Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


 
255 


Onderzoek en beleid 

Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Ontwikkelingen en samenhangen 

Eindredactie: 

W. van der Heide 
A.Th.J. Eggen 
Wetenschappelijk Onderzoeken 
Documentatiecentrum 


Onderzoek en beleid 

De reeks Onderzoek en beleid omvat de rapporten van onderzoek dat door en in 
opdracht van het WODC is verricht. 
Opname in de reeks betekent niet dat de inhoud van de rapporten het standpunt 
van de Minister van Justitie weergeeft. 


Exemplaren van dit rapport kunnen worden besteld bij het distributiecentrum 
van Boom Juridische uitgevers: 
Boom distributiecentrum te Meppel 
Tel. 0522-23 75 55 
Fax 0522-25 38 64 
E-mail bdc@bdc.boom.nl 


Voor ambtenaren van het Ministerie van Justitie is een beperkt aantal gratis 
exemplaren beschikbaar. 
Deze kunnen worden besteld bij: 
Bibliotheek WODC, kamer KO 14 
Postbus 20301, 2500 EH Den Haag 
Deze gratis levering geldt echter slechts zolang de voorraad strekt. 


De integrale tekst van de WODC-rapporten is gratis te downloaden van 
www.wodc.nl. 
Op www.wodc.nl is ook nadere informatie te vinden over andere 
WODC-publicaties. 


© 2007 WODC 


Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit 
deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, 
of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door 
fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming 
van de uitgever. 

Voorzover het maken van reprografische verveelvoudigingen uit deze uitgave is toegestaan 
op grond van artikel 16h Auteurswet 1912 dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde 
vergoedingen te voldoen aan de Stichting Reprorecht (Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp, 
www.reprorecht.nl). Voor het overnemen van (een) gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, 
readers en andere compilatiewerken (art. 16 Auteurswet 1912) kan men zich 
wenden tot de Stichting PRO (Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie, 
Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp, www.cedar.nl/pro). 

No part of this book may be reproduced in any form, by print, photoprint, microfilm or any 
other means without written permission from the publisher. 

ISBN 978 90 5454 946 8 
NUR 820 


Voorwoord 


Er gaat geen dag voorbij zonder maatschappelijke en politieke aandacht 
voor het thema criminaliteit en het politiële en justitiële optreden 
daartegen. Beschouwingen, theorieën, standpunten en maatregelen 
gaan gepaard met een diversiteit aan informatie, zoals uitkomsten van 
enquêtes onder de bevolking, van wetenschappelijk onderzoek uit binnen-
en buitenland, van statistieken, enzovoort. Het onderhavige statistische 
naslagwerk beoogt een bijdrage te leveren aan de (systematisering van) 
deze informatie. 

In 1998 zijn het WODC en het CBS een samenwerkingsverband aangegaan 
met als doel een gezaghebbend, periodiek te actualiseren naslagwerk 
te maken over criminaliteit en rechtshandhaving voor onder meer 
politiek, beleidsmakers, pers en wetenschap. Dit heeft geresulteerd in 
de publicatiereeks ‘Criminaliteit en rechtshandhaving’ (C&R) waarin 
het voorliggende rapport de vijfde editie is. Het rapport wordt ook 
gepubliceerd en geactualiseerd op het internet. Vooral de in bijlage 4 
opgenomen tabellen zullen, zodra nieuwe informatie beschikbaar is, op 
www.wodc.nl worden aangepast. In de Statline-database van het CBS, te 
raadplegen via www.cbs.nl, is overigens nog meer statistische informatie 
op het terrein van criminaliteit en rechtshandhaving opgenomen. 

Aan de totstandkoming van de publicatie werkten velen mee. Wij willen 
naast de eindredactie en de auteurs vooral de medewerkers van de 
verschillende justitiële diensten en instellingen bedanken, die ook voor 
deze editie van C&R weer tijdig de benodigde statistische informatie 
hebben aan geleverd. Voorts gaat onze dank uit naar de leden van de lees-
commissie voor hun constructieve commentaar en adviezen. 

Directeur WODC Directeur-Generaal van de Statistiek CBS 
Prof. dr. Frans Leeuw Drs. Gosse van der Veen 


 
Inhoud 


1 
Inleiding 11 

W. van der Heide 

1.1 
Wijze van presentatie 13 

1.2 
Kanttekeningen 14 

1.3 
Evaluatie C&R 16 

2 
Het Nederlandse strafrechtsysteem – een beschrijving 
op hoofdlijnen 17 

W.M. de Jongste 

2.1 
Personen en organen in de strafrechtspleging 20 

2.1.1 
De wetgever 20 

2.1.2 
De Minister van Justitie 20 

2.1.3 
Het slachtoffer 21 

2.1.4 
De verdachte, de raadsman en de tolk/vertaler 22 

2.1.5 
De getuige en de deskundige 24 

2.1.6 
De politie 26 

2.1.7 
Het Openbaar Ministerie 27 

2.1.8 
De rechter 32 

2.1.9 
De reclassering en de Raad voor de Kinderbescherming 34 

2.1.10 
De Dienst Justitiële Inrichtingen 36 

2.1.11 
De Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming 
en de Inspectie voor de Sanctietoepassing 37 

2.1.12 
Het Centraal Justitieel Incasso Bureau 37 

2.2 
De fasen in het strafproces 38 

2.2.1 
Strafvordering in eerste aanleg 38 

2.2.2 
Behandeling in hoger beroep en/of cassatie 43 

2.2.3 
De tenuitvoerlegging 44 

2.2.4 
Internationale samenwerking in strafzaken 46 

2.3 
Sancties in het strafrecht 47 

2.3.1 
Meerderjarigen 47 

2.3.2 
Minderjarigen 53 

3 
Slachtoffers van criminaliteit 59 

H.W.J.M. Huys 

3.1 
Burgers als slachtoffer 62 

3.2 
Bedrijven als slachtoffer 75 

3.3 
Preventiemaatregelen in verband met criminaliteit 78 

3.3.1 
Maatregelen van burgers 78 

3.3.2 
Maatregelen bij bedrijven 81 

3.4 
Onveiligheidsgevoelens 82 

3.5 
Slachtofferhulp 88 

3.6 
Delicten: slachtofferenquêtes, 1980-2007 91 

3.6.1 
Door burgers ondervonden delicten 91 

3.6.2 
Door bedrijven ondervonden delicten 97 


8 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

3.7 
Verhouding tussen de slachtofferenquête en 
de politiestatistiek, 1995-2006 100 

3.8 
Resumé 103 

4 
Criminaliteit en opsporing 107 

A.Th.J. Eggen, A.M. van der Laan, S. Bogaerts 

4.1 
Geregistreerde criminaliteit en opgehelderde misdrijven, 
1980-2006 108 

4.1.1 
Algemeen 108 

4.1.2 
Ontwikkeling van enkele misdrijfcategorieën 113 

4.2 
Verdachten van misdrijven 121 

4.2.1 
Gehoorde verdachten algemeen 122 

4.2.2 
Kenmerken van verdachten 122 

4.2.3 
Minderjarige verdachten 128 

4.3 
Het Nederlands Forensisch Instituut 135 

4.4 
Resumé 138 

5 
Vervolging en berechting 141 

N.E. de Lange, A.M. van der Laan, S. Bogaerts 

5.1 
Vervolging en berechting algemeen 141 

5.1.1 
Ingeschreven zaken bij het Openbaar Ministerie 143 

5.1.2 
Afdoeningen door het Openbaar Ministerie 146 

5.1.3 
Afdoeningen door de rechter 150 

5.1.4 
Doorlooptijd van procedures 160 

5.1.5 
Hoger beroep en beroep in cassatie 160 

5.1.6 
Vergoeding van schade en kosten aan ex-verdachten 162 

5.1.7 
Internationale uit- en overlevering 163 

5.2 
Vervolging en berechting van minderjarigen 164 

5.2.1 
Afdoening op het niveau van de politie 164 

5.2.2 
Afdoening door het Openbaar Ministerie 169 

5.2.3 
Afdoening door de rechter 173 

5.2.4 
Toepassing van jeugdstrafrecht en algemeen strafrecht 
voor minderjarigen 178 

5.3 
Resumé 178 

6 
Tenuitvoerlegging van sancties 181 

S.N. Kalidien, W. van der Heide 

6.1 
Het gevangeniswezen, de FPC’s (tbs-sector) en de justitiële 
jeugdinrichtingen 181 

6.1.1 
Het gevangeniswezen 181 

6.1.2 
De forensisch psychiatrische centra, FPC’s (tbs-sector) 190 

6.1.3 
Justitiële jeugdinrichtingen (JJI) 195 

6.2 
Tenuitvoerlegging van vrijheidsbeperkende sancties 201 

6.2.1 
Tenuitvoerlegging taakstraffen meerderjarigen 201 

6.2.2 
Tenuitvoerlegging taakstraffen minderjarigen 206 


Inhoud 9 

6.3 Tenuitvoerlegging overige straffen en maatregelen 208 

6.3.1 Geldboetes 
208 

6.3.2 Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel 210 

6.3.3 Schadevergoeding 
211 

6.3.4 Ontzegging van de rijbevoegdheid 
212 

6.3.5 Verbeurdverklaring en onttrekking aan het verkeer 212 

6.3.6 Inning van transacties 
213 

6.4 Resumé 
213 

7 
De strafrechtsketen in samenhang 215 

W. van der Heide 

7.1 
De strafrechtsketen en de vergelijkbaarheid van 
de statistieken 216 

7.2 
De strafrechtsketen, 1980-2006 219 

7.2.1 
Geregistreerde criminaliteit en gehoorde verdachten 220 

7.2.2 
Geregistreerde criminaliteit, gehoorde verdachten en 
bestraffingen 221 

7.3 
De strafrechtsketen in detail, 1995-2006 223 

7.3.1 
Totale geregistreerde criminaliteit 223 

7.3.2 
Geweldscriminaliteit, 1995-2006 226 

7.3.3 
Vermogenscriminaliteit, 1995-2006 229 

7.3.4 
Vernielingen en delicten tegen de openbare orde 
en het openbaar gezag, 1995-2006 232 

7.3.5 
Misdrijven tegen de Opiumwet, 1995-2006 234 

7.4 
De keten nader belicht voor enkele delicttypen in 2006 237 

7.5 
Minderjarigen in de strafrechtsketen, 2006 243 

7.6 
Recidive na strafrechtelijke interventies 244 

7.7 
Resumé 248 

8 
Uitgaven aan criminaliteit 251 

D.E.G. Moolenaar 

8.1 
Overheidsuitgaven in reactie op criminaliteit 253 

8.1.1 
Slachtofferzorg 253 

8.1.2 
Preventie 255 

8.1.3 
Opsporing 256 

8.1.4 
Vervolging 259 

8.1.5 
Strafrechtspleging 261 

8.1.6 
Tenuitvoerlegging 263 

8.1.7 
Ondersteuning van verdachten 264 

8.1.8 
Overheidsuitgaven voor criminaliteitsbestrijding en 
strafrechtshandhaving 265 

8.2 
Private uitgaven ter voorkoming van criminaliteit 268 

8.2.1 
Preventiemaatregelen door particulieren 268 

8.2.2 
Preventiemaatregelen door bedrijven en instellingen 268 

8.2.3 
Overige preventiemaatregelen 269 


10 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

8.2.4 Uitgaven aan preventie 
270 

8.3 Uitgaven als gevolg van criminaliteit 
270 

8.3.1 Schade voor bedrijven en instellingen 
270 

8.3.2 Schade voor burgers 
271 

8.3.3 Schade voor de overheid 
272 

8.3.4 Overige schade 
273 

8.3.5 Totale schade 
273 

8.4 Internationale vergelijking 
273 

8.5 Resumé 
276 

9 Nederland in internationaal perspectief 
279 

P.R. Smit 

9.1 Voorbehoud bij het maken van internationale vergelijkingen 279 

9.2 Ontwikkelingen 
281 

9.2.1 Criminaliteit en slachtofferschap 
281 

9.2.2 Registratie en opsporing 
285 

9.2.3 Vervolging 
290 

9.2.4 Berechting en straf 
292 

9.3 Resumé 
294 

Literatuur 
297 

Bijlage 1 
Standaardclassificatie misdrijven CBS 307 

Bijlage 2 
Informatiebronnen 309 

Bijlage 3 
Stroomschema strafrechtsketen 335 

Bijlage 4 
Tabellen 340 
Tabellen bij hoofdstuk 3 340 
Tabellen bij hoofdstuk 4 366 
Tabellen bij hoofdstuk 5 421 
Tabellen bij hoofdstuk 6 489 
Tabellen bij hoofdstuk 7 522 
Tabellen bij hoofdstuk 8 531 
Tabellen bij hoofdstuk 9 561 

Bijlage 5 
Afkortingen 575 

Bijlage 6 
Trefwoordenregister 579 


1Inleiding 

W. van der Heide 
‘Stijgt of daalt de criminaliteit?’ Het is een veelgestelde vraag waarvan de 
beantwoording erg lastig is en tot verschillende uitkomsten kan leiden. 
Wat wordt onder criminaliteit verstaan en wat zeggen de uit enquêtes of 
politieregistraties verkregen criminaliteitscijfers over de omvang van de 
werkelijk gepleegde criminaliteit? 
Criminaliteit is een containerbegrip voor alle gedragingen die bij wet zijn 
verboden, van belediging tot moord. Deze diversiteit in de criminaliteit 
maakt dat het ‘totaal aantal delicten’ een weinig informatief gegeven is. 
Een uitsplitsing naar delicttype blijkt echter op vele manieren te kunnen 
worden gemaakt en is al gauw een bron van verwarring. De vraag of ‘diefstal 
met geweld’ moet worden geteld als ‘diefstal’ of als ‘geweld’ is slechts 
een van de vele keuzes die moeten worden gemaakt. 
Criminaliteit kan worden gemeten door aan burgers of bedrijven te vragen 
hoe vaak men in een bepaald jaar slachtoffer is geweest van een delict, 
maar ook door het aantal geregistreerde aangiften van een misdrijf bij 
de politie te tellen. Doordat van de meeste delicten geen aangifte wordt 
gedaan, en de politie niet bij elke melding van een delict een proces-
verbaal opmaakt, kan het voor de beschrijving van de criminaliteitsontwikkeling 
veel uitmaken voor welke bron men kiest. 
Is criminaliteit eigenlijk wel de som van alle (door bedrijven, burgers en 
instellingen) ondervonden delicten? Telt een door één persoon gemaakt 
computervirus dat honderdduizend slachtoffers maakt, voor één delict of 
honderdduizend? Kortom, de beschrijving van de criminaliteitsontwikkeling 
wordt bepaald door de gemaakte keuzes en vooronderstellingen. 
In dit rapport worden te maken keuzes en vooronderstellingen zoveel 
mogelijk expliciet gemaakt. Het is daarom raadzaam om niet alleen de in 
dit rapport gepresenteerde tabellen (bijlage 4) te raadplegen, maar ook de 
bijbehorende toelichtingen in de corresponderende hoofdstukken. 

Hoewel cijfers over criminaliteit en rechtshandhaving zich dus soms lastig 
laten interpreteren, bestaat er niettemin grote behoefte aan deze cijfers. 
Beleidsmakers, politici, wetenschappers en pers larderen hun beleid, stellingnames 
en berichtgeving graag met ‘harde’ cijfers. Zo stelt het huidige 
kabinet Balkende IV zich in zijn beleidsprogramma (14 juni 2007) onder 
meer ten doel de criminaliteit in de periode 2002 – 2010 te reduceren met 
25% door: 19% minder geweldsdelicten, 5% minder vermogensdelicten, 
verbetering ophelderingspercentage met 15%, daling criminaliteit tegen 
ondernemingen met 25% en daling van de recidive met 10%-punt. De 
cijfers die in deze doelstellingen worden genoemd, zien er op het eerste 
gezicht duidelijk en voor zichzelf sprekend uit. Echter, het antwoord op 
de in 2010 aan de orde zijnde vraag of het kabinet de gestelde doelen 
heeft kunnen realiseren, zal mede worden bepaald door bovengenoemde 
keuzes en vooronderstellingen. De publicatiereeks Criminaliteit en 


12 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

rechtshandhaving biedt ter ondersteuning van de beantwoording van 
deze en dergelijke vragen cijfers aan, waarvan de betekenis en de context 
zo expliciet mogelijk zijn gemaakt. 

Het grote belang van cijfers over criminaliteit en rechtshandhaving heeft 
ertoe geleid dat het ministerie van Justitie en het Centraal Bureau voor de 
Statistiek (CBS) in 1998 een samenwerkingsverband zijn aangegaan met 
als doel een gezaghebbende publicatiereeks op te zetten met het karakter 
van een statistisch naslagwerk. Deze publicatiereeks zou ontwikkelingen 
en samenhangen in de criminaliteit en de rechtshandhaving periodiek en 
systematisch in kaart moeten brengen. Deze samenwerking heeft geresulteerd 
in de publicatiereeks ‘Criminaliteit en rechtshandhaving’ (C&R) 
waarin het thans voorliggende rapport de vijfde editie is. C&R richt zich 
op iedereen die is geïnteresseerd in kwantitatieve informatie over criminaliteit 
en rechtshandhaving: beleidsmakers, politici, journalisten, wetenschappers 
en anderen. 

C&R poogt ontwikkelingen zo veel mogelijk te ‘duiden’. Dat wil zeggen 
dat ontwikkelingen worden beschreven en toegelicht, dat wordt geëxpliciteerd 
hoe de cijfers tot stand zijn gekomen en welke definities daarbij 
zijn gehanteerd, en dat valkuilen en trendbreuken worden benoemd. C&R 
is echter terughoudend met het maken van vergaande interpretaties. 
De toegevoegde waarde van C&R is niet alleen gelegen in het bijeenbrengen 
van statistische informatie – veel van deze informatie is al elders 
gepubliceerd – maar het bevat ook statistische analyses die nog niet 
eerder zijn gepubliceerd. Door de informatie over de verschillende onderdelen 
met elkaar in verband te brengen, wordt ook de samenhang in de 
strafrechtsketen kwantitatief in beeld gebracht: hoe verhouden ontwikkelingen 
in de geregistreerde criminaliteit zich tot de ontwikkelingen 
verderop in de strafrechtsketen, zoals het aantal transacties, schuldig-
verklaringen en door de rechter opgelegde straffen? 

Een belangrijk deel van in C&R gebruikte registratiesystemen/databases 
wordt beheerd en geanalyseerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek 
(CBS). Maar ook het ministerie van Justitie en de verschillende 
justitiële veldorganisaties beschikken over veel statistische bronnen. 
Uit de meeste van deze bronnen wordt jaarlijks statistische informatie 
gepubliceerd door middel van persberichten, jaarverslagen of anderszins. 
Daarnaast leveren onder meer het Centraal Justitieel Incasso Bureau, de 
Dienst Justitiële Inrichtingen, Reclassering Nederland, en de Raad voor de 
Kinderbescherming op verzoek op maat gemaakte overzichten. 
De tabellen uit bijlage 4 worden op de WODC-website (www.wodc.nl) 
geactualiseerd zodra nieuwe gegevens beschikbaar zijn (in Excel- en PDF-
formaat). Overigens zijn de actuele cijfers van het CBS altijd op te vragen 
via de on-line database ‘StatLine’ van het CBS (www.cbs.nl). 


Inleiding 13 

Deze vijfde C&R-editie bevat enkele wijzigingen ten opzichte van de 
vierde editie (Eggen & Van der Heide, 2005). De belangrijkste wijziging 
betreft de heropname van het hoofdstuk ‘Nederland in internationaal 
perspectief’. Dit hoofdstuk bleef in de vorige editie achterwege omdat de 
twee belangrijkste bronnen, te weten het European Sourcebook en de 
internationale slachtofferenquête ‘International Crime Victims Survey’ 
(ICVS) nog niet waren geactualiseerd. Verder zijn de zogenoemde ‘boxen’ 
afgevoerd. De informatie uit deze boxen is soms verwerkt in de lopende 
tekst; soms is zij geschrapt. Tevens zijn de tabellen (‘staten’) uit de lopende 
tekst overgeheveld naar bijlage 4. 

1.1 Wijze van presentatie 
De ontwikkeling van de criminaliteit en de rechtshandhaving komt 
in deze publicatie op twee manieren aan de orde. Een lange termijn 
beschrijving (1980-2006) plaatst de ontwikkeling van de criminaliteit in 
historisch perspectief. De beschrijving over een kortere periode (19952006) 
gaat dieper in op de verschillende door de politie geregistreerde 
misdrijfcategorieën en de uiteenlopende vormen van strafrechtelijke 
afdoening. 

De publicatie is als volgt opgebouwd. 
Hoofdstuk 2 (Het Nederlandse strafrechtsysteem) geeft een beschrijving 
van het Nederlandse strafrechtsysteem, en laat zien welke instanties en 
actoren in dit systeem een rol spelen en wat de voornaamste ontwikkelingen 
zijn in de laatste jaren. Het hoofdstuk kan dienen als referentiekader 
voor de overige hoofdstukken. Dit hoofdstuk beschrijft de stand van zaken 
tot juli 2007. 
Hoofdstuk 3 (Slachtoffers van criminaliteit) laat zien hoe vaak burgers, 
instellingen en bedrijven slachtoffer worden van verschillende soorten 
criminaliteit. Verder wordt aandacht besteed aan de materiële en immateriële 
gevolgen van slachtofferschap, aan onveiligheidsgevoelens, aan 
preventiemaatregelen ter voorkoming van of als gevolg van criminaliteit 
en aan het beroep op slachtofferhulp. 
Hoofdstuk 4 (Criminaliteit en opsporing) beschrijft de aard en de omvang 
van de door de politie geregistreerde criminaliteit: hoeveel processen-
verbaal zijn door de politie opgemaakt, om wat voor misdrijven gaat het, 
hoeveel zaken zijn opgehelderd, welke verdachten zijn gehoord? Tevens 
wordt een beeld geschetst van de kenmerken van verdachten. Paragraaf 

4.2.3 beschrijft criminaliteit en opsporing van minderjarigen. 
Hoofdstuk 5 (Vervolging en berechting) gaat een stap verder in de strafrechtsketen 
en geeft een beschrijving van de instroom en afdoening van 
strafzaken in eerste aanleg bij het Openbaar Ministerie (OM) en de rechtbanken. 
Daarnaast komen de aard van de delicten waarvoor men wordt 

14 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

vervolgd, de wijze van afdoening en de opgelegde sancties aan bod. Paragraaf 
5.2 beschrijft vervolging en berechting van minderjarigen. 
Hoofdstuk 6 (Tenuitvoerlegging van sancties) beschrijft de uitvoering en 
organisatie van verschillende soorten van strafrechtelijke sancties (straffen 
en maatregelen) tegen meerderjarigen en minderjarigen in Nederland. 
Het gevangeniswezen, de justitiële jeugdinrichtingen, tbs-klinieken, taakstraffen, 
Halt en de rol van het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) 
bij onder meer de incasso van strafrechtelijke boetes worden hier belicht. 
Hoofdstuk 7 (De strafrechtsketen in samenhang) vergelijkt stromen en 
ontwikkelingen in verschillende onderdelen van de strafrechtsketen 
met elkaar en gaat in op de samenhang daartussen. Hierbij komen de 
delictcategorieën geweldsmisdrijven, vermogensmisdrijven, vernieling 
en openbare orde, en misdrijven tegen de Opiumwet apart aan de orde. 
Tevens komt het onderwerp “recidive” aan de orde. 
Hoofdstuk 8 (Uitgaven aan criminaliteit) beschrijft hoeveel de overheid 
uitgeeft aan criminaliteitsbestrijding en strafrechthandhaving en hoe 
hoog de financiële schade en overige maatschappelijke kosten van criminaliteit 
zijn. De uitgaven van de overheid worden zoveel mogelijk toegerekend 
naar de verschillende elementen van de strafrechtsketen, zoals 
preventie, opsporing, vervolging, berechting, tenuitvoerlegging en ondersteuning. 
De financiële schade en de overige maatschappelijke kosten 
worden uitgesplitst naar burgers, bedrijven en overheid. 
Hoofdstuk 9 (Nederland in internationaal perspectief) presenteert de 
internationale dimensie: hoe is de omvang en ontwikkeling van de criminaliteit 
en de strafrechtelijke reactie daarop in Nederland, in vergelijking 
met Europa en enkele landen daarbuiten? 

Voor de hoofdstukken 3 tot en met 9 zijn tabellen in een aparte bijlage 
(bijlage 4) bijeen gezet. Verder zijn de volgende bijlagen opgenomen: een 
overzicht van de in deze rapportage gehanteerde standaardclassificatie 
misdrijven CBS (op welke wetsartikelen hebben de onderscheiden delicten 
betrekking; bijlage 1), de in deze rapportage gebruikte statistische 
bronnen (bijlage 2), een schematisch overzicht van de strafrechtsketen 
(bijlage 3), een overzicht van de in deze rapportage gehanteerde afkortingen 
(bijlage 5) en een trefwoordenregister (bijlage 6). 

1.2 Kanttekeningen 
De nadruk ligt in dit boek op misdrijven. Overtredingen, die feitelijk de 
grootste categorie van strafbare gedragingen vormen, blijven buiten 
beeld. Hierbij kan worden gedacht aan ‘zwartrijden in het openbaar vervoer’, 
‘openbare dronkenschap’, ‘verkeersovertredingen’, enzovoort. De 
data waarover CBS en Justitie thans beschikken, laten een gedetailleerde 
beschrijving van de overtredingen nog niet toe. Zodra dit wel mogelijk is, 


Inleiding 15 

zal in een volgende editie van C&R ook aan de overtredingen apart aandacht 
worden besteed. Overigens worden op enkele plaatsen in dit boek 
gegevens inclusief overtredingen gepresenteerd, bijvoorbeeld waar het de 
tenuitvoerlegging van bepaalde sanctietypen betreft (deze gegevens zijn 
dan alleen beschikbaar van misdrijven en overtredingen tesamen). In die 
gevallen wordt dat expliciet vermeld. 

Met betrekking tot de categorisering van delicten is in dit boek gekozen 
voor de standaardclassificatie misdrijven CBS (zie bijlage 1). Deze indeling 
is gebaseerd op wetsartikelen. De consequentie van deze keuze is 
dat vormen van criminaliteit die zich niet laten definiëren in termen van 
wetsartikelen, buiten beeld blijven. (Vormen van) georganiseerde criminaliteit, 
organisatiecriminaliteit, werknemerscriminaliteit, enzovoort 
vallen eveneens buiten het bereik van dit boek. Waar in dit boek wordt 
gesproken over ‘strafzaken’, worden zaken bedoeld betreffende misdrijven 
die door het Openbaar Ministerie of de rechter worden afgedaan. 

Voor deze publicatie zijn diverse bronnen gebruikt. Elke bron kent 
zijn waarde maar ook zijn beperkingen. De uitkomsten van slachtoffer-
enquêtes (zie voor beschrijving bijlage 2) zijn gebaseerd op steekproeven. 
Daardoor is het bijvoorbeeld niet mogelijk om betrouwbare uitsplitsingen 
te maken naar minder vaak voorkomende delicttypen, omdat de aantallen 
in de enquêtes zeer klein zijn. Bovendien zijn de uitkomsten van 
deze enquêtes gebaseerd op de beleving van misdrijven door individuele 
slachtoffers. Deze kunnen afwijken van die van politie en justitie. Doordat 
van ernstige delicten waarschijnlijk vaker aangifte wordt gedaan dan van 
minder ernstige delicten, zullen de minder ernstige delicten over het algemeen 
beter door slachtofferenquêtes in beeld worden gebracht dan door 
de statistieken van de politie. Delicten waarbij geen directe slachtoffers 
vallen of hoeven te vallen (de zogenoemde ‘slachtofferloze delicten’), zoals 
drugshandel of rijden onder invloed, worden via slachtofferenquêtes in 
het geheel niet waargenomen. Voor het in beeld krijgen van dit soort delicten 
is de Politiestatistiek van waarde. 
Cijfers die afkomstig zijn uit de registratie van politie en justitie, kennen 
ook beperkingen. Ten eerste hebben ze alleen betrekking op de feiten of 
zaken die de betreffende instantie waarneemt. Zo zal de politie vernielingen 
of diefstallen die niet worden aangegeven, niet registreren. Hetzelfde 
geldt voor ‘slachtofferloze’ delicten, zolang de politie deze delicten niet 
op het spoor komt. Dit laatste geeft al aan dat ook het beleid en de technische 
mogelijkheden van de betrokken instanties invloed op de cijfers 
kunnen hebben. Als de politie meer aandacht besteedt aan alcoholgebruik 
van automobilisten of op dit gebied nieuwe opsporingsmethoden gaat 
hanteren, zal dit mogelijk invloed hebben op het aantal geregistreerde 
misdrijven. Soortgelijke opmerkingen gelden ook verderop in de strafrechtelijke 
keten, bijvoorbeeld bij gegevens over vervolging en berechting. 


16 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Ontwikkelingen in de criminaliteitscijfers moeten derhalve niet alleen 
worden verklaard uit ontwikkelingen in de criminaliteit, maar dienen 
tevens te worden geïnterpreteerd tegen de achtergrond van mogelijke 
veranderingen in gedrag rond aangifte en in beleid op het gebied van 
registratie en vervolging. 
Ten tweede kunnen er verschillen in definities optreden tussen verschillende 
bronnen, waardoor uitkomsten niet altijd exact vergelijkbaar zijn.1 
Voor een volledig beeld van de voornaamste kenmerken en beperkingen 
van de in deze publicatie gehanteerde bronnen wordt verwezen naar 
bijlage 2. 

1.3 Evaluatie C&R 
In 2006 is een evaluatieonderzoek uitgevoerd onder het lezerspubliek van 
C&R. Het doel van dit onderzoek was een beeld te krijgen van de waardering 
van lezers ten aanzien van C&R: beantwoordt C&R aan de behoefte 
van het lezerspubliek; behandelt C&R de juiste onderwerpen; wat vindt 
de C&R-gebruiker van de presentatie van de informatie (leesbaarheid, 
toegankelijkheid, etc.)? 
Aan 113 C&R-lezers is een schriftelijke vragenlijst gestuurd. Bij het maken 
van deze steekproef is getracht een goede verdeling te maken over de 
verschillende doelgroepen van C&R (departementen, het justitie- en 
politieveld, parlement, universiteiten, media en onderzoeksinstellingen). 
Uiteindelijk zijn veertig ingevulde vragenlijsten teruggezonden. Hoewel 
het aantal geretourneerde vragenlijsten terughoudendheid oplegt bij het 
maken van stellige conclusies, kunnen toch enkele indicatieve bevindingen 
worden geformuleerd. De algemene waardering van de veertig 
respondenten voor C&R bedroeg gemiddeld 3,9 op een vijfpuntsschaal. 
Op de criteria toegankelijkheid, bruikbaarheid en toelichting was de 
gemiddelde score 4,0 of hoger. Op de criteria actualiteit en diepgang 
waren de scores met respectievelijk 3,7 en 3,5 wat lager. Op onderdelen 
zijn kritische opmerkingen en suggesties tot verbetering gemaakt. Aan de 
hand van deze opmerkingen en suggesties is / wordt C&R verder verbeterd. 
Voorts zal ter verhoging van de actualiteit jaarlijks in plaats van 
tweejaarlijks worden gepubliceerd, en wordt gewerkt aan verbetering van 
de presentatie van C&R op de WODC-website. 

In deze publicatie wordt voor het onderdeel vervolging en berechting gebruikgemaakt van de CBS-
statistiek van strafrechtspleging en -toepassing, waarbij het primaire bronsysteem COMPAS wordt 
bevraagd. Het Parket-Generaal (PaG) hanteert een beleidsinformatiesysteem (OMDATA) dat eveneens 
COMPAS als primair bronsysteem heeft. Definitieverschillen, meetmomenten en bevragingswijze kunnen 
verschillen in de cijfers tot gevolg hebben. 


2 Het Nederlandse strafrechtsysteem 

– een beschrijving op hoofdlijnen 
W.M. de Jongste 
De kern van dit hoofdstuk bestaat uit een overzicht van de personen en 
organen die in de huidige Nederlandse strafrechtspleging een rol spelen 
en een korte weergave van de fasen van het strafproces en van de strafrechtelijke 
sancties. Ter inleiding daarop wordt een beknopte toelichting 
gegeven op enkele beginselen en begrippen van het strafrechtssysteem en 
worden enkele ontwikkelingen aangestipt. 

Legaliteitsbeginsel 

‘Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke 
strafbepaling’ aldus artikel 1 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht 
(Sr). Dit artikel wordt wel de hoeksteen van ons strafrecht genoemd 
(Enschedé, 2005). Volgens dit artikel is een feit alleen strafbaar als het valt 
onder een wettelijke strafbepaling en wordt daarom wel aangehaald als 
de formulering van het aan ons strafrecht ten grondslag liggende legaliteitsbeginsel.
1 In het tweede lid van artikel 1 is vermeld dat alleen dát feit 
strafbaar is, dat op het moment dat het plaatsvond, strafbaar was gesteld. 
De wetgever mag niet met terugwerkende kracht feiten strafbaar stellen. 
Een strafbaar feit is een feit waartegen straf is bedreigd en dat aanleiding 
kan geven tot een strafvervolging. Welke feiten strafbaar zijn en welke 
straffen opgelegd kunnen worden, wordt beschreven in het Wetboek van 
Strafrecht. Dit onderdeel van het recht wordt ook wel het materiële strafrecht 
genoemd. In het materiële strafrecht worden strafbare feiten ingedeeld 
in misdrijven (ernstige feiten) en overtredingen (minder ernstige 
feiten). De wettelijke bepalingen geven steeds aan of er sprake is van een 
misdrijf of van een overtreding. 
Verder maakt het strafrecht onderscheid tussen het gewone of commune 
strafrecht, dat is neergelegd in het Wetboek van Strafrecht en het bijzondere 
strafrecht, dat is geregeld in bijzondere wetten zoals bijvoorbeeld 
de Wet economische delicten2, de Wet internationale misdrijven, de Wet 
wapens en munitie, de Wegenverkeerswet en de Opiumwet. Daarbij geldt 
dat de regels van het commune strafrecht van toepassing zijn, ook voor 
de bijzondere strafrechtsgebieden, tenzij daarvan wordt afgeweken voor 
bepaalde delicten in de betreffende bijzondere wetten. 
Naast het materiële strafrecht kennen we het formele strafrecht, ofwel: 
het strafprocesrecht, dat is beschreven in het Wetboek van Strafvordering 
(Sv)3. Het formele strafrecht regelt op welke wijze en door welke perso


1 

Dit beginsel is ook terug te vinden in artikel 16 Grondwet, artikel 7 EVRM en artikel 15 IVBPR. Het moet 

niet worden verward met het legaliteitsbeginsel dat het Duitse recht kent en inhoudt dat, behoudens 

uitzonderingen, alle geconstateerde strafbare feiten moeten worden vervolgd. Zie Tak, 1973. 
2 Zie voor een analyse van de Wet economische delicten: Gritter (2005). 
3 Naast het materiële en het formele strafrecht wordt nog onderscheiden het sanctierecht, dat gaat over 

de regelingen die de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen bepalen en een onderdeel daarvan, 

het detentierecht, dat gaat over de rechtspositie van gedetineerden. 


18 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

nen en instanties wordt onderzocht of een strafbaar feit is begaan (de 
waarheidsvinding). Ook wordt in dit wetboek geregeld door wie en op 
grond van welke maatstaven wordt beslist over de strafrechtelijke sancties 
die moeten volgen op het bewezen strafbare feit. Met andere woorden: 
het formele strafrecht geeft de vorm waarin het materiële strafrecht tot 
leven komt en wordt toegepast. Het eerste artikel van het Wetboek van 
Strafvordering luidt: strafvordering vindt alleen plaats op de wijze bij de 
wet voorzien. Ook hier zien we het legaliteitsbeginsel terugkomen.4 De 
grondslag van dit beginsel is de rechtszekerheid van de burger tegen een 
willekeurige strafvervolging en gaat terug op de periode van de verlichting 
en de Franse revolutie in de achttiende eeuw waarin de bescherming 
van de vrijheid van de burger tegen een (al)machtige staat opgeld deed. 
Montesquieu ontwikkelde in deze tijd de bekende leer van de machtenscheiding 
(trias politica)5 die nog steeds ten grondslag ligt aan ons staatsbestel. 
Deze leer baseerde Montesquieu op de gedachte dat de staatsmacht 
het beste kon worden verdeeld over een drietal staatsorganen waarbij elk 
orgaan bevoegd is om een gedeelte van het staatsgezag uit te oefenen. 
De wetgevende macht heeft tot taak om wettelijke (straf)bepalingen te 
formuleren, procedureregels vast te stellen en bevoegde rechterlijke organen 
aan te wijzen. De rechtsprekende macht is verantwoordelijk voor de 
beslechting van geschillen en voor de berechting in strafzaken aan de 
hand van de toepasselijke wettelijke (procedure)regels. De uitvoerende 
of bestuurlijke macht past wettelijke regels in concrete gevallen toe en 
is belast met het beheer van de staatsorganen. Deze machtenscheiding 
zou er volgens Montesquieu niet alleen toe moeten leiden dat de macht is 
verdeeld maar ook dat de drie machten elkaar in evenwicht houden en er 
niet één de overhand krijgt. Sinds de tijd van de Franse revolutie ligt het 
legaliteitsbeginsel aan de basis van de meeste strafrechtelijke systemen. 
Het legaliteitsbeginsel in het Nederlandse strafrecht houdt in dat strafbare 
feiten en de straffen die kunnen volgen als een stafbaar feit is gepleegd, 
én de manier waarop de strafvervolging plaatsvindt moet zijn neergelegd 
in een democratisch tot stand gekomen wet, waar ook de staat in de strafvervolging 
aan is gebonden. 

Ontwikkelingen in het strafrechtsysteem 

Het Wetboek van Strafrecht dateert uit 1886 en het Wetboek van Strafvordering 
uit 1926. Beide wetboeken zijn in de loop van de tijd aan de 
maatschappelijke opvattingen en ontwikkelingen aangepast. Zo is het 
Wetboek van Strafrecht bijvoorbeeld aangevuld met strafbaarstelling van 
discriminatie, milieuvervuiling, computercriminaliteit en virtuele kinderporno. 
Andere strafbaarstellingen zijn in het wetboek sterk gewijzigd, bij


4 
Zie verder over de te onderscheiden beginselen die aan artikel 1 Sv ten grondslag liggen: Groenhuijsen, 
Knigge (2004). 

5 
Zie voor een kritische beschouwing van de trias politica: Gommer 2007. 


Het Nederlandse strafrechtsysteem – een beschrijving op hoofdlijnen 19 

voorbeeld op het terrein van abortus en euthanasie, en het bordeelverbod 
is geheel uit het Wetboek van Strafrecht verdwenen. In de verkeerswetgeving 
wordt, sinds de inwerkingtreding van de Wet administratiefrechtelijke 
handhaving verkeersvoorschriften, een groot aantal strafbare feiten 
niet langer strafrechtelijk maar administratiefrechtelijk afgehandeld. 
Ook het Wetboek van Strafvordering heeft veel wijzigingen ondergaan als 
gevolg van nieuwe ontwikkelingen. In de eerste plaats gaat het om technische 
ontwikkelingen. Zo is het onder dwang afnemen van wangslijmvlies, 
bloed of speeksel sinds enkele jaren mogelijk met het oog op een DNA-
test, en mag, onder omstandigheden, telecommunicatie worden afgeluisterd. 
In de tweede plaats vinden wetswijzigingen plaats onder invloed van 
het internationale recht, in het bijzonder de mensenrechten. Als gevolg 
van uitspraken van het Europese Hof voor de rechten van de mens, is het 
Wetboek van Strafvordering enkele malen gewijzigd. Zo is bijvoorbeeld 
de positie van de anonieme getuige in het strafproces geregeld en moet 
de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling van een verdachte op 
een eerder moment worden getoetst door een rechter. Verder zijn aanpassingen 
in de wetgeving verricht om de opsporingsactiviteiten te normeren 
zoals in het kader van Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden en de 
Wet bijzondere politieregisters. Ook zijn wijzigingen doorgevoerd die zijn 
gericht op vergroting van de opsporingsmogelijkheden zoals in de wet 
tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht 
en enige andere wetten ter verruiming van de mogelijkheden tot 
opsporing en vervolging van terroristische misdrijven6 en in de wettelijke 
regeling inzake het verhoor van de afgeschermde getuige.7 Ten slotte zijn 
er enkele wetswijzingen doorgevoerd ter verbetering van de rol en positie 
van het slachtoffer in het strafproces (zie verder paragraaf 2.1.3). 

Door de snel opeenvolgende wijzigingen in het wetboek is de laatste jaren 
van de vorige eeuw de vraag gerezen of het wenselijk zou zijn om tot een 
algehele herziening van het Wetboek van Strafvordering te komen. Daar 
is tot op heden steeds van afgezien, met dien verstande dat een omvangrijk 
grondslagenonderzoek is verricht onder de titel: Onderzoeksproject 
Strafvordering 2001.8 Mede op basis daarvan vindt een herstructurering 
op onderdelen plaats.9 Ook worden regelmatig andere wijzigingen doorgevoerd 
zonder dat evenwel getornd wordt aan het basismodel van onze 
strafvordering dat wel wordt aangeduid als het inquisitoire procestype. 
In dit procestype onderzoekt de strafvorderlijke overheid actief de zaak 
en is de verdachte voorwerp van onderzoek. Daarbij is de strafvorderlijke 
overheid gebonden aan de regels van het strafprocesrecht en geeft 
ditzelfde recht de verdachte bepaalde garanties dat inbreuken op diens 

6 Stb. 2006, 580, Kamerstukken 2003-04, 28 463; zie ook: Keulen (2005), Verrest (2007). 
7 Stb, 2006, 460, Kamerstukken 2003-04, 29 743. 
8 Groenhuijsen, Knigge (1999-2004). 
9 Kamerstukken 2003-04, 2006-07, 29 271. 



20 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

(grond)rechten worden beperkt. Daarom wordt wel gesproken van een 
getemperd inquisitoir proces. Deze typering is vooral van toepassing op 
de eerste fase van het strafproces waarin de verdachte veel onderzoekshandelingen 
heeft te dulden. In de fase van het onderzoek ter terechtzitting 
neemt de verdachte op voet van gelijkheid deel aan het debat voor de 
rechter en komen meer de kenmerken van een accusatoir procestype naar 
voren.10 

2.1 Personen en organen in de strafrechtspleging 
In deze paragraaf worden de personen en organen beschreven die in de 
strafrechtspleging een rol spelen.11 Daarbij is ervoor gekozen om in de 
beschrijving met de wetgever te beginnen, immers het gehele strafrechtsysteem 
berust op (formele) wetgeving. Vervolgens is zoveel mogelijk de 
loop van (de voorbereiding van) een strafgeding gevolgd met dien verstande 
dat de beschrijving van de personen voorafgaat aan de beschrijving 
van de organen. 

2.1.1 De wetgever 
De wetgever (regering en Staten-Generaal, zie artikel 81 Grondwet) 
bepaalt welke gedragingen strafbaar zijn en stelt de wettelijke kaders vast 
waarbinnen opsporing, vervolging en berechting plaatsvinden. In het 
straf- en strafprocesrecht ligt de nadruk op codificatie in formele wetgeving: 
het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering en de 
verschillende Penitentiaire beginselenwetten (Penitentiaire beginselenwet, 
Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, Beginselenwet 
justitiële jeugdinrichtingen)12 en minder op lagere regelgeving zoals bijvoorbeeld 
een gemeenteverordening (APV) waarin ook strafbepalingen 
voorkomen. 

2.1.2 De Minister van Justitie 
De Minister van Justitie speelt een belangrijke rol bij de wetgeving op 
het terrein van het straf(proces)recht. Hij is verantwoordelijk voor het 
grootste deel van de wetsvoorstellen die worden ingediend met het oog 
op wijziging en aanvulling van de wetboeken. Verder is de Minister van 
Justitie politiek verantwoordelijk voor de opsporing en vervolging en 

10 
In het accusatoire of adversaire procestype wordt de procedure opgevat als strijd tussen twee partijen 
waarin de strijd tussen de aanklager en de verdachte met diens verdediging over wat er is gebeurd, 
plaatsvindt voor een feitenrechter die alleen beslist welke versie als waar zal gelden en zich niet zelf 
bezighoudt met het proces van waarheidsvinding. 

11 Zie voor een uitgebreide beschrijving: Corstens (2005) en Mevis (2006). 
12 Deze wetten regelen de organisatie van de tenuitvoerlegging van sancties én de regels ter bescherming 
van de rechten van burgers die deze sancties ondergaan. 


Het Nederlandse strafrechtsysteem – een beschrijving op hoofdlijnen 21 

kan aanwijzingen geven aan het Openbaar Ministerie (OM) over de uitoefening 
van de taken en bevoegdheden, zowel in algemene zin als in 
individuele strafzaken (artikel 127 Wet op de rechterlijke organisatie).13 
Aanwijzingen tot niet (verder) opsporen en vervolgen dient de minister 
aan beide kamers der Staten-Generaal voor te leggen. Ten slotte benoemt 
de Minister van Justitie de rechters en de leden van het OM en vindt de 
executie van beslissingen van de strafrechter plaats volgens de richtlijnen 
die door de Minister van Justitie zijn vastgesteld. 

2.1.3 Het slachtoffer 
In het strafproces kan het slachtoffer op verschillende manieren een rol 
spelen. Naast de aangifte, die overigens iedereen kan doen die kennis 
heeft van een strafbaar feit, kan het slachtoffer voor bepaalde delicten een 
klacht indienen. Een klacht is een bijzonder soort aangifte, namelijk met 
het verzoek om vervolging (artikel 164 Sv). Verder kan het slachtoffer, als 
een zaak niet wordt vervolgd, daarover zijn beklag doen bij het gerechtshof 
(artikel 12 Sv) dat vervolgens het OM de opdracht kan geven om alsnog de 
verdachte te vervolgen. Ten slotte maakt het Wetboek van Strafvordering 
het mogelijk dat het slachtoffer in het strafproces aanspraak op schadevergoeding 
kan maken. Hij moet zich dan voegen in het strafproces met 
een zogenoemde ‘vordering benadeelde partij’. Als de rechter de vordering 
toewijst, moet het slachtoffer zelf in actie komen om ervoor te zorgen dat 
hij de vordering ook int bij de verdachte (artikel 592a Sv). Met de invoering 
van de Wet Terwee in 1995 zijn de wettelijke mogelijkheden voor het 
slachtoffer tot schadevergoeding vergroot. Zo heeft de strafrechter de 
mogelijkheid om uit zichzelf de verdachte tot een schadevergoeding te 
veroordelen: de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr). Het voordeel 
hiervan is, anders dan bij de vordering benadeelde partij, dat als de rechter 
deze straf oplegt, de officier van justitie de inning van de schade voor 
zijn rekening neemt en het geïnde bedrag aan het slachtoffer doorbetaalt 
(artikel 553 en 36f lid1 Sv). Ten slotte kan de rechter bij wijze van bijzondere 
voorwaarde een schadevergoeding opleggen (artikel 14c lid 2 Sr) of de 
storting van een som geld aan een instelling die de belangen van slachtoffers 
behartigt (artikel 14c lid 4 Sr). Deze verruimde mogelijkheden voor 
het slachtoffer passen in de omslag in het denken over het slachtoffer in 
het strafproces sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw. Voorheen werd 
het slachtoffer vooral gezien als mogelijke en belangrijke getuige van een 
strafbaar feit. Tegenwoordig behoort een adequate en correcte bejegening 
van het slachtoffer tot de taak van alle organen in de strafrechtspleging 
en dat is ook wettelijk vastgelegd (zie bijvoorbeeld artikel 288a Sv). Door 
de Europese Unie is een kaderbesluit op het terrein van de slachtofferzorg 
vastgesteld dat de lidstaten verplicht om aan de daarin geformuleerde 

13 Zie hierover o.a. Blad, J.R en H. de Doelder, 2007. 


22 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

uitgangspunten voor de versterking van de positie van het slachtoffer uitvoering 
te geven.14 In Nederland is, mede met het oog daarop, wetgeving 
tot stand gebracht, zoals de op 1 januari 2005 in werking getreden wet 
‘invoering van spreekrecht voor slachtoffers en nabestaanden’. In gevallen 
van ernstig persoonlijk slachtofferschap, met name in zedenzaken, 
ligt de schade vooral op het emotionele vlak. Volgens artikel 302 Sv kan 
een slachtoffer of diens nabestaande op de terechtzitting een verklaring 
afleggen omtrent de gevolgen die het tenlastegelegde feit bij hem teweeggebracht 
heeft. Dit spreekrecht bestaat alleen voor bepaalde ernstige 
misdrijven (artikel 302 lid 2 en 336 Sv). Het spreekrecht betekent niet 
dat het slachtoffer medebeslissingsrecht heeft in de afdoening van ‘zijn’ 
strafzaak. Verder is in zaken waarin sprake is van een misdrijf tegen de 
zeden of een geweldsmisdrijf voorzien in een regeling op grond waarvan 
het slachtoffer kosteloos een beroep kan doen op een advocaat (artikel 44 
lid 5 Wet op de rechtsbijstand). Ten slotte is op dit moment bij de Tweede 
Kamer een wetsvoorstel in behandeling tot wijziging van het Wetboek 
van Strafvordering ter versterking van de positie van het slachtoffer in het 
strafproces.15 Het gaat onder andere om het recht op informatie over de 
stafrechtelijke procedure, het recht op kennisneming van processtukken 
en het recht op het toevoegen van stukken aan het procesdossier. 

Slachtofferhulp 

Sinds 1984 kent Nederland professioneel georganiseerde slachtofferhulp. 
Slachtofferhulp Nederland (SHN) is een landelijke organisatie met een 
landelijk bureau en ruim 75 lokale bureaus voor slachtofferhulp waar zo’n 
1500 vrijwilligers slachtofferhulp verlenen. De ondersteuning is vooral 
praktisch van aard en bestaat uit het invullen van (verzekerings)papieren, 
het bijstaan van slachtoffers in een rechtszaak en het doorverwijzen 
naar juiste instanties. De landelijke organisatie wordt gefinancierd door 
het Ministerie van Justitie, gemeenten en het Fonds Slachtofferhulp dat 
fondsen in de maatschappij verwerft. Informatie over Slachtofferhulp 
Nederland is te vinden op: www.slachtofferhulp.nl. 

2.1.4 De verdachte, de raadsman en de tolk/vertaler 
De verdachte 

De centrale figuur in het strafproces is de verdachte. Volgens artikel 
27 lid 1 Sv wordt, voordat de vervolging is aangevangen, als verdachte 
aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een 
redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit voortvloeit. Daarna 
wordt als verdachte aangemerkt degene tegen wie de vervolging is gericht 
(artikel 27 lid 2 Sv). De mogelijke of vermoedelijke dader van een strafbaar 

14 Publicatieblad EG L 82/1- 22-3-2001. 
15 TK, 2004-07, 30 143. 


Het Nederlandse strafrechtsysteem – een beschrijving op hoofdlijnen 23 

feit blijft verdachte tot op het moment dat de rechter definitief uitspraak 
heeft gedaan. 
De definitie van artikel 27 lid 1 Sv vereist niet alleen dat er sprake is van 
een strafbaar feit maar ook van een redelijk vermoeden van schuld van 
de betrokkene aan dat strafbare feit. Het vermoeden moet gebaseerd 
zijn op feiten of omstandigheden zoals getuigenverklaringen of feiten 
van algemene bekendheid.16 De formele verdenking houdt in dat er tegen 
de verdachte dwangmiddelen kunnen worden toegepast (zie paragraaf 
2.2.1) maar impliceert ook rechten voor de betrokkene. Het wellicht meest 
fundamentele recht is dat hij niet hoeft mee te werken aan zijn veroordeling 
door middel van het afleggen van een verklaring. De verdachte heeft 
het recht om te zwijgen en voor het verhoor moet hem worden verteld dat 
hij niet tot antwoorden is verplicht: de zogenoemde ‘cautie’ (artikel 29 
lid 2 Sv). Andere rechten van de verdachte zijn het recht op bijstand door 
een raadsman, het recht om te worden gehoord en het recht op kennisneming 
van de processtukken, dat zijn de stukken die in het dossier zijn 
opgenomen; dit laatste wordt wel de interne openbaarheid genoemd. 
De interne openbaarheid is niet absoluut en kan in het belang van het 
onderzoek worden beperkt door de officier van justitie (ovj) of door de 
rechter-commissaris (rc) (artikel 30 lid 2 Sv). De verdachte heeft ook recht 
op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Dit recht is 
expliciet verwoord in artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming 
van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en 
komt als uitgangpunt in ons recht tot uitdrukking in de gevolgen die 
zijn verbonden aan de late dagvaarding of vertraging na aanvang van de 
zitting met grote overschrijding van bepaalde termijnen. Dit kan leiden 
tot strafvermindering voor de verdachte of verval van recht tot vervolging. 
Dergelijke gevallen komen in de praktijk bijna niet voor. 

De raadsman 

De raadsman is degene die de verdachte bijstaat. In beginsel is dat de 
raadsman die de verdachte zelf kiest (artikel 38 lid 1 Sv). Naast de gekozen 
raadsman bestaat de toegevoegde raadsman die door de staat wordt 
betaald en waar de verdachte recht op heeft als hij voor een bepaalde tijd 
van zijn vrijheid wordt beroofd in het kader van het onderzoek (artikel 40 

e.v. Sv). Een advocaat die in een strafzaak optreedt wordt in het Wetboek 
van Strafvordering aangeduid als raadsman (de wet is sekseneutraal 
en kent, anders dan wel eens wordt vernomen niet het begrip: raadsvrouw). 
Hij geeft juridische en morele bijstand aan de verdachte, komt op 
voor diens belangen en is in het algemeen ook de woordvoerder van de 
verdachte. De relatie tussen de verdachte en zijn raadsman is een vertrouwensrelatie 
en daarom is de raadsman verplicht tot geheimhouding van 
16 Zie noot 4. 


24 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

alles wat hem in die hoedanigheid wordt toevertrouwd en mag hij daarover 
in rechte niet getuigen. 
Bij een goede verdediging in strafzaken is niet alleen de verdachte gebaat 
maar ook de samenleving. Een goede verdediging kan helpen voorkomen 
dat in het kader van de opsporing en vervolging uit het voorhanden feitenmateriaal 
eenzijdig wordt geselecteerd dat de verdachte belast en kan zo 
dus bijdragen aan het doel van het strafproces: de waarheidsvinding. 

De tolk en vertaler 

De verdachte die geen Nederlands kent, moet kunnen begrijpen wat wordt 
gezegd, en moet kunnen begrijpen wat er aan bewijsmateriaal en overige 
processtukken op tafel ligt. Het recht op tolkenbijstand maakt deel uit 
van het recht op een eerlijk proces zoals neergelegd in artikel 6 EVRM. 
De verdachte die de taal die ter zitting wordt gesproken niet verstaat of 
niet spreekt en die dus niet kan volgen wat er in zijn proces gebeurt, heeft 
mogelijkerwijs geen eerlijk proces. In het algemeen geldt niet dat een 
verdachte er recht op heeft dat alle stukken in zijn zaak schriftelijk worden 
vertaald. De ‘Richtlijn tolkenbijstand in het opsporingsonderzoek in 
strafzaken’ voorziet in de tolkenbijstand in het voorbereidend onderzoek 
(Stcrt. 1996, 168, Stcrt, 2007, 39). Tijdens het gerechtelijk vooronderzoek 
(gvo) is de rechter-commissaris (rc) bevoegd een tolk te benoemen (artikel 
191 Sv). Tijdens de zitting wordt, indien een verdachte de Nederlandse 
taal niet of niet voldoende beheerst, het onderzoek niet voortgezet zonder 
de bijstand van de tolk (artikel 275 Sv). 

2.1.5 De getuige en de deskundige 
De getuige 

Een getuige is iemand die iets over het strafbare feit kan verklaren. 
Onder een verklaring van een getuige wordt volgens het Wetboek van 
Strafvordering verstaan: bij het onderzoek op de terechtzitting gedane 
mededeling van feiten of omstandigheden, welke hij zelf waargenomen 
of ondervonden heeft. De getuige kan worden gedagvaard door de ovj, 
verdachte of rechter-commissaris. Hij legt zijn verklaring onder ede af. 
Het afleggen van een valse verklaring (meineed) is strafbaar gesteld in 
artikel 207 Sr. 
Een bijzonder type is de bedreigde getuige. Een bedreigde getuige is een 
getuige waarvan de identiteit voor de verdachte en diens raadsman 
geheim wordt gehouden, omdat hij door of vanwege de verdachte bedreigd 
is. In zo’n geval moet de rc onderzoeken of er sprake is van een serieuze 
bedreiging (artikel 226a- 226f Sv). Indien dit het geval is, hoeft de getuige 
niet op de openbare terechtzitting te verschijnen en mag zijn onder ede 
afgelegde (anonieme) verklaring voor de rc door de strafkamer als bewijsmiddel 
tegen de verdachte worden gebruikt. Voorwaarde is dat de verdediging 
op enig tijdstip in de procedure in de gelegenheid is gesteld om de 


Het Nederlandse strafrechtsysteem – een beschrijving op hoofdlijnen 25 

getuige vragen te (doen) stellen. Het bewijs mag niet in doorslaggevende 
mate op de anonieme getuigenverklaring berusten. 
Verder kent ons strafrechtsysteem de criminele getuige oftewel: kroongetuige. 
Deze term wordt gebruikt voor een verdachte die in ruil voor 
strafvermindering bereid is om als getuige op te treden tegen een andere 
verdachte, omdat zonder zijn verklaring het bewijs niet rond te krijgen is 
(artikel 226g-226j Sv). 
Op 1 november 2006 is de Wet afgeschermde getuige in werking getreden 
(artikel 226m-226s Sv). Het doel van deze wet is om een bijdrage te leveren 
aan de bestrijding van terroristische misdrijven door de informatie van 
de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst (AIVD) en de Militaire 
Inlichtingen en Veiligheidsdienst (MIVD) in het strafproces te kunnen 
benutten voor het bewijs in strafzaken (Krips, 2006). Een gespecialiseerde 
rc kan getuigen horen in verband met mogelijk strafrechtelijk relevante 
informatie van veiligheidsdiensten. De identiteit van de verdachte wordt, 
met het oog op de staatsveiligheid, afgeschermd. Als de rc bepaalt dat de 
verdachte en diens raadsman de verhoren niet mogen bijwonen, kunnen 
vragen worden gesteld door tussenkomst van de rc. 

De deskundige 

De rechter kan, met het oog op de waarheidsvinding, behoefte hebben 
aan het oordeel van een deskundige, bijvoorbeeld een reclasseringswerker, 
een technicus, een ballistisch deskundige, een financieel deskundige, 
een psychiater of een psycholoog. Zowel de zittingsrechter als de rechter-
commissaris (rc) is bevoegd deskundigen in te schakelen (artikel 227 Sv). 
In een aantal gevallen is de rechter verplicht een deskundige in te schakelen, 
bijvoorbeeld indien de rechter de maatregel terbeschikkingstelling 
(tbs) wil opleggen. 
Er is een aantal, onder justitie vallende, instellingen die deskundigheid 
‘in huis’ hebben die relevant is voor de beantwoording van de vragen die 
in een strafrechtelijk onderzoek centraal staan. In de eerste plaats is dat 
het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Dit onderzoeksinstituut voert 
technisch, medisch-biologisch en natuurwetenschappelijk onderzoek uit 
op verzoek van opsporingsinstanties, het OM en de zittende magistratuur. 
Verder ressorteert onder het Ministerie van Justitie het Nederlands Instituut 
voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) dat de rechterlijke 
macht in strafzaken adviseert: 
– over de noodzaak van onderzoek naar de persoon van de verdachte in 

relatie tot toerekeningsvatbaarheid; 
– over de kans op recidive; 
– over de te volgen behandeling en beveiliging (klinisch en ambulant); 
– over de ontwikkelingsmogelijkheden van jongeren. 

Het Pieter Baan Centrum (PBC) en de activiteiten van de voormalige Forensisch 
Psychiatrische Dienst (FPD) maken deel uit van het NIFP. In het PBC 


26 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

vindt klinische observatie van verdachten plaats door forensische psychiaters 
en psychologen en andere deskundigen. De onderzoeken monden uit in 
schriftelijke of mondelinge deskundigenverklaringen. De deskundige treedt 
overigens ook vaak als getuige op in het voorbereidend onderzoek of ter 
terechtzitting. De verdachte kan zelf ook deskundigen laten horen. 

2.1.6 De politie 
De taak en samenstelling van de politie zijn wettelijk geregeld in de 
Politiewet 1993 (PW) die op 1 april 1994 in werking trad. De strafrechtelijke 
bevoegdheden van de politie in de opsporingsfase zijn geregeld in het 
Wetboek van Strafvordering en in een aantal bijzondere wetten, zoals de 
Opiumwet en de Wet wapens en munitie. 
De politie bestaat uit 25 regionale politiekorpsen en het Korps Landelijke 
Politiediensten (KLPD). Dit korps houdt onder andere toezicht op het 
verkeer op de rijkswegen, het scheepvaart- en het vliegverkeer. Ook zorgt 
het voor de bewaking van de leden van het Koninklijk Huis en levert het 
specialistische ondersteuning en materiaal. Voorts is bij het KLPD een 
aantal landelijke recherchetaken in de Dienst Nationale Recherche Informatie 
ondergebracht en ook de Spoorwegpolitie en de Verkeerspolitie. 

Artikel 3 van de PW brengt het politiepersoneel samen onder het verzamelbegrip 
‘ambtenaar van de politie’. Onder dit begrip vallen niet alleen 
de reguliere executieve ambtenaren (zoals de agent en de politiesurveillant), 
maar ook de administratieve ambtenaren. Ook vrijwillige ambtenaren 
(aangesteld voor de uitvoering van de politietaak waar sprake is van 
piekbelastingen voor de reguliere politie) en de bijzondere ambtenaren 
van de politie (o.a. de Rijksrecherche) worden als ambtenaren van de 
politie aangemerkt. 

Artikel 2 PW noemt de volgende taken van de politie: zorgen voor de 
daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp 
aan hen die deze behoeven. De handhaving van de rechtsorde valt in drie 
onderdelen uiteen. 

– 
De strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. Politietaken hierbij 
zijn: de daadwerkelijke voorkoming, opsporing en beëindiging van 
strafbare feiten. Ook de eerste opvang van slachtoffers van delicten 
wordt tot de strafrechtelijke ordehandhaving gerekend. 
– 
De openbareordehandhaving. Het gaat hier bijvoorbeeld om de begeleiding 
van demonstraties. 
– 
De taken ten dienste van de justitie. Het gaat bijvoorbeeld om de betekening17 
van gerechtelijke mededelingen in strafzaken en de dienst bij de 
gerechten. 
17 
Betekenen: uitreiken van een gerechtelijk of ambtelijk schrijven door een in de wet aangegeven persoon. 


Het Nederlandse strafrechtsysteem – een beschrijving op hoofdlijnen 27 

De politie moet ingevolge artikel 2 PW haar taak uitoefenen ‘in ondergeschiktheid 
aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de 
geldende rechtsregels’. Het OM oefent gezag uit over de strafrechtelijke 
handhaving van de rechtsorde en het verrichten van taken ten behoeve 
van justitie. Voor zover het de handhaving van de openbare orde in 
de gemeente en het verlenen van hulp betreft, is de burgemeester het 
bevoegd gezag. De politie heeft bij de vervulling van haar taken dus met 
twee gezagsdragers te maken. Hoewel er formeel een strikte scheiding is, 
overlappen in de praktijk deze taken. Daarom overleggen de burgemeester, 
de officier van justitie en het hoofd van het regionale politiekorps 
(de korpsbeheerder) regelmatig in het zogenoemde ‘driehoeksoverleg’ 
(artikel 14 PW). 

De bijzondere opsporingsdiensten 

Naast de in de PW geregelde reguliere politie zijn er bijzondere opsporingsdiensten 
die ressorteren onder ministeries en een specifieke opsporingstaak 
hebben op het beleidsterrein waarvoor de betrokken minister 
verantwoordelijkheid draagt. Zo zijn er de Algemene Inspectiedienst 
(AID) van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de 
Belastingdienst/Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst/Economische 
Controledienst (Belastingdienst/FIOD-ECD) van het Ministerie van 
Financiën, de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (SIOD) van 
het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de VROM 
Inlichtingen- en Opsporingsdienst. 
De betrokken minister is verantwoordelijk voor het beheer van de dienst 
en het algemeen handhavingsbeleid van de wetten waarmee de dienst 
te maken heeft. Tegelijkertijd oefent de ovj gezag uit over de bij de dienst 
werkzame opsporingsambtenaren (artikel 148(a) lid 2 Sv). 
Medewerkers van deze diensten waren voorheen buitengewone opsporingsambtenaren. 
Maar na de inwerkingtreding van de Wet op de 
bijzondere opsporingsdiensten op 1 juni 2007 (Stb 2006, 285), is aan 
de opsporingsambtenaren van de bijzondere opsporingsdiensten een 
algemene opsporingsbevoegdheid toegekend op basis van artikel 141 van 
het Wetboek van Strafvordering en werken zij vooral onder het gezag van 
het functioneel parket (zie verder paragraaf 2.1.7). 

2.1.7 Het Openbaar Ministerie 
Het Openbaar Ministerie maakt deel uit van de rechterlijke macht. De 
leden van het OM zijn officieren van justitie (ovj’s), advocaten-generaal 
(ag’s) en procureurs-generaal (pg’s). Zij worden, evenals rechters, aangeduid 
als rechterlijke ambtenaren, maar zij zijn niet met rechtspraak 
belast. Ook worden de leden van het OM aangeduid met de term: staande 
magistratuur. 


28 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Verder behoren tot de rechterlijke macht de rechters en griffiers (zittende 
magistratuur). In tegenstelling tot de rechters worden leden van het OM 
niet voor het leven benoemd. Hoewel zij dus geen rechter zijn, doen de 
leden van het OM wel vanuit het algemeen belang hun werk. De leden van 
het OM hebben tot taak ervoor te zorgen dat in een strafzaak recht wordt 
gedaan en dat is iets anders dan dat zij de taak zouden hebben om ervoor 
te zorgen dat een verdachte wordt veroordeeld. 

De organisatie van de rechterlijke macht is hoofdzakelijk geregeld in de 
Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO). Het OM is georganiseerd in 
zogenoemde parketten: het Parket-Generaal, de arrondissementsparketten 
(bij elke rechtbank), de ressortsparketten (bij elk gerechtshof), een 
landelijk parket en het parket bij de Hoge Raad. Het parket-generaal wordt 
gevormd door het College van procureurs-generaal (pg’s) en zijn staf (artikel 
135 wet RO). Bij het Parket-Generaal staat het leiding geven aan het OM 
centraal en niet de individuele strafzaken. Het college, dat uit ten minste 
drie en ten hoogste vijf leden bestaat, staat aan het hoofd van het OM. De 
pg’s bepalen het landelijk opsporings- en vervolgingsbeleid. Het college 
kan aan de leden van het OM aanwijzingen geven betreffende de uitoefening 
en de taken en bevoegdheden van het OM (artikel 130 wet RO). Deze 
aanwijzingen kunnen zowel algemeen van aard zijn als gericht zijn op een 
specifieke zaak. De officieren van justitie (ovj’s) zijn wettelijk gebonden 
aan deze instructies. De Minister van Justitie is verantwoordelijk voor het 
beleid van het OM. Daarom is de minister betrokken bij het opstellen van 
het beleid en vindt regelmatig overleg plaats tussen de minister en het 
college van pg’s. Ook is de minister bevoegd om aan het OM aanwijzingen 
te geven (artikel 127 wet RO, zie verder paragraaf 2.1.2). 
Op het terrein van de ontnemingswetgeving en van de verkeershandhaving 
wordt het college van pg’s beleidsmatig ondersteund door 
respectievelijk: Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie 
(BOOM, zie verder paragraaf 2.2.1) en door Bureau Verkeershandhaving 
Openbaar Ministerie (BVOM). Het laatste verzorgt ook de afdoening van 
straf- en beroepszaken in geval van verkeersovertredingen. 
De Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) behandelt 
bezwaarschriften op basis van de Wet administratieve handhaving 
verkeersvoorschriften (zgn. Mulderzaken), en verwerkt de strafzaken op 
grond van artikel 8 Wegenverkeerswet (rijden onder invloed) en artikel 30 
Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (onverzekerd rijden). 

De strafzaken worden behandeld door de arrondissementsparketten, 
in hoger beroep door de ressortsparketten en in cassatie door het parket 
verbonden aan de Hoge Raad. 
Nederland heeft 19 arrondissementsparketten. Elk arrondissementsparket 
staat onder leiding van een hoofdofficier van justitie. Deze is ervoor 
verantwoordelijk dat het beleid van het OM in het arrondissement goed 


Het Nederlandse strafrechtsysteem – een beschrijving op hoofdlijnen 29 

wordt uitgevoerd. Op elk parket werkt een aantal ovj’s. Zij vertegenwoordigen 
het OM bij de arrondissementsrechtbanken. De ovj’s worden ondersteund 
door parketsecretarissen en administratief medewerkers. Tot de 
voornaamste werkzaamheden van het arrondissementsparket behoort 
niet alleen het vervolgen van strafbare feiten voor rechtbank of kantongerecht, 
maar ook het leidinggeven aan het opsporingsonderzoek dat door 
de politie en bijzondere opsporingsdiensten wordt verricht. 
Nederland heeft vijf ressortsparketten. Een ressortsparket staat onder 
leiding van een hoofdadvocaat-generaal. De taak van het OM bij de 
gerechtshoven is de vervolging in hoger beroep. 
Naast de arrondissements- en ressortsparketten is er het zogenoemde 
twintigste parket: het landelijk parket dat niet is gekoppeld aan een arrondissement 
of een hof en is gevestigd in Rotterdam. Het landelijk parket 
is belast met de aansturing van het Landelijk Rechercheteam (LRT) dat 
als taak heeft de bestrijding van zware georganiseerde criminaliteit met 
een landelijk of internationaal karakter. Het landelijk parket behandelt de 
strafzaken die uit de onderzoeken van het LRT voortkomen. Daarnaast 
behandelt het ook rechtshulpverzoeken uit het buitenland en levert capaciteit 
voor internationale samenwerkingsverbanden zoals joint investigation 
teams met buitenlandse opsporingsdiensten. Verder kent het OM ook 
het functioneel parket, dat tot doel heeft om de criminaliteit te bestrijden 
op het gebied van milieu, economie en fraude. Dit werkterrein is breed en 
daarom is bepaald dat het functioneel parket verantwoordelijk is voor de 
opsporing en vervolging van die strafzaken waarin een bijzondere opsporingsdienst 
(BOD) de trekkende rol vervult. Ten slotte is er een parket bij 
de Hoge Raad dat, sinds de wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie 
in 1999, geen deel meer uitmaakt van het OM. De taak van het 
parket bij de Hoge Raad der Nederlanden (HR) is primair het uitbrengen 
van adviezen aan de HR omtrent de in de cassatie- of herzieningszaak te 
nemen beslissing. Deze adviezen worden aangeduid met de term: conclusies. 
Aan het hoofd van het parket bij de Hoge Raad staat een pg. De pg bij 
de HR is voor het leven benoemd en draagt de verantwoordelijkheid voor 
de vervolging van ambtsmisdrijven en -overtredingen begaan door leden 
van het parlement, ministers en staatssecretarissen (artikel 111 wet RO). 

Het OM is belast met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde 
en met andere bij de wet vastgestelde taken (artikel 124 Wet RO) zoals 
het behartigen van de belangen van mensen die slachtoffer zijn van 
een misdrijf, en taken in het kader van de Wet bijzondere opname in 
psychiatrische ziekenhuizen en de Wet op de lijkbezorging. De strafrechtelijke 
taken staan evenwel centraal. De strafrechtelijke handhaving van 
de rechtsorde houdt in: opsporing van strafbare feiten (artikel 148 lid 1 
Sv), vervolging (artikel 9 Sv) en tenuitvoerlegging van beslissingen van de 
strafrechter (artikel 553 Sv). Voor de tenuitvoerlegging is het OM verantwoordelijk 
maar houdt zich er niet zelf mee bezig. 


30 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Op grond van de resultaten van het opsporingsonderzoek besluit de ovj 
of een verdachte al dan niet zal worden vervolgd. Het OM heeft een vervolgingsmonopolie, 
dat wil zeggen dat alleen het OM, bij uitsluiting van alle 
andere personen en instanties, bevoegd is strafzaken bij de strafrechter 
aan te brengen. De ovj heeft een recht tot vervolgen, niet de plicht daartoe. 
Het opportuniteitsbeginsel18 geeft de ovj de ruimte om een aan hem 
voorgelegd strafbaar feit niet te vervolgen (seponeren). Het OM kan afzien 
van strafvervolging als het algemeen belang daarmee is gediend (artikel 
167 lid 2 en 242 lid 2 Sv). 
Het OM heeft twee sepotmogelijkheden. 

– 
Technisch sepot. Hiervan is sprake als het OM tot de conclusie is 
gekomen dat (verdere) vervolging geen zin heeft, omdat uit het 
opsporingsonderzoek of het gerechtelijk vooronderzoek is gebleken dat 
vervolging niet tot een veroordeling zal kunnen leiden, de verdachte ten 
onrechte als verdachte is gesignaleerd, het wettig bewijs ontbreekt, het 
OM niet-ontvankelijk is, de rechter niet bevoegd is of omdat het feit of 
de dader niet strafbaar is. 
– 
Beleidssepot. Hiervan is sprake als de vervolging haalbaar is, maar de 
ovj om redenen van opportuniteit afziet van vervolging. De leeftijd 
van de verdachte kan een dergelijke reden zijn, of dat het een gering 
feit betreft. Ook kan ‘het algemeen belang’ een vervolging in de weg 
staan, bijvoorbeeld (mogelijke) strijd met het landsbelang. De ovj kan 
van deze beleidssepotbevoegdheid ook voorwaardelijk gebruikmaken 
(voorwaardelijk sepot). Hij bericht dan aan de verdachte dat hij hem niet 
zal vervolgen indien deze binnen een bepaald tijdsbestek voldoet aan 
de gestelde voorwaarde. Voldoet de verdachte daar niet aan, dan kan hij 
alsnog gedagvaard worden. 
Ter voorkoming van strafvervolging kan de ovj de verdachte een transactie 
aanbieden (schikking met de verdachte treffen). Zo’n schikking bestaat 
uit het voldoen aan een voorwaarde, zoals (in de meeste gevallen) betaling 
van een geldsom, het verrichten van een taakstraf of het afstand doen 
van voorwerpen, waartegenover de ovj van (verdere) vervolging afziet.19 
Zo’n transactie is mogelijk voor alle overtredingen en misdrijven waarop 
een maximale gevangenisstraf van zes jaar is gesteld. Het voorwaardelijk 
sepot en de transactie zijn geen vormen van vervolging maar ze ontlenen 
hun werking aan de dreiging dat verder zal worden vervolgd. 
Het OM is behalve met de opsporing en vervolging van verdachten van 
strafbare feiten ook belast met de verantwoordelijkheid voor de uitvoering 
van strafrechtelijke beslissingen. Deze zogenoemde tenuitvoerlegging, 
vooral van vrijheidsstraffen, taakstraffen en geldboetes, wordt 

18 
Dit beginsel staat tegenover het legaliteitsbeginsel dat bijvoorbeeld in Duitsland geldt en dat inhoudt 
dat de overheid de plicht heeft om alle substantiële zaken te vervolgen; zie voetnoot 1. 

19 
Zie artikel 74 lid 2 Sv voor een volledig overzicht van de voorwaarden waaruit de transactie kan bestaan. 


Het Nederlandse strafrechtsysteem – een beschrijving op hoofdlijnen 31 

ook wel executie genoemd. Het OM heeft de feitelijke tenuitvoerlegging 
gedelegeerd aan verschillende justitiële of (op het gebied van tbs en jeugddetentie, 
daartoe aangewezen) particuliere instellingen. Met de inning 
van geldboetes, bijvoorbeeld, is het Centraal Justitieel Incasso Bureau 
(CJIB) belast. 

Wet OM-boete 

De vormen waarin het OM een zaak af kan doen zonder dat deze de 
rechter bereikt zijn dus het (voorwaardelijk) sepot en de transactie. Uit het 
feit dat de verdachte bereid is om te voldoen aan de hem gestelde voorwaarden 
om de strafvervolging te voorkomen mag niets worden afgeleid 
over de schuldvraag, oftewel over de vraag of hij gedaan heeft waarvan 
hij wordt verdacht. Met de inwerkingtreding van de Wet OM-afdoening20 
(veelal aangeduid als: Wet OM-boete) zal hierin verandering komen. 
De buitengerechtelijke afdoening van (lichtere) strafzaken krijgt de vorm 
van een strafbeschikking die wordt uitgevaardigd door de ovj (artikel 257a 

e.v. Sv). In die strafbeschikking wordt de schuld van de verdachte aan het 
strafbare feit vastgesteld en staat daarmee gelijk aan een veroordeling, als 
de verdachte daartegen niet tijdig verzet instelt. Bij de strafbeschikking 
– een daad van vervolging21 – kan de ovj een aantal straffen en maatregelen 
opleggen: taakstraf van maximaal 180 uur, een geldboete, een onttrekking 
aan het verkeer, een schadevergoedingsmaatregel en een ontzegging 
van de rijbevoegdheid van maximaal 6 maanden. Verder kan de strafbeschikking 
nog een aantal aanwijzingen inhouden waar de verdachte aan 
moet voldoen, zoals het afstand doen van voorwerpen, de betaling van 
een bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en de 
storting van een geldsom in het Schadefonds geweldsmisdrijven. De naleving 
van de aanwijzingen kan tot op zekere hoogte worden afgedwongen 
doordat de strafbeschikking ten uitvoer kan worden gelegd alsof het een 
strafvonnis was. Terwijl in het huidige systeem bij het niet naleven van 
transactie en sepotvoorwaarden de ovj moet dagvaarden, is dat in het 
nieuwe systeem niet noodzakelijk. De kern van het wetsvoorstel is dus 
dat in de strafbeschikking straffen en maatregelen opgenomen kunnen 
worden waarvan de tenuitvoerlegging niet van de medewerking van de 
betrokkene afhankelijk is. 
Om te voorkomen dat verdachten niet aan een dergelijke strafbeschikking 
zullen voldoen, moet de ovj de verdachte wel horen om na te gaan 
of verdachte bereid is zich te onderwerpen aan de op te leggen taakstraf, 
geldboete of ontzegging van de rijbevoegdheid (artikel 257c lid 1 Sv). Als 
het gaat om bedragen van meer dan 2000 euro moet de verdachte worden 
bijgestaan door een raadsman (artikel 257c lid 2). Tegen de strafbeschikking 
kan de verdachte binnen twee weken verzet aantekenen bij het parket 
20 Stb. 2006, 330, Kamerstukken II, 2004-07, 29 849. Zie verder ook: Doorenbos, 2005, Hartmann, 2007. 
21 Zie hierover o.a. Groenhuijsen M.S. en J.B.H.M. Simmelink, 2005. 


32 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

dat de beschikking heeft uitgevaardigd (artikel 257e Sv) waarna alsnog 
een rechterlijke behandeling volgt (artikel 255f lid 3 Sv). Dat is een gewone 
strafzaak waarin de rechter niet gebonden is aan de inhoud van de straf-
beschikking. Als de verdachte niet in actie komt en de boete kan niet 
worden geïnd in het executietraject, dan is geen vervangende hechtenis 
mogelijk, want er is geen sprake van een rechterlijke bemoeienis. Wel kan 
de verdachte worden gedagvaard en kan een terechtzitting volgen. 
Met de inwerkingtreding van de Wet OM-boete komt een belangrijke 
systeemwijziging tot stand. Immers, niet langer is de strafrechter uitsluitend 
bevoegd tot het opleggen van strafrechtelijke sancties. De strafbeschikking 
zal op den duur de transactie (artikel 74 Sr) geheel vervangen. 
De inwerkingtreding van de Wet OM-boete zal gefaseerd plaatsvinden 
vanaf het najaar van 2007. 

2.1.8 De rechter 
De berechting van strafbare feiten wordt in de Grondwet opgedragen 
aan de rechterlijke macht (artikel 113 lid 1 Gw). De Grondwet bepaalt niet 
welke gerechten tot de rechterlijke macht behoren, dat regelt de Wet op de 
rechterlijke organisatie (Wet RO). Artikel 2 van deze wet wijst aan welke 
gerechten tot de rechterlijke macht behoren: de rechtbanken, de gerechtshoven 
en de Hoge Raad. De driedeling heeft te maken met het feit dat 
een strafzaak in Nederland in meer instanties, door meer gerechten kan 
worden beoordeeld. Uitspraken van de rechtbanken worden vonnissen 
genoemd, uitspraken van het gerechtshof en de HR arresten. 

De strafrechtspraak geschiedt in Nederland door beroepsrechters en rechters-
plaatsvervanger. Dit zijn functionarissen die het rechterschap niet als 
hoofdbetrekking uitoefenen. 
Nederland kent geen juryrechtspraak en slechts in enkele gevallen is een 
niet-jurist (deskundige) bij de rechtspraak betrokken.22 
De zittingen zijn zo veel mogelijk openbaar. Zittingen bij de kinderrechter 
vinden in beginsel achter gesloten deuren plaats (artikel 289 Sv). Uit het 
EVRM, het IVBP en de Grondwet vloeien twee eisen voor het functioneren 
van de rechterlijke macht voort.23 
1 Onafhankelijkheid. Met de onafhankelijkheid van de rechter wordt 

in het bijzonder gedoeld op de onafhankelijkheid van de uitvoerende 

22 
In twee situaties wordt recht gesproken (mede) door leken: 1. de meervoudige militaire kamer van de 
rechtbank en van het gerechtshof Arnhem bestaat uit een militair lid en twee leden van de rechterlijke 
macht; 2. de penitentiaire kamer van het hof Arnhem (ter behandeling van het beroep tegen negatieve 
beslissingen over de vervroegde invrijheidstelling) bestaat uit twee gedragsdeskundigen en drie leden 
van de rechterlijke macht. Zie over de leek als rechter en de rechter als leek: Malsch (2003). 

23 
Artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de 
fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 14 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten 
en politieke rechten (IVBP). Zie over de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid: Eshuis en Ter Voert 
(2003). 


Het Nederlandse strafrechtsysteem – een beschrijving op hoofdlijnen 33 

macht. Deze onafhankelijkheid is gewaarborgd door de benoeming 
voor het leven en het wettelijk vaststellen van de rechtspositie en het 
salaris voor rechters (artikel 117 Gw). 

2 
Onpartijdigheid. Onpartijdigheid houdt in dat een rechter geen speciale 
binding mag heben met een van de procespartijen en ook verder niet 
vooringenomen is of de indruk wekt vooringenomen te zijn. Indien er 
ten aanzien van een rechter feiten of omstandigheden zijn waardoor 
de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, kan die rechter 
door de verdachte of het OM worden gewraakt. Wraking houdt in: 
bezwaar maken tegen deelneming van de rechter in een zaak (artikel 
512-515 Sv). De rechter die zelf meent dat daar sprake van is, kan zich 
verschonen, dat wil zeggen dat hij zich onttrekt aan de behandeling 
van de zaak (artikel 517-518 Sv). 

Er zijn in Nederland 19 rechtbanken. Het rechtsgebied24 van een rechtbank 
heet: arrondissement. Binnen de rechtbank houden zich twee sectoren 
bezig met strafzaken: de sector kanton en de sector straf. De kantonrechter 
in strafzaken is een alleensprekende rechter. Hij behandelt alleen 
overtredingen, maar geen economische overtredingen. De strafsector van 
de rechtbank behandelt in de regel alle misdrijven. De strafsector van de 
rechtbank kent een aantal alleensprekende rechters (enkelvoudige kamer) 
zoals de politierechter, de economische politierechter en de kinderrechter. 
In ingewikkelde gevallen spreekt de rechtbank recht met drie rechters, 
de meervoudige kamer. De ovj bepaalt of hij een zaak aanbrengt bij een 
enkelvoudige of meervoudige kamer. Als de rechter daartoe aanleiding 
ziet, kan hij een zaak verwijzen naar een meervoudige kamer; het omgekeerde 
is ook mogelijk. 
Er zijn in Nederland vijf gerechtshoven. Het rechtsgebied van een gerechtshof 
heet: ressort. 
De gerechtshoven behandelen uitsluitend rechtbankzaken in hoger 
beroep. De hoven wijzen arrest met drie rechters, raadsheren genoemd 
(ook als een van die rechters een vrouw is). 
Er wordt in de Grondwet één gerecht genoemd en dat is de Hoge Raad der 
Nederlanden. 

De Hoge Raad (HR) is het hoogste rechtscollege op het gebied van het 
strafrecht en is gevestigd in Den Haag. Bij de HR is geen sprake van hoger 
beroep, maar van beroep in cassatie (vernietiging). De HR beoordeelt de 
zaak niet meer in volle omvang (er worden bijvoorbeeld geen getuigen 
meer gehoord) en stelt de feiten niet meer vast. De HR is geen feitelijke 
instantie. Dat wil zeggen dat de HR onderzoekt of de voorschriften uit 
de wet in acht zijn genomen en of het recht op de juiste manier is toegepast. 
Indien dit niet het geval is, kan een rechterlijke beslissing worden 

24 
De rechtsgebieden van de hoven en de rechtbanken zijn geregeld in de Wet op de rechterlijke indeling 
1951. 


34 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

vernietigd. De HR spreekt recht met drie raadsheren in eenvoudige zaken 
en met vijf raadsheren in ingewikkelde zaken. 

De griffier 

De griffier verleent bijstand aan de rechter tijdens verhoren en zittingen, 
notuleert wat op de rechtszitting gebeurt en stelt het proces-verbaal (pv) 
vast (artikel 326-327 Sv). Niet alleen de zittingsrechter, maar ook de rechter-
commissaris (rc) wordt door een griffier bijgestaan (artikel 171-172 Sv). 

De Raad voor de Rechtspraak 

Bij de wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie op 1 januari 2002 
is een Raad voor de Rechtspraak (RvdR) in het leven geroepen (artikelen 
84-109 wet RO). Deze heeft als centrale opdracht gekregen het functioneren 
van de rechtspraak te bevorderen en valt uiteen in een viertal specifieke 
taken: 
1 de opstelling van de begroting voor de rechtspraak en de toekenning 

van de budgetten aan de gerechten; 
2 de ondersteuning van de bedrijfsvoering van de gerechten, inclusief de 

zorg voor landelijke voorzieningen; 
3 de bevordering van de kwaliteit van de rechtspraak; 
4 de advisering aan regering en parlement over wetgeving en beleid met 

gevolgen voor de rechtspraak. 

De Hoge Raad ressorteert niet onder de RvdR. De Raad heeft geen 
bevoegdheden op het terrein van benoemingen en bevorderingen van 
rechters. 

2.1.9 De reclassering en de Raad voor de Kinderbescherming 
De reclassering 

De reclassering is geen orgaan van de strafrechtspleging zoals de politie 
en het OM dat zijn, maar is wel nauw bij de strafrechtspleging betrokken. 
Er zijn drie reclasseringsorganisaties als zodanig aangewezen door de 
Minister van Justitie: Reclassering Nederland, de afdeling verslavingsreclassering 
van de Geestelijke Gezondheidszorg Nederland en de afdeling 
Reclassering van het Leger des Heils. De werkzaamheden van de reclassering 
zijn wettelijk geregeld in de Reclasseringsregeling 1995 (Stb. 1994, 
875). De reclassering heeft drie kerntaken: onderzoek en voorlichting, 
begeleiding en toezicht, en ontwikkeling, organisatie en uitvoering van 
taakstraffen en andere alternatieve sancties. 

– 
Onderzoek en voorlichting. In de zogenoemde voorlichtingsrapporten 
wordt een beeld geschetst van de persoon van de verdachte, zijn motieven 
en omstandigheden; informatie die voor de ovj en/of de rechter 
van belang kan zijn voor het bepalen van welke (soort van) straf en de 
strafmaat. 

Het Nederlandse strafrechtsysteem – een beschrijving op hoofdlijnen 35 

– 
Begeleiding en toezicht. De reclassering geeft individuele begeleiding aan 
verdachte of veroordeelde cliënten. De ondersteuning vindt gedurende 
het gehele strafrechtelijke proces plaats. Begeleiding in de vorm van hulp 
en bijstand aan de verdachte vindt vooral plaats in de fase van de vroeg-
hulp. De vroeghulp wordt geboden op het politiebureau nadat een verdachte 
in verzekering is gesteld. Volgens de wet moet de reclassering over 
elke in verzekering gestelde verdachte bericht ontvangen (artikel 59 lid 5 
Sv). Indien de rc of de rechtbank de schorsing van de voorlopige hechtenis 
heeft bevolen, kan daarbij als bijzondere voorwaarde worden gesteld 
dat de verdachte zich dient te houden aan de aanwijzingen van de reclassering. 
Tevens kan een veroordeelde die zijn gevangenisstraf heeft uitgezeten, 
bij zijn terugkeer naar de maatschappij door de rechter verplicht 
worden zich onder toezicht te stellen van de reclassering. Dit gebeurt dan 
in het kader van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf. Verder is de 
reclassering verantwoordelijk voor de uitvoering van penitentiaire programma’s25 
en begeleidt zij ter beschikking gestelden die met proefverlof 
zijn of ten aanzien van wie de tbs met bevel tot verpleging voorwaardelijk 
is beeïndigd of een tbs met voorwaarden is uitgesproken. Hiermee streeft 
de reclassering er tevens naar een bijdrage te leveren aan het omlaag 
brengen van de recidive. 
– 
Ontwikkeling, organisatie en uitvoering van taakstraffen en andere 
alternatieve sancties. De reclassering zorgt voor de organisatie en de 
begeleiding bij de uitvoering van taakstraffen en elektronisch toezicht 
(zie paragraaf 2.3.1). 
Verdere informatie is te vinden op: www.reclassering.nl; www.ggznederland.
nl en www.legerdesheils.nl. 

De Raad voor de Kinderbescherming 

Voor minderjarigen die in aanraking zijn gekomen met justitie en politie, 
bestaat er, anders dan bij meerderjarigen, geen algemene reclasseringsinstelling. 
De regie ten aanzien van de jeugdreclassering wordt gevoerd door 
de Raad voor de Kinderbescherming. De Raad coördineert de taakstraffen 
voor jeugdigen. Verder zijn bij de jeugdreclassering de gezinsvoogdij-instellingen 
en de afdeling Jeugdreclassering van het Leger des Heils betrokken. 
De jeugdreclassering draagt zorg voor de vroeghulp op het politiebureau. 
Binnen deze vroeghulp kan de raadsmedewerker op basis van het gesprek 
met de minderjarige vrijwillige jeugdreclassering aanbieden. De jeugdige 
wordt tevens geïnformeerd over het verdere verloop van de strafrechtelijke 
procedure. Vervolgens begint het zogenaamde basisonderzoek. De Raad 
vergaart informatie betreffende de ontwikkeling en de achtergrond van de 
verdachte ten behoeve van voorlichting en advies aan de ovj.26 De raads


25 
De penitentiaire programma’s zijn geregeld in de Penitentiaire beginselenwet. De eindverantwoordelijkheid 
voor de uitvoering van deze programma’s berust bij de directeur van de inrichting. 

26 
Artikel 494, 498 Sv. 


36 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

onderzoeker brengt advies uit aan de ovj over de gewenste afdoening van 
een zaak, te allen tijde vanuit een pedagogisch perspectief. Als de ontwikkeling 
van de minderjarige ernstig in het gedrang is, kan de Raad een vervolgonderzoek 
doen. Dit onderzoek is diepgaander dan het basisonderzoek. Het 
vervolgonderzoek kan worden afgesloten met een gerichte verwijzing naar 
een voorziening voor jeugdzorg, met een verzoek tot een maatregel van kinderbescherming 
of met de inschakeling van de jeugdreclassering voor intensieve, 
niet-vrijblijvende begeleiding. Indien de ovj of de rechter een taakstraf 
oplegt, is het de taak van de Raad om de opgelegde taakstraf mogelijk te 
maken door voorbereiding en ondersteuning van de tenuitvoerlegging. De 
Raad voor de Kinderbescherming heeft een landelijk bureau en 22 locaties 
in grote woonplaatsen. 

2.1.10 De Dienst Justitiële Inrichtingen 
De uitvoering van vrijheidsstraffen en strafrechtelijke vrijheidsbenemende 
maatregelen is voorbehouden aan de overheid. Die taak wordt 
verricht door de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI). DJI is een agentschap 
van het Ministerie van Justitie. De tenuitvoerlegging van vrijheidstraffen 
en vrijheidsbenemende maatregelen vindt plaats in vier sectoren met 
verschillende soorten justitiële inrichtingen: 

– 
Sector gevangeniswezen: huizen van bewaring en gevangenissen. Dit is 
met ruim 60 inrichtingen verreweg de grootste sector. Er wordt onderscheid 
gemaakt tussen inrichtingen voor mannen en voor vrouwen en 
van verschillend beveiligingsniveau: gesloten, halfopen en open inrichtingen. 
– 
Sector Justitiële Jeugdinrichtingen: opvang- en behandelinrichtingen. 
In de opvanginrichtingen verblijven jongeren die nog wachten op de 
uitspraak van de rechter en jeugdigen die veroordeeld zijn tot de straf 
‘jeugddetentie’. In de opvanginrichtingen wordt vooral gewerkt aan de 
opvoeding van de jeugdigen. In behandelinrichtingen worden jongeren 
behandeld voor zogenoemde ontwikkelingsstoornissen die hebben 
geleid tot het plegen van een misdrijf en daarvoor een PIJ-maatregel 
(Plaatsing In een Justitiële Jeugdinrichting) opgelegd hebben gekregen. 
Er verblijven ook jongeren in een behandelinrichting op basis van een 
kinderbeschermingsmaatregel. Het gaat dan om een ondertoezichtstelling 
(ots) of een uithuisplaatsing in een internaat of in een pleeggezin. 
– 
Sector TBS: tbs-klinieken. In tbs-klinieken (tegenwoordig ook aangeduid 
als: forensisch psychiatrische centra) worden volwassenen opgenomen 
die een misdrijf hebben gepleegd en geheel of gedeeltelijk ontoerekeningsvatbaar 
zijn verklaard. Tbs-klinieken maken onderscheid tussen 
rijks- en particuliere inrichtingen. De particuliere inrichtingen worden 
gesubsidieerd door DJI. 
– 
Directie bijzondere voorzieningen (DBV). De aanleiding voor de inrichting 
van de (aanvankelijk tijdelijke) DBV in maart 2003 vormde de 

Het Nederlandse strafrechtsysteem – een beschrijving op hoofdlijnen 37 

explosieve stijging van het aantal aangehouden bolletjesslikkers 

en andere drugskoeriers. Deze groep wordt geplaatst in speciale 

(nood)voorzieningen. 

2.1.11 De Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming en de 
Inspectie voor de Sanctietoepassing 
De Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming 

De Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) is een 
onafhankelijk orgaan dat de Minister van Justitie adviseert op het gebied 
van de strafrechtstoepassing en omtrent jeugdigen. Tevens is de Raad 
belast met de rechtspraak op penitentiair terrein, dat wil zeggen dat de 
Raad functioneert als een beroepsinstantie voor gedetineerden, jeugdigen 
en tbs’ers. 
De 60 leden van de Raad worden door de Kroon benoemd en het bestuursreglement 
dat de werkwijze en procedures voor de Raad regelt wordt door 
de Minister van Justitie vastgesteld. 
Zie verder: www.rsj.nl. 

Inspectie voor de Sanctietoepassing 

Sinds 1 januari 2005 bestaat de Inspectie voor de Sanctietoepassing (ISt). 
Deze nieuwe organisatie is onafhankelijk maar wel organisatorisch onderdeel 
van het Ministerie van Justitie. De belangrijkste taak van de Inspectie 
is het toezicht op de effectiviteit en de kwaliteit van de uitvoering van 
sancties, in het bijzonder op de aspecten bejegening en beveiliging. Het 
werkterrein van de Inspectie omvat alle vestigingen van de reclassering en 
alle onder de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) ressorterende landelijke 
diensten en inrichtingen. De hoofdkantoren van de reclassering en DJI zijn 
niet het primaire object van onderzoek, maar kunnen wel in een onderzoek 
betrokken worden. Zie verder: www.inspectiesanctietoepassing.nl. 

2.1.12 Het Centraal Justitieel Incasso Bureau 
De belangrijkste taak van het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) 
is het innen van verkeersboetes die door de justitiële instanties aan 
burgers en bedrijven worden opgelegd. Het CJIB verzorgt het gehele 
inningstraject, startend met het verzenden van de beschikking en 
eindigend met dwangmaatregelen als gijzeling. Daarnaast int het CJIB 
schadevergoedingsmaatregelen, ontnemingsmaatregelen, door de 
strafrechter opgelegde boetes, politie- en OM-transacties. Rechtbanken, 
politiekorpsen, de Koninklijke Marechaussee en het OM maken allemaal 
gebruik van de diensten van het CJIB. Ten slotte vervult het CJIB verschillende 
taken met betrekking tot de coördinatie van taakstraffen en arrestatiebevelen. 
Het CJIB is een agentschap van het Ministerie van Justitie. 


38 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

2.2 De fasen in het strafproces 
In deze paragraaf worden de verschillende fasen van het strafproces 
chronologisch beschreven. De eerste fase is de strafvordering in eerste 
aanleg. De tweede de behandeling in hoger beroep en/of cassatie (strafvordering 
in tweede aanleg). De laatste fase is de tenuitvoerlegging van 
het rechterlijk vonnis. De paragraaf eindigt met een korte weergave van 
grensoverschrijdend handelen van justitie-autoriteiten (de internationale 
rechtshulp). 

2.2.1 Strafvordering in eerste aanleg 
Het strafproces in eerste aanleg bestaat uit het voorbereidend onderzoek 
en het onderzoek ter terechtzitting, in de literatuur wordt dat laatste ook 
wel aangeduid als: hoofdonderzoek of eindonderzoek. Het hoofdonderzoek 
omvat óók de beraadslaging en de einduitspraak. 
Het voorbereidende onderzoek bestaat uit het opsporingsonderzoek, en 
eventueel een gerechtelijk vooronderzoek (gvo) en/of een strafrechtelijk 
financieel onderzoek. 
De ovj is verantwoordelijk voor het opsporingsonderzoek, de rc voor het 
gvo. 

Het opsporingsonderzoek 

Het strafproces begint vrijwel altijd met een opsporingsonderzoek. Veel 
zaken worden in deze fase al definitief afgerond en worden niet verder 
vervolgd omdat onvoldoende gegevens zijn verzameld om de zaak voor 
de rechter te kunnen brengen of omdat de zaak geschikt is voor een 
transactie of een sepot. 
Het opsporingsonderzoek begint als de politie of een andere opsporingsambtenaar 
kennis neemt van een vermoedelijk gepleegd strafbaar 
feit door een aangifte, door ontdekking op heterdaad of door zelf onderzoek 
te doen. Tijdens het opsporingsonderzoek verzamelen opsporingsambtenaren 
zo veel mogelijk gegevens o.a. door middel van het horen 
van getuigen, het zoeken van sporen en het inwinnen van deskundigenadvies. 
De resultaten van het opsporingsonderzoek worden vastgelegd in 
een proces-verbaal (pv). Daarin staat om welke strafbare feiten het gaat, 
wanneer deze plaatsvonden, wie de verdachten zijn en wat deze verdachten 
hebben verklaard, enzovoort. Het pv van een opsporingsambtenaar 
is een van de belangrijkste strafprocessuele stukken, omdat het op de 
terechtzitting kan worden gebruikt als doorslaggevend bewijsmiddel 
(artikel 344, lid 2 Sv). 
De politie maakt niet altijd een pv op. Zij kan de zaak seponeren indien 
het een kleine overtreding betreft. Het pv blijft dan achterwege. Het politiesepot 
is niet wettelijk geregeld maar wordt wel in de rechtspraak erkend 
(Enschede, 2005). 


Het Nederlandse strafrechtsysteem – een beschrijving op hoofdlijnen 39 

De politie heeft ten aanzien van minderjarigen nog een (voorwaardelijke) 
sepotbevoegdheid, onder verantwoordelijkheid van het OM, de zogenoemde 
Halt-afdoening (zie paragraaf 2.3.2). 
Tevens is het mogelijk dat de zaak zich leent voor een politietransactie 
(artikel 74c Sr). Door opsporingsambtenaren kan een transactie27 worden 
aangeboden aan iedereen voor overtredingen, aan volwassenen voor 
misdrijven. Als aan een voorwaarde (betaling van een geldsom) wordt 
voldaan, vindt geen vervolging plaats. 
Tijdens het opsporingsonderzoek kunnen de politie en de officier van justitie 
dwangmiddelen toepassen. Dit zijn strafprocesrechtelijke bevoegdheden 
waarmee inbreuken kunnen worden gemaakt op de rechten en vrijheden 
van personen, bijvoorbeeld staande houden, inbeslag neming van voorwerpen 
die als bewijsmateriaal kunnen dienen, onderzoek aan kleding, vragen 
naar sociaal-fiscaal nummer. De wet geeft precies aan wanneer welk dwangmiddel 
mag worden toegepast. De meest verstrekkende dwangmiddelen 
die de politie mag toepassen zijn aanhouding, ophouden voor verhoor, 
en inverzekeringstelling. Als het gaat om optreden waarmee inbreuk 
wordt gemaakt op grondrechten van burgers, moet de ovj (schouw; artikel 
150 Sv of stelselmatige observatie; artikel 97 Sv) of de rc (doorzoeken van 
woningen; artikel 110 Sv) daarover beslissen. 
De verdachte kan na aanhouding worden meegenomen naar het politiebureau 
om te worden verhoord. Dit ophouden voor verhoor mag maximaal 
zes uur duren.28 Indien het belang van het onderzoek29 dat vereist, 
kan de verdachte in verzekering worden gesteld. Dit gebeurt op last van 
de hulp-ovj of de ovj zelf. Het bevel tot inverzekeringstelling wordt slechts 
verleend bij een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten 
(artikel 67 en 67a Sv). De termijn voor inverzekeringstelling is ten hoogste 
drie dagen. Bij dringende noodzakelijkheid kan het bevel door de officier 
eenmaal voor ten hoogste drie dagen worden verlengd. Wel moet de 
verdachte uiterlijk drie dagen en vijftien uur na zijn aanhouding worden 
voorgeleid aan de rc die is belast met strafzaken (artikel 59a Sv). Bij 
minderjarigen treedt de kinderrechter op als rc. Indien de ovj de verdachte 
langer vast wil houden, moet hij bij de rc de inbewaringstelling vorderen. 
Hierdoor kan de verdachte nog eens veertien dagen worden vastgehouden. 
De politie gebruikt de periode van inbewaringstelling vooral voor nader 
onderzoek naar de feiten waarop de verdenking is gebaseerd. Binnen die 
termijn kan de ovj de (raadkamer van de) rechtbank vragen gevangenhouding 
van de verdachte te bevelen. Indien het een minderjarige verdachte 
betreft, vraagt de ovj het bevel tot gevangenhouding aan de kinderrechter. 

27 De tot transactie gerechtigde opsporingsambtenaren worden aangewezen bij Algemene Maatregel van 

Bestuur. Hun transactiebevoegdheid is afgeleid van die van het OM. 
28 De uren tussen 24.00 en 9.00 uur niet meegerekend. 
29 Bij het belang van het onderzoek kan bijvoorbeeld zijn: het nader verhoren van de verdachte, de 

confrontatie van getuigen met de verdachte, het opsporen van een medeverdachte zonder dat de verdachte 
de gelegenheid heeft hem in te lichten of het achterhalen of verifiëren van de identiteit van de verdachte. 


40 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Indien de rc in zijn bevel inbewaringstelling reeds heeft aangegeven dat 
er volgens hem tegen de verdachte ernstige verdenkingen bestaan en dat 
tevens bij vrijlating een kans op herhaling bestaat, zal de raadkamer van 
de rechtbank doorgaans een bevel tot gevangenhouding afgeven. De duur 
van dit bevel is maximaal negentig dagen. 
De behandeling van de strafzaak op de terechtzitting tegen de voorlopig 
gehechte zal volgens de wet in ieder geval uiterlijk binnen 110 dagen na 
de aanhouding van de verdachte moeten aanvangen. De rechter kan vervolgens 
verder uitstel bevelen, als het vooronderzoek nog niet is voltooid. 
Na afloop van het opsporingsonderzoek kan de ovj een van de vier mogelijke 
beslissingen nemen: seponeren, transigeren, een gvo vorderen of, 
indien de ovj van oordeel is dat er voldoende bewijs is om tot een veroordeling 
te komen, overgaan tot de dagvaarding van de verdachte. 

Het gerechtelijk vooronderzoek (artikel 181 Sv) 

Als bepaalde dwangmiddelen worden toegepast, is het gerechtelijk vooronderzoek 
(gvo) wettelijk voorgeschreven. De ovj bepaalt of er een gvo 
wordt gevorderd, dat vervolgens onder leiding van de rc plaatsvindt. 
Tegelijkertijd mag de ovj het opsporingsonderzoek voortzetten. De 
bevoegdheden van de rc gaan verder dan die van de politie en de ovj. 
De rc beslist over het afgeven van machtigingen voor de toepassing van 
dwangmiddelen (zoals huiszoeking tegen de wil van de bewoner, afluisteren 
van telefoonverkeer, onderzoek aan lichaam of kleding, afnemen 
van lichaamsmateriaal voor DNA-onderzoek). De rc is ook belast met het, 
eventueel onder dwang, horen van getuigen en de verdachte. Het gvo is 
zowel aanvullend op het opsporingsonderzoek als voorbereidend voor de 
terechtzitting. 
Zodra de rc meent dat genoeg gegevens voorhanden zijn voor een beslissing 
over het vervolg van de strafzaak, kan hij het gvo sluiten. Dat zal 
hij ook doen als hij meent dat het onderzoek niet voldoende informatie 
oplevert om verdere vervolging te rechtvaardigen. 
Na afloop van het gvo moet de ovj beslissen of hij van verdere vervolging 
afziet (seponeert of voorwaardelijk seponeert), de verdachte een transactie 
aanbiedt dan wel hem gaat dagvaarden. De ovj blijft verantwoordelijk 
voor de strafvervolging van de verdachte en neemt uiteindelijk zelf de 
beslissing over de verdere vervolging van de zaak. De rechter krijgt dus 
geen zaken ter berechting voorgelegd tenzij de officier daartoe besluit. 
Bij de invoering van het Wetboek van Strafvordering in 1926 werd in de 
meeste strafzaken het voorbereidend onderzoek uitgevoerd in de vorm 
van een gvo en dus door de rc. Met de verdergaande professionalisering 
van de politie is dat in de loop van de tijd veranderd en kreeg het 
voorbereidend onderzoek in steeds meer zaken de vorm van een opsporingsonderzoek. 
Deze ontwikkeling is door de wetgever gevolgd in het 
bijzonder in de Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden (Wet BOB) 
waarin de ovj de centrale autoriteit van het voorbereidend onderzoek is. 


Het Nederlandse strafrechtsysteem – een beschrijving op hoofdlijnen 41 

Voor de daarin geregelde bijzondere opsporingsmethoden zoals stelselmatige 
observatie en pseudo-koop heeft de ovj exclusieve beslissingsbevoegdheid.
30 Verder komt het steeds vaker voor dat de betrokkenheid 
van de rc voor bepaalde onderzoekshandelingen wordt geregeld in de wet 
buiten het kader van een gvo zoals bijvoorbeeld in de Wet BOB, waar voor 
de telefoontap en het direct afluisteren een machtiging van de rc is vereist 
zonder dat een gvo is gevorderd. 

Het strafrechtelijk financieel onderzoek 

Los van de voorbereiding op de berechting van een strafbaar feit kan 
een ‘voorbereidend onderzoek’ worden verricht om het wederrechtelijk 
verkregen financiële voordeel af te romen. Dit strafrechtelijk financieel 
onderzoek (sfo) wordt door de ovj ingesteld waarbij hij een machtiging 
nodig heeft van de rc om het sfo te openen (artikel 126 Sv). Het onderzoek 
is gericht op de bepaling van het door de verdachte wederrechtelijk 
verkregen voordeel, met het oog op de ontneming daarvan (artikel 36e Sr 
en 126 Sv). Het onderzoek kan worden ingesteld in geval van verdenking 
van een strafbaar feit, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie 
(maximaal € 67.000) kan worden opgelegd, en waardoor op geld waardeerbaar 
voordeel van enig belang kan zijn verkregen. Bij de uitvoering van 
de ontnemingswetgeving speelt het Bureau Ontnemingswetgeving van 
het Openbaar Ministerie (BOOM) een rol, die vooral in complexe ontnemingszaken 
het OM, en in mindere mate, ook de opsporingsinstanties en 
de zittende magistratuur steunt bij de uitvoering van de beslag-, beheer- 
en executietaken. De vordering tot ontneming van het wederrechtelijk 
verkregen voordeel zal als regel binnen twee jaar na de einduitspraak in 
eerste aanleg aanhangig moeten worden gemaakt. De behandeling door 
de rechter van een ontnemingszaak verloopt vrijwel op dezelfde wijze 
als het gewone onderzoek ter zitting (artikel 511 d,e Sv). De vordering tot 
ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan alleen worden 
toegewezen als in eerste aanleg in de hoofdzaak een veroordeling heeft 
plaatsgevonden. 

Het onderzoek ter terechtzitting 

Het onderzoek ter terechtzittting heeft als doel op basis van de door de 
ovj opgestelde aanklacht de verzamelde gegevens ter discussie te stellen 
tussen OM, de verdachte en zijn raadsman en de rechter. Ook ter terechtzitting 
kunnen nog nieuwe gegevens aan de orde worden gesteld. De 
gehele behandeling ter terechtzitting tot en met de beraadslagingen en de 
einduitspraak wordt ook wel aangeduid als het hoofdonderzoek of eindonderzoek. 
Het onderzoek ter terechtzitting vindt in de openbaarheid plaats 

30 Bij enkele zeer ingrijpende methoden zoals politiële infiltratie is de toestemming van het college van 
procureurs-generaal nodig dat zich laat adviseren door de centrale toetsingscommissie (CTC). 


42 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

(artikel 121 GW en artikel 4 en 5 RO)31 waardoor het extra aandacht krijgt 
en het meest tot de verbeelding sprekende deel van het strafrecht is. Het 
is echter niet zo dat het strafrecht zich vooral in de rechtszaal afspeelt. 
Het grootste deel van de misdrijfzaken en van de overtredingen komt niet 
voor de rechter.32 In de zaken die wel voor de rechter komen, speelt een 
groot deel van het proces zich voor de zitting af. 
Het onderzoek ter terechtzitting wordt geopend met het uitroepen van 
de strafzaak, meestal door een deurwaarder (artikel 270 Sv). Vanaf dat 
moment is de zaak bij de rechter en mag daar niet worden weggehaald. De 
verdachte heeft vanaf dat moment ook recht op een uitspraak. Vervolgens 
wordt vastgesteld of de verdachte is verschenen. Is hij niet verschenen, 
dan onderzoekt de rechter of de dagvaarding geldig is uitgereikt. Is dat 
niet het geval, dan verklaart de rechter de dagvaarding nietig. Heeft de 
uitreiking wel geldig plaatsgevonden, dan kan de rechter de verdachte 
bevelen om in persoon te verschijnen omdat hij het wenselijk acht dat 
de verdachte aanwezig is. Ziet hij geen reden voor de aanwezigheid van 
de verdachte, dan wordt tegen de verdachte verstek verleend en vindt de 
behandeling van de zaak buiten aanwezigheid van de verdachte plaats. 
Het OM draagt vervolgens de zaak voor door middel van het voorlezen 
van de tenlastelegging. Daarna onderzoekt de rechtbank de feiten en de 
persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Als de rechtbank het 
onderzoek en het ter discussie stellen van de gegevens heeft afgerond 
kan, in ernstige zaken, het slachtoffer zijn spreekrecht uitoefenen. Daarna 
krijgt het OM opnieuw het woord voor het requisitoir waarin het OM 
aangeeft wat de beslissing in deze zaak zou moeten zijn. Vervolgens is het 
woord aan de verdachte en diens raadsman om zijn visie te geven. Op dit 
pleidooi kan de ovj weer reageren en kunnen opnieuw onderdelen van 
de strafzaak aan de orde worden gesteld. De verdachte heeft het laatste 
woord (artikel 411 lid 4 Sv). Vervolgens sluit de rechtbank het onderzoek 
en trekt zich terug in de raadkamer. Alleensprekende rechters zoals de 
kantonrechter, de politierechter, de kinderrechter en de alleensprekende 
rechter in hoger beroep (de unus in appel) behoeven zich niet terug te 
trekken en kunnen direct vonnis wijzen. 
Na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting kan dus direct uitspraak 
worden gedaan, of door de voorzitter worden meegedeeld wanneer de 
uitspraak door de rechtbank zal plaatsvinden. De rechtbank beraadt 
zich daarna over het vonnis aan de hand van een aantal in het Wetboek 
van Strafvordering genoemde vragen. De vragen kunnen worden onderscheiden 
in processuele vragen (artikel 348 Sv) en vragen omtrent inhoudelijke 
aspecten (artikel 350 Sv). Indien de rechter heeft vastgesteld dat de 
dagvaarding geldig is, hij bevoegd is, het OM ontvankelijk is en er geen 

31 Artikel 269 lid 1 Gw maakt het wel mogelijk dat de rechter de sluiting der deuren kan bevelen onder 

meer in het belang van de goede zeden, de openbare orde en de staatsveiligheid. Zie voor een 

overzichtsstudie over de openbaarheid van de strafrechtspleging: M. Malsch, 2005. 
32 Zie hoofdstuk 7. 


Het Nederlandse strafrechtsysteem – een beschrijving op hoofdlijnen 43 

redenen zijn tot schorsing van de vervolging, gaat hij over tot de inhoudelijke 
vragen. De rechter beoordeelt eerst of wettig en overtuigend is 
bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Is dat niet het 
geval, omdat het bewijs niet spoort met de limitatief opgesomde bewijsmiddelen 
van artikel 339-344 Sv of omdat hij niet de innerlijke overtuiging 
heeft dat het tenlastegelegde door de verdachte is gepleegd, dan wordt 
de verdachte vrijgesproken. Indien wel wettig en overtuigend is bewezen 
dat in de dagvaarding omschreven feiten door de verdachte zijn gepleegd, 
stelt de rechter vervolgens vast of dit bewezenverklaarde een strafbaar feit 
oplevert (de zogenoemde kwalificatie) en zo ja welk strafbaar feit dat is. 
Indien het bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert, volgt ontslag 
van rechtsvervolging. Levert het bewezen verklaarde wel een strafbaar feit 
op, dan beoordeelt de rechter of de dader strafbaar is.33 Is de dader niet 
strafbaar, dan volgt ontslag van rechtsvervolging. Wordt de dader wel als 
strafbaar beoordeeld, dan komt de rechter toe aan de laatste vraag: welke 
straf of maatregel moet worden opgelegd? Uiteindelijk doet de rechter 
uitspraak. Hierbij moet hij alles wat hij van de verdachte weet, meewegen. 
In overeenstemming met het bepaalde in de Grondwet geschiedt de 
uitspraak, tenzij anders is bepaald in de wet, altijd in het openbaar (artikel 
121 Gw). 

2.2.2 Behandeling in hoger beroep en/of cassatie 
De uitkomst van een strafzaak kan voor zowel de veroordeelde als het 
OM onbevredigend zijn. Beide partijen kunnen daartegen opkomen met 
behulp van rechtsmiddelen: verzet (in verstekzaken), hoger beroep en 
beroep in cassatie. Veroordeelde en OM kunnen eenmaal in hoger beroep 
gaan bij een hogere rechter. Van vonnissen van de rechtbank is hoger 
beroep mogelijk bij het gerechtshof. Het beroep moet in het algemeen binnen 
veertien dagen na de uitspraak worden ingesteld. De behandeling van 
de zaak in hoger beroep kan neerkomen op een geheel nieuwe feitelijke 
behandeling, maar meestal zal het gaan om behandeling van het punt dat 
partijen verdeeld houdt, zoals de hoogte van de strafmaat. Van de in hoger 
beroep gewezen uitspraken kunnen de meerderjarige verdachte en het 
OM weer binnen veertien dagen na de uitspraak in cassatie gaan bij de HR. 
Cassatie onderscheidt zich van het hoger beroep doordat het niet strekt tot 
een (geheel) nieuwe behandeling van de zaak. Het dient ertoe vast te stellen 
of de aangevallen beslissing wel overeenkomstig het recht is en de in 
acht te nemen vormen zijn gerespecteerd.34 Met de inwerkingtreding van 
het wetsvoorstel inzake het stroomlijnen van hoger beroep35 zullen enkele 

33 Dat kan bijvoorbeeld niet het geval zijn als het feit de dader niet kan worden toegerekend wegens een 

gebrekkige ontwikkeling of een ziekelijke stoornis of om andere redenen zoals overmacht, noodweer 

of noodweerexces. 
34 Zie verder: Van Dorst (2004), Stamhuis (2004). 
35 Wet van 5 oktober 2006 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot het hoger 


44 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

wijzigingen in het stelsel van hoger beroep worden doorgevoerd waarbij 
het aantal en de reikwijdte van de rechtsmiddelen die kunnen worden 
ingesteld afhankelijk zijn van de aard en het gewicht van de verschillende 
strafzaken. Naast bagatelzaken waarin zal worden volstaan met 
één rechterlijke instantie, worden de relatief ernstige zaken onderscheiden 
waar recht gesproken kan worden in drie instanties: eerste aanleg, hoger 
beroep en cassatie. Ten slotte is er een middencategorie van zaken van 
beperkte omvang en een relatief gering belang waarin een berechting in 
twee volledige rechterlijke instanties niet nodig is, en met een verlofstelsel 
zal worden gewerkt. Dit houdt in dat na een volledige behandeling in 
eerste aanleg, de voorzitter van het gerechtshof toetst of een behandeling 
in hoger beroep in het belang van een goede rechtsbedeling is. 

2.2.3 De tenuitvoerlegging 
Als voor de verdachte geen hoger beroep of cassatie meer openstaat, is 
de veroordeling onherroepelijk (definitief) en kan het vonnis ten uitvoer 
worden gelegd. Alleen gratie kan in een aantal gevallen daar verandering 
in brengen. Artikel 2 van de Gratiewet somt de gronden op waarvoor 
gratie kan worden verleend. De straffen en maatregelen waarvoor gratie 
kan worden verzocht, zijn opgenomen in artikel 558 Sv. De veroordeelde 
heeft overigens geen recht op gratie; gratie is een gunstbetoon, verleend 
bij koninklijk besluit. 

De verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van het strafvonnis 
ligt bij het OM. Het OM draagt niet zelf zorg voor de feitelijke tenuitvoerlegging 
van sancties, maar draagt deze op aan verschillende justitiële of 
particuliere instellingen. Deze instanties onderscheiden zich niet alleen 
van elkaar naar aard van de te executeren sanctie, maar vaak ook naar 
leeftijd van de veroordeelde (minder-of meerderjarig). Zo is de verantwoordelijkheid 
voor de tenuitvoerlegging van taakstraffen voor minderjarigen 
opgedragen aan de Raad voor de Kinderbescherming, terwijl de 
verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van taakstraffen voor 
meerderjarigen is opgedragen aan de reclassering. 
De tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen 
wordt steeds overgedragen aan het Ministerie van Justitie (i.c. DJI) die 
daarmee ook de verantwoordelijkheid overneemt. Vrijheidsbeneming 
gebeurt in drie soorten van justitiële inrichtingen: penitentiaire inrichtingen 
(gevangenissen en huizen van bewaring), justitiële jeugdinrichtingen 
en tbs-inrichtingen (tegenwoordig ook aangeduid als: forensisch psychiatrische 
centra). Het gevangeniswezen kent een groot aantal verschillende 

beroep in strafzaken, het aanwenden van gewone rechtsmiddelen en het wijzigen van de tenlastelegging 
(stroomlijnen hoger beroep) zoals aangekondigd in de notitie ‘Algemeen kader herziening Wetboek van 
Strafvordering (Kamerstukken 29 271 nr. 1) Stb 2006/470, Kamerstukken 30 320. 


Het Nederlandse strafrechtsysteem – een beschrijving op hoofdlijnen 45 

regimes; de mate van beveiliging varieert van extra beveiligde tot zeer 
beperkt beveiligde inrichting. 
Wanneer een verdachte die tot een gevangenisstraf wordt veroordeeld, 
voorafgaand aan het vonnis niet preventief was gehecht, zal deze na het 
onherroepelijk worden van het vonnis worden opgeroepen zich op een 
bepaalde datum bij een bepaalde zelfmeldinrichting te melden. Tot die 
datum is sprake van een lopend vonnis. Het parket stuurt het vonnis 
naar het Landelijk Coördinatiepunt Arrestatiebevelen (LCA) van het CJIB 
waar wordt onderzocht of de gestrafte oproepbaar is. Wanneer dit niet het 
geval blijkt te zijn (bijvoorbeeld verblijfplaats onbekend), zal de persoon 
in kwestie ter arrestatie worden geregistreerd in het opsporingsregister 
(OPS). Wanneer de gestrafte wél oproepbaar is, krijgt de gestrafte een 
oproep thuisgestuurd waarin staat vermeld op welke vastgestelde datum 
hij zich bij een bepaalde inrichting moet melden. 
Met het oog op de problematiek van de tekorten aan sanctiecapaciteit 
is sinds 2003 het zogenoemde ‘elektronisch toezicht’ ingevoerd en sinds 
2005, zij het op experimentele basis, de elektronische detentie. De toepassing 
van het elektronisch toezicht kan deel uitmaken van een penitentiair 
programma (artikel 7a Penitentiaire Maatregel) of als bijzondere 
voorwaarde door de rechter worden opgelegd (Aanwijzing Elektronisch 
Toezicht). Door middel van het elektronisch toezicht wordt gecontroleerd 
of de veroordeelde zich binnen of buiten het bereik van een ontvanger 
bevindt die is opgesteld in diens huis. De reclassering draagt de verantwoordelijkheid 
voor de uitvoering van het elektronisch toezicht. 
Elektronische detentie is een vorm van vrijheidsbeneming met de 
verplichting om doorlopend thuis te zijn. De aanwezigheid wordt met 
elektronische middelen gecontroleerd. Met elektronische detentie is 
geëxperimenteerd als executiemodaliteit onder de verantwoordelijkheid 
van DJI (Post, Tielemans, Woldringh, 2005). Op dit moment is een wetsvoorstel 
in voorbereiding waarmee de elektronische detentie een door de 
rechter op te leggen hoofdstraf wordt onder de benaming: thuisdetentie. 

Vergoeding van schade bij strafvorderlijk optreden 

Het Wetboek van Strafvordering kent enkele voorzieningen bij schade 
die het gevolg is van de strafvorderlijke activiteiten (Kwakman, 2003). 
In de eerste plaats is er de schadevergoedingsregeling in verband met de 
voorlopige hechtenis (artikel 89 e.v. Sv). De verdachte die in voorlopige 
hechtenis heeft gezeten zonder dat er een straf of een maatregel is opgelegd, 
of voor een feit waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten, 
heeft recht op een vergoeding van geleden schade. Behalve om vermogensschade 
(verlies van inkomsten als gevolg van detentie) kan ook ideële 
schade vergoed worden. Verder kent het wetboek de proceskostenvergoedingsregeling 
(artikel 591, 591a Sv), de vergoedingsregeling voor de kosten 
bij voeging door een benadeelde partij (artikel 592a Sv) en de kosten



46 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

vergoedingsregeling in verband met bevelen van jusititiële autoriteiten tot 
uitlevering of overbrenging van voorwerpen (artikel 592 Sv). 

2.2.4 Internationale samenwerking in strafzaken 
Elke staat is buiten de eigen landsgrenzen voor de opsporing en het 
onderzoek afhankelijk van de bereidheid tot samenwerking van en met 
andere staten: de strafrechtelijke samenwerking in strafzaken. Daarin valt 
te onderscheiden: de politiële en de justitiële samenwerking. Deze samenwerking 
vindt veelal plaats op basis van bi- of multilaterale verdragen, al 
zijn er ook wijzen van samenwerking waarin de Nederlandse wetgeving 
mogelijkheden biedt om samen te werken zonder verdragsbasis (artikel 
552h e.v. Sv). De justitiële samenwerking wordt traditioneel de internationale 
rechtshulp in strafzaken genoemd. De internationale rechtshulp 
wordt verdeeld in primaire en secundaire rechtshulp (Enschede, 2005). 
Tot de primaire rechtshulp wordt de overdracht en overname van strafvervolging 
of van de tenuitvoerlegging van strafvonnissen gerekend. De 
secundaire rechtshulp is het meest voorkomend en omvat de uit- of de 
overlevering en de wederzijdse rechtshulp in strafzaken.De wederzijdse 
rechtshulp, ook wel kleine rechtshulp genoemd, betreft de uitvoering van 
een verzoek tot het verrichten van strafvorderlijke handelingen door de 
ene staat (de aangezochte staat) ten behoeve van een in voorbereiding 
zijnde of aanhangige strafzaak in de verzoekende staat. Meestal gaat het 
om vergaren en overdragen van bewijsmateriaal. 

Uitlevering kan naar Nederlands recht slechts op basis van een verdrag 
plaatsvinden. Het houdt in dat op verzoek van een staat een persoon 
die zich in een andere staat bevindt, aldaar wordt aangehouden en met 
het oog op een strafvervolging of de tenuitvoerlegging van een straf, 
gedwongen wordt overgebracht naar de verzoekende staat. Hoewel voor 
uitlevering in het algemeen een rechterlijke procedure geldt, berust de 
beslissingsbevoegdheid bij een lid van de regering. In Nederland is de 
nationale procedure geregeld in de Uitleveringswet. 
Sinds 2004 is in de Europese Unie de uitlevering vervangen door de overlevering. 
Dit vindt niet langer op basis van een verdrag plaats, maar op 
basis van nationale wetgeving die rechtstreeks voortvloeit uit het Kader-
besluit inzake het Europees aanhoudingsbevel en de procedures voor 
overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie. De grondgedachte 
achter het gehele overleveringssysteem is de integratie binnen de EU en 
de overweging dat een efficiëntere procedure noodzakelijk en verantwoord 
is. De belangrijkste wijziging ten opzichte van de uitlevering is dat 
de beslissingsbevoegdheid bij de justitiële autoriteiten berust en dat het 
aantal weigeringsgronden aanzienlijk is teruggedrongen. De betrokkene 
heeft nog steeds het recht om in een rechterlijke procedure gehoord te 
worden. In Nederland is het een en ander vastgelegd in de Overleverings



Het Nederlandse strafrechtsysteem – een beschrijving op hoofdlijnen 47 

wet en is de Rechtbank Amsterdam exclusief bevoegd om alle Europese 
aanhoudingsbevelen te behandelen en een beslissing te nemen over de 
overlevering. Die beslissing is onherroepelijk. Er staat dus geen beroep 
tegen open. Alleen via het bijzondere rechtsmiddel van cassatie in het 
belang der wet, kunen onjuiste interpretaties van de Overleveringswet 
worden gecorrigeerd.36 

2.3 Sancties in het strafrecht 
De hoofdregel van het sanctiestelsel is dat de wet de (hoofd)strafsoort en 
het maximum daarvan per delict bepaalt. De strafminima worden niet 
per delict maar per strafsoort bepaald. Het minimum van de gevangenisstraf 
en hechtenis is één dag (artikel 10 lid 2 Sr, 18 lid 1 Sr) en van geldboete: 
drie euro (artikel 23 lid 2 Sr). De taakstraf kent geen minimum. 
De sancties in het Wetboek van Strafrecht worden onderverdeeld in 
straffen en maatregelen. De straffen worden weer onderverdeeld in hoofdstraffen 
en bijkomende straffen. 
De hoofdstraffen zijn gericht op vergelding of afschrikking, de maatregelen 
op bescherming van de belangen van de maatschappij of van de dader. 
Bij een maatregel hoeft, in tegenstelling tot de straf, geen rechtstreeks 
verband te bestaan tussen de ernst van de gepleegde feiten en de zwaarte 
van de strafrechtelijke reactie daarop. In de wetsartikelen staat de maximumstraf 
die de rechter voor het desbetreffende delict kan opleggen. De 
vrij grote afstand tussen het algemene minimum37 per strafsoort en het 
bijzondere maximum in de afzonderlijke sanctienormen geeft de grote 
beslissingsvrijheid die de wet aan de rechter laat aan en is kenmerkend 
voor het Nederlandse strafrechtsysteem. De rechter heeft ook de mogelijkheid 
om de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf 
als hij van mening is dat geen straf aan de dader moet worden opgelegd, 
bijvoorbeeld gelet op de geringe ernst van het feit en de persoonlijkheid 
van de dader (rechterlijk pardon, artikel 9a Sr). 

2.3.1 Meerderjarigen 
Het Wetboek van Strafrecht noemt in artikel 9 de volgende hoofdstraffen: 
gevangenisstraf, hechtenis, taakstraf en geldboete. Met de volgorde van 
deze opsomming drukt de wetgever de zwaarte van de straf uit. De hoofdstraffen 
kunnen geheel of gedeeltelijk voorwaardelijk worden opgelegd. 
Een voorwaarde bij een voorwaardelijke straf is bijvoorbeeld het binnen 
een bepaalde termijn (meestal twee jaar) vergoeden van de schade aan het 

36 Zie verder over het Europees Aanhoudingsbevel: A. Smeulders (2004). 
37 Veel buitenlandse strafrechtstelsels kennen strafminima per delict. Zie bijv Van Kalmthout,Tak (2003). 



48 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

slachtoffer. Indien de veroordeelde de voorwaarde niet naleeft, loopt hij de 
kans dat de voorwaardelijke straf wordt omgezet in een onvoorwaardelijke. 

Gevangenisstraf 

De gevangenisstraf is de zwaarste straf van het Nederlandse sanctie-
bestel. Deze straf kan alleen voor misdrijven worden opgelegd. De duur 
van de gevangenisstraf kan levenslang of tijdelijk zijn. Slechts door middel 
van gratie kan de levenslange straf worden omgezet in een tijdelijke 
gevangenisstraf. De tijdelijke gevangenisstraf varieert van een dag tot 
ten hoogste dertig jaar. Het maximum van de tijdelijke gevangenisstraf is 
sinds 1 februari 2006 voor bepaalde delicten verhoogd van twintig naar 
dertig jaar (artikel 10 lid 3 Sr). Het gaat om een alternatief voor de gevallen 
waarin de wet een levenslange gevangenisstraf bedreigt, zoals in het geval 
van moord (artikel 289 Sr). 
De veroordeelde tot een tijdelijke gevangenisstraf van meer dan een 
half jaar komt in aanmerking voor vervroegde invrijheidstelling (vi). Voor 
de veroordeelde tot een straf van een half jaar tot een jaar gaat de vi in 
wanneer van de straf zes maanden plus eenderde deel van het meerdere 
is ondergaan. Voor de veroordeelde tot een straf van langer dan een jaar 
geldt dat twee derde van de straf moet zijn ondergaan. De wet noemt 
uitzonderingen wanneer de vi niet wordt verleend of wordt uitgesteld, 
bijvoorbeeld als de veroordeelde zich tijdens zijn gevangenschap ernstig 
heeft misdragen of is ontsnapt (artikel 15a Sr). Het OM kan dan aan de 
penitentiaire kamer van het hof in Arnhem verzoeken om de vi uit te stellen 
of er geheel van af te zien. In 2006 is bij de Tweede Kamer een wetsvoorstel 
ingediend tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enige 
andere wetten in verband met de wijziging van de vervroegde invrijheidstelling 
in een voorwaardelijke invrijheidstelling.38 De regeling van de 
voorwaardelijke invrijheidstelling is van toepassing op vrijheidsstraffen 
met een duur van meer dan een jaar. De regeling van de voorwaardelijke 
invrijheidstelling is niet van toepassing indien de rechter een deels voorwaardelijke 
vrijheidsstraf heeft opgelegd. De voorwaardelijke invrijheidstelling 
vindt van rechtswege plaats waneer twee derde van de door de 
rechter opgelegde vrijheidsstraf is ondergaan. Voor straffen met een duur 
van tussen een jaar en twee jaar, vindt voorwaardelijke invrijheidstelling 
plaats wanneer de vrijheidsbeneming ten minste een jaar heeft geduurd 
en van het dan nog ten uitvoer te leggen gedeelte van de straf eenderde 
gedeelte is ondergaan. De voorwaardelijke invrijheidstelling geschiedt 
onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde 
van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Indien de 
veroordeelde de voorwaarden niet naleeft, kan de voorwaardelijke invrijheidstelling 
worden herroepen. 

38 Kamerstukken II, 2005-07, 30 513. 


Het Nederlandse strafrechtsysteem – een beschrijving op hoofdlijnen 49 

De regeling van de rechten en plichten van gedetineerden is te vinden in 
de Penitentiaire beginselenwet. De wet biedt de mogelijkheid om binnen 
één inrichting verschillende regimes te voeren, maakt het mogelijk 
mannen en vrouwen binnen één inrichting onder te brengen en kent de 
mogelijkheid voor gedetineerden om extramuraal (dat wil zeggen, buiten 
de muren van de penitentiaire inrichting) een penitentiair programma te 
volgen (zie artikel 4 lid 1 van de Penitentiaire beginselenwet). Het penitentiaire 
programma houdt in dat gedetineerden in de laatste fase van 
hun vrijheidsstraf buiten een justitiële inrichting verplicht deelnemen 
aan bepaalde activiteiten, bijvoorbeeld arbeidsprojecten, vorming en 
onderwijs. Een gestrafte kan in aanmerking komen voor een penitentiair 
programma als hij een gevangenisstraf uitzit die langer is dan zes 
maanden en daarvan ten minste de helft heeft uitgezeten. Het doel van 
een penitentiair programma is de gedetineerde beter voor te bereiden op 
terugkeer naar de samenleving en kan met of zonder elektronisch toezicht 
worden uitgeoefend. Zie voor verdere informatie: www. reclassering.nl. 

Hechtenis 

De hechtenis kan voor minimaal één dag en maximaal één jaar en vier 
maanden worden opgelegd voor voornamelijk de zwaardere overtredingen. 
Het verschil tussen gevangenisstraf en hechtenis is historisch 
verklaarbaar en bestaat in de wijze van tenuitvoerlegging van de straffen. 
De gevangenisstraf werd oorspronkelijk ten uitvoer gelegd in een streng 
en sober regime, de hechtenis in een veel minder streng regime maar 
tegenwoordig zijn deze verschillen bijna geheel verdwenen. 

Taakstraf 

De taakstraf dankt zijn ontstaan aan twee ontwikkelingen, namelijk enerzijds 
de sterke stijging van de criminaliteit, die de druk op de celcapaciteit 
deed toenemen en anderzijds het streven naar verdergaande differentiatie 
en humanisering van het strafrecht. Tot 1 februari 2001 was de taakstraf 
voor volwassenen vooral een alternatief voor een onvoorwaardelijke 
gevangenisstraf van maximaal zes maanden. Sinds februari 2001 is de 
taakstraf als zelfstandige hoofdstraf in het Wetboek van Strafrecht opgenomen. 
Hiermee heeft ook de leerstraf een wettelijke grondslag gekregen 
en is voorzien in een uitbreiding van de gevallen waarin een taakstraf kan 
worden opgelegd. De taakstraf kan worden opgelegd voor ieder misdrijf 
of iedere overtreding waar een vrijheidsstraf op staat. Tevens is het mogelijk 
een taakstraf te combineren met een vrijheidsstraf van maximaal zes 
maanden. De combinatie van taakstraf en geldboete is ook mogelijk. 

De taakstraf bestaat uit een werkstraf, een leerstraf of een combinatie 
van beide. Taakstraffen kunnen door zowel de rechter als het OM worden 
toegepast. Strikt genomen zijn alleen die taakstraffen een straf, die zijn 


50 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

opgelegd door de rechter. Een taakstraf die wordt overeengekomen tussen 
de ovj en de verdachte is feitelijk een transactie. 
Een werkstraf (maximaal 240 uur) is de meest toegepaste taakstraf en 
bestaat meestal uit het verlenen van diensten die enig maatschappelijk 
nut hebben, zoals het werken in ziekenhuizen en verpleeghuizen, het 
schoonmaken van openbare gebouwen of parken, het verrichten van werk 
voor ideëel gerichte instellingen. Zij wordt in tegenstelling tot de vrijheidsstraf 
in de samenleving uitgevoerd. Bij een leerstraf (maximaal 480 
uur) is de veroordeelde verplicht cursussen te volgen (bijvoorbeeld Slachtoffer 
in beeld of Training Sociale Vaardigheden). Leerstraffen variëren van 
vijf avonden tot een intensief programma van veertig uur per week gedurende 
drie maanden of meer. De reclassering is verantwoordelijk voor de 
uitvoering van taakstraffen voor meerderjarigen. 
Indien de veroordeelde zijn taakstraf niet goed uitvoert, moet hij een 
vervangende vrijheidsstraf ondergaan. De rechter geeft bij het vonnis al 
aan hoe lang die vervangende vrijheidsstraf zal gaan duren.39 

Geldboete 

De geldboete, die dateert van 1886, was bij de introductie vooral bedoeld 
om overtredingen te bestraffen. Sinds 1983 kan de geldboete voor alle 
strafbare feiten worden opgelegd, zelfs voor delicten waarvoor de rechter 
levenslang kan opleggen. 
De geldboete bedraagt minimaal drie euro. De wet (artikel 23 Sr) onderscheidt 
zes boetecategorieën met maxima van € 335, € 3.350, € 6.700, 
€ 16.750, € 67.000, € 670.000. 
Bij niet-betaling van de geldboete of het ontbreken van verhaalsmogelijkheden 
wordt de boete vervangen door hechtenis, met als uitgangspunt: 
voor elke € 25 één dag vervangende hechtenis (artikel 24c Sr). Met de 
inning van geldboeten en transacties is het Centraal Justitieel Incasso 
Bureau belast. 

Bijkomende straffen 

Naast de hoofdstraffen kent de wet de bijkomende straffen die voorheen 
alleen in combinatie met een hoofdstraf konden worden opgelegd. Sinds 
enkele jaren kan de bijkomende straf ook afzonderlijk worden opgelegd 
(artikel 9 lid 5 Sr). 
De bijkomende straffen die de rechter kan opleggen zijn opgesomd in 
artikel 9 van het Wetboek van Strafrecht, maar ook een aantal bijzondere 
wetten, zoals in de Wegenverkeerswet, waarin is geregeld dat een bestuurder 
uit de bevoegdheid om een motorrijtuig te besturen kan worden gezet 
(artikel 179 WVW). 

39 Een werkstraf van 240 uur staat ongeveer gelijk aan vier maanden vrijheidsstraf. Een taakstraf van 
480 uur staat gelijk aan maximaal 480 uur vrijheidsstraf. 


Het Nederlandse strafrechtsysteem – een beschrijving op hoofdlijnen 51 

Het Wetboek van Strafrecht noemt als bijkomende straffen onder meer: 

– 
de ontzetting van bepaalde rechten (bijvoorbeeld ontzetting uit een 
ambt of beroep; zie verder artikel 28 lid 1 Sr dat de rechten opsomt 
waarvan een schuldige kan worden ontzet); 
– 
de verbeurdverklaring; dat betekent dat het eigendomsrecht op een 
bepaald voorwerp, waarvan meestal misbruik is gemaakt, komt te 
vervallen. Artikel 33a Sr bepaalt dat het bij een verbeurdverklaring 
moet gaan om voorwerpen die door het strafbaar feit zijn verkregen, 
of tot het begaan daarvan hebben gediend. 
Maatregelen 

De strafrechtelijke maatregelen zijn geregeld in titel IIa van het Wetboek 
van Strafrecht. Het zijn instrumenten van de overheid om op te kunnen 
treden in het algemeen belang. Dit optreden kan nodig zijn, naast de 
beslissing over het al dan niet opleggen van een straf, vooral om aan een 
ernstige of bedreigende situatie een einde te maken, bijvoorbeeld door het 
uit het verkeer nemen van een wapen. 

De rechter kan de volgende maatregelen opleggen: 

– 
Onttrekking aan het verkeer (artikel 36b Sr). Deze maatregel heeft tot 
doel het uit de roulatie halen van gevaarlijke voorwerpen. De wet geeft 
aan welke voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, 
bijvoorbeeld de voorwerpen die gebruikt zijn bij het plegen van het 
strafbare feit. 
– 
Ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel (artikel 36e Sr). 
Deze maatregel, ook wel Plukze-maatregel genoemd, is sinds 1993 in 
het Wetboek van Strafrecht opgenomen. De maatregel geeft de rechter 
de mogelijkheid de door criminelen gemaakte winst te ontnemen. De 
hoogte van het ontnemingsbedrag is onbeperkt. Als de veroordeelde 
weigert het vastgestelde ontnemingsbedrag te betalen, kan hij in gijzeling 
(maximaal drie jaar) worden genomen totdat hij aan zijn verplichting 
voldoet. De vordering blijft ook na gijzeling bestaan. 
– 
Schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr). Deze maatregel is in 1995 
geïntroduceerd om de positie van het slachtoffer te versterken. De 
rechter kan de veroordeelde verplichten tot betaling van een geldsom 
ten behoeve van het slachtoffer. De staat keert het ontvangen bedrag 
onverwijld uit aan het slachtoffer. Bij niet-betaling van de schadevergoeding 
kan tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis volgen. 
– 
Plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis (artikel 37 Sr). Deze mogelijkheid 
komt de rechter toe in geval van een geheel ontoerekeningsvatbare 
dader. De strafrechter kan de dader laten plaatsen voor de termijn van 
een jaar met de mogelijkheid van verlenging. Plaatsing in een psychiatrisch 
ziekenhuis vindt slechts plaats indien de gestoorde persoon 
gevaarlijk is voor zichzelf, voor anderen, of voor de algemene veiligheid 
van personen of goederen. De rechter geeft de last tot plaatsing 

52 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

slechts nadat hij advies van ten minste twee gedragsdeskundigen heeft 
ingewonnen. 

– 
Terbeschikkingstelling (artikel 37a e.v. Sr). Deze maatregel is wel in het 
strafrecht geregeld en dateert van 1928. De rechter kan deze maatregel 
opleggen indien de verdachte tijdens het begaan van het feit ontoerekeningsvatbaar 
of verminderd toerekeningsvatbaar was. De tbs wordt 
vaak opgelegd in combinatie met een gevangenisstraf. De maatregel is 
gericht op beveiliging van de maatschappij door opsluiting van de psychisch 
gestoorden, die gedurende die opsluiting ook behandeld worden 
met het oog op de terugkeer in de maatschappij. De rechter kan de tbs 
opleggen indien de verdachte een misdrijf heeft begaan waarop een 
gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld dan wel een misdrijf dat 
behoort tot een aantal misdrijven in de wet genoemd (zie artikel 37a 
lid 1 sub 1 Sr) en indien de veiligheid van anderen dan wel de algemene 
veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel 
eist. De tbs kent twee varianten: de tbs met bevel tot verpleging volgens 
artikel 37b Sr die een gedwongen opname in een inrichting inhoudt, 
en (sinds 1998) de tbs met voorwaarden (artikel 38 Sr). Bij deze laatste 
variant is geen sprake van dwangverpleging maar zullen de voorwaarden 
wel altijd inhouden dat de ter beschikking gestelde zich onder 
behandeling laat stellen (artikel 38a Sr). 
In 2006 vond een parlementair onderzoek plaats dat leidde tot het 
rapport: ‘Tbs, vandaag over gisteren en morgen’.40 Het rapport bevat 
onder meer aanbevelingen om het toezicht op de naleving van de 
voorwaarden door reclassering en GGZ te verbeteren, een elektronisch 
volgsysteem in te richten en om een professionele dienst te belasten 
met de verloftoets. De Minister van Justitie heeft laten weten alle 
aanbevelingen over te nemen.41 Zo zullen alle verlofaanvragen van 
klinieken door een adviescollege worden beoordeeld en wordt bezien 
hoe een elektronisch volgsysteem kan worden gerealiseerd. 
– 
Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders – ISD – (artikel 
38m e.v. Sr).42 Deze maatregel is sinds 1 oktober 2004 in werking en 
maakt het mogelijk om in het kader van een strafrechtelijke maatregel 
personen gedwongen in een inrichting te plaatsen gedurende maximaal 
twee jaar. Stelselmatige daders zijn zeer actieve veelplegers die in 
de vijf jaren voorafgaand aan het gepleegde feit ten minste drie maal 
wegens het plegen van een misdrijf onherroepelijk veroordeeld zijn tot 
een vrijheidsbenemende of vrijheidsbeperkende straf of maatregel die 
ook ten uitvoer is gelegd. Het gaat bij deze maatregel om het beveiligen 
van de maatschappij, het tegengaan van recidive én het doorbreken 
van de verslavings- of andere problematiek. De maatregel is gericht op 
40 Kamerstukken II 2005-06, 30 250, nr: 4-5. 
41 Kamerstukken II 2007-07, 29 452, nr: 55. 
42 Kamerstukken II 2003-04, 28 980 en Stb. 2004, 351. 


Het Nederlandse strafrechtsysteem – een beschrijving op hoofdlijnen 53 

zowel de verslaafde veelplegers als, anders dan bij de eerdere SOV43, op 

de niet verslaafde veelplegers, vrouwen en justitiabelen met een psy


chiatrische problematiek. De eerdere maatregel tot plaatsing van aan 

harddrugs verslaafden in een inrichting voor de opvang daarvan (SOV) 

is als een module opgenomen in de ISD (Biesma, 2006). 

Elektronisch toezicht 

De rechter kan in bepaalde gevallen de verdachte veroordelen tot een 
taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf met als bijzondere voorwaarde: 
elektronisch toezicht. Elektronisch toezicht vormt een zodanige 
verzwaring van de taakstraf dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf 
achterwege kan blijven. Deze toepassing is vastgelegd in ‘de Aanwijzing 
Elektronisch Toezicht (ET)’ voor het OM (Stcrt. 1999, 114 en de wijziging 
in Stcrt. 2003, 122). 
Verder kunnen gedetineerden de laatste fase van hun gevangenisstraf 
thuis onder elektronisch toezicht doorbrengen als onderdeel van een 
penitentiair programma. Afhankelijk van de totale duur van de gevangenisstraf 
kunnen gedetineerden de laatste fase (vier weken tot een jaar) van 
hun gevangenisstraf aan zo’n persoonlijk programma deelnemen (artikel 
4 Pbw). 

2.3.2 Minderjarigen 
Minderjarig in het strafrecht zijn degenen die ten tijde van het begaan 
van een strafbaar feit ten minste twaalf jaar en nog geen achttien waren 
(artikel 77a Sr). Voor hen is een aantal bijzondere bepalingen in het 
Wetboek van Strafrecht en in het Wetboek van Strafvordering opgenomen 
(artikel 77a t/m 77gg Sr, artikel 486-505 Sv). Jeugdigen onder de twaalf 
jaar kunnen niet worden vervolgd en niet worden gestraft (artikel 486 Sv). 
Tegen hen kan wel worden opgetreden met behulp van dwangmiddelen 
zoals het ophouden voor verhoor en onderzoek aan lichaam en kleding, 
doorzoeking en inbeslagneming (artikel 487 Sv). De toepassing van de 
dwangmiddelen is alleen bedoeld om het gedrag te beëindigen en eventueel 
wat wederrechtelijk is verkregen bij de jeugdige weg te halen. 
De rechter kan, als de dader ten tijde van het begaan van een strafbaar 
feit 16 of 17 jaar is, het strafrecht voor meerderjarigen toepassen indien 
hij daartoe grond vindt in de ernst van het begane feit, de persoonlijkheid 
van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan. 
Anderzijds heeft de rechter de mogelijkheid om, indien de dader ten tijde 
van het begaan van een strafbaar feit tussen de 18 en 21 is, de bijzondere 
bepalingen voor jeugdigen toe te passen (artikel 77b en 77c Sr). 

43 
De Wet strafrechtelijke opvang verslaafden (SOV) trad op 1 april 2001 in werking (Stb. 2001, 28) en 
introdu ceerde een nieuwe voorziening voor de strafrechtelijke opvang van justitiabele verslaafden in een 
speciale penitentiaire inrichting. 


54 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Het jeugdstrafrecht is in 1995 ingrijpend gewijzigd. De straffen ‘tuchtschool’ 
en ‘arrest’ zijn vervangen door ‘jeugddetentie’, en de strafrechtelijke 
maatregelen ‘plaatsing in een inrichting voor buitengewone 
behandeling’ en ‘jeugd-tbr’ zijn vervangen door de maatregel plaatsing 
in een inrichting voor jeugdigen (PIJ). Ons land kent twee soorten justitiële 
jeugdinrichtingen: opvangingrichtingen en behandelinrichtingen. 
De opvanginrichtingen zijn bedoeld voor de tenuitvoerlegging van een 
jeugddetentie en voor het ondergaan van voorlopige hechtenis. Ook 
kunnen jeugdigen die zijn veroordeeld tot een PIJ-maatregel tijdelijk 
in een opvanginrichting verblijven in afwachting van een plaats in een 
behandelinrichting. Een behandelinrichting is bestemd voor de opvoeding, 
verzorging en/of behandeling van jeugdigen aan wie een maatregel 
is opgelegd. Dat kan een via het strafrecht opgelegde PIJ-maatregel zijn, 
of een civielrechtelijke ondertoezichtstelling of voogdijmaatregel. 
Met de wijziging van het jeugdstrafrecht in 1995 hebben zowel de Halt-
afdoening als de taakstraffen een wettelijke grondslag gekregen (artikel 
77e en 77h Sr). De Halt-afdoening is een (voorwaardelijke) sepotbevoegdheid 
van de politie, onder verantwoordelijkheid van het OM. Hoewel deze 
afdoening dus niet door de rechter geschiedt, wordt zij hier voor de volledigheid 
toch besproken. 

Halt 

Halt (Het ALTernatief)44 heeft tot doel jeugdigen, tussen de 12 en 18 jaar, 
die voor de eerste keer met politie of justitie in aanraking komen (first 
offenders), de mogelijkheid te bieden tot het verrichten van herstelwerkzaamheden 
voor de benadeelde of ten algemenen nutte. Het eerste Halt-
bureau ging in 1981 van start. Op dit moment bestaat de sector uit een 
landelijk dekkend netwerk van 18 regionale bureaus en het landelijke 
bureau Halt Nederland. De sector wordt gefinancierd door gemeenten en 
de Minister van Justitie. 
De voorwaarden voor een verwijzing naar een Halt-bureau zijn dat het 
moet gaan om een bekennende verdachte, een first offender (wel mag 
de verdachte eenmaal eerder bij Halt zijn geweest) en die instemt met de 
verwijzing. De feiten die door middel van Halt kunnen worden afgedaan, 
zijn omschreven in een AmvB, het Besluit aanwijzing HALT-feiten en 
betreffen vernielingen, kleine vormen van brandstichting (met geringe 
schade), diefstal/verduistering zonder inbraak en aansluitend hierop 
heling tot een maximaal ontvreemd bedrag of waarde van het goed, het 
verwisselen van prijskaartjes (ontvreemding), baldadigheid, en het afsteken 
van vuurwerk op niet-toegestane tijden en plaatsen en zwartrijden.45 
In algemene termen zijn de jeugdigen bij wie sprake is van zeer ernstige 
achterliggende problematiek, jeugdigen die recidiveren binnen een jaar 

44 Zie voor een evaluatie van Halt: Ferwerda, 2006. 
45 Besluit aanwijzing Halt-feiten, 25-1-1995. 


Het Nederlandse strafrechtsysteem – een beschrijving op hoofdlijnen 55 

na de eerste Halt-afdoening en jeugdigen onder twaalf jaar van deelname 
uitgesloten. Voor de laatste groep is sinds 2001 de Stop-reactie landelijk 
ingevoerd. Dit is een preventieve en pedagogische handreiking voor 
twaalfminners die een Halt-waardig delict hebben begaan. 
Halt-afdoeningen en Stop-reacties worden, onder de verantwoordelijkheid 
van het OM, door de regionale Halt-bureaus uitgevoerd. 
Een Halt-afdoening wordt niet voorafgegaan door een uitspraak van de 
(kinder)rechter en is daarom formeel juridisch gezien geen sanctie. De betrokken 
jeugdigen kunnen op deze manier een strafblad voorkomen. 

Hoofdstraffen 

De rechter kan de minderjarige drie hoofdstraffen opleggen: jeugddetentie, 
geldboete en taakstraf. 

Jeugddetentie 

De jeugddetentie kan alleen voor misdrijven worden opgelegd. 
Minderjarigen die veroordeeld zijn tot een vrijheidsstraf (ook de preventief 
gehechte minderjarigen) verblijven in een opvanginrichting. 
Opvanginrichtingen zijn gesloten inrichtingen. De straf kan aan 12tot 
16-jarigen voor maximaal één jaar worden opgelegd. Aan de 16- en 
17-jarigen maximaal voor twee jaar. 

Geldboete 

Het bedrag van de geldboete voor jeugdigen is ten minste € 3 en ten 
hoogste € 3.350. De tijd die de jeugdige heeft doorgebracht in voorlopige 
hechtenis wordt hiervan afgetrokken (artikel 77l lid 6 jo 27 Sr). 

Taakstraf 

Taakstraffen worden sinds 1983 aan minderjarigen opgelegd en kunnen 
worden toegepast bij alle mogelijke delicten. In het jeugdstrafrecht wordt 
onder taakstraffen verstaan: (1) deelname aan een werkproject voor het 
verrichten van onbetaalde arbeid of het verrichten van arbeid tot herstel 
van de door het strafbare feit aangerichte schade, (2) het volgen van een 
leerproject, of (3) deelname aan een combinatieproject waarin beide 
elementen aanwezig zijn. 
De taakstraf kan aan de minderjarige worden opgelegd door de ovj (het 
officiersmodel) of door de rechter (het rechtersmodel). De werkstraf kan 
door de rechter voor jeugdigen voor maximaal 200 uur worden opgelegd. 
De ovj mag maximaal 40 uur werkstraf aanbieden. De taakstraf komt 
sinds 2001 niet meer in de plaats van jeugddetentie of een geldboete maar 
is een zelfstandige hoofdstraf. Het OM meldt de opgelegde taakstraf aan 
bij de Raad voor de Kinderbescherming, die verantwoordelijk is voor de 
uitvoering van de taakstraffen. 


56 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Bijkomende straffen 

De bijkomende straffen die de rechter de minderjarige kan opleggen, zijn 
de verbeurdverklaring en ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen 
te besturen. 

Maatregelen 
De belangrijkste strafrechtelijke maatregel die de rechter kan opleggen is 
plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (de PIJ-maatregel). De jongeren 
die zijn veroordeeld tot deze strafrechtelijke maatregel verblijven in een 
behandelinrichting. De maatregel is gericht op heropvoeding en behandeling. 
Er zijn open en gesloten behandelinrichtingen. 
De maatregel is mogelijk voor delicten waarvoor voorlopige hechtenis is 
toegestaan, de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid 
dit vereist (recidivegevaar) en de maatregel in het belang is van een zo 
gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de jeugdige verdachte. Twee 
gedragsdeskundigen moeten vaststellen dat reeds tijdens het begaan van 
het feit sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis. 
De maximale duur is zes jaar. Voor andere, niet in hun ontwikkeling 
gestoorde jongeren, is de duur maximaal vier jaar. Wordt de jeugdige niet 
wegens een geweldsdelict veroordeeld, dan is de maximale duur twee jaar. 

Overige maatregelen voor jongeren kunnen zijn: onttrekking aan het 
verkeer, ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en schadevergoeding. 


Evenals in het volwassenenstrafrecht kunnen rechters bij minderjarigen 
(hoofd)straffen combineren. De volgende combinaties van straffen, maatregelen 
en bijkomende straffen zijn voor jeugdigen mogelijk: 

– 
geldboete en (deels) voorwaardelijke jeugddetentie; 
– 
geldboete en voorwaardelijke PIJ; 
– 
geldboete en taakstraf; 
– 
taakstraf en (voorwaardelijke) jeugddetentie, waarvan het voorwaardelijk 
deel niet groter is dan drie maanden; 
– 
jeugddetentie en (voorwaardelijke) PIJ. 
De jeugddetentie, de geldboete en de plaatsing in een inrichting voor 
jeugdigen kunnen ook door de rechter geheel of gedeeltelijk voorwaardelijk 
worden opgelegd. Bij een voorwaardelijke straf stelt de rechter een 
proeftijd vast van ten hoogste twee jaren. Naast de algemene voorwaarde 
dat de jeugdige zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt 
aan een strafbaar feit kan de rechter ook een bijzondere voorwaarde 
opleggen die betrekking heeft op het gedrag. Een taakstraf kan op dit 
moment niet voorwaardelijk worden opgelegd. Met de inwerkingtreding 
van het wetsvoorstel gedragsbeïnvloeding jeugdigen zal dit wel mogelijk 


Het Nederlandse strafrechtsysteem – een beschrijving op hoofdlijnen 57 

worden. Dit wetsvoorstel46 is momenteel in voorbereiding met als doel 
het verruimen van de mogelijkheden van gedragsbeïnvloeding van jeugdigen 
die een of meer strafbare feiten hebben gepleegd. Zo wordt onder 
meer voorgesteld alle combinaties van straffen mogelijk te maken en een 
nieuwe gedragsbeïnvloedende maatregel in het Wetboek van Strafrecht te 
introduceren. 

46 Kamerstukken 2005- 07, 30332 


 
3 Slachtoffers van criminaliteit 

H.W.J.M. Huys 
In dit hoofdstuk staat de aard, de omvang en de ontwikkeling in de tijd 
van de criminaliteit centraal, zoals die door de bevolking en door bedrijven 
wordt ervaren. Het gaat daarbij niet alleen om de objectieve criminaliteit 
in de vorm van slachtofferschap, maar ook om de subjectieve 
criminaliteit zoals onveiligheidsgevoelens en vermijdingsgedrag. Ook 
de gevolgen voor slachtoffers en de acties die door de bevolking of het 
bedrijfsleven worden ondernomen ter voorkoming van of als gevolg van 
criminaliteit, zoals preventiemaatregelen en het beroep op slachtofferhulp, 
komen hierbij aan de orde. 
Hoe vaak burgers, bedrijven en instellingen slachtoffer worden van veelvoorkomende 
criminaliteit1 kan worden vastgesteld via enquêtes. Zulke 
enquêtes kunnen tevens inzicht verschaffen in de mate waarin hiervan al 
dan niet aangifte wordt gedaan. Lang niet alle criminaliteit komt namelijk 
(om wat voor reden dan ook) ter kennis van de politie (zie ook hoofdstuk 4). 
Behalve informatie over het al dan niet slachtoffer worden, kunnen deze 
enquêtes ook inzicht geven in verschillen in de frequentie waarmee bevolkingsgroepen 
of bedrijfstakken slachtoffer worden. Doordat personen of 
bedrijven slachtoffer kunnen worden van verschillende soorten delicten 
of meermalen slachtoffer van eenzelfde delict, is het aantal ondervonden 
delicten over het algemeen groter dan het aantal slachtoffers. 
Verder kunnen deze enquêtes ook een beeld geven van de gevolgen voor 
de slachtoffers, van preventiemaatregelen en onveiligheidsgevoelens. 
Ook andere aspecten die te maken hebben met subjectieve en objectieve 
criminaliteit, zoals overlast en andere buurtproblemen, of de houding van 
burgers ten opzichte van de politie, komen in dergelijke enquêtes aan de 
orde. Bovendien zijn door koppeling met andere gegevens, zoals uit registraties, 
nog nadere analyses mogelijk. Deze aspecten vallen (vooralsnog) 
buiten het kader van deze publicatie. 
(Slachtoffer)enquêtes vormen daarmee, naast de geregistreerde gegevens 
hierover, een belangrijke en onafhankelijke databron, die in het algemeen 
niet alleen een beter beeld geven over aard en omvang van (veelvoorkomende) 
criminaliteit. Zij bieden ook mogelijkheden om verklaringen te 
toetsen ten einde inzicht te krijgen in de gevolgen en in de effectiviteit van 
maatregelen ter vergroting van de veiligheid.2 

Slachtofferenquêtes onder personen 

In Nederland worden slachtofferenquêtes al sinds de jaren zeventig van 
de vorige eeuw regelmatig uitgevoerd. De eerste enquête op dit terrein 
werd in 1973 gehouden (Fiselier, 1974). In de jaren zeventig voerde het 

1 Hieronder worden veelal delicten zoals inbraak, fietsdiefstal, autodiefstal, zakkenrollerij, vandalisme, 
mishandeling en bedreiging begrepen (zie ook bijlage 2). Het zijn vooral delicten die door hun aard en 
omvang veel overlast voor een groot deel van de bevolking veroorzaken. 

2 Vergelijk Wittebrood (2006). 


60 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het 
Ministerie van Justitie periodieke enquêtes uit (Van Dijk en Steinmetz, 
1980); vanaf 1980 werden door het CBS, deels in samenwerking met het 
WODC, periodieke slachtofferenquêtes gehouden op landelijk niveau. 
Naast de landelijke WODC- en CBS-enquêtes zijn door tal van gemeenten 
en politiekorpsen op eigen initiatief bevolkingsonderzoeken verricht met 
aandacht voor slachtofferschap en onveiligheidsgevoelens. Vanwege de 
onvergelijkbaarheid van deze diverse onderzoeken hebben de ministeries 
van BZK en Justitie eind jaren tachtig van de vorige eeuw besloten tot de 
ontwikkeling van een gestandaardiseerd bevolkingsonderzoek op kleinere 
dan landelijke schaal. Deze Politiemonitor Bevolking (PMB) werd in het 
najaar van 1990 voor het eerst op beperkte schaal uitgevoerd; de eerste 
grootschalige uitvoering vond plaats in 1993. De nadruk ligt in de PMB op 
vergelijkbare informatie op regionaal niveau, vooral per politieregio. 
Omdat het naast elkaar bestaan van verschillende meetinstrumenten op 
het terrein van veiligheid niet wenselijk werd geacht, heeft het kabinet-
Balkenende II in 2004 besloten tot de ontwikkeling van één veiligheidsmonitor, 
die in de plaats komt van voordien afzonderlijke onderzoeken 
op het terrein van veiligheid. Het gaat hierbij om de module Recht in 
het Permanent Onderzoek Leefsituatie (POLS) van het CBS, de PMB, en 
om relevante delen uit de Enquête Leefbaarheid en Veiligheid (L&V)3. 
Hiermee wordt niet alleen voorzien in de behoefte aan beleidsinformatie 
op landelijk en regionaal niveau (politieregio’s en clusters waarnaar 
deze regio’s zijn ingedeeld), maar wordt ook efficiencywinst behaald en 
ontstaan meer mogelijkheden tot nadere analyses. De beide eerdergenoemde 
ministeries en het CBS hebben daartoe een samenwerkingsovereenkomst 
gesloten. Deze nieuwe Veiligheidsmonitor Rijk (VMR), waarin 
relevante onderdelen uit de genoemde onderzoeken zijn geïntegreerd, is 
begin 2006 voor het eerst volledig uitgevoerd, na een beperkte uitvoering 
in 2005. De VMR is daarmee vanaf 2006 in Nederland de belangrijkste 
jaarlijks terugkerende enquête onder de bevolking over de ontwikkeling 
van de veiligheid en het veiligheidsgevoel van de burgers. Het onderzoek 
wordt uitgevoerd door het CBS; de ministeries van BZK en van Justitie zijn 
medeopdrachtgevers. De resultaten van de VMR vormen een nieuwe reeks 
en zijn niet zonder meer vergelijkbaar met die van de voorgaande onderzoeken.
4 De POLS-module Recht werd in 2004 voor het laatst uitgevoerd, 
de PMB begin 2005. 
Behalve periodiek en/of continu landelijk en regionaal onderzoek wordt 
ook regelmatig internationaal onderzoek gehouden naar (slachtofferschap 

3 De Enquête Leefbaarheid en Veiligheid is sinds 1996 periodiek in opdracht van het Ministerie van BZK in 

de G30-gemeenten uitgevoerd in het kader van het Grotestedenbeleid. Veel van de vragen in de L&V zijn 

overgenomen of afgeleid uit de PMB en/of de ERV. 
4 Vanaf 2008 gaat de VMR deel uitmaken van de integrale Veiligheidsmonitor. Deze integrale 

Veiligheidsmonitor wordt landelijk, regionaal en lokaal uitgevoerd en biedt een solide en gezamenlijke 

basis voor een (geïntegreerde) veiligheids- en leefbaarheidsaanpak op verschillende bestuurlijke 

niveaus. 


Slachtoffers van criminaliteit 61 

van) veelvoorkomende criminaliteit onder personen. Zo wordt sinds 1989 
om de drie à vier jaar een slachtofferenquête uitgevoerd in diverse landen 
in en buiten Europa (de International Crime Victims Survey – ICVS). 
De laatste uitvoering was in 20055 (zie bijlage 2 voor meer details). 

Slachtofferenquêtes onder bedrijven en instellingen 

Uit verschillende onderzoeken blijkt dat veel bedrijven, (semi-)overheidsinstanties 
en andere instellingen te maken hebben met criminaliteit. 
Deze criminaliteit kan eveneens via enquêtes onder bedrijven en instellingen 
in kaart worden gebracht. Dergelijk onderzoek bleef voorheen vaak 
beperkt tot bepaalde branches of tot vaak voorkomende delicten zoals 
winkeldiefstal. Systematisch onderzoek naar slachtoffers bij bedrijven en 
instellingen kent echter meer en andere beperkingen dan vergelijkbaar 
onderzoek onder burgers. Alleen al de grote diversiteit van bedrijven in 
aard, grootte, exploitatie en eigendomsverhoudingen maakt zulke vergelijkingen 
lastig. Zelfs binnen eenzelfde branche, zoals de detailhandel, 
kunnen grote verschillen voorkomen. Hetzelfde geldt voor de – deels 
daarmee samenhangende – verscheidenheid van delictsoorten waarmee 
bedrijven en instellingen kunnen worden geconfronteerd. Ook is de huishouding 
van bedrijven vaak niet optimaal ingesteld op het verzamelen 
van zulke gegevens. Bepaalde vormen van criminaliteit zoals fraude en 
diefstal door personeel liggen bij sommige bedrijven of instellingen uiteraard 
heel gevoelig. Voor de bedrijven zelf zijn de materiële en financiële 
schade vaak belangrijker dan de strafrechtelijke implicaties. Dat pas 
in 1989 voor het eerst een grootschalige enquête onder (commerciële) 
bedrijven werd uitgevoerd, is dan ook niet zo verwonderlijk. 
De belangrijkste huidige systematische databron over slachtofferschap 
van criminaliteit onder het bedrijfsleven als geheel is de Monitor Criminaliteit 
Bedrijfsleven (MCB). De oorsprong hiervan gaat terug tot eind 
jaren negentig van de vorige eeuw. Op initiatief van de ministeries van 
Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) werd 
in 1999 een pilot-onderzoek gedaan binnen drie sectoren van het Nederlandse 
bedrijfsleven. Het hierin ontwikkelde onderzoeksinstrumentarium 
is in 2002 onder de naam Monitor Bedrijven en Instellingen (MBI) ingezet 
om de criminaliteits- en veiligheidssituatie voor het gehele Nederlandse 
bedrijfsleven te onderzoeken. Vanwege de grote spreiding in de meting 
van het aantal delicten is in 2004 besloten tot een verzevenvoudiging 
van de steekproefomvang, waardoor nauwkeuriger schattingen mogelijk 
werden. De MCB, zo genoemd om dat vanaf 2004 alleen nog bedrijven 
en geen instellingen in het onderzoek zijn opgenomen, is in de daarop 
volgende jaren gestandaardiseerd tot een jaarlijks grootschalig en systematisch 
onderzoek over criminaliteitsaspecten onder het bedrijfsleven. 

Over de resultaten voor de deelnemende EU-landen is een afzonderlijke rapportage verschenen (EU-ICS). 


62 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

De MCB heeft als primair doel inzicht te geven in het slachtofferschap van 
Nederlandse bedrijven en de maatregelen die zij nemen om de criminaliteit 
terug te dringen. Dit gebeurt mede in het kader van de voortgangsrapportage 
naar aanleiding van het veiligheidsprogramma ‘Naar een veiliger samenleving’ 
van het kabinet-Balkenende II. De onderzochte sectoren zijn de bouw, 
detailhandel, horeca, transport en zakelijke dienstverlening. Vragen over 
slachtofferschap hebben vooral betrekking op inbraak, diefstal, vernieling 
en geweld, naast een categorie overige vormen. De belangrijkste beleidsindicatoren 
zijn diefstal bij de detailhandel en geweld bij het bedrijfsleven. De 
meting in 2004 diende als nulmeting6 (voor meer details zie bijlage 2). 

3.1 Burgers als slachtoffer 
In deze publicatie komen gegevens over slachtofferschap vanaf 1980 aan 
de orde. Voor informatie over eerdere jaren (in 1973 is begonnen met het 
systematisch verzamelen van periodieke slachtoffergegevens door middel 
van enquêtes) wordt verwezen naar eerdere edities. Omdat de gegevens tot 
voor kort afkomstig waren uit verschillende bronnen en daardoor onderling 
moeilijk vergelijkbaar zijn7 (zie ook bijlage 2) kan alleen in grote lijnen iets 
worden gezegd over ontwikkelingen in de loop van enkele decennia. De hiernavolgende 
weergave moet daarom met enig voorbehoud worden bezien. 
Uit de enquêtes blijkt dat slachtofferschap van delicten onder burgers vooral 
sterk is gestegen in de eerste helft van de jaren tachtig. Volgens de Enquête 
Slachtoffers Misdrijven (ESM; 1980-1992) nam dit aandeel als geheel toe van 
33% in 1980 tot 36% in 1984. Vooral het aandeel meervoudige slachtoffers 
(dat wil zeggen van meer dan één delictsoort) is daarbij toen gestegen. In 
de tweede helft van de jaren tachtig zet een lichte daling in, tot in het begin 
van de jaren negentig (zie figuur 3.1). 
Volgens de Enquête Rechtsbescherming en Veiligheid (ERV; 1992-1996) en 
de POLS-module Recht (1997-2004) werd in de periode 1992-2004 jaarlijks 
rond een kwart van alle inwoners van 15 jaar en ouder slachtoffer van een of 
meer delicten (zie figuur 3.1)8. In deze periode is het percentage slachtoffers 
niet wezenlijk veranderd, al ligt dit in 1996 lager en in 2002 hoger dan in de 
overige jaren. Ook het aandeel meervoudige slachtoffers is in die periode 

– afgezien van het reeds vermelde dal in 1996 en een piek in 2002 – vrijwel 
gelijk gebleven. Na 2002 lijkt sprake van een lichte daling. 
6 
Omdat de MBI 2002 een breder perspectief had, met een beperkter aantal berichtgevers, kunnen de 
resultaten voor het totaal niet zonder meer worden vergeleken met de MCB-gegevens van latere jaren. Wel 
kunnen bepaalde gegevens per sector (bijvoorbeeld het percentage bedrijven dat in aanraking komt met 
een bepaald delict) worden vergeleken. 

7 
Afgezien van verschillen in aantal, aard en definitie van de onderzochte delicten zijn slachtofferpercentages 
van alle delicten samen alleen bekend uit de CBS-enquêtes over de jaren 1980-1992 en 1992-2004 (respectievelijk 
ESM en ERV/ POLS) en uit de VMR. Gegevens over combinaties van afzonderlijke delicten (geweldsdelicten, 
vermogensdelicten en vandalismedelicten) zijn voor de CBS-enquêtes vanaf 1992 beschikbaar. 

8 
De PMB kent geen onderscheid in enkel- en meervoudig slachtofferschap; in de Veiligheidsmonitor Rijk is 
dit onderscheid niet meegenomen. 


