens erg hoog oplopen. Het 
niet willen regelen van compensatie 
doet een te groot beroep op de ruim-
hartigheid van de directeur, en dan nog 
in een situatie waarin hij in het ongelijk 
is gesteld. Daarom is het verstandiger 
de klachtencommissie, die zich toch uit-
voerig met bepaalde zaken heeft bezig-
gehouden, ook een uitspraak over 
eventuele compensatie te laten doen. Is 
de directeur het daar niet mee eens, 
dan kan hij altijd nog beroep instellen 
bij het College van Advies voor de Kin-
derbescherming. Ten aanzien van die 
compensatie heb ik een amendement 
ingediend. 

D 

Mevrouw Brouwer (CPN): Mijnheer de 
Voorzitter! De kinderbescherming is 
de laatste jaren het toneel geweest van 
felle conflicten tussen pupillen en di-
recties. Uit die botsingen kwam één 
zaak heel duidelijk naar voren, name-
lijk het ver achterblijven van het regi-
me van vele tehuizen bij de maat-
schappelijke ontwikkelingen en inzich-
ten. De vaak nog autoritaire benade-
ring botst op het streven van veel jon-
geren naar een grotere zelfstandigheid 
en naar een uitbreiding van hun rech-
ten. Niet alleen jongeren geven de 
noodzaak aan van een verdere demo-
cratisering van die instellingen, maar 
ook de belangenverenigingen, hulp-
verleners, pedagogen en kinderrech-
ters. 

De regeling van het beklagrecht is 
op zichzelf een goede zaak. Mijn fractie 
is echter van mening dat dit een eerste 
aanzet is, en niet meer dan dat. 
Een beklagrecht blijft immers zonder 
een duidelijke rechtspositie voor min-
derjarigen enigszins in de lucht hangen. 

Naar mijn mening gaat het erom dat 
wordt erkend dat de minderjarige be-
paalde, onvervreemdbare rechten 
heeft. Daaronder versta ik de rechten 
op bestaanszekerheid, op vrede en op 
een toekomst, maar ook de rechten op 
respect en op meningsuiting, en het 
recht, serieus te worden genomen en 
bepaalde beslissingen zelfstandig te 
nemen. Het is dan ook jammer dat dit 
wetsontwerp zich tot het beklagrecht 
beperkt. Waarom is niet juist voor deze 
minderjarigen bij voorbeeld de rech-
ten op privacy, op een briefgeheim en 

Tweede Kamer 
8 september 1981 

Kinderbescherming 

329 




Brouwer 

op een verbeterde bezoekregeling 
vastgelegd? Het lijkt mij een goede en 
normale zaak dat de inspraak van be-
woners in tehuizen, en de garantie dat 
zij contact kunnen leggen met vertrou-
wenspersonen worden vastgelegd. 
Daarbij denk ik aan de Belangenver-
eniging Minderjarigen, aan het JAC en 
aan Release. 

Ik kom tot het beklagrecht zelf. Wil 
het goed functioneren, dan moet het 
zo ruim mogelijk zijn. De minderjarige 
mag geen belemmeringen ondervin-
den waardoor hij of zij toch niet met 
een klacht kan komen. Dat stelt naar 
onze mening eisen aan de vorm van 
het recht, aan de commissie die oor-
deelt en aan de mogelijkheden van bij-
stand. Eigenlijk komt het erop neer dat 
die regeling moet aansluiten bij de we-
reld van minderjarigen, en dat zij ook 
vanuit die wereld moet zijn geschre-
ven. Dat geldt niet voor dit wets-
ontwerp. Waarom bij voorbeeld kan 
een klacht alleen schriftelijk worden in-
gediend?^ stel mij persoonlijk niet 
voor dat de minderjarige die net ruzie 
heeft gehad met zijn of haar groepslei-
der of met de directie rustig om een 
formulier zal vragen, dat op het eigen 
kamertje zal gaan invullen en het ver-
volgens zal deponeren. 

Ik meen niet dat dit aansluit bij de 
praktijk. Vele volwassenen in Neder-
land hebben al moeite met de hele pa-
pierwinkel, laat staan minderjarigen. Ik 
vind dat de vorm vooral belangrijk is 
nu het gaat om kinderen die toch vaak 
al in een moeilijke positie verkeren. Zij 
zitten buiten hun gezin, en hebben 
vaak al heel veel ellende meegemaakt, 
met spanningen die vaak te maken 
hebben met het ontbreken van een 
toekomstperspectief. 

Gelet op de enorme werkloosheid, 
op de verlaging van uitkeringen en op 
de gebrekkige jongerenhuisvesting 
valt er voor jongeren in Nederland 
nogal wat te klagen. Zo ver heeft de 
Regering het beklagrecht echter niet 
uitgebreid, waarschijnlijk niet toevallig. 
Het is te hopen dat de volgende rege-
ring deze klachten niet alleen zal horen 
maar ook dat zij er iets aan zal doen. 

De vorm van het beklagrecht moet 
naar mijn mening dus zo ruim moge-
lijk zijn. Het amendement dat ik heb in-
gediend, strekt ertoe het mogelijk te 
maken dat de minderjarige ook telefo-
nisch of mondeling bij een commissie-
lid een klacht kan indienen. Daartegen 
lijkt mij geen enkel procedureel be-
zwaarte bestaan, integendeel. Een 
commissielid kan immers noteren 
wanneer een mondelinge klacht bin-
nenkomt. Het is dan wel dringend ge-

wenst dat er in die commissies ook 
vertrouwenspersonen zitten van min-
derjarigen, vertegenwoordigers van 
belangenorganisaties en, waarom 
niet, een vertegenwoordiger van de 
bewoners zelf. Graag hoor ik de reactie 
hierop van de bewindsvrouwe. 

Naar mijn mening is een maatregel 
als afzondering een middeleeuwse, 
die beter naar het museum kan wor-
den verwezen. 

Ik kan mij met de beste wil van de 
wereld niet voorstellen, dat een derge-
lijke maatregel pedagogisch zou kun-
nen worden genoemd. Integendeel, ik 
meen dat de moderne inzichten hier-
over juist aangeven dat isolatie en af-
zondering van kinderen gevaarlijk kan 
zijn en emotioneel enorme schade kan 
aanrichten, ook voor de toekomst. 

Naar mijn mening is het dan ook de 
plicht van een overheid, dat te voorko-
men. Wanneer kinderen moeilijk zijn -
en dat zal best voorkomen - dan moet 
men zich natuurlijk ook afvragen wat de 
oorzaken daarvan zijn en of dat bij voor-
beeld niette maken kan hebben met de 
grote spanningen die zich in deze sa-
menleving voordoen. Het is daarom 
belangrijk dat minderjarigen terecht 
kunnen bij vertrouwensmensen, zeker 
in dit soort instellingen. Over de toe-
gang van deze organisaties zijn klach-
ten en het lijkt mij goed om daar eens 
wat aan te doen in plaats van een maat-
regel als afzondering voor te stellen. 

Mijnheer de Voorzitter! Ik vind het 
recht op vrije keuze van een raadsman 
of raadsvrouw zeer principieel. Ik lees 
dan ook tot mijn verbazing in dit wets-
ontwerp, dat de minderjarige alleen 
een raadsman mag meenemen. Dat is 
vreemd voor de minderjarige - er zijn 
immers veel vrouwen werkzaam bij 
JAC, Release en andere organisaties -
maar het is ook vreemd voor vrouwen 
die dag in, dag uit als raadsvrouw op-
treden. 

Nu geloof ik niet, gezien de nota ge-
lijke behandeling die de Regering gis-
teren het licht heeft laten zien, dat dit 
per se de bedoeling is geweest, maar 
het kan zijn dat een commissie zo iets 
leest en het anders interpreteert. Mis-
schien zegt de Regering dat dit nor-
maal taalgebruik is, dat nu eenmaal in 
deze wetgeving voorkomt. Dat is juist, 
maar dit normale is dan wel de man-
nelijke norm. Misschien zegt de be-
windsvrouwe dat onder het begrip 
'man' ook 'vrouw' moet worden ver-
staan. Dat zou mogelijk zijn, maar dan 
wil ik nog even meedenken met de be-
windsvrouwe. 

Immers, wanneer zij daarmee be-
doelt te zeggen dat daar waar mannen 
rechten hebben gekregen dit ook voor 

vrouwen is bedoeld, dan zijn wij een 
aardig eind op weg. Dan betekent dat 
bij voorbeeld, dat gehuwde vrouwen 
WWV, AAW, belastingteruggave en 
dergelijke kunnen krijgen, want zij zijn 
weliswaar niet zo genoemd maar zij 
worden onder mannen begrepen. 

Ik meen, dat de bewindsvrouwe van-
daag inhoud zou kunnen geven aan de 
nota gelijke behandeling, door in deze 
wet achter het woord raadsman 'of 
raadsvrouw' toe te voegen. Ik begrijp 
dat dit een begin is, maar het lijkt mij 
toe dat wij dit begin zouden kunnen 
maken. 

Wat het recht van vrije keuze van 
een raadsman of raadsvrouw betreft, 
acht ik ook het begrip vrije keuze van 
een advocaat principieel. Wanneer ik 
in dit wetsontwerp lees dat de voorzit-
ter van de commissie uitsluitend be-
voegd is om aan de minderjarige een 
advocaat toe te voegen, verbaast mij 
dit zeer. Wij praten immers over uit-
breiding van rechten van minderjari-
gen, maar deze bepaling beperkt rech-
ten die inmiddels zijn verworven. Een 
voorzitter van een commissie die over 
de klacht moet gaan oordelen, mag bij 
uitsluiting beslissen of de minderjari-
ge een advocaat krijgt en hij moet dan 
ook nog eens oordelen over de vraag 
of de zaak ingewikkeld is. 

Ik kan mij voorstellen dat dit eenzelf-
de situatie geeft als een rechter die 
voor de verdachte moet beslissen of er 
een advocaat moet komen. Wanneer 
deze rechter slim is, zegt hij dat het 
een eenvoudige zaak is en dat de ver-
dachte het zonder advocaat kan en 
vervolgens geeft hij hem tien jaar ge-
vangenisstraf. 

Nu wil ik niet suggereren, dat een 
voorzitter of voorzitster van een com-
missie niet integer zou zijn, maar ik 
meen dat het goed is dat in deze wet 
de mogelijkheid daartoe niet open 
wordt gelaten. 

Ten slotte wil ik erop wijzen, dat in 
dit verband op 15 juni 1981 de wet 
Rechtsbijstand on- en minvermogen-
den in werking is getreden. In het be-
sluit dat gebaseerd is op deze wet, is 
juist een zelfstandig recht op toevoe-
ging van een asvocaat vastgelegd 
voor een minderjarige boven de zes-
tien jaar. Op die wijze kan een minder-
jarige via het bureau voor rechtshulp, 
een advocaat toegevoegd krijgen. 

Als de huidige bepaling, zoals die nu 
in het wetsontwerp staat, tot wet zou 
worden, zou dit betekenen dat minder-
jarigen in inrichtingen en instellingen 
waarover wij nu spreken, zijn uitgeslo-
ten van het recht op vrije advocaten-
keuze. 

Tweede Kamer 
8 september 1981 

Kinderbescherming 

330 




Brouwer 

Mijn fractie is hier principieel op te-
gen. Dat is dan ook de reden van het 
indienen van mijn amendement, waar-
in wordt gesteld dat de voorzitter nog 
wel een advocaat kan toevoegen als 
de minderjarige nog geen advocaat 
heeft. Dat laatste kan namelijk voorko-
men. 

Het kan zijn dat de minderjarige daar 
nog niet op is gewezen. In dit geval zal 
de minderjarige voor het krijgen van 
bijstand in ieder geval niet afhankelijk 
worden van het oordeel van de voor-
zitter die de klacht behandelt. Op deze 
manier is het naar mijn idee geen be-
perking, maar een uitbreiding van de 
rechten. Ook de Regering is van me-
ning dat daaraan moet worden ge-
werkt en dit amendement sluit daarbij 
aan. 

Ik heb trouwens het angstige ver-
moeden dat bezuinigingen de achter-
grond vormen van deze inperking. Het 
is duidelijk: als minderjarigen niet via 
het bureau voor rechtshulp een advo-
caat kunnen krijgen, zullen er waar-
schijnlijk minder advocaten worden 
toegevoegd. Dat scheelt weer geld in 
het laatje van de overheid. Het gaat 
echter wel - en dat is principieel -ten 
koste van juist deze minderjarigen en 
dat mag naar ons oordeel nooit het ge-
val zijn, niet voor hun rechten, maar 
ook niet voor hun voorzieningen, werk 
en uitkeringen. 

D 

De heer Schutte (GPV): Mijnheer de 
Voorzitter! Ook ik wil graag de beide 
vorige sprekers, de heer Lankhorst en 
mevrouw Brouwer, complimenteren 
met het uitspreken van zijn respectie-
velijk haar maiden speech en ik houd 
mij verzekerd van een levendige dia-
loog in de toekomst. Het is mij ook 
een voorrecht om vandaag nog een 
dialoog te kunnen hebben met deze be-
windsvrouwe. Op een andere plaats 
was ik daartoe al eerder in de gelegen-
heid. 

Uit de vele malen dat in deze Kamer 
over de rechtspositie van minderjari-
gen wordt gesproken zou je de indruk 
kunnen krijgen, dat deze rechtspositie 
nog vanaf de grond moet worden op-
gebouwd. Gelukkig is dat niet zo. Ons 
burgerlijk recht bevat de grondslagen 
ervan reeds lang. Ik denk aan artikel 
245 van het BW, waar tegenover de 
plicht van het kind tot eerbied en ont-
zag aan zijn ouders, de plicht van de 
ouders staat, hun minderjarige kinde-
ren te verzorgen en op te voeden. Dit 
laatste wordt in artikel 404 verder uit-
gewerkt. 

Natuurlijk is hier niet mee gezegd, 
dat het dus wel in orde is met de rege-
ling van de rechtspositie van minderja-
rigen. Wel is het goed aan deze 
grondslagen vast te houden bij de ver-
dere uitwerking. Het zijn goede 
grondslagen, in overeenstemming 
met de normen zoals God die in de Bij-
bel heeft gesteld. 

Bij het onderwerp van vandaag, de 
rechtspositie van in inrichtingen voor 
kinderbescherming verblijvende min-
derjarigen, ligt de zaak gecompliceer-
der. De relatie ouders-kind functio-
neert niet meer of onvolledig. Ande-
ren moeten proberen een deel van de 
oudertaak waar te nemen. En dan on-
der vaak moeilijke omstandigheden. 
De jongeren hebben al heel wat nega-
tieve ervaringen achter de rug en zijn 
in veel gevallen in aanraking geweest 
met de strafrechter. Het luistert dan 
nauw hoe zij worden benaderd. Het is 
niet zo moelijk, hen verder te ver-
vreemden van gezin, familie en sa-
menleving. Veel moeilijker, maar 
noodzakelijk, is het, hen door de moei-
lijke jaren heen te helpen. Tegen deze 
achtergrond wil ik nu enkele opmer-
kingen maken bij het ons voorgelegde 
voorstel. 

Tijdens de schriftelijke behandeling 
hebben de bewindslieden hun voor-
stel nogal afgeslankt. Ik doel natuurlijk 
op de schrapping van het artikel over 
de disciplinaire straffen. De argumen-
ten, die hiervoor in de memorie van 
antwoord worden genoemd, kan ik mij 
wel indenken. De berisping als disci-
plinaire straf komt bij minderjarigen, 
die tijdelijk in een rijksinrichting ge-
plaatst zijn, minder serieus over dan 
dezelfde maatregel tegenover een 
ambtenaar in rijksdienst die tot het be-
reiken van de VUT-leeftijd blijft hopen 
op nog één promotie. 

En het onderscheid tussen afzonde-
ring als straf en als pedagogische 
maatregel - vanmiddag al vaker ge-
noemd - zal hem ook wel eens ont-
gaan. Het was daarom geen gelukkige 
greep toen voorgesteld werd, deze 
strafmogelijkheden in de wet op te ne-
men. Eén ongelukkige greep behoeft 
echter nog niet te betekenen dat van 
verdere pogingen moet worden afge-
zien. Ik zou dan ook graag willen we-
ten, waarom wordt voorgesteld het ar-
tikel over de disciplinaire straffen nu 
geheel te schrappen. 

De memorie van antwoord erkent, 
dat een disciplinaire straf in beginsel 
een passend antwoord kan zijn aan de 
minderjarige bij op zijn niveau verwijt-
baar te achten gedrag. Als artikel 25 uit 
de wet verdwijnt, welk passend ant-
woord kan dan worden gegeven aan 

verwijtbaar te achten gedrag? Moet uit 
het zwijgen van de wet, na jaren van 
spreken, worden afgeleid dat het op-
leggen van disciplinaire straffen niet 
meer mogelijk zal zijn? Of zal het te-
gendeel het geval zijn, namelijk dat de 
wet in principe geen enkele belemme-
ring meer bevat voor het opleggen van 
straffen? Met beide conclusies zou ik 
niet erg gelukkig zijn. 

Naar mijn mening behoort het tot 
het wezen van de kinderbescherming, 
dat strafoplegging tot de mogelijkhe-
den behoort. Ik voeg er echter meteen 
aan toe: meer nog dan in gezinsver-
band is grote voorzichtigheid noodza-
kelijk. De concrete situatie waarin een 
bepaald verwijtbaar gedrag zich voor-
doet zal inderdaad om een passend 
antwoord vragen, een antwoord dat 
op die situatie van die persoon is toe-
gespitst. 

Ik kan mij voorstellen, dat de be-
windslieden aarzelden toen zij voor de 
vraag stonden of dit in wettelijke re-
gels kon worden vastgelegd. Ik heb 
met een ontkennend antwoord vrede 
als vaststaat dat een disciplinaire straf 
ook in de toekomst onder een passend 
antwoord kan blijven vallen. 

Het schrappen van artikel 25 vraagt 
nog om een tweede kanttekening. De 
afzondering als straf verdwijnt, maar 
afzondering blijft mogelijk op grond 
van artikel 22. Het draagt dan het ka-
rakter van een pedagogische maatre-
gel. Is het gevaar nu niet aanwezig -
ook hier zinspeelden eerdere sprekers 
reeds op - dat wat als straf is bedoeld 
en dat ook zou moeten zijn, gehangen 
wordt aan de kapstok van de pedago-
gische maatregel? Als dat gebeurt, 
vrees ik dat er van een passend ant-
woord geen sprake meer zal zijn. 

Uit een commentaar dat een peda-
goog gaf op het wetsontwerp heb ik 
begrepen, dat het juist voor kinderen 
die in een inrichting verblijven erg 
belangrijk is, dat zij een straf en de 
strekking ervan als zodanig kunnen 
herkennen. Komt dat niet in het ge-
drang als het zo voor de hand ligt te 
grijpen naar artikel 22? 

Immers, elke straf is toch ook be-
doeld als pedagogische maatregel? Ik 
ontken dit niet, maar meen wel dat het 
meer is. Straf is, zoals de memorie van 
antwoord terecht stelt, in de eerste 
plaats een passend antwoord. Dat 
moet zij blijven. 

De stap van de disciplinaire straffen 
naar het recht van beklag is minder 
groot dan hij lijkt. De erkenning van 
het recht tot strafoplegging in een in-
richting verdient naar mijn mening 
aanvulling met een mogelijkheid van 
beklag. De inrichting probeert tijdelijk 

Tweede Kamer 
8 september 1981 

Kinderbescherming 

331 




Schutte 

een deel van de oudertaak waar te ne-
men, maar met mevrouw Evenhuis 
stel ik dat daarmee de inrichting nog 
niet een gemeenschap wordt, die met 
het gezin vergelijkbaar is. De regeling 
van het beklag zoals deze wordt voor-
gesteld, heeft in grote lijnen mijn in-
stemming. Over allerlei details zouden 
veel vragen te stellen zijn, zoals in de 
schriftelijke stukken en vanmiddag in 
de Kamer al is gebeurd. 

Ik meen, dat het van belang is het nu 
over de hoofdlijnen eens te worden. 
De praktijk zal moeten leren hoe het al-
lemaal werkt. Wat mij betreft had de 
wettelijke regeling dan ook wel sum-
mierder kunnen zijn. Een algemene 
maatregel van bestuur leent zich 
beter voor aanpassing aan in de prak-
tijk gebleken behoeften dan een wet. 
Als hoofdlijnen zie ik de mogelijkheid 
van beklag en beroep met de mogelijk-
heid van voorbehandeling voor een-
voudige gevallen. Deze hoofdlijnen 
hebben mijn instemming. 

Mijn laatste opmerkingen hebben 
betrekking op de voorgestelde wijzi-
ging van artikel 5. Bij algemene maat-
regel van bestuur zullen ook voor-
waarden worden gesteld met betrek-
king tot de rechtspositie van minderja-
rigen in particuliere inrichtingen. Deze 
wijziging is een logische aanvulling op 
het wetsontwerp dat wij nu behande-
len. 

Terecht koppelt de memorie van 
antwoord de doorvoering ervan aan 
het overleg met de particuliere kinder-
bescherming over dit onderwerp. Im-
mers, de verantwoordelijkheid van de 
overheid voor de gang van zaken in 
een particuliere inrichting kan niet zon-
der meer op één lijn worden gesteld 
met haar verantwoordelijkheid voor 
een rijksinrichting. Natuurlijk mag dit 
voor de particuliere inrichtingen geen 
vrijbrief zijn om met de rechtsbescher-
ming maar wat de hand te lichten. Wel 
zal er voor deze inrichtingen ruimte 
voor eigen verantwoordelijkheid moe-
ten blijven. Het karakter van de ver-
schillende particuliere inrichtingen 
loopt sterk uiteen. Dat zal ook wel een 
oorzaak zijn van de vrije lange tijd die 
binnen het WIJN is gemoeid met het 
vinden van een oplossing. Dan spreek 
ik nog niet eens over de inrichtingen, 
die vanwege hun eigen karakter en 
identiteit niet bij het WIJN zijn aange-
sloten. 

Al deze inrichtingen - ik wil het her-
halen - zullen hun verantwoordelijk-
heid moeten waar maken met betrek-
king tot de rechtsbescherming van de 
minderjarigen. De beslissing hoe daar 
aan inhoud zal moeten worden gege-

ven, behoort in de eerste plaats een 
beslissing van de inrichting te zijn. Het 
stelsel van de wet, ministeriële toet-
sing van een inrichting aan bij algeme-
ne maatregel van bestuur te stellen 
voorwaarden, laat hiervoor mijns in-
ziens de ruimte. Ik zal van de Staats-
secretaris graag vernemen of zij dit 
standpunt deelt. 

D 

Mevrouw Van Es (PSP): Mijnheer de 
Voorzitter! Er is al jarenlang geknokt 
voor de kinderbescherming en om de-
ze ook meer in de openbaarheid te krij-
gen. Dat geldt met name het beleid in 
de rijksinrichtingen. De PSP-kamerle-
den Wiebenga en Van der Lek hebben 
er door grote vasthoudendheid toe bij-
gedragen, dat isolatie aan regels en 
registratie werd gebonden. 

Twee jaar geleden verschenen er 
twee schokkende rapporten: 'Je voelt 
je als een beest' van de groep Waer 
gebeurt en het Zwartboek over de rijks-
inrichtingen van de Belangenvereni-
ging Minderjarigen. 

Langzamerhand is gelukkig een 
beetje openbaarheid ontstaan. Tegelij-
kertijd groeide het besef dat men men-
sen niet zo maar kan opsluiten zonder 
hun rechten te geven. Enkele jaren ge-
leden is een wijziging van de Beginse-
lenwet gevangeniswezen doorge-
voerd. Daarin werd evenals nu, beklag-
recht ingesteld. Nu praten wij over 
een soortgelijke wijziging van de Be-
ginselenwet voor de kinderbescher-
ming. Dat is weer een stapje - daar-
over moeten geen misverstanden ont-
staan - op weg naar verbetering van 
de rechtspositie van minderjarigen. 

Wij hadden liever gezien dat er een 
aantal concrete rechten zou worden 
vastgelegd. Zoals mijn fractie al in het 
voorlopig verslag heeft aangehaald, 
veroorzaakt bij de rechtspositie van 
gedetineerden het ontbreken van der-
gelijke concrete rechten nog altijd het 
ontbreken van een materiële rechts-
positie. Gelukkig geven de indieners 
van het wetsontwerp aan de Kamer 
aan, dat de Kamer mede betrokken zal 
worden bij de opstelling van het nieu-
we huishoudelijke reglement. Dat zal 
bestaan uit een algemeen rechtsposi-
tiereglement en verschillende huisre-
glementen. 

Mijns inziens hoort het rijtje van de 
Belangenvereniging Minderjarigen ze-
ker thuis in het rechtspositieregle-
ment. In dat rijtje gaat het over een be-
tere bezoek- en verlofregeling, over 
een goede telefoonregeling, over geen 
censuur op post, over een bewoners-
raad met feitelijke medebeslissingsba-
voegdheid over het beleid van het te-
huis, over de inzage in de eigen rap-

porten en over de mogelijkheid tot het 
uitoefenen van invloed op de inhoud 
hiervan en over het aanwezig kunnen 
zijn bij besprekingen die de bewoner 
aangaan. 

Ik hoop dat met de uitvoering van de 
motie van de heer Lankhorst een aan-
tal voorwaarden zal worden gescha-
pen, waardoor dit soort zaken in het 
huishoudelijk reglement komt. Hoopt 
de bewindsvrouwe dat ook? 