Slachtoffers van criminaliteit 63 

Volgens de PMB (1993-2005) lag het totale slachtofferpercentage in de 
onderzochte periode veel hoger, namelijk tussen 53% in 1995 en 44% in 
2005. Dit percentage vertoont al vanaf het midden van de jaren negentig 
een duidelijke daling, met – net als in de CBS-cijfers – een lichte piek 
rond 2002. 
De internationale/Europese slachtofferenquête (ICVS/EU-ICS; 1989-2005)9 
laat tussen 1989 en 2005 een duidelijke kromlijnige trend zien, met een 
piek rond 1996. Daarna is dit weer gedaald tot het niveau van 1989 of zelfs 
lager (zie ook hoofdstuk 9). 
Volgens de recente VMR-cijfers over de jaren 2005-2007 zet de dalende 
trend zich voort. 
In 2005 werd bijna 29% slachtoffer van een of meer vormen van veelvoorkomende 
criminaliteit; in 2007 was dit gedaald tot 25,8. 

Figuur 3.1 
Slachtofferschap onder burgers van 15 jaar en ouder, 
1980-2007 


1980 1982 1984 1986 1988 1990 1992 1994 1996 1998 2000 2002 2004 2006 
Totaal ESM 
Meervoudig ESM 
Enkelvoudig ERV/POLS 
Totaal ERV/POLS 
Enkelvoudig ESM 
Totaal PMB 
Totaal VMR 
Meervoudig ERV/POLS 

Enkelvoudig: eenmaal of vaker slachtoffer van één delictsoort. 
Meervoudig slachtofferschap: eenmaal of vaker slachtoffer van meer delictsoorten. 
Voor de corresponderende cijfers zie tabellen 3.1 t/m 3.4 in bijlage 4. 
Bron: CBS 


De hier vermelde cijfers zijn gebaseerd op de rapportage voor de EU-landen (EU-ICS). 


64 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Slachtofferschap naar delictsoort 

Volgens de VMR 2007 werd in totaal 25,8% slachtoffer van één of meer 
delicten. Dat komt overeen met ruim 3,4 miljoen slachtoffers (personen). 
Ruim 12% van de bevolking had te maken met vermogensdelicten, zoals 
inbraak, fietsdiefstal en zakkenrollerij. Het gaat daarbij om zo’n 1,6 miljoen 
slachtoffers. Bijna 12% gaf aan slachtoffer te zijn geworden van 
vandalismedelicten (diefstal vanaf/beschadiging aan de auto en overige 
vernielingen). In totaal werden rond 1,5 miljoen slachtoffers hiermee 
geconfronteerd. Iets meer dan 5% (rond 700.000 personen) werd in 2007 
slachtoffer van een of meer geweldsdelicten (seksuele delicten, mishandeling, 
bedreiging). 
Van de afzonderlijke delicten veroorzaakt autovandalisme de meeste 
slachtoffers (in 2007 rond 8% van alle inwoners van 18 jaar en ouder). Ook 
worden relatief veel inwoners slachtoffer van andere vernielingen dan 
aan de auto, van fietsdiefstal (elk bijna 5%), van bedreiging en van overige 
diefstal: beide ruim 3% (zie figuur 3.2). 

Figuur 3.2 Slachtofferschap naar delictsoort, 2007 

Beschadiging/diefstal 
vanaf auto (18+) 


Fietsdiefstal 

Overige vernielingen 

Bedreiging 

Overige vernielingen 

(poging tot) Inbraak 

Diefstal uit auto (18+) 

Mishandeling 

Zakkenrollerij 

Doorrijden na aanrijding 

Seksuele delicten 

Autodiefstal (18+) 

% 024 6810 


Voor de corresponderende cijfers zie tabel 3.4 in bijlage 4. 
Bron: CBS 

Geweldsdelicten 

Volgens de ESM nam in de periode 1980-1984 het percentage slachtoffers 
van bedreigingen binnenshuis en van handtastelijkheden buitenshuis 


Slachtoffers van criminaliteit 65 

toe.10 Na een lichte daling bleven deze percentages tussen 1988 en 1992 
vrijwel gelijk. Het slachtofferpercentage van bedreiging buitenshuis en 
van seksuele handtastelijkheden binnenshuis is in de periode tussen 1980 
tot 1992, afgezien van enkele uitschieters in 1984 en 1986 bij bedreigingen 
buitenshuis, niet wezenlijk veranderd. 
De herziene CBS-enquêtes (ERV vanaf 1992, POLS vanaf 1997) laten tussen 
1992 en 1995 een relatief stabiel percentage slachtoffers van geweldsdelicten 
als geheel zien. In 1996 was dit aandeel (en vooral van bedreiging) het 
laagste over de periode 1992-2004. Daarna is dit aandeel, met een onderbreking 
in 2000, licht gestegen tot rond 6% in 2002. In de jaren daarna 
volgde een lichte daling en stabilisatie. 
Volgens de PMB is het percentage slachtoffers van geweldsdelicten als 
geheel – vooral van bedreiging – tussen 1992 en 2001 gestegen, maar daarna 
weer licht gedaald. Het percentage gewelddadige portemonneediefstallen 
is volgens de PMB sinds 1992 ongeveer gelijk gebleven. 
De slachtofferpercentages voor geweldsdelicten (beroving11, seksuele 
delicten (alleen vrouwen) en mishandeling/bedreiging) volgens de 
EU-ICS laten over de periode 1989-2005 een piek zien rond het midden van 
de jaren negentig. (zie ook hoofdstuk 9). De recente cijfers op basis van de 
VMR laten een stabilisatie zien rond 5 à 6%. 

Van de onderscheiden geweldsdelicten komt bedreiging in alle jaren 
en volgens alle enquêtes het meest voor, gevolgd door mishandeling. 
Seksuele delicten (en portemonneediefstal met geweld volgens de PMB) 
komen minder voor. 

Vermogensdelicten 

Het percentage slachtoffers van vermogensdelicten als geheel blijft volgens 
de CBS-enquêtes vanaf 1992 tot 1995 vrijwel op hetzelfde niveau. 
Daarna volgt een voortdurende en geleidelijke lichte daling, die na de 
eeuwwisseling en een opleving in 2002 is afgevlakt.12 Ook de gegevens uit 
de VMR laten in de jaren 2005 t/m 2007 een daling zien. 
Niet alle afzonderlijke soorten vermogensdelicten vertonen echter hetzelfde 
patroon. Het percentage slachtoffers van inbraak (inclusief poging 
daartoe) is volgens de CBS-enquêtes tot in het midden van de jaren negen


10 
In de CBS-enquêtes van 1980 tot en met 1992 zijn geen gegevens beschikbaar over slachtofferschap 
van geweldsdelicten als totaal, maar alleen over vier onderscheiden delictsvormen ‘bedreiging binnen’, 
‘bedreiging buiten’, ‘handtastelijkheden binnen’ en ‘handtastelijkheden buiten’. Na 1992 zijn drie 
afzonderlijke delicten onderscheiden, namelijk seksuele delicten, bedreiging en mishandeling. Samen 
vormen zij de delictsgroep geweldsdelicten. 

11 
Bij de EU-ICS en de PMB wordt diefstal met geweld tot de geweldsdelicten gerekend. In de CBS-
enquêtes (ESM, ERV en POLS) werd geen onderscheid gemaakt tussen diefstaldelicten met en zonder 
geweld, maar werd per voorval doorgevraagd of daarbij iets is gestolen (geweldsdelicten) en of geweld 
is gebruikt (bij diefstallen). Diefstal met eventueel geweld werd daarin tot de vermogensdelicten 
gerekend, en geweld met mogelijke diefstal tot de geweldsdelicten. Omdat de VMR-delictsindeling 
meer aansluit bij de CBS-enquêtes dan bij de PMB wordt diefstal met geweld ook bij de VMR tot de 
vermogensdelicten gerekend. 

12 
Voor de PMB zijn geen gegevens beschikbaar over vermogensdelicten totaal. 


66 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

tig voortdurend gestegen en na 1995 weer gedaald. De PMB-cijfers wijzen 
eveneens op een piek rond 1995 en een daling sindsdien. Hetzelfde geldt 
voor de EU-ICS-data. De VMR-cijfers wijzen op een afvlakking na 2005. 
Het percentage slachtoffers van fietsdiefstal is volgens de CBS-enquêtes 
na een stijging tot in het midden van de jaren tachtig tot 2004 niet wezenlijk 
veranderd. De PMB daarentegen signaleert een voortdurende daling 
na 1995, met een lichte onderbreking rond 2002. Ook de EU-ICS toont een 
constante daling na 1992. Volgens de VMR is er in de jaren 2005 t/m 2007 
sprake van een (lichte) daling. 
Diefstal uit de auto vertoont volgens de CBS-slachtofferenquêtes een 
toename in het begin van de jaren tachtig. Volgens alle slachtoffer-
enquêtes is er in het begin van de jaren negentig een piek in het percentage 
slachtoffers.13 Dit daalt volgens de CBS-enquêtes daarna tot rond de 
eeuwwisseling, en vertoont daarna weer een stijging tot in 2002 en 2003. 
De PMB constateert in 2002 een onderbreking van een sinds 1995 dalende 
trend. Ook volgens de EU-ICS is dit tegen het einde van het decennium 
duidelijk lager, waarna een stabilisatie volgt. Vanaf 2005 lijkt ook volgens 
de VMR sprake van een zekere stabilisatie. 
Zakkenrollerij (diefstal van portemonnee, met of zonder geweld) laat 
volgens de CBS-enquêtes na een piek in 1984 een stabilisatie zien in 
de tweede helft van de jaren tachtig. Vanaf 1990 laten alle enquêtes 
(opnieuw) een stijging zien tot in het midden van de jaren negentig. 
Daarna blijft dit volgens de CBS-enquêtes enkele jaren stabiel op een lager 
niveau en neemt na 2002 weer af. Volgens de PMB is het percentage slachtoffers 
van zakkenrollerij (alleen zonder geweld; zie boven) na de piek in 
1995 vrijwel voortdurend gedaald, met een onderbreking in 2002. Ook de 
EU-ICS vertoont een stijging tussen 1989 en 1996, gevolgd door een daling 
tot 2005. Volgens de VMR blijft het slachtofferpercentage voor zakkenrollerij, 
met of zonder geweld, in de jaren 2005-2007 vrijwel stabiel. 
In het percentage slachtoffers van autodiefstal kan volgens de CBS-
enquêtes en de VMR over de gehele onderzochte periode (1980- 2007) 
geen duidelijke toe- of afname worden onderkend. Ook de EU-ICSgegevens 
over autodiefstal laten geen duidelijke conclusie toe. De PMB 
vertoont over de periode 1993-2005 een lichte afname. 
Ook in het percentage slachtoffers van bromfietsdiefstal is volgens de 
CBS-enquêtes (tot 1992; geen latere cijfers beschikbaar) en de EU-ICS geen 
duidelijke trend zichtbaar. Het gaat daarbij overigens steeds om kleine 
absolute aantallen. 

Andere, niet nader genoemde diefstallen vertonen volgens de CBS-enquêtes 
na een piek in het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw een 
daling tot eind jaren tachtig. Daarna volgt een schommelend patroon, 
met een licht dalende trend. Volgens de PMB wordt een piek van begin 

13 Voor de EU-ICS geldt dit voor diefstal uit de auto in combinatie met diefstal vanaf de auto. 


Slachtoffers van criminaliteit 67 

jaren negentig gevolgd door een dalende trend tot rond 2003. Ook de EUICS 
vertoont voor de meeste vormen van diefstal een piek in het midden 
van de jaren negentig en een daling sindsdien. De VMR laat over de jaren 
2005-2007 een daling zien. 

Vandalisme 

Slachtofferschap van vandalisme als geheel is volgens de CBS-enquêtes 
vanaf het midden van de jaren negentig met enkele schommelingen gestegen 
tot een piek in 2002. Daarna lijkt een dalende trend in te zetten. (De 
PMB en de EU-ICS hebben geen totaalcijfer voor vandalisme.) Blijkens de 
VMR gaat deze daling vanaf 2005 verder. 
Het percentage slachtoffers van autovandalisme (beschadiging en diefstal 
vanaf auto) is in het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw volgens 
de CBS-enquêtes relatief hoger dan in de tweede helft van dat decennium. 
Vanaf begin jaren negentig neemt dit aandeel, met een lichte onderbreking, 
weer toe tot in 2002. Daarna volgt een zekere stabilisatie. Volgens de 
PMB is er na 1995, met een onderbreking tussen 1999 en 2002, een geleidelijke 
en substantiële afname van autovandalisme. De ICVS signaleert over 
de periode 1989-2000 geen duidelijke trend in het slachtofferpercentage 
voor autovandalisme.14 De VMR laat na 2005 geen duidelijke ontwikkeling 
zien. 
De ‘overige vernielingen’ laten volgens de CBS-enquêtes vanaf begin jaren 
tachtig tot 1990 een dalend slachtofferpercentage zien. Met een onderbreking 
in het midden van de jaren negentig volgt daarna een stijging tot 
rond de eeuwwisseling. De PMB-cijfers vertonen een geleidelijk stijgend 
en dalend patroon, met pieken in 1997 en 2002, en dalen in 1993, 1999 en 
2005. Uit de VMR blijkt vanaf 2005 een zekere stabilisatie in het slachtofferpercentage 
van overige vernielingen. 

Andere vormen van criminaliteit 

In de ICVS zijn ook vragen opgenomen over andere vormen van criminaliteit, 
die (nog) niet regulier in de landelijke slachtofferenquêtes zijn opgenomen. 
Het gaat hier om slachtofferschap van fraude, corruptie, en, vanaf 
2005, discriminatie (‘hate crimes’) en confrontatie met druggebruik.15 
Volgens deze bron had rond één op de tien Nederlanders in 2005 te maken 
met drugscriminaliteit. Verder had 7% te maken met een of andere vorm 
van fraude, meer dan in voorgaande jaren. In 2000 was dit met 4,4% het 
laagste over de onderzochte periode. Rond 4% was slachtoffer van discriminatie 
(gegevens over eerdere jaren ontbreken). Corruptie komt in 
Nederland met minder dan 0,5% slachtoffers vrijwel niet voor, en zo al, 
dan steeds minder. 

14 Uit de EU-ICS zijn geen gegevens over autovandalisme beschikbaar. 

15 Merk op dat de ICVS (en de daarvan afgeleide EU-ICS-gegevens) betrekking hebben op een 

internationaal vergelijkend onderzoek, waarbij bepaalde vormen van criminaliteit in andere landen meer 

relevant kunnen zijn dan (bijvoorbeeld) in Nederland. 


68 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

0 
5 
10 
15 
20 
Figuur 3.3 
Slachtofferschap onder burgers van 15 jaar en ouder naar 
delictgroep, 1992-2007 

1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 

Geweldsdelicten ERV/POLS Geweldsdelicten VMR 

Vermogensdelicten ERV/POLS Vermogensdelicten VMR 

Vandalismedelicten ERV/POLS Vandalismedelicten VMR 

Door verschillen in onderzoeksopzet zijn de cijfers uit verschillende bronnen niet onderling vergelijkbaar. 
Voor de corresponderende cijfers zie tabellen 3.3 en 3.4 in bijlage 4. 
Bron: CBS 


Verschillen in slachtofferrisico 

Er zijn duidelijke verschillen in slachtofferschap tussen bevolkingsgroepen.
16 Leeftijd, geslacht, herkomst en huishoudinkomen van de persoon 
zijn kenmerken die samenhangen met slachtofferschap van criminaliteit. 
Ook de stedelijkheid, de sociaal-economische status, de etnische heterogeniteit 
en de verhuismobiliteit van iemands woonomgeving spelen een 
rol in de kans op slachtofferschap. Leeftijd en stedelijkheid spelen in vrijwel 
alle gevallen een rol, ook wanneer rekening wordt gehouden met de 
onderlinge samenhang tussen achtergrondkenmerken.17 Dit geldt zowel 

16 
De VMR biedt (veel) meer analysemogelijkheden dan diens voorgangers door de 
koppelingsmogelijkheden op microniveau met het Sociaal Statistisch Bestand (SSB) van het CBS en met 
andere beschikbare (registratie)gegevens. 

17 
De relatie van leeftijd en stedelijkheid blijkt uit verschillende onderzoeken (zie o.a. Wittebrood (2006); 
Huys (2007); Veiligheidsmonitor Rijk – Landelijke Rapportage (2007). De hierna volgende beschrijving is 
gebaseerd op de gegevens uit de VMR over 2006 en 2007. 


Slachtoffers van criminaliteit 69 

voor slachtofferschap totaal als voor gewelds-, vermogens- en vandalismedelicten. 


Leeftijd en geslacht 

Leeftijd speelt een belangrijke rol: veel meer jongeren dan ouderen worden 
slachtoffer van veelvoorkomende criminaliteit (zie figuur 3.4). Binnen 
iedere leeftijdsgroep worden mannen iets vaker slachtoffer dan vrouwen. 

Burgerlijke staat 

Gehuwde personen en verweduwden zijn naar verhouding veel minder 
vaak slachtoffer dan personen die nooit gehuwd zijn geweest. Maar 
wanneer rekening wordt gehouden met leeftijd (nooit-gehuwden zijn 
grotendeels jongeren, die op zichzelf al vaker slachtoffer worden) en – in 
mindere mate – stedelijkheid (gescheiden personen wonen iets vaker in 
de stad, gehuwde juist minder vaak) blijken gescheiden en nooit-gehuwde 
personen een grotere kans te hebben om slachtoffer te worden dan 
gehuwden en verweduwden, vooral van gewelds- en vandalismedelicten. 
Voor vermogensdelicten verdwijnt het verschil naar burgerlijke staat na 
correctie voor leeftijd en stedelijkheid. 

Samenstelling huishouden 

De samenhang tussen type huishouden en slachtofferschap is in lijn met 
die tussen burgerlijke staat en slachtofferschap: eenpersoonshuishoudens 
en eenoudergezinnen zijn het vaakst slachtoffer van een delict, gehuwd of 
ongehuwd samenwonenden het minst. 

Herkomst 

Niet-westerse allochtonen worden vaker slachtoffer dan autochtonen. 
Maar na correctie voor leeftijd en stedelijkheid (onder de niet-westerse 
allochtonen komen veel jongeren voor en ze wonen vooral in stedelijke 
gebieden) blijken juist autochtonen een grotere kans te hebben om 
slachtoffer te worden dan niet-westerse allochtonen. Westerse allochtonen 
worden even vaak slachtoffer als autochtonen, ook na correctie voor leeftijd 
en stedelijkheid. 
Naar delictgroep blijken niet-westerse allochtonen relatief vaker dan 
autochtonen slachtoffer te worden van zowel gewelds- als vermogensdelicten, 
maar even vaak van vandalismedelicten. Gecorrigeerd voor leeftijd 
en stedelijkheid blijken zij echter minder vaak slachtoffer te worden van 
gewelds- en vandalismedelicten en even vaak van vermogensdelicten. 

Inkomen 

Personen uit de laagste 20%-inkomensgroep worden relatief vaak slachtoffer 
van een delict, ook na correctie voor leeftijd en stedelijkheid. Bij de 
hogere inkomensgroepen is er geen duidelijk verband tussen inkomensniveau 
en slachtofferschap. 


70 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Naast het inkomensniveau hangt ook de inkomensbron van het huishouden 
samen met slachtofferschap. Zo zijn personen in huishoudens 
met een pensioen als belangrijkste bron veel minder vaak slachtoffer dan 
personen in huishoudens met een uitkering of inkomen uit arbeid. Dit 
heeft vooral te maken met hun hogere leeftijd. Na correctie voor leeftijd 
en stedelijkheid vertoont de inkomensbron dan ook nauwelijks een relatie 
met slachtofferschap. 
De relatie tussen inkomen en inkomensbron met slachtofferschap geldt 
vooral voor gewelds- en vermogensdelicten: personen uit de laagste inkomensgroep 
of met een uitkering worden hiervan vaker slachtoffer. Ook 
na correctie voor leeftijd en stedelijkheid blijft het verschil met hogere 
inkomensgroepen bestaan. Met slachtofferschap van vandalismedelicten 
blijkt geen verband te zijn. 

Opleiding 

Naast inkomen speelt ook opleiding een rol in de kans op slachtofferschap. 
Hoog opgeleiden worden in totaal vaker slachtoffer dan laag 
opgeleiden. Na correctie voor leeftijd en stedelijkheid blijft dit verband 
bestaan. Dit patroon geldt ook voor vermogens- en vandalismedelicten, 
maar niet voor geweldsdelicten. 

Stedelijkheid 

Slachtofferschap hangt ook duidelijk samen met de stedelijkheidsgraad 
van de woonbuurt. Inwoners van zeer sterk stedelijke gebieden worden 
vaker slachtoffer dan inwoners van niet stedelijke gebieden. Dit geldt 
voor zowel alle delicten samen als voor de afzonderlijke delictgroepen 
(gewelds-, vermogens- en vandalismedelicten). 

Ook de PMB laat een relatie zien tussen de mate van stedelijkheid en 
slachtofferschap van geweldsdelicten, voor zover de politieregio een 
indicatie vormt voor stedelijkheid. De regio Amsterdam-Amstelland 
vertoonde in 2004 voor vrijwel alle delictsoorten een hoog, zo niet het 
hoogste slachtofferpercentage. Ook de regio’s Utrecht, Noord-Holland-
Noord, Haaglanden, Rotterdam-Rijnmond en Flevoland tellen relatief 
veel slachtoffers van persoonsgebonden en andere criminaliteit. 
Uit eerder onderzoek (POLS) blijkt dat veel vormen van criminaliteit zich 
afspelen in de directe omgeving van het slachtoffer: drie kwart van de 
voorvallen gebeurt binnen de eigen woongemeente, de helft zelfs binnen 
de eigen buurt of wijk. Flatbewoners en bewoners van huurwoningen 
zijn vaker slachtoffer, vooral van vermogensdelicten, dan bewoners van 
eengezinswoningen. Maar dit heeft vooral te maken met de kenmerken 
van de bewoners en van de woonomgeving (Kempkens en Wittebrood, 
2002). 


Slachtoffers van criminaliteit 71 

Figuur 3.4 Slachtofferschap (totaal) naar geslacht en leeftijd, 2007 

% 

0 
10 
20 
30 
40 
50 
15-17 18-24 25-34 35-44 45-54 55-64 65-74 75 jaar 
Mannen 
Vrouwen 
jaar jaar jaar jaar jaar jaar jaar en ouder 

Voor de corresponderende cijfers zie tabel 3.5 in bijlage 4. 
Bron: CBS 

Herhaald slachtofferschap 

Uit de CBS-slachtofferenquêtes blijkt dat rond 20% jaarlijks slachtoffer 
wordt van één soort delict, ongeacht het aantal keren. Rond 5 à 6% wordt 
slachtoffer van meer dan één soort delict. 
Uit literatuuronderzoek en nadere analyses van de Politiemonitor 1997 
(DPJR, 1996) blijkt dat herhaald slachtofferschap vaker voorkomt dan 
statistisch verwacht mag worden. Dit verschilt wel per type delict; bij 
geweldsdelicten (ook seksuele delicten) en inbraken komt dit bijvoorbeeld 
vaker voor dan bij autodelicten of bij beroving. Dit komt niet door die 
eerdere slachtofferervaringen op zichzelf, maar onderzoek wijst erop dat 
de groep die herhaald slachtoffer wordt, mede vanwege hun leefstijl en 
routineactiviteiten, meer kans maakt om slachtoffer te worden (‘victim 
proneness’; zie Wittebrood, 2006). 
Meervoudig slachtofferschap (slachtoffer van verschillende delict-
soorten) komt, zoals blijkt uit de Politiemonitor, echter minder voor dan 
verwacht.18 Men is eerder (herhaald) slachtoffer van één delicttype dan 

18 Overigens zijn de CBS-enquêtes, de PMB en de VMR niet optimaal ingesteld om herhaald 

slachtofferschap te meten, omdat geen rekening wordt gehouden met het vaak procesmatige karakter 

van (vooral) gewelddadige vormen van herhaald slachtofferschap. 


72 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

van verschillende soorten delicten. Herhaald slachtofferschap hangt onder 
meer samen met kenmerken van de woonomgeving, zoals het percentage 
werklozen, laag opgeleiden en allochtonen in een wijk. Opmerkelijk 
is dat herhaald slachtofferschap vaker voorkomt in kleine dan in grote 
gemeenten. Slachtofferschap is vaak geconcentreerd in gebieden met veel 
criminaliteit. Binnen ‘onveilige’ wijken gaat het in werkelijkheid vaak om 
specifieke locaties die verantwoordelijk zijn voor hoge criminaliteitscijfers, 
bijvoorbeeld in en rond cafés, parken, winkelcentra. Andere kenmerken 
die voor de verklaring van herhaald slachtofferschap belangrijk kunnen 
zijn, zoals lifestyle-kenmerken, worden niet of nauwelijks in de slachtofferenquêtes 
gemeten. 

Relatie met de dader(s) 

De relatie tussen slachtoffer en daders speelt een rol in de kans op slachtofferschap, 
maar er is (nog) te weinig bekend over de interactie tussen 
dader en slachtoffer. 

Verklaringen 

De gesignaleerde verschillen in slachtofferschap hangen uiteraard niet 
direct samen met de genoemde kenmerken, maar kunnen vooral worden 
verklaard doordat bepaalde groepen verschillen vertonen in leefstijl en 
routineactiviteiten (Wittebrood, 2006; Huys, 2007). Zo hebben personen 
die regelmatig bepaalde activiteiten plegen (uitgaan), veel in de nabijheid 
van anderen verkeren (bijvoorbeeld bepaalde beroepsgroepen) of in het 
bezit zijn van aantrekkelijke zaken een grotere kans op slachtofferschap. 
Ook ‘delinquent’ gedrag en herhaald slachtofferschap zelf spelen een rol. 
Volgens de zogenoemde gelegenheidstheorie hangt de kans op slachtofferschap 
samen met de aantrekkelijkheid van bepaalde doelwitten (personen 
of zaken), de aanwezigheid van potentiële daders, en de mate waarin 
doelwitten worden beschermd. De genoemde achtergrondkenmerken 
kunnen worden beschouwd als indicatoren die staan voor een bepaalde 
leefstijl, die op zijn beurt weer samenhangt met de aanwezigheid, aantrekkelijkheid 
en mate van bescherming. Ook de samenhang tussen het zelf 
plegen van een delict en slachtofferschap heeft te maken met een bepaalde 
leefstijl. 

Overigens hangen niet alleen individuele kenmerken samen met de kans 
op slachtofferschap, maar ook de sociale context waarin mensen zich 
bevinden. Volgens de sociale desorganisatietheorie is er meer criminaliteit 
binnen een gebied naarmate dit gebied meer sociaal gedesoriënteerd is. 
Belangrijke kenmerken die samenhangen met criminaliteit in een gebied 
(zoals een buurt) zijn de sociaal-economische status, de etnische heterogeniteit 
en de verhuismobiliteit van een buurt. Deze kenmerken zijn mede 
bepalend voor de (vooral informele) sociale controle binnen een buurt, die 
daarmee mede bepalend is voor de (sociale) bescherming van doelwitten. 


Slachtoffers van criminaliteit 73 

Lichamelijke en materiële gevolgen 

Zoals blijkt uit de eerdere CBS-enquêtes komt lichamelijk letsel, behalve 
bij geweldsdelicten en bij doorrijden na een aanrijding, zelden voor.19 
Voorzover er sprake is van letsel, gaat het meestal om licht letsel, waarvoor 
zelden medische behandeling nodig is. 
Slachtoffers van veelvoorkomende criminaliteit hebben volgens de CBS-
enquêtes daarentegen vooral te maken met materiële schade. Ongeveer 
zes van de tien slachtoffers zegt daadwerkelijk financiële schade te 
hebben ondervonden. Bij diefstaldelicten is dat aandeel hoger, vooral 
bij autodiefstal, diefstal uit de auto en zakkenrollerij. Slachtoffers van 
geweldsdelicten, behalve van mishandeling, melden relatief weinig financiële 
schade. Over het algemeen gaat het om relatief kleine bedragen per 
voorval met schade. Recente cijfers over de hoogte van de ondervonden 
financiële schade zijn echter niet beschikbaar.20 

Immateriële gevolgen 

Veelvoorkomende criminaliteit kan voor de personen die ermee te maken 
krijgen, ook gevolgen in de emotionele sfeer hebben. Volgens de CBSslachtofferenquêtes 
over 1997-2004 leidde rond 9% van alle delicten tot 
ernstige emotionele gevolgen voor de slachtoffers: deze slachtoffers moesten 
er ten tijde van het interview nog vaak aan denken (6%), piekerden 
er nog steeds over (2%), of hun hele doen en laten werd erdoor beheerst 
(1%). Voor de meeste slachtoffers zijn de emotionele gevolgen minder 
ingrijpend: bijna twee van de drie slachtoffers dacht helemaal niet meer 
aan wat er gebeurd is; ruim een kwart dacht er nog wel eens aan. Ernstige 
emotionele gevolgen komen vaker voor bij geweldsdelicten (vooral mishandelingen), 
inbraken en zakkenrollerij. Fietsdiefstallen, vandalisme en 
gevallen van doorrijden na een ongeval leiden minder vaak tot emotionele 
problemen. 

Schadevergoeding 

Financiële schade wordt lang niet altijd vergoed. Dit komt vooral omdat 
slachtoffers hiertoe maar in een beperkt aantal gevallen een poging doen, 
bijvoorbeeld omdat het in de meeste gevallen om geringe bedragen gaat. 
Uit de CBS-enquêtes over 1997-2004 blijkt dat slachtoffers met schade in 
ruim een op de drie gevallen hebben geprobeerd om deze schade vergoed 
te krijgen. In een kwart van alle schadegevallen was er sprake van een 
gehele of gedeeltelijke vergoeding of was er nog een zaak in behandeling. 
Bij inbraken, diefstallen van of uit de auto, doorrijden na een ongeval en 

19 In de PMB en in de VMR zijn geen vragen opgenomen over materiële, fysieke of emotionele gevolgen 

van slachtofferschap. In de ICVS wordt per soort ondervonden delict wel een algemene vraag gesteld 

over de ernst van het (laatste) voorval. 
20 De meest recente schatting is gebaseerd op de gegevens tot en met 1999. Daarbij varieerde het 

gemiddelde schadebedrag van ongeveer 200 euro voor fietsdiefstal en zakkenrollerij tot meer dan 

2.000 euro voor inbraken en ruim 4.000 euro voor autodiefstallen. 

74 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

mishandelingen – waarbij de schade meestal relatief hoog is – werd de 
schade vaker vergoed; bij inbraken zelfs zes van de tien keer. 
Slechts 3 à 4% van alle slachtoffers deed een beroep op een hulpverlenende 
instantie. Onder slachtoffers van geweldsdelicten (vooral van mishandeling) 
kwam dit duidelijk vaker voor. 

Schadefonds Geweldsmisdrijven 

Onder bepaalde voorwaarden kunnen slachtoffers van ernstige geweldsmisdrijven 
(of hun nabestaanden) in aanmerking komen voor een financiële 
tegemoetkoming uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Een 
uitkering uit dit fonds is altijd een tegemoetkoming in de schade die het 
gevolg is van letsel dat bij een geweldsmisdrijf is toegebracht. Daarbij 
wordt onderscheid gemaakt tussen materiële schade (daadwerkelijke 
kosten die een slachtoffer heeft moeten maken en die een direct gevolg 
zijn van het opgelopen letsel, zoals medische kosten, huishoudelijke hulp, 
vervoerskosten of verlies van arbeidsvermogen) en immateriële schade 
(zogenoemd smartengeld). 
Uit het meest recente jaarverslag (2005) blijkt dat in dat jaar 6.090 nieuwe 
aanvragen werden ingediend. Dat aantal was hoger dan dat in 2002 
(5.101). In 2000 lag het aantal verzoeken nog op 3.648. In totaal werden 

6.571 dossiers afgehandeld, waarvan 4.744 leidden tot een beslissing. 
Daarvan werden er 3.977 toegewezen, dit is 84% van het totale aantal 
beslissingen in dat jaar. In totaal vonden 3.928 uitkeringen plaats, de 
meeste vanwege een combinatie van materiële en immateriële schade. 
In totaal werd bijna 11 miljoen euro uitgekeerd, waarvan het grootste deel 
(ruim 7 miljoen euro) als immateriële schadevergoeding (smartengeld). 
Ter vergelijking: in 2000 werd in totaal 4,7 miljoen euro aan schadevergoeding 
toegekend. 
Waarborgfonds Motorverkeer 

Ook slachtoffers van schade in het verkeer kunnen in aanmerking komen 
voor schadevergoeding, door een beroep te doen op het Waarborgfonds 
Motorverkeer. Het gaat daarbij om schade die is veroorzaakt door onbekenden, 
niet-verzekerde of gestolen motorrijtuigen, motorrijtuigen 
verzekerd bij een onvermogende verzekeraar of toebehorend aan personen 
aan wie een vrijstelling van verzekering wegens gemoedsbezwaren is 
afgegeven. 
Tussen 2000 en 2004 is het aantal ingevoerde claims bij het Waarborgfonds 
toegenomen van ruim 56.000 tot 64.100. Daarna is dit aantal weer 
gedaald, tot bijna 52.000 in 2006.21 Het uitgekeerde schadebedrag steeg 
van 51,9 miljoen euro in 2000 naar 77,8 miljoen euro in 2004. Daarna volgde 
weer – in lijn met de afname van het aantal claims – een daling van het 

21 
Een deel van deze daling is toe te schrijven aan ca. 3.000 nog niet ingediende claims die waarschijnlijk in 
2007 alsnog worden ingediend. 


Slachtoffers van criminaliteit 75 

uitgekeerde bedrag tot 55,8 miljoen euro in 2006. De meeste ingediende 
claims betreffen parkeerschades. In 2006 werden in verband hiermee 
bijna 32.000 claims ingediend. Ook dit aantal is na 2004 gedaald, maar 
relatief minder dan het totale aantal claims. 

3.2 Bedrijven als slachtoffer 
In de Monitor Criminaliteit Bedrijven en Instellingen (MBI) is een totaalbeeld 
geschetst van de criminaliteit waarmee bedrijven en instellingen 
werden geconfronteerd. In 2002 gaf de helft (51%) van de bedrijven en 
instellingen aan geconfronteerd te zijn geweest met criminaliteit. Naar 
schatting ging het daarbij om in totaal 5 miljoen gepleegde delicten. Bijna 
een kwart van de bedrijven en instellingen was meervoudig slachtoffer, 

d.w.z. van meer dan één soort delict. Toch beschouwde slechts 7% van de 
bedrijven en instellingen criminaliteit als een ernstig probleem. 
Bijna een op de vijf vestigingen had te maken met diefstal en vernieling. 
Inbraak kwam eveneens relatief vaak voor (15%). Het totaal aantal diefstaldelicten 
werd geschat op 2 miljoen. De belangrijkste schadeposten 
waren directe schade door inbraak en diefstal. De totale schade op jaarbasis 
door criminaliteit werd geschat op 1,3 miljard euro, waarvan ongeveer 
twee derde door inbraak en diefstal. 
Aangifte doen op het politiebureau door bedrijven en instellingen 
verschilde per delict. Inbraak (42%) en diefstal (31%) werden het vaakst 
aangegeven. Computercriminaliteit daarentegen nauwelijks. De belangrijkste 
reden om van aangifte af te zien was het gevoel dat er niets mee 
gedaan wordt. Vaak ook werd geen aangifte gedaan omdat het probleem 
zelf is aangepakt of omdat de verzekering de schade dekt. Ook tijdgebrek 
of de geringe omvang van de schade waren redenen om geen aangifte te 
doen. 
Van de bedrijven en instellingen die criminaliteit wel meldden bij de 
politie was de helft (zeer) tevreden over de wijze van afhandeling door de 
politie. De bedrijven die hierover niet tevreden waren, weten dit vooral 
aan de (schijnbaar) passieve houding van de politie en het uitblijven van 
zichtbaar resultaat. 
De MCB (Monitor Criminaliteit Bedrijfsleven), die de MBI als monitor 
vanaf 2004 is opgevolgd, is meer gericht op de criminaliteit binnen de 
afzonderlijke sectoren. Daarom wordt hierna vooral ingegaan op de 
belangrijkste aspecten per sector.22 
22 Per sector is in de MCB 2006 een uitgebreide rapportage samengesteld met gedetailleerde gegevens 
naar (o.a.) branches binnen de sector, ligging, regio en soort delict. 


76 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Criminaliteit als ervaren probleem 

Er zijn duidelijke verschillen in de mate waarin de sectoren – volgens de 
bedrijven zelf – criminaliteit als een probleem ervaren. Rond één op de 
vijf bedrijven in de zakelijke dienstverlening en in de bouw vindt dit een 
probleem (in 2006 resp. 19% en 22%), tegenover bijna het dubbele aandeel 
(37%) in de detailhandel. De sectoren transport en horeca zitten daar 
tussen in, met rond een op drie bedrijven. 
Het aantal bedrijven dat criminaliteit als een probleem ervaart is in alle 
sectoren gedaald ten opzichte van 2004. 

Slachtofferschap algemeen 

Ook de mate waarin bedrijven slachtoffer worden van één of meer vormen 
van criminaliteit verschilt per sector. Bedrijven in de zakelijke dienstverlening 
(een kwart in 2006) en in de bouw (28%) worden er het minst vaak 
mee geconfronteerd (zie figuur 3.5). Voor de andere drie sectoren varieert 
het aantal bedrijven dat slachtoffer is geweest tussen de 37% (transport) 
en 45% (detailhandel). In de detailhandel is de kans op slachtofferschap 
het grootst. In de bouw is het aandeel dat slachtoffer werd van een of 
meer delicten vrijwel gelijk gebleven; in de overige sectoren is dit aandeel 
gedaald in vergelijking met 2004. 
Ook meervoudig slachtofferschap verschilt naar sector. De detailhandel 
en de horeca worden vaker geconfronteerd met meer soorten delicten 
(in 2006 resp. 17% en 16% van de bedrijven) dan de bouw (9%) en de zakelijke 
dienstverlening (6%). De transportsector zit hier tussenin. Ook het 
aandeel meervoudige slachtofferschappen is ten opzichte van 2004 in de 
bouw vrijwel stabiel gebleven, en gedaald in de overige sectoren. 

Slachtofferschap naar soort delict 

Vernielingen, diefstallen en inbraken zijn de meest voorkomende vormen 
van criminaliteit waarmee het bedrijfsleven wordt geconfronteerd. 
Diefstal in de detailhandel is op afstand de meest voorkomende vorm. 
Rond drie op de tien detailhandelsvestigingen heeft hiermee jaarlijks 
te maken (28% in 2006). Slachtofferschap van diefstaldelicten is in alle 
sectoren afgenomen, met uitzondering van de bouw. 
Vernielingen komen veel voor in de horeca (rond een kwart) en bij de 
detailhandel (één op vijf). 
In de transportsector en de zakelijke dienstverlening is slachtofferschap 
van vernielingen vergeleken met 2004 gedaald. 
Inbraak komt vooral voor bij transportbedrijven (17% in 2006), gevolgd 
door de horeca 13%). Slachtofferschap van inbraak is ten opzichte van 
2004 verminderd in de detailhandel en de horeca. 
Geweldsdelicten komen minder vaak voor, behalve in de horeca. Rond 
één op de tien horecazaken heeft hiermee te maken. In de detailhandel, 
de transportsector en de zakelijke dienstverlening is het percentage slachtoffers 
van geweld in 2006 lager dan in 2004. 


Slachtoffers van criminaliteit 77 

Figuur 3.5 Slachtofferschap onder bedrijven naar sector, 2002- 2006 

% 
70 

60 

50 

Detailhandel 

Horeca 
Transport1) 
Bouwnijverheid 

40 

30 

Zakelijke 
dienstverlening2) 

20 

10 

0 

2002 2004 2005 2006 2002 2004 2005 2006 
Totaal Meervoudig 


1) in 2002 vervoer en communicatie 
2) in 2002 financiële en zakelijke dienstverlening 
Voor de corresponderende cijfers zie tabel 3.7 in bijlage 4. 
Bron: MCB 

Met andere vormen van criminaliteit wordt rond 5% van alle bedrijven 
geconfronteerd. Het slachtofferpercentage is in alle sectoren behalve de 
bouw gedaald ten opzichte van 2004. 
In de MCB 2006 is voor het eerst ook aandacht besteed aan interne criminaliteit 
(dit is diefstal van geld of goederen door eigen personeel). Van alle 
bedrijfsvestigingen samen had 5% hiermee te maken. Dit varieerde echter 
per sector van 3% (zakelijke dienstverlening) tot 9% (horeca). In de detailhandel 
als geheel werd 7% hiermee geconfronteerd (supermarkten 24%). 

Schade 

Het totale schadebedrag voor het bedrijfsleven als gevolg van ondervonden 
criminaliteit, zowel directe als indirecte schade, bedroeg in 2006 voor 
alle sectoren opgeteld circa 570 miljoen euro. 
Vooral de detailhandel heeft veel met financiële schade te maken. In 2006 
bedroeg dit 230 miljoen euro, ofwel ruim 40% van de totale schade in de 
onderzochte sectoren. Diefstal en inbraak vormen voor deze sector de 
belangrijkste schadepost. Ook in de andere sectoren vormen inbraak en 
diefstal de belangrijkste kostenpost. 


78 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Ten opzichte van voorgaande jaren is deze financiële schade gedaald. In 
2004 was de totale schade nog bijna 700 miljoen euro. De afname doet 
zich in alle sectoren voor, al zijn er wel verschillen in de mate van daling. 

3.3 Preventiemaatregelen in verband met criminaliteit 
Personen, bedrijven en instellingen kunnen verschillende maatregelen 
treffen om te voorkomen dat zij slachtoffer worden van criminaliteit. 
Zowel in de CBS-slachtofferenquêtes als in de PMB zijn vragen gesteld 
over maatregelen ter voorkoming van inbraak, maatregelen tegen fietsdiefstal, 
tegen diefstal van of uit de auto. Ook in de VMR is aan respondenten 
gevraagd welke voorzieningen bij hen thuis aanwezig zijn om 
inbraak te voorkomen of om de gevolgen zoveel mogelijk te beperken. 
Het gaat daarbij om inbraakalarm, extra hang- en sluitwerk, extra buitenverlichting 
en luiken voor ramen en deuren. Bovendien is gevraagd of 
de maatregelen voldoen aan het Politiekeurmerk Veilig Wonen. Evenals 
bij slachtofferschap zijn de gevraagde maatregelen tussen de verschillende 
enquêtes onderling niet vergelijkbaar, zodat ook hier alleen iets over 
trends in het algemeen kan worden gezegd. 
Preventiemaatregelen kunnen ook genomen worden door een slachtoffer 
op advies van de politie. In de VMR en in de PMB is daarover aan slachtoffers 
een vraag gesteld. In de MCB zijn eveneens vragen opgenomen over 
beveiligingsmaatregelen. 
Of zulke maatregelen ook daadwerkelijk preventief werken, valt uit deze 
enquêtes echter niet zonder meer af te leiden, al was het alleen maar 
omdat niet altijd bekend is of ze vóór of na een eventueel slachtofferschap 
zijn genomen. 

3.3.1 Maatregelen van burgers 
Maatregelen tegen inbraak 

Volgens de CBS-enquêtes is het percentage inwoners waarbij thuis standaardmaatregelen 
tegen inbraak worden genomen tussen 1997 en 2004 
licht gestegen.23 Het aandeel waarbij maatregelen bij langere afwezigheid 
worden genomen is in die periode echter vrijwel gelijk gebleven. 
De PMB liet tussen 2001 en 2005 een lichte stijging zien van enkele voorzieningen 
als extra hang- en sluitwerk, extra buitenverlichting en inbraakalarm. 
Volgens de VMR zijn extra hang- en sluitwerk en extra buitenverlichting 
de meest voorkomende maatregelen tegen inbraak (zie figuur 3.6). In 
2007 waren deze voorzieningen bij meer dan vier op de vijf huishoudens 

23 Het zijn overigens niet altijd de inwoners zelf die de maatregelen treffen. In huurwoningen bijvoorbeeld 
gebeurt dit vaak door woningbouwcorporaties. 


Slachtoffers van criminaliteit 79 

aanwezig (resp. 83% en 80%). Andere voorzieningen komen aanzienlijk 
minder voor: bij 16% van de huishoudens zijn de woningen voorzien van 
luiken voor ramen en deuren, en bij 12% is een inbraakalarm aanwezig. In 
totaal voldoen de preventiemaatregelen bij één op de zes huishoudens aan 
het Politiekeurmerk Veilig Wonen. 
In 2007 is alleen het percentage huishoudens waarvan de woning voorzien 
is van extra buitenverlichting duidelijk hoger dan in 2006. De schaalscore 
voor inbraakpreventie op basis van deze maatregelen (hoe hoger deze 
score, hoe meer maatregelen zijn genomen) bedroeg 4,1 volgens de VMR 
2007. Dit is hoger dan in 2006 (4,0) en even hoog als in 2005. 
Volgens de EU-ICS is het aandeel huishoudens met een inbraakalarm de 
laatste jaren redelijk stabiel gebleven (rond 10%). Het aandeel met extra 
hang- en sluitwerk is ook volgens de EU-ICS toegenomen, van 59% in 1992 
tot 78% in 2005. 
Overigens moet hierbij worden bedacht dat sommige voorzieningen 
(bijvoorbeeld luiken voor ramen en deuren) standaard al aanwezig zijn 
(bijv. op boerderijen) zonder dat deze speciaal zijn aangebracht ter voorkoming 
van inbraak. Omgekeerd kunnen sommige maatregelen (zoals 
eveneens luiken voor ramen en deuren) in bepaalde (stedelijke) gebieden 
niet overal genomen worden. 

Figuur 3.6 Maatregelen van burgers tegen inbraak, 2007 

Inbraakalarm 

Luiken voor ramen 
en deuren 


Politiekeurmerk 
Veilig Wonen 


Extra buitenverlichting 

Extra hang- en sluitwerk 

0 10 20 30 40 50 

60 

70 

80 

90 
% 


Voor de corresponderende cijfers zie tabel 3.11 in bijlage 4. 
Bron: CBS 


80 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Maatregelen tegen fietsdiefstal en autodelicten 

Volgens de CBS-enquêtes nam het gebruik van een (deugdelijk) fietsslot 
tussen 1997 en 2004 iets toe. Het gebruik van een gegraveerde postcode 
en een fietsregistratiekaart is juist afgenomen. 
In de VMR zijn vragen gesteld over het verzekerd zijn tegen diefstal en 
over de aanwezigheid van een diefstalpreventiechip. Minder dan de helft 
van de fietsbezitters (46% in 2007) heeft deze verzekerd tegen diefstal. Bij 
11% van de fietsbezitters is de fiets voorzien van een diefstalpreventiechip. 
Deze percentages wijken niet wezenlijk af van die in 2006 en het jaar 
daarvoor. 
Bij maatregelen ter voorkoming van diefstal van of uit de auto gaat het 
om de aanwezigheid van een alarminstallatie of een startonderbreker. 
Volgens de CBS-enquêtes is dit aandeel tot 2004 sterk gestegen, mede 
omdat er steeds meer auto’s standaard al voorzien zijn van een alarminstallatie 
of startonderbreker. Volgens de VMR 2007 hadden bijna zes 
van elke tien autogebruikers (57%) een auto met een alarminstallatie of 
een startonderbreker. Dit aandeel is echter vrijwel even hoog als in beide 
voorgaande jaren. Slechts 5% van de autogebruikers zegt dat zij deze 
voorziening zelf hebben aangebracht of laten aanbrengen. Dit aandeel is 
volgens de VMR sinds 2005 iets gedaald24, mede omdat (zoals hierboven 
al genoemd) steeds meer auto’s hiermee al standaard zijn uitgerust. 

Overige maatregelen 

In de VMR zijn enkele nieuwe vragen opgenomen over elektronische 
preventiemaatregelen bij mobiele telefoons en bij personal computers. 
Aan bezitters van een mobiele telefoon is gevraagd of hun apparaat 
is beveiligd met een pincode; bij pc-bezitters is gevraagd of hun pc is 
beveiligd met een wachtwoord. 
Het overgrote deel van de mobiele telefoons is beveiligd met een pincode 
(87% van alle bezitters van een mobiele telefoon in 2007). Dit is de laatste 
twee jaren niet veranderd. 
Bijna twee van de drie pc-bezitters geven aan dat hun pc is beveiligd met 
een wachtwoord. Dit is iets hoger dan in de voorgaande jaren. 

Preventieadviezen aan burgers 

In de PMB is aan slachtoffers van een voorval dat bij de politie is aangegeven, 
nadrukkelijk gevraagd of de politie daarbij een preventieadvies gaf. 
Het aandeel waarbij dit werd gegeven is sinds 1995 vrijwel voortdurend 
gedaald, van bijna 34% tot 22% in 2005. 

24 
De in deze publicatie gebruikte definitie (‘hoofdgebruiker van een auto’) is toegespitst op deze 
onderzoeken (ERV, POLS, VMR) en hoeft niet overeen te komen met andere door het CBS gebruikte 
definities van autobezit of -gebruik. De gegevens over verschillende onderzoeken kunnen onderling 
verschillen vanwege verschillen in onderzoeksdesign. 


Slachtoffers van criminaliteit 81 

In de VMR is aan de slachtoffers van de aangegeven delicten gevraagd 
wat de politie aan de zaak heeft gedaan. Een van de mogelijkheden is het 
verstrekken van informatie of advies. 
Bij 11% van de aangegeven delicten heeft de politie volgens de VMR 2007 
informatie of advies verstrekt. Dit is vrijwel even veel als in de jaren daarvoor. 
Bij aangegeven geweldsdelicten (vooral mishandeling) en bij (poging 
tot) inbraak) wordt vaker dan gemiddeld een advies gegeven. Bij fietsdiefstal, 
overige diefstal en vandalismedelicten (vooral autovandalisme) is dit 
duidelijk minder dan gemiddeld. 

3.3.2 Maatregelen bij bedrijven 
Figuur 3.7 Maatregelen van bedrijven tegen criminaliteit, 2006 

Neemt preventieve 
maatregelen 

Wint advies in 

Neemt deel aan 
projecten 

0 10 20 30 40 50 60 70 80 90 


Bouwnijverheid Transport 
Zakelijke dienstverlening Horeca 
Detailhandel 
Voor de corresponderende cijfers zie tabel 3.12 in bijlage 4. 
Bron: MCB 

De meest recente gegevens over preventiemaatregelen bij bedrijven 
stammen uit 2006 en zijn afkomstig van de MCB. Verreweg de meeste 
bedrijven nemen preventieve maatregelen. Van de bouwbedrijven geeft 
bijna twee derde (64%) aan maatregelen te hebben genomen. In de andere 
sectoren (detailhandel, horeca, transport en zakelijke dienstverlening) ligt 


82 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

dit aandeel nog hoger, variërend van 71% in de transportsector tot 80% in 
de detailhandel (zie figuur 3.7). 
De maatregelen bij de meeste bedrijven bestaan uit technische hulpmiddelen, 
zoals een alarminstallatie, variërend van 40% of meer voor ‘luid 
alarm’ tot 27% of meer voor ‘stil alarm’ en 26% of meer voor ‘extra sloten 
op de deur’. In de detailhandel en de horeca komen ook relatief veel 
(infrarood) camera’s voor; in de bouw en in de transportsector worden 
ook relatief vaak extra hekwerken geplaatst. 
Op organisatorisch gebied worden minder vaak maatregelen getroffen. 
In totaal gaf 17% aan advies over criminaliteitspreventie te hebben 
ingewonnen. Dit aandeel is het hoogst in de detailhandel (22%), gevolgd 
door de horeca (19%), transport (17%), zakelijke dienstverlening (15%) en 
de bouw (11%). Het aandeel dat advies heeft ingewonnen is gedaald ten 
opzichte van 2004 (totaal 19%). Alleen in de bouw is dit aandeel vrijwel 
gelijk gebleven. 
Een andere manier om criminaliteit tegen te gaan is het deelnemen aan 
projecten, bijvoorbeeld van de politie of de gemeente. Dit biedt bedrijven 
bovendien de mogelijkheid om kennis te nemen van nieuwe vormen 
van preventie. Het aandeel dat hieraan meedoet varieert in 2006 van 3% 
(bouw) tot 8% (horeca). Dit aandeel is sinds 2004 in alle sectoren vrijwel 
gelijk gebleven ten opzichte van 2004. 

3.4 Onveiligheidsgevoelens 
Zowel uit de CBS-enquêtes als uit de PMB zijn gegevens beschikbaar over 
een reeks van jaren.25 De VMR-vragen over onveiligheidsgevoelens sluiten 
voornamelijk aan op de vragen in de PMB. 
Uit de VMR blijkt dat 22% van de Nederlanders van 15 jaar en ouder zich 
begin 2007 wel eens onveilig voelde. Dat is minder dan in 2006 en 2005. 
Toen was dit 24% en 27%. Slechts een klein gedeelte van de bevolking voelt 
zich vaak onveilig. In 2007 gaf 3% te kennen zich vaak onveilig te voelen. 
Ook dat percentage is de afgelopen jaren gedaald. In 2005 was dat nog 5%. 
Uit de eerdere CBS-enquêtes blijkt dat het aandeel inwoners dat inwoners 
zich in het algemeen wel eens onveilig voelt na 2002 is gedaald. Ook 
volgens de PMB nam het aandeel inwoners dat zich wel eens onveilig 
voelt tussen 2002 en 2005 af, van 31% naar 24%. Het aandeel dat zich vaak 
onveilig voelt is in de periode 1995-2004 eveneens licht gedaald.26 
In de VMR is, evenals in de PMB, aan degenen die zich wel eens onveilig 
voelen ook gevraagd of zij zich wel eens onveilig voelen in bepaalde 

25 
Omdat de VMR in dit opzicht meer aansluit bij de PMB ligt de nadruk in deze paragraaf meer op de 
trends in de overeenkomstige gegevens. 

26 
Deze vraag is in POLS en in de PMB identiek. De lagere score in POLS kan worden toegeschreven aan 
de afwijkende, algemene context van vragen over de woning en woonomgeving. 


Slachtoffers van criminaliteit 83 

situaties, zoals in het openbaar vervoer, rondom uitgaansgelegenheden, 
of op plekken waar groepen jongeren rondhangen. 
Iets minder dan één op de zes inwoners geeft in 2007 aan zich wel eens 
onveilig te voelen op plekken waar jongeren rondhangen, terwijl één op 
de tien dat heeft in de buurt van uitgaansgelegenheden. Maar ook in de 
eigen buurt voelt men zich niet altijd veilig. Eén op de twaalf inwoners gaf 
aan zich wel eens onveilig te voelen op straat in de eigen buurt en één op 
twintig in het winkelcentrum in hun buurt. Eveneens één op de twintig 
zegt zich wel eens in het openbaar vervoer onveilig te voelen. Het minst 
onveilig voelen mensen zich in hun eigen huis. In 2007 gaf 3% dit aan. 
In de VMR wordt – aansluitend op de PMB en meer nog dan in de eerdere 
CBS-enquêtes – ook vermijdingsgedrag beschouwd als een uiting van 
onveiligheidsgevoelens. Gevraagd is hierbij of men bepaalde situaties 
vermijdt vanwege een gevoel van onveiligheid, zoals het vermijden van 
bepaalde plekken in de woonplaats, ’s avonds niet open doen, waardevolle 
spullen thuis laten, omlopen of omrijden, kinderen niet ergens naar toe 
laten gaan en niet met het openbaar vervoer gaan. Bijna één op de vijf 
ouders met kinderen jonger dan 15 jaar zegt in 2007 dat zij hun kinderen 
vaak niet toestaan bepaalde plaatsen te bezoeken omdat zij die te onveilig 
vinden (zie figuur 3.8). Eén op de zeven inwoners doet ’s avonds niet 
open als er onverwachts wordt aangebeld, en één op de elf geeft aan dat zij 
waardevolle spullen thuis laten uit angst te worden bestolen. Het mijden 
van bepaalde plekken in de woonplaats (7%) en het omrijden of omlopen 
om onveilige plekken te mijden (6%) worden minder vaak genoemd als 
vormen van vermijdingsgedrag. Het minst vaak komt het niet reizen met 
het openbaar vervoer voor vanwege onveiligheid (2%). Voor vrijwel alle 
situaties liggen deze percentages in 2007 lager dan in beide voorgaande 
jaren. Alleen het aandeel ouders dat hun kinderen vaak niet ergens naar 
toe laat gaan is niet wezenlijk veranderd. 

Ook volgens de PMB was de meest voorkomende vorm van vermijdingsgedrag 
dat ouders hun kinderen verbieden om bepaalde plaatsen te 
bezoeken. Bijna één op de vijf ouders deed dat in 2005. Daarnaast deed 
in dat jaar 16% ’s avonds de deur niet open voor onbekende bellers en liet 
rond 14% waardevolle spullen thuis ter voorkoming van diefstal. Rond 8% 
meed bepaalde plekken in de woonplaats en 7% liep of reed om. 
Deze cijfers zijn in 2005 lager dan in voorgaande jaren, al is niet in alle 
gevallen sprake van een voortdurende daling (’s avonds de deur open 
doen, spullen thuis laten).27 
Op grond van de antwoorden op de vragen over vermijdingsgedrag en 
onveiligheidsgevoelens is (in navolging van de PMB) in de VMR een 

27 De stijging in het percentage inwoners dat zich onveilig voelt volgens de CBS-enquêtes heeft zich vooral 

voorgedaan in het laatste kwartaal van 2001. In deze periode hadden de aanslagen van 11 september 

in de Verenigde Staten plaats. De PMB is gehouden in het eerste kwartaal van 2001; dit is aldus een 

mogelijke verklaring voor het feit dat er volgens de PMB geen sprake is van een stijging. 


84 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

schaalscore berekend. Deze schaalscore ‘beleving van onveiligheid’ loopt 
van (afgerond) 1 tot 10, waarbij een hogere waarde een groter gevoel van 
onveiligheid aangeeft. In 2007 was deze schaalscore volgens de VMR 2,5. 
Dit is minder dan in beide voorgaande jaren. In 2005 bedroeg deze score 
nog 2,8. Ook volgens de PMB daalde deze score, van 3,0 in 2001 tot 2,7 in 
2005. 

Figuur 3.8 
Onveiligheidsgevoelens: vormen van vermijdingsgedrag, 
2007 

Maakt geen gebruik 
van openbaar vervoer 
vanwege onveiligheid2) 


Rijdt of loopt om 
om onveilige plekken 
te mijden 


Mijdt bepaalde plekken 
in woonplaats vanwege 
onveiligheid 


Laat waardevolle spullen 
thuis om beroving/ 
diefstal te voorkomen 

Doet ‘s avonds en 
’s nachts niet open 
vanwege onveiligheid 


Staat kinderen niet toe 
ergens naar toe te gaan 
vanwege onveiligheid1) 


0 5 10 15 20 


% 'komt vaak voor' 

1) Alleen personen met kinderen tot 15 jaar. 
2) Exclusief personen die niet gebruikmaken van het openbaar vervoer. 
Voor de corresponderende cijfers zie tabel 3.16 in bijlage 4. 
Bron: CBS 


Volgens de eerdere CBS-enquêtes zouden in 2004 zes op de tien inwoners 
niet zomaar opendoen als er ’s avonds laat onverwachts wordt aangebeld. 
Dit aandeel is de laatste jaren licht toegenomen. Bijna drie van de tien 
inwoners vonden in 2004 dat er in hun wijk of buurt plekken zijn waar zij 
’s avonds liever niet alleen zouden komen. Dit aandeel is de laatste jaren 
nauwelijks veranderd. Eén op zes inwoners gaf in 2004 aan wel eens bang 
alleen thuis te zijn. Dit aandeel is vrijwel voortdurend afgenomen. Eén op 
de acht inwoners paste in 2004 het uitgaansgedrag aan om slachtofferschap 
van een misdrijf te voorkomen; één op de twintig inwoners achtte 
in 2004 de kans groot dat er thuis wordt ingebroken. Ook deze cijfers zijn 
lager dan in de jaren daarvoor. 


Slachtoffers van criminaliteit 85 

Volgens de EU-ICS vond 18% van de inwoners in 2005 de kans dat er bij 
hen zou worden ingebroken groot tot zeer groot. Een even groot deel zei 
dat zij zich ’s avonds in het donker in hun buurt onveilig voelen. Beide 
percentages, vooral voor de kans op inbraak, zijn in de loop van de jaren 
gedaald. 

Regionale en andere verschillen in onveiligheidsgevoelens 

In 2007 voelde volgens de VMR 13% van de inwoners in de politieregio 
Drenthe zich wel eens onveilig. Dat is het laagste percentage van alle 
politieregio’s. Het hoogste percentage komt voor in Rotterdam-Rijnmond. 
Hier voelde 29% zich wel eens onveilig. 
Het gevoel van onveiligheid hangt samen met de stedelijkheid (zie ook 
verderop in deze paragraaf). In de weinig verstedelijkte regio’s Friesland, 
Drenthe, IJsselland, Twente, Noord- en Oost-Gelderland en Zeeland was 
het percentage lager dan het landelijke gemiddelde van 22%. Inwoners van 
Rotterdam-Rijnmond, Utrecht, Amsterdam-Amstelland, Haaglanden en 
Limburg-Zuid voelen zich meer dan gemiddeld onveilig. 
Evenals bij slachtofferschap van veelvoorkomende criminaliteit zijn er 
verschillen in onveiligheidsgevoelens tussen verschillende bevolkingsgroepen. 
Zo blijkt uit nadere analyse van de VMR-gegevens over 2006 
en 2007 dat onveiligheidsgevoelens het sterkst samenhangen met de 
leeftijd en het geslacht van een persoon en de stedelijkheid van zijn/ 
haar woonbuurt. Dit geldt ook wanneer rekening wordt gehouden met 
andere persoons-, huishoud- en omgevingskenmerken (burgerlijke staat, 
herkomst, samenstelling huishouden, opleidingsniveau huishoudensinkomen, 
inkomensbron huishouden en slachtofferschap van criminaliteit).28 

Leeftijd en geslacht 

Meer jongeren dan ouderen voelen zich wel eens onveilig: een kwart van 
de 15-17-jarigen en drie van de tien 18-24-jarigen, tegen minder dan één 
op de vijf 65-plussers (zie figuur 3.9). 
Dat meer vrouwen dan mannen zich wel eens onveilig voelen geldt voor 
alle leeftijdsgroepen, maar vooral onder jongeren. Bij hen voelen twee 
keer zo veel vrouwen als mannen zich wel eens onveilig. Vooral onder 
vrouwen nemen de onveiligheidsgevoelens sterk af met de leeftijd. Bijna 
vier van de tien jonge vrouwen voelen zich wel eens onveilig. Dit is twee 
keer zoveel als onder de vrouwen boven de 65. Onder mannen speelt dit 
verschil naar leeftijd veel minder. 
Hoewel veel jongeren zich wel eens onveilig voelen, zijn het vooral 55-plussers 
die zich vaak onveilig voelen. Ook geven twee keer zoveel vrouwen als 
mannen aan zich vaak onveilig te voelen. 

28 
Via multivariate analyses (multipele regressie-analyse, ANOVA) zijn de relaties van ‘wel eens onveilig’, 
‘vaak onveilig’ en ‘beleving van onveiligheid’ met deze kenmerken onderzocht. Alleen de relaties met 
‘wel eens onveilig’ en ‘vaak onveilig’ zijn hier beschreven. 


86 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Stedelijkheid 

Ook de stedelijkheid hangt zeer sterk samen met onveiligheidsgevoelens: 
hoe hoger de stedelijkheidsgraad van de woonomgeving, des te meer 
inwoners zich onveilig voelen. In zeer sterk stedelijke buurten voelt één op 
de drie personen zich wel eens onveilig. In niet-stedelijke buurten is dit 
ongeveer de helft daarvan (één op de zes). Ook na correctie voor andere 
achtergrondkenmerken blijft deze relatie bestaan. 

Herkomst 

Niet-westerse allochtonen voelen zich relatief meer onveilig dan westerse 
allochtonen en autochtonen: van de niet-westerse allochtonen voelt 31% 
zich wel eens onveilig, tegen 27% van de westerse allochtonen en 22% van 
de autochtonen. Dit komt echter doordat allochtonen naar verhouding 
vaker in (zeer) sterk stedelijke gebieden wonen. Na correctie voor stedelijkheid 
is het percentage allochtonen en autochtonen dat zich wel eens 
onveilig voelt even hoog. Maar dit geldt niet voor het aandeel dat zich vaak 
onveilig voelt: ook na correctie voor stedelijkheid zeggen ruim twee keer 
zoveel niet-westerse allochtonen als autochtonen zich vaak onveilig te 
voelen. 

Burgerlijke staat en huishoudtype 

Gescheidenen en nooit-gehuwden voelen zich verhoudingsgewijs meer 
onveilig dan gehuwden en verweduwden. Maar de nooit-gehuwden zijn 
vooral jongeren, en gescheidenen wonen vaker in steden. Na correctie 
voor leeftijd en stedelijkheid worden de verschillen kleiner. In lijn hiermee 
voelen alleenstaanden en personen uit een eenoudergezin zich het 
meest onveilig. Maar na correctie voor leeftijd en stedelijkheid zijn er geen 
duidelijke verschillen met andere huishoudenstypen. 

Inkomen, opleiding 

Personen in huishoudens met een uitkering of pensioen als belangrijkste 
inkomensbron en personen met een lagere opleiding geven meer dan 
andere aan dat ze zich vaak onveilig voelen (resp. 8%, 4% en 5%). Ook 
gecorrigeerd voor leeftijd en stedelijkheid blijft de samenhang van huishoudinkomen, 
inkomensbron en opleidingsniveau met zich vaak onveilig 
voelen aanwezig. Maar de samenhang met zich wel eens onveilig voelen 
is minder sterk. Alleen de belangrijkste bron van inkomsten in het huishouden 
hangt hiermee samen: personen in huishoudens met een uitkering 
als belangrijkste inkomensbron voelen zich eerder wel eens onveilig 
dan personen uit huishoudens waar inkomen uit arbeid de belangrijkste 
inkomensbron is. 

Slachtofferschap 

Personen die slachtoffer zijn geweest van een delict voelen zich, zoals mag 
worden verwacht, naar verhouding meer onveilig dan niet-slachtoffers. 


Slachtoffers van criminaliteit 87 

Bijna één op de drie slachtoffers voelt zich wel eens onveilig, tegenover 
één op de vijf niet-slachtoffers. Ruim één op de twintig slachtoffers voelt 
zich vaak onveilig, onder niet-slachtoffers is dat de helft. Deze samenhang 
is het sterkst bij slachtoffers van geweldsdelicten. Ruim vier van de tien 
geweldsslachtoffers voelen zich wel eens onveilig, tweemaal zo veel als 
bij personen die geen slachtoffer zijn geweest; het aandeel dat zich vaak 
onveilig voelt is zelfs bijna viermaal zo groot als onder de niet-slachtoffers. 
Deze verbanden tussen onveiligheidsgevoelens en slachtofferschap blijven 
bestaan na correctie voor leeftijd en stedelijkheid. 

Figuur 3.9 Onveiligheidsgevoelens naar geslacht en leeftijd, 2007 

Mannen 
Vrouwen 
0 
10 
20 
30 
40 
50 
15-17 18-24 25-34 35-44 45-54 55-64 65-74 75 jaar 
jaar jaar jaar jaar jaar jaar jaar en ouder 

Voor de corresponderende cijfers zie tabel 3.17 in bijlage 4. 
Bron: CBS 

Verklaringen 

Ook uit vrijwel alle andere onderzoeken komt naar voren dat vrouwen 
zich in alle opzichten (veel) onveiliger voelen dan mannen. Verder blijkt 
eveneens dat ouderen, personen uit lagere sociaal-economische klassen 
en slachtoffers zich in het algemeen angstiger voelen (Wittebrood, 2006). 
Hetzelfde geldt voor verschillen in de woonomgeving: mensen woonachtig 
in buurten met een lage economische status, veel niet-westerse allochtonen 
en veel verloedering en overlast voelen zich onveiliger. Een verklaring 
voor deze verschillen kan worden gevonden in de hogere inschatting 
van de fysieke en sociale kwetsbaarheid van deze groepen. Dat de meest 


88 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

angstige mensen behoren tot de groepen met het minste risico op slachtofferschap 
(de zogenoemde fear-victimization paradox)29 hangt behalve 
met eigen en andere slachtofferervaringen ook samen met de kwetsbaarheid 
van deze groepen. Mensen die kwetsbaar zijn zullen hun gedrag 
aanpassen door risicovolle situaties zoveel mogelijk te voorkomen en zo 
de kans op slachtofferschap te verkleinen (Wittebrood, 2006). 
Uit een analyse van de PMB-gegevens bleek dat, naast individuele kenmerken, 
ook de risicoperceptie en de (sociale) context van de woonomgeving 
een rol speelt bij angstgevoelens in de woonomgeving. Bijvoorbeeld de 
verloedering en het aandeel allochtonen in de buurt en de snelheid waarin 
een buurt van ‘kleur’ verandert (Oppelaar en Wittebrood, 2006). 

Overigens is het begrip ‘onveiligheidsgevoelens’ een containerbegrip van 
emoties, opvattingen en inschattingen, die variëren van angst vanwege 
persoonlijke situaties tot maatschappelijke bezorgdheid over bepaalde 
ontwikkelingen. In een theoretisch model wordt onderscheid gemaakt 
tussen cognitieve en affectieve angstgevoelens, waarbij wordt verondersteld 
dat cognitieve gevoelens voorafgaan aan affectieve gevoelens. Hierbij 
worden omgevingssignalen via een cognitieve vertaalslag omgezet in 
een risico-inschatting (bijvoorbeeld om slachtoffer te worden), die op zijn 
beurt leidt tot een bepaalde angst voor criminaliteit (Oppelaar en Wittebrood, 
2006). 

3.5 Slachtofferhulp 
Slachtoffers kunnen bij emotionele, lichamelijke of materiële gevolgen zo 
nodig een beroep doen op instanties om hulp te krijgen. Volgens de richtlijn-
Terwee moet de politie bij aangifte de slachtoffers op de mogelijkheid 
van slachtofferhulp wijzen. In het algemeen doen weinig slachtoffers een 
beroep op een hulpverlenende instantie. Als zij dit al doen, betreft het 
vooral delicten waarbij vaker sprake is van lichamelijk letsel, van meer 
financiële schade of van ernstigere emotionele gevolgen. Slachtoffers van 
geweldsdelicten, inbraken en doorrijden na een ongeval doen dit vaker 
dan slachtoffers van andere delicten. Bij fietsdiefstal, diefstal uit de auto, 
overige diefstal en vandalisme wordt zelden een beroep gedaan op een 
hulpverlenende instantie. 
Uit de PMB komt naar voren dat vooral slachtoffers van mishandeling 
en (vrouwelijke) slachtoffers met emotionele problemen als gevolg van 
hun slachtofferschap relatief vaak een beroep doen op professionele 

29 
Deze paradox gaat blijkens de voorgaande analyse en ander onderzoek niet helemaal op: het zijn vooral 
jonge vrouwen die zich relatief vaak onveilig voelen; oudere vrouwen voelen zich juist relatief veilig 
(Vanderveen, 1999; Oppelaar en Wittebrood, 2006). 


Slachtoffers van criminaliteit 89 

hulpverlening zoals Riagg, therapeut of slachtofferhulp. Aan huisartsen of 
andere hulpverleners wordt minder vaak hulp gevraagd (SCP, 2000). 
Oudere slachtoffers met emotionele problemen als gevolg van hun slachtofferschap 
doen minder vaak een beroep op professionele hulp. 
Het wijzen door de politie op de mogelijkheid van slachtofferhulp gebeurt 
de laatste jaren veel vaker: volgens de PMB werd in 1993 bij 11% van alle 
aangiften door de politie hierop gewezen, in 2002 was dit aandeel met 33% 
bijna verdrievoudigd. Daarna is dit percentage weer wat gedaald tot 29% 
in 2005.30 
Het al dan niet doorverwijzen hangt ook samen met de gevolgen voor en 
de behoefte aan hulp en opvang van de slachtoffers. Uit gegevens van de 
PMB blijkt dat dit bij geweld (vooral mishandeling), beroving, inbraak en 
autodiefstal relatief vaak gebeurt. 

Figuur 3.10 
Door Slachtofferhulp Nederland verleende hulpverlening 
(beëindigde zaken) naar soort delict, 2001-2005 

100.000 
90.000 
80.000 
70.000 
60.000 
50.000 
40.000 
30.000 
20.000 
10.000 
0 

Totaal 
Geweldsdelicten 
Verkeersongevallen 
Vermogensdelicten 
Overige hulpverlening 
Zedendelicten 
Voor de corresponderende cijfers zie tabel 3.19 in bijlage 4. 
Bron: Slachtofferhulp Nederland/CBS 

30 
In de VMR zijn geen vragen opgenomen over het wijzen op de mogelijkheid van slachtofferhulp. Wel 
wordt gevraagd of de politie een (preventie)advies heeft gegeven. Dit gebeurt in rond 10% van de 
gevallen (zie par. 3.3). 

2001 2002 2003 2004 2005 



90 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Slachtofferhulp Nederland heeft in 2005 in een recordaantal zaken hulp 
verleend aan slachtoffers van een misdrijf of een verkeersongeval. In 
totaal gaat het om ruim 87.000 beëindigde zaken. In 2001 ging het nog om 
bijna 81.000 zaken (zie figuur 3.10). De meeste zaken, ruim 38.000 in 2005, 
hadden betrekking op slachtoffers van geweldsdelicten.31 Sinds 2001 is 
het aantal zaken in deze categorie voortdurend toegenomen. Het aantal 
beëindigde zaken in verband met verkeersongevallen is tot 2003 vrijwel 
gelijk gebleven rond ruim 20.000 en daarna licht gedaald tot ruim 19.000. 
Het aantal zaken in verband met vermogensdelicten (onder meer diefstal 
en inbraak) is voortdurend gedaald, van bijna 23.000 gevallen in 2001 tot 

18.000 in 2005. Het aantal afgehandelde zedenzaken, hoewel beperkt qua 
aantal, is iets toegenomen, van ruim 6.000 in 2001 tot bijna 7.000 in 2005. 
Van alle zaken heeft het grootste deel betrekking op een geweldsmisdrijf. 
Dit aandeel is toegenomen van 33% in 2001 tot 44% in 2005. Tot 50 jaar 
vormen geweldsmisdrijven de belangrijkste aanleiding voor een beroep 
op slachtofferhulp. Onder jonge mannen tot 30 jaar is dit aandeel zelfs 
hoger dan de helft (60% in 2005). Ook onder vrouwen tussen 30 en 40 jaar 
is dit aandeel inmiddels gestegen tot de helft. Onder slachtoffers van 65 
jaar en ouder heeft het merendeel van de zaken betrekking op hulp bij de 
afhandeling van vermogensmisdrijven.32 Dit aandeel is in de periode wel 
afgenomen: van 56% in 2001 tot 47% in 2005. 
Vrouwen kloppen in totaal iets vaker dan mannen aan bij de georganiseerde 
slachtofferhulp. Hun aandeel is tussen 2001 en 2004 licht gestegen. 
Opmerkelijk is het relatief hoge aandeel jongeren in verband met zedenmisdrijven: 
rond een derde van de behandelde zaken had in 2003 en latere 
jaren betrekking op personen jonger dan 20 jaar. 
Slachtoffers van huiselijk geweld weten steeds vaker contact te leggen 
met Slachtofferhulp. Dit aantal nam toe van 1.450 in 2001 tot 4.300 in 
2003. Het zijn vooral vrouwen (86% in 2003) die vanwege huiselijk geweld 
om hulp vragen. Het gaat daarbij meestal om gevallen van fysiek geweld 
met of zonder letsel, aanranding of verkrachting. De politie speelt nog 
steeds een grote rol in de verwijzing naar een bureau voor slachtofferhulp. 
Ruim driekwart van alle personen die hulp kregen, kwam via de politie 
in contact met het bureau Slachtofferhulp. Op eigen initiatief kwam 15% 
(Van Zee, 2005). 
31 
Van alle slachtoffers van een geweldsmisdrijf deed in 2003 rond 3% een beroep op Bureau 
Slachtofferhulp. 

32 
Van alle slachtoffers van een vermogensmisdrijf deed in 2003 circa 1% een beroep op Bureau 
Slachtofferhulp. 


Slachtoffers van criminaliteit 91 

3.6 Delicten: slachtofferenquêtes, 1980-2007 
3.6.1 Door burgers ondervonden delicten 
Slachtofferenquêtes hebben onder meer tot doel meer inzicht te krijgen in 
de omvang en de ontwikkeling van de verborgen criminaliteit. Dit ‘dark 
number’ omvat dat deel van de criminaliteit dat zich aan de waarneming 
van politie en justitie onttrekt, omdat er geen aangifte wordt gedaan 
of omdat de politie om wat voor reden dan ook geen proces-verbaal 
opmaakt. 
In de slachtofferenquêtes wordt dan ook niet alleen gevraagd of men 
slachtoffer is geworden van bepaalde delicten, maar ook of deze gebeurtenissen 
aan de politie zijn gemeld en of daarbij een document is ondertekend. 
Hiermee kan een beeld worden verkregen van de omvang van een 
deel van het ‘dark number’. 
Op basis van deze slachtofferenquêtes kunnen landelijke schattingen 
worden gemaakt van meldingen en aangiften van vooral gewelds- en 
vermogensdelicten en vernielingen. Zogeheten ‘slachtofferloze delicten’ 
als verkeersdelicten of opiummisdrijven worden veelal bekend door de 
eigen opsporingsactiviteiten van de politie. Dergelijke misdrijven zijn niet 
in de enquête terug te vinden. 
De schattingen van het aantal delicten op basis van de genoemde slachtofferenquêtes 
hebben vooralsnog alleen betrekking op personen (meestal 
van 15 jaar en ouder). Dit heeft te maken met de langere reeks van gegevens 
op basis van deze enquêtes en met de nauwkeuriger vaststelling 
van melding en ondertekening, waardoor meer verantwoorde schattingen 
mogelijk zijn. De geschatte ondervonden delicten bij bedrijven en 
instellingen volgens de MCB zijn daarom (nog) niet bij deze schattingen 
meegeteld. 
In deze paragraaf komen de resultaten van de slachtofferenquêtes globaal 
op drie niveaus aan de orde. Eerst wordt ingegaan op schattingen van 
de aantallen delicten (in totaal en op categorieniveau); vervolgens wordt 
nagegaan in hoeverre deze delicten door of namens de slachtoffers zijn 
gemeld bij de politie, en ten slotte bij hoeveel delicten daarbij een document 
is ondertekend. 
Hoewel getracht is de vragen in de enquêtes naar een bepaald misdrijf 
overeen te laten stemmen met de juridische kwalificatie van een misdrijf 
in de politiestatistiek, lukt dit niet altijd. Bij vergelijkingen van geschatte 
aantallen delicten volgens de enquêtes en aantallen uit de politiestatistiek 
gaat het dan ook niet zozeer om absolute niveaus als wel om de richting 
van de ontwikkelingen. 


92 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Geschat aantal delicten 

De bevolking van 15 jaar en ouder in Nederland krijgt volgens de VMR de 
laatste jaren te maken met naar schatting tussen de 5 en ruim 6 miljoen 
delicten. In 2007 bedroeg dit geschatte aantal ruim 5,3 miljoen. 
De ontwikkeling van het aantal delicten laat sinds 1980 een wisselend 
verloop zien (zie figuur 3.11). Tot 1984 nam het aantal delicten volgens 
de slachtofferenquête sterk toe. Tussen 1984 en 1988 daalde het aantal 
geleidelijk, waarna tot 1992 opnieuw een stijging optrad tot een vergelijkbaar 
niveau als dat van 1984. Vanaf 1993 is het totale aantal delicten 
licht gestegen tot in 2002 het hoogste niveau van de reeks op basis van 
de CBS-enquêtes wordt bereikt. Daarna is het aantal delicten weer iets 
afgenomen. Ook uit de nieuwe VMR-reeks blijkt een daling.33 

Figuur 3.11 
Delicten tegen burgers (in Nederland ondervonden), 
1992-2007 

2.500 
2.000 
1.500 
1.000 
500 

-

1992 1994 1996 1998 2000 2002 2004 2006 


Geweldsdelicten POLS Vandalismedelicten VMR 
Vermogensdelicten POLS Vermogensdelicten VMR 
Vandalismedelicten POLS Geweldsdelicten VMR 
Voor de corresponderende cijfers zie tabel 3.20 in bijlage 4. 

Bron: CBS 

33 
Vanwege verschillen in aard, aantal en omschrijvingen van de delicten, in methode en in doorvragen 
vormen de VMR-cijfers een nieuwe en niet met de eerdere cijfers over 1980-2004 vergelijkbare 
reeks, met een iets hoger niveau dan de ERV/POLS-reeks. Zie ook ‘De start van een nieuwe reeks’ in: 
Veiligheidsmonitor Rijk 2006, Landelijke rapportage (Bijlage 4). 


Slachtoffers van criminaliteit 93 

Hoewel het totale aantal geschatte delicten in recente jaren vergelijkbaar is 
met of zelfs hoger ligt dan in 1984, is het aantal delicten per 100 inwoners 
van 15 jaar en ouder op basis van de CBS-enquêtes door de toename van 
de bevolking gedaald van 40 in 1984 tot rond 36 in 2004. Volgens de VMR-
reeks ligt dit in de jaren 2005-2007 op 40 delicten of meer per 100 inwoners. 

Het totale aantal geschatte geweldsdelicten tegen personen schommelt 
volgens de slachtofferenquêtes in de periode 1980-2004 tussen minder 
dan 700.000 en 1,1 miljoen; volgens de VMR ligt dit aantal tussen 1,1 en 
1,3 miljoen. In 1996 kwam met ruim 700.000 voorvallen vrijwel evenveel 
geweld tegen burgers voor als in 1980. Na 1996 zet weer een duidelijke 
stijging in tot meer dan 1 miljoen in de periode 2001-2003. De geschatte 
aantallen geweldsdelicten (vooral mishandelingen en bedreigingen) 
bereikten in 2003 het hoogste niveau van de CBS-reeks over de periode 
tot en met 2004. In dat jaar is dit weer iets gedaald. In de periode 20052007 
was dit volgens de nieuwe VMR-reeks het laagst in 2006 met rond 
1,1 miljoen geweldsdelicten. 

Vermogensdelicten vormen een groot deel van alle delicten tegen burgers. 
Fietsdiefstallen vormen hiervan het grootste deel. Tussen 1980 en 1995 
is het totale aantal vermogensdelicten volgens de CBS-enquêtes vrijwel 
doorlopend toegenomen. In 1995 waren er meer diefstaldelicten dan ooit 
(bijna 2 miljoen); na 1995 nam dit aantal af tot ruim 1,7 miljoen in 2003 
en 2004. In de VMR-reeks ligt dit aantal in 2005 rond 2,2 miljoen, en is 
daarna gedaald tot ruim 1,8 miljoen in 2007. 
Het aantal vandalismedelicten (vooral rond auto’s) ligt op een zelfde 
niveau als het aantal vermogensdelicten. Dit aantal is tussen 1984 en 1990 
vrijwel continu gedaald en bereikte in dat laatste jaar het laagste niveau in 
de periode 1980-2004. Vanaf 1990 nam het geschatte aantal vandalisme-
delicten, met een onderbreking in het midden van de jaren negentig, sterk 
toe tot bijna 2 miljoen in 2002. In 2003 en 2004 is dit weer gedaald tot ruim 
1,8 miljoen. Volgens de VMR varieert het geschatte aantal vandalisme-
delicten tussen 2,1 en 2,4 miljoen. 

Melding van delicten bij de politie 

Het merendeel van de veelvoorkomende criminaliteit tegen burgers wordt 
niet bij de politie gemeld, en blijft daarmee dus ‘verborgen’ voor de opsporingsinstanties. 
Delicten die niet bij de politie worden gemeld zijn volgens 
slachtoffers doorgaans niet zo belangrijk: in ruim een kwart van de gevallen 
werd dit in de VMR en de PMB als reden voor het niet melden gegeven. 
Als belangrijkste reden voor het niet melden werd in 2007 genoemd dat 
aangifte doen toch niets helpt (37%). Omgekeerd noemen slachtoffers als 
belangrijkste redenen voor het wel melden van delicten dat er een bewijs 
voor de verzekering nodig is (29% volgens de VMR 2007), en dat de dader 
moet worden gepakt (28%). 


94 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

In 2007 werden volgens VMR naar schatting ruim 1,9 miljoen voorvallen 
door of namens de slachtoffers aan de politie gemeld.34 Dit is minder 
dan in de voorgaande jaren. In procenten van het totale aantal delicten 
tegen burgers is het aandeel van de bij de politie gemelde delicten licht en 
schoksgewijs toegenomen van circa 30% in het begin van de jaren tachtig 
tot rond 36% vanaf het midden van de jaren negentig van de vorige eeuw. 
Sindsdien schommelt dit aandeel rond 35% bij een licht stijgende trend en 
een terugval rond het eind van de jaren negentig. Volgens de VMR ligt het 
aandeel gemelde delicten rond 36%. 
De meldingsbereidheid van alle delicten samen schommelt volgens de 
PMB sinds 1993 rond 40%35, en is vanaf eind jaren negentig licht gedaald 
tot 37% in 2004. In 2005 lag dit weer op bijna 39%. 

Figuur 3.12 
Delicten tegen burgers die bij de politie zijn gemeld, 
1992-2007 

-
500 
1.000 
1.500 
2.000 
2.500 
1992 1994 1996 1998 2000 2002 2004 2006 
Geweldsdelicten POLS 
Vermogensdelicten POLS 
Vandalismedelicten POLS 
Geweldsdelicten VMR 
Vermogensdelicten VMR 
Vandalismedelicten VMR 

Voor de corresponderende cijfers zie tabel 3.20 in bijlage 4. 
Bron: CBS 

34 Het aantal door de politie geregistreerde misdrijven van 2006 en later is nog niet bekend. 
35 De ‘delictenmix’ en de selectie van de vragen over melding en aangifte in de PMB wijkt af van die in de 
CBS-enquêtes en van de VMR, en is daarom niet vergelijkbaar. 


Slachtoffers van criminaliteit 95 

Figuur 3.12 geeft een overzicht van veelvoorkomende delicten die bij de 
politie zijn gemeld. Van alle geweldsdelicten wordt volgens de slachtofferenquêtes 
globaal tussen 20% en 30% bij de politie gemeld; dit is minder 
dan gemiddeld. Seksuele delicten en bedreigingen worden relatief weinig 
bij de politie gemeld; van het aantal mishandelingen wordt rond de helft 
gemeld. Het percentage gemelde geweldsdelicten was in 1993 met 32% het 
hoogste binnen de periode 1980-1992. Na een daling tot 21% in 1998 is dit 
aandeel weer gestegen tot 30% in 2004. Volgens de VMR wordt rond 31% 
van de ondervonden geweldsdelicten bij de politie gemeld. In 2007 komt 
dit overeen met rond 350.000 gemelde geweldsvoorvallen. 
Bij de vermogensdelicten is het aandeel dat bij de politie wordt gemeld 
duidelijk hoger dan gemiddeld. Dit aandeel is van rond 46% in 1980 vrijwel 
continu gestegen, tot 55% in 1994. In dat jaar werden meer dan één 
miljoen diefstaldelicten gemeld. Na 1994 is het meldingspercentage bij 
vermogensdelicten gedaald tot rond of onder de 50%. Volgens de VMR 
ligt dit aandeel in de meest recente jaren rond 46%. Dit komt overeen met 
rond 900.000 gemelde vermogensdelicten per jaar. 
Inbraken worden in de meeste gevallen bij de politie gemeld. Ook van 
diefstal uit de auto en van zakkenrollerij wordt relatief vaak melding 
gemaakt. Van fietsdiefstallen wordt minder dan de helft gemeld; bij overige 
diefstallen is dit aandeel zelfs minder dan drie op de tien. 
Het percentage gemelde vandalismedelicten varieerde in de periode 
1980-1994 tussen 18% en 24%. Daarna is dit aandeel licht gestegen, van 
19% in 1994 tot rond 26% in 2004. Ook in de VMR ligt dit meldingspercentage 
rond dat niveau. Het geschatte aantal gemelde vernielingen varieerde 
tussen 1992 en 2004 tussen rond 250.000 (1992) en 500.000 (1999). Op basis 
van de VMR ligt het aantal gemelde vandalismedelicten rond 600.000. 

Uit de EU-ICS is alleen bekend in hoeverre slachtoffers van inbraak dit 
melden bij de politie. 
Ook volgens deze bron ligt dit aandeel hoog: in 2005 gaf 92% van de 
slachtoffers aan dat zij dit bij de politie hadden gemeld. Dit is vrijwel even 
hoog als vijf jaar eerder, maar hoger dan in 1996, toen dit aandeel met 85% 
het laagste was over de onderzochte periode. In 1989 was dit met 94% het 
hoogste. 

Ondertekening van documenten 

Tussen 75% en 80% van de bij de politie bekende delicten leidt blijkens de 
CBS-slachtofferenquêtes en de VMR tot een ondertekend document, in 
hoofdzaak in de vorm van een proces-verbaal. Dit komt overeen met ruim 
een kwart van het totale aantal ondervonden delicten tegen burgers. Het 
gaat naar schatting jaarlijks om ongeveer 1,3 à 1,4 miljoen ondertekende 
documenten (zie figuur 3.13). 
Het percentage delicten tegen burgers waarbij een document is ondertekend, 
bleef in de jaren 2000-2004 zowel in verhouding tot het totale aantal 


96 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

delicten(28%) als in vergelijking met de bij de politie bekende delicten 
(77%) vrijwel stabiel. In de meest recente periode (2005-2007) op basis van 
de VMR ligt dit aandeel rond 25%. 
Van de ondervonden en bij de politie bekende geweldsdelicten werd in 
40% à 50% van de gevallen een document ondertekend. Dit komt overeen 
met 26% à 30% van alle ondervonden geweldsdelicten. 
Van de bij de politie bekende vermogensdelicten kreeg volgens de CBSslachtofferenquêtes 
85% tot 90% een vervolg in een ondertekend document.
36 Dit betrof circa 45% van alle ondervonden vermogensdelicten. Het 
ging daarbij naar schatting om tussen 700.000 en 800.000 vermogensdelicten 
per jaar. Volgens de VMR leidt rond 36% van alle vermogensdelicten 
tot een ondertekend document, wat overeenkomt met 75% à 80% van alle 
gemelde vermogensdelicten. In absolute aantallen gaat het (ook) in de 
VMR om 700.000 à 800.000 voorvallen. 
Gemiddeld werd volgens de CBS-enquêtes ruim 70% van de bij de politie 
bekende vernielingen vastgelegd in een schriftelijk document, ofwel ongeveer 
één op de vijf ondervonden vernielingen. Vanaf 1995 is het aantal 
vernielingen met een ondertekend document toegenomen van rond 

200.000 tot bijna 360.000 in 2004. Volgens de VMR resulteert rond twee 
op de drie gemelde vandalismedelicten in een ondertekening. Dit komt 
overeen met één op de zes vandalismevoorvallen. Het geschatte aantal 
ondertekende vandalismedelicten bedraagt volgens de laatste VMR-gegevens 
bijna 400.000. Beschadiging van de auto leidt iets vaker dan andere 
vernielingen tot een ondertekend document. 
In het traject van voorval tot ondertekend document, zoals hier op 
basis van de resultaten uit de slachtofferenquêtes onder de bevolking is 
beschreven, neemt het aandeel van de diefstaldelicten toe. Van alle (in 
Nederland) ondervonden delicten tegen burgers samen bestaat volgens 
de VMR 2007 35% uit vermogensdelicten, 40% uit vandalismedelicten, 
en 22% van de delicten is een geweldsdelict. Maar van de door of namens 
de slachtoffers bij de politie gemelde delicten tegen burgers bestaat 45% 
uit vermogensdelicten, terwijl het aandeel van vandalismedelicten en 
geweldsdelicten is gedaald tot respectievelijk 28% en 19%. Van alle door 
of namens de slachtoffers ondertekende delicten bestaat zelfs 50% uit 
vermogensdelicten. Het aandeel van de vernielingen is daarbij afgenomen 
tot 27% en van geweldsdelicten tot 15%. 

36 Zie hoofdstuk 7 voor een nadere uitleg over de verhouding tussen slachtoffergegevens en 
geregistreerde criminaliteit. 


Slachtoffers van criminaliteit 97 

Figuur 3.13 Delicten tegen burgers waarbij een document is ondertekend, 
1992-2007 

0 
100 
200 
300 
400 
500 
600 
700 
800 
900 
1.000 
1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 

Geweldsdelicten POLS Geweldsdelicten VMR 
Vermogensdelicten POLS 
Vandalismedelicten POLS 
Vermogensdelicten VMR 
Vandalismedelicten VMR 
Bron: CBS 
Voor de corresponderende cijfers zie tabel 3.20 in bijlage 4. 

3.6.2 Door bedrijven ondervonden delicten 
In de MCB wordt aan bedrijven die slachtoffer werden van de onderscheiden 
vormen van criminaliteit gevraagd naar de frequentie waarmee zij 
daarmee te maken hadden. Dit levert per sector een verschillend beeld 
(vergelijk figuur 3.14). 
Bij getroffen detailhandelsvestigingen komen in totaal rond 30 gevallen 
van diefstal per jaar voor (28 in 2006). In de overige sectoren ligt dit veel 
lager (2 à 6 keer).Ten opzichte van 2004 is het aantal voorvallen per vestiging 
alleen afgenomen in de transportsector. 
In alle sectoren, behalve de bouw, is het totale aantal diefstaldelicten 
afgenomen. 
Bedrijven die met vernielingen te maken hebben, worden daar 2 à 4 keer 
per jaar mee geconfronteerd. In de transportsector en de zakelijke dienstverlening 
is het totale aantal vernielingen vergeleken met 2004 gedaald. 
Voor zover er wordt ingebroken, gebeurt dit bij de transportsector rond 3 
keer per jaar; in andere sectoren is dit minder. Ten opzichte van 2004 is bij 
de detailhandel het totale aantal inbraken gedaald. 
Met geweldsdelicten hebben getroffen vestigingen in alle sectoren gemiddeld 
3 tot 5 keer per jaar te maken. Er zijn geen betrouwbare schattingen 
over het totale aantal geweldsdelicten per sector. 


98 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Voor zover bedrijven worden geconfronteerd met andere vormen van 
criminaliteit zijn er grote verschillen in de frequentie waarmee dit 
gebeurt: van ruim 7 keer in de bouw tot 34 keer in de zakelijke dienstverlening. 
Ten opzichte van 2004 is in de detailhandel de frequentie per getroffen 
vestiging en het totale aantal overige delicten afgenomen. 

Figuur 3.14 Door bedrijven ondervonden delicten, 2004-2006 

x 1.000

1.800 

1.600 

1.400 

1.200 

1.000 
800 
600 
400 
200 
0 

Inbraken Vernielingen Overig (excl. geweld) Diefstallen 


2004 
2005 
2006 

Voor de corresponderende cijfers zie tabel 3.23 in bijlage 4. 
Bron: MCB 

Melding en aangifte 

Van alle bedrijven samen (inclusief bedrijven die niet slachtoffer werden 
van een delict) heeft 21% in 2006 een of meer delicten gemeld; dit is minder 
dan in 2004 (25%). Van alle bedrijven heeft 9% ook ten minste één 
delict bij de politie aangegeven (tegen 11% in 2004). 
Onder bedrijven die daadwerkelijk slachtoffer werden ligt dit aandeel 
uiteraard hoger. 
In 2006 maakten circa 2 op de 3 bedrijven hiervan melding. In de transportsector 
was dit het hoogst (69%); het laagst was dit in de detailhandel 
(61%). In de detailhandel en in de horeca is dit aandeel gedaald ten 
opzichte van 2004 (zie figuur 3.15). 
Inbraak wordt door meer dan 80% van de getroffen bedrijven gemeld 
(variërend in 2006 van minimaal 82% in de sector horeca tot maximaal 
87% in de horeca en de zakelijke dienstverlening). Daarmee wordt inbraak 
in alle sectoren veel vaker gemeld dan de andere vormen van criminaliteit. 
Bij vernielingen ligt dit meldingspercentage rond de 46%; van de 
geweldsdelicten wordt rond de helft, met uitersten tussen de 40% (bouw) 
en 66% (horeca) gemeld. Ook bij diefstal varieert dit tussen 41% (horeca) 
en 67% (zakelijke dienstverlening). Overige diefstallen worden, met 
percentages tussen 30% en 48%, relatief minder gemeld. 


Slachtoffers van criminaliteit 99 

Vergeleken met 2004 is in de bouw en de detailhandel het percentage 
gemelde geweldsdelicten afgenomen. 
Circa 1 op de 3 bedrijven deed in 2006 ook daadwerkelijk aangifte van een 
of meer misdrijven. In de bouw en de transportsector kwam dit het meeste 
voor (resp. 36% en 35%), in de detailhandel en de horeca het minst (23% 
en 21%). Alleen in de detailhandel is dit minder dan in 2004. 
Ook het aandeel aangegeven delicten ligt voor inbraak in het algemeen 
hoger dan voor andere delicten. Voor inbraak varieert dit aandeel in 2006 
tussen 20% (horeca) en 45% (bouw), Ook bij diefstal ligt dit relatief hoog, 
tussen 17% (horeca) en 39% (zakelijke dienstverlening). Bij andere delict-
soorten is dit lager. Ten opzichte van 2004 is het aangiftepercentage voor 
geweldsdelicten in de bouw verminderd. 
Opmerkelijk is daarmee het verschil tussen het aandeel bedrijven dat 
melding maakt en dat wat aangifte doet. Dit verschil (wel gemeld maar 
niet aangegeven, ook wel aangeduid met de term ‘verval’) doet zich bij alle 
delictsoorten en alle sectoren voor. 
Vooral in de horeca en de detailhandel maken veel bedrijven wel melding, 
maar is het aandeel dat uiteindelijk geen aangifte doet relatief groot (rond 
twee derde). Dit geldt vooral voor inbraken en geweldsdelicten. In de 
meeste overige gevallen is dit verval de helft of minder. 

Figuur 3.15 
Meldings- en aangiftebereidheid van door bedrijven 
ondervonden delicten, 2004-2006 

% 

0 
10 
20 
30 
40 
50 
60 
70 
80 
Transport Bouwnijverheid Zakelijke 
dienstverlening 
Horeca Detailhandel 
Melding 2004 Melding 2005 Melding 2006 
Aangifte 2004 Aangifte 2005 Aangifte 2006 
Voor de corresponderende cijfers zie tabel 3.28 in bijlage 4. 
Bron: MCB 


100 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

De redenen om niet te melden lijken samen te hangen met de aard van 
het delict. Bij inbraak wordt de verwachting dat melding of aangifte 
geen resultaat oplevert het meest genoemd. Ook genoemd wordt (vooral 
bij diefstal) dat de schade te klein is en dat er gebrek is aan bewijs. 
Bij geweldsdelicten geven bedrijven relatief vaak als reden dat zij het 
probleem zelf aanpakken. 

3.7 
Verhouding tussen de slachtofferenquête en de politiestatistiek, 
1995-2006 
Er bestaat a priori een verschil tussen de aantallen geschatte delicten 
uit de slachtofferenquêtes en de geregistreerde criminaliteit volgens de 
politiestatistiek. Allereerst spelen verschillen in de omschrijving en de 
keuze van delicten een rol. In de politiestatistiek staat de overtreding 
van een wetsartikel centraal, ongeacht of daarbij slachtoffers zijn betrokken. 
In enquêtes gaat het echter primair om zo duidelijk en eenduidig 
mogelijk omschreven gebeurtenissen die personen hebben meegemaakt, 
en die waar mogelijk tevens aansluiten bij een juridische definitie. De 
overtreder(s) van de wetsartikelen zijn daarbij van minder belang. Ook 
een schriftelijk en ondertekend document hoeft voor politie en slachtoffers 
niet hetzelfde te zijn: voor de politie vormt een (ondertekend) proces-
verbaal, meestal het criterium voor een geregistreerd misdrijf, de basis 
voor mogelijk verdere juridische afwikkeling. Een volgens het slachtoffer 
ondertekend document is niet altijd een proces-verbaal, maar kan 
bijvoorbeeld ook een verklaring zijn ten behoeve van de verzekering. In 
slachtofferenquêtes worden slachtofferloze, zeer ernstige en ‘zeldzame’ 
delicten niet waargenomen. Bij de politie kunnen beleidsbeslissingen ten 
aanzien van prioriteiten in opsporing van delicten, ontwikkelingen rond 
automatisering en andere factoren van invloed zijn op aard en omvang van 
de geregistreerde criminaliteit. In het algemeen zijn hierdoor de geregistreerde 
criminaliteitscijfers van de politiestatistiek wat lager dan de door 
de bevolking in de slachtofferenquêtes gemelde en ondertekende delicten 
(zie bijlage 2 voor een nadere beschouwing over de politiestatistiek). 
Verschillen zijn verder toe te schrijven aan methodologische factoren 
die inherent zijn aan slachtofferenquêtes, zoals verschillen in verslag- en 
onderzoeksperiode, geheugeneffecten bij respondenten, weegfactoren en 
dergelijke. Fluctuaties in het geschatte aantal ondertekende aangiften op 
basis van de slachtofferenquêtes hangen samen met het beperkte aantal 
waarnemingen in de steekproef en met de dienovereenkomstige, soms 
grote betrouwbaarheidsmarges (zie verder bijlage 2 voor meer informatie 
over slachtofferenquêtes). 
Ten slotte speelt een rol dat in deze schattingen vooralsnog alleen door 
personen ondervonden delicten worden meegeteld en niet die waarmee 
bedrijven te kampen hebben gehad. 


Slachtoffers van criminaliteit 101 

Geweldsdelicten 

De groep geweldsdelicten omvat voor de slachtofferenquêtes seksuele 
delicten, mishandeling en bedreiging.37 Voor de politie is gerekend met 
de CBS-standaardclassificatie (zie bijlage 5). De indeling op basis van de 
slachtofferenquêtes sluit daar zoveel mogelijk op aan. 
Figuur 3.16 toont voor geweldsmisdrijven de relatie tussen de politiestatistiek 
en de slachtofferenquête. 

Figuur 3.16 
Geweldsdelicten volgens de slachtofferenquêtes 
en de politiestatistiek, 1995-2007 

0 
200 
400 
600 
800 
1.000 
1.200 
1.400 
x 1.000 
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 
Ondervonden POLS 
Gemeld POLS 
Ondertekend POLS 
Politiestatistiek 
Ondervonden VMR 
Gemeld VMR 
Ondertekend VMR 

Voor de corresponderende cijfers zie tabel 3.20 in bijlage 4. 
Bron: CBS 

Over de periode 1995-2007 stijgt (met enkele fluctuaties in 1996, 2000 
en 2004-2005) zowel het geschatte aantal door burgers ondervonden 
geweldsdelicten als het aantal gemelde en ondertekende delicten. Ook 
het aantal door de politie opgemaakte processen-verbaal vertoont over 
deze periode tot 2003 een stijging. Dat niet alle ondertekende geweldsdelicten 
in de statistiek worden teruggevonden, zou kunnen duiden op het 
bestaan van een grijs gebied van delicten waarvan slachtoffers melden 

37 
In de ERV, POLS en de VMR zijn seksuele delicten omschreven als het op een kwetsende manier met 
seksuele bedoelingen worden aangeraakt of vastgepakt. In de ESM ging het om handtastelijkheden met 
seksuele bedoelingen tegen iemands wil. Daarbij werd een onderscheid gemaakt tussen binnenshuis 
en buitenshuis. Diefstal met geweld valt in deze enquêtes onder de diefstaldelicten. Bij voorvallen met 
een sterke persoonlijke impact (zoals seksuele delicten) kunnen ook subjectieve ervaringen en de 
(wisselende) aandacht van de media van invloed zijn op de vraag of een bepaald voorval al dan niet als 
een delict wordt ervaren. 


102 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

dat ondertekening heeft plaatsgevonden, maar die de politie vervolgens 
alsnog terzijde heeft gelegd. Deze verklaring houdt in dat (een deel van) 
het verschil tussen de slachtofferenquête en de politiestatistiek een gevolg 
is van onderrapportage door de politie. 

Vermogensdelicten 

Figuur 3.17 toont voor vermogensdelicten de relatie tussen de politiestatistiek 
en de slachtofferenquête. In de periode 1995-2001 schommelt zowel 
het aantal volgens de slachtofferenquête ondervonden, gemelde en ondertekende 
delicten als het aantal misdrijven volgens de politiestatistiek. Na 
een piek in 2002 treedt een daling in van deze aantallen. 

Figuur 3.17 
Vermogensdelicten volgens de slachtofferenquêtes 
en de politiestatistiek, 1995-2007 

0 
500 
1.000 
1.500 
2.000 
2.500 
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 
x 1.000 
Ondervonden POLS 
Gemeld POLS 
Ondertekend POLS 
Politiestatistiek 
Ondervonden VMR 
Gemeld VMR 
Ondertekend VMR 
Voor de corresponderende cijfers zie tabel 3.20 in bijlage 4. 
Bron: CBS 

Bij dit delicttype is er een iets andere ontwikkeling te zien dan bij 
geweldsdelicten. Behalve dat de aantallen een stuk hoger zijn, zijn de 
cijfers volgens de politiestatistiek ook hoger dan de cijfers van de ondertekende 
documenten volgens de slachtofferenquêtes. 
Hier kunnen twee factoren een rol spelen. De vermogensmisdrijven uit 
de politiestatistiek omvatten meer soorten misdrijven dan de enquête 
(bijvoorbeeld heling, bedrog, fraude enzovoort). Daarnaast omvat de politiestatistiek 
ook vermogensmisdrijven waarvan bedrijven en instellingen 


Slachtoffers van criminaliteit 103 

slachtoffer zijn geworden, en die niet in de schattingen op basis van de 
slachtofferenquêtes zijn meegenomen. 

Vandalismedelicten 

Figuur 3.18 toont voor vernielingen de relatie tussen de politiestatistiek 
en de slachtofferenquête in de periode 1995-2007. Er gaapt een groot gat 
tussen het aantal mensen dat zegt slachtoffer te zijn van vernieling en de 
daadwerkelijke melding ervan aan de politie. 
In deze periode is de trend voor het totale aantal ondervonden vandalismedelicten 
tot en met 2004 stijgend, met enkele schommelingen, terwijl 
het aantal gemelde en ondertekende delicten volgens de slachtofferenquête 
vanaf 1999 vrijwel stabiel blijft. Na 2004 lijkt het aantal ondervonden, 
gemelde en ondertekende vandalismedelicten af te nemen. De aantallen 
volgens de politiestatistiek blijven over de gehele periode relatief constant. 

Figuur 3.18 
Vandalismedelicten volgens de slachtofferenquêtes 
en de politiestatistiek, 1995-2007 

3.000 
2.500 
2.000 
1.500 
1.000 
500 

0 

Ondervonden POLS 
Ondertekend POLS 
Politiestatistiek 
Gemeld POLS 
Ondervonden VMR 
Ondertekend VMR 
Gemeld VMR 
Voor de corresponderende cijfers zie tabel 3.20 in bijlage 4. 
Bron: CBS 

x 1.000 

1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 


3.8 Resumé 
Slachtofferschap en aangiftegedrag onder burgers en bedrijven 

Volgens de meest recente slachtofferenquête (VMR 2007) werd bijna 26% 
slachtoffer van een of meer vormen van veelvoorkomende criminaliteit 


104 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

in de voorgaande twaalf maanden. Dat komt overeen met in totaal ruim 
3,4 miljoen slachtoffers (personen). Ruim 12% van de bevolking had te 
maken met vermogensdelicten, zoals inbraak, fietsdiefstal en zakkenrollerij, 
bijna 12% was slachtoffer van vandalismedelicten (diefstal vanaf/ 
beschadiging aan de auto en overige vernielingen) en iets meer dan 5% 
werd in 2007 slachtoffer van een of meer geweldsdelicten (seksuele delicten, 
mishandeling, bedreiging). In totaal had de bevolking te maken met 
naar schatting ruim 5,3 miljoen delicten. 
Slachtofferschap van delicten onder burgers is de laatste jaren licht 
gedaald. Slachtofferschap van geweldsdelicten is in de meest recente jaren 
vrijwel stabiel gebleven; het percentage slachtoffers van vermogensdelicten 
als geheel laat na een afvlakking en een opleving vlak na de eeuwwisseling 
weer een daling zien, en slachtofferschap van vandalisme vertoont 
na een piek in 2002 eveneens een dalende trend. 
Veel meer jongeren dan ouderen worden slachtoffer van veelvoorkomende 
criminaliteit, maar binnen iedere leeftijdsgroep worden mannen 
iets vaker slachtoffer dan vrouwen, en inwoners van zeer sterk stedelijke 
gebieden vaker dan van niet stedelijke gebieden. Dit geldt voor zowel 
alle delicten samen als voor de afzonderlijke delictgroepen (gewelds-, 
vermogens-en vandalismedelicten). 
Ruim een derde van de door de bevolking ondervonden delicten wordt 
door of namens de slachtoffers bij de politie gemeld. In 2007 ging het naar 
schatting om ruim 1,9 miljoen voorvallen. Dit is minder dan in voorgaande 
jaren. Geweldsdelicten en vandalismedelicten worden minder dan gemiddeld 
bij de politie gemeld; vermogensdelicten juist meer dan gemiddeld. 
Driekwart of meer van de bij de politie bekende delicten, d.i. ruim een 
kwart van het totale aantal ondervonden delicten tegen burgers, leidt tot 
een ondertekend document, in hoofdzaak in de vorm van een proces-
verbaal. Dit komt in 2007 overeen met ongeveer 1,3 à 1,4 miljoen ondertekende 
documenten. Het aandeel delicten waarbij een document is 
ondertekend is in de recente jaren vrijwel stabiel gebleven. 
Vernielingen, diefstallen en inbraken zijn de meest voorkomende vormen 
van criminaliteit waarmee het bedrijfsleven wordt geconfronteerd. In de 
detailhandel is de kans op slachtofferschap het grootst; bedrijven in de 
zakelijke dienstverlening en in de bouw worden het minst vaak geconfronteerd 
met criminaliteit. In de bouw is het aandeel dat slachtoffer werd 
in vergelijking met 2004 vrijwel gelijk gebleven; in de overige sectoren is 
dit aandeel gedaald. 
De totale (directe en indirecte) schade voor het bedrijfsleven als gevolg 
van criminaliteit bedroeg in 2006 circa 570 miljoen euro. Dit is minder 
dan in eerdere jaren. 
Rond twee van de drie bedrijven die slachtoffer werden van criminaliteit 
maakten in 2006 hiervan melding. Inbraken worden veel vaker gemeld 
dan de andere vormen van criminaliteit. 


Slachtoffers van criminaliteit 105 

Rond één op de drie bedrijven deed in 2006 ook daadwerkelijk aangifte 
van een of meer misdrijven. Ook het aandeel aangegeven inbraken ligt in 
het algemeen hoger dan voor andere delicten. Vooral in de horeca en de 
detailhandel maken veel bedrijven wel melding, maar is het aandeel dat 
uiteindelijk geen aangifte doet relatief groot. 

Onveiligheidsgevoelens 

Begin 2007 voelde 22% van de Nederlanders van 15 jaar en ouder zich wel 
eens onveilig; slechts een klein gedeelte (3%) voelde zich vaak onveilig. 
Deze percentages zijn de afgelopen jaren iets gedaald. 
Meer jongeren dan ouderen voelen zich wel eens onveilig, vooral onder 
vrouwen. En hoe hoger de stedelijkheidsgraad van de woonomgeving, des 
te meer inwoners voelen zich onveilig. Ook personen die slachtoffer zijn 
geweest, vooral van een geweldsdelict, voelen zich naar verhouding meer 
onveilig dan niet-slachtoffers. 


 
4Criminaliteitenopsporing 

A.Th.J. Eggen, A.M. van der Laan, S. Bogaerts 

Dit hoofdstuk geeft een beschrijving van de omvang, aard en ontwikkeling 
van de door de politie geregistreerde criminaliteit. Voor het 
beantwoorden van de vraag naar de omvang en de ontwikkeling van de 
criminaliteit wordt gebruikgemaakt van twee elkaar aanvullende data-
bronnen: slachtofferenquêtes en registraties van de politie. In hoofdstuk 3 
zijn de methodiek en de resultaten van de slachtofferenquêtes uitvoerig 
uiteengezet. In de Veiligheidsmonitor Rijk (VMR), de meest recente 
methode van waarneming, wordt aan een aselecte steekproef van de 
bevolking van vijftien jaar en ouder onder meer gevraagd in welke mate 
zij slachtoffer zijn geweest van delicten als diefstal, inbraak, vernieling, 
mishandeling en bedreiging. 
De gegevens in dit hoofdstuk zijn vooral ontleend aan de CBS Politie-
statistiek. Deze statistiek, die is gestart in 1948, is gebaseerd op gegevens die 
in de registraties van de politie zijn vastgelegd. De gegevens betreffen door 
de politie opgemaakte processen-verbaal van aangifte en ambtshalve opgemaakte 
processen-verbaal op grond van eigen opsporings activiteiten. 

De VMR is voor het in beeld krijgen van de omvang en ontwikkeling van 
de criminaliteit vooral van belang omdat veel delicten waar de bevolking 
slachtoffer van is, niet bekend worden bij de politie en daarmee ook niet 
worden vastgelegd in officiële registraties. Bijna twee van de drie ondervonden 
delicten worden niet gemeld bij de politie. Van de vermogensdelicten 
wordt iets minder dan de helft gemeld, van geweldsdelicten ongeveer een 
van de drie. En vandalismedelicten worden ongeveer een op de vier keer 
gemeld aan de politie. Slachtoffers geven als belangrijkste redenen om 
geen aangifte te doen aan dat het toch niet helpt of dat het niet belangrijk 
genoeg was. Als belangrijkste redenen om juist wel aangifte te doen noemen 
slachtoffers dat de verzekering het vereist (vooral bij vermogensdelicten), of 
omdat men wil dat de dader wordt gepakt. Ook de reactie van de politie kan 
uiteenlopend zijn. Van het ‘door de vingers’ zien tot het meenemen van een 
verdachte/dader naar het bureau. En niet alle ter kennis gekomen criminaliteit 
wordt door de politie geregistreerd. Van alle ondervonden delicten komt 
dus maar een deel terecht in de politie registraties en daarmee in de Politie-
statistiek, de tweede belangrijke databron. 
Criminaliteit tegen burgers is maar een deel van de totale gepleegde 
criminaliteit. De zogenoemde ‘slachtofferloze’ delicten (zoals ‘drugshandel’, 
‘vuurwapencriminaliteit’ en ‘rijden onder invloed’) worden door de 
VMR per definitie niet waargenomen. Dergelijke delicten komen – uiteraard 
voor zover ze door de politie zijn geconstateerd – wel in de politie-
registratie en in de Politiestatistiek terecht. De Politiestatistiek is dus ook 
van belang omdat deze inzicht geeft in het deel van de criminaliteit dat de 
VMR niet kan waarnemen. De Politiestatistiek en de VMR vullen elkaar 
aan. Voor een zo volledig mogelijk beeld van de omvang en ontwikkeling 


108 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

van de criminaliteit is het dan ook belangrijk om beide databronnen te 
raadplegen. Overigens geldt wel dat de trends die uit de VMR en de Politie-
statistiek naar voren komen sterk op elkaar lijken. Al verschilt de omvang 
van de gemeten criminaliteit in beide databronnen, de richting van de 
ontwikkelingen is grotendeels vergelijkbaar. 

In dit hoofdstuk wordt ook aandacht besteed aan de ontwikkeling van 
de opgehelderde misdrijven en aan de verdachten die door de politie 
in verband met misdrijven zijn gehoord. Door de beschikbaarheid van 
gegevens die in het Herkenningsdienst Systeem (HKS) van de politie zijn 
vastgelegd en die zijn gekoppeld aan CBS-bevolkingsdata kan een globale 
beschrijving van kenmerken van verdachten worden gepresenteerd.1 Bij 
het ophelderen van misdrijven speelt het Nederlands Forensisch Instituur 
(NFI) een belangrijke rol. Ook aan de activiteiten van het NFI wordt 
in dit hoofdstuk aandacht besteed. Het hoofdstuk is als volgt opgebouwd. 
Paragraaf 4.1 bevat de gegevens van de geregistreerde criminaliteit en 
opgehelderde misdrijven. De ontwikkeling van omvang en aard van de 
geregistreerde criminaliteit wordt globaal voor een lange periode (19802006) 
en meer gedetailleerd voor een korte periode (1995-2006) beschreven. 
Paragraaf 4.2 bevat de gegevens van de verdachtenpopulatie, waarbij 
een speciale paragraaf is gewijd aan de minderjarige verdachten (zie 
4.2.3). Het hoofdstuk sluit af met paragraaf 4.3, waarin enige informatie 
over de werkzaamheden van het NFI wordt gepresenteerd. 
Opgemerkt zij dat de criminaliteit die door bijzondere opsporingsdiensten 
(BOD’s)2 wordt opgespoord, zoals bepaalde milieu- en economische 
misdrijven, buiten beeld blijven.3 

4.1 
Geregistreerde criminaliteit en opgehelderde misdrijven, 
1980-2006 
4.1.1 Algemeen 
Omvang en ontwikkeling 

In de periode 1980-2006 is het totale aantal geregistreerde misdrijven in 
Nederland bijna jaarlijks gestegen van minder dan driekwart miljoen in 
1980 naar 1,2 miljoen in 2006 (zie figuur 4.1). In 2002 is voorlopig een top 
bereikt (iets meer dan 1,4 miljoen). Vanaf dat jaar daalt het aantal geregistreerde 
misdrijven weer. 

1 De bijdrage voor dit specifieke onderdeel van hoofdstuk 4 is geleverd door F. Ghianni. 

2 In 2001 waren er naast de politie nog 21 zogenoemde bijzondere opsporingsdiensten, elk met een eigen 

specifieke opsporingstaak. Met ingang van 1 januari 2002 is dit aantal teruggebracht tot vier, te weten: 

de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst/Economische Controledienst, de Sociale Inlichtingen- en 

Opsporingsdienst, de algemene Inspectie Dienst en de VROM Inlichtingen- en Opsporingsdienst. 
3 

De vorige editie van C&R bevat enige gegevens over de BOD’s (Zie C&R 2004, pagina 93-95). 


Criminaliteit en opsporing 109 

Figuur 4.1 
Geregistreerde criminaliteit en opgehelderde misdrijven, 
1980-2006 

1.600 

1.400 

1.200 

1.000 

1980 1984 1988 1992 1996 2000 2004 


x 1.000 

800 
600 
400 
200 

0 

Geregistreerde Opgehelderde 
criminaliteit misdrijven 

Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 4.1 in bijlage 4. 
Bron: CBS 

Figuur 4.2 
Geregistreerde criminaliteit en bevolking: 
indexcijfers 1995-2006 (1995=100) 

120 
115 
110 
105 


1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 


x 1.000 

100 
95 
90 
85 

Geregistreerde Bevolking 12-79 jaar 
criminaliteit 

Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 4.1 in bijlage 4. 
Bron: CBS 


110 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

De stijging van de geregistreerde criminaliteit die zich vanaf de tweede 
helft jaren negentig voltrok en de daling daarna vanaf 2002 wordt ook 
goed geïllustreerd in figuur 4.2. Deze figuur bevat indexcijfers van de 
bevolking en de geregistreerde criminaliteit voor de periode 1995-2006. 
De bevolking nam in deze periode met 6% toe, terwijl de geregistreerde 
criminaliteit in deze periode aanvankelijk met bijna 15%, toenam, om 
daarna weer scherp te dalen. 

In de politiestatistiek wordt een misdrijf als opgehelderd beschouwd 
indien van het desbetreffende misdrijf ten minste één verdachte bij de 
politie bekend is. Het ophelderingspercentage is dan het aantal opgehelderde 
misdrijven gedeeld door het aantal geregistreerde misdrijven 
maal honderd. Dit percentage is in de periode 1980-2006 gedaald van 30% 
in 1980 tot 23% in 2006. In dit laatste jaar heeft de politie bijna 279.000 
misdrijven opgehelderd (zie figuur 4.1). 

Aard van de geregistreerde criminaliteit 

De geregistreerde criminaliteit bestaat in 2006 voor bijna 60% uit vermogensmisdrijven, 
waaronder diefstal en woninginbraak. In 1995 was het 
aandeel vermogensmisdrijven nog bijna 75%. Eén op de zes geregistreerde 
misdrijven betreft een vernieling of openbareordemisdrijf (tegen een op 
de acht in 1995). Ook het aandeel van de geweldscriminaliteit is gestegen. 
Van één op de twintig in 1995 naar één op de elf in 2006 (zie figuur 4.3). 

Figuur 4.3 Geregistreerde criminaliteit: aandeel van soort misdrijf, 

1995 en 2006 
Overige wetten 
Opiumwet 
Vermogensmisdrijven 
Vernieling en 
openbare orde 
Wegenverkeerswet 
2006 
1995 
Geweldsmisdrijven 
0 10 20 30 40 50 60 %70 80 
Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 4.9 in bijlage 4. 
Bron: CBS 

Stedelijkheid, gemeentegrootte en grote gemeente 

Waar wordt de meeste criminaliteit geregistreerd? Wanneer gekeken 
wordt naar de mate van stedelijkheid4 van een gemeente kan worden 

4 

Stedelijkheid wordt gemeten door het tellen van het aantal adressen op een bepaalde oppervlakte. 


Criminaliteit en opsporing 111 

geconstateerd dat het aantal geregistreerde misdrijven per 1.000 inwoners 
van 12-79 jaar het hoogst is in de sterk en zeer sterk verstedelijkte gemeenten 
(zie figuur 4.4). 
In 2006 hebben de zeer sterk stedelijke gemeenten 139 geregistreerde 
misdrijven per 1.000 inwoners en de sterk stedelijke gemeenten 105. 
Die aantallen liggen ruim boven die van de minder sterk verstedelijkte 
gemeenten. In figuur 4.4 is goed te zien hoe na 2002 in de (zeer) sterk 
verstedelijkte gemeenten het geregistreerde criminaliteitsniveau is 
gedaald. 

Figuur 4.4 
Geregistreerde criminaliteit naar stedelijkheid* 
(relatief cijfer)**, 1995-2006 

200 
180 
160 
140 
120 
100 
80 
60 
40 
20 
0 

Zeer sterk Weinig 
Sterk Niet 
Matig 

* Stedelijkheid van een gemeente: op basis van aantal adressen per oppervlakte-eenheid. 
** Per 1.000 inwoners van 12-79 jaar. 
Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 4.12 in bijlage 4. 
Bron: CBS 
Voor vermogensmisdrijven en geweldsmisdrijven geldt dat naarmate de 
gemeente sterker verstedelijkt is de criminaliteitscijfers hoger zijn. Voor 
vernielingen en openbareordemisdrijven gaat dit ook op, zij het dat in 
de cijfers van de ‘zeer sterk’ en ‘sterk’ stedelijke gemeenten nagenoeg op 
hetzelfde niveau liggen. Een mogelijke verklaring is dat de aangiftebereidheid 
in de ‘zeer sterk’ verstedelijkte gemeenten voor dit soort delicten 
lager is dan in andere gemeenten. 

1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 



112 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Ook de cijfers uitgesplitst naar gemeentegrootte5 laten eenzelfde beeld 
zien: naarmate de gemeentegrootte stijgt, neemt het criminaliteitsniveau 
toe (zie figuur 4.5). En de daling die vanaf 2002 is ingezet, is het grootst in 
de gemeenten met 150.000 inwoners of meer. 

Figuur 4.5 
Geregistreerde criminaliteit naar gemeentegrootte 
(relatief cijfer)*, 1995-2006 

250 

200 

150 

100 

50 

0 

250.000 inwoners of meer 20.000 tot 50.000 inwoners 
150.000 tot 250.000 inwoners < 5.000 inwoners 
100.000 tot 150.000 inwoners 10.000 tot 20.000 inwoners 
50.000 tot 100.000 inwoners 5.000 tot 10.000 inwoners 
* Per 1.000 inwVoor de correspoBron: CBS 
oners van 12-79 jaar. 
nderende cijfers, zie tabel 4.13 in bijlage 4. 

Nederland kent 25 gemeenten met meer dan 100.000 inwoners. In deze 
gemeenten, die samen ongeveer een derde van het totale aantal inwoners 
in Nederland vertegenwoordigen, is bijna de helft van alle in 2006 door 
de politie geregistreerde misdrijven gepleegd. Van alle gemeenten heeft 
Utrecht in 2006 per duizend inwoners de meeste geregistreerde misdrijven, 
gevolgd door Amsterdam, Eindhoven, Rotterdam en Maastricht. 
In deze gemeenten liggen de relatieve cijfers bijna twee keer boven het 
totaalcijfer van heel Nederland (zie figuur 4.6). 

5 

Gemeentegrootte wordt gemeten aan het aantal inwoners. 

1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 



Criminaliteit en opsporing 113 

Figuur 4.6 
Geregistreerde criminaliteit naar grote gemeente 
(relatief cijfer)*, 2006 

Utrecht 
Amsterdam 
Eindhoven 
Rotterdam 
Maastricht 
Nijmegen 
s-Hertogenbosch 
Arnhem 
Breda 
Amersfoort 
Groningen 
Tilburg 
s-Gravenhage 
Zwolle 
Leiden 
Apeldoorn 
Dordrecht 
Haarlem 
Almere 
Enschede 
Zoetermeer 
Haarlemmermeer 
Zaanstad 
Ede 
Emmen 

0 20 40 60 80 100 120 140 160 180 200 


* Per 1.000 inwoners van 12-79 jaar. 
Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 4.14 in bijlage 4. 
Bron: CBS 
4.1.2 Ontwikkeling van enkele misdrijfcategorieën 
Vermogensmisdrijven 

Het totale aantal geregistreerde vermogensmisdrijven is in de periode 
1980-1994 bijna verdubbeld: van een half miljoen in 1980 tot bijna 1 miljoen 
in 1994 (zie figuur 4.7). Daarna treedt een daling op van 8% in 1995 
en nog eens 8% in 1996. In de periode 1996-2002 is het aantal vermogensmisdrijven 
weer sterk toegenomen en bedroeg in het topjaar 2002 ruim 

900.000 geregistreerde misdrijven. Nadien is wederom een sterke daling 
ingetreden. Een hardere aanpak van veelplegers en een verhoging van 
preventieve maatregelen door burgers en bedrijven worden gezien als verklaringen 
voor de daling na 2002. De vermogensmisdrijven zijn, berekend 
per 1.000 inwoners van 12-79 jaar, in de periode 1995-2006 gedaald van 
72 in 1995 tot 53 in 2006. 
Het ophelderingspercentage voor vermogensmisdrijven is laag. In 2006 is 
één op de tien van deze geregistreerde misdrijven opgehelderd. In 1980 
was dat nog bijna één op de vijf. 

114 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Figuur 4.7 
Geregistreerde en opgehelderde vermogensmisdrijven, 
1980-2006 

1.200 

1.000 
800 
1980 1984 1988 1992 1996 2000 2004 


x 1.000 

600 
400 
200 

0 
Geregistreerd Opgehelderd 

Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 4.3 in bijlage 4. 
Bron: CBS 

Figuur 4.8 
Geregistreerde vermogensmisdrijven naar type, 
1995-2006 

600 
500 
400 


1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 


x 1.000 

300 

200 

100 
0 

Gekwalificeerde diefstal 
Overige vermogensmisdrijven 


Eenvoudige diefstal 

Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 4.7 in bijlage 4. 
Bron: CBS 


Criminaliteit en opsporing 115 

Binnen de vermogensmisdrijven worden drie categorieën onderscheiden: 
eenvoudige diefstal, gekwalificeerde diefstal (diefstal waarbij onder andere 
sprake is van twee of meer personen en/of van braak) en overige (verduistering, 
heling/schuldheling, valsheidmisdrijven en bedrog). Figuur 4.8 
geeft een overzicht van het aantal vermogensmisdrijven naar type. 

In de periode 1995-2006 daalde de eenvoudige diefstal van 346.000 tot 

294.000. De gekwalificeerde diefstal nam in die periode af van 533.000 
naar 372.000. De overige vermogensmisdrijven laten in deze periode een 
stijging zien, van 26.000 in 1995 naar 37.000 in 2006. Hiervan zijn valsheidmisdrijven 
en bedrog het grootst in aantal. De dalende tendens in de 
vermogensmisdrijven vanaf 2002 komt voor een groot deel voor rekening 
van de gekwalificeerde diefstallen en spoort met de dalende lijn in het 
aantal diefstallen uit/vanaf voertuig en woonhuizen. Maar ook de waargenomen 
stijging in de periode ervoor kan worden toegeschreven aan de 
gekwalificeerde diefstallen. Deze stijging werd vooral veroorzaakt door 
de toegenomen diefstallen uit/vanaf voertuig (zie figuur 4.9). 
Figuur 4.9 Geregistreerde diefstallen naar type, 1995-2006 

300.000 
250.000 
200.000 
150.000 
100.000 
50.000 
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 


Diefstal uit/vanaf voertuig Diefstal uit bedrijven 
Diefstal fiets Zakkenrollerij/straatroof 
Diefstal uit woonhuizen Winkeldiefstal 
Bron: CBS 
Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 4.11 in bijlage 4. 

Vernielingen en misdrijven tegen de openbare orde 

Het aantal vernielingen en misdrijven tegen de openbare orde vormt in 
de periode 1980-2006 de snelst stijgende categorie misdrijven (zie figuur 


116 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

4.10). In 2006 zijn twee en een half keer zoveel misdrijven geregistreerd als 
in 1980: 215.000 in 2006 tegen 85.000 in 1980. 
Deze groep misdrijven is onderverdeeld in de categorieën: vernielingen 
van auto’s, van het openbaar vervoer en van gebouwen, overige vernielingen, 
en misdrijven tegen de openbare orde en het openbare gezag en 
overig (te weten discriminatie, schennis der eerbaarheid en gemeengevaarlijke 
misdrijven, waaronder vooral brandstichting). In de periode 
1995-2006 is deze groep misdrijven met bijna 40% gestegen. De vernielingen 
en openbareordemisdrijven zijn, berekend per 1.000 inwoners van 
12-79 jaar, in de periode 1995-2006 gestegen 12 in 1995 naar 16 in 2006. 
Het aantal opgehelderde zaken laat in absolute zin een veel minder sterke 
groei zien. Was het ophelderingspercentage in 1980 nog 27%, in 2006 is 
dit teruggelopen tot 16%. 

Figuur 4.10 
Geregistreerde en opgehelderde vernielingen 
en misdrijven tegen openbare orde en gezag, 1980-2006 

0 
50 
100 
150 
200 
250 
x 1.000 
1980 1984 1988 1992 1996 2000 2004 
Geregistreerd Opgehelderd 
Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 4.4 in bijlage 4. 
Bron: CBS 

Geweldsmisdrijven tegen personen 

Geweldsmisdrijven kenmerken zich door het opzettelijke gebruik van 
geweld waarmee inbreuk wordt gemaakt op de fysieke integriteit van de 
medemens. 
De geweldsmisdrijven worden onderverdeeld in mishandeling, diefstal 
met geweld, afpersing, misdrijven tegen het leven en persoon (bedreiging, 
moord en doodslag en dood door schuld) en seksuele geweldsdelicten 
(verkrachting, aanranding en overige seksuele misdrijven). Openlijke 
geweldplegingen horen hier niet bij maar vallen in de categorie openbare 
orde en gezag. 


Criminaliteit en opsporing 117 

In de afgelopen 25 jaar is het aantal geregistreerde geweldsmisdrijven 
meer dan verviervoudigd: van 26.500 in 1980 naar 109.000 in 2006. De 
geweldsmisdrijven zijn, berekend per 1.000 inwoners van 12-79 jaar, in 
de periode 1995-2006 gestegen 5 in 1995 naar 8 in 2006. 
De laatste jaren lijkt het aantal geregistreerde geweldsmisdrijven te 
stabiliseren (zie figuur 4.11). 

Figuur 4.11 
Geregistreerde en opgehelderde geweldsmisdrijven, 
1980-2006 

0 
20 
40 
60 
80 
100 
120 
x 1.000 
1980 1984 1988 1992 1996 2000 2004 
Geregistreerd Opgehelderd 
Bron: CBS 
Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 4.2 in bijlage 4. 

Geweldsmisdrijven hebben een hoger ophelderingspercentage dan 
andere misdrijfcategorieën. Het feit dat er bij geweldsmisdrijven sprake 
is van contact tussen dader en slachtoffer (meer aanwijzingen voor de 
politie) zal hierbij een belangrijke rol spelen. Gerelateerd aan het aantal 
opgemaakte processen-verbaal van geregistreerde geweldsmisdrijven, 
daalt het percentage opgehelderde misdrijven van 66% in 1980 tot 60% 
in 2006. 

Mishandeling 

Sinds jaar en dag is mishandeling veruit het meest voorkomende 
geweldsdelict. In 2006 had meer dan 50% van de geweldsmisdrijven 
hierop betrekking. In de periode 1995-2006 is het aantal geregistreerde 
mishandelingen verdubbeld tot bijna 58.000 (zie figuur 4.12). Ongeveer 
tweederde hiervan wordt opgehelderd. 


118 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Figuur 4.12 Geregistreerde geweldsmisdrijven naar type, 1995-2006 

70 
60 
50 
40 
30 
20 
10 
0 


x 1.000 

1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 


Mishandeling 
Bedreiging 
Diefstal met 
geweld/afpersing 
Seksueel geweld 
Bron: CBS 
Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 4.7 in bijlage 4. 

Diefstal met geweld en afpersing 

Onder diefstal met geweld valt ook straatroof. Bedacht moet worden 
dat het hier om twee typen van misdrijven kan gaan: aan de ene kant 
tasjesroof en diefstal van een mobiele telefoon en aan de andere kant 
echte straatroof, waarbij meer sprake is van afpersing (al dan niet met 
een wapen of met fysiek geweld). In 2003 is een einde gekomen aan de 
stijging van het aantal geregistreerde diefstallen met geweld en afpersing 
sinds 1997. Sindsdien is deze geregistreerde vorm van criminaliteit met 
een derde afgenomen (zie figuur 4.12). Ongeveer een kwart hiervan wordt 
opgehelderd. 

Bedreiging 

Het aantal geregistreerde bedreigingen is in de periode 1995-2006 bijna 
verdrievoudigd. Het aantal opgemaakte processen-verbaal bedraagt in 
2006 bijna 30.000. In 1995 lag dit iets boven 10.000. Net als bij diefstal met 
geweld is de dader doorgaans geen bekende van het slachtoffer, maar door 
de confrontatie kan het slachtoffer vaak wel een goede beschrijving van 
de verdachte geven (zie figuur 4.12). Van deze delicten wordt rond 60% 
opgehelderd. 

Seksuele geweldsdelicten 

Het aantal geregistreerde seksuele delicten is in de periode 1995-2006 
aanvankelijk gestegen van 5.000 in 1995 tot ruim 7.000 in 1999. Daarna 


Criminaliteit en opsporing 119 

is een daling ingezet. De laatste jaren schommelt het aantal opgemaakte 
processen-verbaal rond de 6.000 (zie figuur 4.12). Van de seksuele delicten 
zijn de ophelderingspercentages verschillend: bij aanranding ongeveer 
50%, bij verkrachting ongeveer 65%. 

Verkeersmisdrijven 

Een deel van de misdrijven uit de Wegenverkeerswet, zoals rijden onder 
invloed, het besturen van een motorrijtuig na ontzegging van de rijbevoegdheid 
en het weigeren van medewerking aan een bloedproef, kan 
slechts geconstateerd worden na een gerichte controle van de politie. Het 
aantal processen-verbaal zegt dus meer over de opsporingsintensiteit van 
de politie dan over het werkelijke aantal automobilisten in overtreding. 
Door de aard van deze delicten (veelal opsporingsdelicten) is er nagenoeg 
een één-op-éénrelatie tussen geregistreerde en opgehelderde misdrijven. 
Het doorrijden na een ongeval is echter een voorbeeld van een misdrijf 
waarbij het slachtoffer mogelijk aangifte doet en waarvan de politie een 
procesverbaal van aangifte opmaakt. Sinds 1980 is het aantal geregistreerde 
verkeersmisdrijven verdubbeld (zie figuur 4.13). Met nadruk zij 
hier vermeld dat de verkeersovertredingen zoals te hard rijden of door 
rood licht rijden in deze publicatie buiten beschouwing blijven. 

Figuur 4.13 
Geregistreerde en opgehelderde verkeersmisdrijven, 
1980-2006 

0 
20 
40 
60 
80 
100 
120 
140 
160 
180 
x 1.000 
1980 1984 1988 1992 1996 2000 2004 
Geregistreerd Opgehelderd 
Bron: CBS 
Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 4.5 in bijlage 4. 

Was het ophelderingspercentage in 1980 nog 74%, vanaf dan daalt het snel 
tot 41% in 2000, waarna het stijgt tot 49% in 2006. Dit komt vooral door het 
misdrijf doorrijden na een ongeval. 


120 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Figuur 4.14 geeft een overzicht van het aantal geregistreerde verkeersmisdrijven 
naar type. Het aantal geregistreerde gevallen van rijden onder 
invloed stijgt nog steeds maar is zoals gezegd sterk afhankelijk van de 
opsporingsactiviteiten van de politie. Het aantal geregistreerde gevallen 
van ‘doorrijden na ongeval’ is de laatste jaren gestabiliseerd en vertoont 
zelfs een licht dalende trend. 

Figuur 4.14 Geregistreerde verkeersmisdrijven naar type, 1995-2006 

100 

90 

80 

70 

60 

50 

40 

30 

20 

10 

0 

x 1.000 

1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 


Doorrijden na / Rijden onder invloed 
verlaten plaats 

Overige misdrijven 

ongeval 

Wegenverkeerswet 

Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 4.7 in bijlage 4. 
Bron: CBS 

Opiumwet- en Wet wapens en munitiemisdrijven 

Ook de delicten die vallen onder de Opiumwet en de Wet wapens en munitie 
(WWM) worden meestal ‘ontdekt’ door gerichte opsporingsactiviteiten 
van de politie. De ontwikkeling van deze vormen van criminaliteit 
weerspiegelt dus deels de aandacht van de politie hiervoor. In figuur 4.15 
is te zien dat vooral het aantal geregistreerde Opiumwetmisdrijven (harden 
softdrugshandel en/of -bezit) sterk en schoksgewijs is gestegen in de 
periode 1995-2006. Ten opzichte van 1995 is sprake van een verviervoudiging 
in 2006. Het aantal geregistreerde WWM-misdrijven is in die periode 
meer dan verdubbeld. 


Criminaliteit en opsporing 121 

0 
2 
4 
6 
8 
10 
12 
14 
16 
18 
x 1.000 
Figuur 4.15 
Geregistreerde Opiumwet- en Wet wapens en munitie-
misdrijven, 1995-2006 

1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 

Opiumwet Wet wapens en munitie 

Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 4.6 in bijlage 4. 
Bron: CBS 

4.2 Verdachten van misdrijven 
Deze paragraaf bevat een beschrijving van de omvang, aard en ontwikkeling 
van de populatie van verdachten van misdrijven. Het CBS beschikt 
naast de Politiestatistiek over een tweede databron, waar gegevens over 
verdachten van misdrijven uit worden geput. Na afronding van het opsporingsonderzoek 
legt de politie gegevens van verdachten vast in het zogenoemde 
Herkenningsdienst Systeem (HKS)6, dat de basis is voor verdere 
vervolgingsactiviteiten. Door koppeling van gegevens uit het HKS aan het 
Sociaal Statistisch Bestand (SSB) van het CBS wordt thans beschikt over 
unieke gegevens over de leeftijd, het geslacht, de etniciteit, de woongemeente 
en de pleegcarrière van de verdachte over de periode 2000-2004. 
Aan de hand van data uit de Politiestatistiek en het HKS/SSB-bestand7 
wordt in paragraaf 4.2.1 en paragraaf 4.2.2 een beschrijving gegeven van 
de totale verdachtenpopulatie. In paragraaf 4.2.3 worden specifiek een 
aantal aspecten van de deelpopulatie minderjarige verdachten belicht. 

6 
De gegevens die gebruikt worden, zijn afkomstig van de dienst Nationale Recherche Informatie (dNRI) 
van het Korps landelijke politiediensten (Klpd). Voor een uitgebreide analyse van verdachten die in 
Nederland zijn aangehouden in 2001 tot en met 2005, zie Van Tilburg e.a. (2006). 

7 
Opgemerkt zij dat het thans beschikbare HKS/SSB-bestand nog niet 100% definitief is. In een volgende 
editie van C&R kunnen de cijfers nog enigszins worden bijgesteld. 


122 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

4.2.1 Gehoorde verdachten algemeen 
Een gehoorde verdachte is een persoon van wie de politie een redelijk 
vermoeden heeft dat hij een strafbaar feit heeft begaan, en die op grond 
daarvan is gehoord (zie ook paragraaf 2.1.4). Doordat bij een delict soms 
meer dan één verdachte wordt gehoord, is het aantal gehoorde verdachten 
iets hoger dan het aantal opgehelderde misdrijven. Het aantal gehoorde 
verdachten is in de periode 1980-2006 gestegen van 210.000 in 1980 naar 

358.000 in 2006. In 2004 is een recordaantal van 361.000 verdachten 
gehoord. Was in 1980 nog één op de tien gehoorde verdachten een vrouw, 
in 2006 is dat één op de zeven. 
Het merendeel der verdachten is gehoord vanwege een vermogensmisdrijf 
(102.000), een geweldsmisdrijf (80.000), een verkeersmisdrijf (76.000), een 
vernieling of openbareordemisdrijf (57.000) of een Opiumwetmisdrijf 
(23.000). De aandelen vrouwelijke verdachten in het totaal variëren per 
misdrijfcategorie. Voor vermogensmisdrijven is dit aandeel 21%, voor 
Opiumwetmisdrijven 15%, voor geweldsmisdrijven 12%, voor verkeersmisdrijven 
11% en voor vernielingen en openbareordemisdrijven 10%. 
Gerelateerd aan het aantal inwoners van 12-79 jaar blijkt dat in de periode 
1995-2006 het aantal gehoorde verdachten wegens geweldsmisdrijven is 
verdubbeld van 3 per 1.000 inwoners naar 6 per 1.000 inwoners. Ook voor 
vernielingen en openbareordemisdrijven is dit verhoudingscijfer gestegen: 
van 2,4 in 1995 naar 4,3 in 2006. Dit geldt eveneens voor Wegenverkeerswetmisdrijven 
(van 2,9 naar 5,7), en Opiumwetmisdrijven (van 0,7 naar 
1,7). Alleen voor vermogensmisdrijven is het aantal gehoorde verdachten 
per 1.000 inwoners gedaald: van 9,7 in 1995 naar 7,7 in 2006 (zie tabellen 
4.1-4.6, 4.10, 4.15-4.17 in bijlage 4). 
4.2.2 Kenmerken van verdachten 
Leeftijd en geslacht 

In 2004 zijn 198.840 verdachten in het HKS geregistreerd8, die in dat jaar 
één of meer delicten hebben gepleegd. Deze verdachten vormen 1,5% van 
de Nederlandse bevolking van 12-79 jaar. 
In figuur 4.16 is de leeftijdsverdeling van verdachten per 1.000 inwoners 
weergegeven. Duidelijk is te zien dat het aantal verdachten zich concentreert 
in de jongere leeftijdsklassen. Van alle verdachten in 2004 komt 
24% voor in de leeftijdscategorie 18-24 jaar. Het vaakst verdacht zijn de 

8 

Het aantal gehoorde verdachten in 2004 is 361.000 volgens de Politiestatistiek van het CBS. Volgens 
HKS-cijfers zijn in 2004 198.840 verdachten aangehouden. Dit verschil wordt onder andere veroorzaakt 
door definitieverschillen. Zo kunnen verdachten meerdere keren per jaar gehoord worden, terwijl 
deze personen in het HKS maar één keer geteld worden. De CBS-cijfers bevatten ook de gehoorde 
verdachten van wie later blijkt dat zij niets met het misdrijf te maken te hebben gehad en de jongeren 
die naar Bureau Halt worden verwezen. Dit is bij de gegevens uit het HKS niet het geval. 


Criminaliteit en opsporing 123 

0 
5 
10 
15 
20 
25 
30 
35 
40 
45 
‘19-jarigen’: 41 van de 1.000 inwoners van die leeftijd kwamen in 2004 met 
de politie in aanraking. 
De gemiddelde leeftijd van de verdachten in 2004 is 32 jaar. Gezien hun 
gemiddelde startleeftijd9 van 27 jaar, hebben zij in 2004 gemiddeld een 
carrière van vijf jaar achter de rug. 
Het merendeel (84%) van de verdachten is man. Behalve dat mannen 
vaker dan vrouwen als verdachte geregistreerd worden, zijn zij over het 
algemeen ook jonger wanneer zij voor het eerst met de politie in aanraking 
(27 jaar tegenover 30 jaar). 

Figuur 4.16 Verdachten naar leeftijd (relatief cijfer)*, 2004 

12 16 20 24 28 32 36 40 44 48 52 56 60 64 68 72 76 
Leeftijd in jaren 

* Per 1.000 inwoners van het betreffende leeftijdsjaar. 
Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 4.18 in bijlage 4. 
Bron: HKS/dNRI, SSB/CBS 
Herkomstgroepering 

De meeste verdachten in 2004 zijn autochtoon10 (bijna 125.000), gevolgd 
door Marokkanen en Surinamers (elk bijna 13.000 verdachten), Turken 
(ruim 9.000) en Antillianen of Arubanen (bijna 7.500). Wanneer deze cijfers 
worden gerelateerd aan de omvang van de betreffende bevolkingsgroep, 
blijkt dat Antillianen of Arubanen relatief sterk vertegenwoordigd 
zijn. Hierbij is al rekening gehouden met het feit dat de Antilliaanse bevolking 
in Nederland relatief jong is vergeleken met de autochtone bevolking. 
Zie figuur 4.17. 

9 
Dit is de leeftijd waarop iemand voor het eerst met de politie in aanraking kwam en (als verdachte) in 
HKS geregistreerd werd. 

10 
Autochtoon: een persoon van wie beide ouders in Nederland geboren zijn. Allochtoon: een persoon van 
wie ten minste één ouder in het buitenland is geboren. 


124 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Figuur 4.17 
Verdachten naar herkomstgroepering (relatief cijfer)*, 
2000-2004 

70 
60 
50 
40 
30 
20 
10 
0 

2000 2001 2002 2003 2004 


Nederlandse Antillen of Aruba Turkije 
Marokko Autochtoon 
Suriname 

* Per 1.000 inwoners van 12-79 jaar van de betreffende bevolkingsgroep. 
Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 4.19 in bijlage 4. 
Bron: HKS/dNRI, SSB/CBS 
Binnen de allochtone bevolking liggen de verdachtenpercentages (ten 
opzichte van het totaal van de betreffende bevolkingsgroep) van de 
eerste generatie wat hoger dan van de tweede. In tegenstelling tot dit 
‘overall’ beeld laten de uitkomsten van Marokkanen en Turken en enkele 
in omvang kleinere herkomstgroeperingen echter een ander beeld zien. 
Bij deze herkomstgroeperingen liggen de verdachtenpercentages van de 
tweede generatie hoger dan van de eerste generatie.11 Tussen westerse en 
niet-westerse12 allochtonen zijn grote verschillen te constateren binnen 
zowel de eerste als de tweede generatie. Het hoogste verdachtenpercentage 
heeft de groep mannelijke niet-westerse allochtone verdachten van 
de tweede generatie. Hiervan is 7,6% in 2004 door de politie als verdachte 
geregistreerd. Deze uitkomst is bijna drie keer zo hoog als die van de 
westerse allochtone verdachten van de tweede generatie. En bijna zeven 
keer zo hoog als die van autochtonen. Uit de gevonden resultaten blijkt 

11 Eerste generatie allochtoon: een in het buitenland geboren persoon met ten minste één in het 

buitenland geboren ouder. Tweede generatie allochtoon: een in Nederland geboren persoon met ten 

minste één in het buitenland geboren ouder. Bron: CBS. 
12 Westerse allochtoon: persoon afkomstig uit Europa (excl. Turkije), Noord-Amerika, Oceanië, Indonesië 

of Japan. Niet-westerse allochtoon: persoon afkomstig uit Turkije, Afrika, Latijns-Amerika of Azië met 

uitzondering van Indonesië en Japan. Bron: CBS. 


Criminaliteit en opsporing 125 

dat 37% van alle verdachten13 in 2004 van allochtone (zowel westers als 
niet westers samen) herkomst was. Het aandeel van allochtonen in de 
verdachtenpopulatie is daarmee twee keer zo groot als hun aandeel in de 
Nederlandse bevolking. Van alle allochtone verdachten behoren 45.000 tot 
de eerste en 29.000 tot de tweede generatie. Er zijn ruim drie keer zo veel 
allochtone verdachten met een niet-westerse herkomst (56.000) als met 
een westerse herkomst (18.000). 
Er zijn opvallende verschillen binnen de tweede generatie allochtonen 
tussen de groep met één allochtone ouder en de groep met twee allochtone 
ouders. Bij nagenoeg alle herkomstgroepen zijn de verdachten-
percentages van allochtonen met twee allochtone ouders hoger dan die 
van allochtonen met één allochtone ouder (zie figuur 4.18). 

Figuur 4.18 
Allochtone verdachten naar herkomstgroepering 
(relatief cijfer)*, 2004 

Westerse Marokko Nederlandse Suriname Turkije 
allochtonen Antillen of Aruba 

1e generatie 

2e generatie; één 

2e generatie; twee 
allochtone ouder allochtone ouders 

* Per 1.000 inwoners uit de betreffende bevolkingsgroep. 
Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 4.20 in bijlage 4. 
Bron: HKS/dNRI, SSB/CBS 
0 
10 
20 
30 
40 
50 
60 
70 
80 
90 
100 
13 
Niet alle in het HKS geregistreerde verdachten konden teruggevonden worden in de Gemeentelijke 
Basis Administratie (GBA). Hiervoor zijn verschillende redenen te noemen: het woonland van de 
verdachte is buitenland of het woonland is onbekend. De verdachte woont in een asielzoekerscentrum 
en is (nog) niet in de GBA geregistreerd. En overige redenen, zoals illegaal verblijf of een onjuiste 
registratie, waardoor personen niet teruggevonden konden worden. 


126 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Woongemeente14 

In figuur 4.19 is voor elke gemeenteklasse15 het aantal verdachten per 

1.000 inwoners weergegeven. Hierbij worden gemeenten onderscheiden op 
basis van het aantal inwoners. Tevens is de verdeling van verdachten over 
de gemeenteklassen vermeld. Het aantal verdachten per 1.000 inwoners 
is verreweg het grootst in de vier grote steden Amsterdam, Rotterdam, 
Utrecht en Den Haag. Van elke 1.000 inwoners in die steden zijn er in 2004 
bijna 25 bij de politie als verdachte geregistreerd. Dat is 1 op de 40 inwoners. 
Naarmate het aantal inwoners in de betreffende gemeente(klasse) 
afneemt, daalt ook het aantal geregistreerde verdachten. 
Figuur 4.19 
Verdachten naar gemeentegrootte (relatief cijfer)*, 
2000-2004 

30 

25 

20 

15 

10 

5 

0 

2000 2001 2002 2003 2004 


250.000 en meer inwoners 10.000 tot 50.000 inwoners 
100.000 tot 250.000 inwoners minder dan 10.000 inwoners 
50.000 tot 100.000 inwoners 

* Per 1.000 inwoners van 12-79 jaar van de gemeenten in de betreffende klasse op 1 januari. 
Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 4.21 in bijlage 4. 
Bron: HKS/dNRI, SSB/CBS 
Delictcategorie 

In 2004 zijn er 198.840 verdachten bij de politie geregistreerd tegen wie 
in totaal 293.200 keer proces-verbaal werd opgemaakt. Op één proces


14 
De misdrijven kunnen in een andere gemeente zijn gepleegd. 

15 
Er zijn 53 gemeenten met minder dan 10.000 inwoners, 323 gemeenten met 10.000 tot 50.000 inwoners, 
41 gemeenten met 50.000 tot 100.000 inwoners, 21 gemeenten met 100.000 tot 250.000 inwoners en 
4 gemeenten met 250.000 inwoners of meer (G4). 


Criminaliteit en opsporing 127 

verbaal kunnen meerdere delicten of strafbare feiten zijn vermeld. 
Gemiddeld bevat elk proces-verbaal 1,4 delicten. 
Van de ruim 417.000 delicten die in 2004 geregistreerd zijn is ruim een 
derde een vermogensdelict (exclusief vermogensdelicten met geweld). 
Twee van de tien delicten betreffen een geweldsdelict (inclusief seksuele 
delicten en vermogensdelicten met geweld). Opiumwetdelicten (6,5%) 
en overige delicten (6,9%) komen het minst vaak voor. 


Hoewel in alle delictcategorieën het merendeel van de delicten door 
mannen is gepleegd, blijkt zoals we al eerder in dit hoofdstuk zagen, dat 
de verhouding tussen mannen en vrouwen afhangt van het soort delict. 
Het aandeel vermogensdelicten en in mindere mate Opiumwetdelicten 
onder door vrouwen gepleegde misdrijven is relatief hoog. Bijna de helft 
van de delicten die door vrouwen gepleegd werden, zijn vermogensdelicten, 
bij mannen is dit 31%. In figuur 4.20 is per delictsoort weergegeven 
hoe het aantal vrouwelijke verdachten zich ontwikkeld heeft in 
de periode 2000-2004. 


Figuur 4.20 
Door vrouwelijke verdachten gepleegde delicten naar 
delictcategorie, 2000-2004 

20 

18 

16 

14 

12 

10 

8 

6 

4 

2 

0 

2000 2001 2002 2003 2004 


Vermogensdelicten Drugsdelicten 
Verkeersmisdrijven Vernielingen en openbare orde 
Gewelddadige delicten Seksuele delicten 
Overige delicten 

Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 4.22 in bijlage 4. 
Bron: HKS/dNRI, SSB/CBS 


128 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Pleegcarrière 

In 2004 zijn er 96.000 first offenders16 bij de politie geregistreerd. Een 
vijfde hiervan waren jeugdige first offenders. Van de totale populatie 
verdachten was slechts een half procent jeugdig veelpleger, bijna 11% was 
volwassen veelpleger. Westerse allochtone jeugdige verdachten waren 
vaker first offender (9%) dan niet-westerse allochtone (7%) en autochtone 
(8%) jeugdige verdachten. Niet-westerse allochtonen zijn ongeacht hun 
leeftijd vaker meerpleger (41%) en veelpleger (14%) dan westerse allochtone 
en autochtone verdachten. 

Figuur 4.21 
Verdachten naar pleegcarrière (procentuele verdeling), 
2004 

Volwassen veelpleger 

Volwassen meerpleger 

Volwassen first offender 

Jeugdige veelpleger 

Jeugdige meerpleger 

Jeugdige first offender 

% 

Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 4.23 in bijlage 4. 
Bron: HKS/dNRI, SSB/CBS 


4.2.3 Minderjarige verdachten 
In deze paragraaf worden de trends beschreven in het aantal gehoorde 
minderjarige verdachten. Waar in dit rapport sprake is van minderjarigen, 
strafrechtelijk minderjarigen of minderjarige verdachten, wordt gedoeld 
op jongeren in de leeftijdscategorie van 12 tot en met 17 jaar. Op deze jongeren 
is in principe het jeugdstrafrecht van toepassing. 
In de periode 1980-2006 is het absolute aantal door de politie gehoorde 
minderjarige verdachten toegenomen van 42.000 in 1980 tot 70.000 in 
2006. De periode 1983-1993 was een periode van daling, daarna volgt een 
periode met een sterke stijging, die nog steeds voortduurt (zie figuur 4.22). 
De trend voor jongens volgt nauwgezet de algemene trend. Dit is 
het gevolg van het feit dat het merendeel van de geregistreerde 

16 
Met behulp van het aantal antecedenten zijn alle verdachten gecategoriseerd als first offender, 
meerpleger of veelpleger. Deze indeling sluit aan bij de gangbare definities in het veelplegersbeleid van 
de overheid. 

0 5 10 15 20 25 30 35 40 45 



Criminaliteit en opsporing 129 

jeugdcriminaliteit (circa 83%) voor rekening van de jongens komt. Meisjes 
komen relatief veel minder voor in de politiële statistieken. In 2006 hoorde 
de politie 58.000 jongens. Dit is vergeleken met 1980 anderhalf keer zoveel. 
Het aantal gehoorde minderjarige meisjes is echter in de periode 19802006 
verdrievoudigd. De trend in de periode 1995-2000 was bij de meisjes 
relatief stabiel en schommelde rond de 6.500 gehoorde minderjarige 
verdachte meisjes per jaar. Vanaf 2001 is er sprake van een relatief sterke 
toename en in 2006 hoorde de politie circa 12.000 meisjes als verdachte 
van een misdrijf. Gesteld kan worden dat het percentage meisjes dat als 
verdachte is gehoord, in de afgelopen 25 jaar sterk is toegenomen. Was in 
1980 de verhouding meisje-jongen nog één op tien, in 2006 is dit bijna één 
op vijf. 

Figuur 4.22 
Gehoorde minderjarige verdachten naar geslacht, 
1980-2006 

80

70 

60 

50 

40 

30 

20 

10 

0 

Totaal 
Jongens Meisjes 

Voor corresponderende cijfers zie tabel 4.24 in bijlage 4. 
Bron: CBS 

De trends in het aantal strafrechtelijk minderjarige verdachten dat 
door de politie wordt gehoord, kunnen niet los worden gezien van 
demografische ontwikkelingen. De demografische veranderingen in 
het aantal 12-tot en met 17-jarigen hebben gevolgen voor het aantal 
gehoorde minderjarige verdachten. Zo kan een stijging van het aantal 
gehoorde minderjarigen alleen al het gevolg zijn van een stijging van 
het totale aantal 12- tot en 17-jarigen in dat betreffende jaar. De totale 
populatie jongeren in de leeftijd 12 tot en met 17 jaar is in vergelijking 

 x 1.000 

1980 1984 1988 1992 1996 2000 2004 



130 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

met 1995 in 2006 met 10% toegenomen. In figuur 4.23 is goed te zien 
dat het percentage jeugdige verdachten in deze periode veel sterker is 
gestegen. 

Figuur 4.23 
Gehoorde minderjarige verdachten en bevolking: 
indexcijfers 1995-2006 (1995=100) 

0 
20 
40 
60 
80 
100 
120 
140 
160 
180 
1995 1996 1997 1998 1999 2000 
Gehoorde verdachten 
Voor corresponderende cijfers zie tabel 4.24 in bijlage 4. 
Bron: CBS 
2001 2002 
Be2003 
volking 
2004 2005 
12-17 jaar 
2006 
Verdachten en hun misdrijven 

De delicten waarvan de jongeren in 2006 zijn verdacht en die aanleiding 
zijn geweest voor een verhoor door de politie, betreffen in 94% 
van de gevallen een misdrijf volgens het Wetboek van Strafrecht. 
Vermogensdelicten komen het vaakst voor (40%), gevolgd door vernieling 
en openbareordemisdrijven (32%) en geweldsmisdrijven (21%). 
In figuur 4.24 worden de trends van verschillende misdrijfcategorieën 
voor de periode 1995 tot en met 2006 weergegeven. 
Over de hele periode is de categorie vermogensmisdrijven de grootste, 
gevolgd door de vernielingen en openbareordemisdrijven en de 
geweldsmisdrijven. De trend voor de categorie vermogensmisdrijven 
is, na een periode van daling, vanaf 2002 weer stijgend. De trends van 
de overige misdrijfcategorieën zijn zonder uitzondering voor de gehele 
periode stijgend. 


Criminaliteit en opsporing 131 

Figuur 4.24 
Gehoorde minderjarige verdachten naar soort misdrijf, 
1995-2006 

30.000 

25.000 

20.000 

15.000 

10.000 

5.000 

0 

1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 


Vermogensmisdrijven Overige wetten 
Vernielingen en misdrijven 
tegen openbare orde en gezag 
Geweldsmisdrijven 
Wegenverkeerswet 
Opiumwet 
Voor corresponderende cijfers zie tabel 4.30 in bijlage 4. 
Bron: CBS 

Vermogensmisdrijven 

In figuur 4.25 worden de trends weergegeven voor de verschillende typen 
vermogensmisdrijven. Het aantal gehoorde minderjarige verdachten naar 
aanleiding van een vermogensdelict schommelt in de periode 1995-2006 
tussen de 24.000 en 28.000. Met uitzondering van de piek in 1996, vertoont 
het aantal minderjarige verdachten van een vermogensmisdrijf in 
de periode tot aan 2001 een licht dalende tendens. Vanaf 2002 is er weer 
een stijging te signaleren in het aantal gehoorde minderjarige verdachten 
van vermogensdelicten. In 2006 wordt 40% van het totale aantal gehoorde 
minderjarigen verdacht van een vermogensmisdrijf. In 1995 was dat nog 
bijna 60%. Voor de gehele verdachtenpopulatie inclusief de meerderjarige 
verdachten zijn deze percentages respectievelijk 29% en 50%. 
De trendschommeling kan voor een groot deel worden toegeschreven aan 
het aantal gehoorde verdachten naar aanleiding van eenvoudige diefstal 
en gekwalificeerde diefstal. Er is een lichte stijging in het aantal overige 
vermogensdelicten. Daarbij gaat het om valsheidmisdrijven, verduistering, 
bedrog, heling en schuldheling. Het aantal gehoorde minderjarigen naar 
aanleiding van deze categorieën delicten is toegenomen. De sterkste stijgingen 
zijn te zien bij heling of schuldheling. Het betreft hier echter delic



132 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

ten die in verhouding tot het totale aantal delicten van het Wetboek van 
Strafrecht weinig voorkomen (in 2006 is dit 1,9%; zie tabel 4.32 bijlage 4). 

Figuur 4.25 
Gehoorde minderjarige verdachten wegens 
vermogensmisdrijven*, 1995–2006 

30.000 

25.000 

20.000 

15.000 

10.000 

5.000 
0 
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 


Vermogensmisdrijven totaal Gekwalificeerde diefstal 
Eenvoudige diefstal Overige vermogensmisdrijven* 

* Valsheidmisdrijven, verduistering, bedrog, heling en schuldheling. 
Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 4.30 in bijlage 4. 
Bron: CBS 
Vernielingen en misdrijven tegen openbare orde en gezag 

Met uitzondering van 1996 schommelt het jaarlijkse aantal gehoorde minderjarigen 
naar aanleiding van een vernieling of openbareordedelict in de 
periode 1997 tot en met 2001 rond de 11.000 (zie figuur 4.26). Vanaf 2002 
is er een sterke stijging te zien. In 2006 zijn ruim 22.000 minderjarigen 
gehoord omdat ze werden verdacht van een delict uit deze categorie. Dit 
is 32% van het totale aantal gehoorde minderjarigen. In 1995 was dat nog 
22%. Voor de gehele verdachtenpopulatie inclusief de meerderjarige verdachten 
zijn deze percentages respectievelijk 16% en 12%. 
De stijging in de periode 2001-2006 komt voor een groot deel voor rekening 
van het aantal minderjarigen dat wegens een delict tegen de openbare 
orde en gezag werd gehoord (+ 5.000). Het aantal delicten tegen de 
openbare orde is in de periode 1996 tot en met 1998 sterk gedaald, van 
ruim 4.400 naar ruim 1.400. Daarna is er een lichte stijging tot aan 2001 
(in dat jaar ruim 2.100 gehoorde minderjarige verdachten). In de periode 
2001-2004 is het aantal gehoorde minderjarigen naar aanleiding van een 
delict tegen de openbare orde verdrievoudigd tot ruim 7.100 in 2006. 
Het aantal minderjarigen dat wegens vernieling werd gehoord, is in de 
periode 1995-2006 toegenomen van bijna 5.000 tot ruim 12.000. Tot aan 


Criminaliteit en opsporing 133 

1997 is er een sterke stijging in het aantal vernielingen, daarna stabiliseert 
de trend zich tot en met 2001 en schommelt het aantal rond de 7.500-7.800. 
Vanaf 2002 is een flinke stijging in het aantal gehoorde minderjarigen 
wegens een vernieling. Vooral de vernielingen aan auto’s zijn toegenomen. 

Figuur 4.26 
Gehoorde minderjarige verdachten wegens vernielingen 
en misdrijven tegen openbare orde en gezag, 1995–2006 

25.000 

20.000 

15.000 

10.000 

5.000 

0 

1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 


Vernieling en openbare orde totaal Tegen openbare orde en gezag 

Vernieling 

Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 4.30 in bijlage 4. 
Bron: CBS 

Geweldsmisdrijven 

Geweldsdelicten vormen al jaren de kleinste categorie. Wel is er sprake 
van een continu stijgende trend in het aantal gehoorde minderjarige verdachten: 
in 1995 werden ruim 6.400 minderjarigen gehoord en in 2006 
ging het om iets meer dan 15.000 minderjarigen. Voor 2006 komt dit erop 
neer dat 21% van de door de politie gehoorde 12-17-jarigen, verdacht wordt 
van het plegen van een geweldsdelict. In 1995 was dit percentage nog 16%. 
Voor de gehele verdachtenpopulatie inclusief de meerderjarige verdachten 
zijn deze percentages nagenoeg dezelfde, respectievelijk 23% en 16%. 
De twee grootste delicttypen bij geweldsmisdrijven zijn mishandeling 
en diefstal met geweld. In 2006 zijn ruim 9.000 jongeren gehoord voor 
mishandeling (13% van het totaal) en ruim 2.300 minderjarigen voor 
diefstal met geweld (3% van het totaal). In figuur 4.27 worden de trends 
voor de hoofdcategorie van geweldsdelicten en voor de specifieke geweldsdelicten 
weergegeven. De toename sinds 1995 is voor een groot deel toe te 
schrijven aan het aantal minderjarigen dat verdacht is van mishandeling 
en misdrijven tegen het leven en persoon (vooral bedreiging). Sinds 2003 


134 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

is het aantal gehoorde minderjarigen wegens mishandeling sterk gestegen: 
van 6.000 in 2003 naar 9.000 in 2006. 
Een andere grote delictgroep binnen de categorie geweldsdelicten die om 
nadere toelichting vraagt betreft misdrijven tegen het leven. In 2006 zijn 
ruim 2.700 minderjarigen verdachten wegens een delict uit deze groep 
(4% van het totaal). Deze groep delicten omvat onder meer bedreiging, 
(poging tot) doodslag/moord, overige misdrijven tegen het leven en dood 
en lichamelijk letsel door schuld. Uit tabel 4.30 van bijlage 4 blijkt dat het 
aantal gehoorde minderjarige verdachten wegens bedreiging in de periode 
1995-2006 zeer sterk is toegenomen: van 710 in 1995 tot 2.611 in 2006. 

Figuur 4.27 
Gehoorde minderjarige verdachten wegens geweldsmisdrijven, 
1995–2006 

16.000 

14.000 

12.000 

10.000 

8.000 

6.000 

4.000 

2.000 
0 
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 


Geweldsmisdrijven totaal 
Misdrijven tegen het leven 
en persoon* 

Mishandeling 

Diefstal met geweld, Seksuele misdrijven** 
afpersing 

* Bedreiging, (poging) doodslag/moord, overige misdrijven tegen het leven en dood en lichamelijk 
letsel door schuld. 
** Verkrachting, feitelijke aanranding der eerbaarheid en overige seksuele misdrijven. 
Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 4.30 in bijlage 4. 
Bron: CBS 

Misdrijven volgens overige wetboeken 

Het aantal minderjarigen dat in 2006 is gehoord wegens een misdrijf uit 
de Wegenverkeerswet, Opiumwet en Wet wapens en munitie, bedraagt 
respectievelijk 2,5%, 1,2% en 1,5% van het totale aantal gehoorde minderjarige 
verdachten. In vergelijking met de delicten uit het Wetboek van 
Strafrecht betreft het dus een relatief klein aantal feiten. De trends vertonen 
alle duidelijk een stijgende lijn (zie figuur 4.28). 


Criminaliteit en opsporing 135 

Figuur 4.28 
Gehoorde minderjarige verdachten wegens verkeersmisdrijven, 
Opiumwet- en Wet wapens en munitie-
misdrijven, 1995–2006 

2.000 

1.800 

1.600 

1.400 

1.200 

1.000 
800 
600 
400 
200 
0 

1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 


Wegenverkeerswet* 
Opiumwet** 

Wet wapens en munitie 

* Rijden onder invloed, doorrijden na / verlaten plaats ongeval, overig WvW. 
** Harddrugs, softdrugs. 
Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 4.30 in bijlage 4. 
Bron: CBS 
4.3 Het Nederlands Forensisch Instituut 
Het NFI17 maakt deel uit van het Ministerie van Justitie en voert overwegend 
natuurwetenschappelijk georiënteerd onderzoek uit ten behoeve van 
de waarheidsvinding in het kader van de strafrechtspleging. Concreet gaat 
het daarbij veelal om de analyse en/of identificatie van een grote verscheidenheid 
aan sporenmateriaal. Het personeelsbestand, dat medio 2006 
totaal 406 fte’s omvat, bestaat voor het overgrote deel uit wetenschappelijk 
onderzoekers op minimaal HBO-niveau. Het NFI heeft de volgende kerntaken18 
gedefinieerd: 
1 het uitvoeren van forensisch zaakonderzoek: het NFI voert technisch, 

medisch-biologisch en natuurwetenschappelijk onderzoek uit op verzoek 
van de zittende magistratuur (ZM), het Openbaar Ministerie (OM), 

17 
Het Nederlands Forensisch Instituut is in 1999 ontstaan door samengaan van twee instituten, namelijk 
het Gerechtelijk Laboratorium en het Laboratorium voor Gerechtelijke Pathologie. 

18 
Van de totale formatie van het NFI is circa 80% beschikbaar voor de uitvoering van de drie kerntaken. 
Tussen de kerntaken bestaat de macroverhouding forensisch zaakonderzoek (70%), R&D (15%) en 
kennis- en expertisecentrum (15%). Voor de langere termijn moet uit oogpunt van continuïteit altijd 
voldoende capaciteit beschikbaar zijn voor ‘Research and Development’ en de taak als kennis- en 
expertisecentrum. 


136 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

de politie en overige opsporingsinstanties. De resultaten van het onderzoek 
en de interpretatie van de bevindingen worden vastgelegd in een 
rapport en waar nodig door de deskundige ter zitting toegelicht. 

2 
het bedrijven van research & development: de R&D-activiteiten richten 
zich voornamelijk op het ontwikkelen en implementeren van nieuwe 
methoden en technieken, zowel ten behoeve van het NFI als politie en 
justitie. 