Wat is de reactie van de bewinds-
vrouwe op de slechte ervaringen van 
de Belangenvereniging Minderjarigen 
met de spelregels met betrekking tot 
de toegang tot de rijksinrichtingen? 
Zal het rechtspositiereglement zo no-
dig worden aangevuld met de uitspra-
ken van het College van Advies voor 
de Kinderbescherming? Ik mis hierbij 
een regel, die wel ten aanzien van het 
gevangeniswezen geldt, namelijk dat de 
uitspraak van de Centrale Raad bin-
dend is voor de partijen. Dat heeft in 
het verleden onder andere tot de vol-
gende situatie geleid. Een gedetineer-
de diende een klacht in. Deze klacht 
ging over het feit, dat hij geen radio in 
zijn cel mocht hebben. Hij ging tegen 
de negatieve beslissing van de beklag-
commissie in beroep bij de Centrale 
Raad. Een uitspraak duurde heel lang, 
omdat het nemen van een beslissing 
nog steeds niet aan een termijn is ge-
bonden. Inmiddels was de gedetineer-
de overgeplaatst. De Centrale Raad gaf 
hem gelijk. De gedetineerde eiste de 
radio op in de nieuwe inrichting. Dat 
werd wederom geweigerd, omdat de 
directeur van de nieuwe inrichting zei: 
die uitspraak geldt voor jou en je vori-
ge directeur en niet voor ons samen. 

Dat is een irreële situatie en ik zou 
graag willen dat de Staatssecretaris 
zou meedelen dat dit soort zaken ten 
aanzien van de kinderbescherming 
niet kan gebeuren en dat de uitspraken 
in beroep van het College van Advies 
bindend zijn, ook voor de andere in-
richtingen. 

Ik ben het niet eens met Wittop Ko-
ning die in het september-nummer 
van Proces de werking van de rechts-
positieregeling voor gedetineerden 
beschrijft en zegt, dat hij het betreurt 
dat een landelijke regeling met betrek-
king tot de rechtspositie formaliseert 
en de zaken bemoeilijkt. Hij zegt dan 
vervolgens: Het element van het vrije 
spel der krachten krijgt dan geen kans 
meer. 

Ik meen dat er noch in de gevange-
nissen, noch in de huizen van bewa-
ring en ook niet in de rijksinrichtingen 
sprake is van een vrij spel der kractv 
ten. Integendeel, er is sprake van een 
zeer ongelijke machtsverhouding. De 
gedetineerden en de bewoners van de 

Tweede Kamer 
8 september 1981 

Kinderbescherming 

332 




Van Es 

rijksinrichtingen zijn er naar mijn me-
ning bij gebaat, als hun rechten zo 
grondig mogelijk zijn vastgelegd. 

Hoe zal de voorlichting over de be-
klagregeling plaatsvinden met betrek-
king tot de circulaires, de regels en de 
uitspraken? Momenteel worden circu-
laires ter inzage gelegd in de inrichtin-
gen, maar toch hoort men nog de 
klacht dat de voorlichting en informa-
tie over het beklagrecht in het gevan-
geniswezen onvoldoende was. In de 
rijksinrichtingen is een terinzageleg-
ging van circulaires en uitspraken naar 
mijn mening niet voldoende. Ik ga er 
nu maar even vanuit, dat dat inder-
daad gebeurt. Bedoelde circulaires 
zouden ook omgezet moeten worden 
in een leesbare en van ambtelijke taal 
ontdane opsomming van rechten van 
jongeren. Zal dit gebeuren? 

Het gebruik van afzondering op de 
eigen kamer is mijns inziens het enig 
toelaatbare. Het dient tot een mini-
mum te worden beperkt. Ook de duur 
ervan dient zo kort mogelijk te zijn. Op 
blz. 2 van de nota naar aanleiding van 
het eindverslag zeggen de bewindslie-
den bereid te zijn de duur van de af-
zondering te verkorten van 4 naar 2 da-
gen met de mogelijkheid om de duur 
met 2 dagen te verlengen. 
Mijns inziens is dat nog te lang. Een 
tijd van zes uur voor jongeren boven 
de 14 jaar en van twee uur voor jonge-
ren onder de 14 jaar lijkt mij het abso-
lute maximum. Voorwaarde dient dan 
nog te zijn dat er voortdurend iemand 
beschikbaar is om met de jongeren te 
praten als dezen dat wensen. 

Overigens heeft de toenmalige mi-
nister van Justitie in de circulaire van 
22 december 1971 het standpunt inge-
nomen dat isolatie van kinderen jon-
ger dan 14 jaar, ongewenst is. Hoe 
moet ik dat standpunt rijmen met de 
afzonderingsmaatregelen die de be-
windslieden nu voor ogen staan 

Afzondering moet een uiterste mid-
del zijn om een jongere, die volkomen 
over zijn toeren is en daarbij een ge-
vaar voor zich zelf en zijn omgeving is, 
tot rust te laten komen. Daar is in het 
algemeen hoogstens maar een paar 
uur voor nodig en eigenlijk is er iets 
anders nodig, namelijk de aandacht 
van een ander. Te veel wordt nog het 
middel van de afzondering en met na-
me het middel van de isolatiecel ge-
bruikt als machtsmiddel om de orde 
en rust te waarborgen. Het rapport 'Je 
voelt je als een beest' van 'Waer ge-
beurt' geeft hierin inzicht. Zo vermeld-
den 48 respondenten van een enquête 
in het rapport de reden voor het feit 
dat isolatie werd gebruikt: In 13 geval-

len was er geïsoleerd wegens agres-
sief gedrag, in 18 gevallen wegens on-
gehoorzaamheid en 11 keer bij binnen-
komst in de inrichting of bij weglopen. 
Nu zijn deze cijfers wel niet represen-
tatief, maar toch zeggen zij iets over 
het gebruik van isolatie als machts-
middel. 

Ook in de nota naar aanleiding van 
het eindverslag wijst de formulering 
mij te veel in de richting van represail-
lemaatregelen, ook al wordt daarbij 
gezegd dat het alleen nog maar om pe-
dagogische maatregelen gaat en niet 
meer om disciplinaire straffen. In de 
nota naar aanleiding van het eindver-
slag worden dan begrippen gebruikt 
als 'ernstig wangedrag'; er wordt ge-
sproken over het feit dat een correctie 
niet achterwege kan blijven en dat bij 
belediging geïsoleerd kan worden. De-
ze begrippen geven mij toch aanlei-
ding te denken dat er wel degelijk 
sprake is van een vorm van straf ook al 
noemen de indieners van het wets-
ontwerp dit een pedagogische maatre-
gel en ook al zouden de directeur en 
het personeel van de inrichting spre-
ken over een pedagogische maatregel. 
Ik vermoed in ieder geval dat de jonge-
ren deze maatregel wel als een straf 
zullen voelen. Ik vind dan ook dat bij 
deze vorm van afzondering extra 
waarborgen gevormd moeten wor-
den. 

Ik denk dan aan een voorschrift 
waarbij terstond de kinderrechter 
en/of iemand van de BM of een ander 
vertrouwenspersoon op de hoogte 
gesteld dient te worden wanneer een 
minderjarige wordt afgezonderd. Dit 
dient dan onmiddellijk te gebeuren. 

De PSP-fractie streeft al jaren naar 
het afschaffen van de isoleercel. Re-
gelmatig worden in deze Kamer hier-
toe initiatieven genomen, tot op heden 
zonder succes. In de particuliere kin-
derbescherming bestaat een tendens 
om de isoleercel af te schaffen. Geluk-
kig! Voorbeelden hiervan zijn de Ne-
i derlandsche Mettray, Hoenderloo en 
de Helper Haven. 

De bewering van de bewindslieden 
op pagina zes van de nota naar aanlei-
ding van het eindverslag dat afschaffing 
van de isoleercel het probleem van 
moeilijk opvoedbare jongeren ver-
schuift naar andere inrichtingen en 
dan met name naar de rijksinrichtin-
gen en dat opname door particuliere 
inrichtingen wordt geweigerd, vind ik 
ronduit ontmoedigend. Ik vind dat ei-
genlijk het omgekeerde zou moeten 
gebeuren. Men zou de positieve ont-
wikkelingen moeten aangrijpen om 
dan op die weg verder te gaan. Gezien 
de goede resultaten in de particuliere 

inrichtingen met afschaffing van de 
isoleercel ben ik van mening dat ook in 
de rijksinrichting aan afschaffing van 
de isoleercel moet worden gewerkt. Ik 
wil dan ook een poging doen om van 
de Kamer opnieuw een uitspraak in die 
richting te krijgen. 

Motie 

De Voorzitter: Door de leden Van Es, 
Lankhorst, Brouwer, Van der Spek en 
Willems wordt de volgende motie 
voorgesteld: 

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging; 

overwegende, dat de afgelopen jaren 
in verschillende inrichtingen van de 
particuliere kinderbescherming, zoals 
de Hoenderloo, de Helper Haven en de 
Nederlandse Mettray, het gebruik van 
de isoleercel is afgeschaft; 

overwegende, dat daarmee tot voor 
kort onbereikbaar geachte resultaten 
zijn geboekt; 

van mening, dat deze ontwikkeling 
zich dient voort te zetten; 

verzoekt de Regering, op deze resulta-
ten voortbouwend, te komen tot af-
schaffing van het gebruik van de iso-
leercel in rijksinrichtingen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

Deze motie krijgt nr. 22 (15713). 

Mevrouw Van Es (PSP): Mijnheer de 
Voorzitter! In artikel 26.a, lid 2 staat dat 
de minderjarige schriftelijk beklag kan 
doen bij de commissie van toezicht. 
Hoe kunnen de bewindslieden garan-
deren dat jongeren, die niet kunnen le-
zen en schrijven of die de Nederlandse 
taal niet machtig zijn, toch van hun be-
klagrecht gebruik kunnen maken? 
Wordt gegarandeerd dat buitenlandse 
jongeren van tolken gebruik kunnen 
maken? 

Veel van het beklagrecht verliest zijn 
kracht in artikel 26, lid 2. De klachten-
commissie kan aan de directeur het 
voorstel doen om de verdere ten uit-
voerlegging van de beslissing op te 
schorten. De bewindslieden noemen 
de onmiddellijke verantwoordelijkheid 
van de directeur van de inrichting als 
reden om geen schorsende bevoegd-
heid aan de voorzitter van de klachten-
commissie te geven. Het klachtenrecht 
is toch juist bedoeld om beslissingen 
van de directeur ter discussie te stel-
len? Dan moet hij of zij niet de be-
voegdheid krijgen om die beslissing 
hangende de procedure toch uit te 
kunnen voeren. 

Tweede Kamer 
8 september 1981 

Kinderbescherming 

333 




Van Es 

De argumentatie van de onderteke-
naars van dit wetsontwerp heeft mij 
niet kunnen overtuigen. 

Op blz. 9 van de memorie van ant-
woord en op pagina 3 van de nota naar 
aanleiding van het eindverslag wordt 
deze argumentatie weergegeven. Vaak 
zijn beslissingen al gedeeltelijk ten uit-
voer gebracht voordat a de directeur 
zijn bezwaren tegen de schorsing 
heeft ingediend en b voordat de com-
missie een uitspraak heeft gedaan. Het 
argument van compensatie vind ik on-
eigenlijk. Het verkrijgen van compen-
satie doet niet af aan het feit dat de 
jongere onterecht is behandeld. Daar-
naast wordt in de stukken verwezen 
naar een soortgelijke gang van zaken 
in het gevangeniswezen. Die gelijkenis 
is natuurlijk beperkt. Voor meerderjari-
ge gedetineerden bestaat immers wel 
degelijk de mogelijkheid om aan een 
buitenstaander - een onafhankelijke 
rechter, iemand die dus niet de onmid-
dellijke verantwoording heeft voor de 
gang van zaken in de inrichting -
schorsing te vragen. Ik doel hier op de 
rechter in kort geding. 

Uit het al eerder door mij aangehaal-
de artikel van Wittop Koning in 'Pro-
ces' blijkt dat ook voorkomt dat kort 
gedingen worden aangespannen om 
beslissingen van de directeur op te 
schorten. Minderjarigen kunnen niet 
zelfstandig als procespartij optreden 
en hebben dus niet de mogelijkheid 
een kort geding aan te spannen. Nu 
het bezwaar van de indieners mijns in-
ziens is ontkracht doordat in de praktijk 
wél de mogelijkheid bestaat dat ande-
ren dan de directeur schorsen, vind ik 
dat deze mogelijkheid ook voor minder-
jarigen geschapen moet worden. Ik heb 
een amendement vam die strekking in-
gediend. 

Indien de voorzitter geen schorsen-
de werking verleent aan de beslissing 
van de directeur en de klacht over de 
beslissing gegrond wordt verklaard, 
dan moet er volgens mij een wettelijke 
compensatiemogelijkheid bestaan. 
Het amendement in die richting krijgt 
de steun van mijn fractie. 

Ik ben het met het WIJN eens dat in 
artikel 26.d opgenomen moet worden 
welke zaken in ieder geval door de vol-
tallige klachtencommissie behandeld 
moeten worden. De huidige tekst laat 
allerlei interpretaties toe van het be-
grip 'van eenvoudige aard'. Maatrege-
len van algemene aard moeten aan de 
beoordeling van de gehele commissie 
onderworpen worden. 

Hoe beoordeelt de Staatssecretaris 
het nadeel dat er over zogenaamde 
eenvoudige zaken geen jurisprudentie 
zou ontstaan? 

In het voorlopig verslag heeft de 
PSP-fractie de vraag gesteld of er geen 
raadsman of -vrouw beschikbaar kan 
zijn op het moment dat de minderjarige 
behoefte heeft met zo iemand te praten. 
Met een raadsman of -vrouw bedoelen 
wij, evenals de bewindslieden, een 
soort vertrouwenspersoon. Wij denken 
hierbij niet altijd aan een advocaat. Het 
kan evenwel ook een advocaat zijn. Het 
feit dat een advocaat betaald wordt uit 
de algemene middelen mag overigens 
geen reden zijn de minderjarige van 
rechtsbijstand te onthouden. 

Naar mijn mening spreken wij hier 
over een van de fundamentele rechten 
waarvan iedereen in een rechtstaat al-
tijd gebruik moet kunnen maken. Om 
die reden kan ik mij niet verenigen met 
de derde volzin van artikel 26.g, lid 2 
waarin uitsluitend de voorzitter een 
advocaat kan toewijzen aan de min-
derjarige en dan alleen wanneer de in-
gewikkeldheid van de zaak daar aanlei-
ding toe geeft. Dit schept, naar ik 
vrees, grote rechtsonzekerheid. 

In hoeverre is de ingewikkeldheid 
van een zaak objectief vast te stellen? 
Waarom overigens deze restrictie? 
Ook bij de Beginselenwet Gevangenis-
wezen, wordt de gedetineerden de 
mogelijkheid geboden, van een advo-
caat gebruik te maken. Deze advocaat 
kan eventueel toegewezen worden 
door de bureaus voor rechtshulp en de 
raden voor de rechtsbijstand. 

Op dit punt heb ik een amendement 
ingediend, mede om de ongelijkheid 
met gedetineerden in huizen van be-
waring en gevangenissen op te heffen. 

D 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): Mijn-
heer de Voorzitter! Twee weken gele-
den heb ik bij de behandeling van het 
wetsontwerp over het horen van min-
derjarigen gesproken over de rechts-
positie van minderjarigen in het alge-
meen en over de langzame stappen 
die worden gezet op de weg daarheen. 
Ik zal niet herhalen wat ik toen heb ge-
zegd. Duidelijk is, dat wij verheugd zijn 
met dit wetsontwerp dat weer een 
stapje op die weg is. 

Met name de schriftelijke voorberei-
ding van het wetsontwerp nodigt uit 
tot het maken van een algemene op-
merking aan het adres van de be-
windslieden van justitie. Zij hebben 
een gewillig oor geleend aan de vele 
op- en aanmerkingen die door de Ka-
mer zijn gemaakt. Hieraan zijn zij tege-
moet gekomen door middel van nota's 
van wijziging. Deze wijze van samen-
werking tussen bewindslieden en Ka-
mer stellen wij zeer op prijs. Het be-
werkstelligt uiteindelijk een wetgeving 
waarin wij ons kunnen vinden en die 

op een plezierige manier tot stand is 
gekomen. Op deze wijze heeft het in-
derdaad zin dat de Kamer met argu-
menten de discussie aangaat. 

Ik vind het overigens leuk dat wij 
thans met de Staatssecretaris, de 
tweede ondertekenaar van het wets-
ontwerp, discussiëren over de wetge-
ving. Ik ben namelijk altijd van mening 
geweest dat de taak van de Staats-
secretaris ook wetgeving zou moeten 
omvatten op terrein waarop hij of zij 
een uitvoerende taak heeft. Vandaar 
dat ik het aardig vind dat wij vandaag 
voor het eerst - en naar ik denk ook 
voor het laatst - over de wetgeving 
met mevrouw Haars mogen discussië-
ren. 

De disciplinaire straffen, zoals voor-
gesteld in het oorspronkelijke wets-
ontwerp, zijn bij nota van wijziging ge-
heel komen te vervallen. Onder andere 
gaat het hierbij om de straf van afzon-
dering. Wel is de mogelijkheid tot pe-
dagogische afzondering open gehou-
den. Wij erkennen uiteraard de nood-
zaak van het handhaven van een mo-
gelijkheid tot afzondering, maar toch 
behoeft dit onderwerp naar onze me-
ning nog enige kanttekeningen. 

In de eerste plaats wil ik iets opmer-
ken over de tijdsduur van de afzonde-
ring. De bewindslieden hebben de 
tijdsduur steeds korter gesteld. In het 
eindverslag hebben zij gezegd dat zij 
bereid zijn om nog eens te overwegen 
of de maximumtijd kan worden 
gesteld op twee dagen, eventueel met 
een verlenging met nog eens twee da-
gen. 

Graag horen wij waartoe die over-
wegingen uiteindelijk hebben geleid. 
Van onze kant wil ik benadrukken dat 
een afzondering van twee dagen, met 
eventueel een verlenging, het maxi-
mum is. Omdat het een pedagogische 
maatregel is, zullen wij ook moeten kij-
ken naar het opvoedkundig effect op 
de minderjarige die de afzondering on-
dergaat. Het komt mij voor dat een af-
zondering van meer dan twee dagen 
een uitermate averechts effect op de 
minderjarige zal hebben, die het toch 
al als een straf zal zien. Hij zal er alleen 
maar dwars en recalcitrant van wor-
den. Bovendien mogen wij hierbij naar 
mijn mening wel degelijk een onder-
scheid maken tussen jongeren onder 
en boven de 14 jaar. Bij de jongeren 
onder de 14 jaar zou men kunnen den-
ken aan afzondering voor één dag. 

Mijn tweede opmerking over de af-
zondering betreft de waarborgen 
waarmee de afzondering moet zijn 
omgeven. De bewindslieden zijn voor-
nemens nadere voorschriften hiertoe in 
het uitvoeringsbesluit kinderbescher-
ming neer te leggen. Wij staan erop 

Tweede Kamer 
8 september 1981 

Kinderbescherming 

334 




Haas-Berger 

dat de afzondering geregistreerd 
wordt, zoals dat nu ook wordt gedaan, 
omdat dit voorkomt - althans kan voor-
komen - dat al te lichtvaardig tot af-
zondering wordt besloten. Indien men 
namelijk moet opschrijven dat de min-
derjarige wordt afgezonderd, zal men 
toch nog eens even bedenken of het 
werkelijk nodig is. Dit zal echter slechts 
werken, als men ook uitvoerig regi-
streert waarom men tot die maatregel 
overgaat en als deze motivering ook 
onder de halfjaarlijkse meldingsplicht 
aan het departement valt. 

Kan de Staatssecretaris mededelen 
wat het departement tot nu toe heeft 
gedaan met de meldingen van afzon-
dering? Wordt bekeken of in bepaalde 
inrichtingen een aantal hoger is dan in 
andere? Wat doet men wanneer het 
aantal meldingen van afzondering ho-
ger is? Wil melding aan het departe-
ment zin hebben, dan zal toch enige 
evaluatie van die gegevens moeten 
plaatsvinden. Op welke wijze denken 
de bewindslieden dit in te vullen? Op 
welke wijze willen zij erin voorzien dat 
de inrichtingen zich inderdaad aan die 
meldingsplicht houden? 

De huidige circulaire verplichttot 
melding van de afzondering aan de 
wettelijk vertegenwoordiger van de 
minderjarige, althans als die afzonde-
ring langer dan twee etmalen duurt. 
Nu deze - naar wij mogen hopen - al-
leen bij verlenging langer dan twee da-
gen zal duren, komt die meldingsplicht 
aan de wettelijk vertegenwoordiger 
praktisch altijd te vervallen. Die mei-
ding zal mijns inziens dan ook na een 
kortere tijd, bij voorbeeld als de afzon-
dering langer dan 6 uur duurt, dienen 
te geschieden. 

In het uitvoeringsbesluit kinderbe-
scherming zullen ook voorschriften 
worden gegeven omtrent de eisen 
waaraan de vertrekken, waarin de af-
zondering plaatsvindt, moeten vol-
doen en het toezicht op de minderjari-
ge tijdens die afzondering. Dat is na-
tuurlijk prachtig en het zal moeten ge-
beuren, maar enige nadere uitleg wil ik 
wel hebben. Die afzondering kan - vol-
gens de bewindslieden - in afzonder-
lijke situaties ten uitvoer worden ge-
legd in een soberder ingericht vertrek 
dan de ruimten waarin de minderjari-
gen normaal verblijven. De Minister 
vindt het minder juist zo'n vertrek aan 
te duiden als isoleercel, omdat dit een 
volledig isolement veronderstelt, ter-
wijl volgens de memorie van antwoord 
een regelmatig contact met de groeps-
leiding of behandelend therapeut ge-
bruikelijk is. Dit moge zo zijn, maar het 
komt voor dat minderjarigen zonder be 

geleiding in afzondering verblijven of in 
een vertrek verblijven dat ze sober is in-
gericht dat de naam 'isoleercel' volgens 
het algemeen spraakgebruik daarvoor 
vrij adequaat is. 

Wij vinden dat een dergelijke afzon-
dering niet mag voorkomen, ook niet 
als een pedagogische maatregel. Wij 
vragen of de bewindslieden ervoor 
zorg willen dragen dat de inrichting 
van de isoleercellen, zoals nu nog 
voorkomt, wordt aangepast, zodat de 
aanleiding tot een dergelijke bena-
ming niet meer kan voorkomen. 

Een laatste opmerking over de af-
zondering wil ik maken over het ver-
schil tussen straf en pedagogische 
maatregel. Ik kan me niet aan de in-
druk onttrekken dat het eigenlijk een 
woordenspel is als gezegd wordt dat 
de straf van de afzondering wordt af-
geschaft, maar dat de pedagogische 
maatregel van afzondering overeind 
blijft. In feite blijft het een strafmaatre-
gel en zal als zodanig gebruikt worden. 

De nota naar aanleiding van het 
eindverslag onderstreept dit, want: 
'naast de afzondering nodig bij psy-
chotisch gedrag of wanneer de jonge-
re zich niet in de groep kan handha-
ven, zal afzondering moeten worden 
toegepast als pedagogische reactie op 
ernstig wangedrag van de minderjari-
ge in de groep. Het gaat er dan om dat 
dit wangedrag de goede gang van za-
ken in de inrichting verstoort of be-
dreigt, zodat een correctie nodig is.'. 

Als echter de goede gang van zaken 
in de inrichting centraal stond, zou af-
zondering niet meer nodig zijn als de 
orde niet meer verstoord werd. De no-
ta naar aanleiding van het eindverslag 
stelt echter, dat de afzondering een ze-
kere evenredigheid moet hebben met 
de ernst van het wangedrag. Dat bevat 
wel degelijk een element van straf. 
Trouwens, een pedagogische correctie 
op wangedrag zal in een aantal geval-
len, zowel in het gezin als in een inrich-
ting, een of andere vorm van straf kun-
nen zijn. 

Ik denk ook dat er situaties zijn waar-
in de pedagogische correctie niet an-
ders dan een straf zal kunnen zijn, zo-
als de nota naar aanleiding van het 
eindverslag stelt, bij voorbeeld na her-
haalde waarschuwingen. 

Die pedagogische correctie zal dan 
als straf worden opgelegd en als zoda-
nig worden ervaren. Daartegen heb ik 
geen bezwaar. Wij kunnen er niet aan 
ontkomen, dat er af en toe een straf 
wordt opgelegd. Waartegen ik echter 
wèl bezwaar heb, is dat er wordt ge-
daan alsof er geen straf is. 

In het door de bewindslieden voor-
gestelde beklagrecht voor minderjari-

gen in rijksinrichtingen kunnen wij 
ons, zeker na de reeds gevoerde dis-
cussie en de voorgestelde wijzigingen, 
grotendeels vinden. Wij hebben er de 
nadruk op gelegd, dat ook in particu-
liere inrichtingen het beklagrecht mo-
gelijk moet zijn. 

Naast de vraag te stellen, of het on-
derhavige wetsontwerp van toepas-
sing kan worden verklaard op de parti-
culiere inrichtingen, hebben wij een 
concreet voorstel gedaan over de wij-
ze waarop dit beklagrecht kan worden 
opgezet. Zo zal er een klachtencom-
missie moeten zijn in elke particuliere 
inrichting, bij voorbeeld bestaande uit 
een bestuurslid, een directielid en een 
door de gemeenteraad benoemd per-
soon. Er zou dan beroep open moeten 
staan op een speciale kamer van de 
rechtbank. Bovendien zou er in elke in-
richting een vertrouwenspersoon aan-
wezig moeten zijn. 

Ik betreur het, dat de bewindslieden 
deze suggestie geen antwoord waard 
achten. Wanneer zij zeggen, dat het 
huidige wetsontwerp niet op particu-
liere inrichtingen toepasbaar is, omdat 
deze geen commissie van toezicht 
hebben, waaruit een klachtencommis-
sie kan worden gevormd, zeg ik: wel-
nu, de suggestie inzake de wijze waar-
op dit kan worden gevormd, is er. 