3 
het fungeren als forensisch kennis- en expertisecentrum op het gebied van 
forensisch onderzoek, en wel als volgt: 

– 
als (nationaal en internationaal) kennis- en informatiecentrum op 
het gebied van forensisch-technisch en wetenschappelijk onderzoek 
op de door het NFI bestreken deskundigheidsgebieden; 
– 
door het overdragen van kennis aan en het bevorderen van deskundigheid 
bij OM, ZM, politie en overige opsporingsinstanties; 
– 
door het leveren van een bijdrage aan de beleidsvoorbereiding en 
de toetsing op uitvoerbaarheid van wetgeving op het terrein van de 
rechtshandhaving en de criminaliteitsbestrijding. 
Bij het NFI wordt forensisch onderzoek uitgevoerd op de volgende 
ter reinen: 

– 
Medisch-biologisch onderzoek 
– 
afdeling pathologie gerechtelijke secties, letselbeschrijving 
– 
afdeling biologie biologisch sporenonderzoek, bloedspooranalyse, 
DNA-typering, DNA-verwantschapsonderzoek, 
haaronderzoek 
– 
afdeling toxicologie toxicologisch onderzoek 
– 
Chemisch onderzoek 
– 
afdeling chemie verfonderzoek, glasonderzoek, brandonderzoek, 
onderzoek van explosieven en explosies, 
vingerspoordetectie, vezel- en textielonderzoek, 
handschriftonderzoek, machine- en printerschriftonderzoek, 
documentonderzoek, taalkundige 
tekstanalyse 
– 
afdeling verdovende drugsonderzoek, onderzoek illegale 
middelen drugsfabricage 
– 
afdeling milieu bodemonderzoek, water- en meststoffenonderzoek, 
onderzoek (afval)stoffen en emissies 
– 
Fysisch-elektronisch onderzoek 
– 
afdeling fysische wapen- en munitieonderzoek, onderzoek 
technologie 
schotresten, onderzoek kras-, indruk- en vorm-
sporen (werktuigsporen, schoensporen e.d.), 
technisch en materiaalkundig onderzoek, 
onderzoek verkeersongevallen, voertuigidentificatie 



Criminaliteit en opsporing 137 

– afdeling digitale forensisch ICT-onderzoek, onderzoek open en 
technologie gesloten systemen, software- en hardware-
onderzoek, cryptografie, datacommunicatie, 
beeldbewerking en biometrie, spraak- en 
audio-onderzoek 

Per 1 februari 2005 is de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden van kracht 
geworden. Het aanbod van DNA-profielen van personen die als gevolg van 
de nieuwe wet in de DNA-databank moesten worden opgenomen is groot. 
Figuur 4.29 geeft een beeld van de ontwikkeling in het aantal aangevraagde 
onderzoeken19 per expertisegebied in de periode 2001 tot en met 2006. 
Daarin wordt goed zichtbaar welk effect de nieuwe DNA-wet heeft gehad 
op het aantal aangevraagde onderzoeken. Vooral de sterke toename bij 
het expertisegebied ‘Biologie’ springt in het oog. Het gaat hierbij veelal om 
geweldszaken, zoals mishandeling, zedenmisdrijven, moord en doodslag. 
Ook valt de daling bij het expertisegebied ‘verdovende middelen’ op. Dit is 
grotendeels het effect van de 100%-controles op risicovluchten op luchthaven 
Schiphol. 

Figuur 4.29 
Bij het NFI aangevraagde onderzoeken per expertise-
gebied, 2001-2006 

30.000 
25.000 
20.000 
15.000 
10.000 
5.000 
0 

2001 2002 2003 2004 2005 2006 


Biologie 
Pathologie en Toxicologie 
Verdovende middelen Overig chemisch onderzoek 
Fysische technologie 
Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 4.36 in bijlage 4. 

Bron: NFI/ bewerking CBS 

19 
Een aanvraag kan meer dan één onderzoekshandeling/analyse voor het NFI betekenen, bijvoorbeeld 
omdat er verscheidene sporen worden aangeleverd. Daarnaast kan een rechercheonderzoek/ 
zaakonderzoek meer dan één aanvraag opleveren. 


138 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

4.4 Resumé 
Dit hoofdstuk geeft een beschrijving van de omvang, aard en ontwikkeling 
van de door de politie geregistreerde criminaliteit. Voor het 
beantwoorden van de vraag naar de omvang en de ontwikkeling van de 
criminaliteit is gebruikgemaakt van twee elkaar aanvullende databronnen: 
slachtofferenquêtes en registraties van de politie. De gegevens in dit 
hoofdstuk zijn ontleend aan de CBS Politiestatistiek. Deze statistiek, die 
is gestart in 1948, is gebaseerd op gegevens uit de registraties van de politie. 
De gegevens betreffen door de politie opgemaakte processen-verbaal 
van aangifte en ambtshalve opgemaakte processen-verbaal op grond van 
eigen opsporingsactiviteiten. In dit hoofdstuk is ook aandacht besteed aan 
de ontwikkeling van de opgehelderde misdrijven en aan de verdachten die 
door de politie voor misdrijven zijn gehoord. 

Belangrijkste bevindingen 

In de afgelopen 25 jaar is het aantal geregistreerde misdrijven in 
Nederland gestegen van minder dan driekwart miljoen in 1980 naar 1,2 
miljoen in 2006. Vanaf 2002 daalt het aantal geregistreerde misdrijven. 
Het ophelderingspercentage ligt in 2006 op 23%. In 1980 was dat nog 
30%. De geregistreerde criminaliteit bestaat voor bijna 60% uit vermogensmisdrijven. 
Eén op de zes geregistreerde misdrijven is een vernieling 
of openbareordemisdrijf en één op de elf een geweldsmisdrijf. De trend 
voor vermogensmisdrijven is dalend, die van vernielingen en openbareordemisdrijven 
is stijgend. Het aantal geregistreerde geweldsmisdrijven 
is de afgelopen 25 jaar weliswaar gestegen, maar lijkt de laatste jaren 
te stabiliseren. Er bestaat een sterke samenhang tussen de ‘grootte’ of 
‘stedelijkheid’ van gemeenten en de hoogte van het criminaliteitscijfer. 
In gemeenten die meer verstedelijkt zijn of meer inwoners tellen, liggen 
de criminaliteitscijfers per 1.000 inwoners van 12-79 jaar hoger. De geregistreerde 
criminaliteit, gecorrigeerd voor de bevolkingsomvang, is het 
hoogst in de gemeente Utrecht. 
Het aantal gehoorde verdachten is in de periode 1980-2006 gestegen van 

210.000 in 1980 naar 358.000 in 2006. Criminaliteit is nog altijd vooral een 
‘mannenzaak’, maar het aandeel gehoorde vrouwelijke verdachten neemt 
toe. Was in 1980 nog één op de tien gehoorde verdachten een vrouw, in 
2006 is dat één op de zeven. Veel gehoorde verdachten zijn ‘jong’. Van alle 
verdachten komt 24% voor in de categorie 18-24 jaar. ‘De meeste verdachten 
zijn autochtoon. Indien rekening wordt gehouden met de bevolkingsomvang, 
blijkt dat van de grootste allochtone bevolkingsgroepen 
Antillianen of Arubanen relatief het sterkst zijn vertegenwoordigd, 
gevolgd door Marokkanen, Surinamers en Turken. Binnen de allochtone 
bevolking liggen de verdachtenpercentages van de eerste generatie wat 
hoger dan van de tweede. Voor Marokkanen en Turken geldt echter dat de 
verdachtenpercentages van de tweede generatie hoger zijn dan die van de 

Criminaliteit en opsporing 139 

eerste. Het hoogste verdachtenpercentage heeft de groep mannelijke niet-
westerse allochtone verdachten van de tweede generatie. Bij nagenoeg 
alle herkomstgroepen zijn de verdachtenpercentages van allochtonen met 
twee allochtone ouders hoger dan die van allochtonen met één allochtone 
ouder. 
Het aantal door de politie gehoorde minderjarige verdachten is toegenomen 
van 42.000 in 1980 tot 70.000 in 2006. Vanaf midden jaren negentig is 
het aantal gehoorde minderjarige verdachten jaarlijks toegenomen, met 
recent een sterke stijging vanaf 2002. Deze sterke stijging in het aantal 
gehoorde minderjarigen wordt gesignaleerd bij alle drie onderscheiden 
delicthoofdcategorieën: vernieling of openbareordemisdrijven, geweldsmisdrijven 
en vermogensmisdrijven. Het aantal gehoorde minderjarige 
meisjes is in de afgelopen 25 jaren verdrievoudigd. Deze sterke toename 
weerspiegelt zich ook in het aandeel dat meisjesverdachten thans hebben 
in het totaal. Was in 1980 de verhouding meisje-jongen nog één op tien, in 
2006 is dit bijna één op vijf. 


 
5 Vervolging en berechting 

N.E. de Lange, A.M. van der Laan, S. Bogaerts 
De cijfers in dit hoofdstuk beschrijven in beginsel de rechtbankstrafzaken. 
Dit zijn zaken die in eerste aanleg de sectoren straf van de rechtbanken 
behandelen en in de hierna volgende tekst ook wel kortweg zijn aangeduid 
als ‘strafzaken’. 
Er volgen beschrijvingen van de instroom van strafzaken bij de parketten 
van het OM en van de afdoeningen van strafzaken door het OM en door 
de rechter in eerste aanleg. Summier komen verder aan de orde het hoger 
beroep bij de gerechtshoven en het beroep in cassatie bij de Hoge Raad en 
de schadevergoeding aan ex-verdachten. 

De informatie heeft vooral betrekking op de periode 1995-2006, terwijl 
in mindere mate ook cijfers over de periode tussen 1980 en 1995 zijn 
opgenomen.1 Paragraaf 5.1 beschrijft de vervolging en berechting zonder 
onderscheid tussen minderjarigen, meerderjarigen en rechtspersonen. 
Paragraaf 5.2 belicht de minderjarigen afzonderlijk. 

5.1 Vervolging en berechting algemeen 
Zoals gezegd beschrijft deze paragraaf de vervolging en berechting van 
minderjarigen (12-18 jaar), meerderjarigen (18 jaar of ouder) en rechtspersonen. 
Onder afdoeningen door het OM zijn alle beslissingen van het 
OM begrepen, met uitzondering van de dagvaardingen. De afdoeningen 
door de rechter zijn gepresenteerd exclusief de voegingen ter terechtzitting, 
omdat deze gegevens over de laatste jaren niet volledig zijn. 

In 1980 zijn bijna 230.000 strafzaken ingeschreven bij de arrondissementsparketten 
van het OM (zie figuur 5.1 en tabel 5.1, in bijlage 4). In hetzelfde 
jaar heeft het OM 130.000 en de rechter 92.000 zaken afgedaan. De ingeschreven 
zaken in een jaar zijn niet precies dezelfde als de afgedane zaken 
in dat jaar, omdat het OM en de rechter ook zaken van voorgaande jaren 
afdoen. Verder kan het OM of de rechter een of meer oorspronkelijk afzonderlijk 
ingeschreven zaken tegen één en dezelfde persoon in het vervolg 
van het traject samenvoegen. Rond 1994 zijn zowel inschrijvingen als 
afdoeningen (door OM en rechter) na een stijging weer terug op het niveau 
van begin jaren tachtig. 

In de loop van de beschreven periode (1980-2006) zijn in de basisgegevens over vervolging en 
berechting (bijvoorbeeld door wijziging in wetgeving, verandering van inzicht of het opstellen van 
standaardclassificaties) veranderingen opgetreden in de wijze van groepering en weergave van de 
statistische uitkomsten. De in dit hoofdstuk vermelde cijferreeksen zijn zoveel mogelijk onderling 
vergelijkbaar gemaakt door het samenvoegen of splitsen van het beschikbare basismateriaal. 


142 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Figuur 5.1 
Ingeschreven en afgedane rechtbankstrafzaken, 
1980-2006 

300.000 

250.000 

200.000 

150.000 

100.000 

50.000 
0 
1980 1985 1990 1995 2000 2005 


Ingeschreven zaken OM Afdoeningen rechter 
Afdoeningen OM 

* 
1980-1990 = gewone strafzaken, economische strafzaken, belastingstrafzaken, militaire strafzaken; 
1993-2004 = Wetboek van Strafrecht, Wegenverkeerswet, Wet op de economische delicten, 
Opiumwet, Wet wapens en munitie, overige strafwetten en onbekend; OM-cijfers van 1991 en 1992 
ontbreken; 1981-2006 afdoeningen rechter exclusief de voegingen ter zitting. 
Voor corresponderende cijfers, zie tabel 5.1 in bijlage 4. 
Bron: CBS 

In de periode 1995-2006 is er zowel bij de inschrijvingen als bij de afdoeningen 
OM, na een dalende tendens, vanaf 2001 weer een stijging te zien. 
De geregistreerde criminaliteit maakte in deze periode een tegengestelde 
beweging: uit hoofdstuk 4 blijkt dat de totale geregistreerde criminaliteit 
tot en met 2002 vrijwel elk jaar stijgt, maar in 2006 voor het vierde achtereenvolgende 
jaar daalt. 
In 2006 zijn 268.000 strafzaken ingeschreven bij het OM; in 1995 waren 
het er 258.000. Het OM doet in 2006 126.000 zaken af; dit waren er in 1995 
nog 147.000. De rechter doet in de periode 1995-2006 jaarlijks tussen de 

102.000 en 135.000 zaken af. Vooral de stijging tussen 2002 en 2003 (van 
117.000 naar 135.000) is opmerkelijk (+15%). 
Deze schommelingen zijn waarschijnlijk beïnvloed door onder andere het 
gebruik van bestuurlijke transacties en de uitbreiding van het personeel 
van de rechtbanken. De mate waarin deze beïnvloeding plaatsvond is 
echter niet aan te geven. Het verslagjaar 2006 ligt, met 134.000 rechterlijke 
afdoeningen, weer ongeveer op het niveau van 2003. 

Vervolging en berechting 143 

5.1.1 Ingeschreven zaken bij het Openbaar Ministerie 
In de fase van de opsporing beslissen de opsporingsautoriteiten over het 
al dan niet doorzenden van het opgemaakte proces-verbaal van een ter 
kennis gekomen strafbaar feit (overtreding of misdrijf) naar het OM. Van 
alle misdrijven die bij de opsporingsinstanties (zoals politie) zijn geregistreerd 
– 1,22 miljoen in 2006 – komt slechts een deel voor verdere behandeling 
als strafzaak terecht bij de parketten van het OM. 

De politie handelt een deel van de minder ernstige strafbare feiten af. Bij 
misdrijven kan dat via een Halt-afdoening (in 2006 bijna 23.000 keer) als 
het om strafrechtelijk minderjarigen gaat, of via een politietransactie bij 
strafrechtelijk meerderjarigen. 
Het OM krijgt niet alleen van de politie processen-verbaal van strafbare 
feiten, maar ook van bijzondere opsporingsdiensten zoals de FIOD-ECD 
(de opsporingsdienst van de Belastingdienst die is ontstaan uit de in 1999 
samengevoegde Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst en Economische 
Controledienst). 
Een strafzaak in dit kader is gedefinieerd als ‘een bij het Openbaar Ministerie 
ter (verdere) afhandeling ingeschreven proces-verbaal tegen één 
verdachte wegens een of meer strafbare feiten’ (zie bijlage 3). Een verdachte 
(persoon) kan dus meer dan één strafbaar feit hebben gepleegd, terwijl 
anderzijds bij één strafbaar feit meer verdachten kunnen zijn betrokken. 
Het OM (met voeging ad informandum of voeging ter berechting2) en 
de rechter (met voeging ter zitting) kunnen afzonderlijk ingeschreven 
zaken tegen één en dezelfde persoon die in voldoende mate met elkaar 
samenhangen, behandelen of afdoen als één zaak. Strafzaken waarbij 
de verdachte meer dan één misdrijf heeft gepleegd zijn primair geclassificeerd 
bij het misdrijf waarop in de wet de hoogste strafdreiging staat. 
Is dit niet mogelijk, dan is het eerstgenoemde delict gekozen. De indeling 
van misdrijven in dit hoofdstuk is gebaseerd op de CBS-standaardclassificatie 
misdrijven (zie bijlage 1). 

Volgens de vroegere Justitiële Statistiek zijn in het jaar 1980 bij de parketten 
bijna 187.000 ‘gewone’ strafzaken en ruim 37.000 economische 
strafzaken ingeschreven; in totaal zijn in 1980 bijna 230.000 rechtbank-
strafzaken ingeschreven (figuur 5.2). Na een stijging tot 1984, blijft het 
aantal ingeschreven gewone strafzaken tot 1990 tamelijk constant. Het 
aantal economische strafzaken fluctueert nogal en komt van 37.000 zaken 
in 1980 uit op bijna 28.000 zaken in 1990. 

2 
De voeging ter berechting is het samenvoegen van ingeschreven strafzaken door het OM met het doel 
om de rechter verschillende zaken tegelijk te laten beoordelen. Bij een voeging ad informandum voegt 
het OM een strafzaak zonder tenlastelegging bij een andere zaak die aan de rechter wordt voorgelegd, 
met het doel de rechter bij de bepaling van de strafmaat rekening te laten houden met de feiten in de 
gevoegde zaak. 


144 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Figuur 5.2 Bij het Openbaar Ministerie ingeschreven rechtbank-
strafzaken naar soort strafzaken, 1980-1990 

250.000 

200.000 

150.000 

100.000 

50.000 

0 

1980 1981 1982 1983 1984 1985 1986 1987 1988 1989 1990 


Gewone strafzaken 
Economische strafzaken 
Militaire strafzaken 
Belastingstrafzaken 
Bron: CBS 
Voor corresponderende cijfers, zie tabel 5.1 in bijlage 4. 

Uit tabel 5.2 (bijlage 4) blijkt dat in de periode 1995-2006 het aantal ingeschreven 
strafzaken van 258.000 in 1995 geleidelijk is gedaald tot rond de 

233.000 in 2000, maar daarna snel opliep tot 268.000 in 2006. Ten opzichte 
van 1995 is het aantal ingeschreven vermogensmisdrijven sterk gedaald, 
van 103.000 in 1995 tot bijna 70.000 in 2006 (-33%). Ingeschreven geweldsmisdrijven 
daarentegen stijgen sinds 1995 (29.000 zaken) fors. Het zijn er 
in 2006 bijna 53.000 (+82%). 
De meeste bij de parketten ingeschreven zaken gaan over strafbare feiten 
uit het Wetboek van Strafrecht: 168.000 in 2006, ruim zes van elke tien 
zaken (zie figuur 5.3). De overige zaken gaan vooral over misdrijven uit de 
Wegenverkeerswet, zoals rijden onder invloed,3 en strafbare feiten uit de 
Wet op de economische delicten en de Opiumwet. 
Ingeschreven zaken wegens overtreding van de Wegenverkeerswet zijn 
vergeleken met 2005 met 11% gedaald tot 50.000 zaken in 2006. Deze 
daling wordt vrijwel geheel veroorzaakt door een afname van het aantal 
ingeschreven zaken wegens rijden onder invloed. Het aantal economische 
delicten, in 1995 ruim 34.000 zaken, daalt tot 26.000 in 2001 en komt na 
een stijging en een daling uit op bijna 23.000 in 2006. Verder zijn er de 
misdrijven uit de Opiumwet (17.000), uit de Wet wapens en munitie (5.000) 
en uit de overige strafwetten (5.000, inclusief onbekend). 

3 

In de delictgroep ‘rijden onder invloed’ is het weigeren van een bloedproef niet meegeteld. 


Vervolging en berechting 145 

Figuur 5.3 Bij het Openbaar Ministerie ingeschreven rechtbank-
strafzaken naar soort strafzaken, 1990-2006 

0 
25.000 
50.000 
75.000 
100.000 
125.000 
150.000 
175.000 
200.000 
19901991199219931994199519961997199819992000200120022003200420052006 

Wetboek van Strafrecht Opiumwet 
Wegenverkeerswet overige strafwetten 
Wet op de en onbekend 
economische delicten Wet wapens en munitie 
Voor corresponderende cijfers, zie tabel 5.2 in bijlage 4. 
Bron: CBS 

Figuur 5.4 
Bij het Openbaar Ministerie ingeschreven rechtbank-
strafzaken naar soort misdrijven, 1995-2006 

120.000 

100.000 

80.000 

60.000 

40.000 

20.000 
0 
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 


Vermogensmisdrijven Vernieling en openbare orde 
Geweldsmisdrijven 

Voor corresponderende cijfers, zie tabel 5.2 in bijlage 4. 
Bron: CBS 


146 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Vermogensmisdrijven vormen het grootste deel van de ingeschreven 
misdrijven uit het Wetboek van Strafrecht. Absoluut, maar ook relatief, 
lopen de vermogensmisdrijven echter sinds 1995 terug (zie figuur 5.4). 
In 1995 zijn er nog ruim 103.000 geteld (66% van het totaal van misdrijven 
uit het Wetboek van Strafrecht). In 2006 zijn het er 70.000, minder dan de 
helft van het totale aantal. Eenvoudige en gekwalificeerde diefstal maken 
bij de vermogensmisdrijven het leeuwendeel uit. Juist deze soort misdrijven 
is in aantal teruggelopen. 
Het aandeel van de geweldsmisdrijven binnen de zaken uit het Wetboek 
van Strafrecht is in de periode 1995-2006 verder toegenomen van 18% 
naar 31%. Het gaat bij de geweldsmisdrijven vooral om mishandeling en 
bedreiging. 

Verdachten in strafzaken 

In 2006 is 82% van alle verdachten meerderjarig en 14% minderjarig. In 
3% van de zaken is de verdachte een rechtspersoon. Ongeveer 82% van 
alle zaken is een strafzaak tegen een mannelijke verdachte, 14% een zaak 
tegen een vrouwelijke verdachte. 
Strafzaken tegen rechtspersonen hebben in 92% gevallen betrekking op 
economische delicten. Zowel bij mannen als vrouwen gaat het in het 
merendeel van de zaken over vermogensdelicten, geweldsdelicten en 
rijden onder invloed. De verdeling van de delicten binnen de geslachten 
verschilt. Bij mannelijke verdachten heeft 25% van de zaken betrekking 
op vermogensdelicten, 21% op geweldsdelicten en 15% op rijden onder 
invloed; bij vrouwelijke verdachten is de verdeling respectievelijk 40%, 
15% en 9%. Vergeleken met 1995 is er bij mannen en bij vrouwen sprake 
van een vermindering van het aandeel van vermogensdelicten en een 
toename van het aandeel van geweldsdelicten, rijden onder invloed en 
vernieling en openbare orde (Bron: CBS, StatLine). 

5.1.2 Afdoeningen door het Openbaar Ministerie 
De arrondissementsparketten van het OM behandelen als eerste de ingeschreven 
strafzaken. De officier van justitie beslist aan de hand van door 
het justitiële beleid aangegeven criteria of hij in een bepaalde zaak overgaat 
tot vervolging. Er bestaat in Nederland geen vervolgingsplicht. 
Voor de interpretatie van de cijfers van deze fase van het vervolgingstraject 
is het van belang rekening te houden met het feit dat het OM zaken die 
zij als ‘niet vervolgbaar’ beschouwt al bij de politie terzijde schuift. Deze 
zaken worden niet ingeschreven door het Openbaar Ministerie. Het aantal 
zaken dat op deze wijze vroegtijdig wordt geseponeerd is voor 2006 niet 
bekend. Voor 1999 is het aantal geschat op 23.000. 
Het aantal strafzaken in eerste aanleg dat het OM in het jaar 1980 afdoet 
(exclusief de dagvaardingen), komt uit op een totaal van 130.000 zaken. 
Na een stijging zet vanaf 1983 een afvlakking in tot 114.000 in 1999. 


Vervolging en berechting 147 

Daarna is het totale aantal afdoeningen door het OM weer snel opgelopen 
tot 126.000 in 2006 (zie figuur 5.1). 

Figuur 5.5 
Door het Openbaar Ministerie afgedane rechtbank-
strafzaken naar soort misdrijven, 1995-2006 

70.000 

60.000 

50.000 

40.000 

30.000 

20.000 

10.000 
0 
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 


Vermogensmisdrijven 
Vernieling en 
openbare orde 
Geweldsmisdrijven 
Overige misdrijven 
Wetboek van Strafrecht 
Voor corresponderende cijfers, zie tabel 5.3 in bijlage 4. 
Bron: CBS 
Misdrijven uit het Wetboek van Strafrecht 

Figuur 5.5 geeft een overzicht van de afdoeningen van strafzaken door het 
OM, ingedeeld naar het ten laste gelegde type misdrijf. In 1995 ging het bij 
68% van alle OM-afdoeningen van delicten uit het Wetboek van Strafrecht 
om een vermogensmisdrijf; in 2006 is dat nog 41%. Vooral de diefstal-
misdrijven zijn sterk teruggelopen. Tegenover de sterke afname van de 
vermogensmisdrijven staat een stijging van het aandeel van de geweldsmisdrijven: 
van 15% in 1995 naar 28% in 2006. De toename in absolute 
aantallen was aanvankelijk gering, maar is vanaf 2002 gaan stijgen. 

De afdoening van een strafzaak door het OM zonder tussenkomst van 
de rechter (dus exclusief de dagvaardingen), gebeurt op diverse wijzen. 
De belangrijkste daarvan zijn de sepots en de transacties. Daarnaast 
tellen in de statistische overzichten in de afdoeningen door het OM de 
voeging ad informandum en de voeging ter berechting mee (zie ook 
hoofdstuk 2). Ook de overdracht van het ene naar het andere parket is een 
afdoening door het OM. Na een voeging of een overdracht zal het OM een 
strafzaak in de meeste gevallen uiteindelijk aan de rechter voorleggen. 


148 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Sepots 

Er zijn twee soorten sepots. Bij de technische sepots ziet het OM af van 
(verdere) vervolging omdat het meent dat dit niet tot een veroordeling zal 
leiden, bijvoorbeeld wegens gebrek aan bewijs of omdat het feit of de verdachte 
niet strafbaar is. Bij de beleidssepots ziet het OM af van vervolging 
op grond van beleidsrichtlijnen (bijvoorbeeld wegens algemeen belang, de 
leeftijd of de gezondheidstoestand van de verdachte). 

Tegelijk met het totale aantal afdoeningen van het OM steeg het absolute 
aantal sepots tot ruim 70.000 in 1990. Relatief gezien was er sprake van 
een daling: in 1990 deed het OM minder dan de helft van de zaken af met 
een sepot. 
De interpretatie van de dalende trend in de sepots vanaf de tweede helft 
van de jaren negentig is al eerder in deze paragraaf ter sprake gebracht. 
Door de invloed van de zogenoemde ‘vroegtijdige OM-sepots’ is de geconstateerde 
daling niet eenduidig te verklaren uit een zuivere daling van de 
sepots, maar dient hierbij ook het verminderde aanbod vanuit de politie te 
worden betrokken (zie ook tabel 5.4 in bijlage 4). 
Tot 2002 waren er steeds ruim meer technische sepots dan beleidssepots. 
De laatste paar jaren zijn de aantallen vrijwel aan elkaar gelijk. In 2006 is 
bij iets meer dan de helft van de sepots sprake van een beleidssepot. Deze 
omslag kan te maken hebben met het beleid om niet-vervolgbare zaken al 
bij de politie terzijde te leggen. 
Beleidssepots4 kan het OM voorwaardelijk of onvoorwaardelijk toepassen. 
Een bijzondere vorm van beleidssepots zijn de ‘kale’ sepots. Dit zijn 
beleidssepots zonder voorwaarden, zonder kennisgeving aan de verdachte 
en zonder overdracht naar een andere instantie zoals kantonrechter of 
buitenlandse justitiële autoriteit. In 2006 zijn er ruim 4.000 geteld. 

Transacties 

Een andere belangrijke wijze van afdoening voor het OM is de transactie 
(artikel 74 Sr). In de meeste gevallen stelt het OM hierbij als voorwaarde 
het betalen van een bepaalde geldsom (een ‘boete’). Ook de taakstraf is 
een vorm van transactie. De invoering van de Wet Vermogenssancties 
in 1983 introduceerde de transactiemogelijkheid voor misdrijven in het 
strafrecht. Het aantal en het type van strafbare feiten waarvoor het OM 
een transactievoorstel kan doen, is in de loop van de jaren steeds verder 
uitgebreid. De transactie gaat als afdoeningsmiddel van het OM inmiddels 
ver aan kop. 

4 In het midden van de jaren tachtig heeft de regering bepaald dat ‘zal moeten worden gestreefd naar 
halvering van het percentage onvoorwaardelijke beleidssepots (…) in de periode tot 1990’. In 1988 
heeft het CBS onderzocht of het gestelde doel werd gehaald (CBS, 1988). Geconcludeerd werd toen 
dat dit het geval was. Overigens werd opgemerkt dat al in het begin van de jaren tachtig het aantal 
beleidssepots ‘over zijn top heen was op het moment dat het kabinet zijn doelstelling publiceerde’. 


Vervolging en berechting 149 

In de periode 1995-2006 is er sprake van een relatieve toename van het 
aantal transacties. Het absolute aantal transacties bij strafzaken is tussen 
1995 en 1998 jaarlijks steeds iets minder dan 60.000, is in 2003 sterk opgelopen 
(tot 81.000) en komt in 2006 iets lager uit op bijna 78.000 (zie tabel 
5.4, in bijlage 4). Ondanks een lager totaal aantal OM-afdoeningen (van 

147.000 naar 126.000) neemt het aantal transacties absoluut (en relatief) 
toe van 58.000 (39%) in 1995 tot 78.000 (62%) in 2006. 
Figuur 5.6 
Door het Openbaar Ministerie met transactie afgedane 
rechtbankstrafzaken naar soort misdrijven, 1995-2006 

18.000 

16.000 

14.000 

12.000 

10.000 

8.000 

6.000 

4.000 
2.000 
0 
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 


Vermogensmisdrijven 
Vernieling en 
openbare orde 
Geweldsmisdrijven 
Overige misdrijven 
Wetboek van Strafrecht 
Bron: CBS 
Voor corresponderende cijfers, zie tabel 5.5 in bijlage 4. 

Het OM legt 56% van de transacties op voor een misdrijf uit het Wetboek 
van Strafrecht en 11% voor rijden onder invloed (exclusief weigeren bloedproef). 
Het aandeel transacties voor economische misdrijven is na een 
daling rond 1997 (24%) weer gestegen in 1999 (30%) en vervolgens gedaald 
tot 17% in 2006 (zie figuur 5.6 en tabel 5.5, in bijlage 4). 
Van alle transacties in zaken van misdrijven uit het Wetboek van Strafrecht 
hebben de meeste betrekking op een vermogensmisdrijf. Het 
aandeel van vermogensmisdrijven in de transacties is sinds 1995 teruggelopen 
van 68% naar 42%. Verhoudingsgewijs ligt het aantal transacties 
voor misdrijven uit de categorieën geweld en vernieling en openbare orde 
lager, maar is wel toegenomen van respectievelijk 13% en 18% in 1995 tot 
respectievelijk 23% en 29% in 2006. 


150 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Overige wijzen van afdoening 

Behalve te besluiten tot afdoening van een zaak door middel van een sepot 
of een transactie, kan de officier van justitie een zaak voegen of overdragen. 
Er zijn twee manieren om te voegen. De voeging ter berechting past het OM 
toe als er verband bestaat tussen zaken. Het OM legt deze zaken gevoegd 
voor aan de rechter als dat in het belang is van het onderzoek. Als het OM 
een zaak ad informandum voegt, vraagt het OM geen uitspraak van de 
rechter over deze zaak, maar verzoekt de rechter met die feiten rekening te 
houden bij het bepalen van de strafmaat. Overdracht naar een ander parket 
gebeurt in beginsel op procestechnische gronden (een ander arrondissement 
dan waar de inschrijving plaatsvond is bevoegd). 
Ongeveer 23% (in 1995) tot 14% (in 2006) van alle OM-afdoeningen bestaat 
uit een voeging ad informandum, voeging ter berechting of een overdracht 
naar een ander parket. Ook in absolute aantallen bezien zijn deze wijzen 
van afdoening door het OM in de loop van de periode sterk verminderd 
(zie tabel 5.4, in bijlage 4). 
Ongeveer de helft van de ingeschreven zaken brengt het OM via een 
dagvaarding voor de rechter. Deze rekent het CBS, zoals eerder opgemerkt, 
niet tot de afdoeningen van het OM. 

5.1.3 Afdoeningen door de rechter 
Ongeveer de helft van de strafzaken die bij de parketten zijn ingeschreven, 
legt het OM ter berechting voor aan de rechter. De officier van justitie gaat 
in die gevallen over tot het dagvaarden van de verdachte. De rechter gaat 
zich dan in eerste aanleg over de zaak uitspreken. 

Afdoeningen van strafzaken 

Tussen 1980 en nu is het aantal zaken dat de strafkamers van de rechtbanken 
hebben afgedaan sterk gestegen. De rechter doet in 1980 92.000 strafzaken 
af, in 2006 ruim 134.000 (zie figuur 5.1). De sterke sprong tussen 2002 
en 2003 (+15%) is opmerkelijk, maar is ook terug te vinden in de stijging van 
de ingeschreven en afgedane zaken bij OM zoals hiervoor beschreven. Het 
aantal van 2006 ligt, na een lichte daling, weer ongeveer op het niveau van 
2003. 

In de periode 1995-2006 staat jaarlijks bijna tweederde van alle strafzaken 
bij de rechter in verband met een misdrijf uit het Wetboek van Strafrecht 
(zie tabel 5.8 in bijlage 4). In dezelfde periode behoort bijna eenvijfde van 
de strafzaken bij de rechter tot de misdrijven uit de Wegenverkeerswet, 
voornamelijk rijden onder invloed. Het aandeel van de misdrijven tegen de 
Opiumwet, in absoluut aantal gering, laat een stijgende tendens zien bij de 
softdrugsdelicten. Bij harddrugsdelicten is tot en met 2003 ook sprake van 
een stijgende lijn. In 2006 zijn 7% meer harddrugszaken door de rechter 
afgedaan dan in 2005. 


Vervolging en berechting 151 

Figuur 5.7 
Door de rechter in eerste aanleg afgedane rechtbank-
strafzaken naar soort misdrijven, 1995-2006 

50.000 

45.000 

40.000 

35.000 

30.000 

25.000 

20.000 

15.000 

10.000 

5.000 
0 
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 


Vermogensmisdrijven 
Vernieling en 
openbare orde 
Geweldsmisdrijven 
Overige misdrijven 
Wetboek van Strafrecht 
* Exclusief voeginBron: CBS 
Voor corresponderegen ter zitting. 
nde cijfers, zie tabel 5.7 in bijlage 4. 

Binnen de categorie Wetboek van Strafrecht zijn in de periode 1995-2006 
ook bij de strafzaken die de rechter krijgt voorgelegd de vermogensmisdrijven 
in de meerderheid. Toch is het aandeel aan het dalen: van 65% 
naar bijna 44% (zie figuur 5.7). Geweldsmisdrijven zijn in aantal geringer 
maar hebben in de rechterlijke afdoeningen van misdrijven uit het 
Wetboek van Strafrecht in deze periode een groeiend aandeel: van 20% 
naar 32%. 

Eindbeslissing van de rechter 

De rechter verklaart een verdachte in de meeste gevallen schuldig. Van de 

134.000 strafzaken die de rechtbanken in eerste aanleg in 2006 hebben 
afgedaan, eindigen er bijna 125.000 met een schuldigverklaring (zie tabel 
5.9 in bijlage 4). 
In de periode 1995-2006 is jaarlijks in circa 95% van alle door de rechter 
afgedane strafzaken een schuldigverklaring uitgesproken. Dat geldt voor 
93% bij vermogensdelicten en 91% bij vernieling en openbare orde. In de 
strafzaken rond de Wegenverkeerswet beslist de rechter in 97% tot een 
schuldigverklaring. Het percentage schuldigverklaringen van opiumdelicten 
schommelt rond de 94%; bij zaken waarin softdrugs betrokken zijn, is 
het percentage schuldigverklaringen het laatste jaar uitgekomen op 92%, 
bij de harddrugs op 95%. In economische strafzaken besluit de rechter 
minder vaak tot een schuldigverklaring; het percentage kwam in 2006 uit 
op 89%. 

152 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

0% 
10% 
20% 
30% 
40% 
50% 
60% 
70% 
80% 
90% 
100% 
Figuur 5.8 
Door de rechter in eerste aanleg uitgesproken schuldig-
verklaringen in rechtbankstrafzaken naar soort misdrijven 
en naar soort verdachte, 2006 

Vermogensmisdrijven Vernieling en Geweldsmisdrijven Wetboek van Strafrecht 
openbare orde en overige misdrijven 

Meisjes 

Vrouwen 
Jongens 

Mannen 

Bron: CBS 

Voor alle hoofdcategorieën zijn de mannen als daders veruit in de meerderheid, 
het meest prominent bij de Wegenverkeerswet en de Wet wapens 
en munitie. De rechtspersonen zijn ‘goed’ vertegenwoordigd bij de Wet op 
de economische delicten. 
Zo ook vormen in 2006 binnen de hoofdcategorie Wetboek van Strafrecht 
de (volwassen) mannen steeds de grootste groep (figuur 5.8). Daarnaast 
is het aandeel van jongens die veroordeeld zijn wegens geweldmisdrijven 
en vernieling en openbare orde relatief groot. Dit geldt ook voor volwassen 
vrouwen die schuldig zijn verklaard voor vermogensmisdrijven. 

In bijna 9.000 zaken komt de rechter in 2006 tot een vrijspraak of een 
ontslag van alle rechtsvervolging (zie tabel 5.10 in bijlage 4). 
Het OM begint een vervolging in de overtuiging dat de zaak tot een 
veroordeling zal leiden. Vrijspraak wordt daarom wel uitgelegd als het 
mislukken van een strafzaak. Tot vrijspraak besluit de rechter als er 
sprake is van processuele fouten, zoals fouten in de tenlastelegging. 
Verder kan sprake zijn van bewust bij de vervolging genomen risico’s, 
met voor het OM negatieve afloop. Ook ligt soms seponeren meer voor de 
hand, maar besluit het OM uit het oogpunt van de ernst van het feit en de 
daaraan verbonden maatschappelijke onrust toch tot vervolging. Soms 
ook, vooral bij bepaalde misdrijven tegen het leven, is sprake van bewijsproblemen. 
Ten slotte kan het OM zelf om vrijspraak vragen. 


Vervolging en berechting 153 

Opgelegde sancties naar type 

Wanneer de rechter de verdachte schuldig verklaart, zal hij in de meeste 
gevallen een sanctie opleggen. Veelal legt de rechter een combinatie van 
straffen op (tabel 5.10 en 5.11 in bijlage 4). 
De verschillende typen sancties hebben door de tijd heen niet steeds 
hetzelfde belang gehad. Taakstraffen bijvoorbeeld spelen pas vanaf 1985 
een rol van betekenis. In de periode 1980-2006 is het totale aantal opgelegde 
sancties gegroeid van 115.000 in 1980 tot 185.000 in 2006 (zie tabel 

5.13 in bijlage 4). 
De ontwikkelingen in het verloop van de diverse opgelegde sancties zijn 
hier en daar nogal grillig. De geldboete is de meest opgelegde hoofdstraf, 
met een vrij snelle stijging tot 1980 en daarna een stabilisering rond de 
50.000. In het laatste jaar, 2006, is het aantal opgelegde boetes uitgekomen 
op bijna 55.000. 
Figuur 5.9 
Door de rechter in eerste aanleg opgelegde sancties 
in rechtbankstrafzaken, 1995-2006 

60.000 

50.000 

40.000 

30.000 

20.000 

10.000 
0 
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 


Geldboete Ontzegging Onttrekking aan 
Gevangenisstraf 
rijbevoegdheid 
Verbeurdverklaring 
het verkeer 
Taakstraf voorwerpen 

Voor corresponderende cijfers, zie tabel 5.12 in bijlage 4. 
Bron: CBS 

De periode 1995-2006 laat voor de meeste opgelegde sancties een geleidelijk 
stijgende trend zien, met een lichte daling tussen 2003 en 2004 (figuur 
5.9). De stijging bij de taakstraffen is wat sterker. Deze straf behoort 
sinds 2001 tot de hoofdstraffen en is nog steeds sterk groeiend. Figuur 

5.10 laat zien dat het aandeel van de leer- en werkprojecten die de officier 

154 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

0 
5.000 
10.000 
15.000 
20.000 
25.000 
30.000 
35.000 
40.000 
45.000 
van justitie5 als transactievoorwaarde heeft toegepast (het zogenoemde 
‘officiersmodel’) in het totale aantal opgelegde taakstraffen toeneemt. 
Overigens wordt het officiersmodel vooral bij sancties tegen minderjarigen 
toegepast (zie paragraaf 5.2). 

Figuur 5.10 Door het Openbaar Ministerie en de rechter in eerste 

aanleg opgelegde taakstraffen in rechtbankstrafzaken, 

1995-2006 

1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 

Door rechter Door OM 

Voor corresponderende cijfers, zie tabel 5.6 en 5.14 in bijlage 4. 
Bron: CBS 

In zaken waarin de rechter een schuldigverklaring met strafoplegging 
uitspreekt, heeft hij in 26% daarvan uitsluitend een geldboete opgelegd en 
in 15% uitsluitend een gevangenisstraf of jeugddetentie. In eveneens 15% 
van de zaken legt hij uitsluitend een taakstraf op (zie tabel 5.11 in bijlage 4). 
In totaal legt de rechter in bijna 58% van de schuldigverklaringen één 
straf of maatregel op. Daarnaast is in ongeveer 46% van de schuldigverklaringen 
met strafoplegging een enkelvoudige hoofdstraf opgelegd in 
combinatie met een bijkomende straf of maatregel. Bij 13% legt de rechter 
een geldboete op in combinatie met een bijkomende straf of maatregel. 
Hoewel in de periode 1995-2006 zowel enkelvoudige straffen als combinaties 
van straffen en maatregelen in absolute zin zijn toegenomen, 
is de verhouding tussen de groepen licht gewijzigd. Het aandeel van 
enkelvoudige straffen en maatregelen is enigszins afgenomen, terwijl het 

5 

Hoewel het in deze paragraaf gaat over afdoeningen door de rechter, worden hier om redenen van 
praktische aard taakstraffen opgelegd door rechter én OM tezamen in beeld gebracht. 


Vervolging en berechting 155 

aandeel van enkelvoudige straffen in combinatie met bijkomende straffen 
of maatregelen licht is gestegen (zie figuur 5.11). 

Figuur 5.11 
Door de rechter in eerste aanleg opgelegde straffen 
en maatregelen in rechtbankstrafzaken (percentages), 
1995-2006 

100% 

80% 

60% 

40% 

20% 

0% 

1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 


Straf of maatregel onbekend 

Enkelvoudige hoofdstraffen gecombineerd 
met een bijkomende straf en/of met een 

Overige combinaties van straffen 

maatregel 

Gecombineerde hoofdstraffen met een 

Gecombineerde hoofdstraffen zonder 

bijkomende straf en/of een maatregel 

bijkomende straf en zonder maatregel 
Enkelvoudige hoofdstraffen of maatregelen 

Voor corresponderende cijfers: zie tabel 5.10 in bijlage 4. 
Bron: CBS 

Bezien naar delictgroep worden economische delicten veelal afgedaan 
met een geldboete en bovendien meestal met een enkelvoudige geldboete 
(tabel 5.11 in bijlage 4). Overtredingen van de Wegenverkeerswet worden 
eveneens meestal afgedaan met een geldboete, maar dan in combinatie 
met een ontzegging van de rijbevoegdheid. 

Uit figuur 5.12 blijkt dat het aandeel geweldsdelicten en vernieling/openbareordedelicten 
in het totale aantal opgelegde taakstraffen groeit ten 
koste van het aandeel vermogensdelicten. Het aantal taakstraffen vanwege 
een geweldsdelict verdrievoudigde ruim in de periode 1996-2006 van 
bijna 3.000 naar ruim 14.000; ook het aantal vanwege vernieling/openbare 


156 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

orde verdrievoudigde ruim van bijna 3.000 in 1996 tot bijna 11.000 in 2006 
(zie tabel 5.7 en tabel 5.15 in bijlage 4). Het aantal taakstraffen vanwege 
een vermogensdelict verdubbelde van bijna 11.000 in 1996 tot bijna 21.000 
in 2006. 

Figuur 5.12 
Door het Openbaar Ministerie en de rechter in eerste 
aanleg opgelegde taakstraffen naar delictgroep 
(percentages), 1995-2006 

100% 
90% 
80% 
70% 
60% 
50% 
40% 
30% 
20% 
10% 
0% 

1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 


Overige misdrijven Vernieling en openbare orde 
Opiumwet Geweldsmisdrijven 
Wegenverkeerswet Vermogensmisdrijven 

Voor corresponderende cijfers, zie tabel 5.6 en tabel 5.14 in bijlage 4. 
Bron: CBS 

Veranderingen in de verdeling van de langetermijngegevens over de 
opgelegde onvoorwaardelijke boetes worden uiteraard beïnvloed door 
inflatie-effecten, door aanpassingen van maximale boetebedreigingen 
in de wet en door de mate van strafoplegging door de rechter.6 

6 Vanaf 1 januari 2002, tegelijk met de invoering van de euro als valuta-eenheid in Nederland, zijn in de 
statistieken alle geldbedragen weergegeven in euro’s. Door de omrekeningsfactor (2,20371) komen 
de tot nu toe gehanteerde klassengrenzen in ‘ronde’ guldenbedragen na herberekening uit op de 
overeenkomstige klassengrenzen in ‘niet-ronde’ eurobedragen. Het is op technische gronden niet 
mogelijk alle historische reeksen zoals opgenomen in deze publicatie te herberekenen naar nieuwe 
‘ronde’ klassengrenzen. 


Vervolging en berechting 157 

Vrijheidsstraffen in duur en volume 

Van de in eerste aanleg opgelegde vrijheidsstraffen (gevangenisstraffen, 
hechtenissen en jeugddetentie) wordt ook de opgelegde strafduur en het 
voorwaardelijk deel daarvan geregistreerd. Door van het onvoorwaardelijke 
deel de tijd af te trekken die op grond van de regeling van vervroegde 
invrijheidstelling7 niet zal worden uitgezeten, wordt (een benadering van) 
de werkelijk uit te zitten tijd verkregen. Waar hier over detentiejaren en 
gemiddelde strafduur wordt gesproken, is dat berekend op basis van deze 
werkelijk uit te zitten tijd. 

Figuur 5.13 
Door de rechter in eerste aanleg aan meer- en 
minderjarigen opgelegde (deels) onvoorwaardelijke 
gevangenisstraffen en hechtenissen, in detentiejaren 
en naar delictgroep, 1995-2006 

16.000 

14.000 
12.000 
10.000 
8.000 
6.000 
4.000 
2.000 
0 

1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 


overig / onbekend geweldsmisdrijven 
vernieling en openbare orde Opiumwet 
vermogensmisdrijven 

Voor corresponderende cijfers, zie tabel 5.18 en tabel 5.40 in bijlage 4. 
Bron: CBS 

Voor straffen t/m twaalf maanden geldt dat de eerste zes maanden geheel worden uitgezeten en van 
het restant eenderde deel. Van straffen langer dan een jaar wordt tweederde deel uitgezeten (art. 9a Sr). 
Overigens geldt de regeling van vervroegde invrijheidstelling niet voor jeugddetentie. 


158 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Figuur 5.14 
Door de rechter in eerste aanleg opgelegde (deels) 
onvoorwaardelijke gevangenisstraffen en hechtenissen* 
naar delictgroep, 1995-2006 

45.000 

40.000 

35.000 

30.000 

25.000 

20.000 

15.000 

10.000 

5.000 
0 
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 


Overig / onbekend Geweldsmisdrijven 
Vernieling en 
openbare orde 
Vermogensmisdrijven 
Opiumwet 
* Gevangenisstraf, hechtenis en jeugddetentie. 

Voor corresponderende cijfers, zie tabellen 5.16 en 5.38 in bijlage 4. 
Bron: CBS 

Uit figuur 5.13 blijkt dat de meeste in eerste aanleg opgelegde detentie-
jaren worden opgelegd vanwege geweldsdelicten (40% in 2006), gevolgd 
door de vermogensdelicten (23%) en delicten tegen de Opiumwet (22%). 
Hoewel 44% van alle (deels) onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen wordt 
opgelegd vanwege een vermogensdelict (zie tabel 5.17 in bijlage 4), is het 
aandeel van deze delictcategorie in het totaal aantal detentiejaren dus 
‘slechts’ een kwart (23%). De oorzaak hiervan is de relatief korte strafduur 
die gemiddeld voor vermogensdelicten wordt opgelegd: 74 dagen in 2006. 
Ter vergelijking: de gemiddelde strafduur bij geweldsdelicten is 242 dagen 
en bij delicten tegen de Opiumwet 208 dagen (zie tabel 5.18 in bijlage 4). 


Vervolging en berechting 159 

Figuur 5.15 
Door de rechter in eerste aanleg opgelegde (deels) 
onvoorwaardelijke gevangenisstraffen en hechtenissen in 
aantal, duur en detentiejaren (indices), 1995-2006 

160 
150 
140 
130 
120 
110 
100 
90 
80 

1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 


Aantal (deels Detentiejaren 
onvoorw.) 

Gemiddelde 

vrijheidsstraffen 

strafduur 

Voor corresponderende cijfers, zie tabel 5.16, 5.17 en 5.18 in bijlage 4. 
Bron: CBS, bewerking: WODC 

Figuur 5.15 laat zien dat het aantal opgelegde detentiejaren van 1995-2000 
redelijk constant is. Van 2000 tot 2003 stijgt het aantal detentiejaren met 
maar liefst 45%, maar in 2006 daalt het weer licht tot vrijwel het niveau van 
2003. Ontwikkelingen in het aantal detentiejaren kunnen het gevolg zijn 
van ontwikkelingen in het aantal vrijheidsstraffen, in de gemiddelde straf-
duur of in een combinatie van beide. Uit figuur 5.15 blijkt dat de groei van 
het aantal detentiejaren sinds 2000 in enige mate toe te schrijven is aan 
een groei van de gemiddelde strafduur, maar dat de groei van het aantal 
(deels) onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen van grotere invloed is geweest. 
Over een langere periode bezien is de groei van het aantal detentiejaren 
zelfs alleen aan de groei van het aantal vrijheidsstraffen toe te schrijven. 

Meestal worden aan voorwaardelijke straffen ‘algemene voorwaarden’ 
gesteld. Dat wil zeggen dat wanneer de gestrafte binnen de proeftijd nog 
een keer wordt aangehouden voor een strafbaar feit, de voorwaardelijke 
straf alsnog ten uitvoer wordt gelegd. Naast algemene voorwaarden 
worden soms bijzondere voorwaarden gesteld, zoals het ‘zich gedragen 
naar aanwijzing van een hulpverlenende instantie’. 


160 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

5.1.4 Doorlooptijd van procedures 
Een procedure bij OM en rechter in eerste aanleg heeft een bepaalde doorlooptijd. 
Vanaf het moment van inschrijving bij het parket van het OM tot 
aan de einduitspraak gaat geruime tijd voorbij. Van de 134.000 door de 
rechter afgedane zaken in 2006 is de doorlooptijd berekend. Het overgrote 
deel, ongeveer 105.000 zaken, is door de politierechter behandeld. De 
politierechter behandelt die zaken waarbij als criteria gelden de ‘eenvoudigheid’ 
van de zaak en het voornemen van het OM in de zaak niet meer 
dan één jaar gevangenisstraf te eisen. De meervoudige kamer doet in 2006 
bijna 12.000 zaken af, de kinderrechter ruim 11.000 (bron: CBS, StatLine). 
In 2000 heeft een zaak bij de meervoudige kamer een doorlooptijd van 
gemiddeld 231 dagen (ruim 7,5 maand8), bij de enkelvoudige kamer (politierechter) 
is het 193 dagen (bijna 6,5 maand) en bij de kinderrechter 
202 dagen (ruim 6,5 maand). In 2006 zijn deze doorlooptijden respectievelijk 
235, 184 en 161 dagen (zie tabel 5.20 in bijlage 4). 
In de loop van de periode 2000-2006 is de doorlooptijd van de zaken bij de 
politierechter met bijna 5% afgenomen; bij de meervoudige kamer is het 
vrijwel gelijk gebleven. Natuurlijk zijn er verschillen tussen de zaken als 
men kijkt naar het in de tenlastelegging omschreven strafbare feit. Afgezien 
van de categorieën met een klein aantal zaken, hebben in 2006 bij 
de meervoudige kamer de economische misdrijven gemiddeld de langste 
doorlooptijd met 395 dagen (ruim dertien maanden). Ook bij de politierechter 
hebben de economische misdrijven een relatief lange doorlooptijd: 
bijna zeven maanden. 

5.1.5 Hoger beroep en beroep in cassatie 
Van de zaken in hoger beroep zijn geen recentere vergelijkbare gegevens 
beschikbaar dan de al eerder gepubliceerde cijfers over het verslagjaar 
1999. In de periode 1995-1999 behandelden de gerechtshoven jaarlijks 
gemiddeld ongeveer 9.000 zaken. In 3% van de arresten bevestigde het hof 
een vonnis van de rechtbank. Ruim driekwart van de hogerberoepzaken 
eindigde met een of andere wijziging van het vonnis, waarbij een grote 
meerderheid opnieuw op een schuldigverklaring uitliep. In ongeveer 8 à 
9% van de in hoger beroep behandelde zaken bij het hof volgde vrijspraak. 
De strafkamer van de Hoge Raad beslist jaarlijks in ongeveer 3.000 cassatieberoepen. 
Tot en met 2000 verwerpt hij ongeveer 70% van de cassatie-
beroepen. In 2006 is 28% van de cassatieberoepen verworpen. De Hoge 
Raad verklaart steeds meer cassatieberoepen niet-ontvankelijk. In 2006 
ging het om 61%. Dit kan worden verklaard door een wetswijziging in 
2000. Daarbij is het indienen van cassatieklachten verplicht gesteld, op 
straffe van niet-ontvankelijkheid. Dit heeft geleid tot een toename van 

8 

Voor deze vergelijking is een maand gesteld op 30 dagen. 


Vervolging en berechting 161 

het aantal niet-ontvankelijkverklaringen en een afname van het aantal 
verworpen cassatieberoepen. 

Loont hoger beroep? 

Om na te gaan of ‘in hoger beroep gaan’ loont, is met behulp van gegevens 
uit OMDATA en OBJD in de vorige editie van C&R een vergelijking 
gemaakt tussen rechterlijke uitspraken in eerste aanleg en uitspraken 
in hoger beroep en cassatie. Ruim 9.000 strafzaken die in 1999 in eerste 
aanleg zijn afgedaan en waarbij hoger beroep is aangetekend, zijn nader 
geanalyseerd. Voor het jaar 1999 werd gekozen om een termijn te hebben 
die voor de meeste zaken lang genoeg is om na vijf jaar te zijn behandeld 
in hoger beroep en eventueel in cassatie. In juli 2004, ongeveer vier tot vijf 
jaar later, was van 11% van deze zaken de onherroepelijke afdoening nog 
niet bijgeschreven in de justitiële documentatie.9 
De vergelijking van uitspraken voor en na het hoger beroep betrof uiteindelijk 
8.059 zaken. 
Als eerste is onderzocht in hoeverre bij vrijspraak, strafoplegging of geen 
strafoplegging voor en na hoger beroep deze beslissing hetzelfde was op 
beide momenten. 
Gebleken is dat er bij de uitspraken in eerste aanleg vaker sprake is van 
strafoplegging dan na hoger beroep; het aantal vrijspraken en uitspraken 
zonder strafoplegging is veel groter na hoger beroep. Het grootste deel van 
de zaken eindigt niettemin zowel voor als na het hoger beroep met enige 
vorm van straf. Van de zaken waar in eerste aanleg is vrijgesproken of 
waar geen straf is opgelegd, eindigt bijna de helft alsnog in een strafoplegging. 
Zowel de verdachte als het OM kan tegen de beslissing van de rechter 
in beroep gaan. Is er in eerste aanleg sprake van straf, dan is degene 
die beroep aantekent meestal de verdachte (86%), soms het OM (4%) en 
soms beiden (9%). Het is vrijwel altijd het OM dat in beroep gaat tegen 
beslissingen zonder straf. Dit is overigens niet zo verwonderlijk: tegen een 
vrijspraak kan een verdachte niet in beroep gaan. 

Daarnaast bleek dat na hoger beroep het aantal onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen 
met ongeveer eenderde was afgenomen; de gemiddelde duur 
ligt echter hoger. Daarentegen neemt het aantal voorwaardelijke vrijheidsstraffen 
wat toe en wordt het aantal taakstraffen bijna verdubbeld. 
Een deel van de onvoorwaardelijke straffen verandert in een voorwaardelijke 
straf en/of taakstraf: van de ruim 4.000 (deels) onvoorwaardelijke 
vrijheidsstraffen blijft 58% onvoorwaardelijk, maar wordt eenderde een 

De afdoeningen in eerste aanleg van deze nog openstaande zaken verschillen enigszins met die van 
de onherroepelijk afgedane zaken op de volgende punten: er zijn relatief wat meer zaken waar geen 
vrijheidsstraf, taakstraf of boete is opgelegd en wat minder zaken met een onvoorwaardelijke boete; 
de gemiddelde onvoorwaardelijke strafduur is wat lager en het gemiddelde boetebedrag hoger. De 
verschillen zijn echter zo gering dat een vertekening als gevolg van het buiten beeld blijven van deze 
zaken onwaarschijnlijk is. 


162 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

(geheel) voorwaardelijke straf en/of taakstraf. Het betreft hier vooral de 
lagere straffen met een gemiddelde duur van ruim drie maanden. 
Andersom gebeurt ook, zij het in geringere mate: 10% van de voorwaardelijke 
vrijheidsstraffen en/of taakstraffen wordt na hoger beroep een (deels) 
onvoorwaardelijke straf. Is er zowel in eerste aanleg als in hoger beroep 
een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf opgelegd, dan valt deze bij 38% van 
de zaken lager uit; bij 8% van de zaken is de straf hoger. 
De onvoorwaardelijke boetes nemen zowel in aantal als in hoogte af. Bijna 
de helft van de afname in aantal wordt veroorzaakt door het feit dat in 
hoger beroep is vrijgesproken. Daarnaast komt de boete bij de uitspraak 
in eerste aanleg voor tezamen met een vrijheidsstraf of taakstraf en wordt 
vervolgens in hoger beroep niet meer opgelegd. De afname van het gemiddelde 
boetebedrag is voor een groot deel toe te schrijven aan een drietal 
vrijspraken in zaken waar in eerste aanleg de hoogste boetes waren 
opgelegd. Laten we deze drie zaken buiten beschouwing, dan daalt het 
gemiddelde boetebedrag in eerste aanleg naar 1.365 euro. Dit blijft overigens 
meer dan na hoger beroep. 

Tot slot is gekeken naar de vrijheidsbenemende maatregelen, zoals de tbs 
met bevel tot verpleging en de plaatsing in een inrichting voor jeugdigen. 
Hoewel de maatregel in de strikte zin van het woord geen ‘straf’ is, 
kan hij lang duren en wordt hij vaak als een ‘zware sanctie’ ervaren. In 
eerste aanleg zijn 70 vrijheidsbenemende maatregelen opgelegd, na hoger 
beroep 62. 44 van deze maatregelen zijn zowel voor als na beroep opgelegd, 
26 maatregelen zijn in hoger beroep niet wederom opgelegd, maar in 
hoger beroep zijn er wel 18 maatregelen extra bijgekomen. 

Is het nu zo dat hoger beroep ‘loont’? In de hier besproken zaken hebben 
de verdachten en het OM ingeschat dat het aantekenen van hoger beroep 
in hun voordeel zou zijn. In deze gevallen lijkt het hoger beroep in het 
algemeen inderdaad gunstiger uit te pakken, uitgaande van een aantal 
assumpties: de officier die niet tevreden is met een vrijspraak of schuldigverklaring 
zonder toepassing van straf, krijgt vaak alsnog een strafoplegging; 
de verdachte die liever een taakstraf verricht dan te gaan zitten, 
maakt eveneens een goede kans en een niet gering deel van de mensen 
die hun onvoorwaardelijke vrijheidsstraf behouden, zien deze wel verminderd. 
En dan zijn er natuurlijk de vrijspraken: na hoger beroep fors in 
aantal toegenomen. Daar tegenover blijft wel een deel van de mensen 
staan die hun voorwaardelijke straf of taakstraf in een onvoorwaardelijke 
straf zien veranderen of die een langere straf krijgen opgelegd. 

5.1.6 Vergoeding van schade en kosten aan ex-verdachten 
Personen die ten onrechte hechtenis hebben ondergaan, ontvangen, als 
ze daarom vragen, van de overheid een vergoeding van schade en van 


Vervolging en berechting 163 

gemaakte kosten. Deze regeling is gebaseerd op de artikelen 89 e.v. en 
591 e.v. van het Wetboek van Strafvordering. 
Wanneer een zaak eindigt zonder oplegging van straf of als de rechter wel 
straf oplegt maar voor een strafbaar feit waarvoor geen voorlopige hechtenis 
is toegelaten, heeft een gewezen verdachte recht op vergoeding van de 
schade die hij ten gevolge van ondergane inverzekeringstelling, klinische 
observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden (artikelen 89 e.v. Sv). 
Artikelen 591 e.v. Sv regelen de vergoeding van door gewezen verdachten 
gemaakte kosten (zoals proceskosten, reis- en verblijfskosten) en vergoeding 
van de schade die hij ten gevolge van tijdverzuim door het gerechtelijk 
vooronderzoek en de behandeling van de zaak ter terechtzitting 
werkelijk heeft geleden, evenals de kosten van een raadsman. 

Zowel het aantal beslissingen op verzoeken ex artikelen 89 e.v. en 591 e.v. 
Sv, als het aantal toegekende verzoeken tussen 2000 en 2006 is fors gestegen 
(zie tabel 5.20). Het totale bedrag aan toegekende schadevergoedingen 
(in 2000 nog bijna 12 miljoen euro) is gestegen en beloopt in 2006 een 
bedrag van ruim 13 miljoen euro. 

5.1.7 Internationale uit- en overlevering 
Uitlevering, een aspect van internationale rechtshulp, is het verzoek van 
de ene staat aan de andere om een persoon die zich bevindt op het grondgebied 
van laatstgenoemde staat, te laten overbrengen naar de eerste 
staat op grond van de verdenking van een strafbaar feit. Het doel is om de 
verdachte in de verzoekende staat te berechten. Uitlevering is in de regel 
gebaseerd op een verdrag. 
Bij uitlevering is er een onderscheid naar verzoeken aan Nederland door 
een vreemde staat of verzoeken door Nederland aan een vreemde staat om 
uitlevering. In de meeste verdragen is overigens geregeld dat staten alleen 
bij hoge uitzondering hun eigen onderdanen uitleveren. 

Sinds mei 2004 is het Europese arrestatiebevel opgenomen in de Nederlandse 
wetgeving. Dit houdt in dat de Nederlandse politie verplicht is 
iemand te arresteren en over te leveren aan een ander EU-land als dit land 
daarom vraagt. Op deze manier werken de justitiële autoriteiten rechtstreeks 
samen en niet meer via ministeries. Deze regeling vervangt de 
uitleveringsprocedure tussen de 25 lidstaten van de Europese Unie. 
De cijfermatige informatie betreffende uit- en overleveringen is tijdelijk 
niet beschikbaar in verband met een aangekondigde correctie van de 
gegevens door de berichtgever. 


164 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

5.2 Vervolging en berechting van minderjarigen 
De vorige paragraaf betrof (ontwikkelingen in) vervolging en berechting 
voor minder- en meerderjarigen als totaal. In deze paragraaf staat de vervolging 
en de berechting van strafrechtelijk minderjarigen centraal. Het 
betreft personen die op het moment waarop zij een strafbaar feit pleegden 
tussen de twaalf en achttien jaar oud waren. Ook wordt enige aandacht 
besteed aan de Stop-maatregel voor kinderen onder de twaalf jaar. Daarbij 
wordt ingegaan op afdoeningen op het niveau van de politie, van het 
Openbaar Ministerie en van de rechter. 

5.2.1 Afdoening op het niveau van de politie 
In 2006 hebben de politie en de Koninklijke Marechaussee ruim 10.000 
minderjarigen gehoord omdat ze verdacht werden van een strafbaar feit 
(zie hoofdstuk 4 en tabel 4.24 in bijlage 4). Een strafbaar feit dat ter kennis 
van de politie komt, leidt niet vanzelfsprekend in alle gevallen tot een 
opname in het justitiële documentatieregister. Al op het niveau van de 
politie kunnen zaken worden afgedaan. Een afdoening op het niveau van 
de politie betekent dat er geen proces-verbaal wordt opgemaakt. Ook kan 
onder voorwaarden een opgemaakt proces-verbaal niet aan de officier van 
justitie worden gestuurd. Hiermee wordt opname in het justitiële documentatieregister 
voorkomen. De volgende afdoeningen op het niveau van 
de politie worden hier onderscheiden: een politiesepot, een politietransactie, 
een Halt-afdoening of een Stop-reactie. 

Politiesepot 

Een eerste mogelijkheid is het politiesepot. De politie kan een jongere 
bijvoorbeeld ernstig vermanend toespreken waarna de jongere weer vrijuit 
gaat. Deze vermaning kan plaatsvinden op het politiebureau, maar 
ook daarbuiten. Ook kan de politie besluiten de ouders van de minderjarige 
te informeren. Deze handelwijze staat in de praktijk al jaren bekend 
als een ‘politiesepot’, hoewel dat wettelijk als zodanig niet bestaat. Een 
politiesepot heeft voor de jongere geen strafrechtelijke consequenties. 
Er komt geen proces-verbaal en het feit wordt niet vervolgd. Het enige 
dat kan gebeuren, is dat de politie een aantekening in het bedrijfsprocessensysteem 
van het korps maakt. Die aantekening zou hoogstens een rol 
kunnen spelen in de besluitvorming betreffende een nieuw politiecontact. 
Van de toepassing van het politiesepot bestaat geen landelijke registratie. 
Het is dan ook onduidelijk hoe vaak deze afdoening wordt toegepast. 

Politietransactie 

Wanneer iemand een overtreding heeft begaan, kan de politie ter voorkoming 
van strafvervolging een transactie aanbieden. Deze transactie is een 
geldsom die binnen twee tot zes weken na de overtreding moet worden 
betaald (Bartels, 2003: p. 43). 


Vervolging en berechting 165 

Halt 

Een andere mogelijkheid is dat de politie een jeugdige dader verwijst naar 
een Halt-bureau. De afdoening via Halt heeft een wettelijke basis (art. 77e 
Sr). In feite is het een voorwaardelijk politiesepot, maar toegepast onder 
de verantwoordelijkheid van het OM. Een door de officier van justitie 
aangewezen opsporingsambtenaar stelt aan een jeugdige bekennende 
verdachte10 voor om deel te nemen aan een Halt-project. 

Figuur 5.16 Halt-verwijzingen en Halt-afdoeningen, 2000-2006 

0 
5.000 
10.000 
15.000 
20.000 
25.000 
2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
Halt-verwijzingen Halt-afdoeningen 
Voor corresponderende 
Bron: Halt Nederland 
cijfers, zie tabel 5.21 in bijlage 4. 

De strafbare feiten die voor een Halt-project in aanmerking komen, 
zijn vastgelegd in een algemene maatregel van bestuur. Grofweg gaat 
het hierbij om delicten als vernieling, baldadigheid (tot een maximum 
schadebedrag van 700 euro), eenvoudige lichte vermogensdelicten zoals 
winkeldiefstal tot een bedrag van maximaal 115 euro en vuurwerkovertredingen. 
Deelname aan een Halt-project mag maximaal twintig uren bedragen. 
Als uitgangspunt bij de afdoening via Halt wordt gesteld dat de jeugdige 
dader de schade moet herstellen die hij heeft aangericht, bijvoorbeeld 
door het vernielde te herstellen en/of de schade te betalen. De afdoening 

10 
Het is ook mogelijk een ontkennende verdachte naar Halt te verwijzen. Daarbij moet worden gedacht 
aan jeugdigen die in eerste instantie op het bureau ontkennen, maar later wel ‘bijdraaien’ als ze alleen 
zijn met een verbalisant of rechercheur (Bac e.a., 2000: 35). In een vergadering van de Procureurs-
generaal van het OM in mei 1995 is vastgesteld dat ‘jeugdigen die op grond van geloof en culturele 
achtergrond principieel (moeten) ontkennen’ ook in aanmerking kunnen komen voor Halt. 


166 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

is geslaagd wanneer de jongere alle afspraken nakomt die zijn gemaakt 
met Halt. Dit wordt doorgegeven aan de politie en daar wordt de zaak 
geseponeerd. Wanneer de jongere zich niet aan de afspraken houdt, stuurt 
de politie het proces-verbaal naar de officier van justitie. Deze beslist over 
de verdere afhandeling van de zaak. 

De Halt-afdoening bestaat sinds het begin van de jaren tachtig.11 Het 
aantal Halt-verwijzingen is vanaf het begin enorm toegenomen, tot bijna 

23.000 verwijzingen in 2006 (zie figuur 5.16). Het gaat hierbij zowel om 
overtredingen als om misdrijven. 
Er zijn diverse ontwikkelingen die de sterke toename van het aantal Halt-
verwijzingen in de jaren negentig kunnen verklaren. In de eerste plaats 
was Halt aanvankelijk nog niet in het hele land beschikbaar. Begin jaren 
negentig is de dekkingsgraad van Halt flink uitgebreid. In de tweede 
plaats is in de loop der tijd het aantal ‘Halt-waardige’ feiten sterk uitgebreid. 
Aanvankelijk werden uitsluitend feiten in de sfeer van vandalisme 
(vernielingen, graffiti) en baldadigheid naar Halt verwezen. Het aantal 
Halt-waardige feiten is in de loop der jaren uitgebreid, onder meer met 
winkeldiefstal, andere kleine vermogensdelicten en vuurwerkovertredingen. 
In de derde plaats kan het beleid van Justitie ten aanzien van Halt 
samenhangen met de groei in het aantal verwijzingen. In richtlijnen van 
het College van Procureurs-generaal, uitgevaardigd in 1996, is aangegeven 
dat de politie alleen bij heel geringe feiten mag volstaan met het waarschuwen 
(lees: seponeren) van jeugdige verdachten (zie hiervoor). In de 
overige gevallen moet direct tot verwijzing naar Halt worden overgegaan. 
Bovendien mag, volgens de richtlijnen, maar eenmaal worden volstaan 
met een waarschuwing. Bij een tweede confrontatie volgt zonder meer een 
verwijzing naar Halt. 

Een ander verschijnsel dat om commentaar vraagt, is de lichte terugval in 
het aantal Halt-verwijzingen in de jaren 2000-2002. In een eerdere editie 
van Criminaliteit en Rechtshandhaving werd erop gewezen dat dit mogelijk 
te maken had met de daling die in de politiestatistiek te zien was met 
betrekking tot vernieling en eenvoudige diefstal. Een andere optie wordt 
geopperd door Halt zelf. In persberichten van Halt Nederland uit deze 
periode wordt erop gewezen dat de daling in het aantal verwijzingen gerelateerd 
is aan prioriteitstelling en reorganisaties bij de politie. Het aantal 
Halt-verwijzingen is direct gekoppeld aan het aantal jeugdigen dat door 
de politie voor Halt-waardige feiten wordt gehoord. Wanneer de politie 
haar prioriteiten (tijdelijk) op een ander vlak moet leggen, zoals bij een 
grote publieke gebeurtenis als het EK, zal naar alle waarschijnlijkheid het 

11 
In 1979 is voor het eerst een experiment uitgevoerd om jeugdige delinquenten op een alternatieve wijze 
aan te pakken. In 1981 werd het eerste Halt-bureau in Rotterdam opgericht (Kruissink & Verwers, 1989). 


Vervolging en berechting 167 

aantal verwijzingen naar Halt dalen. In een inventarisatie van Halt Nederland 
naar de redenen voor de daling in het aantal Halt-verwijzingen wordt 
de politie-inzet bij grote evenementen en calamiteiten genoemd, zoals het 
Europees Kampioenschap dat in 2000 in Nederland werd gehouden, de 
ramp in Enschede, rellen in Den Bosch (Halt Nederland, 7 november 2001) 
de MKZ-crisis of de eurotransporten (Halt Nederland, 10 september 2002). 
Een derde optie is dat de afname in het aantal Halt-verwijzingen in 2001 
en 2002 ten opzichte van eerdere jaren, gerelateerd is aan de registratie. 
De cijfers uit 2001 hebben betrekking op 56 van de 62 Halt-bureaus en in 
2002 op 60 van de 62 bureaus. Hoewel is gecorrigeerd om een landelijk 
beeld te krijgen, is niet uit te sluiten dat de dip in het aantal Halt-verwijzingen 
in deze jaren hiermee samenhangt. 

Het merendeel van de Halt-verwijzingen eindigt in een Halt-afdoening 
(zie tabel 5.22). Het aantal Halt-afdoeningen loopt gestaag op tot ruim 

22.000 in 2006. 
Een vermogensdelict is het meest voorkomende delicttype bij jeugdigen 
die een Halt-afdoening krijgen. In 2006 was in 35% van de 21.361 (geslaagde) 
afdoeningen de aanleiding een vermogensdelict. De daarop volgende 
delicttypen zijn vernieling (21% van het aantal Halt-afdoeningen) en 
vuurwerk (18% van het aantal Halt-afdoeningen) (zie verder figuur 5.21 en 
tabel 5.23 in bijlage 4). Eén op de tien geslaagde Halt-afdoeningen heeft 
betrekking op niet-Haltwaardige delicten. Het betreft hier afdoeningen 
wegens delicten die niet door de minister als Halt-waardig zijn aangewezen, 
maar waarbij de toestemming voor een Halt-verwijzing is gegeven 
door de officier van justitie. Het merendeel van de jeugdigen die in 2006 
een Halt-afdoening hebben opgelegd gekregen, is mannelijk (Halt Nederland, 
2006). 

Stop-reactie 

Op kinderen jonger dan twaalf jaar is het strafrecht niet van toepassing. 
Voor deze kinderen is sinds 1999 de Stop-reactie ingesteld. De Stop-reactie 
is op 1 augustus 2001 landelijk ingevoerd (Halt Nederland, 2001). 
De Stop-reactie is een preventieve en pedagogische handreiking voor 
ouders van twaalfminners die een Halt-waardig delict hebben begaan. 
De voorwaarden voor deelname zijn dat de kinderen vrijwillig meedoen 
en dat hun ouders instemmen met de deelname. De uitvoering van de 
Stop-reactie ligt in handen van de Halt-bureaus. De inhoud van de Stop-
reactie verschilt van een Halt-afdoening. Het belangrijkste verschil is dat 
het kind geen arbeid mag verrichten (Bac e.a., 2000: 11). Kinderen krijgen 
bijvoorbeeld een leeropdracht, waarbij aandacht wordt besteed aan 
regels en keuzes maken, of zij krijgen praktische oefeningen om anders 
te leren reageren in bepaalde situaties. Het uitgangspunt bij de inzet van 
maatregelen voor twaalfminners is de ouderlijke verantwoordelijkheid. 


168 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Vanuit dit principe moet de Stop-reactie dan ook vooral worden gezien als 
een (vrijwillig en vrijblijvend) aanbod tot ondersteuning van ouders bij de 
correctie van hun kinderen. 

Figuur 5.17 Halt-afdoeningen en Stop-reacties naar delicttype, 2006 

Algemene veiligheid * 
Baldadigheid ** 
Vermogensdelicten *** 
Vernieling **** 
Vuurwerkdelicten ***** 


Niet Halt-waardige feiten 
****** 

0 5 10 15 20 25 30 35 


% Halt-afdoeningen % Stop-reacties 
* Opzettelijke brandstichting met gevaar voor goederen. 
** Baldadigheid, baldadigheid m.b.t. goederen, verboden toegang. 
*** (Winkel)diefstal, verduistering, opzet- en schuldheling, verwisselen prijskaartjes. 
**** Openlijk geweld tegen goederen, vernieling, graffiti. 
***** Te veel en/of buiten de toegestane periode vuurwerk hebben, buiten de toegestane periode 
afsteken. 

****** Het betreft hier afdoeningen wegens een delict dat niet door de minister als Halt-waardig is 
aangewezen maar waarbij wel toestemming is van de officier van justitie voor een Halt-afdoening. 
Het gaat om schoolverzuim, lokaalvredebreuk, openlijke geweldpleging tegen personen, 
mishandeling, oplichting, openbare dronkenschap, rijden onder invloed, verboden wapenbezit, 
diverse overtredingen. 

Voor corresponderende cijfers, zie tabel 5.23 in bijlage 4. 
Bron: Halt Nederland 

Net als de Halt-afdoening staat de Stop-reactie zoveel als mogelijk in 
relatie tot de aard van het gepleegde delict. De Stop-reactie is niet van 
toepassing als er een ernstiger feit dan een Halt-waardig delict is gepleegd, 
wanneer sprake is van herhaald delictgedrag, of wanneer sprake is van 
een serieus vermoeden van achterliggende problematiek. In die gevallen 
informeert de politie de Raad voor de Kinderbescherming. De Raad 
onderzoekt vervolgens of er aanleiding is voor civielrechtelijk ingrijpen. 

In het jaar 2000 zijn bijna 1.800 kinderen naar Stop verwezen, na een 
daling in de jaren 2001-2002 is het aantal naar Stop doorverwezen kinderen 
in 2006 gestegen tot ruim 2.000 (zie tabel 5.21 in bijlage 4). De terugval 
in de jaren 2001 en 2002 kan te maken hebben met het kleiner aantal Halt-
bureaus waarop de gegevens betrekking hebben (zie hiervoor bij Halt). 


Vervolging en berechting 169 

Evenals bij Halt resulteert ook het merendeel van de verwijzingen naar 
Stop uiteindelijk in een Stop-reactie. Het aantal Stop-reacties schommelt 
over de jaren. In 2000 is het aantal Stop-reacties bijna 1.800. Na een 
terugval in 2001-2002, is het aantal Stop-reacties in 2005 toegenomen tot 
ruim 2.100 (zie tabel 5.21). In 2006 is het aantal weer licht gedaald naar 
bijna 2.000. De daling in het aantal Stop-reacties in 2004 is, evenals bij 
Halt-afdoeningen, vermoedelijk voor een groot deel te verklaren door 
een verandering in de wijze van registratie. 

Het meest voorkomende delicttype dat aanleiding geeft voor een Stop-
reactie is een vermogensdelict (figuur 5.17 en zie tabel 5.23 in bijlage 4 
voor de corresponderende cijfers). In 2006 was 32% van de Stop-reacties 
naar aanleiding van een vermogensdelict, 26% naar aanleiding van een 
vernieling en 22% naar aanleiding van een vuurwerkdelict. Het percentage 
jongens dat in 2006 een Stop-reactie heeft gekregen is 88%. Ruim 
de helft van de kinderen die met een Stop-reactie te maken krijgen, is 
11 jaar (51%). In 21% van de gevallen gaat het om kinderen die jonger zijn 
dan 10 jaar (Halt Nederland, 2006). 

5.2.2 Afdoening door het Openbaar Ministerie 
Sinds 2001 is er een stijging in het aantal bij het OM ingeschreven strafzaken 
tegen minderjarige verdachten. In 2006 gaat het om bijna 37.000 
ingeschreven strafzaken (zie tabel 5.24 in bijlage 4). Ten opzichte van 
2000 is dit een stijging van ruim 35%. Deze stijging volgt logischerwijs op 
de toename in het aantal door de politie gehoorde minderjarige verdachten 
(zie hoofdstuk 4). 

Jaarlijks wordt ongeveer tweederde van de bij het OM ingeschreven 
strafzaken tegen minderjarigen door het OM zelf afgedaan. Tussen 2000 
en 2006 is het aantal strafzaken dat jaarlijks door het OM zelf wordt afgedaan 
gestegen van bijna 18.000 naar ruim 24.000. Het merendeel van de 
afdoeningen door het OM waarin het een minderjarige verdachte betreft, 
is naar aanleiding van een delict uit het Wetboek van Strafrecht (in 2006 
bijna 90%, zie tabel 5.26 in bijlage 4). Ruim 35% van de afdoeningen is in 
2006 naar aanleiding van een vermogensdelict en bijna 32% naar aanleiding 
van een delict in de categorie ‘vernieling en openbare orde’. Ruim 
19% van de afdoeningen is naar aanleiding van een geweldsmisdrijf. 
Het aantal strafzaken naar aanleiding van een vermogensmisdrijf dat 
door het OM is afgedaan, vertoont al jaren een dalende trend tot ruim 

7.500 in 2003. Deze daling kan vooral worden toegeschreven aan het 
dalende aantal zaken naar aanleiding van (overig) gekwalificeerde 
diefstal (zie tabel 5.26). Daarna is er een lichte toename te signaleren, 
tot ruim 8.000 in 2006. Deze stijging komt voor bij bijna alle vermogensdelicten. 

170 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Het aantal door het OM afgedane strafzaken naar aanleiding van vernieling 
en openbareordedelicten is tussen 2000 en 2006 sterk gestegen (van 
bijna 5.000 naar bijna 8.000). Deze stijging komt voor het grootste deel 
voor rekening van de toename in het aantal zaken naar aanleiding van 
delicten tegen de openbare orde. De sterke stijging bij deze delicten vanaf 
2000 hangt ongetwijfeld samen met de verruiming van de wetsartikelen 
141 Sr en 540 e.v. Sv die in mei 2000 in werking zijn getreden (zie ook 
hoofdstuk 4). 
In de periode 2000-2006 is het aantal afgedane zaken naar aanleiding van 
een geweldsdelict gestegen van bijna 3.000 naar bijna 5.000, een stijging 
van 61%. Nadere beschouwing van de geweldsdelicten laat vooral een 
stijging zien van mishandeling en bedreiging. 

Figuur 5.18 
Door het Openbaar Ministerie afgedane strafzaken tegen 
minderjarigen naar soort misdrijven, 1995-2006 

10.000 

9.000 

8.000 

7.000 

6.000 

5.000 

4.000 

3.000 

2.000 

1.000 
0 
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
Geweldsmisdrijven

Vermogensmisdrijven 
Vernieling en 
openbare orde 
Voor corresponderende cijfers, zie tabel 5.26 in bijlage 4. 
Bron: CBS 

De officier van justitie heeft voor een zelfstandige afdoening van strafzaken 
drie belangrijke mogelijkheden ter beschikking: seponeren, transigeren 
en voegen. Op grond van het opportuniteitsbeginsel kan de officier de 
zaak afdoen met een technisch sepot, een beleidssepot of een voorwaardelijk 
sepot. Bij een technisch sepot kan het gaan om onvoldoende bewijs, 
de jeugdige is onterecht als verdachte aangemerkt, het OM is niet-ontvankelijk 
in zijn vervolging, of het gepleegde feit of de dader is niet strafbaar. 


Vervolging en berechting 171 

Bij een beleidssepot gaat het er meer om dat de jeugdige maar een gering 
aandeel heeft in het feit, of de schade is al vergoed (Bac e.a., 2000: 43). 
Ook kan de officier van justitie op grond van artikel 77f Sr een jeugdige een 
transactie aanbieden (het zogenoemde officiersmodel). Deze transactie 
kan zijn de betaling van een geldsom van maximaal 3.350 euro, het betalen 
van schadevergoeding, een leer- of werkproject van maximaal 40 uur en/of 
begeleiding door de jeugdreclassering in het kader van een hulp- en steunmaatregel. 
Bij het slagen van de afdoening volgens het officiersmodel wordt 
van verdere vervolging afgezien. 
Verder heeft het OM de mogelijkheid om strafzaken te voegen. Er zijn twee 
typen voegingen: voeging ter berechting en voeging ad informandum. De 
voeging ter berechting is een formele afdoening door de rechter (artikel 
259 Sv). Het betekent dat de rechter in één keer verschillende zaken, of 
eenzelfde feit met meerdere verdachten, behandelt. Het OM moet zaken 
waar een verband tussen bestaat, gevoegd ter kennis van de rechter brengen 
als dat in het belang van het onderzoek is. De voeging ad informandum 
is niet wettelijk geregeld. Het betekent dat het OM naast het tenlastegelegde 
feit, ook één of meerdere feiten aan de rechter voorlegt met het verzoek 
daarmee bij de strafoplegging rekening te houden. Formeel gezien is een 
voeging geen OM-afdoening. Immers, de zaken worden door middel van 
een voeging voorgelegd aan de rechter. De reden waarom voegingen hier 
worden behandeld, is dat ze op het niveau van de rechter niet meer worden 
onderscheiden. 

Het totale aantal strafzaken tegen minderjarigen dat door het Openbaar 
Ministerie wordt afgedaan, neemt toe (zie figuur 5.18 en tabel 5.26 in bijlage 
4). In 2006 zijn 24.000 strafzaken afgedaan door het OM. In de periode 
2000-2006 heeft zich een wijziging voorgedaan in de rangorde van de afdoeningen 
door het OM. In 2000 werd bijna eenderde van de strafzaken afgedaan 
met een sepot (waarvan het grootste deel een beleidssepot) en bijna de 
helft door middel van een transactie. In 2006 is het aantal strafzaken dat is 
afgehandeld met een sepot eenvijfde deel van het aantal afdoeningen door 
het OM en wordt bijna tweederde van de zaken afgedaan met een transactie. 
Het aantal sepots laat tussen 2000 en 2004 een dalende lijn zien. Dit geldt 
zowel voor de technische sepots als voor de beleidssepots. Deze daling 
kan samenhangen met het gegeven dat zaken die als ‘niet vervolgbaar’ 
worden gezien, al in een vroegtijdig stadium bij de politie door het OM 
terzijde worden geschoven (Van Tulder, 2001: 231). Deze zaken worden 
niet geregistreerd als zijnde ingeschreven bij het OM. Het aantal zaken 
waarbij een minderjarige verdachte is dat op deze manier wordt geseponeerd, 
is niet bekend. Verder past de afname van het aantal sepots in een 
jarenlange trend die samenhangt met het beleid van het OM om het aantal 
zaken waarin daadwerkelijk een justitiële reactie volgt te vergroten (Openbaar 
Ministerie, 2005). Na 2004 neemt het aantal sepots weer toe, tot bijna 

5.000 in 2006. 

172 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Het aantal transacties laat al jaren een stijging zien. Sinds 2000 is het 
aantal transacties verdubbeld (van bijna 8.000 naar bijna 15.000). Deze 
groei is mede de weerslag van de groei van het aantal transacties met een 
leer- of werkproject als voorwaarde dat binnen het officiersmodel wordt 
uitgevoerd. Die groei is naar alle waarschijnlijkheid vooral het gevolg 
van de beleidslijn ‘taakstraf, tenzij…’ die uitgangspunt is in de requireerrichtlijnen 
van het College van Pg’s ter zake van misdrijven gepleegd door 
minderjarigen (zie o.a. Kruissink en Verwers, 2001). 
In de periode 2000-2006 is het aantal zaken dat wordt gevoegd jaarlijks rond 
de 3.000. Het aantal voegingen ter berechting is in het afgelopen jaar ruim 
viermaal zo vaak toegepast als de voeging ad informandum. In 2006 betreft 
het in 11% van alle afdoeningen door het OM een voeging ter berechting en 
in bijna 3% van de OM afdoeningen een voeging ad informandum. 

Figuur 5.19 
Door het Openbaar Ministerie opgelegde taakstraffen 
in rechtbankstrafzaken tegen minderjarigen naar soort 
misdrijven, 1995-2006 

12.000 
10.000 
8.000 
6.000 
4.000 
2.000 
0 

1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 


Totaal Geweldsmisdrijven 
Vermogensmisdrijven Overig* 
Vernieling en 
openbare orde 

* Overige misdrijven Wetboek van Strafrecht, Wegenverkeerswet, Opiumwet, Wet wapens en munitie, 
overig en onbekend. 
Voor corresponderende cijfers, zie tabel 5.36 in bijlage 4. 
Bron: CBS 

De transactie is de meest voorkomende OM-afdoening die aan minderjarigen 
wordt aangeboden. Voor een groot deel (70% van het totale aantal 
transacties) gaat het om transacties met als voorwaarde een leer- of 


Vervolging en berechting 173 

werkproject, de alternatieve sanctie volgens het officiersmodel. Tussen 
2000 en 2006 zijn dergelijke transacties toegenomen van bijna 6.000 tot 
ruim 10.000 (zie tabel 5.37 in bijlage 4 voor een compleet overzicht). 

In figuur 5.19 wordt weergegeven voor welke delicttypen transacties met 
als bijzondere voorwaarde een leer- of werkproject in de periode 19952006 
zijn toegepast. In 2006 is het percentage door de officier van justitie 
aangeboden transacties naar aanleiding van een vermogensdelict 39%, 
naar aanleiding van een vernieling en openbareordedelict 31% en naar 
aanleiding van een geweldsdelict 19%. Deze rangorde is in de periode 
1995-2006 niet veranderd. 
Het aantal transacties wegens een vermogensdelict is tussen 2000 en 2006 
toegenomen (van bijna 3.000 naar ruim 4.000); het aantal transacties naar 
aanleiding van een vernieling en openbareordedelict is in deze periode 
eveneens toegenomen (van bijna 2.000 naar ruim 3.000); het aantal 
transacties wegens een geweldsdelict is bijna verdubbeld (van ruim 1.000 
naar bijna 2.000). Hoewel het kleinere aantallen betreft dan de hiervoor 
genoemde categorieën is ook het aantal transacties naar aanleiding van 
andere delicten in de periode 2000-2006 fors toegenomen (in het totaal 
van ruim 400 naar bijna 1.200). 

5.2.3 Afdoening door de rechter 
Van de bij het OM ingeschreven strafzaken tegen minderjarigen wordt 
ongeveer eenderde gedagvaard. Er zijn in de afgelopen jaren steeds meer 
zaken door de rechter afgedaan. Het aantal rechtbankzaken dat in eerste 
aanleg door de rechter wordt afgedaan vertoont een stabiele stijging van 
ruim 9.000 in 2000 naar ruim 12.000 in 2006 (zie tabel 5.30 in bijlage 4). 
Dit is een toename van ruim 38% in het aantal door de rechter afgedane 
jeugdstrafzaken. Logischerwijs is dit een gevolg van de toename in het 
aantal door de politie gehoorde minderjarige verdachten. 

Wanneer we de rechtbankzaken uitsplitsen naar delictgroepen, is in de 
periode 2000-2006 bij alle delictgroepen sprake van een toename. We 
bespreken de drie grootste delictgroepen. Van alle zaken die in 2006 voor 
de rechter komen, is 36% naar aanleiding van een vermogensmisdrijf, 29% 
naar aanleiding van een geweldsmisdrijf en 28% wegens een vernieling of 
openbareordedelict. 
Het aantal zaken naar aanleiding van een vermogensdelict is toegenomen 
van 3.600 in 2000 naar 4.500 in 2006. Het aantal rechtbankzaken naar 
aanleiding van een geweldsdelict is sinds tussen 2000 en 2005 toegenomen 
tot 3.600 en kwam in 2006 uit op 3.500. Deze stijging komt vooral 
voor rekening van een toename in het aantal mishandelingen. De relatief 
sterkste stijging in deze groep betreft evenwel het aantal delicten wegens 
bedreiging. 


174 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Figuur 5.20 
Door de rechter in eerste aanleg afgedane rechtbank-
strafzaken tegen minderjarigen naar soort misdrijven, 
1995-2006 

5.000 

4.500 

4.000 

3.500 

3.000 

2.500 

2.000 

1.500 

1.000 
500 
0 


1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 


Vermogensmisdrijven Vernieling en 
Geweldsmisdrijven 
openbare orde 
Voor corresponderende cijfers, zie tabel 5.29 in bijlage 4. 
Bron: CBS 

Het aantal zaken naar aanleiding van een vernieling of openbareordedelict 
dat door de rechter wordt afgedaan, is sinds 2000 toegenomen 
(van ruim 2.000 naar ruim 3.000). Dit kan grotendeels worden toegeschreven 
aan de toename in het aantal zaken naar aanleiding van een 
openbareordedelict (zie figuur 5.20 en het uitgebreide overzicht in 
tabel 5.29 in bijlage 4; zie ook paragraaf 5.2.2). 

In figuur 5.21 wordt voor de periode 2000-2006 weergegeven het totale 
aantal zaken dat door de rechter wordt afgedaan en het totale aantal 
straffen en maatregelen dat de rechter aan minderjarigen heeft opgelegd. 
Omdat de rechter de mogelijkheid heeft sancties te combineren, 
is het totale aantal straffen en maatregelen dat door de rechter is opgelegd 
groter dan het aantal afdoeningen (zie figuur 5.21). Grofweg kan 
worden gesteld dat in 2006 per twee afdoeningen, drie sancties worden 
opgelegd. Dit betekent een lichte toename in het aantal gecombineerde 
sancties. 


Vervolging en berechting 175 

Figuur 5.21 
Door de rechter in eerste aanleg afgedane rechtbank-
strafzaken tegen minderjarigen en opgelegde straffen 
en maatregelen aan minderjarigen, 2000-2006 

20.000 

18.000 

16.000 

14.000 

12.000 

10.000 

8.000 

6.000 

4.000 

2.000 
0 
2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 


Afdoeningen door 
de rechter* 
Opgelegde straffen 
en maatregelen** 
* Zie tabel 5.24 in bijlage 4. 
** Zie tabel 5.34 in bijlage 4. 
Bron: CBS 

De straf die door de rechter het meest en steeds vaker wordt opgelegd, 
is de taakstraf (zie figuur 5.22). Deze straf is in 2006 in ruim 62% van de 
gevallen opgelegd. Tussen 2000 en 2006 is er een toename in het aantal 
opgelegde taakstraffen van 5.359 naar 7.671 (een toename van 43%). 
Jeugddetentie is de op een na meest voorkomende sanctie. In 2006 betreft 
het eenderde van het totale aantal sancties dat is opgelegd door de rechter 
aan minderjarigen. Het aantal jeugddetenties dat door de rechter is opgelegd, 
is sinds 2000 toegenomen, maar daalt weer vanaf 2004: 5.902 keer 
in 2006. Het aantal malen dat de rechter een geldboete oplegt, daalt sinds 
2000 gestaag. In 2006 is deze straf 519 keer opgelegd. Ook het aantal keren 
dat een gevangenisstraf wordt opgelegd aan een minderjarige is sinds 
2000 afgenomen (van 279 in 2000 naar 128 in 2006). 

De taakstraf is de hoofdstraf die door de rechter het vaakst wordt opgelegd. 
De verdeling naar delicttypen die aanleiding vormen voor een 
taakstraf opgelegd door de rechter is vergelijkbaar met de verdeling van 
het aantal transacties met als bijzondere voorwaarde een leer- of werkproject 
die door het Openbaar Ministerie zijn toegepast. In de periode 
2000-2006 is de taakstraf het meest opgelegd voor een vermogensdelict. 


176 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Het aantal taakstraffen opgelegd naar aanleiding van een geweldsdelict of 
een vernieling en openbareordedelict ontloopt elkaar in deze periode niet 
veel. Het percentage taakstraffen dat door de rechter is opgelegd wegens 
een vermogensdelict betreft in 2006 37%, wegens een vernieling en openbareordedelict 
30% en wegens een geweldsdelict 27%. 

Figuur 5.22 
Door de rechter in eerste aanleg opgelegde hoofdstraffen 
in rechtbankstrafzaken tegen minderjarigen, 2000-2006 

10.000 

9.000 

8.000 

7.000 

6.000 

5.000 

4.000 

3.000 

2.000 

1.000 
0 
2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 


Taakstraf Geldboete 
Jeugddetentie Gevangenisstraf ** 

* Het betreft zowel voorwaardelijke als onvoorwaardelijke straffen. 
** Gevangenisstraf bestaat in het jeugdstrafrecht niet. De opgelegde gevangenisstraffen in deze 
staat betreffen zaken waarin het algemeen strafrecht op minderjarigen is toegepast. 
*** De totaalaantallen zijn groter dan het aantal jongeren dat jaarlijks voor de rechter moet verschijnen 
doordat rechters vaak combinaties van straffen opleggen. 
Voor corresponderende cijfers, zie tabel 5.34 in bijlage 4. 
Bron: CBS 

Het totale aantal door de rechter opgelegde taakstraffen en door het OM 
aangeboden transacties met als voorwaarde een leer- of werkproject 
betreft in 2006 ruim 19.000 (figuur 5.23; zie tabel 5.39 in bijlage 4). In 
vergelijking met 2000 betekent dit bijna een verdubbeling. Ruim de helft 
van deze sancties wordt door de officier van justitie toegepast (54%). 
Evenals in andere jaren betrof het ook in 2006 voornamelijk zaken wegens 
vermogensdelicten (38%), vernielingen en openbareordedelicten (31%) en 


Vervolging en berechting 177 

geweldsdelicten (23%). Het aantal naar aanleiding van overige delicten 
valt daarbij getalsmatig in het niet (zie tabel 5.39 in bijlage 4). Van alle 
gewelddelicten, vermogensdelicten en vernieling en openbareordedelicten 
die in 2006 bij het OM zijn binnengekomen (tabel 5.25 in bijlage 4), 
resulteert ongeveer de helft in een transactie met als voorwaarde een leer- 
of werkproject of in een door de rechter opgelegde taakstraf. 

Figuur 5.23 
Door de rechter opgelegde taakstraffen en door het 
Openbaar Ministerie toegepaste transacties met als voorwaarde 
een leer- of werkproject in rechtbankstrafzaken 
tegen minderjarigen, 2000-2006 

0 
2.000 
4.000 
6.000 
8.000 
10.000 
12.000 
14.000 
16.000 
18.000 
20.000 
2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 

Rechter 

Officier van justitie 

Voor corresponderende cijfers, zie tabellen 5.29 en 5.37 in bijlage 4. 
Bron: CBS 

Enkelvoudige straffen of combinaties van straffen en/of maatregelen 

Indien iemand schuldig wordt bevonden, kan een rechter besluiten een 
enkele straf op te leggen of diverse straffen te combineren (zie ook hoofdstuk 
2). In tabel 5.32 in bijlage 4 worden de sancties die door de rechter 
zijn opgelegd gegeven. Daarbij is rekening gehouden met combinaties van 
sancties. De meest voorkomende sanctie in 2006 die zonder een andere 
straf of maatregel is opgelegd (een enkelvoudige sanctie), is de taakstraf 
(44% van het totale aantal afdoeningen door de rechter). De jeugddetentie 
is de op een na meest voorkomende enkelvoudige hoofdstraf (11%; waarvan 
bijna de helft voorwaardelijk). De minst voorkomende enkelvoudige 
hoofdstraf is een PIJ-maatregel (nog geen 0,5% van het totale aantal 
sancties in 2006). 


178 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Zoals hierboven genoemd zijn ook combinaties van straffen mogelijk. 
Een hoofdstraf wordt bij een dergelijke afdoening gecombineerd met een 
andere hoofdstraf, met een bijkomende straf of met een maatregel. In 
tabel 5.32 in bijlage 4 wordt ook voor enkele veelvoorkomende (combinaties 
van) straffen weergegeven in welke mate ze voorkomen. Van alle 
hoofdstraffen wordt de taakstraf het meest in combinatie met een andere 
straf of maatregel opgelegd. In 2006 is 14% van de zaken afgedaan met 
een taakstraf gecombineerd met een jeugddetentie, 9% met een taakstraf 
gecombineerd met een bijkomende straf en/of maatregel (exclusief PIJ) en 
7% met een taakstraf en jeugddetentie gecombineerd met een bijkomende 
straf of maatregel (exclusief PIJ). Taakstraffen in combinatie met een 
gevangenisstraf of met een geldboete komen weinig voor. 

5.2.4 
Toepassing van jeugdstrafrecht en algemeen strafrecht voor 
minderjarigen 
Voor strafrechtelijke minderjarigen is het jeugdstrafrecht van toepassing. 
16- en 17-jarigen kunnen onder bepaalde omstandigheden ook volgens het 
algemene strafrecht worden bestraft. Dit is afhankelijk van de ernst van 
het gepleegde feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden 
waaronder het feit is begaan. In theorie kan de rechter langs deze route 
ook een gevangenisstraf aan 16- of 17-jarigen opleggen waarvoor een veel 
hoger maximum geldt dan voor de jeugddetentie. Verder kan in dit kader 
ook een tbs-maatregel met dwangverpleging worden opgelegd aan verminderd 
toerekeningsvatbare of geheel ontoerekeningsvatbare minderjarige 
verdachten (Bartels, 2004: 15). Andersom geldt dat 18- tot 21-jarigen 
(ten tijde van het gepleegde delict) op grond van de persoonlijkheid van de 
dader of de omstandigheden waaronder het delict is gepleegd ook berecht 
kunnen worden volgens het jeugdstrafrecht. 

5.3 Resumé 
Het aantal bij het OM ingeschreven strafzaken is in de afgelopen veertig 
jaar flink toegenomen. In 1980 zijn het er nog 230.000. Via een top van 

274.000 in 1987 kwam het aantal zaken, de laatste jaren in een dalende 
trend, uit op 233.000 in 2000. Na opnieuw een stijging zijn er in 2006 bijna 
268.000 zaken ingeschreven. 
Het aantal strafzaken dat het OM afdoet, daalt tussen 1995 en 2006 van 
147.000 naar 126.000 zaken; de vermindering zit vooral in de halvering van 
het aantal afgedane vermogensdelicten, van 60.000 naar 32.000 zaken. 
Dit ligt behoorlijk in lijn met de gelijktijdige daling aan de kant van de 
instroom bij het OM, van 103.000 naar 70.000 vermogenszaken. 
Van de 126.000 strafzaken die het OM in 2006 afdoet, gebeurt dat bij 24% 
met een sepot en bij 62% met een transactie. 

Vervolging en berechting 179 

De rechter spreekt in 2006 in 125.000 strafzaken een schuldigverklaring 
uit. In ongeveer een kwart van de gevallen legt hij als sanctie uitsluitend 
een geldboete op, in 15% uitsluitend een gevangenisstraf of jeugddetentie 
en in eveneens 15% van de zaken legt hij uitsluitend een taakstraf op. 
Het aantal taakstraffen dat de rechter oplegde is tussen 1985 en 2006 
opgelopen van 1.100 naar bijna 42.000 en is na de gevangenisstraf in volume 
de tweede hoofdstraf. 
Bijna 57% van alle in 2006 door de rechter opgelegde (gedeeltelijk) onvoorwaardelijke 
gevangenisstraffen is korter dan drie maanden. Ruim 3% 
heeft een duur van drie jaar of meer. Dat was in 1980 nog 1%. 
Van de 50.000 opgelegde (gedeeltelijk) onvoorwaardelijke geldboetes 
in 2006 valt 36% in de categorie 454 tot 2.269 euro (was 1.000 tot 5.000 
gulden). 

In 2006 heeft de politie ruim 70.000 minderjarige verdachten gehoord. 
In bijna 23.000 gevallen werd een Halt-afdoening opgelegd. Er zijn bijna 

37.000 zaken ingeschreven bij het OM waarin een strafrechtelijk minderjarige 
verdachte was. 
Van de ingeschreven strafzaken handelt het OM ongeveer tweederde deel 
zelf af; eenderde wordt gedagvaard bij de (kinder)rechter. Van alle bij het 
OM ingeschreven zaken wegens een vermogensdelict, een vernieling en 
openbareordedelict of een geweldsdelict resulteert ruim de helft in een 
transactie met als bijzondere voorwaarde een werk- of leerstraf (OMafdoening) 
of in een door de rechter opgelegde taakstraf. 
Van alle sancties die in 2006 door de rechter aan minderjarige verdachten 
worden opgelegd, betreft het in de meeste gevallen een taakstraf (62%), 
gevolgd door een jeugddetentie (33%). 

 
6Tenuitvoerlegging van sancties 

S.N. Kalidien, W. van der Heide 
Het Nederlandse strafrecht kent een grote diversiteit aan straffen en 
strafrechtelijke maatregelen. Deze diversiteit heeft als gevolg dat verschillende 
instanties zich bezighouden met de tenuitvoerlegging van sancties. 
Sommige instanties beperken zich tot de tenuitvoerlegging van één type 
sanctie, terwijl andere betrokken zijn bij meerdere soorten. Sommige 
sanctiesoorten worden door één instantie ten uitvoer gelegd, terwijl andere 
door twee of meer instanties kunnen worden gerealiseerd. Vaak worden 
sancties voor jongeren en voor meerderjarigen door aparte instanties ten 
uitvoer gelegd (zie hoofdstuk 2). 
Dit hoofdstuk is opgedeeld in drie paragrafen. In elke paragraaf komen 
zowel de meerder- als minderjarigen aan bod. Paragraaf 6.1 beschrijft de 
tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende sancties door de Dienst Justitiële 
Jeugdinrichtingen; paragraaf 6.2 gaat over de tenuitvoerlegging van 
taakstraffen; in paragraaf 6.3 komen overige sancties en maatregelen aan 
de orde. Hoewel het bij vreemdelingenbewaring niet om de tenuitvoerlegging 
van een sanctie gaat, komt dit onderdeel van het gevangeniswezen om 
praktische redenen toch ook in dit hoofdstuk aan de orde (paragraaf 6.1). 

6.1 
Het gevangeniswezen, de FPC’s (tbs-sector) en de justitiële 
jeugdinrichtingen 
Deze paragraaf beschrijft de tenuitvoerlegging van aan meerder- en minderjarigen 
opgelegde (intramurale) sancties uitgevoerd door de Dienst 
Justitiële Inrichtingen. Achtereenvolgens passeren de revue: het gevangeniswezen 
(paragraaf 6.1.1), de tbs-sector (paragraaf 6.1.2) en de justitiële 
jeugdinrichtingen (paragraaf 6.1.3). 

6.1.1 Het gevangeniswezen 
Het gevangeniswezen kent verschillende instroomcategorieën gedetineerden. 
Hieronder worden de vijf belangrijkste categorieën kort beschreven 
(bron: DJI). 

Voorlopig gehechten (preventieven). Verdachten van (ernstige) misdrijven 
die door de politie zijn gearresteerd, worden voorgeleid voor de officier 
van justitie. De rechter-commissaris kan op vordering van de officier van 
justitie beslissen tot voorlopige hechtenis, als het gaat om een strafdreiging 
van vier jaar of meer. Meerderjarige verdachten gaan dan naar een 
huis van bewaring of een detentiecentrum voor drugskoeriers. De voorlopig 
gehechten vormen de grootste groep binnen de huizen van bewaring. 
Een aanzienlijk deel van de voorlopig gehechten wordt al ontslagen vóór 
de zitting of wordt veroordeeld tot een straf gelijk aan het voorarrest. Een 


182 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

aantal verdachten wordt uiteindelijk niet schuldig verklaard of krijgt een 
gevangenisstraf die korter is dan de in voorarrest uitgezeten tijd (= voorlopige 
hechtenis en inverzekeringstelling). 

Tot gevangenisstraf veroordeelden na voorlopige hechtenis. Sinds de invoering 
van de Wet doorplaatsen in eerste aanleg veroordeelden, die in 
werking is getreden in 2006, is het mogelijk dat personen in voorlopige 
hechtenis reeds na veroordeling tot een vrijheidsstraf door de rechter in 
eerste aanleg, worden ‘doorgeplaatst’ van een hvb naar een gevangenis. 
Doel hiervan is een flexibelere en efficiëntere inzet van detentiecapaciteit 
en het verbeteren van de mogelijkheden voor het werken aan resocialisatie 
en daarmee in het algemeen het voorkomen van recidive. 
Als de gevangenisstraf langer is dan het voorarrest, maar het nog uit te 
zitten deel is niet langer dan drie maanden, dan blijft de veroordeelde 
in het huis van bewaring. Als de rechter een lange vrijheidsstraf oplegt, 
bijvoorbeeld zes jaar, volgt altijd eerst overplaatsing naar een gesloten 
gevangenis. In het laatste deel van de detentie is overplaatsing mogelijk 
naar een inrichting met beperkte beveiliging en zeer beperkte beveiliging 
(voorheen respectievelijk halfopen en open gevangenis). Ook een penitentiair 
programma waarbij de persoon ook ’s avonds en ’s nachts niet in 
een inrichting verblijft, behoort tot de mogelijkheden. Daaraan kan wel 
de voorwaarde van elektronisch toezicht zijn verbonden (enkelbandje met 
zender). Of een gedetineerde in aanmerking komt voor detentiefasering 
met extra vrijheden, hangt niet alleen af van de duur van het strafrestant, 
maar ook van de persoon van de gedetineerde, zijn gedrag en vaardigheden. 
De ongeveer 150 à 200 jaarlijks opgelegde tbs-maatregelen worden 
vrijwel altijd gecombineerd met een gevangenisstraf. Een aantal van deze 
personen gaat daarom na het vonnis eerst naar een gesloten gevangenis 
en wordt pas na verloop van tijd overgeplaatst naar een tbs-inrichting (zie 
ook paragraaf 6.1.2). 

Zelfmelders. Dit zijn personen die zich niet in voorlopige hechtenis 
bevinden op het moment dat een aan hen opgelegde vrijheidsstraf onherroepelijk 
wordt. Deze personen kunnen in aanmerking komen voor de 
zogenoemde ‘zelfmeldprocedure’. Ze moeten dan wel over een bekend 
woonadres beschikken en de opgelegde straf is niet al eerder helemaal 
in voorlopige hechtenis uitgezeten. Na een schriftelijke oproep dienen 
ze zichzelf te melden aan de poort van een gevangenis met een beperkte 
beveiliging. De gedetineerde mag dan eenmaal per vier weken een weekend 
naar huis. Afhankelijk van de duur van de straf, de persoonlijkheid, 
het gedrag en de vaardigheden van de gedetineerde, kan overplaatsing 
volgen naar een inrichting met zeer beperkte beveiliging of een penitentiair 
programma. 
Sinds eind 2003 wordt door DJI geëxperimenteerd met elektronische 
detentie thuis (ED). Het is een alternatief voor zelfmelders met een straf 


Tenuitvoerlegging van sancties 183 

korter dan drie maanden en wordt alleen toegepast als aan een aantal 
extra voor ED geldende voorwaarden wordt voldaan. 

Arrestanten. Hieronder worden personen verstaan die door de politie zijn 
gearresteerd, omdat ze onder de executie van hun straf probeerden uit te 
komen. De belangrijkste subgroepen binnen de categorie arrestanten zijn: 

– 
personen die hun boete(s) niet hebben betaald; 
– 
personen die in het uitvoeren van hun taakstraf zijn mislukt; 
– 
personen die niet zijn teruggekeerd naar de inrichting die ze met toestemming 
tijdelijk mochten verlaten; 
– 
personen die een inrichting zijn ontvlucht; 
– 
personen met een lopend vonnis die niet zijn geselecteerd voor de zelfmeldprocedure 
bijvoorbeeld omdat ze geen bekend (vast) adres hebben; 
– 
personen die wel voor de oproepprocedure zijn geselecteerd, maar die 
zich niet hebben gemeld. 
Vreemdelingen. Dit zijn buitenlanders zonder geldige verblijfstitel die op 
grond van artikel 6 (grenslogies) of artikel 59 (vreemdelingenbewaring) 
van de Vreemdelingenwet zijn aangehouden. Weliswaar wordt geen strafrecht 
toegepast, maar de directe aanleiding voor vreemdelingenbewaring 
kan het plegen van een overtreding of (minder ernstig) misdrijf zijn. 
De eerste dagen van de vreemdelingenbewaring worden doorgaans op 
het politiebureau doorgebracht. Als de politie tijdens die eerste dagen niet 
genoeg informatie kan verzamelen om uitzetting mogelijk te maken, wordt 
de vreemdelingenbewaring beëindigd of volgt overbrenging naar een huis 
van bewaring voor vreemdelingenbewaring en werkt de politie verder aan 
de zaak. De uitzetcentra vallen eveneens onder de verantwoordelijkheid 
van DJI. Hierin worden onder meer illegale vreemdelingen geplaatst die bij 
grootschalige acties zijn aangehouden. De uitzetcentra zijn bedoeld voor 
illegale vreemdelingen die op korte termijn uitzetbaar zijn. 

Instroom in het gevangeniswezen 

Tabel 6.1 geeft de instroom van het aantal gedetineerden weer en is 
onderverdeeld in een aantal categorieën. 
In 2006 zijn 57.310 gedetineerden ingestroomd in het gevangeniswezen 
vanuit de vrije maatschappij of politiecel. Van dit aantal zijn 20.340 
gedetineerden voorlopig gehecht, 20.640 gevallen zijn arrestant en 3.810 
veroordeelden zijn zelfmelder. Van de zelfmelders zijn er 2.460 veroordeelden 
met elektronische detentie. De overige 1.350 zelfmelders zijn 
ingesloten in een gevangenis met beperkte beveiliging. Het aantal vreemdelingen 
dat instroomde in een hvb voor vreemdelingenbewaring of een 
uitzetcentrum is 12.521. In 2004 was het totaal aantal gedetineerden dat 
instroomde uit de vrije maatschappij of politiecel een stuk lager dan in 
2006, namelijk 47.630. Met name het aantal arrestanten was flink lager in 
2004, namelijk 11.360 (zie tabel 6.1. in bijlage 4). 


184 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Capaciteit van het gevangeniswezen 

De capaciteit van het gevangeniswezen heeft in de afgelopen decennia 
een enorme groei doorgemaakt. Van 1960 tot medio jaren zeventig was er 
nog sprake van een daling, maar vanaf 1980 tot 2006 is de capaciteit spectaculair 
gegroeid, van 4.000 naar 18.700 plaatsen (zie figuur 6.1). De capaciteit 
is daarmee in drie decennia gegroeid met een factor 4,7. 

Figuur 6.1 Ontwikkeling detentiecapaciteit in het gevangeniswezen, 
1980-2006*, ** 

0 
2.000 
4.000 
6.000 
8.000 
10.000 
12.000 
14.000 
16.000 
18.000 
20.000 
1980 1982 1984 1986 1988 1990 1992 1994 1996 1998 2000 2002 2004 2006 

* 
Het betreft hier de gerealiseerde capaciteit. Dat is het aantal plaatsen dat daadwerkelijk voor de 
opname van gedetineerden gebruikt kan worden. Ook plaatsen die door bijvoorbeeld renovatie, 
technische mankementen, vernieling of andere bijzondere redenen tijdelijk niet beschikbaar zijn of 
om organisatorische redenen tijdelijk zijn onttrokken, worden meegerekend. 
** De detentiecapaciteit is vanaf 2002 incl. extra detentieplaatsen voor drugskoeriers en illegale 
vreemdelingen. De personen die een penitentiair programma volgen (met of zonder elektronisch 
toezicht) en de personen die in de vorm van ‘kale’ elektronische detentie thuis verblijven zijn niet 
meegeteld, evenals de personen die zich in de laatste extramurale fase van de SOV- of ISD-maatregel 
bevinden. 

Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 6.2 in bijlage 4. Voor de gegevens vanaf 1960 zie tabel 6.2 
in Criminaliteit en rechtshandhaving 2004. 
Bron: CBS 

Ontwikkeling aantal gedetineerden 

De ontwikkeling van het aantal gedetineerden in het gevangeniswezen 
(steeds gemeten op 30 september) in de afgelopen jaren laat zich in een 
aantal perioden beschrijven: van 1990 tot 1996 is een sterke groei zichtbaar: 
van bijna 7.000 gedetineerden in 1990 tot bijna 12.000 gedetineerden 
in 1996. Vervolgens blijft de gedetineerdenomvang stabiel op bijna 12.000 
tot en met het jaar 2000. In 2005 waren er 17.600 gedetineerden. In 2006 is 


Tenuitvoerlegging van sancties 185 

echter weer een daling tot 16.230 gedetineerden te zien (inclusief vreemdelingenbewaring, 
zie tabel 6.3). 
Opvallend is, dat de capaciteit en de gemiddelde bezetting in 2006 respectievelijk 
18.700 en 16.230 is. Het feit dat de bezetting een stuk lager is dan 
de capaciteit in dit jaar, heeft te maken met de cellenbrand op Schiphol 
in 2005. Sindsdien zijn en worden er allerlei maatregelen getroffen om de 
fysieke veiligheid van ingeslotenen, personeel en bezoekers te verbeteren. 
Als gevolg hiervan zijn gemiddeld meer dan 1.000 cellen (zowel strafrechtelijke 
als vreemdelingenplaatsen) buiten gebruik gesteld (bron: DJI). 

Kenmerken van de gedetineerdenpopulatie (gemeten op peildatum 
30 september) 

Op 30 september 2006 telde het gevangeniswezen 16.230 bewoners. 
Dit zijn ongeveer 1.500 bewoners minder dan in het jaar 2005 (tabel 6.3). 
Deze daling zit met name in het aantal gedetineerden, dat in 2006 in 
een hvb was ingesloten en heeft te maken met de invoering van de Wet 
doorplaatsen in eerste aanleg veroordeelden, die in 2006 in werking is 
getreden. Deze wet maakt het mogelijk dat personen die in voorlopige 
hechtenis zitten, reeds na veroordeling tot een vrijheidsstraf door de 
rechter in eerste aanleg worden ‘doorgeplaatst’ van een hvb naar een 
gevangenis. 
De preventief gehechten vertegenwoordigden 36% van de gedetineerden-
populatie in 2006, 17% was wachtend op uitlevering of verblijvend in een 
hvb voor vreemdelingenbewaring, 6% was (subsidiair) gehecht. Daarnaast 
zijn er ook gedetineerden die ingesloten zitten op basis van een SOV-
maatregel (Strafrechtelijke Opvang Verslaafden) of een ISD-maatregel 
(veelplegers in een Inrichting voor Stelmatige Daders). Het percentage 
gedetineerden met een SOV- of ISD-maatregel is bijna 4% (zie tabel 6.3 en 
figuur 6.2). De SOV-maatregel is een maatregel die in het leven is geroepen 
voor de aanpak van de harde kern criminele harddrugsgebruikers 
die stelselmatig veel overlast bezorgen in de maatschappij. De maatregel 
biedt de mogelijkheid drugsgebruikers gedwongen op te nemen in een 
afkick- en re-integratieprogramma en is van kracht sinds april 2001. Tot 
nu toe heeft traditionele bestraffing en gangbare hulpverlening voor deze 
groep weinig effect opgeleverd. Sinds 2004 is de SOV-maatregel komen 
te vervallen. Hiervoor in de plaats is de ISD-maatregel gekomen. De eis 
van verslaving, zoals gold bij de SOV-maatregel, is bij de ISD-maatregel 
niet van toepassing. Bij de ISD-maatregel gaat het om volwassenen die in 
vijf jaar tijd meer dan tien keer een proces-verbaal van de politie hebben 
gekregen. Tijdens het verblijf in een inrichting voor stelselmatige daders 
bereidt DJI met een persoonsgerichte aanpak de veelpleger voor op een 
positieve terugkeer in de samenleving. Aan het eind van de maatregel 
coördineert de gemeente de nazorg. De ISD-maatregel is van kracht sinds 
2004 (bron: DJI). 


186 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Figuur 6.2 Ontwikkeling gedetineerdenbevolking op 30 september 
uitgesplitst naar verblijfstitel 

20.000 

18.000 

16.000 

14.000 

12.000 

10.000 

8.000 

6.000 

4.000 

2.000 
0 
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 


SOV/ISD-maatregel 
Overige verblijfstitels 
Tbs-passanten 
Uitlevering/uitzetting 
Hechtenis 
Gevangenisstraf 
Voorlopige hechtenis 
Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 6.3 in bijlage 4. 
Bron: CBS/DJI 

Figuur 6.3 toont de ontwikkeling van de gedetineerdenpopulatie in het 
gevangeniswezen uitgesplitst naar het delict waarvoor men is veroordeeld 
of waarvan men wordt verdacht. Het grootste deel van de gedetineerden 
zit vanwege een geweldsdelict, een vermogensdelict of een delict tegen de 
Opiumwet. 

Van de meerderjarigen die op 30 september 2006 zijn gedetineerd, is 56% 
buiten Nederland geboren. Met name Surinamers, Antillianen en Marokkanen 
maken hier het grootste deel van uit. Ongeveer 2.500 gedetineerden 
zitten overigens niet op strafrechtelijke titel, maar wachten op uitzetting 
uit Nederland. Wanneer deze gedetineerden buiten beschouwing worden 
gelaten, heeft nog altijd 52% van de gedetineerdenpopulatie het buitenland 
als geboorteland (zie tabel 6.4 in bijlage 4). In Nederland geboren 
gedetineerden zijn relatief vaak gedetineerd vanwege een vermogensdelict 
of een geweldsdelict. In Nederland geboren gedetineerden zitten 
ook relatief vaker voor een verkeersdelict. Gedetineerden geboren in 
Suriname, Antillen en Turkije zitten relatief vaak vanwege een delict tegen 
de Opiumwet (tabel 6.5). 
Op 31 december 2006 bestond 6% van het aantal gedetineerden in het 
gevangeniswezen uit vrouwen. 


Tenuitvoerlegging van sancties 187 

Figuur 6.3 
Bezetting gevangeniswezen op 30 september (exclusief 
vreemdelingenbewaring en uitlevering) naar delictsoort 

16.000 

14.000 

12.000 

10.000 

8.000 

6.000 

4.000 

2.000 
0 
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 


Overig en onbekend 
Vernieling en openbare orde 
Vermogensmisdrijven 
Geweldsmisdrijven 
Opiumwet 
Bron: CBS 
Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 6.3 in bijlage 4. 

Vervroegde invrijheidstelling 

Om verschillende redenen worden gevangenisstraffen vaak slechts 
gedeeltelijk uitgezeten. Bij gevangenisstraffen van langer dan een half 
jaar is zelfs wettelijk geregeld dat betrokkene vervroegd in vrijheid wordt 
gesteld. Deze regeling voor vervroegde invrijheidstelling (VI-regeling) 
bepaalt dat straffen tot een half jaar geheel worden uitgezeten, dat van 
straffen van een half tot een heel jaar het eerste halfjaar geheel wordt 
uitgezeten en het restant voor eenderde deel, en dat straffen langer dan 
een jaar voor tweederde deel worden uitgezeten (artikel 15 Sr). Overigens 
geldt deze regeling alleen in het meerderjarigenstrafrecht. 
Wanneer de betrokkene zich echter tijdens de detentie zeer ernstig 
misdraagt of zich aan de detentie onttrekt of probeert te onttrekken 
(bijvoorbeeld door te ontsnappen), kan de vervroegde invrijheidstelling 
worden uitgesteld of achterwege blijven. Het OM richt dan een schriftelijke 
vordering hiertoe tot het gerechtshof in Arnhem (artikel 15a Sr). Dit 
gebeurt echter slechts incidenteel. (zie ook hoofdstuk 5). 

Gratie 

Strafvermindering kan ook door gratie plaatsvinden. Gratie wordt verleend 
bij koninklijk besluit. In de regel gebeurt dat slechts op grond van 


188 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

een belangrijke wijziging van omstandigheden van de veroordeelde na het 
vonnis (bijvoorbeeld medische, zakelijke of familieomstandigheden) of op 
grond van de verwachting dat met verdere tenuitvoerlegging van de straf 
geen redelijk doel wordt gediend (alleen bij langgestraften). De Grondwet 
schrijft voor dat gratie alleen kan worden verleend na advisering door de 
rechter. De Kroon neemt het rechterlijke advies bijna altijd over. Op 1 juni 
2003 zijn nieuwe wettelijke bepalingen in het Wetboek van Strafvordering 
en de Gratiewet van kracht geworden. Deze schrijven voor dat een gratieverzoek 
niet wordt voorgelegd aan de rechter wanneer het is ingediend 
binnen drie maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis en 
de omstandigheden van de veroordeelde zich niet hebben gewijzigd. Het 
verzoek wordt dan niet gehonoreerd. 
Soms worden voorwaarden aan gratieverlening gesteld. Zo kan bijvoorbeeld 
gratie worden verleend onder de voorwaarde dat betrokkene een 
taakstraf verricht. Wanneer niet aan de voorwaarde(n) wordt voldaan, kan 
het gratiebesluit worden teruggedraaid. 
Sinds 1990 is het aantal beslissingen naar aanleiding van een gratieverzoek 
flink afgenomen. In 1990 waren er nog 7.760 beslissingen, in 2006 is 
dit aantal gedaald tot 2.250 gevallen. In 775 van het aantal beslissingen 
ging het om een onvoorwaardelijke gratie, in 205 gevallen om een voorwaardelijke 
gratie en in 1.272 gevallen werd het gratieverzoek afgewezen. 
Daarnaast werden 1.270 verzoeken niet in behandeling genomen, omdat 
het verzoek niet voldeed aan wettelijke voorwaarden, zoals minimum-
hoogte van een boetebedrag waarvoor gratie kan worden gevraagd, of 
omdat de procedure niet correct is doorlopen (bijvoorbeeld met betrekking 
tot bewijsstukken) (zie tabel 6.6). 
Naast gevangenisstraffen kan gratie ook andere straffen betreffen, zoals 
bijvoorbeeld boetes. Helaas wordt hiervan geen registratie bijgehouden, 
zodat een exacte verdeling van strafsoorten niet kan worden gepresenteerd. 
Navraag bij medewerkers van het Ministerie van Justitie die zich al 
jaren met gratie bezighouden, levert de schatting op dat zo’n 70% van de 
gratieverleningen betrekking heeft op gevangenisstraffen. De overige 30% 
betreft ontzeggingen van de rijbevoegdheid, taakstraffen en geldboetes. 

Heenzendingen, strafonderbrekingen uit politiebureaus en incidenteel 
vervroegde ontslagen 

Na jaren van stijging werd in 1994 met 5.300 heenzendingen het hoogtepunt 
bereikt in het aantal heenzendingen wegens plaatsgebrek. Na 1994 
nam dit aantal gestaag af, vanaf 2003 is het aantal heenzendingen 0 (zie 
tabel 6.7). Bij heenzendingen gaat het in meerderheid om verdachten 
die de officier van justitie eigenlijk in preventieve hechtenis zou willen 
nemen, maar die hij moet laten gaan wegens plaatsgebrek. In plaats van 
preventieven heen te zenden is het gevangeniswezen er in 2000 toe overgegaan 
om bij plaatsgebrek gedetineerden aan het einde van hun detentie 
‘incidenteel vervroegd ontslag’ (IVO) te verlenen. Incidenteel vervroegd 


Tenuitvoerlegging van sancties 189 

ontslag betekent minimaal één en maximaal negentig dagen vervroegd 
ontslag. Hierbij geldt als voorwaarde dat minimaal 60% van de straf uitgezeten 
moet zijn. 
In 2004 waren er nog 520 vervroegde uitzettingen van illegalen, in 2006 is 
er geen enkele vervroegde uitzetting van illegalen geweest. Ook hebben 
geen strafonderbrekingen uit politiebureaus (SOB) plaatsgevonden in 
2006, terwijl dit er in 2004 nog 1.381 waren. Bij de SOB’en1 gaat het om 
arrestanten die, na één of twee dagen op het politiebureau te hebben 
gezeten, wegens plaatsgebrek in hvb’s naar huis worden gestuurd. 
Wanneer er weer plaats is, worden ze alsnog ingesloten. 

Niet melden en onttrekken aan detentie 

Veroordeelden proberen zich nogal eens te onttrekken aan de opgelegde 
detentie. 
De eenvoudigste en meest voorkomende manier is het zich niet melden bij 
de inrichting nadat men hiertoe werd opgeroepen. 
Het aantal ontvluchtingen uit de huizen van bewaring en de gesloten 
gevangenissen beweegt zich in de jaren 1995-2005 tussen de tien en twintig 
per jaar. In 2006 is het aantal ontvluchtingen gedaald tot drie. Hoewel 
bij de selectie van gedetineerden voor plaatsing in een gevangenis met 
(zeer) beperkte beveiliging het vluchtrisico wordt meegewogen, kan een 
deel van de gedetineerden (zo’n 800 in 2006) de verleiding om zich aan de 
detentie in deze inrichtingen te onttrekken, toch niet weerstaan (zie tabel 
6.7). Dit gebeurt bijvoorbeeld vaak op het moment dat men zich moet 
melden bij de inrichting na weekendverlof. 
De meeste gedetineerden die zich in enigerlei vorm aan de detentie 
hebben onttrokken, worden vroeg of laat weer gearresteerd. Het gevolg 
is, dat het aantal zaken in de Centrale Registratie Onttrekkingen van DJI 
(waarin de voortvluchtigen geregistreerd staan) nauwelijks toeneemt. 

Overdracht tenuitvoerlegging strafvonnis 

In paragraaf 5.1.7 was sprake van uitlevering van verdachten aan een 
ander land ter berechting aldaar. Daarnaast maakt een aantal verdragen 
het mogelijk dat in het buitenland gevonniste gedetineerden hun 
gevangenisstraf in hun eigen land uitzitten. Deze verdragen zijn geïmplementeerd 
in de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen 
(WOTS). De gedachte achter deze wet is dat zowel uit een oogpunt van 
resocialisatie als op humanitaire gronden het de voorkeur verdient om 
gedetineerden een vrijheidssanctie in hun eigen land te laten ondergaan. 
Het aantal gedetineerden dat in het kader van de WOTS een verzoek 
doet om vanuit het buitenland naar Nederland te worden overgebracht 

Het gaat hier niet om de reguliere strafonderbrekingen uit inrichtingen in verband met persoonlijke 
omstandigheden van de betrokken gedetineerde. 


190 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

– 532 gedetineerden – is aanzienlijk groter dan vice versa – 63 in 2006 
(zie figuur 6.4 en tabel 6.8 in bijlage 4). 
Figuur 6.4 Verzoeken om overplaatsing in het kader van de WOTS 

0 
100 
200 
300 
400 
500 
600 
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 

Verzoeken om overplaatsing van het buitenland naar Nederland 

Verzoeken om overplaatsing van Nederland naar het buitenland 

Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 6.8 in bijlage 4. 
Bron: Directie Internationale Strafrechtelijke Aangelegenheden en Drugsbeleid 


Ongeveer 60% van de verzoeken tot overbrenging naar Nederland kwam 
in 2006 uit Duitsland (136), het Verenigd Koninkrijk (95) en Spanje (75). 
Vice versa betreffen de verzoeken onder meer overbrenging naar België 
(12), Turkije (10), Duitsland (9), en het Verenigd Koninkrijk (7) (tabel 6.9). 
Lang niet alle verzoeken worden gehonoreerd. In 1999 (het laatste jaar 
waarover dit gegeven bekend is) werden 83 gedetineerden in het kader van 
de WOTS naar Nederland overgebracht. Dit is 41% van het totale aantal 
verzoeken in 1999. 

6.1.2 De forensisch psychiatrische centra, FPC’s (tbs-sector) 
Er bestaan twee soorten terbeschikkingstelling (tbs): tbs zonder bevel tot 
verpleging en tbs met bevel tot verpleging. Bij tbs zonder bevel tot verpleging 
(bestaat sinds 1988) blijft opname in een tbs-kliniek achterwege. De 
maatregel, die in 1988 werd ingevoerd, had aanvankelijk de hoedanigheid 
van tbs met aanwijzing, maar is in 1998 vervangen door tbs met voorwaarden. 
Een van de mogelijke voorwaarden die de rechter kan opleggen, 
is het gebruik van medicijnen. 


Tenuitvoerlegging van sancties 191 

Tbs met aanwijzing is sinds de invoering van deze maatregel tot en met 
1997 weinig toegepast. Volgens onderzoek dat door de commissie-Fokkens 
is verricht, is de belangrijkste reden hiervoor het ontbreken in de praktijk 
van mogelijkheden tot ingrijpen bij het niet-opvolgen van de aanwijzing 
of bij toenemende gevaarsdreiging. Tbs met aanwijzing kon in zulke 
gevallen niet zonder meer worden omgezet in tbs met verpleging. De toenemende 
toepassing (zie tabel 6.10 in bijlage 4) van tbs zonder verpleging 
vanaf 1998 tot en met 2004 is toe te schrijven aan de invoering van de 
maatregel tbs met voorwaarden. Deze als onderdeel van de zogenoemde 
‘Wet Fokkens’ ingevoerde maatregel heeft namelijk ruimere mogelijkheden 
om tbs zonder verpleging om te zetten in tbs met verpleging. Na 2004 
is weer een afname te zien van het aantal tbs-opleggingen zonder verpleging: 
in 2006 zijn dit 63 gevallen, in 2004 waren dit er 74. Bij de uitvoering 
van de maatregel en het toezicht op de naleving van de voorwaarden heeft 
de reclassering een belangrijke rol. 

Het vervolg van deze paragraaf heeft betrekking op tbs met verpleging. 
Tbs met verpleging wordt ten uitvoer gelegd in een justitiële inrichting 
of in een inrichting die valt onder de geestelijke gezondheidszorg. Tot 
1999 waren de meeste inrichtingen gespecialiseerd in een bepaald soort 
behandeling. Plaatsing in een bepaalde inrichting gebeurde na selectie 
door het Dr. F.S. Meijers Instituut, waar de terbeschikkinggestelde doorgaans 
ter observatie werd opgenomen. Uit doelmatigheidsoverwegingen 
richten de inrichtingen zich vanaf eind 1999 op een breder aanbod van 
tbs-gestelden, waarbij de inrichtingen slechts op enkele punten van elkaar 
verschillen, namelijk de mate van beveiliging, het al of niet voorhanden 
zijn van capaciteit voor vrouwen en de mogelijkheid om zwakbegaafden 
en zwaar psychotische patiënten te behandelen. Ook zijn er enkele 
inrichtingen aangewezen voor tbs-gestelden bij wie na meerdere mislukte 
behandelpogingen weinig uitzicht meer bestaat op een succesvolle 
behandeling (‘longstay’-inrichtingen). Tbs-gestelden worden nog maar 
op een paar criteria beoordeeld en vervolgens min of meer aselect aan de 
geschikte inrichtingen toegewezen. 
In de tbs-klinieken verblijft ook een beperkt aantal personen aan wie geen 
tbs is opgelegd, voornamelijk gedetineerden die door ernstige psychische 
stoornissen niet langer in het gevangeniswezen te handhaven zijn. 

Ontwikkeling van instroom, uitstroom en capaciteit 

Figuur 6.5 laat zien dat het aantal tbs-opleggingen al lange tijd aanzienlijk 
hoger is dan het aantal beëindigingen. Dit al jaren durende verschil 
tussen in- en uitstroom heeft ervoor gezorgd dat het aantal lopende tbs-
maatregelen van 1995 tot 2006 bijna twee keer zoveel is in 2006 als in 1995 
(zie figuur 6.6). 


192 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Figuur 6.5 In- en uitstroom van tbr/tbs 

0 
50 
100 
150 
200 
250 
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006* 

Opleggingen Beëindigingen 

* De opleggingen in 2006 betreffen een voorlopig cijfer. Deze cijfers kunnen nog veranderen / toenemen 
als gevolg van naijleffect. 
Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 6.10 in bijlage 4. 
Bron: DJI 

Figuur 6.6 Lopende tbs-maatregelen 

0 
500 
1.000 
1.500 
2.000 
2.500 
1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 

Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 6.10 in bijlage 4. 
Bron: DJI 

Sinds de inwerkingtreding van de Wet Fokkens (1997) kan, ingeval tbs in 
combinatie met een gevangenisstraf is opgelegd, in beginsel na het uitzitten 
van een derde van de strafduur van de gevangenisstraf plaatsing in 
een tbs-inrichting plaatsvinden. Formeel begint de tbs na twee derde van 
de strafduur. Wanneer men dan nog niet is geplaatst, krijgt men de status 


Tenuitvoerlegging van sancties 193 

van (tbs-)passant. Hoewel de behandelcapaciteit in de forensisch psychiatrische 
centra, fpc’s, (voorheen tbs-kliniek genoemd) fors is uitgebreid, 
van 650 plaatsen in 1995 tot 1.738 plaatsen in 2006, is er nog altijd sprake 
van een tekort. Het gevolg van het tekort is de passantenproblematiek. 
Tbs-passanten zijn personen die na de aanvang van de termijn van terbeschikkingstelling 
verblijven in een huis van bewaring of een gevangenis, 
in afwachting op de daadwerkelijke plaatsing in een tbs-inrichting. Het 
gemiddelde aantal passanten in 2006 is afgenomen tot 146, het jaar daarvoor 
waren er nog 214 passanten. De gemiddelde wachttijd groeide licht in 
de periode 1995 -1997 van ongeveer tien maanden tot een jaar. Vervolgens 
daalde de wachttijd weer tot acht maanden in 2006 (tabel 6.11). Volgens de 
Beginselenwet Terbeschikkinggestelden (1997) moet een tbs’er binnen zes 
maanden nadat de tbs-termijn is gaan lopen, worden geplaatst. Een tbs-
passant heeft recht op een vergoeding vanaf zes maanden na de ingangsdatum 
van de tbs. De vergoeding bedraagt € 350 per maand. Dit bedrag 
wordt per drie maanden verhoogd met € 125. De tbs-gestelde krijgt de 
vergoeding pas op het moment dat de plaatsing gerealiseerd is. 
De gemiddelde intramurale behandelduur is sinds 1995 toegenomen (zie 
tabel 6.12). De behandelduur van de personen die zijn uitgestroomd in het 
jaar 1995 kwam uit op gemiddeld 4,9 jaar, terwijl de behandelduur van het 
uitstroomcohort 2006 gemiddeld 7,4 jaar bedroeg. De berekeningswijze 
van de gemiddelde behandelduur van een uitstroomcohort is gelijk aan het 
rekenkundige gemiddelde van de duur van alle beëindigde behandelingen 
in een jaar, inclusief justitiabelen die zijn doorgestroomd naar proefverlof 
en/of voorwaardelijke beëindigingen. Aan deze eenvoudige berekeningswijze 
kleeft echter wel een bezwaar. Omdat de behandeltermijn van een tbs-
gestelde pas kan worden vastgesteld bij beëindiging van zijn tbs-maatregel 
of bij aanvang van zijn proefverlof, blijft met deze trendanalyse buiten beeld 
dat het aantal tbs-gestelden dat naar verwachting niet of voorlopig niet vrijkomt, 
eveneens is toegenomen (o.a. de longstay-populatie). 
Een andere manier voor het berekenen van de gemiddelde behandelduur 
gaat niet uit van uitstroomcohorten, maar van instroomcohorten, dus berekend 
over alle mensen die in een bepaald jaar instromen. Hoe recenter het 
instroomjaar, hoe meer behandelingen er op het meetmoment nog lopen 
en hoe moeilijker deze gemiddelde behandelduur te voorspellen is. Maar 
voor de wat oudere instroomjaren kan een deel van de berekening worden 
gebaseerd op gegevens van patiënten die daadwerkelijk zijn uitgestroomd 
en behoeft alleen voor het deel dat niet is uitgestroomd een schatting te 
worden gemaakt. Na het schatten van deze duur kan vervolgens de totale 
gemiddelde behandelduur worden geraamd voor een geheel instroom-
cohort. Er zijn vele methoden waarmee men dergelijke schattingen kan 
maken. Op basis van deze berekeningen voorspelt DJI voor de personen die 
in de periode 1995-2000 zijn ingestroomd, een gemiddelde behandelduur 
die een paar jaar langer is dan de gemiddelde behandelduur van de meest 
recente uitstroomcohorten. 


194 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Kenmerken van de tbs-populatie 

Het Dr. F.S. Meijers Instituut heeft vanaf 1995 een bestand met gedetailleerde 
gegevens over de bevolking van de tbs-inrichtingen bijgehouden. 
Het op deze gegevens gebaseerde rapport ‘De Terbeschikkingstelling in 
Maat en Getal’ (Van Emmerik, 2001) presenteert een uitgebreide beschrijving 
van de tbs-populatie in de periode 1995-2000. 
Deze kenmerken zijn over het algemeen redelijk constant in de periode 
1995- 20052 (zie tabel 6.13 in bijlage 4). 
Op basis van gegevens die door DJI bij de FPC’s worden verzameld (meting 
2005), kan de tbs-populatie als volgt worden gekenschetst: het merendeel 
is man (94%), de gemiddelde leeftijd is 37 jaar, 73% is in Nederland geboren, 
74% is nooit gehuwd geweest, 85% heeft niet meer dan buitengewoon 
of lager onderwijs genoten, 65% was verslaafd ten tijde van het delict, en 
63% was al eerder veroordeeld tot een gevangenisstraf. Opmerkelijk is het 
feit dat 4% van de tbs-populatie al een keer eerder was veroordeeld tot tbs 
met verpleging. In de jaren negentig schommelde dit percentage rond 8%. 
Dit duidt erop dat men in de loop der tijd voorzichtiger is geworden met 
het beëindigen van de tbs-maatregel. Dit zou wellicht mede een verklaring 
zijn voor de oplopende gemiddelde behandelduur. 
Bij alle tbs-gestelden in 2005 is sprake van een agressieve component 
in het gepleegde delict, waarvan 32% met een seksuele component. Het 
aantal tbs-gestelden waarbij sprake was van een vermogenscomponent 
is toegenomen. In 2005 is dit percentage 39%, in 2000 was dit percentage 
nog 30%. Bij 13% van de tbs-populatie was brandstichting (mede) aanleiding 
voor de tbs. 

Beëindiging van de tbs-maatregel 

Tbs met bevel tot verpleging wordt voor twee jaar opgelegd. De maatregel 
kan in de meeste gevallen3 door de rechter worden verlengd op vordering 
van de officier van justitie, na zwaarwegend advies van de behandelinrichting. 
Wanneer de rechter in afwijking van het advies van de behandelaars 
de tbs niet verlengt of de officier van justitie tegen het advies van 
de behandelaars geen vordering doet, wordt gesproken van een contraire 
beëindiging. 
Vanaf de invoering van de Wet Fokkens in oktober 1997 is voorwaardelijke 
beëindiging van de tbs door de rechter mogelijk. Hierbij wordt de behandeling 
gestopt terwijl de tbs doorloopt, en bestaat de mogelijkheid voor 
een nieuwe last tot verpleging als niet aan de voorwaarden wordt voldaan 

2 

Voor 2006 waren een aantal achtergrondkenmerken nog niet bekend, vandaar dat de beschrijving van 
de tbs-populatie is gericht op het jaar 2005. 
3 

Verlenging is mogelijk ‘als de veiligheid van anderen of algemene veiligheid van personen of goederen 
dat eist’ (artikel 38d lid 2 Sr). Bovendien mag de totale duur van de tbs niet langer worden dan vier jaar, 
tenzij betrokkene is veroordeeld vanwege bepaalde omschreven (seksuele) geweldsmisdrijven (artikel 
38e Sr). 


Tenuitvoerlegging van sancties 195 

of als ernstig gevaar voor recidive ontstaat. De reclassering is belast met 
de begeleiding van de tbs-gestelde en het toezicht op de naleving van de 
voorwaarden. 

6.1.3 Justitiële jeugdinrichtingen (JJI) 
In deze paragraaf komt de tenuitvoerlegging van aan minderjarigen opgelegde 
sancties aan bod. Over het algemeen zal hier worden gesproken over 
‘jongeren’. Immers, wanneer betrokkenen zich bevinden in de fase van 
tenuitvoerlegging van de sanctie is er vaak de nodige tijd verstreken sinds 
het plegen van het delict. Een deel van de betrokkenen is dan inmiddels 
meerderjarig. 
De tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen 
vindt bij jongeren plaats in justitiële jeugdinrichtingen. In die jeugdinrichtingen 
verblijven niet alleen jongeren op strafrechtelijke titel, maar 
ook op civielrechtelijke gronden. 
Hieronder worden de instroomcategorieën van jeugdigen die in justitiële 
jeugdinrichtingen worden opgenomen kort omschreven (bron: DJI). 

Voorlopig gehechten. Wanneer jeugdige verdachten van een (ernstig) 
misdrijf door de politie zijn gearresteerd, kan de rechter op voorstel van 
de officier van justitie beslissen tot voorlopige hechtenis. Een minderjarige 
gaat dan naar een justitiële opvanginrichting. 

Zelfmelders. Deze categorie omvat jeugdigen die zich op het moment dat 
de opgelegde jeugddetentiestraf onherroepelijk is geworden, niet in voorlopige 
hechtenis bevinden. 
Het gaat hier om de zogenoemde ‘lopende vonnissen’. Indien de jeugdige 
de opgelegde straf niet al eerder volledig in voorlopige hechtenis heeft 
uitgezeten, kan hij voor het ondergaan van de (restant)straf worden geselecteerd 
voor de zogenoemde ‘zelfmeldprocedure’. Dat wil zeggen dat 
hij gelegenheid krijgt zichzelf te melden aan de poort van een opvanginrichting 
om zijn straf uit te zitten. Uiteraard met aftrek van de dagen die 
eventueel in voorarrest zijn doorgebracht. Op verzoek van de jeugdige 
kan uitstel worden verleend in verband met bijvoorbeeld school of werk of 
andere (persoonlijke) omstandigheden (zoals bijvoorbeeld een huwelijk). 
De straf voor niet-melding is arrestatie en plaatsing in een opvanginrichting 
op enig, voor de jeugdige onbekend, moment. 

Arrestanten. Dit zijn jeugdigen die zijn gearresteerd omdat ze onder de 
executie van een straf probeerden uit te komen. In vergelijking met het 
volwassenencircuit is deze groep niet alleen absoluut, maar ook relatief 
erg klein. De belangrijkste subgroepen zijn: 

– 
personen die wel voor de oproepprocedure zijn geselecteerd, maar die 
zich niet hebben gemeld; 

196 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

– 
personen met een lopend vonnis die niet zijn geselecteerd voor de 
oproepprocedure, bijvoorbeeld omdat ze geen bekend (vast) adres 
hebben; 
– 
personen die niet zijn teruggekeerd naar de inrichting die ze met toestemming 
tijdelijk mochten verlaten; 
– 
personen die een inrichting zijn ontvlucht; 
– 
personen die hun boete(s) niet hebben betaald. 
Arrestanten worden in tegenstelling tot volwassenen niet geplaatst in 
speciale opvanginrichtingen, maar in reguliere opvanginrichtingen. 
(Omdat het op basis van de beschikbare gegevens niet mogelijk is om 
arrestanten te onderscheiden van ‘reguliere’ jeugddetenties en tenuitvoerleggingen 
van (voorwaardelijke) jeugddetenties, ontbreekt het cijfer over 
het aantal ingestroomde arrestanten in 2006). 

Illegale vreemdelingen. Dit zijn buitenlandse jeugdigen zonder geldige 
verblijfstitel die op grond van de Vreemdelingenwet zijn gearresteerd. 
Weliswaar wordt geen strafrecht toegepast, maar de directe aanleiding 
voor de aanhouding van de illegale vreemdeling is niet zelden een 
(minder ernstig) misdrijf. Ook deze categorie is in vergelijking met het 
volwassenencircuit absoluut en relatief erg klein, en ook deze groep wordt 
in reguliere opvanginrichtingen geplaatst. Als de politie tijdens het verblijf 
op het politiebureau niet genoeg informatie kan verzamelen om uitzetting 
binnen enkele dagen mogelijk te maken, wordt de vreemdelingenbewaring 
beëindigd of volgt overplaatsing naar een opvanginrichting. Daarna 
wordt verder gewerkt aan de zaak. Maar ook dan is de uitkomst lang niet 
altijd uitzetting. 

OTS’ers of voogdij. Deze categorie omvat jeugdigen die onder toezicht zijn 
gesteld of onder voogdij staan en voor wie de rechter civielrechtelijk en op 
verzoek van de (gezins)voogd een machtiging heeft verleend tot plaatsing 
in een (gesloten) justitiële jeugdinrichting. In een crisissituatie wordt de 
jeugdige geplaatst in een opvanginrichting. Directe plaatsing in een justitiële 
behandelinrichting is mogelijk als op grond van rapportages duidelijk 
is dat alleen een langdurige behandeling in een dergelijke inrichting 
nog een wending in het leven van de jeugdige kan bewerkstelligen. 
De oplegging van een (civielrechtelijke) ondertoezichtstelling, die het 
gezag van de ouders beperkt, wordt uitgesproken wanneer de jeugdige 
zodanig opgroeit, dat hij met zedelijke of lichamelijke ondergang wordt 
bedreigd (bijvoorbeeld als gevolg van een zeer problematische thuissituatie). 


PIJ’ers. Dit zijn jeugdigen die veroordeeld zijn tot de strafrechtelijke maatregel 
PIJ (plaatsing inrichting voor jeugdigen). 


Tenuitvoerlegging van sancties 197 

Voor het opleggen van de maatregel dient aan drie voorwaarden te zijn 
voldaan: 

– 
er moet sprake zijn van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is 
toegestaan; 
– 
de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen 
of goederen eist het opleggen van de maatregel; 
– 
de maatregel dient in het belang te zijn van een zo gunstig mogelijke 
ontwikkeling van de jeugdige veroordeelde. 
De behandelmaatregel geldt voor de tijd van twee jaar. Verlenging met 
maximaal twee jaar is mogelijk als een misdrijf is begaan dat gericht is 
tegen, of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam 
van één of meer personen. Een tweede verlenging met nog eens maximaal 
twee jaar is mogelijk indien bij de verdachte tijdens het begaan van het feit 
een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestesvermogens 
bestond. De maximale looptijd van de maatregel is dus zes jaar. 
Een scholings- en trainingsprogramma (STP) is een manier om jongeren 
al in de samenleving te plaatsen, terwijl hun straf of maatregel nog niet 
is afgelopen. Het doel hiervan is de overgang van de inrichting naar de 
samenleving minder groot te maken, zodat de kans op een succesvolle 
re-integratie toeneemt. De jongeren kunnen buiten de inrichting bijvoorbeeld 
een opleiding volgen. Een tweede doelstelling is het verminderen 
van de druk op de capaciteit (Jaarbericht DJI, 2006). 

Opvanginrichtingen versus behandelinrichtingen 

Ons land kent twee soorten justitiële jeugdinrichtingen: opvanginrichtingen 
en (open)behandelinrichtingen. Betrokkenen worden in een 
opvanginrichting geplaatst voor de tenuitvoerlegging van jeugddetentie4 
en voor het ondergaan van voorlopige hechtenis. Ook kunnen minderjarigen 
die zijn veroordeeld tot de maatregel ‘plaatsing in een inrichting 
voor jeugdigen’ (PIJ-maatregel) tijdelijk in een opvanginrichting verblijven, 
in afwachting van een plaats in een behandelinrichting. Naast 
deze strafrechtelijke plaatsingen dienen de opvanginrichtingen ook voor 
(minderjarigen)vreemdelingenbewaring en voor de crisisopvang van 
civielrechtelijk ondertoezichtgestelden. 
Een behandelinrichting is bestemd voor de opvoeding, verzorging en/of 
behandeling van jongeren aan wie een maatregel is opgelegd. Dat kan de 
via het strafrecht opgelegde PIJ-maatregel5 zijn, of een civielrechtelijke 
ondertoezichtstelling of voogdijmaatregel. In 2006 zijn er 628 PIJ-maatregelen 
opgelegd (zie tabel 6.14). 

4 
Deze is in 1995 in de plaats gekomen van de tuchtschoolstraf en de arreststraf uit het voormalige 
jeugdstrafrecht. 

5 
Voorheen, dat wil zeggen voor 1995, waren dit de maatregelen: plaatsing in een inrichting voor 
bijzondere behandeling (PIBB) en terbeschikkingstelling van de regering (jeugd-tbr). 


198 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

In- en uitstroom en capaciteit van de justitiële jeugdinrichtingen 

De capaciteit van de justitiële jeugdinrichtingen is in de afgelopen jaren 
gegroeid. Was de gemiddelde capaciteit in 1995 ruim 970 plaatsen, in 2006 
was het aantal plaatsen ongeveer 2.670 (zie tabel 6.15 in de bijlage). 
De tabellen 6.16, 6.17 en 6.18 geven respectievelijk de instroom-, doorstroom- 
en uitstroomgegevens weer van de justitiële jeugdinrichtingen. 
In het jaar 2006 zijn in totaal 4.751 jeugdigen ingestroomd in een JJI vanuit 
de vrije maatschappij of politiecel. Het aantal jeugdigden dat uitstroomde 
in dit jaar was 1.087. 
Van de jongeren die in 2006 op basis van voorlopige hechtenis in een justitiële 
inrichting zijn geplaatst, had 21% een vermogensdelict zonder geweld 
gepleegd, 71% was geplaatst voor het plegen van een geweldsdelict tegen 
personen. Opvallend is, dat het percentage vermogensdelicten zonder 
geweld voor deze groep sinds 1995 is afgenomen, terwijl het percentage 
geweldsdelicten tegen personen sinds 1995 juist is toege nomen (zie tabel 
6.19). 
Onderstaand worden de capaciteit en de populatie van de opvang- en 
behandelinrichtingen apart beschreven. 

Capaciteit en populatie van de opvanginrichtingen 

Figuur 6.7 en tabel 6.20 in de bijlage laten zien hoe de bevolking van de 
opvanginrichtingen eruitziet. Doorgaans is de meest voorkomende verblijfstitel 
in een justitiële opvanginrichting de voorlopige hechtenis. Een 
verdachte kan in voorlopige hechtenis worden genomen wanneer hij/zij 
een ernstig strafbaar feit heeft gepleegd en de officier van justitie een reële 
kans op herhaling en/of op onttrekking aan het strafproces aanwezig 
acht. De voorlopige hechtenis kan in principe ten uitvoer worden gelegd 
op elke plaats6 die de kinderrechter – in de hoedanigheid van rechter-
commissaris – daartoe geschikt acht, maar doorgaans gebeurt dit in een 
justitiële opvanginrichting. In 2006 zit 40% van de pupillen in de opvang-
inrichtingen op titel van voorlopige hechtenis. Het percentage jeugdigen 
dat is ingesloten vanwege een jeugddetentiestraf is 10% in 2006. Het percentage 
jeugdigen met een strafrechtelijke maatregel is eveneens 10%. 
Opvallend is, dat het aantal jeugdigen met een civielrechtelijke titel in een 
opvanginrichting eveneens 40% is in 2006. In de periode 1995-2006 is dit 
aantal zelfs met 30% toegenomen. In absolute aantallen is deze stijging 
nog groter. Het in 2001/2002 – in samenspraak tussen het Ministerie van 
Justitie, de gezinsvoogdij en DJI – gemaakte ‘Convenant crisis OTS’ heeft 
hieraan bijgedragen. Dit convenant voorziet onder meer in snellere plaatsing 
van ondertoezichtgestelden (in crisissituaties) in opvanginrichtingen 
(DJI, Jaarverslag 2001). 

6 Voorlopige hechtenis kan ook ten uitvoer worden gelegd in een particulier opvangtehuis, in het ouderlijk 
huis of elders. Nieuwe vormen van voorlopige hechtenis zijn elektronisch huisarrest en nachtdetentie. 


Tenuitvoerlegging van sancties 199 

Figuur 6.7 Verblijfstitel van de bevolking in de opvanginrichtingen 

1.200 

1.000 

800 

600 

400 

200 

0 

1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 


Vrijheidsstraf 
maatregel* 

Civielrechtelijke 

Strafrechtelijke 

Voorlopige 
maatregel hechtenis 

* 
De categorie civielrechtelijk omvat tevens de ‘voortgezette hulpverlening’, dat is de hulp aan 
ex-OTS- en ex-voogdij-jongeren die na het bereiken van de 18-jarige leeftijd kiezen voor een 
verlenging van hun verblijf in de inrichting. 
Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 6.20 in bijlage 4. 
Bron: DJI 

De capaciteit van de opvanginrichtingen bedroeg in 2006 1.205 plaatsen 
(zie tabel 6.20 in bijlage 4). In 1995 was de capaciteit nog 348 plaatsen. Het 
aantal opnames in een opvanginrichting bedroeg in 1995 1.809 personen, 
elf jaar later is dat drie keer zoveel: 5.617 personen. 
Het aandeel meisjes in de opvanginrichtingen is de laatste jaren fors 
gegroeid: van 8% in 1995 naar 22% in 2006. 
Sinds de inwerkingtreding van het ‘nieuwe’ jeugdstrafrecht in 1995 is er 
een verschuiving zichtbaar in de verdeling van de leeftijdscategorieën. 
Met name het aandeel gedetineerden dat ouder is dan 18 jaar is gegroeid: 
van 6% in 1995 naar 15% in 1998. Na 1998 blijft dit aandeel redelijk 
stabiel op 15%. Deze toename heeft uiteraard alles te maken met het feit 
dat een vrijheidsstraf volgens het minderjarigenstrafrecht sinds 1995 
twee jaar als maximum heeft. Voor de invoering van deze ‘jeugddetentie’ 
was er de ‘tuchtschoolstraf’, die voor maximaal zes maanden kon worden 
opgelegd. 


200 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Het aandeel allochtonen7 in de instroom in opvanginrichtingen daalt na 
1998 van 70% naar 60% in 2006. 

Figuur 6.8 Verblijfstitel van de bevolking in de behandelinrichtingen 

1.400 

1.200 

1.000 

800 

600 

400 

200 

0 

Civielrechtelijke 

Strafrechtelijke 
maatregel maatregel 

Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 6.21 in bijlage 4. 
Bron: DJI 


Capaciteit en populatie van de behandelinrichtingen 

Figuur 6.8 en tabel 6.21 in de bijlage schetsen een beeld van de capaciteit 
en bevolking van de behandelinrichtingen. De gemiddelde gerealiseerde 
capaciteit blijft stijgen: in 1995 was de capaciteit nog 606 plaatsen, in 2006 
is het aantal plaatsen opgelopen tot 1.469 plaatsen. 
Evenals bij de opvanginrichting blijft het aantal gedetineerden de afgelopen 
tien jaar gestaag groeien. In 2006 verbleef bijna twee op de drie 
jongeren in de behandelinrichtingen op civielrechtelijke gronden (een 
ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing of een voogdijstelling). 
Ruim een derde van de jongeren verbleef op strafrechtelijke gronden in de 
behandelinrichtingen. 

7 

‘Allochtoon’ is hier gedefinieerd als een jongere die in het buitenland is geboren, of waarvan een van de 
ouders buiten Nederland is geboren. 

1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 



Tenuitvoerlegging van sancties 201 

In tegenstelling tot de sterke groei van het aandeel meisjes in de opvang-
inrichtingen blijft het aandeel meisjes in behandelinrichtingen schommelen 
rond 30%. 
Het aantal jongeren in de behandelinrichtingen in de leeftijd van 18 jaar 
en ouder is flink toegenomen in de periode 1995-2006. In 1995 is dit 
percentage 18%, in 2006 is dit 30%. De stijging in deze leefijdsgroep is ook 
te zien bij de opvanginrichtingen, echter bij de opvanginrichtingen is deze 
stijging minder fors. Het aantal 14-15-jarigen is gedaald in de behandel-
inrichtingen, van 29% in 1995 tot 22% in 2006. Ook het aantal 13-jarigen 
daalt over deze periode, maar minder fors, van 5% naar 2%. 
De gemiddelde verblijfsduur in een behandelinrichting is 423 dagen in 
2006. Het aantal opnames van allochtonen in behandelinrichtingen is in 
de periode 1995-2006 met 10% toegenomen. 

6.2 Tenuitvoerlegging van vrijheidsbeperkende sancties 
Naast de vrijheidsbenemende sancties, die intramuraal ten uitvoer worden 
gelegd, worden de vrijheidsbeperkende sancties onderscheiden. In deze 
paragraaf komt de tenuitvoerlegging van de taakstraffen bij meerder- en 
minderjarigen aan bod door respectievelijk de reclassering en de Raad 
voor de Kinderbescherming. 

6.2.1 Tenuitvoerlegging taakstraffen meerderjarigen 
Taakstraffen voor meerderjarigen worden ten uitvoer gelegd onder de 
verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie, de uitvoering berust 
bij de reclassering. Met ingang van 1 februari 2001 worden de taakstraffen 
(vonnissen door de rechter en transacties door het OM) voor 
meerderjarigen naar het CJIB gestuurd. Het Landelijk Coördinatiepunt 
Arrestatiebevelen (LCA) van het CJIB heeft een coördinerende rol bij de 
uitvoering van taakstraffen. 
De reclassering kent drie uitvoeringsorganisaties. De grootste uitvoeringsorganisatie 
is Reclassering Nederland (voorheen Stichting Reclassering 
Nederland, SRN). De Stichting Verslavingsreclassering GGZ en het 
Leger des Heils zijn de andere twee uitvoeringsorganisaties van de reclassering. 
De gegevens van de drie uitvoeringsorganisaties zijn afkomstig 
van Reclassering Nederland. 

Producten reclassering 

Reclassering Nederland kent verschillende producten. Naast de werk- en 
leerstraffen zijn dit bijvoorbeeld vroeghulpen, vroeghulpinterventie en 
toezichten. Onderstaand wordt een omschrijving gegeven van alle producten 
van RN (bron: RN). 


202 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Vroeghulpen en vroeghulpinterventie. Vroeghulpen zijn de eerste bezoeken 
aan een arrestant, in verzekering gestelde of in bewaring gestelde 
verdachte. De vroeghulpinterventie is een rapport ten behoeve van de 
Rechterlijke Macht waarin een aanbeveling wordt gedaan over het al dan 
niet voortduren van de voorlopige hechtenis. 

Diagnose en Diagnose met RISc. Een diagnose is een methodische aanpak 
om de problematiek van een dader of verdachte in kaart te brengen, waarbij 
het accent ligt op het delictgedrag en een risico-inschatting op herhaling. 
Het doel is te bepalen welke interventie nodig is om recidive tegen te 
gaan. 
Bij de diagnose met RISc wordt het instrument Recidive Inschattings 
Schalen gebruikt (sinds 2004). Op basis van criminogene factoren wordt 
een inschatting gemaakt van het recidiverisico. Op basis van de diagnose 
wordt bepaald welke interventies en risicomanagement nodig is om 
recidive terug te dringen. 

Voorlichtingsrapporten, adviesrapporten en maatregelrapporten. Een 
voorlichtingsrapport bevat zo veel mogelijk relevante gegevens over 
de verdachte in relatie tot het gepleegde delict. Dit rapport is een 
advies aan de Rechterlijke Macht met het oog op de beslissing over 
vervolging, berechting of de tenuitvoerlegging van straf (fen) en/of 
(straf)maatregel(en). 
In een adviesrapport wordt beperkte, schriftelijke informatie verstrekt 
over de cliënt aan een (justitiële) instantie in antwoord op een gerichte 
vraag dan wel een te nemen beslissing. 
Een maatregelrapport bevat de schriftelijke informatie aan het Ministerie 
van Justitie, tbs-inrichting en/of de Rechterlijke Macht, met het oog op de 
beslissing over vervolging en berechting waarbij een tbs-maatregel geïndiceerd 
is en met het oog op indicatiestelling, aanvang en uitvoering van de 
tenuitvoerlegging van een tbs-maatregel. 

Toezicht. Toezicht is gestructureerde controle en begeleiding van een 
dader of verdachte door de reclassering. Het doel is ervoor te zorgen dat 
de justitiële beslissing die is opgelegd, door de dader of verdachte wordt 
uitgevoerd. 

Toeleiding zorg. Soms is extra hulp noodzakelijk. Dan kan samenwerking 
gezocht worden met veel verschillende partnerorganisaties binnen én 
buiten de strafrechtketen. En ook met allerlei zorginstellingen, zoals de 
riagg’s, maar bijvoorbeeld ook psychiatrische afdelingen en psychiatrische 
ziekenhuizen. Soms is bij een verdachte sprake van psychiatrische 
problematiek die in relatie staat tot het delict. Toeleiding zorg is een 
samenstel van activiteiten van Reclassering Nederland dat leidt tot plaatsing 
en/of behandeling van delictplegers in een zorginstelling. Dat kan 


Tenuitvoerlegging van sancties 203 

ook ambulante behandeling zijn of plaatsing in een maatschappelijke 
opvangorganisatie. 

Gedragsinterventies. Dit is een programmatisch en gestructureerd geheel 
van methodische handelingen gericht op het beïnvloeden van iemands 
gedrag of omstandigheden, met als doel het voorkomen van recidive. 

Werkstraffen en leerstraffen. Een werkstraf is de uitvoering van onbetaalde 
arbeid als straf binnen de executie van een justitiële beslissing. Een 
leerstraf is een erkend programma (of erkende programma’s) binnen de 
executie van een justitiële beslissing. 

Producten TR. Binnen het programma Terugdringen Recidive worden 
adviesrapporten, RISc-diagnoses, gedragsinterventies, toezichten en 
toeleidingen zorg uitgevoerd. 

Populatie Reclassering Nederland 

Tabel 6.22 in bijlage 4 geeft een overzicht van de populatie van de reclassanten 
van RN over de periode 2003-2006. Het aantal reclassanten is niet 
noodzakelijkerwijs gelijk aan het aantal producten, omdat er per reclassant 
meedere producten aangeboden kunnen worden. 
Het aantal reclassanten in 2006 is gedaald met 8% ten opzichte van het 
jaar daarvoor. In 2006 zijn er iets minder vrouwelijke reclassanten, 12% 
ten opzichte van 15% in de voorgaande twee jaren. Het merendeel van 
de reclassanten komt binnen voor het plegen van een geweldsdelict. 
Het aantal reclassanten dat met een drugsdelict binnenkomt is met 3% 
gedaald in het jaar 2006, ten opzichte van vorige jaren. 


Afgeronde toezichten 

Tabel 6.23 geeft het aantal afgeronde toezichten in 2006 uitgesplitst 
naar reclasseringsorganisatie. Totaal zijn er 12.098 afgeronde toezichten 
geweest in het jaar 2006. Het Leger des Heils, de kleinste uitvoeringsorganisatie 
van de reclassering, had in 2006 totaal 1.041 reclassanten onder 
zijn hoede. Bijna 80% van de reclassanten bij het Leger des Heils kwam 
binnen met een vermogensdelict of een agressiedelict tegen personen. 
Van de 6.890 reclassanten bij RN had 40% een agressiedelict tegen personen 
gepleegd, 25% had een vermogensdelict gepleegd. Ongeveer 10% 
is bij RN terechtgekomen voor het plegen van een zedendelict. Bij de 
GGZ kwam in 2006 ongeveer een derde van de 3.940 reclassanten binnen 
wegens een geweldsdelict (excl. zeden) tegen personen. Ongeveer 45% 
kwam binnen voor het plegen van een vermogensdelict. 
De GGZ heeft ten aanzien van RN en het Leger des Heils de meeste reclassanten 
met een verkeersdelict, namelijk 5%, tegen respectievelijk 1 en 2%. 
Het totaal aantal succesvol afgeronde toezichten in 2006 bedraagt 
89%. Bij de GGZ is dit aantal met 83% lager dan bij de twee andere 


204 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

0 
5.000 
10.000 
15.000 
20.000 
25.000 
30.000 
35.000 
Afgeronde taakstraffen 
uitvoeringsorganisaties. Bij RN was het percentage succesvol afgeronde 
toezichten 91%, bij het Leger des Heils was dit 89%. 

Ontwikkeling voltooide taakstraffen 

Figuur 6.9 toont het totaal aantal voltooide taakstraffen van de drie 
reclasseringsorganisaties in de periode 2001-2006. Het aantal voltooide 
taakstraffen is gestegen in deze periode. In 2001 was het totaal aantal 
voltooide taakstraffen ongeveer 14.000, in 2006 is dit aantal meer dan verdubbeld. 


Figuur 6.9 
Totaal aantal voltooide taakstraffen van de drie reclasseringsorganisaties 
2001-2006 

2001 
2002 2003 2004 2005 2006 

Voor de onderliggende cijfers zie tabel 6.24 in bijlage 4. 
Bron: RN 

Wanneer een taakstraf mislukt, bijvoorbeeld omdat betrokkene zich 
niet bij de reclassering meldt voor het intakegesprek of zich niet aan de 
afspraken houdt tijdens de uitvoering van het project, kan de taakstraf 
in opdracht van het OM worden omgezet in vervangende hechtenis. Een 
andere mogelijkheid is dat de zaak teruggaat naar het OM, dat de zaak dan 
opnieuw beoordeelt (zie ook verderop in deze paragraaf). De doorlooptijd 
bij de reclassering van een taakstraf opgelegd door het OM bedroeg 
gemiddeld 148 dagen na het starten van de taakstraf. Voor een vonnis gold 
dat deze taakstraf gemiddeld 240 dagen bedroeg, al dan niet met succes 
afgerond (bron: jaarbericht CJIB 2006). 

De meeste taakstraffen worden doordeweeks uitgevoerd, maar ook in het 
weekend worden taakstraffen ten uitvoer gelegd. Een minderheid van de 
taakstrafprojecten legt de reclassering ten uitvoer in een project dat zij in 


Tenuitvoerlegging van sancties 205 

eigen beheer heeft. Figuur 6.10 geeft een beeld van de aard van de werkzaamheden 
die taakgestraften in 2002 uitvoerden. 

Figuur 6.10 Typen werkzaamheden werkstrafprojecten in %, 2002 

Onderhoudswerkzaamheden 
Combinatie van werkzaamheden 
Huishoudelijk werk 
Tuinonderhoud/terreinonderhoud 
Schoonmaakwerkzaamheden 
Keukenwerkzaamheden 
Overige 
Administratieve werkzaamheden 
Verzorgende werkzaamheden 
Dierenverzorging 
Magazijn en intern transport 

0% 5% 10% 15% 20% 25% 30% 35% 


Bron: RN 

Werk- en leerstraffen 

In tabel 6.25 is een overzicht gegeven van het aantal afgeronde taakstraffen 
uitgesplitst naar reclasseringsorganisatie en soort taakstraf. De afgeronde 
taakstraffen zijn inclusief taakstraffen die voortijdig zijn beëindigd 
om verschillende redenen. In 2006 is het totaal aantal afgeronde taakstraffen 
van de drie reclasseringsorganisaties 44.850. Hiervan was 95% 
een werkstraf, 4% een leerstraf en 1% een combinatie van een werk- en 
leerstraf. 
Ruim 80% van de werkstraffen wordt ten uitvoer gelegd bij RN. Het 
percentage combinaties van werk-en leerstraffen bij RN is 13%. Bij de GGZ 
en het Leger des Heils is dit percentage respectievelijk 54% en 33%. Bijna 
40% van de reclassanten met een agressiedelict tegen personen krijgt een 
combinatie van een werk- en leerstraf. 
Gemiddeld gezien, duurt een combinatie van een werk- en leerstraf 
54 uur. Voor een werkstraf wordt gemiddeld 78 uur opgelegd, een leerstraf 
duurt gemiddeld 34 uur. 
Het totaal aantal afgeronde taakstraffen bij Reclassering Nederland is 

36.050 in 2006. Hiervan zijn 250 leerstraffen en 2.570 werkstraffen voortijdig 
beëindigd. Het aantal niet gestarte taakstraffen, maar wel een intake 
met de cliënt, is 2.670. Het aantal mislukte taakstraffen (onder meer 
omdat er geen contact tot stand is gekomen met de cliënt) is 4.160 in dit 
jaar. In 2006 zijn er 380 taakstraffen retour gestuurd naar het OM. 

206 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

De RISc, Recidive Inschattings Schalen 

Sinds 2006 wordt de RISc ingezet bij Reclassering Nederland. Dit is een 
instrument dat wordt gebruikt om in te schatten wat het recidiverisico 
is van reclassanten. De RISc wordt ingezet bij het voorbereiden van een 
maatregelrapport, maar ook bij specifieke dadergroepen waarvoor regionaal 
afspraken zijn gemaakt om de RISc af te nemen. Daarnaast wordt de 
RISc ook ingezet ten behoeve van voorlichtingsrapportages voor de zitting, 
en het re-integratieplan Terugdringen recidive en het adviesrapport, 
als uit eerder advies is gebleken, dat de recidivekans gemiddeld of hoog is. 
De RISc wordt dus afgenomen bij een deel van de justitiabelen die met RN 
in aanraking zijn gekomen (bron: RN). 
Tabel 6.26 in bijlage 4 geeft de RISc-populatie van de reclassering weer 
in 2006. Totaal ging het om 10.364 personen. Hiervan is 90% man. Van de 
personen bij wie de RISc is afgenomen is 88% nooit dakloos geweest. In 
7% van de gevallen is iemand voor een periode van maximaal zes maanden 
dakloos geweest. 4% van de totale groep is langer dan zes maanden 
dakloos geweest. 
Meer dan de helft van de totale groep heeft een opleiding gevolgd en afgerond 
met een diploma, die toegang geeft tot de arbeidsmarkt. In 30% van 
de gevallen was er wel een opleiding gevolgd, maar deze was niet afgerond 
met een diploma en was er geen toegang tot de arbeidsmarkt. Een 
klein percentage personen is ongeschoold of heeft de basisschool, danwel 
speciaal onderwijs, niet afgerond, namelijk 16%. 17% van de totale groep 
heeft vaak gespijbeld, geen diploma’s of geen vervolgonderwijs gevolgd. 
9% is analfabeet. 
Ongeveer twee derde van de groep is gemotiveerd voor werk en school. 
Meer dan de helft van de personen bij wie de RISc is afgenomen heeft 
werkervaring. Een derde van de personen is in het verleden weleens 
ontslagen. In de huidige werksituatie is een derde van de totale groep 
werkloos of niet beschikbaar voor werk. Bij de vrouwen is dit 43%. 

6.2.2 Tenuitvoerlegging taakstraffen minderjarigen 
De Raad voor de Kinderbescherming speelt een belangrijke, coördinerende 
rol bij de tenuitvoerlegging van taakstraffen bij minderjarigen. Als de 
officier van justitie of de rechter een jongere een taakstraf heeft opgelegd, 
wordt de Raad hiervan op de hoogte gesteld. De Raad zoekt geschikte 
plaatsen waar de werk- en leerstraffen kunnen worden uitgevoerd, en ziet 
erop toe dat de jongeren de opgelegde straf ook daadwerkelijk uitvoeren. 
De tenuitvoerlegging van werkstraffen vindt plaats bij niet-commerciële 
organisaties, zoals stichtingen, gemeentelijke instellingen en dergelijke. 
Een werkstraf kan, naast het werken bij een niet-commerciële instelling, 
ook het herstellen van de schade die de jongere heeft veroorzaakt, 
behelzen. Deze variant komt echter zelden voor. Bij een leerstraf gaat het 
om een training of een cursus. Een taakstraf van 100 uur of minder moet 


Tenuitvoerlegging van sancties 207 

binnen zes maanden zijn afgerond. Een taakstraf van 100 uur of meer binnen 
een jaar. 

Wanneer de jongere zich niet aan de regels houdt, zal de begeleider op 
de werk- of leerplaats dit melden aan de coördinator taakstraffen van de 
Raad. Er volgt dan een waarschuwing. Wanneer de jongere daarna weer in 
de fout gaat, wordt de taakstraf stopgezet en volgt hierover berichtgeving 
naar de officier van justitie. In het geval de taakstraf was opgelegd door 
de rechter kan de officier van justitie de tenuitvoerlegging van de vervangende 
jeugddetentie bevelen. Wanneer de mislukte taakstraf was overeengekomen 
met de officier van justitie, zal de officier de jongere alsnog 
vervolgen (bron: Raad voor de Kinderbescherming). 
Op basis van de gegevens van de Raad voor de Kinderbescherming kan 
het volgende beeld worden geschetst. 
De taakstraf heeft sinds het begin van zijn bestaan (1983, toen nog ‘alternatieve 
sanctie’ genoemd) een sterke groei doorgemaakt. In 1995 werden 

4.500 taakstraffen opgelegd, in 2006 bedroeg het aantal gestarte taakstraffen 
21.847 (zie tabel 6.27 in bijlage 4). 
In de periode 1998-2006 is het aantal afgesloten taakstraffen meer dan 
verdubbeld. Een relatief sterke groei is te zien bij de werkstraffen en bij de 
13- tot en met 14-jarigen. Het aantal afgesloten taakstraffen bij 12-jarigen 
daalt iets in 2005, in 2006 stijgt dit aantal weer licht (zie tabel 6.28). Na 
een daling van 3% in de periode 1999-2004, stijgt het mislukkingspercentage8 
weer. In 2006 is het aantal mislukte taakstraffen 3.163. Het aantal 
werkstraffen is in de periode 1999-2006 meer dan verdubbeld. Van de in 
2006 afgeronde taakstraffen was 78% een werkstraf, 15% een leerstraf en 
6% een combinatiestraf. Het mislukkingspercentage van werkstraffen 
is met 14% relatief laag, leerstraffen en combinatiestraffen kennen met 
respectievelijk 17% en 21% hogere mislukkingspercentages. Het relatief 
hoge mislukkingspercentage bij combinatiestraffen kan wellicht (mede) 
worden verklaard doordat het aantal opgelegde uren relatief hoog is: 
gemiddeld 64 uur in 2006. Dit is overigens wel lager dan in 2004, toen 
was het gemiddelde van opgelegde uren voor een combinatiestraf 84 
uur. Werkstraffen hebben een gemiddelde duur van 32 uur in 2006; voor 
leerstraffen is dat 30 uur in dit jaar. In 2006 werd 4% van de werkstraffen 
uitgevoerd door de (jeugd)reclassering. De jeugdreclassering wordt met 
name ingeschakeld bij jongeren met problemen die de kans op een criminele 
carrière vergroten, maar die niet voortkomen uit de opvoedingssituatie. 
Hierbij kan worden gedacht aan drugsgebruik, veelvuldig spijbelen, 
criminele vrienden en zwerfgedrag. Leerstraffen worden aanzienlijk 
minder vaak overgedragen aan de jeugdreclassering. 
Het mislukkingspercentage kan op verschillende manieren worden berekend. Hier is het aantal 
mislukte taakstraffen gedeeld door de som van het aantal geslaagde en mislukte taakstraffen. Andere 
wijzen van het beëindigen van (de betrokkenheid van de Raad bij) de taakstraf (zoals overdracht aan 
jeugdreclassering e.d.) zijn in deze berekening niet betrokken. 


208 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

In 2006 zijn ongeveer 12.400 overeengekomen taakstraffen afgesloten die 
waren ‘opgelegd’ door de officier van justitie (officiersmodel), en bijna 

10.700 taakstraffen die waren opgelegd door de rechter (rechtersmodel). 
De taakstraffen volgens het officiersmodel onderscheiden zich van die 
volgens het rechtersmodel, doordat ze gemiddeld relatief kort zijn (24 uur 
versus 54 uur), vaak een werkstraf zijn (85% versus 70%) en zelden een 
combinatiestraf (2% versus 12%), en doordat ze een laag mislukkingspercentage 
kennen: 10% versus 22% (zie ook hoofdstuk 5). 
Van de jongeren die zich bij de Raad melden voor de tenuitvoerlegging van 
een taakstraf wordt het geboorteland van de ouders geregistreerd. Van 32% 
van de jongeren (waarvan in 2006 de taakstraf is afgesloten) is bekend dat 
beide ouders in Nederland zijn geboren. Van 45% is bekend dat minstens 
éen van de ouders in Nederland is geboren en van 23% is dit gegeven niet 
bekend. In het geval van het officiersmodel krijgt bijna de helft van de 
jongeren met een in het buitenland geboren ouder zijn taakstraf van de 
officier van justitie. Wanneer beide ouders in Nederland zijn geboren, 
krijgt ongeveer 50% zijn taakstraf opgelegd door de officier van justitie, in 
het geval van het rechtersmodel is dit percentage ongeveer 33%. 
Uitsplitsing naar het delict waarvoor de jongeren zijn gestraft, leert dat 
het merendeel van de taakstraffen is opgelegd vanwege (gekwalificeerde) 
diefstal (35%), openlijke geweldpleging (16%) of (zware) mishandeling 
(12%).9 Overigens is uit deze cijfers niet af te leiden of de taakstraf in 
combinatie met enige andere straf werd opgelegd, bijvoorbeeld een jeugddetentie. 
6.3 Tenuitvoerlegging overige straffen en maatregelen 
6.3.1 Geldboetes 
De gegevensbestanden over inning van geldboetes maken geen onderscheid 
tussen misdrijven en overtredingen. Anders dan elders in dit 
rapport, beschrijft deze paragraaf derhalve misdrijven én overtredingen. 
Administratiefrechtelijke afdoeningen van verkeersvoorschriften blijven 
hier buiten beschouwing. 

Het inningsproces 

De inning van de door de rechter opgelegde boetes wordt sinds eind 1994 
verzorgd door het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB). Bij het onherroepelijk 
worden van een boetevonnis vindt een elektronische melding 
aan het CJIB plaats. Het CJIB zal hierop een verzoek tot betaling richten 
aan de veroordeelde. Wanneer de veroordeelde hier niet op reageert, 

9 

Van deze cijfers is geen tabel opgenomen in de bijlage. In een volgende editie van C&R zal de tabel wel 
worden opgenomen. 


Tenuitvoerlegging van sancties 209 

onderneemt het CJIB actie om het vonnis persoonlijk aan de veroordeelde 
te doen overhandigen (betekenen). Mocht het adres van de veroordeelde 
onbekend zijn, dan wordt de zaak opgenomen in het opsporingsregister 
(OPS). 
Na de betekening volgt opnieuw een aanschrijving. Wanneer dit niet 
binnen de gestelde termijn tot betaling leidt, wordt het boetebedrag 
van rechtswege verhoogd met € 10 en wordt een aanmaning verstuurd. 
Wanneer ook daarop niet wordt gereageerd, wordt een tweede aanmaning 
verstuurd en het bedrag wordt wederom verhoogd, nu met 20% en met een 
minimum van € 20. Wordt de boete daarna nog niet voldaan, dan wordt 
een dwangbevel uitgevaardigd en een gerechtsdeurwaarder ingeschakeld. 
Wanneer ook de gerechtsdeurwaarder niet slaagt, wordt een arrestatiebevel 
uitgezet bij de politie. Na arrestatie wordt de betrokkene voor de keuze 
gesteld: betalen of zitten. Het CJIB handelde in 2006 200.000 boetevonnissen 
af (misdrijven en overtredingen): in 65% van de afgedane zaken werd 
betaald (met een totaal bedrag van 51 miljoen euro), 4% eindigde met 
gratie of appel/cassatie en 13% van alle afdoeningen werd met vervangende 
hechtenis afgedaan.10 18% van de boetevonnissen werd oninbaar 
verklaard door onder meer executieverjaring (jaarbericht CJIB, 2006). 

Figuur 6.11 Bij het CJIB ter inning binnengekomen boetevonnissen, 

meerderjarigen, minderjarigen en rechtspersonen, naar 

rechtsprekend forum, 2006 

Kantongerecht 

Politierechter 

Gerechtshof 

Economische politierechter 

Overige rechtsprekende fora 

0 20.000 40.000 60.000 80.000 100.000 120.000 140.000 160.000 
Meerderjarig 

Minderjarig 

Rechtspersoon 

Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 6.29 in bijlage 4. 
Bron: CJIB 

10 Waarbij voor € 25 één dag hechtenis wordt gerekend. 


210 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Het aantal boetevonnissen dat binnen één jaar werd betaald in 2006 is 
66%, dit is 3% meer dan in het jaar daarvoor; binnen twee jaar is bijna 80% 
betaald. (zie tabel 6.30 in bijlage 4). Overigens betreffen deze gegevens het 
totale aantal boetes, inclusief boetes aan minderjarigen en rechtspersonen. 
Van de in 2006 te innen boetes is 95% opgelegd aan meerderjarigen, 
3,5% aan minderjarigen en 1% aan rechtspersonen. Met de in 2006 ter 
inning aan het CJIB aangemelde boetes was een totaalbedrag gemoeid van 
74 miljoen euro. Hiervan was 64 miljoen euro opgelegd aan meerderjarigen, 
ruim een half miljoen aan minderjarigen en ongeveer 9 miljoen euro 
aan rechtspersonen (zie tabel 6.29 in bijlage 4). De meeste boetes worden 
opgelegd door de kantongerechten (zie figuur 6.11). Door de kantonrechter 
en economische politierechter opgelegde boetes betreffen in overgrote 
meerderheid overtredingen. De politierechter en meervoudige kamer 
behandelen in de regel misdrijfstrafzaken. Het gemiddelde bij natuurlijke 
meerderjarige personen te innen bedrag was in 2006 329 euro, bij minderjarigen 
was dit 94 euro. Voor rechtspersonen was het gemiddeld te innen 
bedrag 3.344 euro. 
Het aantal boetevonnissen afgedaan door de enkel- en meervoudige 
kamer voor meerderjarigen is in 2006 respectievelijk 6 en 441. In 2004 was 
dit aanzienlijk hoger, 1.151 boetevonnissen waren toen afgedaan door de 
enkelvoudige kamer en 1.182 boetevonnissen waren afgedaan door de 
meervoudige kamer. Het gerechtshof daarentegen heeft 28 boetevonissen 
afgedaan in 2004, ten op zichte van 6.311 in 2006. De afname van het 
aantal boetevonnissen afgedaan in 2006 door de enkel- en meervoudige 
kamer en de toename van het aantal boetevonnissen in het gerechtshof 
ten opzichte van voorgaande jaren komt doordat kantonzaken in hoger 
beroep tegenwoordig worden afgedaan door het gerechtshof. 

6.3.2 Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel 
De ‘pluk-ze’-wetgeving, waarbij oplegging van de maatregel van ontneming 
van wederrechtelijk verkregen voordeel door de rechter mogelijk 
werd, is in 1993 van kracht geworden (zie ook hoofdstuk 2). Vanaf 1996 is 
de tenuitvoerlegging formeel aan het CJIB opgedragen, en ligt de verantwoordelijkheid 
bij de landelijke executieofficier.11 Het aantal ontnemingsmaatregelen 
afgedaan door het CJIB in 2006 is ongeveer 1.000, in 1995 
waren dit er nog 40 (tabel 6.31). 
De maatregel tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel is 
het sluitstuk van het traject van de financiële recherche. In dat traject zijn 
er meer mogelijkheden om het beoogde doel te bereiken: een deel van de 
ontnemingszaken wordt door het OM afgedaan met een schikking of een 
transactie. Bij het beslag speelt de Dienst der Domeinen een belangrijke 

11 Executierichtlijn Ontnemingsmaatregelen, 4 oktober 1995, Stcrt. 1995, nr. 246. 


Tenuitvoerlegging van sancties 211 

rol, die in de meeste gevallen als bewaarder optreedt en de goederen veilt 
als tot ‘uitwinning’ wordt overgegaan. 

Inning van ontnemingsmaatregelen door het CJIB 

Het proces van inning en incasso door het CJIB start met een verzoek aan 
de veroordeelde om het opgelegde bedrag te voldoen binnen dertig dagen 
of conservatoir beslag. In het geval van conservatoir beslag wordt eerst 
geprobeerd de vordering te voldoen uit de opbrengst van dit beslag; de 
veroordeelde krijgt hiervoor een betalingsaanbod. Wanneer de veroordeelde 
akkoord gaat, wordt de opbrengst van het beslag afgetrokken van 
de openstaande vordering. Wordt niet aan het verzoek voldaan met betaling 
of toestemming, dan wordt een dwangbevel uitgevaardigd en wordt 
de incasso in handen van een gerechtsdeurwaarder gegeven. Deze zal 
altijd eerst een eventueel conservatoir beslag ‘uitwinnen’, en vervolgens 
het nog openstaande bedrag proberen te verhalen op de overige bezittingen. 
Bieden de bezittingen van de veroordeelde geen verhaal, dan wordt 
doorgaans de tenuitvoerlegging aangehouden. Vervangende hechtenis 
wordt alleen bij uitzondering ten uitvoer gelegd na een beslissing van de 
landelijke executieofficier. Aannemelijk moet dan zijn dat de veroordeelde 
wel kan, maar niet wil betalen. Als de genoemde activiteiten geen resultaat 
hebben, wordt de zaak aangehouden en wordt periodiek onderzoek gedaan 
naar hoe het bedrag kan worden verhaald (CJIB, 2006). 
De tenuitvoerlegging van ontnemingsmaatregelen is een moeizame zaak; 
het proces van inning duurt vaak veel langer dan bij boetevonnissen. Van 
de in 2006 gerealiseerde ontnemingen werd ruim 42% pas na anderhalf 
jaar geïnd (zie tabel 6.31 in bijlage 4). Dat de tenuitvoerlegging van ontnemingsmaatregelen 
langer duurt, blijkt ook uit de toenemende werkvoorraad. 
Deze bedroeg op 31 december 2006 bijna 3.400 maatregelen, dit bij 
een instroom van bijna 1.400 ‘ter executie aangeboden’ ontnemingen en 
een gerealiseerd aantal van 1.000 ontnemingen in 2006. 

6.3.3 Schadevergoeding 
Sinds de invoering van de Wet Terwee in 1995 kan de rechter een schadevergoedingsmaatregel 
opleggen. Sinds medio 1996 is het CJIB belast 
met de inning van de schadevergoeding. Het aantal schadevergoedingen 
aangeboden bij het CJIB bedroeg in 1996 nog 1.251, in 2006 is dit aantal 
opgelopen naar 13.000 (zie tabel 6.32). 
De inningsprocedure lijkt op de procedure die gevolgd wordt bij de inning 
van boetes door het CJIB. De veroordeelde ontvangt van het CJIB een 
aanschrijving met verzoek tot betaling, eventueel gevolgd door een eerste 
en een tweede aanmaning, inclusief wettelijke verhogingen. Volgt ook op 
de tweede aanmaning geen betaling, dan wordt een dwangbevel uitgevaardigd, 
waarna een deurwaarder de schade tracht te verhalen op de goederen 
van de veroordeelde. Als verhaal niet mogelijk blijkt, kan een arrestatie



212 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

bevel worden uitgevaardigd om de vervangende hechtenis ten uitvoer te 
leggen. In tegenstelling tot de vervangende hechtenis bij boete blijft daarbij 
de betalingsverplichting van de veroordeelde bestaan (CJIB, 2005). 
Het overgrote deel van de schadevergoedingsmaatregelen die in 2006 door 
het CJIB werden afgedaan, eindigde in een betaling. Het aandeel vervangende 
hechtenissen als percentage van het aantal afdoeningen is in 2006 
14,5%, 3% lager dan in het jaar daarvoor (zie tabel 6.33). 

6.3.4 Ontzegging van de rijbevoegdheid 
Tenuitvoerlegging van de ontzegging van de rijbevoegdheid houdt in dat 
het rijbewijs wordt ingenomen of ingevorderd en dat een mutatie wordt 
doorgevoerd in het Centraal Register Rijbewijzen (CRR). De mutatie wordt 
uitgevoerd door de politie of door het parket, die daartoe een rechtstreekse 
verbinding hebben met het CRR. Tenuitvoerlegging van de ontzegging 
is dus vooral een administratieve handeling. Cijfers over het aantal mutaties 
zijn niet bekend. Wel is bekend dat het aantal in eerste aanleg door de 
rechter opgelegde (deels) voorwaardelijke en (deels) onvoorwaardelijke 
ontzeggingen van de rijbevoegdheid in 2006 ongeveer 18.500 bedroeg.12 
Problemen in de zin dat tenuitvoerlegging achterwege blijft of dat achterstand 
ontstaat, zijn niet waarschijnlijk. Veelal wordt reeds bij constatering 
van delicten waarvoor de ontzegging van de rijbevoegdheid kan worden 
opgelegd, het rijbewijs door de politie ingenomen. In die gevallen legt de 
politie de inhouding vast. De ovj kan besluiten de zaak binnen zes maanden 
na de inhouding op zitting te brengen. Besluit de ovj de zaak niet op 
zitting te brengen, dan wordt door het parket de registratie van een eventuele 
inhouding in het CRR ongedaan gemaakt. Na een uitspraak van de 
rechter registreert het parket de opgelegde ontzegging in het systeem van 
het CRR. 

6.3.5 Verbeurdverklaring en onttrekking aan het verkeer 
Hoewel het hier om sancties met een juridisch verschillend karakter gaat 

– bijkomende straf respectievelijk maatregel – worden verbeurdverklaring 
en onttrekking aan het verkeer hier tezamen behandeld, omdat bij 
de tenuitvoerlegging van beide de Dienst der Domeinen een belangrijke 
rol speelt. De Dienst der Domeinen treedt in de meeste gevallen op als 
bewaarder van in beslag genomen goederen, die verbeurd zijn verklaard 
of zijn onttrokken aan het verkeer. In 2006 ging het om ruim 29.250 strafrechtelijk 
in beslag genomen partijen, waarvan 345 in het kader van een 
maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (‘Pluk 
ze-wetgeving) (zie tabel 6.34). Het betreft hier een zeer divers scala aan 
12 
Het totaalaantal rijbewijzen op 1 januari 2007 bedroeg ruim 10 miljoen, incl. 21.276 rijbewijzen met alleen 
de categorie AM voor bromfietsen (bron: RDW). 


Tenuitvoerlegging van sancties 213 

goederen: auto’s of kasten, maar ook complete hennepkwekerijen. De 
goederen kunnen worden verkocht, vernietigd of teruggegeven aan de 
betrokkene. Verbeurd verklaarde goederen worden meestal verkocht 
bij inschrijving. Aan het verkeer onttrokken goederen worden over het 
algemeen vernietigd. In beslag genomen goederen die niet geschikt zijn 
om te bewaren (bijvoorbeeld vanwege bederfelijkheid), worden met een 
machtiging van het OM verkocht, ook als de procedure tegen de betrokkene 
nog loopt. In dat geval komt het beslag op de opbrengst te rusten. 
De maximale bewaartermijn is twee jaar. Na die termijn wordt eveneens 
met machtiging verkocht. 

6.3.6 Inning van transacties 
Sinds 1 maart 2000 int het CJIB alle transacties. Het betreft hier in meerderheid 
transacties naar aanleiding van een overtreding. Overtredingen 
vallen buiten het bereik van dit rapport, maar omdat de cijfers niet kunnen 
worden uitgesplitst naar overtredingen en misdrijven komen ze hier 
toch in beeld. Drie op de vier transacties zijn afkomstig van de politie 
(politietransacties). De overige transacties komen van het OM (16% in 
2006), de Rijksdienst voor Wegverkeer (RDW, 7% in 2006) en enkele andere 
instanties, zoals het Wetterskip Fryslân en de douane Schiphol (0,1%). Bij 
het CJIB kwamen in 2006 641.000 transacties ter behandeling binnen en 
werden er 673.000 transacties afgehandeld. In dit jaar incasseerde het 
CJIB totaal 76 miljoen euro op grond van transacties. Van het aantal afgehandelde 
transacties was voor 57% betaling het resultaat; 10% eindigde in 
een sepot en 33% werd met een overige afdoening afgedaan (tabel 6.35). 
Bij transacties afkomstig van de politie of de RDW wordt gekeken of de 
zaak ‘recidivegevoelig’ is, zoals overtredingen onder invloed van alcohol 
of grote snelheidsovertredingen. In die gevallen doet het CJIB navraag bij 
de Justitiële Documentatie. Wanneer blijkt dat er sprake is van recidive 
zal het CJIB de zaak overdragen aan het arrondissementsparket voor 
verdere behandeling. Als de verdachte in aanmerking komt voor een politietransactie, 
krijgt hij een acceptgiro toegestuurd. Betaalt de verdachte 
niet of komt de verdachte niet in aanmerking voor een politietransactie, 
dan wordt een OM-transactie via een acceptgiro toegestuurd. Het bedrag 
is dan vaak 20 tot 25% hoger dan het bedrag van de politietransactie. 
Wanneer dit niet tot betaling leidt, wordt de zaak overgedragen aan het 
arrondissementsparket (bron: Jaarbericht CJIB, 2006). 

6.4 Resumé 
In dit hoofdstuk is de tenuitvoerlegging van sancties door verschillende 
instanties aan bod gekomen. Achtereenvolgens is de tenuitvoerlegging 
beschreven in het gevangeniswezen, de tbs-sector en de justitiële jeugdin



214 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

richtingen (paragraaf 6.1). De tenuitvoerlegging van vrijheidsbeperkende 
straffen is aan bod gekomen in paragraaf 6.2. Tot slot is de tenuitvoerlegging 
van overig straffen en maatregelen beschreven in paragraaf 6.3. 
In de periode 1990-2006 heeft zich een forse toename van het aantal 
cellen en het aantal gedetineerden in het gevangeniswezen voorgedaan. 
De capaciteit van de penitentiaire inrichtingen (gemeten op 30 september) 
groeide van 7.670 in 1990 tot 18.710 in 2006. 
Nederland telde 16.230 meerderjarige gedetineerden in 2006, dit met 
inbegrip van tbs en vreemdelingenbewaring. Hiervan had 35% een gevangenisstraf 
opgelegd gekregen, 36% was in voorlopige hechtenis genomen, 
17% zat in vreemdelingenbewaring wachtend op uitzetting, 6% was 
gehecht. Het percentage gedetineerden met een SOV- of ISD-maatregel 
was bijna 4%. 
Gedetineerden verbleven in toenemende mate in een huis van bewaring 
of buiten een inrichting van het gevangeniswezen (een penitentiair 
programma in het kader van detentiefasering of elektronische detentie) 
tot en met 2005. In 2006 is er echter een kentering te zien van het aantal 
gedetineerden in een hvb. 
De helft van de bevolking in 2006 van het gevangeniswezen (exclusief 
vreemdelingenbewaring) is in het buitenland geboren. Het overgrote deel 
van de bevolking is veroordeeld vanwege een geweldsmisdrijf, een vermogensmisdrijf 
of een misdrijf tegen de Opiumwet. 
Het aantal tbs-opleggingen dat jaarlijks wordt opgelegd, is aanzienlijk 
hoger dan het aantal beëindigingen. In 2006 kwam het aantal lopende 
tbs-maatregelen boven de 1.900 uit. In 1995 was het aantal lopende maatregelen 
nog 855. 
Van 1995 tot 2006 is de capaciteit van de justitiële jeugdinrichtingen 
gegroeid. 
In 2006 bestond 40% van de populatie in de opvanginrichtingen uit jongeren 
op civielrechtelijke titel. In 1995 was dat nog 11%. 
De reclassering handelde in 2006 totaal 44. 850 taakstraffen aan meerderjarigen 
af. Reclassering Nederland handelde 36.050 taakstraffen af. 
8% van de taakstraffen werd voortijdig beëindigd. 
Bij de minderjarigen werden in 2006, 23.100 taakstraffen ten uitvoer 
gelegd door de Raad van de Kinderbescherming. In ongeveer 78% van de 
gevallen ging het om een werkstraf, in 15% van de gevallen ging het om 
een leerstraf en in 6% van de gevallen ging het om een combinatiestraf. 
Het CJIB kreeg ruim 204.737 boetevonnissen ter inning binnen in 2006. 
Hiermee was een boetebedrag gemoeid van in totaal 74 miljoen euro. 


7Destrafrechtsketeninsamenhang 

W. van der Heide 
De hoofdstukken 4, 5 en 6 beschrijven de verschillende onderdelen van 
de strafrechtsketen. Zij geven achtereenvolgens een beeld van de geregistreerde 
criminaliteit en opsporing van verdachten, vervolging en 
berechting en tenuitvoerlegging van sancties. Dit hoofdstuk beschrijft 
deze ketenschakels in hun onderlinge samenhang en geeft een beeld van 
de verschillende stromen in de strafrechtelijke keten. Naast deze eerder in 
dit rapport aan de orde gestelde onderdelen van de strafrechtsketen, komt 
ook het onderwerp recidive in dit hoofdstuk aan de orde. 
De ontwikkeling van het aantal bij het OM ingeschreven rechtbankstrafzaken 
– en in het bijzonder van het aantal sepots – komt in dit hoofdstuk 
slechts beperkt aan de orde. De reden hiervoor is dat het OM er in de 
loop van de jaren negentig toe is overgegaan om zaken nog voordat ze als 
rechtbankstrafzaak bij het OM worden ingeschreven, te beoordelen op 
‘vervolgbaarheid’. Zaken die als ‘kansloos’ worden beoordeeld, worden 
niet meer ingeschreven.1 Het aantal geregistreerde sepots is (mede) hierdoor 
sterk gedaald (zie Huls e.a., 2001, p. 231). Daardoor kan de ontwikkeling 
van het aantal bij het OM ingeschreven rechtbankstrafzaken en 
het aantal sepots moeilijk worden geduid, en kan deze ontwikkeling niet 
worden gerelateerd aan bijvoorbeeld de ontwikkeling van het aantal 
gehoorde verdachten of het aantal dagvaardingen. 
Paragraaf 7.1 beschrijft in hoeverre de verschillende onderdelen van de 
strafrechtsketen zich met elkaar laten vergelijken en hoe de verschillende 
betrokken informatiebronnen zich tot elkaar verhouden. Paragraaf 7.2 
geeft een globaal beeld van de ontwikkelingen in de strafrechtsketen in 
de periode 1980-2006 en paragraaf 7.3 geeft een gedetailleerder beeld van 
de ontwikkelingen in de periode 1995-2006. Paragraaf 7.4 laat zien hoe 
enkele delictcategorieën zich in 2006 door de strafrechtsketen bewegen. 
Paragraaf 7.5 belicht de minderjarigen in de strafrechtsketen. Paragraaf 

7.6 beschrijft het onderwerp recidive. Paragraaf 7.7 ten slotte herhaalt de 
meest in het oog springende ontwikkelingen. 
Dit hoofdstuk presenteert veel figuren in indices (bijvoorbeeld figuur 
7.2). Dit betekent dat de betreffende figuur niet het niveau, maar wel de 
ontwikkeling van de verschillende grootheden weergeeft. Figuren worden 
met name in indices gepresenteerd wanneer de in beeld gebrachte grootheden 
sterk verschillen in orde van grootte. Zo valt bijvoorbeeld het totaal 
aantal Halt-verwijzingen in het niet naast het totaal aantal processen-
verbaal. Ontwikkelingen van deze grootheid waarvan de aantallen relatief 
klein zijn, zijn dan nauwelijks waar te nemen. 

1 Zo meldt het jaarverslag 1998 van het Openbaar Ministerie: ‘Zaken die anders zonder meer geseponeerd 
zouden worden wegens gebrek aan bewijs, worden nu veel minder ingezonden. (...) deze 
kwaliteitsverbetering wordt gerealiseerd door decentrale inzet van OM medewerkers op politiebureaus 
en justitie-in-de-buurt kantoren’ (OM, 1999, p. 9). 


216 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Alle in dit hoofdstuk gepresenteerde gegevens over vervolging en berechting 
betreffen strafzaken in eerste aanleg. 

7.1 De strafrechtsketen en de vergelijkbaarheid van de statistieken 
Dit hoofdstuk zet gegevens over de verschillende onderdelen van de straf


rechtsketen op basis van verschillende informatiebronnen naast elkaar. 

De tabellen 7.1 en 7.2 vatten de ontwikkelingen in de verschillende onder


delen van de strafrechtsketen samen, en de figuren 7.1 en 7.21 presenteren 

gegevens over 2006 uit de verschillende bronnen. De vraag kan echter 

worden gesteld of deze bronnen onderling wel vergelijkbaar zijn. Dit is om 

ten minste vijf redenen niet volledig het geval. 

1 
De gehanteerde definities en de eenheden waarin de aantallen zijn uitgedrukt, 
kunnen verschillen. Zo komen de definities van misdrijftypen 
die in de Politiestatistiek en in de slachtofferenquêtes gebruikt worden, 
niet geheel overeen. Verder registreert de politie misdrijven (processen-
verbaal van aangifte), terwijl de rechtbankstatistieken uitgaan 
van zaken. Een misdrijf kan door meer dan één persoon zijn gepleegd, 
terwijl een zaak één persoon betreft, maar daarentegen verschillende 
misdrijven kan omvatten. Bij de verdere afhandeling kunnen verschillende 
zaken via zogenoemde ‘voegingen’ in elkaar worden geschoven. 
De figuren 7.1 en 7.21 laten zien dat het aantal door de rechter in 2006 
opgelegde onvoorwaardelijke sancties groter is dan het aantal door de 
rechter afgedane zaken. Dit is het logische gevolg van het feit dat meerdere 
sancties per zaak kunnen worden opgelegd. 

2 
De criteria voor het indelen naar delicttype kunnen verschillen. Een 
slachtoffer kan een delict anders rubriceren dan de politie en de politie 
anders dan het OM. Zo kan de politie een tasjesroof als geweldsdelict 
bestempelen, terwijl het OM besluit het als vermogensmisdrijf in te 
schrijven. Omdat een zaak verschillende misdrijven kan omvatten, 
waarbij het zwaarste misdrijf het indelingscriterium vormt, kunnen 
minder zware misdrijven in de rechtbankstatistiek buiten beeld raken. 
Zo zal een inbraak niet in de cijfers terug te vinden zijn wanneer deze 
gepaard gaat met moord. 

3 
Er verstrijkt tijd tussen de behandeling van een misdrijf of zaak in de 
verschillende onderdelen van de keten. Dit betekent bijvoorbeeld dat 
een in 2004 aangegeven en geregistreerd misdrijf mogelijk pas in 2005 
bij het OM wordt ingeschreven en in 2006 wordt afgehandeld. Dit ‘over 
de jaargrens heen vallen’ zal de verhouding tussen cijfers beïnvloeden, 
vooral daar waar sterke en abrupte stijgingen of dalingen optreden. 

4 
Gebreken in registraties kunnen eveneens een rol spelen. Zo is onduidelijk 
in hoeverre de automatisering bij de politie de registratie heeft 
beïnvloed. Veranderingen in beleid (bijvoorbeeld het feit dat de politie 
de lichtere 8-WVW-zaken sinds een aantal jaren naar het CJIB brengt 


De strafrechtsketen in samenhang 217 

in plaats van de OM-parketten) kunnen eveneens hun invloed op de 
statistische informatie hebben. De kwaliteit van de statistieken en de 
onderlinge consistentie is lang niet altijd optimaal. 

5 
Er zijn verschillen in de reikwijdte van informatiesystemen. Zo gaan 
de CBS-slachtofferenquêtes over misdrijven met individuele personen 
als slachtoffer en gaat de Monitor Criminaliteit Bedrijfsleven van TNS 
NIPO over criminaliteit tegen bedrijven. Deze twee informatiebronnen 
kennen enige overlap, maar niet duidelijk is hoe groot deze overlap is. 
Zo is de kans groot dat een geweldsdelict tegen een bedrijfsmedewerker 
tijdens zijn werk voor het bedrijf in beide enquêtes zal worden gemeld. 
In tegenstelling tot de twee genoemde enquêtes bevat de registratie 
van de politie ook zogenoemde ‘slachtofferloze misdrijven’ (bijvoorbeeld 
drugshandel). Anderzijds blijven veel misdrijven buiten de politieregistratie, 
meestal doordat ze niet worden aangegeven of worden 
opgespoord. Daarnaast is het zo dat niet alle opgespoorde delicten door 
de politie zijn opgespoord. Er zijn vier zogenoemde ‘bijzondere opsporingsdiensten’, 
elk met een eigen specifieke opsporingstaak: de Fiscale 
Inlichtingen- en Opsporingsdienst/Economische Controledienst, de 
Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst, de Algemene Inspectie 
Dienst en de VROM Inlichtingen- en Opsporingsdienst. 

Bij een vergelijking van verschillende onderdelen van de strafrechtsketen 
dient rekening te worden gehouden met bovengenoemde vertekeningen 
en beperkingen. Dan zijn er wel degelijk zinvolle vergelijkingen tussen 
de ketenschakels te maken. Zo kunnen ontwikkelingen binnen bepaalde 
onderdelen van de strafrechtsketen heel goed naast elkaar worden gelegd, 
bijvoorbeeld: is de groei van het aantal verdachten van geweldsdelicten 
terug te vinden in de ontwikkeling van het aantal opgelegde gevangenisstraffen, 
of is er een ontwikkeling in de verhouding tussen het aantal 
door het OM afgedane zaken versus het aantal door de rechter afgedane 
zaken? 

Figuur 7.1 brengt de verschillende onderdelen van de strafrechtsketen in 
2006 in beeld.2 Voor een beschrijving van de diverse fasen van de strafrechtelijke 
verwerking van misdrijven wordt verwezen naar hoofdstuk 2. 
Het schema laat zien dat er in elke fase van de keten een selectieproces 
plaatsvindt.3 Dat begint al bij de registratie door de politie. Lang niet alle 
misdrijven worden bij de politie gemeld en niet alle aangiftes worden door 
de politie geregistreerd. Slechts een beperkt deel van de misdrijven wordt 
opgehelderd. Het aantal verdachten dat de politie verhoort, ligt dan ook 

2 
Criminaliteit omvat hier, evenals elders in deze publicatie, uitsluitend misdrijven. 

3 
Bij de interpretatie van dit selectieproces dienen de eerder in deze paragraaf genoemde kanttekeningen 
in ogenschouw te worden genomen. Zo kunnen uitspraken als ‘X% van ketenonderdeel A stroomt door 
naar ketenonderdeel B’ op grond van dit schema niet worden gedaan. 


218 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Figuur 7.1 Misdrijven in 2006 
geschat aantal delicten tegen burgers (a) 
geschat aantal delicten tegen bedrijven (b) 
overige delicten (c) 
ondervonden delicten 
5.300.000 
2.200.000 
onbekend 
opgemaakte processen-verbaal 
gehoorde verdachten 
door de politie geregistreerde misdrijven (d) 
1.218.000 
358.000 
Politietransacties misdrijven 
Halt-verwijzingen 
35.000 (e) 
23.000 (f) 

OM 
technisch sepot 
beleidssepot 
transactie 
voeging 
overdracht naar ander parket 

strafzaken (g) 

instroom 

268.000 

afgedaan 260.000 
rechter (h) 
schuldigverklaring 
vrijspraak en ontslag 
rechtsvervolging 
overige afdoeningen 
126.100 
14.300 
16.300 
77.900 
14.200 
3.300 
11% 
13% 
62% 
11% 
3% 
17.500 taakstraffen 
47.400 betalen geldsom 
12.900 overige transacties 
134.400 
124.500 
9.000 
900 
93% 
7% 

1% 

door de rechter opgelegde (deels) onvoorwaardelijke sancties (i) 

in eerste aanleg opgelegde (deels) onvoorwaardelijke sancties 

geldboetes 

33% ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel 
vrijheidsbenemende 

18% en schadevergoeding 
sancties 
154.500 
50.300 
28.00041.800 
16.500 
9.800 ontzegging rijbevoegdheid 
taakstraffen 

27% 
overige straffen 

8.000 

11% 

6% 
5% 

a 
Bron: Veiligheidsmonitor Rijk 2007 (VMR). Het geschatte aantal delicten tegen burgers heeft enige overlap met het 
geschatte aantal delicten bedrijven. De omvang van deze overlap is niet bekend. 

b 
Bron: Monitor Criminaliteit Bedrijfsleven 2007 (MCB). Het geschatte aantal delicten tegen bedrijven heeft enige overlap 
met het geschatte aantal delicten tegen burgers. De omvang van deze overlap is niet bekend. 

c 
Delicten die buiten bereik van de VMR en MCB blijven: delicten zonder direct slachtoffer (bijv. drugssmokkel en heling), 
delicten tegen overheidsinstellingen, delicten tegen 15-minners, etc. 

d 
Bron: CBS-Politiestatistiek: inclusief misdrijven tegen bedrijven en instellingen, en inclusief ‘slachtofferloze delicten’. 

e Bron: CJIB. 

f 
Bron: Halt Nederland. Een derde van de Halt-verwijzingen betreft overtredingen en is derhalve niet afkomstig van genoemde 
358.000 gehoorde verdachten. 

g Bron: CBS-strafzakenstatistiek. 

h 
Om redenen betreffende de registratie zijn de voegingen als afdoening door de rechter buiten beschouwing gelaten. 

i 
Bron: CBS-strafzakenstatistiek. De voorwaardelijke sancties zijn buiten beschouwing gelaten. Bij combinaties van sancties 
zijn alle sancties afzonderlijk geteld. Daardoor is het aantal (deels) onvoorwaardelijke sancties hoger dan het aantal schuldigverklaringen. 



De strafrechtsketen in samenhang 219 

aanzienlijk onder het aantal geregistreerde misdrijven.4 Van de 
verdachten die de politie verhoort, wordt maar een deel (weliswaar het 
merendeel) ingeschreven bij het OM. Zo komen sommige minderjarige 
verdachten in aanmerking voor een Halt-afdoening, en kan de politie 
(sinds 1993) met meerderjarige verdachten van kleine winkeldiefstallen of 
lichtere gevallen van rijden onder invloed een transactie overeenkomen 
(politietransactie). In andere gevallen legt de politie bij voldoende grond 
voor verdenking en vervolging een proces-verbaal over de verdachte en 
de betreffende delicten voor aan het Openbaar Ministerie. Daarnaast 
krijgt het OM ook een aantal zaken van andere instanties dan de politie.5 
Ongeveer 7% van de instroom bij het OM is afkomstig van deze instanties 
(bron: OMDATA). Over het algemeen zijn dat de reeds genoemde bijzondere 
opsporingsdiensten. 
Bij het OM vindt een verdere selectie plaats. Het OM kan besluiten een 
zaak betreffende een verdachte (van één of meer misdrijven) te seponeren, 
omdat voldoende bewijs ontbreekt (technisch sepot) of omdat vervolging 
niet opportuun wordt geacht (beleidssepot). Tevens kunnen zaken 
bij andere zaken worden gevoegd. Ook kan het OM sinds 1983 in bepaalde 
misdrijfzaken een transactie aanbieden aan de verdachte. Als deze bereid 
is aan bepaalde voorwaarden te voldoen, ziet het OM van verdere vervolging 
af. Die voorwaarden kunnen de vorm hebben van de betaling van 
een geldbedrag, het ondergaan van een taakstraf, en dergelijke. 
De rest van de zaken brengt het OM via een dagvaarding voor de rechter. 
Deze kan de verdachte vrijspreken of schuldig verklaren. In dat laatste 
geval zal de rechter meestal een straf of maatregel opleggen. De belangrijkste 
straffen zijn (onvoorwaardelijke of voorwaardelijke) boetes, (onvoorwaardelijke 
of voorwaardelijke) gevangenisstraffen en taakstraffen. 

7.2 De strafrechtsketen, 1980-2006 
Deze paragraaf beschrijft de ontwikkeling van de geregistreerde 
criminaliteit, de gehoorde verdachten, de afdoeningen door het OM, de 
afdoeningen door de rechter en de bestraffingen vanaf 1980. 
De ontwikkelingen die in deze paragraaf aan de orde komen, betreffen 
steeds de totale criminaliteit, dat wil zeggen alles - van fietsdiefstal tot 
moord - bij elkaar geteld. Ontwikkelingen in de veelvoorkomende en 
veelvervolgde criminaliteit, zoals diefstal en vernieling, bepalen in deze 
paragraaf dus het beeld. 

4 
Overigens kan een verdachte meer dan één misdrijf op zijn kerfstok hebben. Een relatief kleine 
groep verdachten is verantwoordelijk voor relatief veel geregistreerde misdrijven (B.S.J. Wartna, en 

N. Tollenaar, 2004). Daartegenover staat dat een misdrijf door meer dan één dader kan zijn gepleegd. 
5 Overigens is de Koninklijke Marechaussee (KMar) ook in de politiecijfers vertegenwoordigd. 

220 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

7.2.1 Geregistreerde criminaliteit en gehoorde verdachten 
Figuur 7.2 laat de ontwikkeling zien van het aantal geregistreerde misdrijven 
(processen-verbaal), het aantal opgehelderde misdrijven en het aantal 
gehoorde verdachten. De cijfers zijn weergegeven in indices, met voor 
1980 de waarde 100. Dit betekent dat in de figuur niet het niveau, maar wel 
de ontwikkeling van de verschillende grootheden getoond wordt. 
De figuur laat zien dat het aantal processen-verbaal tot 1994 een forse stijging 
doormaakt (+86%). Het aantal opgehelderde misdrijven en het aantal 
gehoorde verdachten blijven daar sterk bij achter (respectievelijk +12% en 
+16%). Vanaf 1994 is de ontwikkeling andersom: de ontwikkeling van het 
aantal processen-verbaal verloopt grillig maar is per saldo in 2006 lager 
dan in 1994, dit bij een forse stijging van het aantal gehoorde verdachten. 
Van 1994 tot 2000 zien we een opmerkelijke tegengestelde ontwikkeling 
van respectievelijk het aantal opgehelderde misdrijven (-19%) en 
het aantal gehoorde verdachten (+16%). Het aantal gehoorde verdachten 
per opgehelderd misdrijf stijgt daardoor in die periode met 43%. Vanaf 
2000 loopt de ontwikkeling van de aantallen ophelderingen en gehoorde 
verdachten weer parallel. 

Figuur 7.2 
Misdrijven: registratie en opsporing, 1980-2006 
(indices met 1980 = 100) 

210 

190 

170 

150 

130 

110 

90 

70 

1982 1986 1990 1994 1998 2002 


Opgemaakte Opgehelderde misdrijven 
processen-verbaal 

Gehoorde verdachten 

Voor de corresponderende cijfers (in absolute vorm weergegeven), zie tabel 7.1 in bijlage 4. 
Bron: CBS 


De strafrechtsketen in samenhang 221 

Figuur 7.3 Aantal bestraffingen* ten opzichte van het aantal gehoorde 
verdachten (in indices met 1980=100), 1980-2006 

0 
20 
40 
60 
80 
100 
120 
140 
160 
180 
1982 1986 1990 1994 1998 2002 2006 

* Som van het aantal Halt-verwijzingen door de politie, het aantal transacties door het OM en het 
aantal schuldigverklaringen door de rechter. 
Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 7.1 in bijlage 4. 
Bron: CBS 

7.2.2 Geregistreerde criminaliteit, gehoorde verdachten en bestraffingen 
Figuur 7.3 relateert de ontwikkeling van het aantal bestraffingen aan de 
ontwikkeling van het aantal gehoorde verdachten. Hierbij is een ‘bestraffing’ 
gedefinieerd als de som van het aantal Halt-verwijzingen door de 
politie, het aantal transacties door het OM en het aantal schuldigverklaringen 
door de rechter. Hierbij wordt elke schuldigverklaring als één 
bestraffing geteld, ook wanneer een combinatie van sancties is opgelegd. 
De schuldigverklaringen bevatten ook een gering aantal gevallen waarbij 
geen sanctie is opgelegd (0,7% in 2006). Overigens heeft grofweg één op de 
drie minderjarigen die naar een Halt-bureau worden verwezen, zich schuldig 
gemaakt aan een overtreding. Deze minderjarigen maken geen deel uit 
van de in deze publicatie gepresenteerde aantallen gehoorde verdachten. 
De figuur geeft het aantal bestraffingen gedeeld door het aantal gehoorde 
verdachten weer (in indices met 1980 = 100). De figuur laat een forse groei 
zien van het aantal bestraffingen ten opzichte van het aantal gehoorde 
verdachten. De kans dat een verdachte van een misdrijf enige vorm van 
straf krijgt, is tot 1996 fors toegenomen. Daarna daalde deze kans weer. 
Deze ontwikkeling heeft uiteraard verband met de in paragraaf 7.2.1 
gesignaleerde ontwikkeling van het aantal gehoorde verdachten: in de 
periode 1980-1994 is het aantal redelijk stabiel, maar in de periode erna 
volgt een forse groei. Hoewel het aantal bestraffingen van 1996 tot 2006 


222 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

nog wel groeide met 21%, bleef de groei achter bij die van het aantal 
gehoorde verdachten (+42%, zie ook figuur 7.3). Overigens betekent deze 
ontwikkeling niet per se dat verdachten in dezelfde situatie en met een 
vergelijkbaar delict in 2006 vaker worden bestraft dan in 1980. Het is 
natuurlijk ook denkbaar dat de door de politie gehoorde verdachten in 
1980 gemiddeld minder op hun kerfstok hadden dan in 2006. Ook is het 
mogelijk dat het aandeel bestraffingen dat afkomstig is van opsporingsdiensten 
anders dan de politie (zoals de bijzondere opsporingsdiensten) 
in de loop der jaren is gewijzigd. Deze zaken maken deel uit van de 
bestraffingen, maar niet van de door de politie gehoorde verdachten. 
Dit is echter niet meer uit de cijfers (van voor 1995) te achterhalen. 

Figuur 7.4 geeft een beeld van de ontwikkeling vanaf 1980 in het aantal 
gehoorde verdachten en het aantal bestraffingen in absolute aantallen. 
Van 1980 tot 2006 groeide het aantal gehoorde verdachten met 71%. Het 
aantal bestraffingen groeide met maar liefst 131%. Het aantal bestraffingen 
als percentage van het aantal gehoorde verdachten groeide in deze 
periode van 45% naar 62%. 

Figuur 7.4 Gehoorde verdachten en bestraffingen, 1980-2006 

400.000 
350.000 
300.000 
250.000 
200.000 
150.000 
100.000 
50.000 
-

1982 1986 1990 1994 1998 2002 2006 

Gehoorde verdachten OM-transacties** 
Totaal bestraffingen* Halt-verwijzingen 
Schuldigverklaring rechter 

* Totaal bestraffingen is de som van de Halt-verwijzingen, de OM-transacties en de schuldigverklaringen 
door de rechter. 
** Exclusief lik-op-stuk. 
Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 7.1 in bijlage 4. 
Bron: CBS 


De strafrechtsketen in samenhang 223 

7.3 De strafrechtsketen in detail, 1995-2006 
In deze paragraaf komen recente ontwikkelingen in de strafrechtsketen 
uitgebreider aan de orde. Dit gebeurt aan de hand van gegevens over 
de periode 1995-2006. Waar in deze paragraaf melding wordt gemaakt 
van cijfers uit de Politie Monitor Bevolking (PMB), gaan die helaas 
niet verder dan 2004 (afkomstig uit de laatste PMB 2005). Cijfers uit 
de Veiligheidsmonitor Rijk (VMR) worden geheel buiten beschouwing 
gelaten, omdat deze niet goed te vergelijken zijn met de CBS-slachtofferenquêtes 
die voor het laatst in 2004 zijn gehouden (zie hoofdstuk 3). 

7.3.1 Totale geregistreerde criminaliteit 
Figuur 7.5 
Misdrijven: van registratie tot afdoening in eerste aanleg, 
1995-2006 (indices met 1995 = 100) 

150 

140 

130 

120 

110 

100 

90 

1995 1996 
1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 

Gehoorde verdachten 
Schuldigverklaringen 
door de rechter 


Halt-verwijzingen 

Opgemaakte 
Transacties door het OM* processen-verbaal 

Voor de corresponderende cijfers, zie tabellen 7.1 in bijlage 4. 
Bron: CBS 

Figuur 7.5 geeft een beeld van het totale aantal geregistreerde misdrijven 
in indexvorm, met 1995 als basisjaar. De figuur laat ‘uitvergroot’ zien wat 
in paragraaf 7.2 reeds aan de orde kwam. De meest opmerkelijke ontwikkeling 
is die van de processen-verbaal en de gehoorde verdachten sinds 
2001. Terwijl het aantal processen-verbaal van aangifte in die periode 


224 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

daalt met 11%, stijgt het aantal gehoorde verdachten met 22%. Een nadere 
uitsplitsing naar delicttype leert dat de groei van het aantal gehoorde 
verdachten sinds 2001 zich met name heeft voorgedaan bij de delictcategorieën 
bedreiging, mishandeling, tegen de openbare orde, en tegen het 
openbaar gezag (zie tabel 4.15 in bijlage 4). 
Ook de Halt-verwijzingen, de transacties en de schuldigverklaringen zijn 
sinds 2001 aanmerkelijk in aantal toegenomen, maar in 2004 stokte de 
groei van de transacties en schuldigverklaringen. 

Figuur 7.6 
(Deels) onvoorwaardelijke bestraffingen (in eerste 
aanleg), 1995-2006 

120.000 

100.000 

80.000 

60.000 

40.000 

20.000 

0 

1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 

Financiële bestraffingen* Transacties OM en (deels) onvoorw. 
sancties door rechter**** 
Taakstraffen door OM of ZM** Vrijheidbenemende sancties*** 


* 
Hieronder wordt verstaan: OM-transacties ‘betaling geldsom’ en door de rechter opgelegde 
(deels) onvoorwaardelijke geldboetes. 
** Dit zijn de taakstraffen door het OM (transacties) en door de rechter. 
*** Hieronder wordt onder meer verstaan: lik-op-stuk (OM-transactie), schadevergoeding (OM


transactie en door rechter opgelegde maatregel), ontzegging rijbevoegdheid, verbeurdverklaring, 
ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel, en onttrekking aan het verkeer. 

**** 
Hieronder wordt verstaan: gevangenisstraf, hechtenis, militaire detentie, jeugddetentie, tuchtschool, 
arrest, tbs, plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ), plaatsing in een psychiatrische 
inrichting (allen (deels) onvoorwaardelijk). 

Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 7.1 in bijlage 4. 
Bron: CBS 

Figuur 7.6 laat zien hoe de verschillende soorten bestraffing zich hebben 
ontwikkeld. Bij combinaties van sancties zijn alle bij deze combinaties 
betrokken sancties apart meegeteld. Bij geldboetes en gevangenisstraffen 
zijn de geheel voorwaardelijke straffen buiten beschouwing gelaten. 
Hoewel in de periode 1995-2006 in aantal licht afgenomen, is de financiële 
bestraffing (transactie geldsom en door de rechter opgelegde geldboe



De strafrechtsketen in samenhang 225 

tes) nog altijd de meest voorkomende sanctie. Het aantal OM-transacties 
‘betalen geldsom’ groeide nog wel, maar de afname van het aantal door 
de rechter opgelegde boetes zorgde ervoor dat het totale aantal financiële 
bestraffingen afnam (zie tabel 7.1 in bijlage 4). 
Taakstraffen (door OM en rechter) zijn vanaf 1995 fors in aantal gegroeid. 
Taakstraffen OM (OM-transactie met een taakstraf als voorwaarde, zie 
hoofdstuk 2) kwamen tot 1995 nauwelijks voor. In 2006 is het aantal taakstraffen 
OM gestegen tot 17.700. Het aantal taakstraffen opgelegd door de 
rechter is dan overigens nog altijd aanzienlijk groter (41.800). 
Terwijl (deels) onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende sancties (onder 
meer gevangenisstraffen, jeugddetenties, terbeschikkingstellingen en PIJ-
maatregelen) in 2000 nog net iets vaker werden toegepast dan taakstraffen, 
is het aantal vrijheidsbenemende sancties in 2006 (28.000) niet eens 
meer de helft van het aantal taakstraffen. Naast de forse stijging van het 
aantal taakstraffen is hieraan ook de opmerkelijke daling van het aantal 
(deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraffen debet. 

Figuur 7.7 Door de rechter opgelegde (deels) onvoorwaardelijke 

gevangenisstraffen, naar duur van het onvoorwaardelijke 

deel, 1995-2006 

14000 

12000 

10000 

8000 

6000 

4000 

2000 

0 

tot <1 maand 

3 maanden - <1 jaar 

1 maand - < 3 maanden 1 jaar en langer 

1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 


Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 7.1 in bijlage 4. 
Bron: CBS 


226 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Figuur 7.7 toont de ontwikkeling van de (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraffen 
gedifferentieerd naar verschillende duurcategorieën (in 
indices, 1995 = 100). De linkergrafiek toont de gevangenisstraffen in 
absolute aantallen. Opmerkelijk is de ontwikkeling van de categorie 
gevangenisstraffen tot één maand, die tot 2000 een forse groei doormaakt. 
Daarna wordt de groei minder en beginnen de straffen langer dan een 
maand te groeien. Alle duurcategorieën beleven in 2003 een piek. Daarna 
zet bij alle duurcategorieën een daling in die doorgaat tot 2006. Het totale 
aantal (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraffen is in 2006 weer terug 
op het niveau van 1995 (zie tabel 5.12 in bijlage 4). In het ‘topjaar’ 2003 is 
het aantal in eerste aanleg opgelegde (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraffen 
nog 37.000. In 2006 is dat gedaald tot ruim 25.000 (-31% in 
drie jaar). 

7.3.2 Geweldscriminaliteit, 1995-2006 
Figuur 7.8 Geweldsmisdrijven: processen-verbaal van aangifte, 

gehoorde verdachten, transacties en schuldigverklaringen, 

1995-2006 (indices met 1995 = 100) 

400 
380 
360 
340 
320 
300 
280 
260 
240 
220 
200 
180 
160 
140 
120 
100 

1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 


Transacties door het OM Schuldigverklaringen door de rechter 
Gehoorde verdachten Opgemaakte processen-verbaal 

Voor de corresponderende cijfers, zie tabellen 4.7, 4.15, 5.8 in bijlage 4. 
Bron: CBS 


De strafrechtsketen in samenhang 227 

Figuur 7.8 brengt de ontwikkeling van de geregistreerde geweldscriminaliteit 
en de justitiële reactie daarop van 1995 tot en met 2006 in beeld. 
Het aantal door de politie geregistreerde geweldsmisdrijven stijgt in de 
periode 1995-2006 in totaal met 67%. Met name de groei van het aantal 
geregistreerde bedreigingen en mishandelingen heeft hieraan bijgedragen 
(zie tabel 4.8 in bijlage 4). Nu zou men kunnen veronderstellen dat deze stijging 
(deels) wordt veroorzaakt doordat de aangiftebereidheid ten aanzien 
van geweld mogelijk is toegenomen. De laatste Politie Monitor Bevolking 
(PMB 2005) biedt evenwel geen ondersteuning voor deze veronderstelling: 
in 1995 was de aangiftebereidheid ten aanzien van geweld volgens de PMB 
18,5%, in 2004 was deze gedaald naar 16,6%. Overigens blijft het aantal 
processen-verbaal van aangifte met betrekking tot een geweldsdelict sinds 
2004 ongeveer gelijk. Het aantal door de politie gehoorde verdachten van 
een geweldsdelict steeg van 38.400 in 1995 naar 80.500 in 2006. 

Figuur 7.9 
(Deels) onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen, taakstraffen 
en financiële bestraffingen vanwege geweld, 1995-2006 

16.000 

14.000 

12.000 

10.000 
8.000 
6.000 
4.000 
2.000 
0 
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 

Taakstraffen (TOM + TZM) Gevangenistraffen, hechtenissen en 
jeugddetenties 

Transactie betalen geldsom 
en (deels) onv. boetes 


* Wanneer deze straffen in combinatie met elkaar zijn opgelegd, zijn alle bij deze combinatie betrokken 
straffen meegeteld. 
Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 5.6, 5.14, 5.15, 5.16, 5.38 in bijlage 4. 
Bron: CBS 

Omdat de Politiestatistieken alleen de geregistreerde criminaliteit 
weergeven, is het goed om ook naar ontwikkelingen volgens de CBSslachtofferenquêtes 
en de PMB te kijken. De stijging die uit de CBSslachtofferenquêtes 
(waarin geweld overigens anders wordt gedefinieerd 


228 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

dan in de politiestatistieken) naar voren komt, is 19% in de periode 
1995-2004. De PMB (eveneens met andere definities) maakt melding van 
een stijging van het slachtofferschap inzake geweld met ongeveer 6%. 
Kortom, bij een daling van de aangiftebereidheid is een enorme stijging 
van het aantal processen-verbaal zichtbaar. Enquêtes onder de bevolking 
geven echter aan dat het aantal slachtoffers van geweldscriminaliteit 
aanzienlijk minder is gestegen dan de groei van het aantal pv’s doet 
vermoeden. 

Figuur 7.10 
(Deels) onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen vanwege 
geweld, in aantal, duur en detentiejaren, 1995-2006 
(indices met 1995 = 100) 

180 

160 

140 

120 

100 

80 

60 

40 

20 

0 
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 

Aantal (deels) onvoorw. vrijheidsstraffen Gemiddelde duur 

Detentiejaren 


Voor de corresponderende cijfers, zie tabellen 5.16, 5.17 en 5.18 in bijlage 4. 
Bron: CBS 

Geweldsdelicten worden in toenemende mate bestraft met een taakstraf 
(zie figuur 7.9). Tegenover een aantal van 52.500 bij het OM ingeschreven 
geweldsdelicten in 2006 stonden 14.300 taakstraffen (OM-transacties 
en opgelegd door de rechter). De in figuur 7.8 zichtbare explosieve groei 
van het aantal transacties (het betreft hier in hoofdzaak bedreiging) 
van 1995 tot 2006 wordt voor de helft veroorzaakt door de groei van het 
aantal taakstraffen volgens het transactiemodel. Overigens moet de 
grote groei van de transacties ook worden gezien in het licht van het feit 
dat de taakstraf als OM-transactie in 1995 nog nauwelijks voorkwam. 
Vanaf 1995 is deze transactievorm voor minderjarigen pas mogelijk. Voor 


De strafrechtsketen in samenhang 229 

meerderjarigen is dat pas sinds 2001. Tot en met 2001 werd dit model 
overigens alleen bij minderjarigen toegepast (zie hoofdstuk 2). 

Het totale aantal bestraffingen (transacties en schuldigverklaringen, 
zie figuur 7.8)6 in geweldszaken steeg tussen 1995 en 2006 met 123%. 
Het aantal (deels) onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen (jeugddetenties, 
gevangenisstraffen en hechtenissen) stijgt van 1995 tot 2004 van 5.100 
naar 8.200. Daarna zet een daling in waardoor het aantal in 2006 uitkomt 
op 7.000 (zie figuur 7.10). Doordat de gemiddelde strafduur ten aanzien 
van geweldsdelicten in 2006 (222 dagen) aanzienlijk lager is dan in 1995 
(329 dagen) komt het aantal detentiejaren7 in 2006 lager uit dan in 1995. 

7.3.3 Vermogenscriminaliteit, 1995-2006 
Figuur 7.11 
Vermogensmisdrijven: processen-verbaal van aangifte, 
gehoorde verdachten, transacties en schuldig-
verklaringen, 1995-2006 (indices met 1995 = 100) 

130 

120 

110 

100 

90 

80 

70 

1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 

Transacties door het Schuldigverklaringen door de rechter 
OM (excl. ‘lik-op-stuk’) 

door de rechter 
Gehoorde verdachten Opgemaakte processen-verbaal 

Voor de corresponderende cijfers, zie tabellen 4.7, 4.15, 5.8 in bijlage 4. 
Bron: CBS 

6 
Halt-verwijzingen zijn hierin niet verdisconteerd. De reden hiervoor is dat de cijfers met betrekking tot 
Halt-verwijzingen niet per delicttype vanaf 1995 beschikbaar zijn. 

7 
Detentiejaren zijn de in eerste aanleg opgelegde jaren onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Deze zijn 
berekend door van het onvoorwaardelijke deel van de vrijheidsstraf het deel dat op grond van de 
regeling van vervroegde invrijheidstelling niet zal worden uitgezeten, af te trekken. Op basis van dit 
restant wordt het aantal detentiejaren berekend (zie ook paragraaf 5.1.3, voetnoot 7). 


230 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

In het aantal processen-verbaal van aangifte vormen de vermogensmisdrijven 
in 2006 met 58% de grootste delictcategorie. Figuur 7.11 brengt de 
ontwikkelingen van processen-verbaal van aangifte, het aantal gehoorde 
verdachten, OM-transacties en de schuldigverklaringen in beeld. 

De ontwikkelingen bij de vermogensdelicten verlopen veel grilliger dan bij 
de geweldsdelicten (zie figuur 7.8). De figuur laat een sterke stijging zien van 
het aantal transacties van 2001 tot 2006 (+61%) bij een daling van het aantal 
processen-verbaal (-24%), gehoorde verdachten (-7%) en schuldigverklaringen 
(-5%). Het aantal bij het OM ingeschreven strafzaken naar aanleiding 
van een vermogensdelict is in 2006 ongeveer gelijk aan dat van 2001. 
De stijging van het aantal transacties is nagenoeg helemaal veroorzaakt 
door de stijging van het aantal taakstraffen volgens het transactiemodel 
(zie tabel 5.6 in bijlage 4). 
Van de grote delictcategorieën is de categorie ‘vermogen’ de enige waarvan 
het aantal processen-verbaal en van het aantal gehoorde verdachten 
afneemt (zie tabel 4.7 en 4.15 in bijlage 4). De vermogensdelicten bestaan 
in hoofdzaak uit eenvoudige diefstallen en gekwalificeerde diefstallen. 
De daling van het aantal processen-verbaal is voor het grootste deel toe te 
schrijven aan de daling bij de gekwalificeerde diefstallen (-30%). 

Figuur 7.12 
(Deels) onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen, taakstraffen 
en financiële bestraffingen vanwege vermogensdelicten, 
1995-2006 

30.000 

25.000 

20.000 

15.000 

10.000 

5.000 

0 

1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 


Taakstraffen (TOM + TZM) Gevangenistraffen, hechtenissen 

en jeugddetenties 
Transactie betalen geldsom en 
(deels) onv. boetes 

Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 5.6, 5.14, 5.15, 5.16, 5.38 in bijlage 4. 
Bron: CBS 


De strafrechtsketen in samenhang 231 

Figuur 7.12 laat zien hoe vaak plegers van een vermogensdelict worden 
veroordeeld tot een financiële bestraffing, een taakstraf of een vrijheidsstraf. 
De bij alle delicten zichtbare stijging van het aantal opgelegde 
taakstraffen is ook te zien bij de vermogensdelicten. Het aantal vermogensdelinquenten 
dat met een financiële sanctie wordt bestraft, is sinds 
1995 bijna gehalveerd. 

Figuur 7.13 
(Deels) onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen, vanwege 
vermogensdelicten, in aantal, duur en detentiejaren, 
1995-2006 (indices met 1995 = 100) 

160 
140 
120 
100 
80 
60 
40 
20 
0 

1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 


Gemiddelde duur Detentiejaren 

Aantal (deels) onvoorw. 
vrijheidsstraffen 

Voor de corresponderende cijfers, zie tabellen 5.16, 5.17 en 5.18 in bijlage 4. 
Bron: CBS 

Het aantal (deels) onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen (in hoofdzaak 
gevangenisstraffen) en detentiejaren voor vermogensdelicten is in 2006 
lager dan in 1995. Ook bij de vermogensdelicten zien we de reeds eerder 
gesignaleerde piek in 2003 (bij de geweldsdelicten ligt deze piek in 2004), 
gevolgd door een scherpe daling. 
Er is een opmerkelijk verschil zichtbaar tussen de eenvoudige en de 
gekwalificeerde diefstallen in aantal (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraffen 
(zie tabel 5.16 in bijlage 4): het aantal voor eenvoudige diefstallen 
verdubbelt ruim van 1995 tot 2003 (van 3.600 naar 7.400) en halveert 
vervolgens bijna in de periode tot 2006 (3.800). Bij de gekwalificeerde 
diefstal zien we weinig beweging van 1995 (7.900) tot 2003 (7.700). Dan zet 
ook bij de gekwalificeerde diefstal een daling in: 4.800 in 2006. Figuur 7.13 
laat zien dat de daling van het aantal detentiejaren sinds 2003 veroorzaakt 


232 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

wordt door een daling van het aantal gevangenisstraffen en niet door 
ontwikkelingen in de gemiddelde strafduur. Deze stijgt zelfs (van 64 dagen 
naar 74 dagen). De daling doet zich dus vooral voor bij de korte gevangenisstraffen. 
Het percentage bij het OM ingeschreven vermogenszaken dat 
uiteindelijk leidt tot een (deels) onvoorwaardelijke vrijheidsstraf was in 
2003 nog 27%, in 2006 is dat nog ‘slechts’ 17%. Het percentage taakstraffen 
(transactiemodel OM en opgelegd door de rechter) stijgt van 2003 tot 2006 
van 23% naar 30%. 

7.3.4 
Vernielingen en delicten tegen de openbare orde en het openbaar 
gezag, 1995-2006 
Figuur 7.14 schetst de ontwikkelingen bij de delictcategorie vernielingen 
en misdrijven tegen de openbare orde en het openbaar gezag (VOO). De 
figuur lijkt sterk op die van de geweldsdelicten (figuur 7.8). De ontwikkeling 
zijn weliswaar wat gematigder, maar wel in dezelfde richting, dat wil 
zeggen dat de processen-verbaal (+41%), de gehoorde verdachten (+88%) 
de transacties (+249%) en de schuldigverklaringen (+80%) van 1995 tot 
2006 continu in aantal toenamen. 

Figuur 7.14 Vernielingen en misdrijven tegen de openbare orde en 

het openbaar gezag: processen-verbaal van aangifte, 

gehoorde verdachten, transacties en schuldigver


klaringen, 1995-2006 (indices met 1995 = 100) 

350 

300 

250 

200 

150 

100 

1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 


Transacties door het OM Schuldigverklaringen door de rechter 
Gehoorde verdachten Opgemaakte processen-verbaal 

Voor de corresponderende cijfers, zie tabellen 4.7, 4.15, 5.8 in bijlage 4. 
Bron: CBS 


De strafrechtsketen in samenhang 233 

De groei van het aantal transacties wordt ook bij deze misdrijfcategorie 
vooral veroorzaakt door de groei van het aantal taakstraffen volgens het 
transactiemodel, maar ook de verdubbeling van het aantal financiële 
transacties (betalen geldsom) heeft aan de groei bijgedragen. 

Ook bij deze delictcategorie is een sterke stijging van het aantal taakstraffen 
(OM en rechter) zichtbaar (zie figuur 7.15). Ten opzichte van de 
geweldsdelicten worden de ‘VOO-misdrijven’ relatief veel bestraft met een 
financiële sanctie en weinig met een vrijheidsstraf (zie ook paragraaf 7.4). 

Figuur 7.15 
(Deels) onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen, taakstraffen 
en financiële bestraffingen vanwege vernielingen en 
misdrijven tegen de openbare orde en het openbaar 
gezag, 1995-2006 

12.000 

10.000 

8.000 

6.000 

4.000 

2.000 
0 
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 


Taakstraffen (TOM + TZM) 
Gevangenistraffen, hechtenissen 
en jeugddetenties 

Transactie betalen geldsom 
en (deels) onv. boetes 


Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 5.6, 5.14, 5.15, 5.16, 5.38 in bijlage 4. 
Bron: CBS 

VOO-misdrijven worden relatief weinig bestraft met een vrijheidsstraf, 
maar het aantal is sinds 1995 wel bijna verdubbeld. Deze stijging is zelfs 
nog iets groter dan die van het aantal gehoorde verdachten en het aantal 
schuldigverklaringen. Doordat de gemiddelde duur van (deels) onvoorwaardelijke 
vrijheidsstraffen ongeveer gelijk bleef, verdubbelde ook het 
aantal detentiejaren tot bijna 800 in 2006 (zie figuur 7.16, tabel 5.18 en 5.40 
in bijlage 4). Overigens is dat nog maar 8% van het totaal aantal opgelegde 
detentiejaren. Het aandeel VOO-misdrijven in het aantal bij het OM ingeschreven 
misdrijfstrafzaken is met 14% aanzienlijk hoger. 


234 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

0 
50 
100 
150 
200 
250 
Figuur 7.16 
(Deels) onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen, vanwege 
vernielingen en misdrijven tegen de openbare orde en 
het openbaar gezag, in aantal, duur en detentiejaren, 
1995-2006 (indices met 1995 = 100) 

1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 

Aantal (deels) onvoorw. vrijheidsstraffen Detentiejaren 

Gemiddelde duur 

Voor de corresponderende cijfers, zie tabellen 5.16, 5.17 en 5.18 in bijlage 4. 
Bron: CBS 

7.3.5 Misdrijven tegen de Opiumwet, 1995-2006 
In de periode 1995-2006 steeg het aantal processen-verbaal (pv’s) van 

4.200 naar 16.400, en het aantal gehoorde verdachten van 8.800 naar 
23.100. Bij de meeste delictcategorieën is het aantal pv’s groter dan het 
aantal gehoorde verdachten. Bij de zogenoemde ‘slachtofferloze’ delicten 
is dat vaak andersom, zo ook bij de Opiumwetmisdrijven. Doordat de 
groei bij de pv’s vanaf 1995 aanzienlijk groter was dan die bij de gehoorde 
verdachten is het verschil tussen het aantal pv’s en het aantal gehoorde 
verdachten relatief wel kleiner geworden. 
Het aantal transacties is in 2006 bijna vier keer zo groot als in 1995 (zie 
figuur 7.17). Overigens wordt dit delicttype relatief weinig afgedaan door 
middel van een transactie. In 2006 gebeurde dat 3.500 keer. Het aantal 
afdoeningen door de rechter was met 8.900 aanzienlijk groter. 

De strafrechtsketen in samenhang 235 

Figuur 7.17 
Misdrijven tegen de Opiumwet: processen-verbaal van 
aangifte, gehoorde verdachten, transacties en schuldig-
verklaringen, 1995-2006 (indices met 1995 = 100) 

400 

350 

300 

250 

200 

150 

100 

1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 


Opgemaakte processen-verbaal Gehoorde verdachten 
Transacties door het OM Schuldigverklaringen 
door de rechter 

Voor de corresponderende cijfers, zie tabellen 4.7, 4.15, 5,8 in bijlage 4. 
Bron: CBS 

Ten opzichte van de geweldsmisdrijven, de vermogensmisdrijven en de 
VOO-misdrijven, worden de Opiumwetdelicten relatief vaak afgedaan 
door middel van een (deels) onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Bij een 
aantal van 23.100 in 2006 gehoorde verdachten werden 3.900 (deels) 
onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen (gevangenisstraf en jeugddetentie) in 
eerste aanleg opgelegd. Ter vergelijking: in 2006 werden 80.500 verdachten 
vanwege een geweldsdelict door de politie gehoord en werden 7.000 (deels) 
onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen door de rechter (in eerste aanleg) 
opgelegd. 
Ook bij de Opiumwetmisdrijven is het aantal opgelegde taakstraffen 
enorm gestegen. De ontwikkeling van de financiële sanctie houdt redelijk 
gelijke tred met de ontwikkeling van het aantal gehoorde verdachten. 

Doordat Opiumwetmisdrijven relatief vaak met een (deels) onvoorwaardelijke 
vrijheidsstraf worden bestraft en doordat deze vrijheidsstraffen 
gemiddeld relatief lang zijn, is het totale aantal vanwege deze delictcategorie 
opgelegde detentiejaren aanzienlijk groter dan men wellicht op 
grond van het aantal gehoorde verdachten zou verwachten. De populatie 


236 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

in het gevangeniswezen8 bestaat dan ook voor een kwart uit Opiumwetdelinquenten 
(zie ook paragraaf 7.4). De ontwikkeling van het aantal detentiejaren 
vanwege Opiumwetmisdrijven heeft dan ook een belangrijke 
bijdrage in de ontwikkeling van het totale aantal door de rechter opgelegde 
detentiejaren. Mede vanwege de vanaf 2001 doorgevoerde beleidswijzigingen 
met betrekking tot de opsporing en vervolging van drugskoeriers 
op Schiphol, heeft het aantal gevangenisstraffen voor deze misdrijfcategorie 
een spectaculaire ontwikkeling meegemaakt. Zo steeg het totale aantal 
detentiejaren (voor alle delictcategorieën samen) van 2000 tot 2003 met 
bijna 4.800 (+47%) en daalde dat aantal vervolgens tot 2006 met bijna 4.600 
detentiejaren (-31%). Deze aantallen voor alleen de Opiumwetmisdrijven 
zijn 2.300 in 2000, 4.300 in 2003 en 2.200 in 2006 (zie tabel 5.17). Figuur 

7.19 laat zien dat de ontwikkeling van het aantal detentiejaren vooral is 
bepaald door het aantal vrijheidsstraffen en niet zozeer door de gemiddelde 
strafduur. 
Figuur 7.18 (Deels) onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen, taakstraffen 

en financiële bestraffingen vanwege misdrijven tegen de 

Opiumwet, 1995-2006 

1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 

Taakstraffen (TOM + TZM) 
Transactie betalen geldsom 
en (deels) onv. boetes 

Gevangenistraffen, hechtenissen 
en jeugddetenties 


Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 5.6, 5.14, 5.15, 5.16, 5.38 in bijlage 4. 
Bron: CBS 

Exclusief vreemdelingen. 

0 
1.000 
2.000 
3.000 
4.000 
5.000 
6.000 

De strafrechtsketen in samenhang 237 

0 
50 
100 
150 
200 
250 
Figuur 7.19 (Deels) onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen, vanwege 

misdrijven tegen de Opiumwet, in aantal, duur en 

detentiejaren, 1995-2006 (indices met 1995 = 100) 

1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 

Aantal (deels) onvoorw. vrijheidsstraffen Gemiddelde duur 

Detentiejaren 

Voor de corresponderende cijfers, zie tabellen 5.16, 5.17 en 5.18 in bijlage 4. 
Bron: CBS 

7.4 De keten nader belicht voor enkele delicttypen in 2006 
Deze paragraaf zet vijf delictgroepen en hun gang door de strafrechtsketen 
naast elkaar. Het betreft de categorieën die ook in de vorige 
paragrafen aan de orde kwamen, te weten de geweldsdelicten, de vermogensdelicten 
en de delicten tegen de openbare orde/vernielingen. 
Daarnaast worden de delicten tegen de Opiumwet en een restcategorie9 
in beeld gebracht. De delicten tegen de Opiumwet worden als aparte categorie 
belicht vanwege hun opmerkelijke gang door de keten en het relatief 
grote beslag dat ze leggen op de capaciteit van het gevangeniswezen. 
Figuur 7.20 laat het relatieve aandeel van de delictcategorieën in het 
desbetreffende onderdeel/de desbetreffende fase van de keten zien. 
Omdat schuldigverklaringen bijna altijd gepaard gaan met strafoplegging, 
en een transactie in feite een bestraffing zonder tussenkomst van 

9 
In deze restcategorie zitten onder meer de delicten tegen de Wegenverkeerswet, de Wet economische 
delicten en de Wet wapens en munitie. 


238 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

de rechter is, wordt hier over ‘bestraffingen’ gesproken waar het gaat om 
transacties door het OM en schuldigverklaringen door de rechter. 
Detentiejaren en strafduur zijn zodanig berekend dat rekening is gehouden 
met de regeling van vervroegde invrijheidstelling.10 Dat wil zeggen dat 
waar de rechter bijvoorbeeld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf heeft 
opgelegd van negen maanden, deze wordt geteld voor zeven maanden. 

Figuur 7.20 Aandeel delictcategorieën in de strafrechtsketen, 2006 

0% 
10% 
20% 
30% 
40% 
50% 
60% 
70% 
80% 
90% 
100% 
Processen-Gehoorde Transacties en Onvoorwaarde-Detentiejaren 
verbaal verdachten schuldig-lijke vrijheids-(n = 10.300) 
(n = 1.218.000) (n = 358.000) verklaringen straffen 
(n = 203.000) (n = 27.400) 

Opiumwet 

Vernieling en openbare orde 

Geweldsdelicten 

Vermogensdelicten 
Overige delicten 

Voor de corresponderende cijfers, zie tabellen 4.7, 4.15, 5.8 in bijlage 4. 
Bron: CBS 

Geweldsdelicten 

In 2006 werden 109.000 processen-verbaal van aangifte naar aanleiding 
van een geweldsdelict opgemaakt. Dat is 9% van het totale aantal pv’s (zie 
figuur 7.20). Met 65.000 ophelderingen is het ophelderingspercentage voor 
deze delictcategorie (60%) aanzienlijk hoger dan gemiddeld (23%). Het 
aandeel in het totale aantal gehoorde verdachten is met 22% dan ook al 
een stuk hoger dan bij de pv’s. Het aandeel in de bestraffingen is 17%. De 
oorzaak voor het feit dat het aandeel in de bestraffingen lager is dan in de 
gehoorde verdachten kan voor een deel worden gevonden in een ontwikkeling 
die niets met deze delictcategorie van doen heeft: het grote aandeel 
van de economische delicten bij de transacties (die veelal bij het OM 

10 
Voor straffen tot en met twaalf maanden geldt dat de eerste zes maanden geheel worden uitgezeten 
en van het restant eenderde deel. Van straffen langer dan een jaar wordt tweederde deel uitgezeten. 
Overigens geldt de regeling van vervroegde invrijheidstelling niet voor jeugddetentie. 


De strafrechtsketen in samenhang 239 

worden aangemeld door andere opsporingsdiensten dan de politie, met 
name de BOD’en, zie verder in deze paragraaf, onder het kopje ‘overige 
delicten’). In 2006 werden vanwege geweld 80.500 verdachten gehoord, 
ruim 10.100 transacties met de officier van justitie overeengekomen en 

24.500 schuldigverklaringen door de rechter uitgesproken. 
Met een aantal van 7.000 onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen (gevangenisstraf 
en jeugddetentie) hebben de geweldsdelicten een aandeel in 
de vrijheidsstraffen (25%) dat hoger is dan het aandeel in de gehoorde 
verdachten. Doordat de gemiddelde strafduur relatief hoog is (222 dagen), 
hebben de geweldsdelicten met 41% het grootste aandeel in het aantal 
opgelegde detentiejaren. Het aandeel geweldsdelinquenten in het gevangeniswezen11 
is hieraan met 40% in 2006 nagenoeg gelijk.12 
Delicten tegen de Opiumwet 

Van delicten tegen de Opiumwet wordt bijna nooit aangifte gedaan. 
Met ruim 1% hebben de Opiumwetdelicten dan ook een gering aandeel 
in de pv’s. Het aantal processen-verbaal (16.400) was in 2006 nagenoeg 
gelijk aan het aantal opgehelderde zaken (15.500) en lager dan het aantal 
gehoorde verdachten (23.100). Bij de gehoorde verdachten is dat 
aandeel al gegroeid tot 6%. Ook in het aantal bestraffingen is het percentage 
Opiumwetdelicten 6%. Personen die door de rechter schuldig 
zijn verklaard (8.900 in 2006), hebben een vrij grote kans op een onvoorwaardelijke 
vrijheidsstraf (44%). Het aandeel Opiumwetdelicten in de 
onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen is met 14% dan ook al weer groter dan 
bij de gehoorde verdachten. Het aandeel in de opgelegde detentiejaren 
komt uiteindelijk zelfs uit op 21%. De oorzaak hiervoor is het feit dat de 
gemiddelde strafduur bij de Opiumwetdelicten met 206 dagen aanzienlijk 
boven de totaal gemiddelde strafduur (137 dagen) ligt. In 2006 werden 
in totaal 2.200 detentiejaren vanwege Opiumwetdelicten opgelegd (in 
2003 waren dat er overigens nog 4.300). Ruim 845 van deze detentiejaren 
werden opgelegd in het arrondissement Haarlem. Aangenomen dat dit in 
hoofdzaak op Schiphol gearresteerde drugskoeriers zijn, is 8% van alle in 
2006 opgelegde detentiejaren (van alle delicten tezamen) bestemd voor 
op Schiphol opgepakte drugskoeriers. Overigens is dat aanzienlijk minder 
dan in 2003. Het percentage bedroeg toen 13%. 
Het aandeel Opiumwetdelicten in het totaal aantal opgelegde detentie-
jaren (alleen gevangenisstraffen) was in 2006 22%.13 Het aandeel Opiumwetdelicten 
in de bezetting van het gevangeniswezen14 was in 2006 25%. 

11 
Vreemdelingenbewaring buiten beschouwing gelaten. 

12 
Een delictuitsplitsing is voor de jeugdinrichtingen niet beschikbaar. Daarom wordt het aandeel 
alleen met het gevangeniswezen vergeleken. Voor een correcte vergelijking moet het aandeel 
geweldsdelinquenten in het aantal detentiejaren gevangenisstraf (excl. jeugddetentie) worden berekend. 
Dat aandeel blijkt eveneens 40% te zijn. 

13 Dat is net 1% meer dan de eerdergenoemde 21%. Dat komt omdat jeugddetentie niet is meegeteld. 
Aan jeugdigen worden weinig detentiejaren voor Opiumwetdelicten opgelegd (12 detentiejaren in 2006). 
14 Exclusief vreemdelingenbewaring. 


240 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Vermogensdelicten 

De vermogensdelicten bewegen zich op een geheel andere manier door 
de keten dan de Opiumwetdelicten. Het aandeel in de processen-verbaal 
is met 58% groot. Naast het feit dat het een veelvoorkomend delicttype 
is, speelt waarschijnlijk ook de eis van aangifte mee die verzekeringsmaatschappijen 
stellen aan uitkering van een schadebedrag. Doordat 
het ophelderingspercentage met 10% het laagste van de hier behandelde 
delictgroepen is, is het aandeel vermogensdelicten bij de gehoorde 
verdachten met 29% aanzienlijk kleiner dan bij de pv’s. Het aandeel 
vermogensdelicten is bij de bestraffingen met 26% weer iets kleiner. 
Opvallend is dan het grote aandeel in de onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen: 
43%. Wanneer men eenmaal door de rechter schuldig is bevonden, 
is de kans op een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf reëel: 35%. Overigens 
is de gemiddelde strafduur relatief laag (73 dagen), waardoor het aandeel 
in het totaal aantal detentiejaren uiteindelijk net iets lager is dan dat bij 
de Opiumwetdelicten, namelijk 23%. Het aandeel vermogensdelicten in 
het totaal aantal detentiejaren (alleen de gevangenisstraffen) is ongeveer 
gelijk aan het aandeel vermogensdelicten in de populatie binnen het 
gevangeniswezen (22%). 

Vernielingen en delicten tegen de openbare orde en het openbaar gezag 
(VOO) 

Het beeld van de gang door de strafrechtsketen is bij vernieling anders 
dan bij de overige delicten15 binnen deze categorie. Zo bestaat de delict-
categorie VOO bij de processen-verbaal voor 87% uit vernielingen. Bij de 
gehoorde verdachten is dat nog maar 51%. Waarschijnlijk komt dit doordat 
van vernieling (aan bijvoorbeeld auto’s) vaak aangifte wordt gedaan 
omdat de verzekeringsmaatschappij dat eist alvorens tot schadevergoeding 
over te gaan. Van de strafzaken inzake vernieling wordt in ongeveer 
5% van de gevallen een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf 
of jeugddetentie opgelegd. Het aandeel van vernieling neemt dus sterk 
af naarmate het verder in de strafrechtsketen komt. In het totaal aantal 
processen-verbaal is het aandeel nog 15%, bij de gehoorde verdachten 
is dat 8% en bij de bestraffingen 4% (exclusief Halt-verwijzingen). Bij de 
minderjarigen wordt dit delict vaak afgedaan door middel van een Halt-
verwijzing. 
De overige delicten binnen deze categorie (met name openbare orde en 
openbaar gezag) hebben een relatief klein aandeel in het totaal aantal 
processen-verbaal (2%), maar hebben een veel groter aandeel in het totaal 
aantal gehoorde verdachten (8%). Van delicten tegen de openbare orde en 
het openbaar gezag wordt waarschijnlijk weinig aangifte gedaan anders 

15 Dit zijn met name misdrijven tegen de openbare orde en tegen het openbaar gezag. Zie bijlage 1 voor 
een beschrijving van de delictcategorieën. 


De strafrechtsketen in samenhang 241 

dan door de politie zelf (ambtshalve). In de bestraffingen hebben zij een 
aandeel van 9%. Bij onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen is dat 7%. 

Overige delicten 

In het oog springt het grote aandeel ‘overige delicten’ in het totaal van 
sancties tegenover een klein aandeel bij de processen-verbaal en de 
vrijheidsstraffen (zie figuur 7.20). Het beeld van deze restcategorie wordt 
bepaald door de delicten tegen de Wegenverkeerswet en de delicten tegen 
de Wet economische delicten. 
De processen-verbaal en de gehoorde verdachten hebben in de categorie 
‘overige delicten’ voor het overgrote deel betrekking op verkeersdelicten 

(154.000 pv’s en 76.000 gehoorde verdachten). Veel van deze verdachten 
worden uiteindelijk bestraft (door middel van een transactie of een schuldigverklaring): 
42.000 in 2006. Over het algemeen is dat een transactie 
‘betalen geldsom’ (11.400) een onvoorwaardelijke boete (24.000) of een 
onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid (9.300, veelal in 
combinatie met een boete). Verkeersdelicten worden ten opzichte van 
de andere delicttypen relatief weinig door het OM geseponeerd (14%). 
Onvoorwaardelijke gevangenisstraffen worden voor verkeersdelicten niet 
vaak opgelegd en zijn over het algemeen kort van duur (zie tabellen 5.16 
en 5.17 in bijlage 4). De verkeersdelicten nemen dan ook slechts 1% van het 
totaal aantal opgelegde detentiejaren voor hun rekening. 
Met 3.200 processen-verbaal en 3.400 gehoorde verdachten hebben de 
economische delicten een marginaal aandeel in de door de politie geregistreerde 
criminaliteit. In het vervolgtraject is dit aandeel echter niet meer 
marginaal: bijna 20.000 bestraffingen (10%). In 68% van de gevallen is dat 
een transactie. Een deel van de verklaring voor het gegeven dat er veel 
meer zaken worden bestraft dan dat er verdachten door de politie worden 
gehoord, kan worden gevonden in het feit dat economische strafzaken 
voor een belangrijk deel worden aangebracht door andere opsporingsdiensten 
dan de regiopolitie, de KLPD of de Koninklijke Marechaussee. 
Veelal zijn dat de Bijzondere Opsporingsdiensten.16 Deze verdachten 
vinden we niet terug in de registratie van door de politie gehoorde 
verdachten. In feite zijn de eerste twee staven door de ondervertegenwoordiging 
van de economische delicten in figuur 7.20 niet helemaal 
vergelijkbaar met de laatste drie. 
Slechts zelden wordt een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf voor een 
economisch delict opgelegd (25 in 2006). 
16 
Met ingang van 1 januari 2002 kent Nederland vier zogenoemde bijzondere opsporingsdiensten, elk 
met een eigen specifieke opsporingstaak. De Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst/Economische 
Controledienst, de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst, de algemene Inspectie Dienst en de 
VROM Inlichtingen- en Opsporingsdienst. 


242 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Figuur 7.21 Misdrijven door minderjarigen in 2006 

ondervonden delicten (a) 

geschat aantal delicten tegen burgers (a) 
geschat aantal delicten tegen bedrijven (b) 
overige delicten (c) 

5.300.000 
2.200.000 
onbekend 

geregistreerde misdrijven (d) 

opgemaakte processen-verbaal 
gehoorde verdachten 

1.218.000 
358.000 
waarvan minderjarigen 

gehoorde minderjarige verdachten 

70.400 

Politietransactie misdrijven 
Halt-verwijzingen (e) 

strafzaken (f) 

instroom 

10.300 taakstraf 
1.400 betalen geldsom 
3.000 overige transacties 
24.000 
1.700 
3.200 
14.700 
3.300 
12.400 
11.400 
900 
100 
477 
23.000(e) 
36.500 
afgedaan 

36.500 
door OM 

door rechter (g) 
technisch sepot 

7% 
beleidssepot 


13% 

schuldig 
transactie 

61% 

vrijspraak 
voeging, overig 

14% 

overige afdoeningen 
overdracht naar ander parket 

1.200 
5% 

92% 
7% 
1% 

geldboete 3% Schadevergoeding en ontneming 16% 
jeugddetentie 14% wederrechtelijk verkregen voordeel 
taakstraffen 61% plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ) 
2% 
overige sancties 4% 

door de rechter aan minderjarigen opgelegde (deels) onvoorwaardelijke sancties (h) 

in eerste aanleg opgelegde onvoorwaardelijke sancties 
420 
2.0008.700 
2.200250 
550 
14.100 

a Bron: Veiligheidsmonitor Rijk 2007 (VMR). Het geschatte aantal delicten tegen burgers heeft enige overlap met het geschatte 
aantal delicten bedrijven. De omvang van deze overlap is niet bekend (zie noot b). 
b Bron: Monitor Criminaliteit Bedrijfsleven 2007 (MCB). Het geschatte aantal delicten tegen bedrijven heeft enige overlap met 
het geschatte aantal delicten tegen burgers. De omvang van deze overlap is niet bekend (zie noot a). 
c Delicten die buiten bereik van de VMR en MCB blijven: delicten zonder direct slachtoffer (bijv. drugssmokkel en heling), delic


ten tegen overheidsinstellingen, delicten tegen 15-minners, etc. 

d Bron: CBS-Politiestatistiek: inclusief misdrijven tegen bedrijven en instellingen, en inclusief ‘slachtofferloze delicten’. 

e Bron: Halt Nederland. Ruim een derde van de Halt-verwijzingen betreft overtredingen en is derhalve niet afkomstig van de 

genoemde 70.400 gehoorde verdachten. 

f Bron: CBS-strafzakenstatistiek. 

g Om redenen betreffende de registratie zijn de voegingen als afdoening door de rechter buiten beschouwing gelaten. 

h Bron: CBS-strafzakenstatistiek. De voorwaardelijke sancties zijn buiten beschouwing gelaten. Bij combinaties van sancties zijn 

alle sancties afzonderlijk geteld. Daardoor is het aantal (deels) onvoorwaardelijke sancties hoger dan het aantal schuldigver


klaringen. 


De strafrechtsketen in samenhang 243 

7.5 Minderjarigen in de strafrechtsketen, 2006 
Figuur 7.21 geeft schematisch de strafrechtsketen voor minderjarigen van 
12 tot en met 17 jaar weer. De kanttekeningen die bij figuur 7.1 worden 
gemaakt (zie paragraaf 7.1), gelden ook voor figuur 7.21. 
Terwijl minderjarigen in 2006 20% van alle door de politie gehoorde 
verdachten uitmaken (zie tabel 4.15 en 4.30 in bijlage 4), betreft slechts 
14% van de bij het OM instromende zaken minderjarige verdachten 
(zie tabel 5.01 en 5.24). Een deel van de door de politie gehoorde minderjarigen 
wordt naar een Halt-bureau verwezen. Overigens waren niet alle 

23.000 Halt-verwijzingen in 2006 het gevolg van een gepleegd misdrijf. 
Ook bepaalde overtredingen kunnen aanleiding zijn voor een Halt-verwijzing 
(zoals baldadigheid en vuurwerkdelicten). Het OM doet bijna twee 
derde van de rechtbankstrafzaken tegen minderjarigen af, de rechter 
ruim een derde. Bij de minder- en meerderjarigen tezamen wordt ruim 
de helft van alle strafzaken afgedaan door de rechter (zie figuur 7.1). De 
meeste OM-afdoeningen zijn transacties (zie tabel 5.27 en 7.2 in bijlage 4). 
Daarvan bestaat in 2006 70% uit taakstraffen volgens het officiersmodel. 
De meest door de rechter aan minderjarigen opgelegde sanctie is eveneens 
de taakstraf: 8.656 in 2006 (tabel 5.33 in bijlage 4). Naast de taakstraf 
legde de rechter bijna 2.000 (deels) onvoorwaardelijke jeugddetenties en 
3.400 andere (deels) onvoorwaardelijke sancties op. 
Figuur 7.20 liet het relatieve aandeel van de delictcategorieën in de 
verschillende schakels van de strafrechtsketen zien voor minder- en 
meerderjarigen tezamen. Figuur 7.22 doet dit alleen voor de minderjarigen 
in de keten. 
De delicten tegen de Opiumwet zijn in deze figuur niet als aparte categorie 
opgenomen, omdat minderjarigen weinig vanwege dit delict met 
justitie in aanraking komen. Tevens is de kolom ‘processen-verbaal’ 
weggelaten, omdat aantallen processen-verbaal van aangifte niet zijn uit 
te splitsen naar minder- en meerderjarigen (immers bij aangifte van een 
misdrijf is de dader vaak niet eens bekend). 

Wanneer minderjarigen in 2006 door de politie worden verhoord, is dat 
in 40% van de gevallen vanwege een vermogensdelict (meestal diefstal, 
zie tabel 4.30 in bijlage 4). In de instroom rechtbankstrafzaken bij het OM 
is het aandeel vermogensdelicten 39%; van de opgelegde detentiejaren is 
nog maar 28% bestemd voor de vermogensdelicten. Het tegenovergestelde 
beeld zien we bij de geweldsdelicten. Dat wil zeggen, het aandeel is groter 
aan het einde van de keten dan aan het begin. Bij de gehoorde minderjarigen 
is het aandeel geweldsdelicten 22% (14.400), maar bij de jeugd-
detenties is het aandeel al 47% (924). Doordat de gemiddelde duur van 
jeugddetentie voor geweldmisdrijven relatief lang is (92 dagen), is het 


244 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Figuur 7.22 Aandeel delictcategorieën in de strafrechtsketen, 
minderjarigen, 2006 

0% 
10% 
20% 
30% 
40% 
50% 
60% 
70% 
80% 
90% 
100% 
Gehoorde Transacties en Onvoorwaardelijke Detentiejaren 
verdachten schuldigverklaringen vrijheidsstraffen (n = 410) 
(n = 70.400) (n = 26.132) (n = 1975) 

Vermogensdelicten

Overige misdrijven 
Vernieling en openbare orde 


Geweldsdelicten 

Voor de corresponderende cijfers, zie tabellen 4.30, 5.30 en 5.40 in bijlage 4. 
Bron: CBS 

aandeel geweld in de detentiejaren hoger dan in het aantal jeugddetenties: 
59%. Overigens krijgen minderjarige geweldsdelinquenten veel vaker 
een taakstraf dan een (deels) onvoorwaardelijke jeugddetentie: in 2006 
is het aantal taakstraffen volgens het OM-transactiemodel vanwege een 
geweldsmisdrijf ruim 4.000; het aantal door de rechter opgelegde taakstraffen 
bedraagt 2.300. 

7.6 Recidive na strafrechtelijke interventies 
Recidive na strafrechtelijke interventies 

Deze paragraaf beschrijft de strafrechtelijke recidive van vijf belangrijke 
daderpopulaties: volwassen en jeugdige daders in het algemeen, ex-pupillen 
van justitiële jeugdinrichtingen, ex-gedetineerden uit het gevangeniswezen 
en ex-terbeschikkinggestelden. Daarbij wordt een onderscheid 
gemaakt naar de ernst van de recidive. De cijfers zijn afkomstig uit de 
WODC-Recidivemonitor (Wartna, Blom en Tollenaar, 2004) (zie ook bijlage 
2). Deze monitor is een langlopend onderzoeksproject waarin gestandaar



De strafrechtsketen in samenhang 245 

diseerde recidivemetingen worden verricht onder uiteenlopende dadergroepen. 
Onderzoek naar bovenstaande daderpopulaties wordt jaarlijks 
herhaald. Omdat de metingen steeds op dezelfde wijze verlopen, kunnen 
de uitkomsten van verschillende daderpopulaties onderling worden 
vergeleken. 

De figuren 7.23-7.25 geven de prevalentie weer van respectievelijk de algemene, 
ernstige en zeer ernstige recidive. Dat wil zeggen dat wordt afgebeeld 
welk percentage van de onderzoeksgroep binnen een bepaalde tijd 
opnieuw met justitie in aanraking kwam. 
De volwassen en jeugdige daders zijn gevolgd vanaf het moment dat hun 
strafzaak in 1997 werd ingeschreven bij een van de arrondissementsparketten 
(Wartna & Tollenaar, 2006). De andere onderzoeksgroepen, de 
ex-pupillen uit een justitiële jeugdinrichting (Wartna, Kalidien & Essers, 
2006), de ex-gedetineerden afkomstig uit een penitentiaire inrichting 
(Wartna, Kalidien, Tollenaar & Essers, 2006) en de ex-terbeschikkinggestelden 
(Wartna, el Harbachi & Essers, 2006), zijn gevolgd vanaf het 
moment dat zij uit de inrichting vertrokken. Voor de ex-JJI-pupillen en de 
ex-gedetineerden was dit het jaar 1997, voor de ex-terbeschikkinggestelden 
de periode 1994-1998. Alle vijf de onderzoeksgroepen werden gedurende 
acht jaar17 gevolgd. 

Prevalentie van algemene recidive 

Onder de algemene recidive vallen alle nieuwe justitiecontacten18, 
ongeacht de aard en ernst van de gepleegde misdrijven. Strafzaken die 
eindigen in een vrijspraak, een technisch sepot of een andere technische 
uitspraak werden niet meegeteld. 
De recidive onder jongeren die zijn uitgestroomd uit een justitiële jeugdinrichting 
is het hoogst. Acht jaar na uitstroom heeft 82% van deze groep 
één of meer nieuwe justitiecontacten, dat wil zeggen weer een of meerdere 
zaken ingeschreven bij het OM. In de groep ex-gedetineerden is dit 
percentage 74%. De jeugdige daders laten in het algemeen een hogere 
recidive zien dan volwassenen. Van alle jeugdige daders uit 1997 is 60% 
na acht jaar opnieuw vervolgd. Bij de volwassen daders is dit 45%. De 
laagste recidivepercentages vinden we terug in de tbs-populatie. Van de 
ex-terbeschikkinggestelden van wie de maatregel tussen 1994 en 1998 
eindigde, heeft 41% na acht jaar gerecidiveerd (zie figuur 7.23). 

17 
De percentages zijn berekend met behulp van survivalanalyse. De dataverzameling werd afgesloten in 
juni 2005. 

18 
Met een nieuw justitiecontact wordt bedoeld een nieuwe strafzaak ingeschreven bij het OM. 


246 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Figuur 7.23 
Overzicht van de algemene recidive van vijf 
daderpopulaties 

90 

80 

70 

60 

50 

40 

30 

20 

10 

0 

percentage recidivisten 

012345678 
observatieperiode in jaren 


JJI-jongeren (1997) 
Ex-gedetineerden (1997) 
Jeugdige daders (1997) 
Volwassen daders (1997) 
Tbs (1994-1998) 
Zie voor de onderliggende data tabel 7.3 in bijlage 4. 
Bron: WODC Recidivemonitor/2006 
Prevalentie van ernstige recidive 

Bij de ernstige recidive gaat het om alle nieuwe justitiecontacten naar aanleiding 
van een of meer misdrijven met een wettelijke strafdreiging van 
vier jaar of meer.19 Strafzaken die eindigen in een vrijspraak, een technisch 
sepot of een andere technische uitspraak werden niet meegeteld. 
In figuur 7.24 is de prevalentie van de ernstige recidive weergegeven voor 
acht observatiejaren. Ook in het geval van de ernstige recidive, hebben 
ex-pupillen die uitstromen uit een jeugdinrichting de hoogste recidive 
na acht jaar, namelijk 71%. Bij ex-gedetineerden die uitstromen uit een 
penitentiaire inrichting is dit 60%. De ernstige recidive van ex-terbeschikkinggestelden 
bedraagt, acht jaar nadat de maatregel werd beëindigd, 
33%. Volwassen daders met een strafzaak in 1997 hebben de laagste 
ernstige recidive, namelijk 26% na acht jaar. Voor jeugdige daders met een 
strafzaak in 1997 is dit 46%. 

19 Delicten met een lagere strafdreiging maar waarvoor wel voorlopige hechtenis kan worden opgelegd, 
vallen ook in deze categorie. 


De strafrechtsketen in samenhang 247 

Figuur 7.24 
Overzicht van de ernstige recidive van vijf 
daderpopulaties 

80 

70 

60 

50 

40 

30 

20 

10 

0 

percentage recidivisten 

012345678 
observatieperiode in jaren 


JJI-jongeren (1997) 
Ex-gedetineerden (1997) 
Jeugdige daders (1997) 
Tbs (1994-1998) 
Volwassen daders (1997) 
Zie voor de onderliggende data tabel 7.3 in bijlage 4. 
Bron: WODC Recidivemonitor/2006 
Prevalentie van zeer ernstige recidive 

In het geval van zeer ernstige recidive gaat het om nieuwe justitiecontacten 
naar aanleiding van misdrijven met een wettelijke strafdreiging van 
acht jaar of meer. Net als bij de algemene en ernstige recidive zijn de strafzaken 
die eindigden in een vrijspraak, een technisch sepot of een andere 
technische uitspraak niet meegeteld. 
In figuur 7.25 is de prevalentie van de zeer ernstige recidive weergegeven. 
Voor de ex-pupillen die uit een jeugdinrichting zijn gestroomd, is het recidivepercentage 
na acht jaar 36%, voor de ex-gedetineerden 23% en voor de 
ex-terbeschikkinggestelden 13%. De zeer ernstige recidive van jeugdige en 
volwassen daders bedraagt na acht jaar respectievelijk 15% en 7%. 

Invloed achtergrondkenmerken 

Dat de strafrechtelijke recidive in de ene groep lager is dan in de andere 
wil niet per se zeggen dat de interventies in die sector effectiever zijn in 
het voorkomen van recidive. Dit komt doordat de sancties niet willekeurig 
worden opgelegd. Tussen de justitiabelen uit de diverse onderzoeksgroepen 
bestaan verschillen die van invloed zijn op de hoogte van de recidive. 
Belangrijke kenmerken die samenhangen met de hoogte van de recidive 


248 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Figuur 7.25 
Overzicht van de zeer ernstige recidive van de vijf dader-
populaties 

90 

80 

70 

60 

50 

40 

30 

20 

10 

0 

percentage recidivisten 

01234567 
observatieperiode in jaren 


JJI-jongeren (1997) Jeugdige daders (1997) 
Ex-gedetineerden (1997) Tbs (1994-1998) 
Volwassen daders (1997) 
Zie voor de onderliggende data tabel 7.3. 
Bron: WODC Recidivemonitor/2006 

zijn: het aantal eerdere justitiecontacten (hoe omvangrijker het strafrechtelijke 
verleden des te groter de recidivekans), sekse (mannen/jongens 
recidiveren vaker dan vrouwen/meisjes), geboorteland (daders geboren 
op de Nederlandse Antillen/Aruba, in Suriname of Marokko hebben een 
grotere recidivekans dan daders geboren in bijvoorbeeld Nederland of 
Turkije), leeftijd (hoe jonger men is, des te groter de recidivekans) en type 
delict. 

7.7 Resumé 
Jaarlijks worden in Nederland miljoenen misdrijven gepleegd. Het aantal 
in 2006 door burgers ondervonden misdrijven bedraagt zo’n 5 à 6 miljoen, 
het aantal door bedrijven ondervonden misdrijven is ongeveer 2 à 2,5 miljoen, 
en daarnaast zijn er nog vele andere misdrijven die moeilijker kunnen 
worden gekwantificeerd. Van de meeste delicten wordt nooit aangifte 
gedaan. In 1995 bedroeg het aantal door de politie opgemaakte proces-
sen-verbaal van aangifte (pv’s) iets meer dan 1,2 miljoen. Dit aantal was in 
2002 gestegen tot 1,4 miljoen en vervolgens weer gezakt tot iets meer dan 


De strafrechtsketen in samenhang 249 

1,2 miljoen in 2006. Het aantal pv’s vanwege een vermogensdelict daalde, 
het aantal vanwege geweld en vernieling steeg. Ook de aantallen pv’s vanwege 
misdrijven tegen de Opiumwet en de Wegenverkeerswet groeiden 
fors. Deze laatstgenoemde groei is vooral toe te schrijven aan de door de 
politie zelf (ambtshalve) geconstateerde misdrijven. 
In 2006 werden bijna 360.000 mensen door de politie gehoord vanwege de 
verdenking van het plegen van een misdrijf. Het aantal gehoorde verdachten 
is vanaf 1995 aanzienlijk sterker gegroeid (+46%) dan het aantal 
pv’s (-1%). Het aantal gehoorde verdachten vanwege geweld, vernieling 
en misdrijven tegen de openbare orde/ gezag verdubbelde bijna. Bij de 
misdrijven tegen de Opiumwet is zelfs sprake van bijna een verviervoudiging. 
Bij de vermogensmisdrijven is een daling van het aantal gehoorde 
verdachten zichtbaar. 
Het aantal bestraffingen door het OM en de ZM, gedefinieerd als de som 
van het aantal transacties en schuldigverklaringen (schuldigverklaringen 
gaan nagenoeg altijd gepaard met een sanctie) groeide ook van 1995-2006 
(+28%), maar niet zo sterk als het aantal door de politie gehoorde verdachten. 
Met name de taakstraffen hebben een enorme vlucht genomen. In 
2006 was het aantal opgelegde taakstraffen (door de rechter en volgens het 
transactiemodel) ruim twee keer zo groot als het aantal (deels) onvoorwaardelijke 
gevangenisstraffen en jeugddetenties tezamen. In 1995 was 
deze verhouding net andersom. Het aantal (deels) onvoorwaardelijke 
gevangenisstraffen maakte in de periode 1995-2006 een opmerkelijke 
ontwikkeling door: het aantal steeg van 26.400 in 2000 naar 38.800 in 2003 
(+47%) en daalde vervolgens tot 27.400 in 2006 (-29%). De daling kan voor 
een belangrijk deel worden toegeschreven aan de vermogensdelicten (van 

20.000 in 2003 naar 11.800 in 2006). In die periode (vanaf 2003) daalde 
het aantal opgelegde detentiejaren gevangenisstraf in vergelijkbare mate 
(-31%). Doordat de gemiddelde strafduur van vermogensdelicten relatief 
kort is, is de bijdrage van de vermogensdelicten aan deze daling wat kleiner 
dan bij de daling van het aantal gevangenisstraffen. De daling van 
het aantal detentiejaren 2003-2006 is voor 25% toe te schrijven aan de 
vermogensdelicten, voor 31% aan de geweldsdelicten en voor 46% aan de 
misdrijven tegen de Opiumwet. 

 
8 Uitgaven aan criminaliteit 

D.E.G. Moolenaar 
In de voorafgaande hoofdstukken is beschreven hoe de overheid reageert 
op criminaliteit. Deze reactie is nodig om de veiligheid te verhogen 
en de rechtsstaat in stand te houden. Aan deze reactie hangt echter wel 
een prijskaartje. Naast de overheidsreactie op criminaliteit is er ook 
een reactie van het bedrijfsleven en particulieren. Burgers en bedrijven 
lijden schade en nemen zelf initiatieven om de schade te beperken. Ook 
hieraan hangt een prijskaartje. 

In dit hoofdstuk proberen we meer zicht te krijgen op deze prijskaartjes. 
Drie vragen staan centraal. 

– 
Hoeveel geeft de overheid uit aan criminaliteitsbestrijding en straf-
rechtshandhaving en hoe heeft zich dit in de periode 1995-2006 
ontwikkeld? 
– 
Hoeveel geven burgers en bedrijfsleven uit aan preventie in 2006? 
– 
Hoe hoog is de financiële schade veroorzaakt door criminaliteit in 
2006? 
Bij de beantwoording van deze vragen doet zich een aantal methodologische 
problemen voor, zoals: 

– 
Hoe kunnen brede uitgavenposten specifiek worden toegerekend aan 
criminaliteitsbestrijding en strafrechtshandhaving? 
– 
Hoe kan immateriële schade in geld worden uitgedrukt? 
– 
Hoe kan worden omgegaan met de beperkte beschikbaarheid van 
c ijfers? 
– 
Hoe kunnen gegevens over verschillende jaren vergelijkbaar worden 
gemaakt? 
Veel organisaties op het terrein van justitie houden zich niet exclusief 
bezig met criminaliteitsbestrijding, maar hebben ook andere taken, zoals 
het waarborgen van de veiligheid, het handhaven van de openbare orde, 
het afhandelen van overtredingen, civiele rechtspraak, bestuursrechtelijke 
rechtspraak en dergelijke. In de aan hen toegekende budgetten wordt 
dit onderscheid niet altijd gemaakt. Daarom dienen deze onderdelen op 
een of andere wijze eruit gefilterd te worden. In deze gevallen is getracht 
om op basis van andere gegevens (zoals bijvoorbeeld werklastmetingen, 
kostprijzen, enzovoort) toch een toerekening te maken naar misdrijfzaken. 


Veel van de geleden schade als gevolg van criminaliteit is moeilijk in geld 
uit te drukken. Hierbij moet worden gedacht aan bijvoorbeeld emotionele 
schade, maar ook ziekteverzuim. Door gegevens uit diverse bronnen 
met elkaar te combineren is getracht hiervan toch een inschatting te 
maken. 


252 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Van de overheidsuitgaven zijn er over een groot aantal jaren gegevens 
bekend. Dit geldt echter niet voor de uitgaven aan preventiemaatregelen 
en de schade. Voor veel onderdelen is slechts op incidentele basis 
een indicatief bedrag beschikbaar. Om toch tot een actueel plaatje van 
de kosten in één jaar te komen, wordt voor elk onderdeel het recentst 
beschikbare gegeven gebruikt. 

De meeste uitgaven zijn in de loop van de jaren niet constant gebleven. 
Om een indicatie te krijgen of het een wijziging van het volume betreft 
of dat het slechts om prijsaanpassingen gaat, moet worden gecorrigeerd 
voor inflatie. De meest gangbare deflator is het consumptieprijsindex-
cijfer. Hieraan kleven echter enige nadelen (zie Eurostat, 2001) en bovendien 
kennen de prijzen van overheidsdiensten doorgaans een andere 
ontwikkeling dan het algemene consumptieprijsindexcijfer. Derhalve 
worden in dit hoofdstuk de overheidsuitgaven gecorrigeerd met de 
deflator voor collectieve overheidsuitgaven uit de nationale rekeningen. 
De niet-overheidsuitgaven worden, bij gebrek aan een meer toegespitst 
prijsindexcijfer, wel gecorrigeerd met het algemene consumptieprijsindexcijfer. 
Alle figuren en getallen in de tekst zijn uitgedrukt in prijzen van 
2006. Indien er sprake is van groei of daling in de uitgaven, is dit derhalve 
het gevolg van wijzigingen in het volume en niet van prijsaanpassingen. 
In de tabellen in bijlage 4 worden ook de ongecorrigeerde bedragen 
vermeld. 
Dit hoofdstuk zal niet ingaan op de baten van strafrechtshandhaving. 
Naast de reeds genoemde problematiek van toerekening naar criminaliteitsbestrijding 
en strafrechtshandhaving en beperkte beschikbaarheid 
en vergelijkbaarheid van cijfers, speelt het probleem van de meetbaarheid 
van de effecten en de vertaling daarvan in euro’s een belangrijke rol. 

De cijfers in dit hoofdstuk zijn niet goed vergelijkbaar met eerder verschenen 
versies van dit hoofdstuk (zie Schreuders e.a., 1999 en Moolenaar, 
2005). Dit is het gevolg van de betere beschikbaarheid van data, andere 
bronnen, meer uitsplitsingen, andere indelingen en dergelijke. Belangrijkste 
wijzigingen zijn het onderscheiden van preventie als aparte post 
overheidsuitgaven en een verbeterde berekeningsmethode voor schade 
en fysiek en psychisch leed. 

In paragraaf 8.1 zullen de uitgaven aan criminaliteitsbestrijding en straf-
rechtshandhaving zoveel mogelijk worden uitgesplitst naar de verschillende 
onderdelen van de strafrechtsketen, zoals slachtoffers, preventie, 
opsporing, vervolging, berechting, tenuitvoerlegging en ondersteuning 
van verdachten. In paragraaf 8.2 zullen de kosten van preventiemaatregelen 
worden uitgesplitst naar overheid, burgers en bedrijven. Paragraaf 8.3 
gaat in op de financiële schade die criminaliteit berokkent aan burgers, 
bedrijven en overheid. Paragraaf 8.4 eindigt met een korte samenvatting. 


Uitgaven aan criminaliteit 253 

8.1 Overheidsuitgaven in reactie op criminaliteit 
Bij uitgaven aan criminaliteitsbestrijding en strafrechtshandhaving 
in reactie op criminaliteit moet worden gedacht aan de uitgaven van 
allerlei overheidsinstanties die zich op een of andere manier met 
slachtofferzorg, preventie, opsporing, berechting, tenuitvoerlegging 
en ondersteuning bezighouden. In Nederland vallen deze taken onder 
de verantwoordelijkheid van de ministeries van Justitie, Binnenlandse 
Zaken en Koninkrijksrelaties, Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 
Financiën, Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu, Landbouw, 
Natuurbeheer en Visserij, en Defensie, en daaraan gelieerde organisaties. 
Daarnaast dragen ook gemeenten en provincies een steentje bij. 

De overheidsuitgaven zijn zoveel mogelijk ontleend aan de (toelichting 
op de) slotwet, najaarsnota, voorjaarsnota of begroting van de betrokken 
ministeries, eventueel aangevuld met gegevens uit jaarverslagen van gerelateerde 
instanties. Ondanks de toegepaste inflatiecorrectie zijn er soms 
toch grote sprongen zichtbaar. Vaak heeft dit te maken met gewijzigde 
definities of veranderde begrotingssystematiek. Zo is in 2002 de opbouw 
van de overheidsbegroting sterk gewijzigd. Bedragen voor 2001 en 2000 
zijn met terugwerkende kracht aangepast, maar een vergelijking met 
eerdere jaren is niet altijd mogelijk.1 

8.1.1 Slachtofferzorg 
In Nederland zijn er diverse organisaties die zich bezighouden met 
slachtofferzorg, zoals Slachtofferhulp Nederland en het Schadefonds 
Geweldsmisdrijven. Daarnaast verzorgt het Centraal Justitieel Incasso 
Bureau de inning van de schadevergoedingsmaatregelen die aan slachtoffers 
van strafbare feiten zijn toegekend. 

Slachtofferhulp Nederland is in 2002 gevormd door een fusie van een 
aantal regionale slachtofferstichtingen. Het doel is om slachtoffers in juridische, 
zakelijke en emotionele zin ondersteuning te bieden bij de verwerking 
van het misdrijf. Daarbij moet onder andere worden gedacht aan 
het invullen van schadeformulieren, vrijwilligers die meegaan naar de 
rechtbank, bemiddeling en hulp bij de emotionele verwerking. Slachtofferhulp 
Nederland wordt grotendeels gefinancierd door het Ministerie van 
Justitie. De uitgaven van het MvJ aan slachtofferhulp zijn in de periode 
1995-2006 met 67% gestegen tot 12,4 miljoen euro, waarbij wel enige fluctuaties 
zichtbaar zijn. Daarnaast is een belangrijk deel van de inkomsten 

Ook zijn de cijfers in dit hoofdstuk niet goed vergelijkbaar met eerder verschenen versies van 
dit hoofdstuk (zie Schreuders e.a., 1999 en Moolenaar, 2005). Dit is het gevolg van de betere 
beschikbaarheid van data, andere bronnen, meer uitsplitsingen, andere indelingen en dergelijke. 


254 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

van Slachtofferhulp Nederland afkomstig van het Fonds Slachtofferhulp. 
Dit fonds werft gelden bij bedrijven en particulieren voor Slachtofferhulp 
Nederland. Deze uitgaven zijn hier niet vermeld aangezien het vrijwillige 
bijdragen betreft, maar ze komen wel in paragraaf 8.3.2 aan bod. Overigens 
wordt een deel van het geld ook uitgegeven aan mensen die niet 
slachtoffer zijn geworden van een delict maar van een ongeluk (zonder 
schuldige) of een ramp. Daarom is het totale bedrag een overschatting. 

Het Schadefonds Geweldsmisdrijven heeft tot doel het leed van slachtoffers 
van geweldsdelicten die in Nederland gepleegd zijn, enigszins te 
verzachten door middel van een geldelijke uitkering. Er moet wel sprake 
zijn van ernstig lichamelijk of geestelijk letsel en het slachtoffer mag zelf 
geen blaam treffen. De uitkering is een tegemoetkoming in de letselschade 
die niet op andere wijze kan worden vergoed. Het totale uitgekeerde 
bedrag is in de gehele periode 1995-2006 met 64% gestegen tot 9,7 miljoen 
euro. De stijging is onder andere veroorzaakt door het toegenomen aantal 
aanvragen. Als gevolg van de toegenomen werklast zijn ook de apparaatsuitgaven 
ruim tweemaal zo groot geworden, waarbij aangetekend dient te 
worden dat de apparaatsuitgaven de laatste vier jaar zijn afgenomen. 

De positie van het slachtoffer is met de invoering van de Wet en Richtlijn 
Terwee (1995) aanzienlijk versterkt. Deze regelgeving beoogt in de gehele 
justitiële keten de bejegening en informatievoorziening aan de slachtoffers 
te verbeteren, geleden schade op de dader te verhalen, en voorziet in eventuele 
conflictbemiddeling tussen dader en slachtoffer. De politie en het OM 
zijn primair verantwoordelijk voor de uitvoering hiervan. Indien de rechter 
aan het slachtoffer een schadevergoeding heeft toegewezen, kan het CJIB 
in het kader van de Wet Terwee deze schadevergoeding bij de dader innen. 
Het CJIB heeft hiervoor verschillende dwangmiddelen tot zijn beschikking, 
zoals een deurwaarderstraject en in het allerlaatste geval vordering 
van vervangende hechtenis. De uitgaven voor de inning van deze schadevergoedingsmaatregelen 
zijn de afgelopen tien jaar sterk toegenomen tot 
4,3 miljoen euro. Dit zijn alleen de uitgaven voor inning. De feitelijke schadevergoeding 
is hierin niet verwerkt. Deze schadevergoeding is namelijk 
afkomstig van de dader en is dus geen overheidsuitgave. De stijging wordt 
niet veroorzaakt door een toegenomen kostprijs, maar het aantal schadevergoedingsmaatregelen 
heeft een grote vlucht genomen sinds de invoering 
van de Wet Terwee. Het aantal schadevergoedingsmaatregelen is in de 
periode 1996-2006 namelijk verelfvoudigd. 

In totaal werd er in 2006 33,3 miljoen euro uitgegeven aan slachtofferzorg. 
Dit is een stijging van ongeveer 120% ten opzichte van 1995. Figuur 

8.1 geeft aan hoe dit bedrag over de diverse organisaties is verdeeld. Per 
hoofd van de bevolking geven we in 2006 € 2,04 uit aan slachtofferzorg. 
Dat is een stijging van ongeveer 108% ten opzichte van 1995. De uitgaven 

Uitgaven aan criminaliteit 255 

per slachtoffer zijn met een vergelijkbaar veelvoud toegenomen. Er is dus 
in financieel opzicht steeds meer aandacht voor het slachtoffer. Tabel 8.2 
in bijlage 4 geeft een overzicht. 

Figuur 8.1 Overheidsuitgaven slachtofferzorg, 2006* 

Totaal: € 33 miljoen 

Bijdrage andere 

Inning 

overheden aan 

schadevergoedingsslachtofferhulp 


maatregelen 

10% 

13% 


Uitkeringen 

Bijdrage MvJ aan 

Schadefonds 

slachtofferhulp 

Geweldsmisdrijven 

37% 

29% 

Kosten Schadefonds 
Geweldsmisdrijven 
11% 

* Voorlopige cijfers. 
Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 8.2 in bijlage 4. 
Bron: Rijksbegroting/slotwet, Jaarverslagen desbetreffende organisaties, bewerking WODC 
8.1.2 Preventie 
Preventie is een activiteit die zich vaak moeilijk laat onderscheiden van 
andere activiteiten. Pas vanaf de begroting 2002 is preventie een apart 
beleidsartikel op de begroting van het Ministerie van Justitie. Daarvoor 
waren de uitgaven aan preventie verspreid over meerdere beleidsartikelen. 
Op begrotingen van andere ministeries is preventie niet altijd als 
aparte begrotingspost weergegeven. 

Het Ministerie van BZK geeft het meeste geld uit aan preventie, namelijk 
2.155,9 miljoen euro (zie figuur 8.2). De activiteiten van de Algemene 
Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) zijn apart op de begroting van 
het ministerie van BZK te onderscheiden. Ook de politie heeft een preventieve 
taak. Recentelijk heeft AEF (2006) in het kader van het opstellen van 
een nieuw budgetverdeelsysteem ook bekeken hoeveel tijd de politie kwijt 
is aan de diverse taken. Het blijkt de politie ongeveer 44% van haar budget 
kwijt is aan preventie, surveilleren, netwerken, interveniëren en adviseren. 


256 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

In 2006 gaf het Ministerie van Justitie 42,1 miljoen euro uit aan preventie-
activiteiten. Dit is ruim tien keer zoveel als in 1995. Deels is deze stijging 
een artefact doordat met ingang van de nieuwe begrotingssystematiek een 
aantal algemene posten ten laste van de post preventie is gekomen, maar 
het grootste gedeelte van deze stijging (naar schatting 13 miljoen euro) is 
reëel. Met name in het kader van het grotestedenbeleid, het programma 
Jeugd Terecht (MvJ, 2003), de Nota Criminaliteitsbeheersing (MvJ/BZK, 
2001) en het Veiligheidsprogramma (Kamerstukken II, 2002/2003) en de 
instelling van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding (NCTb) in 
2005 is meer geld beschikbaar gekomen ten behoeve van preventieprojecten. 
De NCTb wordt onder andere door de AIVD van informatie voorzien. 

In totaal werd in 2006 bijna 2,2 miljard euro aan preventie uitgegeven. Ten 
opzichte van 1995 is dit een stijging van 82%. Figuur 8.2 geeft een uitsplitsing 
naar de diverse actoren. De uitgaven per hoofd van de bevolking 
waren in 2004 op hun hoogtepunt en bedragen in 2004 € 134. Maar de 
uitgaven per geregistreerd misdrijf bevinden zich met € 1.804 in 2006 op 
een hoogtepunt. Tabel 8.3 in bijlage 4 geeft een overzicht. 

Figuur 8.2 Overheidsuitgaven preventie, 2006* 

Totaal: € 2.198 miljoen 

Justitie: algemeen 
1% 
Justitie: NCTB 
1% 
Justitie: IND 
(terrorismebestrijding) 
BZK: algemeen 
7% 
BZK: AIVD 
6% 
BZK: politie 
85% 
Overig 
15% 
* Voorlopige cijfers. 
Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 8.3 in bijlage 4. 
Bron: Rijksbegroting/slotwet, bewerking WODC 
8.1.3 Opsporing 
Een grote verscheidenheid van overheidsinstanties houdt zich bezig 
met activiteiten op het terrein van opsporing. Vaak geldt echter dat ze 
onderdeel zijn van een meer omvattender begrotingspost en dat deze 


Uitgaven aan criminaliteit 257 

activiteiten qua tijdsbesteding of uitgaven vaak moeilijk te onderscheiden 
zijn van de andere activiteiten van de desbetreffende begrotingspost. 

Een belangrijke actor op het gebied van opsporing is de politie. Opsporing 
kan plaatsvinden binnen een opsporingsonderzoek. Maar ook als de politie 
tijdens de surveillance een misdrijf op het spoor komt, is er sprake van 
opsporing. Daarom is het moeilijk om activiteiten als veiligheid, preventie 
en opsporing van elkaar te onderscheiden. Ook de literatuur biedt weinig 
houvast. Goudriaan e.a. (1989) schatten op basis van tijdschrijfgegevens 
uit 1987 in dat de politie ongeveer een derde van haar tijd kwijt is aan de 
registratie en opheldering van misdrijven. Maas (2002) concludeert op 
basis van diverse bronnen dat de politie ongeveer 5 à 7,5% van haar tijd 
aan opsporing besteedt. Uit gegevens over de politieformatie (BZK, 2007) 
blijkt dat ongeveer 16% van de fte’s bij de politie een recherchefunctie 
heeft, waarbij aangetekend dient te worden dat opsporingsactiviteiten 
ook uitgevoerd worden door personeel dat geen recherchefunctie heeft. 
Recentelijk heeft AEF (2006) in het kader van het opstellen van een nieuw 
budgetverdeelsysteem ook bekeken hoeveel tijd de politie kwijt is aan de 
diverse taken. Het blijkt de politie ongeveer 28% van haar budget kwijt is 
aan opsporingsactiviteiten. Daarnaast besteedt zij ook nog eens 8% aan 
intake, dat wil zeggen opnemen van aangiften en (telefonisch) contact 
met burgers. In totaal is de politie dus ongeveer 36% kwijt aan criminaliteitgerelateerde 
taken. Aan de ene kant is dit enigszins een overschatting 
omdat (telefonisch) contact met burgers niet direct aan criminaliteit gerelateerd 
hoeft te zijn, aan de andere kant is het onderschatting aangezien 
preventie hierin niet inbegrepen is. 

Er is dus weinig overeenkomst tussen de diverse bronnen. Dit kan ook te 
maken hebben met definitieverschillen. Uit voornoemde publicaties is 
niet altijd goed af te leiden of bijvoorbeeld leidinggeven aan een opsporingsteam 
ook tot opsporingsactiviteiten wordt gerekend, en óf en hoe 
overhead wordt toegerekend aan opsporingsactiviteiten, of de KLPD en 
bovenregionale rechercheteams ook worden meegerekend, enzovoort. 
Uitgaande van het feit dat 16% van de fte’s bij de politie een recherche-
functie betreft en dat daarnaast gewone politieagenten ook opsporingsactiviteiten 
verrichten, lijken de schattingen van Goudriaan e.a. en AEF 
het dichtst in de buurt van de werkelijkheid te komen. Daarom wordt in 
dit hoofdstuk een derde van het budget van de politie toegerekend aan 
opsporingsactiviteiten. 

Bij de uitgaven van het Ministerie van Defensie speelt hetzelfde probleem. 
Het bleek niet mogelijk om militaire onderdelen, veiligheidstaken of 
ondersteunings- of reddingswerkzaamheden uit de politie- en veiligheidstaken 
van de Koninklijke Marechaussee (KMar) en de kustwacht 
te filteren. Dit betekent dat de hier gehanteerde bedragen in enige mate 


258 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

een overschatting zijn van de werkelijke uitgaven. Uitgaven van het 
Ministerie van Justitie of andere ministeries die specifiek bedoeld zijn 
voor terrorismebestrijding, worden wegens het hoge veiligheidskarakter 
ervan hier niet meegenomen. 

Als we het totale terrein van opsporing beschouwen, wordt de grootste 
uitgavenpost gevormd door de uitgaven voor de politie inclusief de 
KLPD (door BZK en MvJ). Deze bedragen naar schatting in 2006 ruim 
1,4 miljard euro en zijn in de periode 1995-2006 gestegen met ongeveer 
22%. De bijzondere opsporingsdiensten nemen de tweede plaats in. De 
gezamenlijke uitgaven zijn in de periode 1995-2006 ruim verdubbeld tot 
227 miljoen euro. Hiervan neemt de FIOD-ECD de grootste brok voor zijn 
rekening. De uitgaven voor politie- en veiligheidstaken van de KMar zijn 
met 90% gestegen en de uitgaven voor de kustwacht zijn gestegen met 
71%. De kustwacht speelt vooral een belangrijke rol bij de opsporing van 
economische delicten in de scheepvaart en visserij. 

Naast de organisaties die direct op opsporing gericht zijn zoals de politie, 
de BOD’en en de KMar, is er ook een aantal organisaties die indirect 
met opsporing te maken krijgen. Het Nederlands Forensisch Instituut 
levert een belangrijke bijdrage aan opsporingsonderzoek. In 2006 waren 
de uitgaven voor het NFI 49 miljoen euro. Dit is een ruime verdubbeling 
ten opzichte van 1995. Als een verdachte in verzekering wordt gesteld, 
dan komt een reclasseringsmedewerker op bezoek om de verdachte te 
informeren over de hulp die de reclassering kan bieden (vroeghulp). 
Naar schatting gaat hiermee in 2006 8 miljoen euro gemoeid. Dit bedrag 
is de afgelopen elf jaar bijna verdrievoudigd. Als een verdachte in verzekering 
wordt gesteld, heeft hij tevens recht op een advocaat. Voor deze 
vorm van eerste hulp door een advocaat kan de verdachte ongeacht zijn 
inkomen een beroep doen op de piketdienst. Dit wordt gefinancierd uit 
de middelen voor de gesubsidieerde rechtsbijstand. Hiermee is in 2006 
23 miljoen euro gemoeid, een ruime verdubbeling ten opzichte van 1995. 
Overigens is het aantal inverzekeringstellingen ook meer dan verdubbeld 
in deze periode. 

In totaal zijn de uitgaven voor opsporing sinds 1995 gestegen met 30% tot 
een bedrag van bijna 1,9 miljard euro in 2006. Figuur 8.3 geeft aan hoe 
dit bedrag verdeeld is over de diverse actoren. Per hoofd van de bevolking 
gaat het om ruim € 115 per persoon. Ten opzichte van 1995 is dit een 
stijging van 23%. De uitgaven per geregistreerd misdrijf zijn circa € 1.550 
en per hoofd van de bevolking € 115. Tabel 8.4 in bijlage 4 geeft een overzicht. 



Uitgaven aan criminaliteit 259 

Figuur 8.3 Overheidsuitgaven opsporing, 2006* 

Totaal: € 1.887 miljoen 

Hulp bij 
inverzekeringstelling 
2% 

Overig opsporing 
10% 
Bijzondere 
opsporingsdiensten 
12% 
Politie 
76% 
* Voorlopige cijfers. 
Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 8.4 in bijlage 4. 
Bron: Rijksbegroting/slotwet, jaarverslagen, Ministerie van Justitie, bewerking WODC 
8.1.4 Vervolging 
De vervolging van verdachten is de exclusieve taak van het Openbaar 
Ministerie. In de huidige begroting wordt het OM als één beleidsartikel 
opgevoerd zonder een uitsplitsing te maken naar overtredingen, 
misdrijven, gerechtskosten, rechtbanken, gerechtshoven en landelijke 
diensten. Daarom worden de uitgaven aan het OM op basis van de 
werklastmetingen over de periode 1994-1998 en de begrotingen tot en met 
2001 uitgesplitst naar bovengenoemde categorieën. Kantonzaken zijn hier 
buiten beschouwing gelaten omdat deze meestal overtredingen betreffen. 

De totale uitgaven voor het OM ten behoeve van rechtbankstrafzaken, 
exclusief gerechtskosten, zijn in de periode 1995-2006 verdubbeld tot bijna 
301 miljoen euro. Deels is de stijging in de uitgaven het gevolg van het 
Veiligheidsprogramma (Kamerstukken II, 2002/2003). Afgesproken is om 
in de periode 2003-2006 de instroom van rechtbankstrafzaken bij het OM 
gradueel te laten oplopen met 40.000 extra zaken. Bovendien bevat het 
Veiligheidsprogramma tal van andere maatregelen waarbij een actieve 
bemoeienis van het OM wordt verwacht. Zowel de uitgaven voor het OM 
bij de rechtbanken als bij de gerechtshoven zijn verdubbeld in de periode 
1995-2006. De uitgaven voor de landelijke diensten zijn met ruim 83% 
toegenomen. 


260 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

De gerechtskosten zijn tot en met 2004 sterk gestegen. Sindsdien is er 
sprake van een daling. Gerechtskosten zijn de uitgaven ten behoeve van 
correspondentie en communicatie met de verdachte en het strafrechtelijk 
onderzoek. De stijging is het gevolg van de uitbreiding van de telecommarkt, 
de toename van megazaken, de toenemende behoefte aan tolken 
en vertalers, en de technologische ontwikkelingen in de telecommunicatie. 
Sinds de aanslagen in de Verenigde Staten op 11 september 2001 zijn 
met name de kosten van afluisteren, adresgegevens opvragen, enzovoort 
fors gestegen. Daarnaast kent het gebruik van mobiele telefonie een lage 
drempel. Verdachten beschikken veelal over meerdere mobiele telefoons, 
waardoor het strafrechtelijk onderzoek met hoge kosten gepaard 
gaat. Daarom is het totale budget voor gerechtskosten (dus inclusief de 
civiele zaken, bestuurszaken en kantonzaken) in 2002 structureel met 
18,4 miljoen euro verhoogd. Sinds 2006 bevinden de gerechtskosten zich 
weer op het niveau van 2001, namelijk 35 miljoen euro. 

Zijdelings zijn ook andere instanties betrokken bij de vervolging 
van verdachten. Zo geven de reclassering en de Raad voor de Kinderbescherming 
advies over het te volgen justitiële traject voor respectievelijk 
meerderjarigen en minderjarigen, waarbij een goede re-integratie in 
de maatschappij centraal staat. De uitgaven ten behoeve van basis- en 
vervolgonderzoeken door de RvdK bedragen 44 miljoen euro in 2006. Dit 
is stijging van 145% ten opzichte van 1995. De uitgaven van de reclassering 
voor diverse rapportages bedragen naar schatting in 2006 14 miljoen euro. 
Dit is ongeveer net zo veel als in 1995, waarbij zich in 2001 wel een piek 
voordeed. 

Figuur 8.4 Overheidsuitgaven vervolging, 2006* 

Totaal: € 395 miljoen 

Reclassering 

Raad voor de 

4%

Kinderbescherming 
11% 


OM, gerechtskosten 
9% 


OM, personeel 
en materieel 
76% 


* Voorlopige cijfers. 
Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 8.5 in bijlage 4. 
Bron: Rijksbegroting/slotwet, jaarverslagen, Ministerie van Justitie, bewerking WODC 

Uitgaven aan criminaliteit 261 

In 2006 bedragen de totale uitgaven voor vervolging van misdrijven ruim 
395 miljoen euro. Figuur 8.4 geeft aan hoe dit bedrag is verdeeld over de 
verschillende organisaties. Dit is bijna twee keer zo hoog als in 1995. Ook 
de uitgaven per hoofd van de bevolking voor vervolging van misdrijven 
zijn in deze periode bijna verdubbeld. In 2006 waren de uitgaven € 24 
per hoofd van de bevolking voor de vervolging van verdachten. De uitgaven 
per ingestroomde rechtbankstrafzaak zijn toegenomen van € 94 per 
zaak in 1995 tot € 1.477 per zaak in 2006. Tabel 8.5 in bijlage 4 geeft een 
overzicht. 

8.1.5 Strafrechtspleging 
De uitgaven voor rechtspleging in misdrijfzaken kunnen in drie categorieën 
worden gesplitst, namelijk de strafzaken bij de Hoge Raad der 
Nederlanden, strafzaken bij de gerechtshoven en strafzaken bij de rechtbanken. 
De laatste twee categorieën vallen onder de verantwoording van 
de Raad voor de Rechtspraak. Bijkomende uitgaven, zoals de uitgaven voor 
reclasseringsactiviteiten of gesubsidieerde rechtsbijstand ten behoeve van 
een rechtszaak, zijn hier niet meegenomen omdat deze niet altijd naar een 
specifieke rechtszaak kunnen worden toegerekend. Deze posten komen in 
paragraaf 8.1.7 aan bod. 

Net als bij de begroting van het OM speelt ook hier het probleem dat de 
begrotingen voor de Hoge Raad en de Raad voor de Rechtspraak niet 
uitgesplitst worden naar de diverse onderdelen. Er wordt geen onderscheid 
gemaakt naar overtredingen en misdrijven, en naar civiele zaken, 
bestuursrechtelijke zaken en strafzaken. Gerechtskosten worden niet 
altijd apart benoemd. In de begroting van de Raad voor de Rechtspraak 
wordt ook geen onderscheid gemaakt tussen rechtbanken, gerechtshoven 
en landelijke diensten. Om dit onderscheid wel te maken moet van andere 
bronnen gebruik worden gemaakt. 

Voor de rechtbanken en de gerechtshoven zijn voor de periode 1994-1998 
de werklastmetingen gebruikt en voor de periode 2001-2006 de verhouding 
tussen de kostprijzen zoals vermeld in het jaarverslag van de Raad 
voor de Rechtspraak. De tussenliggende jaren zijn geïnterpoleerd. Het 
bleek niet mogelijk om de werklastmetingen ook op latere periodes toe te 
passen of de kostprijzen op eerdere periodes, omdat in 2001 op een andere 
telmethodiek is overgegaan. Tot en met 2000 werd het aantal zaken geteld, 
terwijl vanaf 2001 het aantal uitspraken wordt geteld. Aangezien er meerdere 
uitspraken in één zaak kunnen zijn, bijvoorbeeld een schuldigverklaring 
met strafoplegging en een ontnemingsmaatregel, is de periode voor 
2001 niet goed vergelijkbaar met de periode erna. De gegevens in tabel 8.6 
geven door deze gewijzigde systematiek een enigszins vertekend beeld van 
de feitelijke ontwikkeling. 


262 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Van de Hoge Raad is niet zoveel bekend over de werklast van de verschillende 
soorten zaken. Daarom is de verhouding tussen de kostprijzen voor de 
gerechtshoven uit het jaarverslag van de Raad voor de Rechtspraak gebruikt 
als indicatie voor de werklast van de diverse zaken bij de Hoge Raad. 

De uitgaven voor rechtspleging in misdrijfzaken zijn in de periode 19952006 
met ruim 200% gestegen. Procentueel gezien deed de kleinste 
stijging zich voor bij de Hoge Raad. In 2006 gaf de Hoge Raad naar schatting 
14 miljoen euro uit aan strafzaken. Dit is tweeënhalf keer zo veel 
ten opzichte van 1995, terwijl het aantal strafzaken licht is afgenomen. 
De uitgaven voor strafzaken bij de gerechtshoven zijn in 2006 ruim drie 
keer zoveel als in 1995, namelijk 55 miljoen euro. Ook bij de rechtbanken 
verdrievoudigen de uitgaven voor misdrijfzaken in de periode 1995-2006. 
Voor de rechtbanken geldt dat de stijging mogelijkerwijs vertekend is door 
de wijziging in telmethodiek. Echter in de periode 1994-1998 en in de periode 
2004-2005 was de stijging van de werklast van misdrijfzaken reëel. Voor 
de gerechtshoven lijkt de wijziging in telmethodiek geen effect te hebben 
gehad op de budgetverdeling. 

In 2006 bedragen de totale uitgaven voor de berechting van misdrijven 
228 miljoen euro. Omgerekend komt dat neer op € 14 per hoofd van de 
bevolking. Dit is ruim drie keer zoveel als in 1995. Per afgedane rechtbank-
zaak in eerste aanleg zijn de uitgaven bijna € 1.700. Dit is een stijging van 
154% ten opzichte van 1995, toen de uitgaven per afgedane rechtbankzaak 
in eerste aanleg nog maar € 650 bedroegen. Tabel 8.6 in bijlage 4 geeft een 
overzicht. 

Figuur 8.5 Overheidsuitgaven strafrechtspleging, 2006* 

Totaal € 228 miljoen 

strafzaken 
Hoge Raad Gerechtskosten 
6% 1% 

strafzaken 
Gerechtshoven 
24% 


strafzaken 
Rechtbank (excl. 
Kantonzaken) 
69% 

* Voorlopige cijfers. 
Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 8.6 in bijlage 4. 
Bron: Rijksbegroting/slotwet, jaarverslagen, werklastmetingen, bewerking WODC 

Uitgaven aan criminaliteit 263 

8.1.6 Tenuitvoerlegging 
De tenuitvoerlegging van de diverse maatregelen en straffen is verspreid 
over een groot aantal uitvoeringsorganisaties. De Dienst Justitiële 
Inrichtingen is verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen. 
Met 988 miljoen euro in 2006 is het gevangeniswezen (exclusief 
vreemdelingenbewaring en uitzetcentra) de grootste post. Deze uitgaven 
zijn in de periode 1995-2006 toegenomen met 89%. Op de tweede plaats 
staan de tbs-klinieken. De uitgaven hiervoor zijn in de periode 1995-2006 
ruim verdrievoudigd tot 287 miljoen euro in 2006. Deze sector heeft de 
grootste groei doorgemaakt in de periode 1995-2006. Qua omvang van de 
uitgaven staan de jeugdinrichtingen op de derde plaats met ruim 150 miljoen 
euro in 2006. Ook de uitgaven voor extramurale voorzieningen (elektronisch 
toezicht/elektronische detentie, penitentiaire programma’s) zijn 
sterk gegroeid. 

Het Centraal Justitieel Incassobureau is verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging 
van de boetes, transacties en ontnemingsmaatregelen en 
voor de administratieve afhandeling van taakstraffen en nog niet uitgezeten 
vrijheidsstraffen. Vanwege de grote mate van automatisering van 
bovengenoemde activiteiten zijn de uitgaven relatief laag. De groei in 
de uitgaven is enerzijds het gevolg van toegenomen werklast, anderzijds 
van een steeds moeizamer verloop van het inningstraject, waarbij vaker 
dan voorheen een deurwaarder moet worden ingeschakeld. Tegenover de 
uitgaven van 7 miljoen euro in 2006 staan overigens inkomsten van naar 
schatting 38 miljoen euro als gevolg van boetes, transacties en ontnemingen 
in misdrijfzaken. 

Naast DJI en CJIB is er nog een aantal andere instellingen op het terrein 
van tenuitvoerlegging. Zo is Halt Nederland verantwoordelijk voor de 
tenuitvoerlegging van de Halt-verwijzing door de politie. In 2006 werd 
hieraan bijna 12 miljoen euro uitgegeven. Dit is een stijging van 53% ten 
opzichte van 1995. De tenuitvoerlegging van taakstraffen voor minderjarigen 
vallen onder de verantwoordelijkheid van de Raad voor de 
Kinderbescherming. De uitgaven hiervoor zijn in de periode 1995-2006 
verviervoudigd tot zo’n 31 miljoen euro. Dit is met name het gevolg van 
de forse groei van het aantal OM-taakstraffen. De tenuitvoerlegging van 
taakstraffen voor meerderjarigen vallen onder de verantwoordelijkheid 
van de reclassering. De uitgaven hiervoor zijn in de periode 1995-2006 
toegenomen met 42% tot 40 miljoen euro. Tot slot wordt er steeds meer 
uitgekeerd voor onrechtmatige detentie. Dit betreft verdachten die ten 
onrechte zijn gedetineerd, bijvoorbeeld omdat er op een voorlopige hechtenis 
geen onherroepelijke vrijheidsstraf is gevolgd. Deze post is ruim 
verdrievoudigd in de periode 1995-2006 tot 8 miljoen euro in 2006. 


264 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

De totale uitgaven voor tenuitvoerlegging komen daarmee op 1,6 miljard 
euro. Dit is een stijging van 125% ten opzichte van 1995. Figuur 8.6 geeft 
hoe dit is verdeeld over de diverse instanties. In 2006 komt dit neer op € 99 
per hoofd van de bevolking, een stijging van 113% ten opzichte van 1995. 
Tot en met 2001 namen de uitgaven per straf of maatregel toe. Daarna is 
er een daling te zien. Maar sinds 2004 zijn de uitgaven weer gestegen tot 
bijna € 5.600 per straf of maatregel in 2006. Tabel 8.7 in bijlage 4 geeft een 
overzicht. 

Figuur 8.6 Overheidsuitgaven tenuitvoerlegging, 2006* 

Totaal € 1.620 miljoen 

Extramurale 

CJIB 
vrijheidssancties Overig 


0% 
1% 


5% 

Taakstraffen en Halt 
5% 


Justitiële 
jeugdinrichtingen 
9% 


Tbs-klinieken 

Gevangeniswezen 
18% 

62% 

* Voorlopige cijfers. 
Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 8.7 in bijlage 4. 
Bron: Rijksbegroting/slotwet, jaarverslagen, bewerking WODC 
8.1.7 Ondersteuning van verdachten 
Tijdens het gehele justitiële traject kan de verdachte op diverse manieren 
worden ondersteund, bijvoorbeeld door de reclassering of door middel van 
gesubsidieerde rechtsbijstand. De reclassering streeft ernaar om de recidivekansen 
van de verdachte te verminderen en de verdachte op een goede 
manier te laten terugkeren naar de samenleving. Verder houdt zij toezicht 
op de naleving van bepaalde straffen of maatregelen. Voor meerderjarigen 
zijn de uitgaven voor reclassering bijna verdubbeld in de periode 19952006. 
Voor minderjarigen zijn de uitgaven voor jeugdreclassering bijna 
verdrievoudigd. Voor meerderjarigen werd in 2006 ruim 98 miljoen euro 
aan reclassering uitgegeven en voor minderjarigen zo’n 50 miljoen euro. 

Als het OM besluit vervolging in te stellen, kan de verdachte een beroep 
doen op gesubsidieerde rechtsbijstand. De bijdrage die hij ontvangt is 


Uitgaven aan criminaliteit 265 

afhankelijk van de zwaarte van het delict waarvan hij verdacht is, en zijn 
inkomen. Deze financiering kan overigens ook plaatsvinden nadat de 
verdachte veroordeeld is, bijvoorbeeld als hij een verzoekschrift of iets 
dergelijks wil indienen. In 2006 werd bijna 146 miljoen euro uitgegeven 
aan door de overheid gefinancierde rechtsbijstand in strafzaken (exclusief 
de piketdiensten ten behoeve van inverzekeringgestelden). Dit is een 
ruime verdubbeling ten opzichte van 1995. 

In totaal werd in 2006 ruim 294 miljoen euro uitgegeven aan ondersteuning 
van de verdachte tijdens het justitiële traject. Per hoofd van de 
bevolking is dit € 18, een ruime verdubbeling ten opzichte van 1995. Per 
ingestroomde rechtbankzaak bij het OM gaat het om een bedrag van € 

1.098. Ook dit is een ruime verdubbeling ten opzichte van 1995. Tabel 8.8 
in bijlage 4 geeft een overzicht. 
Figuur 8.7 Overheidsuitgaven ondersteuning van verdachten, 2006* 

Totaal: € 294 miljoen 

Gesubsidieerde 
rechtsbijstand 
50% 
Reclassering 
meerderjarigen 
33% 
Reclassering 
minderjarigen 
17% 
* Voorlopige cijfers. 
Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 8.8 in bijlage 4. 
Bron: Rijksbegroting/slotwet, jaarverslagen, Ministerie van Justitie, bewerking WODC 
8.1.8 
Overheidsuitgaven voor criminaliteitsbestrijding en 
strafrechtshandhaving 
In de voorafgaande paragrafen is per beleidsterrein aangegeven wat de 
geschatte uitgaven zijn van de overheid voor criminaliteit en rechtshandhaving. 
Tabel 8.9 in bijlage 4 geeft een samenvatting van het voorafgaande 
en een schatting van de totale uitgaven. Dit beeld is geenszins volledig. 
Er is op onderdelen sprake van overschatting dan wel onderschatting. 


266 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Civiele zaken, bestuurszaken en overtredingen (kantonzaken) zijn bewust 
buiten beschouwing gelaten. Het gevolg is echter dat bij het toedelen van 
kostenposten naar onderdelen van de strafrechtsketen soms keuzes zijn 
gemaakt. 

Met dit voorbehoud kunnen we concluderen dat de overheidsuitgaven 
voor criminaliteitsbestrijding en strafrechtshandhaving gegroeid zijn van 
3,8 miljard euro in 1995 tot 6,7 miljard euro in 2006. Dit is een stijging van 
75%. Per hoofd van de bevolking komt dit neer op € 407 per persoon. Dit 
is ongeveer € 160 meer dan in 1995. Uit figuur 8.8 blijkt hoe de uitgaven 
per hoofd van de bevolking verdeeld zijn over de diverse beleidsterreinen. 
Het meeste geld gaat naar preventie, opsporing en tenuitvoerlegging, het 
minste naar slachtofferzorg. Opvallend is dat de totale uitgaven tot en met 
2004 sterk gestegen zijn en sinds 2004 rond op hetzelfde niveau blijven 
schommelen. In 2006 bedragen de uitgaven per geregistreerd misdrijf 
bijna € 5.500 tegenover bijna € 3.100 in 1995. Dit is een stijging van 77%. 

Figuur 8.8 
Overheidsuitgaven voor criminaliteitsbestrijding en straf-
rechtshandhaving per hoofd van de bevolking, 1995-2006* 

€ 450 
€ 400 
€ 350 
€ 300 
€ 250 
€ 200 
€ 150 
€ 100 
€ 50 
€ 0 

1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 


Ondersteuning van verdachten Vervolging 
Tenuitvoerlegging 
Opsporing 
Preventie 
Strafrechtspleging Slachtofferzorg 
* 2006: voorlopige cijfers. 
Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 8.9 in bijlage 4. 

Bron: Rijksbegroting/slotwet, jaarverslagen, Ministerie van Justitie, bewerking WODC. 

Figuren 8.9 en 8.10 geven aan hoe de uitgaven over de diverse organisaties 
verdeeld zijn. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 
is goed voor ongeveer 54% van de uitgaven. Het Ministerie van 


Uitgaven aan criminaliteit 267 

Figuur 8.9 
Overheidsuitgaven voor criminaliteitsbestrijding en 
strafrechtshandhaving naar overheidsinstantie, 2006* 

Totaal: € 6.655 miljoen 

Ministerie van 

Overige 

Defensie 

ministeries en 

Ministerie BZK 
53% 
Ministerie van 
Justitie 
41% 
2% lagere overheden1%Ministerie van 
Financiën 
3% 
* 2006: voorlopige cijfers. 
Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 8.9 in bijlage 4. 
Bron: Rijksbegroting/slotwet, jaarverslagen, Ministerie van Justitie, bewerking WODC 
Figuur 8.10 
Overheidsuitgaven voor criminaliteitsbestrijding en 
strafrechtshandhaving naar justitie-instantie, 2006* 

Totaal: € 2.722 miljoen 

6,0% 

0,1% 

3,0% 
Nederlands Forensisch 
Instituut 1,8% 
Overig 
2,1% Immigratie- en 
naturalisatiedienst 
Bureau Jeugdzorg 
1,8% 
Schadefonds 
Geweldsmisdrijven 
0,5% 
Raad voor de 
strafrechtstoepassing 
en jeugdbescherming 
0,1% 
Nationaal coördinator 
terrorismebestrijding 
0,9% 
Halt Nederland 
0,4% 
Centraal Justitieel 
Incassobureau 
0,4% 
Slachtofferhulp 
0,5% 
Hoge Raad 
0,5% 
Overig 
9,1% 
Openbaar Ministerie 
12,0% 
Raad voor de 
Rechtspraak 
8,0% 
Gesubsidieerde 
rechtsbijstand 
6,0%
Reclassering 
Raad voor de 
Kinderbescherming 
Dienst Justitiële 
Inrichtingen 
55,9% 
* 2006: voorlopige cijfers. 
Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 8.9 in bijlage 4. 
Bron: Rijksbegroting/slotwet, jaarverslagen, Ministerie van Justitie, bewerking WODC 

268 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Justitie neemt ongeveer 41% van de uitgaven voor criminaliteitsbestrijding 
en strafrechtshandhaving voor zijn rekening. Daarvan gaat het grootste 
gedeelte naar de Dienst Justitiële Inrichtingen. Andere grote brokken van 
de uitgaven van het Ministerie van Justitie zijn het Openbaar Ministerie, 
de Raad voor de Rechtspraak, de gesubsidieerde rechtsbijstand en de 
reclassering. De overige 5% van de uitgaven is verdeeld over andere ministeries, 
gemeenten en provincies. 

8.2 Private uitgaven ter voorkoming van criminaliteit 
In deze paragraaf wordt ingegaan op de uitgaven van burgers en bedrijfsleven 
die tot doel hebben criminaliteit te voorkomen. De overheidsuitgaven 
voor preventie zijn reeds in de vorige paragraaf aan de orde geweest 
en worden hier niet meer vermeld. 

8.2.1 Preventiemaatregelen door particulieren 
Uit hoofdstuk 3 blijkt dat veel mensen maatregelen nemen om criminaliteit 
te voorkomen. Daarbij moet vooral worden gedacht aan maatregelen 
ter voorkoming van inbraak en diefstal. Er zijn geen cijfers beschikbaar 
over de kosten die daarmee gepaard gaan. Daarom is getracht hiervan een 
inschatting te maken. Hierin zijn meegenomen de aanschafkosten, installatiekosten 
en jaarlijkse kosten van preventiemaatregelen, zoals sloten, 
luiken, buitenverlichting, alarminstallatie, waakhond, fietsslot en licht 
laten branden bij afwezigheid. Het aantal genomen preventiemaatregelen 
is ontleend aan de CBS-gegevens en de Politiemonitor Bevolking. De kosten 
per preventiemaatregel zijn gebaseerd op winkelprijzen en arbeidskosten. 
Naar schatting wordt op jaarbasis ongeveer 1,4 miljard euro aan 
preventiemaatregelen uitgegeven. Dit is ongeveer € 88 per hoofd van de 
bevolking. Het gaat hierbij waarschijnlijk om een ondergrens, omdat 
de berekening slechts gebaseerd is op een beperkt aantal preventiemaatregelen. 
Tabel 8.10 in bijlage 4 geeft een overzicht. 

8.2.2 Preventiemaatregelen door bedrijven en instellingen 
Ook bedrijven nemen steeds meer preventiemaatregelen. Uit CBS-gegevens 
over de omzet van de beveiligingsindustrie (zie tabel 8.11 in bijlage 
4) blijkt dat de omzet in bedrijfsbeveiliging in elf jaar tijd ruim verdubbeld 
is. Bedrijfsbeveiliging is verantwoordelijk voor 75% van de totale 
omzet van deze sector en voor 93% van alle activiteiten die aan criminaliteit 
gerelateerd zijn (zie figuur 8.11). Per hoofd van de bevolking kosten 
de particuliere beveiligingsactiviteiten in het kader van preventie € 71. 
Daarnaast besteden bedrijven en instellingen ook geld aan andere preventieve 
maatregelen, zoals extra sloten en alarminstallaties. De Monitor 


Uitgaven aan criminaliteit 269 

Criminaliteit Bedrijfsleven schat de omvang van deze maatregelen op zo’n 
589 miljoen euro (zie tabel 8.12 in bijlage 4). 

Figuur 8.11 Omzet beveiligingsindustrie, 2006* 

Totaal: € 1.160 miljoen 

Beveiliging 
parkeerplaatsen 
en garage 
1% Personeelsbeveiliging 
1% 
Ordediensten 
6% 
Bedrijfsbeveiliging 
92% 
* 2006: voorlopige cijfers. 
Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 8.11 in bijlage 4. 
Bron: CBS, bewerking WODC 
8.2.3 Overige preventiemaatregelen 
Sommige preventiemaatregelen worden zowel door particulieren als 
bedrijven genomen, zoals het afsluiten van een verzekering die de schade 
van bijvoorbeeld diefstal, inbraak of brandstichting dekt. In de internationale 
literatuur (zie Brand en Price, 2000 en Mayhew, 2003) worden de kosten 
van deze verzekering ook meegeteld als preventie-uitgaven. De kosten 
van dit soort verzekeringen zijn gedefinieerd als de betaalde premies 
minus uitgekeerde bedragen. Omdat bijvoorbeeld inboedelverzekeringen 
ook aangegaan worden om brandschade te dekken, moeten de kosten 
hiervoor worden gecorrigeerd. Uit de PMB weten we hoeveel verzekeringen 
uitkeren bij schade door vernieling of diefstal. De verhouding tussen 
deze uitkering en het totaal uitgekeerde bedrag vormt het percentage van 
de uitkering dat toegerekend kan worden aan misdrijven. De totale berekende 
kosten van schadeverzekeringen vermenigvuldigd met dit percentage 
kunnen worden beschouwd als preventiemaatregel tegen misdrijven. 
Op jaarbasis betreft het ongeveer 591 miljoen euro. 

In het kader van preventie houdt de dienst Justis van het Ministerie van 
Justitie zich bezig met het preventief toetsen van de integriteit. Justis 


270 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

controleert bij overheden, particulieren, bedrijven en instellingen of 
afgegeven verklaringen, verleende vergunningen en subsidies worden 
misbruikt voor criminele handelingen. Zo verstrekt Justis onder andere 
verklaringen van geen bezwaar en handelt zij gratieverzoeken af. De 
kosten van Justis in het kader van preventie die ten laste van het ministerie 
vallen zijn reeds in paragraaf 8.1.2 verwerkt, maar een grote deel van 
de kosten wordt gedekt door leges betaald door particulieren of rechtspersonen. 
Tabel 8.13 in bijlage 4 geeft een overzicht. 

8.2.4 Uitgaven aan preventie 
Als alle uitgaven bij elkaar geteld worden, blijken de preventiemaatregelen 
van particulieren, bedrijven en instellingen jaarlijks 3,7 miljard euro te 
kosten (zie ook tabel 8.14 in bijlage 4). Dit is ruim € 229 per hoofd van de 
bevolking. Hierin zijn niet inbegrepen de overheidsuitgaven ten behoeve 
van preventie. In paragraaf 8.1.2 is gebleken dat deze ongeveer 2,2 miljard 
euro bedragen. 

8.3 Uitgaven als gevolg van criminaliteit 
In deze paragraaf komt de geleden schade door burger, bedrijfsleven en 
overheid aan bod. De schattingen zijn gebaseerd op een groot aantal 
bronnen. 

8.3.1 Schade voor bedrijven en instellingen 
Uit de MCB blijkt dat bedrijven en instellingen naar schatting jaarlijks 
870 miljoen euro schade lijden als gevolg van criminaliteit (zie tabel 8.15 
in bijlage 4). Het betreft hier directe schade aan en/of diefstal van goederen 
en transportmiddelen, inbraak en geweld. Bij de directe schade moet 
worden gedacht aan kosten die zijn gemaakt voor vervanging, reparatie 
en dergelijke. Indirecte schade, daarentegen, heeft betrekking op bijvoorbeeld 
vertraging in de levering van producten en diensten. De indirecte 
schade bedraagt jaarlijks ongeveer 102 miljoen euro. 

Een andere vorm van indirecte schade voor het bedrijfsleven is productiviteitsverlies 
als gevolg van het feit dat werknemers die slachtoffer van 
een misdrijf zijn geworden, ziek thuis zitten. Getracht is om hiervan een 
inschatting te maken. Uit CBS-gegevens en de Politiemonitor Bevolking 
weten we of slachtoffers medische hulp hebben gezocht. Artsbezoek 
zal dikwijls op werkdagen plaatsvinden. Volgens het CBS is de gemiddelde 
verblijfsduur in een ziekenhuis zes dagen. Vermenigvuldiging met 
de gemiddelde arbeidskosten leidt derhalve tot een schatting van het 
productiviteitsverlies van werknemers van circa 806 miljoen euro. Dit is 


Uitgaven aan criminaliteit 271 

waarschijnlijk een ondergrens: slachtoffers die geen letsel hadden maar 
desalniettemin één of meer dagen van hun werk verzuimen, zijn niet 
meegenomen. 

Een belangrijke schadepost voor het bedrijfsleven is fraude. Hoffmann 
(2005) schat dat jaarlijks 5,9 miljard euro door fraude uit bedrijven 
verdwijnt. Volgens de Bond van Verzekeraars in 2005 werd voor ongeveer 

1.000 miljoen euro gefraudeerd met verzekeringen, met name reisverzekeringen. 
Volgens het Platform Energiediefstal wordt jaarlijks voor ongeveer 
205 miljoen euro aan energie gestolen. De grootste boosdoeners zijn de 
illegale hennepkwekerijen. Tabel 8.16 in bijlage 4 geeft een overzicht. 
8.3.2 Schade voor burgers 
In slachtofferenquêtes is gevraagd naar de schade die burgers hebben 
ondervonden als gevolg van een aantal veelvoorkomende delicten. De 
totale schade wordt geraamd op 2,2 miljard euro (zie tabel 8.17 in bijlage 
4). Diefstal en vandalisme zijn de grootste schadeposten. Wel lijkt de 
schade te verschuiven van inbraak naar andere vormen van diefstal, met 
name uit auto’s. Ook bij vernielingen zijn met name de auto’s het mikpunt. 
Bij benadering wordt ongeveer 45% van de schade door de verzekering 
vergoed. Een andere schadepost voor burgers is pinpasfraude. Volgens een 
schatting van De Nederlandsche Bank bedroeg de schade in 2005 ongeveer 
3,8 miljoen euro. Daarnaast doneerden particulieren en bedrijven in 
2006 tezamen 1,7 miljoen euro aan Slachtofferhulp Nederland. 

Bij slachtoffers kan er ook sprake zijn van letselschade. Hierover is niet 
zoveel bekend. Groot et al. (2007) hebben berekend dat de medische 
kosten circa 54 miljoen euro bedragen, maar dat het emotionele en 
fysieke leed vele malen groter is en de samenleving zo’n 8,6 miljard euro 
kost. Deze schatting is gemaakt met behulp van de zogenoemde ‘Quality 
Adjusted Life Year’-methode (QALY). Deze methode is afkomstig uit de 
gezondheidswetenschappen. De kwaliteit van leven wordt uitgedrukt in 
een getal tussen nul en één. In diverse onderzoeken is aan respondenten 
is gevraagd hoeveel dagen van hun leven zij zouden willen inleveren om 
in goede gezondheid verder te leven. Een QALY van 0,5 betekent dat men 
bijvoorbeeld liever nog vijf jaar in goede fysieke en geestelijke gezondheid 
verder leeft, dan tien jaar in een slechte gezondheid. De Raad voor 
Volksgezondheid en Zorg (2006) heeft onlangs voorgesteld om een jaar dat 
iemand in goede gezondheid leeft te waarderen met maximaal € 80.000. 
De resultaten van deze onderzoeken kunnen worden gebruikt om de 
kwaliteit van leven van slachtoffers van criminaliteit te bepalen. Door per 
delict te kijken wat het levenskwaliteitverlies is en dit te vermenigvuldigen 
met € 80.000, komen Groot et al. tot een schadepost van 8,6 miljard euro. 


272 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Meerding (2005) becijferde dat kindermishandeling de samenleving jaarlijks 
965 miljoen euro kost. Hierin zijn ook de totale uitgaven aan criminaliteit 
als gevolg van kindermishandeling inbegrepen. Aangezien deze 
kosten reeds onderdeel zijn van de andere uitgaven die in dit hoofdstuk 
worden berekend, moet hiervoor worden gecorrigeerd. De nettoschade 
van kindermishandeling bedraagt dan 450 miljoen euro (zie tabel 8.18 in 
bijlage 4). 

Een andere bron om vast te stellen wat de materiële en immateriële schade 
is geweest van slachtoffers zijn de uitkeringen door het Schadefonds 
Geweldsmisdrijven. Tabel 8.19 in bijlage 4 geeft een overzicht. In 2006 is 
bijna 10 miljoen euro uitgekeerd aan slachtoffers. Dit is een toename van 
bijna 64% ten opzichte van 1995. Ongeveer tweederde is voor immateriële 
schade en eenderde voor materiële schade. Daarbij dient te worden aangetekend 
dat alleen die schade wordt vergoed die niet reeds door andere 
personen of instanties is vergoed. Per hoofd van de bevolking gaat om 
bijna € 0,59 en per slachtoffer om € 2,81. 

8.3.3 Schade voor de overheid 
Ook de overheid lijdt forse schade als gevolg van criminaliteit. Tabel 8.20 
in bijlage 4 geeft een overzicht van het strafrechtelijk nadeel dat opgespoord 
is door de FIOD-ECD. Het gaat daarbij om belastingfraude en 
financieel-economische fraude. Bij financieel-economische fraude moet 
worden gedacht aan bijvoorbeeld faillissementsfraude, corruptie in het 
bedrijfsleven, malafide ondernemingen en zorgfraude. In 2003 is ruim 
700 miljoen euro opgespoord en strafrechtelijk vervolgd. Het belasting-
nadeel is doorgaans groter. Maar kleinere vormen van fraude worden 
bestuursrechtelijk afgedaan door middel van een navordering. Indien de 
navordering wordt betaald, wordt er niet strafrechtelijk vervolgd. 

Naast fiscale en economische fraude is ook fraude met sociale verzekeringen 
mogelijk. De zware zaken worden afgedaan door de SIOD. De SIOD 
heeft in 2006 ongeveer 16 miljoen euro aan niet-betaalde socialeverzekeringspremies 
en belastingen opgespoord. Dit is aanzienlijk minder dan 
in voorgaande jaren. Een groot deel van de opgespoorde fraude betreft 
identiteitsfraude. Het maatschappelijk nadeel hiervan wordt geschat 
op 14 miljoen euro. De middelzware en lichte fraudegevallen worden 
afgedaan door de uitvoeringsinstanties, zoals het Uitvoeringsinstituut 
werknemersverzekeringen (UWV) en de Sociale Verzekeringsbank (SVB). 
De lichte gevallen worden meestal bestuursrechtelijk afgedaan door 
middel van een navordering, de middelzware zaken worden strafrechtelijk 
vervolgd (zie begrotingen SZW). Met deze laatste categorie is naar schatting 
een bedrag van ongeveer 137 miljoen euro op jaarbasis gemoeid. Het 
betreft hier opgespoorde fraude met de bijstand, arbeidsongeschiktheids



Uitgaven aan criminaliteit 273 

verzekeringen, kinderbijslag, (nabestaanden)pensioen, werkloosheidsverzekeringen 
en Ziektewet. De twee overige bijzondere opsporingsdiensten 
AID en VROM-IOD zijn beide goed voor ongeveer 1 à 2 miljoen euro. 

8.3.4 Overige schade 
Geld dat op criminele wijze vergaard is, moet vaak op een of andere 
manier worden witgewassen. Dit kan door bijvoorbeeld grote transacties 
contant te betalen en de verkregen goederen later op legale manier te 
verkopen. Om enig zicht te krijgen op de omvang van het illegale circuit 
is sinds 1994 de Wet Meldpunt Ongebruikelijke Transacties (MOT) 
van kracht. Alle transacties van grote waarden moeten worden gemeld. 
Vervolgens wordt uitgezocht in hoeverre de transactie verdacht is. Tabel 

8.21 in bijlage 4 geeft een overzicht van de verdachte ongebruikelijke transacties. 
In 2005 ging het om ruim 1,1 miljard euro, ofwel € 69 per hoofd van 
de bevolking. Een uitgebreid onderzoek naar de omvang, kenmerken en 
besteding van misdaadgeld is uitgevoerd door Meloen e.a. (2003). 
Na aangifte van fraude of vermogensmisdrijf kan de officier van justitie 
besluiten om vervolging in te stellen. Naast een straf kan de ovj ook ontneming 
vorderen van het bedrag dat op criminele wijze verkregen is. Om 
ervoor te zorgen dat de ontnemingsvordering ook betaald wordt, kan het 
OM conservatoir beslag laten leggen op bankrekeningen of waardevolle 
eigendommen. De rechter in eerste aanleg heeft in 2006 voor ongeveer 
88 miljoen euro aan ontnemingsmaatregelen opgelegd. 

8.3.5 Totale schade 
Om een beeld van de totale schade te krijgen, kunnen we bovengenoemde 
schadeposten bij elkaar tellen. De ontnemingsvorderingen en ongebruikelijke 
transacties laten we buiten beschouwing omdat deze waarschijnlijk 
deels overlappen met de eerdergenoemde schadeposten. Ook de uitkeringen 
van het SGM zijn niet meegeteld, omdat deze reeds in paragraaf 8.1.1 
ten laste van de overheid zijn gekomen. In totaal bedraagt de schade door 
criminaliteit op jaarbasis dan 21,1 miljard euro. Dit komt neer op ongeveer 
€ 1.293 per hoofd van de bevolking. Tabel 8.22 in bijlage 4 geeft een 
overzicht. 

8.4 Internationale vergelijking 
Ook in andere landen worden pogingen gedaan om de kosten van criminaliteit 
te kwantificeren. Cohen (2000 en 2005) gaat uitgebreid in op 
de methodologische problemen, maar geeft geen overzicht van de totale 
kosten van criminaliteit. Publicaties die daar wel een poging toe doen, 


274 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

zijn Brantingham en Easton (1998) voor Canada in 1993, Schreuders e.a. 
(1999) voor Nederland in 1998, Anderson (1999) voor de Verenigde Staten 
in 1998, Brand en Price (2000) voor Engeland en Wales in de periode 
1999-2000, Dubourg e.a. (2005) alleen voor delicten tegen personen en 
huishoudens in Engeland en Wales in de periode 2003-2004 en Mayhew 
(2003) voor Australië in 2001. Ook deze onderzoekers lopen tegen het 
probleem op dat met name ten aanzien van preventiemaatregelen en 
schade de gegevens beperkt zijn, meerdere bronnen gecombineerd 
moeten worden, dat uitsplitsingen naar misdrijven en andere onderdelen 
soms moeilijk te maken zijn en dat er aannames gemaakt moeten 
worden. 
Het is interessant om de Nederlandse situatie te vergelijken met die van 
de Verenigde Staten, Canada, Australië en Engeland en Wales. Daartoe 
zijn de uitkomsten van de onderzoeken eerst vertaald naar prijzen 2004 
door middel van een inflatiecorrectie die van toepassing is op het desbetreffende 
land. Vervolgens zijn de bedragen op basis van de purchasing 
power parity vertaald naar euro’s.2 Zowel Brand en Price (2000) als 
Mayhew (2003) maken een onderscheid tussen uitgaven ter voorkoming 
van, als gevolg van en in reactie op criminaliteit. Deze indeling wijkt iets 
af van het onderhavige hoofdstuk, vandaar dat de Nederlandse gegevens 
in deze box aangepast zijn aan de internationale indeling. Anderson 
(1999) en Brantingham en Easton (1998) maken zelf dit onderscheid 
niet, maar op basis van de gegevens in de desbetreffende publicaties is 
alsnog getracht de bedragen in deze categorieën in te delen. De onderzoeken 
van Schreuders e.a. (1999) en Dubourg e.a. (2005) zijn hier niet 
vergeleken omdat dit rapport een update is van de eerstgenoemde studie 
en omdat de tweede genoemde studie weliswaar een update is van 
Brand en Price (2000), maar alleen voor delicten tegen personen en huishoudens. 