De Minister en de Staatssecretaris 
willen wachten totdat de afzonderlijke 
studie, waarmee de particuliere kin-
derbescherming een begin heeft ge-
maakt, is afgerond. Nu er een discus-
sievoorstel over het klachtrecht voor 
bewoners van tehuizen is verspreid en 
de reacties daarop verwacht worden, 
is het op dit moment niet opportuun 
om nog in de procedure in te grijpen, 
te meer daar de bewindslieden zich 
voorstellen om in overleg met het 
WIJN tot een spoedige realisering van 
een klachtenregeling te komen. 

Hierbij wil ik toch nog twee kantteke-
ningen plaatsen, die eigenlijk in el-
kaars verlengde liggen. Allereerst gaat 
het hierbij om rechten van minderjari-
gen, het recht om beklag te doen over 
een ten aanzien van hen genomen be-
slissing. 

Als wij dit belangrijk vinden - en ik 
denk dat wij daar allen van uitgaan -
dan behoort dit recht aan allen toe te 
komen die in een rijksinrichting of par-
ticulier tehuis verblijven. Ook daarover 
zijn wij het met elkaar eens, maar dan 
is het onjuist dat de mogelijkheid tot 
beklag voor een groep van minderjari-
gen, namelijk voor hen die in particu-
liere inrichtingen verblijven, afhanke-
lijk is van de bereidheid van de particu-
liere kinderbescherming om een klach-
tenregeling in het leven te roepen. De 

Tweede Kamer 
8 september 1981 

Kinderbescherming 

335 




Haas-Berger 

wijze waarop die beklagregeling er 
dan uit komt te zien, is weer afhanke-
lijk van de uitkomst van het overleg 
van de particuliere kinderbescher-
ming. 

Los van het feit dat het WIJN deze 
zaak met voortvarendheid schijnt aan 
te pakken, acht ik deze manier van 
werken principieel onjuist. Ik heb op-
zettelijk de woorden 'mogelijkheid tot 
beklag' en 'klachtenregeling' gebruikt 
voor de particuliere kinderbescher-
ming. Daarom gaat het echter niet. Het 
gaat namelijk om het 'recht op zijn be-
klag te doen' en de wijze waarop dat 
recht 'kan worden uitgeoefend'. Dit 
recht zou in de wet moeten zijn neer-
gelegd en niet wat tijdstip van uitvoe-
ring betreft en qua inhoud afhankelijk 
zijn van anderen. 

Dit leidt automatisch tot de tweede 
kanttekening. Zoals gezegd: in de pro-
cedure, dus nu de discussieronde, zul-
len wij nu niet meer ingrijpen. De be-
windslieden stellen zich echter voor 
dat de bij algemene maatregel van be-
stuurte stellen voorwaarden voor de 
particuliere inrichtingen tevens betrek-
king zullen moeten hebben op de 
rechtspositie van minderjarigen, waar-
bij gedacht kan worden aan een goede 
procedure voor de behandeling van 
klachten. 

Voor zover dit tot resultaat heeft, dat 
in de praktijk een klachtenregeling in 
werking kan treden zodra het overleg 
met de particuliere kinderbescherming 
hierover is afgerond, kunnen wij daar-
mee instemmen. Willen wij het beklag-
recht echter serieus nemen en vinden 
wij dat dit recht onderdeel van de totale 
rechtspositie van minderjarigen vormt, 
dan zullen daarna ook dit recht en de 
waarborgen tot en de wijze van uitoefe-
ning daarvan in de wet geregeld moe-
ten worden. 

Op één punt konden de bewindslie-
den en ik niet tot elkaar komen, in elk 
geval niet formeel. Materieel konden 
wij misschien wel tot elkaar komen. De 
minderjarige kan beklag doen over el-
ke door of vanwege de directeur gege-
ven beslissing. De beslissingen van 
personeels- c.q. stafleden zijn volgens 
de bewindslieden niet zonder meer 
onderworpen aan de beklagprocedu-
re. De minderjarige zal zich eerst die-
nen te overtuigen of de directeur het 
met de beslissing van het personeels-
lid eens is. Pas daarna kan hij zijn be-
klag doen. 

Ik denk dat het er niet zo zeer toe 
doet dat de drempel te hoog is voor de 
minderjarige om bij de directeur te 
gaan vragen of deze achter de beslis-
sing van het personeelslid staat. Het 

feit dat in de toekomst de directeur el-
ke werkdag een spreekuur voor de be-
woners moet houden, zal bovendien 
de toegang vergemakkelijken. Het is 
trouwens rijkelijk laat dat deze bepa-
ling inzake het spreekuur in de regle-
menten zal worden opgenomen. 

De minderjarige zal echter in de 
praktijk alleen maar met personeels-
en stafleden te maken hebben. Uiter-
aard is de directeur verantwoordelijk 
voor alles wat in de inrichting voorvalt. 
Die minderjarige zal echter zijn beklag 
willen doen over een bepaalde beslis-
sing van een bepaald personeelslid, na-
melijk het personeelslid dat de beslis-
sing heeft genomen. Van die beslissing 
zal de directeur, behalve als het om be-
langrijke zaken af afzondering gaat, 
niets afweten. 

Er zijn nog enkele andere overwe-
gingen: allereerst moeten wij er erg 
voorzichtig mee zijn een klacht niet 
ontvankelijk te verklaren. Ondanks alle 
vereenvoudigde procedures kan een 
klacht slechts een onbeduidend facet 
van een veel complexer geheel bevat-
ten dat pas bij nadere gesprekken bo-
ven tafel komt. Als de directeur zich 
niet achter de beslissing stelt gaat de 
klacht niet door, terwijl er mogelijk 
toch een nader onderzoek naar de ge-
hele gang van zaken door de klachten-
commissie nodig zou zijn. 

In de tweede plaats kan de relatie 
tussen de minderjarige en de totale lei-
ding zo verstoord zijn, dat de directeur 
met allerlei dreigementen probeert de 
minderjarige van de klachtencommis-
sie af te houden. De minderjarige zal 
zich in een dergelijke situatie trouwens 
niet graag tot de directeur wenden om 
een 'toegangsbewijs' tot de klachten-
commissie te halen. 

Ik wil niet beweren dat zo'n verstoor-
de relatie gebruikelijk is, noch wil ik ie-
mand beschuldigen, maar het zou zich 
kunnen voordoen. Wij maken de wet 
en de daarin gegeven waarborgen ook 
en juist voor die moeilijke situaties. 
Heeft men recht op beklag, dan moet 
dat ook uitgeoefend kunnen worden, 
zelfs al zou de verstoorde relatie door 
toedoen van de minderjarige zijn ont-
staan. 

Een derde reden om de minderjarige 
het beklagrecht op de beslissing van 
een personeelslid te geven is, dat het 
voor de directeur soms moeilijk kan 
zijn tegenover de minderjarige partij te 
kiezen in het conflict tussen deze en 
een personeelslid, terwijl dat in een 
gesprek met de klachtencommissie na 
een rustig aanhoren van alle argumen-
ten veel eenvoudiger zal zijn. 

Nu zeggen de bewindslieden in de 
nota naar aanleiding van het eindver-

slag dat, wanneer de minderjarige 
rechtstreeks zijn beklag doet, de voor-
zitter van de klachtencommissie zich 
tot de directeur wendt om na te gaan 
of deze de beslissing van het perso-
neelslid dekt. 'De klacht zal dus zeker 
niet zonder meer niet-ontvankelijk 
worden verklaard', aldus de nota naar 
aanleiding van het eindverslag. 

Ik kan uit die zinsnede lezen dat in de 
praktijk beklag tegen een beslissing 
van een personeelslid mogelijk is. Ik 
zou duidelijkheid willen hebben. Is dat 
nu wel of niet de bedoeling? Het staat 
uitdrukkelijk niet in de tekst van de 
wet. Wat is de betekenis van de woor-
den 'zonder meer'? 

Ik begrijp best dat het wegens over-
belasting van de klachtencommissie 
beter is als van te voren duidelijk is dat 
de beslissing van het personeelslid 
niet door de directeur gedekt wordt, 
zodat een klacht geen doorgang be-
hoeft te vinden. Uitgebreide informa-
tie hierover aan de bewoners van de 
inrichtingen is geboden. Echter, de 
minderjarige moet ook rechtstreeks 
naar de klachtencommissie kunnen 
gaan. Een vermelding hiervan in de 
wet ware te prefereren boven een tekst 
in de nota naar aanleiding van het 
eindverslag. 

Wij kunnen ons vinden in de opmer-
kingen van de bewindslieden over de 
schorsende werking van het beklag, 
met dien verstande, dat wij hopen dat 
de directeur zoveel als maar mogelijk 
is gevolg zal geven aan het voorstel 
van de commissie wanneer dat in-
houdt dat de gewraakte maatregel ge-
schorst wordt. 

Indien niet geschorst wordt, blijft de 
compensatieregeling een probleem. 
Wij kunnen meegaan met de overwe-
gingen van de bewindslieden om dit 
niet in dit wetsontwerp te regelen, en 
zijn verheugd over hun toezegging om 
de directeuren te schrijven dat zij een 
compensatie moeten geven indien de 
klachtencommissie hun te kennen 
heeft gegeven dat dit in overweging 
moet worden genomen. Echter, een 
geheel vrijblijvende zaak kan dit voor 
de directeuren niet zijn. Willen de be-
windslieden zoeken naar een methode 
die ertoe leidt dat in dergelijke geval-
len de directeuren in ieder geval tot de 
één of andere vorm van compensatie 
komen als de klachtencommissie die 
noodzakelijk acht? 

Mijnheer de Voorzitter! Afsluitend 
kunnen wij zeggen dat wij het verheu-
gend vinden dat met dit wetsontwerp 
weer meer rechtszekerheid voor de 
minderjarige gerealiseerd wordt. Wij 
zullen ons dan ook van harte vóór dit 
wetsontwerp uitspreken. 

Tweede Kamer 
8 september 1981 

Kinderbescherming 

336 




D 

De heer Nijpels (VVD): Mijnheer de 
Voorzitter! Na de stap die wij verleden 
week hebben gezet in de richting van 
een versterking van de rechtspositie 
van de minderjarige, door de aanvaar-
ding van het wetsontwerp inzake het 
horen van minderjarigen, zetten wij 
vandaag opnieuw een stap, zij het op 
een ander onderdeel van het jeugdbe-
schermingsrecht. 

Zonder af te willen dingen op de vo-
rige stap, meen ik dat een extra accent 
op het voorliggende wetsontwerp ge-
rechtvaardigd is. De regeling die wij 
vandaag bespreken, heeft immers be-
trekking op die groep jongeren die 
veelal buiten eigen schuld in de knel is 
geraakt. Het zijn ook die jongeren die 
de warmte in hun opvoeding missen 
die andere jongeren, die in gezins- of 
familieverband opgroeien, dikwijls wel 
krijgen. 

Het is dan ook de taak van de over-
heid, die immers ingrijpt in het leven 
van die jongeren, al het mogelijke te 
doen om deze groep uit haar achter-
standssituatie te halen. Daarbij moet 
niet alleen worden gekeken naar de 
materiële voorzieningen; ook de im-
materiële kant van de zaak dient de no-
dige aandacht te krijgen. 

Juist voor deze jongeren is het van 
het grootste belang dat zij als gelijk-
waardig worden behandeld. Vooral bij 
hen bestaat immers een grote rancune 
tegen de maatschappij, hun familie en 
de inrichtingen. Zij voelen zich veelal 
in de steek gelaten, dikwijls niet ten 
onrechte. Vanuit deze invalshoek heeft 
mijn fractie het voorliggende wets-
ontwerp bekeken, dat overigens in 
grote lijnen haar instemming heeft. 

Mijn fractie beziet de pogingen, ook 
binnen de particuliere kinderbescher-
ming een klachtenregeling te ontwer-
pen met enige argwaan. Argwaan die 
voortvloeit uit het trage verloop van de 
totstandkoming van een dergelijke re-
geling. Daarbij teken ik aan dat de vast 
te stellen regeling voor de particuliere 
kinderbescherming inhoudelijk niet zal 
mogen afwijken van die voor de rijks-
inrichtingen waarom het vandaag gaat. 

In de memorie van antwoord en in 
de nota naar aanleiding van het eind-
verslag heeft de Regering iets in deze 
richting gesuggereerd. Moet ik die 
suggestie zo uitleggen dat het Ministe-
rie van Justitie straks stringente voor-
waarden in voormelde zin zal gaan 
stellen aan de subsidiëring van de par-
ticuliere kinderbescherming? Gaarne 
krijg ik hierover een nadere verduide-
lijking van de Staatssecretaris. 

In het voorlopig verslag heb ik na-
mens mijn fractie duidelijk gemaakt 

dat wij de maatregel van afzondering 
met de grootste zorgvuldigheid omge-
ven willen zien. De Regering heeft in-
middels de afzondering als disciplinai-
re maatregel uit het wetsontwerp ver-
wijderd. Daarmee is voor een deel aan 
de bezwaren van mijn fractie tegemoet 
gekomen. Bezwaar blijft zij echter nog 
houden tegen de mogelijke duur van 
de afzondering wanneer deze wordt 
gehanteerd als pedagogische maatre-
gel. 

Mijn fractie voelt sterk voor een be-
perking van de termijn van vier dagen 
tot een of twee dagen, met daaraan 
gekoppeld de mogelijkheid van verlen-
ging van die termijn, die dan met extra 
waarborgen zou moeten worden om-
geven. 

Tot onze teleurstelling is de Staats-
secretaris niet bereid, de Belangenver-
eniging Minderjarigen te betrekken bij 
de herschrijving van de rechtspositie 
en huisreglementen van de inrichtin-
gen. Hier is toch te veel sprake van 
'koud-watervrees' bij de Regering. 
Overleg plegen met de Belangenver-
eniging Minderjarigen houdt nog niet 
in, dat de Regering het ook op alle 
punten met die vereniging eens zal 
moeten zijn. De bewindslieden behou-
den hun eigen verantwoordelijkheid, 
daarover kan geen enkel misverstand 
bestaan. 

Zowel in het voorlopig verslag als in 
het eindverslag hebben wij onze be-
zwaren kenbaar gemaakt tegen de 
rechtsprekende taak van het College 
van Advies voor de Kinderbescher-
ming, zoals wij die ook hebben tegen 
de rechtsprekende taak van de Centra-
Ie Raad van Advies voor het Gevange-
niswezen, de Psychopatenzorg en de 
Reclassering. Over dat laatste onder-
werp is door de Regering een nota uit-
gebracht, die ongetwijfeld bij de ko-
mende begrotingsbehandeling van 
Justitie aan de orde zal komen. Daar-
om zal ik op dit moment de strijdbijl, 
ook ten aanzien van dit wetsontwerp, 
begraven, zij het onder een dun laagje 
zand. Met andere woorden, op het 
daartoe geëigende moment zal ik haar 
weer te voorschijn halen. 

Ik wil nog een opmerking maken 
over het ontbreken van een compen-
satiemogelijkheid. De Staatssecretaris 
heeft ons in de nota naar aanleiding 
van het eindverslag en in de memorie 
van antwoord niet kunnen overtuigen 
van de onmogelijkheid van het treffen 
van een compensatieregeling. De Re-
gering zal met sterke argumenten 
moeten komen om onze fractie ervan 
te weerhouden, één van de amende-
menten die betrekking heeft op zo'n 
compensatieregeling, te steunen. 

Ten slotte wil ik nog een persoonlijk 
woord richten aan het adres van deze 
Staatssecretaris. Naar menselijke be-
rekeningen is dit de laatste keer, dat zij 
met de Kamer van gedachten zal wis-
selen. Deze Staatssecretaris heeft de 
laatste vier jaren de meest ondankbare 
'klussen' opgeknapt die binnen een ka-
binet denkbaar zijn. Gevangeniswe-
zen, vreemdelingenbeleid en kinder-
bescherming zijn onderwerpen die 
vrijwel bij voortduring problemen - en 
bepaald geen kleine - opwerpen. Aan 
kritiek is de Staatssecretaris vrijwel 
niets bespaard gebleven. Ook mijn 
fractie was het niet altijd met haar be-
leid eens. Toch wil ik haar op dit mo-
ment namens de VVD-fractie gaarne 
dankzeggen voor het zeer vele werk 
dat zij gedurende deze kabinetsperio-
de onder zeer moeilijke omstandig-
heden heeft verricht. 

De Voorzitter: Ik stel voor, het voorstel 
van wet van het lid Van Ooijen tot wij-
ziging van de Woonwagenwet (16 531) 
hedenmiddag niet meer aan de orde te 
stellen. 

Daartoe wordt besloten, 

De vergadering wordt van 15.50 uur 
tot 16.00 uur geschorst. 

D 

Staatssecretaris Haars: Mijnheer de 
Voorzitter! Het heeft de Minister en mij 
genoegen gedaan dat er zoveel aan-
dacht aan dit toch belangrijke wets-
ontwerp is gegeven. Ik wil beginnen 
met een paar algemene opmerkingen 
te maken. 

Van verschillende zijden zijn er vra-
gen gesteld over de mogelijkheid van 
een regeling van het klachtrecht bij 
particuliere inrichtingen. Mevrouw 
Wessel heeft gevraagd of dit niet kon. 
Mevrouw Haars zei, dat hierover al een 
voorstel was gedaan en zij vroeg zich 
af, waarom het niet sneller kon. De 
heer Lankhorst heeft erop gewezen dat 
van bepaalde kanten de vertrouwens-
persoon als mogelijkheid naar voren 
wordt gebracht. De heer Nijpels for-
muleerde het weer anders door te zeg-
gen: we moeten niet afwijken van de 
regelingen bij de rijksinrichtingen. 
Weer andere vragen luidden: wat be-
doelt de Regering nu eigenlijk? 

Ik wil vooropstellen dat hier een re-
geling van het klachtrecht ligt, die vrij 
duidelijk is. Onze bedoeling is, het 
klachtrecht bij particuliere instellingen, 
voor zover zij niet duidelijk afwijken 
van rijksinrichtingen, ongeveer gelijk 
te laten zijn aan de bestaande regelin-
gen. Wij hebben wel gemeend, te 
moeten wachten op het gesprek met 
de particuliere inrichtingen en op de 

Tweede Kamer 
8 september 1981 

Kinderbescherming 
Woonwagenwet 

337 




Haars 

initiatieven van die kant om in een ge-
zamenlijk overleg te komen tot een zo 
goed en duidelijk mogelijke regeling, 
opdat ook binnen het particulier initia-
tief dit als juist wordt ervaren. 

Als ooit ergens inspraak nodig is, 
dan is het wel hier, in de inrichtingen 
waar het particulier initiatief zo duide-
lijk aanwezig is, zodat men het ervaart 
als een juiste regeling. Daarom heb-
ben wij het verloop van de besprekin-
gen afgewacht. 

Van de kant van de Kamer heb ik 
verschillende voorstellen gehoord. 
Mevrouw Wessel haalde de gedachte 
van de vertrouwenspersoon wat meer 
naar voren. Dat deed ook de heer 
Lankhorst. Mevrouw Haas heeft in de 
stukken al een duidelijke gedachten-
gang weergegeven. De heer Nijpels 
vindt dat wij niet te ver mogen afwij-
ken. Ik zou willen zeggen: laten wij de 
ontwikkeling even afwachten. De be-
doeling onzerzijds is heel duidelijk, 
ook het klachtrecht van de particuliere 
inrichtingen te regelen. 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): In 
eerste termijn heb ik ook gezegd, dat ik 
de procedure zou willen afwachten. 
Daarbij ging het mij erom dat het niet 
als een voorwaarde in de algemene 
maatregel van bestuur voor de erken-
ning van inrichtingen wordt gehan-
teerd, maar dat het beklagrecht ook 
voor particuliere inrichtingen in de wet 
wordt neergelegd. 

Staatssecretaris Haars: In de wet staat 
op het ogenblik dat er voorwaarden en 
regels gesteld kunnen worden. Het 
probleem is natuurlijk dat niet iedere 
particuliere inrichting van dezelfde 
soort is. Het maken van wettelijke re-
gelingen duurt altijd weer langer, zo-
dat wij hebben gemeend, het binnen 
die regeling te moeten vastleggen. Wij 
zullen daarmee echter moeten begin-
nen, om dan te zien hoe de situatie 
zich ontwikkelt in toch heel verschil-
lende inrichtingen. Wanneer een en 
ander zich vervolgens heeft uitgekris-
talliseerd en wij iets duidelijker weten 
waarover wij praten, kan worden over-
wogen een afzonderlijke wettelijke re-
geling te maken. Als men echter zegt, 
dat wij eerst de wettelijke regeling met 
alle formuleringen van rechten en 
plichten moeten vastleggen, moet 
men wel bedenken dat wij voorlopig 
nog met praten bezig zijn. 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): Dat 
heb ik niet gezegd. 

Staatssecretaris Haars: Neen, maar ik 
denk nu even aan de betogen van me-
vrouw Brouwer en mevrouw Van Es, 
die er veel dieper op ingingen. En dan 

ontstaat de discussie over de vraag , 
hoe het moet worden geformuleerd. 
Vandaar onze gedachte om het op de-
ze wijze te doen en de ontwikkeling 
verder nauwkeurig te volgen, opdat 
ook de particuliere inrichtingen zo snel 
mogelijk een voldoende regeling krij-
gen. 

Ik wil nu allereerst ingaan op de vra-
gen die door vele leden zijn gesteld 
over de tijdsduur van de afzondering. 
Mevrouw Evenhuis, mevrouw Wessel, 
mevrouw Van Es, mevrouw Haas-Ber-
ger en de heer Nijpels hebben daar-
over gesproken. 

Oorspronkelijk stond in het wets-
ontwerp een bepaling dat er een mo-
gelijkheid was van afzondering als dis-
ciplinaire straf. Ik heb gemerkt dat alle 
sprekers blij zijn dat in de loop van de 
schriftelijke behandeling deze discipli-
naire straf als zodanig is afgeschaft en 
dat alleen de afzondering als pedago-
gische maatregel gehandhaafd is. 

De algemene regel is het verblijf in 
groepen, maar er kunnen gevallen zijn 
waarbij het verblijf in groepen niet mo-
gelijk is. In de nota naar aanleiding van 
het eindverslag zijn daarvan een aan-
tal voorbeelden gegeven. In het alge-
meen heeft, naar ik meen, de Kamer er 
begrip voor dat het verblijf in groepen 
regel en afzondering uitzondering 
moet zijn, maar dat er gevallen kunnen 
zijn dat men de jongere buiten de 
groep moet plaatsen. 

De discussie vanmiddag heeft zich 
eigenlijk toegespitst op de vraag of de 
pedagogische reactie op ernstig wan-
gedrag door middel van afzondering 
wel juist is. Mevrouw Haas heeft het 
misschien het scherpst geformuleerd 
door te zeggen: Is het geen woorden-
spel, wat is straf en wat is een pedago-
gische reactie? 

Er is, naar mijn mening, toch wel 
een duidelijk verschil aanwezig. Bij de 
pedagogische reactie van het buiten 
de groep brengen van een jongere in 
geval van wangedrag, horen de inten-
sieve contacten van degenen die in de 
inrichting werken met deze jongere. 
Het is dus niet zo dat bij een dergelijke 
pedagogische reactie de jongere el-
ders wordt geplaatst en daar maar 
moet zitten. Daar hoort wel degelijk 
een begeleiding vanaf het eerste mo-
ment bij. 

Ik wijs op het feit dat zich in inrichtin-
gen situaties kunnen voordoen - nie-
mand heeft dat ook ontkend - die een 
tijdelijk verwijderen uit de groep nood-
zakelijk maken. Het gaat dan om het 
belang van de jongere zelf, van de 
groep èn van het personeel. Het doel is 
altijd de jongere zo snel mogelijk te la-
ten terugkeren tot de groep. De duur 

van de verwijdering is ook afhankelijk 
van de belangen van de jeugdige en 
van de vraag hoe zwaar de emoties en 
de spanningen binnen de groep zijn 
opgelopen. Immers, de groep moet de 
jongere weer in de groep accepteren, 
anders zou zijn terugkeer averechts 
werken. 

De duur van deze afzondering zal ge-
regeld worden in een uitvoeringsbe-
sluit kinderbescherming. De gedachte 
van de Minister en mij ging aanvanke-
lijk uit van een termijn van vier dagen 
met de mogelijkheid van verlenging. Ik 
heb gemerkt dat tegen deze termijn 
binnen de Kamer bezwaren bestaan. 
Wij hebben in de nota naar aanleiding 
van het eindverslag al meegedeeld dat 
wij bereid waren te overwegen die ter-
mijn te verkorten. 

Er is mij gevraagd waartoe die over-
wegingen geleid hebben. Die overwe-
gingen hebben ertoe geleid dat ik nu 
mededeel dat de maximum duur van 
de verwijdering uit de groep, de afzon-
dering, op een lager aantal dagen zal 
worden gesteld, namelijk twee dagen 
met de mogelijkheid van verlenging 
met nog eens twee dagen. Ik meen dat 
wij daarmee in belangrijke mate tege-
moet komen aan de bezwaren die in 
de Kamer leven. 

Ik heb nog enkele andere bezwaren 
gehoord. Men vraagt zich af of de ter-
mijn voorde 12- en 13-jarigen niette 
lang is. Ik dacht dat er bijzondere om-
standigheden kunnen zijn waarin de 
termijn juist voor de terugkeer binnen 
de groep niet gemist kan worden. Ik 
zeg er echter bij, dat ook onzerzijds be-
grip bestaat voor de aarzeling om de 
12- en 13-jarigen twee dagen af te zon-
deren. Ons streven is er dan ook heel 
duidelijk op gericht, deze jongeren in 
het algemeen, tenzij er zeer bijzondere 
omstandigheden zijn, niet langer dan 
één dag met een verlenging van één 
dag af te zonderen. 