De resultaten van de vergelijking staan in figuur 8.12 en tabel 8.23 in 
bijlage 4. De cijfers over de justitiële reactie zijn het makkelijkst in te 
schatten omdat ze veelal vermeld staan in overheidsbegrotingen. In 
Nederland wordt hieraan 4 miljard euro uitgegeven tegenover 19 miljard 
euro in Engeland en Wales, 5 miljard euro in Australië, 325 miljard 
euro in de Verenigde Staten en 9 miljard euro in Canada. Per hoofd van 
de bevolking is dit respectievelijk € 272, € 357, € 270, € 1.200 en € 322. 
De kosten van preventiemaatregelen en schade zijn in alle gevallen 
grove schattingen. In totaal zijn de geschatte kosten van criminaliteit 
in Nederland € 1.929 per hoofd van de bevolking tegenover € 1.780 per 
hoofd van de bevolking in Engeland en Wales, € 1.179 in Australië, € 7.200 
in de Verenigde Staten, en € 1.369 in Canada. Vier van de vijf onderzochte 
landen liggen qua kosten per hoofd van de bevolking bij elkaar in de 

2 

De purchasing power parity (PPP) is de wisselkoers gecorrigeerd voor verschillen in prijsniveaus. 


Uitgaven aan criminaliteit 275 

buurt. Maar met name de kosten van criminaliteit in de Verenigde Staten 
springen eruit. Dit is des te opmerkelijker aangezien de verhouding geregistreerde 
criminaliteit en inwoners voor alle landen in de onderzochte 
jaren rond de 0,09 ligt. 

Enige voorzichtigheid bij het vergelijken van de verschillende landen is 
geboden. Niet alle landen rekenen dezelfde onderdelen mee, enerzijds 
door gebrek aan gegevens, anderzijds door institutionele verschillen. 
Zo wordt in de Amerikaanse en Canadese berekening het gehele politiebudget 
meegeteld omdat geen goede uitsplitsing gemaakt kon worden 
naar opsporings- en niet-opsporingsactiviteiten. Verder zijn de medische 
onkosten in de Verenigde Staten relatief hoog, hetgeen de totale kosten 
van criminaliteit kan opdrijven. In de Nederlandse situatie zijn de uitkeringen 
van het Schadefonds Geweldsmisdrijven een goede indicatie van 
met name de immateriële schade van geweldsslachtoffers, omdat het 
uitkeringsbudget van het SGM in beginsel ongelimiteerd is. In Engeland 
en Wales en in Australië is dit budget wel gelimiteerd en daarmee geen 
goede indicator. In de Amerikaanse studie wordt de aanschaf van een 
legaal wapen als preventiemaatregel beschouwd, terwijl dit in Nederland 
en Engeland en Wales verboden is. 

Figuur 8.12 Internationale vergelijking* 

Nederland 

Australië 

Engeland en Wales 

Verenigde Staten 
(x100) 


Canada 

€ 0 10.000 20.000 30.000 40.000 50.000 60.000 70.000 

€ 24.171 
€ 14.503 
€ 66.344 
€ 13.785 
€ 21.147 
€ 9.249 
€ 3.246 
€ 18.880 
€ 5.279 
€ 4.448 
€ 5.839 
€ 1.731 
€ 9.007 
€ 3.966 
€ 5.937 
Ter voorkoming van criminaliteit 

In reactie op criminaliteit 

Als gevolg van criminaliteit 

* Miljoenen euro, prijzen 2006. 
Voor de corresponderende cijfers, zie tabel 8.23 in bijlage 4. 
Bron: Brantingham & Easton (1998), Anderson (1999), Brand & Price (2000), Mayhew (2003), OECD, 
CBS, bewerking WODC 

276 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

8.5 Resumé 
In tabel 8.24 in bijlage 4 worden alle uitgaven aan criminaliteit kort 
samengevat. Dit beeld is geenszins volledig. Vanwege definitie-, meet- en 
conceptuele problemen, en vanwege de beperkte en verbrokkelde beschikbaarheid 
van cijfers op dit terrein zijn de schattingen noodgedwongen vrij 
grof. Zeer waarschijnlijk betreft het een onderschatting, aangezien vele 
vormen van schade en preventie buiten beeld zijn gebleven. 

Met dit voorbehoud kunnen we concluderen dat de totale kosten van 
criminaliteit op jaarbasis ongeveer 31,5 miljard euro bedragen. Dit komt 
neer op ruim € 1.929 per hoofd van de bevolking, hetgeen enigszins 
vergelijkbaar is met de kosten per hoofd van de bevolking in Engeland en 
Wales. De totale kosten bestaan voor 21% (6,7 miljard euro in 2006) uit 
overheidsuitgaven in reactie op criminaliteit, voor 12% (3,7 miljard euro in 
2006) uit preventieve maatregelen van particulieren en bedrijven en voor 
67% (21,1 miljard euro in 2006) uit schade voor bedrijven, particulieren en 
overheid. De onderverdeling is grafisch weergegeven in figuur 8.13. 

Figuur 8.13 Kosten van criminaliteit naar soort, 2006* 

Totaal: € 31.532 miljoen 

Overheidsuitgaven 
Overheidsuitgaven 

opsporing 6% 

Overheidsuitgaven 
vervolging 1% 
Preventiemaatregelen 
preventie 7% 
Schade bedrijfsleven 
Overheidsuitgaven 
slachtofferzorg 0% 
Schade overheid 
3% 
Schade particulieren 
35% 
Overheidsuitgaven 
rechtspleging 1% 

Overheidsuitgaven 
tenuitvoerlegging 5% 

Overheidsuitgaven 
ondersteuning 1% 

bedrijfsleven 6% 

Preventiemaatregelen 
particulieren 4% 

Preventiemaatregelen 
algemeen 2% 

29% 

* Voorlopige cijfers. 
Voor de corresponderende cijfers en bronnen, zie tabellen 8.9 en 8.16 in bijlage 4. 

Uitgaven aan criminaliteit 277 

De baten van strafrechtshandhaving zijn in dit hoofdstuk niet aan bod 
gekomen. Om hierover een uitspraak te doen moeten de effecten van 
justitieel beleid in kaart worden gebracht. Dit is niet altijd eenduidig te 
meten. Ten eerste is het lastig om het effect van justitiebeleid te onderscheiden 
van het effect van andere maatschappelijke ontwikkelingen. 
Neemt de criminaliteit bijvoorbeeld af omdat er meer politie op straat 
surveilleert, of omdat er meer aandacht voor normen en waarden is? Ten 
tweede rijst onherroepelijk de vraag wat wel en wat niet als effect meegeteld 
gaat worden. Bijvoorbeeld, afnemende criminaliteit leidt tot minder 
druk op de justitiële keten, maar ook tot toenemende gevoelens van 
veiligheid bij burgers en minder claims bij verzekeringsmaatschappijen. 
Moeten al deze effecten worden meegeteld, en hoe tel je die bij elkaar op? 
Indien de effecten wel gemeten kunnen worden, zou een kosteneffectiviteitstudie 
kunnen worden gemaakt. Om tot een kosten-batenanalyse te 
komen moeten de effecten echter ook worden uitgedrukt in geld. Dit is zo 
mogelijk nog gecompliceerder. Hoe ken je een geldelijke waarde toe aan 
toegenomen gevoelens van veiligheid? 
Een beperkt aantal baten van justitieel beleid op het gebied van straf-
rechtshandhaving is op dit moment wel goed meetbaar. Zo worden de 
inkomsten uit boetes en transacties als gevolg van misdrijven geschat op 
ruim 38 miljoen euro en is er 15 miljoen euro aan ontnemingsmaatregelen 
geïnd in 2004 (bron: CJIB, bewerking WODC). 

Dit overzicht kent ook zijn beperkingen. De uitgaven van gemeenten en 
provincies aan criminaliteit en rechtshandhaving zijn doorgaans niet 
meegeteld vanwege de sterke versnippering van gegevensbronnen hieromtrent. 
Het CBS is momenteel bezig met een analyse hiervan maar de 
resultaten zijn nog niet beschikbaar. Ook de uitgaven van bijzondere 
opsporingsambtenaren, toezichthouders, het UVW, SVB, Douane, Militaire 
Inlichtingen en Veiligheidsdienst (MIVD) en Arbeidsinspectie zijn 
niet meegenomen. De uitgaven aan criminaliteit en rechtshandhaving 
van deze instellingen zijn vaak moeilijk als aparte post op de begroting te 
onderscheiden. 


 
9 Nederland in internationaal perspectief 

P.R. Smit 
Nederland is geen eiland, geïsoleerd van de rest van de wereld. Net als 
bij nationale economische ontwikkelingen kunnen veranderingen in de 
omvang en het karakter van de criminaliteit hun oorzaak vinden in binnenlandse 
factoren (zoals nieuwe wetgeving of veranderende demografische 
factoren) of in internationale ontwikkelingen (migrantenstromen, politieke 
en economische ontwikkelingen in Oost-Europa, wereldwijde aandacht 
voor andere soorten criminaliteit zoals terrorisme enzovoort). Cijfermatige 
vergelijking van de Nederlandse ontwikkelingen met die in andere landen 
kan een aanwijzing geven waar de oorzaken gezocht moeten worden. Zo 
daalt bijvoorbeeld de criminaliteit, en dan met name de vermogenscriminaliteit 
in Nederland en in de meeste omringende landen in de afgelopen 
jaren, na een stijging in het laatste decennium van de vorige eeuw. Dan ligt 
het voor de hand naar oorzaken te zoeken die niet specifiek Nederlands zijn. 
De manier waarop de rechtshandhaving is georganiseerd en in de praktijk 
wordt uitgevoerd, is in elk land verschillend. Enerzijds levert dit problemen 
op bij het maken van vergelijkende statistieken, anderzijds geeft het de gelegenheid 
te zien wat het effect van bepaalde beleidsmaatregelen zou kunnen 
zijn op basis van ervaringen in andere landen. 
Dit hoofdstuk geeft voor zover mogelijk een vergelijking van de criminaliteit 
in een aantal Europese landen, Australië, de Verenigde Staten, Canada 
en Japan. Voor zover er cijfers beschikbaar zijn, worden in ieder geval alle 
EU-lidstaten met elkaar vergeleken. En in het bijzonder wordt telkens 
aandacht besteed aan een vergelijking tussen Nederland en de meest nabijgelegen 
landen België, Denemarken, Duitsland, Engeland1, Frankrijk en 
Luxemburg (hierna, alhoewel strikt gesproken niet geheel juist, als ‘buurlanden’ 
aangeduid). 
In de vorige uitgave van Criminaliteit en Rechtshandhaving (Eggen, Van der 
Heide 2005) was dit hoofdstuk niet opgenomen omdat de twee belangrijkste 
gegevensbronnen voor dit hoofdstuk, de internationale slachtofferenquête 
(ICVS) en het European Sourcebook of Crime and Criminal Justice Statistics 
niet geactualiseerd waren ten opzichte van de voorlaatste Criminaliteit en 
Rechtshandhaving (Van der Heide, Eggen 2003). Inmiddels zijn van beide 
gegevensbronnen nieuwe edities uitgekomen (Aebi et al. 2006; Van Dijk, 
Van Kesteren, Smit 2007). Deze nieuwe gegevens, geactualiseerd tot 2003 
(European Sourcebook) of 2004 (ICVS) zijn verwerkt in dit hoofdstuk. 

9.1 Voorbehoud bij het maken van internationale vergelijkingen 
Diversiteit in de gehanteerde bronnen 

Over het algemeen komen gegevens uit bronnen die specifiek voor één 
land samengesteld zijn. Dit feit alleen al maakt dat de gegevens niet zonder 
meer te vergelijken zijn (zie ook Crime Trends in Europe, 2000). Ook komt 

Waar in de tekst gesproken wordt over Engeland wordt Engeland en Wales bedoeld. Noord-Ierland en 
Schotland zijn hier niet bij inbegrepen. 


280 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

het voor dat gegevens over een bepaald onderdeel van de strafrechtsketen 
niet in elk land door dezelfde soort instantie verzameld worden. Zo worden 
bijvoorbeeld de gegevens over het vervolgingstraject, in de regel het terrein 
van het OM, in Spanje door de rechtbanken verzameld. Ook maakt het verschil 
of gegevens uit een ‘onafhankelijke’ bron komen, zoals soms nationale 
statistische bureaus dat zijn, of door ‘belanghebbenden’ verzameld worden. 

Verschillende definities van (juridische) begrippen 

In vrijwel alle landen wordt een onderscheid gemaakt tussen ‘misdrijven’ 
(die wel tot de criminaliteit gerekend worden) en ‘overtredingen’ (gedrag 
waarbij weliswaar de wet overtreden wordt, maar dat toch niet als crimineel 
beschouwd wordt). In sommige landen is er zelfs sprake van een driedeling 
(bijvoorbeeld in Frankrijk: crimes, délits en contraventions). Uit de aard der 
zaak zijn de Wetboeken van Strafrecht voor elk land verschillend. Dit komt 
op verschillende manieren tot uitdrukking: sommige gedragingen zijn in 
het ene land wel strafbaar gesteld en in het andere land niet (bijvoorbeeld 
prostitutie, abortus, euthanasie); de grens tussen misdrijven en overtredingen 
is niet in elk land hetzelfde; ook de precieze definities van delictcategorieën 
zullen verschillend zijn (waar ligt de grens tussen moord/doodslag 
en dood door schuld; wordt onder ‘inbraak’ alleen inbraak in een woning 
verstaan of ook in een auto, een schuur of iets dergelijks; enzovoort). 

Verschillen in de rechtssystemen 

De manier waarop het justitiële apparaat is georganiseerd, verschilt van 
land tot land. Vooral de precieze rol van de politie (en bijvoorbeeld de 
manier waarop de politie zaken registreert) en van het OM heeft een grote 
invloed op de gegevens. Of bijvoorbeeld een melding van een misdrijf ook 
daadwerkelijk geregistreerd wordt, zal afhankelijk zijn van de verplichting 
die de politie heeft om misdrijven voor te leggen aan de vervolgingsautoriteiten, 
ook als er nog geen verdachte is. Zo is dit in Nederland niet het geval, 
in Frankrijk wel. Ook de vraag of er bij de vervolging sprake is van een legaliteitsprincipe 
(waarbij de vervolgingsautoriteit verplicht is elk misdrijf te vervolgen) 
of een opportuniteitsprincipe (waarbij de vervolgingsautoriteit een 
discretionaire bevoegdheid heeft, dus ook kan beslissen zaken niet te vervolgen) 
zal van invloed zijn op de registratie door de politie en vervolgens op de 
beslissing die de politie neemt om een zaak over te dragen aan het OM. 

Verschillen in de gemaakte statistische keuzes 

Een laatste voorbehoud is van statistische aard. Bij het maken van statistieken 
moeten er bepaalde keuzes worden gemaakt. In het geval van 
criminaliteitsstatistieken zijn de belangrijkste keuzes de teleenheid en het 
telmoment. De teleenheid kan daders betreffen, of strafbare feiten of strafzaken. 
Deze keuze wordt niet door elk land op dezelfde manier gemaakt. Bij 
het telmoment gaat het er vooral om op welk moment bepaalde kenmerken 
aan een zaak worden toegekend. Een zaak die bij de politieregistratie 


Nederland in internationaal perspectief 281 

gezien wordt als moord, kan bij beoordeling door de officier van justitie 
veranderen in ‘dood door schuld’. 

Vergelijkingsmethoden 

Ruwweg zijn er twee manieren om toch te trachten zinvolle vergelijkingen 
te maken tussen landen onderling. 
Ten eerste kan men een keuze maken in de soort (vergelijkende) analyse 
die toegepast wordt. In principe zijn er drie soorten van vergelijkende 
analyse mogelijk. 

– 
Niveauvergelijkingen. Bij dit soort van vergelijkingen wordt gekeken 
naar de verschillen in de (absolute) niveaus. Een voorbeeld is de vraag 
waar het aantal diefstallen per 100.000 inwoners het hoogst is. Op deze 
manier vergelijken is zeer riskant. Alle vier de bovengenoemde kwesties 
kunnen hier een rol spelen. 
– 
Verdelingsvergelijkingen. Hier wordt gekeken naar verhoudingen binnen 
bepaalde onderverdelingen, zoals tussen delictcategorieën. Zo kan het 
relatieve aandeel van de jeugdcriminaliteit in internationaal perspectief 
geplaatst worden. Met dit soort vergelijkingen weegt diversiteit in bronnen 
minder zwaar. Hetzelfde geldt voor de gemaakte statistische keuzes. 
– 
Trendvergelijkingen. Een andere manier van vergelijken is dat er alleen 
gekeken wordt naar ontwikkelingen in de tijd. Hierbij is bijvoorbeeld te 
zien welke delictcategorieën in welke landen stijgen of dalen. 
Ten tweede kan worden gepoogd op een zodanige manier gegevens te 
verzamelen dat de vier bovenstaande punten geheel of gedeeltelijk worden 
ondervangen. Als voorbeeld kan worden genoemd de Internationale 
Slachtofferenquête ICVS (Van Dijk, Van Kesteren, Smit 2007). Deze tracht 
door middel van een gestandaardiseerde vragenlijst zo veel mogelijk de 
definitieverschillen en de verschillen in statistische keuzes glad te strijken. 
Het probleem van de verschillende rechtssystemen weegt minder zwaar 
omdat het hier gaat om een slachtofferenquête waarbij (nog) geen sprake is 
van een justitiële reactie. 

9.2 Ontwikkelingen 
9.2.1 Criminaliteit en slachtofferschap 
Het vergelijken van de omvang van de criminaliteit 

De Internationale Slachtofferenquête (ICVS) meet en vergelijkt de omvang 
van door slachtoffers ondervonden criminaliteit in verschillende landen 
(Van Dijk, Van Kesteren, Smit 2007).2 Tabel 9.1 (bijlage 4) geeft een 

2 
Bij de interpretatie van de cijfers van de ICVS is het goed te beseffen dat slachtoffers ook in een ander land 

een delict kunnen ondervinden. Gemeten wordt dus niet exact de criminaliteit in een bepaald land, maar 

de criminaliteit zoals ondervonden door slachtoffers uit een bepaald woonland. Hoewel hierover door de 


282 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

overzicht, voor een tiental veelvoorkomende delicten, van de drie laatste 
metingen van de ICVS over de jaren 1995, 1999 en 2004. Opmerkelijk is dat 
Nederland uit deze slachtofferenquête te voorschijn komt als een land met 
een tamelijk hoge kans op slachtofferschap. Zie figuur 9.1 voor slachtofferschap 
in 2004, uitgesplitst naar drie hoofdcategorieeën van misdrijven. 

Figuur 9.1 Aantal ondervonden misdrijven per 100 respondenten, 2004 

0 5 10 15 20 25 30 35 40 45 

Nederland 

België 
Denemarken 
Duitsland 
Engeland en Wales 
Frankrijk 
Luxemburg 

Bulgarije 
Estland 
Finland 
Griekenland 
Hongarije 
Ierland 
Italië 
Noord-Ierland 
Noorwegen 
Oostenrijk 
Polen 
Portugal 
Schotland 
Spanje 
Zweden 

Australië 
Canada 
Japan 
Verenigde Staten 


Voertuiggerelateerde criminaliteit 

Overige vermogenscriminaliteit 
Geweldscriminaliteit 

Voor de onderliggende gegevens zie tabel 9.1 in bijlage 4. 
Bron: ICVS 

beperkte steekproefomvang van de ICVS geen duidelijke uitspraken kunnen worden gedaan, lijkt de invloed 
niet al te groot te zijn. Afhankelijk van het soort delict en het land, ligt het percentage delicten ondervonden 
in het buitenland tussen 0 en 20. Zie voor methodische kanttekeningen ook: Bruinsma e.a., 1990. 


Nederland in internationaal perspectief 283 

Figuur 9.2 
Percentuele verandering ondervonden criminaliteit, 
2004 vergeleken met 1999 

-40% -30% -20% -10% 0% 10% 20% 30% 40% 

Nederland 

België 
Denemarken 
Engeland en Wales 
Frankrijk 

Estland 
Finland 
Polen 
Portugal 
Schotland 
Zweden 

Australië 
Canada 
Japan 
Verenigde Staten 


Voor de onderliggende gegevens zie tabel 9.1 in bijlage 4. 
Bron: ICVS 

De tamelijk hoge positie van Nederland blijkt hoofdzakelijk te wijten 
aan de zogenoemde ‘voertuiggerelateerde’ criminaliteit: auto- en motor-
diefstal, diefstal uit auto, fietsendiefstal. Vooral vanwege het grote aantal 
fietsendiefstallen kent Nederland de hoogste voertuiggerelateerde criminaliteit. 
Naast de specifieke gelegenheidsfactor – er zijn in Nederland nu 
eenmaal veel meer fietsen dan elders – speelt hierbij mogelijk de hoge 
graad van verstedelijking in combinatie met het welvaartsniveau een 
rol. Doorgaans wordt dit als een criminogene factor beschouwd (Van 
Kesteren, Mayhew, Nieuwbeerta 2000), vooral in relatie tot vermogenscriminaliteit. 
Bij specifieke andere delicten is het beeld duidelijk anders. 
Bij inbraak (en pogingen daartoe) staat Nederland onder het gemiddelde, 
bij misdrijven tegen personen (diefstal met geweld, mishandeling 
en seksuele misdrijven) iets boven het gemiddelde, vooral vanwege het 
relatief hoge aantal bedreigingen en mishandelingen. 
Van de buurlanden heeft Engeland duidelijk de hoogste door slachtoffers 
ondervonden criminaliteit, daarna komen Nederland, België en Denemarken, 
die onderling nauwelijks verschillen. Het verschil tussen Engeland en 
Nederland is grotendeel gelegen in de (pogingen tot) inbraak. Duitsland, 


284 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Frankrijk en Luxemburg, met een duidelijk lager niveau van ondervonden 
criminaliteit ten opzichte van Nederland, verschillen onderling ook niet veel. 

Ontwikkelingen in de ondervonden criminaliteit, 1995-2004 

Bij het kijken naar de ontwikkelingen in de tijd past een kanttekening: 
door externe ontwikkelingen (verminderde bereidheid om aan enquêtes 
mee te werken, technische ontwikkelingen die invloed hebben op de 
bereikbaarheid, zoals mobiele telefonie etc.) zijn de resultaten van opeenvolgende 
enquêtes nooit echt goed vergelijkbaar. In het bijzonder geldt 
voor de ICVS-meting van 2004 dat er, naast mogelijke externe factoren die 
de vergelijkbaarheid beïnvloeden, enkele methodische wijzigingen hebben 
plaatsgevonden die ook van invloed kunnen zijn geweest op de uitkomsten 
en op de vergelijkbaarheid met eerdere metingen van de ICVS. Hoewel 
analyses op de gegevens (Van Dijk, Van Kesteren, Smit 2007) geen directe 
aanleiding geven om de betrouwbaarheid en de vergelijkbaarheid van de 
ICVS 2004 in zijn algemeenheid in twijfel te trekken en het gebruik van de 
gegevens in deze publicatie derhalve gerechtvaardigd is, zijn er toch sommige 
cijfers die moeilijk te verklaren zijn. Voor Nederland is bijvoorbeeld 
het aantal autodiefstallen (1,0 per 100 respondenten in 2004) meer dan 
een verdubbeling ten opzichte van 1999. Deze stijging wordt niet gezien in 
andere slachtofferenquêtes (CBS en Politiemonitor, zie hoofdstuk 3) en ook 
niet in de geregistreerde autodiefstallen. Maar ook de stijging in met name 
de geweldscriminaliteit in de Verenigde Staten vindt geen bevestiging in 
hun nationale slachtofferenquête (BJS 2007). Mogelijke verklaringen voor 
deze verschillen kunnen te maken hebben met bijvoorbeeld andere vraagstelling, 
andere steekproeftrekking, andere meetperioden of oversampling 
van respondenten in grote steden. 

Voor die landen waar de ICVS zowel in 2004 als ook in 1999 is afgenomen, 
geeft figuur 9.2 een overzicht van de percentuele daling of stijging in de 
ondervonden criminaliteit. De figuur geeft dus inzicht in de ontwikkeling 
in de tweede helft van de waarnemingsperiode 1995-2004. Het blijkt dat 
vrijwel overal een duidelijke daling in de criminaliteit heeft plaatsgevonden. 
Nederland vormt hierop met een daling van 17% geen uitzondering. 
De daling in Nederland wordt vrijwel uitsluitend veroorzaakt door een 
daling in de vermogenscriminaliteit, de geweldscriminaliteit is ongeveer 
hetzelfde gebleven. Van de buurlanden kent Frankrijk, vergeleken met 
Nederland, een grotere afname in de criminaliteit. België is een van de 
weinige landen waar de criminaliteit gestegen is. 
De daling in de ondervonden criminaliteit lijkt een voortzetting te zijn 
van een trend die al eerder ingezet is. Hoewel het aantal landen waarbij 
de ICVS ook in 1995 is afgenomen kleiner is dan de in figuur 9.2 getoonde 
landen, valt in die landen over het algemeen ook in de periode 1995-1999 
een dalend slachtofferschap waar te nemen. 


Nederland in internationaal perspectief 285 

9.2.2 Registratie en opsporing 
Voor het registratie- en opsporingstraject wordt als bron het European 
Sourcebook gebruikt (zie bijlage 2). Het European Sourcebook bevat 
gedetailleerde informatie over een groot aantal Europese landen over de 
periode 1990-2003. Wel is de meest recente (derde) editie een beperkte: 
gegevens over OM-afdoeningen, soorten straf en de lengte van vrijheidsstraffen 
ontbreken. 

De geregistreerde criminaliteit, 2003 

In alle landen worden veel minder misdrijven door de politie geregistreerd 
dan door slachtoffers ondervonden (zie voor ons land hoofdstuk 3). 
Twee effecten spelen hierbij een belangrijke rol, die in de diverse landen 
verschillend kunnen uitpakken: de aangiftebereidheid van de slachtoffers 
en de mate waarin de politie ter kennis gekomen zaken ook daadwerkelijk 
registreert. 
Tabel 9.2 geeft het aantal geregistreerde misdrijven per 100.000 inwoners, 
totaal en voor een zestal delictsoorten. Voor Nederland valt, in vergelijk 
met de andere delicten, het lage aantal drugsdelicten op (hoewel er 
sprake is van een verdubbeling van 2003 ten opzichte van 2000) en het 
hoge aantal bij moord en doodslag. Bij de drugsdelicten is dit te verklaren 
uit het gedoogbeleid hier te lande, waarbij niet drugsbezit (voor eigen 
gebruik) maar alleen de handel in verdovende middelen vervolgd wordt. 
Bij moord en doodslag is het wat minder duidelijk; de categorie bevat 
ook de pogingen. Als we alleen naar voltooide moord en doodslag kijken, 
neemt Nederland een middenpositie in (zie tabel 9.3 in bijlage 4). Het 
relatief hoge aantal pogingen in Nederland wordt mogelijk voor een groot 
deel verklaard door het vervolgingsbeleid van het Nederlandse OM: de 
Nederlandse officier van justitie vervolgt eerder voor poging moord en 
doodslag waar zijn buitenlandse collega (zware) mishandeling of bedreiging 
ten laste legt (Duijn, Smit, Bijleveld 2007). 

Om inzicht te krijgen in de verdeling over de soorten delicten is gekeken 
naar het relatieve aandeel van de vier geweldsmisdrijven (mishandeling, 
diefstal met geweld, moord en doodslag en verkrachting) ten opzichte 
van het delict diefstal. Dit geeft een indicatie van de relatieve verhouding 
tussen gewelds- en vermogensdelicten. Het beeld dat in de slachtofferenquête 
al naar voren kwam, namelijk dat Nederland relatief veel vermogens- 
en relatief minder geweldscriminaliteit kent, wordt hier bevestigd. 
Van de buurlanden kennen Frankrijk, Duitsland, Luxemburg en vooral 
België en Engeland een relatief groter aandeel van geweldsdelicten. 
Alleen in Denemarken is het aandeel van geweldscriminaliteit kleiner 
dan in Nederland. 


286 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Ontwikkelingen in de geregistreerde criminaliteit, 1995-2003 

De figuren 9.3 en 9.4 geven een overzicht, niet van het relatieve aandeel van 
geweldscriminaliteit ten opzichte van vermogenscriminaliteit, maar van de 
ontwikkeling van de geregistreerde vermogens- en geweldscriminaliteit in de 
tijd (zie ook tabel 9.2 in bijlage 4). Voor de vermogenscriminaliteit is alleen 
het delict diefstal genomen (in vrijwel alle landen het vermogensdelict dat 
verreweg het meeste voorkomt), voor de geweldsdelicten is de som genomen 
van diefstal met geweld, mishandeling, moord en doodslag en verkrachting.3 

Figuur 9.3 
Percentuele verandering geregistreerde diefstal, 2003 
vergeleken met 1995 

Nederland 

België 
Denemarken 
Duitsland 
Engeland en Wales 
Frankrijk 
Luxemburg 

Bulgarije 
Estland 
Finland 
Griekenland 
Hongarije 
Ierland 
Italië 
Litouwen 
Oostenrijk 
Polen 
Portugal 
Schotland 
Slowakije 
Spanje 
Tsjechië 
Zweden 
Zwitserland 


-60% -40% -20% 0% 20% 40% 60% 80% 100% 


Voor de onderliggende gegevens zie tabel 9.2 in bijlage 4. 
Bron: European Sourcebook 

3 

Voor Engeland en Wales is voor de ontwikkeling in de geweldscriminaliteit het delict mishandeling 
buiten beschouwing gelaten. In deze periode is de definitie van dit delict gewijzigd met als gevolg dat de 
gegevens over 2003 niet gerelateerd kunnen worden aan 1995. 


Nederland in internationaal perspectief 287 

Figuur 9.4 
Percentuele verandering geregistreerde geweldscriminaliteit, 
2003 vergeleken met 1995 

Nederland 

België 
Denemarken 
Duitsland 
Engeland en Wales 
Frankrijk 
Luxemburg 

Bulgarije 
Estland 
Finland 
Griekenland 
Hongarije 
Ierland 
Italië 
Litouwen 
Oostenrijk 
Polen 
Portugal 
Schotland 
Slowakije 
Spanje 
Tsjechië 
Zweden 
Zwitserland 


-60% -40% -20% 0% 20% 40% 60% 80% 100% 


Voor de onderliggende gegevens zie tabel 9.2. 
Bron: European Sourcebook 

Bij de vermogenscriminaliteit (diefstal, figuur 9.3) komt het beeld enigszins 
overeen met wat ook al uit de slachtofferenquêtes bleek, namelijk in 
het algemeen een daling. Dit geldt in het bijzonder voor Nederland en de 
buurlanden, met uitzondering van België waar een stijging van 21% waargenomen 
wordt. Bij geweldscriminaliteit (figuur 9.4) is de situatie geheel 
anders. Op een enkele uitzondering na is er sprake van een vaak forse 
stijging in de geregistreerde geweldscriminaliteit. En dat wijkt af van de 
bevindingen in de slachtofferenquêtes, waar er gemiddeld genomen voor 


288 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

de geweldsmisdrijven een ongeveer even grote afname gemeten wordt als 
voor vermogenscriminaliteit.4 
Een grotere aandacht van politie en justitie voor de verschillende vormen 
van geweldscriminaliteit kan dit verschijnsel wellicht verklaren. Een 
andere mogelijke verklaring, namelijk een stijging van de aangiftebereidheid 
van slachtoffers voor geweldsdelicten, wordt in algemene zin niet 
bevestigd in de ICVS (Van Dijk, Van Kesteren, Smit 2007), hoewel dit voor 
Nederland wel een verklaring zou kunnen zijn (Wittebrood, 2006). 

Slachtoffers van moord en doodslag 

Tabel 9.3 in bijlage 4 geeft een inzicht in het vóórkomen van het meest 
dramatische delict: moord of doodslag. De getallen stellen het aantal 
slachtoffers per jaar van dit delict voor, per 100.000 inwoners. Het gaat hier 
om voltooide moord en doodslag, dus de pogingen zijn niet meegenomen. 
Duidelijk is dat het niveau van moord en doodslag binnen de EU-landen (en 
de vier niet-Europese landen) niet erg verschilt. Tussen landen, maar ook in 
de tijd gezien zijn de verschillen gering. Een uitzondering hierop vormen de 
Baltische landen en de VS, waar het niveau aanzienlijk hoger ligt. 
Van de buurlanden hebben alleen Denemarken en Luxemburg een wat 
lager aantal moorden dan Nederland; Frankrijk daarentegen kent over het 
algemeen een hoger aantal moorden. De daling van het aantal moorden 
in Nederland sinds het midden van de jaren negentig wordt in de buurlanden 
niet waargenomen. 

De daders 

Voor een overzicht van de daders5 van misdrijven is er de registratie van 
verdachten bij de politie. Op zich zou het aantal gevonden daders, gerelateerd 
aan het aantal geregistreerde misdrijven, een maat kunnen geven 
voor het ophelderingspercentage in een land. Het is echter zeer twijfelachtig 
of het aantal daders hiervoor wel een goede maat is (Smit et al. 2003). 
Wel is het zinvol te kijken naar het aandeel van specifieke groepen daders 
zoals bijvoorbeeld minderjarige en vrouwelijke daders. Voor een overzicht 
hiervan, uitgesplitst naar delictgroep, zie de tabellen 9.4 en 9.5. 
Zowel bij de minderjarige als bij de vrouwelijke daders is het beeld zeer 
divers en afhankelijk van de delictsoort. Bij diefstal en diefstal met geweld 
is het aandeel van minderjarige daders hoog, bij drugsdelicten daarentegen 
laag. Vrouwelijke daders worden relatief vaak gevonden bij diefstal 
(winkeldiefstal) en bij drugsdelicten. 

4 

Behalve dan voor Nederland, waar uit de ICVS blijkt dat de geweldscriminaliteit ongeveer gelijk blijft. 
Wel is er ook voor Nederland een verschil met de geregistreerde geweldscriminaliteit die sterk stijgt. 
5 

De definitie van ‘dader’ verschilt van land tot land. Meestal is er in dit stadium nog alleen sprake van 
‘verdachte’. Voor Nederland gaat het hier om ‘gehoorde verdachte’. 


Nederland in internationaal perspectief 289 

Vergeleken met de buurlanden Duitsland, Engeland en Frankrijk kent Nederland 
bij de meeste delictsoorten een lager aandeel minderjarige daders. Dit 
geldt ook voor vrouwelijke daders, met uitzondering van de drugsdelicten. 

Figuur 9.5 
Verandering (in procentpunten) aandeel minderjarige 
daders van diefstal, 2003 vergeleken met 1995 

Nederland 

Duitsland 
Engeland en Wales 
Frankrijk 
Luxemburg 

Bulgarije 
Finland 
Griekenland 
Hongarije 
Ierland 
Italië 
Oostenrijk 
Polen 
Roemenië 
Slovenie 
Tsjechië 
Zweden 
Zwitserland 


-25 -20 -15 -10 -5 0 5 10 15 


Voor de onderliggende gegevens zie tabel 9.4 in bijlage 4. 
Bron: European Sourcebook 

De figuren 9.5 en 9.6 laten de veranderingen zien in het aandeel van 
minderjarige daders voor twee specifieke delicten: het vermogensdelict 
diefstal en het geweldsdelict diefstal met geweld. Bij diefstal vermindert in 
de meeste landen het aandeel minderjarige daders, Nederland en enkele 
buurlanden vormen hierop een uitzondering. Bij diefstal met geweld is er 
juist sprake van een groter aandeel van minderjarige daders. Dit geldt ook 
voor Nederland en de buurlanden met uitzondering van Engeland. 


290 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Figuur 9.6 
Verandering (in procentpunten) aandeel minderjarige 
daders van diefstal met geweld, 2003 vergeleken met 1995 

Nederland 

Duitsland 
Engeland en Wales 
Frankrijk 
Luxemburg 

Bulgarije 
Finland 
Griekenland 
Hongarije 
Ierland 
Italië 
Oostenrijk 
Polen 
Roemenië 
Slovenie 
Spanje 
Tsjechië 
Zweden 
Zwitserland 


-25 -20 -15 -10 -5 0 5 10 15 20 


Voor de onderliggende gegevens zie tabel 9.4 in bijlage 4. 
Bron: European Sourcebook 

Politiesterkte 

Figuur 9.7 geeft een indruk van de omvang van de Nederlandse politie 
ten opzichte van die in andere Europese landen. De omvang van het 
Nederlandse politiekorps blijkt relatief beperkt, maar wel duidelijk hoger 
dan de Scandinavische landen. Ook van de buurlanden is Denemarken 
het enige land met een lager aantal. Zowel in Nederland als in Engeland 
is wel sprake van een stijging tussen 2000 en 2003. De cijfers in figuur 9.7 
bevatten al het politiepersoneel: er is zowel naar het geüniformeerde personeel 
als naar het burgerpersoneel bij de politiekorpsen gekeken. 

9.2.3 Vervolging 
De manier waarop het vervolgingstraject is georganiseerd, is per land zeer 
verschillend. In sommige landen heeft de politie de bevoegdheid zaken 


Nederland in internationaal perspectief 291 

Figuur 9.7 
Omvang van de sterkte van de politie per 100.000 
inwoners, 2000 en 2003 

Nederland 

België 
Denemarken 
Engeland en Wales 
Frankrijk 
Luxemburg 

Estland 

Finland 

Hongarije 

Ierland 

Letland 

Litouwen 

Noord-Ierland 

Noorwegen 

Polen 

Portugal 

Schotland 

Slovenië 

Tsjechië 

Zweden 

Zwitserland 

Bron: European Sourcebook 

zelfstandig af te handelen (in Nederland bijvoorbeeld de Halt-zaken: een 
voorwaardelijke sepotbevoegdheid onder verantwoordelijkheid van het 
OM); de wijze waarop de vervolgingsautoriteiten (OM) zelfstandig zaken 
kunnen afdoen, verschilt van land tot land, enzovoort. Het is daarom lastig 
om vergelijkingen tussen landen te maken over de verschillende aspecten 
van het vervolgingstraject (verschillende soorten van sepots, transacties 
enzovoort). Wel enig houvast biedt een confrontatie van de door de politie 
gehoorde verdachten (als maat voor ‘vervolgingsrijpe’ zaken) en de personen 
die ofwel door het OM, ofwel door de rechter een sanctie, straf of 
maatregel opgelegd hebben gekregen (als maat voor succesvol vervolgde 

0 100 200 300 400 500 600 700 



292 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

zaken). Helaas zijn er geen nieuwe recente internationale gegevens 
beschikbaar over de door het OM opgelegde straffen of maatregelen. Uit 
eerdere analyses over het jaar 1999 (zie figuur 7.9 in: Van der Heide, Eggen 
2003) is gebleken dat in Nederland twee derde van de verdachten uiteindelijk 
een sanctie, straf of maatregel krijgt opgelegd. Dit is hoog in vergelijking 
met andere landen, van de buurlanden kent alleen Frankrijk een 
hoger percentage. In Engeland is dit percentage iets lager en in Duitsland 
veel lager (ongeveer 40%). In Nederland is dit in de periode 1999-2004 overigens 
niet wezenlijk veranderd, nog steeds krijgt ongeveer twee derde van 
de verdachten uiteindelijk een sanctie, straf of maatregel opgelegd. 

9.2.4 Berechting en straf 
Tabel 9.6 in bijlage 4 geeft het totale aantal veroordeelde6 verdachten per 

100.000 inwoners (in 1995, 2000 en 2003) over de verschillende delict-
categorieën. Vergeleken met de buurlanden en dan vooral Denemarken 
en Engeland worden er in Nederland minder verdachten door de rechter 
veroordeeld (mede veroorzaakt door het hoge aantal OM-transacties in 
Nederland). Opvallend is dat van de veroordeelde verdachten er relatief 
veel (ongeveer een kwart) voor diefstal veroordeeld worden. Dit is beduidend 
hoger dan in de buurlanden. 
Na een veroordeling zijn er verschillende soorten straffen mogelijk: 
vrijheidsstraffen, boetes, taakstraffen etc. Recente gegevens hierover 
ontbreken echter, evenals over de gemiddelde lengte van opgelegde vrijheidsstraffen. 
(Ook hier wordt verwezen naar figuur 7.10 en 7.11 in Van 
der Heide, Eggen 2003 voor de situatie in 1999). Toen was het beeld dat, 
in vergelijking met de buurlanden, Nederland wat vaker een gevangenisstraf 
oplegt, maar dat de gemiddelde lengte lager is. Dit zou veroorzaakt 
kunnen worden doordat in Nederland relatief vaker een (korte) gevangenisstraf 
wordt opgelegd voor lichtere vergrijpen, in plaats van een boete 
of alternatieve straf. Zie ook Boone, Moerings (2007) die voor de gehele 
periode 1996-2005 zien dat vaker lichtere delicten doorgestuurd worden 
naar de rechter waar vaker een vrijheidsstraf opgelegd wordt. 

Voor een inzicht in de onvoorwaardelijke gevangenisstraf is ook tabel 

9.7 in bijlage 4 van belang, met een opgave van het totaal aantal gevangenen, 
inclusief voorlopig gehechten (per 100.000 inwoners). Opvallend 
is de grote toename van het aantal gevangenen in Nederland vanaf het 
eind van de jaren negentig. Van de buurlanden kent alleen Luxemburg 
een dergelijke (zelfs een wat grotere) toename. Wel ligt het niveau van het 
6 Het gaat hier om de door een rechter veroordeelde verdachten. De straffen en maatregelen van het OM 
zijn dus niet meegenomen. In bijna geen enkel land is het mogelijk om voor de OM-beslissingen een 
uitsplitsing naar delict te maken. 


Nederland in internationaal perspectief 293 

aantal gevangenen in Oost-Europese landen, maar ook en vooral in de 
Verenigde Staten nog veel hoger dan in Nederland. 

Figuur 9.8 
Aantal gevangenen per veroordeelde (indices: 
Nederland 1995 = 100) 

Nederland 

België 
Denemarken 
Duitsland 
Engeland & Wales 
Frankrijk 

Bulgarije 
Estland 
Finland 
Hongarije 
Italië 
Letland 
Noord-Ierland 
Noorwegen 
Oostenrijk 
Polen 
Portugal 
Schotland 
Slovenië 
Slowakije 
Spanje 
Tsjechië 
Zweden 
Zwitserland 


0 100 200 300 400 500 600 700 


1995 

2000 

2003 

Voor de onderliggende gegevens zie tabel 9.6 en 9.7 in bijlage 4. 
Bron: European Sourcebook 

Het aantal gevangenen op een bepaald meetmoment, zoals gepresenteerd 
in tabel 9.7 in bijlage 4, wordt bepaald door twee factoren: het aantal 


294 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

gevangenisstraffen en de feitelijke lengte van de uitgevoerde straf. De 
eerste factor, het aantal gevangenisstraffen, is zelf weer afhankelijk van 
twee grootheden, namelijk het aantal veroordeelde daders (zie tabel 9.6 in 
bijlage 4) en het percentage gevangenisstraffen binnen de veroordelingen. 
Als we nu het aantal gevangenen relateren aan het aantal veroordeelden, 
zal de uitkomst de combinatie van het percentage gevangenisstraffen van 
de veroordelingen en de lengte van de uitgevoerde straf weergeven. Dit 
kan een indicatie zijn van het strafklimaat in een land.7 Gesimplificeerd 
voorgesteld: een hoge uitkomst is een teken van veel en/of lange gevangenisstraffen. 


Figuur 9.8 geeft de resultaten, waarbij de uitkomsten geïndiceerd zijn. De 
waarde van Nederland in 1995 is op 100 gesteld. Opvallend is de duidelijke 
stijging van Nederland en de hoge positie ten opzichte van de buurlanden. 
Het niveau in de Scandinavische landen is lager, wat kan duiden op een 
milder strafklimaat. In Oost- en Zuid-Europa is het niveau vaak een stuk 
hoger, alhoewel er in een aantal van die landen sprake is van een daling 
tussen 2000 en 2003. 
Het lijkt er in ieder geval op dat Nederland een streng strafklimaat kent 
in vergelijking met andere West- en Noord-Europese landen. Daarnaast is 
er sprake van een gestage toename (zie ook: Van Tulder 2005) die niet of 
minder duidelijk in andere landen gezien wordt.8 

9.3 Resumé 
Onder het voorbehoud, eigen aan het internationaal vergelijken van criminaliteit, 
is Nederland vergeleken met een aantal (voornamelijk Europese) 
landen. In het bijzonder is steeds aandacht besteed aan de geografisch 
dicht bij Nederland gesitueerde landen. Als bronnen zijn hoofdzakelijk de 
Internationale Slachtofferenquête ICVS en het European Sourcebook of 
Crime and Criminal Justice Statistics gebruikt. 
Nederland kent een vrij hoog aantal door slachtoffers ondervonden 
misdrijven. Hoofdzakelijk is dit gelegen in de zogenoemde ‘voertuiggerelateerde’ 
criminaliteit en dan vooral vanwege het aantal fietsendiefstallen. 
Bij de andere vermogensdelicten en bij geweldsdelicten staat 
Nederland op of iets onder het internationale gemiddelde. De internationaal 
gesignaleerde neergaande trend in door slachtoffers ondervonden 
criminaliteit is ook in Nederland zichtbaar. De daling in Nederland wordt 
vooral veroorzaakt door een daling in de vermogenscriminaliteit. 

7 Helemaal zuiver is het niet. Zo zijn voorlopig gehechten die uiteindelijk geen (onvoorwaardelijke) 
gevangenisstraf krijgen ook meegeteld. En ook externe factoren zoals zaaksaanbod kunnen van invloed 
zijn: bij relatief veel geweldselicten zullen gemiddeld zwaardere straffen gegeven worden. 

8 Deze toename lijkt zich nog te versnellen. Was in 2003 het indexcijfer voor Nederland nog 135 (zoals 
gepresenteerd in figuur 9.8), voor 2005 zou dat verder gestegen zijn naar 162. 


Nederland in internationaal perspectief 295 

Ook bij de door de politie geregistreerde criminaliteit worden in Nederland 
relatief veel vermogens- en relatief minder geweldsdelicten waargenomen. 
Daarnaast is het aantal drugsdelicten laag. Voor wat betreft 
de trend in de geregistreerde criminaliteit in de periode 1995 – 2003 doet 
Nederland mee met de internationale trend: een dalende vermogenscriminaliteit 
en een stijgende geweldscriminaliteit. Het aantal moorden 
en doodslagen in Nederland is vergelijkbaar met dat in de omringende 
landen. De dalende trend die zich in Nederland lijkt voor te doen wordt 
echter niet algemeen waargenomen. 
Nederland kent, in vergelijking met Duitsland, Engeland en Frankrijk, 
voor de meeste delicten een wat lager aandeel minderjarige daders. Dit 
geldt ook voor vrouwelijke daders, met uitzondering van drugsdelicten. Er 
zijn geen grote veranderingen in het aandeel van minderjarige daders. Het 
aandeel minderjarigen bij diefstal lijkt in veel landen wat te dalen, maar 
niet in Nederland. 
De omvang van de politie in Nederland is groter dan in Scandinavische 
landen, maar ten opzichte van de andere landen beperkt. Wel is er (evenals 
in Engeland) sprake van een (forse) stijging in de afgelopen paar jaar. 
Door het veelvuldig gebruik van transacties door het OM kent Nederland 
relatief minder verdachten die een veroordeling door de rechter krijgen. 
Wel is het aantal gevangenen hoog en, in tegenstelling tot de meeste 
andere landen, sinds eind jaren negentig sterk stijgend. Dit is het gevolg 
van het strafklimaat, hier gedefinieerd als de combinatie van de kans dat 
een veroordeling een vrijheidsstraf is en de lengte van die vrijheidsstraf. 
Volgens deze definitie kent Nederland het strengste strafklimaat van de 
West- en Noord-Europese landen, vooral dankzij een sterke stijging in de 
laatste acht jaren. 


 
Literatuur 


Aanwijzing elektronisch toezicht 

Staatscourant, nr. 253, 2005 

Aanwijzing slachtofferzorg 

Staatscourant, nr. 80, 2004 

Aebi, Marcelo Fernado, Kauko Aromaa, Bruno Aubusson de Cavarlay, 
Gordon Barclay, Beata Gruszczyñska, Hanns von Hofer, Vasilika Hysi, 
Jörg-Martin Jehle, Martin Killias, Paul Smit, Cynthia Tavares 

European Sourcebook of Crime and Criminal Justice Statistics 
(3rd edition) 


Den Haag, Boom Juridische Uitgevers, 2006 
Reeks Onderzoek en beleid, nr. 241 


AEF 

Budgetverdeling Nederlandse Politie 

Den Haag, AEF/Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 
2006 

Anderson, D.A. 

The aggregate burden of crime 
Journal of Law and Economics, jrg. 42, nr. 2, 1999, pp. 611-641 


Bac, J.R., E.M. Mijnarends, m.m.v. M.L.C.C. de Bruijn-Lückers 

De jeugdige delinquent en het recht 

’s-Gravenhage, Elsevier, 2000 

Bartels, J.A.C. 

Jeugdstrafrecht 

Deventer, Kluwer, derde druk, 2003 

Bartels, J.A.C. 

Jeugdstrafrecht. In: N. Duits, J.A.C. Bartels, W.B. Gunning, 

Jeugdpsychiatrie en recht 

Assen, Koninklijke Van Gorcum BV, 2004 

Beijer, A., R.J. Bokhorst, C. Brants, M. Boone, J. Lindeman 

De Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden: eindevaluatie 

Den Haag, Boom Juridische uitgevers, 2004 
Reeks Onderzoek en beleid, nr. 222 


Biesma, S., M. van Zwieten, J. Snippe, B. Bieleman 

ISD en SOV vergeleken. Eerste inventarisatie meerwaarde Inrichting voor 
Stelselmatige Daders boven eerdere Strafrechtelijke Opvang Verslaafden 

Groningen, Intraval, 2006 

BJS (Bureau of Justice Statistics) 

www.ojp.usdoj.gov/bjs/cvictgen.htm 
geraadpleegd op 25 juli 2007 


Blad, J.R., H. de Doelder 

Rechtshandhaving door het Openbaar Ministerie. In: J.R. Blad (red.) 

m.m.v. J. van der Hulst, Strafrechtelijke rechtshandhaving. Aspecten en 
actoren voor het academisch onderwijs belicht 
Den Haag, Boom Juridische uitgevers, 2007 


298 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Boone, M., M. Moerings 

De cellenexplosie. Voorlopig gehechten, veroordeelden, vreemdelingen, 
jeugdigen en tbs 
Justitiële verkenningen, jrg. 33, nr. 4, 2007, pp. 9-30 

Brantingham, P., S.T. Easton 

The costs of crime; Who pays and how much? 1998 update 

Vancouver, Fraser Institute Critical Issues Bulletin, 1998 

Brand, S., R. Price 

The economic and social costs of crime 

Londen, Home Office, 2000 
Research Study, nr. 217 


Bruinsma, G.J.N., H.G. van de Bunt, J.P.S. Fiselier 

Hoe onveilig is Nederland? Enkele theoretische en methodische 
kanttekeningen bij een internationaal vergelijkend victimologisch 
onderzoek 
Tijdschrift voor Criminologie, jrg. 32, nr. 2, 1990, pp. 138-155 


BZK 

Kerngegevens Nederlandse Politie 2006 

Den Haag, Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 
2007 

CJIB (Centraal Justitieel Incasso Bureau) 

Jaarbericht 2006 

Leeuwarden, CJIB, 2007 

Cohen, M. 

Measuring the costs and benefits of crime and justice. In: Measurement 
and analysis of crime and justice, Criminal Justice 2000, volume 4 

Washington DC, Office of Justice Programs, US Department of Justice, 
2000, pp. 263-315 

Cohen, M. 

The Costs of crime and justice 

Londen, Routledge, 2005 

Corstens, G.J.M. 

Het Nederlands strafprocesrecht 

Deventer, Kluwer, 2005 

Crime trends in Europe 

European Journal on Criminal Policy and Research, jrg. 8, nr. 1, maart 
2000 (diverse auteurs) 

Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) 

Jaarbericht 2006 

Den Haag, DJI, 2007 

Dijk, J.J.M. van, C.H.D. Steinmetz 

De WODC-slachtoffer-enquêtes 1974 – 1979 

Den Haag, WODC, 1979 
Reeks Onderzoek en beleid, nr. 13 



Literatuur 299 

Dijk, J.J.M. van, R. Manchin, J. van Kesteren, G. Hideg 
The Burden of Crime in the EU, A Comparative Analysis of the European 
Survey of Crime and Safety (EU ICS 2005) 
Brussel, Gallup Europe, 2007 

Dijk, J.J.M. van, J. van Kesteren, P.R. Smit 
Criminal Victimisation in International Perspective, Key Findings from 
the 2004-2005 ICVS and EU ICS. 
Den Haag, Boom Juridische uitgevers, 2007 
Verschijnt in de reeks Onderzoek en beleid 

Doorenbos, D. 

Kroniek van het straf(proces)recht 

Nederlands Juristenblad (NJB), jrg. 80, nr. 4, maart 2005 

Dorst, A.J.A. van 

Cassatie in strafzaken, 

Deventer, Kluwer, 2004 

Studiepockets strafrecht, nr. 9 

DPJR (Directie Preventie, Jeugdbescherming en Reclassering) 

Herhaald slachtofferschap; Omvang, verschijningsvormen en 

mogelijkheden voor een aanpak 

Den Haag, Ministerie van Justitie, DPJR, 1996 

Dubourg, R., J. Hamed, J. Thorns 
The economic and social costs of crime against individuals and 
households 2003/04 
Londen, Home Office, 2005 
Online Report 30/05 

Duijn, Paul, Paul Smit, Catrien Bijleveld 
Differences between convicted violent offenders II; Completed and 
attempted homicides. In: Proceedings of the 2006 Annual Meeting of the 
Homicide Research Working Group 
Verschijnt in 2007 

Eggen, A.Th.J., M. Blom 
Hoofdstuk 2 Alle verdachten. In: M. Blom, J. Oudhof, R.V. Bijl, B.F.M. 
Bakker (red.). Verdacht van criminaliteit – Allochtonen en autochtonen 
nader bekeken 
Den Haag, WODC/CBS, 2004 
WODC-cahier, nr. 2005-2 

Eggen, A.Th.J., W. van der Heide (red.) 

Criminaliteit en rechtshandhaving 2004: ontwikkelingen en samenhangen 

Den Haag, Boom Juridische uitgevers, 2005 

Reeks Onderzoek en beleid, nr. 237 

Emmerik, J.L. van 

De terbeschikkingstelling in maat en getal 

Den Haag, Ministerie van Justitie, 2001 

Enschedé, Ch.J. 

Beginselen van strafrecht, bewerkt door mr. M. Bosch 

Deventer, Kluwer, 2005 


300 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Eshuis, R., M. ter Voert 
De onafhankelijkheid en onpartijdigheid van rechters; van insiders- 
naar outsiders perspectief 
Justitiële verkenningen, jrg. 29, januari/februari 2003 

Eurostat 

Handbook on price and volume measures in national accounts 

Luxemburg, Europese Commissie, 2001 

Ferwerda, H.B., I.M.G.G. van Leiden, N.A.M. Arts, A.R. Hauber 

Halt: Het Alternatief? De effecten van Halt beschreven 

Den Haag, Boom Juridische uitgevers, 2005 

Reeks Onderzoek en beleid, nr. 244 

Fiselier, J.P.S. 

Slachtoffers van delicten; een onderzoek naar verborgen criminaliteit 

Utrecht, Ars Aequi Libri, 1978 

Geveke, H., O. Hennekam, R. Joosten 

De paradox van de slachtofferangst 

SEC, jrg. 10, nr. 5, 1996, pp. 9-11 

Gommer, H. 

De mythe van de trias 

Ars Aequi, jrg. 56, nr. 1, januari 2007 

Goudriaan, R., F. van Tulder, J. Blank, A. van der Torre, B. Kuhry 

Doelmatig Dienstverlenen 

Rijswijk, Sociaal en Cultureel Planbureau, 1989 

Sociale en Culturele Studie 11 

Gritter, E., G. Knigge, N.J.M. Kwakman 
De WED op de helling. Een onderzoek naar de wenselijkheid de Wet op de 
economische delicten te herzien 
Den Haag, Boom Juridische uitgevers, 2005 
Reeks Onderzoek en beleid, nr. 234 

Groot, I., T. de Hoop, A. Houkes, D. Sikkel 

De kosten van criminaliteit: een onderzoek naar de kosten van 

criminaliteit voor tien verschillende delicttypen 

Amsterdam, SEO, 2007 

Groenhuijsen, M.S., G. Knigge (red.) 

Afronding en verantwoording. Eindrapport onderzoeksproject 
Strafvordering 2001 


Deventer, Kluwer, 2004Groenhuijsen M.S., J.B.H.M. Simmelink 
Het wetsvoorstel OM-afdoening. In: Praktisch Strafrecht. Liber amicorum 

J.H. Reijntjes ev. 
Nijmegen, Wolf Legal Publishers, 2005, p. 171 
Halt Nederland 

Diverse Jaarcijfers/berichten (2000-2007) 

Halt Nederland 


Literatuur 301 

Hartmann, A. 
De Wet OM-afdoening en de procespositie van de verdachte; een 
passende verandering? In: J.R. Blad (red.) m.m.v. J. van der Hulst, 
Strafrechtelijke rechtshandhaving. Aspecten en actoren voor het 
academisch onderwijs belicht 
Den Haag Boom Juridische uitgevers, 2007 

Heide, W. van der, A.Th.J. Eggen (red.) 

Criminaliteit en rechtshandhaving 2001: ontwikkelingen en samenhangen 

Den Haag, Boom Juridische uitgevers, 2003 

Reeks Onderzoek en beleid, nr. 211 

Hoffmann, G. 

Als er genoeg bewijs is, springen we naar binnen 

De Actuaris, jrg. 12, nr. 5, 2005 

Huys, H.W.J.M. 
Wie worden slachtoffer van veelvoorkomende criminaliteit? 
Sociaaleconomische trends (CBS), 2007, nr. 1, p. 24- 30 

Huys, H.W.J.M., M.J. Rooduijn 
Profiles of victims of frequent types of crime 
International Conference of Law and Society, 1991 (paper) 

Jordaans, A.H.E.C., P.A.M. Mevis, J. Wöretshofer (red.) 

Praktisch strafrecht. Liber amicorum J.M. Reijntjes 

Nijmegen, Wolf Legal Publishers, 2005 

Kalmthout, A.M. van, P.J.P. Tak 
De ups en downs van de minimumstraf. Een verkennende studie naar 
het voorkomen van minimumstraffen in Frankrijk, België, Duitsland, 
Engeland en Wales 
Wolf Legal Publishers, 2003 

Kamerstukken II 

Naar een veiliger samenleving 

Vergaderjaar 2002/2003, 28 684, nr. 1 

Kempkens, Lia, K. Wittebrood 
Wonen, criminaliteit en leefbaarheid 
Tijdschrift voor de volkshuisvesting, jrg. 6, nr. 2, 2000, pp. 37-41 

Kessler, M. 

Wet herijking strafmaxima 

Ars Aequi, jrg. 55, nr. 3, maart 2006 


302 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Kesteren, John van, Pat Mayhew, Paul Nieuwbeerta 

Criminal Victimisation in Seventeen Industrialised Countries 

Den Haag, WODC – Ministerie van Justitie, 2000 

Reeks Onderzoek en beleid, nr. 187 

Krips, F.J.E 

Wet afgeschermde getuigen 

Ars Aequi, jrg. 55, nr. 11, november 2006 

Kruissink, M., C. Verwers 
Halt: een alternatieve aanpak vandalisme. Eindrapport van een evaluatieonderzoek 
naar Halt-projecten 
Arnhem, Gouda Quint, 1989 
Reeks Onderzoek en beleid, nr. 97 

Kwakman, N.J.M. 

Schadedcompensatie in het strafprocesrecht (proefschrift) 

Groningen, 2003 

Keulen, B.F. 

Wet terroristische misdrijven 

Ars Aequi, jrg. 54, nr. 2, februari 2005 

Maas, C. 

Justitie en strafrechtpleging. In: Sociaal en Cultureel Rapport 2002 

Den Haag, Sociaal en Cultureel Planbureau, 2002 

Malsch, M. 

De leek als rechter en de rechter als leek 

Justitiële verkenningen, jrg. 29, nr. 1, 2003 

Malsch, M. 

De openbaarheid van de strafrechtspleging – state of the artikel. 

Leiden, Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving, 
2005 

Mayhew, P. 

Counting the costs of crime in Australia 

Canberra, Australian Institute of Criminology, 2003 

Meerding, W.J. 

De maatschappelijke kosten van kindermishandeling. In: H. Baartman, 

R. Bullens, J. Willems (red.), Kindermishandeling: de politiek een zorg 
Amsterdam, SWP, 2005 
Meloen, J., R. Landman, H. de Miranda, J. van Eekelen, S. van Soest 

Buit en besteding: een empirisch onderzoek naar de omavang, de 

kenmerken en de besteding van misdaadgeld 

Den Haag, Elsevier Overheid, 2003 

Studiereeks Recherche, deel 12 

Mevis, P.A.M. 

Capita Strafrecht. Een thematische inleiding 

Nijmegen, Ars Aequi Libri, 2006 


Literatuur 303 

Ministerie van Justitie/Ministerie van Binnenlandse Zaken en 
Koninkrijksrelaties 

Criminaliteitsbeheersing: Investeren in een zichtbare overheid 

Den Haag, 2001 

Ministerie van Justitie 

Jeugd Terecht: Actieprogramma aanpak jeugdcriminaliteit 2003 à 2006 

Den Haag, 2003 

Monitor Criminaliteit Bedrijfsleven 2006 

Feiten en trends inzake aard en omvang van criminaliteit in het 

bedrijfsleven 

TNS-Nipo, 2006 

Moolenaar, D.E.G 

Uitgaven aan criminaliteit. In: A.Th.J. Eggen, W. van der Heide (red.), 

Criminaliteit en rechtshandhaving 2004 

Den Haag, Boom Juridische uitgevers, 2005 

Reeks Onderzoek en beleid, nr. 237 

Oppelaar, Janneke, en Karin Wittebrood 
Angstige burgers? De determinanten van gevoelens van onveiligheid 
onderzocht 
Den Haag, Sociaal en Cultureel Planbureau, 2006 

PMB (Politiemonitor Bevolking) 

Landelijke rapportage; Tabellenrapport 

Den Haag/Hilversum, 1993-2005 (diverse jaargangen) 

Post, Bob, Lenneke Tielemans, Clara Woldringh 

Geboeid door de enkelband. Evaluatie pilot elektronische detentie 

Nijmegen, ITS, 2005 

Raad voor Volksgezondheid en Zorg 

Zinnige en duurzame zorg 

Zoetermeer, RVZ, 2006 

Sackers, H.J.B., Y. Buruma (red.) 

Kroniek van het strafrecht 2006 

Deventer, Kluwer 2007 

Schreuders M.M., F.W.M. Huls, W.M. Garnier, K.E. Swierstra (red.) 

Criminaliteit en rechtshandhaving 1999; ontwikkelingen en samenhangen 

Den Haag, Ministerie van Justitie, WODC, 1999 
Reeks Onderzoek en beleid, nr. 180 


SCP (Sociaal en Cultureel Planbureau) 
Justitie en Strafrechtpleging. In: Sociaal en Cultureel Rapport 2000; 
Nederland in Europa 
Rijswijk, SCP, 2000 

Slachtofferhulp Nederland 

Jaarverslag 2005 

Utrecht, Slachtofferhulp Nederland, 2006 


304 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Smeulders, A. 
Het Europees Aanhoudingsbevel. Consequenties voor de rechtspraktijk 
en mensenrechtelijke aspecten 
Justitiële verkenningen, nr. 6, 2004 (thema: Europa) 

Smit, P.R., R.F. Meijer, F.P. van Tulder, P.P.J. Groen 

Het ophelderingspercentage nader beschouwd 

Den Haag, Boom Juridische uitgevers, 2003 

Reeks Onderzoek en beleid, nr. 213 

Stamhuis, E.F. 
De cassatierechter in strafzaken. In: M.S. Groenhuijsen, G. Knigge 
(red.), Afronding en verantwoording. Eindrapport onderzoeksproject 
Strafvordering 2001 
Deventer, Kluwer 2004, p. 421-486 

Tak, P.J.P. 
Het vervolgingsbeleid in de Duitse Bondsrepubliek (proefschrift) 
Zwolle, W.E.J. Tjeenk Willink, 1973 

Tulder, F. van. 

Is de rechter zwaarder gaan straffen? 

Trema, 2005, nr. 1, p. 1-5 

Vanderveen, Gabry 
Stoere mannen, bange vrouwtjes? Over het sprookje van de fearvictimization 
paradox 
Tijdschrift voor Criminologie, jrg. 41, nr. 1, 1999, pp. 2-20 

Verrest, P.A.M. 
Wet ter verruiming van de mogelijkheden tot opsporing en vervolging 
van terroristische misdrijven 
Ars Aequi, jrg. 56, nr. 2, februari 2007 

VMR (Veiligheidsmonitor Rijk) 

Landelijke rapportage; tabellenrapport 

CBS/Ministerie van Justitie/Ministerie van Binnenlandse Zaken en 
Koninkrijksrelaties, 2006; 2007 


Waarborgfonds Motorverkeer 

Jaarverslag 2006 

(via internet), 2007 

Wartna, B.S.J., N. Tollenaar 
Bekenden van justitie: Een verkennend onderzoek naar de ‘veelplegers’ in 
de populatie van vervolgde daders 
Den Haag, Boom Juridische uitgevers, 2004 
Reeks Onderzoek en beleid, nr. 216 

Wartna, B.S.J., M. Blom, N. Tollenaar 

De WODC-Recidivemonitor 

Den Haag, WODC, 2004 


Literatuur 305 

Wartna, B.S.J., S. el Harbachi & A.A.M. Essers 
Buiten behandeling. Een cijfermatig overzicht van de strafrechtelijke 
recidive van ex-tbs-gestelden 
Den Haag, WODC, 2006 
Reeks Fact sheet, nrs. 8 en 8a 

Wartna, B.S.J., S.N. Kalidien & A.A.M. Essers 
Jong vast. Een cijfermatig overzicht van de strafrechtelijke recidive van ex-
pupillen van justitiële jeugdinrichtingen 
Den Haag, WODC, 2006 
Reeks Fact sheet, nrs. 7 en 7a 

Wartna, B.S.J., S.N. Kalidien, N. Tollenaar & A.A.M. Essers 
Door na de gevangenis. Een cijfermatig overzicht van de strafrechtelijke 
recidive van ex-gedetineerden 
Den Haag, WODC, 2006 
Reeks Fact sheet, nrs. 6 en 6a 

Wartna, B.S.J. & N. Tollenaar 
Recidive 1997. Een cijfermatig overzicht van de strafrechtelijke recidive van 
volwassen en jeugdige daders 
Den Haag, WODC, 2006 
Reeks Fact sheet, nrs. 5 en 5a 

Wilsem, Johan, van 
Crime and context – The Impact of Individual, Neighborhood, City and 
Country Characteristics on Victimization 
Nijmegen, 2003 

Wittebrood, K. 

Slachtoffers van criminaliteit, feiten en achtergronden 

Den Haag, SCP, 2006 


 
Bijlage 1 Standaardclassificatie 
misdrijven CBS 

Laatstelijk gewijzigd voorjaar 2005 
Misdrijven strafbaar gesteld in: 

1 Wetboek van Strafrecht 

geweldsmisdrijven 

verkrachting (art. 242) 
feitelijke aanranding der eerbaarheid (art. 246) 
overige seksuele misdrijven (art. 243 t/m 245, 247 t/m 249, 250, 
250bis) 
bedreiging (art. 285) 
misdrijven tegen het leven (art. 287 t/m 291, 293, 294, 296) 
mishandeling (art. 300 t/m 306) 
dood en lichamelijk letsel door schuld (art. 307 t/m 309) 
diefstal met geweld (art. 312) 
afpersing (art. 317) 


vermogensmisdrijven 

valsheidsmisdrijven (art. 208 t/m 235) 
eenvoudige diefstal (art. 310) 
gekwalificeerde diefstal (art. 311) 
verduistering (art. 321 t/m 323) 
bedrog (art. 326 t/m 337) 
heling en schuldheling (art. 416 t/m 417bis) 


vernieling en openbare orde 

tegen de openbare orde (art. 131 t/m 136, 138 t/m 151a) 
discriminatie (art. 137c t/m 137g) 
gemeengevaarlijke misdrijven (art. 157, 158) 
tegen het openbaar gezag (art. 177 t/m 206) 
schennis der eerbaarheid (art. 239) 
vernieling (art. 350 t/m 352) 


overige misdrijven Wetboek van Strafrecht 

2 Wegenverkeerswet 

rijden onder invloed (art. 26) 
doorrijden na ongeval (art. 30) 
overige misdrijven Wegenverkeerswet 


3 Wet op de economische delicten 

milieuhygiënische wetten 
overige misdrijven Wet op de economische delicten 

4 Opiumwet 

middelenlijst I 
middelenlijst II 



308 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

5 Wet wapens en munitie 

6 Wetboek van Militair Strafrecht 

7 Overige wetten 

Verkorte standaardclassifi catie misdrijven 

Misdrijven strafbaar gesteld in: 
1 Wetboek van Strafrecht, waarvan 

– geweldsmisdrijven 
– vermogensmisdrijven, waaronder 
– enkelvoudige diefstal 
– gekwalificeerde diefstal 
– vernielingen en openbare orde 
– overige misdrijven 
2 Wegenverkeerswet 
3 Wet op de economische delicten 
4 Opiumwet 
5 Wet wapens en munitie 
6 Wetboek van Militair Strafrecht 
7 Overige wetten 


Bijlage 2 Informatiebronnen 


In deze publicatie zijn vele verschillende informatiebronnen gebruikt, die 
allemaal een gedeelte van de strafrechtsketen betreffen: slachtofferenquêtes 
onder de bevolking, de Politiestatistiek, het Herkenningsdienstsysteem 
van de politie (registratie van pv’s van aangifte van misdrijven), COMPAS 
(de zaken die uiteindelijk naar het OM gaan en daar ingeschreven 
worden), en de systemen die de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen 
registreren. In deze bijlage wordt ingegaan op de gebruikte 
gegevensbronnen zoals kenmerken van de bron, informatiegebied, de 
periodiciteit van de dataverzameling, de relaties met andere informatiesystemen, 
privacyaspecten, beperkingen, eigendom en beheer van de 
databron. 

De slachtofferenquêtes 

Er worden veel delicten gepleegd die niet in de officiële registraties worden 
opgenomen: het slachtoffer heeft besloten om geen aangifte te doen, 
de politie kan alleen maar een waarschuwing hebben gegeven, of het 
incident komt nooit aan het licht. Om een beter beeld te krijgen van alle 
delicten, dus ook van het dark number, kan aan een steekproef uit de 
bevolking worden gevraagd naar slachtofferschap van criminaliteit. Ook 
onveiligheidsgevoelens en andere aspecten in verband met criminaliteit 
kunnen via enquêtes in kaart worden gebracht. 

De eerste slachtofferenquête in Nederland werd in 1973 gehouden 
(Fiselier). In de periode 1973-1979 werden deze enquêtes jaarlijks door 
het WODC uitgevoerd (Van Dijk en Steinmetz). Sinds 1980 heeft het CBS 

– tot 1985 in overleg met het WODC – dergelijke enquêtes regelmatig 
gehouden: in de periode 1981-1985 gebeurde dit jaarlijks, na 1985 telkens 
in de oneven jaren, via de Enquête Slachtoffers Misdrijven (ESM). Met 
ingang van 1992 is de Enquête Rechtsbescherming en Veiligheid (ERV) de 
opvolger van de ESM. Deze continue enquête is in 1997 als module Recht 
opgenomen in het Permanent Onderzoek Leefsituatie (POLS), een continu 
CBS-onderzoek naar verschillende aspecten van de leefsituatie van de 
Nederlandse bevolking. Vanaf 2005 is deze module Recht binnen POLS 
vervallen; de belangrijkste onderwerpen zijn vanaf 2005 geïntegreerd in 
de Veiligheidsmonitor Rijk (VMR; zie hieronder). 
Sinds 1993 is in opdracht van de ministeries van Justitie en Binnenlandse 
Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) de Politiemonitor Bevolking (PMB) 
uitgevoerd. Tot en met 2001 was de PMB een tweejaarlijks onderzoek. Van 
2002 tot en met 2005 is de PMB jaarlijks uitgevoerd. Ook de PMB is vanaf 
2005 geïntegreerd in de VMR. 


310 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Vanaf 2005 zijn de POLS-module Recht en de PMB, samen met elementen 
uit de Enquête Leefbaarheid en Veiligheid (L&V), geïntegreerd in één grote 
jaarlijkse enquête. 
Voor internationale vergelijking wordt sinds 1989 om de drie à vier jaar 
een slachtofferenquête uitgevoerd in diverse landen in en buiten Europa, 
de International Crime Victims Survey (ICVS). In 2006 is een onderzoek 
uitgevoerd in de landen van de Europese Unie (EU ICS), waarover een 
afzonderlijke publicatie is verschenen. De methodologie van dit onderzoek 
is vergelijkbaar met die van de ICVS (zie onderdeel 8 van deze 
bijlage). 

Kenmerken van slachtofferenquêtes 

Slachtofferenquêtes vormen een eigen en onafhankelijke bron van gegevens 
over veelvoorkomende criminaliteit. De slachtofferenquêtes zijn 
opgezet met als doel inzicht te krijgen in de totale omvang van de criminaliteit, 
vooral in die criminaliteit die niet in de officiële registraties wordt 
opgenomen, via een waarnemingsmethode die onafhankelijk is van de 
politieregistratie. De gegevens uit de slachtofferenquêtes hebben betrekking 
op het begin van de strafrechtsketen. Elk delict waarvan iemand 
slachtoffer wordt, kan in principe worden aangegeven bij de politie, en 
kan daarmee in theorie bijdragen tot opsporing en aanhouding van 
mogelijke verdachten. Als men de landelijke slachtofferenquêtes als een 
opeenvolgend geheel in de tijd ziet, zijn er vier momenten aan te wijzen 
waarop een duidelijke trendbreuk mogelijk is. De eerste ligt in 1980, bij 
de overgang van de WODC-slachtofferenquête naar de ESM; de tweede 
is in 1993, toen de ESM overging in de ERV; de derde in 1997, toen de ERV 
opgenomen werd in het POLS. Deze overgangen zijn gepaard gegaan met 
grotere of minder grote wijzigingen in onderzoeksdesign, vraagstelling, 
frequentie en/of periodiciteit. 

Beperkingen van slachtofferenquêtes 

In de slachtofferenquêtes zijn de definities van een ‘delict’ niet gelijk 
aan de strafrechtelijke definities, zoals die in de Politiestatistiek en de 
justitiële statistieken worden gehanteerd. De betrouwbaarheid van de 
bevindingen is afhankelijk van (onder andere) het aantal respondenten 
en het aantal aangetroffen delicten in de steekproef. Ook het (beperkte) 
geheugen van de geënquêteerden kan de resultaten beïnvloeden, doordat 
respondenten zich bepaalde gebeurtenissen niet meer juist herinneren of 
verkeerd in de tijd plaatsen (‘telescoping’). Verder wordt alleen over delicten 
met aanwijsbare slachtoffers gerapporteerd. Gegevens over slachtofferloze 
delicten (zoals heling en drugshandel) komen niet voor. Zeer zware 
vormen van geweld, zoals moord, komen per definitie evenmin voor. 
Verschillende slachtofferenquêtes laten vaak verschillende resultaten zien 
in hoogte en ontwikkeling van slachtofferpercentages en andere cijfers. 
Deze verschillen vloeien vooral voort uit verschillen in vraagstelling, in 


Bijlage 2 311 

steekproefkader en in verslagperiode. Ook de wijze van enquêteren kan 
een rol spelen. 
Zo zijn de delicten in de CBS-enquêtes vanaf 1992 en in de VMR in 
het algemeen strikter gedefinieerd dan in de PMB en de eerdere CBS-
en WODC-enquêtes. Slachtofferschap heeft in de PMB en in de ICVS 
betrekking op twaalf maanden in het voorgaande kalenderjaar, in de 
CBS-enquêtes vanaf 1992 (POLS en ERV) is dit twaalf maanden voor de 
interviewdatum (dus ‘gemiddeld’ zes maanden in het huidige en zes 
maanden in het voorgaande kalenderjaar). Ook de referentieperiode in de 
VMR is twaalf maanden voor de interviewdatum, maar dit komt bij benadering 
overeen met het voorgaande kalenderjaar. 
De respondenten voor de ESM tot en met 1984 werden getrokken uit 
gemeentelijke personenregisters (voor enkele gemeenten werd uit een 
adressenregister getrokken), voor de ERV vormde een postafgiftepuntenbestand 
het steekproefkader en voor POLS werden steekproeven getrokken 
uit personenregisters (GBA: Gemeentelijke Basisadministratie). Voor 
de PMB werd getrokken uit een telefoonregister, terwijl voor de ICVS 
(en de EU-ICS) willekeurige telefoonnummers worden gegenereerd (met 
een regionale stratificatie). De steekproef voor de VMR ten slotte wordt 
getrokken uit een personenregister (het GBA), waarbij uit telefoonregisters 
bijbehorende telefoonnummers worden gezocht. 
De interviews voor de ESM, de ERV en POLS werden persoonlijk bij de 
respondenten thuis gehouden, terwijl de PMB- en de ICVS-respondenten 
telefonisch werden geïnterviewd. De VMR-interviews worden voor zover 
mogelijk telefonisch afgenomen, maar indien dit niet mogelijk is, volgt 
een persoonlijk interview. 

CBS-slachtofferenquêtes (1980-2004) 

Informatiegebied 

De bevolking van Nederland van 15 jaar en ouder in particuliere huishoudens 
vormt de doelpopulatie van de slachtofferenquête. In alle 
CBS-slachtofferenquêtes wordt van verschillende soorten delicten en 
delictgroepen vastgesteld hoeveel personen daarvan slachtoffer zijn 
geworden in het voorgaande kalenderjaar (ESM) of in de twaalf voorgaande 
maanden (ERV, POLS); hoeveel van deze voorvallen bij de politie zijn 
gemeld en bij hoeveel een document (pv) is ondertekend. Bij de ERV en 
het POLS wordt verder nog geschat hoeveel delicten in Nederland hebben 
plaatsgevonden. Verder worden vragen gesteld over gevoelens van onveiligheid 
in verband met criminaliteit en over preventiemaatregelen tegen 
criminaliteit. De ESM onderscheidt handtastelijkheden binnen en buiten, 
exhibitionisme, bedreigingen binnen en buiten, inbraak, (brom)fiets-/ 
autodiefstal, diefstal uit of vanaf auto, zakkenrollerij, overige diefstal (niet 
eerder genoemd), beschadiging van auto, overige vernielingen (niet eerder 
genoemd) en doorrijden na aanrijding. 


312 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

ERV en het POLS onderscheiden geweldsdelicten, zoals seksuele delicten 
(in de ERV alleen aan vrouwen gevraagd), mishandeling, bedreiging; 
vermogensdelicten, zoals inbraak, fietsendiefstal, autodiefstal, diefstal uit 
auto, zakkenrollerij en overige diefstal; vandalisme, zoals diefstal vanaf / 
beschadiging aan auto, overige vernielingen; doorrijden na ongeval; 
kwaadwillige telefoontjes (wordt niet als delict geteld); overige delicten 
(worden niet verder geanalyseerd). 
Kenmerken van respondenten en/of het huishouden zijn in alle CBS-
enquêtes: leeftijd, geslacht, burgerlijke staat, huishoudenssamenstelling, 
opleidingsniveau, inkomen, tijdsbesteding en dergelijke. Het belangrijkste 
geografische kenmerk is de urbanisatiegraad of de stedelijkheid van de 
woongemeente. De CBS-slachtofferenquêtes zijn gebaseerd op een steekproef. 
De in de jaren 1981 en 1982 uitgevoerde ESM bestond hoofdzakelijk 
uit een personensteekproef, die voor enkele gemeenten werd aangevuld 
met een adressensteekproef. Vanaf 1983 is voor de ESM, en voor de ERV, 
het steekproefkader gebaseerd op het postafgiftepuntenbestand van de 
PTT. Per huishouden werd in de ESM slechts één persoon ondervraagd. 
Anders dan in de ESM werden in de ERV per huishouden, indien aanwezig, 
twee personen van 15 jaar en ouder geïnterviewd. De POLS-steekproeven 
ten slotte zijn personensteekproeven die worden getrokken uit 
de gemeentelijke basisadministratie. In de ESM zijn steeds 5.000 à 10.000 
personen ondervraagd. De ERV bevat jaarlijks 5.000 respondenten uit 
circa 3.000 adressen. In het POLS worden jaarlijks circa 50.000 personen 
voor het gehele onderzoek ondervraagd, van wie 10.000 voor het onderdeel 
slachtofferschap. Vragen over onveiligheidsgevoelens worden aan circa 

5.000 respondenten gesteld. Er wordt per soort enquête herwogen naar 
achtergrondvariabelen als leeftijd, geslacht en mate van verstedelijking. 
Alle enquêtes worden mondeling (face to face) afgenomen bij persoonlijk 
bezoek door een enquêteur. 
Periodiciteit van de dataverzameling 

De ESM is uitgevoerd in elk van de jaren 1981-1985, en daarna tot en met 
1993 alleen in de oneven jaren. De ERV is uitgevoerd in elk van de jaren 
1992-1996, het POLS wordt jaarlijks uitgevoerd sinds 1997. Vanaf 2005 zijn 
de vragenblokken over (o.a.) slachtofferschap in POLS vervallen. 

Beperkingen 

Door verschillen in onderzoeksdesign, waarnemingsmethode en 
vraagstelling zijn de resultaten niet zonder meer vergelijkbaar met 
andere slachtofferenquêtes, zoals de Politiemonitor Bevolking en de 
Internationale Slachtofferenquête (ICVS). Ook de onderlinge vergelijkbaarheid 
tussen ESM en ERV is beperkt. De vergelijkbaarheid tussen de 
ERV en het POLS is beter, omdat de vraagstelling nauwelijks is gewijzigd. 


Bijlage 2 313 

Eigendom en beheer 

De slachtofferenquêtes worden zelfstandig uitgevoerd door het CBS. 
Bestanden voor gebruik door derden worden beheerd door Data Archiving 
Networked Services (DANS; voorheen het WSA) en zijn (tegen betaling) 
voor derden beschikbaar. De bestanden zijn niet herleidbaar tot personen. 
Daarom zijn er geen speciale privacyreglementen van toepassing. 

1.2 Politiemonitor Bevolking (1993-2005) 
De PMB is een landelijk bevolkingsonderzoek naar criminaliteit, onveiligheid, 
preventiegedrag van burgers en de kwaliteit van optreden van 
de politie. In 2004 zijn vragen over verschillende aspecten van veiligheid 
en het functioneren van de politie aan bijna 50.000 Nederlanders voorgelegd. 
Deze informatie dient deels als aanvulling op geregistreerde gegevens 
over criminaliteit, vooral ten behoeve van het beleid op regionaal (politieregio’s) 
en landelijk niveau, en daarnaast ten behoeve van andere lokale 
relevante beleidseenheden. Net als de andere slachtofferenquêtes gaan 
de verzamelde gegevens over criminaliteit aan het begin van de strafrechtsketen. 
De doelpopulatie van de PMB is de bevolking van 15 jaar en 
ouder in particuliere huishoudens van Nederland, van de afzonderlijke 
politieregio’s en van eventuele andere onderscheiden administratieve 
eenheden. 

Informatiegebied 

Ook de PMB heeft betrekking op aantallen slachtoffers, het wel of geen 
(ondertekende) aangifte doen, de reden van eventuele aangifte, en eventuele 
geleden schade; voorts op het oordeel over het optreden van de 
politie, redenen van eventuele ontevredenheid, en preventieadviezen en 
informatie over slachtofferhulp. Daarnaast worden vragen gesteld over 
problemen in de buurt met betrekking tot diverse vermogensdelicten, 
verkeersoverlast, dreiging en verloedering, gevoelens van onveiligheid in 
verband met criminaliteit, preventiemaatregelen tegen inbraak, andere 
contacten van burgers met de politie en de tevredenheid hierover, en 
beschikbaarheid, zichtbaarheid, functioneren en optreden van de politie 
in de eigen buurt. 
De zogenoemde objectgebonden delicten zijn die delicten die de woning 
of een voertuig als object hebben: (poging tot) inbraak (woning als 
object), fietsendiefstal, autodelicten, diefstal uit/vanaf de auto en vernieling 
aan de auto. Persoonsgebonden delicten zijn: verkeersdelicten 
(aanrijding met doorrijden); geweldsdelicten, zoals bedreiging, mishandeling, 
portemonneediefstal met geweld; en overige delicten, zoals 
portemonneediefstal zonder geweld, overige diefstal, overige vernieling 
en andere delicten. De achtergrondkenmerken zijn beperkt; standaard 
worden alleen landelijke en regionale gegevens gepresenteerd. 


314 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Periodiciteit van de dataverzameling 

In elk van de 25 politieregio’s worden ten minste 1.000 personen telefonisch 
ondervraagd. Het onderzoek wordt sinds 1993 (na een beperkt 
onderzoek in 1990 in 25 Nederlandse gemeenten) uitgevoerd. Gevraagd 
wordt naar de ervaringen van de respondenten in de twaalf maanden 
voorafgaand aan de interviewdatum. De (telefonische) interviews zijn 
geconcentreerd in de maanden januari t/m maart. 

Beperkingen 

De vergelijkbaarheid met andere slachtofferenquêtes wordt beperkt door 
verschillen in (onder andere) het steekproefkader (telefoonregister versus 
personen- versus adressensteekproef), de herweging, de methode 
van dataverzameling (telefonisch versus persoonlijk), de vraagstelling en 
-volgorde van (onder andere) delicten, en de presentatie van resultaten 
(percenteringsbasis; (sub)totaalcijfers voor groepen van delicten). 

Eigendom en beheer 

Het onderzoek wordt uitgevoerd in opdracht van de ministeries van BZK 
en van Justitie en een groot aantal politiekorpsen en zijn primair gericht 
op de afzonderlijke politieregio’s. De politieregio’s hebben de mogelijkheid 
om extra respondenten te laten ondervragen via de zogenoemde 
'opstapmethode'. De belangrijkste resultaten van de PMB werden gepresenteerd 
in twee rapporten: een landelijk rapport, waarin de belangrijkste 
resultaten worden beschreven, en een tabellenrapport. Vanaf 2006 is de 
PMB vervallen. 

1.3 De Veiligheidsmonitor Rijk (2005-2008) 
Informatiegebied 

De bevolking van Nederland van 15 jaar en ouder in particuliere huishoudens 
vormt de doelpopulatie van de Veiligheidsmonitor Rijk. Van 
verschillende soorten delicten en delictgroepen wordt vastgesteld hoeveel 
personen daarvan slachtoffer zijn geworden in de twaalf voorgaande 
maanden; in hoeverre deze voorvallen bij de politie worden gemeld, en 
of daarbij een document (pv) is ondertekend. Er wordt een schatting 
gemaakt van het aantal delicten dat de inwoners in Nederland hebben 
ondervonden. Verder worden vragen gesteld over gevoelens van onveiligheid 
in verband met criminaliteit, over preventiemaatregelen tegen criminaliteit, 
over buurtproblemen, over algemene contacten tussen burgers en 
politie, en over het oordeel over de politie in de woonbuurt. 
In de VMR worden de volgende delicten onderscheiden: geweldsdelicten 
(seksuele delicten, mishandeling, bedreiging); vermogensdelicten, zoals 
inbraak of een poging daartoe, fietsendiefstal, autodiefstal, diefstal uit 
auto, zakkenrollerij met of zonder geweld en overige diefstal; vandalisme 
(beschadiging/diefstal vanaf auto en overige vernielingen); doorrijden na 
een aanrijding en overige delicten. 


Bijlage 2 315 

Kenmerken van respondenten of hun huishouden (zoals leeftijd, geslacht, 
opleidingsniveau, burgerlijke staat, huishoudenssamenstelling, inkomen) 
worden zoveel mogelijk verkregen via koppeling met (geanonimiseerde) 
registerdata die bij het CBS via het Sociaal Statistisch Bestand beschikbaar 
zijn. Ook geografische achtergrondkenmerken, zoals stedelijkheid 
van de woonomgeving en van de woongemeente, worden via een 
dergelijke koppeling verkregen. Hierdoor kan de (beperkte) beschikbare 
interviewtijd maximaal worden benut voor relevante onderwerpgerichte 
vragen, en ontstaan uitgebreide mogelijkheden tot nadere analyse. 
De VMR is gebaseerd op een personensteekproef, die wordt getrokken 
uit de gemeentelijke basisadministratie. Jaarlijks worden voor het hoofd-
onderzoek in het eerste kwartaal per politieregio netto ten minste 750 
respondenten ondervraagd, wat resulteert in ten minste 18.750 respondenten 
(het additionele onderzoek waarbij in de volgende kwartalen ten 
minste circa 1.000 respondenten worden ondervraagd blijft hier verder 
achterwege). De enquêtes worden in principe telefonisch afgenomen, 
maar wanneer op het woonadres van de respondent geen telefoonaansluiting 
beschikbaar is, volgt een mondeling (face to face) interview met een 
bezoek door een enquêteur. 

Periodiciteit van de dataverzameling 

De VMR wordt van 2006-2008 jaarlijks uitgevoerd. Vanaf 2008 zal 
de VMR naar verwachting deel gaan uitmaken van de Integrale 
Veiligheidsmonitor, die gericht is op veiligheidsaspecten op regionaal, 
gemeentelijk en eventueel subgemeentelijk niveau. 

Beperkingen 

Door verschillen in onderzoeksdesign, waarnemingsmethode en vraagstelling 
zijn de resultaten niet zonder meer vergelijkbaar met eerdere en 
andere slachtofferenquêtes (PMB, POLS, L&V) en met de Internationale 
Slachtofferenquête (ICVS). 

Eigendom en beheer 

Opdrachtgevers voor de VMR zijn de ministeries van Justitie en BZK en 
het CBS, die daartoe een samenwerkingsovereenkomst hebben aangegaan. 
Het onderzoek wordt uitgevoerd door het CBS. Bestanden zijn 
in principe voor gebruik door de opdrachtgevers; gebruik door derden 
is na enige tijd mogelijk via het DANS. Ook via het Centrum voor 
Beleidsstatistiek van het CBS kunnen externe onderzoekers (onder de uitdrukkelijke 
toezegging van of verplichting tot geheimhouding) onderzoek 
verrichten op microdata van het CBS, door On Site te komen werken, via 
Remote Execution en via Remote Access. Daarnaast kunnen op aanvraag 
databestanden beschikbaar worden gemaakt (maatwerk). 
De bestanden zijn niet herleidbaar tot personen. Daarom zijn er geen 
speciale privacyreglementen van toepassing. 


316 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

1.4 De International Crime Victims Survey (w.o. de EU-ICS) 
Zie hiervoor paragraaf 8.1. 

1.5 De Monitor Bedrijven en Instellingen (MBI) 
De Monitor Bedrijven en Instellingen is opgezet met als doel het 
verkrijgen van een betrouwbaar beeld van de criminaliteits- en veiligheidssituatie 
van bedrijven en instellingen in Nederland. 
Net als de andere slachtofferenquêtes gaan de verzamelde gegevens over 
het begin van de strafrechtsketen. 

Kenmerken 

De doelpopulatie van de MBI wordt gevormd door bedrijven en instellingen 
uit de volgende sectoren: 

– landbouw, jacht en bosbouw, visserij 
– industrie 
– bouwnijverheid 
– detailhandel en autoreparatie 
– groothandel 
– horeca 
– vervoer, opslag en communicatie 
– financiële instellingen en zakelijke dienstverlening 
– openbaar bestuur en onderwijs 
– gezondheid- en welzijnszorg 
– cultuur, recreatie en overige dienstverlening 
Informatiegebied 

In de MBI staan de door de bedrijven en instellingen ondervonden delicten 
centraal. Per delict komt een aantal zaken aan bod, zoals voorkomen, 
frequentie, schade, aangiftegedrag etc. Tevens wordt geïnformeerd naar 
preventiemaatregelen in verband met criminaliteit en de daaraan verbonden 
kosten, en naar de mogelijkheden om zich te verzekeren tegen 
eventuele schade als gevolg van criminaliteit. 
De eenheid van analyse is de individuele bedrijfsvestiging. Als achtergrondkenmerken 
zijn alleen branche, grootteklasse (aantal werknemers) 
en regio opgenomen. 

Methode van dataverzameling 

De MBI is een enquête onder een steekproef van bedrijfsvestigingen (in 
1988 totaal circa 350.000). De steekproef is onderverdeeld naar branches 
(op basis van de Standaard Bedrijfsindeling (SBI)). In totaal zijn ruim 

1.250 bedrijfsvestigingen geënquêteerd; de respons bedroeg 48%; er was 
geen selectieve non-respons. Om de nauwkeurigheid van de uitkomsten te 
verbeteren, is herwogen naar branche, grootteklasse en regio. 

Bijlage 2 317 

Periodiciteit van de dataverzameling 

In 2000 heeft NIPO Consult in samenwerking met onderzoeks- en 
adviesbureau ES&E een pilot gehouden in drie sectoren. In 2002 is de 
enquête voor het eerst uitgevoerd. Deze meting is te beschouwen als een 
nulmeting. 
De onderzoeksuitkomsten hebben betrekking op het kalenderjaar 2001. 

Relaties met andere informatiesystemen 

Slachtofferenquêtes, en dus ook de MBI, vormen een eigen en onafhankelijke 
bron van gegevens over veelvoorkomende criminaliteit. 

Beperkingen 

Methodologische problemen bij dergelijk onderzoek onder bedrijven (en 
instellingen) liggen onder meer in de grote verscheidenheid in aard en 
omvang van diverse bedrijfsvestigingen, in de aard van de delicten waarmee 
verschillende branches te maken hebben, in de beschikbaarheid van 
de gevraagde informatie, en in de verscheidenheid van vestigingen als 
functionele commerciële, juridische, economische of andere eenheden 
binnen een bedrijf of onderneming. De vergelijkbaarheid met resultaten 
uit andere slachtofferenquêtes onder bedrijven (waaronder specifieke 
branches) is beperkt vanwege verschillen in (onder andere) de aard, 
detaillering, vraagformulering en -volgorde van de delicten. 

Privacyaspecten 

Aangezien er geen rapportage plaatsvindt naar individuele kenmerken 
van bedrijfsvestigingen of ondernemingen en de bestanden niet beschikbaar 
zijn voor derden, is op de gegevens uit de MBI geen privacyreglement 
voor derden van toepassing. 

Eigenaar en beheer 

Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de ministeries van Justitie 
en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties door Nipo Consult 
Amsterdam. Er is een samenvattend rapport 'Slachtofferschap criminaliteit 
bij bedrijven en instellingen' beschikbaar. 

1.6 De Monitor Criminaliteit Bedrijfsleven (MCB) 
De Monitor Criminaliteit Bedrijfsleven (MCB) heeft als doel het slachtofferschap 
van Nederlandse bedrijven vast te stellen en inzicht te 
verschaffen in de maatregelen die zij nemen om de criminaliteit terug 
te dringen. Net als de andere slachtofferenquêtes gaan de verzamelde 
gegevens over het begin van de strafrechtsketen. 


318 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Kenmerken 

De doelpopulatie van de MCB wordt gevormd door bedrijven en instellingen 
uit de volgende sectoren: 

– bouwnijverheid 
– detailhandel 
– horeca 
– 
transport (in 2002 vervoer en communicatie) 
– 
zakelijke dienstverlening (in 2002 financiële en zakelijke dienstverlening) 
Informatiegebied 

In de MCB worden vragen gesteld over inbraak, diefstal, vernieling en 
geweld. Daarnaast is een categorie 'overige' delicten voorgelegd. In 
de MCB 2006 is voor het eerst specifiek aandacht besteed aan interne 
criminaliteit (diefstal van geld of goederen door het eigen personeel). 

Methode van dataverzameling 

Het veldwerk van de MCB vindt plaats in het najaar. In totaal worden 
circa 37.000 bedrijven op vestigingsniveau telefonisch ondervraagd over 
de criminaliteits- en veiligheidssituatie gedurende de twaalf maanden 
voorafgaand aan het onderzoek. De respons in 2006 bedroeg 42%. 
De structuur van de zakelijke markten kent een scheve verdeling. Er zijn 
heel veel kleine bedrijven en relatief weinig grote ondernemingen. Ook 
de verdeling over sectoren en regio’s is ongelijkmatig. Om over de afzonderlijke 
sectoren, grootteklassen en regio’s nauwkeurige uitspraken te 
kunnen doen, is de steekproef disproportioneel gestratificeerd naar sector 
en bedrijfsgrootte. 

Periodiciteit van de dataverzameling 

In 1999 startten de ministeries van justitie en van Binnenlandse Zaken en 
Koninkrijksrelaties met een initiatief om in de informatiebehoefte rond 
criminaliteit bij bedrijven en instellingen te voorzien. 
Voor dit initiatief – destijds de MBI genoemd – werd in 1999 een pilot-
onderzoek uitgevoerd in drie sectoren van het Nederlandse bedrijfsleven. 
Het doel van het pilot was het ontwikkelen van een onderzoeksinstrument 
waarmee een betrouwbaar beeld kan worden verkregen van de criminaliteits- 
en veiligheidssituatie, de praktijk van de veiligheidszorg in het 
Nederlandse bedrijfsleven en de rol die de politie daarbij speelt. Het door 
middel van dit pilot ontwikkelde onderzoeksinstrumentarium werd in 
2002 ingezet om de criminaliteits- en veiligheidssituatie voor het gehele 
Nederlandse bedrijfsleven te onderzoeken (zie onder 1.5). Vanwege de 
grote marges rond het aantal delicten is in 2004 besloten tot een verzevenvoudiging 
van de steekproefomvang, waardoor nauwkeuriger schattingen 
mogelijk zijn. Omdat vanaf dat moment geen instellingen in het onderzoek 
zijn meegenomen, is de naam veranderd in Monitor Criminaliteit 


Bijlage 2 319 

Bedrijfsleven. De meting over 2004 fungeert als nulmeting. In 2005 en 
2006 is het onderzoek herhaald. 

Relaties met andere informatiesystemen 

Slachtofferenquêtes, en dus ook de MCB, vormen een eigen en onafhankelijke 
bron van gegevens over veelvoorkomende criminaliteit. 

Beperkingen 

Methodologische problemen bij dergelijk onderzoek onder bedrijven (en 
instellingen) liggen onder meer in de grote verscheidenheid in aard en 
omvang van diverse bedrijfsvestigingen, in de aard van de delicten waarmee 
verschillende branches te maken hebben, in de beschikbaarheid van 
de gevraagde informatie, en in de verscheidenheid van vestigingen als 
functionele commerciële, juridische, economische of andere eenheden 
binnen een bedrijf of onderneming. De vergelijkbaarheid met resultaten 
uit andere slachtofferenquêtes onder bedrijven (waaronder specifieke 
branches) is beperkt vanwege verschillen in (onder andere) de aard, 
detaillering, vraagformulering en -volgorde van de delicten. 

Privacyaspecten 

Aangezien er geen rapportage plaatsvindt naar individuele kenmerken 
van bedrijfsvestigingen of ondernemingen en de bestanden niet 
beschikbaar zijn voor derden, is op de gegevens uit de MCB geen privacyreglement 
voor derden van toepassing. 

Eigenaar en beheer 

Het onderzoek wordt uitgevoerd door TNS NIPO in opdracht van de 
ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 
Over het meest recente jaar en de voorgaande jaren is een samenvattend 
rapport 'Monitor Criminaliteit Bedrijfsleven 2006' beschikbaar. 

De Politiestatistiek 

De Politiestatistiek, gestart in 1948, beoogt inzicht te geven in de omvang, 
samenstelling en ontwikkeling van de geregistreerde criminaliteit en 
de inspanning van de politie ter bestrijding hiervan. De gegevens in de 
Politiestatistiek komen rechtstreeks van de politieregiokorpsen. Vanaf 
1997 worden de gegevens door de meeste korpsen per incident (misdrijf 
of andere activiteit) vanuit de geautomatiseerde systemen van incidenten-
registratie naar het CBS gestuurd. De overige korpsen leveren tellingen 
naar type misdrijf of groep van wetsartikelen. 
De gegevens worden op gemeenteniveau ontvangen, zodat elke regionale 
indeling en categorisering van gemeenten kan worden gemaakt. 


320 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Informatiegebied 

De ontvangen gegevens hebben vooral betrekking op type misdrijf, 
aangifte, opheldering en gehoorde verdachten. In de publicaties worden 
de misdrijven onderverdeeld naar wetten en per wetboek eventueel uitgesplitst 
naar wetsartikelen. De kenmerken van de verdachte zijn geslacht 
en minder- of meerderjarigheid. 

Periodiciteit van de dataverzameling 

Tussen 1948 en 1997 werden de gegevens per kwartaal naar het CBS 
gestuurd. Sinds 1997 wordt een deel per kwartaal en een deel per jaar 
verzameld. 

Relaties met andere informatiesystemen 

De Politiestatistiek is een op zichzelf staand informatiesysteem. Vanaf 
1997 leveren de politieregio's het grondmateriaal voor de Politiestatistiek 
vanuit de incidentenregistraties XPol en BPS. Per incident of activiteit van 
de politie worden de gegevens uit deze basisprocessensystemen geselecteerd 
en aangeleverd. De BPS-regio’s zenden hun gegevensbestanden per 
kwartaal. Van de XPOL-regio’s ontvangt het CBS een jaarbestand. 

Beperkingen 

De Politiestatistiek is beperkt tot de door de politie geregistreerde criminaliteit 
en kent de gangbare beperkingen van registratieregimes en -cultuur. 
Echter, ze geeft belangrijke informatie over het werkaanbod van de 
politie en is daarmee ook een bruikbaar instrument bij het voorspellen 
van de werkdruk van de politie, voorzover veroorzaakt door criminaliteit. 

Eigendom en beheer 

Het CBS verzamelt, bewerkt en publiceert de politiecijfers. Tevens maakt 
het bureau een jaarbestand waarvan het eigenaar en beheerder is. Het 
privacyreglement is niet van toepassing, aangezien diepgaande persoonsgegevens 
ontbreken. 

3 Het Herkenningsdienstsysteem 

Het Herkenningsdienstsysteem is een landelijk dekkend systeem dat sinds 
1986 door de politie gebruikt wordt om gegevens te registreren. Omdat 
de verschillende politieregio’s het systeem beheren, is feitelijk sprake van 
Herkenningsdienstsystemen: voor elke politieregio en de Koninklijke 
Marechaussee (KMar) één. 
Het HKS bevat gegevens over ‘het begin’ van de strafrechtsketen. Het gaat 
hier om de registratie door de politie van crimineel gedrag. 


Bijlage 2 321 

Informatiegebied 

Het HKS bevat zowel de aangiftegegevens van misdrijven, als de persoonsgegevens 
van de verdachten daarvan. Tegen een verdachte kunnen 
een of meer processen-verbaal zijn opgemaakt. Een tegen een verdachte 
opgemaakt proces-verbaal wordt in onderliggende rapportage aangeduid 
met de term ‘antecedent’. Een proces-verbaal, oftewel antecedent, kan 
bestaan uit een of meer misdrijven (delicten). Zo kan een persoon van 
bijvoorbeeld een (of meerdere) winkeldiefstal(len) en een woninginbraak 
verdacht zijn. 
Opgenomen worden personen die minimaal twaalf jaar zijn en tegen 
wie als verdachte van een misdrijf proces-verbaal is opgemaakt. Ook 
minderjarigen die door de politie wegens misdrijf of overtreding naar Halt 
worden verwezen, moeten sinds 1996 in het HKS worden geregistreerd. 
Het HKS bevat informatie over bijvoorbeeld het delict, het tijdstip waarop 
het gepleegd werd, de modus operandi, maar ook persoonskenmerken van 
de verdachten als geboortedatum, geslacht, nationaliteit en aanwezigheid 
van verslavingsproblematiek. Ook is de informatie over antecedenten van 
de verdachten beschikbaar. Het HKS is zelfs het enige bestand dat op het 
niveau van de politie de gegevens bevat van alle geregistreerde antecedenten 
van verdachten in Nederland. Dit biedt de mogelijkheid tot een 
waardevolle verdieping in informatie over verdachten. De antecedenten 
kunnen bestaan uit ‘automatische’ antecedenten (koppeling van plaats, 
verdachte en gepleegd delict, zodat informatie van de verdachte en van 
de aangifte gecombineerd kan worden) en ‘handmatige’ antecedenten 
(de meer uitgebreide informatie uit het proces-verbaal van aangifte 
ontbreekt). 

Periodiciteit van de dataverzameling 

In principe wordt elk pv opgenomen, dus er is sprake van een continue 
registratie van feiten. 

Relaties met andere informatiesystemen 

Het HKS is een op zichzelf staand registratiesysteem. Informatie die 
in HKS wordt opgenomen, registreert de politie ook in andere bedrijfsprocessensystemen. 


Beperkingen 

Het HKS heeft ook zijn beperkingen. De daders die niet gepakt zijn, 
delicten waarvan geen proces-verbaal is opgemaakt, of de delicten 
die onbekend blijven bij de politie, worden niet geregistreerd. 
Selectiemechanismen kunnen een rol spelen bij de registratie in het 
HKS en leiden tot vertekeningen. In het HKS worden alleen ‘natuurlijke 
personen’ opgenomen; rechtspersonen zijn uitgesloten van opname. 
Gegevens van de bijzondere opsporingsdiensten (bijvoorbeeld FIOD, ECD, 
douane) zijn vaak niet opgenomen in de HKS-registratie. Diverse typen 



322 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

misdrijven, zoals economische delicten, milieudelicten of uitkeringsfraude, 
zijn daarmee ondervertegenwoordigd in het HKS. 
Verder zijn de politieregio’s niet altijd eenduidig in de registratiewijze van 
een delict. De registratie is bijvoorbeeld mogelijk niet uniform indien een 
verdachte naar een andere (politie)regio verhuist, of een delict pleegt in 
een (politie)regio waar hij niet woonachtig is. In de praktijk blijkt dat de 
politieregio waarin de verdachte woont, het meest complete beeld van de 
verdachte heeft. Daarom zijn bij de analyse de gegevens gerangschikt naar 
de gemeente waarin zij wonen. Overleden verdachten dienen twee jaar na 
dato uit het bestand gehaald te worden. Dit is echter niet van invloed op 
het onderhavige selectiejaar. 
Gegevens van aangehouden verdachten tegen wie binnen de zes maanden 
na opname in het HKS (voorlopige opname) nog geen proces-verbaal 
is opgemaakt, worden verwijderd. De verjaring van gegevens levert een 
beperking op die van invloed kan zijn op de interpretatie van de HKS-
uitkomsten. Dit doet zich vooral voor bij de interpretatie van gegevens over 
het verleden van verdachten. Als regel wordt de informatie over verdachten 
na verloop van tijd uit het HKS verwijderd indien zij een aantal jaren niet 
meer voor nieuwe delicten als verdachten geregistreerd worden. De verjaringsregels 
impliceren een zekere mate van vertekening in het beeld van 
de in het verleden gepleegde delicten. De gestelde termijnen zijn echter zo 
lang en lopen zo snel op dat al met al toch een behoorlijk beeld, ook van 
het delictsverleden, verkregen kan worden. Toch is het mogelijk dat vooral 
bij oudere verdachten, waarvan momenteel slechts één of een beperkt 
aantal delicten uit het verleden bekend zijn, een incompleet beeld bestaat. 

Eigendom en beheer 

De verschillende politieregio’s zijn eigenaar van het systeem. Vanuit deze 
regio’s wordt het systeem gevoed. Om gegevens aan het HKS te onttrekken, 
heeft de IT-organisatie van het KLPD de (mede door het WODC gefinancierde) 
DEX-module (Data-extractie) ontwikkeld. De DEX-module is 
verder uitgebouwd en verbeterd. Het is daarmee recent mogelijk geworden 
om geautomatiseerd een landelijk HKS-bestand te maken. Zo kunnen verdachten, 
die in meerdere politieregio’s geregistreerd staan, worden geïdentificeerd 
en tot één unieke verdachte herleid. Een speciaal daarvoor in het 
leven geroepen beheersinstantie bewaakt de toegang tot dit bestand. 
Het HKS valt onder de privacywetgeving. Bewerking van de data vindt 
echter plaats met geanonimiseerde gegevens. 

4 

De CBS-statistiek Rechtbankstrafzaken 

Informatie over de omvang, ontwikkeling en wijze van afhandeling van 
rechtbankstrafzaken door het Openbaar Ministerie en de rechter wordt 
verzameld in de Statistiek–Rechtbankstrafzaken. 


Bijlage 2 323 

Tot 1982 is de informatie gepubliceerd in aparte CBS-jaarpublicaties, te 
weten de Justitiële statistiek, Criminele statistiek, Statistiek Toepassing der 
Wegenverkeerswet, Statistiek jeugdcriminaliteit, en de (verzamel)publicatie 
Maandstatistiek politie, justitie en brandweer. Voor de jaren 1982-1991 zijn 
de relevante onderdelen samengebracht in de publicatie Criminaliteit en 
Strafrechtspleging. 
Vanaf begin jaren negentig komen de gegevens over criminaliteit en strafrechtspleging 
uit het Communicatiesysteem OM-Parket Administratiesysteem, 
kortweg COMPAS genoemd. 

Informatiegebied 

In COMPAS zijn gegevens opgenomen over de ingeschreven zaken bij het 
OM evenals de afdoening van zaken door OM en rechter. Het systeem 
bevat een grote hoeveelheid gegevens over het verloop en de afloop van 
elke strafzaak, inclusief gegevens over de betrokken verdachte/dader. 

Periodiciteit van de dataverzameling 

Er is sprake van een continue registratie, zij het dat de verwerking van de 
gegevens in de loop van de jaren/perioden zeer verschillend is geweest. 
De gegevens zijn gepubliceerd per kalenderjaar. Een strafzaak die binnen 
een kalenderjaar bij verschillende colleges in behandeling is, is ook meer 
dan eenmaal in de overzichten opgenomen. 

Relaties met andere informatiesystemen 

Uit COMPAS worden speciaal voor statistische doeleinden ten behoeve 
van het CBS aparte bestanden vervaardigd waarin elke strafcasus als 
individueel gegeven traceerbaar is. 

Beperkingen 

De overgang op COMPAS-gegevens nam enige tijd in beslag en had 
aanvankelijk negatieve invloed op de beschikbaarheid van statistische 
gegevens. Een deel van de uitkomsten in de eerste jaren dat het systeem 
voor statistische doeleinden werd gebruikt (1991, 1992 en 1993) kwam 
niet (volledig) beschikbaar; bovendien leidde de beschikbaarheid van 
een elektronisch systeem bij de parketten ertoe dat de inzending van 
berichtgeving via formulieren sterk terugliep en in enkele gevallen voortijdig 
werd gestaakt. Op deze wijze is informatie over een deel van de 
ingeschreven zaken en vrijwel alle afdoeningen door het OM over de jaren 
1991 en 1992 verloren gegaan. In mindere mate geldt dit ook voor 1993. 
Ook de cijfers over afdoeningen door de rechter kenden onderrapportage, 
waardoor op dit gebied over de periode 1991-1993 alleen de totaalcijfers 
betrouwbaar genoeg zijn voor statistische analyse. Een deel van de uitkomsten 
moest worden geschat. 
Ook na 1993 bleek de berichtgeving onvolledig te zijn geweest en was 
sprake van onderrapportage. Door het CBS is daarop besloten om in 


324 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

samenwerking met de berichtgevers tot een revisie van de basisgegevens 
over te gaan. Om praktische redenen is gekozen voor 1994 als startjaar van 
de revisie. 

Eigendom en beheer 

Het bureau maakt op basis van de COMPAS-informatie en informatie uit 
andere gerechtelijke registraties een jaarbestand waarvan het eigenaar en 
beheerder is. 
Alle statistische uitkomsten zijn gebaseerd op geanonimiseerde 
basis gegevens. 

5 OMDATA 

OMDATA is een informatiesysteem van het Parket-Generaal van het 
Openbaar Ministerie. Het maakt gebruik van een ander, al langer bestaand 
informatiesysteem, Rapsody genaamd. Rapsody is een gemeenschappelijk 
informatiesysteem van het Openbaar Ministerie en de zittende magistratuur, 
ten behoeve van beleid en beheer. Het systeem kent een aantal 
modules voor verschillende rechtsgebieden. Voor zowel OMDATA als het 
onderwerp van dit boek is alleen de strafrechtmodule (Rapsody strafrecht-
keten) van belang. Waar in het vervolg Rapsody wordt genoemd, wordt dan 
ook die strafrechtmodule bedoeld. 
Rapsody is gebaseerd op COMPAS, het registratiesysteem dat wordt 
gebruikt door de arrondissementsparketten en de griffies van rechtbanken. 
Rapsody onttrekt bepaalde gegevens aan COMPAS die voor beleidsinformatie 
van belang zijn, en slaat die op in een gemakkelijk bevraagbare 
vorm. Het is een decentraal systeem met afzonderlijke databases in elk van 
de negentien arrondissementen, die ieder alleen gegevens over de strafzaken 
in het eigen arrondissement bevatten. Landelijke beleids informatie is 
daardoor niet direct via Rapsody beschikbaar. 
Die landelijke informatiefunctie wordt sinds een aantal jaren vervuld door 
OMDATA. Het doel van het systeem is te voorzien in de landelijke informatiebehoefte 
van het OM en te voldoen aan de gegevensvraag vanuit het 
wetenschappelijk onderzoek. OMDATA voegt de gegevens van de negentien 
Rapsody-systemen samen tot een landelijke gegevensverzameling, waarbij 
geen noemenswaardige bewerkingen optreden. Wat betreft het soort gegevens 
dat beschikbaar is, verschilt OMDATA dus niet van Rapsody. 

Informatiegebied 

OMDATA biedt informatie over de instroom van zaken bij het OM, en de 
afhandeling van die zaken door het OM en door de rechter. Per zaak is 
uitgebreide informatie beschikbaar over de aard van de gepleegde feiten, 
de verschillende handelingen en beslissingen in de zaak door het OM en 
de rechter, en eventueel de opgelegde straffen. 


Bijlage 2 325 

Periodiciteit van de dataverzameling 

Rapsody is in de loop van 1993 ingevoerd, waarbij alle op dat moment nog 
lopende zaken zijn opgenomen. Vanaf dat moment zijn van alle in COMPAS 
geregistreerde zaken gegevens in Rapsody gearchiveerd. OMDATA geeft 
daardoor een volledig beeld van alle afdoeningen sinds 1994. Doordat het 
onderliggende systeem Rapsody in de loop van de jaren steeds verder is 
ontwikkeld, is de informatie in OMDATA over recente zaken gedetailleerder 
dan die over de zaken die in de eerste jaren zijn geregistreerd. 

Relaties met andere informatiesystemen 

Naast OMDATA bevatten ook de OBJD en de CBS-statistiek 
Rechtbankstrafzaken gegevens die direct of indirect afkomstig zijn van 
de registratie in COMPAS. De informatie die door de systemen wordt 
geleverd, is vergelijkbaar, maar verschilt op punten door belangrijke verschillen 
in doel en opzet van de systemen. 
De OBJD is gebaseerd op de justitiële documentatie en geeft informatie 
over onherroepelijke afdoeningen. Bij de andere systemen blijft de informatie 
beperkt tot de afdoening in eerste aanleg. Bovendien is de informatie 
in de OBJD op persoonsniveau beschikbaar (zij het geanonimiseerd), 
terwijl de beide andere systemen alleen informatie op zaakniveau bieden. 
De OBJD kan daardoor als enig systeem inzicht geven in de mate van 
recidive. De verschillen tussen OMDATA en de CBS-statistiek Rechtbank-
zaken zijn minder groot. Verschillen in gehanteerde definities maken dat 
informatie uit beide bronnen qua absolute aantallen verschilt, maar de 
orde van grootte en de gesignaleerde trends zijn gelijk. 
De CBS-statistiek is gebaseerd op berichten die COMPAS van iedere zaak 
levert op strikt gedefinieerde momenten bij inschrijving en afdoening. Het 
CBS verwerkt de gegevens tot jaarbestanden die enige tijd na afloop van 
het betreffende jaar worden afgesloten. De cijfers zijn dan definitief, eventuele 
nagekomen berichten worden niet meer verwerkt. Rapsody is vooral 
ontwikkeld als beleidsinformatiesysteem. Het wordt op gezette tijden 
geactualiseerd vanuit COMPAS, en weerspiegelt daardoor steeds de laatste 
stand van zaken. Rapsody en OMDATA bieden een grotere hoeveelheid 
informatie dan de CBS-statistiek, bovendien is landelijke informatie in de 
regel eerder beschikbaar via OMDATA dan via de CBS-statistiek. Rapsody 
en OMDATA zijn als systeem flexibeler in die zin dat het soort gegevens 
dat wordt verzameld, kan worden aangepast als de informatiebehoefte 
vanuit het beleid verandert. Door de veranderende gegevensverzameling 
en de voortdurende actualisering van de data zelf is de bron echter 
minder geschikt voor officiële statistieken. 

Privacyaspecten 

Op de gegevens van Rapsody en OMDATA is de Wet Justitiële en 
Strafvorderlijke Gegevens van toepassing. Het gebruik van gegevens voor 
onderzoek en statistiek is verder gereguleerd in een circulaire. In beginsel 


326 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

kunnen alleen niet-herleidbare gegevens worden verstrekt, tenzij toestemming 
van de Minister van Justitie is verkregen voor het verkrijgen van 
persoonsgegevens. 

Beperkingen 

Enkele beperkingen van OMDATA ten opzichte van andere bronnen zijn 
hiervoor genoemd. Een belangrijke beperking van OMDATA is verder 
dat alleen van de uitspraken in de laatste jaren betrouwbare informatie 
beschikbaar is over de delicten waarvoor is veroordeeld. Van de uitspraken 
in jaren daarvoor is alleen informatie beschikbaar over de delicten 
die (primair) ten laste zijn gelegd. 

Eigendom en beheer 

OMDATA is eigendom van het college van procureurs-generaal en wordt 
zelfstandig beheerd door het Parket-Generaal. Rapsody is een gemeenschappelijk 
systeem van het Openbaar Ministerie en de zittende magistratuur 
en wordt beheerd door het ICT-bedrijf van de rechterlijke organisatie 
(ICTRO). 

Toekomst 

Een nieuw registratiesysteem ter vervanging van COMPAS is in ontwikkeling. 
Dit nieuwe systeem, het Geïntegreerd Proces Systeem (GPS), zal 
volgens de planning in de komende jaren gefaseerd worden ingevoerd. Als 
sluitstuk van GPS zal een managementinformatiemodule worden ontwikkeld, 
die Rapsody en OMDATA zal vervangen. Tot die tijd blijft OMDATA 
operationeel als landelijk informatiesysteem. 

6 De Onderzoeks- en Beleidsdatabase Justitiële Documentatie 

In de jaren 1992-1996 zijn de Algemene Documentatieregisters, waarin 
de zogenoemde ‘strafbladen’ werden bijgehouden, geautomatiseerd en 
samengevoegd in een landelijk systeem, het Justitiëel Documentatie 
Systeem (JDS). De Onderzoeks- en Beleidsdatabase Justitiële 
Documentatie (OBJD) bevat een selectie uit en soms een bewerking van de 
gegevens uit het JDS. 

Informatiegebied 

De gegevens in de OBJD zijn geanonimiseerde, persoonsgebonden 
gegevens over aard en onherroepelijke afdoening van alle misdrijven 
en een aantal overtredingen, die na 1996 door de rechterlijke macht in 
behandeling zijn genomen. Het bevat ook een aantal persoonsgegevens, 
kennisgevingen van gebeurtenissen na het vonnis (bijvoorbeeld tenuitvoerleggingen 
of het verstrijken van de proeftijd) en gegevens over 
buitenlandse strafzaken. De plegers kunnen zowel natuurlijke personen 
als rechtspersonen zijn. 


Bijlage 2 327 

Van alle personen die na 1996 met justitie in aanraking zijn gekomen, is 
de justitiële voorgeschiedenis ingevoerd. De OBJD is ten aanzien van deze 
personen een historisch bestand, dat nog steeds aangevuld wordt. Personen 
met een strafblad, die na de automatisering geen justitiecontacten 
meer hebben gehad, zijn met hun personalia op een index geplaatst: op het 
moment dat zij een nieuw contact hebben, wordt hun voorgeschiedenis 
alsnog ingevoerd. 

Periodiciteit van de dataverzameling 

De gegevens in de OBJD worden ieder kwartaal aangevuld. 

Relaties met andere informatiesystemen 

Het bronsysteem JDS betrekt dagelijks gegevens uit COMPAS, het administratiesysteem 
van de arrondissementsparketten. Voorts bevat het gegevens van 
de hoven, de Hoge Raad en het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB). 
Uit COMPAS worden ook bestanden aan het CBS geleverd ten behoeve van 
de statistieken over vervolging en berechting in eerste aanleg. COMPAS is 
tevens de basis voor OMDATA (voorheen Rapsody), een beleidssysteem van 
het OM. OMDATA bevat gegevens over vervolging en berechting in eerste 
aanleg en voor kantonzaken tevens over hoger beroep. 
De strafrechtmonitor (SRM) bevat zeer gedetailleerde informatie over strafzaken 
uit de strafdossiers van een tweejaarlijkse steekproef. 

Beperkingen 

De OBJD is vanaf 1996 volledig, in de jaren daarvoor bevat het alleen gegevens 
over personen en hun strafzaken als er ook na 1996 een justitiecontact 
is geweest. Alle gegevens blijven wel beschikbaar: de gegevens die in het 
JDS geschoond worden, blijven in de OBJD bestaan. 
De OBJD heeft de gegevens over de onherroepelijke afdoeningen. Dit 
betekent dat vonnissen in eerste aanleg alleen opgenomen worden als dit 
vonnis onherroepelijk is geworden. Als er hoger beroep is ingesteld, blijft de 
zaak in het JDS en de OBJD een openstaande zaak tot het vonnis in hoger 
beroep onherroepelijk is geworden. De gegevens over deze laatste uitspraak 
worden dan geregistreerd, niet die van het vonnis in eerste aanleg. 

Eigendom en beheer 

De OBJD is eigendom van de plaatsvervangend Secretaris-Generaal 
van Justitie. Het WODC is strategisch beheerder, de Centrale Justitiële 
Documentatiedienst is tactisch en functioneel beheerder. 
De OBJD is aangemeld bij de Registratiekamer in het kader van de WPR. 
De database is geanonimiseerd, waardoor er in principe geen restricties 
op het gebruik zijn. Voor gebruik van de OBJD, waarbij men over 
persoonsgebonden gegevens dient te beschikken, moet toestemming van 
de minister tot inzage in de justitiële documentatie worden verkregen. 


328 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Toekomst 

Het JDS is ingericht voor de levering van de justitiële documentatie 
van individuen aan derden. De gegevens zijn daardoor niet altijd even 
geschikt voor analyses ten behoeve van onderzoek en beleid. Veel gegevens 
worden bewerkt voordat zij in de OBJD terechtkomen. Jaarlijks worden 
er aanpassingen aan de OBJD gedaan om de gegevens beter te kunnen 
verwerken. In 2005 zal naar verwachting de vervanging van het systeem 
COMPAS door GPS afgerond worden en vindt een herbouw van het JDS 
plaats. Het JDS krijgt niet alleen een andere structuur, maar zal ook meer 
gegevens gaan bevatten. De OBJD zal daarna ook uitgebreid worden. 

7 De informatiesystemen tenuitvoerlegging 

Er zijn vele soorten straffen en maatregelen die opgelegd kunnen worden. 
Elk van die soorten afdoeningen kent zijn eigen registratiesystemen van 
binnenkomst en tenuitvoerlegging (executie). Zo is er een systeem dat 
de celcapaciteit en doorstroom van de diverse sancties registreert bij het 
Centraal Justitieel Incasso Bureau. 

7.1 Centraal Justitieel Incasso Bureau 
Het CJIB in Leeuwarden heeft een belangrijke taak met betrekking tot 
de uitvoering van opgelegde sancties. CJIB biedt, in zaken die daarvoor 
in aanmerking komen, namens het OM en de politie transacties aan en 
draagt zorg voor de inning van de transactiebedragen. Zaken waarin het 
transactiebedrag niet is betaald worden weer doorgestuurd naar het OM 
ter verdere vervolging. Executie van strafrechtelijke vonnissen met een 
financiële sanctie (boetes, schadevergoedingsmaatregelen, ontneming 
WvW) worden zelfstandig door het CJIB afgewikkeld, onder verantwoordelijkheid 
van het OM. Ook bij de tenuitvoerlegging van andere soorten 
vonnissen als taakstraffen en bepaalde gevangenisstraffen speelt het CJIB 
een belangrijke rol. Bij die vonnissen neemt het CJIB een groot deel van 
het administratieve proces voor haar rekening, zorgt voor doorgeleiding 
aan de met tenuitvoerlegging belaste instantie, en bewaakt de voortgang. 

Sinds het CJIB werd ingesteld als bureau belast met de inning van administratieve 
sancties bij verkeersovertredingen is het takenpakket in de loop 
der jaren uitgebreid met de bovengenoemde processen. Daardoor zijn niet 
van alle processen gegevens over dezelfde jaren beschikbaar. De inning 
van strafrechtelijke boetes verzorgt het CJIB vanaf 1994. De gegevens over 
strafrechtelijke boetes zijn vanaf 1995 volledig. Over inning van schadevergoedingsmaatregelen 
is vanaf 1996 informatie beschikbaar. Inning van 
ontnemingsmaatregelen is sinds 1996 aan het CJIB opgedragen. Overigens 
geschiedde incassering van ontnemingsmaatregelen ook door het OM, 
vooral in de overgangsperiode na 1996. Het TRIAS-systeem (Transactie 


Bijlage 2 329 

Registratie Inning en Informatie Afhandelings Systeem) voor de registratie 
van (politie)transacties is sinds 2000 operationeel. De gegevens uit dat 
systeem zijn vanaf het jaar 2001 voldoende betrouwbaar. 

Informatiegebied 

In deze publicatie betreft de gebruikte informatie de afwikkeling van 
(politie)transacties en executie van de strafrechtelijke vonnissen waarmee 
het CJIB is belast: geldboetes, opgelegde maatregelen ter ontneming 
van wvv en schadevergoedingsmaatregelen. De geldboetes betreffen 
zowel misdrijven en overtredingen. Op basis van de aangeleverde gegevens 
is het voor het CJIB niet goed mogelijk hierin onderscheid te maken. 

Periodiciteit van de dataverzameling 

De registratie is continu. Gegevens t.b.v. de statistiek worden per jaar bij 
het CBS aangeleverd. 

Relaties met andere informatiesystemen 

Het CJIB ontvangt langs elektronische weg gegevens over aan te 
bieden transacties van de politie (Tobias: TOtaal Bekeuring Informatie 
Afhandelings Systeem), en van de arrondissementsparketten.(Compas: 
Communicatiesysteem Openbaar Ministerie Parket AdminiStratie). 
Deze worden vastgelegd in het TRIAS-systeem. TRIAS meldt de afloop 
weer terug aan deze systemen. Gegevens over te executeren vonnissen 
ontvangt het CJIB eveneens uit COMPAS en van de vijf ressortsparketten. 
Verder bestaan koppelingen met systemen van diverse andere ketenpartners 
van het CJIB (DJI, reclassering). Voor statistiek en onderzoek is de 
informatie van het CJIB aanvullend ten opzichte van andere informatiebronnen 
die onder meer op COMPAS zijn gebaseerd (CBS, OMDATA). 

Eigendom en beheer 

Houder en gegevensbeheerder is het CJIB. 
Het systeembeheer COMPAS is deels in handen van de ICT Rechterlijke 
Organisatie (ICTRO), een gemeenschappelijke ondersteunende organisatie 
van Openbaar Ministerie en gerechten. De gegevens in de systemen 
van het CJIB zijn niet rechtstreeks toegankelijk voor derden zoals het 
WODC. Het CJIB is bij het beheer en het gebruik van de gegevens waarvan 
zij houder is, gebonden aan de privacywetgeving. 

7.2 Registratie gevangeniswezen (TULP/GW, TULP/MIR, TULP/SI) 
TULP/GW dient om het primaire proces in de inrichtingen van het 
Gevangeniswezen te ondersteunen. Het is een landelijke applicatie en 
staat lokaal bij elke inrichting van het gevangeniswezen van de DJI. De 
landelijke applicatie wordt beheerd door ICT Services DJI te Gouda. 
Dagelijks wordt een deel van de gegevens die in TULP/GW worden geregistreerd, 
'overgeseind' naar TULP/MIR (MIR = Management Informatie 


330 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Reservoir). De afdeling Informatieanalyse en Documentatie (ID) van het 
hoofdkantoor DJI kan TULP/MIR bevragen met de module TULP/SI 
(SI= Stuurinformatie). Deze module voorziet in de aanmaak van databestanden 
die voor managementinformatie worden gebruikt. Een aantal van 
deze databestanden wordt vanaf 2004 door de afdeling ID ook aan het CBS 
geleverd. Vóór 2004 ontving het CBS vergelijkbare gegevens rechtstreeks 
van ICT Services in de vorm van de zogenoemde CBS-tapes. Veel informatie 
over het Gevangeniswezen in dit rapport is ontleend aan TULP-SI en 
de CBS-tapes. 

Informatiegebied 

De gegevens hebben betrekking op de gedetineerden en op de inrichtingen 
waarin zij verblijven: personen, zaken, cellen, bestemmingen, 
doorlooptijden en aantallen dagen straf. Variabelen zijn onder andere: 
insluitingstitel gedetineerden, geslacht, geboortedatum; zaakgegevens 
zoals parketnummer, datum uitspraak, opgelegde straf, parket van 
uitspraak; en inrichtingsgegevens zoals soort inrichting, bestemmingen 
binnen de inrichting, aantal cellen. Binnen TULP/GW is er een continue 
registratie. 

Relaties met andere systemen 

Een aantal basisgegevens van TULP/GW zijn tevens opgeslagen in de 
nieuwe DJI-brede Basisregistratie. Deze Basisregistratie ontvangt en 
levert onder meer gegevens aan VIP (verwijsindex personen). 

Beperkingen 

Het systeem TULP/GW voldoet niet meer aan de eisen van deze tijd. In 
complexe gevallen moeten soms kunstgrepen worden toegepast om het 
verblijf van gedetineerden administratief te kunnen verwerken en de 
detentietermijnen te kunnen bewaken. Deze praktijk heeft onvermijdelijk 
tot gevolg dat de managementinformatie van TULP/SI soms onvolkomenheden 
bevat. 

Eigendom en beheer 

Houder van de informatie is de Minister van Justitie, voor hem de directeur 
Gevangeniswezen. Per inrichting of complex vindt de opslag van de 
gegevens plaats. Het beheer van het systeem is in handen van ICT Services 
DJI te Gouda. Het systeem voldoet aan de eisen van Wet bescherming persoonsgegevens. 


Toekomst 

In de komende jaren wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een volledig 
nieuw systeem (CAJIS= Capaciteit en Justiabelen Informatiesysteem) dat 
meer tegemoetkomt aan de huidige eisen. 


Bijlage 2 331 

7.3 Registratie Justitiële Jeugdinrichtingen (TULP/JJI) 
TULP/JJI is een landelijk geïmplementeerd informatiesysteem waarop alle 
rijks- en particuliere justitiële jeugdinrichtingen zijn aangesloten, alsmede 
het hoofdkantoor DJI en een aantal niet-justitiële inrichtingen waar het 
Ministerie van Justitie plaatsen heeft ingekocht. Het systeem wordt door 
de inrichtingen gebruikt voor de pupillenadministratie en het registeren 
en onderhouden van gegevens betreffende de inrichting zelf. Daarnaast 
genereert het systeem onder meer capaciteits- en bezettingsgegevens, 
bevolkingsgegevens en gegevens over de orde en veiligheid (incidenten 
en maatregelen) binnen de inrichting. TULP/JJI speelt een belangrijke rol 
bij de centrale selectie en plaatsing van jeugdigen in justitiële jeugdinrichtingen. 
Verder levert TULP/JJI stuur- en beleidsinformatie. DJI beschikt 
over een speciale module waarmee grotere databestanden kunnen 
worden samengesteld. 
Iedere jeugdige die bij een justitiële jeugdinrichting wordt aangemeld, op 
de wachtlijst wordt geplaatst dan wel in de inrichting wordt opgenomen, 
wordt geregistreerd in TULP/JJI en krijgt een eigen, uniek registratienummer. 
Dit nummer wordt bij iedere (nieuwe) opname binnen de sector 
justitiële jeugdinrichtingen gebruikt. 

Informatiegebied 

De gegevens die in TULP/JJI worden opgenomen, zijn onder andere persoonskenmerken 
van de jeugdigen, gegevens over de huidige en eventueel 
vorige (tevens in verband met recidive) en volgende verblijfslocatie(s), 
verblijfstitel(s), opleggende instantie, gepleegde feiten, reden van uitschrijving. 
Met behulp van de speciale beleidsinformatiemodule kunnen 
peildatumbestanden, locatie-historische bestanden (plaatsingen, 
uitplaatsingen, trajecten van jeugdigen) en titel-historische bestanden 
(titels/titelwijzigingen) worden samengesteld. Voorts bevat TULP/JJI 
informatie over onder andere de beschikbare capaciteit, bezetting, 
wachtlijstplaatsingen, enzovoort. 

Periodiciteit van de dataverzameling 

TULP/JJI is een betrekkelijk nieuw registratiesysteem. In juni 1997 is de 
laatste justitiële jeugdinrichting aangesloten, zodat vanaf dat moment 
gesproken kan worden van een landelijke dekking. Er is sprake van een 
continue registratie. 

Relaties met andere informatiesystemen 

Een aantal basisgegevens van TULP/JJI zijn tevens opgeslagen in de nieuwe 
DJI-brede Basisregistratie. Deze Basisregistratie ontvangt en levert 
voor de strafrechtelijke jongeren onder meer gegevens aan VIP (verwijsindex 
personen). 


332 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Eigendom en beheer 

Houder van de informatie in TULP/JJI is de Minister van Justitie. De informatie 
is opgeslagen bij de individuele inrichtingen en centraal op het 
Hoofdkantoor DJI. Het beheer van de informatie berust bij de inrichtingsdirecteuren 
en bij het Hoofdkantoor DJI. Het systeem voldoet aan de eisen 
van Wet bescherming persoonsgegevens. 

8 De internationale gegevensbronnen 

8.1 International Crime Victims Survey 
De ICVS, een internationale slachtofferenquête, geeft informatie over 
delicten zoals door slachtoffers ondergaan. De enquête wordt gehouden 
onder auspiciën van het Nederlandse Ministerie van Justitie, het 
Engelse Home Office en de United Nations Interregional Criminal Justice 
Research Institute (UNICRI). Bij de laatste dataverzameling over 2004 
heeft ook Gallup Europe, in opdracht van de EU, een belangrijke bijdrage 
geleverd (EU ICS Report, 2007). De gegevens worden verzameld door middel 
van een telefonische enquête, met per land tussen de 1.000 en 4.000 
respondenten. Circa dertig landen doen mee aan de dataverzameling. 

Informatiegebied 

De enquête gaat over de ervaringen die mensen hebben met delicten. 
Slachtofferloze delicten komen per definitie niet voor. Er bestaat uit de 
aard van de zaak een verschil in definitie tussen de waarneming van het 
slachtoffer van het delict en de strafrechtelijke definitie ervan. Van de 
delicten registreert men de kenmerken: ondervonden misdrijf, zoals het 
soort misdrijf (autodiefstal, vandalisme, diefstal uit auto/huis, diefstal 
van fiets, inbraak, diefstal met geweld, geweldsmisdrijven, seksuele misdrijven); 
of het delict is aangegeven bij de politie; enzovoort. Als persoonskenmerken 
kent de ICVS variabelen als leeftijd, geslacht, burgerlijke staat, 
maatschappelijke positie, informatie over preventiegedrag, enzovoort. 

Periodiciteit van de dataverzameling 

De ICVS is tot dusver afgenomen in de jaren 1989, 1992, 1996, 2000 en 2005 
en gaat over de jaren 1988, 1991, 1995, 1999 en 2004. 

Relaties met andere informatiesystemen 

De ICVS is op te vatten als een onafhankelijk systeem. Er bestaat wel 
overlap met landelijke slachtofferenquêtes. Vergelijking is mogelijk met 
(nationale en internationale) politiecijfers (omdat aangiftecijfers zijn 
opgenomen). 


Bijlage 2 333 

Beperkingen 

De voornaamste beperking van de ICVS is dat niet alle delicten zijn opgenomen. 
Ook delicten zonder slachtoffer of met een bedrijf als slachtoffer, 
komen niet voor. Een bron van onzekerheid is voorts het geheugen van 
de respondent (weet deze de juiste gebeurtenissen te herinneren en deze 
ook juist in de tijd te plaatsen?); dat geldt ook bij binnenlandse slachtoffer-
enquêtes. 

Eigendom en beheer 

De gegevens uit het ICVS zijn opvraagbaar bij het instituut InterVict in 
Tilburg en bij Gallup Europe in Brussel. Er is geen privacyreglement van 
toepassing op de ICVS. 

Toekomst 

Naar verwachting zal deze enquête ook in de toekomst om de drie à vier 
jaar uitgevoerd worden. 

8.2 European Sourcebook 
Het European Sourcebook bestaat uit een database en een publicatie, 
waarin een zo compleet mogelijk beeld van de gehele strafrechtsketen 
gegeven wordt. Tot dusver zijn ruim veertig landen in het European 
Sourcebook opgenomen. Aan de hand van door elk land afzonderlijk 
ingevulde vragenlijsten wordt de database gemaakt. Waarop de gegevens 
gebaseerd zijn, is van land tot land verschillend: sommige landen leveren 
hun informatie aan op basis van primaire bronsystemen, andere aan de 
hand van statistische publicaties. Er wordt geen steekproef getrokken. 

Informatiegebied 

Het informatiegebied omvat in principe de gehele strafrechtsketen, inclusief 
slachtofferenquêtes. In de praktijk ligt de nadruk op de gegevens 
vanaf opsporing tot en met tenuitvoerlegging. Meestal betreft de registratie 
het aantal misdrijven per delictsoort, vaak ook leveren de landen 
informatie over aantallen veroordelingen en aantallen gedetineerden. 
De delictcategorieën zijn moord en doodslag, mishandeling, verkrachting, 
diefstal met geweld, diefstal, autodiefstal, fietsendiefstal, inbraak en 
drugsdelicten. Als persoonskenmerken worden gegevens over geslacht, 
meerder- en minderjarigheid en het al dan niet vreemdeling-zijn verzameld. 
Ook zijn er gegevens over bijvoorbeeld de soort opgelegde straf. 

Periodiciteit van de dataverzameling 

De gegevens in het European Sourcebook zijn per jaar en beslaan de 
periode 1990-2003. Informatie over het vervolgingstraject en over soort en 
lengte van opgelegde straffen ontbreekt voor de jaren 2000-2003. 


334 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Beperkingen 

De gegevensverzameling is beperkt tot Europese landen. Ook het direct 
vergelijken is lastig, aangezien strafrechtsystemen op nogal cruciale punten 
van elkaar kunnen verschillen. Een ander punt is de verschillende 
wijze van aanleveren van de gegevens: sommige landen baseren hun 
informatie op feitelijke registraties, andere gebruiken criminele statistieken. 
Geprobeerd is dit zoveel mogelijk te verhelpen door vaste definities 
te geven van een aantal goed omschreven delictcategorieën. Ook zijn er 
nogal wat lacunes in de berichtgeving. Wel kunnen goed trends in verschillende 
landen met elkaar worden vergeleken, aangezien het om dezelfde 
periode van veertien jaar gaat. 

Eigendom en beheerder 

De eigenaar en beheerder van het European Sourcebook is de projectgroep 
van het European Sourcebook-project. Projectleider is Prof. Martin 
Killias (Universiteit van Zürich). 

Toekomst 

Naar verwachting zal het European Sourcebook elke drie tot vier jaar 
geactualiseerd worden. 


Bijlage 3 Stroomschema 
strafrechtsketen 



336 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 



Bijlage 3 337 



338 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 



Bijlage 3 339 



Bijlage 4 Tabellen 

Tabellen bij hoofdstuk 3 

Tabel 3.1 
Slachtofferschap van veelvoorkomende criminaliteit onder burgers van 15 jaar 
en ouder, 1980-1992*

Geweldsdelicten 
handtastelijkheden buiten 
handtastelijkheden binnen 
bedreiging buiten 
bedreiging binnen 

Vermogensdelicten 
inbraak 
fietsdiefstal 
bromfietsdiefstal 
autodiefstal 
diefstal uit auto 
diefstal van portemonnee 
(zonder geweld) 
overige diefstal 

Vandalismedelicten 
diefstal vanaf auto 
beschadiging van auto 
overige vernielingen 

Doorrijden na aanrijding 

Exhibitionisme 

Totaal** 
enkelvoudig*** 
meervoudig**** 

Aantal respondenten 

 1980 1981 1982 1983 1984 1986 1988 1990 1992 
(% één of meer keer slachtoffer) 
1,0 0,9 0,8 0,8 1,1 0,7 0,6 0,6 0,7 
0,9 1,1 1,5 1,1 1,9 1,7 1,3 1,2 1,4 
3,4 3,2 3,1 3,0 3,6 2,3 3,3 3,2 3,3 
1,6 1,9 2,7 2,4 2,6 2,2 2,1 2,5 2,4 
1,6 1,8 2,2 2,5 2,4 2,7 3 2,5 2,9 
4,9 5,1 5,5 6,4 5,7 6,3 5,7 5,6 6,0 
0,4 0,4 0,4 0,3 0,3 0,5 0,3 0,4 0,4 
0,3 0,3 0,3 0,2 0,3 0,4 0,3 0,5 0,3 
1,9 2,2 2,2 3,3 3,3 3,5 3,3 3,3 3,8 
2,4 2,5 2,4 2,1 2,8 2,1 2,3 2,2 2,6 
5,5 5,5 6,4 6,0 5,7 5,3 4,7 4,8 5,1 
4,9 5,4 5,1 4,8 5,1 3,8 3,8 3,6 3,7 
9,0 9,1 9,8 9,2 9,3 8,7 8,1 8,9 8,9 
6,7 7 6,2 6,5 6,0 6,0 5,6 5,2 6,7 
1,4 2,0 2,4 1,8 2,4 1,9 2,1 1,7 1,5 
1,3 1,6 1,7 1,9 1,8 1,7 1,3 1,1 1,1 
32,8 34,0 35,5 35,2 36,2 34,3 33,6 32,7 35,1 
23,0 22,6 24 23,7 23,7 23,5 23,2 23,0 23,9 
9,7 11,4 11,6 11,5 12,5 10,8 10,5 9,7 11,2 
(abs.) 
8.475 10.738 10.765 10.931 9.730 9.502 4.686 4.513 4.448 
* 
De in deze tabel genoemde jaren betreffen het verslagjaar waarop de slachtoffergegevens uit deze enquêtes betrekking 
hebben. De interviews waarop de gegevens zijn gebaseerd, zijn gehouden in de eerste tien weken van het daarop volgende 
jaar. 
Gevraagd is naar het slachtofferschap in het huidige jaar en in het voorgaande jaar. 
** Inclusief exhibitionisme. 
*** Eenmaal of vaker slachtoffer van een delictsoort. 
**** Eenmaal of vaker slachtoffer van meer delictsoorten. 
Bron: CBS, Enquête Slachtoffers Misdrijven 



Bijlage 4 341 

Tabel 3.2 
Slachtofferschap van veelvoorkomende criminaliteit onder burgers van 15 jaar 
en ouder, 1993-2005*

Geweldsdelicten totaal 
mishandeling 
bedreiging 
portemonneediefstal met geweld** 

Vermogensdelicten 
(poging tot) inbraak*** 
poging inbraak*** 
inbraak*** 
fietsdiefstal**** 
autodiefstal**** 
diefstal uit auto**** 
diefstal van portemonnee 
zonder geweld** 
overige diefstal 

Vandalismedelicten 
vernieling aan/diefstal 
vanaf auto’s**** 
overige vernielingen 

Autocriminaliteit totaal 
aanrijding met doorrijden 
aanrijding zonder doorrijden 

Andere delicten 

Overig persoonsgebonden 
slachtofferschap 

Totaal slachtofferschap 

Aantal respondenten 

 1993* 1995* 1997* 1999* 2001* 2002* 2003* 2004* 2005* 
(% één of meer keer slachtoffer) 
5,1 5,2 5,5 6,2 6,2 6,6 6,4 6,2 5,5 
0,9 0,8 1,0 1,1 1,1 1,0 0,9 0,9 1,0 
4,4 4,7 4,9 5,7 5,6 6,1 5,9 5,7 4,9 
0,5 0,4 0,3 0,3 0,4 0,3 0,3 0,3 0,3 
7,8 8,9 7,7 6,7 5,3 5,6 4,9 4,7 4,1 
5,3 5,9 5,2 4,5 3,5 3,8 3,2 3,1 2,6 
3,1 3,7 3,0 2,6 2,1 2,2 2,0 1,8 1,6 
7,3 7,6 6,6 6,4 5,5 5,7 5,2 5,0 4,5 
1,1 1,1 1,0 0,9 0,8 0,7 0,6 0,6 0,6 
10,2 10,2 7,9 7,3 6,9 8,0 7,0 6,4 5,4 
4,1 4,7 4,0 3,8 3,5 3,7 3,4 3,1 2,4 
7,9 9,2 8,9 7,3 7,1 7,3 6,5 6,8 6,5 
30,3 31,2 27,4 24,4 25,1 27,5 24,3 23,1 20,5 
7,8 8,8 9,3 8,0 8,4 9,3 7,9 7,8 7,3 
41,5 42,4 36,2 32,5 32,7 36,2 31,9 30,1 26,5 
2,4 2,7 2,6 2,4 2,4 2,7 2,4 2,5 2,1 
10,1 10,5 10,4 10,2 9,7 9,5 8,8 8,9 7,9 
1,2 1,5 1,4 1 1,3 1,4 1,2 1,3 1,2 
27,4 29,9 29,3 26,7 26,4 27,6 25,0 25,1 22,9 
50,5 53 51,5 48,8 47,7 49,5 46,9 47,0 44 
(abs.) 
50.702 75.560 76.248 77.539 88.608 25.000 90.589 49.037 52.560 
* 
De in deze tabel genoemde jaren betreffen het jaar van publicatie van de Politiemonitor Bevolking. De interviews waarop de 
gegevens zijn gebaseerd, zijn gehouden in de eerste tien weken van dat jaar. Gevraagd is naar het slachtofferschap in de 
twaalf daaraan voorafgaande maanden. 
** 1993, 1995 en 1997 beroving met en zonder geweld. 
*** In % van aantal woningen. 
**** In % van voertuigbezitters. 


Bron: Politiemonitor Bevolking 


342 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Tabel 3.3 Slachtofferschap van veelvoorkomende criminaliteit onder burgers van 15 jaar 
en ouder, 1992-2004*

(% één of meer keer slachtoffer) 
Geweldsdelicten 5,4 5,1 5,2 5,4 4,2 5,0 5,6 5,5 5,0 5,8 6 5,7 5,2 
seksuele delicten** 1,1 1,1 1,3 1,1 0,7 1,2 1,1 1,1 1,0 1,1 1,2 0,9 0,8 
mishandeling 2 1,6 1,3 1,8 1,2 1,4 1,8 1,6 1,3 1,8 1,7 1,9 1,6 
bedreiging 2,9 2,8 3,1 2,8 2,5 2,7 3,1 3,3 3,0 3,4 3,7 3,5 3,2 
Vermogensdelicten 13,5 13,5 13,8 13,9 12,5 13,2 13,0 12,5 12,3 12,0 12,8 11,9 11,9 
inbraak 2,2 2,7 2,7 2,8 2,4 2,3 1,6 1,9 1,8 1,6 1,8 1,3 1,5 
fietsdiefstal 4,4 4,2 4,7 4,5 4,2 4,8 5 4,6 4,9 4,6 4,6 4,6 4,7 
autodiefstal 0,4 0,3 0,2 0,3 0,2 0,2 0,2 0,2 0,3 0,1 0,2 0,1 0,2 
diefstal uit auto 1,9 2,2 1,7 1,9 1,7 1,9 1,5 1,8 1,7 2,1 2,6 2,4 2,1 
diefstal van portemonnee 
(zonder geweld) 
2,1 2,2 2,4 2,6 1,8 2,0 2,2 2,0 2,0 1,9 2,0 1,9 1,6 
overige diefstal 4 3,4 3,3 3,7 3,4 3,3 3,7 3,0 3,1 2,8 3,1 2,7 3,0 
Vandalismedelicten 8,7 10,3 9,9 9,7 8,8 10,4 11,1 11,6 11,0 10,5 12,1 11,1 11,4 
beschadiging van auto 5,4 6,4 5,9 6,0 5,8 6,2 6,6 7,1 7,0 6,6 7,8 7,6 7,5 
overige vernielingen 3,5 4,3 4,3 3,9 3,4 4,8 5,1 5,1 4,8 4,4 5,0 4,2 4,7 
Doorrijden na aanrijding 1,5 1,2 1,6 1,4 1,3 1,3 1,2 1,5 1,5 1,3 1,5 1,4 1,3 
Totaal 24,3 25,0 26,0 25,9 23,1 25,5 26,2 26,2 25,7 24,9 27,2 25,6 25,4 
enkelvoudig*** 18,5 19,1 20,8 20,2 18,6 20,4 20,7 20,6 20,7 19,6 21,4 20,5 20,0 
meervoudig**** 5,9 6 5,2 5,7 4,6 5,2 5,4 5,5 5,0 5,4 5,8 5,1 5,3 
(abs.) 
Aantal respondenten 3.949 4.934 5.503 5.936 5.773 8.838 9.007 10.952 8.756 10.326 8.399 10.862 9.989 
1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 
* De in deze tabel genoemde jaren betreffen het onderzoeksjaar van de CBS-enquêtes (resp. de Enquête Rechtsbescherming 
en Veiligheid (1992-1996) en de module Recht in het Permanent Onderzoek Leefsituatie (POLS); 1997-2004). De interviews 
waarop de gegevens zijn gebaseerd, zijn gehouden gedurende alle maanden van dat jaar. Afgeleid is het slachtofferschap in 
de twaalf daaraan voorafgaande maanden. 
** In 1992-1996 alleen aan vrouwen gevraagd. 
*** Eenmaal of vaker slachtoffer van een delictsoort. 

**** Eenmaal of vaker slachtoffer van meer delictsoorten. 

Bron: CBS, Enquête Rechtsbescherming en Veiligheid (1992-1996); Permanent Onderzoek Leefsituatie (1997-2004) 


Bijlage 4 343 

Tabel 3.4 Slachtofferschap van veelvoorkomende criminaliteit onder 
burgers van 15 jaar en ouder, 2005-2007*

 2005 2006 2007 
(% één of meer keer slachtoffer) 
Slachtofferschap totaal 28,8 27,2 25,8 
w.v. 
Geweldsdelicten 5,8 5,1 5,3 
seksuele delicten 0,9 0,9 1,1 
mishandeling 1,5 1,6 1,6 
bedreiging 4,1 3,1 3,2 
Vermogensdelicten 14,4 13,7 12,3 
(poging tot) inbraak 3,0 2,6 2,5 
idem, huishoudens 3,3 2,8 2,6 
poging tot inbraak 1,9 1,5 1,5 
idem, huishoudens 2,1 1,5 1,5 
inbraak 1,4 1,1 1,2 
idem, huishoudens 1,5 1,4 1,3 
fietsdiefstal 5,8 5,6 4,7 
idem, fietsbezitters 6,7 6,3 5,3 
autodiefstal (18+) 0,4 0,2 0,2 
idem, autogebruikers (18+) 0,6 0,3 0,3 
diefstal uit auto (18+) 2,0 1,7 1,7 
idem, autogebruikers (18+) 3,1 2,6 2,5 
zakkenrollerij 1,4 1,5 1,5 
zonder geweld 1,2 1,2 1,4 
met geweld 0,3 0,3 0,2 
overige diefstal 4,0 3,7 3,1 
Vandalismedelicten 13,0 12,0 11,7 
beschadiging/diefstal vanaf auto (18+) 8,9 8,1 7,9 
idem, autogebruikers (18+) 13,4 12,1 11,6 
overige vernielingen 5,1 4,9 4,7 
doorrijden na aanrijding 1,7 1,6 1,5 
Overige delicten 0,9 1,0 0,8 
(abs.) 
Aantal respondenten 5.242 20.685 19.128 
* 
De in deze tabel genoemde jaren betreffen het onderzoeksjaar van de Veiligheidsmonitor Rijk. 
De interviews waarop de gegevens zijn gebaseerd, zijn gehouden in de eerste tien weken van 
dat jaar. Afgeleid is het slachtofferschap in de twaalf daaraan voorafgaande maanden. Het gaat 
telkens om persoonlijk slachtofferschap, tenzij anders vermeld. 
Bron: Veiligheidsmonitor Rijk 


344 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Tabel 3.5 Slachtofferschap van veelvoorkomende criminaliteit naar 
geslacht en leeftijd, 2007

 Mannen Vrouwen 
(% één of meer keer slachtoffer) 
39,2 34,1 
40,7 40,5 
36,6 32,3 
29,5 28,1 
24,9 23,0 
20,7 17,2 
13,6 11,7 
7,6 8,4 
15-17 jaar 
18-24 jaar 
25-34 jaar 
35-44 jaar 
45-54 jaar 
55-64 jaar 
65-74 jaar 
75 jaar en ouder 

Bron: Veiligheidsmonitor Rijk 


Tabel 3.6 Slachtofferschap (totaal) naar achtergrondkenmerken, 2006/2007

Totaal gecorrigeerd geweldsdelicten gecorrigeerd 
Vermogens-
delicten gecorrigeerd 
Vandalisme-
delicten gecorrigeerd* ** * * ** * * ** * * ** * 
(% slachtoffer) 
(*) (*) (*) (*) (*) (*) (*) (*) 
38,0 38,5 12,6 12,7 22,2 22,5 9,8 10,0 
41,9 41,1 12,7 12,5 23,8 23,2 14,7 14,4 
35,1 34,4 7,3 7,1 17,2 16,6 16,6 16,3 
29,5 29,6 4,9 5,0 13,1 13,2 14,8 14,9 
24,3 24,7 3,9 4,0 11,4 11,7 11,5 11,6 
19,3 19,7 2,5 2,6 8,8 9,0 9,6 9,7 
13,2 13,5 1,2 1,3 6,3 6,5 6,6 6,7 
8,8 8,6 0,6 0,6 4,5 4,4 3,5 3,4 
(*) (*) (*) (*) (*) (*) (*) 
28,1 27,8 5,9 5,8 13,2 13,1 13,0 12,8 
25,1 25,3 4,6 4,6 12,8 13,0 10,8 10,9 
21,7 25,2 2,9 4,3 10,0 12,5 10,7 11,5 
28,8 30,6 6,2 7,3 13,0 14,4 14,3 14,3 
12,4 25,3 1,4 4,8 6,6 13,3 4,8 10,3 
36,0 27,9 9,3 6,3 18,8 13,5 14,4 12,2 
(*) (*) (*) (*) (*) (*) (*) 
21,1 23,2 4,2 4,8 11,1 12,0 8,3 9,3 
24,6 24,9 5,8 5,6 12,2 12,1 9,9 10,7 
28,8 27,4 5,8 5,4 13,6 12,9 13,2 12,5 
29,6 29,6 4,5 4,9 14,3 14,7 14,8 14,2 
32,8 31,3 4,9 5,0 16,2 15,7 16,9 15,6 
(*) (*) (*) (*) (*) 
25,8 26,9 5,2 5,5 12,3 12,9 11,7 12,1 
28,4 28,1 4,9 5,0 14,4 14,3 13,3 13,0 
31,0 21,8 6,1 3,1 18,2 12,8 12,2 8,7 
Leeftijd15-1718-2425-3435-4445-5455-6465-74C75

Geslachtmanvrouw

Burgerlijke staat 
gehuwdvoor de wet gescheiden 
weduwe/weduwnaarnooit gehuwd geweest 

Hoogst behaalde opleidingsniveau 

basisonderwijsmavo/vbohavo/vwo/mbohbowo

Herkomstgroeperingautochtoonwesterse allochtoon 
niet-westerse allochtoon 

Bijlage 4 345 


Tabel 3.6 (Vervolg) 

Totaal gecorrigeerd geweldsdelicten gecorrigeerd 
Vermogens-
delicten gecorrigeerd 
Vandalisme-
delicten gecorrigeerd* ** * * ** * * ** * * ** * 
5,2 13,0 11,9 
5,1 13,7 12,0 
5,3 12,3 11,7 
Type huishouden (*) (*) (*) (*) (*) (*) (*) (*) 
eenpersoonshuishouden 27,3 29,0 6,2 6,9 14,3 14,8 12,3 12,8 
paar zonder kinderen 21,3 26,3 3,0 4,8 9,6 12,3 10,5 12,3 
paar met kinderen 28,6 25,1 5,6 4,3 14,0 12,3 12,5 11,3 
eenoudergezin 35,9 30,1 10,5 8,2 19,3 15,7 12,5 11,0 
Gestandaardiseerdhuishoudinkomen (kwintielen) (*) (*) (*) (*) (*) (*) (*) (*) 
1e 20%-groep (laagste) 31,8 28,8 7,2 6,3 17,1 15,3 12,9 11,7 
2e 20%-groep 24,6 26,0 4,7 5,1 12,2 13,0 10,8 11,4 
3e 20%-groep 25,0 25,4 4,9 5,0 12,0 12,3 11,4 11,6 
4e 20%-groep 25,3 25,5 4,7 4,8 11,4 11,6 11,9 12,0 
5e 20%-groep (hoogste) 25,9 27,2 4,6 5,0 12,1 12,9 12,4 12,8 
Belangrijkste inkomensbronhuishouden (*) (*) (*) (*) (*) (*) (*) (*) 
arbeid 29,2 26,5 5,8 5,1 14,0 12,7 13,3 12,1 
uitkering 30,4 28,8 7,4 7,1 16,7 15,8 11,2 10,4 
pensioen 13,3 25,3 1,4 4,9 6,4 12,5 6,4 11,7 
Stedelijkheid woonbuurt (*) (*) (*) (*) (*) (*) (*) (*) 
zeer sterk stedelijk 34,8 33,6 7,5 7,0 19,2 18,5 15,2 14,7 
sterk stedelijk 29,0 29,2 5,8 5,9 13,8 13,9 13,2 13,3 
matig stedelijk 24,7 24,8 5,1 5,1 12,1 12,1 10,6 10,6 
weinig stedelijk 23,6 23,9 4,1 4,2 10,4 10,6 11,5 11,6 
niet stedelijk 19,6 20,2 3,4 3,6 9,1 9,4 8,4 8,7 
Totaal 2006/2007 26,5 
Totaal 2006 27,2 
Totaal 2007 25,8 
346 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

* (*) signifi cante samenhang (p < 0,05)
.
** Gecorrigeerd voor leeftijd en stedelijkheid (cijfers naar leeftijd alleen voor stedelijkheid, naar stedelijkheid alleen voor leeftijd)
.
Bron: Veiligheidsmonitor Rijk 


Bijlage 4 347 

Tabel 3.7 Ervaringen van criminaliteit onder bedrijven, 2002-2006*

 2002* 2004 2005 2006 
(% ervaart criminaliteit als probleem) 
Bouwnijverheid 23 25 22 22 
Detailhandel 53 42 40 37 
Horeca 34 34 32 30 
Transport** 35 38 34 32 
Zakelijke dienstverlening*** 22 22 19 19 
(% slachtoffer) 
Bouwnijverheid 46 30 28 28 
Detailhandel 67 49 49 45 
Horeca 59 47 45 43 
Transport** 53 42 39 37 
Zakelijke dienstverlening*** 43 29 26 25 
(% meervoudig slachtoffer) 
Bouwnijverheid 17 10 8 9 
Detailhandel 36 20 19 17 
Horeca 33 19 18 16 
Transport** 23 16 14 12 
Zakelijke dienstverlening*** 19 8 6 6 
steekproefomvang (afgerond) 
(abs.) 
Bouwnijverheid 500 5.700 6.400 5.800 
Detailhandel 700 8.800 9.000 11.800 
Horeca 300 8.900 9.500 6.200 
Transport** 400 6.500 3.900 4.800 
Zakelijke dienstverlening*** 500 7.800 9.300 9.000 
* In 2002 Monitor Bedrijven en Instellingen (MBI). Cijfers zijn niet direct vergelijkbaar met 
andere jaren. 
** In 2002 vervoer en communicatie. 
*** In 2002 fi nanciële en zakelijke dienstverlening. 
Bron: Monitor Bedrijven en Instellingen (2002); Monitor Criminaliteit Bedrijfsleven 
(2004-2006) 


348 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Tabel 3.8 Door bedrijven ondervonden criminaliteit naar delicttype, 2002-2006*

 2002* 2004 2005 2006 2004 2005 2006 2004 2005 2006 
Slachtoffer (%) Gemiddelde frequentie per 
slachtoffer-vestiging 
Geschatte totale schade 
mln euro 
18 13 13 12 2,2 2,0 2,1 55 57 52 
19 15 13 11 1,9 1,6 1,7 89 79 75 
18 17 15 13 1,8 1,7 1,8 18 18 17 
18 20 18 17 2,9 2,9 3,2 36 25 26 
8 11 9 9 1,8 1,8 1,7 84 74 66 
16 12 11 11 3,5 3,0 3,2 40 35 40 
44 32 30 28 31,9 35,4 28,4 146 141 120 
20 17 16 15 7,2 6,9 5,6 12 12 11 
15 15 12 12 6,6 4,6 4,8 22 18 15 
7 6 5 5 2,8 2,6 2,4 33 27 25 
15 12 10 11 3,1 2,7 2,8 15 15 15 
23 18 20 18 3,2 3,1 3,4 34 34 30 
28 24 24 23 4,1 4,1 4,3 12 10 10 
21 17 16 15 4,0 4,3 4,4 10 9 7 
13 12 11 10 2,5 2,2 2,5 24 22 20 
2 2 2 2 3,3 2,5 2,8 . . . 
12 7 6 5 4,5 4,9 4,8 . . . 
12 10 9 9 4,3 4,1 3,8 . . . 
12 7 5 5 6,7 6,8 4,5 . . . 
5 4 3 3 3,6 3,4 3,8 . . . 
. 3 3 4 11,5 5,8 6,5 8,5 5 7 
. 6 5 5 18,9 24,1 11,8 11 11 10 
. 7 5 5 14,6 19,8 15,9 2,3 2 2 
. 5 5 4 21,3 33,6 22,1 4 4 3 
. 7 6 5 36,8 31,3 33,5 30 21 18 
Inbraak 

Bouwnijverheid 

Detailhandel 

Horeca 

Transport** 

Zakelijke dienstverlening*** 

Diefstal 

Bouwnijverheid 

Detailhandel 

Horeca 

Transport** 

Zakelijke dienstverlening*** 

Vernieling 

Bouwnijverheid 

Detailhandel 

Horeca 

Transport** 

Zakelijke dienstverlening*** 

Geweld 

Bouwnijverheid 

Detailhandel 

Horeca 

Transport** 

Zakelijke dienstverlening*** 

Overige vormen 

Bouwnijverheid 

Detailhandel 

Horeca 

Transport** 

Zakelijke dienstverlening*** 

* In 2002 Monitor Bedrijven en Instellingen (MBI). Cijfers zijn niet direct vergelijkbaar met andere jaren. 
** In 2002 vervoer en communicatie. 
*** In 2002 fi nanciële en zakelijke dienstverlening. 
Bron: Monitor Bedrijven en Instellingen (2002); Monitor Criminaliteit Bedrijfsleven (2004-2006) 


Bijlage 4 349 

Tabel 3.9 Preventiemaatregelen in verband met criminaliteit, 1997-2004

Gewone maatregelen tegen inbraak* 
sloten/grendels op buitendeuren 
luiken voor ramen/deuren 
buitenverlichting 
alarminstallatie 
er is een waakhond 
andere voorzieningen 
geen maatregelen (incl. onbekend) 

Maatregelen tegen inbraak bij langdurige afwezigheid* 
andere mensen tijdelijk in huis 
buren e.a. houden oogje in ’t zeil 
politie wordt ingelicht 
er brandt altijd licht 
waardevolle dingen opgeborgen 
er is een waakhond 
andere maatregelen 
n.v.t./geen maatregelen (incl. onbekend) 
n.v.t./altijd iemand in huis 
geen maatregelen (incl. onbekend) 

Maatregelen tegen fietsdiefstal 
veiligheidsslot** 
postcode gegraveerd** 
fietsregistratiekaart** 
diefstalpreventiechip** 

Maatregelen tegen diefstal van/uit auto 
startonderbreker, alarminstallatie aanwezig*** 

Aantal respondenten 

 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 
(%) 
79,0 79,2 80,6 81,2 81,4 82,1 82,1 83,3 
12,3 12,2 12,8 13,0 12,9 12,4 14,0 13,5 
74,2 75,9 75,6 76,0 74,7 77,3 76,8 78,4 
7,6 8,4 8,5 8,6 9,1 9,0 9,4 9,3 
16,6 16,5 14,7 15,3 16,2 15,7 16,7 15,7 
9,7 10,7 9,8 10,2 8,8 8,1 7,5 8,5 
7,5 6,6 6,4 6,1 6,1 5,9 5,8 5,3 
13,1 14,4 12,3 13,0 12,3 13,3 13,6 12,0 
79,2 80,5 80,7 81,6 79,7 80,4 80,0 79,8 
9,9 10,4 10,3 10,0 8,5 7,5 6,8 6,6 
43,0 45,7 43,6 46,2 43,8 42,6 41,3 40,1 
48,2 49,6 49,8 51,1 50,2 48,9 48,3 50,3 
5,7 5,9 5,7 6,2 5,6 4,6 5,4 3,8 
4,7 5,5 4,8 5,0 4,4 4,7 4,9 4,3 
12,4 12,0 . . . . 0,0 
. . 9,2 7,9 8,7 9,2 9,0 9,9 
. . 4,0 3,8 5,4 4,1 4,5 4,3 
82,2 82,2 83,9 84,6 85,3 86,3 85,1 86,3 
35,8 34,3 32,6 31,5 31,0 29,3 26,1 24,8 
25,9 24,9 24,3 24,3 22,0 23,4 20,8 
. . . . . . . 5,9 
17,5 23,0 32,7 40,2 41,3 44,5 45,9 52,2 
(abs.) 
3.586 4.554 4.421 4.338 4.138 4.178 4.317 9.989 
* % personen bij wie thuis de betreffende maatregelen zijn genomen. 
** In % van fi etsbezitters. 
*** In % van autogebruikers (in 1997 en 1998 alleen indien de autogebruiker zelf deze voorziening heeft aangebracht of laten 
aanbrengen). 

Bron: CBS, Permanent Onderzoek Leefsituatie (POLS) 


350 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Tabel 3.10 Preventiemaatregelen in verband met criminaliteit, 2001-2005

Woningen 
met inbraakalarm 
met extra hang- en sluitwerk 
waarbij men wel eens licht laat branden bij afwezigheid 
met extra buitenverlichting 

Inbraakpreventie totaal 

Aantal respondenten 

 2001 2002 2003 2004 2005 
(%) 
8,1 8,8 8,6 9,5 10,2 
76,6 77,0 76,7 77,3 77,7 
74,1 72,1 72,8 72,7 71,8 
70,1 70,1 69,9 70,7 72,2 
5,7 5,7 5,7 5,8 5,8 
(abs.) 
88.608 25.000 90.589 49.037 52.560 
Bron: Politiemonitor Bevolking. 

Tabel 3.11 Preventiemaatregelen in verband met criminaliteit, 2005-2007 

Inbraakalarm 
Extra hang- en sluitwerk 
Extra buitenverlichting 
Luiken voor ramen en deuren 
Politiekeurmerk Veilig Wonen 

Inbraakpreventie 

Fiets verzekerd tegen fietsdiefstal 
Fiets voorzien van diefstalpreventiechip 

Auto met alarminstallatie/startonderbreker 
Auto met zelf aangebrachte alarminstallatie/startonderbreker 

Mobiele telefoon met pincode 

PC met wachtwoord 

Bron: Veiligheidsmonitor Rijk 

2005 2006 2007 
(% thuis aanwezig) 
11,8 10,9 11,5 
82,4 82,6 82,8 
78,9 77,7 80,1 
14,9 15,1 15,7 
14,6 15,3 16,0 
schaalscore 
4,1 4,0 4,1 
(% van fietsbezitters) 
46,9 45,2 46,3 
10,0 10,4 11,3 
(% van autogebruikers) 
56,2 56,5 57,1 
6,7 6,0 5,0 
(% van mobiele-telefoonbezitters) 
86,7 86,7 87,1 
(% van pc-bezitters) 
62,4 63,1 65,4 

Bijlage 4 351 

Tabel 3.12 Preventiemaatregelen bij bedrijven, 2002-2006* 

2002* 2004 2005 2006 
(% neemt preventieve maatregelen) 
Bouwnijverheid 65 66 65 64 
Detailhandel 80 81 82 80 
Horeca 83 77 77 77 
Transport** 74 73 72 71 
Zakelijke dienstverlening*** 73 74 76 75 
(% wint advies in) 
Bouwnijverheid . 12 13 11 
Detailhandel . 25 24 22 
Horeca . 21 20 19 
Transport** . 19 18 17 
Zakelijke dienstverlening*** . 17 15 15 
(% neemt deel aan projecten) 
Bouwnijverheid 5 3 4 3 
Detailhandel 6 6 6 6 
Horeca 11 8 8 8 
Transport** 5 5 5 5 
Zakelijke dienstverlening** 5 4 4 4 
steekproefomvang (afgerond) 
(abs.) 
Bouwnijverheid 500 5.700 6.400 5.800 
Detailhandel 700 8.800 9.000 11.800 
Horeca 300 8.900 9.500 6.200 
Transport** 400 6.500 3.900 4.800 
Zakelijke dienstverlening*** 500 7.800 9.300 9.000 
* In 2002 Monitor Bedrijven en Instellingen (MBI). Cijfers zijn niet direct vergelijkbaar met andere 
jaren. 
** In 2002 vervoer en communicatie. 
*** In 2002 fi nanciële en zakelijke dienstverlening. 

Bron: Monitor Bedrijven en Instellingen (2002); Monitor Criminaliteit Bedrijfsleven (2004-2006) 


352 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Tabel 3.13 Preventiemaatregelen door bedrijven per sector naar aard maatregelen, 2006 

Bouwnijverheid 
Detailhandel 
Horeca 
TransportZakelijke dienstverlening 

40 27 34 
50 42 27 
51 39 28 
48 33 26 
49 38 32 
Alarm Extra 
sloten 
Extra zwaar hang- 
en sluitwerk 
Hek-
werken 
Beveiligngs-
dienst/portier 
Extra 
verlichting 
Camera’s/ 
infrarood 
luid stil 
(% dat de betreffende maatregelen heeft genomen) 
18 23 8 12 8 
12 11 9 8 23 
13 5 11 8 22 
11 22 16 11 16 
18 8 12 8 9 
Bron: Monitor Criminaliteit Bedrijfsleven 

Tabel 3.14 Onveiligheidsgevoelens in verband met criminaliteit, 2000-2004

Voelt zich wel eens onveilig 
Bang alleen thuis 
Angst bij opendoen 
Onveilige plekken in buurt*** 
Ander uitgaansgedrag 
Grote inbraakkans 

Aantal respondenten 

20,7 22,4 25,4 23,6 21,8 
19,8 18,7 17,7 16,8 16,0 
55,7 56,8 56,9 57,0 60,5 
29,2 29,2 29,8 28,8 28,6 
15,4 15,0 14,4 14,5 12,4 
5,8 6,1 5,9 5,5 5,0 
4.338 34.593 4.138 20.648 4.178 19.524 4.317 21.417 9.989 18.577 
2000 2001 2002 2003 2004 
* ** * ** * ** * ** *** ** 
(%) 
* POLS, module Recht en Participatie. 
** POLS, basisvragenlijst. 
*** POLS, module Recht. 

Bron: CBS, Permanent Onderzoek Leefsituatie (POLS) 


Bijlage 4 353 

Tabel 3.15 Onveiligheidsgevoelens in verband met criminaliteit, 2001-2005 

Voelt zich wel eens onveilig 
Voelt zich vaak onveilig 

Mijdt bepaalde plekken in woonplaats vanwege onveiligheid 
Doet ’s avonds en ’s nachts niet open vanwege onveiligheid 
Laat waardevolle spullen thuis om beroving/diefstal te voorkomen 
Rijdt of loopt om om onveilige plekken te mijden 
Staat kinderen niet toe ergens naar toe te gaan vanwege onveiligheid* 
Maakt geen gebruik van openbaar vervoer vanwege onveiligheid 

Beleving van onveiligheid 

Aantal respondenten 

* Alleen personen met kinderen tot 15 jaar. 
Bron: Politiemonitor Bevolking 

Tabel 3.16 Onveiligheidsgevoelens in verband met criminaliteit, 2005-2007 

2001 2002 2003 2004 2005 
(%) 
28,5 30,8 27,7 26,9 24,0 
5,5 5,4 5,0 4,3 3,7 
(% ‘komt vaak voor’) 
10,4 11,0 9,9 9,0 8,0 
16,7 18,1 16,6 17,0 16,3 
15,5 16,9 15,8 16,9 14,3 
9,1 9,1 8,2 7,7 6,8 
26,3 22,4 23,1 20,5 18,7 
2,6 
schaalscore 
2,9 3,0 2,9 2,8 2,7 
(abs.) 
88.608 25.000 90.589 49.037 52.560 
Voelt zich wel eens onveilig 
Voelt zich vaak onveilig 

Mijdt bepaalde plekken in woonplaats vanwege onveiligheid 
Doet ’s avonds en ’s nachts niet open vanwege onveiligheid 
Laat waardevolle spullen thuis om beroving/diefstal te voorkomen 
Rijdt of loopt om om onveilige plekken te mijden 
Staat kinderen niet toe ergens naar toe te gaan vanwege onveiligheid* 
Maakt geen gebruik van openbaar vervoer vanwege onveiligheid** 

Beleving van onveiligheid 

Aantal respondenten 

* Alleen personen met kinderen tot 15 jaar. 
** Exclusief personen die niet gebruikmaken van het openbaar vervoer. 
Bron: Veiligheidsmonitor Rijk 

2005 2006 2007 
(%) 
27,0 23,7 21,8 
4,8 3,8 2,9 
% ‘komt vaak voor’ 
9,0 8,0 7,0 
14,6 15,3 14,1 
12,6 10,3 9,2 
7,9 6,6 5,9 
20,3 20,1 18,7 
3,2 2,5 1,9 
schaalscore 
2,8 2,6 2,5 
(abs.) 
5.242 20.865 19.128 

354 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Tabel 3.17 Onveiligheidsgevoelens in verband met criminaliteit naar 
geslacht en leeftijd, 2007 

Mannen Vrouwen 
(% voelt zich weleens onveilig) 
17,1 27,9 
18,0 42,7 
15,2 32,9 
15,5 29,8 
15,7 26,5 
15,9 24,4 
12,6 21,2 
11,3 17,0 
15-17 jaar 
18-24 jaar 
25-34 jaar 
35-44 jaar 
45-54 jaar 
55-64 jaar 
65-74 jaar 
75 jaar en ouder 

Bron: Veiligheidsmonitor Rijk 


Bijlage 4 355 

Tabel 3.18 Onveiligheidsgevoelens naar achtergrondkenmerken, 2006/2007 

Leeftijd15-1718-2425-3435-4445-5455-64 
65-74C75

Geslachtmanvrouw

Burgerlijke staat 
gehuwdvoor de wet gescheiden 
weduwe/weduwnaarnooit gehuwd geweest 

Hoogst behaalde opleidingsniveau 
basisonderwijsmavo/vbohavo/vwo/mbohbowo

Herkomstgroeperingautochtoonwesterse allochtoon 
niet-westerse allochtoon 

Type huishouden 
eenpersoonshuishoudenpaar zonder kinderen 
paar met kinderen 
eenoudergezin

Gestandaardiseerd huishoudinkomen (kwintielen) 
1e 20%-groep (laagste) 
2e 20%-groep 
3e 20%-groep 
4e 20%-groep 
5e 20%-groep (hoogste) 

 (*) (*) (*) (*) 
25,1 2,0 2,2 
29,5 3,7 3,5 
24,6 3,1 2,9 
23,7 3,1 3,2 
22,6 3,0 3,1 
21,7 3,9 4,1 
18,0 4,1 4,1 
14,2 3,3 3,1 
(*) (*) (*) (*) 
16,2 2,0 2,0 
29,2 4,6 4,6 
(*) (*) (*) (*) 
22,1 3,2 3,4 
26,0 5,8 5,2 
19,4 3,8 2,9 
23,7 2,9 2,9 
(*) (*) (*) (*) 
21,4 4,8 4,6 
21,9 3,7 3,8 
23,1 3,0 3,0 
24,4 2,0 2,0 
24,8 2,4 2,2 
(*) (*) (*) (*) 
22,2 2,8 2,9 
25,5 4,8 4,4 
25,3 6,6 6,0 
(*) (*) (*) (*) 
25,3 4,6 4,0 
23,4 3,2 3,1 
21,1 2,6 3,0 
23,8 5,3 4,8 
(*) (*) 
23,7 4,3 4,1 
22,8 4,0 3,9 
22,7 3,5 3,6 
21,6 2,6 2,7 
23,1 2,3 2,4 
Voelt zich wel eens onveilig Voelt zich vaak onveilig 
gecorrigeerd gecorrigeerd 
* 
** 
* * ** * 
24,3 
30,1 
25,4 
23,3 
22,1 
21,2 
18,1 
15,4 
16,3 
29,1 
20,5 
27,6 
18,3 
26,1 
21,5 
22,1 
23,4 
23,5 
24,9 
21,5 
26,5 
30,6 
25,8 
21,1 
21,8 
28,5 
25,6 
22,5 
22,3 
21,2 
22,1 

356 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Tabel 3.18 (Vervolg) 

Belangrijkste inkomensbron huishouden 
arbeiduitkeringpensioen

Stedelijkheid woonbuurt 
zeer sterk stedelijk 
sterk stedelijk 
matig stedelijk 
weinig stedelijk 
niet stedelijk 

Totaal 2006/2007 
Totaal 2006 
Totaal 2007 

3,3 
3,8 
2,9 
Voelt zich wel eens onveilig Voelt zich vaak onveilig 
gecorrigeerd gecorrigeerd 
* 
** 
* * ** * 
(*) (*) (*) (*) 
22,6 21,8 2,6 2,6 
30,5 28,6 7,9 7,4 
18,9 23,6 4,1 4,4 
(*) (*) (*) (*) 
31,1 30,5 5,5 5,5 
26,3 26,3 4,0 4,0 
22,2 22,3 3,2 3,2 
17,8 17,9 2,2 2,2 
15,3 15,7 1,4 1,4 
22,8 
23,7 
21,8 
* (*) signifi cante samenhang (p < 0,05). 
** Gecorrigeerd voor leeftijd, geslacht en stedelijkheid (cijfers naar leeftijd alleen voor geslacht en stedelijkheid; cijfers naar 
geslacht alleen voor leeftijd en stedelijkheid; cijfers naar stedelijkheid alleen voor leeftijd en geslacht). 

Bron: Veiligheidsmonitor Rijk 

Tabel 3.19 
Door Slachtofferhulp Nederland verleende hulpverlening 
(beëindigde zaken) naar soort delict, 2001-2005 

Totaal hulpverleningen 

Hulpverleningen bij: 
geweldsdelicten 
zedendelicten 
verkeersongevallen 
vermogensdelicten 

Overige hulpverlening 

80.568 82.575 84.841 85.399 87.148 
26.633 30.329 32.076 35.384 38.430 
4.607 4.575 4.392 4.639 4.710 
20.276 20.236 20.611 19.584 19.078 
22.897 21.240 21.252 19.008 18.001 
6.155 6.195 6.510 6.784 6.929 
2001 2002 2003 2004 2005 
(abs.) 
Bron: Slachtofferhulp Nederland/bewerking CBS 


Tabel 3.20 Ontwikkeling van enkele delictscategorieën volgens de slachtofferenquêtes en de Politiestatistiek,
1980-2007

Delicten tegen burgers(in Nederland ondervonden) 
Delicten* die bij de politie zijn gemeld Delicten* waarbij een documentis ondertekend 
Door de politie geregistreerdemisdrijven 
gewelds-
delicten 
vermogens-
delicten 
vandalisme-
delicten 
gewelds-
delicten 
vermogens-
delicten 
vandalisme-
delicten 
gewelds-
delicten 
vermogens-
delicten 
vandalisme-
delicten 
gewelds-
delicten 
vermogens-
delicten 
vandalisme-
delicten 
(x 1.000) 
1980** 654 1.385 1.370 147 643 273 . . . 27 501 71 
1982** 919 1.704 1.501 152 760 292 . . . 32 684 90 
1984** 1.077 1.791 1.416 253 889 323 . . . 35 833 97 
1986** 890 1.834 1.283 235 940 289 . . . 40 841 105 
1988** 886 1.708 1.281 186 882 238 . . . 45 857 117 
1990** 937 1.756 1.273 128 861 309 . . . 50 840 124 
1992*** 972 1.895 1.408 250 974 255 98 847 160 59 950 132 
1993*** 849 1.819 1.609 275 951 355 125 860 261 62 956 128 
1994*** 866 1.871 1.559 270 1.032 291 116 920 213 67 978 131 
1995*** 842 1.980 1.497 264 967 329 137 861 234 65 905 130 
1996*** 722 1.674 1.447 204 845 326 108 744 254 67 834 144 
1997**** 860 1.853 1.656 223 953 405 132 836 299 75 846 161 
1998**** 954 1.812 1.755 204 865 407 134 715 279 77 844 163 
1999**** 998 1703 1887 249 831 483 131 726 353 87 877 171 
2000**** 896 1791 1796 211 881 433 126 803 321 92 896 170 
2001**** 1.058 1.678 1.693 265 855 399 160 747 307 101 922 172 
2002**** 1.081 1.892 1.961 255 1.009 469 138 900 335 104 928 172 
2003**** 1.093 1.716 1.815 287 880 472 169 780 358 106 880 163 
2004**** 964 1761 1844 289 868 474 171 754 357 110 815 172 
2005***** 1302 2233 2410 400 1.004 651 183 832 391 111 744 183 
2006***** 1096 2107 2185 345 964 598 184 716 386 109 703 186 
2007***** 1157 1840 2119 365 861 540 209 690 363 . . . 
* Alleen delicten tegen burgers (in Nederland ondervonden).
Voor ondervonden, gemelde en ondertekende delicten:

** ESM; verslagjaar; gegevens teruggerekend op basis van vergelijking met ERV-gegevens. Geen informatie bekend over delicten waarbij een document is ondertekend.
*** ERV; onderzoeksjaar.
**** POLS; onderzoeksjaar.
***** VMR; onderzoeksjaar.


Bron: CBS, Enquête Slachtoffers Misdrijven (1980-1990); Enquête Rechtsbescherming en Veiligheid (1992-1996); Permanent Onderzoek Leefsituatie (1997-2004); Politiestatistiek(1980-2006); Veiligheidsmonitor Rijk (2005-2007) 

Bijlage 4 357 


358 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Tabel 3.21 Delicten tegen burgers (in Nederland ondervonden), 

2000-2004 

2000 2001 2002 2003 2004 
(x 1.000) 
896 1.058 1.081 1.093 964 
157 196 204 162 136 
197 271 251 279 255 
541 591 625 653 573 
1.791 1.678 1.892 1.716 1.761 
125 109 131 86 106 
770 696 735 709 735 
239 281 355 306 270 
211 217 232 225 206 
416 359 415 374 420 
1.796 1.693 1.961 1.815 1.844 
1.028 998 1.154 1.146 1.122 
768 695 807 668 722 
191 185 207 184 178 
4.674 4.614 5.141 4.808 4.748 
(abs.) 
8.756 10.326 8.399 10.862 9.989 
Geweldsdelicten 
seksuele delicten 
mishandeling 
bedreiging 

Vermogensdelicten 

w.o. (poging tot) inbraak 
fietsdiefstal 
diefstal uit auto 
zakkenrollerij 
overige diefstal 
Vandalismedelicten 
beschadiging/diefstal vanaf auto 
overige vernielingen 

Doorrijden na aanrijding 

Totaal * 

Steekproefaantal 

* Exclusief overige delicten. 
Bron: CBS, Permanent Onderzoek Leefsituatie (POLS) 


Bijlage 4 359 

Tabel 3.22 Delicten tegen burgers (in Nederland ondervonden), 

2005-2007 

2005 2006 2007 
(x 1.000) 
1.302 1.096 1.157 
181 181 201 
254 259 281 
867 657 675 
Geweldsdelicten 
seksuele delicten 
mishandeling 
bedreiging 

Vermogensdelicten 

w.o. (poging tot) inbraak 
fietsdiefstal 
diefstal uit auto 
zakkenrollerij 
overige diefstal 
Vandalismedelicten 
beschadiging/diefstal vanaf auto 
overige vernielingen 

Doorrijden na aanrijding 

Totaal * 

Steekproefaantal 

* Exclusief overige delicten. 
Bron: Veiligheidsmonitor Rijk 

2.233 2.107 1.840 
156 162 149 
965 909 763 
274 241 232 
182 176 181 
610 589 492 
2.410 2.185 2.119 
1.519 1.312 1.264 
891 873 854 
233 221 209 
6.178 5.609 5.325 
5.242 20.865 19.128 

360 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Tabel 3.23 Door bedrijven ondervonden delicten naar delictsoort, 
2004-2006 

Inbraken 
bouwnijverheid 
detailhandel 
horeca 
transport 
zakelijke dienstverlening 

Diefstallen 
bouwnijverheid 
detailhandel 
horeca 
transport 
zakelijke dienstverlening 

Vernielingen 
bouwnijverheid 
detailhandel 
horeca 
transport 
zakelijke dienstverlening 

Overige vormen (exclusief geweld) 
bouwnijverheid 
detailhandel 
horeca 
transport 
zakelijke dienstverlening 

2004 2005 2006 
Geschat aantal delicten 
(x 1.000) 
21 18 18 
42 32 29 
12 10 9 
17 15 16 
34 27 25 
27 22 24 
1.500 1.600 1.200 
49 45 33 
27 16 16 
28 21 20 
24 18 19 
86 88 89 
38 37 38 
19 19 18 
47 38 39 
27 14 16 
170 200 86 
40 42 33 
33 49 26 
440 340 300 
Bron: Monitor Criminaliteit Bedrijfsleven 


Bijlage 4 361 

Tabel 3.24 Delicten tegen burgers (in Nederland ondervonden) 

die bij de politie zijn gemeld, 2000-2004 

Geweldsdelicten 
seksuele delicten 
mishandeling 
bedreiging 
Vermogensdelicten 

2000 2001 2002 2003 2004 
(per 100 ondervonden delicten) 
23,5 25,0 23,6 26,3 30,0 
6,8 8,5 5,5 9,8 9,5 
40,5 41,8 45,7 41,0 40,2 
22,2 22,9 20,6 24,0 30,5 
w.o. (poging tot) inbraak 
fietsdiefstal 
diefstal uit auto 
zakkenrollerij 
overige diefstal 
Vandalismedelicten 
beschadiging/diefstal vanaf auto 
overige vernielingen 

Doorrijden na aanrijding 

Totaal * 

Steekproefaantal 

49,3 50,9 53,3 51,3 49,3 
90,7 93,7 96,3 92,5 88,9 
37,1 41,2 40,3 39,0 42,2 
80,1 77,1 77,3 80,8 71,9 
59,2 59,4 61,8 60,8 63,0 
33,7 29,2 35,7 33,6 27,9 
24,1 23,5 24,0 26,0 25,7 
23,8 23,7 24,1 26,7 24,6 
24,5 23,3 23,8 24,8 27,4 
40,7 36,6 31,3 28,1 37,3 
34,3 34,4 35,0 35,2 35,8 
8.756 10.326 8.399 10.862 9.989 
* Exclusief overige delicten. 
Bron: CBS, Permanent Onderzoek Leefsituatie (POLS) 


362 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Tabel 3.25 Delicten tegen burgers (in Nederland ondervonden) die bij 

de politie zijn gemeld, 2005-2007

 2005 2006 2007 
(per 100 ondervonden delicten) 
30,7 31,4 31,5 
11,3 12,6 11,3 
52,8 44,8 51,4 
28,3 31,4 29,3 
Geweldsdelicten 
seksuele delicten 
mishandeling 
bedreiging 

Vermogensdelicten 

w.o. (poging tot) inbraak 
fietsdiefstal 
diefstal uit auto 
zakkenrollerij 
overige diefstal 
Vandalismedelicten 
beschadiging/diefstal vanaf auto 
overige vernielingen 

Doorrijden na aanrijding 

Totaal * 

Steekproefaantal 

* Exclusief overige delicten. 
Bron: Veiligheidsmonitor Rijk 

45,0 45,8 46,8 
71,7 77,2 76,6 
37,5 39,4 38,0 
79,3 69,0 78,2 
54,1 68,6 61,9 
28,1 28,7 28,7 
27,0 27,4 25,5 
30,3 28,5 26,3 
21,3 25,7 24,3 
32,4 31,0 39,8 
35,9 36,8 36,4 
5.242 20.865 19.128 

Bijlage 4 363 

Tabel 3.26 
Delicten tegen burgers (in Nederland ondervonden) 
waarbij een document is ondertekend, 2000-2004

Geweldsdelicten 
seksuele delicten 
mishandeling 
bedreiging 

 2000 2001 2002 2003 2004 
(per 100 ondervonden delicten) 
14,1 15,2 12,9 15,5 17,8 
1,4 6,1 2,1 5,3 6,1 
29,6 30,7 32,1 27,3 30,8 
12,1 11,0 8,7 13,0 14,7 
Vermogensdelicten 

w.o. (poging tot) inbraak 
fietsdiefstal 
diefstal uit auto 
zakkenrollerij 
overige diefstal 
Vandalismedelicten 
beschadiging/diefstal vanaf auto 
overige vernielingen 

Doorrijden na aanrijding 

Totaal * 

Steekproefaantal 

44,8 44,5 47,9 45,6 43,1 
84,4 82,7 91,6 82,1 79,9 
34,5 36,7 35,2 33,9 35,8 
77,0 69,9 75,0 76,5 67,0 
48,6 50,7 53,5 57,3 57,4 
28,2 22,1 28,7 25,2 21,7 
17,9 18,2 17,2 19,8 19,5 
19,7 19,8 18,1 22,0 21,3 
15,4 15,8 15,8 15,9 16,7 
25,8 22,3 22,9 19,1 25,5 
27,8 27,2 27,8 28,0 28,1 
8.756 10.326 8.399 10.862 9.989 
* Exclusief overige delicten. 
Bron: CBS, Permanent Onderzoek Leefsituatie (POLS) 


364 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Tabel 3.27 Delicten tegen burgers (in Nederland ondervonden) 
waarbij een document is ondertekend, 2005-2007 

2005 2006 2007 
(per 100 ondervonden delicten) 
14,1 16,8 18,1 
6,2 6,7 5,3 
27,7 30,4 38,4 
11,7 14,2 13,4 
Geweldsdelicten 
seksuele delicten 
mishandeling 
bedreiging 

Vermogensdelicten 

w.o. (poging tot) inbraak 
fietsdiefstal 
diefstal uit auto 
zakkenrollerij 
overige diefstal 
Vandalismedelicten 
beschadiging/diefstal vanaf auto 
overige vernielingen 

Doorrijden na aanrijding 

Totaal * 

Steekproefaantal 

* Exclusief overige delicten. 
Bron: Veiligheidsmonitor Rijk 

37,2 34,0 37,5 
61,6 65,4 65,4 
28,5 27,9 28,9 
76,9 60,4 64,4 
51,5 50,5 53,3 
18,6 16,4 21,2 
16,2 17,6 17,1 
19,3 21,0 19,2 
10,9 12,6 14,2 
24,0 21,9 24,5 
24,3 24,7 25,7 
5.242 20.865 19.128 

Bijlage 4 365 

Tabel 3.28 
Melding en aangifte van delicten door het bedrijfsleven, 
2002-2006* 

Totaal 
bouwnijverheid 
detailhandel 
horeca 
transport** 
zakelijke dienstverlening*** 

Inbraken 
bouwnijverheid 
detailhandel 
horeca 
transport** 
zakelijke dienstverlening*** 

Diefstallen 
bouwnijverheid 
detailhandel 
horeca 
transport** 
zakelijke dienstverlening*** 

Vernielingen 
bouwnijverheid 
detailhandel 
horeca 
transport** 
zakelijke dienstverlening*** 

Geweldsdelicten 
bouwnijverheid 
detailhandel 
horeca 
transport** 
zakelijke dienstverlening*** 

Overige vormen 
bouwnijverheid 
detailhandel 
horeca 
transport** 
zakelijke dienstverlening*** 

. 66 64 66 37 37 36 
. 64 63 61 25 25 23 
. 69 67 63 22 22 21 
. 70 68 69 35 33 35 
. 65 60 66 31 31 32 
87 84 87 86 41 47 45 
86 88 87 88 26 25 25 
82 88 89 87 20 19 20 
88 83 83 80 35 36 35 
86 89 90 87 36 39 34 
61 51 51 51 31 31 29 
55 47 48 45 18 19 17 
49 45 44 41 19 19 17 
66 63 63 60 35 33 32 
75 65 59 67 40 33 39 
41 46 46 47 25 24 24 
41 46 44 44 17 18 17 
28 46 45 45 14 15 13 
42 50 50 47 22 22 23 
37 47 46 48 21 26 23 
48 56 42 40 30 23 17 
49 59 57 52 15 14 12 
46 68 64 66 17 16 16 
54 56 59 56 22 18 23 
45 55 53 53 21 21 22 
. 36 39 37 18 18 16 
. 46 43 44 18 19 16 
. 52 54 52 12 15 15 
. 45 39 48 24 17 21 
. 29 28 29 13 14 13 
2002* 2004 2005 2006 2004 2005 2006 
Melding bij politie aangifte bij politie 
(%) (%) 
* In 2002 Monitor Bedrijven en Instellingen (MBI). Cijfers zijn niet direct vergelijkbaar met andere jaren. 
** In 2002 vervoer en communicatie. 
*** In 2002 fi nanciële en zakelijke dienstverlening. 
Bron: Monitor Bedrijven en Instellingen (2002); Monitor Criminaliteit Bedrijfsleven (2004-2006) 


366 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Tabellen bij hoofdstuk 4 
Tabel 4.1 Geregistreerde criminaliteit* 


1980 
1981 
1982 
1983 
1984 
1985 
1986 
1987 
1988 
1989 
1990 
1991 
1992 
1993 
1994 
1995 
1996 
1997 
1998 
1999 
2000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006 

Geregistreerde 
criminaliteit 
Opgehelderde 
misdrijven 
Gehoorde verdachten 
totaal mannen vrouwen mannen vrouwen 
(x 1.000) % 
705,7 210,1 209,9 190,3 19,7 90,7 9,4 
812,1 234,6 230,4 208,5 21,9 90,5 9,5 
922,9 247,9 247,5 223,6 23,9 90,3 9,7 
986,3 257,7 254,2 229,2 25,1 90,2 9,9 
1.083,4 272,5 269,9 241,0 28,7 89,3 10,6 
1.093,7 262,8 265,6 235,2 30,5 88,6 11,5 
1.097,1 261,1 258,5 230,4 28,2 89,1 10,9 
1.129,5 266,6 254,7 226,0 28,7 88,7 11,3 
1.146,2 266,1 253,8 224,7 29,1 88,5 11,5 
1.159,6 266,5 256,0 227,4 28,6 88,8 11,2 
1.150,2 255,6 249,0 220,1 29,0 88,4 11,6 
1.181,8 238,1 244,5 216,0 28,5 88,3 11,7 
1.268,5 242,5 248,8 219,1 29,6 88,1 11,9 
1.272,3 237,7 242,7 212,3 30,4 87,5 12,5 
1.313,6 236,3 242,7 212,8 30,0 87,7 12,4 
1.226,7 209,9 247,0 215,9 31,1 87,4 12,6 
1.186,3 204,6 252,8 221,3 31,5 87,5 12,5 
1.219,9 197,0 263,3 230,1 33,1 87,4 12,6 
1.234,9 210,4 276,1 244,1 32,0 88,4 11,6 
1.303,4 210,2 279,8 246,6 32,7 88,3 11,7 
1.328,9 206,8 282,2 249,5 32,7 88,4 11,6 
1.379,5 233,1 294,4 259,2 35,2 88,0 12,0 
1.401,9 256,0 319,3 279,6 39,6 87,6 12,4 
1.369,3 280,0 346,0 302,0 43,9 87,3 12,7 
1.319,5 288,8 360,8 314,8 46,1 87,2 12,8 
1.255,1 278,6 349,6 302,1 47,5 86,4 13,6 
1.218,4 278,6 358,3 307,6 50,7 85,8 14,2 
* 
Ten opzichte van de vorige editie van deze publicatie zijn de gegevens op een aantal punten bijgesteld. In 2006 is door het CBS 
en de politie overlegd over de afstemming van de operationalisaties van begrippen. Dit overleg heeft geleid tot aanpassing 
van de operationalisaties voor een aantal politieregio’s en daarmee tot een herberekening van de criminaliteitscijfers van deze 
regio’s. Het resultaat is een overwegend neerwaartse bijstelling van de cijfers voor de periode 1998-2004. 
Enkele uikomsten in de periode 1996-2005 zijn aangepast op grond van nagekomen en aanvullende informatie: 
1. 
Het aantal geregistreerde gevallen van ‘heling’, ‘misdrijven tegen het openbaar gezag’, en ‘overige misdrijven Wetboek 
van Strafrecht’ in de politieregio Amsterdam-Amstelland over de jaren 1999-2005 is te laag geweest. 
2. 
Het aantal geregistreerde opiummisdrijven in de politieregio Haaglanden over de jaren 1996 en 1997 is te hoog geweest. 
3. 
Het aantal geregistreerde gevallen van ‘rijden onder invloed’ in een aantal politieregio’s over de jaren 1997-2005 is te laag 
geweest, door een afwijkende manier van vastlegging van dit delict. 
De verbeteringen hebben geen noemenswaardig effect op de ontwikkeling van de totale geregistreerde criminaliteit in 
Nederland over de periode 1996-2005. 
Voor 1997 is de verhouding tussen gehoorde meer- en minderjarige verdachten geraamd op grond van verhoudingen in de 
omliggende jaren. 

Bron: CBS 


Bijlage 4 367 

Tabel 4.2 Geregistreerde geweldsmisdrijven 

Geregistreerde 
criminaliteit 
Opgehelderde 
misdrijven 
Gehoorde verdachten 
totaal mannen vrouwen mannen vrouwen 
(x 1.000) (%) 
26,5 17,4 19,9 18,9 1,0 95,0 5,0 
29,0 18,4 21,1 20,1 1,0 95,3 4,7 
31,6 19,5 22,2 21,1 1,1 95,0 5,0 
32,3 19,7 22,5 21,4 1,1 95,1 4,9 
34,9 21,3 23,8 22,6 1,2 95,0 5,0 
37,2 22,3 25,4 24,0 1,4 94,5 5,5 
39,8 23,9 26,5 25,1 1,4 94,7 5,3 
40,9 24,1 26,1 24,7 1,4 94,6 5,4 
45,3 26,1 27,4 25,9 1,6 94,5 5,8 
50,8 27,9 28,5 26,9 1,7 94,4 6,0 
49,6 27,5 28,9 27,0 1,9 93,4 6,6 
51,8 26,2 29,0 27,1 1,9 93,4 6,6 
58,5 28,4 32,3 30,1 2,2 93,2 6,8 
61,6 30,3 33,0 30,5 2,5 92,4 7,6 
67,1 29,8 34,8 32,2 2,7 92,5 7,8 
65,3 28,9 38,6 35,4 3,2 91,8 8,2 
67,4 29,9 40,9 37,4 3,5 91,4 8,6 
74,7 33,1 45,3 41,7 3,7 91,8 8,2 
76,8 35,2 46,6 43,0 3,7 92,2 7,8 
87,1 38,8 51,7 47,4 4,3 91,7 8,3 
91,7 39,6 53,9 49,5 4,4 91,9 8,1 
101,3 45,2 56,8 51,8 5,0 91,2 8,8 
104,3 50,0 61,5 55,8 5,7 90,7 9,3 
106,4 55,9 66,7 60,3 6,3 90,5 9,5 
109,9 62,6 75,3 67,6 7,7 89,8 10,2 
110,5 65,1 78,3 69,7 8,6 89,0 11,0 
109,2 65,2 80,5 71,2 9,4 88,4 11,6 
1980 
1981 
1982 
1983 
1984 
1985 
1986 
1987 
1988 
1989 
1990 
1991 
1992 
1993 
1994 
1995 
1996 
1997 
1998 
1999 
2000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006 

Zie toelichting bij tabel 4.1. 

Bron: CBS 


368 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Tabel 4.3 Geregistreerde vermogensmisdrijven 

totaal mannen vrouwen mannen vrouwen 
(x 1.000) (%) 
1980 500,9 96,8 87,6 73,3 14,3 83,7 16,3 
1981 590,8 114,3 100,9 84,7 16,2 83,9 16,1 
1982 684,1 124,1 113,3 95,7 17,7 84,5 15,6 
1983 750,3 136,3 122,8 104,0 18,8 84,7 15,3 
1984 832,9 149,4 135,2 113,3 21,9 83,8 16,2 
1985 840,7 143,3 134,1 110,6 23,5 82,5 17,5 
1986 840,7 143,0 128,6 107,2 21,4 83,4 16,6 
1987 850,4 147,6 125,0 103,5 21,5 82,8 17,2 
1988 856,7 145,2 122,9 101,2 21,7 82,3 17,7 
1989 846,8 138,5 118,9 98,3 20,6 82,7 17,3 
1990 840,4 137,2 121,2 97,9 21,3 80,8 17,6 
1991 875,9 127,3 121,8 100,8 21,0 82,8 17,2 
1992 950,1 130,0 128,1 106,5 21,7 83,1 16,9 
1993 955,5 128,5 126,2 104,3 21,9 82,6 17,4 
1994 978,3 128,9 126,6 105,5 21,2 83,3 16,7 
1995 904,9 106,9 122,9 101,8 21,1 82,8 17,2 
1996 834,4 96,2 119,1 99,1 20,0 83,2 16,8 
1997 846,4 86,4 120,6 99,7 20,9 82,7 17,3 
1998 843,8 86,2 120,7 100,9 19,8 83,6 16,4 
1999 877,5 81,7 115,0 96,0 19,0 83,5 16,5 
2000 895,5 75,2 111,7 93,2 18,5 83,5 16,5 
2001 921,8 81,9 109,6 90,6 19,0 82,7 17,3 
2002 927,6 86,7 116,4 95,7 20,7 82,2 17,8 
2003 880,1 88,7 120,0 98,7 21,3 82,2 17,8 
2004 815,5 85,5 116,8 96,0 20,7 82,2 17,8 
2005 743,6 74,5 103,5 83,3 20,2 80,5 19,5 
2006 703,3 71,3 102,4 80,6 21,7 78,8 21,2 
Zie toelichting bij tabel 4.1. 
Bron: CBS 
Geregistreerde 
criminaliteit 
Opgehelderde 
misdrijven 
Gehoorde verdachten 

Bijlage 4 369 

Tabel 4.4 Geregistreerde vernielingen en misdrijven tegen openbare orde en gezag 

totaal mannen vrouwen mannen vrouwen 
(x 1.000) (%) 
1980 84,8 22,9 28,7 27,4 1,4 95,5 4,9 
1981 91,9 23,3 29,4 28,0 1,4 95,2 4,8 
1982 106,2 25,7 32,2 30,8 1,4 95,7 4,3 
1983 102,3 24,0 29,6 28,2 1,4 95,3 4,7 
1984 114,6 26,4 32,5 30,8 1,7 94,8 5,2 
1985 117,5 26,6 32,6 30,9 1,7 94,8 5,2 
1986 121,6 26,0 32,6 31,1 1,6 95,4 4,9 
1987 129,6 27,9 33,2 31,5 1,8 94,9 5,4 
1988 134,5 27,7 32,4 30,7 1,7 94,8 5,2 
1989 144,1 29,4 32,6 31,0 1,6 95,1 4,9 
1990 146,9 28,0 33,0 30,4 1,7 92,1 5,2 
1991 151,0 26,0 31,1 29,4 1,7 94,5 5,5 
1992 154,6 25,6 30,2 28,4 1,7 94,0 5,6 
1993 150,6 25,6 28,9 27,0 1,9 93,4 6,6 
1994 155,7 25,5 29,4 27,6 1,9 93,9 6,5 
1995 152,8 22,0 30,9 28,7 2,2 92,8 7,2 
1996 170,7 22,8 35,2 32,4 2,8 92,2 7,8 
1997 180,4 22,4 32,5 30,1 2,5 92,4 7,6 
1998 179,3 22,9 34,1 31,9 2,1 93,8 6,2 
1999 189,0 22,5 35,2 32,7 2,5 93,0 7,0 
2000 190,0 23,1 36,1 33,4 2,6 92,7 7,3 
2001 193,1 26,1 37,9 34,8 3,0 92,0 8,0 
2002 197,5 29,8 44,9 41,1 3,8 91,6 8,4 
2003 192,5 32,1 49,1 44,4 4,8 90,3 9,7 
2004 203,0 35,1 54,5 49,4 5,1 90,7 9,3 
2005 211,4 33,7 53,2 47,8 5,4 89,8 10,2 
2006 215,2 34,5 57,3 51,6 5,7 90,0 10,0 
Zie toelichting bij tabel 4.1. 
Bron: CBS 
Geregistreerde 
criminaliteit 
Opgehelderde 
misdrijven 
Gehoorde verdachten 

370 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Tabel 4.5 Geregistreerde verkeersmisdrijven 

totaal mannen vrouwen mannen vrouwen 
(x 1.000) (%) 
1980 74,6 55,3 54,4 52,6 1,7 96,7 3,1 
1981 78,4 57,7 56,9 54,9 2,0 96,5 3,5 
1982 78,9 57,6 57,0 54,8 2,2 96,1 3,9 
1983 81,4 58,8 58,1 55,8 2,3 96,0 4,0 
1984 81,3 57,1 56,4 54,0 2,4 95,7 4,3 
1985 80,8 54,4 53,8 51,5 2,2 95,7 4,1 
1986 76,9 52,7 52,1 49,9 2,2 95,8 4,2 
1987 74,5 48,1 47,3 45,0 2,2 95,1 4,7 
1988 76,5 48,7 47,4 45,0 2,3 94,9 4,9 
1989 81,7 52,4 51,0 48,4 2,6 94,9 5,1 
1990 82,1 46,8 47,0 44,6 2,4 94,9 5,1 
1991 82,3 44,0 42,6 40,2 2,4 94,4 5,6 
1992 84,6 44,1 37,9 35,4 2,6 93,4 6,9 
1993 85,4 39,6 33,8 31,3 2,5 92,6 7,4 
1994 92,8 40,9 34,2 31,4 2,8 91,8 8,2 
1995 89,4 41,6 36,4 33,5 2,9 92,1 7,9 
1996 100,8 46,1 40,3 36,9 3,5 91,4 8,6 
1997 99,8 41,2 42,1 38,3 3,8 91,1 8,9 
1998 115,2 50,7 51,2 47,1 4,1 92,0 8,0 
1999 128,7 51,5 53,4 48,8 4,6 91,4 8,6 
2000 131,1 53,4 56,9 52,1 4,8 91,6 8,4 
2001 138,3 59,1 63,3 58,0 5,3 91,6 8,4 
2002 142,5 63,8 63,8 58,1 5,7 91,1 8,9 
2003 153,6 71,3 69,9 63,1 6,8 90,3 9,7 
2004 153,8 72,6 71,9 64,5 7,4 89,7 10,3 
2005 153,2 73,6 72,9 65,1 7,8 89,3 10,7 
2006 153,9 75,5 75,7 67,5 8,2 89,2 10,8 
Zie toelichting bij tabel 4.1. 
Bron: CBS 
Geregistreerde 
criminaliteit 
Opgehelderde 
misdrijven 
Gehoorde verdachten 

Tabel 4.6 Geregistreerde misdrijven uit de Opiumwet en de Wet wapens en munitie

G e reg i stree r d e 
c r iminali t e i t 
Opg e hel der de 
mi s d r i j v e n 
Gehoorde verdachten 
G e reg i stree r d e 
c r iminali t e i t 
Opg e hel der de 
mi s d r i j v e n 
Gehoorde verdachten 
totaal mannen vrouwen mannen vrouwen totaal mannen vrouwen mannen vrouwen 
(x 1.000) (%) (x 1.000) (%) 
Opiumwet Wet wapens en munitie 
5,8 5,5 8,2 7,2 1,0 87,6 12,4 2,7 2,7 3,1 2,9 0,1 96,4 3,6 
5,4 5,5 7,9 6,9 0,9 88,2 11,8 2,4 2,5 2,8 2,7 0,1 96,5 3,5 
5,4 5,5 8,7 7,7 1,0 88,1 11,9 2,3 2,4 2,8 2,7 0,1 96,8 3,2 
4,8 5,0 9,0 7,8 1,1 87,2 12,8 2,3 2,4 2,7 2,6 0,1 95,4 4,6 
4,7 4,8 9,0 7,9 1,1 87,9 12,1 2,0 2,2 2,7 2,6 0,1 96,1 3,9 
5,9 4,4 7,9 7,0 0,9 88,6 11,4 2,2 2,0 2,3 2,2 0,1 96,4 3,6 
4,4 4,5 8,5 7,5 1,0 88,4 11,6 2,5 2,5 2,9 2,8 0,1 96,1 3,9 
3,4 3,3 4,9 4,3 0,6 88,4 11,6 2,7 2,4 3,1 3,0 0,2 94,8 5,2 
3,0 3,4 5,1 4,5 0,6 88,3 11,7 3,1 2,5 3,6 3,3 0,3 93,0 7,0 
4,5 3,2 4,4 3,9 0,5 89,0 11,0 3,1 2,4 2,9 2,7 0,2 94,2 5,8 
4,2 3,5 8,8 7,7 1,1 87,8 12,2 2,1 1,9 2,5 2,4 0,2 93,7 6,3 
4,6 3,7 7,5 6,7 0,9 88,7 11,3 2,5 1,7 3,2 2,9 0,3 89,5 10,5 
7,6 6,4 11,8 10,4 1,4 87,8 12,2 3,2 2,5 3,8 3,6 0,2 93,9 6,1 
7,7 6,7 11,9 10,4 1,4 88,0 12,0 3,4 2,9 3,8 3,5 0,2 94,3 5,7 
7,6 6,5 11,5 10,1 1,4 87,8 12,2 3,4 2,8 4,1 3,8 0,3 93,6 6,4 
7,5 6,4 11,6 10,2 1,4 87,9 12,1 3,0 2,5 3,7 3,4 0,3 92,4 7,6 
10,4 9,6 13,7 12,0 1,7 87,6 12,4 3,5 3,2 4,1 3,8 0,3 91,9 8,1 
12,8 12,3 17,0 14,8 2,3 86,6 13,4 3,9 3,8 4,8 4,5 0,4 92,2 7,8 
15,6 15,0 20,9 18,0 2,9 86,0 14,0 5,9 5,6 6,3 5,8 0,5 91,5 8,5 
15,7 15,0 22,0 18,9 3,1 85,8 14,2 6,1 5,7 6,5 5,9 0,6 90,9 9,1 
15,3 14,7 21,8 18,5 3,3 84,8 15,2 5,8 5,5 6,4 5,8 0,6 90,5 9,5 
16,4 15,5 23,1 19,7 3,4 85,1 14,9 5,5 5,2 6,1 5,6 0,5 91,1 8,9 
1985 
1986 
1987 
1988 
1989 
1990 
1991 
1992 
1993 
1994 
1995 
1996 
1997 
1998 
1999 
2000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006 

Bijlage 4 371 

Zie toelichting bij tabel 4.1.

Bron: CBS 


Tabel 4.7 Geregistreerde criminaliteit naar delictgroep (absoluut)

Totaal 

Wetboek van Strafrecht 

Geweldsmisdrijven 
verkrachting 
feitelijke aanranding der eerbaarheid 
overige seksuele misdrijven 
misdrijven tegen het leven en persoon* 

.
w.obedreiging 
mishandeling 
diefstal met geweld 
afpersing 
Vermogensmisdrijven 
valsheidsmisdrijven 
eenvoudige diefstal 
gekwalificeerde diefstal 
verduistering 
bedrog 
heling en schuldheling 

Vernieling en openbare orde 
tegen de openbare orde 
discriminatie 
gemeengevaarlijke misdrijven 
tegen het openbaar gezag 
schennis der eerbaarheid 
vernieling 

1.226,7 1.186,3 1.219,9 1.234,9 1.303,4 1.328,9 1.379,5 1.401,9 1.369,3 1.319,5 1.255,1 1.218,4 
1.126,7 1.076,0 1.104,8 1.104,3 1.159,5 1.183,6 1.223,5 1.238,6 1.189,6 1.139,5 1.076,5 1.039,2 
65,3 67,4 74,7 76,8 87,1 91,7 101,3 104,3 106,4 109,9 110,5 109,2 
1,5 1,5 1,5 1,6 1,8 1,7 1,7 1,6 1,5 1,6 1,5 1,4 
2,5 2,3 2,6 2,5 3,0 2,9 2,8 2,6 2,7 2,5 2,6 2,4 
1,3 1,3 2,7 2,6 2,5 2,5 2,5 2,1 2,1 2,1 2,1 2,1 
14,0 14,8 14,7 16,1 18,6 20,3 23,6 26,0 28,1 32,1 32,0 31,0 
10,3 11,2 12,9 14,3 17,1 18,5 21,7 24,4 26,4 30,4 30,2 29,5 
28,1 30,2 37,6 38,1 42,5 44,3 48,6 50,6 51,2 53,1 56,1 57,7 
15,7 15,2 14,2 14,5 17,7 19,0 21,2 20,6 20,0 17,7 15,5 13,7 
2,2 2,3 1,3 1,4 1,1 1,0 0,8 0,8 0,7 0,8 0,8 0,8 
904,9 834,4 846,4 843,8 877,5 895,5 921,8 927,6 880,1 815,5 743,6 703,3 
12,0 11,5 7,7 7,3 7,7 7,0 8,9 8,7 9,8 8,7 5,1 4,8 
346,0 325,4 332,2 329,0 366,1 364,9 368,7 370,1 367,0 334,0 315,6 293,9 
532,8 483,2 487,6 488,0 482,4 500,9 519,1 523,0 475,2 443,6 393,2 372,1 
5,9 5,8 7,0 6,9 7,8 7,9 8,6 8,6 9,1 8,7 8,0 7,8 
6,7 7,0 10,3 10,7 11,6 12,7 13,8 14,6 15,9 16,9 17,8 20,3 
1,4 1,3 1,7 1,8 1,9 2,1 2,7 2,7 3,0 3,6 3,9 4,3 
152,8 170,7 180,4 179,3 189,0 190,0 193,1 197,5 192,5 203,0 211,4 215,2 
11,0 13,0 6,3 3,8 4,5 4,8 5,9 10,5 12,5 13,5 12,3 12,5 
0,4 0,4 0,5 0,4 0,4 0,4 0,6 0,5 0,4 0,5 0,5 0,5 
7,0 8,7 8,1 7,5 8,4 8,7 8,7 8,3 9,3 9,0 8,9 8,9 
2,3 2,0 1,7 2,2 2,8 3,4 3,5 3,8 4,6 5,5 4,9 4,9 
2,5 2,3 2,4 2,3 2,3 2,4 2,2 2,2 2,4 2,3 2,1 2,1 
129,6 144,3 161,3 163,1 170,5 170,3 172,2 172,4 163,2 172,2 182,7 186,4 
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
(x 1.000) 
372 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 4.7 (Vervolg) 

.
w.overnieling van/aan auto 
vernieling in/aan openbaar vervoer 
vernieling in/aan openbaar gebouw 
Overige misdrijven Wetboek van Strafrecht 

Wegenverkeerswet 

rijden onder invloed 

doorrijden na/verlaten plaats ongeval 

overige misdrijven Wegenverkeerswet 

Wet op de economische delicten 

milieuhygiënische wetten 

overige misdrijven Wet op de Economische delicten 

Opiumwet 

harddrugs 

softdrugs 

overige drugsdelicten 

Wet wapens en munitie 

Wetboek Militair Strafrecht 

Overige wetten 

49,5 56,8 65,4 71,0 80,3 80,4 83,4 79,1 76,5 80,4 86,3 87,5 
4,4 2,2 1,8 1,9 2,4 3,2 3,2 3,2 2,5 3,0 4,1 4,1 
11,6 13,6 12,9 12,9 12,9 12,4 12,8 11,5 11,4 13,2 14,3 14,7 
3,7 3,5 3,3 4,5 5,9 6,4 7,2 9,1 10,6 11,1 11,0 11,5 
89,4 100,8 99,8 115,2 128,7 131,1 138,3 142,5 153,6 153,8 153,2 153,9 
27,7 32,8 30,9 38,9 41,2 43,4 47,7 52,4 57,9 58,7 59,1 61,4 
55,7 61,0 64,6 71,6 83,8 84,3 86,8 87,2 91,2 90,5 89,5 87,9 
6,0 7,0 4,3 4,7 3,8 3,5 3,8 2,8 4,6 4,6 4,6 4,7 
2,3 1,4 3,2 3,1 3,7 3,5 3,6 3,6 4,0 4,2 4,0 3,2 
2,1 1,1 2,3 2,2 2,9 2,8 2,9 3,1 3,3 3,5 3,1 2,6 
0,2 0,3 0,9 0,9 0,8 0,7 0,7 0,5 0,7 0,7 0,8 0,6 
4,2 4,6 7,6 7,7 7,6 7,5 10,4 12,8 15,6 15,7 15,3 16,4 
3,2 3,0 5,7 6,2 6,5 3,8 5,6 8,1 9,2 8,5 7,8 8,6 
1,1 1,6 2,0 1,5 1,2 3,7 4,8 4,5 6,3 7,1 7,4 7,6 
-------0,1 0,1 0,1 0,1 0,2 
2,1 2,5 3,2 3,4 3,4 3,0 3,5 3,9 5,9 6,1 5,8 5,5 
1,6 0,7 0,4 0,3 0,2 0,1 0,1 0,1 0,2 0,0 0,0 0,1 
0,3 0,4 1,0 0,8 0,2 0,1 0,1 0,3 0,3 0,2 0,3 0,2 
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
* Betreft bedreiging, (poging tot) doodslag/moord, overige misdrijven tegen het leven en dood en lichamelijk letsel door schuld.
Zie toelichting bij tabel 4.1.
Bron: CBS 

Bijlage 4 373 


Tabel 4.8 Geregistreerde criminaliteit naar delictgroep (relatief)

Totaal 

Wetboek van Strafrecht 

Geweldsmisdrijven 
verkrachting 
feitelijke aanranding der eerbaarheid 
overige seksuele misdrijven 
misdrijven tegen het leven en persoon* 

.
w.obedreiging 
mishandeling 
diefstal met geweld 
afpersing 
Vermogensmisdrijven 
valsheidsmisdrijven 
eenvoudige diefstal 
gekwalificeerde diefstal 
verduistering 
bedrog 
heling en schuldheling 

Vernieling en openbare orde 
tegen de openbare orde 
discriminatie 
gemeengevaarlijke misdrijven 
tegen het openbaar gezag 
schennis der eerbaarheid 
vernieling 

96,9 93,4 95,6 96,3 101,0 102,3 105,5 106,5 103,5 99,3 94,1 91,2 
89,0 84,7 86,6 86,1 89,8 91,1 93,6 94,1 89,9 85,7 80,7 77,7 
5,2 5,3 5,9 6,0 6,8 7,1 7,7 7,9 8,0 8,3 8,3 8,2 
0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 
0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 
0,1 0,1 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 
1,1 1,2 1,2 1,3 1,4 1,6 1,8 2,0 2,1 2,4 2,4 2,3 
0,8 0,9 1,0 1,1 1,3 1,4 1,7 1,9 2,0 2,3 2,3 2,2 
2,2 2,4 3,0 3,0 3,3 3,4 3,7 3,8 3,9 4,0 4,2 4,3 
1,2 1,2 1,1 1,1 1,4 1,5 1,6 1,6 1,5 1,3 1,2 1,0 
0,2 0,2 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 
71,5 65,7 66,4 65,8 68,0 68,9 70,5 70,5 66,5 61,4 55,8 52,6 
1,0 0,9 0,6 0,6 0,6 0,5 0,7 0,7 0,7 0,7 0,4 0,4 
27,3 25,6 26,0 25,7 28,4 28,1 28,2 28,1 27,7 25,1 23,7 22,0 
42,1 38,0 38,2 38,1 37,4 38,6 39,7 39,7 35,9 33,4 29,5 27,8 
0,5 0,5 0,5 0,5 0,6 0,6 0,7 0,7 0,7 0,7 0,6 0,6 
0,5 0,6 0,8 0,8 0,9 1,0 1,1 1,1 1,2 1,3 1,3 1,5 
0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,2 0,2 0,2 0,2 0,3 0,3 0,3 
12,1 13,4 14,1 14,0 14,6 14,6 14,8 15,0 14,5 15,3 15,9 16,1 
0,9 1,0 0,5 0,3 0,4 0,4 0,5 0,8 0,9 1,0 0,9 0,9 
0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 
0,6 0,7 0,6 0,6 0,7 0,7 0,7 0,6 0,7 0,7 0,7 0,7 
0,2 0,2 0,1 0,2 0,2 0,3 0,3 0,3 0,3 0,4 0,4 0,4 
0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 
10,2 11,4 12,6 12,7 13,2 13,1 13,2 13,1 12,3 13,0 13,7 13,9 
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
(per 1.000 inwoners van 12-79 jaar)
374 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 4.8 (Vervolg) 

.
w.overnieling van/aan auto 
vernieling in/aan openbaar vervoer 
vernieling in/aan openbaar gebouw 
Overige misdrijven Wetboek van Strafrecht 

Wegenverkeerswet 

rijden onder invloed 

doorrijden na/verlaten plaats ongeval 

overige misdrijven Wegenverkeerswet 

Wet op de economische delicten 

milieuhygiënische wetten 

overige misdrijven Wet op de economische delicten 

Opiumwet 

harddrugs 

softdrugs 

overige drugsdelicten 

Wet wapens en munitie 

Wetboek Militair Strafrecht 

Overige wetten 

1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
3,9 4,5 5,1 5,5 6,2 6,2 6,4 6,0 5,8 6,1 6,5 6,5 
0,4 0,2 0,1 0,1 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,3 0,3 
0,9 1,1 1,0 1,0 1,0 1,0 1,0 0,9 0,9 1,0 1,1 1,1 
0,3 0,3 0,3 0,3 0,5 0,5 0,6 0,7 0,8 0,8 0,8 0,9 
7,1 7,9 7,8 9,0 10,0 10,1 10,6 10,8 11,6 11,6 11,5 11,5 
2,2 2,6 2,4 3,0 3,2 3,3 3,6 4,0 4,4 4,4 4,4 4,6 
4,4 4,8 5,1 5,6 6,5 6,5 6,6 6,6 6,9 6,8 6,7 6,6 
0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,2 0,2 0,2 
0,2 0,1 0,2 0,2 0,3 0,3 0,3 0,3 0,3 0,3 0,3 0,2 
0,2 0,1 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,3 0,2 0,2 
0,0 0,0 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,0 0,1 0,1 0,1 0,0 
0,3 0,4 0,6 0,6 0,6 0,6 0,8 1,0 1,2 1,2 1,1 1,2 
0,3 0,2 0,4 0,5 0,5 0,3 0,4 0,6 0,7 0,6 0,6 0,6 
0,1 0,1 0,2 0,1 0,1 0,3 0,4 0,3 0,5 0,5 0,6 0,6 
-------0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 
0,2 0,2 0,3 0,3 0,3 0,2 0,3 0,3 0,4 0,5 0,4 0,4 
0,1 0,1 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 
0,0 0,0 0,1 0,1 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 

* Betreft bedreiging, (poging tot) doodslag/moord, overige misdrijven tegen het leven en dood en lichamelijk letsel door schuld.
Zie toelichting bij tabel 4.1.
Bron: CBS 

Bijlage 4 375 


Tabel 4.9 Geregistreerde criminaliteit naar delictgroep (procentueel)

Totaal 

Wetboek van Strafrecht 

Geweldsmisdrijven 
verkrachting 
feitelijke aanranding der eerbaarheid 
overige seksuele misdrijven 
misdrijven tegen het leven en persoon* 

.
w.obedreiging 
mishandeling 
diefstal met geweld 
afpersing 
Vermogensmisdrijven 
valsheidsmisdrijven 
eenvoudige diefstal 
gekwalificeerde diefstal 
verduistering 
bedrog 
heling en schuldheling 

Vernieling en openbare orde 
tegen de openbare orde 
discriminatie 
gemeengevaarlijke misdrijven 
tegen het openbaar gezag 
schennis der eerbaarheid 
vernieling 

100 100 100 100 100 100 100 100 100 100 100 100 
91,8 90,7 90,6 89,4 89,0 89,1 88,7 88,4 86,9 86,4 85,8 85,3 
5,3 5,7 6,1 6,2 6,7 6,9 7,3 7,4 7,8 8,3 8,8 9,0 
0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 
0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 
0,1 0,1 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 
1,1 1,2 1,2 1,3 1,4 1,5 1,7 1,9 2,1 2,4 2,5 2,5 
0,8 0,9 1,1 1,2 1,3 1,4 1,6 1,7 1,9 2,3 2,4 2,4 
2,3 2,5 3,1 3,1 3,3 3,3 3,5 3,6 3,7 4,0 4,5 4,7 
1,3 1,3 1,2 1,2 1,4 1,4 1,5 1,5 1,5 1,3 1,2 1,1 
0,2 0,2 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 
73,8 70,3 69,4 68,3 67,3 67,4 66,8 66,2 64,3 61,8 59,2 57,7 
1,0 1,0 0,6 0,6 0,6 0,5 0,6 0,6 0,7 0,7 0,4 0,4 
28,2 27,4 27,2 26,6 28,1 27,5 26,7 26,4 26,8 25,3 25,1 24,1 
43,4 40,7 40,0 39,5 37,0 37,7 37,6 37,3 34,7 33,6 31,3 30,5 
0,5 0,5 0,6 0,6 0,6 0,6 0,6 0,6 0,7 0,7 0,6 0,6 
0,5 0,6 0,8 0,9 0,9 1,0 1,0 1,0 1,2 1,3 1,4 1,7 
0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,2 0,2 0,2 0,2 0,3 0,3 0,4 
12,5 14,4 14,8 14,5 14,5 14,3 14,0 14,1 14,1 15,4 16,8 17,7 
0,9 1,1 0,5 0,3 0,3 0,4 0,4 0,7 0,9 1,0 1,0 1,0 
0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 
0,6 0,7 0,7 0,6 0,6 0,7 0,6 0,6 0,7 0,7 0,7 0,7 
0,2 0,2 0,1 0,2 0,2 0,3 0,3 0,3 0,3 0,4 0,4 0,4 
0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 
10,6 12,2 13,2 13,2 13,1 12,8 12,5 12,3 11,9 13,0 14,6 15,3 
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
(%) 
376 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 4.9 (Vervolg) 

.
w.overnieling van/aan auto 
vernieling in/aan openbaar vervoer 
vernieling in/aan openbaar gebouw 
Overige misdrijven Wetboek van Strafrecht 

Wegenverkeerswet 

rijden onder invloed 

doorrijden na/verlaten plaats ongeval 

overige misdrijven Wegenverkeerswet 

Wet op de economische delicten 

milieuhygiënische wetten 

overige misdrijven Wet op de economische delicten 

Opiumwet 

harddrugs 

softdrugs 

overige drugsdelicten 

Wet wapens en munitie 

Wetboek Militair Strafrecht 

Overige wetten 

1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
4,0 4,8 5,4 5,7 6,2 6,0 6,0 5,6 5,6 6,1 6,9 7,2 
0,4 0,2 0,1 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,3 0,3 
0,9 1,2 1,1 1,0 1,0 0,9 0,9 0,8 0,8 1,0 1,1 1,2 
0,3 0,3 0,3 0,4 0,5 0,5 0,5 0,6 0,8 0,8 0,9 0,9 
7,3 8,5 8,2 9,3 9,9 9,9 10,0 10,2 11,2 11,7 12,2 12,6 
2,3 2,8 2,5 3,1 3,2 3,3 3,5 3,7 4,2 4,5 4,7 5,0 
4,5 5,1 5,3 5,8 6,4 6,3 6,3 6,2 6,7 6,9 7,1 7,2 
0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,2 0,2 0,2 
0,2 0,1 0,3 0,3 0,3 0,3 0,3 0,3 0,3 0,3 0,3 0,3 
0,2 0,1 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,3 0,2 0,2 
0,0 0,0 0,1 0,1 0,1 0,1 0,0 0,0 0,1 0,1 0,1 0,0 
0,3 0,4 0,6 0,6 0,6 0,6 0,8 0,9 1,1 1,2 1,2 1,3 
0,3 0,3 0,5 0,5 0,5 0,3 0,4 0,6 0,7 0,6 0,6 0,7 
0,1 0,1 0,2 0,1 0,1 0,3 0,3 0,3 0,5 0,5 0,6 0,6 
-------0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 
0,2 0,2 0,3 0,3 0,3 0,2 0,3 0,3 0,4 0,5 0,5 0,4 
0,1 0,1 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 
0,0 0,0 0,1 0,1 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 

* Betreft bedreiging, (poging tot) doodslag/moord, overige misdrijven tegen het leven en dood en lichamelijk letsel door schuld.
Zie toelichting bij tabel 4.1.
Bron: CBS 

Bijlage 4 377 


Tabel 4.10 Geregistreerde criminaliteit, opgehelderde misdrijven en gehoorde verdachten naar delictgroep, 2006

Geregistreerdecriminaliteit 
Opgehelderdemisdrijven 
Gehoorde verdachten 
totaal mannen vrouwen mannen vrouwen 
(x 1.000) (%) 
Totaal 1.218,45 278,57 358,35 307,64 50,71 85,85 14,15 
Wetboek van Strafrecht 

Geweldsmisdrijven 
verkrachting 
feitelijke aanranding der eerbaarheid 
overige seksuele misdrijven 
misdrijven tegen leven en persoon 

.
w.obedreiging 
mishandeling 
diefstal met geweld 
afpersing 
Vermogensmisdrijven 
valsheidsmisdrijven 
eenvoudige diefstal 
gekwalificeerde diefstal 
verduistering 
bedrog 
heling en schuldheling 

Vernieling en openbare orde 
tegen de openbare orde 
discriminatie 
gemeengevaarlijke misdrijven 
tegen het openbaar gezag 

1.039,19 179,30 249,70 211,41 38,28 84,67 15,33 
109,15 65,23 80,53 71,16 9,37 88,36 11,64 
1,43 0,86 0,98 0,95 0,03 97,23 2,77 
2,43 1,22 1,36 1,35 0,01 98,97 1,03 
2,14 1,22 1,35 1,29 0,06 95,33 4,67 
31,67 18,83 20,91 18,76 2,14 89,75 10,25 
29,53 17,98 19,67 17,70 1,97 89,98 10,02 
57,65 39,04 48,75 42,25 6,50 86,67 13,33 
13,72 3,73 6,64 6,08 0,57 91,49 8,51 
0,78 0,34 0,55 0,49 0,06 89,17 10,83 
703,28 71,27 102,36 80,65 21,72 78,78 21,22 
4,83 1,31 1,97 1,47 0,50 74,44 25,56 
293,93 34,37 47,42 32,08 15,34 67,65 32,35 
372,14 22,64 37,20 34,46 2,74 92,64 7,36 
7,75 3,56 3,85 2,79 1,06 72,50 27,50 
20,30 5,24 6,19 4,81 1,37 77,79 22,21 
4,33 4,16 5,74 5,03 0,70 87,74 12,26 
215,23 34,45 57,27 51,56 5,71 90,02 9,98 
12,49 7,67 18,47 16,18 2,30 87,57 12,43 
0,53 0,21 0,25 0,20 0,05 80,31 19,69 
8,88 1,60 3,19 2,90 0,29 91,01 8,99 
4,89 4,71 5,26 4,62 0,64 87,81 12,19 
378 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 4.10 (Vervolg) 

Geregistreerdecriminaliteit 
Opgehelderdemisdrijven 
Gehoorde verdachten 
totaal mannen vrouwen mannen vrouwen 
(x 1.000) (%) 
2,08 0,90 0,97 0,95 0,02 98,35 1,65 
186,35 19,36 29,13 26,71 2,42 91,68 8,32 
schennis der eerbaarheid 
vernieling 

.
w.overnieling van/aan auto 
vernieling in/aan openbaar vervoer 
vernieling in/aan openbaar gebouw 
Overige misdrijven Wetboek van Strafrecht 

Wegenverkeerswet 
rijden onder invloed 
doorrijden na/verlaten plaats ongeval 
overige misdrijven Wegenverkeerswet 

Wet op de economische delicten 
milieuhygiënische wetten 
overige misdrijven Wet op de econ. delicten 

Opiumwet 
harddrugs 
softdrugs 
overige drugsdelicten 

Wet wapens en munitie 

Wetboek Militair Strafrecht 

Overige wetten 

Zie toelichting bij tabel 4.1.

Bron: CBS 

87,55 6,27 9,47 8,73 0,74 92,19 7,81 
4,14 0,38 0,73 0,69 0,05 93,71 6,29 
14,74 1,10 1,95 1,84 0,10 94,76 5,24 
11,53 8,35 9,53 8,05 1,48 84,47 15,53 
153,87 75,52 75,67 67,47 8,20 89,16 10,84 
61,36 61,04 61,55 55,61 5,93 90,36 9,64 
87,86 10,41 10,34 8,30 2,05 80,20 19,80 
4,66 4,07 3,78 3,56 0,22 94,20 5,80 
3,21 2,71 3,44 3,22 0,23 93,46 6,54 
2,63 2,19 2,78 2,59 0,19 93,20 6,80 
0,58 0,52 0,66 0,62 0,04 94,55 5,45 
16,36 15,55 23,09 19,66 3,43 85,15 14,85 
8,59 8,29 12,33 10,77 1,56 87,38 12,62 
7,61 7,19 10,68 8,81 1,86 82,56 17,44 
0,16 0,06 0,09 0,07 0,01 86,05 13,95 
5,48 5,20 6,12 5,57 0,54 91,12 8,88 
0,09 0,07 0,07 0,07 0,00 94,37 5,63 
0,24 0,23 0,27 0,24 0,03 89,96 10,04 
Bijlage 4 379 


Tabel 4.11 Geregistreerde diefstallen naar type diefstal

 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
162.158 146.601 154.843 143.624 149.498 147.125 147.869 143.102 145.874 139.769 135.731 120.665 
24.303 20.545 22.135 20.339 20.476 18.142 17.345 16.991 16.370 15.259 15.227 13.301 
2.808 2.738 2.990 2.670 2.799 2.893 2.838 3.022 3.166 2.700 2.736 1.917 
40.902 36.768 37.309 37.495 38.108 38.761 35.296 34.776 26.990 23.819 19.431 17.231 
3.199 2.413 5.787 5.605 5.172 4.980 4.934 4.630 4.115 4.133 3.761 3.519 
179.130 166.570 168.541 190.870 200.814 226.566 245.729 251.668 221.806 207.804 179.601 169.436 
1.341 1.119 2.658 1.027 1.116 1.204 1.202 1.353 1.488 1.540 1.357 1.108 
2.500 2.405 869 2.023 2.001 2.351 2.504 2.792 2.896 2.752 2.615 2.328 
Diefstal van fiets 
Diefstal van bromfiets 
Diefstal van motor/scooter 
Diefstal van personenauto 

Diefstal van andere motorvoertuig 
Diefstal uit/vanaf voertuig 
Diefstal van vaartuig 
Diefstal uit/vanaf vaartuig 

Zakkenrollerij 
Beroving op straat 
Gewapende overval 

Diefstal uit woonhuis 
Diefstal uit school 
Diefstal uit bedrijf 
Diefstal uit sportcomplex 

Winkeldiefstal 
Diefstal van/uit automaat 
Diefstal op kampeerterrein 
Diefstal op/van(af) militair terrein 

30.743 28.801 32.812 40.324 49.509 46.054 49.003 50.539 46.387 34.536 30.547 26.140 
8.274 7.637 9.050 12.563 14.487 15.754 16.971 15.976 15.701 13.663 11.809 10.502 
1.064 2.581 3.039 1.955 2.182 2.321 2.350 2.442 2.384 2.349 2.104 1.791 
118.115 103.951 97.690 90.613 92.252 91.420 90.284 101.920 103.577 95.952 92.890 91.235 
10.065 9.174 8.752 7.769 8.106 8.039 10.319 11.278 11.329 11.027 10.811 10.020 
65.173 69.449 65.815 66.809 70.737 79.592 74.939 72.518 64.565 57.718 49.815 49.569 
8.827 7.994 8.002 6.298 6.700 6.137 6.704 6.853 6.630 6.826 7.011 6.848 
45.945 44.978 43.402 43.263 43.196 41.200 43.862 45.865 43.306 38.002 34.195 32.538 
1.372 1.253 1.111 784 873 793 673 875 1.190 1.458 845 738 
2.985 2.529 2.640 2.509 2.587 2.252 2.212 2.138 2.084 1.797 1.456 1.259 
2.585 1.890 1.950 2.188 1.741 363 916 1.090 1.118 991 972 959 
Zie toelichting bij tabel 4.1.

Bron: CBS 

380 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Bijlage 4 381 

Tabel 4.12 Geregistreerde criminaliteit naar soort misdrijf 

en stedelijkheid (relatief)

 Stedelijkheid 
zeer sterk sterk matig weinig niet 
(per 1.000 inwoners van 12-79 jaar) 
158,0 117,2 94,7 63,4 43,4 
142,3 114,3 94,9 63,6 43,7 
153,7 115,8 92,7 63,4 44,5 
154,9 117,8 94,1 61,6 45,0 
168,8 121,0 95,8 62,8 46,0 
171,0 121,2 97,4 65,0 46,6 
182,4 126,3 93,4 65,2 47,7 
177,1 126,4 94,3 64,3 49,4 
168,6 123,1 90,5 64,1 48,8 
153,6 116,6 89,7 65,2 50,2 
141,9 110,2 86,4 64,1 49,8 
138,5 105,1 83,3 62,8 47,6 
10,4 5,9 4,6 2,7 1,9 
10,0 6,3 4,9 3,0 2,0 
10,7 7,1 5,3 3,4 2,5 
11,2 6,9 5,5 3,5 2,7 
13,0 7,8 5,9 3,8 2,9 
13,6 8,2 6,2 4,0 2,9 
15,3 9,1 6,3 4,4 3,3 
14,7 9,4 6,4 4,5 3,4 
14,6 9,7 6,6 4,5 3,4 
14,5 9,8 6,9 4,9 3,8 
14,1 9,8 7,2 5,0 3,9 
13,8 9,4 7,2 4,9 4,0 
124,0 87,0 67,7 44,3 29,9 
106,9 81,4 64,4 41,9 28,7 
115,0 81,2 62,2 40,6 27,9 
114,7 83,0 61,5 38,0 27,0 
122,5 83,6 61,6 38,2 27,4 
124,4 83,2 62,5 39,4 27,7 
131,2 86,4 59,2 39,3 27,8 
126,7 85,5 59,0 38,2 28,6 
117,1 80,7 55,6 37,4 27,3 
101,9 73,3 53,4 37,2 27,5 
90,2 66,7 49,4 35,0 26,5 
86,1 62,1 46,2 33,3 24,1 
Totale geregistreerde 
criminaliteit 
1995 
1996 
1997 
1998 
1999 
2000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006 

Geweldsmisdrijven 
1995 
1996 
1997 
1998 
1999 
2000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006 

Vermogensmisdrijven 
1995 
1996 
1997 
1998 
1999 
2000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006 


382 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006

Tabel 4.12 (Vervolg) 

 Stedelijkheid 
zeer sterk sterk matig weinig niet 
(per 1.000 inwoners van 12-79 jaar) 
13,1 15,3 13,9 10,2 6,8 
13,8 16,5 16,2 11,8 7,7 
14,7 16,9 16,6 12,3 8,4 
14,3 16,4 16,4 12,2 8,8 
16,3 17,0 17,0 12,1 8,8 
16,2 17,0 16,9 12,6 8,9 
17,2 17,2 16,2 12,3 9,1 
16,7 17,6 16,4 12,2 9,5 
15,8 17,6 15,2 11,9 9,4 
16,8 18,0 16,0 12,6 10,0 
17,4 18,5 16,6 13,3 10,6 
18,0 18,6 16,7 13,5 10,8 
8,6 8,1 7,6 5,6 4,5 
9,8 9,2 8,4 6,3 4,9 
10,8 9,1 7,6 6,1 4,8 
11,7 10,2 9,4 7,0 5,6 
13,8 11,0 10,1 7,8 6,2 
13,7 11,2 10,6 8,1 6,3 
15,0 11,9 10,3 8,2 6,5 
14,6 11,9 10,8 8,3 6,8 
15,7 12,7 11,3 9,0 7,4 
15,3 12,7 11,3 9,1 7,5 
15,3 12,5 11,1 9,3 7,3 
15,7 12,3 11,1 9,4 7,2 
0,7 0,4 0,3 0,1 0,1 
0,7 0,4 0,4 0,2 0,1 
1,2 0,6 0,4 0,3 0,2 
1,3 0,5 0,6 0,3 0,2 
1,3 0,6 0,5 0,2 0,2 
1,1 0,7 0,4 0,2 0,2 
1,6 0,8 0,6 0,3 0,2 
1,9 0,8 0,7 0,3 0,2 
2,2 1,0 0,7 0,4 0,3 
2,3 1,1 0,8 0,5 0,4 
2,2 1,2 0,9 0,5 0,4 
2,4 1,1 0,9 0,6 0,4 
Vernielingen en misdrijven 
tegen op. orde en gezag 
1995 
1996 
1997 
1998 
1999 
2000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006 

Verkeersmisdrijven 
1995 
1996 
1997 
1998 
1999 
2000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006 

Opiumwet 
1995 
1996 
1997 
1998 
1999 
2000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006 


Bijlage 4 383

Tabel 4.12 (Vervolg) 

 Stedelijkheid 
zeer sterk sterk matig weinig niet 
(per 1.000 inwoners van 12-79 jaar) 
Wet wapens en munitie 

1995 

1996 

1997 

1998 

1999 

2000 

2001 

2002 

2003 

2004 

2005 

2006 

Zie toelichting bij tabel 4.1. 

Bron: CBS 

0,4 0,1 0,1 0,1 0,0 
0,5 0,1 0,1 0,1 0,0 
0,5 0,2 0,2 0,1 0,1 
0,5 0,2 0,2 0,1 0,1 
0,4 0,3 0,3 0,1 0,1 
0,4 0,3 0,2 0,1 0,1 
0,4 0,3 0,2 0,1 0,1 
0,6 0,3 0,2 0,1 0,1 
1,1 0,4 0,2 0,2 0,1 
1,0 0,5 0,2 0,2 0,1 
0,8 0,4 0,3 0,2 0,1 
0,8 0,4 0,3 0,2 0,1 

384 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Tabel 4.13 Geregistreerde criminaliteit naar soort misdrijf en gemeentegrootte (relatief)

45,4 46,2 57,4 78,0 104,2 125,8 177,5 166,0 
46,3 47,1 55,7 78,0 103,0 124,7 152,1 146,8 
37,7 46,3 55,9 75,9 107,5 115,4 157,4 160,8 
46,3 47,1 54,6 73,2 107,4 111,5 172,0 160,9 
50,9 47,0 56,7 75,2 108,5 117,9 176,9 179,5 
56,0 50,9 59,2 77,5 110,2 119,5 170,5 182,4 
59,3 53,0 59,0 76,7 110,8 123,4 155,8 200,1 
56,1 53,9 59,9 75,5 110,3 129,1 146,1 198,2 
58,2 52,6 59,6 73,3 109,3 125,4 140,8 186,1 
64,7 56,2 60,8 73,0 104,0 117,0 132,4 169,4 
64,4 55,2 59,9 70,2 98,6 110,1 125,1 156,4 
62,7 53,9 58,5 67,2 95,5 105,2 121,2 152,0 
1,7 2,0 2,4 3,4 5,7 6,3 11,5 11,4 
2,1 2,2 2,6 3,7 6,0 7,0 8,8 11,4 
2,4 2,5 2,9 4,1 7,0 7,2 9,2 12,1 
2,2 2,6 3,0 4,1 6,8 6,8 10,2 12,5 
3,0 2,7 3,3 4,5 7,3 7,9 11,0 15,1 
3,1 3,1 3,6 4,7 7,5 8,4 11,5 15,9 
3,9 3,4 3,7 5,2 8,0 8,9 11,7 17,3 
3,8 3,5 3,9 5,2 8,0 9,4 11,7 16,9 
3,9 3,5 4,0 5,3 8,3 9,7 11,8 16,5 
3,8 3,9 4,4 5,5 8,7 10,0 11,4 16,3 
4,2 3,9 4,5 5,6 9,0 9,8 11,5 15,8 
4,3 3,7 4,6 5,5 8,9 9,8 11,2 15,1 
32,8 32,2 39,2 55,4 75,5 93,0 139,7 132,1 
31,8 31,3 36,6 52,4 70,3 89,9 118,2 109,9 
23,7 29,6 35,7 49,7 72,3 81,4 122,1 119,8 
30,5 28,9 33,5 46,6 71,4 77,6 131,9 118,8 
32,5 28,3 34,4 47,1 71,2 80,3 135,0 129,0 
36,0 31,0 35,7 48,8 72,4 81,5 128,0 131,5 
36,7 31,2 35,6 47,5 72,2 84,6 113,6 144,5 
32,8 31,6 35,6 46,2 71,2 88,4 103,2 142,8 
Gemeentegrootte 
< 5.000 inwoners5.000 tot 10.000inwoners10.000 tot 20.000inwoners20.000 tot 50.000inwoners50.000 tot 100.000inwoners100.000 tot 150.000inwoners150.000 tot 250.000inwoners250.000 inwonersof meer 
(per 1.000 inwoners van 12-79 jaar) 
Totale geregistreerde 
criminaliteit 
1995 
1996 
1997 
1998 
1999 
2000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006 

Geweldsmisdrijven 
1995 
1996 
1997 
1998 
1999 
2000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006 

Vermogensmisdrijven 
1995 
1996 
1997 
1998 
1999 
2000 
2001 
2002 


Bijlage 4 385

Tabel 4.13 (Vervolg) 

33,9 30,1 34,7 43,8 69,2 83,5 95,9 129,9 
41,7 32,3 34,5 42,3 62,8 74,7 87,2 112,8 
36,8 30,5 32,6 38,9 57,3 67,7 79,0 100,4 
36,7 28,7 30,6 36,1 54,0 62,4 75,5 95,7 
6,4 6,9 8,9 11,8 14,4 16,6 15,7 12,2 
7,4 8,0 10,1 13,6 16,7 17,6 15,3 13,0 
7,8 8,3 10,5 14,2 17,9 17,2 15,7 14,0 
8,3 8,6 10,5 13,6 17,5 16,0 17,3 13,7 
8,4 8,7 10,7 14,0 17,7 17,0 17,4 16,4 
8,8 9,0 11,1 14,2 17,6 17,1 17,0 16,5 
9,8 9,7 10,7 13,9 17,4 16,8 16,2 17,9 
10,7 10,3 11,2 13,7 17,7 17,1 16,8 17,4 
10,7 9,7 10,9 13,0 17,3 16,7 17,6 16,1 
9,1 10,2 11,6 13,8 17,7 17,0 18,0 17,4 
12,8 10,9 12,6 14,3 17,8 17,3 19,1 17,9 
11,7 11,1 13,1 14,3 18,2 18,0 18,8 18,2 
4,0 4,7 5,5 6,8 7,8 8,4 8,4 8,3 
4,4 5,2 5,9 7,6 9,0 9,2 9,1 9,9 
3,2 5,1 5,9 7,0 8,8 8,4 9,1 11,6 
4,6 6,2 6,8 8,1 10,1 9,8 11,0 11,9 
5,9 6,5 7,5 8,8 10,7 10,9 12,0 14,7 
6,0 7,0 8,0 9,0 10,9 11,0 12,4 14,5 
6,3 7,8 8,0 9,1 11,1 11,6 12,4 15,9 
7,3 7,4 8,1 9,2 11,0 12,4 12,5 15,6 
8,2 8,1 8,7 9,8 11,9 13,2 13,0 17,0 
8,5 8,7 8,9 9,8 11,8 12,7 13,0 16,6 
8,6 8,8 8,7 9,7 11,9 12,6 12,5 16,5 
8,5 9,4 8,7 9,7 11,8 12,2 12,6 17,0 
0,1 0,0 0,1 0,1 0,4 0,6 0,3 1,0 
0,1 0,1 0,1 0,2 0,5 0,5 0,2 1,1 
Gemeentegrootte 
< 5.000 inwoners5.000 tot 10.000inwoners10.000 tot 20.000inwoners20.000 tot 50.000inwoners50.000 tot 100.000inwoners100.000 tot 150.000inwoners150.000 tot 250.000inwoners250.000 inwonersof meer 
(per 1.000 inwoners van 12-79 jaar) 
2003 
2004 
2005 
2006 

Vernielingen en misdrijven 
tegen openbare 
orde en gezag 

1995 
1996 
1997 
1998 
1999 
2000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006 

Verkeersmisdrijven 
1995 
1996 
1997 
1998 
1999 
2000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006 

Opiumwet 
1995 
1996 


386 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006

Tabel 4.13 (Vervolg) 

0,1 0,2 0,2 0,4 0,6 0,6 0,8 1,6 
0,1 0,2 0,2 0,3 0,6 0,7 0,6 1,7 
0,3 0,2 0,2 0,3 0,6 0,9 0,6 1,8 
0,3 0,1 0,2 0,3 0,7 0,7 0,7 1,5 
0,2 0,2 0,3 0,3 1,0 0,7 0,8 2,1 
0,4 0,2 0,3 0,4 1,1 0,7 0,8 2,5 
0,1 0,2 0,3 0,4 1,2 0,9 1,1 2,9 
0,3 0,3 0,4 0,5 1,4 1,1 1,1 2,9 
0,6 0,4 0,5 0,6 1,1 1,2 1,3 2,7 
0,3 0,3 0,5 0,6 1,1 1,2 1,4 3,0 
0,0 0,0 0,0 0,1 0,1 0,1 0,1 0,5 
0,1 0,0 0,0 0,1 0,1 0,1 0,1 0,8 
0,1 0,1 0,1 0,1 0,2 0,2 0,2 0,7 
0,0 0,1 0,1 0,2 0,3 0,3 0,2 0,6 
0,1 0,1 0,1 0,2 0,3 0,3 0,3 0,6 
0,1 0,1 0,1 0,1 0,3 0,2 0,3 0,5 
0,2 0,1 0,1 0,2 0,3 0,3 0,3 0,5 
0,1 0,1 0,1 0,2 0,3 0,2 0,3 0,8 
0,0 0,1 0,1 0,2 0,3 0,4 0,3 1,4 
0,1 0,1 0,2 0,2 0,4 0,5 0,4 1,2 
0,2 0,1 0,2 0,2 0,4 0,4 0,4 1,0 
0,3 0,1 0,2 0,2 0,4 0,5 0,4 0,9 
Gemeentegrootte 
< 5.000 inwoners5.000 tot 10.000inwoners10.000 tot 20.000inwoners20.000 tot 50.000inwoners50.000 tot 100.000inwoners100.000 tot 150.000inwoners150.000 tot 250.000inwoners250.000 inwonersof meer 
(per 1.000 inwoners van 12-79 jaar) 
1997 
1998 
1999 
2000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006 

Wet wapens en munitie 
1995 
1996 
1997 
1998 
1999 
2000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006 

Zie toelichting bij tabel 4.1. 

Bron: CBS 


Bijlage 4 387 

Tabel 4.14 Geregistreerde criminaliteit naar soort misdrijf en grote 

gemeente* (relatief), 2006 

Inwoners 12-79 jaarTotale geregistreerdecriminaliteitGeweldsmisdrijvenVermogensmidrijvenVernielingen en mis-
drijven tegen de open-
bare orde en gezagVerkeersmisdrijven 
(abs.) (per 1.000 inwoners van 12-79 jaar) 
142.472 99,2 10,3 51,4 23,4 11,3 
108.717 121,7 9,2 81,5 17,7 10,7 
620.812 171,9 17,0 113,4 18,4 14,0 
127.387 105,5 8,1 65,8 17,4 11,8 
118.237 135,4 13,2 83,6 20,8 13,1 
139.302 130,1 11,5 78,3 21,6 15,0 
96.684 100,4 11,6 51,9 20,1 13,7 
85.910 71,7 6,6 42,0 12,9 9,2 
174.525 150,4 14,2 98,6 18,5 15,7 
89.005 68,7 8,2 35,2 16,5 6,9 
128.188 94,8 8,4 56,3 16,6 11,6 
155.023 121,1 10,9 81,3 17,6 8,5 
120.753 99,9 9,3 55,3 18,4 15,7 
109.192 83,8 6,2 48,6 14,7 12,6 
99.358 109,2 12,1 63,5 17,4 14,1 
102.233 142,4 10,8 90,5 18,3 13,9 
134.730 140,9 10,8 96,2 17,7 13,7 
483.041 143,8 16,4 83,1 17,9 21,2 
386.853 115,5 12,8 65,6 15,5 17,6 
111.848 139,9 11,8 88,4 21,2 15,3 
166.552 118,2 13,7 69,5 17,9 13,1 
234.597 176,6 11,5 124,8 22,4 15,5 
114.229 77,7 7,9 39,8 17,3 11,6 
97.081 90,7 9,8 56,6 15,7 6,1 
92.086 112,6 10,5 65,0 21,3 13,6 
Almere 
Amersfoort 
Amsterdam 
Apeldoorn 
Arnhem 
Breda 
Dordrecht 
Ede 
Eindhoven 
Emmen 
Enschede 
Groningen 
Haarlem 
Haarlemmermeer 
Leiden 
Maastricht 
Nijmegen 
Rotterdam 
’s-Gravenhage 
’s-Hertogenbosch 
Tilburg 
Utrecht 
Zaanstad 
Zoetermeer 
Zwolle 

* Opgenomen zijn de 25 grootste gemeenten qua inwonertal op 1 januari 2006. 
Zie toelichting bij tabel 4.1. 
Bron: CBS 

Tabel 4.15 Gehoorde verdachten naar delictgroep (absoluut)

Totaal 

Wetboek van Strafrecht 

Geweldsmisdrijven 
verkrachting 
feitelijke aanranding der eerbaarheid 
overige seksuele misdrijven 
misdrijven tegen het leven en persoon* 

.
w.obedreiging 
mishandeling 
diefstal met geweld 
afpersing 
Vermogensmisdrijven 
valsheidsmisdrijven 
eenvoudige diefstal 
gekwalificeerde diefstal 
verduistering 
bedrog 
heling en schuldheling 


Vernieling en openbare orde 
tegen de openbare orde 
discriminatie 
gemeengevaarlijke misdrijven*
* 
tegen het openbaar gezag 
schennis der eerbaarheid 
vernieling 


1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
246.994 252.822 263.262 276.119 279.320 282.215 294.424 319.310 345.985 360.853 349.620 358.349 
195.294 198.506 201.125 205.058 206.437 207.035 210.232 229.872 244.494 255.967 244.177 249.697 
38.581 40.896 45.354 46.620 51.716 53.899 56.811 61.481 66.655 75.255 78.275 80.529 
1.066 1.040 1.049 1.083 1.175 1.035 1.054 1.041 1.054 1.184 1.165 976 
1.034 1.002 1.176 1.203 1.441 1.431 1.307 1.329 1.478 1.418 1.411 1.364 
804 876 1.865 1.661 1.540 1.594 1.444 1.259 1.308 1.377 1.326 1.348 
9.680 10.003 9.389 10.119 11.548 12.261 13.524 15.566 17.400 21.418 21.154 20.908 
5.926 6.366 7.443 8.194 9.585 10.238 11.587 13.756 15.946 19.491 19.547 19.669 
18.118 20.168 25.809 26.238 28.577 29.883 32.522 34.051 36.959 41.260 45.510 48.748 
6.797 6.749 5.525 5.635 6.798 7.187 6.491 7.794 7.952 7.982 7.107 6.640 
1.082 1.058 541 681 637 508 469 441 504 616 602 545 
122.899 119.144 120.642 120.721 115.024 111.652 109.588 116.386 119.999 116.783 103.518 102.364 
5.870 5.596 3.870 3.401 3.614 3.417 4.763 5.176 5.083 4.625 1.883 1.968 
56.822 56.255 55.760 53.220 53.105 50.537 49.425 51.790 53.941 51.969 47.344 47.424 
52.661 50.117 50.890 53.811 47.524 46.739 43.503 47.488 45.724 45.855 39.729 37.196 
2.554 2.500 2.959 2.983 3.349 3.248 3.317 3.711 4.027 3.831 3.830 3.854 
2.823 2.745 4.785 4.854 4.821 4.875 5.098 4.709 7.102 5.860 5.674 6.187 
2.169 1.931 2.378 2.452 2.611 2.836 3.482 3.512 4.122 4.643 5.058 5.735 
30.878 35.229 32.563 34.065 35.200 36.067 37.867 44.912 49.115 54.472 53.227 57.273 
8.928 10.783 4.877 4.046 5.161 5.951 7.434 12.972 16.158 18.766 16.754 18.473 
182 235 208 159 194 177 248 269 227 320 313 254 
2.095 2.681 2.325 2.328 2.652 2.389 2.554 2.583 2.986 2.979 3.097 3.191 
2.142 1.854 2.140 2.640 3.139 3.637 3.626 3.979 4.890 5.833 5.327 5.258 
717 739 860 898 906 997 918 953 1.000 1.058 911 967 
16.814 18.937 22.153 23.994 23.148 22.916 23.087 24.156 23.854 25.516 26.825 29.130 

388 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 4.15 (Vervolg) 

.w.overnieling van/aan auto 
vernieling in/aan openbaar vervoer 
vernieling in/aan openbaar gebouw 
overige misdrijven Wetboek van Strafrecht 

Wegenverkeerswet 
rijden onder invloed 
doorrijden na/verlaten plaats ongeval 
overige misdrijven Wegenverkeerswet 

Wet op de economische delicten 
milieuhygiënische wetten 
overige misdrijven WED 

Opiumwet 
harddrugs 
softdrugs 
ov. drugsdelicten 

Wet wapens en munitie 

Wetboek Militair Strafrecht 

Overige wetten 

3.947 4.294 5.902 7.396 7.431 7.108 7.572 7.437 7.473 8.812 8.303 9.466 
821 571 326 317 372 333 418 452 430 496 570 731 
1.543 1.643 1.628 1.844 1.862 1.782 1.751 1.630 1.703 1.710 1.802 1.945 
2.936 3.237 2.566 3.652 4.497 5.417 5.966 7.093 8.725 9.457 9.157 9.531 
36.390 40.393 42.063 51.236 53.406 56.873 63.287 63.779 69.941 71.874 72.864 75.667 
24.960 28.243 30.424 39.555 41.146 44.432 50.755 52.544 57.897 58.682 59.260 61.546 
7.869 8.429 8.747 8.539 9.210 8.942 8.777 8.470 8.877 9.857 9.956 10.344 
3.561 3.721 2.892 3.142 3.050 3.499 3.755 2.765 3.167 3.335 3.648 3.777 
1.371 1.329 3.072 3.145 2.907 2.780 2.963 3.289 3.830 4.282 4.066 3.441 
1.182 1.060 2.098 2.095 1.918 1.916 2.118 2.685 2.990 3.411 3.104 2.781 
189 269 974 1.050 989 864 845 604 840 871 962 660 
8.846 7.523 11.851 11.858 11.490 11.643 13.661 17.037 20.877 22.034 21.793 23.088 
7.079 5.616 9.950 10.388 10.063 6.836 7.852 10.946 12.571 12.059 11.273 12.326 
1.767 1.907 1.901 1.470 1.427 4.807 5.809 5.913 8.174 9.890 10.429 10.676 
178 132 85 91 86 
2.551 3.256 3.827 3.759 4.063 3.693 4.094 4.830 6.346 6.455 6.407 6.116 
1.420 693 351 298 220 73 93 115 166 16 19 71 
1.122 1.122 973 765 797 118 94 388 331 225 294 269 

* Betreft bedreiging, (poging) doodslag/moord, overige misdrijven tegen het leven en dood en lichamelijk letsel door schuld.
** Misdrijven waardoor de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar worden gebracht, zoals brandstichting, tot ontploffi ng brengen, vernielen van 
elektriciteitswerken, vernieling van enig werk dienende voor het openbaar vervoer of luchtverkeer en de vernieling van gebouwen.
Zie toelichting bij tabel 4.1.
Bron: CBS 

Bijlage 4 389 


Tabel 4.16 Gehoorde verdachten naar delictgroep (relatief)

Totaal 

Wetboek van Strafrecht 

Geweldsmisdrijven 
verkrachting 
feitelijke aanranding der eerbaarheid 
overige seksuele misdrijven 
misdrijven tegen het leven en persoon* 

.
w.obedreiging 
mishandeling 
diefstal met geweld 
afpersing 
Vermogensmisdrijven 
valsheidsmisdrijven 
eenvoudige diefstal 
gekwalificeerde diefstal 
verduistering 
bedrog 
heling en schuldheling 

Vernieling en openbare orde 
tegen de openbare orde 
discriminatie 
gemeengevaarlijke misdrijven** 
tegen het openbaar gezag 
schennis der eerbaarheid 
vernieling 

19,5 19,9 20,6 21,5 21,6 21,7 22,5 24,3 26,1 27,1 26,2 26,8 
15,4 15,6 15,8 16,0 16,0 15,9 16,1 17,5 18,5 19,3 18,3 18,7 
3,0 3,2 3,6 3,6 4,0 4,1 4,3 4,7 5,0 5,7 5,9 6,0 
0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 
0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 
0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 
0,8 0,8 0,7 0,8 0,9 0,9 1,0 1,2 1,3 1,6 1,6 1,6 
0,5 0,5 0,6 0,6 0,7 0,8 0,9 1,0 1,2 1,5 1,5 1,5 
1,4 1,6 2,0 2,0 2,2 2,3 2,5 2,6 2,8 3,1 3,4 3,6 
0,5 0,5 0,4 0,4 0,5 0,6 0,5 0,6 0,6 0,6 0,5 0,5 
0,1 0,1 0,0 0,1 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 
9,7 9,4 9,5 9,4 8,9 8,6 8,4 8,8 9,1 8,8 7,8 7,7 
0,5 0,4 0,3 0,3 0,3 0,3 0,4 0,4 0,4 0,3 0,1 0,1 
4,5 4,4 4,4 4,2 4,1 3,9 3,8 3,9 4,1 3,9 3,6 3,5 
4,2 3,9 4,0 4,2 3,7 3,6 3,3 3,6 3,5 3,5 3,0 2,8 
0,2 0,2 0,2 0,2 0,3 0,3 0,3 0,3 0,3 0,3 0,3 0,3 
0,2 0,2 0,4 0,4 0,4 0,4 0,4 0,4 0,5 0,4 0,4 0,5 
0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,3 0,3 0,3 0,3 0,4 0,4 
2,4 2,8 2,6 2,7 2,7 2,8 2,9 3,4 3,7 4,1 4,0 4,3 
0,7 0,8 0,4 0,3 0,4 0,5 0,6 1,0 1,2 1,4 1,3 1,4 
0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 
0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 
0,2 0,1 0,2 0,2 0,2 0,3 0,3 0,3 0,4 0,4 0,4 0,4 
0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 
1,3 1,5 1,7 1,9 1,8 1,8 1,8 1,8 1,8 1,9 2,0 2,2 
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
(per 1.000 inwoners van 12-79 jaar)
390 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 4.16 (Vervolg) 

w.o. 
vernieling van/aan auto 
vernieling in/aan openbaar vervoer 
vernieling in/aan openbaar gebouw 
Overige misdrijven Wetboek van Strafrecht 

Wegenverkeerswet 
rijden onder invloed 
doorrijden na /verlaten plaats ongeval 
overige misdrijven Wegenverkeerswet 

Wet op de economische delicten 
milieuhygiënische wetten 
overige misdrijven WED 

Opiumwet 
harddrugs 
softdrugs 
overige drugsdelicten 

Wet wapens en munitie 

Wetboek Militair Strafrecht 

Overige wetten 

0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 
0,3 0,3 0,5 0,6 0,6 0,5 0,6 0,6 0,6 0,7 0,6 0,7 
0,1 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,1 
0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 
0,2 0,3 0,2 0,3 0,3 0,4 0,5 0,5 0,7 0,7 0,7 0,7 
2,9 3,2 3,3 4,0 4,1 4,4 4,8 4,8 5,3 5,4 5,5 5,7 
2,0 2,2 2,4 3,1 3,2 3,4 3,9 4,0 4,4 4,4 4,4 4,6 
0,6 0,7 0,7 0,7 0,7 0,7 0,7 0,6 0,7 0,7 0,7 0,8 
0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,1 0,2 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 
0,1 0,1 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,3 0,3 0,3 0,3 
0,1 0,1 0,2 0,2 0,1 0,1 0,2 0,2 0,2 0,3 0,2 0,2 
0,0 0,0 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,0 0,1 0,1 0,1 0,0 
0,7 0,6 0,9 0,9 0,9 0,9 1,0 1,3 1,6 1,7 1,6 1,7 
0,6 0,4 0,8 0,8 0,8 0,5 0,6 0,8 0,9 0,9 0,8 0,9 
0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,4 0,4 0,4 0,6 0,7 0,8 0,8 
-------0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 
0,2 0,3 0,3 0,3 0,3 0,3 0,3 0,4 0,5 0,5 0,5 0,5 
0,1 0,1 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 
0,1 0,1 0,1 0,1 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
(per 1.000 inwoners van 12-79 jaar)
* Betreft bedreiging, (poging tot) doodslag/moord, overige misdrijven tegen het leven en dood en lichamelijk letsel door schuld.
** Misdrijven waardoor de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar worden gebracht, zoals brandstichting, tot ontploffi ng brengen, vernielen van 
elektriciteitswerken, vernieling van enig werk dienende voor het openbaar vervoer of luchtverkeer en de vernieling van gebouwen.
Zie toelichting bij tabel 4.1.

Bron: CBS 

Bijlage 4 391


Tabel 4.17 Gehoorde verdachten naar delictgroep (procentueel)

Totaal 

Wetboek van Strafrecht 

Geweldsmisdrijven 
verkrachting 
feitelijke aanranding der eerbaarheid 
overige seksuele misdrijven 
misdrijven tegen het leven en persoon*) 

.
w.obedreiging 
mishandeling 
diefstal met geweld 
afpersing 
Vermogensmisdrijven 
valsheidsmisdrijven 
eenvoudige diefstal 
gekwalificeerde diefstal 
verduistering 
bedrog 
heling en schuldheling 

Vernieling en openbare orde 
tegen de openbare orde 
discriminatie 
gemeengevaarlijke misdrijven** 
tegen het openbaar gezag 
schennis der eerbaarheid 
vernieling 

100 100 100 100 100 100 100 100 100 100 100 100 
79,1 78,5 76,4 74,3 74,1 73,4 71,4 72,0 70,7 70,9 69,8 69,7 
15,6 16,2 17,2 16,9 18,6 19,1 19,3 19,3 19,3 20,9 22,4 22,5 
0,4 0,4 0,4 0,4 0,4 0,4 0,4 0,3 0,3 0,3 0,3 0,3 
0,4 0,4 0,4 0,4 0,5 0,5 0,4 0,4 0,4 0,4 0,4 0,4 
0,3 0,3 0,7 0,6 0,6 0,6 0,5 0,4 0,4 0,4 0,4 0,4 
3,9 3,9 3,6 3,7 4,1 4,3 4,6 4,9 5,0 5,9 6,1 5,8 
2,4 2,5 2,8 3,0 3,4 3,6 3,9 4,3 4,6 5,4 5,6 5,5 
7,4 8,0 9,8 9,5 10,3 10,6 11,0 10,7 10,7 11,4 13,0 13,6 
2,8 2,7 2,1 2,0 2,4 2,5 2,2 2,4 2,3 2,2 2,0 1,9 
0,4 0,4 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,1 0,1 0,2 0,2 0,2 
49,9 47,2 45,8 43,7 41,3 39,6 37,2 36,4 34,7 32,4 29,6 28,6 
2,4 2,2 1,5 1,2 1,3 1,2 1,6 1,6 1,5 1,3 0,5 0,5 
23,1 22,3 21,2 19,3 19,1 17,9 16,8 16,2 15,6 14,4 13,5 13,2 
21,4 19,8 19,3 19,5 17,0 16,6 14,8 14,9 13,2 12,7 11,4 10,4 
1,0 1,0 1,1 1,1 1,2 1,2 1,1 1,2 1,2 1,1 1,1 1,1 
1,1 1,1 1,8 1,8 1,7 1,7 1,7 1,5 2,1 1,6 1,6 1,7 
0,9 0,8 0,9 0,9 0,9 1,0 1,2 1,1 1,2 1,3 1,4 1,6 
12,4 13,9 12,4 12,3 12,6 12,8 12,9 14,1 14,2 15,1 15,2 16,0 
3,6 4,3 1,9 1,5 1,9 2,1 2,5 4,1 4,7 5,2 4,8 5,2 
0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 
0,9 1,1 0,9 0,8 1,0 0,8 0,9 0,8 0,9 0,8 0,9 0,9 
0,9 0,7 0,8 1,0 1,1 1,3 1,2 1,2 1,4 1,6 1,5 1,5 
0,3 0,3 0,3 0,3 0,3 0,4 0,3 0,3 0,3 0,3 0,3 0,3 
6,7 7,5 8,4 8,7 8,3 8,1 7,8 7,6 6,9 7,1 7,7 8,1 
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
(%) 
392 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 4.17 (Vervolg) 

.w.overnieling van/aan auto 
vernieling in/aan openbaar vervoer 
vernieling in/aan openbaar gebouw 
Overige misdrijven Wetboek van Strafrecht 

Wegenverkeerswet 
rijden onder invloed 
doorrijden na /verlaten plaats ongeval 
overige misdrijven Wegenverkeerswet 

Wet op de economische delicten 
milieuhygiënische wetten 
overige misdrijven WED 

Opiumwet 
harddrugs 
softdrugs 
overige drugsdelicten 

Wet wapens en munitie 

Wetboek Militair Strafrecht 

Overige wetten 

1,5 1,7 2,2 2,7 2,7 2,5 2,6 2,3 2,2 2,4 2,4 2,6 
0,3 0,2 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,2 0,2 
0,6 0,7 0,6 0,7 0,7 0,6 0,6 0,5 0,5 0,5 0,5 0,5 
1,2 1,3 1,0 1,3 1,6 1,9 2,0 2,2 2,5 2,6 2,6 2,7 
14,7 16,0 16,0 18,6 19,2 20,2 21,5 20,0 20,2 19,9 20,8 21,1 
10,1 11,2 11,6 14,3 14,8 15,7 17,2 16,5 16,7 16,3 16,9 17,2 
3,2 3,3 3,3 3,1 3,3 3,2 3,0 2,7 2,6 2,7 2,8 2,9 
1,4 1,5 1,1 1,1 1,1 1,2 1,3 0,9 0,9 0,9 1,0 1,1 
0,5 0,5 1,2 1,1 1,0 1,0 1,0 1,0 1,1 1,2 1,2 1,0 
0,5 0,4 0,8 0,8 0,7 0,7 0,7 0,8 0,9 0,9 0,9 0,8 
0,1 0,1 0,4 0,4 0,4 0,3 0,3 0,2 0,2 0,2 0,3 0,2 
3,6 3,0 4,5 4,3 4,1 4,1 4,6 5,3 6,0 6,1 6,2 6,4 
2,9 2,2 3,8 3,8 3,6 2,4 2,7 3,4 3,6 3,3 3,2 3,4 
0,7 0,8 0,7 0,5 0,5 1,7 2,0 1,9 2,4 2,7 3,0 3,0 
0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,1 0,0 0,0 0,0 0,0 
1,0 1,3 1,5 1,4 1,5 1,3 1,4 1,5 1,8 1,8 1,8 1,7 
0,6 0,3 0,1 0,1 0,1 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 
0,5 0,4 0,4 0,3 0,1 0,0 0,0 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
(%) 
* Betreft bedreiging, (poging tot) doodslag/moord, overige misdrijven tegen het leven en dood en lichamelijk letsel door schuld.
** Misdrijven waardoor de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar worden gebracht, zoals brandstichting, tot ontploffi ng brengen, vernielen van 
elektriciteitswerken, vernieling van enig werk dienende voor het openbaar vervoer of luchtverkeer en de vernieling van gebouwen.
Zie toelichting bij tabel 4.1.

Bron: CBS 

Bijlage 4 393


394 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Tabel 4.18 Verdachten naar leeftijd (relatief) 
Leeftijd 2000 2001 2002 2003 2004 
(per 1.000 inwoners van het betreffende leeftijdsjaar) 
12 jaar 2 3 3 3 3 
13 jaar 7 7 8 9 10 
14 jaar 13 14 15 17 19 
15 jaar 18 21 22 24 28 
16 jaar 24 26 28 31 35 
17 jaar 28 29 32 35 38 
18 jaar 28 30 34 38 40 
19 jaar 28 31 34 38 41 
20 jaar 27 29 32 36 40 
21 jaar 25 26 29 32 36 
22 jaar 23 24 27 29 33 
23 jaar 21 22 25 27 30 
24 jaar 19 21 23 25 28 
25 jaar 18 19 22 23 26 
26 jaar 17 19 20 23 24 
27 jaar 17 18 19 20 22 
28 jaar 16 17 18 20 21 
29 jaar 16 16 18 20 20 
30 jaar 15 16 17 18 20 
31 jaar 14 15 17 18 19 
32 jaar 14 15 16 18 19 
33 jaar 14 14 16 18 19 
34 jaar 13 14 15 17 17 
35 jaar 13 13 14 16 17 
36 jaar 12 13 14 16 17 
37 jaar 12 13 14 15 17 
38 jaar 11 13 14 15 17 
39 jaar 11 12 13 15 16 
40 jaar 11 11 13 14 16 
41 jaar 10 11 12 14 15 
42 jaar 10 11 12 13 15 
43 jaar 9 10 11 13 14 
44 jaar 9 10 11 12 13 
45 jaar 9 9 10 12 13 
46 jaar 8 8 10 11 12 
47 jaar 8 8 9 10 11 
48 jaar 7 8 9 10 11 
49 jaar 7 7 8 10 10 
50 jaar 7 7 8 9 9 
51 jaar 6 6 7 8 9 
52 jaar 6 6 7 8 9 
53 jaar 5 6 6 8 8 
54 jaar 5 6 6 7 7 
55 jaar 5 5 6 7 7 

Bijlage 4 395 

Tabel 4.18 (Vervolg) 

Leeftijd 2000 2001 2002 2003 2004 
(per 1.000 inwoners van het betreffende leeftijdsjaar) 
56 jaar 5 5 6 6 7 
57 jaar 5 5 6 6 6 
58 jaar 4 5 5 6 6 
59 jaar 4 5 5 6 6 
60 jaar 4 4 5 5 6 
61 jaar 3 4 4 5 5 
62 jaar 3 3 4 4 5 
63 jaar 3 3 4 4 4 
64 jaar 2 3 3 4 4 
65 jaar 3 2 3 3 4 
66 jaar 2 2 3 3 3 
67 jaar 2 2 2 3 3 
68 jaar 2 2 2 3 3 
69 jaar 2 2 2 2 3 
70 jaar 2 2 2 2 2 
71 jaar 1 1 2 2 2 
72 jaar 1 2 2 2 2 
73 jaar 1 1 2 2 2 
74 jaar 1 1 1 2 2 
75 jaar 1 1 1 1 2 
76 jaar 1 1 1 1 1 
77 jaar 1 1 1 1 1 
78 jaar 1 1 1 1 1 
79 jaar 1 1 1 1 1 
Bron: HKS/dNRI, CBS 
138.602 149.695 164.744 183.802 198.840 10,1 10,7 11,8 13,1 14,2 
87.025 93.810 103.058 114.956 124.674 8,1 8,7 9,6 10,7 11,5 
51.577 55.885 61.686 68.846 74.166 19,7 20,3 22,0 24,2 25,9 
9.023 9.646 10.426 12.009 12.995 36,4 36,7 38,0 43,2 45,6 
5.220 5.843 6.768 7.052 7.451 48,6 49,5 56,6 58,9 61,2 
9.227 9.769 10.429 11.702 12.888 32,5 34,0 35,9 39,5 42,8 
6.007 6.761 7.455 8.695 9.479 20,8 22,3 24,5 27,6 29,3 
Tabel 4.19 Verdachten naar herkomstgroepering (absoluut en relatief) 
2000 2001 2002 2003 2004 2000 2001 2002 2003 2004 
(abs.) (per 1.000 inwoners van 12-79 jaar) 
Totaal 

w.v. 
autochtoon 
allochtoon 
w.o. 
Marokko 
Nederlandse 
Antillen of 
Aruba 
Suriname 
Turkije 
Bron: HKS/dNRI, SSB/CBS 


Tabel 4.20 Allochtone verdachten naar herkomstgroepering (absoluut en relatief)

1e generatie allochtoon 

.
w.vwesterse allochtoon 
niet-westerse allochtoon 
.
w.oMarokko 
Nederlandse Antillen of Aruba 
Suriname 
Turkije 
2e generatie allochtoon 

.
w.vwesterse allochtoon 
niet-westerse allochtoon 
.
w.oMarokko 
Nederlandse Antillen of Aruba 
Suriname 
Turkije 
2e generatie allochtoon met 1 ouder in buitenland geboren 

.
w.vwesterse allochtoon 
niet-westerse allochtoon 
w.
o
Marokko 
Nederlandse Antillen of Aruba 
Suriname 
Turkije 
2000 2001 2002 2003 2004 2000 2001 2002 2003 2004 
(abs.) (per 1000 inwoners van 12-79 jaar)*
33.185 35.817 39.183 43.003 44.830 21,6 22,4 23,9 25,9 27,6 
5.644 6.042 6.582 7.179 7.309 12,2 12,4 13,4 14,1 15,2 
27.541 29.775 32.601 35.824 37.521 27,1 28,1 29,8 32,4 34,3 
5.628 5.801 6.109 6.742 6.964 29,5 30,3 31,4 35,0 37,2 
4.577 5.093 5.861 6.027 6.192 56,5 58,2 65,7 68,2 71,4 
6.326 6.478 6.682 7.363 7.939 34,8 36,2 37,5 41,5 45,5 
3.759 4.190 4.509 5.288 5.313 17,1 19,0 20,1 23,1 23,8 
18.392 20.068 22.503 25.843 29.336 16,5 16,9 18,9 21,2 23,1 
8.209 8.496 9.241 10.178 10.937 12,1 12,3 13,4 14,9 16,0 
10.183 11.572 13.262 15.665 18.399 34,3 33,9 37,8 41,4 44,3 
3.395 3.845 4.317 5.267 6.031 79,8 74,1 73,9 84,9 86,0 
643 750 907 1.025 1.259 21,0 19,4 26,0 29,0 31,0 
2.901 3.291 3.747 4.339 4.949 26,3 28,1 32,1 34,9 36,9 
2.248 2.571 2.946 3.407 4.166 41,9 39,5 46,6 48,3 53,5 
8.300 8.683 9.750 10.782 11.885 12,6 12,8 14,2 15,6 16,8 
6.463 6.624 7.340 8.025 8.648 11,6 11,7 13,0 14,3 15,4 
1.837 2.059 2.410 2.757 3.237 19,4 19,8 21,7 23,3 24,5 
203 214 247 285 341 55,2 46,0 45,6 50,1 52,1 
346 368 438 469 548 17,5 15,6 21,1 23,4 21,7 
641 744 879 966 1.086 16,1 18,3 20,8 21,8 23,4 
157 177 197 226 319 36,3 40,0 38,8 42,5 49,6 
396 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 4.20 (Vervolg) 

2e generatie allochtoon met 2 ouders in buitenland geboren 

.
w.vwesterse allochtoon 
niet-westerse allochtoon 
w.
o
Marokko 
Nederlandse Antillen of Aruba 
Suriname 
Turkije 
* Uit de betreffende bevolkingsgroep.
Bron: HKS/dNRI, SSB/CBS 

 2000 2001 2002 2003 2004 2000 2001 2002 2003 2004 
(abs.) (per 1000 inwoners van 12-79 jaar)*
10.092 11.385 12.753 15.061 17.451 30,3 30,6 33,9 38,2 41,4 
1.746 1.872 1.901 2.153 2.289 14,7 15,6 15,7 18,0 19,2 
8.346 9.513 10.852 12.908 15.162 49,6 47,4 52,3 57,1 60,7 
3.192 3.631 4.070 4.982 5.690 87,2 80,9 79,5 90,8 91,1 
297 382 469 556 711 35,3 34,3 44,9 49,8 64,6 
2.260 2.547 2.868 3.373 3.863 42,6 43,0 48,3 53,1 55,1 
2.091 2.394 2.749 3.181 3.847 42,8 39,5 47,5 48,9 53,9 
Bijlage 4 397


Tabel 4.21 Verdachten naar gemeentegrootte (procentueel en relatief)*

Gemeentegrootte 

Minder dan 10.000 inwoners 

tot 50.000 inwoners 10.000 
tot 100.000 inwoners 50.000 
tot 250.000 inwoners 100.000 
en meer inwoners 250.000 
2000 2001 2002 2003 2004 2000 2001 2002 2003 2004 
(%**) (per 1000 inwoners van 12-79 jaar)***
1,83 1,76 1,79 1,81 1,76 6,39 7,10 7,84 8,92 9,62 
31,95 32,08 31,48 31,27 31,34 7,92 8,50 9,30 10,35 11,22 
17,04 16,67 16,57 16,42 16,39 11,64 12,20 13,66 15,09 15,92 
19,52 20,18 19,69 19,34 19,20 12,59 13,77 14,77 16,09 17,24 
22,29 21,16 20,69 20,18 19,78 19,44 19,27 20,90 23,41 25,13 
* Op basis van de laatst bekende woon- of verblijfplaats.
** Percentages tellen niet op tot 100%, omdat in sommige gevallen de woonplaats van de verdachte onbekend is of de verdachte in het buitenland woont.
*** Van gemeenten in de betreffende klasse op 1 januari.
Bron: HKS/dNRI, SSB/CBS
Tabel 4.22 Door verdachten gepleegde delicten naar delictcategorie

Seksuele delicten 
Geweldsdelicten 
Vermogensdelicten 
Vernielingen en openbareordedelicten 
Verkeersdelicten 
Drugsdelicten 
Overige delicten 

Totaal 

 2000 2001 2002 2003 2004 2000 2001 2002 2003 2004 
291.807 315.269 355.195 390.806 417.535 12 14 13 13 13 
(abs.) (% delicten gepleegd door vrouwen)
4.249 4.432 4.279 4.330 4.830 1 2 2 1 2 
50.476 58.388 67.593 77.458 88.080 9 9 10 10 10 
110.089 116.603 129.315 134.646 135.526 17 18 18 18 18 
45.042 48.278 54.232 60.640 66.698 7 8 9 9 10 
51.898 54.779 59.759 65.483 66.413 9 9 10 10 11 
12.261 14.734 18.444 22.769 27.104 12 13 13 14 15 
17.792 18.055 21.573 25.480 28.884 9 9 10 10 10 
Bron: HKS/dNRI, SSB/CBS 

398 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Bijlage 4 399 

Tabel 4.23 Verdachten naar herkomstgroepering en pleegcarrière 

(procentueel)*

 2000 2001 2002 2003 2004 
(%) 
Jeugdige first offender 7,2 7,6 7,6 7,5 8,0 
w.v. 
autochtoon
allochtoon 
w.v. 
westers allochtoon 
niet-westers allochtoon 
Jeugdige meerpleger 

w.v. 
autochtoon 
allochtoon 
w.v. 
westers allochtoon 
niet-westers allochtoon 
Jeugdige veelpleger 

w.v. 
autochtoon 
allochtoon 
w.v. 
westers allochtoon 
niet-westers allochtoon 
Volwassen first offender 

w.v. 
autochtoon 
allochtoon 
w.v. 
westers allochtoon 
niet-westers allochtoon 
Volwassen meerpleger 

w.v. 
autochtoon 
allochtoon 
w.v. 
westers allochtoon 
niet-westers allochtoon 
7,2 7,7 7,7 7,6 8,0 
7,1 7,6 7,3 7,3 7,8 
7,8 7,6 7,9 7,8 8,9 
6,8 7,6 7,0 7,1 7,3 
3,5 3,6 3,8 3,9 4,2 
3,0 3,1 3,3 3,5 3,5 
4,5 4,7 4,8 4,8 5,4 
3,9 3,7 4,4 4,3 4,9 
4,8 5,1 4,9 5,0 5,5 
0,4 0,4 0,4 0,4 0,5 
0,3 0,3 0,3 0,3 0,3 
0,8 0,8 0,6 0,7 0,8 
0,5 0,6 0,4 0,4 0,5 
0,9 0,9 0,8 0,8 0,9 
41,0 41,4 41,0 41,2 40,6 
43,5 44,3 43,9 44,4 43,8 
35,9 35,4 35,1 34,8 34,4 
40,2 40,8 40,6 40,3 40,5 
33,8 33,0 32,6 32,4 31,7 
35,7 35,0 35,5 35,8 36,0 
34,7 33,8 34,1 34,1 34,7 
37,8 37,6 38,2 39,2 38,6 
35,5 34,8 34,4 35,8 34,1 
39,0 38,9 40,0 40,7 40,5 

400 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006

Tabel 4.23 Vervolg 

 2000 2001 2002 2003 2004 
(%) 
Volwassen veelpleger 12,2 11,9 11,8 11,2 10,8 
w.v. 
autochtoon 11,3 10,9 10,7 10,1 9,6 
allochtoon 13,9 13,9 13,9 13,3 13,1 
w.v. 
westers allochtoon 12,1 12,5 12,2 11,4 11,0 
niet-westers allochtoon 14,7 14,5 14,7 14,1 14,0 
* Gestandaardiseerd naar leeftijd en geslacht. 
Bron: HKS/dNRI, SSB/CBS 
Tabel 4.24 Gehoorde minderjarige verdachten 

Totaal Jongens Meisjes Jongens Meisjes 
(x 1.000) (%) 
42,3 38,2 4,1 90,3 9,7 
44,9 40,4 4,5 90,0 10,0 
48,9 44,0 4,9 90,0 10,0 
45,5 40,8 4,7 89,7 10,3 
46,9 41,5 5,4 88,5 11,5 
46,6 40,6 6,0 87,1 12,9 
45,7 40,4 5,3 88,4 11,6 
42,7 37,5 5,2 87,8 12,2 
40,4 35,8 4,6 88,6 11,4 
39,4 35,3 4,1 89,6 10,4 
38,3 33,9 4,4 88,5 11,5 
39,7 35,0 4,7 88,2 11,8 
41,4 36,3 5,1 87,7 12,3 
37,1 32,6 4,5 87,9 12,1 
38,7 34,0 4,7 87,9 12,1 
41,4 35,8 5,6 86,5 13,5 
50,8 44,0 6,8 86,6 13,4 
48,6 42,0 6,6 86,4 13,6 
46,4 40,5 5,9 87,3 12,7 
48,3 41,6 6,7 86,2 13,8 
47,6 41,3 6,3 86,7 13,3 
47,3 39,9 7,4 84,3 15,7 
51,1 43,3 7,8 84,7 15,3 
55,4 46,8 8,6 84,5 15,5 
61,6 52,5 9,1 85,2 14,8 
65,0 54,1 10,9 83,3 16,7 
70,4 58,1 12,3 82,6 17,4 
1980 
1981 
1982 
1983 
1984 
1985 
1986 
1987 
1988 
1989 
1990 
1991 
1992 
1993 
1994 
1995 
1996 
1997 
1998 
1999 
2000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006 

Zie toelichting bij tabel 4.1. 
Bron: CBS 


Bijlage 4 401 

Tabel 4.25 Gehoorde minderjarige verdachten van geweldsmisdrijven

1980 
1981 
1982 
1983 
1984 

 Totaal Jongens Meisjes Jongens Meisjes 
(x 1.000) (%) 
2,7 2,6 0,1 96,3 3,7 
2,9 2,8 0,2 96,6 6,9 
3,1 2,9 0,2 93,5 6,5 
2,8 2,6 0,2 92,9 7,1 
2,9 2,7 0,2 93,1 6,9 
1985 
1986 
1987 
1988 
1989 

1990 
1991 
1992 
1993 
1994 

1995 
1996 
1997 
1998 
1999 

2000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006 

Zie toelichting bij tabel 4.1. 
Bron: CBS 

3,1 2,8 0,2 90,3 6,5 
3,4 3,2 0,2 94,1 5,9 
3,2 2,9 0,2 90,6 6,3 
3,2 2,9 0,2 90,6 6,3 
3,3 3,0 0,3 90,9 9,1 
3,5 3,2 0,3 91,4 8,6 
4,0 3,6 0,3 90,0 7,5 
4,7 4,3 0,4 91,5 8,5 
4,6 4,2 0,4 91,3 8,7 
5,3 4,8 0,5 90,6 9,4 
6,5 5,7 0,8 87,9 12,1 
7,9 7,0 1,0 88,0 12,0 
8,4 7,4 1,0 87,9 12,1 
8,1 7,2 1,0 87,8 12,2 
9,8 8,4 1,4 85,8 14,2 
9,9 8,7 1,2 87,6 12,4 
10,6 9,0 1,6 84,8 15,2 
11,0 9,3 1,7 84,6 15,4 
11,3 9,7 1,7 85,2 14,8 
13,3 11,4 1,9 85,5 14,5 
14,4 12,1 2,4 83,6 16,4 
15,1 12,5 2,5 83,2 16,8 

402 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Tabel 4.26 Gehoorde minderjarige verdachten van 
vermogensmisdrijven 

1980 
1981 
1982 
1983 
1984 

Totaal Jongens Meisjes Jongens Meisjes 
(x 1.000) (%) 
28,8 25,2 3,6 87,5 12,5 
31,1 27,1 3,9 87,1 12,5 
34,0 29,8 4,2 87,6 12,4 
33,1 29,0 4,1 87,6 12,4 
33,5 28,7 4,8 85,7 14,3 
1985 
1986 
1987 
1988 
1989 

1990 
1991 
1992 
1993 
1994 

1995 
1996 
1997 
1998 
1999 

2000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006 

Zie toelichting bij tabel 4.1. 
Bron: CBS 

32,9 27,7 5,2 84,2 15,8 
31,0 26,3 4,6 84,8 14,8 
28,0 23,6 4,4 84,3 15,7 
26,2 22,3 3,9 85,1 14,9 
24,7 21,4 3,3 86,6 13,4 
25,3 21,6 3,7 85,4 14,6 
26,0 22,1 3,9 85,0 15,0 
26,5 22,3 4,1 84,2 15,5 
23,4 20,0 3,4 85,5 14,5 
23,4 19,8 3,5 84,6 15,0 
24,1 20,1 4,0 83,5 16,5 
28,0 23,5 4,6 83,8 16,2 
27,0 22,4 4,6 83,0 17,0 
25,6 21,4 4,2 83,6 16,4 
24,7 20,4 4,3 82,4 17,6 
24,1 20,0 4,1 82,8 17,2 
22,8 18,0 4,8 78,9 21,1 
22,5 17,9 4,6 79,6 20,4 
24,1 19,1 4,9 79,5 20,5 
26,1 20,9 5,2 80,1 19,9 
26,3 20,3 6,0 77,3 22,7 
28,0 20,9 7,0 74,8 25,2 

Bijlage 4 403 

Tabel 4.27 Gehoorde minderjarige verdachten van vernielingen en 

misdrijven tegen openbare orde en gezag 

Totaal Jongens Meisjes Jongens Meisjes 
(x 1.000) (%) 
8,8 8,5 0,3 96,6 3,4 
8,9 8,6 0,3 96,6 3,4 
9,7 9,4 0,4 96,9 4,1 
8,0 7,7 0,3 96,3 3,8 
9,2 8,8 0,4 95,7 4,3 
1980 
1981 
1982 
1983 
1984 

1985 
1986 
1987 
1988 
1989 

1990 
1991 
1992 
1993 
1994 

1995 
1996 
1997 
1998 
1999 

2000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006 

9,3 8,8 0,4 94,6 4,3 
9,8 9,5 0,4 96,9 4,1 
9,3 8,9 0,4 95,7 4,3 
8,8 8,5 0,4 96,6 4,5 
8,6 8,3 0,4 96,5 4,7 
8,2 7,8 0,4 95,1 4,9 
8,2 7,9 0,4 96,3 4,9 
8,5 8,1 0,4 95,3 4,7 
7,8 7,2 0,5 92,3 6,4 
8,6 8,0 0,5 93,0 5,8 
9,1 8,5 0,6 92,9 7,1 
13,0 11,9 1,1 91,6 8,4 
10,9 10,1 0,8 92,6 7,4 
10,4 9,8 0,6 94,7 5,3 
11,0 10,3 0,7 93,7 6,3 
11,0 10,2 0,8 92,9 7,1 
10,9 10,2 0,8 92,9 7,1 
14,2 13,0 1,2 91,5 8,5 
16,2 14,6 1,6 90,3 9,7 
18,1 16,5 1,6 91,4 8,6 
19,4 17,4 2,0 89,9 10,1 
22,2 20,1 2,1 90,6 9,4 
Zie toelichting bij tabel 4.1. 
Bron: CBS 


404 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Tabel 4.28 Gehoorde minderjarige verdachten van verkeersmisdrijven 

Totaal Jongens Meisjes 
(x 1.000) 
1,1 1,1 0,0 
1,0 0,9 0,0 
0,9 0,9 0,0 
0,7 0,7 0,0 
0,6 0,6 0,0 
1980 
1981 
1982 
1983 
1984 

1985 
1986 
1987 
1988 
1989 

1990 
1991 
1992 
1993 
1994 

1995 
1996 
1997 
1998 
1999 

2000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006 

0,6 0,6 0,0 
0,7 0,7 0,0 
0,6 0,6 0,0 
0,7 0,7 0,0 
0,7 0,6 0,0 
0,6 0,5 0,0 
0,7 0,6 0,0 
0,5 0,5 0,1 
0,5 0,4 0,0 
0,5 0,5 0,1 
0,7 0,6 0,1 
0,8 0,7 0,1 
0,7 0,7 0,1 
0,8 0,8 0,0 
1,1 1,0 0,1 
1,0 1,0 0,0 
1,1 1,0 0,1 
1,1 1,0 0,1 
1,1 1,1 0,1 
1,2 1,1 0,1 
1,6 1,4 0,1 
1,8 1,6 0,1 
Zie toelichting bij tabel 4.1. 
Bron: CBS 


Bijlage 4 405 

Tabel 4.29 Gehoorde minderjarige verdachten van misdrijven uit de Opiumwet en de 

Wet wapens en munitie 

Opiumwet Wet wapens en munitie 
totaal jongens meisjes totaal jongens meisjes 
(x 1.000) 
0,1 0,1 0,0 0,1 0,1 0,0 
0,1 0,1 0,0 0,1 0,1 0,0 
0,2 0,2 0,0 0,1 0,1 0,0 
0,1 0,1 0,0 0,1 0,1 0,0 
0,1 0,1 0,0 0,2 0,2 0,0 
1985 
1986 
1987 
1988 
1989 

1990 
1991 
1992 
1993 
1994 

1995 
1996 
1997 
1998 
1999 

2000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006 

0,1 0,1 0,0 0,1 0,1 0,0 
0,2 0,2 0,0 0,2 0,1 0,0 
0,3 0,3 0,0 0,1 0,1 0,0 
0,3 0,2 0,0 0,1 0,1 0,0 
0,2 0,2 0,0 0,2 0,1 0,0 
0,3 0,3 0,0 0,3 0,2 0,0 
0,3 0,3 0,0 0,3 0,2 0,0 
0,5 0,4 0,1 0,4 0,4 0,0 
0,4 0,3 0,0 0,6 0,5 0,0 
0,4 0,3 0,1 0,7 0,7 0,0 
0,4 0,3 0,0 0,6 0,6 0,0 
0,5 0,4 0,1 0,7 0,6 0,0 
0,7 0,6 0,1 0,9 0,8 0,0 
0,7 0,6 0,1 0,9 0,9 0,0 
0,8 0,7 0,1 1,0 1,0 0,0 
0,9 0,7 0,1 1,1 1,0 0,1 
0,9 0,7 0,1 1,1 1,0 0,1 
Zie toelichting bij tabel 4.1. 
Bron: CBS 


Tabel 4.30 Gehoorde minderjarige verdachten naar delictgroep (absoluut)

Totaal 

Wetboek van Strafrecht 

Geweldsmisdrijven 
verkrachting 
feitelijke aanranding der eerbaarheid 
overige seksuele misdrijven 
misdrijven tegen het leven en persoon* 

.
w.obedreiging 
mishandeling 
diefstal met geweld 
afpersing 
Vermogensmisdrijven 
valsheidsmisdrijven 
eenvoudige diefstal 
gekwalificeerde diefstal 
verduistering 
bedrog 
heling en schuldheling 

Vernieling en openbare orde 
tegen de openbare orde 
discriminatie 
gemeengevaarlijke misdrijven** 
tegen het openbaar gezag 
schennis der eerbaarheid 
vernieling 

1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
41.378 50.841 48.625 46.417 48.345 47.645 47.327 51.144 55.392 61.609 65.030 70.389 
40.042 49.388 46.834 44.467 45.950 45.484 44.939 48.495 52.509 58.424 61.303 66.396 
6.482 7.927 8.359 8.149 9.809 9.899 10.621 11.033 11.345 13.294 14.441 15.077 
144 184 161 140 187 168 207 169 195 273 278 172 
322 323 343 313 524 515 415 456 482 497 450 386 
118 143 279 227 200 217 198 175 196 248 281 215 
1.038 1.275 1.107 1.051 1.324 1.393 1.464 1.731 1.948 2.598 2.682 2.739 
712 897 931 904 1.170 1.232 1.327 1.599 1.837 2.426 2.521 2.611 
2.799 3.731 4.603 4.493 5.150 5.094 5.987 6.012 5.978 6.935 8.345 9.062 
1.721 1.930 1.644 1.737 2.212 2.338 2.183 2.366 2.390 2.592 2.243 2.358 
340 341 162 188 212 174 167 124 156 151 162 145 
24.062 28.028 26.965 25.573 24.744 24.106 22.846 22.535 24.071 26.072 26.328 27.966 
211 228 165 151 278 325 419 323 343 311 145 161 
10.942 13.147 12.141 10.719 10.658 10.379 10.631 9.948 10.975 12.086 12.888 14.362 
12.184 13.930 13.563 13.758 12.609 12.179 10.413 10.927 11.093 12.026 11.273 11.244 
235 230 278 286 428 450 432 490 530 407 434 464 
215 236 343 276 325 304 306 269 309 319 459 395 
275 257 343 383 446 469 645 578 821 923 1.129 1.340 
9.133 12.969 10.934 10.359 10.973 10.992 10.927 14.228 16.189 18.078 19.390 22.226 
3.137 4.409 1.785 1.301 1.808 1.985 2.098 3.892 5.501 6.544 6.596 7.183 
13 53 34 16 14 23 50 73 61 143 130 95 
844 1.308 1.004 879 1.081 1.007 997 1.103 1.346 1.355 1.713 1.959 
97 120 154 207 228 275 279 307 395 437 421 565 
47 62 74 79 70 89 70 82 54 67 73 70 
4.995 7.017 7.726 7.877 7.772 7.613 7.433 8.771 8.832 9.532 10.457 12.354 

406 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 4.30 (Vervolg) 

Ta 

.w.overnieling van/aan auto 
vernieling in/aan openbaar vervoer 
vernieling in/aan openbaar gebouw 
Overige misdrijven Wetboek van Strafrecht 

Wegenverkeerswet 
rijden onder invloed 
doorrijden na /verlaten plaats ongeval 
overige misdrijven Wegenverkeerswet 

Wet op de economische delicten 
milieuhygiënische wetten 
overige misdrijven WED 

Opiumwet 
harddrugs 
softdrugs 
overige drugsdelicten 

Wet wapens en munitie 

Wetboek Militair Strafrecht 

Overige wetten 

1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
948 1.250 1.915 2.687 2.512 2.514 2.406 2.459 2.766 3.269 2.797 4.176 
306 295 166 159 210 187 244 288 249 273 318 439 
688 931 770 710 815 779 733 734 893 841 1.050 1.165 
365 464 321 386 424 487 545 699 904 980 1.144 1.127 
663 761 729 814 1.052 1.034 1.114 1.050 1.145 1.210 1.586 1.776 
218 214 250 351 399 445 518 537 630 626 1.046 1.225 
245 327 317 290 431 366 364 351 316 380 309 347 
200 220 189 173 222 223 232 162 199 204 231 204 
75 55 129 134 190 181 137 64 99 158 172 248 
63 46 66 40 55 62 32 34 73 96 115 172 
12 9 59 94 135 119 105 30 26 62 57 76 
311 347 468 389 419 358 467 663 732 763 857 869 
228 266 395 333 310 225 296 447 454 418 466 400 
83 81 75 56 109 133 171 212 274 343 381 467 
4 4 2 10 2 
255 257 445 573 697 574 655 855 895 1.032 1.091 1.065 
3 1 1 1 1 
29 32 39 39 37 14 15 17 11 22 21 35 

* Betreft bedreiging, (poging tot) doodslag/moord, overige misdrijven tegen het leven en dood en lichamelijk letsel door schuld.
** Misdrijven waardoor de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar worden gebracht, zoals brandstichting, tot ontploffi ng brengen, vernielen van 
elektriciteitswerken, vernieling van enig werk dienende voor het openbaar vervoer of luchtverkeer en de vernieling van gebouwen.
Zie toelichting bij tabel 4.1.

Bron: CBS 

Bijlage 4 407 


Tabel 4.31 Gehoorde minderjarige verdachten naar delictgroep (relatief)

Totaal 

Wetboek van Strafrecht 

Geweldsmisdrijven 
verkrachting 
feitelijke aanranding der eerbaarheid 
overige seksuele misdrijven 
misdrijven tegen het leven en persoon* 

.
w.obedreiging 
mishandeling 
diefstal met geweld 
afpersing 
Vermogensmisdrijven 
valsheidsmisdrijven 
eenvoudige diefstal 
gekwalificeerde diefstal 
verduistering 
bedrog 
heling en schuldheling 

Vernieling en openbare orde 
tegen de openbare orde 
discriminatie 
gemeengevaarlijke misdrijven** 
tegen het openbaar gezag 
schennis der eerbaarheid 
vernieling 

37,7 46,5 44,5 42,2 43,7 42,6 41,6 44,2 46,9 51,6 54,2 58,6 
36,5 45,2 42,8 40,5 41,5 40,7 39,5 41,9 44,5 48,9 51,1 55,2 
5,9 7,3 7,7 7,4 8,9 8,8 9,3 9,5 9,6 11,1 12,0 12,5 
0,1 0,2 0,1 0,1 0,2 0,2 0,2 0,1 0,2 0,2 0,2 0,1 
0,3 0,3 0,3 0,3 0,5 0,5 0,4 0,4 0,4 0,4 0,4 0,3 
0,1 0,1 0,3 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 
0,9 1,2 1,0 1,0 1,2 1,2 1,3 1,5 1,7 2,2 2,2 2,3 
0,6 0,8 0,9 0,8 1,1 1,1 1,2 1,4 1,6 2,0 2,1 2,2 
2,6 3,4 4,2 4,1 4,7 4,6 5,3 5,2 5,1 5,8 7,0 7,5 
1,6 1,8 1,5 1,6 2,0 2,1 1,9 2,0 2,0 2,2 1,9 2,0 
0,3 0,3 0,1 0,2 0,2 0,2 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 
22,0 25,7 24,7 23,3 22,3 21,5 20,1 19,5 20,4 21,8 21,9 23,3 
0,2 0,2 0,2 0,1 0,3 0,3 0,4 0,3 0,3 0,3 0,1 0,1 
10,0 12,0 11,1 9,8 9,6 9,3 9,4 8,6 9,3 10,1 10,7 12,0 
11,1 12,8 12,4 12,5 11,4 10,9 9,2 9,4 9,4 10,1 9,4 9,4 
0,2 0,2 0,3 0,3 0,4 0,4 0,4 0,4 0,4 0,3 0,4 0,4 
0,2 0,2 0,3 0,3 0,3 0,3 0,3 0,2 0,3 0,3 0,4 0,3 
0,2 0,2 0,3 0,3 0,4 0,4 0,6 0,5 0,7 0,8 0,9 1,1 
8,3 11,9 10,0 9,4 9,9 9,8 9,6 12,3 13,7 15,1 16,2 18,5 
2,9 4,0 1,6 1,2 1,6 1,8 1,8 3,4 4,7 5,5 5,5 6,0 
0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 
0,8 1,2 0,9 0,8 1,0 0,9 0,9 1,0 1,1 1,1 1,4 1,6 
0,1 0,1 0,1 0,2 0,2 0,2 0,2 0,3 0,3 0,4 0,4 0,5 
0,0 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,0 0,1 0,1 0,1 
4,5 6,4 7,1 7,2 7,0 6,8 6,5 7,6 7,5 8,0 8,7 10,3 
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
(per 1.000 inwoners van 12-17 jaar)
408 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 4.31 (Vervolg) 

w.o. 
vernieling van/aan auto 
vernieling in/aan openbaar vervoer 
vernieling in/aan openbaar gebouw 
Overige misdrijven Wetboek van Strafrecht 

Wegenverkeerswet 
rijden onder invloed 
doorrijden na /verlaten plaats ongeval 
overige misdrijven Wegenverkeerswet 

Wet op de economische delicten 
milieuhygiënische wetten 
overige misdrijven WED 

Opiumwet 
harddrugs 
softdrugs 
overige drugsdelicten 

Wet wapens en munitie 

Wetboek Militair Strafrecht 

Overige wetten 

0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 
0,8 1,1 1,8 2,4 2,3 2,2 2,1 2,1 2,3 2,7 2,3 3,5 
0,3 0,3 0,1 0,1 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,3 0,4 
0,6 0,9 0,7 0,6 0,7 0,7 0,6 0,6 0,8 0,7 0,9 1,0 
0,3 0,4 0,3 0,4 0,4 0,4 0,5 0,6 0,8 0,8 1,0 0,9 
0,6 0,7 0,7 0,7 1,0 0,9 1,0 0,9 1,0 1,0 1,3 1,5 
0,2 0,2 0,2 0,3 0,4 0,4 0,5 0,5 0,5 0,5 0,9 1,0 
0,2 0,3 0,3 0,3 0,4 0,3 0,3 0,3 0,3 0,3 0,3 0,3 
0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,0 0,0 0,1 0,0 0,0 
0,1 0,0 0,1 0,1 0,2 0,2 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,2 
0,1 0,0 0,1 0,0 0,0 0,1 0,0 0,0 0,1 0,1 0,1 0,1 
0,0 0,0 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,0 0,0 0,1 0,0 0,1 
0,3 0,3 0,4 0,4 0,4 0,3 0,4 0,6 0,6 0,6 0,7 0,7 
0,2 0,2 0,4 0,3 0,3 0,2 0,3 0,4 0,4 0,3 0,4 0,3 
0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,2 0,2 0,2 0,3 0,3 0,4 
-------0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 
0,2 0,2 0,4 0,5 0,6 0,5 0,6 0,7 0,8 0,9 0,9 0,9 
0,0 0,0 0,0 0,0 ----0,0 ---
0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
(per 1.000 inwoners van 12-17 jaar)
* Betreft bedreiging, (poging tot) doodslag/moord, overige misdrijven tegen het leven en dood en lichamelijk letsel door schuld.
** Misdrijven waardoor de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar worden gebracht, zoals brandstichting, tot ontploffi ng brengen, vernielen van 
elektriciteitswerken, vernieling van enig werk dienende voor het openbaar vervoer of luchtverkeer en de vernieling van gebouwen.
Zie toelichting bij tabel 4.1.

Bron: CBS 

Bijlage 4 409 


Tabel 4.32 Gehoorde minderjarige verdachten naar delictgroep (procentueel)

Totaal 

Wetboek van Strafrecht 

Geweldsmisdrijven 
verkrachting 
feitelijke aanranding der eerbaarheid 
overige seksuele misdrijven 
misdrijven tegen het leven en persoon*) 

bedreiging
w.o. 
bedreiging 
mishandeling 
diefstal met geweld 
afpersing 
Vermogensmisdrijven 
valsheidsmisdrijven 
eenvoudige diefstal 
gekwalificeerde diefstal 
verduistering 
bedrog 
heling en schuldheling 

Vernieling en openbare orde 
tegen de openbare orde 
discriminatie 
gemeengevaarlijke misdrijven** 
tegen het openbaar gezag 
schennis der eerbaarheid 
vernieling 

100 100 100 100 100 100 100 100 100 100 100 100 
96,8 97,2 96,3 95,8 95,1 95,5 95,0 94,8 94,8 94,8 94,3 94,3 
15,6 15,6 17,2 17,6 20,3 20,8 22,4 21,6 20,5 21,6 22,2 21,4 
0,3 0,4 0,3 0,3 0,4 0,4 0,4 0,3 0,4 0,4 0,4 0,2 
0,8 0,6 0,7 0,7 1,1 1,1 0,9 0,9 0,9 0,8 0,7 0,5 
0,3 0,3 0,6 0,5 0,4 0,5 0,4 0,3 0,4 0,4 0,4 0,3 
2,5 2,5 2,3 2,3 2,7 2,9 3,1 3,4 3,5 4,2 4,1 3,9 
1,7 1,8 1,9 1,9 2,4 2,6 2,8 3,1 3,3 3,9 3,9 3,7 
6,8 7,3 9,5 9,7 10,7 10,7 12,7 11,8 10,8 11,3 12,8 12,9 
4,2 3,8 3,4 3,7 4,6 4,9 4,6 4,6 4,3 4,2 3,4 3,3 
0,8 0,7 0,3 0,4 0,4 0,4 0,4 0,2 0,3 0,2 0,2 0,2 
58,3 55,2 55,5 55,1 51,2 50,6 48,3 44,1 43,5 42,3 40,5 39,7 
0,5 0,4 0,3 0,3 0,6 0,7 0,9 0,6 0,6 0,5 0,2 0,2 
26,5 25,9 25,0 23,1 22,1 21,8 22,5 19,5 19,8 19,6 19,8 20,4 
29,5 27,4 27,9 29,6 26,1 25,6 22,0 21,4 20,0 19,5 17,3 16,0 
0,6 0,5 0,6 0,6 0,9 0,9 0,9 1,0 1,0 0,7 0,7 0,7 
0,5 0,5 0,7 0,6 0,7 0,6 0,6 0,5 0,6 0,5 0,7 0,6 
0,7 0,5 0,7 0,8 0,9 1,0 1,4 1,1 1,5 1,5 1,7 1,9 
22,0 25,5 22,5 22,3 22,7 23,1 23,1 27,8 29,2 29,3 29,8 31,6 
7,6 8,7 3,7 2,8 3,7 4,2 4,4 7,6 9,9 10,6 10,1 10,2 
0,0 0,1 0,1 0,0 0,0 0,0 0,1 0,1 0,1 0,2 0,2 0,1 
2,0 2,6 2,1 1,9 2,2 2,1 2,1 2,2 2,4 2,2 2,6 2,8 
0,2 0,2 0,3 0,4 0,5 0,6 0,6 0,6 0,7 0,7 0,6 0,8 
0,1 0,1 0,2 0,2 0,1 0,2 0,1 0,2 0,1 0,1 0,1 0,1 
11,9 13,8 15,9 17,0 16,1 16,0 15,7 17,2 15,9 15,5 16,1 17,6 
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
(%) 
410 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 4.32 (Vervolg) 

.w.overnieling van/aan auto 
vernieling in/aan openbaar vervoer 
vernieling in/aan openbaar gebouw 
Overige misdrijven Wetboek van Strafrecht 

Wegenverkeerswet 
rijden onder invloed 
doorrijden na /verlaten plaats ongeval 
overige misdrijven Wegenverkeerswet 

Wet op de economische delicten 
milieuhygiënische wetten 
overige misdrijven WED 

Opiumwet 
harddrugs 
softdrugs 
overige drugsdelicten 

Wet wapens en munitie 

Wetboek Militair Strafrecht 

Overige wetten 

2,2 2,5 3,9 5,8 5,2 5,3 5,1 4,8 5,0 5,3 4,3 5,9 
0,7 0,6 0,3 0,3 0,4 0,4 0,5 0,6 0,4 0,4 0,5 0,6 
1,6 1,8 1,6 1,5 1,7 1,6 1,5 1,4 1,6 1,4 1,6 1,7 
0,9 0,9 0,7 0,8 0,9 1,0 1,2 1,4 1,6 1,6 1,8 1,6 
1,6 1,5 1,5 1,8 2,2 2,2 2,4 2,1 2,1 2,0 2,4 2,5 
0,5 0,4 0,5 0,8 0,8 0,9 1,1 1,1 1,1 1,0 1,6 1,7 
0,6 0,6 0,7 0,6 0,9 0,8 0,8 0,7 0,6 0,6 0,5 0,5 
0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,1 0,2 0,2 0,2 0,2 
0,2 0,1 0,2 0,3 0,4 0,4 0,3 0,1 0,2 0,3 0,3 0,4 
0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,2 0,2 0,2 
0,0 0,0 0,1 0,2 0,3 0,2 0,2 0,1 0,0 0,1 0,1 0,1 
0,7 0,7 1,0 0,8 0,9 0,8 1,0 1,3 1,3 1,2 1,3 1,2 
0,5 0,5 0,8 0,7 0,6 0,5 0,6 0,9 0,8 0,7 0,7 0,6 
0,2 0,2 0,2 0,1 0,2 0,3 0,4 0,4 0,5 0,6 0,6 0,7 
-------0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 
0,6 0,5 0,9 1,2 1,4 1,2 1,4 1,7 1,6 1,7 1,7 1,5 
0,0 0,0 0,0 0,0 ----0,0 ---
0,1 0,1 0,1 0,1 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
(%) 
* Betreft bedreiging, (poging tot) doodslag/moord, overige misdrijven tegen het leven en dood en lichamelijk letsel door schuld.
** Misdrijven waardoor de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar worden gebracht, zoals brandstichting, tot ontploffi ng brengen, vernielen van 
elektriciteitswerken, vernieling van enig werk dienende voor het openbaar vervoer of luchtverkeer en de vernieling van gebouwen.
Zie toelichting bij tabel 4.1.

Bron: CBS 

Bijlage 4 411 


412 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Tabel 4.33 Gehoorde minderjarige verdachten naar soort misdrijf 

en stedelijkheid (relatief)

 Stedelijkheid 
zeer sterk sterk matig weinig niet 
(per 1.000 inwoners van 12-17 jaar) 
55,3 50,0 41,6 28,0 18,9 
65,9 64,2 50,1 33,5 24,0 
93,7 53,4 38,9 26,7 20,6 
72,5 51,7 42,6 28,8 22,6 
77,6 51,1 43,9 29,3 22,9 
76,1 49,8 42,0 29,0 23,3 
69,1 50,1 40,2 28,5 24,8 
67,9 53,6 46,0 28,8 23,5 
75,6 57,6 42,3 31,5 27,7 
80,1 61,9 49,3 35,8 30,4 
83,9 66,2 50,6 37,9 32,3 
88,9 70,8 53,9 42,4 36,1 
Totale geregistreerde 
criminaliteit 
1995 
1996 
1997 
1998 
1999 
2000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006 

Geweldsmisdrijven 
1995 
1996 
1997 
1998 
1999 
2000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006 

Vermogensmisdrijven 
1995 
1996 
1997 
1998 
1999 
2000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006 

10,2 8,0 6,6 3,6 2,5 
11,4 10,4 8,1 4,8 2,7 
14,1 10,0 7,2 4,8 3,7 
13,3 9,0 7,6 5,2 3,4 
16,6 11,0 8,8 5,6 3,7 
16,7 11,0 8,7 5,5 3,6 
16,2 11,6 9,1 6,4 4,4 
15,0 12,5 9,4 6,3 4,0 
16,9 12,2 8,7 6,2 4,1 
19,3 14,0 10,0 7,3 4,9 
20,0 14,9 11,5 8,2 5,5 
19,6 15,9 12,1 8,1 6,5 
33,5 30,3 24,9 16,0 8,5 
39,8 36,9 27,3 16,9 11,1 
54,2 31,2 22,0 13,9 9,5 
43,7 29,2 23,1 14,3 11,0 
43,0 26,4 22,8 14,1 9,4 
42,7 26,3 21,2 12,9 8,7 
37,0 26,0 18,7 11,6 9,9 
32,8 24,9 19,6 11,4 8,0 
35,6 26,8 19,0 11,1 9,2 
38,5 26,8 20,1 13,5 10,6 
37,6 29,2 19,0 13,9 9,6 
41,7 30,8 20,8 13,8 8,3 

Bijlage 4 413

Tabel 4.33 (Vervolg) 

Vernielingen en misdrijven 
tegen de openbare 
orde en gezag 

1995 
1996 
1997 
1998 
1999 
2000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006 

Verkeersmisdrijven 
1995 
1996 
1997 
1998 
1999 
2000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006 

Opiumwet 
1995 
1996 
1997 
1998 
1999 
2000 
2001 
2002 
2003 
2004 

8,8 9,9 8,9 7,3 6,9 
11,5 14,8 13,1 10,5 9,2 
15,5 12,0 9,7 7,6 6,1 
10,9 11,3 9,7 8,2 7,0 
13,1 10,9 9,7 8,0 8,6 
12,2 9,8 9,7 9,1 9,7 
11,5 9,7 9,8 8,9 9,0 
15,0 13,1 14,3 9,3 9,9 
17,2 15,2 12,0 12,1 12,4 
16,4 17,1 15,9 12,8 12,7 
19,4 17,3 16,7 13,0 14,9 
20,9 19,1 17,2 17,2 19,1 
0,7 0,5 0,6 0,5 0,5 
1,0 0,7 0,6 0,6 0,6 
1,5 0,7 0,5 0,4 0,4 
1,2 0,8 0,8 0,5 0,5 
1,4 0,9 1,2 0,7 0,6 
1,2 1,1 1,0 0,7 0,7 
1,2 1,1 1,1 0,7 0,7 
1,0 1,0 1,0 0,6 0,9 
1,2 0,9 0,9 0,9 1,0 
1,2 1,0 1,2 0,7 0,9 
1,5 1,6 1,2 1,2 1,0 
1,8 1,7 1,4 1,3 0,9 
0,8 0,2 0,2 0,2 0,1 
0,7 0,4 0,3 0,2 0,1 
1,2 0,4 0,3 0,2 0,1 
1,1 0,3 0,3 0,2 0,2 
1,1 0,4 0,3 0,2 0,1 
0,8 0,3 0,2 0,2 0,2 
0,8 0,4 0,4 0,2 0,2 
0,9 0,6 0,6 0,4 0,2 
1,2 0,6 0,5 0,3 0,3 
1,0 0,7 0,6 0,5 0,3 
Stedelijkheid 
zeer sterk sterk matig weinig niet 
(per 1.000 inwoners van 12-17 jaar) 

414 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006

Tabel 4.33 (Vervolg) 

2005 
2006 

Wet wapens en munitie 
1995 
1996 
1997 
1998 
1999 
2000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006 

1,2 0,9 0,5 0,4 0,4 
1,1 0,9 0,7 0,5 0,5 
0,7 0,2 0,2 0,1 0,1 
0,8 0,2 0,1 0,1 0,1 
1,1 0,4 0,2 0,2 0,1 
0,9 0,6 0,6 0,3 0,2 
1,3 0,8 0,6 0,3 0,2 
1,2 0,6 0,5 0,2 0,2 
1,2 0,7 0,5 0,3 0,2 
1,8 0,8 0,6 0,4 0,2 
1,8 0,9 0,6 0,3 0,2 
2,0 0,9 0,7 0,4 0,4 
2,0 1,2 0,6 0,4 0,4 
1,9 1,1 0,7 0,4 0,3 
Stedelijkheid 
zeer sterk sterk matig weinig niet 
(per 1.000 inwoners van 12-17 jaar) 
Zie toelichting bij tabel 4.1. 