Ik moet deze toezegging iets voor-
zichtiger doen dan de toezegging van 
het terugbrengen naar twee plus twee 
dagen omdat er momenten kunnen 
zijn waarop de jongere zelf in grote 
moeilijkheden zou komen wanneer hij 
na één dag terugkomt in de groep. Dat 
kan het geval zijn wanneer de emoties 
die door de situatie zijn ontstaan nog 
niet zodanig zijn verminderd dat de 
jongere al in de groep wordt geaccep-
teerd. 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): Mijn-
heer de Voorzitter! De Staatssecretaris 
zegt nu dat het moeilijk kan zijn zich 
aan die termijn van één dag te houden 
en dat een verlenging mogelijk blijft. 
Wil zij de mogelijkheid openhouden 
nog verder te gaan of blijft het bij een 
maximale verlenging met één dag? 

Tweede Kamer 
8 september 1981 

Kinderbescherming 

338 




Haars 

Staatssecretaris Haars: In principe is 
het 1 + 1, maar ik zou niet helemaal 
willen uitsluiten, dat er nog een dag bij 
zou moeten kunnen komen.Daarbij 
wordt alleen gelet op de reacties bin-
nen de inrichting op wat er is gebeurd. 
In het algemeen zijn de termijnen dus 
2 + 2 dagen voor 14-jarigen en oude-
ren en 1 + 1 dag voor de anderen. 
Daarbij wil ik dan ten behoeve van de 
jongeren zelf als de groep in grote pro-
blemen zit de mogelijkheid van een 
tweede verlenging met nog een dag 
niet helemaal uitsluiten. Die verlen-
ging zal echter alleen maar bij wijze 
van grote uitzondering kunnen plaats-
vinden. Ik meen dat ik hiermee zoveel 
mogelijk aan de hier geuite verlangens 
tegemoet kom. 

Ik complimenteer mevrouw Brou-
wer en ook mevrouw Van Es met hun 
maidenspeech. 

De Voorzitter: Mevrouw Van Es had al 
bij een andere gelegenheid gespro-
ken! 

Staatssecretaris Haars: Ik had haar 
nog niet eerder in de Kamer ontmoet. 
Het doet mij een waar genoegen dat ik 
mevrouw Van Es vandaag heb kunnen 
horen. Van de heer Lankhorst wist ik 
dat het zijn maidenspeech was. Naar ik 
dacht, heeft ook de heer Schutte zijn 
maidenspeech gehouden. Het was mij 
een waar genoegen de heer Schutte 
hier te zien; hem heb ik in de tijd dat ik 
als gedeputeerde sprak, ook nogal 
eens tegenover mij gezien. 

Mevrouw Brouwer vroeg of het be-
klag mondeling dan wel schriftelijk zou 
moeten worden behandeld. 

Mevrouw Wessel-Tuinstra (D'66): 
Mijnheer de Voorzitter! Ik merk dat de 
Staatssecretaris op een ander onder-
werp overstapt. Ik heb nog een vraag 
over het vorige onderwerp, betreffen-
de de isolatie van de jongeren. 

Ik ben blij met de toezegging dat de 
isolatie van jongeren beneden de 14 
jaar op één dag plus één dag verlen-
ging wordt gesteld. De Staatssecre-
taris zegt echter niets over de plaats 
van isolatie. 

Mijn fractie heeft nadrukkelijk ge-
vraagd, of het voor beneden veertien-
jarigen vooral niet een z\ogenaamde 
geheel afgezonderde aparte ruimte zal 
zijn, maar alleen de eigen kamer. Kan 
de Staatssecretaris hierover nog enige 
duidelijkheid verschaffen? Het lijkt mij 
dat één plus één plus hael eventueel 
één wel zou gaan in de eigen Kamer. 

Staatssecretaris Haars: Ik heb dit punt 
nog niet aangeraakt, omdat ik op de 
problematiek van de isoleercel nog wil 

terugkomen; ik wil het echter nu ook 
wel behandelen. Het zal duidelijk zijn 
dat waar wij het begrip 'disciplinaire 
straf' hebben afgeschaft, het begrip 
'isoleercel' daarmee als zodanig ook 
weg is. Ik zeg dit ook in verband met 
een door de heer Lankhorst ingedien-
de motie. Het zal in het algemeen de 
bedoeling zijn om in een daartoe ge-
schikt vertrek de afzondering te doen 
plaatsvinden. Dat zal natuurlijk bij jon-
geren meestal hun eigen kamer zijn, 
maar er zijn inrichtingen - ik durf daar-
om op de vraag van mevrouw Wessel 
niet zonder meer ja te zeggen - waar 
men met meer mensen op één kamer 
verblijft. Dan kan afzondering wel eens 
nodig zijn in andere ruimten. Het is 
echter bedoeld als pedagogische 
maatregel, met een zo groot mogelijke 
begeleiding. 

Ik kan nooit toezeggen, dat het al-
leen op de eigen kamer plaatsvindt, 
ten eerste niet omdat zij er niet altijd 
zijn en tweede niet, omdat er momen-
ten zijn, dat men jongeren een iets so-
berder vertrek moet geven om te voor-
komen dat er geen stoelen, tafels en-
zovoort meer heel blijven. 

Mevrouw Brouwer heeft gevraagd, 
of ook een mondeling beklag mogelijk 
is. Ik begrijp haar vraag, maar ik moet 
waarschuwen voor deze benadering. 
Mondelinge klachten en vooral telefo-
nische klachten kunnen tot onzeker-
heid aanleiding geven. Het kan soms 
niet duidelijk zijn, of men wil klagen of 
alleen zijn hart wil uitstorten. Wil men 
een beroep op de klachtenprocedure, 
of wil men alleen bij de voorzitter of de 
maandcommissaris reageren op wat is 
gebeurd? Het heeft dus niet alleen het 
voordeel dat misschien de drempel 
wordt verlaagd, maar het kan ook heel 
duidelijk nadelen hebben. 

Wij hebben de gedachte dat voor de-
ze klachten gebruik kan worden ge-
maakt van heel eenvoudige formulie-
ren, die zeer ruim beschikbaar zijn. 
Daarnaast is het de bedoeling dat, 
wanneer een jongere niet schrijven 
kan - dat komt voor - of heel moeilijk 
formuleert, een ander hem daarbij be-
hulpzaam zal moeten zijn, ook het per-
soneel, om de klacht te formuleren. 

Zelfs al zouden wij in de wet regelen 
dat een mondelinge klacht mogelijk 
zou zijn - ik heb daarmee moeite - dan 
zou er een rondschrijven moeten zijn, 
waarin staat dat de klacht in ieder ge-
val schriftelijk moet worden vastge-
legd en moet worden gedateerd en ge-
tekend, want anders weet niemand 
meer, waarover hij het heeft. Ik meen 
dat de schriftelijke klachtregeling, ge-
volgd door aanwijzingen aan het per-
soneel, dat men behulpzaam moet zijn 

bij de formulering en de datering van 
de klacht een betere methode is dan 
een mondelinge klacht, die onherroe-
pelijk onmiddellijk tot schriftelijke 
vastlegging moet leiden. De schrifte-
lijke klachtregeling zal ook minder ver-
warring geven. 

Mevrouw Brouwer (CPN): Als de mo-
gelijkheid om een mondelinge klacht 
in te dienen wordt geopend, is er dan 
ook niet de mogelijkheid dat in een be-
spreking met een commissielid bij 
voorbeeld de klacht wordt opgelost, 
waardoor een procedure wordt voor-
komen? Dat levert niet alleen een 
voordeel voor de minderjarige op, 
maar dat sluit ook een procedure uit. 

Bovendien sluit de mogelijkheid van 
het mondelinge klachtrecht aan bij 
de Beginselenwet Gevangeniswezen, 
waarin wél de mogelijkheid van de 
mondelinge klacht bestaat. De com-
missie legt de klacht vervolgens schrif-
telijk vast. 

Staatssecretaris Haars: De voorproce-
dure biedt voldoende mogelijkheden 
om de grieven in gesprekken op te los-
sen. Daarom hechten wij zoveel waar-
de aan die voorprocedure. Ik denk dat 
minderjarigen meer hebben aan ge-
sprekken dan aan een heel mooie 
klachtenprocedure. Diep in mijn hart 
vind ik die voorgesprekken eigenlijk 
het belangrijkst; bij de maandcommis-
saris of de directeur kunnen klachten 
mondeling worden geuit. 

Wanneer het echter een formele 
klachtregeling betreft, moet wel vast-
liggen waarover men praat en moeten 
ook de termijnen vastliggen. Daarom 
raad ik aan dit amendement niet te 
aanvaarden, hoewel de wereld niet zal 
vergaan wanneer het woord 'monde-
ling' er wel in staat. Het geheel zal ech-
ter met het huidige amendement 
enigszins verwarrend zijn. 

Mevrouw Brouwer (CPN): Mijnheer de 
Voorzitter! Wij spreken hier over min-
derjarigen en ik denk dat het belangrijk 
is dat wij in de vorm van de regeling 
geen beperkingen maken. Voor de 
vastlegging van de termijn en de indie-
ning van de klacht kan het betreffende 
commissielid de datum invullen en 
eventueel een formulier afgeven. Ik 
vind dat wanneer deze bepaling wordt 
opgenomen er ook een mondelinge 
mogelijkheid moet zijn om te reage-
ren. Hierdoor kan nooit de situatie ont-
staan dat juist vanwege de vorm van 
de regeling de klacht niet op de goede 
plaats terecht komt. Ik zie ook eigenlijk 
niet wat de bezwaren zijn tegen het 
woord 'mondeling'. Ik zie het alleen als 
een voordeel dat dit woord in de tekst 
is opgenomen. 

Tweede Kamer 
8 september 1981 

Kinderbescherming 

339 




Haars 

Staatssecretaris Haars: Ik heb getracht 
uit te leggen wat eventueel de bezwa-
ren zijn, maar ik vind dat wij hierover 
niet verder moeten discussiëren. Ik 
heb getracht duidelijk te maken dat 
juist het hanteren van begrippen als 
'mondeling klagen' en het 'uiten van 
grieven' en het aangeven van de gren-
zen tussen deze begrippen de zaken 
veel formeler maken. Men gaat zich 
dan afvragen: is het wel een klacht of 
wat bedoelt deze jongere? De andere 
mogelijkheid is dat men volledig in-
stemt met de gelegenheid tot klagen 
maar de klacht door degene die klaagt 
en degene bij wie de klacht binnen-
komt laat opschrijven. Dan ligt het 
vast dat de jongere een klacht heeft 
geuit en geen bespreking zonder meer 
heeft gevoerd. Ik laat de beslissing 
over het amendement echter verder 
aan de Kamer over. 

Mevrouw Brouwer (CPN): Mijnheer de 
Voorzitter! Wanneer bij de jongere be-
kend is dat hij de gelegenheid heeft 
om mondeling een klacht in te dienen 
zal er mijns inziens geen beperking 
aanwezig zijn. Wanneer de klacht 
schriftelijk ingediend moet worden, 
verwacht ik dat de jongere met zijn 
klacht blijft zitten, omdat hij verwacht 
daarvoor formulieren te moeten invul-
len. Hij zal er dan meestal niettoe 
overgaan zijn klacht in te dienen. Ik 
vind dat het daarom belangrijk is het 
woord 'mondeling' in de tekst op te 
nemen. 

Staatssecretaris Haars: Mijnheer de 
Voorzitter! U kent mijn standpunt. Ik 
vind het riskant de tekst op die manier 
te formuleren. Over de doelstelling zijn 
wij het echter volledig eens. 

Mevrouw Wessel en mevrouw Van 
Es hebben enkele punten aangevoerd 
ten aanzien van de schorsing van de 
tenuitvoerlegging van de beslissing. 
Het wetsontwerp voorziet erin dat han-
gende de beslissing de voorzitter van 
de commissie aan de directeur het 
voorstel kan doen verdere tenuitvoer-
legging van de beslissing waarop de 
klacht betrekking heeft te schorsen. 

Wanneer de directeur zich hiermee 
niet kan verenigen, kan hij binnen 24 
uur onder opgave van reden daarvan 
mededeling doen. Deze bepaling is ge-
lijkluidend aan die voor de gevange-
nissen. Mevrouw Wessel heefteen 
amendement ingediend dat eigenlijk 
uit twee delen bestaat. Het eerste deel 
van het amendement betreft een in-
voeging in het artikel, waarin staat dat 
de directeur, zo enigszins mogelijk zich 
conformeert aan het voorstel tot 
schorsing. 

Tegen deze invoeging heb ik geen 
enkel bezwaar. Deze invoeging ver-
tolkt ook mijn standpunt. Ik heb wel 
bedenkingen tegen het tweede deel 
van het amendement. Daarin wordt 
voorgesteld de beslissing over de 
schorsing in handen van de Minister 
van Justitie te stellen in gevallen 
waain de directeur zich niet met het 
voorstel van schorsing kan verenigen. 

Ik vind het niet verstandig bij de kin-
derbescherming op dit punt af te wij-
ken van de gevangenisregeling. Men 
kan hier echter over twisten. 

ik heb praktische en principiële be-
zwaren. Het praktische bezwaar is dat 
binnen 24 uur aan de voorzitter van de 
klachtencommissie schriftelijk en met 
redenen omkleed moet worden mee-
gedeeld, dat men miet tot schorsing 
wil overgaan. Als de Minister van Jus-
titie hier ook nog tussen moet zitten, 
lijkt mij de termijn onhaalbaar. Ik zou 
de termijn ook niet langer willen ma-
ken, omdat het van groot belang is zo 
gauw mogelijk te weten of de schor-
sing wel of niet plaatsvindt. Ik geloof 
echt dat het inschakelen van de Minis-
ter op zo korte termijn niet mogelijk is, 
ook al zou men deze zaak aan een 
ambtenaar, - die toch ook een derde is 
- delegeren. 

Bovendien heb ik bezwaar tegen het 
voorstel omdat het tot een zeer om-
slachtige procedure leidt, waarbij uit-
eindelijk de beslissing tóch bij de Mi-
nister ligt. Een Minister die zeer ver 
van het dagelijkse gebeuren in de in-
richtingen afstaat, die geen tijd heeft 
zich hierin grondig te verdiepen. Hij 
zou er eigenlijk heen moeten gaan en 
horen. Dat is onmogelijk. 

Ik heb gezocht naar een mogelijk-
heid die beter haalbaar zou zijn en die 
tegemoet komt aan de gedachte zoals 
die door mevrouw Wessel-Tuinstra en 
mevrouw Van Es naar voren is ge-
bracht. 

Ik vraag mij af of het niet mogelijk 
zou zijn het eerste deel van het amen-
dement van mevrouw Wessel-Tuinstra 
te handhaven en in de uitvoeringsbe-
palingen uitdrukkelijk te stellen, dat de 
voorzitter van de klachtencommissie 
en de directeur van de inrichting, wan-
neer zij van mening verschillen over 
schorsing, beraad voeren waarbij en-
kele mensen die nauw bij de inrichting 
staan betrokken worden. Uit dat be-
raad zou dan een weloverwogen be-
slissing moeten komen. 

Ik geloof, dat dit de enige mogelijk-
heid is om snel en dicht bij de inrich-
ting een gewogen beslissing te ne-
men. Het is onmogelijk om vanuit wel-
ke rijksinrichting dan ook de Minister 
binnen 24 uur een gewogen beslissing 

te laten nemen. Wij dachten op deze 
wijze tegemoet te komen aan het pro-
bleem waarop mevrouw Wessel-Tuin-
stra en mevrouw Van Es duidelijk wij-
zen namelijk de discussie tussen de di-
recteur en de voorzitter van de klach-
tencommissie. De directeur heeft uit-
eindelijk de verantwoordelijkheid 
voor de ontwikkelingen in de inrich-
ting, terwijl de voorzitter, na een 
marginale toetsing van de maatregel, 
ook een bepaald standpunt heeft. Ons 
voorstel is alles dicht bij huis te nou-
den en ons bij de uitvoering de ruimte 
te geven om te zoeken naar een be-
raadsgroepje voor dit soort proble-
men. 

Mevrouw Van Es (PSP): Op het eerste 
gezicht lijkt mij dit een aardige oplos-
sing. Ik wil alleen graag weten, aan 
welk soort personen de Staatssecre-
taris meer concreet denkt. 

Staatssecretaris Haars: Ik denk dan 
aan een personeelslid van de inrich-
ting en wellicht ook iemand van de 
commissie van toezicht. Hierover zou 
ik eerst echter even moeten nadenken. 
Er zou dan een groepje van vier men-
sen zijn, die dan de vraag van de 
schorsing beoordelen, als de directeur 
en de voorzitter het niet met elkaar 
eens zijn. Hoe een en ander precies 
moet worden geregeld, moet ik echter 
nog overwegen. Daarmee zou echter 
het probleem van de Minister als een 
soort van deus ex machina eruit wor-
den gehaald. 

Mijnheer de Voorzitter! Vele leden 
hebben gesproken over de compensa-
tiemogelijkheden. Op dit punt zijn nog-
al wat amendementen ingediend, na-
melijk die op de stukken nrs. 16, 15 en 
19. 

Ik moet, alvorens ik verder kan gaan 
met mijn betoog, een puzzel oplossen. 
Ik weet namelijk niet welk amende-
ment van mevrouw Wessel thans 
geldt, want ik heb er twee gehad. Op 
stuk nr. 16 heb ik een amendement 
met de volgende inhoud: 'Indien de 
klacht gegrond wordt verklaard, maar 
de gevolgen van de beslissing waar-
over beklag wordt gedaan niet meer 
ongedaan zijn te maken, kan de klach-
tencommissie de directeur een voor-
stel doen om compensatie te verlenen. 
Bij AMvB kunnen voorschriften wor-
den gegeven.' 

Als dit het juiste amendement is, kan 
ik mij erin vinden, maar ik weet het 
niet zeker, want ik heb ook een ander 
amendement gezien. 

De Voorzitter: De zojuist door de 
Staatssecretaris voorgelezen tekst heb 
ik hier ook voor mij liggen. 

Tweede Kamer 
8 september 1981 

Kinderbescherming 

340 




Haars 

Mevrouw Wessel-Tuinstra (D'66): Er is 
een gewijzigd amendement, waarin 
staat: 'dan kan de voorzitter van de 
klachtencommissie, na overleg met de 
directeur, een compensatie vaststel-
len.' Ik zal de Staatssecretaris dat 
amendement even geven. 

Staatssecretaris Haars: Ik heb het wel, 
maar ik weet niet welk amendement 
geldig is. 

Mevrouw Wessel-Tuinstra (D'66): Zo-
als gebruikelijk, komt het gewijzigd 
amendement na het eerste amende-
ment. 

De Voorzitter: Ik houd mij ook aanbe-
volen voor die gewijzigde tekst, want 
ik heb hem hier niet voor mij liggen. 

Staatssecretaris Haars: U hebt dat 
amendement ook niet ingediend! 

Mevrouw Wessel-Tuinstra (D'66): 
Daarvoor maak ik dan mijn oprechte 
excuses. Het is de bedoeling dat het 
zojuist door mij voorgelezen gewijzig-
de amendement uiteindelijk ons 
amendement in deze kwestie wordt. 

Staatssecretaris Haars: Mijnheer de 
Voorzitter! Ik was van plan te zeggen, 
dat ik het amendement van mevrouw 
Wessel, dat ik zojuist voorlas, graag 
zou willen accepteren, want ik kan mij 
voorstellen dat men een regeling wil. 
Het amendement van de heer Lank-
horst, op stuk nr. 15, zou daarmee ach-
terhaald zijn, omdat dit minder ver 
ging. Ik ben uiteraard ook bereid dat 
amendement te aanvaarden. Ik heb 
echter ook nog een amendement op 
stuk nr. 19, waarin mevrouw Van Es 
om veel verdergaande compensatie-
mogelijkheden vraagt. 

Nu blijkt dat wij moeten uitgaan van 
een gewijzigd amendement van me-
vrouw Wessel, heb ik wel bezwaren te-
gen de inhoud. Zij heeft het amende-
ment namelijk zo geformuleerd, dat na 
overleg met de directeur een compen-
satie wordt gegeven. Dat zou beteke-
nen dat er geen gesprek plaatsvindt 
waarin de voorzitter en de directeur 
beiden over de compensatie beslissen, 
maar dat uiteindelijk de beslissing in 
handen van de voorzitter, of de com-
missie ligt. Op dat punt gaat naar mijn 
mening het amendement over de 
schreef. De directeur zal een duidelijke 
stem in het kapittel moeten hebben, 
want anders zou de voorzitter een zo-
danige machtspositie krijgen, dat 
daardoor in de praktijk directeur en 
personeel in de problemen zouden 
kunnen komen. De directeur zou dan 
een bepaalde compensatie voor on-
dervonden leed moeten geven - bij 

voorbeeld in de vorm van sport of vrije 
tijd -zélfs als dit binnen zijn inrichting 
op dat moment onmogelijk is. Ik heb 
dus geen bezwaar tegen de mogelijk-
heid van compensatie. Ik heb er wel 
bezwaar tegen dat de directeur geen 
duidelijke zeggenschap heeft en dat er 
alleen maar met hem wordt overlegd, 
terwijl een ander beslist. 

Dit kan binnen inrichtingen zodanige 
problemen geven dat uitvoering daar-
van niet mogelijk is. Wanneer zou wor-
den gesteld 'in overleg met de direc-
teur' zou ik geen bezwaren hebben. 
Bovendien kan een directeur nadat hij 
zich bij een klacht heeft neergelegd, 
gedwongen worden in verband met de 
voorstellen tot compensatie toch in 
beroep te gaan, hetgeen bepaald niet 
gunstig is voor de hele situatie. Ik zie 
dus niet gaarne het amendement in 
deze vorm. 

De leden Brouwer en Van Es spraken 
over toevoeging van een advocaat. Het 
wetsontwerp gaat ervan uit dat toe-
voeging geschiedt door de voorzitter 
van de klachtencommissie alleen. Ik 
geloof dat dit goed is. Het gaat hier in 
het algemeen om klachtrecht van min-
derjarigen in een inrichting waarin wij 
proberen de zaken in rust en overleg 
op te lossen. 

Wanneer daarbij de toevoeging van 
advocaten te duidelijk naar voren 
wordt gebracht, dan wordt ook daarbij 
steeds verondersteld dat de rechtsge-
leerde raadslieden degenen zouden 
zijn die in situaties waarin oplossing 
binnen de kinderbescherming het 
eerst noodzakelijk is, im grossen gan-
zen oplossingen bieden. 

Ik ontken dat. Dit zal alleen nodig zijn 
wanneer de zaak werkelijk ingewikkeld 
is en wanneer er werkelijk juridische 
problemen optreden. Onze ervaringen 
ten aanzien van de beklagregeling met 
volwassen gedetineerden zijn op dit 
punt niet altijd zo als ik wel wens. Het 
gaat erom, dat wij verantwoord ge-
bruik maken van de juristen die er zijn 
om het probleem op te lossen. Juist bij 
deze beklagregeling is het van groot 
belang dat vertrouwenslieden, dus 
mensen die naast deze minderjarigen 
staan zoals maatschappelijk werkers 
en leden van de Belangenvereniging 
Minderjarigen, bij vele gevallen op 
kunnen treden als hulpverlener en al-
leen wanneer het nodig is, juridische 
bijstand kunnen verlenen. 

Mevrouw Brouwer (CPN): Mijnheer de 
Voorzitter! Als deze regeling gehand-
haafd blijft betekent dat, dat de min-
derjarigen in een inrichting minder 
recht hebben op rechtsbijstand door 
een advocaat dan minderjarigen bui-
ten die inrichting. Op dit moment heb-

ben volgens de Wet rechtsbijstand on-
en minvermogenden minderjarigen 
zelfstandig recht op een advocaat. Als 
deze regeling gehandhaafd blijft, bete-
kent het dat de minderjarigen in die in-
richting niet naar het bureau voor 
rechtshulp kunnen gaan en niet de 
vrije keus van een advocaat hebben. 

De Staatssecretaris stelt dat er op ie-
der moment een advocaat kan worden 
ingeschakeld, maar als mijn amende-
ment zou worden aangenomen bete-
kent dit, dat een minderjarige naar het 
bureau voor rechtshulp kan gaan en 
volgens de Wet op de rechtsbijstand 
bekijkt het bureau voor rechtshulp de 
gegrondheid van de zaak. 

Staatssecretaris Haars: Doet men dat 
altijd? 

Mevrouw Brouwer (CPN): Ik heb er er-
varing mee dat men dat wèl doet. Het 
gaat immers om de uitvoering van de 
wet en het is als zodanig in de wet 
neergelegd. 

Als nu in deze wet alleen maar komt 
te staan, dat de voorzitter uitsluitend 
een advocaat kan toevoegen, betekent 
dit dat de Staatssecretaris deze min-
derjarigen eigenlijk het recht op een 
advocaat onthoudt via het bureau voor 
rechtshulp. Dit is namelijk een nieuwe 
wet. Deze wet zal dus ook voor deze 
minderjarigen in een inrichting gaan 
gelden. Dit betekent dat zij zijn uitge-
sloten van de regeling volgens de wet 
inzake rechtsbijstand voor on- en min-
vermogenden. 

Staatssecretaris Haars: Ik meen dat de 
geachte afgevaardigde het nu iets fout 
formuleert. Het gaat er niet om dat de 
minderjarige minder rechten heeft, 
wanneer die zich in de inrichting be-
vindt dan daarbuiten. Het gaat er al-
leen maar om, dat de toevoeging niet 
geschiedt door een bureau dat een vrij 
grote afstand heeft van de problemen 
waarom het gaat. Ik bedoel de bureaus 
voor rechtshulp. Zij voegen toch in 
eerste instantie toe ten aanzien van de 
civiele en de strafrechtelijke problema-
tiek. Dat is het terrein waarop deze bu-
reaus zich in eerste instantie begeven. 
Het gaat hierbij echter om een heel 
bijzonder soort van klachtrecht. Daarin 
geven wij de minderjarigen volledig 
alle rechten die zij ook hebben als zij 
zich buiten de inrichting bevinden. Wij 
hebben alleen maar gezocht naar een 
zodanige formulering dat de zekerheid 
bestaat dat die minderjarige onmid-
dellijk hulp kan krijgen. Daarbij hebben 
wij ons gerealiseerd, dat hulp ook door 
anderen kan worden verleend. Bij de 
bureaus voor consultatie kent men de 
advocaten, de deurwaarders en de an-
deren. 

Tweede Kamer 

8 september 1981 Kinderbescherming 

341 




Haars 

Juist voor degenen die hierbij vaak 
zullen moeten helpen om een klacht 
overte brengen, geldt dit veel minder. 
Wij hebben vooral geprobeerd, de 
voorzitter van de commissie deze toe-
voegingen, deze toewijzingen, van 
raadslieden te laten verrichten, omdat 
hij dichter bij de minderjarigen staat 
en dit gemakkelijker kan doen. Het 
gaat dus niet om het ontnemen van 
rechten, maar om het regelen van een 
speciaal klachtrecht in een speciale 
wet, die zeker en altijd van een alge-
mene wet kan en wel eens moet afwij-
ken. 

Mevrouw Brouwer (CPN): Ik heb de 
beginselenwet op het gevangeniswe-
zen er maar even bij gehaald. Die re-
gelt, dat, in het geval een gedetineerde 
beklag wil doen, er een advocaat kan 
worden toegevoegd. Dit gebeurt dus 
niet bij uitsluiting. Dit zal betekenen, 
dat de regeling voor minderjarigen in 
dit geval nog beperkter is dan de be-
ginselenwet op het gevangeniswezen 
aangeeft. 

Staatssecretaris Haars: Die is anders. 

Mevrouw Brouwer (CPN): Als de voor-
zitter zegt, dat in een bepaalde zaak 
geen advocaat nodig is, kan volgens 
mij de betrokken minderjarige niet 
naar het bureau voor rechtshulp gaan 
om alsnog om een advocaat te vragen. 
In de wet op de rechtsbijstand on- en 
minvermogenden van 15 juni 1981 is 
echter juist aangegeven, dat het van 
belang wordt geacht dat minderjari-
gen boven de 16 ook een zelfstandig 
recht op een advocaat hebben. Ik heb 
er bezwaar tegen, dat dit nu wordt be-
perkt. 

Staatssecretaris Haars: Het bureau 
voor rechtshulp behoeft ook niet toe te 
voegen. Het kan ook toevoegen. Dat 
doet de voorzitter ook. Men mag er 
ook rekening mee houden, dat deze 
voorzitter uit de rechterlijke macht af-
komstig is. Tevens staat hij dicht bij de 
inrichting. Ik meen dan ook dat de on-
derhavige regeling voor de minderjari-
gen veel beter is dan de regeling die 
wij ten aanzien van het gevangeniswe-
zen kennen. Die regeling geeft ons ook 
niet voldoende de gedachte, dat er wat 
dit betreft altijd juist wordt gehandeld. 

Mijnheer de Voorzitter! Mevrouw 
Brouwer en ik komen elkaar nog een 
keer tegen. Zij wil namelijk aan het 
woord 'raadsman' het woord 'raads-
vrouw' toevoegen. Ik vind dat best, 
hoor, maar het is wel enigszins 
vreemd om dit ineens in een wet te 
realiseren. Ikzelf heb nogal wat jaren als 
raadsman mogen optreden. Het heeft 
mij nooit ernstig geschokt. 

Bovendien wil de geachte afgevaar-
digde aan het woord 'directeur' toe-
voegen 'c.q. directrice'. Ik vrees dat dit 
een enigszins incidentele wijziging is, 
waarmee wij de gelijkheid van man-
nen en vrouwen niet vooruit helpen. 

Het doet geen pijn, maar het is zo in-
cidenteel dat ik vrees dat dit tot moei-
lijke situaties aanleiding kan geven. Ik 
wil niet onaardig zijn, maar ik ben van 
mening dat wij op andere wijze dan 
door wijziging van dit wetsontwerp 
moeten pogen duidelijk te maken dat 
wij als mannen en vrouwen echt niet 
zoveel verschillen 

De heer Nijpels heeft weer gewezen 
op het feit dat wij het nog steeds niet 
eens kunnen worden over de vraag of 
de Centrale Raad in het gevangenis-
wezen als hoogste beroepsinstantie en 
het College van Advies voor de Kinder-
bescherming als hoogste beroepsin-
stantie hier aanwezig moeten zijn of 
dat het een penitentiaire kamer moet 
zijn. Het spijt mij dat ik de discussie 
hier niet verder kan voeren met de 
heer Nijpels. Ik hoop dat mijn opvolger 
de discussie verder zal voeren. Ik heb 
getracht hier duidelijk mijn mening 
weer te geven. 

Mevrouw Haas-Berger heeft nog 
een amendement ingediend met de 
bedoeling de beslissingen van perso-
neelsleden zonder meer te onderwer-
pen aan de beklag- en beroepsproce-
dure. In de memorie van antwoord op 
de nota naar aanleiding van het eind-
verslag is al uiteengezet dat het voor 
de duidelijkheid van de procedure ge-
wenst is dat deze beperkt blijft tot be-
slissingen van de directeur. Anderzijds 
moet dus vaststaan of de directeur de 
beslissing van een personeelslid dekt. 

Immers, de directeur is partij in de 
procedure. Hij moet achter de beslis-
sing staan waarover beklag wordt ge-
daan. Anders ontstaat een zeer grote 
verwarring en zal de klachtencommis-
sie overstelpt worden met allerlei 
klachten over alle mogelijke beslissin-
gen die in een inrichting worden geno-
men. Het amendement is in deze vorm 
ook niet duidelijk. 

Wat is de bedoeling van de tweede 
volzin in het amendement? Uiteraard 
kan de directeur ook zonder wettelijk 
voorschrift uit eigen beweging of op 
verzoek van de klager en de commis-
sie van toezicht mededelen dat hij zich 
niet met de genomen beslissing kan 
verenigen. Wat is dan echter het 
rechtsgevolg? Is dan de klacht niet ont-
vankelijk? Juridisch gezien zitten er en-
kele puzzels in het amendement. 

Ik zou de geachte afgevaardigde me-
vrouw Haas-Berger een suggestie wil-
len doen. Misschien zou het amende-
ment als volgt kunnen worden geredi-

geerd, hoewel ik niet zal zeggen dat ik 
er dan gelukkig mee ben: 'Een beslis-
sing van een lid van het personeel 
wordt geacht te zijn genomen vanwe-
ge de directeur tenzij anders blijkt.'. 

Dan is het juridisch meer rond. Mijn 
bezwaar blijft echter dat daardoor toch 
verwarring kan ontstaan. Ik zou het 
dus prettig vinden als het amende-
ment niet in de wet komt. 

De heer Schutte, naar wiens speech 
ik ook met veel belangstelling heb ge-
luisterd, vraagt met betrekking tot dis-
ciplinaire straf of schrapping van arti-
kel 25 inhoudt dat geen straf meer kan 
worden opgelegd. Dat zou men inder-
daad kunnen zeggen. Wel zullen op-
voedkundige maatregelen mogelijk 
blijven. Leed toebrengen staat daarbij 
niet centraal, maar het belang van een 
zo adequaat mogelijk aanpak van een 
minderjarige en de reactie op zijn wan-
gedrag. Het uitgangspunt is dus an-
ders: niet straffen, maar opvoeden. 
Daarin ligt het verschil tussen afzonde-
ring als maatregel en afzondering als 
disciplinaire straf. Hiermee beant-
woord ik tevens de opmerkingen van 
mevrouw Van Es. 

Ten slotte heeft de heer Schutte ook 
nog gevraagd of het stelsel van de wet 
toelaat een ministeriële toetsing van 
een inrichting aan bij algemene maat-
regel van bestuur te stellen voorwaar-
den inzake de rechtspositie, met be-
houd van de eigen verantwoordelijk-
heid van de inrichting. Die vraag kan ik 
bevestigend beantwoorden. Daartoe 
dient ook de aanvulling van het wets-
ontwerp, die in artikel I, B, haar beslag 
heeft gekregen. 

Mevrouw Van Es stelde de vraag of 
de beslissingen van het College van 
Advies voor de Kinderbescherming 
bindend zullen zijn voor overeenkom-
stige situaties. In het algemeen zal dat 
inderdaad het geval zijn. Het gaat er 
echter om of die situaties overeen-
komstig zijn. Dat levert vaak een pro-
bleem op. 

De kwestie van de toewijzing van ra-
dio's bij het gevangeniswezen is daar-
van een voorbeeld. Binnen bepaalde 
gevangenissen kunnen radio's heel 
grote problemen opleveren; soms 
kunnen zij zelfs als zendapparatuur 
worden gebruikt, terwijl dat in andere 
inrichtingen niet het geval is. 

Mevrouw Brouwer heeft nog naar 
de samenstelling van de commissies 
van toezicht gevraagd. Zij zullen zoda-
nig worden samengesteld dat zij in 
staat zijn, de hen opgedragen taak, 
met inbegrip van het klachtrecht, naar 
behoren te vervullen. Ik hecht er ook 
waarde aan dat deze commissies zo 
breed mogelijk zullen worden samen-
gesteld. Daarvoor zullen de uitvoe-

Tweede Kamer 
8 september 1981 

Kinderbescherming 

342 




Haars 

ringsbepalingen in deze zin worden 
geformuleerd. 

In de commissies zullen ook mensen 
uit de kring van de Belangenvereni-
ging Minderjarigen een plaats kunnen 
krijgen. Men moet zich echter wel re-
aliseren dat in deze commissies nooit 
leden van verenigingen plaatsnemen 
maar altijd mensen op persoonlijke ti-
tel. Men zal dan ook steeds blijven zoe-
ken naar mensen die geschikt en be-
reid zijn, in zo'n college zitting te ne-
men. Dat geldt ook - en heeft ook altijd 
gegolden - voor mensen die zich aan 
de Belangenvereniging Minderjarigen 
verwant voelen. 

Er is ook gevraagd of de Belangen-
vereniging Minderjarigen in het alge-
meen inspraak zou moeten hebben bij 
de herschrijving van de reglementen. 
Uiteraard zullen hierover velen wor-
den gehoord, waarbij de Belangenver-
eniging Minderjarigen niet zal worden 
overgeslagen. Het is alleen de vraag 
wat men hierbij onder 'inspraak' ver-
staat. Betekent dat het geven van zijn 
mening, of het nemen van een beslis-
sing? Voor het laatste voel ik niets, ter-
wijl ik tegen het eerste uiteraard geen 
bezwaar heb. 

De heer Lankhorst heeft nog ge-
vraagd of het afschaffen van de iso-
leercel in De Marke niet aantoont dat 
een inrichting het zonder isoleercel 
kan. Hij acht het reeds eerder gegeven 
schriftelijke antwoord onbevredigend. 
Ik wijs erop dat het juist de functie van 
de rijksinrichtingen is, die jongeren op 

te nemen die elders geen plaats heb-
ben kunnen krijgen, meestal op grond 
van negatieve selectie. In zo'n geval is 
sprake van een moeilijker situatie dan 
bij de particuliere inrichtingen, waar 
intake-gesprekken plaatsvinden en 
waar intake-criteria gelden. Dit bete-
kent dat wij het ons moeten realiseren 
dat in rijksinrichtingen erg moeilijke 
mensen zitten. 

Ten slotte eindig ik met dank voor de 
vriendelijke woorden van de heer Nij-
pels en voor de woorden, ongeveer 
van gelijke strekking, van mevrouw 
Haas. 

Het is mij een genoegen geweest, zo 
lang hierte werken. 

D 

Mevrouw Wessel-Tuinstra (D'66): 
Mijnheer de Voorzitter! Aansluitend bij 
de laatste woorden van de Staats-
secretaris, spreek ik namens de fractie 
van D'66 graag mijn waardering uit 
voor alle krachtsinspanningen die de 
Staatssecretaris, al dan niet gesteund 
door mijn fractie, heeft geleverd om 
haar taak tot een goed einde te bren-
gen. Dikwijls is het ook voor ons een 
genoegen geweest, met haar in dis-
cussie te treden. 

Terug naar het wetsontwerp. Wij 
hebben gevraagd naar de regeling 
voor de particuliere inrichtingen. De 
Staatssecretaris gaat daarbij piano-
aan te werk. 

Ik kan mij dat heel goed voorstellen. 
Naar haar oordeel is dit een zaak van 
overleg. Zij geeft echter geen ant-

Staatssecretaris Haars van Justitie. 

woord op de vraag of zij haar stand-
punt betreffende eenzelfde regeling in 
de particuliere en de rijksinrichtingen 
handhaaft. Mijn fractie heeft niet de 
vertrouwensman van de geestelijke 
volksgezondheid gesuggereerd. Dat 
was een suggestie van het WIJN, 
waarover wij nu juist zo graag de me-
ning van de Staatssecretaris zouden 
horen. 

Immers, als die gedachtengang zich 
doorzet, dan zullen de regelingen 
uiteen lopen in de Rijksinrichtingen en 
de particuliere inrichtingen. Op zich-
zelf heb ik daarover geen oordeel, 
maar ik wil hierover de mening van de 
Staatssecretaris horen. Natuurlijk is 
het moeilijk, deze Staatssecretaris 
naar een termijn te vragen, maar mijn 
fractie hoopt dat de termijn waarop 
een regeling voor de particuliere in-
richtingen tot stand komt, niet al te 
lang zal zijn. 

Staatssecretaris Haars: Mijnheer de 
Voorzitter! Ik meen duidelijk te hebben 
gemaakt, dat het onverstandig is, nu 
mijn mening te zeggen over voorstel-
len die bij het WIJN liggen, als daar-
over nog een groot overleg plaats-
vindt. Vandaar dat wij steeds afstande-
lijk zijn gebleven. Ik beantwoord deze 
vraag van mevrouw Wessel nu maar 
bij interruptie omdat die vraag anders 
zeker nog drie maal terugkomt. 

Mevrouw Wessel-Tuinstra (D'66): 
Mijnheer de Voorzitter! Ik dank de 
Staatssecretaris zeer; het is nu vol-
strekt duidelijk. 

De Staatssecretaris heeft gesproken 
over de tijdsduur van de afzondering. 
Mijn fractie is bijzonder blij, dat wij nu 
zeer duidelijk van haar gehoord heb-
ben dat de vier dagen plus vier dagen 
verlenging nu geheel van de baan zijn, 
en dat zij streeft naar een maximum-
duur voor veertienjarigen en ouder 
van twee dagen plus twee dagen ver-
lenging. Het lijkt mij nu overbodig 
hierover een motie in te dienen, want 
dit is een heel duidelijke toezegging. 
Voor kinderen beneden de veertien 
jaar stelt de Staatssecretaris nu de ter-
mijn van één dag plus één dag verlen-
ging voor en in zeer uitzonderlijke ge-
vallen kan daar een dag bij komen. 

Mijn fractie is bijzonder blij met het 
feit dat de Staatssecretaris nadrukke-
lijk gezegd heeft, dat het een pedago-
gische maatregel blijft. Het is dus een 
vereiste - ik hoop dat dit er heel duide-
lijk aan wordt toegevoegd - dat er te-
gelijkertijd een pedagogische begelei-
ding bij is. De afzondering is een peda-
gogische maatregel die van het begin 
af aan gebruikt wordt om daar een 
nieuwe relatie op te bouwen waar de 
relaties tevoren zo grondig zijn ver-
knoeid. 

Tweede Kamer 

8 september 1981 Kinderbescherming 

343 




Wessel-Tuinstra 

Ik hoop goed te hebben begrepen, 
dat de plaats van afzondering - wij 
spreken dus niet meer over isoleercel-
len; dat is een afgebouwd beleid -
voor kinderen beneden de veertien 
jaar een vertrek is dat geschikt is voor 
de pedagogische maatregel, in het ge-
val niet de eigen kamer kan worden 
gebruikt uit vrees voor destructie. In 
dat geval lijkt er mij geen bezwaar te-
gen te bestaan om die pedagogische 
maatregel in een voor pedagogische 
omstandigheden geschikt vertrek te 
doen plaatsvinden. Bij voorkeur - wij 
houden daaraan vast- moet het toch 
de eigen kamer zijn. 

Ik kom nu toe aan de schorsing. De 
Staatssecretaris acht het eerste deel 
van het amendement wel juist. Zij 
maakt echter bezwaar tegen het feit 
dat de Minister eraan te pas moet ko-
men. Wij staan positief tegenover het 
democratische idee van een ver door-
gevoerde decentralisatie zoals die 
door het ministerie van Justitie thans 
wordt voorgesteld. Wij zien dat als een 
heel belangrijke tendens, waarvan wij 
hopen dat die zich verder zal voortzet-
ten. Ik houd die decentralisatie voor 
het komend beleid heel graag vast. 

Ik ben dan ook graag bereid, uit-
gaande van die gedachte, de suggestie 
van de Staatssecretaris over te nemen 
om niet de Minister te hulp te roepen, 
maar een beraadgroepje in te stellen. 
In dat beraad zouden onder anderen 
de voorzitter van de commissie komen 
te zitten of het commissielid dat die 
schorsing heeft aangevraagd en bij 
voorbeeld een groepsleider. 

De Staatssecretaris heeft daarover 
een beetje gefilosofeerd. Het lijkt mij 
een uitstekende gedachte, die depola-
riserend kan werken. Mijn fractie wil 
echter heel uitdrukkelijk stipuleren dat, 
als men er niet uitkomt - dit is nog wel 
eens het geval bij beraad -, er toch er-
gens een eindbeslissing moet worden 
genomen. Wij willen eraan vasthou-
den dat dit door de voorzitter van de 
commissie moet worden gedaan. Dit 
betreft een uitzonderingsgeval, omdat 
hieraan al eindeloos beraad is vooraf-
gegaan. De eindbeslissing zal volgens 
ons niet door de directeur moeten 
worden genomen. 

Wij bespreken vandaag de verster-
king van de rechtspositie van minder-
jarigen, waarbij uitzonderlijke situaties 
voorkomen. In een zeer uitzonderlijke 
situatie kan het voorkomen dat de 
commissie de directeur geen gelijk 
geeft en schorsing vraagt, waarmee de 
directeur niet akkoord gaat. In een der-
gelijke situatie moet juist de minderja-
rige worden beschermd. De klachten-

commissie behoort in zulke uitzonder-
lijke gevallen aan te geven aan wiens 
kant zij staat. 

Hetzelfde geldt voor de compensa-
tie. In mijn gewijzigd amendement, dat 
inmiddels ook een nummer heeft ge-
kregen, staat wel degelijk: 'na overleg 
met de directeur'. 

Wij vinden het overleg over de in-
houd van de compensatie, zoals wee-
kendverlof, recreatie en dergelijke, 
juist erg goed. Dat behoort tot de ver-
antwoordelijkheid van de directeur. De 
volgende stap is, dat men samen weer 
verder moet. Die weg moet alvast een 
beetje worden geëffend in dat pedago-
gische klimaat. 

Wij vinden het in strijd met de strek-
king van het wetsontwerp om de be-
slissing in handen te leggen van de di-
recteur. Wij willen de uiteindelijke be-
slissing laten berusten bij de voorzitter 
van de commissie. De Staatssecretaris 
zal zich realiseren dat er op haar ver-
zoek ook een lid van de rechterlijke 
macht in de commissie zit, zodat een 
zekere afstandelijkheid ten opzichte 
van de inrichting is gewaarborgd. Bo-
vendien is dan ook de kennis omtrent 
de rechten van de minderjarige gega-
randeerd. 

D 

Mevrouw Evenhuis-van Essen (CDA): 
Mijnheer de Voorzitter! Mijn fractie is 
erg blij met de toezegging van de 
Staatssecretaris dat slechts twee da-
gen afzondering met de mogelijkheid 
van verlenging, worden vastgesteld, 
terwijl voor jongeren van 12 en 13 jaar 
één dag is vastgesteld, met weliswaar 
mogelijke verlenging tot twee dagen, 
maar alleen bij uitzonderlijke gevallen 
en in het belang van de jongeren. Het 
lijkt mij duidelijk dat een motie overbo-
dig is. 

Ook namens de fractie van het CDA 
zijn enkele opmerkingen gemaakt over 
de schorsing. De mogelijkheden die de 
Staatssecretaris aandraagt zijn zeker 
het overwegen waard. Ik dank haar 
voor haar inventiviteit. 

Namens de CDA-fractie zeg ik de 
Staatssecretaris dank voor de princi-
piële wijze waarop en de gedegen ken-
nis van zaken waarmee zij de vele ge-
compliceerde problemen die zij te ver-
werken kreeg behandelde. Wij zijn 
daar zeer erkentelijk voor. Ook namens 
de CDA-fractie is dat een duidelijke on-
derstreping waard. 

• 

De heer Lankhorst (PPR): Mijnheer de 
Voorzitter! Op het punt van de ontwik-
keling van het klachtrecht in de rijksin-
richtingen en de particuliere inrichtin-
gen is er geen groot verschil tussen 

wat de Staatssecretaris naar voren 
heeft gebracht en het standpunt van 
de PPR-fractie. In de particuliere inrich-
tingen komt het stelsel van de vertrou-
wensfiguur tot ontwikkeling. Wij staan 
daar behoorlijk positief tegenover. 

Wij vinden het belangrijk dat de par-
ticuliere inrichtingen daar nu haast 
mee maken. Wij zullen de ontwikkeling 
nauwkeurig volgen. Wat nu wordt 
vastgelegd voor de rijksinrichtingen is 
echter fundamenteel anders dan de 
weg die het WIJN en de particuliere in-
richtingen nu op willen. Beide syste-
men zullen naast elkaar moeten wor-
den gelegd om te bekijken hoe op de 
langere duur verder moet worden ge-
gaan. 

Als ik het antwoord van de Staats-
secretaris goed heb begrepen, bestaat 
daarover weinig verschil van mening. 
Sterker nog, de Staatssecretaris zei 
zelfs dat zij diep in haar hart - zij maak-
te even van haar hart geen moordkuil 
- ervan overtuigd was dat in een mon-
deling overleg meer bereikt kan wor-
den dan in een prachtig opgetuigde 
wettelijke klachtenprocedure. Dat is de 
fractie van de PPR ook van mening. 
Daarom wachten wij het systeem van 
de vertrouwensfiguur met belangstel-
ling af. 

De Staatssecretaris heeft gezegd dat 
het begrip 'isoleren' afgeschaft is. In 
eerste instantie heb ik al gezegd dat je 
dat begrip nu wel kunt afschaffen, 
maar dat het uiteindelijk toch om de 
feitelijke gang van zaken gaat. Hier in 
de Kamer is iedereen wel dezelfde me-
ning toegedaan;het gemeen overleg 
over dit wetsontwerp is erg zinvol ge-
bleken. 

Wij blijven echter met een probleem 
zitten. De particuliere inrichtingen ken-
nen nog steeds de machtigingen en 
dus de mogelijkheid van het isoleren. 
Bij de rijksinrichtingen wordt die mo-
gelijkheid nu afgeschaft. Het zou goed 
zijn nu ook een eind te maken aan de 
machtigingen tot isoleren voor de par-
ticuliere tehuizen. Dat lijkt mij de con-
sequentie van wat wij nu doen. Omdat 
ik daarop van de Staatssecretaris nog 
geen duidelijk antwoord heb gekre-
gen, dien ik toch maar een motie in om 
een uitspraak van de Kamer daarover 
te krijgen. 

Motie 

De Voorzitter: Door de leden Lank-
horst, Haas-Berger en Van Es wordt de 
volgende motie voorgesteld: 

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging; 

van oordeel, dat eenzame opsluiting 
van minderjarigen in een speciaal 

Tweede Kamer 
8 september 1981 

Kinderbescherming 

344 




De Voorzitter 

daarvoor bestemde ruimte niet past in 
een verantwoord pedagogisch beleid; 

verzoekt de Regering, geen machtigin-
gen voor isolatie meer te verlenen aan 
particuliere kinderbeschermingsinter-
naten en de reeds verleende machti-
gingen in te trekken, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

Naar mij blijkt wordt deze motie vol-
doende ondersteund. 

Zij krijgt nr. 24(15 713). 

De heer Lankhorst (PPR): Mijnheer de 
Voorzitter! De Staatssecretaris heeft 
terecht opgemerkt dat op het punt van 
de compensatie de amendementen 
van mevrouw Wessel en die van mij 
niet hetzelfde zijn. Ik kan mij echter 
toch bij de argumentatie van mevrouw 
Wessel aansluiten. 

In eerste instantie heb ik een motie 
ingediend over de inspraak van de Be-
langenvereniging Minderjarigen, die 
in deze Kamer een brede ondersteu-
ning heeft gevonden. Die motie is een 
reactie op de nota naar aanleiding van 
het eindverslag waar met zoveel woor-
den staat dat de Belangenvereniging 
Minderjarigen niet gehoord zal wor-
den. De Staatssecretaris zegt nu dat 
velen zullen worden uitgenodigd en 
gehoord als men bezig is met de her-
schrijving van de rechtspositieregeling 
in de huishoudelijke reglementen en 
dat de Belangenvereniging Minderjari-
gen daar ook bij hoort. Dat is dan een 
ander standpunt dan wat wij in de nota 
naar aanleiding van het eindverslag te-
genkwamen. 

Ik wil er echter geen misverstand 
over laten bestaan wat wij onder dat 
horen verstaan. De Staatssecretaris 
vroeg zich af wat inspraak is. Is dat je 
mening zeggen en daarna weggaan of 
is het - dat is het andere uiterste - dat 
je precies mag uitmaken wat er ge-
beurt, dus dat in dit geval de Belangen-
vereniging Minderjarigen precies uit-
maakt wat in die reglementen komt? 
Dat laatste is het natuurlijk niet en dat 
eerste ook niet. De Staatssecretaris zal 
het met mij eens zijn dat het tussen de-
ze twee uitersten in ligt. 