Bron: CBS 


Bijlage 4 415 

Tabel 4.34 Gehoorde minderjarige verdachten naar soort misdrijf en gemeentegrootte 

(relatief) 

Gemeentegrootte 
< 5.000 inwoners5.000 tot 10.000inwoners10.000 tot 20.000inwoners20.000 tot 50.000inwoners50.000 tot 100.000inwoners100.000 tot 150.000inwoners150.000 tot 250.000inwoners250.000 inwonersof meer 
(per 1.000 inwoners van 12-17 jaar) 
17,6 19,2 23,0 35,0 45,6 58,6 54,2 56,2 
24,8 22,9 27,9 43,5 53,7 72,9 78,9 63,1 
19,3 20,6 23,3 32,0 49,7 57,6 73,3 102,1 
27,8 21,6 24,4 34,8 51,0 55,7 65,3 71,7 
29,6 21,0 25,0 34,3 57,2 54,9 63,4 78,0 
32,5 17,4 23,8 35,7 50,5 54,4 58,2 82,1 
30,4 21,0 23,5 33,9 49,7 52,0 57,0 73,3 
20,4 22,8 28,4 35,2 49,9 61,6 56,9 69,7 
49,3 22,4 29,4 37,7 53,3 58,2 61,0 78,4 
32,5 33,0 33,3 40,6 56,5 72,3 59,1 86,3 
35,4 30,1 36,4 44,8 59,6 63,3 67,4 89,6 
30,8 36,3 40,8 47,6 63,3 75,8 73,3 90,3 
2,6 2,6 3,2 4,8 7,5 9,2 11,1 10,6 
2,1 2,7 4,1 6,2 9,3 11,7 12,9 11,1 
3,8 3,7 4,2 5,6 9,6 11,1 12,5 14,8 
2,7 3,1 3,9 5,9 9,2 9,8 13,0 13,2 
3,4 3,3 4,9 6,4 11,6 11,5 15,3 16,9 
3,0 4,4 4,7 6,5 11,3 11,1 14,6 17,8 
5,0 4,1 5,0 7,4 11,0 12,4 13,3 17,2 
3,9 4,0 5,1 7,0 11,7 14,3 14,1 15,4 
8,1 4,5 5,7 6,7 11,2 13,1 13,8 17,8 
8,9 5,8 6,2 8,1 12,7 15,3 14,6 20,9 
4,4 4,5 6,8 9,0 14,1 16,0 15,6 21,9 
3,2 4,3 7,3 9,7 14,8 16,6 17,4 20,0 
8,5 9,5 12,0 20,1 27,4 36,5 33,5 33,6 
13,4 10,2 13,2 23,7 29,5 42,9 47,1 38,1 
9,3 8,9 11,1 17,6 27,7 34,1 50,5 56,5 
14,0 10,9 12,3 17,8 27,2 32,7 41,1 42,7 
15,4 9,6 11,2 16,9 29,2 28,7 35,8 43,0 
14,5 7,6 9,8 16,6 26,0 28,7 33,6 46,2 
Totale geregistreerde 
criminaliteit 
1995 
1996 
1997 
1998 
1999 
2000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006 

Geweldsmisdrijven 
1995 
1996 
1997 
1998 
1999 
2000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006 

Vermogensmisdrijven 
1995 
1996 
1997 
1998 
1999 
2000 


416 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Tabel 4.34 (Vervolg) 

2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006 

Vernielingen en misdrijven 
tegen de openbare 
orde en gezag 

1995 
1996 
1997 
1998 
1999 
2000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006 

Verkeersmisdrijven 
1995 
1996 
1997 
1998 
1999 
2000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006 

17,9 7,3 10,1 14,7 24,9 25,2 33,2 39,2 
6,3 7,7 12,5 14,0 21,5 28,5 27,3 34,4 
16,4 7,0 9,1 15,4 24,4 26,4 30,6 37,8 
11,4 13,3 11,8 16,0 23,4 31,8 27,7 41,6 
12,1 11,0 13,0 15,8 25,2 27,8 30,7 40,8 
17,0 8,4 11,6 15,9 26,3 35,0 35,0 43,0 
5,2 6,0 7,0 8,7 9,4 10,9 7,8 8,4 
8,2 8,7 9,5 12,2 13,0 16,0 16,8 10,2 
6,1 6,2 6,9 8,6 11,2 13,7 11,2 16,4 
8,9 6,5 6,8 9,5 12,2 11,1 8,1 10,8 
9,1 7,1 7,4 9,1 13,5 11,6 9,5 12,1 
11,3 4,4 7,9 10,8 10,3 11,7 7,1 12,6 
5,0 8,3 7,0 9,9 10,7 10,7 8,2 11,9 
9,8 10,3 9,1 12,0 13,4 15,1 12,7 14,1 
21,8 9,0 12,6 13,2 14,3 15,6 13,0 16,2 
9,6 12,6 12,7 13,9 16,4 21,0 13,3 17,4 
16,0 13,0 13,9 16,9 16,1 14,2 16,1 19,4 
8,0 21,0 19,1 18,4 18,1 18,2 16,2 20,3 
0,8 0,4 0,5 0,6 0,5 0,7 0,6 0,5 
0,9 0,6 0,5 0,6 0,7 0,8 0,9 1,0 
0,2 0,4 0,4 0,5 0,7 0,7 0,8 1,8 
0,3 0,3 0,6 0,7 0,8 0,9 1,0 1,2 
0,8 0,5 0,7 0,9 1,1 1,2 1,0 1,5 
1,5 0,6 0,6 0,9 1,1 1,0 0,8 1,5 
1,2 0,6 0,7 0,8 1,4 1,5 0,7 1,3 
0,4 0,4 0,7 0,8 1,0 1,3 1,0 0,9 
1,5 0,8 0,9 0,9 1,0 1,0 0,8 1,2 
0,7 0,6 1,1 0,9 1,1 1,5 0,6 1,3 
-0,5 1,3 1,1 1,6 2,2 1,1 1,4 
1,1 1,5 1,3 1,4 1,3 2,4 1,1 1,7 
Gemeentegrootte 
< 5.000 inwoners5.000 tot 10.000inwoners10.000 tot 20.000inwoners20.000 tot 50.000inwoners50.000 tot 100.000inwoners100.000 tot 150.000inwoners150.000 tot 250.000inwoners250.000 inwonersof meer 
(per 1.000 inwoners van 12-17 jaar) 

Bijlage 4 417 

Tabel 4.34 (Vervolg) 

Gemeentegrootte 
< 5.000 inwoners5.000 tot 10.000inwoners10.000 tot 20.000inwoners20.000 tot 50.000inwoners50.000 tot 100.000inwoners100.000 tot 150.000inwoners150.000 tot 250.000inwoners250.000 inwonersof meer 
(per 1.000 inwoners van 12-17 jaar) 
0,3 0,0 0,0 0,3 0,2 0,4 0,2 1,2 
0,2 0,2 0,1 0,2 0,5 0,4 0,4 1,0 
0,1 0,1 0,1 0,2 0,5 0,4 0,6 1,6 
1,3 0,1 0,1 0,2 0,4 0,3 0,8 1,3 
0,4 0,1 0,1 0,2 0,3 0,5 0,3 1,6 
1,5 0,2 0,2 0,2 0,3 0,4 0,4 1,1 
0,2 0,2 0,2 0,5 0,6 0,4 1,0 
0,0 0,4 0,4 0,7 0,7 0,5 1,1 
0,1 0,3 0,4 0,6 0,5 0,8 1,4 
1,1 0,2 0,5 0,5 0,7 0,6 0,8 1,2 
1,5 0,2 0,4 0,5 0,6 0,8 1,6 1,2 
0,5 0,2 0,4 0,6 0,7 0,8 1,4 1,2 
Opiumwet 
1995 
1996 
1997 
1998 
1999 
2000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006 

-
-
-

Wet wapens en munitie 
1995 
1996 
1997 
1998 
1999 
2000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006 

Zie toelichting bij tabel 4.1. 
Bron: CBS 

0,1 0,1 0,1 0,2 0,2 0,3 0,1 1,1 
0,1 0,0 0,1 0,1 0,2 0,3 0,1 1,0 
0,1 0,1 0,2 0,2 0,4 0,3 0,4 1,5 
0,2 0,3 0,3 0,4 0,7 0,6 0,6 1,1 
0,2 0,2 0,3 0,5 0,8 0,8 0,7 1,6 
0,2 0,1 0,2 0,3 0,7 0,8 0,6 1,4 
0,6 0,2 0,2 0,4 0,6 0,9 0,6 1,4 
-0,2 0,3 0,5 0,9 0,7 0,6 2,1 
0,3 0,2 0,3 0,4 0,9 0,7 0,9 2,1 
-0,2 0,5 0,5 1,0 0,9 0,9 2,3 
1,0 0,3 0,4 0,5 1,0 0,9 1,3 2,3 
0,5 0,4 0,4 0,5 1,0 1,3 1,1 2,0 

418 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Tabel 4.35 Gehoorde minderjarige verdachten naar soort misdrijf en grote gemeente* 

(relatief), 2006 
(absoluut) (per 1.000 inwoners van 12-17 jaar) 
Almere 15.865 75 15 36 19 1 1 2 
Amersfoort 9.909 80 14 46 14 3 0 2 
Amsterdam 41.990 98 19 51 20 2 1 2 
Apeldoorn 11.553 58 13 27 14 1 0 1 
Arnhem 8.785 110 21 65 18 1 1 2 
Breda 11.526 69 16 34 14 0 3 1 
Dordrecht 8.756 97 23 45 21 2 1 3 
Ede 8.775 38 12 17 6 2 0 0 
Eindhoven 12.601 72 22 36 9 2 1 1 
Emmen 7.728 54 12 22 17 1 1 2 
Enschede 10.384 36 10 17 6 2 0 1 
Groningen 8.528 117 20 64 26 2 4 1 
Haarlem 9.250 67 13 32 18 2 0 2 
Haarlemmermeer 10.122 60 13 20 23 2 1 0 
Leiden 6.992 110 24 46 33 3 0 1 
Maastricht 7.100 70 14 32 18 1 2 2 
Nijmegen 9.578 88 20 37 27 0 1 2 
Rotterdam 40.410 92 25 33 26 2 2 3 
’s-Gravenhage 31.051 57 14 26 10 2 1 1 
’s-Hertogenbosch 9.071 81 18 42 17 1 1 1 
Tilburg 13.280 82 23 36 18 1 2 1 
Utrecht 14.799 134 20 83 27 1 1 2 
Zaanstad 9.825 68 18 24 23 3 1 1 
Zoetermeer 10.269 77 19 34 16 1 1 1 
Zwolle 7.914 79 16 34 15 12 1 1 
* Opgenomen zijn de 25 grootste gemeenten qua inwonertal op 1 januari 2006. 
Zie toelichting bij tabel 4.1. 
Bron: CBS 
Inwoners 12-79 jaarTotale geregistreerde criminaliteitGeweldsmisdrijvenVermogensmisdrijvenVernielingen en misdrijventegen de openbare orde en gezagVerkeersmisdrijvenOpiumwetWet wapens en munitie 

Bijlage 4 419 

Tabel 4.36 Bij het Nationaal Forensisch Instituut aangevraagde onderzoeken 

per expertisegebied* 

2001 2002 2003 2004 2005 2006 
Frontdesk 0 0 41 179 80 180 
Medisch-biologisch onderzoek 
Pathologie 656 707 759 763 940 930 
Biologie 2.149 4.688 8.854 11.996 21.570 26.900 
Toxicologie 1.791 1.861 2.957 4.615 4.710 4.540 
Chemisch onderzoek 
Chemie algemeen** 761 618 286 314 330 320 
Brandversnellende middelen ** 133 406 415 410 340 
Explosies en explosieven 100 94 111 156 170 200 
Documenten 120 181 187 250 200 170 
Handschrift 225 260 349 352 330 270 
Machineschrift en printers 12 22 55 54 30 10 
Glas ** 24 58 60 70 80 
Verf ** 61 222 215 210 220 
Vezels en textiel ** 140 389 359 240 150 
Vingersporen 213 327 390 409 400 360 
Verdovende middelen 4.132 5.044 5.484 5.033 4.640 4.750 
Milieu algemeen 256 271 407 446 530 460 
Fysisch-elektronisch onderzoek 
Fysische technologie 3 4 23 16 10 10 
(Brand)technisch en materiaalkundig onderzoek 90 62 63 55 50 50 
Wapens en munitie 669 732 709 625 620 460 
Schotresten 499 393 413 350 350 290 
Kras-, indruk- en vormsporen 63 73 195 176 130 140 
Verkeersongevallenonderzoek 42 65 74 58 50 50 
Voertuigidentificatie 212 222 287 243 190 200 
Digitale technologie algemeen 52 25 27 17 30 20 
Digitale technologie (open systemen) 53 45 117 92 90 60 
Digitale technologie (gesloten systemen) 83 54 180 149 130 120 
Beeldbewerking en biometrie 21 14 62 73 70 60 
Spraak en audio 72 125 105 68 60 50 
Taalkundige tekstanalyse 0 0 6 7 4 2 
Overig 
Sporen*** 30 110 
Afvalstoffen en risico’s**** 10 
Identificatieonderzoek**** 10 
Totaal 12.274 16.245 23.216 27.545 36.884 41.752 
* De totalen in deze tabel zijn hoger dan die in tabel 4.37, doordat aanvragen waarbij meer dan één expertisegebied is 
betrokken ook bij ieder expertisegebied zijn meegeteld. 
** Voor 2001 zijn de aanvragen voor een aantal chemische onderzoeksgebieden bijeengebracht bij ‘Chemie algemeen’. 
*** Het onderzoeksgebied ‘Sporen’ is in 2005 van start gegaan. 
**** De onderzoeksgebieden ‘Afvalstoffen en risico’s’ en ‘Identifi catieonderzoek’ zijn in 2006 van start gegaan. 
Bron: NFI 


420 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Tabel 4.37 Bij het Nationaal Forensisch Instituut aangevraagde onderzoeken 

naar delicttype

Mishandeling, zeden, doodslag, moord 
Fraude, afpersing 
Diefstal 
Brandstichting, vernieling etc. 
Illegaal wapenbezit 
Milieu 
Verdovende middelen 
Rijden onder invloed 
Overig 


Totaal* 
* Zie toelichting bij tabel 4.36. 
Bron: NFI 


 2001 2002 2003 
3.171 3.658 4.133 
315 446 461 
1.257 3.100 6.827 
589 640 667 
96 109 128 
138 142 189 
4.178 5.166 5.600 
966 1.016 2.081 
202 212 285 
10.912 14.489 20.371 
2004 2005 2006 
4.309 15.710 21.500 
480 360 310 
9.348 7.540 7.090 
718 730 690 
118 180 110 
170 210 170 
5.159 4.600 4.780 
3.688 3.730 3.740 
439 310 280 
24.409 33.370 38.670 

Bijlage 4 421 

Tabellen bij hoofdstuk 5 

Tabel 5.1 Ingeschreven en afgedane rechtbankstrafzaken* 

1980 
1981 
1982 
1983 
1984 

Ingeschreven zaken OM** Afdoeningen door het OM** Afdoeningen door de rechter 
229.771 129.548 91.764 
246.278 141.841 91.576 
259.326 149.009 98.622 
259.251 165.619 95.253 
268.800 138.694 82.689 
* 1981-2006 afdoeningen rechter exclusief de voegingen ter zitting. 
** OM-cijfers van 1991 en 1992 ontbreken. 
Bron: CBS 

1985 266.074 140.758 83.512 
1986 271.970 139.595 82.407 
1987 279.265 138.479 81.975 
1988 263.336 142.188 84.476 
1989 269.788 146.265 84.725 
1990 260.844 144.758 82.341 
1991 . . 87.857 
1992 . . 83.879 
1993 268.248 161.763 81.096 
1994 273.311 161.084 96.512 
1995 257.842 147.472 102.310 
1996 250.726 133.765 104.617 
1997 250.865 130.790 106.372 
1998 242.482 120.232 105.031 
1999 234.679 114.451 111.309 
2000 233.324 118.369 111.033 
2001 236.029 115.538 112.037 
2002 251.291 120.693 116.810 
2003 270.322 128.668 134.631 
2004 273.974 127.663 133.218 
2005 266.857 122.999 132.595 
2006 267.710 126.092 134.375 

Tabel 5.2 Bij het Openbaar Ministerie ingeschreven rechtbankstrafzaken naar delictgroep

157.356 147.492 144.192 140.724 137.565 136.939 139.131 149.143 156.715 165.157 165.132 168.354 62,9 
28.931 29.155 30.689 31.402 32.700 33.548 35.374 38.992 42.740 47.648 50.484 52.527 19,6 
1.117 1.048 979 904 975 921 935 939 866 1.064 1.010 942 0,4 
675 705 767 721 844 793 826 877 810 839 910 891 0,3 
1.236 1.281 1.225 1.160 1.100 1.031 1.068 954 932 925 976 1.015 0,4 
3.812 4.066 4.248 4.655 4.998 5.549 6.256 7.364 8.890 10.967 11.266 11.311 4,2 
2.566 2.450 2.547 2.551 2.676 2.868 2.809 3.333 3.291 3.430 3.308 2.810 1,0 
13.167 13.688 15.053 15.450 16.006 16.327 17.435 19.213 21.935 24.172 27.245 30.268 11,3 
102 66 88 66 59 62 53 47 47 67 73 73 0,0 
5.574 5.210 5.105 5.356 5.512 5.453 5.509 5.726 5.452 5.622 5.212 4.759 1,8 
682 641 677 539 530 544 483 539 517 562 484 458 0,2 
103.276 91.593 85.447 80.520 74.811 71.491 70.534 73.717 74.491 73.651 69.606 69.628 26,0 
17.187 16.301 14.456 12.025 11.208 9.200 9.092 8.203 8.406 8.919 8.755 8.942 3,3 
35.471 32.015 32.705 31.181 29.583 27.899 28.083 30.880 29.669 27.584 25.309 23.525 8,8 
39.885 33.359 29.407 28.233 25.569 24.462 23.804 25.036 25.868 26.156 24.223 23.834 8,9 
2.544 2.484 2.230 2.306 2.267 2.567 2.536 2.672 3.000 2.975 2.827 3.061 1,1 
2.133 2.113 2.003 2.282 2.117 2.937 2.467 2.358 2.529 2.464 2.815 4.298 1,6 
6.056 5.321 4.646 4.493 4.067 4.426 4.552 4.568 5.019 5.553 5.677 5.968 2,2 
22.921 24.414 25.666 25.661 25.645 26.841 27.967 30.118 31.843 35.199 36.393 37.660 14,1 
9.053 10.549 10.322 9.847 9.706 10.019 11.089 12.153 12.796 14.577 16.017 16.658 6,2 
164 245 151 144 126 140 129 173 138 141 153 161 0,1 
1.155 1.194 1.450 1.288 1.364 1.312 1.343 1.313 1.610 1.523 1.573 1.684 0,6 
3.207 3.093 3.420 3.780 4.390 5.349 5.481 6.197 6.931 8.133 7.375 7.149 2,7 
514 498 582 526 542 576 602 575 594 658 684 742 0,3 
8.828 8.835 9.741 10.076 9.517 9.445 9.323 9.707 9.774 10.167 10.591 11.266 4,2 
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2006 
(abs.) (%) 
Wetboek van Strafrecht 

Geweldsmisdrijven 
verkrachting 
feitelijke aanranding der eerbaarheid 
overige seksuele misdrijven 
bedreiging 
misdrijven tegen het leven 
mishandeling 
dood en lichamelijk letsel door schuld 
diefstal met geweld 
afpersing 

Vermogensmisdrijven 
valsheidsmisdrijven 
eenvoudige diefstal 
gekwalificeerde diefstal 
verduistering 
bedrog 
heling en schuldheling 

Vernielingen openbare orde 
tegen de openbare orde 
discriminatie 
gemeen gevaarlijke misdrijven 
tegen het openbaar gezag 
schennis der eerbaarheid 
vernieling 

422 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 5.2 (Vervolg) 

1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2006 
(abs.) (%) 
Overige misdrijven Wetboek van Strafrecht 2.228 2.330 2.390 3.141 4.409 5.059 5.256 6.316 7.641 8.659 8.649 8.539 3,2 
Wegenverkeerswet 42.746 47.178 47.958 46.378 45.896 47.457 47.611 50.576 55.942 47.758 49.195 49.947 18,7 
rijden onder invloed 29.911 34.360 34.914 33.958 33.724 35.019 35.671 38.483 42.456 33.358 34.799 35.519 13,3 
doorrijden na ongeval 6.867 7.192 7.498 7.138 6.925 7.002 6.783 6.418 6.844 7.201 7.219 7.200 2,7 
overige misdrijven Wegenverkeerswet 5.968 5.626 5.546 5.282 5.247 5.436 5.157 5.675 6.642 7.199 7.177 7.228 2,7 
Wet op de economische delicten 34.329 29.301 29.868 30.410 28.402 27.113 25.864 26.578 31.148 31.684 26.121 22.579 8,4 
Opiumwet 9.911 10.992 12.007 11.314 10.573 9.964 12.131 14.264 14.976 18.451 16.696 16.761 6,3 
harddrugs 7.973 7.985 8.069 7.447 6.929 6.720 8.053 9.554 10.346 12.035 10.038 10.212 3,8 
softdrugs 1.938 3.007 3.938 3.867 3.644 3.244 4.078 4.710 4.630 6.416 6.658 6.549 2,4 
Wet wapens en munitie 4.597 5.375 5.285 5.090 5.018 4.564 5.075 4.296 5.088 5.186 4.875 4.673 1,7 
Overige strafwetten en onbekend 8.903 10.388 11.555 8.566 7.225 7.287 6.217 6.434 6.453 5.738 4.838 5.396 2,0 
Totaal 257.842 250.726 250.865 242.482 234.679 233.324 236.029 251.291 270.322 273.974 266.857 267.710 100 
* (abs.) = absoluut
Bron: CBS 

Bijlage 4 423 


Tabel 5.3 Door het Openbaar Ministerie afgedane rechtbankstrafzaken naar delictgroep

1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2006 
(abs.) (%) 
87.459 74.267 71.801 63.960 57.234 62.493 59.946 63.160 66.055 69.618 71.243 77.847 61,7 
12.860 12.056 12.792 11.841 11.638 13.314 13.491 14.060 15.601 16.866 19.029 21.437 17,0 
476 404 362 314 278 379 312 319 284 296 266 320 0,3 
359 408 406 359 317 404 435 381 369 369 360 352 0,3 
562 494 587 439 437 436 417 395 319 284 368 336 0,3 
2.042 1.937 2.019 1.994 1.993 2.313 2.534 2.792 3.364 4.144 4.492 4.907 3,9 
533 514 528 369 402 576 490 495 528 433 450 376 0,3 
7.180 6.820 7.456 7.182 7.353 8.036 8.114 8.530 9.605 10.340 12.108 14.233 11,3 
66 56 41 52 37 49 43 33 39 33 38 26 0,0 
1.376 1.206 1.200 990 732 992 1.030 993 983 877 844 796 0,6 
266 217 193 142 89 129 116 122 110 90 103 91 0,1 
59.744 47.698 43.271 36.680 30.298 31.715 28.821 30.055 30.205 30.363 29.459 31.617 25,1 
7.296 6.937 6.220 6.162 5.624 4.397 3.530 4.148 4.294 4.912 4.831 4.808 3,8 
23.970 18.491 17.235 13.646 11.239 12.005 10.488 11.115 10.698 10.449 9.577 9.660 7,7 
21.133 15.972 14.060 11.376 8.791 9.626 8.649 8.991 9.082 9.065 8.980 8.862 7,0 
1.670 1.377 1.269 1.245 1.045 1.381 1.276 1.434 1.581 1.567 1.512 1.755 1,4 
1.276 1.183 1.183 1.320 1.038 1.599 2.053 1.518 1.680 1.299 1.451 2.901 2,3 
4.399 3.738 3.304 2.931 2.561 2.707 2.825 2.849 2.870 3.071 3.108 3.631 2,9 
13.677 13.238 14.429 13.834 13.094 14.625 14.868 15.971 16.424 18.145 18.536 20.452 16,2 
4.872 5.384 5.630 5.158 4.823 5.352 5.987 6.989 7.021 7.831 8.387 9.370 7,4 
98 141 133 86 73 94 84 126 81 70 82 76 0,1 
514 499 617 504 460 520 488 510 562 566 564 663 0,5 
1.813 1.572 1.868 1.964 2.160 2.558 2.727 2.774 3.244 3.913 3.462 3.390 2,7 
408 381 410 385 341 395 390 379 361 384 437 425 0,3 
5.972 5.261 5.771 5.737 5.237 5.706 5.192 5.193 5.155 5.381 5.604 6.528 5,2 
Wetboek van Strafrecht 

Geweldsmisdrijven 
verkrachting 
feitelijke aanranding der eerbaarheid 
overige seksuele misdrijven 
bedreiging 
misdrijven tegen het leven 
mishandeling 
dood en lichamelijk letsel door schuld 
diefstal met geweld 
afpersing 

Vermogensmisdrijven 
valsheidsmisdrijven 
eenvoudige diefstal 
gekwalificeerde diefstal 
verduistering 
bedrog 
heling en schuldheling 

Vernieling en openbare orde 
tegen de openbare orde 
discriminatie 
gemeengevaarlijke misdrijven 
tegen het openbaar gezag 
schennis der eerbaarheid 
vernieling 

424 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 5.3 (Vervolg) 

Overige misdrijven Wetboek van Strafrecht 
Wegenverkeerswet 

rijden onder invloed 

doorrijden na ongeval 

overige misdrijven Wegenverkeerswet 
Wet op de economische delicten 
Opiumwet 

harddrugs 

softdrugs 
Wet wapens en munitie 
Overige strafwetten en onbekend 
Totaal 

1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2006 
(abs.) (%) 
1.178 1.275 1.309 1.605 2.204 2.839 2.766 3.074 3.825 4.244 4.219 4.341 3,4 
21.153 21.771 23.382 20.300 20.418 21.757 19.775 20.811 24.174 17.588 16.449 17.618 14,0 
13.781 14.898 16.208 13.646 13.359 14.737 13.089 14.567 17.623 10.756 9.729 10.600 8,4 
4.768 4.842 5.292 5.040 5.095 5.029 5.076 4.461 4.519 4.659 4.601 4.950 3,9 
2.604 2.031 1.882 1.614 1.964 1.991 1.610 1.783 2.032 2.173 2.119 2.068 1,6 
27.225 24.285 20.610 23.952 25.551 23.166 22.797 25.435 26.874 26.613 22.805 18.169 14,4 
4.490 4.523 4.820 3.945 2.960 3.073 3.831 4.327 4.518 7.803 6.696 6.442 5,1 
3.155 2.945 2.850 2.269 1.602 1.640 1.996 2.221 2.396 4.735 3.689 3.429 2,7 
1.335 1.578 1.970 1.676 1.358 1.433 1.835 2.106 2.122 3.068 3.007 3.013 2,4 
3.065 3.480 3.706 3.369 3.267 3.000 3.294 2.671 3.179 2.905 2.838 2.883 2,3 
4.080 5.439 6.471 4.706 5.021 4.880 5.895 4.289 3.868 3.136 2.968 3.133 2,5 
147.472 133.765 130.790 120.232 114.451 118.369 115.538 120.693 128.668 127.663 122.999 126.092 100 
Bron: CBS 

Bijlage 4 425 


Tabel 5.4 Door het Openbaar Ministerie afgedane rechtbankstrafzaken naar wijze van afdoening

Sepot 
technisch sepot 

.w.o
geen wettig bewijs 
beleidssepot 


.w.v
op gronden samenhangend met maatregelen vananderen dan de officier van justitie 

.w.oander dan strafrechtelijk ingrijpen prevaleert 
op gronden samenhangend met de algemenerechtsorde 

.
w.oonvoldoende nationaal belang 
op gronden samenhangend met het
gepleegde feit 


.
w.ogering feit 
gering aandeel in het feit 
oud feit 
op gronden samenhangend met de persoon van 
de verdachte 

.
w.orecente bestraffing 
door feit of gevolgen getroffen 
gezondheidstoestand 
gewijzigde omstandigheden 
dienstverlening 
op gronden samenghangend met de verhoudingtussen verdachte en benadeelde 

 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2006 
(abs.) (%) 
53.290 45.083 41.612 34.300 26.253 31.645 28.271 27.812 26.996 28.014 28.362 30.644 33,3 
29.924 25.978 23.886 18.956 14.880 16.975 15.368 14.266 13.446 14.024 13.746 14.319 11,4 
21.592 18.883 17.203 14.225 11.414 11.932 11.033 9.899 9.557 10.037 10.148 11.301 9,0 
23.366 19.105 17.726 15.344 11.373 14.670 12.903 13.546 13.550 13.990 14.616 16.325 12,9 
592 509 542 574 435 531 507 609 681 2.382 1.857 1.364 1,1 
486 436 467 418 356 420 441 496 588 2.286 1.733 1.191 0,9 
1.960 834 607 545 469 429 430 395 396 483 362 365 0,3 
1.904 765 585 526 394 402 400 376 384 464 344 321 0,3 
7.463 6.360 6.150 6.127 4.086 6.577 5.385 5.912 5.234 3.926 4.496 4.810 3,8 
3.056 2.074 1.945 1.613 1.166 1.088 1.024 976 1.021 967 1.357 2.016 1,6 
1.198 1.241 1.110 971 729 662 681 602 756 600 748 720 0,6 
2.810 2.698 2.709 3.206 1.958 4.543 3.397 3.961 3.084 1.972 1.956 1.633 1,3 
9.694 8.163 7.319 5.182 4.142 4.676 4.472 4.641 5.178 4.836 5.042 5.763 4,6 
4.139 2.945 2.701 1.895 1.463 1.814 1.657 1.312 1.376 1.221 971 1.121 0,9 
685 670 633 540 451 513 500 552 506 546 717 872 0,7 
764 672 749 564 479 581 572 651 752 779 829 1.048 0,8 
1.081 855 709 694 601 611 631 797 900 1.048 1.354 1.451 1,2 
1.062 1.222 926 202 85 48 60 47 48 73 81 86 0,1 
3.657 3.239 3.108 2.916 2.241 2.457 2.109 1.989 2.061 2.363 2.859 4.023 3,2 
426 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 5.4 (Vervolg) 

.w.overhouding tot de benadeelde geregeld 
medeschuld van benadeelde 
beperkte kring 
.
w.vvoorwaardelijk sepot 
onvoorwaardelijk sepot 
‘kaal’ sepot 
Voeging ad informandum 
Voeging ter berechting 
Transactie* 

.w.obetaling geldsom 
schadevergoeding 
taakstraf 
Overdracht naar een ander parket 

Overig en onbekend* 

Totaal 

 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2006147.472 133.765 130.790 120.232 114.451 118.369 115.538 120.693 128.668 127.663 122.999 126.092 
(abs.) (%) 
1.645 1.472 1.361 1.261 892 1.117 945 908 776 855 960 1.192 0,9 
761 715 695 638 625 630 486 501 530 674 900 1.508 1,2 
835 709 731 671 516 493 492 430 540 612 704 911 0,7 
3.769 3.889 3.638 2.932 2.331 2.310 2.707 2.967 3.482 3.862 4.768 5.488 4,4 
12.009 9.176 7.759 6.414 4.295 4.219 3.259 3.302 3.279 4.102 4.803 6.420 5,1 
7.588 6.040 6.329 5.998 4.747 8.141 6.937 7.277 6.789 6.026 5.045 4.417 3,5 
9.985 7.205 7.421 6.255 4.788 4.883 4.885 5.303 4.841 4884 3.814 3.493 2,8 
17.423 15.015 15.355 12.988 9.092 11.980 11.774 12.428 12.180 12.307 11.099 10.735 8,5 
57.608 57.763 59.140 59.306 66.843 61.518 66.941 71.198 81.081 78.613 76.062 77.861 61,7 
55.055 53.871 52.134 51.203 58.503 52.426 48.499 49.461 55.307 52.027 47.918 47.440 37,6 
1.035 953 1.147 1.258 1.206 1.125 1.883 2.345 2.874 2.973 2.922 3.273 2,6 
7 1.820 3.611 4.673 5.495 6.011 8.667 12.357 14.264 15.396 17.045 17.540 13,9 
6.302 6.020 5.099 5.096 5.466 4.495 3.573 3.873 3.467 3748 3.587 3.255 2,6 
2.865 2.679 2.163 2.287 2.009 3.848 94 79 102 97 75 104 0,1 
100 
* In 2000 zijn lik-op-stuk afdoeningen nog opgenomen in de categorie ‘Overig en onbekend’. M.i.v 2001 worden ze geteld bij ‘Transacties’.
Bron: CBS 

Bijlage 4 427


Tabel 5.5 Door het Openbaar Ministerie afgedane rechtbankstrafzaken: transacties* naar delictgroep

Wetboek van Strafrecht 

Geweldsmisdrijven 
verkrachting 
feitelijke aanranding der eerbaarheid 
overige seksuele misdrijven 
bedreiging 
misdrijven tegen het leven 
mishandeling 
dood en lichamelijk letsel door schuld 
diefstal met geweld 
afpersing 

Vermogensmisdrijven 
valsheidsmisdrijven 
eenvoudige diefstal 
gekwalificeerde diefstal 
verduistering 
bedrog 
heling en schuldheling 

Vernieling en openbare orde 
tegen de openbare orde 
discriminatie 
gemeengevaarlijke misdrijven 
tegen het openbaar gezag 
schennis der eerbaarheid 
vernieling 

Overige misdrijven Wetboek van Strafrecht 

 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
20.770 20.108 20.591 21.012 25.117 24.773 26.043 29.607 34.419 37.878 40.194 43.754 
2.665 2.881 3.355 3.646 4.679 4.847 5.575 6.322 7.595 8.329 9.254 10.109 
5 2 2 3 7 3 4 7 5 6 2 
24 34 54 55 67 79 113 107 96 125 106 79 
2 15 15 17 17 15 29 42 29 19 27 14 
275 315 364 469 733 762 955 1.137 1.535 1.977 2.080 2.192 
8 3 1 2 5 3 7 14 19 11 19 7 
2.293 2.458 2.828 3.025 3.782 3.900 4.365 4.930 5.785 6.087 6.912 7.718 
3 5 2 3 6 7 4 3 3 7 5 
46 39 68 62 60 67 75 70 101 83 81 75 
9 12 21 11 12 8 21 14 20 19 16 17 
14.320 13.112 12.176 11.564 12.751 11.645 11.418 12.680 14.603 15.783 16.652 18.382 
3.018 3.318 2.787 2.863 3.381 2.321 1.649 2.244 2.649 3.102 3.211 2.922 
6.806 5.712 5.221 4.367 4.856 4.304 3.728 3.889 4.486 4.907 5.119 5.297 
2.964 2.732 2.818 2.700 2.801 2.745 3.070 3.662 4.146 4.485 4.887 4.911 
353 289 312 333 453 580 613 833 966 1.014 956 1.073 
167 194 212 511 339 780 1.302 871 1.054 709 821 2.141 
1.012 867 826 790 921 915 1.056 1.181 1.302 1.566 1.658 2.038 
3.568 3.852 4.713 5.159 6.355 6.681 7.528 8.760 9.809 10.983 11.540 12.470 
1.091 1.411 1.763 1.928 2.231 2.424 3.063 3.907 4.253 4.874 5.271 5.636 
11 21 29 23 19 31 28 59 41 36 46 36 
48 89 87 97 131 134 144 197 258 287 299 318 
637 627 820 975 1.359 1.504 1.585 1.657 2.006 2.210 2.189 2.204 
96 95 102 110 148 155 175 200 196 220 256 266 
1.685 1.609 1.912 2.026 2.467 2.433 2.533 2.740 3.055 3.356 3.479 4.010 
217 263 347 643 1.332 1.600 1.522 1.845 2.412 2.783 2.748 2.793 

428 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 5.5 (Vervolg) 

 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
Wegenverkeerswet 14.510 15.585 17.301 15.539 15.981 16.028 14.394 15.642 18.707 12.422 11.540 12.678 
rijden onder invloed 11.302 12.403 13.771 11.899 11.875 12.319 10.570 12.047 15.012 8.524 7.616 8.555 
doorrijden na ongeval 2.794 2.905 3.240 3.389 3.794 3.424 3.513 3.212 3.213 3.391 3.419 3.689 
overige misdrijven Wegenverkeerswet 414 277 290 251 312 285 311 383 482 507 505 434 
Wet op de economische delicten 20.010 17.255 14.528 17.688 20.293 17.846 18.071 18.985 20.193 20.239 16.834 13.399 
Opiumwet 929 1.247 1.520 1.441 1.055 946 1.852 2.331 2.534 3.646 3.319 3.518 
harddrugs 342 499 614 594 304 263 589 813 995 1.200 1.204 1.446 
softdrugs 587 748 906 847 751 683 1.263 1.518 1.539 2.446 2.115 2.072 
Wet wapens en munitie 1.687 2.322 2.493 2.434 2.525 2.183 2.594 1.992 2.561 2.290 2.264 2.245 
Overige strafwetten en onbekend 2.566 3.924 4.869 3.477 3.881 3.590 4.081 2.719 2.769 2.232 1.986 2.371 
Totaal 60.472 60.442 61.303 61.593 68.852 65.366 67.035 71.276 81.183 78.707 76.137 77.965 
* Inclusief lik-op-stuk-zaken en zaken met een onbekende afdoeningsgrond.
Bron: CBS 

Bijlage 4 429


Tabel 5.6 Door het Openbaar Ministerie afgedane rechtbankstrafzaken: transacties met als voorwaarde leer- ofwerkproject* naar delictgroep

Wetboek van Strafrecht 

Geweldsmisdrijven 
verkrachting 
feitelijke aanranding der eerbaarheid 
overige seksuele misdrijven 
bedreiging 
misdrijven tegen het leven 
mishandeling 
dood en lichamelijk letsel door schuld 
diefstal met geweld 
afpersing 

Vermogensmisdrijven 
valsheidsmisdrijven 
eenvoudige diefstal 
gekwalificeerde diefstal 
verduistering 
bedrog 
heling en schuldheling 

Vernieling en openbare orde 
tegen de openbare orde 
discriminatie 
gemeengevaarlijke misdrijven 
tegen het openbaar gezag 
schennis der eerbaarheid 
vernieling 

 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
1.043 2.930 4.353 4.662 5.285 5.667 7.860 10.753 12.012 13.211 14.692 15.500 
144 468 742 750 953 1.042 1.541 2.105 2.583 2.888 3.405 3.725 
5 1 0 0 1 1 1 2 5 3 6 2 
12 33 47 37 50 61 86 87 74 92 73 51 
7 11 17 11 11 10 22 30 20 12 22 10 
10 63 79 109 116 115 256 357 510 688 775 768 
1 2 0 0 2 0 5 9 16 7 12 4 
79 310 522 538 721 793 1.091 1.548 1.868 2.006 2.445 2.833 
0 0 1 0 0 1 0 2 1 1 2 2 
24 37 58 45 42 53 61 60 74 66 61 41 
6 11 18 10 10 8 19 10 15 13 9 14 
641 1.569 2.219 2.505 2.686 2.764 3.938 5.485 5.999 6.466 6.830 7.169 
7 16 127 292 232 105 585 1.149 1.135 1.166 1.175 1.463 
115 326 448 522 679 754 958 1.164 1.323 1.544 1.682 1.592 
459 1.039 1.363 1.403 1.395 1.415 1.733 2.127 2.456 2.534 2.766 2.709 
16 36 61 66 104 155 218 389 425 424 403 473 
4 27 27 26 28 29 47 113 107 135 140 161 
40 125 193 196 248 306 397 543 553 663 664 771 
254 868 1.371 1.394 1.596 1.783 2.266 2.978 3.143 3.547 4.078 4.166 
158 631 938 924 964 1.153 1.554 2.024 2.044 2.334 2.698 2.760 
0 2 2 0 0 5 10 22 20 15 32 18 
12 67 76 64 87 96 97 155 169 209 222 208 
6 15 35 60 80 78 174 218 316 344 355 323 
2 3 5 3 12 7 19 24 30 30 29 26 
76 150 315 343 453 444 412 535 564 615 742 831 

430 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 5.6 (Vervolg) 

Overige misdrijven Wetboek van Strafrecht 
Wegenverkeerswet 

rijden onder invloed 

doorrijden na ongeval 

overige misdrijven Wegenverkeerswet 
Wet op de economische delicten 
Opiumwet 

harddrugs 

softdrugs 
Wet wapens en munitie 
Overige strafwetten en onbekend 
Totaal 

 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
4 25 21 13 50 78 115 185 287 310 379 440 
9 33 67 63 82 140 206 544 772 463 470 410 
4 5 12 11 14 40 75 327 403 105 141 142 
3 13 27 21 34 63 63 85 107 105 88 66 
2 15 28 31 34 37 68 132 262 253 241 202 
1 3 6 12 23 13 9 21 81 143 240 213 
1 12 31 25 16 20 251 522 834 1.069 1.170 997 
0 11 27 20 14 16 108 222 271 347 395 336 
1 1 4 5 2 4 143 300 563 722 775 661 
3 26 64 87 134 179 261 375 489 526 490 458 
12 38 16 24 40 40 140 189 124 57 64 48 
1.069 3.042 4.537 4.873 5.580 6.059 8.727 12.404 14.312 15.469 17.126 17.626 

* Dit zijn alternatieve sancties volgens het offi ciersmodel.
Bron: CBS 

Bijlage 4 431


Tabel 5.7 Door de rechter in eerste aanleg afgedane rechtbankstrafzaken* naar delictgroep

Wetboek van Strafrecht 

Geweldsmisdrijven 
verkrachting 
feitelijke aanranding der eerbaarheid 
overige seksuele misdrijven 
bedreiging 
misdrijven tegen het leven 
mishandeling 
dood en lichamelijk letsel door schuld 
diefstal met geweld 
afpersing 

Vermogensmisdrijven 
valsheidsmisdrijven 
eenvoudige diefstal 
gekwalificeerde diefstal 
verduistering 
bedrog 
heling en schuldheling 

Vernieling en openbare orde 
tegen de openbare orde 
discriminatie 
gemeengevaarlijke misdrijven 
tegen het openbaar gezag 
schennis der eerbaarheid 
vernieling 

 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2006 
(abs.) (%) 
66.864 66.787 63.660 64.359 70.792 70.492 71.566 74.846 84.003 83.786 82.746 83.270 62,0 
13.651 14.415 15.017 15.616 17.772 18.188 19.177 20.706 24.065 25.618 26.079 26.856 20,0 
408 400 405 392 409 375 386 438 396 433 409 356 0,3 
200 267 296 292 340 388 390 453 463 435 454 492 0,4 
681 776 803 728 754 746 754 725 718 727 674 638 0,5 
1.482 1.599 1.736 2.091 2.616 2.789 3.180 3.715 4.845 5.625 5.871 5.851 4,4 
1.060 1.148 1.150 1.199 1.205 1.326 1.435 1.467 1.674 1.570 1.522 1.273 0,9 
5.873 6.172 6.561 6.948 8.187 8.399 8.890 9.451 11.507 12.402 13.124 14.691 10,9 
25 28 17 24 25 23 24 25 23 26 32 33 0,0 
3.559 3.671 3.676 3.578 3.828 3.788 3.779 4.101 4.054 4.029 3.647 3.211 2,4 
363 354 373 364 408 354 339 331 385 371 346 311 0,2 
43.531 41.980 37.665 36.971 39.316 37.775 37.464 38.684 41.891 39.089 36.601 36.310 27,0 
9.979 8.094 7.087 6.002 6.477 5.421 5.265 5.085 5.007 3.897 3.848 4.196 3,1 
10.485 11.438 11.363 12.086 13.038 13.400 12.924 13.785 14.775 13.655 12.505 11.538 8,6 
18.279 17.392 14.733 14.408 14.727 13.782 13.725 14.454 15.862 15.331 14.147 14.363 10,7 
981 1.107 981 1.017 1.160 1.347 1.528 1.361 1.652 1.574 1.555 1.530 1,1 
675 744 704 662 835 806 876 857 961 1.053 1.017 1.167 0,9 
3.132 3.205 2.797 2.796 3.079 3.019 3.146 3.142 3.634 3.579 3.529 3.516 2,6 
8.991 9.458 10.036 10.601 12.145 12.396 12.746 13.114 14.826 15.579 16.324 16.502 12,3 
3.366 3.591 3.920 4.227 4.648 4.668 4.805 4.958 5.733 6.114 6.803 7.072 5,3 
73 51 64 35 47 43 38 41 60 48 64 67 0,0 
640 604 685 657 714 723 731 783 807 810 812 872 0,6 
1.306 1.394 1.364 1.624 2.106 2.484 2.643 2.745 3.345 3.519 3.654 3.410 2,5 
98 113 117 134 165 172 211 224 191 230 224 244 0,2 
3.508 3.705 3.886 3.924 4.465 4.306 4.318 4.363 4.690 4.858 4.767 4.837 3,6 
432 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 5.7 (Vervolg) 

Overige misdrijven Wetboek van Strafrecht 

Wegenverkeerswet 
rijden onder invloed 
doorrijden na ongeval 
overige misdrijven Wegenverkeerswet 

Wet op de economische delicten 

Opiumwet 
harddrugs 
softdrugs 

Wet wapens en munitie 

Overige strafwetten en onbekend 

 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2006 
(abs.) (%) 
691 934 942 1.171 1.559 2.133 2.179 2.342 3.221 3.500 3.742 3.602 2,7 
20.070 21.393 24.422 23.345 23.601 24.964 24.012 23.482 29.036 28.425 28.623 29.961 22,3 
15.229 16.995 19.479 18.345 17.917 19.151 18.813 18.607 22.604 22.034 22.319 23.537 17,5 
1.713 1.658 1.889 2.002 2.339 2.214 2.005 1.653 2.097 2.023 1.906 2.062 1,5 
3.128 2.740 3.054 2.998 3.345 3.599 3.194 3.222 4.335 4.368 4.398 4.362 3,2 
6.270 6.370 6.883 5.803 5.337 4.988 3.941 4.358 5.646 5.911 6.858 7.012 5,2 
4.825 5.389 6.457 7.046 7.248 6.678 7.369 8.978 10.288 9.266 8.845 9.492 7,1 
4.091 4.464 4.756 4.817 4.670 4.639 5.296 6.684 7.597 6.394 5.707 6.119 4,6 
734 925 1.701 2.229 2.578 2.039 2.073 2.294 2.691 2.872 3.138 3.373 2,5 
2.099 1.986 2.012 1.883 1.981 1.899 1.946 1.865 2.185 2.236 2.159 2.130 1,6 
2.182 2.692 2.938 2.595 2.350 2.012 3.203 3.281 3.473 3.594 3.364 2.510 1,9 
Totaal 

* Exclusief voegingen ter zitting
Bron: CBS 

102.310 104.617 106.372 105.031 111.309 111.033 112.037 116.810 134.631 133.218 132.595 134.375 100,0 

Bijlage 4 433


Tabel 5.8 Door de rechter in eerste aanleg afgedane rechtbankstrafzaken: schuldigverklaringen naar delictgroep

Wetboek van Strafrecht 

Geweldsmisdrijven 
verkrachting 
feitelijke aanranding der eerbaarheid 
overige seksuele misdrijven 
bedreiging 
misdrijven tegen het leven 
mishandeling 
dood en lichamelijk letsel door schuld 
diefstal met geweld 
afpersing 

Vermogensmisdrijven 
valsheidsmisdrijven 
eenvoudige diefstal 
gekwalificeerde diefstal 
verduistering 
bedrog 
heling en schuldheling 

Vernieling en openbare orde 
tegen de openbare orde 
discriminatie 
gemeengevaarlijke misdrijven 
tegen het openbaar gezag 
schennis der eerbaarheid 
vernieling 

Overige misdrijven Wetboek van Strafrecht 

 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2006 
(abs.) (%) 
63.321 63.283 60.271 60.975 66.922 66.350 67.765 71.621 80.107 79.962 78.069 76.687 61,6 
12.848 13.488 14.141 14.694 16.701 16.933 18.000 19.583 22.686 24.162 24.362 24.460 19,6 
352 329 337 335 337 294 328 367 335 351 330 280 0,2 
174 241 273 261 301 342 340 386 402 388 392 407 0,3 
625 695 744 674 682 679 677 645 639 654 601 558 0,4 
1.394 1.489 1.637 1.976 2.482 2.639 3.040 3.591 4.636 5.389 5.505 5.334 4,3 
971 1.071 1.036 1.111 1.086 1.198 1.282 1.346 1.506 1.438 1.374 1.084 0,9 
5.502 5.755 6.174 6.511 7.726 7.836 8.368 8.959 10.872 11.724 12.333 13.465 10,8 
20 22 14 18 24 19 19 19 23 21 26 26 0,0 
3.459 3.539 3.567 3.464 3.670 3.599 3.620 3.947 3.905 3.846 3.474 3.011 2,4 
351 347 359 344 393 327 326 323 368 351 327 295 0,2 
41.521 40.115 35.874 35.287 37.461 35.871 35.815 37.383 40.410 37.709 34.941 33.928 27,2 
9.364 7.520 6.573 5.574 6.022 5.039 4.924 4.831 4.745 3.719 3.589 3.843 3,1 
10.123 11.081 10.980 11.712 12.655 12.912 12.559 13.530 14.432 13.315 12.139 11.021 8,8 
17.603 16.799 14.183 13.868 14.092 13.141 13.138 13.973 15.346 14.825 13.552 13.492 10,8 
902 1.017 912 954 1.088 1.262 1.433 1.295 1.569 1.495 1.448 1.384 1,1 
616 697 629 604 763 739 812 789 882 968 955 1.038 0,8 
2.913 3.001 2.597 2.575 2.841 2.778 2.949 2.965 3.436 3.387 3.258 3.150 2,5 
8.336 8.836 9.387 9.925 11.324 11.582 11.894 12.421 13.975 14.753 15.264 14.988 12,0 
3.098 3.318 3.632 3.900 4.281 4.298 4.400 4.597 5.306 5.686 6.248 6.254 5,0 
53 35 50 25 40 33 34 31 43 44 60 56 0,0 
600 572 638 620 678 679 686 739 751 761 750 793 0,6 
1.181 1.298 1.265 1.525 1.932 2.330 2.469 2.633 3.217 3.383 3.473 3.176 2,6 
92 104 110 127 155 153 195 212 177 217 216 220 0,2 
3.312 3.509 3.692 3.728 4.238 4.089 4.110 4.209 4.481 4.662 4.517 4.489 3,6 
616 844 869 1.069 1.436 1.964 2.056 2.234 3.036 3.338 3.502 3.311 2,7 
434 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 5.8 (Vervolg) 

Wegenverkeerswet 
rijden onder invloed 
doorrijden na ongeval 
overige misdrijven Wegenverkeerswet 

Wet op de economische delicten 

Opiumwet 
harddrugs 
softdrugs 

Wet wapens en munitie 

Overige strafwetten en onbekend 

 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2006 
(abs.) (%) 
19.513 20.846 23.766 22.831 23.005 24.420 23.437 23.005 28.415 27.846 27.941 29.143 23,4 
14.973 16.759 19.157 18.144 17.699 18.934 18.600 18.429 22.349 21.800 22.067 23.227 18,6 
1.565 1.479 1.703 1.823 2.108 2.024 1.799 1.512 1.927 1.866 1.718 1.795 1,4 
2.975 2.608 2.906 2.864 3.198 3.462 3.038 3.064 4.139 4.180 4.156 4.121 3,3 
5.653 5.788 6.291 5.335 4.810 4.583 3.568 3.960 5.262 5.466 6.282 6.222 5,0 
4.606 5.143 6.198 6.791 6.914 6.335 7.066 8.701 9.949 8.970 8.477 8.925 7,2 
3.908 4.288 4.562 4.650 4.450 4.421 5.077 6.502 7.399 6.207 5.496 5.809 4,7 
698 855 1.636 2.141 2.464 1.914 1.989 2.199 2.550 2.763 2.981 3.116 2,5 
2.045 1.928 1.936 1.819 1.922 1.820 1.884 1.813 2.128 2.193 2.080 2.036 1,6 
2.070 2.570 2.775 2.425 2.213 1.885 2.206 1.833 1.826 1.737 1.547 1.529 1,2 
Totaal 

Bron: CBS 

97.208 99.558 101.237 100.176 105.786 105.393 105.926 110.933 127.687 126.174 124.396 124.542 100,0 

Bijlage 4 435


Tabel 5.9 Door de rechter in eerste aanleg afgedane rechtbankstrafzaken: vrijspraken en ontslagen van allerechtsvervolging naar delictgroep

(%) 

 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2006 
(abs.) 
Wetboek van Strafrecht 

Geweldsmisdrijven 
verkrachting 
feitelijke aanranding der eerbaarheid 
overige seksuele misdrijven 
bedreiging 
misdrijven tegen het leven 
mishandeling 
dood en lichamelijk letsel door schuld 
diefstal met geweld 
afpersing 

Vermogensmisdrijven 
valsheidsmisdrijven 
eenvoudige diefstal 
gekwalificeerde diefstal 
verduistering 
bedrog 
heling en schuldheling 

Vernieling en openbare orde 
tegen de openbare orde 
discriminatie 
gemeengevaarlijke misdrijven 
tegen het openbaar gezag 
schennis der eerbaarheid 
vernieling 

Overige misdrijven Wetboek van Strafrecht 

3.045 3.068 2.908 3.042 3.497 3.656 3.123 2.645 3.393 3.465 4.280 6.153 68,6 
731 847 788 857 980 1.141 1.023 975 1.216 1.343 1.587 2.268 25,3 
51 64 61 55 66 70 52 66 56 78 74 74 0,8 
23 24 19 28 33 40 46 61 56 45 58 77 0,9 
51 66 56 49 66 58 69 68 73 70 68 74 0,8 
84 95 82 102 122 141 121 108 178 219 338 500 5,6 
81 73 101 82 109 122 134 106 136 120 136 174 1,9 
337 394 360 418 431 516 465 450 589 630 746 1.170 13,0 
5 6 3 6 1 4 4 5 -5 6 7 0,1 
88 119 95 98 140 168 121 107 115 158 145 178 2,0 
11 6 11 19 12 22 11 4 13 18 16 14 0,2 
1.659 1.578 1.486 1.470 1.653 1.644 1.279 1.003 1.245 1.218 1.488 2.204 24,6 
476 443 428 330 381 317 251 178 204 151 221 309 3,4 
295 320 309 339 355 432 294 198 299 294 327 480 5,4 
558 504 449 489 564 554 421 362 419 452 529 796 8,9 
71 84 61 60 64 77 83 52 73 68 100 138 1,5 
56 42 62 50 64 53 56 54 64 77 54 124 1,4 
203 185 177 202 225 211 174 159 186 176 257 357 4,0 
599 563 571 625 754 721 723 572 781 757 985 1.406 15,7 
246 243 254 303 333 327 341 298 392 395 518 766 8,5 
16 12 13 9 7 10 4 10 16 3 4 11 0,1 
39 30 45 31 35 41 36 39 48 39 56 74 0,8 
118 86 84 97 161 139 157 79 120 123 169 200 2,2 
6 8 7 6 10 16 14 11 13 12 8 23 0,3 
174 184 168 179 208 188 171 135 192 185 230 332 3,7 
56 80 63 90 110 150 98 95 151 147 220 275 3,1 

436 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 5.9 (Vervolg) 

Wegenverkeerswet 
rijden onder invloed 
doorrijden na ongeval 
overige misdrijven Wegenverkeerswet 

Wet op de economische delicten 

Opiumwet 
harddrugs 
softdrugs 

Wet wapens en munitie 

Overige strafwetten en onbekend 

 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2006 
(abs.) (%) 
493 493 504 462 544 480 479 399 530 519 620 744 8,3 
219 197 212 172 181 178 149 128 194 199 211 250 2,8 
133 172 163 170 224 178 189 134 158 149 182 263 2,9 
141 124 129 120 139 124 141 137 178 171 227 231 2,6 
518 510 526 404 469 344 295 310 333 403 517 693 7,7 
198 201 221 223 278 286 217 226 277 258 307 493 5,5 
168 156 165 147 179 179 156 137 152 166 174 266 3,0 
30 45 56 76 99 107 61 89 125 92 133 227 2,5 
42 49 60 54 48 70 48 39 40 34 75 82 0,9 
93 91 132 143 105 96 885 1.317 1.467 1.674 1.601 805 9,0 
Totaal 

Bron: CBS 

4.389 4.412 4.351 4.328 4.941 4.932 5.047 4.936 6.040 6.353 7.400 8.970 100,0 

Bijlage 4 437


Tabel 5.10 Door de rechter in eerste aanleg afgedane rechtbankstrafzaken: combinaties van opgelegde sancties

Enkelvoudige hoofdstraffen of maatregelen*

geldboete
geheel onvoorwaardelijk 
gedeeltelijk (on)voorwaardelijk 
geheel voorwaardelijk 


gevangenisstraf**
geheel onvoorwaardelijk 
gedeeltelijk (on)voorwaardelijk 
geheel voorwaardelijk 


jeugddetentie
geheel onvoorwaardelijk 
gedeeltelijk (on)voorwaardelijk 
geheel voorwaardelijk 
taakstraf 
maatregelen


.
w.obetaling aan de staat 
Gecombineerde hoofdstraffen zonder bijkomende

straf en zonder maatregelgeldboete met gevangenisstraf** 
geldboete met jeugdetentie 
geldboete met taakstraf 
gevangenisstraf**met taakstraf 

.
w.ovoorw. gevangenisstraf** met taakstraf 
jeugddetentie met taakstraf 
geldboete, gevangenisstraf** en taakstraf 
overige combinaties van hoofdstraffen zonderbijkomende straf en zonder maatregel 

Enkelvoudige hoofdstraffen*** gecombineerd meteen bijkomende straf en/of met een maatregelgeldboete met een bijkomende straf en/of maatregel 

.w.oin combinatie met ontzegging van de rijbevoegdheid 
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
22.538 22.504 23.633 21.770 21.695 22.829 21.665 21.502 26.568 26.024 26.567 26.831 
3.140 3.384 3.023 3.217 3.333 3.371 3.219 2.528 3.046 3.164 3.135 3.006 
2.261 2.568 2.483 2.393 2.458 2.421 2.401 2.396 2.625 2.756 2.844 3.340 
16.363 15.186 14.463 14.443 16.214 15.972 16.538 18.173 19.905 17.300 13.975 10.995 
3.841 3.609 3.615 3.641 3.687 3.685 3.495 3.950 4.164 4.303 4.299 4.170 
4.160 4.250 4.172 3.943 4.018 3.453 3.030 2.453 2.903 2.642 2.506 2.666 
61 295 283 246 233 263 332 357 339 361 287 263 
54 411 388 429 446 430 460 521 447 553 630 517 
148 737 720 711 671 747 584 665 738 748 618 458 
7.639 9.305 9.443 8.616 9.400 8.797 9.550 11.064 12.812 13.795 15.681 18.612 
261 297 274 321 270 262 194 301 328 334 303 173 
27 51 61 78 68 53 49 54 62 61 119 133 
5.652 5.181 4.728 4.551 4.918 4.392 3.641 2.868 2.801 2.473 1.962 1.523 
12 135 100 68 50 73 46 43 26 45 35 18 
106 165 266 305 442 422 577 671 978 1.118 1.257 1.406 
4.062 3.942 4.049 4.255 4.894 4.599 5.009 5.318 5.968 6.890 7.772 7.835 
4.056 3.939 4.045 4.253 4.888 4.595 4.441 4.620 5.260 6.144 6.821 7.036 
100 938 1.055 1.329 1.620 1.642 1.795 1.891 2.231 2.485 2.217 1.892 
69 77 128 153 190 161 147 173 207 201 204 169 
262 69 33 31 42 51 115 131 15 23 19 15 
11.428 12.272 13.461 13.423 13.694 13.907 13.508 13.576 16.298 16.494 16.205 16.435 
10.057 10.719 11.750 11.747 11.845 11.932 11.313 11.367 13.554 13.670 13.527 13.856 

438 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 5.10 (Vervolg) 

gevangenisstraf** met een bijkomende straf en/of maatregel 

.
w.oin combinatie met ontzegging van de rijbevoegdheid 
jeugddetentie met een bijkomende straf en/of maatregel 
taakstraf met een bijkomende straf en/of maatregel 
.
w.oin combinatie met ontzegging van de rijbevoegdheid 
Gecombineerde hoofdstraffen met een bijkomende straf en/of 

een maatregelgeldboete en taakstraf met een bijkomende straf en/of 
maatregel 
geldboete en gevangenisstraf** met een bijkomende straf 
en/of maatregel 

.
w.oin combinatie met ontzegging van de rijbevoegdheid 
geldboete en jeugddetentie met een bijkomende straf 
en/of maatregel 
gevangenisstraf** en taakstraf met een bijkomende straf 

en/of maatregel 

.
w.oin combinatie met ontzegging van de rijbevoegdheid 
jeugddetentie en taakstraf met een bijkomende straf 
en/of maatregel 
overige combinaties van geldboete, taakstraf, jeugddetentie ofgevangenisstraf** met een bijkomende straf en/of maatregel 

Overige combinaties van straffenuitsluitend bijkomende straffen en/of maatregelen 
overige combinaties 

Straf of maatregel onbekend 

 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
96.546 98.844 100.516 99.538 105.156 104.762 105.239 110.164 126.802 125.329 123.504 123.382 
4.900 5.740 6.079 6.867 7.383 7.582 8.390 9.897 11.189 10.042 8.645 8.366 
844 743 695 612 643 719 627 612 659 545 416 398 
30 201 264 334 417 411 467 568 619 681 792 609 
1.098 1.826 2.073 2.094 2.504 2.466 3.162 3.793 4.655 5.152 5.691 6.223 
576 852 864 734 839 892 1.209 1.320 1.656 1.833 2.025 2.041 
175 255 314 315 437 481 707 779 916 980 905 995 
3.093 3.035 3.135 3.087 2.973 3.070 2.560 2.324 2.001 1.314 1.102 762 
2.459 2.362 2.412 2.316 2.178 2.242 1.859 1.698 1.406 767 635 414 
0 14 8 6 3 8 8 4 11 10 11 8 
619 850 936 1.320 1.595 1.654 2.164 2.533 3.014 3.288 3.556 3.689 
127 132 140 158 173 169 237 368 381 320 408 329 
16 92 186 308 358 407 512 691 846 1.038 948 818 
62 59 104 111 131 128 125 164 187 173 173 161 
313 235 240 157 175 168 170 209 195 196 220 240 
3.256 455 7 1 --347 263 282 323 420 486 
827 757 853 1.093 905 910 321 358 488 423 525 568 
Totaal 

* Het betreft schuldigverklaringen waarbij één straf is opgelegd.
** In deze tabel zijn ‘hechtenis’ en ‘militaire detentie’ geteld bij de gevangenisstraffen.
*** Het betreft hier één hoofdstraf gecombineerd met een een bijkomende straf of met een maatregel.
Bron: CBS 

Bijlage 4 439


Tabel 5.11 Door de rechter in eerste aanleg afgedane rechtbankstrafzaken: combinaties van opgelegde sancties naarsoort misdrijven, 2006 

Wetboek van Strafrecht 
Wegenver-
keerswet 
Wet op deeconomischedelicten 
Opiumwet Wet wapensen munitie 
Overigestrafwettenen onbekend 
gewelds-
misdrijven 
vermogens-
misdrijven 
vernieling enopenbare orde 
overige 
2.837 5.232 3.328 1.478 7.888 3.955 1.062 513 538 
570 355 361 130 248 1.075 109 54 104 
989 494 685 210 211 526 85 63 77 
1.621 6.372 1.025 147 447 9 1.052 119 203 
1.643 1.429 319 89 22 4 524 98 42 
990 1.001 327 74 43 7 166 26 32 
73 142 35 2 1 0 6 4 0 
239 190 64 2 0 0 15 5 2 
129 199 98 8 3 0 11 8 2 
4.663 7.163 3.270 337 989 113 1.663 311 103 
142 92 43 2 2 5 5 5 10 
33 71 21 1 1 0 3 2 0 
362 511 173 32 238 15 136 34 22 
3 12 2 0 0 0 1 0 0 
128 213 81 12 787 18 125 27 15 
2.460 2.863 752 224 206 46 1.036 162 86 
Enkelvoudige hoofdstraffen of maatregelen*

geldboete
geheel onvoorwaardelijk 
gedeeltelijk (on)voorwaardelijk 
geheel voorwaardelijk 


gevangenisstraf*
*
geheel onvoorwaardelijk 
gedeeltelijk (on)voorwaardelijk 
geheel voorwaardelijk 


jeugddetentie
geheel onvoorwaardelijk 
gedeeltelijk (on)voorwaardelijk 
geheel voorwaardelijk 
taakstraf 
maatregelen


.
w.obetaling aan de staat 
Gecombineerde hoofdstraffen zonderbijkomende straf en zonder maatregelgeldboete met gevangenisstraf** 
geldboete met jeugdetentie 
geldboete met taakstraf 
gevangenisstraf** met taakstraf 

440 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 5.11 (Vervolg) 

Wetboek van Strafrecht 
Wegenver-
keerswet 
Wet op deeconomischedelicten 
Opiumwet Wet wapensen munitie 
Overigestrafwettenen onbekend 
gewelds-
misdrijven 
vermogens-
misdrijven 
vernieling enopenbare orde 
overige 
2.182 2.641 686 206 200 44 863 133 81 
623 727 451 19 12 1 30 27 2 
22 42 11 5 50 4 21 8 6 
1 6 0 0 1 3 4 0 0 
748 431 834 74 13.803 182 106 106 151 
719 419 749 47 13.677 0 13 10 3 
2.415 2.872 624 159 393 8 1.701 180 14 
31 16 10 6 331 0 2 1 1 
303 199 75 2 4 0 21 5 0 
1.251 1.332 1.171 63 1.996 12 273 110 15 
43 12 33 23 1.911 0 15 3 1 
.w.ovoorw.gevangenisstraf** met taakstraf 
jeugddetentie met taakstraf 
geldboete, gevangenisstraf** en taakstraf 
overige combinaties van hoofdstraffen zonderbijkomende straf en zonder maatregel 

Enkelvoudige hoofdstraffen*** gecombineerd meteen bijkomende straf en/of met een maatregelgeldboete met een bijkomende straf en/of 
maatregel 

.
w.oin combinatie met ontzegging van de
rijbevoegdheid 
gevangenisstraf** met een bijkomende straf 
en/of maatregel 

.
w.oin combinatie met ontzegging van de
rijbevoegdheid 
jeugddetentie met een bijkomende straf en/of 
maatregel 
taakstraf met een bijkomende straf en/of 

maatregel 

.w.o
in combinatie met ontzegging van de
rijbevoegdheid 


Bijlage 4 441 


Tabel 5.11 (Vervolg) 

Gecombineerde hoofdstraffen met een 

bijkomende straf en/of een maatregelgeldboete en taakstraf met een bijkomende 
straf en/of maatregel 

geldboete en gevangenisstraf** met een 
bijkomende straf en/of maatregel 


.
w.oin combinatie met ontzegging van de
rijbevoegdheid 
geldboete en jeugddetentie met een 
bijkomende straf en/of maatregel 
gevangenisstraf** en taakstraf met een 


bijkomende straf en/of maatregel 

.
w.oin combinatie met ontzegging van de
rijbevoegdheid 
jeugddetentie en taakstraf met een bijkomendestraf en/of maatregel 

overige combinaties van geldboete, taakstraf,
jeugddetentie of gevangenisstraf** met een 
bijkomende straf en/of maatregel 

Overige combinaties van straffenuitsluitend bijkomende straffen en/ofmaatregelen 

Wetboek van Strafrecht 
Wegenverkeerswet 
Wet op deeconomischedelicten 
Opiumwet Wet wapensen munitie 
Overigestrafwettenen onbekend 
geweldsmisdrijven 
vermogensmisdrijven 
vernieling enopenbare orde 
overige 
48 29 49 8 821 4 25 9 2 
126 88 63 10 399 2 52 16 6 
17 6 19 2 363 0 5 2 0 
0 5 2 0 0 0 1 0 0 
1.122 951 489 128 301 7 581 92 18 
44 9 15 5 253 0 2 1 0 
264 306 213 3 4 2 23 3 0 
27 14 12 4 81 3 15 5 0 
82 32 8 2 100 5 4 3 4 

442 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 5.11 (Vervolg) 

Wetboek van Strafrecht 
Wegenver-
keerswet 
Wet op deeconomischedelicten 
Opiumwet Wet wapensen munitie 
Overigestrafwettenen onbekend 
gewelds-
misdrijven 
vermogens-
misdrijven 
vernieling enopenbare orde 
overige 
overige combinaties 105 277 74 15 22 38 18 7 12 
Straf of maatregel onbekend 170 137 90 11 20 23 12 4 19 
Totaal 24.156 33.716 14.729 3.250 29.092 6.067 8.883 2.004 1.485 
* Het betreft schuldigverklaringen waarbij één straf is opgelegd.
** In deze tabel zijn ‘hechtenis’ en ‘militaire detentie’ geteld bij de gevangenisstraffen.
*** Het betreft hier één hoofdstraf gecombineerd met een bijkomende straf of met een maatregel.
Bron: CBS 

Bijlage 4 443 


Tabel 5.12 Door de rechter in eerste aanleg afgedane rechtbankstrafzaken: opgelegde straffen en maatregelen*

Hoofdstraffen

Geldboetegeheel onvoorwaardelijk 
deels onvoorwaardelijk 
geheel voorwaardelijk 

Gevangenisstrafgeheel onvoorwaardelijk 
deels onvoorwaardelijk 
geheel voorwaardelijk 

Hechtenisgeheel onvoorwaardelijk 
deels onvoorwaardelijk 
geheel voorwaardelijk 

Militaire detentie*
geheel onvoorwaardelijk 
deels onvoorwaardelijk 
geheel voorwaardelijk 

Jeugddetentiegeheel onvoorwaardelijk 
deels onvoorwaardelijk 
geheel voorwaardelijk 

Tuchtschool**
geheel onvoorwaardelijk 
deels onvoorwaardelijk 
geheel voorwaardelijk 

Arrest**
geheel onvoorwaardelijk 
deels onvoorwaardelijk 
geheel voorwaardelijk 

Taakstrafwerkstraf/dienstverlening 
leerproject 

 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
41.611 41.708 44.008 41.934 42.482 43.447 40.801 40.227 47.582 46.656 46.282 46.177 
4.584 4.968 4.353 4.450 4.629 4.661 4.595 3.669 4.483 4.348 4.327 4.169 
2.552 3.002 3.025 3.015 3.217 3.166 3.263 3.200 3.610 3.770 3.809 4.314 
20.353 19.505 18.919 19.318 21.536 21.482 23.190 25.952 28.681 24.699 20.070 16.410 
4.945 5.018 5.189 5.649 5.807 5.961 6.483 7.620 8.240 8.618 8.635 8.878 
17.457 17.333 17.219 17.326 18.550 17.160 15.266 14.129 15.132 15.061 15.210 14.760 
120 132 132 121 145 133 48 44 93 83 92 104 
1 3 1 -2 1 3 1 5 6 6 4 
79 83 76 75 98 89 71 91 126 110 139 158 
3 2 2 -
2 --2 
70 51 58 40 38 27 
75 373 377 374 374 400 579 620 569 663 635 613 
64 493 494 540 633 600 1.023 1.193 1.200 1.332 1.630 1.362 
282 1.963 2.136 2.521 2.798 2.993 2.621 2.958 3.505 3.956 3.296 2.618 
351 31 
537 41 
1.936 345 8 
59 8 
4722 77 
13.885 17.123 17.973 18.062 20.744 19.814 22.400 25.492 30.332 33.533 37.070 40.577 
69 395 584 744 831 954 1.374 1.626 1.493 1.609 1.352 1.229 

444 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 5.12 (Vervolg) 

Berisping 

Bijkomende straffen

Ontzegging rijbevoegdheidgeheel onvoorwaardelijk 
deels onvoorwaardelijk 
geheel voorwaardelijk 

Verbeurdverklaring 
Overige bijkomende straffen**
* 


Maatregelen


Volwassen tbs 
Plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ) 
Plaatsing in een psychiatrische inrichting 


Betaling aan de staat - schadevergoeding - ontneming 
wederrechtelijk verkregen voordeel 
Onttrekking aan het verkeer 
Overige maatregelen***
* 


Straf of maatregel onbekend 


Totaal 

 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
134.552 140.768 145.022 146.374 155.664 155.272 157.900 166.266 190.538 188.981 185.517 185.003 
28 2 
6.299 6.450 7.205 6.708 6.882 6.842 6.558 6.653 7.550 7.311 7.113 6.547 
2.459 2.584 2.359 2.439 2.534 2.730 3.011 3.290 3.719 3.455 3.341 3.283 
5.708 6.245 6.894 6.975 6.963 7.154 6.659 6.499 7.691 7.664 7.839 8.588 
3.161 3.355 3.269 3.197 3.124 2.939 3.205 3.896 4.627 3.877 3.319 4.136 
58 65 58 52 40 36 35 52 59 62 34 28 
238 340 298 194 221 222 268 276 300 321 251 249 
102 207 196 247 233 221 193 342 293 386 306 254 
73 76 101 85 85 83 77 96 111 111 102 106 
2.911 5.048 6.371 8.303 10.046 10.381 12.096 13.806 16.436 17.272 16.868 16.549 
2.955 3.034 2.920 2.948 2.777 2.893 3.142 3.661 3.874 3.316 3.047 3.067 
47 4 4 4 8 -5 5 23 3 1 -
827 757 853 1.093 905 910 859 815 744 717 705 796 
* Met ingang van 2001 zijn deze straffen apart zichtbaar te maken. Tot die tijd zijn ze geteld onder ‘Overige sancties’
.
** Deze sancties bestaan niet meer. Ze zijn in 1995 vervangen door andere sancties in het kader van het nieuwe jeugdstrafrecht (PIJ en jeugddetentie)
*** Hieronder worden verstaan: ontzegging van bepaalde rechten, openbaarmaking gerechtelijke uitspraak en stillegging van de onderneming.
**** Hieronder worden verstaan: jeugd-tbs**, strafrechtelijk ots**, onderbewindstelling en opleggen verplichtingen.
Bron: CBS 

Bijlage 4 445


Tabel 5.13 Door de rechter in eerste aanleg afgedane rechtbankstrafzaken: opgelegde (deels) onvoorwaardelijkegevangenisstraffen naar duur van het onvoorwaardelijke deel*

Duur 

1960 1965 1970 1975 1980 1985 1990 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006100 100 100 100 100 100 100 100 100 100 100 100 100 100 100 100 100 
(abs.) 
Tot < 1 maand 4.176 5.933 7.457 8.394 8.944 6.724 6.797 7.559 7.574 7.939 8.962 10.725 11.158 10.706 11.418 12.305 10.357 8.755 7.712 
1 maand - < 3 maanden 1.948 2.052 2.161 2.787 2.541 3.558 4.558 6.280 6.125 5.626 5.756 6.493 6.408 7.768 8.869 9.789 8.472 7.351 6.651 
3 - < 6 maanden 1.940 1.886 2.012 2.029 1.959 2.680 3.279 4.678 4.187 3.923 3.856 3.939 3.823 4.296 4.939 5.951 5.862 5.080 4.662 
6 maanden - < 1 jaar 1.460 1.318 978 972 1.104 1.821 2.394 3.062 3.075 3.004 3.097 2.846 2.893 3.231 3.966 4.360 4.210 3.763 3.214 
1 - < 3 jaar 639 625 311 502 646 1.281 1.507 2.732 2.586 2.627 2.435 2.417 2.284 2.626 3.186 3.142 3.088 2.652 2.200 
3 jaar en langer 49 58 35 113 175 287 612 970 976 986 858 923 875 1.046 1.194 1.374 1.324 1.097 846 
Totaal* 10.212 11.872 12.954 14.797 15.369 16.351 19.147 25.281 24.523 24.105 24.964 27.343 27.441 29.673 33.572 36.921 33.313 28.698 25.285 
% 
Tot < 1 maand 40,9 50,0 57,6 56,7 58,2 41,1 35,5 29,9 30,9 32,9 35,9 39,2 40,7 36,1 34,0 33,3 31,1 30,5 30,5 
1 maand - < 3 maanden 19,1 17,3 16,7 18,8 16,5 21,8 23,8 24,8 25,0 23,3 23,1 23,7 23,4 26,2 26,4 26,5 25,4 25,6 26,3 
3 - < 6 maanden 19,0 15,9 15,5 13,7 12,7 16,4 17,1 18,5 17,1 16,3 15,4 14,4 13,9 14,5 14,7 16,1 17,6 17,7 18,4 
6 maanden - < 1 jaar 14,3 11,1 7,5 6,6 7,2 11,1 12,5 12,1 12,5 12,5 12,4 10,4 10,5 10,9 11,8 11,8 12,6 13,1 12,7 
1 - < 3 jaar 6,3 5,3 2,4 3,4 4,2 7,8 7,9 10,8 10,5 10,9 9,8 8,8 8,3 8,8 9,5 8,5 9,3 9,2 8,7 
3 jaar en langer 0,5 0,5 0,3 0,8 1,1 1,8 3,2 3,8 4,0 4,1 3,4 3,4 3,2 3,5 3,6 3,7 4,0 3,8 3,3 
Totaal 100 100 
* Inclusief straffen met onbekende duur.
Bron: CBS 

446 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 5.14 Door de rechter in eerste aanleg afgedane rechtbankstrafzaken:
opgelegde taakstraffen naar delictgroep

Wetboek van Strafrecht 

Geweldsmisdrijven 
verkrachting 
feitelijke aanranding der eerbaarheid 
overige seksuele misdrijven 
bedreiging 
misdrijven tegen het leven 
mishandeling 
dood en lichamelijk letsel door schuld 
diefstal met geweld 
afpersing 

Vermogensmisdrijven 
valsheidsmisdrijven 
eenvoudige diefstal 
gekwalificeerde diefstal 
verduistering 
bedrog 
heling en schuldheling 

Vernieling en openbare orde 
tegen de openbare orde 
discriminatie 
gemeengevaarlijke misdrijven 
tegen het openbaar gezag 
schennis der eerbaarheid 
vernieling 

Overige misdrijven Wetboek van Strafrecht 

11.559 14.091 14.498 14.733 16.831 16.285 18.379 21.109 24.020 26.745 29.072 31.555 
1.808 2.804 3.298 3.641 4.343 4.395 5.205 6.326 7.569 8.826 9.647 10.609 
30 38 57 49 62 57 73 83 79 86 73 60 
35 97 120 133 132 145 158 214 196 225 211 232 
199 251 320 279 308 296 320 308 289 303 253 293 
170 241 300 366 525 571 710 1.086 1.422 1.825 2.020 2.118 
127 191 154 196 193 230 261 274 314 318 313 262 
715 1.053 1.283 1.530 1.952 2.004 2.455 3.203 4.083 4.864 5.615 6.542 
1 7 3 4 8 6 5 7 12 12 9 14 
463 849 977 1.003 1.068 1.003 1.132 1.080 1.089 1.095 1.045 997 
68 77 84 81 95 83 91 71 85 98 108 91 
8.628 9.406 8.834 8.384 9.330 8.706 9.458 10.274 11.103 11.935 12.594 13.644 
4.290 3.206 2.732 2.171 2.386 1.959 1.746 1.551 1.575 1.593 1.672 1.838 
524 806 959 1.033 1.263 1.325 1.615 1.952 2.000 2.375 2.576 2.855 
2.981 4.307 4.024 4.121 4.376 4.071 4.295 4.812 5.212 5.633 5.901 6.441 
209 265 278 280 355 450 647 637 832 769 770 765 
116 166 155 139 166 160 250 288 319 368 395 444 
508 656 686 640 784 741 905 1.034 1.165 1.197 1.280 1.301 
987 1.718 2.196 2.532 2.983 2.978 3.485 4.177 4.867 5.469 6.133 6.499 
616 1.136 1.454 1.694 1.990 1.928 2.181 2.482 3.012 3.341 3.792 3.940 
1 6 6 4 3 4 5 9 13 14 26 26 
151 228 257 282 299 314 355 404 395 413 411 472 
44 98 90 121 191 238 323 439 489 583 680 638 
9 9 20 23 24 25 35 54 50 55 64 88 
166 241 369 408 476 469 586 789 908 1.063 1.160 1.335 
136 163 170 176 175 206 231 332 481 515 698 803 
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
Bijlage 4 447 


Tabel 5.14 (Vervolg) 

927 1.322 1.432 1.328 1.596 1.774 2.490 2.770 3.828 4.373 4.840 5.248 
467 764 743 606 659 785 1.338 1.511 1.980 2.301 2.504 2.660 
45 56 56 80 73 101 103 106 202 198 222 248 
415 502 633 642 864 888 1.049 1.153 1.646 1.874 2.114 2.340 
24 28 25 20 21 34 35 57 154 253 282 210 
639 1.005 1.522 1.747 1.945 1.760 1.969 2.250 2.778 2.806 3.194 3.792 
545 825 990 960 964 948 1.052 1.202 1.414 1.328 1.494 1.966 
94 180 532 787 981 812 917 1.048 1.364 1.478 1.700 1.826 
344 383 403 428 518 461 521 553 652 678 715 754 
462 690 678 550 664 458 380 379 393 287 319 247 
13.955 17.519 18.558 18.806 21.575 20.772 23.774 27.118 31.825 35.142 38.422 41.806 
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
Wegenverkeerswet 
rijden onder invloed 
doorrijden na ongeval 
overige misdrijven Wegenverkeerswet 

Wet op de economische delicten 

Opiumwet 
harddrugs 
softdrugs 

Wet wapens en munitie 

Overige strafwetten en onbekend 

Totaal 

Bron: CBS 

448 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Bijlage 4 449 

Tabel 5.15 
Door de rechter in eerste aanleg afgedane rechtbankstrafzaken: opgelegde 
(deels) onvoorwaardelijke geldboeten naar hoogte van het onvoorwaardelijke 
deel

 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
(abs.) 
Tot 100 euro 4.954 4.431 3.527 3.061 2.907 2.611 2.256 1.619 1.946 1.957 2.093 2.479 
100 tot 200 euro 8.771 8.565 8.209 7.697 7.655 7.702 7.517 7.138 8.542 8.643 8.281 8.006 
200 tot 250 euro 6.954 7.145 8.191 7.688 7.041 7.256 6.564 4.087 4.715 4.751 5.050 5.137 
250 tot 300 euro 2.495 2.819 3.295 2.540 2.941 2.960 3.230 4.580 5.480 5.757 5.799 5.804 
300 tot 450 euro 5.921 6.139 6.360 6.170 6.362 7.062 6.084 6.768 9.004 8.686 8.554 9.597 
450 tot 600 euro 7.488 7.991 8.689 7.536 6.685 6.580 6.027 5.218 7.002 7.600 7.418 7.519 
600 tot 1.000 euro 7.236 7.146 7.571 8.897 10.321 10.807 10.209 9.240 9.932 8.661 8.488 7.457 
1.000 euro of meer 2.376 2.440 2.519 2.795 3.199 3.130 3.509 5.246 5.444 4.949 4.926 4.347 
Totaal 46.195 46.676 48.361 46.384 47.111 48.108 45.396 43.896 52.065 51.004 50.609 50.346 
% 
Tot 100 euro 10,7 9,5 7,3 6,6 6,2 5,4 5,0 3,7 3,7 3,8 4,1 4,9 
100 tot 200 euro 19,0 18,3 17,0 16,6 16,2 16,0 16,6 16,3 16,4 16,9 16,4 15,9 
200 tot 250 euro 15,1 15,3 16,9 16,6 14,9 15,1 14,5 9,3 9,1 9,3 10,0 10,2 
250 tot 300 euro 5,4 6,0 6,8 5,5 6,2 6,2 7,1 10,4 10,5 11,3 11,5 11,5 
300 tot 450 euro 12,8 13,2 13,2 13,3 13,5 14,7 13,4 15,4 17,3 17,0 16,9 19,1 
450 tot 600 euro 16,2 17,1 18,0 16,2 14,2 13,7 13,3 11,9 13,4 14,9 14,7 14,9 
600 tot 1.000 euro 15,7 15,3 15,7 19,2 21,9 22,5 22,5 21,0 19,1 17,0 16,8 14,8 
1.000 euro of meer 5,1 5,2 5,2 6,0 6,8 6,5 7,7 12,0 10,5 9,7 9,7 8,6 
Totaal 100 100 100 100 100 100 100 100 100 100 100 100 
Bron: CBS 

Tabel 5.16 Door de rechter in eerste aanleg afgedane rechtbankstrafzaken: opgelegde (deels) onvoorwaardelijkegevangenisstraffen en hechtenissen naar delictgroep

Wetboek van Strafrecht 

Geweldsmisdrijven 
verkrachting 
feitelijke aanranding der eerbaarheid 
overige seksuele misdrijven 
bedreiging 
misdrijven tegen het leven 
mishandeling 
dood en lichamelijk letsel door schuld 
diefstal met geweld 
afpersing 

Vermogensmisdrijven 
valsheidsmisdrijven 
eenvoudige diefstal 
gekwalificeerde diefstal 
verduistering 
bedrog 
heling en schuldheling 

Vernieling en openbare orde 
tegen de openbare orde 
discriminatie 
gemeengevaarlijke misdrijven 
tegen het openbaar gezag 
schennis der eerbaarheid 
vernieling 

Overige misdrijven Wetboek van Strafrecht 

 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
20.441 19.760 19.338 20.172 22.374 22.362 24.042 26.725 29.007 26.313 22.786 19.667 
4.624 4.571 4.690 4.622 5.148 5.388 5.674 6.361 7.076 7.233 6.813 6.034 
233 240 233 225 216 192 212 241 229 222 205 177 
43 43 64 24 69 73 81 69 83 92 84 72 
243 254 261 226 193 212 234 229 241 270 237 209 
300 331 330 394 495 568 732 788 1.020 1.194 1.164 1.000 
690 709 739 756 748 831 897 1.009 1.130 1.083 961 768 
810 727 829 962 1.185 1.292 1.229 1.400 1.698 1.817 1.898 1.989 
4 3 1 1 -1 -1 2 2 5 2 
2.085 2.055 2.010 1.836 1.995 2.020 2.066 2.413 2.432 2.337 2.061 1.645 
216 209 223 198 247 199 223 211 241 216 198 172 
14.477 13.814 13.204 14.030 15.319 14.994 16.289 18.026 19.386 16.259 13.170 11.110 
1.856 1.292 1.473 1.397 1.587 1.210 2.036 2.471 2.455 1.453 1.313 1.314 
3.625 4.168 4.501 5.232 6.003 6.240 6.225 7.006 7.391 6.266 5.016 3.769 
7.909 7.232 6.200 6.268 6.356 6.076 6.390 6.883 7.680 6.833 5.380 4.775 
172 187 164 187 232 276 282 257 295 285 251 220 
204 213 218 221 294 280 335 324 378 348 364 291 
711 722 648 725 847 912 1.021 1.085 1.187 1.074 846 741 
1.149 1.152 1.223 1.327 1.634 1.727 1.806 2.007 2.146 2.373 2.327 2.107 
426 414 417 478 574 561 597 650 639 701 775 682 
-3 2 1 3 -4 1 4 3 2 1 
210 176 230 189 227 210 242 254 254 288 271 251 
278 279 250 324 402 519 536 606 752 859 799 726 
5 4 6 12 12 13 16 15 23 30 11 15 
230 276 318 323 416 424 411 481 474 492 469 432 
191 223 221 193 273 253 273 331 399 448 476 416 

450 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 5.16 (Vervolg) 

Wegenverkeerswet 
rijden onder invloed 
doorrijden na ongeval 
overige misdrijven Wegenverkeerswet 

Wet op de economische delicten 

Opiumwet 
harddrugs 
softdrugs 

Wet wapens en munitie 

Overige strafwetten en onbekend 

Totaal 

Bron: CBS 

 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
25.341 24.570 24.165 25.014 27.408 27.499 29.724 33.619 37.019 33.406 28.803 25.396 
1.054 947 933 907 1.095 1.373 1.237 1.239 1.590 1.548 1.306 1.132 
391 445 372 292 342 391 527 528 575 536 474 439 
47 48 32 58 60 55 59 64 93 69 71 40 
616 454 529 557 693 927 651 647 922 943 761 653 
199 187 173 92 150 220 45 16 30 38 42 25 
2.974 3.067 3.132 3.282 3.185 3.025 3.649 4.962 5.554 4.562 3.865 3.848 
2.819 2.929 2.920 3.020 2.863 2.797 3.437 4.717 5.226 4.218 3.535 3.453 
155 138 212 262 322 228 212 245 328 344 330 395 
505 432 393 359 404 375 453 433 517 548 509 457 
168 177 196 202 200 144 298 244 321 397 295 267 
Bijlage 4 451


Tabel 5.17 Door de rechter in eerste aanleg afgedane rechtbankstrafzaken: gemiddelde duur in detentiedagen* van

opgelegde (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraffen en hechtenissen naar delictgroep

Wetboek van Strafrecht 

Geweldsmisdrijven 
verkrachting 
feitelijke aanranding der eerbaarheid 
overige seksuele misdrijven 
bedreiging 
misdrijven tegen het leven 
mishandeling 
dood en lichamelijk letsel door schuld 
diefstal met geweld 
afpersing 

Vermogensmisdrijven 
valsheidsmisdrijven 
eenvoudige diefstal 
gekwalificeerde diefstal 
verduistering 
bedrog 
heling en schuldheling 

Vernieling en openbare orde 
tegen de openbare orde 
discriminatie 
gemeengevaarlijke misdrijven 
tegen het openbaar gezag 
schennis der eerbaarheid 
vernieling 

Overige misdrijven Wetboek van Strafrecht 

 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
145 142 140 124 119 117 122 121 123 138 142 135 
354 346 341 302 294 289 284 288 279 282 272 242 
451 433 469 484 461 466 423 525 521 489 494 491 
193 160 203 166 175 135 135 144 183 160 173 177 
318 332 314 304 302 303 306 277 272 325 283 300 
71 71 74 65 59 59 66 73 72 72 73 68 
749 744 766 693 716 770 702 709 679 690 695 678 
115 94 105 99 95 98 102 98 97 106 99 94 
x x x x x x x x x x x x 
349 339 325 278 295 264 274 275 289 318 332 290 
399 326 302 306 308 297 309 283 281 273 240 258 
78 73 68 64 58 55 61 60 64 74 75 74 
91 100 91 88 89 89 81 77 86 114 109 108 
33 29 26 24 23 23 26 26 28 34 36 34 
95 93 92 89 82 78 85 84 90 100 102 93 
65 64 62 61 57 58 69 75 69 72 68 68 
108 107 118 108 87 83 97 91 112 118 108 116 
86 73 68 75 68 65 80 73 65 78 70 69 
125 138 129 126 108 104 134 113 115 129 124 127 
133 191 145 163 128 128 186 137 145 179 159 180 
x x x x x x x x x x x x 
261 275 294 277 274 265 282 264 285 304 275 254 
81 79 76 77 71 78 90 87 87 86 92 89 
x x 14 30 21 26 33 22 19 29 31 20 
40 33 32 36 30 29 35 34 33 39 37 39 
310 309 264 241 320 261 262 271 235 192 203 279 

452 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 5.17 (Vervolg) 

Wegenverkeerswet 
rijden onder invloed 
doorrijden na ongeval 
overige misdrijven Wegenverkeerswet 

Wet op de economische delicten 

Opiumwet 
harddrugs 
softdrugs 

Wet wapens en munitie 

Overige strafwetten en onbekend 

Totaal 

 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
151 151 154 140 133 130 138 144 143 153 152 142 
30 32 29 32 32 33 33 35 30 33 33 39 
22 30 25 22 23 22 28 28 27 31 32 33 
24 21 24 21 27 25 37 33 35 33 40 47 
36 34 32 39 36 39 37 41 31 35 33 42 
50 36 63 52 40 45 116 117 57 60 84 70 
255 262 291 278 277 277 283 298 282 281 250 208 
262 269 301 292 296 292 293 308 291 293 261 222 
133 120 154 116 105 84 121 108 130 122 126 85 
76 87 93 101 100 98 186 153 155 163 180 158 
87 85 80 103 90 84 80 81 81 89 120 91 
* 
Berekend op basis van de opgelegde strafduur van het onvoorwaardelijke deel, waarbij het deel dat op grond van de VI-regeling niet wordt uitgezeten, van de strafduur isafgetrokken. Er is geen gemiddelde duur berekend als het aantal straffen kleiner of gelijk is aan 5.
Bron: CBS 

Bijlage 4 453


Tabel 5.18 Door de rechter in eerste aanleg afgedane rechtbankstrafzaken: opgelegde (deels) onvoorwaardelijkegevangenisstraffen en hechtenissen in detentiejaren* en naar delictgroep

Wetboek van Strafrecht 

Geweldsmisdrijven 
verkrachting 
feitelijke aanranding der eerbaarheid 
overige seksuele misdrijven 
bedreiging 
misdrijven tegen het leven 
mishandeling 
dood en lichamelijk letsel door schuld 
diefstal met geweld 
afpersing 

Vermogensmisdrijven 
valsheidsmisdrijven 
eenvoudige diefstal 
gekwalificeerde diefstal 
verduistering 
bedrog 
heling en schuldheling 

Vernieling en openbare orde 
tegen de openbare orde 
discriminatie 
gemeengevaarlijke misdrijven 
tegen het openbaar gezag 
schennis der eerbaarheid 
vernieling 

Overige misdrijven Wetboek van Strafrecht 

 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
8.137 7.714 7.440 6.877 7.315 7.183 8.008 8.835 9.756 9.965 8.841 7.284 
4.479 4.328 4.385 3.825 4.140 4.259 4.414 5.022 5.412 5.584 5.081 3.994 
288 285 299 298 273 245 246 347 327 297 276 238 
23 19 36 11 33 27 30 27 42 40 40 35 
212 231 225 188 160 176 196 174 179 240 184 172 
58 65 66 71 79 92 132 157 201 236 233 186 
1.411 1.446 1.544 1.433 1.468 1.750 1.726 1.959 2.102 2.041 1.823 1.423 
254 188 239 260 307 347 345 376 451 528 517 510 
3 2 1 1 -0 -0 1 1 2 1 
1.995 1.906 1.790 1.397 1.612 1.460 1.551 1.818 1.923 2.038 1.876 1.307 
236 187 185 166 209 162 189 164 185 162 130 122 
3.103 2.762 2.464 2.466 2.450 2.249 2.733 2.949 3.411 3.306 2.703 2.238 
463 354 368 338 386 295 452 524 580 453 391 389 
325 327 320 349 379 391 435 496 561 591 493 354 
2.057 1.843 1.557 1.533 1.422 1.293 1.479 1.577 1.888 1.863 1.502 1.221 
31 33 28 31 36 44 54 53 56 56 47 41 
60 63 71 66 70 64 89 81 116 112 108 92 
167 143 121 149 157 163 224 218 210 231 163 141 
393 435 431 458 485 494 665 619 676 840 791 735 
155 217 165 214 201 196 305 244 253 343 336 336 
-0 0 0 0 -0 0 0 0 0 0 
150 133 185 143 170 153 187 183 199 240 204 175 
62 61 52 69 78 111 133 145 179 202 201 177 
0 0 0 1 1 1 1 1 1 2 1 1 
25 25 28 32 34 34 39 45 43 53 48 47 
162 189 160 127 239 181 196 246 257 235 265 317 

454 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 5.18 (Vervolg) 

Wegenverkeerswet 
rijden onder invloed 
doorrijden na ongeval 
overige misdrijven Wegenverkeerswet 

Wet op de economische delicten 

Opiumwet 
harddrugs 
softdrugs 

Wet wapens en munitie 

Overige strafwetten en onbekend 

Totaal 

 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
10.473 10.159 10.182 9.625 10.001 9.763 11.264 13.249 14.465 13.961 11.959 9.867 
88 82 74 80 95 125 113 119 129 142 117 120 
23 36 26 18 22 24 40 40 42 45 41 40 
3 3 2 3 4 4 6 6 9 6 8 5 
61 43 46 59 69 98 67 73 79 90 68 75 
26 19 30 13 16 27 14 5 5 6 10 5 
2.077 2.201 2.495 2.498 2.415 2.293 2.833 4.054 4.284 3.507 2.644 2.195 
2.021 2.155 2.406 2.415 2.323 2.240 2.763 3.982 4.168 3.391 2.530 2.102 
56 45 89 83 92 52 70 73 117 115 114 92 
105 103 100 100 110 100 230 182 220 245 251 198 
40 41 43 57 49 33 66 54 71 97 97 66 
* 
Detentiejaren zijn berekend door de som te nemen van de opgelegde strafduur van het onvoorwaardelijke deel, waarbij het deel dat op grond van de VI-regeling niet wordt 
uitgezeten, van de strafduur is afgetrokken.
Bron: CBS 

Bijlage 4 455


Tabel 5.19 Door de rechter in eerste aanleg afgedane rechtbankstrafzaken: doorlooptijd (in dagen) van inschrijving totafdoening naar soort rechter en delictgroep

211 223 221 217 194 202 212 266 219 228 211 202 184 182 196 212 200 228 211 179 153 169 
272 284 303 257 228 236 240 373 360 374 389 364 270 294 256 273 395 329 308 304 250 292 
284 245 314 259 204 285 231 283 286 284 274 248 238 225 231 242 237 259 226 194 180 193 
327 342 322 314 259 242 258 307 373 352 334 339 256 257 263 232 243 240 248 228 223 197 
195 228 223 212 194 227 218 254 197 204 193 187 170 174 193 219 195 210 202 166 133 163 
198 226 220 219 203 207 223 307 267 328 298 293 227 250 228 260 177 263 204 168 166 184 
229 241 216 214 203 193 212 278 234 243 223 211 194 187 199 220 196 225 208 174 152 162 
470 496 522 x 424 262 256 x x x x 334 x 238 290 x x x x x x x 
170 177 182 185 164 176 184 209 130 150 139 146 134 127 141 197 193 225 211 183 155 182 
186 161 181 195 165 194 225 268 249 187 158 197 149 146 208 196 217 233 230 185 168 129 
273 278 269 261 216 232 244 235 170 174 165 164 151 156 172 230 201 214 201 179 147 161 
444 465 450 443 364 389 404 282 261 244 243 222 227 230 249 230 189 171 194 196 127 143 
229 178 170 177 141 126 131 199 129 132 126 133 123 124 136 225 196 216 204 182 143 159 
190 203 199 182 166 175 180 219 156 168 157 155 139 149 161 228 202 216 199 175 146 163 
414 407 371 375 316 349 366 292 219 240 233 230 212 206 229 281 192 214 205 172 159 150 
356 388 361 378 261 356 339 289 253 255 247 253 232 227 237 x 211 211 280 224 159 158 
291 276 284 285 234 260 260 269 221 216 205 207 183 180 196 249 211 207 200 196 159 156 
251 276 328 272 258 245 255 266 207 215 208 200 176 177 188 227 207 219 208 180 153 166 
311 346 431 331 287 271 300 261 224 235 230 223 196 197 206 224 208 219 205 178 152 163 
x -x x x x x 319 234 284 213 234 220 206 204 -x x x x 192 159 
206 216 224 228 203 208 196 298 255 304 269 273 245 215 253 234 214 211 211 192 151 183 
208 225 354 239 342 276 250 238 171 181 192 174 153 156 163 244 199 220 235 182 158 173 
x x -x x -x 274 245 251 255 228 212 201 212 x 200 x 230 167 113 189 
265 187 267 305 208 191 235 278 210 213 195 195 172 170 183 230 203 225 208 186 157 168 
Meervoudige kamer Politierechter Kinderrechter1995 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 1995 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 1995 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006197 159 
214 208 
286 170 
299 220 
276 161 
194 171 
245 151 
383 x 
157 167 
163 174 
264 156 
374 132 
260 153 
204 158 
363 156 
342 165 
265 146 
250 165 
302 161 
x 178 
200 159 
279 160 
x 184 
316 183 
Wetboek van Strafrecht

Geweldsmisdrijven 
verkrachting 
feitelijke aanranding der eerbaarheid 
overige seksuele misdrijven 
bedreiging 
misdrijven tegen het leven 
mishandeling 
dood en lichamelijk letsel door schuld 
diefstal met geweld 
afpersing 

Vermogensmisdrijven 
valsheidsmisdrijven 
eenvoudige diefstal 
gekwalificeerde diefstal 
verduistering 
bedrog 
heling en schuldheling 

Vernieling en openbare orde 
tegen de openbare orde 
discriminatie 
gemeengevaarlijke misdrijven 
tegen het openbaar gezag 
schennis der eerbaarheid 
vernieling 

456 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 5.19 (Vervolg) 

Overige misdrijven Wetboek van Strafrecht 

Wegenverkeerswetrijden onder invloed 
doorrijden na ongeval 
overige misdrijven Wegenverkeerswet 

Wet op de economische delicten 

Opiumwetharddrugs 
softdrugs 

Wet wapens en munitie 

Totaal* 

231 239 232 232 210 232 235 243 193 201 193 191 172 174 184 224 202 218 205 180 151 166 
Meervoudige kamer Politierechter Kinderrechter1995 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 1995 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 1995 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006276 273 291 324 320 255 286 307 292 184 204 190 191 167 174 182 210 196 199 217 178 150 184 188 
334 310 358 398 323 248 x 392 208 160 179 180 183 157 147 151 146 217 188 170 145 140 168 152 
x x x x 275 340 x 337 255 264 273 261 246 198 193 197 224 208 212 224 165 153 188 156 
300 307 314 281 267 249 251 254 261 232 244 236 233 195 182 187 197 184 222 200 186 155 148 161 
496 438 533 487 475 401 318 395 296 287 318 310 294 269 297 302 x x x 281 194 164 189 207 
167 178 167 153 168 169 180 182 182 158 151 162 148 135 133 133 184 153 174 170 163 124 138 145 
295 335 351 329 306 282 338 334 299 237 238 195 203 186 185 210 x 222 203 x 195 136 139 146 
274 225 231 231 222 206 205 216 293 213 229 223 217 179 189 198 278 210 232 202 201 141 184 152 
225 161 
Bij gering aantal zaken (<10) geen gemiddelde doorlooptijd weergegeven.

* Inclusief overige strafwetten en onbekend.
Bron: CBS 

Bijlage 4 457 


458 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Tabel 5.20 Schadevergoeding aan ex-verdachten wegens ondergane hechtenis*

Aantal verzoeken om 
schadevergoeding waarover in het 
jaar werd beslist 

Aantal verzoeken waarop 

schadevergoeding werd toegekend 
Toegekende schadevergoedingen 
(in miljoenen euro’s) 

Gemiddeld bedrag per toegekende 
schadevergoeding (in euro’s) 

 1995 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
(abs.) 
1.977 3.407 3.873 4.660 4.576 4.254 4.460 5.302 5.691 6.665 
1.668 2.994 3.333 3.839 4.029 3.705 3.799 4.565 4.991 5.951 
4,4 9,1 8,8 11,8 12,0 14,7 12,3 13,4 13,1 17,2 
2.630 3.026 2.633 3.087 2.985 3.974 3.230 2.927 2620 2883 
* Op grond van artikelen 89 en 591a Sv. 
Bron: CBS 

Tabel 5.21 Halt- en Stop-verwijzingen*

 Halt Stop Totaal 
1.184 1.184 
2.154 2.154 
4.738 4.738 
6.456 6.456 
8.948 8.948 
11.084 11.084 
11.167 11.167 
14.316 14.316 
17.235 17.235 
21.413 21.413 
20.867 20.867 
21.748 21.748 
22.756** 
18.948 1.784 20.732 
18.056 1.639 19.695 
19.665 1.962 21.627 
20.951 2.304 23.255 
21.496 2.167 23.663 
22.215 1.948 24.163 
22.985 2.069 25.054 
1987 
1988 
1989 
1990 
1991 
1992 
1993 
1994 
1995 
1996 
1997 
1998 
19992000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006 

* Inclusief de doorverwijzingen tussen Halt-bureaus. 
** In 1999 is de Stop-reactie ingevoerd. Het is niet mogelijk om voor dit jaar het totaal aantal 
verwijzingen uit te splitsen naar Halt- en Stop-verwijzingen. 

Bron: CBS 


Bijlage 4 459 

Tabel 5.22 Halt-afdoeningen* en Stop-reacties (al dan niet met succes uitgevoerd)

 Halt Stop Totaal 
19.482 1.761 21.243 
17.359 1.378 18.737 
17.721 1.505 19.226 
20.586 1.941 22.527 
20.068 2.085 22.153 
22.962 2.109 25.071 
22.184 1.975 24.159 
2000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006 

* Het aantal afdoeningen is niet gelijk aan het aantal verwijzingen (zie tabel 5.21), omdat: 
– in een jaar ook verwijzingen uit het voorgaande jaar kunnen zijn afgehandeld via Halt of Stop; 
– afronding van een Halt-afdoening of Stop-reactie in een volgend jaar kan plaatsvinden en dan in dat jaar geteld wordt; 
– sommige verwijzingen niet in een Halt-afdoening of Stop-reactie geresulteerd hebben (zijn niet in behandeling genomen). 
Bron: Halt Nederland 

Tabel 5.23 Geslaagde Halt-afdoeningen en Stop-reacties naar ‘Halt-feit’, 2006

 Halt Stop 
Algemene veiligheid 578 116 
Baldadigheid 2.812 178 
Openbare orde 44 -
Vermogensdelicten 7.553 590 
Vernieling 4.435 468 
Vuurwerkdelicten 3.913 393 
Niet Halt-waardige feiten 2.029 84 
Totaal 21.364 1.829 
Bron: Halt Nederland 

Tabel 5.24 Ingeschreven en afgedane rechtbankstrafzaken met minderjarige verdachten 

1995 
1996 
1997 
1998 
1999 

Ingeschreven zaken OM Afdoeningen door het OM Afdoeningen door de rechter* 
23.923 15.887 7.017 
26.213 16.769 7.580 
27.456 18.420 7.442 
27.535 17.768 7.895 
27.071 16.533 8.311 
2000 26.993 17.627 9.004 
2001 27.544 18.873 8.903 
2002 28.465 19.521 10.014 
2003 31.060 20.238 10.782 
2004 33.819 21.193 11.897 
2005 35.875 23.289 12.292 
2006 36.519 24.019 12.441 
* Exclusief voegingen ter zitting. 
Bron: CBS 


Tabel 5.25 Bij het Openbaar Ministerie ingeschreven rechtbankstrafzaken met minderjarige verdachten naar delictgroep

 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2006 
(abs.) (%) 
21.846 23.996 24.947 24.960 24.629 24.748 25.214 25.830 27.478 30.632 32.639 33.247 91,0 
4.444 5.093 5.606 5.668 6.099 6.229 6.499 6.485 6.933 7.977 8.767 8.744 23,9 
158 145 173 125 156 161 188 150 133 253 195 177 0,5 
205 224 244 217 317 279 270 294 253 278 288 255 0,7 
150 178 193 180 204 158 162 164 172 145 202 187 0,5 
399 564 551 588 645 688 703 780 949 1.408 1.463 1.500 4,1 
168 192 173 229 207 253 244 311 254 341 357 252 0,7 
1.759 2.217 2.578 2.571 2.753 2.863 3.007 3.150 3.512 3.817 4.533 4.751 13,0 
4 3 8 4 1 5 3 5 2 2 2 5 0,0 
1.440 1.389 1.481 1.622 1.689 1.703 1.798 1.529 1.549 1.631 1.637 1.513 4,1 
161 181 205 132 127 119 124 102 109 102 90 104 0,3 
12.659 12.745 12.572 12.493 11.684 11.487 11.040 11.229 11.276 12.470 12.659 12.801 35,1 
207 208 200 202 270 385 394 331 252 353 287 289 0,8 
2.949 3.230 3.525 3.492 3.387 3.376 3.210 3.240 3.237 3.529 3.723 3.599 9,9 
8.256 8.119 7.635 7.589 6.746 6.363 5.999 6.101 6.269 6.782 6.807 6.852 18,8 
189 177 225 226 332 402 396 467 494 441 427 471 1,3 
95 144 127 158 140 143 145 155 114 198 224 252 0,7 
963 867 860 826 809 818 896 935 910 1.167 1.191 1.338 3,7 
4.594 6.011 6.587 6.531 6.498 6.545 7.138 7.475 8.429 9.247 10.232 10.681 29,2 
2.653 3.757 3.802 3.605 3.588 3.709 4.296 4.713 5.233 5.970 6.651 6.803 18,6 
9 38 16 14 15 14 31 36 29 53 68 44 0,1 
336 381 496 508 533 544 534 518 710 665 730 814 2,2 
264 259 305 330 448 441 481 514 661 737 682 707 1,9 
23 33 47 29 31 49 38 44 37 49 37 33 0,1 
1.309 1.543 1.921 2.045 1.883 1.788 1.758 1.650 1.759 1.773 2.064 2.280 6,2 
149 147 182 268 348 487 537 641 840 938 981 1.021 2,8 
Wetboek van Strafrecht 

Geweldsmisdrijven 
verkrachting 
feitelijke aanranding der eerbaarheid 
overige seksuele misdrijven 
bedreiging 
misdrijven tegen het leven 
mishandeling 
dood en lichamelijk letsel door schuld 
diefstal met geweld 
afpersing 

Vermogensmisdrijven 
valsheidsmisdrijven 
eenvoudige diefstal 
gekwalificeerde diefstal 
verduistering 
bedrog 
heling en schuldheling 

Vernieling en openbare orde 
tegen de openbare orde 
discriminatie 
gemeengevaarlijke misdrijven 
tegen het openbaar gezag 
schennis der eerbaarheid 
vernieling 

Overige misdrijven Wetboek van Strafrecht 

460 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 5.25 (Vervolg) 

Wegenverkeerswet 
rijden onder invloed 
doorrijden na ongeval 
overige misdrijven Wegenverkeerswet 

Wet op de economische delicten 

Opiumwet 
harddrugs 
softdrugs 

Wet wapens en munitie 

Overige strafwetten en onbekend 

 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2006 
(abs.) (%) 
594 645 736 799 783 829 854 842 975 926 959 1.025 2,8 
180 200 266 325 330 372 419 396 517 451 538 628 1,7 
200 237 267 277 253 280 257 252 260 251 225 201 0,6 
214 208 203 197 200 177 178 194 198 224 196 196 0,5 
84 79 121 295 115 91 137 173 1.087 512 565 631 1,7 
331 417 599 434 390 324 463 528 525 654 742 730 2,0 
248 341 490 351 304 249 368 426 420 422 435 398 1,1 
83 76 109 83 86 75 95 102 105 232 307 332 0,9 
427 534 640 584 641 515 611 626 741 875 760 739 2,0 
640 542 413 463 513 486 265 466 254 220 210 147 0,4 
Totaal 

Bron: CBS 

23.923 26.213 27.456 27.535 27.071 26.993 27.544 28.465 31.060 33.819 35.875 36.519 100,0 

Bijlage 4 461


Tabel 5.26 Door het Openbaar Ministerie afgedane rechtbankstrafzaken met minderjarige verdachten naar delictgroep

Wetboek van Strafrecht 

Geweldsmisdrijven 
verkrachting 
feitelijke aanranding der eerbaarheid 
overige seksuele misdrijven 
bedreiging 
misdrijven tegen het leven 
mishandeling 
dood en lichamelijk letsel door schuld 
diefstal met geweld 
afpersing 

Vermogensmisdrijven 
valsheidsmisdrijven 
eenvoudige diefstal 
gekwalificeerde diefstal 
verduistering 
bedrog 
heling en schuldheling 

Vernieling en openbare orde 
tegen de openbare orde 
discriminatie 
gemeengevaarlijke misdrijven 
tegen het openbaar gezag 
schennis der eerbaarheid 
vernieling 

Overige misdrijven Wetboek van Strafrecht 

 1995 
(abs.) 
14.405 
1996 
14.914 
1997 
16.654 
1998 
15.797 
1999 
14.793 
2000 
15.818 
2001 
17.001 
2002 
17.484 
2003 
17.504 
2004 
18.895 
2005 
20.767 
2006 
21.538 
2006%
89,7 
2.060 2.306 2.679 2.616 2.602 2.892 3.247 3.408 3.428 3.742 4.486 4.653 19,4 
50 56 62 32 44 38 42 53 40 59 35 63 0,3 
122 120 130 111 119 165 194 162 142 145 136 121 0,5 
83 76 115 80 89 71 83 98 57 48 79 64 0,3 
246 302 335 365 354 409 481 503 566 792 909 926 3,9 
25 35 19 28 31 45 32 43 31 22 48 28 0,1 
1.092 1.316 1.554 1.582 1.659 1.816 1.992 2.163 2.284 2.394 2.959 3.156 13,1 
2 2 3 4 
3 
3 3 1 
0,0 
353 338 387 361 274 309 374 349 271 260 291 260 1,1 
87 61 74 53 32 36 46 34 36 22 29 33 0,1 
9.094 8.683 9.027 8.564 7.524 7.931 7.888 7.883 7.517 8.034 8.441 8.502 35,4 
153 139 124 153 145 260 304 256 232 269 252 208 0,9 
2.305 2.339 2.599 2.448 2.331 2.383 2.358 2.294 2.221 2.466 2.603 2.571 10,7 
5.482 5.052 5.126 4.848 3.944 4.074 3.943 3.960 3.787 3.861 4.135 4.036 16,8 
142 143 161 176 219 308 312 384 416 347 355 382 1,6 
70 110 105 109 113 96 116 136 102 143 162 194 0,8 
942 900 912 830 772 810 855 853 759 948 934 1.111 4,6 
3.171 3.805 4.788 4.464 4.423 4.647 5.438 5.707 5.911 6.384 7.078 7.619 31,7 
1.638 2.196 2.729 2.370 2.338 2.527 3.207 3.543 3.677 4.017 4.507 4.826 20,1 
11 17 24 5 6 13 26 29 20 34 43 37 0,2 
179 203 285 232 229 255 271 276 327 337 351 395 1,6 
193 185 260 268 315 307 404 419 535 586 535 527 2,2 
16 25 34 16 22 39 30 32 27 35 30 27 0,1 
1.134 1.179 1.456 1.573 1.513 1.506 1.500 1.408 1.325 1.375 1.612 1.807 7,5 
80 120 160 153 244 348 428 486 648 735 762 764 3,2 

462 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 5.26 (Vervolg) 

Wegenverkeerswet 
rijden onder invloed 
doorrijden na ongeval 
overige misdrijven Wegenverkeerswet 

Wet op de economische delicten 

Opiumwet 
harddrugs 
softdrugs 

Wet wapens en munitie 

Overige strafwetten en onbekend 

Totaal 

Bron: CBS 

 1995 
(abs.) 
437 
1996 
536 
1997 
521 
1998 
620 
1999 
594 
2000 
693 
2001 
738 
2002 
713 
2003 
784 
2004 
745 
2005 
773 
2006 
824 
2006%
3,4 
161 181 194 267 262 320 375 355 457 399 461 548 2,3 
129 201 207 215 189 243 216 218 199 217 200 156 0,6 
147 154 120 138 143 130 147 140 128 129 112 120 0,5 
70 76 95 289 120 91 119 160 954 439 490 506 2,1 
183 250 329 252 156 150 244 281 251 367 490 447 1,9 
123 158 239 176 102 93 170 184 177 188 216 192 0,8 
60 92 90 76 54 57 74 97 74 179 274 255 1,1 
356 414 567 479 516 460 549 551 664 705 699 651 2,7 
436 579 254 331 354 415 222 332 81 42 70 53 0,2 
15.887 16.769 18.420 17.768 16.533 17.627 18.873 19.521 20.238 21.193 23.289 24.019 100,0 

Bijlage 4 463


Tabel 5.27 Door het Openbaar Ministerie afgedane rechtbankstrafzaken met minderjarige verdachten naar wijzevan afdoening

Sepot 
technisch sepot 

.w.o
geen wettig bewijs 
beleidssepot 


.w.vop gronden samenhangend met 
maatregelen van anderen dan de officier 
van justitie
.w.oander dan strafrechtelijk ingrijpen 
prevaleert 
op gronden samenhangend met dealgemene rechtsorde 

.
w.oonvoldoende nationaal belang 
op gronden samenhangend met hetgepleegde feit 

.
w.ogering feit 
gering aandeel in het feit 
oud feit 
op gronden samenhangend met depersoon van de verdachte 

.w.oleeftijd 
recente bestraffing 
door feit of gevolgen getroffen 
gezondheidstoestand 
gewijzigde omstandigheden 
dienstverlening 
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2006 
(abs) % 
8.294 7.803 7.595 5.944 5.043 5.277 5.066 4.403 3.849 3.745 4.249 4.837 20,1 
3.518 3.303 3.358 2.916 2.429 2.346 2.164 1.882 1.514 1.489 1.574 1.650 6,9 
2.423 2.415 2.498 2.228 1.956 1.800 1.697 1.480 1.101 1.167 1.260 1.367 5,7 
4.776 4.500 4.237 3.028 2.614 2.931 2.902 2.521 2.335 2.256 2.675 3.187 13,3 
111 105 194 139 142 135 111 180 208 228 238 256 1,1 
60 67 151 89 90 77 66 86 135 144 140 146 0,6 
133 84 87 55 89 71 101 83 54 45 52 63 0,3 
131 83 87 53 87 71 101 83 54 44 52 62 0,3 
1.560 1.411 1.434 1.177 1.037 1.283 1.300 970 882 800 977 1.121 4,7 
607 398 399 291 279 181 225 176 163 191 249 310 1,3 
319 357 351 285 232 227 301 233 216 208 297 366 1,5 
609 616 639 583 498 834 727 543 469 362 376 393 1,6 
2.415 2.437 2.087 1.201 990 1.010 998 951 863 845 921 1.083 4,5 
413 230 185 111 120 56 72 45 28 25 21 31 0,1 
491 504 539 458 338 413 315 247 207 197 162 232 1,0 
93 109 97 95 87 97 125 130 104 128 147 171 0,7 
47 53 71 48 43 66 50 80 88 78 92 97 0,4 
169 134 115 141 162 133 168 219 185 192 310 339 1,4 
1.047 1.202 919 201 82 46 58 38 45 72 70 80 0,3 

464 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 5.27 (Vervolg) 

op gronden samenghangend metde verhouding tussen verdachte enbenadeelde 

.w.overhouding tot de benadeelde geregeld 
medeschuld van benadeelde 
beperkte kring 
.
w.vvoorwaardelijk sepot 
onvoorwaardelijk sepot 
‘kaal’ sepot 
Voeging ad informandum 
Voeging ter berechting 
Transactie* 

.w.obetaling geldsom 
schadevergoeding 
taakstraf 
Overdracht naar een ander parket 

Overig en onbekend* 

Totaal 

 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 200615.887 16.769 18.420 17.768 16.533 17.627 18.873 19.521 20.238 21.193 23.289 24.019 100 
(abs) % 
557 463 435 456 356 432 395 339 331 340 489 668 2,8 
432 336 285 284 212 268 237 180 156 147 193 248 1,0 
71 79 87 106 112 106 100 107 123 141 218 303 1,3 
45 41 55 53 21 46 49 38 43 42 51 81 0,3 
1.499 1.746 1.603 866 777 737 986 1.063 1.014 1.015 1.224 1.376 5,7 
2.403 1.942 1.698 1.289 1.038 832 733 555 554 554 773 1.250 5,2 
874 812 936 873 799 1.362 1.183 903 767 697 678 561 2,3 
958 921 1.312 1.357 998 913 943 742 747 711 672 626 2,6 
1.861 2.040 2.424 2.443 1.922 2.392 2.436 2.306 1.995 2.241 2.526 2.650 11,0 
3.689 4.822 5.879 6.738 7.276 7.757 9.347 11.048 12.698 13.460 14.780 14.703 61,2 
2.944 2.672 1.894 1.686 1.499 1.381 1.351 1.367 1.792 1.438 1.520 1.403 5,8 
280 252 316 452 276 246 839 1.090 1.351 1.355 1.517 1.506 6,3 
7 1.789 3.430 4.358 5.261 5.893 6.670 8.003 8.596 9.507 10.311 10.284 42,8 
948 1.026 1.112 1.177 1.197 1.134 1.064 997 917 1.016 1.047 1.191 5,0 
137 157 98 109 97 154 17 25 32 20 15 12 0,0 
* In 2000 zijn lik-op-stuk afdoeningen nog opgenomen in de categorie ‘Overig en onbekend’. M.i.v 2001 worden ze geteld bij ‘Transacties’.
Bron: CBS 

Bijlage 4 465


Tabel 5.28 Door de officier van justitie toegepaste transacties met als voorwaarde leer- of werkproject* in rechtbank-
strafzaken met minderjarige verdachten

Wetboek van Strafrecht 

Geweldsmisdrijven 
verkrachting 
feitelijke aanranding der eerbaarheid 
overige seksuele misdrijven 
bedreiging 
misdrijven tegen het leven 
mishandeling 
dood en lichamelijk letsel door schuld 
diefstal met geweld 
afpersing 

Vermogensmisdrijven 
valsheidsmisdrijven 
eenvoudige diefstal 
gekwalificeerde diefstal 
verduistering 
bedrog 
heling en schuldheling 

Vernieling en openbare orde 
tegen de openbare orde 
discriminatie 
gemeengevaarlijke misdrijven 
tegen het openbaar gezag 
schennis der eerbaarheid 
vernieling 

Overige misdrijven Wetboek van Strafrecht 

 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
1.032 2.881 4.172 4.351 5.053 5.575 6.277 7.484 7.927 8.771 9.483 9.522 
142 463 739 742 948 1.040 1.267 1.475 1.595 1.733 1.977 1.983 
4 0 0 0 1 1 1 2 3 2 2 2 
12 33 47 37 50 61 80 77 56 76 54 40 
7 11 17 10 11 10 14 22 19 6 18 6 
9 62 79 108 115 115 179 195 266 388 415 398 
1 2 0 0 2 0 2 3 1 1 4 1 
79 307 520 532 717 791 923 1.121 1.187 1.198 1.435 1.494 
0 0 1 0 0 1 0 0 0 0 0 0 
24 37 58 45 42 53 51 47 51 50 45 28 
6 11 17 10 10 8 17 8 12 12 4 14 
633 1.553 2.084 2.221 2.486 2.703 2.888 3.389 3.535 3.860 4.026 4.022 
6 16 13 19 40 60 48 80 61 95 100 87 
112 326 440 522 676 750 842 940 1.010 1.136 1.198 1.146 
455 1.025 1.351 1.393 1.390 1.409 1.499 1.705 1.825 1.902 2.036 1.960 
16 35 60 66 104 154 151 213 233 182 184 219 
4 27 27 26 28 29 32 50 50 67 61 59 
40 124 193 195 248 301 316 401 356 478 447 551 
253 840 1.329 1.375 1.569 1.754 2.019 2.470 2.563 2.929 3.194 3.203 
158 614 915 911 948 1.137 1.406 1.693 1.708 1.956 2.179 2.202 
0 2 2 0 0 5 8 12 9 11 20 15 
12 66 76 62 87 96 89 142 153 186 184 186 
5 15 35 60 79 78 132 154 214 244 241 209 
2 3 5 3 11 7 11 14 14 13 13 15 
76 140 296 339 444 431 373 455 465 519 557 576 
4 25 20 13 50 78 103 150 234 249 286 314 

466 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 5.28 (Vervolg) -



Wegenverkeerswet 
rijden onder invloed 
doorrijden na ongeval 
overige misdrijven Wegenverkeerswet 

Wet op de economische delicten 

Opiumwet 
harddrugs 
softdrugs 

Wet wapens en munitie 

Overige strafwetten en onbekend 

Totaal 

 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
1.054 2.991 4.349 4.557 5.343 5.939 6.728 8.041 8.641 9.579 10.381 10.364 
9 33 64 63 82 134 153 173 240 213 233 238 
4 5 9 11 14 34 45 52 88 71 118 124 
3 13 27 21 34 63 55 64 92 82 74 56 
2 15 28 31 34 37 53 57 60 60 41 58 
0 2 6 12 23 13 5 4 33 46 102 110 
1 12 31 25 16 20 43 78 89 143 180 149 
0 11 27 20 14 16 33 57 60 61 70 61 
1 1 4 5 2 4 10 21 29 82 110 88 
3 25 64 85 134 179 214 271 337 401 367 335 
9 38 12 21 35 18 36 31 15 5 16 10 
* Het betreffen hier alternatieve sancties volgens het offi ciersmodel.
Bron: CBS 

Bijlage 4 467 


Tabel 5.29 Door de rechter in eerste aanleg afgedane rechtbankstrafzaken* met minderjarige verdachten naar delictgroep

Wetboek van Strafrecht 

Geweldsmisdrijven 
verkrachting 
feitelijke aanranding der eerbaarheid 
overige seksuele misdrijven 
bedreiging 
misdrijven tegen het leven 
mishandeling 
dood en lichamelijk letsel door schuld 
diefstal met geweld 
afpersing 

Vermogensmisdrijven 
valsheidsmisdrijven 
eenvoudige diefstal 
gekwalificeerde diefstal 
verduistering 
bedrog 
heling en schuldheling 

Vernieling en openbare orde 
tegen de openbare orde 
discriminatie 
gemeengevaarlijke misdrijven 
tegen het openbaar gezag 
schennis der eerbaarheid 
vernieling 

Overige misdrijven Wetboek van Strafrecht 

 1995 
(abs.) 
6.661 
1996 
7.234 
1997 
7.030 
1998 
7.416 
1999 
7.847 
2000 
8.499 
2001 
8.327 
2002 
9.266 
2003 
9.944 
2004 
11.002 
2005 
11.379 
2006 
11.636 
2006(%) 
93,5 
1.822 2.051 2.175 2.356 2.492 2.703 2.732 2.983 3.132 3.479 3.655 3.544 28,5 
72 52 58 54 65 62 80 80 60 100 86 69 0,6 
62 97 100 121 101 125 123 140 134 124 152 135 1,1 
81 83 118 106 111 113 106 102 131 138 144 121 1,0 
104 110 139 142 183 219 188 257 382 491 544 526 4,2 
52 86 90 91 87 82 133 119 116 119 170 111 0,9 
506 582 594 729 761 927 899 1.045 1.169 1.308 1.413 1.523 12,2 
5 1 1 3 1 3 2 3 1 2 1 1 0,0 
887 979 1.002 1.033 1.095 1.106 1.135 1.178 1.069 1122 1.081 1.004 8,1 
53 61 73 77 88 66 66 59 70 75 64 54 0,4 
3.545 3.657 3.134 3.212 3.362 3.623 3.436 3.876 3.971 4.307 4.271 4.454 35,8 
91 69 74 49 52 106 79 123 85 100 71 83 0,7 
366 404 398 417 480 565 542 639 680 767 698 780 6,3 
2.803 2.841 2.372 2.401 2.427 2.462 2.285 2.557 2.614 2.768 2.817 2.874 23,1 
39 61 45 51 80 131 174 114 150 174 177 160 1,3 
18 12 12 32 22 29 35 37 38 47 54 60 0,5 
228 270 233 262 301 330 321 406 404 451 454 497 4,0 
1.259 1.490 1.683 1.795 1.935 2.070 2.069 2.275 2.686 2.992 3.230 3.438 27,6 
780 1.016 1.100 1.165 1.210 1.269 1.366 1.456 1.838 2.010 2.227 2.295 18,4 
2 3 2 4 4 1 1 2 7 12 16 21 0,2 
187 142 186 217 219 268 246 279 267 294 304 351 2,8 
30 47 49 49 113 123 116 123 165 173 204 205 1,6 
6 6 11 4 9 13 10 15 13 11 13 14 0,1 
254 276 335 356 380 396 330 400 396 492 466 552 4,4 
35 36 38 53 58 103 90 132 155 224 223 200 1,6 

468 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 5.29 (Vervolg) 

Wegenverkeerswet 
rijden onder invloed 
doorrijden na ongeval 
overige misdrijven Wegenverkeerswet 

Wet op de economische delicten 

Opiumwet 
harddrugs 
softdrugs 

Wet wapens en munitie 

Overige strafwetten en onbekend 

Totaal 

* Exclusief voegingen ter zitting.
Bron: CBS 

 1995 
(abs.) 
81 
1996 
77 
1997 
98 
1998 
132 
1999 
133 
2000 
145 
2001 
158 
2002 
167 
2003 
166 
2004 
180 
2005 
197 
2006 
202 
2006(%) 
1,6 
25 20 27 48 42 41 52 55 55 53 84 81 0,7 
22 25 33 37 39 47 62 48 42 47 47 53 0,4 
34 32 38 47 52 57 44 64 69 80 66 68 0,5 
7 5 5 12 6 10 9 15 70 92 81 80 0,6 
123 133 180 204 177 164 180 232 276 259 277 249 2,0 
118 127 173 187 161 142 166 225 249 210 227 194 1,6 
5 6 7 17 16 22 14 7 27 49 50 55 0,4 
95 75 89 87 100 109 111 143 151 173 167 177 1,4 
50 56 40 44 48 77 118 191 175 191 191 97 0,8 
7.017 7.580 7.442 7.895 8.311 9.004 8.903 10.014 10.782 11.897 12.292 12.441 100,0 

Bijlage 4 469


Tabel 5.30 Door de rechter in eerste aanleg afgedane rechtbankstrafzaken met minderjarige verdachten:
schuldigverklaringen naar delictgroep

Wetboek van Strafrecht 

Geweldsmisdrijven 
verkrachting 
feitelijke aanranding der eerbaarheid 
overige seksuele misdrijven 
bedreiging 
misdrijven tegen het leven 
mishandeling 
dood en lichamelijk letsel door schuld 
diefstal met geweld 
afpersing 

Vermogensmisdrijven 
valsheidsmisdrijven 
eenvoudige diefstal 
gekwalificeerde diefstal 
verduistering 
bedrog 
heling en schuldheling 

Vernieling en openbare orde 
tegen de openbare orde 
discriminatie 

 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2006 
(abs.) (%) 
6.373 6.931 6.727 7.074 7.420 7.990 7.841 8.748 9.404 10.426 10.674 10.736 94,0 
1.748 1.967 2.100 2.258 2.368 2.533 2.577 2.812 2.970 3.282 3.448 3.298 28,9 
62 40 51 47 55 46 68 66 54 81 74 55 0,5 
54 94 97 114 92 107 108 124 118 116 131 120 1,1 
77 73 114 100 107 105 99 93 119 128 140 108 0,9 
99 100 136 137 173 211 182 246 373 464 513 485 4,2 
51 83 86 84 82 77 122 107 105 113 160 102 0,9 
476 560 563 691 718 871 844 988 1.107 1.232 1.336 1.432 12,5 
5 1 1 3 1 3 1 3 1 2 1 1 0,0 
874 956 982 1.012 1.055 1.052 1.089 1.129 1.028 1.076 1.031 944 8,3 
50 60 70 70 85 61 64 56 65 70 62 51 0,4 
3.414 3.532 3.028 3.088 3.211 3.442 3.261 3.694 3.796 4.136 4.024 4.178 36,6 
88 63 69 49 49 98 75 116 80 96 66 79 0,7 
337 377 378 391 440 529 503 590 635 722 642 716 6,3 
2.721 2.770 2.304 2.325 2.339 2.355 2.176 2.460 2.514 2.674 2.676 2.714 23,8 
37 53 43 48 79 125 168 107 148 166 166 148 1,3 
17 11 9 29 20 29 33 35 35 46 53 56 0,5 
214 258 225 246 284 306 306 386 384 432 421 465 4,1 
1.178 1.398 1.565 1.675 1.788 1.922 1.925 2.121 2.494 2.800 2.999 3.084 27,0 
738 959 1.034 1.085 1.127 1.179 1.278 1.351 1.712 1.879 2.060 2.070 18,1 
2 2 2 3 4 -1 2 5 11 16 19 0,2 
470 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 5.30 (Vervolg) 

 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2006 
(abs.) (%) 
180 137 172 209 213 254 235 264 247 278 292 328 2,9 
23 40 41 45 82 116 103 115 154 164 191 176 1,5 
6 5 10 4 7 12 9 14 11 11 13 12 0,1 
229 255 306 329 355 361 299 375 365 457 427 479 4,2 
33 34 34 53 53 93 78 121 144 208 203 176 1,5 
79 75 94 127 129 139 152 159 157 169 190 190 1,7 
25 19 27 47 42 40 51 54 54 52 83 80 0,7 
21 25 31 34 37 45 57 44 38 42 45 46 0,4 
33 31 36 46 50 54 44 61 65 75 62 64 0,6 
7 5 4 9 5 8 9 12 63 82 77 57 0,5 
118 125 176 196 168 155 175 223 271 252 266 239 2,1 
113 119 170 180 152 136 163 216 245 204 218 186 1,6 
5 6 6 16 16 19 12 7 26 48 48 53 0,5 
90 72 85 86 95 101 106 136 147 164 160 167 1,5 
43 52 36 39 42 68 54 52 50 44 27 28 0,2 
6.710 7.260 7.122 7.531 7.859 8.461 8.337 9.330 10.092 11.137 11.394 11.417 100,0 
gemeengevaarlijke misdrijven 

tegen het openbaar gezag 

schennis der eerbaarheid 

vernieling 

Overige misdrijven Wetboek van Strafrecht 

Wegenverkeerswet 

rijden onder invloed 

doorrijden na ongeval 

overige misdrijven Wegenverkeerswet 

Wet op de economische delicten 

Opiumwet 

harddrugs 

softdrugs 

Wet wapens en munitie 

Overige strafwetten en onbekend 

Totaal 

Bron: CBS 

Bijlage 4 471


Tabel 5.31 Door de rechter in eerste aanleg afgedane rechtbankstrafzaken met minderjarige verdachten: vrijspraken enontslagen van rechtsvervolging naar delictgroep

Wetboek van Strafrecht 

Geweldsmisdrijven 
verkrachting 
feitelijke aanranding der eerbaarheid 
overige seksuele misdrijven 
bedreiging 
misdrijven tegen het leven 
mishandeling 
dood en lichamelijk letsel door schuld 
diefstal met geweld 
afpersing 

Vermogensmisdrijven 
valsheidsmisdrijven 
eenvoudige diefstal 
gekwalificeerde diefstal 
verduistering 
bedrog 
heling en schuldheling 

Vernieling en openbare orde 
tegen de openbare orde 
discriminatie 

 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2006 
(abs.) (%) 
205 251 260 299 370 439 353 397 448 510 580 834 90,0 
59 68 64 86 107 145 120 129 130 177 165 218 23,5 
8 10 6 7 8 12 12 14 6 17 11 13 1,4 
7 3 2 6 7 17 14 13 14 8 19 14 1,5 
3 8 4 5 3 6 7 8 12 10 4 10 1,1 
5 7 3 2 8 8 3 10 6 25 27 38 4,1 
1 3 4 7 5 5 8 10 9 6 6 7 0,8 
23 19 25 35 41 47 45 44 52 69 65 83 9,0 
-------------
9 18 18 17 33 46 29 28 28 39 31 51 5,5 
3 -2 7 2 4 2 2 3 3 2 2 0,2 
76 94 86 105 124 151 110 126 133 142 199 254 27,4 
1 5 4 -2 7 3 3 5 4 4 4 0,4 
20 21 16 22 34 32 24 35 34 39 44 62 6,7 
45 51 54 64 70 85 65 65 72 75 108 142 15,3 
1 7 2 3 1 4 6 6 2 5 9 11 1,2 
1 -2 3 1 -1 1 2 1 1 4 0,4 
8 10 8 13 16 23 11 16 18 18 33 31 3,3 
68 87 106 108 135 133 115 132 176 177 200 338 36,5 
33 53 59 72 77 79 72 87 119 120 148 214 23,1 
-1 ---1 --2 --2 0,2 
472 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 5.31 (Vervolg) 

gemeengevaarlijke misdrijven 

tegen het openbaar gezag 

schennis der eerbaarheid 

vernieling 

Overige misdrijven Wetboek van Strafrecht 

Wegenverkeerswet 

rijden onder invloed 

doorrijden na ongeval 

overige misdrijven Wegenverkeerswet 

Wet op de economische delicten 

Opiumwet 

harddrugs 

softdrugs 

Wet wapens en munitie 

Overige strafwetten en onbekend 

 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2006 
(abs.) (%) 
6 5 14 8 5 14 8 15 17 15 10 21 2,3 
6 7 8 4 30 7 10 7 9 9 10 28 3,0 
-1 1 -2 -1 1 2 --2 0,2 
23 20 24 24 21 32 24 22 27 33 32 71 7,7 
2 2 4 -4 10 8 10 9 14 16 24 2,6 
2 2 3 2 3 5 5 5 7 10 6 11 1,2 
-1 ----1 1 -1 1 1 0,1 
1 -1 1 2 2 4 2 3 5 2 7 0,8 
1 1 2 1 1 3 -2 4 4 3 3 0,3 
---3 1 1 -2 4 8 3 18 1,9 
2 6 3 7 7 7 2 8 3 6 9 9 1,0 
2 6 2 6 7 5 1 8 3 5 7 7 0,8 
--1 1 -2 1 --1 2 2 0,2 
2 2 3 -4 7 3 5 2 9 6 7 0,8 
4 1 2 3 3 5 58 122 105 125 144 48 5,2 
Totaal 

Bron: CBS 

215 262 271 314 388 464 421 539 569 668 748 927 100,0 

Bijlage 4 473


Tabel 5.32 Door de rechter in eerste aanleg afgedane rechtbankstrafzaken met minderjarige verdachten: combinatiesvan opgelegde sancties

Enkelvoudige hoofdstraffen of maatregelen*
taakstraf 
jeugddetentie

voorwaardelijk 
gedeeltelijk (on)voorwaardelijk 
onvoorwaardelijk 


gevangenisstraf 
geldboete 
plaatsing in inrichting voor jeugdigen (PIJ) 
overige maatregelen (onttrekking aan het verkeer of betaling aan 
de staat) 

Gecombineerde hoofdstraffen zonder bijkomende straf en zondermaatregeltaakstraf met jeugddetentie 

.w.otaakstraf met voorw jeugddetentie 
taakstraf met gevangenisstraf 
taakstraf met geldboete 
overige combinaties van hoofdstraffen zonder bijkomende straf 
en zonder maatregel 
Enkelvoudige hoofdstraffen** gecombineerd met een bijkomendestraf en/of met een overige maatregel (exclusief PIJ)
taakstraf met een bijkomende straf en/of maatregel (excl. PIJ) 
geldboete met een bijkomende straf en/of maatregel (excl. PIJ) 
gevangenisstraf met een bijkomende straf en/of maatregel (excl. PIJ) 

 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2006 
(abs.) (%) 
2.479 2.430 2.413 2.827 2.514 2.827 3.033 3.321 3.932 4901 43,7 
713 707 664 741 582 662 737 743 612 453 4,0 
386 422 442 427 453 516 441 545 623 513 4,6 
282 242 232 258 328 353 336 355 282 261 2,3 
153 129 134 126 98 98 88 83 74 48 0,4 
728 645 573 559 559 454 461 510 476 408 3,6 
98 122 89 88 62 61 71 80 56 49 0,4 
8 10 14 5 13 10 11 19 15 10 0,1 
1.050 1.327 1.617 1.640 1.784 1.887 2.220 2.474 2.208 1.880 16,7 
1.047 1.325 1.615 1.639 1.478 1.610 1.915 2.173 1.842 1.517 13,5 
60 45 49 62 42 39 46 43 44 36 0,3 
40 40 47 30 37 52 71 60 40 33 0,3 
120 90 70 84 57 50 31 51 38 20 0,2 
189 234 348 353 394 570 615 673 807 964 8,6 
46 60 59 58 51 45 45 38 39 31 0,3 
34 36 45 62 59 58 58 56 47 28 0,2 
474 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 5.32 (Vervolg) 

jeugddetentie met een bijkomende straf en/of maatregel (excl. PIJ) 

.
w.ovoorwaardelijke jeugddetentie 
Gecombineerde hoofdstraffen met een bijkomende straf en/of een 
overige maatregel (exclusief PIJ)
taakstraf en jeugddetentie met een bijkomende straf en/of maatregel 
(excl. PIJ) 

.
w.ovoorwaardelijke jeugddetentie 
overige combinaties van geldboete, taakstraf, jeugddetentie ofgevangenisstraf met een bijkomende straf en/of maatregel 
(excl. PIJ) 

Overige combinaties van straffenjeugddetentie met PIJ 
overige combinaties 

Totaal 

* Het betreft een afdoening waarbij één straf is opgelegd.
Bron: CBS 
1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2006 
6.996 7.414 7.752 8.343 8.220 9.169 9.944 10.996 11.233 11.210 100,0 
202 246 323 324 374 459 533 529 607 452 4,0 
73 94 96 109 70 78 130 125 104 70 0,6 
186 303 354 406 515 689 843 1.030 939 809 7,2 
184 303 354 404 420 533 668 817 668 531 4,7 
14 17 15 19 23 36 30 27 21 21 0,2 
59 81 85 80 90 98 77 137 174 148 1,3 
149 228 179 194 185 205 197 222 199 145 1,3 
Bijlage 4 475


Tabel 5.33 Door de rechter in eerste aanleg afgedane rechtbankstrafzaken met minderjarige verdachten: combinaties vanopgelegde sancties naar soort misdrijven, 2006

Enkelvoudige hoofdstraffen of maatregelen*
taakstraf 
jeugddetentie

voorwaardelijk 
gedeeltelijk (on) voorwaardelijk 
onvoorwaardelijk 


gevangenisstraf 
geldboete 
plaatsing in inrichting voor jeugdigen (PIJ) 
overige maatregelen (onttrekking aan het 
verkeer of betaling aan de staat) 

Gecombineerde hoofdstraffen zonderbijkomende straf en zonder maatregeltaakstraf met jeugddetentie 

.w.o
taakstraf met voorw jeugddetentie 
taakstraf met gevangenisstraf 
taakstraf met geldboete 
overige combinaties van hoofdstraffen zonder 
bijkomende straf en zonder maatregel 

Enkelvoudige hoofdstraffen** gecombineerdmet een bijkomende straf en/of met een overige 
maatregel (exclusief PIJ)

taakstraf met een bijkomende straf en/of 
maatregel (excl. PIJ) 
geldboete met een bijkomende straf en/of 
maatregel (excl. PIJ) 


Wetboek van Strafrecht Wegenver-
keerswet 
Wet op deeconomischedelicten 
Opiumwet Wet wapensen munitie 
Overigestrafwettenen onbekend 
gewelds-
misdrijven 
vermogens-
misdrijven 
vernieling enopenbare orde 
overige 
1.189 1.829 1.537 79 77 12 82 80 16 
128 195 98 8 3 -11 8 2 
235 190 64 2 --15 5 2 
73 141 34 2 1 -6 4 -
22 16 1 0 -7 1 1 
50 119 97 42 40 32 11 14 3 
38 5 5 ---1 --
2 1 7 ------
619 721 449 19 12 1 30 27 2 
423 623 392 18 12 1 22 25 1 
9 13 6 1 --7 --
4 11 8 1 3 1 3 2 -
4 13 2 ---1 --
213 320 381 6 26 -10 7 1 
2 6 11 -11 --1 -
476 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 5.33 (Vervolg) 

Wetboek van Strafrecht Wegenver-
keerswet 
Wet op deeconomischedelicten 
Opiumwet Wet wapensen munitie 
Overigestrafwettenen onbekend 
gewelds-
misdrijven 
vermogens-
misdrijven 
vernieling enopenbare orde 
overige 
gevangenisstraf met een bijkomende straf 
en/of maatregel (excl. PIJ) 14 9 2 -1 -2 --
jeugddetentie met een bijkomende straf en/of 
maatregel (excl. PIJ) 203 171 51 2 1 -18 5 -
w.o.
voorwaardelijke jeugddetentie 22 35 10 -1 -2 --
Gecombineerde hoofdstraffen met een 
bijkomende straf en/of een overige maatregel 
(exclusief PIJ)
taakstraf en jeugddetentie met een 
bijkomende straf en/of maatregel (excl. PIJ) 263 301 211 2 4 2 23 3 -
w.o.
voorwaardelijke jeugddetentie 130 217 163 1 4 2 11 3 -
overige combinaties van geldboete, taakstraf,
jeugddetentie of gevangenisstraf met een 
bijkomende straf en/of maatregel (excl. PIJ) 2 7 5 -3 -3 1 -
Overige combinaties van straffenjeugddetentie met PIJ 94 27 22 -2 -3 --
overige combinaties 63 35 30 5 3 2 4 2 1 
Totaal 3.227 4.130 3.021 169 188 50 237 160 28 
* Het betreft schuldigverklaringen waarbij één straf is opgelegd.
** In deze tabel zijn ‘hechtenis’en ‘militaire detentie’ geteld bij de gevangenisstraffen.
*** Het betreft hier één hoofdstraf gecombineerd met een bijkomende straf of met een maatregel.
Bron: CBS 

Bijlage 4 477 


Tabel 5.34 Door de rechter in eerste aanleg afgedane rechtbankstrafzaken met minderjarige verdachten: opgelegdestraffen en maatregelen

Hoofdstraffen*
gevangenisstraf 
geldboete 
jeugddetentie 
werkstraf 
leerproject 

Bijkomende straffenontzegging rijbevoegdheid 
verbeurdverklaring voorwerpen 

Maatregelenbetaling aan staat** 
onttrekking aan het verkeer 
plaatsing in inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel) 

Overige straffen en maatregelen *** 

Onbekend 

Totaal

 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2006 
9.353 10.399 11.363 12.134 12.421 14.183 15.652 17.502 17.583 16.762 100 
(abs.) (%) 
284 254 265 279 241 233 217 215 197 128 0,8 
952 855 771 763 739 663 651 708 636 519 3,1 
2.988 3.405 3.778 3.970 4.194 4.742 5.242 5.902 5.516 4.552 27,2 
3.446 3.675 4.039 4.412 4.125 4.769 5.729 6.484 7.070 7.782 46,4 
580 736 825 947 1.218 1.382 1.151 1.187 963 874 5,2 
21 39 33 32 37 30 43 50 45 49 0,3 
134 120 156 131 152 172 163 178 163 150 0,9 
517 770 1.010 1.125 1.324 1.762 2.012 2.272 2.434 2.244 13,4 
130 135 148 141 154 169 170 156 174 145 0,9 
192 240 224 213 188 202 202 250 286 239 1,4 
24 2 3 3 5 2 3 8 6 1 0,0 
85 168 111 118 44 57 69 92 93 79 0,5 
* Het betreft zowel voorwaardelijke als onvoorwaardelijke straffen.
** Schadevergoeding en ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel.
*** Overige straffen en maatregelen: storting in waarborgfonds, openbaarmaking recht, ontzetting bepaalde rechten, plaatsing in psychiatrisch ziekenhuis, onderbewindstelling 
en oplegging verplichting.

Bron: CBS 

478 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Bijlage 4 479 

Tabel 5.35 Door de rechter in eerste aanleg afgedane rechtbankstrafzaken met 
minderjarige verdachten: opgelegde (deels) onvoorwaardelijke jeugddetentie 

naar duur van het onvoorwaardelijke deel*

 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
(abs.) 
Minder dan 2 weken 63 141 216 251 281 289 266 
2 weken tot 1 maand 117 173 201 247 222 343 339 
1 maand tot 2 maanden 121 276 378 381 436 524 513 
2 tot 3 maanden 98 192 198 222 260 296 250 
3 tot 4 maanden 152 279 262 216 253 255 187 
4 tot 6 maanden 191 238 243 204 267 256 193 
6 maanden of langer 243 283 295 227 250 274 209 
Totaal* 985 1.582 1.793 1.748 1.969 2.237 1.957 
(%) 
Minder dan 2 weken 6 9 12 14 14 13 14 
2 weken tot 1 maand 12 11 11 14 11 15 17 
1 maand tot 2 maanden 12 17 21 22 22 23 26 
2 tot 3 maanden 10 12 11 13 13 13 13 
3 tot 4 maanden 15 18 15 12 13 11 10 
4 tot 6 maanden 19 15 14 12 14 12 10 
6 maanden of langer 25 18 16 13 13 12 11 
Totaal 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 
* Inclusief straffen met onbekende duur. 
Bron: CBS 

Tabel 5.36 Door de rechter in eerste aanleg afgedane rechtbankstrafzaken met minderjarige verdachten opgelegdetaakstraffen naar delictgroep

Wetboek van Strafrecht 

Geweldsmisdrijven 
verkrachting 
feitelijke aanranding der eerbaarheid 
overige seksuele misdrijven 
bedreiging 
misdrijven tegen het leven 
mishandeling 
dood en lichamelijk letsel door schuld 
diefstal met geweld 
afpersing 

Vermogensmisdrijven 
valsheidsmisdrijven 
eenvoudige diefstal 
gekwalificeerde diefstal 
verduistering 
bedrog 
heling en schuldheling 

Vernieling en openbare orde 
tegen de openbare orde 
discriminatie 
gemeengevaarlijke misdrijven 
tegen het openbaar gezag 
schennis der eerbaarheid 
vernieling 

 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
619 3.202 3.871 4.222 4.667 5.160 5.131 5.871 6.491 7.259 7.617 8.217 
132 839 1.117 1.223 1.350 1.492 1.511 1.709 1.849 2.032 2.158 2.303 
2 9 27 17 22 12 24 25 27 33 31 20 
3 48 69 75 62 68 75 93 79 85 88 82 
7 19 50 45 47 51 53 42 52 68 55 63 
10 49 70 67 106 132 109 149 232 273 321 329 
0 17 26 22 32 31 46 43 34 46 52 42 
39 256 309 440 478 591 552 720 785 904 1.002 1.159 
--1 1 1 3 1 3 1 2 1 1 
68 412 529 524 555 567 610 603 611 579 567 571 
3 29 36 32 47 37 41 31 28 42 41 36 
340 1.616 1.705 1.877 2.058 2.270 2.170 2.464 2.594 2.898 2.891 3.204 
10 21 30 18 21 55 30 48 43 48 45 48 
19 139 158 177 242 298 276 334 410 459 425 529 
288 1.340 1.383 1.487 1.575 1.629 1.523 1.726 1.732 1.925 1.938 2.102 
6 24 19 31 56 83 124 88 115 128 128 132 
2 2 4 17 8 16 18 21 27 32 44 45 
15 90 111 147 156 189 199 247 267 306 311 348 
138 728 1.036 1.099 1.239 1.353 1.427 1.636 1.969 2.224 2.436 2.601 
87 548 741 778 852 899 983 1.113 1.433 1.545 1.756 1.802 
-2 1 2 3 --1 3 9 11 11 
21 81 113 135 160 184 183 219 193 228 226 279 
-7 17 11 37 60 61 62 83 100 128 123 
2 1 2 2 3 4 5 7 6 5 5 10 
28 89 162 171 184 206 195 234 251 337 310 376 

480 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 5.36 (Vervolg) 

Overige misdrijven Wetboek van Strafrecht 

Wegenverkeerswet 
rijden onder invloed 
doorrijden na ongeval 
overige misdrijven Wegenverkeerswet 

Wet op de economische delicten 

Opiumwet 
harddrugs 
softdrugs 

Wet wapens en munitie 

Overige strafwetten en onbekend 

Totaal 

Bron: CBS 

 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
644 3.318 4.027 4.411 4.864 5.359 5.343 6.151 6.880 7.671 8.033 8.656 
9 19 13 23 20 45 23 62 79 105 132 109 
3 17 33 44 51 52 68 75 99 104 114 126 
2 6 7 10 9 9 12 21 29 22 30 39 
-4 9 12 15 17 25 11 24 22 35 37 
1 7 17 22 27 26 31 43 46 60 49 50 
-1 1 2 --1 4 21 43 19 16 
16 60 91 95 79 79 69 98 155 142 179 158 
16 58 88 90 70 70 65 95 140 115 145 122 
-2 3 5 9 9 4 3 15 27 34 36 
5 21 21 39 54 52 57 86 93 106 92 120 
1 17 10 9 13 16 17 17 21 17 12 19 
Bijlage 4 481


482 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Tabel 5.37 
Door de rechter in eerste aanleg afgedane rechtbankstrafzaken met 
minderjarige verdachten: opgelegde (deels) onvoorwaardelijke geldboeten 
naar hoogte van het onvoorwaardelijke deel

 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
333 247 202 126 122 105 86 40 46 42 35 22 
400 262 179 168 108 133 111 89 105 104 95 89 
215 203 166 158 155 160 145 112 88 131 123 95 
71 67 41 37 36 47 60 61 67 72 77 71 
171 119 82 75 107 113 97 97 70 79 107 78 
56 50 44 46 58 44 58 65 68 90 66 62 
1.246 948 714 610 586 602 557 464 444 518 503 417 
Tot 50 euro 
50 tot 100 euro 
100 tot 150 euro 

150 tot 200 euro 
200 tot 300 euro 
300 euro of meer 

Totaal 

Bron: CBS 


Tabel 5.38 Door de rechter in eerste aanleg afgedane rechtbankstrafzaken: opgelegde (deels) onvoorwaardelijkejeugddetenties* naar delictgroep

Wetboek van Strafrecht 

Geweldsmisdrijven 
verkrachting 
feitelijke aanranding der eerbaarheid 
overige seksuele misdrijven 
bedreiging 
misdrijven tegen het leven 
mishandeling 
diefstal met geweld 
afpersing 

Vermogensmisdrijven 
valsheidsmisdrijven 
eenvoudige diefstal 
gekwalificeerde diefstal 
verduistering 
bedrog 
heling en schuldheling 

Vernieling en openbare orde 
tegen de openbare orde 
discriminatie 
gemeengevaarlijke misdrijven 
tegen het openbaar gezag 
schennis der eerbaarheid 
vernieling 

Overige misdrijven Wetboek van Strafrecht 

 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
1.040 911 830 871 959 944 1.522 1.697 1.669 1.902 2.174 1.891 
468 418 417 462 497 500 846 878 802 962 1.092 924 
25 13 12 13 14 14 31 29 19 37 40 28 
9 9 11 6 15 10 13 18 16 17 16 27 
10 12 11 12 12 12 22 17 15 40 41 23 
15 10 17 21 17 22 24 46 63 88 101 67 
21 36 35 37 27 28 65 54 66 57 100 65 
38 40 46 34 51 38 87 101 108 114 145 146 
337 289 270 314 340 358 584 590 488 583 629 541 
13 9 15 25 21 18 20 23 27 26 20 27 
499 420 333 324 370 350 520 648 654 713 760 686 
9 6 7 5 8 11 13 36 10 18 5 11 
26 21 30 32 33 43 53 72 69 83 73 67 
451 377 286 264 304 269 400 473 520 531 604 529 
4 1 1 3 3 5 11 4 3 15 13 9 
1 -2 2 2 4 5 6 2 6 5 8 
8 15 7 18 20 18 38 57 50 60 60 62 
73 71 80 80 85 94 146 160 207 210 306 272 
39 58 48 44 51 52 82 95 145 140 196 174 
----1 ------4 
26 7 28 29 20 29 49 44 42 50 82 66 
1 2 -4 3 6 8 11 13 9 12 7 
--------1 ---
7 4 4 3 10 7 7 10 6 11 16 21 
-2 -5 7 -10 11 6 17 16 9 

Bijlage 4 483 


Tabel 5.38 (Vervolg) 

 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
1.086 946 871 914 1.007 1.000 1.602 1.813 1.769 1.995 2.265 1.975 
1 -1 1 2 2 3 7 3 5 3 4 
40 29 35 37 40 50 58 87 77 63 63 61 
5 5 5 5 6 4 13 21 18 20 24 16 
-1 ----6 1 2 5 1 3 
Wegenverkeerswet 
Opiumwet 
Wet wapens en munitie 
Onbekend 

Totaal 

* De gegevens zijn inclusief opgelegde tuchtschoolstraffen en arresten. De jeugddetentie is in 1995 in de plaats gekomen van deze straffen.
Bron: CBS 
484 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006


Tabel 5.39 Door de rechter in eerste aanleg afgedane rechtbankstrafzaken: opgelegde (deels) onvoorwaardelijkejeugddetenties* naar gemiddelde duur in detentiedagen en naar delictgroep

Wetboek van Strafrecht 

Geweldsmisdrijven 
verkrachting 
feitelijke aanranding der eerbaarheid 
overige seksuele misdrijven 
bedreiging 
misdrijven tegen het leven 
mishandeling 
diefstal met geweld 
afpersing 

Vermogensmisdrijven 
valsheidsmisdrijven 
eenvoudige diefstal 
gekwalificeerde diefstal 
verduistering 
bedrog 
heling en schuldheling 

Vernieling en openbare orde 
tegen de openbare orde 
discriminatie 
gemeengevaarlijke misdrijven 
tegen het openbaar gezag 
schennis der eerbaarheid 
vernieling 

Overige misdrijven Wetboek van Strafrecht 

 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
77 101 115 132 126 123 104 96 83 88 84 76 
88 127 143 170 160 160 127 123 106 111 104 92 
64 137 237 239 235 145 162 126 113 138 162 125 
66 84 72 156 131 84 124 87 70 120 74 60 
81 119 111 137 151 99 101 122 118 86 95 110 
68 83 93 70 77 68 87 82 69 65 56 48 
116 209 236 183 194 277 204 191 178 189 159 153 
76 73 75 88 90 76 87 78 84 74 65 68 
91 128 146 185 173 170 126 129 106 118 109 96 
84 116 134 138 121 156 106 118 108 112 80 93 
71 80 83 89 90 78 72 66 60 64 63 59 
83 92 72 x 67 33 38 39 35 32 x 40 
46 48 38 50 57 45 42 41 35 51 40 53 
73 82 89 96 95 88 80 75 65 68 68 63 
x x x x x 44 44 x x 40 32 47 
x x x x x x 62 x x 95 52 38 
45 55 39 55 66 32 57 50 54 54 54 42 
57 67 107 89 86 95 81 71 70 61 65 64 
39 68 80 64 70 90 69 63 53 55 56 62 
x x x x x x x x x x x x 
86 96 161 136 163 130 114 105 146 88 93 80 
x x x x x 37 41 54 30 31 66 71 
x x x x x x x x x x x x 
50 x x x 40 34 31 15 32 39 45 26 
x x x x 124 x 126 85 81 103 97 133 

Bijlage 4 485 


Tabel 5.39 (Vervolg) 

 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
77 100 114 130 126 122 103 96 83 87 84 76 
x x x x x x x 43 x x x x 
81 92 95 100 133 105 105 104 89 72 71 72 
x x x x x x 77 78 38 56 67 50 
x x x x x x 34 x x x x x 
Wegenverkeerswet 
Opiumwet 
Wet wapens en munitie 
Onbekend 

Totaal 

* De gegevens zijn inclusief opgelegde tuchtschoolstraffen en arresten. De jeugddetentie is in 1995 in de plaats gekomen van deze straffen.
Er is geen gemiddelde duur berekend als het aantal straffen kleiner of gelijk is dan 5.
Bron: CBS 

486 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006


Tabel 5.40 Door de rechter in eerste aanleg afgedane rechtbankstrafzaken: opgelegde (deels) onvoorwaardelijkejeugddetenties in detentiejaren en naar delictgroep

Wetboek van Strafrecht 

Geweldsmisdrijven 
verkrachting 
feitelijke aanranding der eerbaarheid 
overige seksuele misdrijven 
bedreiging 
misdrijven tegen het leven 
mishandeling 
diefstal met geweld 
afpersing 

Vermogensmisdrijven 
valsheidsmisdrijven 
eenvoudige diefstal 
gekwalificeerde diefstal 
verduistering 
bedrog 
heling en schuldheling 

Vernieling en openbare orde 
tegen de openbare orde 
discriminatie 
gemeengevaarlijke misdrijven 
tegen het openbaar gezag 
schennis der eerbaarheid 
vernieling 

Overige misdrijven Wetboek van Strafrecht 

 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
220 251 262 315 331 318 433 447 381 459 501 395 
112 146 163 215 218 219 294 296 232 294 310 233 
4 5 8 9 9 6 14 10 6 14 18 10 
2 2 2 3 5 2 4 4 3 6 3 4 
2 4 3 5 5 3 6 6 5 9 11 7 
3 2 4 4 4 4 6 10 12 16 16 9 
7 21 23 19 14 21 36 28 32 30 44 27 
8 8 9 8 13 8 21 21 25 23 26 27 
84 101 108 159 161 167 202 209 141 189 189 142 
3 3 5 9 7 8 6 7 8 8 4 7 
97 92 76 79 91 74 103 117 108 125 132 111 
2 2 1 1 1 1 1 4 1 2 1 1 
3 3 3 4 5 5 6 8 7 12 8 10 
90 85 70 70 79 65 88 97 92 100 113 91 
1 0 0 1 1 1 1 0 0 2 1 1 
0 -1 0 1 1 1 1 0 2 1 1 
1 2 1 3 4 2 6 8 7 9 9 7 
11 13 23 19 20 24 32 31 40 35 55 48 
4 11 10 8 10 13 16 16 21 21 30 30 
----0 ------0 
6 2 12 11 9 10 15 13 17 12 21 14 
0 0 -1 0 1 1 2 1 1 2 1 
--------0 ---
1 0 1 0 1 1 1 0 1 1 2 2 
-1 -2 2 -3 3 1 5 4 3 

Bijlage 4 487 


Tabel 5.40 (Vervolg) 

 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
230 260 272 326 347 333 453 477 402 477 518 410 
0 -0 0 0 1 0 1 0 1 1 0 
9 7 9 10 15 14 17 25 19 13 12 12 
1 1 0 1 1 0 3 4 2 3 4 2 
-0 ----1 0 0 2 0 0 
Wegenverkeerswet 
Opiumwet 
Wet wapens en munitie 
Onbekend 

Totaal 

* De gegevens zijn inclusief opgelegde tuchtschoolstraffen en arresten. De jeugddetentie is in 1995 in de plaats gekomen van deze straffen.
Bron: CBS 

488 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006


Tabellen bij hoofdstuk 
6
Tabel 6.1 Capaciteit en instroom Gevangeniswezen/DBV* 1990-2006 (exclusief extramurale bezetting)


1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 
35.707 36.378 33.100 37.750 47.631 57.091 
Capaciteit 1990 2006 
Gerealiseerde** capaciteitgevangeniswezen ultimo jaar*** 7.677 7.650 7.773 8.151 9.439 10.249 12.087 12.553 13.055 13.207 12.617 12.806 14.261 16.336 18.270 17.757 18.718 
Gemiddelde gerealiseerde** capaciteit 12.712 13.067 12.669 12.679 13.828 15.633 17.628 18.449 18.260 
w.v. bestemd voor strafrechtelijkegedetineerden 11.551 11.877 11.475 11.536 12.488 13.724 15.338 15.601 14.950 
w.v. bestemd voor vreemdelingen-
bewaring en grenslogies 1.161 1.190 1.194 1.143 1.340 1.909 2.290 2.848 3.310 
InstroomVoorlopig gehechten 22.768 21.029 20.344 
Arrestanten 11.361 19.821 20.642 
Zelfmelders 3.325 3.730 3.813 
w.v. electronische detentie 2.252 2.301 2.460 
w.v. insluiting in gevangenis metbeperkte beveiliging 1.073 1.429 1.353 
Vreemdelingenbewaring en grenslogies 10.177 12.511 12.512 
Totaal ingestroomd vanuit vrije 
maatschappij of politiecel 57.311 
* 
Hierin zijn vanaf 2002 meegeteld de extra detentieplaatsen voor drugskoeriers en illegale vreemdelingen die vallen onder de Directie Bijzondere Voorzieningen (DBV, bestaat 
sinds maart 2002). De personen die een penitentiair programma volgen (met of zonder elektronisch toezicht) en de personen die in de vorm van ‘kale’ elektronische detentiethuis verblijven zijn niet meegeteld evenals de personen die zich in de laatste extramurale fase van de SOV- of ISD-maatregel bevinden.
*
* 
Gerealiseerde capaciteit is het aantal feitelijk aanwezige plaatsen dat bestemd is voor de detentie van justitiabelen inclusief tijdelijk niet bruikbare capaciteit. De gem.
gerealiseerde cap. is incl. door DJI betaald gebruik van politiecellen.
*** Ultimo jaar is de laatste dinsdag van het jaar.

Bron: DJI 

Bijlage 4 489 


490 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Tabel 6.2 Capaciteit Gevangeniswezen naar bestemming, 2000-2006*, stand per ultimo 
september 

Huizen van bewaring** Gesloten 
gevangenis 
Gevangenissen beperkt 
beveiligd 
Gevangenissen zeer 
beperkt beveiligd 
Totale capaciteit 
9.259 1.979 940 255 12.433 
9.368 2.229 872 295 12.764 
10.382 2.286 823 283 13.774 
11.936 2.418 823 263 15.440 
14.189 2.744 863 320 18.116 
14.146 2.702 930 317 18.095 
13.996 3.369 1.049 321 18.735 
2000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006 

* Voor gegevens vanaf 1960 zie tabel 6.2 in Criminaliteit en rechtshandhaving 2004. 
** Incl. detentiecentra, uitzetcentra en grenshospitium. 
Bron: DJI 


Tabel 6.3 Gedetineerden in het gevangeniswezen* op 30 september 1990-2006 (inclusief extramuraal geplaatste justitiabelen)

Naar delict** 
geweldsmisdrijven 
vermogensmisdrijven 
vernieling en openbare orde 
overige misdrijven Wetboek van 
Strafrecht 
Wegenverkeerswet 
Opiumwet 
overige wetten 
onbekend / n.v.t. (waarondervreemdelingenbewaring) 

Naar verblijfstitel 
voorlopige hechtenis 
gevangenisstraf 
SOV/ISD-maatregel*** 
hechtenis 
uitlevering/uitzetting 
passanten KZ/TBS 
overige verblijfstitels 

Naar type inrichting 
huizen van bewaring 
gesloten gevangenissen 
gevangenissen beperkt beveiligd 
gevangenissen zeer beperktbeveiligd 
extramuraal 
overig (incl. onbekend) 

Naar strafduur 
minder dan 1 maand 
1 tot 3 maanden 

 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
6.890 7.300 7.495 8.035 8.735 10.330 11.930 11.770 11.760 11.870 11.760 12.410 13.060 13.980 16.455 17.600 16.230 
3.185 3.555 3.795 3.575 3.490 3.540 3.440 3.630 4.905 5.340 5.810 5.560 5.080 
2.410 3.085 3.370 3.375 3.295 3.280 2.905 3.275 2.340 2.735 3.190 3.510 2.750 
380 465 565 785 735 790 690 745 520 605 740 865 740 
270 305 445 355 315 330 345 440 235 400 410 555 465 
80 95 70 165 130 115 105 145 35 40 125 160 125 
1.355 1.590 1.805 1.980 1.990 1.965 1.965 2.320 2.795 2.705 3.260 2.785 3.210 
95 90 140 190 235 250 220 230 240 325 285 265 295 
970 1.140 1.745 1.345 1.575 1.610 2.085 1.625 1.995 1.825 2.625 3.895 3.565 
6.890 7.300 7.495 8.035 8.735 10.330 11.930 11.770 11.760 11.870 11.760 12.410 13.060 13.980 16.455 17.600 16.230 
2.645 2.670 2.785 2.930 3.040 3.435 4.065 4.140 4.390 4.615 4.730 5.345 5.850 5.995 6.365 6.195 5.860 
3.510 3.980 3.990 4.415 4.945 5.820 6.405 6.020 5.730 5.570 5.225 5.318 5.027 5.914 6.979 6.910 5.685 
12 128 171 161 327 580 
155 135 185 330 315 330 280 360 240 265 770 1.070 955 
425 625 820 860 885 950 1.090 875 1.215 1.145 1.655 2.420 2.555 
110 285 425 370 375 295 335 385 340 245 235 285 145 
60 30 30 55 60 115 100 120 265 240 290 390 450 
6.890 7.300 7.495 8.035 8.735 10.330 11.930 11.770 11.760 11.870 11.760 12.410 13.060 13.980 16.455 17.600 16.230 
5.280 6.170 7.120 7.150 7.190 7.260 7.545 7.775 8.240 9.905 11.515 12.580 10.780 
2.320 2.850 3.240 3.095 3.135 3.130 2.845 3.270 3.305 2.425 2.530 2.615 3.310 
820 890 1.070 1.020 905 925 850 825 830 830 805 835 650 
220 255 310 315 340 340 265 250 360 375 290 310 295 
0 0 25 30 20 45 120 120 155 275 780 840 875 
100 165 170 160 170 165 135 170 165 175 535 420 325 
6.890 7.300 7.495 8.035 8.735 10.330 11.930 11.770 11.760 11.870 11.760 12.410 13.060 13.980 16.455 17.600 16.230 
315 395 525 560 640 685 580 680 420 400 780 885 695 
310 435 625 580 585 655 575 670 505 560 980 1.015 835 

Bijlage 4 491 


Tabel 6.3 (Vervolg) 



3 tot 6 maanden 
6 maanden tot 1 jaar 
1 tot 2 jaren 
2 tot 4 jaren 
4 jaren of langer 
nog geen straf opgelegd 


Naar werelddeel van geboorte 
Europa (inclusief Nederland) 
Afrika 
Azië 
Noord- en Midden-Amerika 
Zuid-Amerika 
Oceanië / Onbekend 

Naar geboorteland 
Nederland 
Suriname 
Nederlandse Antillen/Aruba 
Marokko 
Turkije 
Algerije 
Voormalig Joegoslavië 
ander geboorteland 

 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
520 700 845 655 645 625 515 575 495 610 870 885 660 
610 790 920 875 840 745 690 670 630 720 965 970 785 
900 1.040 1.140 1.185 1.035 985 905 975 995 1.025 1.165 1.025 850 
1.190 1.275 1.245 1.150 1.010 1.015 945 965 1.160 1.305 1.525 1.610 1.525 
1.285 1.395 1.460 1.465 1.435 1.370 1.320 1.270 1.400 1.575 1.795 1.905 1.805 
3.615 4.295 5.165 5.300 5.575 5.785 6.225 6.600 7.460 7.780 6.365 6.195 5.860 
6.890 7.300 7.495 8.035 8.735 10.330 11.930 11.770 11.760 11.870 11.760 12.410 13.060 13.980 16.455 17.600 16.230 
5.480 6.420 7.220 7.135 7.135 7.150 6.820 7.120 7.310 8.015 9.425 10.000 9.115 
1.060 1.390 1.635 1.635 1.675 1.780 1.750 1.830 2.085 2.150 2.330 2.715 2.535 
375 445 575 640 635 700 770 835 925 935 970 1.280 1.430 
90 115 140 145 130 110 145 170 175 195 210 210 215 
1.695 1.895 2.250 2.140 2.115 2.035 2.115 2.335 2.475 2.590 3.110 2.970 2.455 
35 60 110 75 70 100 160 120 95 95 410 420 475 
6.890 7.300 7.495 8.035 8.735 10.330 11.930 11.770 11.760 11.870 11.760 12.410 13.060 13.980 16.455 17.600 16.230 
4.370 5.115 5.720 5.665 5.535 5.595 5.310 5.605 5.580 6.235 7.330 7.910 7.185 
980 1.075 1.290 1.200 1.180 1.060 985 1.070 1.070 1.195 1.415 1.480 1.235 
565 660 740 735 735 775 930 1.055 1.210 1.195 1.415 1.240 1.020 
655 840 995 935 935 905 860 810 945 985 1.050 1.190 1.040 
475 520 585 610 640 595 565 575 575 655 640 650 625 
170 275 295 350 340 410 340 310 385 435 360 350 315 
120 155 215 130 150 135 145 215 230 270 255 255 225 
1.405 1.690 2.090 2.145 2.245 2.395 2.630 2.765 3.070 3.010 3.990 4.520 4.585 

* 
De door drugskoeriers en illegale vreemdelingen bezette plaatsen van de Directie Bijzondere Voorzieningen (DBV) zijn meegeteld vanaf 2004. De DBV bestaat sinds maart 
2002, maar het is niet mogelijk om de onder DBV ressorterende bezetting in de jaren 2002 en 2003 onder te verdelen naar de in deze tabel gepresenteerde grootheden. 
Daardoor zijn de aantallen van 2002 en 2003 exclusief de door drugskoeriers en illegale vreemdelingen bezette plaatsen van de Directie Bijzondere Voorzieningen. Eenindicatieve schatting van de onder DBV ressorterende bezettinging in 2003 is ongeveer 800 gedetineerden. In 2002 is dit aantal nog lager. De extramuraal verblijvenden 
elektronische detentie, penitentiair programma of de laatste extramurale fase van de SOV- of ISD-maatregel zijn meegeteld.i.h.k.v. 
** Dit is het delict waarvan men wordt verdacht danwel waarvoor men is veroordeeld.
*** De SOV-maatregel is ingevoerd sinds 2001, De ISD-maatregel is sinds 2004 van kracht (Bron gegevens SOV- en ISD-maatregel: DJI).
Bron: CBS 

492 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Bijlage 4 493 

Tabel 6.4 Gedetineerden naar geboorteland, per werelddeel en enkele landen, 
naar verblijfstitel, 2006 (gemeten op 3 oktober 2006)

Werelddeel 
Europa 
(w.o. Nederland) 
3.790 3.948 682 326 100 272 9.118 
Afrika 706 717 93 960 12 45 2.533 
Azië 253 239 28 883 6 23 1.432 
Zuid-Amerika 947 1.200 149 71 23 67 2.457 
Noord- en Midden-
Amerika 
95 102 3 9 3 3 215 
Australië/Oceanië 7 2 0 2 0 0 11 
Onbekend 61 57 2 306 0 38 464 
Totaal 5.859 6.265 957 2.557 144 448 16.230 
Enkele landen 
Nederland 2.991 3.236 611 15 89 243 7.185 
Suriname 470 590 58 63 13 39 1.233 
Ned. Antillen en 
Aruba 
377 529 80 8 27 1.021 
Marokko 392 393 46 179 6 25 1.041 
Turkije 256 264 28 64 5 9 626 
Algerije 50 62 3 199 0 3 317 
Voormalig 
Joegoslavië 
96 81 9 32 0 5 223 
Bron: CBS 
Voorlopige 
hechtenis 
Gevangenis-
straf 
Hechtenis Vreemde-
lingen 
tbs-passant Overige Totaal 

494 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Tabel 6.5 Geboorteland van gedetineerden uitgesplitst naar delicttype in 2006 

Type delict 
Geweldsmisdrijven 2.795 380 470 325 250 25 65 770 
Vermogens-
misdrijven 
1.660 160 125 175 55 55 60 455 
Vernieling en 
openbare orde 
390 40 35 40 25 20 10 175 
Overige misdrijven 
W. v. Strafrecht 
225 30 35 40 25 0 5 105 
Wegenverkeerswet 90 10 10 5 5 . 0 10 
Opiumwet 1.260 460 235 215 165 10 30 830 
Overige wetten 165 15 45 10 15 . 10 35 
Onbekend/nvt/ 
w.o. vreemdelingen-
bewaring 590 140 70 230 90 205 40 2.205 
Totaal delicten 7.175 1 235 1.025 1 040 630 315 220 4 585 
Nederland Suriname Nederlandse 
Antillen/ 
Aruba 
Marokko Turkije Algerije Voormalig 
Joegoslavië 
Ander 
geboorte-
land 
Bron: CBS Statline 

Tabel 6.6 Gratieverlening 

Ontvangen 
verzoekschrift 
Totaal aantal 
beslissingen 
Beslissingen tot 
onvoorwaardelijke 
gratieverlening 
Beslissingen tot 
voorwaardelijke 
gratieverlening 
Beslissingen tot 
wijziging 
gratieverlening 
5.254 7.661 1.421 982 5.258 
4.373 6.594 1.220 823 4.551 
5.409 5.728 963 1.095 3.670 
5.597 5.643 895 1.477 3.271 
5.057 5.269 725 1.491 3.053 
6.811 4.938 456 2.194 2.288 
5.769 4.526 353 1.932 2.241 
4.806 5.185 465 2.344 2.376 
3.998 3.887 268 1.564 2.055 
3.823 3.390 333 1.105 1.952 
4.187 3.374 405 821 2.148 
3.789 2.684 515 337 1.832 
3.890 2.595 798 219 1.578 
3.528 2.252 775 205 1.272 
1990 
1994 
1995 
1996 
1997 
1998 
1999 
2000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006 

Bron: CBS Statline 


Tabel 6.7 Onttrekking aan detentie, indicatoren voor plaatsgebrek en suïcides, 1990-2006

Onttrekking aan detentie

totaal (incl. (half)open inrichtingen *), bv. niet terug

na weekendverlof 

ontvluchtingen uit gesloten inrichtingen 
w.o. 
aanhoudingen van gedetineerden die zich aan 
detentie hebben onttrokken 
Aantal heenzendingen meerderjarige personenwegens plaatsgebrek 

Strafonderbreking als gevolg van plaatsgebrek 
Incidenteel versneld ontslag uit detentie wegensplaatsgebrek (IVO) 

Incidenteel vernelde uitzetting strafrecht. illegalevreemdelingen wegens plaatsgebr. (IVU) 

Suïcides in penitentiaire inrichtingen 

 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
814 1.224 937 1.068 1.014 997 917 764 864 826 875 973 1.012 998 
75 50 44 59 21 22 17 13 21 12 14 15 20 15 7 15 3 
1.161 960 1.038 980 1.018 885 782 852 802 868 878 954 910 820 
857 1.204 2.930 4.340 5.316 4.200 1.809 891 400 0 19 46 20 0 0 0 0 
0 0 0 0 0 97 4.211 5.870 1.381 0 0 
0 0 0 19 203 327 4.837 4.670 3.899 0 0 
574 520 195 0 
5 16 4 7 8 3 14 16 10 10 12 9 11 10 13 21 20 

* Inclusief extramurale tenuitvoerlegging gevangenisstraffen.
Bron: DJI 

Bijlage 4 495 


496 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Tabel 6.8 Verzoeken om overplaatsing in het kader van de WOTS, 1995-2006 

1995 
1996 
1997 
1998 
1999 
2000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006 

Verzoeken om overplaatsing van het buitenland 
naar Nederland 
Verzoeken om overplaatsing van Nederland 
naar het buitenland 
124 35 
194 44 
212 37 
231 32 
200 45 
236 41 
264 39 
340 74 
397 76 
518 75 
420 48 
532 63 
Bron: Ministerie van Justitie – Directie Juridische & Operationele Aangelegenheden 

Tabel 6.9 Aantal verzoeken WOTS uitgesplitst naar land in 2006 

Verzoeken om overplaatsing 
van het buitenland naar Nederland 
8 
25 
Australië 
België 
Bermuda 
Bondsrepubliek Duitsland 
Costa Rica 
Denemarken 
Dominicaanse Republiek 
Ecuador 
Finland 
Frankrijk 
Griekenland 
Groot-Brittannië 
Hongarije 
Ierland 
IJsland 
Italië 
Japan 
Kroatië 
Marokko 
Nederland 
Noorwegen 
Oostenrijk 
Polen 
Portugal 

139 
3 
1 
3 
2 
19 
4 
95 
6 
24 
9 
1 
2 
1 
18 
10 
2 
39 

Bijlage 4 497 

Tabel 6.9 (Vervolg) 

Verzoeken om overplaatsing 
van het buitenland naar Nederland 
Roemenië 3 
Servië en Montenegro 2 
Spanje 75 
Thailand 1 
Trinidad en Tobago 5 
Tsjechië 1 
Turkije 
Venezuela 24 
Verenigde Staten van Amerika 10 
Eindtotaal 532 
Verzoeken om overplaatsing 
van Nederland naar het buitenland 
Albanië 
Algerije 1 
België 12 
Bondsrepubliek Duitsland 9 
Bulgarije 3 
Colombia 1 
Frankrijk 1 
Griekenland 1 
Groot-Brittannië 7 
Ierland 
Irak 2 
Israël 1 
Italië 3 
Marokko 
Noorwegen 1 
Polen 1 
Portugal 2 
Roemenië 1 
Servië en Montenegro 1 
Spanje 5 
Thailand 1 
Turkije 10 
Verenigde Staten van Amerika 
Eindtotaal 63 
Bron: Ministerie van Justitie – Directie Juridische & Operationele Aangelegenheden 

Tabel 6.10 Stroom-, bezetting- en capaciteitscijfers tbs, 1965-2006

Opleggingen 

tbs zonder bevel tot verpleging w.v. 
Beëindigingen tbs met bevel tot 
verpleging 
Personen met lopende tbs-maatregel 

op 31 december 
Aantal passanten op 31 december 
Gerealiseerde cap. FPC’s op

31 december 

Gemiddelde cap. longstay-plaatsen 

Bezetting FPC’s op 31 december 

Tbs-gestelden met proefverlof op31 december 
Ontvluchtingen uit gesloten

inrichtingen 

 1965 
142 
1970 1975 1980 1985 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
171* 
63 
131 99 85 106 95 117 117 134 199 180 196 156 150 171 151 177 203 217 226 207 
23 38 56 48 59 74 62 
243 250 143 105 81 63 91 64 49 59 73 57 73 69 84 79 88 80 83 120 97 111 
1.493 985 461 391 452 522 550 597 685 772 855 840 1.110 1.200 1.224 1.344 1.416 1.515 1.618 1.728 1832 1.932 
65 21 10 19 18 32 42 71 109 158 170 167 171 148 138 136 153 177 187 242 129 
421 405 506 541 570 607 650 803 866 970 1.175 1.183 1.222 1.264 1.303 1.401 1.637 1.738--------------60 60 81 163 
395 378 496 541 565 606 624 705 853 935 1.003 1.109 1.164 1.235 1.324 1.420 1.494 1.69919 27 41 42 63 72 79 95 101 80 76 97 116 127 122 121 96 104 
-----20 7 7 6 6 2 2 3 3 3 3 0 0 

* Voorlopig cijfer. Kan nog veranderen als gevolg van naijleffect.
Bron: DJI 

498 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Bijlage 4 499 

Tabel 6.11 Tbr-/tbs-passanten, 1990-2006 

1990 
1991 
1992 
1993 
1994 
1995 
1996 
1997 
1998 
1999 
2000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006 

Bron: DJI 

Tabel 6.12 

1978 
1983 
1990 
1992 
1994 
1995 
1996 
1997 
1998 
1999 
2000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006 

Gemiddeld aantal passanten Gemiddelde wachttijd (in dagen) 
28 175 
26 126 
37 168 
52 175 
83 230 
134 320 
180 347 
171 365 
173 299 
148 280 
138 283 
151 259 
153 250 
169 229 
188 246 
214 282 
146 247 
Intramurale behandelduur tbs (opname in kliniek tot 
proefverlof of ontslag), 1978-2006* 

Gemiddelde duur (in maanden) 
43 
49 
50 
57 
56 
59 
65 
nb** 
60 
65 
66 
71 
75 
84 
84 
89 
89 
* Deze gegevens zijn bepaald aan de hand van de in een jaar beëindigde intramurale behandelingen 
(uitstroomcohorten). Wanneer de gemiddelde behandelduur wordt bepaald op basis van 
instroomcohorten, komt de gemiddelde intramurale behandelduur in de laatste jaren iets hoger uit. 
** Gegevens niet bekend. 
Bron: DJI 

500 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Tabel 6.13 Kenmerken tbs-populatie (enquête), 1990, 1995, 1998, 1999, 2000, 2004, 

2005 en 2006 

30 juni 
1990 
1 januari 
1995 
1 januari 
1998 
1 januari 
1999 
1 januari 
2000 
1 januari 
2004 
31 
december 
2005 
31 
december 
2006 
Persoonsgegevens 
Geslacht 
man 97% 95% 96% 95% 95% 94% 94% 94% 
vrouw 3% 5% 4% 5% 5% 6% 6% 6% 
100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 100% 
Leeftijd (mediaan) 
op peildatum 31 36 34 34 34 37 37 37 
bij veroordeling tbs 26 27 28 28 29 30 31 
Geboorteland 
Nederland -74% -72% 72% 74% 73% 73% 
Suriname/Ned. Antillen -15% -15% 15% 12% 12% 12% 
Turkije en Noord-Afrika -4% -6% 6% 5% 7% 7% 
West-Europa -3% -3% 3% 2% 2% 2% 
Azië -2% -2% 2% 3% 3% 3% 
Overig -2% -2% 2% 4% 3% 3% 
100% 100% 100% 100% 100% 100% 
Situatie ten tijde van het delict 
Burgerlijke staat 
ongehuwd en nooit gehuwd geweest -76% 76% 75% 75% 74% 74% 
gehuwd -8% 7% 8% 8% 7% 7% 
gescheiden -14% 16% 16% 16% 16% 16% 
weduwe/weduwnaar -2% 1% 1% 1% 1% 1% 
onbekend -0% 0% 0% 0% 2% 2% 
100% 100% 100% 100% 100% 100% 
Opleidingsniveau 

geen 

buitengewoon of lager onderwijs 

middelbaar onderwijs of hoger 

Beroepsniveau 

niet van toepassing/geen beroep 

ongeschoolde arbeid 

geschoolde arbeid 

lagere employees 

kleine zelfstandigen 

middelbare employees 

hogere beroepen 

17% 4% 4% 4% 5% -1% 
72% 83% 83% 83% 80% -85% 
11% 13% 13% 13% 15% -14% 
-67% 55% 53% 48% -49% 
-19% 27% 29% 32% -36% 
-9% 12% 13% 14% -9% 
-2% 2% 1% 1% -3% 
-1% 1% 1% 1% -0% 
-1% 2% 2% 2% -1% 
-0% 0% 0% 0% -1% 


Bijlage 4 501 

Tabel 6.13 (Vervolg) 


30 juni 
1990 
1 januari 
1995 
1 januari 
1998 
1 januari 
1999 
1 januari 
2000 
1 januari 
2004 
31 
december 
2005 
31 
december 
2006 
huisvrouw/-man -1% 0% 0% --0% 
schoolgaand/studerend -0% 1% 1% 2% -1% 
100% 100% 100% 100% 100% 
Bron van inkomsten 
arbeid/ziektewet -28% 27% 27% 27% -31% 
uitkering -58% 55% 54% 54% -60% 
AOW/pensioen -1% 0% 0% 0% -0% 
geen inkomen -6% 9% 9% 9% -8% 
overige inkomsten -7% 9% 10% 10% -1% 
100% 100% 100% 100% 100% 
Aan een of meer middelen verslaafd 
ten tijde van het delict 
nee -31% 34% 35% 35% --
ja -69% 66% 65% 65% --
100% 100% 100% 100% 
Justitiele voorgeschiedenis en 
hulpverleningshistorie 
Eerdere veroordeling gevangenisstraf 
geen 21% 33% 32% 30% 30% -37% 
ja 79% 67% 68% 70% 70% -63% 
100% 100% 100% 100% 100% -100% 
Eerdere tbs met verpleging 
nee 92% 91% 91% 92% 92% -96% 
ja 8% 9% 9% 8% 8% -4% 
100% 100% 100% 100% 100% -100% 
Tehuiservaring 
nee -58% 62% 62% 63% -67% 
ja -42% 38% 38% 37% -33% 
-100% 100% 100% 100% -100% 
Eerdere hulpverleningscontacten 
nee 34% 32% 31% 31% 28% -29% 
ja 66% 68% 69% 69% 72% -71% 
100% 100% 100% 100% 100% -100% 
Delictkenmerken 
agressieve component in delict 
seksuele component 
vermogenscomponent 
brandstichting 

96% 100% 100% 100% 100% -100% 
34% 28% 27% 28% 28% -32% 
27% 26% 29% 30% 30% -39% 
9% 12% 12% 11% 10% -13% 


502 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Tabel 6.13 
(Vervolg) 


Diagnostische gegevens 
persoonlijkheidsstoornis 
psychotische stoornis 
aan misbruik van middelen 
gerelateerde stoornis 

Verwacht zorgsysteem 
langdurig verblijf tbs (>8jr) 
intramurale GGz 
beschermde/beschutte woonvorm 
zwakzinnigenzorg 
anders 
zelfstandig verblijf 
geen beoordeling mogelijk 

30 juni 
1990 
1 januari 
1995 
1 januari 
1998 
1 januari 
1999 
1 januari 
2000 
1 januari 
2004 
31 
december 
2005 
31 
december 
2006 
100% 100% 100% 100% 100% --
60% 75% 78% 80% 80% --
24% 23% 26% 25% 25% --
-32% 38% 42% 43% --
5% 4% 7% 9% 8% --
12% 12% 9% 9% 8% --
22% 23% 21% 20% 22% --
0% 0% 1% 0% 1% --
0% 0% 1% 1% 2% --
38% 27% 42% 44% 43% --
23% 34% 19% 17% 16% --
Bron: DJI 

Tabel 6.14 
Lopende strafrechtelijke maatregelen minderjarigen 
op 31 december, 1993-2006

1993 
1994 
1995 
1996 
1997 
1998 
1999 
2000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006 

222 22 
150 13 
89 5 
33 1 
4 
2 
Buitengewone behandeling Jeugd-tbr PIJ* 
144 12 
183 16 
10 
160 
304 
424 
513 
558 
547 
544 
566 
596 
607 
628 
* Vanaf 1 september 1995 wordt alleen nog de PIJ-maatregel opgelegd. 
Bron: DJI 


Tabel 6.15 Capaciteit en populatie van de justitiële jeugdinrichtingen, 1990-2006

1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 
56 54 53 149 124 169 136 72 18 27 2 18 0 0 0 
1990 2006 
Gerealiseerde capaciteit (gemiddeld) 716 799 807 841 874 972 1.098 1.278 1.464 1.625 1.762 2.017 2.300 2.326 2.495 2.581 2.674 
Bezetting absoluut (gemiddeld) 640 707 745 778 831 895 1.025 1.181 1.335 1.500 1.645 1.855 2.023 2.203 2.311 2.382 2.418 
t/m 13 jaar 5% 6% 5% 5% 5% 4% 5% 5% 5% 5% 5% 5% 4% 4% 4% 
14 en 15 jaar 29% 29% 27% 28% 29% 28% 26% 27% 28% 28% 27% 27% 26% 25% 24% 
16 en 17 jaar 56% 56% 56% 54% 53% 53% 51% 48% 48% 48% 49% 49% 49% 49% 49% 
18 jaar en ouder 10% 9% 12% 13% 13% 15% 18% 20% 19% 19% 19% 19% 21% 22% 23% 
Jongens 79% 80% 81% 81% 80% 80% 80% 78% 78% 77% 77% 75% 76% 75% 73% 
Meisjes 21% 20% 19% 19% 20% 20% 20% 22% 22% 23% 23% 25% 24% 25% 27% 
Strafrechtelijkvoorlopige hechtenis 30% 30% 30% 28% 26% 28% 27% 24% 26% 25% 24% 27% 23% 19% 23% 23% 18% 
vrijheidsstraf 4% 4% 4% 6% 6% 4% 4% 5% 6% 5% 5% 4% 5% 5% 5% 4% 4% 
strafrechtelijke maatregel 7% 6% 8% 11% 14% 18% 21% 26% 27% 28% 27% 25% 24% 23% 22% 23% 26% 
Civielrechtelijk (OTS, voogdij) envoortgezette hulpverlening* 59% 60% 58% 55% 54% 50% 48% 45% 41% 41% 44% 44% 48% 53% 50% 50% 52% 
autochtonen 46% 44% 40% 40% 40% 41% 36% 37% 39% 39% 40% 43% 44% 46% 43% 
allochtonen 54% 56% 60% 60% 60% 59% 64% 63% 61% 61% 60% 57% 56% 54% 57% 
Heenzendingen minderjarigen 0 
* 
Voortgezette hulpverlening is de hulp aan ex-OTS- en ex-voogdij-jongeren die na het bereiken van de 18-jarige leeftijd in overleg met de inrichting en na toestemming van 
het ministerie kiezen voor een verlengd verblijf in de inrichting. Deze verblijfstitel is overigens met de inwerkingtreding van de Beginselenwet Justitiële Jeugdinrichtingen 
op 1 september 2001 komen te vervallen.
Bron: DJI 

Bijlage 4 503 


504 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Tabel 6.16 Instroom vanuit de vrije maatschappij of politiecel in 

de justitiële jeugdinrichtingen 

Instroom opvanginrichtingen 

Titel bij instroom 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
Preventief gehecht 1.668 1.862 2.049 2.580 2.450 2.731 3.136 3.170 3.011 
JD 194 91 136 190 251 282 432 410 358 
Jeugd-tbr 1 
BB 4 
PIJ 23 31 30 24 20 19 30 29 26 
OTS 144 148 246 350 602 690 748 868 909 
Voogdij 16 9 12 22 30 33 23 18 10 
Vrijw. voortgez. hlpv 1 1 
Vreemdelingenbew. 13 4 9 10 21 54 115 59 146 
Onbekend 35 24 29 77 140 245 107 130 149 
Totaal 2.098 2.169 2.511 3.254 3.515 4.054 4.591 4.684 4.609 
Instroom gesloten behandelinrichtingen 
Titel bij instroom 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
Preventief gehecht 1 3 4 3 1 10 
JD 1 
Jeugd-tbr 
BB 1 1 
PIJ 5 5 14 6 8 4 11 7 1 
OTS 99 123 83 72 61 41 57 38 33 
Voogdij 8 9 8 5 2 2 3 1 
Vrijw. voortgez. hlpv 
Vreemdelingenbew. 1 
Anders 
Onbekend 5 4 3 3 4 3 4 2 
Totaal 118 143 112 90 78 51 86 47 35 
Instroom open behandelinrichtingen 
Titel bij instroom 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
Preventief gehecht 2 2 1 1 
Jeugd-tbr 
BB 
PIJ 4 5 1 3 9 3 4 9 4 
OTS 96 151 132 98 99 71 88 101 95 
Voogdij 9 10 11 15 13 11 13 3 3 
Vrijw. voortgez. hlpv 1 3 1 
Onbekend 7 4 4 3 3 1 5 1 4 
Totaal 116 173 151 122 125 86 110 114 107 
Bron: DJI 


Bijlage 4 505 

Tabel 6.17 Doorstromen in de justitiële jeugdinrichtingen 
Doorstroom van behandelinrichting naar opvanginrichting 
Titel bij instroom 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
Preventief gehecht 14 20 12 27 24 19 48 24 16 
JD 1 3 3 5 4 10 8 
BB 4 1 
PIJ 39 51 26 42 41 42 37 49 82 
OTS 16 25 19 31 62 50 37 34 62 
Voogdij 2 3 4 4 7 4 3 1 3 
Vreemdelingenbew. 1 
Onbekend 1 2 1 1 2 2 2 5 
Totaal 77 99 64 108 138 122 131 120 177 
Doorstroom vanuit opvanginrichting naar behandelinrichting 
Titel bij instroom 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
Preventief gehecht 7 3 6 4 19 25 16 10 3 
JD 4 2 2 8 10 1 2 
BB 
PIJ 24 25 27 16 35 39 34 39 48 
OTS 32 65 50 80 124 142 134 215 249 
Voogdij 3 7 4 6 5 10 6 3 5 
Vrijw. voortgez. hlpv 1 3 
Onbekend 1 1 1 1 2 1 1 1 
Totaal 71 102 93 109 193 227 190 269 308 
Doorstroom van opvanginrichting naar gesloten behandelinrichting 
Titel bij instroom 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
Preventief gehecht 12 14 3 11 13 9 18 2 3 
JD 14 3 5 4 9 5 2 6 
Jeugd-tbr 
BB 2 
PIJ 149 182 175 147 133 172 198 229 197 
OTS 74 73 103 179 221 242 356 327 299 
Voogdij 9 4 8 12 12 19 19 10 11 
Onbekend 1 1 4 6 2 1 1 3 
Totaal 261 276 295 357 394 449 594 575 513 
Doorstroom vanuit gesloten behandelinrichting naar behandelinrichting 
Titel bij instroom 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
JD 
Jeugd-tbr 
BB 
PIJ 
OTS 
Voogdij 
Vrijw. voortgez. hlpv 

2 
6 
51 1 
52 80 138 102 103 104 113 106 123 
6 68 116 107 155 134 208 220 207 
5 8 6 16 9 17 16 7 
1 1 


506 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Tabel 6.17 (Vervolg) 

Doorstroom van behandelinrichting naar opvanginrichting 

Anders 

Onbekend 

Totaal 

Doorstroom van behandelinrichting naar gesloten behandelinrichting 

Titel bij instroom 

Prevent gehecht 

JD 

BB 

PIJ 

OTS 

Voogdij 

Vrijw. voortgez. hlpv 

Onbekend 

Totaal 

1 1 2 1 3 5 1 1 
116 158 265 216 277 252 338 343 338 
1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
1 1 2 
1 
4 2 
5 18 29 25 30 15 11 8 18 
9 11 19 25 34 16 16 27 36 
2 2 2 5 7 2 3 2 3 
2 
2 1 
25 34 51 56 73 33 30 37 57 
Bron: DJI 


Bijlage 4 507 

Tabel 6.18 Uitstroom vanuit de justitiële jeugdinrichtingen naar de 

vrije maatschappij 

Uitstroom vanuit een opvanginrichting 

Titel bij uitstroom 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
Preventief gehecht 1.102 1.264 1.451 1.945 1.772 2.017 2.281 2.456 2.258 
JD 493 437 449 542 649 648 771 791 668 
Jeugd-tbr 2 1 
BB 8 1 1 
PIJ 10 28 22 23 31 41 21 24 28 
OTS 79 92 85 209 261 445 473 494 537 
Voogdij 4 7 5 11 15 19 9 13 6 
Vreemdelingenbew. 8 8 10 14 21 53 97 63 117 
Onbekend 74 65 67 129 216 373 232 217 242 
Totaal 1.778 1.904 2.091 2.873 2.965 3.596 3.884 4.058 3.856 
Uitstroom uit een gesloten behandelinrichting 
Titel bij uitstroom 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
Preventief gehecht 2 2 4 1 5 1 2 1 1 
JD 2 3 2 1 
Jeugd-tbr 1 
BB 16 1 2 
PIJ 28 40 44 53 21 18 25 25 25 
OTS 69 86 81 97 76 84 104 131 145 
Voogdij 10 2 2 13 5 3 6 4 3 
Vrijw. voortgez. hlpv 6 4 5 1 1 
Vreemdelingenbew. 1 
Onbekend 12 12 12 8 26 23 12 10 10 
Totaal 144 147 152 173 136 131 152 171 184 
Uitstroom uit een open behandelinrichting* 
Titel bij uitstroom 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
Preventief gehecht 2 1 1 2 2 2 
JD 1 1 
Jeugd-tbr 1 
BB 6 5 1 1 
PIJ 19 23 55 60 57 59 84 77 82 
OTS 118 117 148 177 189 235 235 341 391 
Voogdij 10 8 20 9 21 15 24 33 12 
Vrijw. voortgez. hlpv 8 9 14 15 4 
Anders 
Onbekend 23 30 22 26 33 70 50 49 60 
Totaal 187 193 262 288 307 379 393 502 547 
* Open behandelinrichting is inclusief eindfase, proefverlof en STP. 
Bron: DJI 


508 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Tabel 6.19 Aandeel (in %) van vermogens- en geweldsdelicten onder 
jongeren in voorlopige hechtenis (1991-2006) 

Vermogensdelicten (zonder geweld) Geweld tegen personen 
50 45 
47 47 
47 46 
42 51 
37 58 
36 56 
31 57 
32 56 
27 62 
26 56 
28 58 
29 56 
32 56 
30 55 
24 68 
21 71 
1991 
1992 
1993 
1994 
1995 
1996 
1997 
1998 
1999 
2000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006 

Bron: DJI 


Tabel 6.20 Capaciteit en populatie van de opvanginrichtingen, 1990-2006

1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 
56 60 59 62 68 80 75 77 79 76 72 74 75 70 68 
1990 2006 
Gerealiseerde capaciteit (gemiddeld)* 314 340 338 359 351 366 416 485 612 629 690 888 1.040 1.050 1.150 1.157 1.205 
Bezetting absoluut (gemiddeld)** 276 294 310 327 340 341 395 434 557 588 642 812 905 1.002 1.048 1.099 1.100 
t/m 13 jaar 4% 4% 4% 4% 6% 5% 4% 4% 5% 5% 6% 7% 6% 6% 5% 5% 
14 en 15 jaar 26% 27% 26% 26% 26% 28% 26% 27% 25% 28% 28% 28% 29% 29% 29% 28% 
16 en 17 jaar 65% 64% 63% 61% 63% 60% 59% 55% 55% 54% 51% 51% 50% 50% 51% 52% 
18 jaar en ouder 5% 5% 7% 9% 6% 7% 11% 15% 16% 13%15% 14%15% 15%15% 15% 
Jongens 92% 92% 92% 92% 92% 92% 88% 90% 91% 90% 89% 87% 85% 78% 80% 79% 78% 
Meisjes 8% 8% 8% 8% 8% 8% 12% 10% 9% 10% 11% 13% 15% 22% 20% 21% 22% 
Strafrechtelijk 80% 83% 83% 85% 87% 89% 89% 90% 89% 92% 86% 81% 73% 63% 68% 69% 60% 
voorlopige hechtenis 70% 71% 73% 66% 63% 74% 70% 67% 62% 64% 62% 62% 52% 42% 50% 51% 40% 
vrijheidsstraf 9% 10% 11% 13% 16% 9% 11% 14% 15% 13% 14% 10% 12% 11% 11% 10% 10% 
strafrechtelijke maatregel 1% 2% 2% 5% 8% 6% 8% 9% 12% 14% 10% 9% 9% 10% 7% 8% 10% 
Civielrechtelijk (OTS, voogdij)
en voortgezette hulpverlening 20% 17% 17% 15% 13% 11% 11% 10% 11% 9% 14% 19% 27% 36% 30% 31% 40% 
autochtonen 47% 43% 45% 43% 37% 34% 36% 37% 30% 32% 35% 35% 37% 41% 42% 44% 40% 
allochtonen 53% 57% 55% 57% 63% 66% 64% 63% 70% 68% 65% 65% 63% 59% 58% 56% 60% 
Gemiddelde verblijfsduur in een inrichting (in dagen) 55 63 
* Inclusief (Tender-)veelplegersplaatsen. In 2005 waren dat er 36, in 2006 44.
** Inclusief de opvangplaatsen bezet door jeugdigen in vreemdelingenbewaring. In 2005 is dit circa 1%
.
Bron: DJI 

Bijlage 4 509 


Tabel 6.21 Capaciteit en populatie van de behandelinrichtingen, 1990-2006

1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 
394 411 426 365 388 424 358 378 356 361 350 326 348 349 314 
1990 2006 
Gerealiseerde capaciteit (gemiddeld) 402 459 469 482 523 606 682 793 852 996 1.072 1.129 1.260 1.276 1.346 1.424 1.469 
Bezetting absoluut (gemiddeld) 364 414 434 451 492 554 630 746 781 912 1.003 1.043 1.128 1.202 1.263 1.283 1.318 
t/m 13 jaar 6% 6% 6% 5% 5% 5% 4% 5% 5% 4% 4% 4% 3% 2% 2% 
14 en 15 jaar 31% 31% 28% 29% 30% 29% 27% 30% 28% 28% 25% 25% 24% 23% 22% 
16 en 17 jaar 51% 51% 51% 48% 49% 48% 48% 43% 44% 45% 48% 48% 48% 47% 46% 
18 jaar en ouder 13% 11% 15% 18% 16% 18% 21% 22% 23% 23% 23% 23% 25% 28% 30% 
Jongens 72% 70%71% 73% 74% 74% 74% 72%71% 71% 69% 70% 72% 72%71% 70% 
Meisjes 28% 30% 29% 27% 26% 26% 26% 28% 29% 29% 31% 30% 28% 28% 29% 30% 
Strafrechtelijke maatregel 11% 11% 12% 14% 19% 26% 29% 35% 37% 37% 37% 36% 35% 33% 33% 36% 38% 
Civielrechtelijk (OTS, voogdij)
en voortgezette hulpverlening* 89% 89% 88% 86% 81% 74% 71% 65% 63% 63% 63% 64% 65% 67% 67% 64% 62% 
autochtonen 62% 60% 56% 54% 61% 56% 54% 54% 53% 52% 57% 52% 51% 53% 53% 51% 
allochtonen 38% 40% 44% 46% 39% 44% 46% 46% 47% 48% 43% 48% 49% 47% 47% 49% 
Gemiddelde verblijfsduur in één inrichting (in dagen) 423 
* 
Voortgezette hulpverlening is de hulp aan ex-OTS- en ex-voogdij-jongeren die na het bereiken van de 18-jarige leeftijd in overleg met de inrichting en na toestemming van 
het ministerie kiezen voor een verlengd verblijf in de inrichting. Deze verblijfstitel is overigens met de inwerkingtreding van de Beginselenwet Justitiele Jeugdinrichtingen 
op 1 september 2001 komen te vervallen.
Bron: DJI 

510 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Bijlage 4 511 

Tabel 6.22 Overzicht populatie reclassanten en delicttype 2003-2006

Totaal reclassanten 
mannen 
vrouwen 

Leeftijdsopbouw 
< 18 jaar 
18-25 jaar * 
26-30 jaar 
31-35 jaar 
36-40 jaar 
> 40 jaar 

Primaire delicten 
geweld** 
vermogen 
drugs 
zeden 
verkeer 
vuurwapen 
overig 

 2003 
67.163 
86% 
14% 
0,80% 
31,40% 
14,50% 
14,70% 
12,70% 
26,40% 
30,70% 
29,70% 
16,70% 
5,90% 
5,30% 
0,70% 
11,00% 
2004 
64.592 
85% 
15% 
0,80% 
30,70% 
13,80% 
14,30% 
12,90% 
27,50% 
34,90% 
28,30% 
17,30% 
5,90% 
5,30% 
0,70% 
7,50% 
2005 
72.000 
85% 
15% 
33% 
13% 
12% 
13% 
29% 
37% 
21% 
17% 
5% 
7% 
12% 
2006 
66.567 
87% 
12% 
29% 
14% 
13% 
13% 
31% 
33% 
26% 
14% 
5% 
9% 
12% 

* 
In het jaar 2005 en 2006 zitten ook personen onder 18 jaar in de categorie 18-25 jaar; deze groep 
was te klein om op te nemen als aparte groep. 
** 
In het jaar 2005 en 2006 is het percentage vuurwapen dusdanig laag, derhalve meegeteld in de 
categorie geweld. 