Als de Belangenvereniging Minder-
jarigen met een aantal zaken komt, 
moet daarover redelijk kunnen worden 
gepraat. Dan zal beargumenteerd 
moeten worden waarom iets wel of 
niet wordt overgenomen. Dat lijkt mij 
in deze tijd een heel redelijke en juiste 
vorm van inspraak. Niet de Belangen-
vereniging Minderjarigen zal uitmaken 
wat er uiteindelijk zal gebeuren. Als 
echter bepaalde belangrijke punten 
van de Belangenvereniging Minderja-

rigen niet worden overgenomen, zal 
ook beargumenteerd moeten worden 
waarom dat niet gebeurt. Ik zou graag 
van de Staatssecretaris horen of zij dat 
zo ook ziet. Op die manier zou een goe-
de uitvoering worden gegeven aan de 
door mij ingediende motie. 

D 

Mevrouw Brouwer (CPN): Mijnheer de 
Voorzitter! Mijn eerste punt betreft de 
mogelijkheid, een klacht mondeling in 
te dienen. Ik vind dat punt erg belang-
rijk. Ik begrijp, dat wij hierover van me-
ning blijven verschillen. De Staats-
secretaris laat dit punt aan de Kamer 
over, waaruit wel blijkt, dat zij niet ge-
heel onverschillig staat tegenover de 
argumenten. Ik zou dan ook een be-
roep op de Kamer willen doen, dit 
amendement wel te steunen. Het doet 
meer recht aan uitbreiding van de wer-
kelijke rechten van de minderjarigen 
en het geeft het klachtrecht ook echt 
inhoud. 

Ik meen dat de schriftelijke vorm in 
heel veel gevallen een beperking kan 
opleveren. Argumenten als zou er mis-
bruik van gemaakt kunnen worden en 
als zou er te sterk een formele kant aan 
de hele zaak zitten, gaan naar mijn me-
ning niet op, want als een klacht mon-
deling wordt ingediend, vindt een 
gesprek plaats. In dat gesprek kunnen 
misschien bepaalde moeilijkheden 
worden opgelost. Is dat niet het geval 
dan kan de klacht ook schriftelijk wor-
den gedeponeerd. 

Het commissielid kan aantekening 
maken van de klacht en deze dateren, 
waarna de procedure kan starten. Ik zie 
daar geen enkel bezwaar tegen. Vol-
gens artikel 51 van de Beginselenwet 
gevangeniswezen kan een gedetineer-
de in een gevangenis, huis van bewa-
ring of rijkswerkinrichting beklag doen 
over een aantal zaken, zonder dat 
daarvoor een vorm is voorgeschreven. 
Als deze regeling zonder de toevoe-
ging dat beklag ook mondeling moge-
lijk is wordt aangenomen, zouden dan 
ook aan kinderen zwaardere eisen 
worden gesteld dan aan gedetineer-
den. Dat is toch niet de bedoeling van 
dit wetsontwerp. 

Een tweede punt betreft mijn amen-
dement dat gaat over de toevoeging 
van 'raadsvrouwe'. Ik heb daarop al 
een toelichting gegeven. De Staats-
secretaris zegt dat zij er principieel niet 
zoveel bezwaren tegen heeft, maar dat 
dit dan verder zou moeten worden 
doorgevoerd omdat ook wordt ge-
sproken van 'directeur' en 'voorzitter'. 
Dat is juist. De hele wetgeving is in 
manlijke vorm geschreven. Het is bijna 
onbegonnen werk om zo'n toevoeging 
door te voeren. De nota gelijke behan-

deling die gisteren is ingediend, lijkt 
mij een goede aanleiding om nu de 
eerste stap te zetten. Ik vraag de Ka-
mer dan ook, dit amendement even-
eens te steunen. 

Het derde punt, dat ik in een amen-
dement heb aangeroerd, betreft de 
toevoeging van advocaten. De Staats-
secretaris en ik hebben daarover nogal 
een groot verschil van mening. Zij zegt 
dat uitsluitend de voorzitter kan bepa-
len of de minderjarige al of niet een 
advocaat krijgt. 

Ook de Staatssecretaris vindt het 
een beperking maar zij stelt daarbij dat 
de voorzitter dichter bij de minderjari-
ge staat dan het Bureau voor Rechts-
hulp. Ik betwijfel dit. In de praktijk 
komt het vaak voor dat er advocaten 
zijn die zich specialiseren op dergelijke 
zaken. Zij hebben dan bij voorbeeld 
veel contact met kinderen die via het 
JAC of Release bij hen terecht komen. 

Het is de vraag of de voorzitter van 
zo'n commissie dergelijke advocaten 
kent. Als de voorzitter ze kent, is het 
nog de vraag of ze worden toege-
voegd. Als dit wetsontwerp op dit punt 
ongewijzigd wordt aangenomen, 
houdt het een onaanvaardbare beper-
king van de vrije keuze van advocaat 
in. Naar mijn mening is deze keuze in 
de overige wetgeving wel vastgelegd. 
Ik ga nogmaals terug naar de beginse-
lenwet gevangeniswezen. 

Daarin is geregeld dat de klager zich 
ook door een raadsman kan laten bij-
staan. De voorzitter kan op zijn verzoek 
een raadsman toevoegen. Daarin is 
niet geregeld, dat het uitsluitend kan. 
Met andere woorden, als in dat geval 
geen advocaat wordt toegevoegd, om-
dat de voorzitter van oordeel is dat 
geen advocaat nodig is, dan heeft de 
gedetineerde de mogelijkheid om naar 
een bureau voor rechtshulp te stappen 
om aldaar zijn of haar vraag opnieuw 
voor te leggen. 

Volgens de Wet rechtsbijstand voor 
on- en minvermogenden kan het bu-
reau voor rechtshulp ook de gegrond-
heid van de zaak bekijken. Misschien 
wordt deze regeling niet overal goed 
toegepast, hoewel ik dat betwijfel. Ik 
heb daarmee andere ervaringen, ik 
vind dat bepaalde redenen - naar mijn 
mening gaat het hierbij om bezuini-
gingsredenen - om het minder gemak-
kelijk voor een minderjarige te maken 
om een advocaat te krijgen niet passen 
in een regeling als deze. 

Ik wil de aandacht vestigen op een 
toelichting op het besluit Financiële 
toevoegingsgrenzen, gebaseerd op de 
Wet rechtsbijstand voor on- en min-
vermogenden. Daarin is in artikel 1, 
onder F, tweede en derde lid geregeld, 
dat minderjarigen rechtsbijstand krij-

Tweede Kamer 
8 september 1981 

Kinderbescherming 

345 




Brouwer 

gen, als zij daarom verzoeken. In de 
toelichting staat: Het is gewenst, dit in 
overeenstemming met de gangbare 
praktijk, hen als alleenstaande aan te 
merken, wanneer zij de leeftijd van 
zestien jaar hebben bereikt en niet 
meer binnen het gezinsverband leven. 
Daarnaast doen zich de gevallen voor 
van binnen het gezinsverband levende 
kinderen en dergelijke. 

Met andere woorden, in deze wet, 
die op 15 juni 1981 tot stand isgeko-
men, is de mogelijkheid geopend voor 
minderjarigen om rechtsbijstand te 
krijgen via een bureau voor rechts-
hulp. Dat betekent dat nu een minder-
jarige, die woont in een inrichting, 
waarover wij thans spreken, al kan 
gaan naar een bureau voor rechtshulp 
met de mededeling dat hij voor een 
bepaalde zaak een advocaat nodig 
heeft. 

Als dit wetsontwerp ongewijzigd 
wordt aangenomen, dan zouden deze 
mogelijkheden die de minderjarigen 
nu hebben komen te vervallen en ik 
meen ook uit de woorden van de 
Staatssecretaris te hebben beluisterd 
dat het hierbij niet gaat om een beper-
king van de rechten van de minderjari-
gen, maar juist om een uitbreiding 
daarvan. 

Als de Staatssecretaris stelt dat het 
mogelijk is dat dan een advocaat 
wordt toegevoegd, terwijl dat hele-
maal niet nodig is, omdat het om za-
ken gaat, waarbij geen juridische 
kwesties spelen, dan heb ik daarvoor 
alle begrip, maar dan wijs ik nogmaals 
op de toetsingsmogelijkheid van het 
bureau voor rechtshulp. 

Mijn amendement houdt in dat ik de 
mogelijkheid van toevoeging door een 
voorzitter open wil laten. De reden 
daarvoor is dat, als een minderjarige 
nog geen zestien jaar is of als een bu-
reau voor rechtshulp zegt dat een ad-
vocaat niet noodzakelijk is, de voorzit-
ter kan beslissen alsnog een advocaat 
toe te voegen. Ik doe een beroep op de 
Kamer dit amendement aan te nemen, 
omdat anders naar mijn mening een 
beperking van de rechten van minder-
jarigen plaats zal vinden. 

D 

De heer Schutte (GPV): Mijnheer de 
Voorzitter! Ik dank de Staatssecretaris 
hartelijk voor de concrete beantwoor-
ding van enkele vragen die ik in eerste 
termijn heb gesteld. 

De Staatssecretaris heeft in haar ant-
woord terecht beklemtoond de grote 
verscheidenheid in de sector van de 
particuliere inrichtingen voor kinder-
bescherming. Daarom lijkt het mij -

Het CPN-kamerlid Brouwer. 

ook om andere redenen - niet verstan-
dig, vooruit te lopen op de resultaten 
van het overleg dat gaande is. Dit is 
een zeer juiste benadering. 

Ik dank de Staatssecretaris ook voor 
haar mededeling aan het slot van haar 
betoog, dat het stelsel van de wet de 
eigen verantwoordelijkheid van de in-
richting via de erkenning door de Mi-
nister overeind houdt. 

Ik meen dat het in verband met de 
relatie tussen de straf en de pedagogi-
sche maatregel juist is, dat is gewezen 
op het verschil in invalshoek. Het is 
ook juist dat bij de pedagogische 
maatregel altijd sprake zal moeten zijn 
- zelfs ook bij de straf - van een blij-
vende begeleiding. 

Ik heb begrepen dat de Staatssecre-
taris van mening is dat een pedagogi-
sche maatregel het toebrengen van 
leed met zich mee kan brengen. Het is 
dus een bijkomend effect. Ik meen ech-
ter dat het in principe mogelijk moet 
zijn dat straf wordt opgelegd als eerste 
oogmerk en niet als bijkomend effect. 
Dit is naar mijn mening tot nog toe ook 
het uitgangspunt van de wetgever ge-
weest, zelfs tot en met de memorie 
van antwoord van het wetsontwerp 
dat wij nu bespreken. 

In mijn eerste termijn heb uit die me-
morie van antwoord geciteerd. De be-
windslieden erkenden dat een discipli-
naire straf in beginsel 'een passend 
antwoord kan zijn aan de minderjarige 
bij op zijn niveau verwijtbaar te achten 
gedrag'. Als dat wordt toegespitst op 

de pedagogische maatregel, wordt 
naar mijn mening aan de context van 
deze uitspraak geen recht gedaan. 

Ik heb gezegd, dat ik er begrip voor 
heb dat de aanvankelijk gesuggereer-
de disciplinaire straffen zijn verdwe-
nen. De vraag is echter of er geen al-
ternatieven denkbaar zijn. In de stuk-
ken die ons hebben bereikt, zijn enkele 
genoemd. Ik noem het verrichten van 
extra diensten, beperking van recre-
atiemogelijkheden en dergelijke. Zou-
den deze mogelijkheden niet alterna-
tief kunnen dienen? Uiteraard moeten 
dergelijke straffen niet los worden ge-
zien van allerlei pedagogische aspec-
ten en moeten ze zeer omzichtig wor-
den toegepast. 

Mijnheer de Voorzitter! Is het wegla-
ten van de disciplinaire straf uit het 
wetsontwerp veroorzaakt door de on-
mogelijkheid om een geschikte disci-
plinaire strafte vinden of is bij nader 
inzien - na het verschijnen van de me-
morie van antwoord - sprake van het 
afwijzen van de disciplinaire straf als 
zodanig? 

D 

Mevrouw Van Es (PSP): Mijnheer de 
Voorzitter! Ik heb gezegd dat de beslis-
sing van de directeur door de voorzit-
ter van de commissie zou moeten kun-
nen worden opgeschort. Daartegen is 
ingebracht dat de directeur de on-
middellijke verantwoordelijkheid heeft 
voor de gang van zaken in de inrich-
ting en dat een buitenstaander die be-

Tweede Kamer 
8 september 1981 

Kinderbescherming 

346 




Van Es 

slissing niet kan overnemen. Daarbij 
heb ik aangevoerd dat in het gevange-
niswezen de mogelijkheid om die be-
slissing door een ander te laten beoor-
delen en eventueel te laten schorsen, 
al bestaat. 

In het gevangeniswezen heeft een 
buitenstaander de mogelijkheid een 
kort geding aan te spannen. De Staats-
secretaris is op dit feit niet ingegaan. Ik 
wil toch even citeren uit het artikel van 
de heer Wittop Koning in Proces: 

'De directeur kan op verzoek van de 
voorzitter van de beklagcommissie de 
uitvoering van zijn beslissing schor-
sen. Dit heeft het karakter van een 
voorlopige voorziening derhalve, 
waarop een kort geding van klagen 
voor de rechtbankpresident zou kun-
nen stranden, indien het schorsings-
verzoek niet is gedaan. Tot nu toe 
heeft de president klager in zulke ge-
vallen desondanks nog wel eens wil-
len ontvangen'. Dus zelfs in die geval-
len, waarin niet eens een verzoek om 
schorsing is gedaan was er een moge-
lijkheid tot schorsen, laat staan dat 
een verzoek wel is gedaan, maar is af-
gewezen. Dat betekent dus dat er ook 
op dit punt een ongelijkheid zal gaan 
bestaan in de behandeling van bewo-
ners van de rijksinrichtingen en die 
van de overige strafinrichtingen. Ik 
vind dat die ongelijkheid opgeheven 
moet worden. 

Het idee van de Staatssecretaris om 
een beraad in te stellen waar dan 
eventueel overzo'n schorsingsverzoek 
zou worden beslist komt wel sympa-
thiek over, maar ik begrijp het niet he-
lemaal. De bedoeling zou dan zijn dat 
er naast de voorzitter van de klachten-
commissie en de directeur een paar 
mensen bij komen. De Staatssecretaris 
heeft als voorbeeld genoemd: iemand 
uit de beklagcommissie en iemand 
van het personeel. Ik tel dan vier men-
sen. Dat zou dan ook het maximum 
moeten zijn. Ik vraag mij dan echter af: 
wie geeft dan uiteindelijk toch de 
doorslag over zo'n verzoek? 

Welke criteria worden daarbij ge-
hanteerd? Hoe gaat het in zijn werk. Ik 
vind het erg onduidelijk en ben 
bang dat op deze manier de gedachte 
dat het uiteindelijk toch de directeur is 
die over het schorsingsverzoek kan be-
slissen, wordt gehandhaafd. Ik heb 
daar ernstige bezwaren tegen. 

Het door mij ingediende amende-
ment op stuk nr. 19 gaat niet over com-
pensatie, zoals de Staatssecretaris zei, 
maar over het schorsingsonderwerp. 

Wat de toevoeging van advocaten 
betreft kan ik mij volledig aansluiten 
bij de argumentatie van mevrouw 

Brouwer. Ik heb een vergelijkbaar 
amendement als dat van haar inge-
diend. Ik vind het amendement van 
mevrouw Brouwer echter beter, om-
dat hierin wordt uitgesloten dat de 
voorzitter alleen een advocaat kan toe-
voegen als het gaat om ingewikkelde 
zaken. Ik wil mijn amendement op stuk 
nr. 20 derhalve intrekken. 

De Voorzitter: Aangezien het amende-
ment-Van Es op stuk nr. 20 is ingetrok-
ken, maakt het geen onderwerp van 
beraadslaging meer uit. 

Mevrouw Van Es (PSP): Mijnheer de 
Voorzitter! 

Ten slotte wil ik nog enkele opmer-
kingen maken over de isolatie. Vol-
gens mij kan er geen duidelijke grens 
getrokken worden tussen de isolatie 
als pedagogische maatregel en de iso-
latie als disciplinaire maatregel. Ik ben 
blij dat de Staatssecretaris hier toch 
wat beperkingen aanbrengt, vooral 
wat de tijdsduur betreft. Ik vind, hoe 
meer beperkingen hoe beter. Er is ech-
ter niet ingegaan op de vraag, waarom 
en wanneer- in welke pedagogische 
situaties - isolatie nodig is. Er bestaat 
absoluut geen duidelijkheid over, ook 
niet in de praktijk. Dit blijkt onder an-
dere al uit het feit, dat het gebruik van 
de isoleercel in de verschillende inrich-
tingen zo vreselijk uiteenloopt. 

Een poging van mijn fractiegenoot 
Van der Spek om wat meer inzicht te 
krijgen in de achterliggende oorzaken 
van isolatie was het indienen van een 
motie bij de openbare commissieverga 
dering over het jeugdwelzijnsbeleid op 
28 mei 1979. In deze motie werd ge-
vraagd om een onderzoek naar de in-
vloed van de personeelsformatie in te-
huizen op het bestaan en gebruik van 
huisregels, strafmaatregelen, dwang-
middelen en medicijnen. Deze motie is 
aangenomen. 

Bij de begrotingsbehandeling 1981 
heeft collega Van der Spek gevraagd 
naar de uitvoering van die motie. Tot 
mijn grote verbazing las ik hierover in 
de schriftelijke beantwoording het vol-
gende: 'de vraag betreffende het ver-
band tussen personeelsformaties en 
het gebruik van huisregels en dwang-
maatregelen is voorgelegd aan de 
coördinatie-commissie wetenschap-
pelijk onderzoek kinderbescherming. 
Deze commissie heeft geantwoord dat 
de stichting voor onderzoek naar psy-
cho-sociale stress in 1978 een onder-
zoek is begonnen naar het verband 
tussen arbeidsbevrediging en het per-
soneelsverloop bij de groepsopvoe-
ders. Dit onderzoek zal in de tweede 
helft van 1981 worden afgerond'. Dit 
lijkt mij ook erg interessant. Ik wil 

graag weten, wat de resultaten van het 
onderzoek zijn, maar ben óók erg be-
nieuwd hoe het verder staat met het 
onderzoek, zoals dat in de motie is ver-
woord. Ik denk dat wij daarmede wat 
meer inzicht kunnen krijgen in het ge-
bruik van de afzonderingsmaatregel. 
Zou de Staatssecretaris daarover wat 
meer informatie kunnen geven? 

Ondanks het feit dat wij het woord 
'isoleercellen' blijkbaar niet meer mo-
gen gebruiken, ben ik er niet van over-
tuigd, dat wij de isoleercellen hebben 
afgeschaft. Daarom handhaaf ik mijn 
motie daarover. 

• 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): Ik dank 
de Staatssecretaris voor haar ant-
woord. Allereerst wil ik ingaan op de 
opmerkingen, die zij heeft gemaakt op 
het punt van het klachtrecht bij de 
particuliere inrichting. In eerste ter-
mijn heb ik gesteld dat de procedure, 
zoals deze door het WIJN is opgestart, 
niet moet worden doorbroken. Ook 
heb ik gezegd dat ik sta achter een 
goede rechtspositieregeling bij de par-
ticuliere inrichtingen als een erken-
ningsvoorwaarde, omdat ik van me-
ning ben dat zo snel als mogelijk is een 
klachtregeling moet worden gemaakt. 
Wel heb ik er bezwaar tegen, dat het 
neerleggen van de rechten van de 
minderjarige op het beklag geheel af-
hankelijk zou zijn van wat in een over-
leg tussen derden worden verzonnen. Ik 
ben het met de Staatssecretaris eens 
dat het mogelijk en juist is dat particu-
liere inrichtingen een rol spelen en er-
mee moeten instemmen, maar het 
recht van de minderjarige kan en mag 
daarvan niet afhankelijk zijn. De 
Staatssecretaris heeft gezegd dat zij de 
ontwikkeling zal volgen om daarna te 
bezien of een wettelijke regeling ge-
maakt kan worden. Ik vind dat zij daar-
mee de zaak te zeer op de lange baan 
schuift, hoewel ik hoop dat zij het zo 
niet heeft bedoeld. 

Naar mijn mening moeten de rech-
ten van minderjarigen op het punt van 
het klachtrecht in particuliere inrichtin-
gen zo snel mogelijk in een wettelijke 
regeling worden vastgelegd. Op het 
gebied van de volksgezondheid wordt 
bij voorbeeld een heel schema ge-
maakt van de rechten van patiënten in 
de diverse inrichtingen. Deze regeling 
kan en mag niet afhankelijk zijn van 
wat anderen op dat punt verzinnen. 

Ik wil even terugkomen op het woor-
denspel dat zich zojuist voordeed naar 
aanleiding van het onderwerp 'schor-
sing'. Het zou wel kunnen na overleg 
met de particuliere kinderbescher-
ming, maar niet in overleg met de par-
ticuliere kinderbescherming. 

Tweede Kamer 
8 september 1981 

Kinderbescherming 

347 




Haas-Berger 

De Staatssecretaris heeft gezegd dat 
zij op het standpunt blijft staan dat de 
afzondering een pedagogische correc-
tie is. Ik wil verder niet op de discussie 
daarover ingaan, maar het komt mij 
nog steeds vreemd voor dat dan toch 
in de nota naar aanleiding van het 
eindverslag wordt gezegd, dat de cor-
rectie en de lengte van de afzondering 
in overeenstemming moeten zijn met 
de ernst van het wangedrag. 

Ik zal dat laten voor wat het is en mij 
beperken tot de opmerking van de 
Staatssecretaris, dat het erom gaat dat 
er intensieve contacten tot stand ko-
men tussen de jongere in afzondering 
en anderen, namelijk therapeuten en 
groepsleiders, en dat er begeleiding is. 
Dit moet heel uitdrukkelijk worden 
vastgelegd in voorschriften. Voorts 
moet over de gang van zaken tijdens 
de afzondering worden gerapporteerd. 
Er moet worden gerapporteerd wan-
neer de begeleiders of groepsleiders 
bij de jongere in afzondering geweest 
zijn en bij voorbeeld over de wijze 
waarop het contact tot stand is geko-
men. Ook dat zal in de rapportage aan 
het departement moeten worden op-
genomen. 

Ik heb in eerste termijn gevraagd of 
de motivatie van de beslissing om tot 
afzondering over te gaan, in de mei-
ding aan het departement is opgeno-
men. Ik ben van mening dat dit moet 
gebeuren. De Staatssecretaris is daar-
op niet ingegaan. Verder verneem ik 
graag nog van de Staatssecretaris of 
er in het verleden op het departement 
iets met de meldingen is gedaan en of 
er, als dat niet het geval is geweest, in 
de toekomst toezicht op zal worden 
uitgeoefend en een evaluatie en een 
controle kunnen plaatsvinden. Naar 
mijn mening is dat nog steeds de bes-
te manier om onnodige afzondering te 
voorkomen. 

Wij hebben gezegd dat compensatie 
zo vaak mogelijk zou moeten worden 
gegeven. De Staatssecretaris heeft ge-
zegd dat in een brief aan de directeu-
ren van de inrichtingen zal worden 
medegedeeld dat de compensatie in 
overleg met de voorzitter van de klach-
tencommissie moet worden uitge-
voerd. Hoe denkt de Staatssecretaris 
de compensatie te regelen? Dat lijkt 
mij vrij essentieel. 

Mijnheer de Voorzitter! Mijn laatste 
opmerking betreft het klachtrecht over 
door het personeel genomen beslis-
singen. De Staatssecretaris heeft een 
andere redactie voorgesteld, die naar 
mijn mening beter is dan mijn oor-
spronkelijke redactie, zodat de tekst 
van het amendement nu kan worden 

Tweede Kamer 
8 september 1981 

gewijzigd op de door de Staatssecre-
taris voorgestelde manier. 

Dat wil dus zeggen: een beslissing 
van een lid van het personeel wordt 
geacht te zijn genomen vanwege de 
directeur, tenzij anders blijkt. 

Ik ben het eens met de Staatssecre-
taris dat het problematisch kan zijn als 
voor iedere beslissing van elk perso-
neelslid, een klacht bij de klachten-
commissie wordt ingediend, indien de 
minderjarige daartoe behoefte voelt. Ik 
wil dan ook het door de Staatssecre-
taris voorgestelde systeem niet teniet 
doen. Daarom had ik in mijn oorspron-
kelijke tekst gesteld: de directeur kan 
zeggen dat hij het niet eens is met een 
beslissing van een personeelslid, 
waarna hij de beslissing ongedaan 
maakt. Dat is het systeem van de 
Staatssecretaris en dan hoeft er geen 
klacht te komen. 

De Staatssecretaris zei ook dat de 
voorzitter van de klachtencommissie -
als de minderjarige direct naar hem 
toegaat, dus buiten de directeur om -
aan de directeur kan vragen of hij dat 
personeelslid sauveert. Doet de direc-
teur dat niet, dan is er geen sprake van 
een klacht en dan zal de directeur die 
beslissing ook terugnemen. Dat kan al-
lemaal nog in het beleid van de Staats-
secretaris en daar wil ik niet aan tor-
nen. Er kan echter een zodanige frictie 
bestaan tussen de leiding van de in-
richting en de minderjarige - en dat 
kan best de schuld zijn van de minder-
jarige, maar daar gaat het niet om - dat 
de minderjarige er problemen mee 
heeft, naar de directeur toe te gaan, on-
danks de drempelverlaging. Dan nog 
kunnen er beletselen zijn om naar die 
directeur te gaan. In zo'n situatie moet 
het heel duidelijk zijn dat die minderjari-
ge rechtstreeks naar de klachtenconv 
missie kan gaan en dat er niet op grond 
van de tekst van de wet gezegd kan 
worden dat de klacht niet ontvankelijk 
is. De Staatssecretaris zegt dat de direc-
teur verantwoordelijk is voor wat zich in 
de inrichting voordoet. Hij blijft dat ook 
in de rest van de procedure. 

Ik heb in het voorstel gezegd dat de 
beslissing van het personeelslid wordt 
geacht te zijn genomen vanwege de 
directeur. Dit betekent dat, ook wan-
neer de directeur in het beginstadium 
omzeild wil worden door de minderja-
rige, toch de klacht ontvankelijk is en 
blijft. In de rest van de procedure moet 
uiteraard de voorzitter van de klach-
tencommissie zich tot de directeur 
wenden. Dan kan de directeur alsnog 
zeggen of hij al dan niet achter de be-
slissing van het personeelslid staat. 

Dan kan duidelijk worden gemaakt 
dat, als de directeur achter deze beslis-

Kinderbescherming 

sing staat en blijft staan, hij dan ook 
verder die verantwoordelijkheid voor 
die beslissing neemt, zoals ook de op-
zet is van het wetsvoorstel van de 
Staatssecretaris. Het geeft meerzeker-
heid dat men, wanneer het nodig is en 
men dat echt wil, buiten de directeur 
om toch naar de klachtencommissie 
kan gaan en dat de klacht in dat geval 
ontvankelijk is. 

Het systeem van liever eerst praten 
met de directeur om - zoals de Staats-
secretaris dat zelf zo duidelijk uitdrukte 
- te proberen grieven weg te werken, 
dient uiteraard niet in de wielen te 
worden gereden. 

Het is een vrij redelijk voorstel om te 
proberen, de rechten van de minderja-
rigen op dit punt veilig te stellen. 

D 

De heer Nijpels (VVD): Mijnheer de 
Voorzitter! Ik bedank de Staatssecre-
taris voor haar uitvoerige antwoord. 

Ik wil graag nog een enkele opmer-
king maken over het betrekken van de 
Belangenvereniging Minderjarigen bij 
het herzien van de rechtspositie- en van 
de huisreglementen. Door de belan-
genvereniging wordt aangevoerd, dat 
het betrokken worden bij de herzie-
ning alleen maar zin heeft, als er een 
goede mogelijkheid voor contact be-
staat tussen de Belangenvereniging 
Minderjarigen en de bewoners van de 
rijksinrichtingen. 

De Belangenvereniging zegt, dat de 
motie die ik verleden jaar heb inge-
diend over deze materie bij de begro-
tingsbehandeling van Justitie en die 
door de Kamer is aanvaard (stuk nr. 
64, behorende bij de desbetreffende 
begroting) niet naar de geest is uitge-
voerd. Ik vraag aan de Staatssecretaris 
daarover een nadere opheldering. 
Wellicht kan zij haar antwoord ons nog 
doen toekomen vóór de eindstem-
ming over dit wetsontwerp. Wij kun-
nen dan namelijk alsnog bekijken, of er 
een nadere aanscherping van die mo-
tie gewenst is. 

Op de verdere vragen en opmerkin-
gen van mijn fractie heeft de Staats-
secretaris bevredigend gereageerd. 
Daaraan heb ik thans niets meer toe te 
voegen. 

Wij zullen ons nog nader bezinnen 
op de grote hoeveelheid amendemen-
ten, die op het laatste moment is inge-
diend. Tijdens dit debat zijn daarin ook 
weer wijzigingen aangebracht, die de 
beoordeling heden onmogelijk maken. 

• 

Staatssecretaris Haars: Mijnheer de 
Voorzitter! Mevrouw Wessel heeft 
nogmaals naar mijn mening gevraagd 

348 




Haars 

over de voorstellen van het WIJN. Per 
interruptie heb ik reeds gezegd, dat het 
niet verstandig is, op dit moment een 
duidelijk gefundeerde mening te ge-
ven over de grondgedachten ten aan-
zien van de wijze waarop het klacht-
recht moet worden geregeld. 

Mevrouw Haas benadert ditzelfde 
probleem van een andere zijde. Zij 
zegt, dat de rechten van de minderjari-
gen heel duidelijk moeten worden ge-
formuleerd en dat dit niet afhankelijk 
moet worden gesteld van het gesprek 
met het particulier initiatief, de particu-
liere kinderbescherming, maar dat 
door het ministerie hieraan heel duide-
lijk lijn moet worden gegeven. Daar-
mee ben ik het eens. Ik ben ervan over-
tuigd, dat de Kamer er zeer duidelijk 
op zal toezien, dat door ons de rechten 
worden vastgelegd na overleg met het 
particulier initiatief. 

Ik heb er echter moeite mee om nu 
een mening te geven over de metho-
diek waarop het klachtrecht bij particu-
liere inrichtingen wordt behandeld an-
ders dan wat ik hierover aldoor heb 
gezegd: wij vinden dat die zo veel mo-
gelijk parallel moet lopen met de rege-
ling die voor de rijksinrichtingen geldt. 

Mevrouw Wessel heeft er nog eens 
de nadruk op gelegd, dat een pedago-
gische begeleiding bij afzondering no-
dig is. Daarover zijn wij het helemaal 
met elkaar eens. 

Wat de schorsing betreft, waarover 
mevrouw Wessel heeft gesproken, zijn 
wij veel minder tot overeenstemming 
gekomen. Zij blijft erbij, dat, ook als 
het beraad er is dat ik heb geprobeerd 
in te voeren om een oplossing te vin-
den, die voorzitter toch weer beslist. 
Ook mevrouw Evenhuis is hierop weer 
teruggekomen. Zij heeft namelijk ge-
vraagd wie er nu uiteindelijk beslist. 
Mijn gedachte was dat wij de eerste 
helft van het amendement van me-
vrouw Wessel inderdaad zouden ver-
werken in de wet. Verder wordt heel 
duidelijk in de uitvoeringsmaatregelen 
geregeld, dat beraad plaatsvindt. 

In de wet zou dan al staan dat de di-
recteur er goed naar moet luisteren. 
Daarna zou dan overleg moeten 
plaatsvinden. Daarbij wil ik dan niet 
zonder meer aan één persoon binnen 
dit overleg uitdrukkelijk de beslissings-
bevoegdheid geven, waar toch altijd 
moet worden vastgesteld dat de direc-
teur verantwoordelijk is voor de goede 
gang van zaken. 

Mevrouw Wessel-Tuinstra (D'66): Ik 
heb daar toch moeite mee. Ik wil zover 
gaan om de Minister dan terug te trek-
ken en het beraad in te voegen. Ieder-
een beoogt natuurlijk altijd het beste. 

Al die mensen beogen natuurlijk het 
belang van de minderjarige te dienen. 
Wanneer echter niets uit dit beraad 
komt, moet in uitzonderlijke gevallen 
toch iemand de doorslag geven. Mijn 
voorstel blijft dan toch om bij voor-
beeld de voczitter van de commissie 
de doorslaggevende stem te geven, 
uitdrukkelijk na overleg met de min-
derjarige. 

Staatssecretaris Haars: De minderjari-
ge? 

Mevrouw Wessel-Tuinstra (D'66): Par-
don, ik versprak mij. Op zich zou het 
overigens niet zo gek om met de 
minderjarige te overleggen. Ik bedoel 
echter dat in het amendement zou 
worden opgenomen 'na overleg met 
de directeur,'. 

Staatssecretaris Haars: Het is dat ene 
woordje. Als men in overleg met, na 
het beraad gezamenlijk de beslissing 
neemt, zou ik er geen problemen mee 
hebben. Het probleem is juist dat me-
vrouw Wessel-Tuinstra die zaak steeds 
geheel bij de voorzitter wil leggen ter-
wijl de uitvoering bij de directeur be-
rust. Misschien kunnen wij elkaar vin-
den wanneer eerst het beraad wordt 
ingevoerd . Dat 'in overleg' zou dan 
moeten zijn dat zij net zo lang met el-
kaar praten totdat zij het eens worden; 
anders komen zij tot niets. 

Mevrouw Wessel-Tuinstra (D'66): Mijn 
fractie zal dat nader overwegen. Ik 
neem dan aan dat er een nota van wij-
zigingen komt. 

Staatssecretaris Haars: Mevrouw 
Wessel-Tuinstra heeft geamendeerd, 
ik niet. 

Mevrouw Wessel-Tuinstra (D'66): Ik 
zal nader bezien in hoeverre deze sug-
gestie tegemoet komt aan de strekking 
van het amendement. Vooralsnog heb 
'ik echter grote twijfels, omdat er uit-
eindelijk een machtssituatie is. Het 
wetsontwerp is juist ingediend om er-
voor te zorgen dat de minderjarige aan 
zijn trekken komt in die machtssituatie. 

Staatssecretaris Haars: Mevrouw 
Wessel-Tuinstra weet best wat ik be-
doel. Ik heb geprobeerd duidelijk te 
maken dat er overlegsituaties moeten 
zijn. Wij krijgen precies dezelfde situ-
atie bij de compensatie. Ook in dat ge-
val moet de directeur het uitvoeren. 
Het is gemakkelijk van buitenaf te zeg-
gen dat iemand iets moet. De directeur 
werkt echter dag en nacht met niet zul-
ke gemakkelijke jongeren, voor wie hij 
oplossingen moet zoeken. Daarom wil 
ik niet de directeur alleen, maar geza-
menlijk, in overleg, beslissingen laten 
nemen. Dit geldt ook voor di$ compen-
satie. Ook daarbij heb ik er moeite mee 
dat een buitenstaander voor de direc-

teur beslist. Dit zal tot onvoorstelbaar 
grote problemen aanleiding geven. La-
ten zij nu samen die beslissing nemen. 

Mevrouw Van Es (PSP): Krijg ik nog 
een reactie op de positie van de rech-
ter in kort geding bij gedetineerden? 

Staatssecretaris Haars: Ik was nog niet 
zover. Ik was nog met mevrouw Wes-
sel-Tuinstra bezig, maar ik wil die reac-
tie nu wel geven. 

Ik heb de indruk dat mevrouw Van 
Es wat veel van de rechters in kort ge-
ding verwacht. Van hen kan veel ver-
wacht worden; dat weet ik. Als ikech-
ter naar de jurisprudentie ten aanzien 
van de gewone gedetineerden zie in 
het meerderjarig strafrecht, is er toch 
maar heel zelden een procedure in kort 
geding geweest. Ik heb niet de indruk 
dat hier de mogelijkheid helemaal 
wordt afgesneden als de minderjarige 
er zin in heeft. De presidenten vinden 
zichzelf bijna altijd ontvankelijk. 

Mevrouw Van Es (PSP): Ook voor min-
derjarigen? 

Staatssecretaris Haars: Ik herinner mij 
dat verweren zijn gevoerd bij procedu-
res in kort geding, waarbij de minder-
jarige vertegenwoordigd moest wor-
den en waarbij de president stelde dat 
de minderjarige belangen had. Daar is 
dan de ontvankelijkheid. 

Mevrouw Van Es (PSP): Blijkt dan op 
dit moment dat zich een situatie kan 
voordoen waarin een buitenstaander, 
die niet onmiddellijk verantwoordelijk 
is voor de gang van zaken in een in-
richting, toch een beslissing van de di-
recteur kan opschorten. 

Staatssecretaris Haars: Presidenten in 
korte gedingen zijn soms bijna heilig. 

Mevrouw Wessel-Tuinstra (D'66): 
Toch wil ik, zowel ten aanzien van de 
schorsing als van de compensatie, in 
mijn amendement blijven vasthouden 
aan de uiteindelijke beslissing, zij het 
na uitvoerig - misschien zelfs verplicht 
- overleg met de directeur, door de 
voorzitter van de commissie. 

Staatssecretaris Haars: Dan zijn wij het 
gewoon niet met elkaar eens. De Ka-
mer zal hierover wel beslissen. 

Mevrouw Evenhuis is het naar ik 
meen wel met mij eens over de wijze 
waarop wij hebben geprobeerd, de 
schorsing te behandelen. 

De heer Lankhorst heeft een motie 
ingediend over de opheffing van iso-
leercellen. Ik heb de indruk dat zij in 
feite achterhaald is. Ten aanzien van 
de rijksinrichtingen, waarom het hier 
altijd ging, hebben wij duidelijk laten 
merken dat wij daarvoor niet meer 
voelen en dat wij alleen zoeken naar 
pedagogische maatregelen. Ik meen 

Tweede Kamer 
8 september 1981 

Kinderbescherming 

349 




Haars 

dat de isoleercellen in vrijwel alle par-
ticuliere inrichtingen weg zijn. Ook 
daar is een ontwikkeling gaande. 

Over inspraak van de Belangenver-
eniging Minderjarigen heb ik gezegd -
en daarbij blijf ik - dat de Belangenver-
eniging Minderjarigen uiteraard ook 
kan worden gehoord over alle mogelij-
ke zaken. Onder 'inspraak' versta ik 
niet argumenteren en discussiëren tot 
in het oneindige. Het betekent naar 
mijn oordeel dat men duidelijk zijn me-
ning kan geven. Die ruimte wil ik graag 
aan de Belangenvereniging Minderja-
rigen laten... 

Ik meen dat mevrouw Brouwer arti-
kel 52 van de Beginselenwet Gevange-
niswezen niet helemaal juist heeft aan-
gehaald. Als mijn informatie juist is, 
staat daarin dat een schriftelijke klacht 
moet worden ingediend. 

Mevrouw Brouwer (CPN): Ik wil het ar-
tikel graag even voorlezen. Er staat: 
'Een gedetineerde in een gevangenis, 
huis van bewaring of rijkswerkinrich-
ting kan beklag doen over (...) De gede-
tineerde die beklag wenst te doen, 
wordt daartoe onverwijld in de gele-
genheid gesteld.' Er is dus geen sprake 
van een vormvoorschrift. 

Staatssecretaris Haars: Het gaat om 
artikel 52. 

Mevrouw Brouwer (CPN): 'Het beklag 
wordt schriftelijk gedaan bij de com-
missie van toezicht.' Dat is echter een 
tweede fase. De eerste fase kan ook 
mondeling. Misschien is er sprake van 
een verschil van interpretatie. 

Staatssecretaris Haars: 'Schriftelijk' 
staat dus duidelijk in artikel 52. Ik 
meen dat dat erbij hoort. Ik heb ook 
bezwaar tegen een mondeling indie-
nen van klachten, zoals ik bij voortdu-
ring heb laten merken. Ik ben wel be-
reid, het personeel duidelijk opdracht 
te geven bij het indienen van een 
klacht te helpen met de formulering. 
Dit heb ik al vaker gezegd. 

Over het begrip 'raadsman/raads-
vrouw' kent men mijn standpunt. Ik 
meen niet dat het voorstel verstandig 
is. 

Ik kom tot de toevoeging van advo-
caten, zoals voorgesteld door me-
vrouw Brouwer. Hierdoor zou men 
twee wegen hebben voor toevoeging. 
Waarom wantrouwt men zo duidelijk 
de voorzitter bij de mogelijkheid, toe te 
voegen wat nodig is? Ook de bureaus 
voor rechtshulp mogen alleen toevoe-
gen wanneer dat dringend noodzake-
lijk en ingewikkeld is, anders niet. Ook 
zij behoeven niet toe te voegen. 

Uit de opmerkingen van mevrouw 
Brouwer zou ik moeten opmaken dat 
men onmiddellijk toevoeging krijgt 

wanneer men maar naar het bureau 
voor rechtshulp holt. Dat is niet het ge-
val. De voorzitter - en hij alleen - kan 
toevoegen. Het bureau voor rechts-
hulp kan in andere gevallen ook toe-
voegen. De voorzitter kent de speci-
alisten op ieder terrein ook heel goed. 
Waarom heeft men zo'n wantrouwen 
tegen deze regeling, die juist voor de 
jongeren het meest simpel is? Ik blijf er 
uitdrukkelijk bij dat dit de enige en juis-
te weg is. 

Mevrouw Brouwer (CPN): Mijnheer de 
Voorzitter! Wanneer deze regeling zo 
wordt aangenomen, dan is dit de eer-
ste keer dat in de wetgeving een rege-
ling komt waarin de voorzitter van een 
commissie waar een klacht wordt in-
gediend en de commissie die dus over 
de klacht moet beslissen, uitsluitend 
de bevoegdheid heeft toe te voegen. 
Dat is mijn bezwaar. Ik ga ermee ak-
koord dat de voorzitter het kan doen, 
maar ik heb er bezwaar tegen dat dit 
uitsluitend zijn of haar bevoegdheid is. 

Het bureau voor rechtshulp kan op 
dit moment toevoegen. Anders ge-
zegd, als op dit moment een minderja-
rige een advocaat wil hebben, kan hij 
of zij naar het bureau voor rechtshulp. 
Wanneer deze wet wordt aangeno-
men, volgende week, kan dat niet 
meer. Dan is hij afhankelijk van de 
voorzitter van de commissie die de 
klacht zelf behandelt. Dat is mijn princi-
piële bezwaar. 

Staatssecretaris Haars: Ik meen dat dit 
nu juist het bezwaar is dat het minst 
zwaar zou kunnen werken. Juist de 
mensen die zelf behandelen zijn uiterst 
voorzichtig om te voorkomen dat men 
zou kunnen zeggen dat zij wel eens 
willen voorkomen dat er verstandig 
wordt gepraat. Mevrouw Brouwer 
weet net zo goed als ik, dat wij een 
groot vertrouwen kunnen hebben in 
degenen die op dit terrein werken. 

De gedachtengang van mevrouw 
Brouwer, waarin zij zegt dat men bij 
een dubbele rechtsgang, wanneer de 
voorzitter niet 'lief' genoeg is, naar het 
bureau voor rechtshulp gaat, is be-
paald niet verstandig. Het is het ver-
standigste om het te laten zoals het is. 
Juist de voorzitter kan veel beter de 
toevoegingen en vragen van allerlei 
helpers overzien dan het bureau van 
rechtshulp. Het gaat namelijk niet om 
advocaten. Het gaat om helpers, en 
het bureau van rechtshulp heeft maar 
één categorie, namelijk advocaten of 
soms deurwaarders. De voorzitter kent 
het gehele scala. 

De heer Schutte heeft nog gespro-
ken over de relatie tussen straf en pe-
dagogische maatregel. Naar zijn me-
ning is de straf het eerste oogmerk. Ik 
meen dat dit niet het geval is. Hij ziet in 

dit geval de achtergrond van hetgeen 
wij hebben geprobeerd voor te stellen 
juist fout. Wij hebben bewust de disci-
plinaire straf afgewezen en wij willen 
alleen de pedagogische maatregel 
handhaven. 

Mevrouw Haas heeft gevraagd of er 
wordt gerapporteerd over afzondering 
en over de wijze van contacten. Er 
wordt over de afzondering gerappor-
teerd en ik hoop ook over de wijze van 
contacten. Wij moeten echter ook 
voorzichtig zijn met het vragen van te 
veel rapporten. Ik meen toch wel dat 
het moet gebeuren. Het is eveneens 
nodig dat er een motivering komt bij de 
melding van afzondering. De meldin-
gen worden geëvalueerd en zij worden 
ook in de vergaderingen van de direc-
teuren met de Directie Kinderbescher-
ming regelmatig gewogen en bespro-
ken. 

Natuurlijk kan er spanning ontstaan 
tussen personeel en directeur ener-
zijds en minderjarigen anderzijds. Het 
komt echter weinig voor. Ik meen dat 
mevrouw Haas de mogelijkheid van de 
maandcommissaris voorbij ziet, die al-
tijd een mogelijkheid schept tot het 
wegen van de problemen. Wanneer 
een jongere bij de maandcommissaris 
komt klagen over het personeel, dan 
zal de maandcommissaris ongetwij-
feld onmiddellijk met de directeur gaan 
praten. Ik laat deze gedachte echter 
graag aan de Kamer over. 

De heer Nijpels heeft gesproken 
over de Belangenvereniging Minderja-
rigen bij herzieningen van huisregle-
menten als er alleen maar goede con-
tacten zijn tussen Belangenvereniging 
Minderjarigen en inrichtingen. Ik kan op 
dit punt niet exact antwoorden. Ik zal 
proberen de heer Nijpels hierover mor-
genochtend nog enige nadere gege-
vens te geven. Ik meen toch, dat de zaak 
langzamerhand steeds sterker en beter 
wordt, hoewel de Belangenvereniging 
Minderjarigen niet zo sterk is op het 
ogenblik. 

De algemene beraadslaging wordt ge-
sloten. 

De Voorzitter: Ik stel voor, de in ver-
band met het wetsontwerp noodzake-
lijke stemmingen volgende week 
woensdag te houden. 

Daartoe wordt besloten. 

Regeling van werkzaamheden 

De Voorzitter: Ik stel voor, aan de 
agenda van morgen, woensdag 9 sep-
tember, toe te voegen de behandeling 
van de verslagen van de Commissie 

Tweede Kamer 
8 september 1981 

Kinderbescherming 
Regeling van werkzaamheden 

350 




Voorzitter 

voor de Verzoekschriften over een 
aantal in haar handen pesteldp adres 
sen(16 996, nrs. 16 t/m 34). 

Daartoe wordt besloten. 

Aan de orde is de behandeling van het 
wetsontwerp Aanvulling van het Wet-
boek van Strafrecht met een bepaling 
omtrent telefonische colportage voor 
een liefdadig of ideëel doel (15 678). 

De algemene beraadslaging wordt ge-
opend. 

D 

De heer Schutte (GPV): Mijnheer de 
Voorzitter! Men kan niet zeggen dat de 
simpele toevoeging van een extra lid 
aan artikel 435 van het Wetboek van 
Strafrecht onvoldoende aandacht 
heeft gehad. De beslissing om een 
zeer speciale vorm van colportage, na-
melijk de telefonische colportage voor 
een liefdadig of ideëel doel, te verbie-
den, is het resultaat van een vrij zorg-
voldig proces van afweging geweest. 

Toch wil mijn fractie in de finale be-
handelingsfase van het wetsontwerp 
bij deze nieuwe strafbepaling nog wel 
enkele kanttekeningen plaatsen, al 
was het alleen maar omdat- zoals de 
Minister opmerkt in de memorie van 
antwoord - de wetgever terughou-
dendheid moet betrachten bij het ont-
werpen van nieuwe strafbepalingen. Ik 
hoop overigens dat de Minister even 
zorgvuldig wil zijn als het gaat om het 
verwijderen van bestaande strafbepa-
lingen, maar dit terzijde. 

Een van de centrale vragen bij het 
introduceren van een nieuwe strafbe-
paling is die naar de grond ervoor. Wat 
dit betreft blinken de stukken niet uit 
door veel helderheid. Telefonische col-
portage behoeft op zichzelf nog niet 
met verkeerde oogmerken te 
gebeuren. Toch wordt het nu geheel 
verboden. De - misschien schaarse -
goeden moeten dus onder de kwaden 
lijden. In de memorie van toelichting 
stelt de Minister dat zelfs als de ver-
melding van het goede doel terecht 
geschiedt, deze indringende wijze van 
geldinzamelen die zich, anders dan bij-
voorbeeld de straatcollecte, aan elke 
vorm van overheidstoezicht onttrekt, 
ongewenst lijkt. 

Op deze motivering van de nieuwe 
strafbepaling valt wel wat af te dingen. 
In de eerste plaats is het feit dat een 
bepaalde handelwijze zich aan elke 
vorm van overheidstoezicht onttrekt 
op zich zelf natuurlijk nog geen reden 
om zulk een handelwijze dan maar te 

verbieden, (ielukkig niet! Elke burger 
zou anders een eigen toezichthouden-
de politie-agent aan zijn zijde moeten 
krijgen. Ook het indringende karakter 
van het geldinzamelen behoeft nog 
niet direct tot overheidsingrijpen te lei-
den. Veel reclame bij voorbeeld kan 
men ook als een vorm van geldverwer-
ving met een indringend karakter be-
schouwen. Zolang er geen sprake is 
van misleiding is er niet veel reden 
hierom met een verbod te komen. 

Wat is dan de rechtvaardiging van 
een strafbepaling ter zake? In het rap-
port van de werkgroep misbruik bij 
charitatieve acties staat het op de 
meest duidelijke manier geformu-
leerd. Volgens deze werkgroep gaat 
het bij telefonische colportage voor 
een charitatief doel 'immers om een 
op zich zelf ergerlijke zaak: misbruik 
maken van de betere gevoelens van 
het publiek of, anders gezegd: munt 
slaan uit de nood van anderen'. Dat is 
beslist een interessante opmerking. 

Immers, uit het rapport van deze 
werkgroep blijkt ook dat min of meer 
systematisch verzamelde gegevens 
over de aard en de omvang van mis-
bruik bij charitatieve acties niet voor-
handen zijn. Eveneens wordt gezegd 
dat noch de enquête die de werkgroep 
instelde, noch het gesprek met het 
Centraal Archief de werkgroep een zo-
danig inzicht heeft gegeven in de om-
vang van het euvel dat het verant-
woord zou zijn daaraan een schatting 
te maken. Dus bij gebrek aan voldoen-
de gegevens over het feitelijke voorko-
men van misbruik, trekt de werkgroep 
- en in haar spoor ook de Minister-
zich terug op een zedelijk gekwalifi-
ceerd oordeel. 

Telefonische colportage voor een 
charitatief doel wordt als zodanig mo-
reel verwerpelijk geacht. Dat recht-
vaardigt de introductie van een nieu-
we strafbepaling op overtreding waar-
van men voor maximaal 10.000 gulden 
kan worden beboet. Vroeger noemde 
men dit: de overheid als zedemeester. 
En dat is het nu ook, en terecht. Mijn 
fractie zal de Minister en de Staats-
secretaris hierover zeker niets verwij-
ten, al blijft het aardig het karakter van 
dit overheidsingrijpen in intermense-
lijke verhoudingen te signaleren. 

Een belangrijk deel van de schrifte-
lijke gevoerde discussie gaat over de 
vraag of er niet meer zou moeten ge-
beuren. Deze discussie heeft in elk ge-
val al geleid tot positieve resultaten. 
Enerzijds heeft het Centraal Archief 
zich tot de colleges van B en W van de 
bij deze organisatie aangesloten ge-
meenten gewend met het voorstel om 
aan toestemmingen tot het houden 
van collectes de voorwaarde te ver-
binden van financiële verantwoording 

door de collecterende organisaties 
achteraf. 

Anderzijds wordt het notariaat nog 
eens nadrukkelijk gewezen op de 
werkzaamheden van het Centraal Ar-
chief. Ook na deze wetswijziging blijft 
de mogelijkheid van misbruik van cha-
ritatieve actie bestaan. Ik wil er hierbij 
op wijzen dat het gaat om een relatief 
klein deel van de collecterende organi-
saties. Van organisaties die op het col-
lecteplan voorkomen mag worden 
aangenomen dat zij regelmatig verant-
woording afleggen. Plaatselijke orga-
nisaties zullen meestal ook te goeder 
naam en faam bekend staan. Moeilijk-
heden lijken nog het meest te ver-
wachten bij bijzondere, spontaan op-
komende acties. 

In het voorlopig verslag is o.m. door 
mijn fractie gewezen op andere beden-
kelijke aspecten van telefonische col-
portage, los van charitatieve aspecten. 
Dit was in verband met een advies van 
een SER-commissie over de bescher-
ming van de belegger. In de memorie 
van antwoord zegt de Minister dat de 
betrokken bewindslieden in het voor-
jaar van 1981 hun standpunt zullen be-
palen. Is dit al gebeurd? Vervolgens 
heb ik nog enkele vragen over de wets-
tekst. Onderschrijven de Minister en 
de Staatssecretaris de conclusie dat in 
de memorie van antwoord aan de 
term 'in besloten kring' een meer be-
perkte omschrijving is gegeven dan 
aanvankelijk in de memrorie van toe-
lichting? 

Niet geheel duidelijk is mijns inziens 
de motivering van de toevoeging 
'ideëel doel' in de wetstekst. De aanlei-
ding daarvoor was het gesignaleerde 
verschijnsel van briefkaartenacties te-
gen vivisectie en abortus, waarbij de 
opbrengst door de initiatiefnemers 
van die acties geheel in eigen zak zou 
zijn gestoken. Hier was toch geen spra-
ke van telefonische colportage? In dit 
voorbeeld zou toch ook een strafvor-
dering terzake van oplichting ex artikel 
326 van het Wetboek van Strafrecht 
voor de hand hebeben gelegen? Te-
gen de uitbreiding van de wetstekst als 
zodanig heeft mijn fractie vanzelfspre-
kend geen bezwaar. 

Een laatste aspect waar ik nog iets 
over zou willen zeggen betreft de rela-
tie met de vrijheid van meningsuiting 
en drukpers. Volgens de werkgroep 
staat artikel 7 van de Grondwet, dat 
van toepassing kan zijn voor zover het 
betreft telefonische colportage met 
drukwerk en dergelijke, aan de voorge-
stelde bepaling niet in de wet, gezien 
het in dit grondwetsartikel opgeno-
men voorbehoud 'behoudens ieders 
verantwoordelijkheid volgens de wet'. 

Tweede Kamer 
8 september 1981 

Regeling van werkzaamheden 
Telefonische colportage 

351 




Schutte 

Dat is me iets te gemakkelijk geformu-
leerd. 

De wetgever mag formeel de be-
voegdheid hebben om op een bepaald 
grondrecht een inbreuk te maken, dit 
neemt niet weg dat ook een materiële 
toetsing verlangd mag worden. In de 
memorie van toelichting bij het voor-
stel tot herziening van de Grondwet 
terzake van de bepalingen over de 
grondrechten wordt terecht opge-
merkt dat de grondrechten niet een 
restante vormen in die zin, dat daar-
voor slechts plaats is voorzover dat 
voor de bevoegdheden en de taakver-
vulling van de overheid niet te be-
zwaarlijk is. 

Beperkingen op grondrechten moe-
ten, aldus de memorie van toelichting, 
aan de heersende rechtsovertuigingen 
beantwoorden en op bevredigende 
wijze in het rechtsbestel kunnen functio-
neren. Bij een inbreuk op een grond-
recht kan niet worden volstaan met 
een verantwoording van de gevolgde 
procedure, maar er zal ook een inhou-
delijke rechtvaardiging verlangd mo-
gen worden. We ontberen in ons 
staatsbestel immers een orgaan dat 
wetten aan de Grondwet kan toetsen. 

Ten slotte, terecht heeft de Minister 
zich in de memorie van antwoord ver-
zet tegen de voorstellen van de zijde 
van de D'66-f ractie om het commercie-
el exploiteren van denkbeelden te ver-
bieden. Uit de doorgaande jurispru-
dentie van de Hoge Raad blijkt mijns 
inziens voldoende dat zulk een verbod 
een ontoelaatbare inbreuk op de vrij-
heid van meningsuiting zou beteke-
nen. 

D 

Mevrouw Wessel-Tuinstra (D'66): 
Mijnheer de Voorzitter! 'De berg heeft 
een muis gebaard'. Dat lijkt de fractie 
van D'66 de juiste uitdrukking voor de 
uitkomst van de uitvoerige voorberei-
ding die aan dit wetsontwerp is voor-
afgegaan. Wat is namelijk de voorge-
schiedenis: 

Tien jaar geleden kwamen de onvol-
komenheden van onze wetgeving om 
op te treden tegen misbruik van de 
goedgeefsheid van het publiek bij cha-
ritatieve acties zo schrijnend aan het 
licht dat algemeen op maatregelen 
van de zijde van de overheid werd aan-
gedrongen. 

De toenmalige Minister van Justitie, 
de thans nog steeds bekende mr. A. A. 
van Agt, zegde toe een commissie te 
zullen instellen die zou moeten bezien 
'welke misstanden zich in het inzame-
lingswezen voordoen, wat eraan ge-
daan zou kunnen worden en die voor-

stellen ter beteugeling van de misstan-
den zou dienen te ontwikkelen'. Het 
rapport van deze commissie, die de 
naam droeg: 'werkgroep misbruik bij 
charitatieve acties', is vrijwel geheel in 
het wetsvoorstel terug te vinden. 

'Onder misbruik van charitatieve ac-
ties wordt verstaan gelden of goede-
ren, afgestaan ten behoeve van een 
goed doel, geheel of ten dele ten eigen 
bate aanwenden. Men wekt bij ande-
ren ten onrechte de indruk dat zij door 
afgifte van geld of goederen bijdragen 
aan de verwezenlijking van een goed 
doel'. De Regering geeft een aantal 
mogelijkheden aan om deze misstan-
den te bestrijden, maar zij werkt maar 
één mogelijkheid verder uit, namelijk 
de telefonische colportage. Deze wordt 
verboden wanneer goederen of 
diensten worden aangeboden terwijl 
de indruk wordt gewekt dat het gaat 
om een liefdadig of ideëel doel. Dit is 
op zichzelf een goede zaak en mijn 
fractie heeft daartegenover dan ook 
verder geen bezwaar. 

Onze bezwaren richten zich tegen 
het niet verder uitwerken van de an-
dere mogelijkheden. Zo noemt de Re-
gering 'oplettendheid van het publiek' 
het beste bestrijdingsmiddel van mis-
standen. D'66 gaat hier graag mee ak-
koord maar wegen om deze oplettend-
heid te versterken worden niet aange-
geven. Pers, radio en t.v. moeten re- • 
gelmatig op misstanden wijzen, zegt 
de Minister. Prima, maar dat is 
meestal getreur achteraf. Dat is geen 
actief voorlichtingsbeleid. Verder 
noemt de Regering de activiteiten van 
het Centraal Archief. Deze activiteiten 
zijn echter in feite wat bestrijden van 
misstanden betreft beperkt. 

In de eerste plaats worden inlichtin-
gen alleen verstrekt aan aangeslotenen; 
dus je kunt niet als burger het Centraal 
Archief opbellen voor nadere informa-
tie. 

In de tweede plaats moet het Cen-
traal Archief zeer behoedzaam te werk 
gaan omdat ze anders zoals de memo-
rie van antwoord zegt een proces aan 
zijn broek krijgt. 

In de derde plaats betreft het een 
particuliere stichting, die niet over pu-
bliekrechtelijke bevoegdheden be-
schikt. 

In het hele wetsontwerp doet zich 
een volstrekte onduidelijkheid voor 
omtrent de rol van het Centraal Ar-
chief. Enerzijds wordt het omhoogge-
stoken als belangrijk instrument voor 
voorlichting, anderzijds wordt uitge-
legd dat het toch niet zo veel kan doen. 
Als voorbeeld noem ik de invulling van 
het begrip voorlichting zoals de me-
morie van toelichting die geeft: 'de ge-

meentebesturen of namens hen de 
plaatselijke politie-autoriteiten win-
nen, als zij dat gewenst achten, advies 
in van het Centraal Archief, voordat 
door hen wordt beslist op een verzoek 
voor een collectevergunning'. Daarna 
zegt de memorie van antwoord dat het 
Centraal Archief het niet primair tot 
zijn taak rekent inlichtingen te ver-
strekken over antecedenten e.d. van 
personen betrokken bij inzamelingsac-
ties. 

Ze weten wel iets maar niet alles en 
dus moeten ze voorzichtig zijn. Dat is 
volstrekt begrijpelijk: zij zijn geen poli-
tiebureau. Maar dan begrijpt de fractie 
van D'66 weer niet waarom zelfs plaat-
selijke politieautoriteiten zich dan tot 
dit archief moeten wenden om gege-
vens te verkrijgen op grond Waarvan 
zij een beslissing kunnen nemen. Dit is 
verwarrend en onduidelijk. De Rege-
ring kan het Centraal Archief niet tege-
lijk belangrijk en onbelangrijk noemen 
als voorlichtingsinstrument. 

Deze verwarring hang ongetwijfeld 
samen met de status van het Centraal 
Archief. Het is een particuliere stich-
ting die niet over publiekrechtelijke be-
voegdheden beschikt. D'66 zou haar 
die publiekrechtelijke bevoegdheden 
ook niet willen geven want vanuit de-
mocratisch oogpunt is dat ongewenst. 
Het bestuur van deze stichting wordt 
niet gekozen. Haar bevoegdheden, 
macht kunnen wij dat ook noemen, 
worden niet gecontroleerd. Zij heeft 
dus geen publiekrechtelijke bevoegd-
heden, maar de praktijk is harder dan 
de leer, want natuurlijk is er best be-
hoefte aan normering. Natuurlijk wil 
het Centraal Archief ergens aan toet-
sen wanneer zij charitatieve acties in 
goede banen wil leiden. 

Het verbaast ons dan ook niet dat wij 
in het laatste jaarverslag uit 1979 van 
de Stichting Centraal Archief lezen dat 
zij normen ontwikkeld heeft waaraan 
zij toetst. Deze normen staan achterin 
dat jaarverslag vermeld en zien er heel 
logisch uit. Ik noem er enkele: een 
goed bestuur, geen doelen in strijd 
met de wet, efficiënte uitvoering en, 
heel belangrijk, verantwoording van 
het financieel beheer. 

De aangesloten gemeenten juichten 
toe dat deze eisen gesteld worden dus 
dat kan alleen maar positief werken. 
Mijn fractie wil er echter op wijzen dat 
ook hierbij weer het twees'achtige is: 
de Regering stelt dat het Centraal Ar-
chief géén publiekrechtelijke normen 
kan geven, maar juicht toe dat het Cen-
traal Archief wel normen stelt. Ik be-
treur in hoge mate dat het verschijnen 
van dit wetsontwerp niet is aangegre-
pen om nu eens duidelijk de zaken ten 

Tweede Kamer 
8 september 1981 

Telefonische colportage 

352 




Wessel-Tuinstra 

aanzien van het Centraal Archief op 
een rijtje te zetten. 

Als stichting valt het Centraal Ar-
chief nu ook onder de nieuwe demo-
cratiseringsregels. De voorwaarden 
van subsidieverlening, onder andere 
van het Ministerie van Justitie, zullen 
dan ook naar ik aanneem worden her-
zien. Mijn vraag is: hoe en wanneer? 
Het regeringsstandpunt ten aanzien 
van de commissie-Van de Burg is geen 
schoolvoorbeeld van duidelijkheid, 
maar zeker lijkt mij dat aan stichtingen 
als de onderhavige toch democratise-
ringseisen gesteld kunnen worden. 
Graag doe ik hierbij de suggestie dat in 
het bestuur vertegenwoordigers van 
de consumentenorganisaties zullen 
worden opgenomen. Zij zijn immers in 
zekere zin de cliënten, waarover het re-
geringsstandpunt spreekt. 

Ten slotte herinner ik ten aanzien 
van de democratisering van het Cen-
traal Archief nog aan de motie-Mer-
tens die juist op spoed aandringt bij de 
democratisering van stichtingen die 
een zekere monopoliepositie innemen. 

Met belangstelling wacht ik de reac-
tie van de Staatssecretaris op mijn 
woorden af. Dat doe ik met des te 
meer belangstelling, nu in de memorie 
van antwoord totaal is voorbijgegaan 
aan de opmerkingen die D'66 over het 
Centraal Archief heeft gemaakt. Niets 
over openbaarheid der adviezen, niets 
over verantwoording van het beleid en 
niets over vertegenwoordiging van de 
consument. 

De andere middelen ter bestrijding 
van misstanden die de Regering 
noemt zijn gemeentelijke verordenin-
gen, de colportagewet, het Wetboek 
van Strafrecht en de Wet op de mislei-
dende reclame. Stuk voor stuk wijst de 
Regering er echter zelf op dat het niet 
steeds sterke middelen zijn; des te 
meer reden om de voorlichting aan het 
publiek te verbeteren. Juist deze 
maand staat in een artikel in het 
Maandblad van de Consumentenbond 
een oproep tot verbod van telefoni-
sche colportage in het algemeen. Kan 
de Staatssecretaris zeggen hoe het 
daarmee staat en wat haar plannen 
zijn? 

In een van onze nabuurlanden be-
staat al een tiental jaren een algeheel 
verbod op telefonische colportage. 
Wordt hieraan ten departementele ook 
gedacht? Op het congres 'Reclame en 
Ethiek' in september 1980 van het Ge-
nootschap voor Reclame is daarop van 
de zijde van D'66 aangedrongen. Tele-
fonische colportage is immers alge-
meen een inbreuk op de privacy. 

D'66 vindt dat in het aan de orde 
zijnde wetsontwerp onvoldoende diep 
is ingegaan op de onduidelijkheid bij 
het inzamelingswezen. Zij hopen dat 
de Staatssecretaris in haar beantwoor-
ding nog enige duidelijkheid kan vra-
gen. 

D 

De heer Kosto (PvdA): Mijnheer de 
Voorzitter! Onze fractie is altijd zeer op 
haar hoede, als strafbepalingen wor-
den toegevoegd aan het reeds be-
staande pakket. Dat is meer dan eens 
vanaf deze plaats opgemerkt. Wij vin-
den eerder dat bestaande strafbepalin-
gen kritisch zouden moeten worden 
bezien dan dat nieuwe worden toege-
voegd. Niettemin zijn wij van oordeel -
dat is ook reeds gebleken uit de 
schriftelijke behandeling - dat hierbij 
sprake is van een leemte in de wetge-
ving, wellicht ontstaan door de uitvin-
ding van de telefoon, die met deze 
wetsbepaling inderdaad een invulling 
vindt. Ik kan dat hier zeggen; wij heb-
ben dat ook gesteld in de schriftelijke 
behandeling. Wij zijn van mening dat 
dit wetsontwerp dient te worden aan-
vaard. 

Ik zal mijn betoog kort houden, juist 
omdat de schriftelijke behandeling al 
zo uitvoerig was. Ik wil iets algemeens 
kwijt. De wetgeving is soms buitenge-
woon lang onderweg, in dit geval acht 
jaren. Er wordt een misstand gesigna-
leerd in 1973, algemeen erkend als 
misstand, en in 1981 is de Kamer toe 
aan het behandelen van een wets-
ontwerp om een leemte te vullen en 
een misstand uit te bannen, voor zover 
dat mogelijk is. Dat is een lange weg. 

De Minister is naast de Staten-Gene-
raal één component van de wetgever; 
het lijkt mij daarom goed vanaf deze 
plaats te zeggen dat wij in de komende 
periode ernaar moeten streven de wet-
gevingsweg korter te laten zijn. Dat 
moet kunnen. 8 jaar voor een wets-
ontwerp van deze draagwijdte is be-
paald te lang. 

Mijnheer de Voorzitter! Wij gaan ak-
koord met dit wetsontwerp. Wat be-
treft de besloten kring zijn de gestelde 
vragen over het algemeen behoorlijk 
beantwoord. De Minister laat het ech-
ter aan de officier van justitie over om 
te bepalen of een verwijzen naar ka-
tholiek, joods, protestants als sugges-
tie van een besloten kring wel vol-
doende is. Het komt ons voor dat de 
Minister hier wat meer stelling had 
kunnen nemen door nu al voor latere 
jurisprudentie als oordeel van de wet-
gever te stellen dat zulke algemene be-
palingen te ruim zijn om de besloten-
heid te suggereren die het wets-
ontwerp bedoelt. 

Een ander punt betreft de medewer-
king van de media. De Minister zegt 
dat het niet nodig is dat van overheids-
wege op misbruik wordt gewezen. Het 
publiek moet alert zijn en daarbij kun-
nen de media ook een rol spelen. De 
media zijn echter principieel onafhan-
kelijk in dit land; men kan dus van re-
geringswege niet blindvaren op de ge-
dachte dat de media wel zullen waar-
schuwen. Daarom vind ik dat de over-
heid hier wel degelijk een plicht heeft. 
In het verleden heeft de overheid ook 
reeds gesignaleerd dat er sprake was 
van valsemunterij. Het heeft ons be-
vreemd dat de Regering hier iedere 
verantwoordelijkheid afwijst. Op dit 
punt ontvang ik graag nog een reactie. 

Overigens waarderen wij het dat de 
Staatssecretaris bereid was als substi-
tuut van haar Minister op de valreep 
nog het kleine wapenfeit, dat dit wets-
ontwerp is, binnen te halen. 

D 

De heer Van Dam (CDA): Mijnheer de 
Voorzitter! Na de uitvoerige voorberei-
ding zal mijn mondelinge bijdrage niet 
van lange duur zijn. Het gaat om een 
wetsontwerp dat een nogal gevoelig 
en kwetsbaar gebied raakt. Misbruik 
van ideële en liefdadige projecten 
wekt terecht emotionele weerstanden 
op. Vandaar dat er tijdens de schrifte-
lijke voorbereiding nogal wat pogin-
gen zijn gedaan de werkingssfeer van 
het wetsontwerp uitte breiden. De Mi-
nister heeft die pogingen bekwaam 
gepareerd op één na en dat is een gun-
stige uitzondering. Ik doel hier op de 
uitbreiding van de bepaling met het 
begrip ideëel. Dat is een goede aanvul-
ling. 

Bij deze gelegenheid is verder het 
toezicht op inzamelingen voor goede 
doelen aan de orde gekomen. 

Het Centraal Archief, een instelling 
die een reeks van jaren heel nuttig 
werk heeft gedaan, heeft de gemeen-
ten aanbevolen, aan de toestemming 
tot het houden van collectes de voor-
waarde te verbinden dat de instelling 
die de collecte houdt achteraf een fi-
nanciële verantwoording overlegt van 
de gevoerde acties in de vorm van een 
jaar- en een financieel verslag. Daarbij 
zou een accountantsverklaring ge-
voegd dienen te worden. 

Mocht die verantwoording niet wor-
den overgelegd of onvoldoende zijn, 
of mocht blijken dat de ingezamelde 
gelden niet in overwegende mate aan 
het aangegeven doel zijn besteed, dan 
kan de betreffende instelling voortaan 
door de gemeente van het houden van 
openbare collectes worden uitgeslo-
ten. Een dergelijke bepaling vindt mijn 

Tweede Kamer 
8 september 1981 

Telefonische colportage 

353 




Van Dam 

fractie uitdrukkelijk een goede aanvul-
ling naast dit wetsontwerp. 

Zoals is meegedeeld, hebben de ge-
meenten dit voorstel van het Centraal 
Archief gunstig ontvangen. 

Mijn vraag aan de Staatssecretaris is 
deze: is met deze afspraak al zoveel er-
varing opgedaan dat hierover enige in-
formatie gegeven kan worden? 

Mijnheer de Voorzitter! Al met al 
steunt mijn fractie dit wetsontwerp 
graag. 

De algemene beraadslaging wordt ge-
schorst. 

De Voorzitter: De Regering zal mor-
gen antwoorden. 

Ik stel voor, het verslag van de vorige 
vergadering goed te keuren. 

Daartoe wordt besloten. 

Sluiting 18.30 uur. 

Lijst van ingekomen stukken, met de 
door de Voorzitter ter zake gedane 
voorstellen: 

1°. vijf Koninklijke boodschappen, ten 
geleide van de volgende wetsontwer-
pen: 

Wijziging van hoofdstuk XI (Departe-
ment van Volkshuisvesting en Ruimte-
lijke Ordening) van de begroting van 
uitgaven van het Rijk voor het jaar 
1981 (wijziging naar aanleiding van de 
Voorjaarsnota; eerste wijzigingsvoor-
stel) (17 028); 

Wijziging van de Algemene Kinder-
bijslagwet (invoering recht op kinder-
bijslag over een beperkte periode voor 
werkloze schoolverlaters en voor daar-
mee gelijkgestelden) (17 029); 

Verlening van een eenmalige uitke-
ring met het oog op de koopkrachtont-
wikkeling in 1981 aan personen die te 
zamen met een of meer anderen over 
niet meer dan een minimuminkomen 
beschikken (17 030); 

Goedkeuring van de beschikking 
van 1 juli 1981, nr. 081-1415 (Stcrt. 123) 
tot wijziging van de Beschikking wijzi-
ging investeringsbijdragen (17 034); 

Wijziging van hoofdstuk XV (Depar-
tement van Sociale Zaken) van de be-
groting van uitgaven van het Rijk voor 
het jaar 1981 (wijziging in hoofdzaak 
naar aanleiding van de Voorjaarsnota; 
eerste wijzigingsvoorstel) (17 035). 

Deze Koninklijke boodschappen, met 
de erbij behorende stukken, zijn al ge-
drukt en rondgedeeld; 

2°. de volgende brieven: 

een, van de Minister van Justitie, 
met het rapport van de werkgroep ca-
paciteitsproblematiek gevangeniswe-
zen(16 400-VI,nr. 41); 

een, van de Minister van Defensie, 
met het rapport van de commissie tot 
onderzoek van het functioneren van 
het georganiseerd overleg militairen 
(16 400-X, nr. 69); 

een, van de Staatssecretaris van De-
fensie, met het jaaroverzicht 'Dienst-
plichtgegevens' (16 400-X, nr. 68); 

een, van de Minister van Economi-
sche Zaken, over onderzoek inzake ra-
dioactief afval (15 100, nr. 45); 

een, van de Staatssecretaris van 
Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk 
Werk, met een overzicht van de beste-
ding van de emancipatiegelden in 
1980 06 400-XVI, nr. 137). 

De Voorzitter stelt voor, deze brieven 
voor kennisgeving aan te nemen; 

3°. de volgende brieven: 

een, van de Ministervan Buitenland-
se Zaken, inzake een notawisseling 
met de Verenigde Arabische Republiek 
over de instelling van geregelde lucht-
diensten tussen en via de onderschei-
den grondgebieden; 

vijf, van de Minister van Onderwijs 
en Wetenschappen, ten geleide van de 
jaarrekeningen en accountantsrappor-
ten van: 

de TH-Delft over 1978; 

het Academisch Ziekenhuis te 
Utrecht over 1977 en 1978; 

de Rijksuniversiteit te Leiden over 
1976 en 1977; 

een, van de Minister van Volkshuis-
vesting en Ruimtelijke Ordening, met 
een brochure over de Onteigenings-
wet; 

een, van de Minister van Sociale Za-
ken, met het rapport onderzoek be-
roepsmogelijkheden blinden. 

De Voorzitter stelt voor, deze brieven 
niet te doen drukken en ze voor kennis-
geving aan te nemen; de bijgevoegde 
stukken liggen op de griffie ter inzage; 
voor zoveel nodig is kopie gezonden 
aan de betrokken commissies; 

4°. de volgende brieven: 

een, van de Minister van Buitenland-
se Zaken, met herziene tekst van het 
internationaal verdrag voor de 
bescherming van planten (17 031); 

een, van de Ministers van Binnen-
landse Zaken en van Justitie, met de 
Nota 'Automatisering van de politiële 
informatievoorziening' (17 027); 
over de medefinanciering door het Rijk 
van de activiteiten van deze stuurgroe-
pen; 

een, van het gemeentebestuur van 
Nuth, over een voorgenomen wijzi-
ging van de grens van de gemeente 
Nuth; 

een, van de secretaris van de Natio-
nale Advies Raad voor Ontwikkelings-
samenwerking, met de adviezen nrs. 
70en71; 

een, van W. ten Cate te Rijswijk, met 
een rapportage van zijn tweede verblijf 
op de Hezenberg; 

een, van het gemeentebestuur van 
Leidschendam, over de bouwlokatie 
Leidschendam-Nootdorp. 

Deze brieven e.a. liggen op de griffie 
ter inzage; voor zoveel nodig is kopie 
gezonden aan de betrokken commis-
sies. 

Tweede Kamer 

8 september 1981 Ingekomen stukken 

355 




1

r

>(> 