Bron: Reclassering Nederland 


512 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Tabel 6.23 Aantal afgeronde toezichten 2006 uitgesplitst naar 
reclasseringsorganisatie

Delicttype 

agressie delicten tegen dieren en goederen 

agressie tegen personen 

drugsdelicten 

overige delicten 

seksuele delicten 

verkeersdelicten 

vermogensdelicten 

vuurwapendelicten 

Totaal 

Toezichten afgerond/voltooid 

afgebroken toezichten 

afgeronde toezichten 
Totaal 
Bron: Reclassering Nederland 

LdH RN GGZ Totaal 
14 157 67 238 
378 2.817 1.270 4.465 
69 829 330 1.228 
80 477 220 777 
26 677 69 772 
23 126 219 368 
401 1.764 1.747 3.912 
4 36 20 60 
995 6.883 3.942 11.820 
116 607 658 1.381 
925 6.414 3.378 10.717 
1.041 7.021 4.036 12.098 
Tabel 6.24 
Totaal aantal voltooide taakstraffen van de drie 
reclasseringsorganisaties 2001-2006 

Voltooide taakstraffen 

2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006 

14.027 
17.167 
23.254 
24.559 
29.137 
31.050 
Bron: Reclassering Nederland 


Bijlage 4 513 

Tabel 6.25 Overzicht afgeronde taakstraffen 2006

 Leerstraf Werkstraf Werkstraf/ 
leerstraf 
Uitvoeringsorganisatie 
GGZ 331 6.545 304 
LdH 603 780 183 
RN 942 35.092 76 
Totaal 1.876 42.417 563 
Delicttype 
agressie 760 8.236 202 
drugs 185 6.134 47 
geweld 247 4.724 111 
overig 148 7.058 23 
verkeer 43 5.539 47 
vermogen 324 8.634 97 
vuurwapen 7 120 0 
zeden 26 792 7 
Totaal 1.740 41.237 534 
Gemiddeld aantal uur taakstraf v/d 3 RO’s 34 78 54 
Taakstraffen RN afgerond/voortijdig* beëindigd 
voltooid 1.446 31.785 
voortijdige beëindiging 248 2.567 
Totaal 
Taakstrafffen RN afgerond 36.046 
Taakstraffen mislukt (geen contact cliënt) 4.157 
Taakstraf retour (op verzoek van OM) 380 
Niet gestarte werkstraffen (alleen intake) 2.668 
* Het gaat hier om afgeronde taakstraffen in 2006. Dus ook taakstraffen die voortijdig zijn beëindigd 
om verschillende redenen worden meegerekend, bijvoorbeeld als de zaak terug is naar het OM, 
of er heeft wel een intake plaatsgevonden, maar geen taakstraf, of er is helemaal geen contact 
met de justitiabele tot stand gekomen. 
Bron: Reclassering Nederland 

514 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Tabel 6.26 RISc-populatie 2006 reclassering 

Overzicht populatie 
Totaal 10.364 
mannen 9.233 
vrouwen 1.131 
Huisvestingsgeschiedenis: dakloosheid M V Totaal 
nooit dakloos 8.145 981 9.126 
in het verleden voor een periode van maximaal 6 mnd dakloos geweest 673 101 774 
delinquent is langere tijd dakloos geweest (> 6 mnd) 385 45 430 
Totaal 9.203 1.127 10.330 
Opleidingsniveau en behaalde diploma’s M V Totaal 
opleiding gevolgd (lbo/mavo/vmbo, mbo/roc, havo/vwo, hbo/wo, anders) met een of meer diploma’s 
afgerond die toegang geven tot de arbeidsmarkt; 
5.105 589 5.694 
opleiding (lbo/mavo/vmbo, mbo/roc, havo/vwo, hbo/wo, anders) gevolgd, niet met diploma 
afgerond. Behaalde diploma’s geven geen toegang tot de arbeidsmarkt 
2.650 328 2.978 
ongeschoold, basis of speciaal onderwijs al dan niet afgerond 1.425 200 1.625 
Totaal 9.180 1.117 10.297 
Schoolbezoek M V Totaal 
normaal schoolbezoek tot 16de 5.265 686 5.951 
schoolbezoek zolang de Leerplichtwet, incidenteel spijbelen 2.302 238 2.540 
vaak gespijbeld, geen diploma’s, geen vervolgopleiding 1.536 182 1.718 
Totaal 9.103 1.106 10.209 
Belemmeringen voor school en werk M V Totaal 
geen belemmeringen, is gemotiveerd voor school en werk 5.763 697 6.460 
wisselend tegenover scholing en werk 2.607 282 2.889 
analfabeet, opleiding is tijdverspilling 807 132 939 
Totaal 9.177 1.111 10.288 
Werkervaring en -verleden M V Totaal 
delinquent heeft werk, wisselt niet zonder perspectief op andere baan 5.062 533 5.595 
delinquent heeft meestal werk. Wisselt zonder perspectief op ander werk, is wel eens ontslagen 2.682 320 3.002 
delinquent heeft een onduidelijk arbeidsverleden, heeft nooit echt langdurig gewerkt. Is om 
verwijtbare redenen ontslagen 
1.442 265 1.707 
Totaal 9.186 1.118 10.304 
Huidige werksituatie M V Totaal 
fulltime of parttime werk, in vast dienstverband of via het uitzendbureau 4.490 438 4.928 
werkzoekend, werkt op onregelmatige basis 2.047 207 2.254 
werkloos of niet beschikbaar voor werk. 2.670 482 3.152 
9.207 1.127 10.334 
Totaal 

Bron: Reclassering Nederland 


Bijlage 4 515 

Tabel 6.27 Ontwikkeling gestarte taakstraffen minderjarigen, 
1983-2006

1983 
1984 
1985 
1986 
1987 
1988 
1989 
1990 
1991 
1992 
1993 
1994 
1995 
1996* 
1997 
1998 
1999 
2000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006 

 Taakstraffen niet Werkstraffen Leer- en combinatiestraffen 
gedifferentieerd 
298 6 
746 34 
839 33 
1.321 77 
1.648 242 
1.687 590 
1.799 655 
2.062 918 
1.923 932 
1.884 1.205 
2.306 1.701 
2.822 1.157 
2.767 1.754 
6.452 
7.925 
9.808 7.160 2.648 
11.004 7.923 3.081 
11.764 8.235 3.529 
13.388 9.238 4.150 
15.408 10.047 5.361 
17.254 12.283 4.971 
19.062 14.699 4.363 
20.059 15.821 4.238 
21.847 ** 17.146 ** 4.701 ** 
* 
Door een wijziging in de registratie zijn de aantallen vanaf 1996 niet vergelijkbaar met de jaren 
daarvoor. 
** 
De aantallen van 2006 zijn een schatting op basis van 83% van het totale aantal taakstraffen in 
2006. 

Bron: Raad voor de Kinderbescherming 


516 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Tabel 6.28 Afgesloten taakstraffen minderjarigen 1998-2004

 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 * 
Aantal afgesloten taakstraffen 
combinatie 1.050 966 1.150 1.113 1.369 1.265 1.315 1.231 1.362 
leerproject 1.830 2.372 2.624 3.326 492 
leerstraf 3.627 3.819 3.141 3.106 3.587 
werkstraf 7.966 8.503 8.692 9.776 10.497 12.955 15.745 16.607 18.051 
Totaal 10.846 11.841 12.466 14.215 15.985 18.039 20.201 20.944 23.001 
Gemiddeld aantal opgelegde uren 
combinatie 82 77 71 91 83 85 85 76 64 
leerproject 44 40 42 49 35 
leerstraf 35 33 32 32 30 
werkstraf 37 35 37 45 35 35 35 34 32 
Totaal 42 40 41 49 39 38 38 36 33 
Afgesloten taakstraffen naar eindbesluit 
geslaagd 5.501 8.911 9.546 10.953 12.923 14.811 16.510 16.551 19.280 
niet gestart / mislukt 1.933 2.273 2.409 2.727 2.772 2.906 2.953 3.039 3.163 
(jeugd)reclassering voert taakstraf uit / overige besluiten 304 472 510 535 290 326 753 474 558 
niet ingevuld 3.281 186 1 0 0 0 0 880 0 
Totaal 11.019 11.842 12.466 14.215 15.985 18.043 20.216 20.944 23.001 
Aantal afgesloten taakstraffen naar leeftijd 
12 jaar 27 32 41 57 61 102 102 83 106 
13 jaar 283 326 428 463 520 670 754 833 857 
14 jaar 834 927 1.082 1.278 1.556 1.701 1.918 2.243 2.300 
15 jaar 1.624 1.667 1.865 2.311 2.630 2.941 3.300 3.569 4.015 
16 jaar 2.285 2.494 2.610 3.041 3.534 3.949 4.458 4.698 5.206 
17 jaar 2.618 2.910 3.068 3.395 3.742 4.293 4.846 4.809 5.381 
18 jaar 2.335 2.475 2.502 2.725 2.995 3.395 3.831 3.721 4.017 
Totaal 10.006 10.831 11.596 13.270 15.038 17.051 19.209 19.956 21.881 
Afgesloten taakstraffen naar modaliteit 
Officiersmodel 5.423 5.881 6.008 7.287 8.688 10.047 11.048 11.529 12.336 
Overige 131 150 142 110 102 50 1 
Rechtersmodel 5.292 5.810 6.316 6.818 7.195 7.942 9.152 9.415 10.665 
Totaal 10.846 11.841 12.466 14.215 15.985 18.039 20.201 20.944 23.001 
* De aantallen van 2006 zijn een schatting op basis van 78,5% van het totale aantal taakstraffen in 2006. 
Bron: Raad voor de Kinderbescherming 

Bijlage 4 517 

Tabel 6.29 Ter inning bij het CJIB aangemelde boetevonnissen, in aantal en euro’s, 2006 

Rechtsprekend forum Minderjarigen Meerdejarigen Rechtspersonen Totaal 
Economische politierechter aantal 4 4.120 1.373 5.497 
initieel bedrag 240 2.421.398 2.670.891 5.092.529 
gem. initieel bedrag 60 588 1.945 926 
Enkelvoudige kamer aantal 6 6 
initieel bedrag 1.927 1.927 
gem. initieel bedrag 321 321 
Gerechtshof aantal 77 6.311 147 6.535 
initieel bedrag 13.370 4.897.180 1.028.724 5.939.274 
gem. initieel bedrag 174 776 6.998 909 
Kantongerecht aantal 6.925 138.236 1.155 146.316 
initieel bedrag 610.370 29.499.382 1.313.251 31.423.003 
gem. initieel bedrag 88 213 1.137 215 
Kinderrechter aantal 402 11 413 
initieel bedrag 64.260 2.070 66.330 
gem. initieel bedrag 160 188 161 
Meervoudige economische kamer aantal 21 23 44 
initieel bedrag 117.785 390.750 508.535 
gem. initieel bedrag 5.609 16.989 11.558 
Meervoudige kamer aantal 7 441 28 476 
initieel bedrag 2.650 6.686.523 3.786.189 10.475.362 
gem. initieel bedrag 379 15.162 135.221 22.007 
Militaire kantonrechter aantal 157 157 
initieel bedrag 40.255 40.255 
gem. initieel bedrag 256 256 
Militaire meervoudige kamer aantal 1 1 
initieel bedrag 1.000 1.000 
gem. initieel bedrag 1.000 1.000 
Militaire politierechter aantal 220 220 
initieel bedrag 108.085 108.085 
gem. initieel bedrag 491 491 
Politierechter aantal 23 45.011 38 45.072 
initieel bedrag 7.778 20.322.285 53.931 20.383.994 
gemiddeld initieel bedrag 338 451 1.419 452 
Totaal aantal 7.438 194.535 2.764 204.737 
initieel bedrag 698.668 64.097.890 9.243.736 74.040.294 
gemiddeld initieel bedrag 94 329 3.344 362 
Bron: CJIB / STRABIS 


Tabel 6.30 Afdoening boetevonnissen door het CJIB, 1995-2006

Werkvoorraad op 1 januari 

Van parketten ontvangenboetevonnissentotaal boetebedrag (€) 

Afgedaan 
door betaling 
opgelegd/oninbaar 
gratie/rechtsmiddel 
vervangende hechtenis 

betaald binnen 1 jaar 
betaald binnen 2 jaar 

Totaal geïnd bedrag (€) 

 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
27.104.503 33.621.248 34.214.153 31.799.411 34.441.918 36.195.111 35.798.195 34.663.000 43.347.000 44.465.000 45.230.807 51.104.974 
196.078 254.837 226.463 215.485 197.568 191.294 196.317 200.542 219.224 242.811 254.306 258.030 
165.571 144.772 136.163 118.853 117.840 128.591 122.264 144.631 166.356 213.098 195.191 204.737 
63.138.881 47.549.390 53.593.516 56.687.521 52.974.553 64.170.919 53.181.852 56.682.630 79.806.818 80.662.966 72.257.929 74.040.292 
106.812 173.146 147.141 136.770 124.114 123.568 118.041 125.949 142.769 172.517 183.696 201.013 
84% 61% 64% 64% 68% 70% 72% 67% 67% 63% 65% 65% 
14% 31% 23% 18% 16% 16% 14% 16% 16% 17% 16% 18% 
1% 3% 5% 6% 6% 5% 5% 6% 4% 4% 4% 4% 
1% 5% 8% 12% 10% 9% 9% 11% 13% 16% 15% 13% 
59% 62% 62% 65% 65% 63% 63% 61% 58% 61% 63% 66% 
77% 75% 79% 80% 79% 80% 78% 78% 74% 74% 74% 78% 
Bron: CJIB / STRABIS 

518 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Bijlage 4 519 

Tabel 6.31 Ontnemingsmaatregelen, 1995-2006*

Ter executie aangeboden aan CJIB 

Afgedaan door CJIB 
binnen 3 maanden 
tussen 3 en 18 maanden 
na 18 maanden 

Eindvoorraad 31 december 
* Door parketten OM behandelde ontnemingsmaatregelen zijn buiten beschouwing gelaten. 


 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
264 473 774 694 853 823 788 946 1.218 1.459 1.584 1.392 
40 87 225 280 342 525 671 810 824 912 1.036 1.014 
--69% 44% 37% 17% 26% 26% 31% 31% 34% 28% 
--24% 36% 29% 46% 27% 21% 24% 23% 21% 30% 
--6% 20% 34% 37% 48% 53% 45% 46% 45% 42% 
224 610 1.159 1.573 2.089 2.387 2.503 2.639 3.034 3.581 2.984 3.362 
Bron: CJIB 

Tabel 6.32 Schadevergoedingsmaatregelen, 1996-2006

Ter executie aangeboden aan CJIB 
Afgedaan door CJIB 
Eindvoorraad CJIB 31 december 

 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
1.251 3.864 4.898 6.335 7.322 8.158 9.763 11.940 13.667 13.743 13.150 
126 1.464 2.156 3.456 4.825 5.834 6.738 8.119 9.902 13.027 13.995 
1.123 3.523 6.265 9.259 11.756 14.080 17.175 21.129 24.894 25.610 24.765 
Bron: CJIB 


520 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Tabel 6.33 Wijze van afdoening* schadevergoedingsmaatregelen, als percentage van het 
aantal zaken, 1999-2006

Totaal aantal 


Betaling aan CJIB 
Betaald aan deurwaarder 
Betaald aan parket 
Betaald aan slachtoffer 
Vervangende hechtenis 
Oninbaar 
Regeling slachtoffer en veroordeelde 
Overig 


Totaal 


Totaal aantal 


Volledige betaling 
Staken executie 
Vervangende hechtenis ondergaan 
Regeling tussen veroordeelde en slachtoffer 
Veroordeelde overleden 
Appel / cassatie ingesteld 
Dossier verjaard 
Dossier gesloten i.v.m. WSNP (statisch archief) 


Totaal 
* Met ingang van 2002 hanteert het CJIB een andere classifi catie van de wijze van afdoening. 


 1999 2000 2001 
3.456 4.825 5.834 
90,0% 92,0% 85,6% 
3,6% 1,5% 1,2% 
0,4% 0,1% 0,0% 
2,1% 3,5% 7,1% 
1,9% 1,9% 1,0% 
1,8% 0,9% 1,0% 
0,2% 0,1% 0,1% 
0,1% 0,0% 3,9% 
100% 100% 100% 
2002* 2003 2004 2005 2006 
6.738 8.119 9.902 13.027 13.995 
88,2% 87,4% 86,2% 79,5% 81,6% 
1,3% 0,7% 0,5% 0,6% 0,4% 
5,0% 7,3% 10,1% 17,6% 14,5% 
1,9% 1,6% 1,2% 0,6% 1,6% 
1,5% 0,7% 0,7% 0,8% 0,5% 
0,1% 0,1% 0,1% 0,0% 0,0% 
0,1% 0,2% 0,6% 0,6% 0,7% 
1,9% 1,9% 0,6% 0,2% 0,6% 
100% 100% 100% 100% 100% 
Bron: CJIB 


Bijlage 4 521 

Tabel 6.34 In beslag genomen goederen

 2002 2003 2004 2005 2006 
In beslag genomen 16.480 22.848 19.740 22.389 28.911 
Plukze 252 378 384 309 345 
Totaal 16.732 23.226 20.124 22.698 29.256 
Bron: Dienst der Domeinen 

Tabel 6.35 
Inning transacties door het CJIB (inclusief overtredingen), 
2000–2006 

Afkomst van bij het CJIB binnengekomen transactie

 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
Politie 223.992 333.029 397.386 534.081 478.289 515.743 487.926 
OM 180.968 128.589 119.015 128.548 122.177 109.264 105.490 
RDW 25.033 41.106 40.957 42.235 45.665 46.627 
Overig* 418 1.033 797 351 680 524 
Totaal 404.960 487.069 558.540 704.383 643.052 671.352 640.567 
Wijze van afdoeningen transactievoorstellen 
Sepot 10.451 48.819 76.387 70.259 67.409 63.444 66.258 
Betaald 184.306 296.341 326.415 421.333 396.473 394.593 383.661 
Overig 15.566 99.112 123.584 175.681 208.331 217.337 222.977 
Totaal 210.323 444.272 526.386 667.273 672.213 675.374 672.896 
Geïncasseerde transacties 
Totaal in euro’s 42 mln 71 mln 70 mln 82 mln 86 mln 77 mln 76 mln 
* 
Deze categorie bevat transacties die bijv. betrekking hebben op (milieu)zaken aangeleverd door 
instanties als waterschappen. 
Bron: CJIB 


Tabellen bij hoofdstuk 7 

Tabel 7.1 
Verzameltabel geregistreerde criminaliteit, gehoorde verdachten, vervolging, berechting in eerste aanlega, 
tenuitvoerlegging, 1980 t/m 2006

Politieopgemaakte processen-verbaal 
opgehelderde misdrijven 
gehoorde verdachten 

Openbaar Ministeriezaken ingeschreven bij het OM 
zaken afgedaan door het OM 

Sepots
technisch sepot
beleidssepot


met dienstverlening als voorwaarde

transacties (excl. lik-op-stuk) 
betaling geldsom
taakstraf


transacties ‘lik-op-stuk’ en ‘onbekend’ btaakstraffen OM (TOM) = sepots met voorwaardedienstverlening + transacties taakstraf

Rechtbanken

afdoeningen rechter in eerste aanlegc 
vrijspraken
schuldigverklaringen 


zonder straf
met straf
overige rechterlijke beslissingend
(deels) onvoorwaardelijke geldboetes 


705.700 812.100 922.900 986.300 1.083.400 1.093.700 1.097.100 1.129.500 1.146.200 4.1 
210.100 234.600 247.900 257.700 272.500 262.800 261.100 266.600 266.100 4.1 
209.900 230.400 247.500 254.200 269.900 265.600 258.500 254.700 253.800 4.1 
229.771 246.278 259.326 259.251 268.800 266.074 271.970 279.265 263.336 5.1 
129.548 141.841 149.009 165.619 138.694 140.758 139.595 138.479 142.188 5.4 
20.332 23.307 26.282 29.256 32.231 35.206 38.125 41.044 43.962 5.4 
91.764 91.576 98.622 95.253 82.689 83.512 82.407 81.975 84.476 5.7 
75.065 74.581 74.098 73.614 73.131 72.647 71.803 70.959 70.115 5.8 
1980 1981 1982 1983 1984 1985 1986 1987 1988 brontabel 
522 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 7.1 (Vervolg) 

1980 1981 1982 1983 1984 1985 1986 1987 1988 brontabel 
(deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraffen enhechtenissengemiddelde duur (deels) onvoorwaardelijke 
gevangenisstraffen en hechtenissenedetentiejaren gevangenisstraffen en hechtenissene 
taakstraffen 1.074 1.706 2.338 2.971 5.12 
overige straffen en maatregelen 28.978 28.595 28.211 27.828 27.444 27.061 26.560 26.060 25.559 5.12 
Totaal aantal bestraffingenf 95.397 97.888 100.379 102.871 105.362 107.853 109.928 113.187 116.231 -
Tenuitvoerlegging sanctiesgerealiseerde capaciteit gevangeniswezen ultimo jaarg 6.1 
bezetting van het gevangeniswezen op 31 september 6.3 
op titel ‘voorlopige hechtenis’ 6.3 
op titel ‘gevangenisstraf’ 6.3 
lopende tbs-maatregelen op 31 december 391 452 6.10 
gerealiseerde capaciteit FPC’s op 31 december 421 6.10 
bezetting FPC’s op 31 december 395 6.10 
a) 
Alle rechterlijke uitspraken en sancties in deze tabel zijn uitspraken in eerste aanleg.

b) 
Tot 2001 werden de transactiecategorieën ‘lik-op-stuk’ en ‘onbekend’ als één categorie (overig en onbekend) geteld. Sinds 2001 wordt lik-op-stuk apart geteld. Het restant 
van de categorie ‘onbekend’ schommelt sindsdien ongeveer rond de 100.

c) 
Exclusief voegingen ter zitting.

d) 
Overige rechterlijke beslissingen zijn: ontslag rechtsvervolging zonder maatregel, onbevoegdverklaring van de rechter, niet-ontvankelijk OM, en schorsing van vervolging.

e) 
Berekend op basis van de opgelegde strafduur van het onvoorwaardelijke deel, waarbij het deel dat op grond van de VI-regeling niet wordt uitgezeten, van de strafduur isafgetrokken. 

f) 
Bestraffi ngen zijn de som van het aantal Halt-verwijzingen, transacties (excl. lik-op-stuk) en schuldigverklaringen (zonder en met straf).

g) 
Gerealiseerde capaciteit is het feitelijk aanwezige plaatsen dat bestemd is voor detentie, opvang en/of behandeling van justitiabelen inclusief tijdelijk niet bruikbarecapaciteit. 

Bijlage 4 523 


Tabel 7.1 (Vervolg)

 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 brontabel 
1.159.600 1.150.200 1.181.800 1.268.500 1.272.300 1.313.600 1.226.700 1.189.200 1.226.000 4.1 
266.500 255.600 238.100 242.500 237.700 236.300 209.900 206.000 200.200 4.1 
256.000 249.000 244.500 248.800 242.700 242.700 246.118 252.571 263.168 4.1 
269.788 260.844 . . 268.248 273.311 257.842 250.726 250.865 5.1 
146.265 144.758 . . 161.763 161.084 147.472 133.765 130.790 5.4 
53.290 45.083 41.612 5.4 
29.924 25.978 23.886 5.4 
23.366 19.105 17.726 5.4 
1.062 1.222 926 5.4 
46.881 49.800 52.015 54.229 56.444 58.658 57.608 57.763 59.140 5.4 
55.055 53.871 52.134 5.4 
1.069 3.043 4.538 5.4 
2.864 2.679 2.163 5.4 
2.131 4.265 5.464 5.4 
84.725 82.341 87.857 83.879 81.096 96.512 102.310 104.617 106.372 5.7 
4.130 4.188 4.131 -
69.271 68.427 73.987 79.548 85.108 90.668 97.208 99.558 101.237 5.8 
662 714 721 -
96.546 98.844 100.516 -
972 871 1.004 -
46.195 46.676 48.361 5.15 
25.341 24.570 24.165 5.16 
Politieopgemaakte processen-verbaal 
opgehelderde misdrijven 
gehoorde verdachten 

Openbaar Ministeriezaken ingeschreven bij het OM 
zaken afgedaan door het OM 

sepots 
technisch sepot 
beleidssepot 


met dienstverlening als voorwaarde 

transacties (excl. lik-op-stuk) 
betaling geldsom 
taakstraf 


transacties ‘lik-op-stuk’ en ‘onbekend’ b 
taakstraffen OM (TOM) = sepots metvoorwaarde dienstverlening + transacties 
taakstraf 

Rechtbanken

afdoeningen rechter in eerste aanlegc 
vrijspraken 
schuldigverklaringen 


zonder straf 
met straf 


overige rechterlijke beslissingend(deels) onvoorwaardelijke geldboetes 
(deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraffenen hechtenissen 

524 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 7.1 (Vervolg)

 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 brontabel 
gemiddelde duur (deels) onvoorwaardelijke 
gevangenisstraffen en hechtenissene 151 151 154 5.17 
detentiejaren gevangenisstraffen enhechtenissene 10.473 10.159 10.182 5.18 
taakstraffen 3.603 4.235 6.179 8.123 10.066 12.010 13.954 17.518 18.557 5.12 
overige straffen en maatregelen 25.059 24.558 25.300 26.042 26.785 27.527 29.096 31.716 31.652 5.12 
Totaal aantal bestraffingenf 120.890 124.683 134.950 144.861 152.718 163.642 172.051 178.734 181.244 -
Tenuitvoerlegging sanctiesgerealiseerde capaciteit gevangeniswezenultimo jaarg 7.677 7.650 7.773 8.151 9.439 10.249 12.087 12.553 6.1 
bezetting van het gevangeniswezen 
op 31 september 6.890 7.300 7.495 8.035 8.735 10.330 11.930 11.770 6.3 
op titel ‘voorlopige hechtenis’ 2.645 2.670 2.785 2.930 3.040 3.435 4.065 4.140 6.3 
op titel ‘gevangenisstraf’ 3.510 3.980 3.990 4.415 4.945 5.820 6.405 6.020 6.3 
lopende tbs-maatregelen op 31 december 522 550 597 685 772 855 840 1.110 6.10 
gerealiseerde capaciteit FPC’s op 31 december 405 506 541 570 607 650 803 866 6.10 
bezetting FPC’s op 31 december 378 496 541 565 606 624 705 853 6.10 
a) 
Alle rechterlijke uitspraken en sancties in deze tabel zijn uitspraken in eerste aanleg.

b) 
Tot 2001 werden de transactiecategorieën ‘lik-op-stuk’ en ‘onbekend’ als één categorie (overig en onbekend) geteld. Sinds 2001 wordt lik-op-stuk apart geteld. Het restant 
van de categorie ‘onbekend’ schommelt sindsdien ongeveer rond de 100.

c) 
Exclusief voegingen ter zitting.

d) 
Overige rechterlijke beslissingen zijn: ontslag rechtsvervolging zonder maatregel, onbevoegdverklaring van de rechter, niet-ontvankelijk OM, en schorsing van vervolging.

e) 
Berekend op basis van de opgelegde strafduur van het onvoorwaardelijke deel, waarbij het deel dat op grond van de VI-regeling niet wordt uitgezeten, van de strafduur isafgetrokken. 

f) 
Bestraffi ngen zijn de som van het aantal Halt-verwijzingen, transacties (excl. lik-op-stuk) en schuldigverklaringen (zonder en met straf).

g) 
Gerealiseerde capaciteit is het feitelijk aanwezige plaatsen dat bestemd is voor detentie, opvang en/of behandeling van justitiabelen inclusief tijdelijk niet bruikbare 
capaciteit. 

Bijlage 4 525 


Tabel 7.1 (Vervolg) 

1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 brontabel 
1.225.600 1.291.200 1.315.400 1.363.200 1.383.600 1.350.700 1.295.600 1.228.300 1.218.447 4.1 
201.100 198.400 192.100 217.200 238.200 262.000 265.400 252.300 278.566 4.1 
276.112 278.668 282.215 294.423 319.288 345.979 360.842 349.618 358.349 4.1 
242.482 234.679 233.324 236.029 251.291 270.322 273.974 266.857 267.710 5.1 
120.232 114.451 118.369 115.538 120.693 128.668 127.663 122.999 126.092 5.4 
34.300 26.253 31.645 28.271 27.812 26.996 28.014 28.362 30.644 5.4 
18.956 14.880 16.975 15.368 14.266 13.446 14.024 13.746 14.319 5.4 
15.344 11.373 14.670 12.903 13.546 13.550 13.990 14.616 16.325 5.4 
202 85 48 60 47 48 73 81 86 5.4 
59.306 66.843 61.518 62.187 66.344 75.779 73.405 71.606 73.277 5.4 
51.203 58.503 52.426 48.499 49.461 55.307 52.027 47.918 47.440 5.4 
4.882 5.587 6.059 8.727 12.404 14.312 15.469 17.126 17.626 5.4 
2.287 2.009 3.848 4.848 4.932 5.404 5.302 4.531 4.688 5.4 
5.084 5.672 6.107 8.787 12.451 14.360 15.542 17.207 17.712 5.4 
105.031 111.309 111.033 112.037 116.810 134.631 133.218 132.595 134.375 5.7 
4.110 4.654 4.688 4.745 4.640 5.689 5.943 7.006 8.481 -
100.176 105.786 105.393 105.926 110.933 127.687 126.174 124.396 124.542 5.8 
638 630 631 687 769 885 845 892 1.160 -
99.538 105.156 104.762 105.239 110.164 126.802 125.329 123.504 123.382 -
745 869 952 1.366 1.237 1.255 1.101 1.193 1.352 -
46.384 47.111 48.108 45.396 43.896 52.065 51.004 50.609 50.346 5.15 
25.014 27.408 27.499 29.724 33.619 37.019 33.406 28.803 25.396 5.16 
Politieopgemaakte processen-verbaal 
opgehelderde misdrijven 
gehoorde verdachten 

Openbaar Ministeriezaken ingeschreven bij het OM 
zaken afgedaan door het OM 

sepots 
technisch sepot 
beleidssepot 


met dienstverlening als voorwaarde 

transacties (excl. lik-op-stuk) 
betaling geldsom 
taakstraf 


transacties ‘lik-op-stuk’ en ‘onbekend’ b 
taakstraffen OM (TOM) = sepots metvoorwaarde dienstverlening + transacties 
taakstraf 

Rechtbanken

afdoeningen rechter in eerste aanlegc 
vrijspraken 
schuldigverklaringen 


zonder straf 
met straf 


overige rechterlijke beslissingend 
(deels) onvoorwaardelijke geldboetes 
(deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraffen 
en hechtenissen 

526 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 7.1 (Vervolg) 

Tenuitvoerlegging sanctiesgerealiseerde capaciteit gevangeniswezenultimo jaargbezetting van het gevangeniswezen 
op 31 september 

1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 brontabel 
gemiddelde duur (deels) onvoorwaardelijke 
gevangenisstraffen en hechtenissene 140 133 130 138 144 143 153 152 142 5.17 
detentiejaren gevangenisstraffen enhechtenissene 9.625 10.001 9.763 11.264 13.249 14.465 13.961 11.959 9.867 5.18 
taakstraffen 18.806 21.575 20.768 23.774 27.118 31.825 35.142 38.422 41.806 5.12 
overige straffen en maatregelen 35.876 37.868 38.627 40.528 44.351 50.985 50.687 48.762 48.489 5.12 
Totaal aantal bestraffingenf 181.230 192.977 185.859 186.169 196.942 224.417 221.075 218.217 220.804 -
op titel ‘voorlopige hechtenis’ 

op titel ‘gevangenisstraf’ 
lopende tbs-maatregelen op 31 december 
gerealiseerde capaciteit FPC’s op 31 december 
bezetting FPC’s op 31 december 


a) Alle rechterlijke uitspraken en sancties in deze tabel zijn uitspraken in eerste aanleg.
b) Tot 2001 werden de transactiecategorieën ‘lik-op-stuk’ en ‘onbekend’ als één categorie (overig en onbekend) geteld. Sinds 2001 wordt lik-op-stuk apart geteld. Het restant 


van de categorie ‘onbekend’ schommelt sindsdien ongeveer rond de 100.
c) Exclusief voegingen ter zitting.
d) Overige rechterlijke beslissingen zijn: ontslag rechtsvervolging zonder maatregel, onbevoegdverklaring van de rechter, niet-ontvankelijk OM, en schorsing van vervolging.
e) Berekend op basis van de opgelegde strafduur van het onvoorwaardelijke deel, waarbij het deel dat op grond van de VI-regeling niet wordt uitgezeten, van de strafduur is

afgetrokken. 
f) Bestraffi ngen zijn de som van het aantal Halt-verwijzingen, transacties (excl. lik-op-stuk) en schuldigverklaringen (zonder en met straf).
g) Gerealiseerde capaciteit is het feitelijk aanwezige plaatsen dat bestemd is voor detentie, opvang en/of behandeling van justitiabelen inclusief tijdelijk niet bruikbare

capaciteit. 

13.055 13.207 12.617 12.806 14.261 16.336 18.270 17.757 18.718 6.1 
11.760 11.870 11.760 12.410 13.060 13.980 16.455 17.600 16.230 6.3 
4.390 4.615 4.730 5.345 5.850 5.995 6.365 6.195 5.860 6.3 
5.730 5.570 5.225 5.330 5.155 6.085 7.140 7.235 6.265 6.3 
1.200 1.224 1.344 1.416 1.515 1.618 1.728 1.832 1.932 6.10 
970 1.175 1.183 1.222 1.264 1.303 1.401 1.637 1.738 6.10 
935 1.003 1.109 1.164 1.235 1.324 1.420 1.494 1.699 6.10 
Bijlage 4 527 


Tabel 7.2 Verzameltabel minderjarigen: geregistreerde criminaliteit, gehoorde verdachten, vervolging, berechting ineerste aanlega, tenuitvoerlegging, 1995 t/m 2006

Politiegehoorde minderjarige verdachten 
Halt-verwijzingen 

Openbaar Ministeriezaken ingeschreven bij het OM 
zaken afgedaan door het OM 

sepots 
technisch sepot 
beleidssepot 


met dienstverlening als voorwaarde 

transacties (excl. lik-op-stuk) 
betaling geldsom 
taakstraf 


transacties ‘lik-op-stuk’ en ‘onbekend’ b 
taakstraffen OM (TOM) = sepots metdienstverlening als voorwaarde +
transacties taakstraf 

Rechtbanken

afdoeningen rechter in eerste aanlegc 
vrijspraken 
schuldigverklaringen zonder straf 
schuldigverklaringen met straf 
overige rechterlijke beslissingend


(deels) onvoorwaardelijke geldboetes 
taakstraffen 
(deels) onvoorwaardelijke jeugddetentiese 

 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 bron-
tabel 
41.255 50.817 48.622 46.417 48.309 47.645 47.327 51.140 55.392 61.609 65.030 70.389 4.24 
17.235 21.413 20.867 21.748 20.348 18.948 18.056 19.665 20.951 21.496 22.215 22.985 5.21 
23.923 26.213 27.456 27.535 27.071 26.993 27.544 28.465 31.060 33.819 35.875 36.519 5.25 
15.887 16.769 18.420 17.768 16.533 17.627 18.873 19.521 20.238 21.193 23.289 24.019 5.27 
8.294 7.803 7.595 5.944 5.043 5.277 5.066 4.403 3.849 3.745 4.249 4.837 5.27 
3.518 3.303 3.358 2.916 2.429 2.346 2.164 1.882 1.514 1.489 1.574 1.650 5.27 
4.776 4.500 4.237 3.028 2.614 2.931 2.902 2.521 2.335 2.256 2.675 3.187 5.27 
1.047 1.202 919 201 82 46 58 38 45 72 70 80 5.27 
3.689 4.822 5.879 6.738 7.276 7.757 9.246 10.934 12.571 13.370 14.707 14.631 5.27 
2.944 2.672 1.894 1.686 1.499 1.381 1.351 1.367 1.792 1.438 1.520 1.403 5.27 
7 1.789 3.430 4.356 5.261 5.893 6.670 8.003 8.596 9.507 10.311 10.284 5.27 
137 157 98 109 97 154 118 138 159 108 88 84 5.27 
1.054 2.991 4.349 4.557 5.343 5.939 6.728 8.041 8.641 9.579 10.381 10.364 5.27 
7.017 7.580 7.442 7.895 8.311 9.004 8.903 10.014 10.782 11.897 12.292 12.441 5.29 
201 253 263 302 377 449 403 526 554 642 734 902 -
148 129 126 117 107 118 117 161 148 141 161 207 -
6.562 7.131 6.996 7.414 7.752 8.343 8.220 9.169 9.944 10.996 11.233 11.210 -
106 67 57 62 75 94 163 158 136 118 164 122 -
1.246 948 714 610 586 602 557 464 444 518 503 417 5.37 
644 3.318 4.027 4.411 4.864 5.359 5.343 6.151 6.880 7.671 8.033 8.656 5.36 
1.086 946 871 914 1.007 1.000 1.602 1.813 1.769 1.995 2.265 1.975 5.38 

528 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 7.2 (Vervolg) 

 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 bron-
tabel 
gemiddelde duur (deels) onvoorwaarde-
lijke jeugddetenties 77 100 114 130 126 122 103 96 83 87 84 76 5.39 
detentiejaren jeugddetenties 230 260 272 326 347 333 453 477 402 477 518 410 5.40 
Totaal aantal bestraffingenf 27.634 33.495 33.868 36.017 35.483 35.166 35.639 39.929 43.614 46.003 48.316 49.033 -
972 1.098 1.278 1.464 1.625 1.762 2.017 2.300 2.326 2.495 2.581 2.674 6.15 
895 1.025 1.181 1.335 1.500 1.645 1.855 2.023 2.203 2.311 2.382 2.418 6.15 
50% 52% 55% 59% 59% 56% 56% 52% 47% 50% 50% 48% 6.15 
50% 48% 45% 41% 41% 44% 44% 48% 53% 50% 50% 52% 6.15 
6.452 7.925 9.808 11.004 11.764 13.388 15.408 17.254 19.062 20.059 21.847h 6.27 
Tenuitvoerlegging sanctiesgemiddelde gerealiseerde capaciteitg JJI 
gemiddelde bezetting JJI 

strafrechtelijk 

civielrechtelijk 
door de Raad voor de Kinderbescherminggestarte taakstraffen

a) 
Alle rechterlijke uitspraken en sancties in deze tabel zijn uitspraken in eerste aanleg.

b) 
Tot 2001 werden de transactiecategorieën ‘lik-op-stuk’ en ‘onbekend’ als één categorie (overig en onbekend) geteld. Sinds 2001 wordt lik-op-stuk apart geteld. Het restant 
van de categorie ‘onbekend’ schommelt sindsdien ongeveer rond de 100.

c) 
Exclusief voegingen ter zitting.

d) 
Overige rechterlijke beslissingen zijn: ontslag rechtsvervolging zonder maatregel, onbevoegdverklaring van de rechter, niet-ontvankelijk OM, en schorsing van vervolging.

e) 
Inclusief opgelegde tuchtschoolstraffen en arresten. De jeugddetentie is in 1995 in de plaats gekomen van deze straffen. In 1995 werden deze straffen nog opgelegd, in 1996vinden we ze ook nog in de registratie terug.

f) 
Bestraffi ngen zijn de som van het aantal Halt-verwijzingen, transacties (excl. lik-op-stuk) en schuldigverklaringen (zonder en met straf).

g) 
Gerealiseerde capaciteit is het feitelijk aanwezige plaatsen dat bestemd is voor detentie, opvang en/of behandeling van justitiabelen inclusief tijdelijk niet bruikbarecapaciteit. 

h) 
De aantallen van 2006 zijn een schatting op basis van 83% van het totale aantal taakstraffen in 2006. 

Bijlage 4 529


530 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Tabel 7.3 De algemene, ernstige en zeer ernstige recidive van vijf 
daderpopulaties voor acht observatiejaren 

Algemene recidive jaar 1 
JJI-jongeren (1997) 44,2 
ex-gedetineerden (1997) 42,7 
jeugdige daders (1997) 20,5 
volwassen daders (1997) 18,0 
Tbs 1994-1998 9,8 
Ernstige recidive 
JJI-jongeren (1997) 38,5 
ex-gedetineerden (1997) 33,5 
jeugdige daders (1997) 16,3 
volwassen daders (1997) 10,5 
Tbs 1994-1998 6,2 
Zeer ernstige recidive 
JJI-jongeren (1997) 13,3 
ex-gedetineerden (1997) 6,5 
jeugdige daders (1997) 3,1 
volwassen daders (1997) 1,5 
Tbs 1994-1998 0,4 

jaar 2 jaar 3 jaar 4 jaar 5 jaar 6 jaar 7 
59,6 67,7 72,7 75,8 78,6 80,8 
55,4 61,7 65,7 68,5 70,8 72,6 
33,9 41,8 47,8 52,0 55,2 57,8 
26,7 32,1 36,0 38,9 41,4 43,5 
18,2 25,9 29,9 33,9 36,1 39,5 
52,3 59,0 63,2 65,6 68,5 70,4 
43,4 48,5 52,0 54,6 56,7 58,5 
27,1 33,2 37,4 40,2 42,5 44,4 
15,4 18,4 20,5 22,2 23,6 24,9 
12,0 19,4 21,9 26,0 28,6 31,5 
19,0 24,1 28,6 31,3 33,1 34,6 
10,8 13,8 16,3 18,4 20,4 21,7 
6,1 8,6 10,4 11,9 13,2 14,2 
2,7 3,7 4,5 5,2 5,8 6,3 
2,6 5,5 7,3 9,2 9,6 11,4 
jaar 8 
82,1 
73,9 
59,8 
45,4 
40,8 
71,4 
59,7 
45,8 
26,1 
33,0 
36,1 
22,9 
15,2 
6,9 
12,9 
Bron: WODC Recidivemonitor 2006 


Bijlage 4 531 

Tabellen bij hoofdstuk 8 

Tabel 8.1 Inflatie en inwoners, 1980-2006

 Gemiddelde bevolking Consumentenprijs-
indexcijfer 
(alle huishoudens) 
Deflator collectieve 
overheidsbestedingen 
(nationale rekeningen) 
1980 14.149.800 53 nb 
1981 14.247.208 58 nb 
1982 14.312.690 60 nb 
1983 14.367.070 62 nb 
1984 14.424.211 64 nb 
1985 14.491.632 66 nb 
1986 14.572.278 66 nb 
1987 14.665.037 65 65 
1988 14.760.094 66 64 
1989 14.848.907 67 65 
1990 14.951.510 69 66 
1991 15.069.798 71 68 
1992 15.184.166 73 71 
1993 15.290.368 75 73 
1994 15.382.838 77 74 
1995 15.459.006 78 76 
1996 15.530.498 80 77 
1997 15.610.650 81 78 
1998 15.707.209 83 79 
1999 15.812.088 85 81 
2000 15.925.513 87 85 
2001 16.046.180 91 88 
2002 16.148.929 94 91 
2003 16.225.302 96 94 
2004 16.281.779 97 96 
2005* 16.319.868 99 98 
2006* 16.346.101 100 100 
* Voorlopige cijfers. 
Bron: CBS, bewerking WODC 

532 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Tabel 8.2 Uitgaven slachtofferzorg, 1994-2006

(mln euro, nominaal) 
Slachtofferhulp 
bijdrage Ministerie van Justitie 5,6 5,7 4,5 5,1 5,9 6,1 7,3 8,4 9,5 9,0 9,8 11,0 12,4 
bijdrage andere overheden** nb nb 0,7 0,6 0,5 0,3 0,6 2,9 3,2 4,1 4,0 3,8 3,2 
Schadefonds Geweldsmisdrijven 
personeel en materieel*** 1,3 1,3 1,3 1,3 1,4 1,8 2,2 2,8 5,2 3,9 4,1 4,1 3,7 
uitkeringen 2,9 4,5 3,8 3,9 4,1 4,3 4,7 5,9 6,7 9,2 11,2 10,8 9,7 
Ministerie van Justitie 
inning schadevergoedingsmaatregelen 
door CJIB**** nvt nvt 0,1 0,2 0,1 0,5 0,8 1,0 0,9 1,0 3,0 4,6 4,3 
Totaal slachtofferzorg***** 9,9 11,5 10,5 11,1 12,1 13,0 15,6 21,0 25,5 27,1 32,0 34,4 33,3 
(mln euro, prijzen 2006) 
Slachtofferhulp 
bijdrage Ministerie van Justitie 7,6 7,4 5,9 6,5 7,5 7,5 8,7 9,5 10,4 9,5 10,2 11,3 12,4 
bijdrage andere overheden** nb nb 0,9 0,7 0,6 0,4 0,7 3,2 3,5 4,4 4,2 3,9 3,2 
Schadefonds Geweldsmisdrijven 
personeel en materieel*** 1,8 1,8 1,8 1,7 1,8 2,2 2,6 3,1 5,7 4,1 4,3 4,2 3,7 
uitkeringen 3,9 5,9 5,0 5,0 5,2 5,4 5,6 6,7 7,3 9,8 11,7 11,1 9,7 
Ministerie van Justitie 
inning schadevergoedingsmaatregelen 
door CJIB**** nvt nvt 0,1 0,3 0,2 0,7 0,9 1,2 1,0 1,1 3,1 4,7 4,3 
Totaal slachtofferzorg***** 13,3 15,1 13,6 14,2 15,4 16,1 18,5 23,8 27,9 28,9 33,4 35,1 33,3 
(euro, prijzen 2006) 
1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006* 
Uitgaven slachtofferzorg per… 
hoofd van de bevolking 
slachtoffer****** 

0,87 0,98 0,88 0,91 0,98 1,02 1,16 1,48 1,73 1,78 2,05 2,15 2,04 
9,66 4,09 4,63 4,66 4,38 4,58 4,77 5,54 7,33 7,80 8,54 9,90 9,70 

* Voorlopige cijfers. 
** Ministerie van VWS, Ministerie van V&W, gemeenten, provincies. 
*** Het gaat hier om de kosten van de verwerking van aanvragen, niet om de uitkering zelf. 
**** Het gaat hier om de kosten van inning, niet de schadevergoeding zelf. In 2004 is het CJIB overgegaan op een nieuwe 
methodiek voor kosprijsberekening. Het verschil zit met name in de doorbelaste kosten. Deze kosten zijn nu op een meer 
evenredige wijze dan voorheen over alle producten verdeeld. Hierdoor zijn de cijfers vanaf 2004 niet goed vergelijkbaar met 
voorgaande jaren. 
***** In de periode 2002-2004 inclusief personeel en materieel van de verantwoordelijke beleidsdirecties bij het Ministerie van 
Justitie (circa 2% in 2002). 

****** 
De slachtoffercijfers voor 2005 en verder kunnen om methodologische redenen niet zonder meer worden vergeleken met 
de cijfers tot en met 2004. Voor een uitgebreide beschrijving van de methodologie rond trend en trendbreuken wordt 
verwezen naar bijlage 4 in de Landelijke rapportage van de VMR. 

Bron: Rijksbegroting/slotwet, Jaarverslagen desbetreffende organisaties, bewerking WODC. 


Tabel 8.3 Uitgaven preventie, 1994-2006

 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006* 
(mln euro, nominaal)
Ministerie van Justitie**
algemeen (o.a. Justitie in de Buurt (JIB),
dienst Justis, regulering kansspelaanbod) 
4,9 3,0 4,6 4,8 3,8 3,7 27,1 30,9 20,5 21,6 23,3 13,1 13,6 
terrorismebestrijding door NCTB nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt 11,1 25,5 
terrorismebestrijding door IND nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt 1,5 3,0 
Ministerie van Binnenlandse Zakenen Koninkrijksrelatiespolitie 873,8 889,7 936,5 986,8 1.054,1 1.154,9 1.349,0 1.505,6 1.579,3 1.698,0 1.772,7 1.803,8 1.875,4 
nationale veiligheid (o.a. AIVD+voorlopers) 30,1 29,8 32,1 34,8 39,6 45,1 50,2 59,4 67,4 79,2 88,1 108,0 133,6 
overig veiligheid nvt nvt 19,4 22,9 29,5 62,3 97,3 130,1 189,5 229,3 289,2 172,2 147,0 
Totaal preventie 908,9 922,5 992,5 1.049,2 1.127,2 1.265,9 1.523,6 1.726,0 1.856,6 2.028,2 2.173,3 2.109,6 2.198,0 
(mln euro, prijzen 2006)
Ministerie van Justitie**
algemeen (o.a. Justitie in de Buurt (JIB),
dienst Justis, regulering kansspelaanbod) 
6,7 3,9 5,9 6,1 4,9 4,6 32,0 35,0 22,4 23,1 24,4 13,4 13,6 
terrorismebestrijding door NCTB nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt 11,3 25,5 
terrorismebestrijding door IND nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt 1,5 3,0 
Ministerie van Binnenlandse Zakenen Koninkrijksrelatiespolitie 1.182,6 1.167,9 1.222,0 1.265,0 1.337,0 1.424,9 1.595,5 1.705,3 1.727,7 1.810,8 1.851,5 1.841,7 1.875,4 
nationale veiligheid (o.a. AIVD) 40,8 39,2 41,9 44,6 50,3 55,6 59,3 67,3 73,7 84,5 92,0 110,3 133,6 
overig veiligheid nvt nvt 25,3 29,3 37,5 76,9 115,1 147,4 207,3 244,5 302,1 175,8 147,0 
Totaal preventie 1.230,1 1.211,0 1.295,2 1.345,1 1.429,7 1.561,9 1.801,9 1.955,0 2.031,1 2.162,9 2.270,0 2.153,9 2.198,0 
(euro, prijzen 2006)
Uitgaven preventie per…
hoofd van de bevolking 
geregistreerd misdrijf 

80 78 83 86 91 99 113 122 126 133 139 132 134 
936 987 1.092 1.103 1.158 1.198 1.356 1.417 1.449 1.580 1.720 1.716 1.804 

* Voorlopige cijfers.
** In de periode 2002-2004 inclusief personeel en materieel van de verantwoordelijke beleidsdirecties bij het Ministerie van Justitie (circa 30% in 2002)
Bron: Rijksbegroting/slotwet, Jaarverslagen desbetreffende organisaties, bewerking WODC 

Bijlage 4 533 


Tabel 8.4 Uitgaven opsporing, 1994-2006

 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006* 
(mln euro, nominaal)
Politiebijdrage Ministerie van Binnenlandse Zakenen Koninkrijksrelaties** 666,7 678,8 714,5 752,9 804,3 881,1 1.029,3 1.148,7 1.204,9 1.295,5 1.352,5 1.376,2 1.430,9 
bijdrage Ministerie van Justitie (KLPD) 210,5 214,5 217,4 237,4 199,0 195,1 nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt 
bijzondere politietaken, beleidsvorming*** 67,8 62,0 61,1 66,5 71,7 80,9 81,9 97,3 106,8 57,4 25,6 15,7 16,7 
Bijzondere opsporingsdienstenFIOD-ECD (+voorlopers) 59,2 63,5 68,0 74,0 80,3 84,2 86,8 99,7 107,7 106,9 182,2 200,3 179,0 
SIOD nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt 25,4 19,5 20,0 19,6 19,6 
AID nvt nvt nvt 0,7 2,5 3,1 6,2 5,5 5,0 4,7 7,8 7,7 7,6 
VROM-IOD (+voorlopers) 3,1 3,2 3,3 3,4 3,6 3,7 4,7 5,8 6,9 6,1 5,1 5,3 4,5 
bijzondere opsporingsdiensten en projecten**** nvt nvt nvt nvt nvt nvt 13,9 18,8 93,4 77,8 16,0 15,7 16,7 
Overig opsporingpolitie- en veiligheidstaken Kmar 48,4 50,9 57,4 64,4 66,4 71,6 77,0 87,1 99,6 106,8 106,5 104,4 127,0 
kustwacht Nederland 2,5 2,5 3,1 3,7 4,3 4,8 5,4 5,4 4,9 6,0 4,8 4,6 5,6 
NFI***** 14,9 16,6 19,9 20,6 15,3 18,5 21,6 24,6 29,9 35,3 43,1 45,8 49,0 
Inverzekeringstellingvroeghulp (reclassering) 1,6 2,1 2,0 2,5 2,1 2,5 2,6 2,3 4,0 5,3 6,2 8,0 7,7 
gesubsidieerde rechtsbijstand (piketdienst) 8,0 8,0 9,3 9,3 9,7 9,8 12,5 16,1 15,6 19,6 21,6 24,8 22,7 
Totaal opsporing 1.082,7 1.102,2 1.156,0 1.235,5 1.259,0 1.355,3 1.341,9 1.511,3 1.704,1 1.740,9 1.791,3 1.828,3 1.886,9 
(mln euro, prijzen 2006)
Politiebijdrage Ministerie van Binnenlandse Zakenen Koninkrijksrelaties** 
bijdrage Ministerie van Justitie (KLPD) 
bijzondere politietaken, beleidsvorming*** 

Bijzondere opsporingsdienstenFIOD-ECD (+voorlopers) 
SIODAID 

902,3 891,1 932,4 965,2 1.020,1 1.087,1 1.217,3 1.301,1 1.318,2 1.381,6 1.412,7 1.405,1 1.430,9 
284,8 281,6 283,6 304,4 252,4 240,8 nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt 
91,7 81,3 79,8 85,2 90,9 99,8 96,8 110,2 116,9 61,2 26,7 16,0 16,7 
80,1 83,4 88,7 94,9 101,8 103,9 102,7 112,9 117,8 114,0 190,3 204,6 179,0 
nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt 27,8 20,8 20,9 20,1 19,6 
nvt nvt nvt 0,9 3,1 3,8 7,4 6,3 5,4 5,0 8,1 7,9 7,6 

534 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 8.4 (Vervolg) 


 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006* 
VROM-IOD (+voorlopers) 4,3 4,3 4,4 4,4 4,6 4,5 5,6 6,6 7,5 6,5 5,3 5,4 4,5 
bijzondere opsporingsdiensten en projecten**** nvt nvt nvt nvt nvt nvt 16,4 21,2 102,2 83,0 16,7 16,0 16,7 
Overig opsporingpolitie- en veiligheidstaken Kmar 65,5 66,8 74,9 82,6 84,2 88,3 91,1 98,7 108,9 113,9 111,2 106,6 127,0 
kustwacht Nederland 3,4 3,3 4,0 4,7 5,4 6,0 6,4 6,1 5,4 6,4 5,0 4,7 5,6 
NFI***** 20,2 21,8 25,9 26,4 19,5 22,9 25,5 27,8 32,7 37,6 45,1 46,8 49,0 
Inverzekeringstellingvroeghulp (reclassering) 2,2 2,8 2,6 3,2 2,6 3,0 3,1 2,6 4,3 5,6 6,5 8,2 7,7 
gesubsidieerde rechtsbijstand (piketdienst) 10,8 10,5 12,2 12,0 12,3 12,1 14,8 18,2 17,1 20,9 22,5 25,4 22,7 
Totaal opsporing 1.465,3 1.446,9 1.508,4 1.583,9 1.596,9 1.672,2 1.587,0 1.711,8 1.864,2 1.856,5 1.871,0 1.866,7 1.886,9 
(euro, prijzen 2006)
Uitgaven opsporing perhoofd van de bevolking 
geregistreerd misdrijf 

95 94 97 101 102 106 100 107 115 114 115 114 115 
1.116 1.180 1.272 1.298 1.293 1.283 1.194 1.241 1.330 1.356 1.418 1.487 1.549 

* voorlopige cijfers.
** vanaf 2000 inclusief KLPD.
*** onder andere EDU, MOT (tot en met 1999), bewaking van luchthavens (later overgegaan in dienst Luchtvaart van het KLPD)
.
**** onder andere MOT (vanaf 2000), CIOT en KLPD; in 2002 en 2003 incl. project bestrijding drugssmokkel Schiphol.
***** tot en met 1997 inclusief rijksrecherche.
Bron: Rijksbegroting/slotwet, Jaarverslagen desbetreffende organisaties, Directie Sancties & Preventie, Ministerie van Justitie, bewerking WODC 

Bijlage 4 535 


Tabel 8.5 Uitgaven vervolging, 1994-2006

 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006* 
(mln euro, nominaal)
Openbaar Ministerie, personeel en materieel**
landelijke diensten 9,1 7,6 8,1 9,2 10,0 8,5 11,6 13,6 14,1 15,2 16,6 17,7 18,3 
ressortsparketten*** 20,0 20,1 24,2 27,7 26,4 29,5 34,5 40,6 42,0 45,3 49,5 52,8 54,4 
arrondissementsparketten, rechtbankzaken**** 105,6 85,3 87,7 99,5 111,3 124,1 145,2 171,0 176,9 191,1 208,4 222,5 229,1 
Openbaar Ministerie, gerechtskostenressortsparketten 2,9 3,5 3,7 3,9 3,5 3,9 4,6 6,3 8,1 8,7 11,7 7,9 6,8 
arrondissementsparketten, rechtbankzaken 15,3 15,1 13,4 13,9 14,7 16,3 19,2 26,4 34,1 36,7 49,2 33,4 28,6 
Raad voor de Kinderbeschermingstrafzaken (basis- en vervolgonderzoek) 13,0 13,7 15,9 18,3 21,3 27,3 29,7 35,1 40,5 39,3 39,7 41,5 44,0 
Reclasseringrapportages 8,3 10,6 11,9 11,6 12,3 19,2 25,7 26,2 28,4 24,4 18,2 13,6 14,3 
Totaal vervolging***** 174,2 155,9 165,0 184,1 199,5 228,7 270,5 319,2 344,1 360,9 393,2 389,5 395,4 
(mln euro, prijzen 2006)
Openbaar Ministerie, personeel en materieel**
landelijke diensten 12,3 10,0 10,6 11,8 12,6 10,4 13,7 15,4 15,4 16,2 17,3 18,1 18,3 
ressortsparketten*** 27,1 26,4 31,6 35,6 33,5 36,3 40,8 46,0 45,9 48,4 51,7 53,9 54,4 
arrondissementsparketten, rechtbankzaken**** 142,8 111,9 114,4 127,6 141,1 153,1 171,8 193,7 193,5 203,7 217,6 227,2 229,1 
Openbaar Ministerie, gerechtskostenressortsparketten 3,9 4,7 4,8 5,0 4,4 4,8 5,4 7,1 8,8 9,3 12,2 8,1 6,8 
arrondissementsparketten, rechtbankzaken 20,7 19,8 17,5 17,8 18,6 20,1 22,8 29,9 37,3 39,2 51,4 34,1 28,6 
Raad voor de Kinderbeschermingstrafzaken (basis- en vervolgonderzoek) 17,6 18,0 20,8 23,5 27,1 33,7 35,1 39,7 44,3 41,9 41,4 42,4 44,0 
Reclasseringrapportages 11,2 13,9 15,6 14,8 15,7 23,7 30,4 29,7 31,1 26,1 19,0 13,9 14,3 
Totaal vervolging***** 235,8 204,6 215,3 236,0 253,1 282,1 319,9 361,6 376,4 384,8 410,7 397,7 395,4 
(euro, prijzen 2006)
Uitgaven vervolging per…

hoofd van de bevolking 

ingestroomde rechtbankzaak bij het OM 

15 13 14 15 16 18 20 23 23 24 25 24 24 
863 794 859 941 1.044 1.202 1.371 1.532 1.498 1.424 1.499 1.490 1.477 

536 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

* voorlopige cijfers** inclusief huisvestingskosten en gecorrigeerd voor overhevelingen van het ZM in 2002*** inclusief overtredingen die in hoger beroep zijn behandeld.
**** vanaf 1998 inclusief rijksrecherche*****in de periode 2002-2004 inclusief personeel en materieel van de verantwoordelijke beleidsdirecties bij het Ministerie van Justitie (circa 2% in 2002)
Bron: Rijksbegroting/slotwet, Jaarverslagen desbetreffende organisaties, Directie Sancties & Preventie, Ministerie van Justitie, bewerking WODC 


Tabel 8.6 Uitgaven strafrechtspleging, 1994-2006 
1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006* 
(mln euro, nominaal)
Rechtspraak, personeel en materieel**
strafzaken Hoge Raad*** 4,1 4,2 4,3 4,5 5,2 5,9 6,6 6,3 9,6 9,8 10,3 12,1 13,8 
strafzaken Gerechtshoven*** 11,2 11,7 11,5 13,5 14,7 16,8 20,5 25,0 29,4 35,7 41,5 52,4 55,2 
strafzaken Rechtbank (exclusief kantonzaken) 29,1 35,2 36,8 46,2 52,9 71,0 99,1 134,8 148,0 149,8 152,3 152,4 157,5 
Rechtspraak, gerechtskostenstrafzaken Hoge Raad*** 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 
strafzaken Gerechtshoven*** 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,3 0,2 0,3 0,4 0,5 0,3 0,3 
strafzaken Rechtbank (exclusief kantonzaken) 0,4 0,6 0,6 0,7 0,7 1,0 1,4 1,1 1,3 1,8 1,8 0,9 0,8 
Totaal rechtspleging**** 45,0 52,0 53,5 65,1 73,7 94,9 128,0 167,4 188,7 197,6 206,5 218,3 227,6 
(mln euro, prijzen 2006)
Rechtspraak, personeel en materieel**
strafzaken Hoge Raad*** 5,6 5,5 5,6 5,8 6,5 7,3 7,8 7,1 10,5 10,4 10,8 12,4 13,8 
strafzaken Gerechtshoven*** 15,1 15,3 15,0 17,2 18,7 20,7 24,2 28,3 32,2 38,1 43,3 53,5 55,2 
strafzaken Rechtbank (exclusief kantonzaken) 39,4 46,2 48,1 59,3 67,0 87,6 117,2 152,7 161,9 159,7 159,1 155,6 157,5 
Rechtspraak, gerechtskostenstrafzaken Hoge Raad*** 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 
strafzaken Gerechtshoven*** 0,2 0,3 0,2 0,3 0,3 0,3 0,3 0,2 0,3 0,4 0,5 0,3 0,3 
strafzaken Rechtbank (exclusief kantonzaken) 0,6 0,8 0,8 0,9 0,9 1,2 1,6 1,2 1,5 1,9 1,9 1,0 0,8 
Totaal rechtspleging**** 60,9 68,3 69,8 83,5 93,5 117,1 151,4 189,6 206,4 210,7 215,7 222,8 227,6 
Tabel 8.6 Uitgaven strafrechtspleging, 1994-2006 
1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006* 
(mln euro, nominaal)
Rechtspraak, personeel en materieel**
strafzaken Hoge Raad*** 4,1 4,2 4,3 4,5 5,2 5,9 6,6 6,3 9,6 9,8 10,3 12,1 13,8 
strafzaken Gerechtshoven*** 11,2 11,7 11,5 13,5 14,7 16,8 20,5 25,0 29,4 35,7 41,5 52,4 55,2 
strafzaken Rechtbank (exclusief kantonzaken) 29,1 35,2 36,8 46,2 52,9 71,0 99,1 134,8 148,0 149,8 152,3 152,4 157,5 
Rechtspraak, gerechtskostenstrafzaken Hoge Raad*** 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 
strafzaken Gerechtshoven*** 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,2 0,3 0,2 0,3 0,4 0,5 0,3 0,3 
strafzaken Rechtbank (exclusief kantonzaken) 0,4 0,6 0,6 0,7 0,7 1,0 1,4 1,1 1,3 1,8 1,8 0,9 0,8 
Totaal rechtspleging**** 45,0 52,0 53,5 65,1 73,7 94,9 128,0 167,4 188,7 197,6 206,5 218,3 227,6 
(mln euro, prijzen 2006)
Rechtspraak, personeel en materieel**
strafzaken Hoge Raad*** 5,6 5,5 5,6 5,8 6,5 7,3 7,8 7,1 10,5 10,4 10,8 12,4 13,8 
strafzaken Gerechtshoven*** 15,1 15,3 15,0 17,2 18,7 20,7 24,2 28,3 32,2 38,1 43,3 53,5 55,2 
strafzaken Rechtbank (exclusief kantonzaken) 39,4 46,2 48,1 59,3 67,0 87,6 117,2 152,7 161,9 159,7 159,1 155,6 157,5 
Rechtspraak, gerechtskostenstrafzaken Hoge Raad*** 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 
strafzaken Gerechtshoven*** 0,2 0,3 0,2 0,3 0,3 0,3 0,3 0,2 0,3 0,4 0,5 0,3 0,3 
strafzaken Rechtbank (exclusief kantonzaken) 0,6 0,8 0,8 0,9 0,9 1,2 1,6 1,2 1,5 1,9 1,9 1,0 0,8 
Totaal rechtspleging**** 60,9 68,3 69,8 83,5 93,5 117,1 151,4 189,6 206,4 210,7 215,7 222,8 227,6 
Bijlage 4 537 


Tabel 8.6 (Vervolg) 


4 4 4 5 6 7 10 12 13 13 13 14 14 
631 667 667 785 890 1.052 1.363 1.692 1.767 1.565 1.619 1.681 1.694 
56% 54% 53% 48% 51% 54% 59% 52% 55% 51% 51% 56% 54% 
40% 39% 38% 40% 40% 37% 35% 33% 32% 36% 39% 45% 45% 
12% 13% 13% 14% 15% 19% 23% 28% 27% 27% 25% 24% 24% 
1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006* 
(euro, prijzen 2006)
Uitgaven rechtspleging per...

hoofd van de bevolking 

door de rechter in eerste aanleg afgedane

rechtbankstrafzaak 

werklast strafzaken als percentage van totalewerklast*****

Hoge Raad*** 

Gerechtshoven*** 

Rechtbank (exclusief kantonzaken) 

* Voorlopige cijfers.
** Inclusief huisvestingskosten en gecorrigeerd voor overhevelingen naar het OM (in 2002)
.
*** Inclusief overtredingen die in hoger beroep zijn behandeld, exclusief WAHV-zaken.
**** In de periode 2002-2004 inclusief personeel en materieel van de verantwoordelijke beleidsdirecties bij het Ministerie van Justitie (circa 1% in 2002)
***** Het betreft hier de gewogen werklast.
Bron: Rijksbegroting/slotwet, werklastmetingen rechtspraak, Jaarverslagen desbetreffende organisaties, bewerking WODC 

538 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 8.7 Uitgaven tenuitvoerlegging, 1994-2006

 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006* 
(mln euro, nominaal)
Dienst Justitiële Inrichtingengevangeniswezen, excl.
vreemdelingenbewaring, incl. detentiecentra 
351,9 397,5 441,4 478,8 523,8 647,3 672,1 726,1 796,9 938,1 1.038,0 1.010,5 987,7 
jeugdinrichtingen, strafrechtelijk 33,9 41,7 48,1 55,2 67,8 83,4 89,2 105,5 124,1 120,8 136,1 138,0 150,3 
tbs-klinieken 64,8 73,2 81,3 88,2 109,6 127,5 147,4 162,6 194,6 193,7 201,2 219,3 287,4 
politiecellen, strafrechtelijk nb nb nb 6,5 3,2 1,6 1,3 5,3 7,2 10,1 9,5 4,1 nb 
elektronisch toezicht/detentie,
penitentiaire programma’s nvt nvt nvt nvt nvt 3,0 4,2 4,3 5,6 6,0 16,9 20,6 20,7 
overig DJI** 0,0 0,0 0,0 44,0 70,0 107,0 89,0 131,0 88,2 38,2 91,5 122,5 71,2 
Centraal Justitieel Incassobureau***
boetevonnissen voor misdrijven 0,2 0,6 1,3 1,4 1,4 1,8 1,8 1,8 1,8 2,1 2,3 2,2 2,1 
transacties voor misdrijven nvt nvt nvt nvt nvt nvt 0,3 0,4 0,5 0,6 1,1 1,2 1,2 
administratieve afhandeling vrijheidsstraffen nvt nvt 0,0 0,2 0,2 0,6 0,6 0,5 0,5 0,6 1,6 1,4 1,1 
administratieve afhandeling taakstraffen nvt nvt 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,6 1,0 1,0 1,0 1,1 
ontnemingsmaatregelen nvt nvt 0,1 0,1 0,0 0,1 0,2 0,3 0,3 0,4 1,1 1,7 1,7 
Overige instellingenhalt-maatregel 5,0 5,9 6,4 7,6 7,6 10,4 9,6 11,3 9,9 10,2 10,4 11,2 11,8 
taakstraffen minderjarigen, misdrijven 5,5 5,8 6,7 7,7 9,0 11,5 12,5 14,8 17,1 18,3 23,3 27,9 31,3 
taakstraffen meerderjarigen, misdrijven 19,4 21,5 25,2 25,6 26,0 28,5 29,2 29,5 28,1 26,6 36,8 33,8 40,1 
Raad voor de strafrechttoepassing enJeugdbescherming nvt nvt nvt nvt nvt nvt 2,6 3,6 2,7 2,9 2,6 3,3 3,4 
schadeloossteling onrechtmatige detentie 1,6 1,8 2,0 3,1 4,2 4,9 5,4 5,9 6,3 6,8 7,3 7,8 7,8 
overig**** nvt nvt nvt nvt nvt nvt 4,0 4,0 2,5 1,1 1,1 1,4 1,4 
Totaal tenuitvoerlegging***** 482,4 547,9 612,5 718,4 823,0 1.027,9 1.069,4 1.206,7 1.286,8 1.377,4 1.581,9 1.607,9 1.620,1 
(mln euro, prijzen 2006)
Dienst Justitiële Inrichtingengevangeniswezen, excl. vreemdelingenbewaring, 
incl. detentiecentra 
jeugdinrichtingen, strafrechtelijk 

476,3 521,9 576,1 613,8 664,4 798,6 794,9 822,4 871,7 1.000,4 1.084,2 1.031,7 987,7 
45,9 54,7 62,8 70,7 86,0 102,9 105,4 119,5 135,7 128,8 142,2 140,9 150,3 

Bijlage 4 539 


Tabel 8.7 (Vervolg) 


 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006* 
tbs-klinieken 87,7 96,1 106,1 113,1 139,1 157,3 174,3 184,2 212,8 206,6 210,2 223,9 287,4 
politiecellen, strafrechtelijk nb nb nb 8,3 4,1 2,0 1,6 6,0 7,9 10,7 9,9 4,2 nb 
elektronisch toezicht/detentie,
penitentiaire programma’s nvt nvt nvt nvt nvt 3,7 5,0 4,9 6,1 6,4 17,7 21,0 20,7 
overig DJI** 0,0 0,0 0,0 56,4 88,7 132,1 105,3 148,3 96,5 40,8 95,5 125,1 71,2 
Centraal Justitieel Incassobureau***
boetevonnissen voor misdrijven 0,2 0,8 1,7 1,8 1,8 2,2 2,1 2,0 2,0 2,2 2,4 2,2 2,1 
transacties voor misdrijven nvt nvt nvt nvt nvt nvt 0,3 0,5 0,5 0,6 1,1 1,2 1,2 
administratieve afhandeling vrijheidsstraffen nvt nvt 0,0 0,2 0,2 0,8 0,8 0,6 0,5 0,6 1,7 1,4 1,1 
administratieve afhandeling taakstraffen nvt nvt 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,7 1,0 1,0 1,0 1,1 
ontnemingsmaatregelen nvt nvt 0,1 0,1 0,0 0,2 0,2 0,3 0,3 0,5 1,1 1,8 1,7 
Overige instellingenhalt-maatregel 6,8 7,7 8,4 9,7 9,7 12,9 11,4 12,8 10,9 10,9 10,8 11,5 11,8 
taakstraffen minderjarigen, misdrijven 7,4 7,6 8,8 9,9 11,4 14,2 14,8 16,7 18,7 19,5 24,4 28,5 31,3 
taakstraffen meerderjarigen, misdrijven 26,3 28,2 32,8 32,9 33,0 35,2 34,5 33,4 30,7 28,4 38,4 34,5 40,1 
Raad voor de strafrechttoepassingen Jeugdbescherming nvt nvt nvt nvt nvt nvt 3,0 4,1 3,0 3,1 2,7 3,4 3,4 
schadeloossteling onrechtmatige detentie 2,2 2,3 2,5 4,0 5,4 6,0 6,4 6,6 6,9 7,3 7,6 7,9 7,8 
overig**** nvt nvt nvt nvt nvt nvt 4,7 4,5 2,7 1,2 1,1 1,4 1,4 
Totaal tenuitvoerlegging***** 652,9 719,3 799,3 920,9 1.043,9 1.268,2 1.264,7 1.366,8 1.407,7 1.468,9 1.652,2 1.641,6 1.620,1 
(euro, prijzen 2006)
Uitgaven tenuitvoerlegging per…
hoofd van de bevolking 
straf of maatregel****** 

42 47 51 59 66 80 79 85 87 91 101 101 99 
3.288 3.389 3.590 4.054 4.544 5.129 5.229 5.609 5.482 4.992 5.722 5.747 5.645 

* Voorlopige cijfers.
** Niet toe te rekenen zaken, projecten en dergelijke.
*** In 2004 is het CJIB overgegaan op nieuwe methodiek voor kostprijsberekening. Het verschil zit met name in de doorbelaste kosten. Deze kosten zijn nu op een meer
evenredige wijze dan voorheen over alle producten verdeeld. Hierdoor is 2004 niet goed vergelijkbaar met voorgaande jaren.
**** Onder andere beleidsvorming.
***** In de periode 2002-2004 inclusief personeel en materieel van de verantwoordelijke beleidsdirecties bij het Ministerie van Justitie (circa 0,5% in 2002).
****** De som van alle vrijheidsstraffen, boetes, taakstraffen, maatregelen, OM-transacties en Halt-verwijzingen. Combinaties tellen dubbel.

Bron: Rijksbegroting/slotwet, Jaarverslagen desbetreffende organisaties, bewerking WODC 

540 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 8.8 Uitgaven ondersteuning, 1994-2006

 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 
(mln euro, nominaal)
Reclasseringmeerderjarigen (excl. vroeghulp, rapportagesen taakstraffen) (Reclassering) 27,2 38,1 29,0 43,7 56,5 47,5 52,6 71,0 73,3 82,2 76,0 96,8 97,9 
minderjarigen (Raad voor deKinderbescherming) 11,5 13,4 14,7 17,4 14,1 21,3 22,0 26,1 26,0 29,0 34,8 37,7 49,7 
Gesubsidieerde rechtsbijstandstrafzaken (excl. piketdienst) 45,4 45,7 46,8 52,6 54,5 57,0 72,6 93,1 95,1 121,3 123,1 146,3 146,4 
Totaal ondersteuning** 84,2 97,2 90,5 113,7 125,1 125,8 147,2 190,2 194,4 232,6 233,9 280,8 293,9 
(mln euro, prijzen 2006)
Reclasseringmeerderjarigen (excl. vroeghulp, rapportagesen taakstraffen) (Reclassering) 36,8 50,0 37,8 56,0 71,7 58,6 62,2 80,4 80,2 87,7 79,3 98,8 97,9 
minderjarigen (Raad voor deKinderbescherming) 15,6 17,6 19,2 22,3 17,9 26,2 26,1 29,6 28,4 30,9 36,3 38,5 49,7 
Gesubsidieerde rechtsbijstandstrafzaken (excl. piketdienst) 61,4 59,9 61,1 67,4 69,1 70,4 85,9 105,5 104,0 129,4 128,6 149,4 146,4 
Totaal ondersteuning** 113,9 127,6 118,1 145,7 158,7 155,2 174,1 215,4 212,7 248,0 244,3 286,7 293,9 
(euro, prijzen 2006)
Uitgaven ondersteuning per…

hoofd van de bevolking 

ingestroomde rechtbankzaak bij het OM 

7 8 8 9 10 10 11 13 13 15 15 18 18 
417 495 471 581 654 661 746 913 846 918 892 1.074 1.098 

* Voorlopige cijfers.
** In de periode 2002-2004 inclusief personeel en materieel van de verantwoordelijke beleidsdirecties bij het Ministerie van Justitie (circa 0,5% in 2002)
Bron: Rijksbegroting/slotwet, Jaarverslagen desbetreffende organisaties, Directie Sancties & Preventie, Ministerie van Justitie, bewerking WODC 

Bijlage 4 541 


Tabel 8.9 Uitgaven strafrechtshandhaving, 1994-2006

 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006* 
(mln euro, nominaal)
1.570,7 1.598,3 1.702,5 1.797,3 1.927,6 2.143,4 2.525,8 2.843,8 3.041,1 3.302,1 3.502,5 3.460,2 3.586,8 
1.103,3 1.170,7 1.245,5 1.432,9 1.534,7 1.800,5 1.789,6 2.091,6 2.306,5 2.408,4 2.579,3 2.662,7 2.722,0 
5,6 5,7 4,5 5,1 5,9 6,1 7,3 8,4 9,5 9,0 9,8 11,0 12,4 
4,2 5,9 5,2 5,2 5,5 6,1 6,9 8,7 11,9 13,0 15,2 15,0 13,4 
nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt 11,1 25,5 
nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt 1,5 3,0 
14,9 16,6 19,9 20,6 15,3 18,5 21,6 24,6 29,9 35,3 43,1 45,8 49,0 
152,9 131,6 137,1 154,2 165,8 182,2 215,1 257,9 275,2 297,1 335,3 334,4 337,1 
40,9 47,7 49,1 60,5 68,5 89,0 121,3 161,0 179,0 187,7 196,1 206,1 213,8 
4,2 4,3 4,4 4,6 5,2 6,0 6,7 6,4 9,7 9,9 10,4 12,2 13,8 
450,7 512,4 570,9 672,6 774,5 970,0 1.003,2 1.134,7 1.216,5 1.306,9 1.493,3 1.515,0 1.517,3 
0,2 0,6 1,4 1,9 1,8 3,1 3,7 4,1 4,6 5,6 10,0 12,1 11,4 
56,6 72,3 68,0 83,4 97,0 97,7 110,1 129,0 133,8 138,6 137,2 152,2 160,1 
5,0 5,9 6,4 7,6 7,6 10,4 9,6 11,3 9,9 10,2 10,4 11,2 11,8 
18,5 19,4 22,6 26,0 30,3 38,8 42,2 49,8 57,6 57,7 63,0 69,4 75,3 
11,5 13,4 14,7 17,4 14,1 21,3 22,0 26,1 26,0 29,0 34,8 37,7 49,7 
53,4 53,7 56,1 62,0 64,2 66,9 85,1 109,2 110,7 140,9 144,7 171,2 169,0 
nvt nvt nvt nvt nvt nvt 2,6 3,6 2,7 2,9 2,6 3,3 3,4 
284,7 281,2 285,0 311,8 278,7 284,6 132,1 156,8 229,5 164,8 73,3 53,7 56,1 
50,9 53,4 60,5 68,1 70,6 76,4 82,4 92,6 104,5 112,8 111,3 109,0 132,6 
59,2 63,5 68,0 74,0 80,3 84,2 86,8 99,7 107,7 106,9 182,2 200,3 179,0 
nvt nvt nvt 0,7 2,5 3,1 6,2 5,5 5,0 4,7 7,8 7,7 7,6 
nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt 25,4 19,5 20,0 19,6 19,6 
3,1 3,2 3,3 3,4 3,6 3,7 4,7 5,8 6,9 6,1 5,1 5,3 4,5 
nb nb 0,7 0,6 0,5 0,3 0,6 2,9 3,2 4,1 4,0 3,8 3,2 
Per overheidMinisterie van Binnenlandse Zakenen Koninkrijksrelaties 
Ministerie van Justitie 
waarvan:

Slachtofferhulp 
Schadefonds Geweldsmisdrijven 
Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding 
Immigratie- en Naturalisatiedienst 
Nederlands Forensisch Instituut 
Openbaar Ministerie 
Raad voor de rechtspraak 
Hoge Raad 
Dienst Justitiële Inrichtingen 
Centraal Justitieel Incassobureau 
Reclassering 
Halt Nederland 
Raad voor de Kinderbescherming 
Bureau Jeugdzorg 
Gesubsidieerde rechtsbijstand 
Raad voor de strafrechttoepassing enJeugdbescherming 
Overig** 

Ministerie van Defensie 
Ministerie van Financiën 
Ministerie van LNV 
Ministerie van SZW 
Ministerie van VROM 
Gemeenten, provincies, andere ministeries 

542 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 8.9 (Vervolg) 


 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006* 
(mln euro, nominaal)
9,9 11,5 10,5 11,1 12,1 13,0 15,6 21,0 25,5 27,1 32,0 34,4 33,3 
908,9 922,5 992,5 1.049,2 1.127,2 1.265,9 1.523,6 1.726,0 1.856,6 2.028,2 2.173,3 2.109,6 2.198,0 
1.082,7 1.102,2 1.156,0 1.235,5 1.259,0 1.355,3 1.341,9 1.511,3 1.704,1 1.740,9 1.791,3 1.828,3 1.886,9 
174,2 155,9 165,0 184,1 199,5 228,7 270,5 319,2 344,1 360,9 393,2 389,5 395,4 
45,0 52,0 53,5 65,1 73,7 94,9 128,0 167,4 188,7 197,6 206,5 218,3 227,6 
482,4 547,9 612,5 718,4 823,0 1.027,9 1.069,4 1.206,7 1.286,8 1.377,4 1.581,9 1.607,9 1.620,1 
84,2 97,2 90,5 113,7 125,1 125,8 147,2 190,2 194,4 232,6 233,9 280,8 293,9 
2.787,3 2.889,2 3.080,4 3.377,1 3.619,7 4.111,6 4.496,2 5.141,9 5.600,2 5.964,6 6.412,1 6.468,7 6.655,4 
(mln euro, prijzen 2006)
Per beleidsterreinslachtofferzorg 
preventie 
opsporing 
vervolging 
rechtspleging 
tenuitvoerlegging 
ondersteuning 

Totaal strafrechtshandhaving 

Per overheidMinisterie van Binnenlandse Zakenen Koninkrijksrelaties 
Ministerie van Justitie 
waarvan:

Slachtofferhulp 
Schadefonds Geweldsmisdrijven 
Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding 
Immigratie- en Naturalisatiedienst 
Nederlands Forensisch Instituut 
Openbaar Ministerie 
Raad voor de rechtspraak 
Hoge Raad 
Dienst Justitiële Inrichtingen 
Centraal Justitieel Incassobureau 
Reclassering 
Halt Nederland 
Raad voor de Kinderbescherming 

2.125,7 2.098,2 2.221,6 2.304,1 2.444,9 2.644,5 2.987,2 3.221,1 3.326,8 3.521,4 3.658,3 3.532,9 3.586,8 
1.493,2 1.536,9 1.625,3 1.836,9 1.946,5 2.221,5 2.116,5 2.369,1 2.523,2 2.568,4 2.694,0 2.718,6 2.722,0 
7,6 7,4 5,9 6,5 7,5 7,5 8,7 9,5 10,4 9,5 10,2 11,3 12,4 
5,7 7,7 6,8 6,7 7,0 7,6 8,2 9,9 13,0 13,9 15,9 15,3 13,4 
nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt 11,3 25,5 
nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt 1,5 3,0 
20,2 21,8 25,9 26,4 19,5 22,9 25,5 27,8 32,7 37,6 45,1 46,8 49,0 
206,9 172,7 179,0 197,7 210,4 224,8 254,4 292,2 301,0 316,8 350,3 341,4 337,1 
55,3 62,7 64,1 77,6 86,9 109,7 143,5 182,4 195,8 200,2 204,8 210,4 213,8 
5,6 5,6 5,7 5,9 6,6 7,4 7,9 7,2 10,6 10,5 10,9 12,4 13,8 
609,9 672,7 745,0 862,3 982,3 1.196,7 1.186,5 1.285,2 1.330,8 1.393,7 1.559,8 1.546,8 1.517,3 
0,2 0,8 1,9 2,5 2,3 3,8 4,4 4,6 5,0 6,0 10,5 12,4 11,4 
76,6 94,9 88,8 106,9 123,0 120,5 130,2 146,1 146,3 147,8 143,3 155,4 160,1 
6,8 7,7 8,4 9,7 9,7 12,9 11,4 12,8 10,9 10,9 10,8 11,5 11,8 
25,1 25,5 29,5 33,3 38,5 47,9 49,9 56,5 63,0 61,5 65,8 70,8 75,3 

Bijlage 4 543 


Tabel 8.9 (Vervolg) 


 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006* 
Bureau Jeugdzorg 15,6 17,6 19,2 22,3 17,9 26,2 26,1 29,6 28,4 30,9 36,3 38,5 49,7 
Gesubsidieerde rechtsbijstand 72,3 70,5 73,3 79,4 81,4 82,5 100,7 123,7 121,1 150,3 151,1 174,8 169,0 
Raad voor de strafrechttoepassing enJeugdbescherming 
nvt nvt nvt nvt nvt nvt 3,0 4,1 3,0 3,1 2,7 3,4 3,4 
Overig** 385,4 369,2 371,9 399,7 353,5 351,2 156,3 177,6 251,1 175,7 76,6 54,8 56,1 
Ministerie van Defensie 68,9 70,1 78,9 87,3 89,6 94,3 97,5 104,8 114,3 120,3 116,2 111,3 132,6 
Ministerie van Financiën 80,1 83,4 88,7 94,9 101,8 103,9 102,7 112,9 117,8 114,0 190,3 204,6 179,0 
Ministerie van LNV nvt nvt nvt 0,9 3,1 3,8 7,4 6,3 5,4 5,0 8,1 7,9 7,6 
Ministerie van SZW nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt nvt 27,8 20,8 20,9 20,1 19,6 
Ministerie van VROM 4,3 4,3 4,4 4,4 4,6 4,5 5,6 6,6 7,5 6,5 5,3 5,4 4,5 
Gemeenten, provincies, andere ministeries nb nb 0,9 0,7 0,6 0,4 0,7 3,2 3,5 4,4 4,2 3,9 3,2 
(mln euro, prijzen 2006)
Per beleidsterreinslachtofferzorg 13,3 15,1 13,6 14,2 15,4 16,1 18,5 23,8 27,9 28,9 33,4 35,1 33,3 
preventie 1.230,1 1.211,0 1.295,2 1.345,1 1.429,7 1.561,9 1.801,9 1.955,0 2.031,1 2.162,9 2.270,0 2.153,9 2.198,0 
opsporing 1.465,3 1.446,9 1.508,4 1.583,9 1.596,9 1.672,2 1.587,0 1.711,8 1.864,2 1.856,5 1.871,0 1.866,7 1.886,9 
vervolging 235,8 204,6 215,3 236,0 253,1 282,1 319,9 361,6 376,4 384,8 410,7 397,7 395,4 
rechtspleging 60,9 68,3 69,8 83,5 93,5 117,1 151,4 189,6 206,4 210,7 215,7 222,8 227,6 
tenuitvoerlegging 652,9 719,3 799,3 920,9 1.043,9 1.268,2 1.264,7 1.366,8 1.407,7 1.468,9 1.652,2 1.641,6 1.620,1 
ondersteuning 113,9 127,6 118,1 145,7 158,7 155,2 174,1 215,4 212,7 248,0 244,3 286,7 293,9 
Totaal strafrechtshandhaving 3.772,2 3.792,8 4.019,8 4.329,4 4.591,1 5.072,9 5.317,5 5.824,0 6.126,4 6.360,7 6.697,3 6.604,6 6.655,4 
(euro, prijzen 2006)
Uitgaven strafrechtshandhaving per…
hoofd van de bevolking 
slachtoffer 
geregistreerd misdrijf 

245 245 259 277 292 321 334 363 379 392 411 405 407 
1.156 1.161 1.373 1.333 1.368 1.503 1.596 1.791 1.714 1.881 1.987 1.822 1.929 
2.872 3.092 3.389 3.549 3.718 3.892 4.001 4.222 4.370 4.645 5.076 5.262 5.462 

544 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

* Voorlopige cijfers.
** Onder andere bijdragen aan bijzondere opsporingsdiensten, politietaken, preventie, beleidsvorming, schadeloosstellingen.
Bron en overige noten: zie tabel 8.2 t/m 8.8 


Bijlage 4 545 

Tabel 8.10 Preventie door particulieren, 1992-2006 

1992 
1993 
1994 
1995 
1996 
1997 
1998 
1999 
2000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006* 
* Voorlopige cijfers. 

Extra verlichting, hang- en 
sluitwerk, alarm, etc. 
Waakhond, licht laten 
branden bij afwezigheid, 
veiligheidsslot op fiets 
Politiekeurmerk Veilig 
Wonen, fietsverzekering 
(mln euro, prijzen 2006) 
22,9 1.015,1 
217,3 1.127,4 
95,2 1.122,1 
151,5 1.128,9 
64,7 1.063,1 
599,5 1.136,6 
66,5 1.120,9 
227,2 1.013,7 
104,1 1.083,3 
43,9 1.165,5 
72,6 1.110,3 
500,9 1.222,4 
75,6 1.126,6 10,3 
94,5 13,4 
252,7 14,0 
Bron: t/m 1999 CBS, v.a. 2000 PMB, vanaf 2005 VMR 


Tabel 8.11 Omzet beveiligingsindustrie, 1994-2006

 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005* 2006* 
(mln euro, nominaal)
Beveiligingsactiviteiten in het kadervan criminaliteitspreventie**
persoonsbeveiliging 2,7 3,2 3,6 3,6 8,9 0,2 1,6 4,7 23,0 22,0 9,0 9,6 10,5 
bedrijfsbeveiliging 306,9 369,4 411,3 419,8 477,9 552,9 571,8 634,3 889,0 909,0 923,0 987,7 1075,9 
ordediensten 3,4 4,1 4,6 4,7 4,5 7,5 23,3 27,5 50,0 50,0 56,0 59,9 65,3 
beveiliging parkeerplaatsen en -garage 2,8 3,3 3,7 3,8 4,0 5,2 4,3 6,0 17,0 8,0 7,0 7,5 8,2 
Totaal 315,8 380,0 423,2 431,9 495,3 565,8 601,0 672,4 979,0 989,0 995,0 1064,7 1159,8 
(mln euro, prijzen 2006)
Beveiligingsactiviteiten in het kadervan criminaliteitspreventiepersoonsbeveiliging 3,5 4,1 4,5 4,5 10,7 0,3 1,8 5,1 24,4 22,9 9,3 9,7 10,5 
bedrijfsbeveiliging 399,6 472,5 517,1 515,4 575,0 651,2 656,5 697,0 944,5 945,8 949,0 998,5 1075,9 
ordediensten 4,4 5,3 5,8 5,7 5,5 8,8 26,8 30,2 53,1 52,0 57,6 60,6 65,3 
beveiliging parkeerplaatsen en -garage 3,6 4,3 4,7 4,7 4,8 6,2 5,0 6,6 18,1 8,3 7,2 7,6 8,2 
Totaal 411,1 486,1 532,0 530,2 596,1 666,4 690,0 738,9 1040,1 1029,1 1023,0 1076,4 1159,8 
(euro, prijzen 2006)
Kosten per hoofd van de bevolking 

27 31 34 34 38 42 43 46 64 63 63 66 71 

* 
Voorlopige cijfers.
*
* 
De gegevens hebben betrekking op ondernemingen waar vijf of meer personen werkzaam zijn. Activiteiten die niet direct iets met criminaliteit te maken hebben, zijn nietmeegenomen.

Bron: CBS, bewerking WODC 

546 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Bijlage 4 547 

Tabel 8.12 Preventiemaatregelen bedrijfsleven, 1991-2006 

bouw-
nijverheid 
Vervoer, opslag 
en 
communicatie 
detailhandel horeca financiële en 
zakelijke dienst-
verlening 
cultuur, sport en 
overige dienst-
verlening 
combinatie 
van sectoren 
(mln euro, nominaal) 
317,6 
281,3 1.134,5 
1.134,5 
1.134,5 
44,0 51,7 39,0 
220,0 643,0 
270,0 
290,0 
58,0 58,0 270,0 37,0 156,0 
55,0 52,0 290,0 37,0 148,0 
53,0 47,0 280,0 33,0 130,0 
(mln euro, prijzen 2006) 
449,7 
359,9 1.451,1 
1.426,1 
1.392,6 
51,8 60,9 46,0 
241,8 706,6 
286,8 
301,8 
59,6 59,6 277,6 38,0 160,4 
55,6 52,6 293,2 37,4 149,6 
53,0 47,0 280,0 33,0 130,0 
1991 
1992 
1993 
1994 
1995 
1996 
1997 
1998 
1999 
2000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006* 

1991 
1992 
1993 
1994 
1995 
1996 
1997 
1998 
1999 
2000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006* 

Bron: MBI/MCB, detailhandel/Raad voor de detailhandel/Platform detailhandel Nederland, Stichting Trendmeter, bewerking 
WODC 


548 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Tabel 8.13 Overige preventiemaatregelen, 2000-2006

 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006* 
(mln euro, nominaal) 
306,0 347,3 367,0 446,6 535,0 578,4 
0,9 0,9 4,4 5,5 
1,0 1,0 6,4 6,6 
(mln euro, prijzen 2006) 
Kosten schadeverzekeringen 

a.g.v. misdrijven 
Bijdrage van bedrijfsleven 
aan overheidspreventie (leges) 
Bijdrage van particulieren 

aan overheidspreventie (leges) 

Kosten schadeverzekeringen 

a.g.v. misdrijven 
Bijdrage van bedrijfsleven 
aan overheidspreventie 
Bijdrage van particulieren 

aan overheidspreventie 

351,3 381,6 389,9 464,7 550,1 584,8 
0,9 0,9 4,4 5,5 
1,1 1,1 6,5 6,6 

* Voorlopige cijfers. 
Bron: CBS, Politie Monitor Bevolking, Jaarverslag Dienst Justis (Ministerie van Justitie), Rijksbegroting/slotwet, bewerking WODC 


Bijlage 4 549 

Tabel 8.14 Overzicht uitgaven aan private preventiemaatregelen, 

2006* 

schatting kosten op jaarbasis 
(mln euro, prijzen 2006) 
Kosten preventie bedrijfsleven 
omzet beveiligingsbedrijven in het kader van 
criminaliteitspreventie 1.159,8 
preventiemaatregelen bedrijfsleven 589,0 
bijdrage aan overheidspreventie 5,5 
Subtotaal kosten preventie bedrijfsleven 1.754,2 
Kosten preventie particulieren 
extra verlichting, hang- en sluitwerk, alarm, etc. 252,7 
waakhond, licht laten branden bij afwezigheid, 
veiligheidsslot op fiets 1.126,6 
politiekeurmerk Veilig Wonen, fietsverzekering 14,0 
bijdrage aan overheidspreventie 6,6 
Subtotaal kosten preventie particulieren 1.399,8 
Overige preventiekosten 
kosten schadeverzekeringen a.g.v. misdrijven 584,8 
Subtotaal overige preventiekosten 584,8 
Totale uitgaven aan private preventiemaatregelen 3.738,8 
(euro, prijzen 2006) 
Uitgaven aan private preventiemaatregelen per… 
hoofd van de bevolking (2006) 229 
slachtoffer (2006) 1.084 
geregistreerd misdrijf (2006) 3.069 
* Voorlopige cijfers. 
Bron: tabel 8.10 t/m 8.13, bewerking WODC 

550 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Tabel 8.15 Directe en indirecte schade voor bedrijfsleven, 1988-2006 

bouw-nijverheidVervoer, opslagen communicatiedetailhandelhorecafinanciele enzakelijke dienst-
verleningcultuur, sport enoverige dienst-
verleninglandbouwindustriegezond-heids-
en welzijns-zorggroothandelopenbaarbestuur enonderwijscombinatie vansectoren 
mln euro, nominaal 
680,7 
612,6 
680,7 
549,1 340,3 
340,3 
113,4 340,3 
680,7 
163,4 152,0 20,0 
54,5 
131,0 37,0 530,0 46,0 98,0 75,0 60,0 75,0 57,0 122,0 59,0 
750,0 
780,0 
120,0 74,0 720,0 46,0 175,0 
112,0 56,0 675,0 42,0 144,0 
112,0 51,0 640,0 40,0 129,0 
mln euro, prijzen 2006 
1988 
1989 
1990 
1991 
1992 
1993 
1994 
1995 
1996 
1997 
1998 
1999 
2000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006* 

1988 
1989 
1990 
1991 
1992 
1993 
1994 
1995 
1996 
1997 
1998 
1999 
2000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006* 

1.033,9 
867,3 
936,4 
702,3 435,3 
427,8 
139,3 417,8 
819,0 
192,4 179,0 23,6 
62,5 
144,0 40,7 582,4 50,5 107,7 82,4 65,9 82,4 62,6 134,1 64,8 
796,8 
811,6 
123,4 76,1 740,3 47,3 179,9 
113,2 56,6 682,4 42,5 145,6 
112,0 51,0 640,0 40,0 129,0 

Bron: MBI/MCB, detailhandel/Raad voor de detailhandel/platform detailhandel Nederland, Stichting Trendmeter, Openbaar Ministerie, 
bewerking WODC 


Bijlage 4 551 

Tabel 8.16 Schade voor bedrijfsleven door fraude en verzuim, 1995-2006

5776,9 
505,5 
Energiediefstal 202,2 
Verzuim werknemers 
wegens slachtofferschap 666,0 681,4 694,9 789,5 
1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 
(mln euro, nominaal) 
Interne fraude 5.714,0 
Verzekeringsfraude door 
verzekerden 500,0 1.000,0 
Energiediefstal 200,0 
Verzuim werknemers 
wegens slachtofferschap 529,8 578,6 632,4 758,7 
(mln euro, prijzen 2006) 
Interne fraude 
Verzekeringsfraude door 
verzekerden 1000,0 
Bron: Verbond van verzekeraars, Platform Energiediefstal, Hoffmann (2005), Vektis, Politiemonitor Bevolking, CBS, TNO-arbeid, 
bewerking WODC 


552 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Tabel 8.17 Materiële schade als gevolg van veel voorkomende criminaliteit, 1992-2002*

 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 
108 88 90 97 76 99 80 97 111 nb 136 
45% nb 45% nb 45% nb 45% nb 48% nb 46% 
(mln euro, nominaal) 
Geweldsdelicten 59,9 31,3 82,6 48,1 31,8 49,0 65,0 104,0 6,1 nb 4,7 
Diefstaldelicten 796,4 649,4 621,7 772,3 582,7 682,0 547,0 652,0 736,3 nb 1.002,6 
waarvan: 
inbraak 359,4 253,7 210,6 389,8 236,0 205,0 142,0 218,0 257,0 nb 206,8 
fietsdiefstal 85,8 103,0 82,1 83,0 83,9 98,0 102,0 110,0 189,5 nb 177,9 
autodiefstal 128,9 69,0 72,2 84,9 59,9 105,0 80,0 79,0 55,5 nb 86,8 
diefstal uit auto 91,2 130,2 106,2 101,2 93,9 143,0 103,0 128,0 140,1 nb 256,0 
overige diefstal 131,1 93,5 150,7 113,4 240,0 131,0 120,0 117,0 94,2 nb 275,1 
Vandalisme 152,9 239,1 271,4 245,9 221,9 437,0 360,0 442,0 582,6 nb 892,1 
waarvan: 
beschadiging auto 115,3 187,9 210,1 199,7 173,3 273,0 237,0 263,0 499,4 nb 643,4 
overige vernielingen 37,7 51,3 61,3 46,3 48,6 164,0 123,0 178,0 83,1 nb 248,7 
Doorrijden na ongeval 182,0 80,8 83,9 104,4 102,6 97,0 73,0 101,0 81,5 nb 129,1 
Overige misdrijven nb nb nb nb nb nb nb nb 130,0 nb 43,2 
Totaal 1.191,2 1.000,6 1.059,6 1.170,8 938,9 1.265,0 1.045,0 1.298,0 1.536,5 nb 2.071,7 
(mln euro, prijzen 2006) 
Geweldsdelicten 82,4 41,9 107,5 61,5 39,9 60,1 78,2 122,5 7,0 nb 5,0 
Diefstaldelicten 1.095,5 868,7 809,4 987,9 732,4 837,2 658,2 767,9 845,4 nb 1.065,1 
waarvan: 
inbraak 494,4 339,3 274,1 498,6 296,6 251,6 170,9 256,8 295,1 nb 219,7 
fietsdiefstal 118,0 137,8 106,9 106,2 105,5 120,3 122,7 129,6 217,6 nb 189,0 
autodiefstal 177,3 92,3 93,9 108,5 75,3 128,9 96,3 93,0 63,7 nb 92,2 
diefstal uit auto 125,5 174,2 138,2 129,4 118,1 175,5 123,9 150,8 160,8 nb 271,9 
overige diefstal 180,4 125,1 196,1 145,1 301,7 160,8 144,4 137,8 108,2 nb 292,3 
Vandalisme 210,4 319,9 353,3 314,6 278,9 536,4 433,2 520,6 668,9 nb 947,8 
waarvan: 
beschadiging auto 158,6 251,3 273,5 255,4 217,9 335,1 285,2 309,8 573,5 nb 683,6 
overige vernielingen 51,8 68,6 79,8 59,2 61,0 201,3 148,0 209,7 95,4 nb 264,2 
Doorrijden na ongeval 250,3 108,1 109,3 133,5 128,9 119,1 87,8 119,0 93,6 nb 137,2 
Overige misdrijven nb nb nb nb nb nb nb nb 149,3 nb 45,9 
Totaal 1.638,6 1.338,6 1.379,5 1.497,5 1.180,2 1.552,8 1.257,4 1.528,8 1.764,2 nb 2.200,9 
(euro, prijzen 2006) 
Kosten per hoofd van 

de bevolking 
Vergoed door de 
verzekering 

* 
Vanaf 2003 bevat de Politiemonitor Bevolking geen gegevens over fi nanciële schade meer. Ook de Veiligheidsmonitor (vanaf 
2005) bevat geen gegevens over fi nanciële schade. 
Bron: t/m 1999 CBS, vanaf 2000 Politiemonitor Bevolking. Door gebruik van verschillende bronnen zijn de cijfers van voor 2000 
niet goed vergelijkbaar met die vanaf 2000. 


Bijlage 4 553 

Tabel 8.18 Overige schade voor particulieren, 1996-2006

4,7 5,7 5,0 3,7 
155,6 104,9 
8.740,1 
53,6 
0,2 0,2 0,3 0,3 0,3 1,6 2,1 2,4 1,6 1,7 
Kindermishandeling 447,3 
1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006* 
(mln euro, nominaal) 
Pinpasfraude 4,4 5,5 4,9 3,7 
Letselschade 146,5 100,8 
Leed 8,645,0 
Medische kosten 53,0 
Vrijwillige bijdragen 
particulieren/instellingen 
aan slachtofferhulp 0,2 0,2 0,2 0,3 0,3 1,5 2,0 2,3 1,6 1,6 1,7 
Kindermishandeling 435,0 
(mln euro, prijzen 2006) 
Pinpasfraude 
Letselschade 
Leed 
Medische kosten 
Vrijwillige bijdragen 
particulieren/instellingen 
aan slachtofferhulp 1,7 
* Voorlopige cijfers. 
Bron: CBS, Politie monitor bevolking, jaarverslagen Slachtofferhulp Nederland, De Nederlandsche Bank, Meerding (2005), 
Groot, I. et. al. (2007), bewerking WODC 


554 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Tabel 8.19 Uitkeringen door het Schadefonds Geweldsmisdrijven, 1994-2006

0,25 0,38 0,32 0,32 0,33 0,34 0,35 0,42 0,45 0,60 0,72 0,68 
1,20 1,82 1,71 1,53 1,56 1,59 1,67 2,07 2,04 2,89 3,46 3,06 
1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006* 
(mln euro, nominaal) 
Uitkeringen 
materiële schade 0,9 1,4 1,1 1,0 1,1 1,3 1,3 1,9 2,3 3,2 3,6 3,6 3,2 
immateriële schade 1,9 3,1 2,7 2,9 3,0 3,1 3,4 4,1 4,3 6,0 7,6 7,2 6,5 
Totaal 2,9 4,5 3,8 3,9 4,1 4,3 4,7 5,9 6,7 9,2 11,2 10,8 9,7 
(mln euro, prijzen 2006) 
Uitkeringen 
materiële schade 1,3 1,9 1,4 1,3 1,4 1,6 1,5 2,1 2,6 3,4 3,7 3,7 3,2 
immateriële schade 2,6 4,1 3,6 3,7 3,9 3,8 4,0 4,6 4,7 6,4 7,9 7,4 6,5 
Totaal 3,9 5,9 5,0 5,0 5,2 5,4 5,6 6,7 7,3 9,8 11,7 11,1 9,7 
(euro, prijzen 2006) 
Uitgekeerd bedrag per… 
hoofd van de bevolking 0,59 
slachtoffer** 2,81 
* 
Voorlopige cijfers. 
** 
Het betreft hier alle slachtoffers van criminaliteit, en niet alleen de slachtoffers die een aanvraag hebben ingediend. De 
slachtoffercijfers voor 2005 en verder kunnen om methodologische redenen niet zonder meer worden vergeleken met de 
cijfers tot en met 2004. Voor een uitgebreide beschrijving van de methodologie rond trend en trendbreuken wordt verwezen 
naar bijlage 4 in de Landelijke rapportage van de VMR. 

Bron: jaarverslagen Schadefonds Geweldsmisdrijven, bewerking WODC 


Tabel 8.20 Opgespoorde fraude door bijzondere opsporingsdiensten en -ambtenaren, 1983-2006

FIOD-ECD** AID Ministerie van SZW SIOD VROM-IOD 
opgespoordstrafrechtelijknadeel*** 
opgespoordbelastingnadeel 
opgespoordwederrechtelijkverkregenvoordeel 
Zware sociale 
verzekerings-
fraude 
Middelzwaresocialeverzekerings-
fraude 
gederfde socialeverzekerings-
premies 
gederfdebelastingen 
maatschappelijknadeel**** 
huursubsidie-
fraude 
(mln euro, nominaal)
1983 64,4 
1984 62,2 
1985 98,9 
1986 142,5 
1987 47,6 
1988 125,7 
1989 54,9 
1990 123,4 
1991 106,6 72,1 
1992 159,3 95,0 
1993 106,2 127,6 
1994 783,7 673,0 129,8 
1995 434,7 521,4 118,8 
1996 135,7 155,6 87,6 
1997 129,8 145,2 71,7 
1998 239,6 240,0 
1999 247,1 257,6 
2000 316,7 301,8 
2001 409,0 1,8 
2002 277,0 221,8 0,4 
2003 689,0 184,4 16,7 43,4 1,2 
2004 144,3 18,0 26,8 39,7 1,4 
2005 134,1 9,9 25,7 19,6 1,3 
2006* 3,9 11,7 14,2 
(mln euro, prijzen 2006)
1983 103,3 
1984 96,4 
1985 150,3 
Bijlage 4 555 


Tabel 8.20 (Vervolg) 


1986 
1987 
1988 
1989 
1990 
1991 
1992 
1993 
1994 
1995 
1996 
1997 
1998 
1999 
2000 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 
2006* 

FIOD-ECD** AID Ministerie van SZW SIOD VROM-IOD 
opgespoordstrafrechtelijknadeel*** 
opgespoordbelastingnadeel 
opgespoordwederrechtelijkverkregenvoordeel 
Zware sociale 
verzekerings-
fraude 
Middelzwaresocialeverzekerings-
fraude 
gederfde socialeverzekerings-
premies 
gederfdebelastingen 
maatschappelijknadeel**** 
huursubsidie-
fraude 
216,4 
73,5 
195,3 
84,6 
186,2 
155,7 105,3 
224,1 133,7 
145,8 175,2 
1.060,6 910,8 175,6 
570,7 160,8 
177,1 118,5 
166,4 97,0 
303,9 
304,9 
374,6 
463,3 2,1 
303,0 242,6 0,4 
734,8 196,7 17,8 46,3 1,3 
150,8 18,8 28,0 41,5 1,4 
136,9 10,1 26,2 20,0 1,3 
3,9 11,7 14,2 
* Voorlopige cijfers.
** Vanaf 2000 inclusief de Economische controledienst (ECD)
.
*** Strafrechtelijk nadeel is het opgespoorde nadeel zoals dat is opgenomen in de processen-verbaal van alle afgedane onderzoeken over fi scale fraude en douanefraude. 
Daarnaast is in fraudezaken sprake van fi scaalrechtelijk nadeel: het opgespoorde belastingnadeel zoals dat is opgenomen in een fi scaal rapport aan de Belastingdienst. In2003 incl. 1 onderzoek met een belang van 325 mln euro.
**** Met maatschappelijk nadeel wordt bedoeld de veronderstelde opbrengst die voortvloeit uit opgespoorde identiteitsfraude. Op basis van ervaringsgegevens van Justitie is het 
potentiële benadelingsbedrag van een vals of vervalst identiteitsdocument te ramen op € 36.300.

Bron: FIOD-ECD, Algemene Inspectiedienst, Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst, begroting SZW, VROM-Inlichtingen- en Opsporingsdienst, CBS, bewerking WODC 

556 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Bijlage 4 557 

Tabel 8.21 Verdachte ongebruikelijke transacties, 1999-2005

 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 
(mln euro, nominaal) 
385,7 499,0 1.100,0 860,7 1.552,0 3.238,0 1.108,0 
6,9 11,6 33,4 52,7 99,1 114,4 109,4 
12,2 21,1 59,6 58,3 
35,5 108,9 104,5 
214,6 81,2 46,5 48,2 
581,2 1.315,2 2.908,6 787,6 
68,2 
469,5 
10,5 
32,6 
0,4 
(mln euro, prijzen 2006) 
454,3 573,0 1.208,8 914,4 1.614,9 3.329,3 1.120,2 
8,1 13,3 36,7 56,0 103,1 117,6 110,6 
13,0 21,9 61,2 58,9 
36,9 112,0 105,7 
228,0 84,5 47,8 48,7 
617,5 1.368,4 2.990,6 796,3 
72,5 
498,8 
11,2 
34,6 
0,4 
(euro, prijzen 2006) 
36 75 57 100 204 69 
Bedrag verdachte ongebruikelijke 
transacties 
waarvan: 
Money transfers 
Handelaren in zaken van grote waarde 
Vrije beroepsbeoefenaars 
Douane en belastingdienst 
Traditionele melders 
waarvan: 
Wisselkantoren 
Banken 

Casino’s 
Creditcardmaatschappijen 
Levensverzekeraars, 
effectenbemiddelaars, 
assurantietussenpersonen 

Bedrag verdachte ongebruikelijke 
transacties 
waarvan: 
Money transfers 
Handelaren in zaken van grote waarde 
Vrije beroepsbeoefenaars 
Douane en belastingdienst 
Traditionele melders 
waarvan: 
Wisselkantoren 
Banken 

Casino’s 
Creditcardmaatschappijen 
Levensverzekeraars, 
effectenbemiddelaars, 
assurantietussenpersonen 

Kosten per hoofd van de bevolking

Bron: jaarverslag MOT, bewerking WODC 


558 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Tabel 8.22 Overzicht schade, 2006* 

Schatting kosten op jaarbasis 
(mln euro, prijzen 2006) 
Schade voor de overheid 

fiscale en economische fraude 

opgespoord wederrechtelijk verkregen voordeel door AID 

zware sociale verzekeringsfraude (SIOD) 

middelzware sociale verzekeringsfraude 

huursubsidiefraude 

maatschappelijk nadeel identiteitsfraude 
Subtotaal schade voor de overheid 

Schade voor particulieren 

materiële schade 

pinpasfraude 

leed 

medische kosten 

vrijwillige bijdragen particulieren/instellingen aan slachtofferhulp 

Subtotaal schade voor particulieren 

Schade voor bedrijfsleven 

directe en indirecte schade 

schade door fraude 

verzuim werknemers wegens slachtofferschap 
Subtotaal schade voor bedrijfsleven 
Totale schade 

Schade per… 

hoofd van de bevolking (2006) 

slachtoffer (2006) 

geregistreerd misdrijf (2006) 

734,8 
2,1 
15,6 
136,9 
1,3 
14,2 
904,8 
2.200,9 
3,7 
8.740,1 
53,6 
1,7 
11.000,0 
1.464,3 
6.979,1 
789,5 
9.232,8 
21.137,7 
(euro, prijzen 2006) 
1.293 
6.126 
17.348 
* Voorlopige cijfers. 
Bron: tabel 8.15 t/m 8.18, 8.20, bewerking WODC 


Bijlage 4 559 

Tabel 8.23 Internationale vergelijking

 Canada Verenigde 
Staten 
Engeland 
en Wales 
Australie Nederland 
1993 1998 1999/2000 2001 2006 
(mln euro, prijzen 2006) 
Uitgaven in reactie op criminaliteit 
justitiële reactie (incl. politie, 
excl. preventie en slachtofferzorg) 9.249 324.591 18.816 4.641 4.424 
slachtofferzorg, excl. uitkeringen 63 638 24 
Uitgaven ter voorkoming van criminaliteit 
preventiemaatregelen algemeen 173.009 2.198 
preventiemaatregelen huishoudens 1.178 1.327 1.400 
preventiemaatregelen bedrijven, 
instellingen, overheid 5.839 6.771 2.277 1.754 
administratiekosten verzekeringen 109 1.059 363 585 
Uitgaven als gevolg van criminaliteit 
materiële schade 638.800 13.463 5.351 3.671 
fraude 113.772 16.708 4.264 7.884 
fysieke en emotionele schade 11.585 499.454 28.711 2.407 8.750 
medische kosten 12.586 152.733 2.109 181 54 
gederfde inkomsten (particulieren, 
bedrijven en overheid) 45.510 5.353 1.581 789 
Totaal 39.259 1.947.978 94.230 23.030 31.532 
(euro, prijzen 2006) 
Uitgaven per hoofd van de bevolking 1.369 7.200 1.780 1.179 1.929 
Uitgaven per geregistreerd misdrijf 14.351 79.387 18.513 12.654 25.879 
Bron: Brantingham & Easton (1998), Anderson (1999), Brand & Price (2000), Mayhew (2003), OECD, bewerking WODC 

560 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Tabel 8.24 Totaal overzicht van kosten van criminaliteit 

Overheidsuitgaven 
slachtofferzorg 
preventie 
opsporing 
vervolging 
rechtspleging 
tenuitvoerlegging 
ondersteuning 

Preventiemaatregelen 
bedrijfsleven 
particulieren 
algemeen 

Schade 
bedrijfsleven 
particulieren 
overheid 

totale kosten van criminaliteit 

9.233 
11.000 
905 
31.532 
(euro, prijzen 2006) 
kosten op jaarbasis 
(mln euro, prijzen 2006) 
33 
2.198 
1.887 
395 
228 
1.620 
294 
1.754 
1.400 
585 
Totale kosten van criminaliteit per… 
hoofd van de bevolking 
slachtoffer 
geregistreerd misdrijf 

Bron: tabel 8.9 en 8.22, bewerking WODC 

1.929 
9.138 
25.879 

Tabellen bij hoofdstuk 
9 
Tabel 9.1 Aantal ondervonden misdrijven, naar delict; 1995, 1999 en 2004 (per 100 respondenten)


Aut o d iefs t a l 
Dief s t a l u i t au t o 
Dief s t a l va n mot o r 
Fi et se nd ie fs t al 
Inbr aak 
P o g i n g t o t in b r a a k 
Dief s t al me t ge weld 
Dief s t a l va n er s o on lji k e 
bezit t in g e n 
S e x u e l e i n c i d e n t e n (a l l e e n 
vro u w e n) 
B e dr e i ging 
en mi shan delin g1995 1999 2004 1995 1999 2004 1995 1999 2004 1995 1999 2004 1995 1999 2004 1995 1999 2004 1995 1999 2004 1995 1999 2004 1995 1999 2004 1995 1999 2004Nederland 0,4 0,4 1,0 7,0 5,7 4,8 1,1 0,7 0,4 13,0 10,2 8,7 3,3 2,3 1,4 4,1 3,0 1,5 0,8 1,5 0,8 9,0 6,0 4,2 6,0 5,7 2,9 7,3 5,3 8,0 
België 0,9 0,6 4,1 5,5 0,3 0,1 5,2 6,1 2,4 2,1 3,7 2,9 1,4 1,4 4,8 4,1 2,1 1,1 4,6 7,1 
Denemarken 1,2 1,4 4,1 3,4 1,0 0,5 8,7 8,0 3,3 3,5 1,6 1,7 0,8 1,2 4,4 3,8 4,6 3,0 4,7 5,5 
Duitsland 0,2 2,4 0,2 4,3 1,1 1,3 0,5 3,9 2,4 4,2 
Engeland&Wales 2,7 2,4 2,3 11,3 8,5 8,2 0,2 0,5 0,8 4,2 3,2 3,2 3,4 3,4 4,6 4,4 3,8 3,3 1,7 2,0 2,6 5,5 5,7 7,5 3,1 6,1 1,7 9,7 12,4 8,1 
Frankrijk 1,8 2,0 0,7 9,3 6,2 4,2 1,0 0,3 0,5 3,7 1,9 0,9 2,9 1,0 1,8 2,2 1,9 1,2 1,3 1,8 0,9 4,8 3,1 3,9 1,7 1,3 0,4 5,7 6,0 3,4 
Luxemburg 0,6 3,3 0,0 1,6 2,2 2,7 0,8 5,0 0,3 3,7 
Bulgarije 1,2 4,2 0,0 1,1 3,0 2,8 1,4 4,8 0,2 1,9 
Estland 2,0 0,9 0,6 10,5 12,3 6,8 0,2 5,6 4,3 3,7 5,6 5,0 4,2 5,0 3,8 2,2 4,2 3,8 1,7 6,7 6,7 7,2 3,2 4,3 1,5 7,6 9,4 4,4 
Finland 0,5 0,4 0,5 3,5 3,2 2,7 0,2 0,1 0,1 6,4 5,8 6,5 0,8 0,5 1,2 0,8 1,3 0,5 0,8 0,7 0,4 3,6 3,9 2,6 4,7 8,4 1,2 7,4 6,1 4,0 
Griekenland 0,3 2,2 0,8 2,4 2,0 1,8 1,9 6,1 3,7 5,2 
Hongarije 0,2 2,4 0,0 2,0 2,5 1,0 1,1 3,7 0,3 2,1 
Ierland 1,3 6,5 0,3 2,6 2,4 3,1 3,0 7,7 3,7 8,0 
Italië 1,1 2,7 1,3 2,4 2,8 3,3 0,3 2,5 0,8 1,1 
Noord-Ierland 1,6 1,5 1,7 3,5 3,3 5,9 0,0 0,0 0,4 1,3 2,4 2,2 1,8 1,7 1,6 1,4 0,9 2,5 0,7 0,1 1,1 3,0 2,6 6,4 3,8 1,4 3,7 3,8 4,3 9,8 
Noorwegen 0,9 3,1 0,3 5,1 1,4 1,2 0,8 5,9 3,3 5,0 
Oostenrijk 0,1 0,1 1,9 2,5 0,0 0,0 4,3 2,4 1,0 1,2 0,5 1,6 0,2 0,5 5,7 3,7 9,5 1,5 3,7 2,9 
Polen 0,9 1,1 0,7 7,8 7,5 4,4 0,3 0,2 0,1 3,5 4,1 2,6 2,6 2,5 2,0 2,8 1,8 1,4 2,6 2,5 1,5 7,4 6,4 3,9 2,3 0,5 1,2 7,4 5,4 5,7 
Bijlage 4 561 


Tabel 9.1 (Vervolg) 

Portugal 
Schotland 
Spanje 
Zweden 
Zwitserland 

Australië 
Canada 
Japan 
Verenigde Staten 

Aut o diefs t al 
Dief s t a l u i t au t o 
Dief s t a l va n mot o r 
Fi et se ndie fs t al 
In br aak 
P o ging t o t inb r aak 
Dief s t a l me t ge weld 
D i e f s t al v a n e r s o o n ljike 
bezit t i ng e n 
S ex u e l e i nc i d e n t e n (a l le e n 
vro u w e n) 
B e dr e i ging 
en mi shan del i n g1995 1999 2004 1995 1999 2004 1995 1999 2004 1995 1999 2004 1995 1999 2004 1995 1999 2004 1995 1999 2004 1995 1999 2004 1995 1999 2004 1995 1999 20041,0 1,6 6,9 6,8 0,3 0,0 0,8 0,5 1,8 1,9 1,7 0,8 1,3 1,1 2,1 1,7 1,2 0,6 2,0 1,1 
2,0 0,9 0,4 8,9 5,8 2,7 0,1 0,2 0,2 2,1 2,3 2,1 1,6 1,5 2,2 2,9 2,2 2,6 1,0 0,9 1,0 5,5 5,0 3,2 1,5 2,1 1,1 7,3 10,3 5,7 
1,5 3,7 0,4 0,7 1,1 0,5 1,7 2,2 1,2 2,8 
1,5 1,4 0,5 6,0 7,1 5,7 0,6 0,4 0,7 11,4 9,4 5,3 1,5 2,3 0,8 1,2 0,9 0,1 0,5 1,5 1,2 5,8 7,2 3,1 6,0 6,0 3,6 7,6 6,5 5,2 
0,1 0,2 3,3 3,7 1,9 0,7 9,9 6,3 1,6 1,2 2,1 1,3 2,0 1,7 0,9 1,1 1,3 6,8 9,6 3,5 3,2 4,1 3,9 4,3 
2,0 1,2 8,4 5,8 0,1 0,2 2,2 1,5 4,8 3,1 4,0 3,0 1,5 1,3 8,0 4,3 4,7 8,1 11,2 
1,6 1,4 0,8 7,9 6,9 6,3 0,1 0,1 0,2 4,0 4,2 3,2 4,0 2,9 2,6 3,6 2,7 2,0 1,8 1,2 0,8 7,3 6,3 5,3 4,8 2,6 2,4 7,1 8,5 4,8 
0,1 0,1 1,7 1,2 1,0 0,7 7,9 6,7 1,7 1,2 1,2 1,3 0,1 0,2 0,5 0,3 3,1 1,6 0,6 0,8 
2,0 0,6 1,2 9,5 8,1 7,5 0,2 0,3 0,3 3,8 2,7 3,7 3,9 3,3 4,1 4,4 3,3 3,3 1,6 0,6 1,1 4,6 6,7 5,8 4,9 2,8 5,0 10,0 6,5 8,1 
Bron: ICVS 

562 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Bijlage 4 563 

Tabel 9.2 Aantal geregistreerde misdrijven per 100.000 inwoners, naar delict; 1995, 2000 en 2003To t a a l 
Dief s t al 
Dief s t a l me t ge weld 
Dr ugs 
Misha ndelin g 
Moor d en dood sl a g 
( in c l p o gin g ) 
Ve r k r a c h t i n g 
1995 2000 2003 1995 2000 2003 1995 2000 2003 1995 2000 2003 1995 2000 2003 1995 2000 2003 1995 2000 2003 
Nederland* 7.911 10 
België 7.439 26 
Denemarken 10.300 9 
Duitsland 8.151 11 
Engeland en Wales 9.831 25 
Frankrijk 6.337 17 
Luxemburg 6.925 8 
Bulgarije 2.374 7 
Estland 2.667 8 
Finland 11 
Griekenland 3.138 2 
Hongarije 4.876 3 
Ierland 2.838 12 
Italië 3.960 5 
Letland 1.552 
Litouwen 1.656 10 
8.207 8.530 5.684 5.398 5.290 102 117 127 49 47 96 181 277 330 18 11 11 9 10 
9.747 9.784 3.459 4.521 4.171 130 253 248 324 501 407 480 547 624 4 7 8 13 24 
9.447 9.013 5.390 5.498 5.323 39 59 59 15 248 269 165 184 202 4 4 4 8 9 
7.622 7.976 4.704 3.630 3.677 78 72 73 194 297 310 370 465 546 6 4 3 8 9 
9.917 11.241 7.116 5.718 5.847 131 182 192 218 267 392 859 1.348 3 3 3 10 16 
6.352 6.605 3.958 3.692 3.681 129 185 208 137 175 209 122 179 224 5 4 4 13 14 
5.200 5.728 3.389 2.812 3.150 62 82 95 186 279 248 291 259 298 14 14 13 11 7 
1.773 1.729 1.788 1.120 995 69 55 66 0 10 26 15 1 1 10 7 5 9 7 
4.189 3.968 1.975 2.885 2.727 210 345 140 3 115 87 27 30 15 21 14 12 7 5 
9.778 10.259 10.343 4.277 4.218 3.812 43 50 39 177 260 289 434 538 555 10 10 9 9 11 
3.496 4.158 671 631 642 15 16 22 28 74 99 65 68 73 3 3 2 2 2 
4.446 4.110 2.265 2.311 1.832 26 34 33 4 34 34 103 108 114 4 4 4 4 3 
1.933 2.634 2.448 2.005 2.385 225 81 80 107 221 192 16 45 100 2 1 1 23 9 
3.822 4.236 2.337 2.369 2.290 50 117 122 67 60 64 38 50 53 5 4 4 2 4 
2.087 976 1.195 36 131 11 27 24 18 11 9 6 6 
2.254 2.352 1.133 1.458 1.345 77 120 136 11 25 28 24 38 67 14 11 10 5 5 

Tabel 9.2 (Vervolg) 

To t a a l 
Dief s t a l 
Dief s t a l me t ge weld 
Dr ugs 
Mish a n del i n g 
Moor d en d ood sl a g 
( i n c l p o g i ng ) 
Ve r k r a c h t i n g 
1995 2000 2003 1995 2000 2003 1995 2000 2003 1995 2000 2003 1995 2000 2003 1995 2000 2003 1995 2000 2003 
Noord-Ierland 4.284 23 
Noorwegen 
Oostenrijk 6.049 15 
Polen 2.526 6 
Portugal 3.276 4 
Schotland 10.785 20 
Slovenië 2.019 3 
Slowakije 2.137 4 
Spanje** 2.285 4 
Tsjechië 3.638 6 
Zweden 29 
Zwitserland 4.256 7 
7.125 7.515 3.059 3.111 3.038 75 105 116 89 86 152 269 1.098 1.505 4 10 9 16 14 
9.190 10.137 4.531 4.665 22 40 535 983 58 78 2 3 9 12 
6.906 7.881 2.658 3.206 4.263 26 37 54 145 223 273 403 461 412 2 2 2 11 14 
3.278 3.799 1.338 1.745 1.634 53 111 114 11 50 123 75 84 76 4 4 3 6 7 
3.515 3.983 1.397 1.588 1.717 144 166 189 64 63 39 348 421 533 5 4 
9.912 9.639 5.732 4.551 3.735 104 87 82 483 621 800 1.028 1.205 1.232 15 14 16 8 14 
3.363 3.810 1.038 1.900 2.153 23 26 21 23 68 52 25 21 16 5 4 3 6 4 
1.645 2.067 1.489 1.021 1.127 24 23 35 24 83 69 75 2 3 3 4 2 
2.307 2.377 1.555 1.591 1.664 220 234 222 33 43 61 2 3 3 4 4 
3.812 3.490 2.588 2.465 2.298 39 46 54 11 43 37 78 70 67 3 3 2 7 5 
12.985 13.615 13.995 7.695 7.787 7.360 65 101 96 323 363 456 616 659 727 19 23 
3.729 4.481 3.888 3.327 3.967 46 52 59 586 641 633 52 74 91 2 2 3 4 6 
* Nederland, Drugs: 1998 in plaats van 1995.
** Spanje, Mishandeling: 1997 in plaats van 1995.
Bron: European Sourcebook 
564 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 9.3 Aantal slachtoffers van moord per 100.000 inwoners

 1980 
Nederland 

België 1,4 
Denemarken 1,5 
Duitsland* 1,4 
Engeland & Wales 1,3 
Frankrijk 
Luxemburg 

Bulgarije 
Estland 
Finland 2,3 
Griekenland 
Hongarije 
Ierland 
ItaliëLetland 
Litauen 
Noord-Ierland 
Noorwegen 0,8 
Oostenrijk 
Polen 
Portugal 
Roemenië 

1981 1982 1983 1984 1985 1986 1987 1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 
1,3 1,2 1,0 1,2 1,1 1,5 1,5 1,5 1,4 1,6 1,7 1,5 1,8 1,8 1,7 1,6 1,4 1,4 1,6 1,3 
1,1 1,8 1,3 1,2 1,4 1,2 1,4 2,1 1,7 2,0 2,3 2,2 
1,3 1,1 1,1 0,9 1,3 1,0 0,9 1,0 1,1 0,8 1,3 1,2 1,4 1,4 1,1 1,3 1,7 0,9 1,0 1,1 1,0 0,9 
1,5 1,6 1,5 1,5 1,4 1,5 1,4 1,3 1,3 1,2 1,6 1,5 1,8 1,7 1,7 1,5 1,4 1,2 1,2 1,6 1,4 1,4 
1,1 1,2 1,1 1,2 1,2 1,3 1,4 1,2 1,3 1,3 1,4 1,3 1,3 1,4 1,4 1,3 1,4 1,4 1,5 1,6 1,7 2,0 
2,3 2,4 2,4 2,4 2,3 2,4 2,4 2,3 2,0 1,6 1,6 1,6 2,1 2,1 2,2 
1,4 0,9 1,3 0,9 
5,6 4,9 4,6 4,6 3,9 3,9 3,6 3,2 
16,6 14,6 12,2 13,5 10,9 10,4 10,0 10,3 
2,2 2,2 2,3 2,2 2,5 3,0 2,4 2,4 2,8 3,0 3,1 3,1 2,6 2,9 2,9 3,0 2,7 2,2 2,8 3,4 3,6 3,1 
1,0 1,3 1,3 1,4 1,3 1,4 1,6 1,9 1,9 1,5 1,5 1,3 1,0 
2,9 2,6 2,8 2,8 2,5 2,0 2,5 2,0 
0,5 0,7 0,7 0,6 0,7 1,2 1,2 1,4 1,4 1,3 1,0 1,4 1,4 
1,4 2,5 2,1 1,6 1,5 1,9 2,2 3,2 3,5 2,7 2,0 1,8 1,8 1,8 1,6 1,6 1,5 1,4 1,3 1,2 
7,3 7,1 7,0 6,9 6,3 6,2 
12,1 10,0 9,2 8,5 8,5 10,1 9,7 8,1 
1,5 2,4 3,0 4,6 2,1 2,9 3,1 2,7 
0,7 1,1 0,9 1,0 0,9 0,9 0,9 1,0 1,5 1,1 1,2 1,1 0,9 0,8 1,0 1,0 0,9 0,9 0,8 1,1 0,9 1,1 
1,1 1,4 1,1 1,1 0,8 1,0 0,8 0,8 
2,6 2,6 2,6 2,3 2,2 2,5 2,0 1,9 
4,1 3,9 3,8 3,4 3,0 2,4 2,7 2,5 
2,6 2,7 2,5 
2003 
1,4 
1,8 
1,2 
1,3 
1,6 
2,0 
0,7 
3,0 
10,9 
2,61,1 
2,3 
1,1 
1,3 
9,5 
1,9 
1,2 
0,61,7 
2,6 
2,5 
Bijlage 4 565 


Tabel 9.3 (Vervolg) 

1981 1982 1983 1984 1985 1986 1987 1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 
2,7 2,6 1,8 1,9 2,5 2,1 2,1 2,5 
2,4 2,0 1,9 0,8 1,3 1,8 0,7 1,4 
2,4 2,5 2,6 2,4 2,6 2,6 2,4 2,4 
1,0 1,0 0,9 1,1 1,0 1,2 1,3 
1,8 1,7 
1,8 1,5 1,5 1,4 1,5 1,8 1,6 1,7 1,8 1,4 1,6 2,0 2,0 1,8 2,0 2,3 1,8 2,1 2,1 2,0 1,9 2,2 
1,1 1,2 1,2 1,0 1,2 0,9 1,2 1,2 
1,9 2,0 1,9 2,0 1,9 1,9 2,0 1,7 1,7 1,8 1,8 1,8 1,8 
2,8 2,7 2,8 2,7 2,8 2,2 2,5 2,2 2,1 2,0 2,1 2,0 1,8 1,7 1,7 1,8 1,9 
1,5 1,5 1,5 1,5 1,5 1,4 1,3 1,2 1,1 1,0 1,0 1,0 1,0 1,0 1,0 1,0 1,0 1,1 1,0 1,1 1,1 1,3 
9,8 9,1 8,3 7,9 7,9 8,6 8,3 8,4 8,7 9,4 9,8 9,3 9,5 9,0 8,2 7,4 6,8 6,3 5,6 5,5 5,6 5,6 
2003 
2,1 
1,0 
2,4 
1,2 
1,8 
1,0 
1,7 
1,7 
0,9 
5,7 
1980 
Schotland 
SloveniëSlowakije 
Spanje 
TsjechiëZweden 1,6 
Zwitserland 

Australië 
Canada 2,6 
Japan 1,4 
VS 10,2 

* Tot en met 1990: West-Duitsland; 1991: West-Duitsland en Berlijn; vanaf 1992 geheel Duitsland.
Bron: European Sourcebook, Home Office, Nationale statistische bureaus. 

566 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006


Tabel 9.4 Percentage minderjarige verdachten, naar delict; 1995, 1999 en 2003

Nederland 

Duitsland* 
Engeland en Wales 
Frankrijk 
Luxemburg 

Bulgarije* 
Estland 
Finland* 
GriekenlandHongarije 
Ierland**
Italië 
Letland 
Litouwen*** 
Noorwegen 

To t a a l 
Dief s t a l 
Dief s t al me t ge weld 
Dr ugs 
Mish an del i n g 
Moor d en d oood sl a g 
( i nc l . p o ging ) 
Ve r k r a c h t i n g 
1999 2003 1995 1999 2003 1995 1999 2003 1995 1999 2003 1995 1999 2003 1995 1999 2003 1995 1999 2003 
18% 19% 
19% 12% 
11% 12% 
21% 22% 
12% 11% 
16% 
12% 7% 
6% 
8% 7% 
6% 
3% 5% 
7% 
13% 24% 
15%
17% 21% 23% 23% 25% 33% 30% 4% 4% 4% 15% 18% 16% 8% 5% 7% 14% 17% 
18% 30% 33% 30% 35% 40% 37% 12% 17% 17% 16% 20% 19% 6% 8% 8% 8% 11% 
10% 41% 31% 28% 45% 42% 42% 12% 13% 15% 23% 18% 21% 6% 7% 7% 8% 9% 
19% 28% 33% 31% 31% 40% 39% 10% 20% 17% 12% 16% 15% 7% 8% 8% 15% 21% 
11% 17% 19% 16% 20% 5% 20% 5% 6% 2% 
11% 23% 10% 17% 5% 17% 23% 14% 16% 7% 2% 6% 8% 4% 5% 15% 13% 
19% 25% 23% 26% 23% 0% 8% 6% 7% 4% 8% 34% 19% 
9% 24% 20% 17% 27% 32% 18% 9% 9% 5% 13% 14% 12% 4% 5% 2% 6% 4% 
6% 11% 11% 4% 4% 1% 2% 1% 1% 4% 2% 5%
9% 20% 15% 18% 28% 29% 35% 4% 18% 14% 10% 7% 7% 5% 4% 6% 12% 13% 
21% 15% 27% 17% 25% 5% 10% 15% 15% 9% 5% 10% 
2% 9% 9% 10% 6% 7% 8% 3% 5% 2% 2% 3% 2% 2% 3% 2% 3% 6% 
23% 7% 20% 8% 1% 1% 5% 3% 4% 6% 25% 7% 
15% 21% 23% 27% 27% 4% 3% 5% 5% 7% 7% 17% 
29% 30% 15% 48% 6% 11% 15% 15% 10% 4% 16% 25% 
Bijlage 4 567 


Tabel 9.4 (Vervolg) 

To t a a l 
Dief s t al 
Dief s t a l me t ge weld 
Dr ugs 
Misha ndelin g 
Moor d en doood sl a g 
( i nc l . p o ging ) 
Ve r k r a c h t i n g 
1999 2003 1995 1999 2003 1995 1999 2003 1995 1999 2003 1995 1999 2003 1995 1999 2003 1995 1999 2003 
16% 11% 
15% 10% 
6% 12% 
17% 9% 
20% 6% 
13% 
14% 5% 
12% 11% 
29% 7% 
14% 26% 30% 24% 28% 38% 32% 19% 29% 7% 12% 17% 14% 4% 5% 4% 8% 14% 
8% 29% 29% 21% 26% 27% 24% 1% 2% 14% 17% 21% 21% 6% 7% 3% 13% 10% 
7% 21% 17% 22% 20% 23% 4% 7% 7% 5% 13% 5% 11% 8% 
10% 38% 30% 17% 50% 39% 27% 12% 15% 16% 10% 10% 11% 3% 5% 9% 9% 6% 
6% 18% 26% 10% 8% 2% 
12% 18% 17% 23% 24% 5% 5% 3% 
11% 32% 16% 20% 32% 27% 29% 19% 19% 11% 9% 10% 5% 2% 3% 9% 12% 
13% 25% 18% 17% 28% 22% 30% 4% 4% 6% 20% 15% 18% 7% 3% 8% 5% 
20% 31% 27% 23% 33% 38% 40% 8% 12% 11% 12% 16% 15% 7% 6% 5% 5% 8% 
Oostenrijk* 
Polen 
Roemenië 
Slovenie 
Slowakije 
Spanje 
Tsjechië* 
Zweden 
Zwitserland 

* Bulgarije, Duitsland, Finland, Oostenrijk, Tsjechië: 2000 in plaats van 1999.
** Ierland: 1998 in plaats van 1999.
*** Litouwen: 2002 in plaats van 2003.
Bron: European Sourcebook 
568 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 9.5 Percentage vrouwelijke verdachten, naar delict; 1995, 1999 en 2003

Nederland 

Duitsland* 
Engeland en Wales 
Frankrijk 
Luxemburg 

Bulgarije* 
Estland 
Finland* 
Griekenland 
Hongarije 
Ierland** 
Letland 
Litouwen*** 
Noorwegen 
Oostenrijk* 
Polen 

To t a a l 
Dief s t al 
Dief s t a l me t ge weld 
Dr ugs 
Misha ndelin g 
Moor d en dood sl a g 
( in c l p o gin g ) 
Ve r k r a c h t i n g 
1999 2003 1995 1999 2003 1995 1999 2003 1995 1999 2003 1995 1999 2003 1995 1999 2003 1995 1999 2003 
12% 2% 
23% 1% 
16% 1% 
14% 2% 
11% 0% 
9% 
15% 1% 
15% 2% 
13% 0% 
0% 
4% 
13% 1% 
16% 
21% 1% 
9% 1% 
13% 17% 16% 18% 8% 6% 7% 12% 12% 14% 9% 11% 12% 9% 9% 12% 4% 0% 
24% 29% 31% 30% 8% 9% 9% 12% 12% 12% 13% 14% 15% 10% 12% 12% 1% 1% 
18% 26% 23% 23% 8% 8% 11% 10% 12% 11% 12% 17% 16% 10% 10% 9% 0% 1% 
15% 15% 16% 18% 7% 7% 6% 10% 8% 8% 10% 10% 12% 13% 14% 14% 4% 2% 
21% 11% 21% 4% 9% 15% 15% 15% 20% 0% 
9% 7% 7% 11% 4% 3% 4% 7% 7% 6% 1% 6% 8% 11% 8% 0% 0% 
11% 7% 9% 5% 6% 5% 19% 8% 8% 9% 8% 
16% 17% 19% 21% 13% 9% 12% 10% 13% 16% 10% 11% 12% 12% 11% 13% 0% 0% 
14% 5% 10% 10% 2% 4% 4% 9% 7% 8% 11% 11% 11% 4% 2% 5% 3% 2% 
15% 9% 10% 15% 10% 9% 9% 12% 13% 10% 9% 9% 9% 17% 13% 21% 1% 0% 
19% 13% 23% 3% 7% 9% 11% 6% 9% 12% 3%
11% 3% 4% 2% 5% 11% 11% 8% 14% 8% 0% 0% 
10% 9% 8% 4% 3% 23% 26% 9% 9% 10% 12% 0% 
10% 27% 9% 8% 17% 20% 9% 6% 7% 0% 0% 0% 
20% 23% 23% 24% 13% 10% 11% 18% 17% 15% 12% 13% 14% 20% 20% 14% 0% 1% 
9% 9% 5% 7% 4% 5% 5% 1% 8% 7% 8% 7% 13% 13% 12% 0% 1% 
Bijlage 4 569 


Tabel 9.5 (Vervolg) 

To t a a l 
Dief s t a l 
Dief s t a l me t ge weld 
Dr ugs 
Mish a n del i n g 
Moor d en d ood sl a g 
( i n c l p o g i ng ) 
Ve r k r a c h t i n g 
1999 2003 1995 1999 2003 1995 1999 2003 1995 1999 2003 1995 1999 2003 1995 1999 2003 1995 1999 2003 
11% 0% 
12% 0% 
0% 
9% 1% 
12% 1% 
18% 0% 
15% 0% 
13% 14% 14% 8% 4% 3% 5% 15% 11% 21% 19% 19% 2% 2% 
16% 13% 10% 13% 7% 8% 5% 11% 14% 8% 13% 13% 6% 13% 12% 9% 1% 1% 
7% 13% 8% 3% 5% 8% 9% 1% 11% 10% 10% 2%
10% 9% 11% 11% 11% 10% 6% 5% 11% 10% 1% 1% 
12% 7% 8% 9% 8% 7% 8% 12% 7% 8% 8% 14% 16% 12% 0% 0% 
19% 27% 27% 29% 5% 4% 5% 15% 14% 15% 9% 9% 12% 11% 11% 1% 0% 
15% 17% 16% 18% 6% 8% 7% 15% 15% 13% 11% 10% 11% 13% 12% 13% 0% 
Roemenië 
Slovenie 
SlowakijeSpanje 
Tsjechië* 
Zweden 
Zwitserland 

* Bulgarije, Duitsland, Finland, Oostenrijk, Tsjechië: 2000 in plaats van 1999.
** Ierland: 1998 in plaats van 1999.
*** Litouwen: 2002 in plaats van 2003.
Bron: European Sourcebook 
570 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 9.6 Aantal door rechter veroordeelde verdachten per 100.000 inwoners, naar delict; 1995, 2000 en 2003

Nederland 

België 
Denemarken 
Duitsland 
Engeland & Wales 
Frankrijk 

Bulgarije 
Estland* 
Finland 
Hongarije 
Ierland 
Italië 
Letland 
Noord-Ierland* 
Noorwegen 
Oostenrijk 

To t a a l 
Dief s t al 
Dief s t a l me t ge weld 
Dr ugs 
Misha ndelin g 
Moor d en dood sl a g 
( in c l p o gin g ) 
Ve r k r a c h t i n g 
1995 2000 2003 1995 2000 2003 1995 2000 2003 1995 2000 2003 1995 2000 2003 1995 2000 2003 1995 2000 2003 
629 2,1 
1.507 4,5 
926 1,1 
1.124 1,6 
2.589 1,3 
613 2,7 
140 2,4 
540 1,5 
3.353 1,3 
938 1,4 
146 6,9 
357 2,3 
388 
2.053 0,6 
1.274 
868 2,2 
663 787 179 164 184 22 23 24 30 40 61 36 49 67 6,3 7,5 9,3 2,3 1,8 
1.443 1.557 89 75 72 22 24 25 51 40 39 46 42 44 1,4 1,7 1,9 3,7 4,5 
2.787 2.630 473 391 349 11 12 14 7 107 112 81 83 97 1,1 0,5 0,7 1,4 1,2 
1.071 1.067 228 209 205 11 13 13 46 66 68 51 71 82 1,2 1,1 1,0 1,5 2,7 
2.711 2.806 249 284 266 10 11 14 61 86 97 109 136 155 0,5 0,6 0,7 1,1 1,1 
955 848 105 157 124 10 9 10 33 38 43 35 87 73 1,4 1,1 1,1 1,8 2,9 
387 376 74 195 201 7 17 17 0 3 7 1 3 3 2,6 2,0 2,2 1,7 2,3 
744 802 304 334 278 61 79 69 1 23 17 19 18 13,5 8,0 7,1 4,0 2,8 
3.350 3.885 653 687 673 9 9 12 46 112 143 153 152 203 3,8 3,2 3,7 1,2 1,2 
1.034 1.026 328 340 274 15 15 17 2 15 16 61 53 55 2,8 3,0 3,4 2,3 1,6 
129 974 127 56 586 4 14 37 0 17 102 2 16 101 0,1 0,8 1,3 0,6 2,7 
534 379 52 97 59 10 12 12 29 31 36 5 8 13 1,3 1,6 2,1 1,7 2,0 
528 180 233 17 27 4 7 7,4 4,0 4,2 3,7 
1.582 1.420 254 167 135 12 7 9 42 39 24 39 38 35 4,3 1,0 0,9 1,5 0,5 
1.427 175 182 4 5 95 186 17 14 0,6 0,8 0,6 
513 511 211 125 142 6 7 7 41 40 55 125 65 68 0,7 0,5 0,8 2,2 1,9 
Bijlage 4 571 


Tabel 9.6 (Vervolg) 

To t a a l 
Dief s t a l 
Dief s t a l me t ge weld 
Dr ugs 
Mish a n del i n g 
Moor d en d ood sl a g 
( i n c l p o g i ng ) 
Ve r k r a c h t i n g 
1995 2000 2003 1995 2000 2003 1995 2000 2003 1995 2000 2003 1995 2000 2003 1995 2000 2003 1995 2000 2003 
506 2,7 
365 0,5 
1.475 0,8 
207 5,7 
1,5 
294 0,2 
532 1,5 
1.603 1,5 
937 1,2 
576 1.077 135 145 167 14 23 30 5 7 26 36 44 51 1,7 1,6 1,9 2,5 2,2 
519 672 80 55 46 16 14 18 27 34 23 27 52 53 3,4 2,5 2,7 1,3 0,6 
1.182 1.321 432 347 365 13 12 12 109 107 114 248 222 247 2,6 2,9 2,6 0,5 0,8 
343 365 66 85 95 2 5 6 2 12 16 15 31 32 1,9 2,7 1,0 2,2 2,9 
433 502 132 134 12 12 7 11 56 57 1,2 1,1 1,1 
246 298 106 74 79 16 14 15 19 18 20 9 12 24 1,3 1,0 1,3 0,7 0,2 
615 645 170 161 149 12 14 15 2 9 13 22 27 30 1,3 1,6 1,7 1,8 1,4 
1.330 1.268 375 273 268 6 9 10 70 90 113 106 88 86 1,4 1,7 1,5 1,5 1,4 
1.209 1.345 87 129 134 5 9 9 114 183 186 14 24 30 1,2 1,3 0,8 1,2 1,4 
Polen 
Portugal 
Schotland* 
Slovenië 
SlowakijeSpanje 
Tsjechië 
Zweden 
Zwitserland 

* Estland, Noord-Ierland, Schotland: 2002 in plaats van 2003.
Bron: European Sourcebook 
572 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 


Tabel 9.7 Aantal gevangenen per 100.000 inwoners

Nederland* 23 

België 56 
Denemarken 63 
Duitsland** 91 
Engeland & Wales 86 
Frankrijk 66 
Luxemburg 

Bulgarije 
Estland 
Finland 106 
Griekenland 
Hongarije 
Ierland 
Italië 56 
Letland 
Litouwen 
Noord-Ierland 
Noorwegen 44 
Oostenrijk 
Polen 
Portugal 
Roemenië 

 1980 1981 1982 1983 1984 1985 1986 1987 1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 200523 27 29 34 33 34 34 43 42 46 49 50 53 57 67 77 75 75 84 90 95 101 113 124 
57 60 64 66 64 64 66 64 66 65 61 68 74 75 76 78 84 77 80 83 85 90 84 88 
64 63 65 67 66 67 69 67 69 70 68 70 65 61 60 63 66 61 59 64 66 70 
93 100 101 100 95 88 84 83 82 82 81 74 81 80 81 88 91 95 97 97 96 95 96 97 
87 88 88 87 93 93 97 99 96 90 90 89 87 95 99 106 119 125 123 124 126 137 139 140 
72 56 63 70 78 77 86 88 80 84 86 86 89 93 92 93 93 91 92 80 77 88 93 91 
90 81 86 111 121 
115 114 122 128 140 
328 350 341 354 338 
101 99 97 93 90 86 85 80 68 69 69 69 67 64 63 62 58 54 53 56 59 67 66 66 
76 79 78 81 
158 171 177 168 162 
76 80 78 75 
52 62 71 76 73 59 56 55 54 46 62 83 88 89 83 85 87 86 89 94 95 100 102 97 
353 364 363 349 333 
240 291 326 288 227 
52 64 70 76 
49 49 51 48 48 50 52 56 60 57 61 58 57 57 58 56 57 57 59 59 64 65 
83 85 92 97 
169 207 209 211 208 
132 133 137 
221 225 230 208 185 
134 
90 
76 
96 
143 
92 
152 
158 
327 
73 
87 
162 
102 
313 
233 
7867 
107 
217 
122 
175 
Bijlage 4 573 


Tabel 9.7 (Vervolg) 

 1980 1981 1982 1983 1984 1985 1986 1987 1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005129 131 136 
57 58 56 55 56 
297 139 146 164 177 
114 117 126 136 140 
219 207 164 167 
58 60 58 52 52 51 53 58 57 58 58 60 65 70 71 65 59 60 59 64 69 73 76 82 
89 72 69 72 82 
89 94 96 99 103 106 113 112 115 114 118 120 
127 130 131 130 131 123 123 118 116 112 115 
45 45 45 46 45 45 44 42 39 37 36 36 36 37 38 40 42 43 47 50 53 58 
275 287 312 330 352 385 434 462 488 518 531 567 603 621 651 672 694 686 688 706 716 725 
133 
57173 
142 
186 
78 
82124 
738 
Schotland 
Slovenië 
Slowakije 
Spanje 
Tsjechië 
Zweden 55 
Zwitserland 

Australië 
Canada 
Japan 
VS

* Vanaf 1999 is voor Nederland overgegaan op een andere bron (Council of Europe SPACE statistics). Het niveauverschil tussen 1998 en 1999 wordt grotendeels hierdoor
veroorzaakt. 
** Tot en met 1990: West-Duitsland; 1991: West-Duitsland en Berlijn; vanaf 1992 geheel Duitsland.

Bron: WODC, Home Office, Council of Europe 

574 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006


Bijlage 5 
Afkortingen 

ag advocaat-generaal 
AID Algemene Inspectiedienst 
AMvB algemene maatregel van bestuur 
BJZ Bureau Jeugdzorg 
BOB Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden 
BOD bijzondere opsporingsdienst 
BOOM Bureau Ontnemingsmaatregelen Openbaar Ministerie 
BOPZ Wet Bijzondere opneming in psychiatrische ziekenhuizen 
BPS Bedrijfsprocessen systeem 
BVOM Bureau Verkeershandhaving Openbaar Ministerie 
BZK ministerie van Binnenlandse Zaken en 
Koninkrijksrelaties 
CBS Centraal Bureau voor de Statistiek 
CIE Criminele Inlichtingen Eenheid 
CIOT Centraal Informatiepunt Onderzoek & Telecommunicatie 
CIV Centraal Informatiepunt Voetbalvandalisme 
CJIB Centraal Justitieel Incasso Bureau 
COMPAS Communicatiesysteem Openbaar Ministerie-Parket 
Administratie Systeem 
CRR Centraal Register Rijbewijzen 
DISAD Directie Internationale Strafrechtelijke Aangelegenheden 
en Drugsbeleid 
DJI Dienst Justitiële Inrichtingen 
DNRI Dienst Nationale Recherche Informatie 
DTC Dagtrainingscentrum 
ECD Economische Controledienst 
ED Elektronische detentie 
ERV Enquête Rechtsbescherming en Veiligheid 
ESM Enquête Slachtoffers Misdrijven 
Et Elektronisch Toezicht 
EHRM Europese Hof voor de rechten van de mens 
EU Europese Unie 
EU ICS European Survey on Crime and Safety 
EVRM Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van 
de Mens en de fundamentele vrijheden 
FIOD-ECD Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst/Economische 
Controledienst 
G4 de vier grote steden 
GBA Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens 
GGz Vereniging Geestelijke Gezondheidszorg 
GPS Geïntegreerd Proces Systeem 
gvo gerechtelijk vooronderzoek 
GW Grondwet 
Halt Het alternatief 
HKS Herkenningsdienstsysteem 


576 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

HR Hoge Raad der Nederlanden 
hvb huis van bewaring 
ICVS International Crime Victims Survey 
ISD Inrichting voor stelselmatige daders 
IVBPR Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke 
rechten 
IVO incidenteel versneld ontslag uit detentie wegens plaatsgebrek 
JDS Justitieel Documentatie Systeem 
KLPD Korps landelijke politiediensten 
KMar Koninklijke Marechaussee 
KNVB Koninklijke Nederlandse Voetbalbond 
MKZ Mond- en klauwzeer 
L&V Enquête Leefbaarheid en Veiligheid 
LCA Landelijk Coördinatiepunt Arrestatiebevelen 
LNV Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij 
LORS Landelijk Overvallen Registratie Systeem 
LRT Landelijk Rechercheteam 
MBI Monitor Bedrijven en Instellingen 
MCB Monitor Criminaliteit Bedrijfsleven 
MOT Meldpunt Ongebruikelijke Transacties 
MvJ Ministerie van Justitie 
NFI Nederlands Forensisch Instituut 
NTS NIPO Nederlands Instituut voor de Publieke Opinie en het 
Marktonderzoek 
OBJD Onderzoeks- en Beleidsdatabase Justitiële Documentatie 
OM Openbaar Ministerie 
OMDATA Beleidsinformatiesysteem van het OM 
OPS Opsporingsregister 
ots ondertoezichtstelling 
ovj officier van justitie 
PaG Parket-Generaal 
Pbw Penitentiaire beginselenwet 
pg procureur-generaal 
pi penitentiaire inrichting 
PIJ Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen 
PMB Politiemonitor Bevolking 
poi penitentiair open inrichting 
POLS Permanent Onderzoek Leefsituatie 
pp penitentiair programma 
PPP purchasing power parity 
PTT Post Telefoon Telegraaf (thans KPN) 
pv proces-verbaal 
PW Politiewet 
rc rechter-commissaris 


Bijlage 5 577 

RDW Rijksdienst voor het Wegverkeer 
RIAGG Regionale Instelling voor Ambulante Geestelijke 

Gezondheidszorg 
RISc Raad voor de strafrechttoepassing en jeugdbescherming 
RvdK Raad voor de Kinderbescherming 
RvdR Raad voor de Rechtspraak 
SBI Standaard Bedrijfsindeling 
SEB Slachtofferenquête Bedrijven 
SGM Schadefonds Geweldsmisdrijven 
SHN Slachtofferhulp Nederland 
SIOD Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst 
SOV Strafrechtelijke Opvang Verslaafden 
Sr Wetboek van Strafrecht 
SRM WODC-Strafrechtmonitor 
SRN Stichting Reclassering Nederland 
SSB Sociaal Statistisch Bestand (van het CBS) 
STRABIS Strafrecht Boete Incasso Systeem 
Stcrt. Staatscourant 
Sv Wetboek van Strafvordering 
SVB Sociale Verzekeringsbank 
SZW Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid 
tbr terbeschikkingstelling van de regering 
tbs terbeschikkingstelling 
TOBIAS Totaal Bekeuring Informatie Afhandelings Systeem; 
TRIAS Transactie Registratie Inning en Informatie Afhandelings 

Systeem 
TULP Tenuitvoerleggingprogramma 
TULP/JJI Tenuitvoerleggingprogramma/Justitiële 

Jeugdinrichtingen 
UWV Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen 
V&W Ministerie van Verkeer en Waterstaat 
VI vervroegde invrijheidstelling 
VIP Verwijs Index Personen 
VMR Veiligheidsmonitor Rijk 
VN Verenigde Naties 
VROM Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijk Ordening 

en Milieu 
VROM-IOD VROM Inlichtingen- en Opsporingsdienst 
VWS Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport 
WAHV Wet Administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoor


schriften (Wet-Mulder) 
WED Wet op de economische delicten 
Wet RO Wet op de rechterlijke organisatie 
WODC Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum 
WOTS Wet Overdracht Tenuitvoerlegging Strafvonnissen 


578 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

WPR Wet op de Persoonsregistratie 
WSA Wetenschappelijk Statistisch Agentschap 
WSNP Wet schuldsanering natuurlijke personen 
wvv wederrechtelijk verkregen voordeel 
WVW Wegenverkeerswet 
WWM Wet wapens en munitie 


Bijlage 6 
Trefwoordenregister 

aangifte 93-97, 98-100, 107-112 
advocaten – taken en rechtspositie 
23-24 

afdoening door Openbaar 
Ministerie 29-32, 141-150, 
169-173, 215-249, 291-292 

afdoening door politie 39, 164, 
218-224, 291-292 

afdoening door rechter 

(zie: vonnis) 
afkortingenlijst 573-576 
allochtonencriminaliteit (zie ook: 

daderprofiel; verdachten) 123-125 

alternatieve (jeugd)straffen (zie 
ook: Halt; jeugdstraffen en 
-maatregelen) 49-50, 55-56, 
153-156, 175-178, 201-208, 
224-225, 227-241 

angst voor criminaliteit 

(zie: Onveiligheidsgevoelens) 

arrondissementsrechtbank 

(zie: rechterlijke macht) 

bedrijven als slachtoffer 

(zie ook: Monitor Bedrijven 
en Instellingen; Monitor 
Criminaliteit Bedrijfsleven; 
preventiemaatregelen door 
bedrijven) 75-78, 97-100, 103-105, 
270-271 

behandelinrichtingen voor 
jeugdigen (zie: justitiële 
jeugdinrichtingen) 

beleidssepot (zie: afdoening door 
Openbaar Ministerie) 

beslissing omtrent vervolging 

(zie: afdoening door Openbaar 
Ministerie) 


beslissing van de rechter 

(zie: vonnis) 

beveiligingsmaatregelen 

(zie: reventiemaatregelen) 
bijzondere opsporingsdiensten 27, 
258-259, 272-273 
boete (zie: geldboete) 

burgers als slachtoffer 

(zie: lachtoffers) 
Buro Slachtofferhulp – organisatie 

en taken (zie: slachtofferhulp) 
cassatie (zie: rechtsmiddelen) 
Centraal Justitieel Incasso Bureau 

(zie ook: inning van geldboete; 
inning van voordeelsontneming) 
37-38, 263-264, 328-329 

classificatie van misdrijven 

307-308 

criminaliteitsontwikkeling 

(zie ook: internationale 
vergelijking criminaliteit; 
regionale criminaliteit; 
stadscriminaliteit) 91-99, 107-139, 
217-226, 281-290 

criminele carrière (zie: recidive) 
daderprofiel (zie ook: verdachten) 
122-128, 152, 288-290 

delinquenten – kenmerken 

(zie: aderprofiel; verdachten) 

deskundigen in het strafproces 

(zie: getuige-deskundigen) 

detailhandel als slachtoffer 

(zie: edrijven als slachtoffer) 
diefstal (zie: vermogensdelicten) 
diefstal met geweld (zie: 

overvalcriminaliteit) 

Dienst Justitiële Inrichtingen 

36-37, 263-264, 267-268 
dna-onderzoek (zie: Nederlands 
Forensisch Instituut) 

doorlooptijd van strafzaken 

160 

doorrijden na ongeval 

(zie: erkeersdelicten) 

drugsdelicten 120-121, 134-135, 
150-151, 234-239, 244, 285, 
288-289 

dwangmiddelen 39-40 
economische delicten 143-146, 241 
eindonderzoek (zie: terechtzitting) 
elektronisch huisarrest 53, 182 
European Sourcebook 333-334 


580 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

fraude (zie: economische delicten; 
vermogensdelicten) 

gedetineerden – kenmerken 

(zie: gevangenisbevolking) 

gefinancierde rechtshulp 

(zie: rechtshulp) 

geldboete (zie ook: inning van 
geldboete) 50, 55, 153-156, 
208-210, 217-226, 242-244 

gerechtelijk laboratorium (zie: 

Nederlands Forensisch Instituut) 
gerechtelijk vooronderzoek 40-41 
gerechtshof (zie: rechterlijke 

macht) 

geregistreerde criminaliteit 

(zie: criminaliteitstontwikkeling) 
getuige-deskundigen 25-26 
getuigen 24-25 
gevangenisbevolking – kenmerken 

181-186, 329-330 

gevangeniscapaciteit – bezetting 
en doorstroming 183-184, 
329-330 

gevangenissen (zie: penitentiaire 
inrichtingen) 

gevangenisstraffen 45, 48-49, 
157-159, 182, 225-226, 227-241, 
292-294 

geweldsdelicten 64-65, 92-93, 
101-102, 116-119, 133-134, 151, 
173-177, 226-229, 237-239, 
243-244, 281-282, 285-290 

gratie 187-188 
griffie 34 
Halt (zie ook: alternatieve 

(jeugd)straffen) 
54-55, 165-167, 223-224, 263-264 
hechtenis (zie: gevangenisstraffen; 

voorlopige hechtenis) 
heenzendingen 188-189 
herhaald slachtofferschap (zie: 

meervoudig slachtofferschap) 
Herkenningsdienstsysteem (HKS) 
320-322 
Hoge Raad (zie: rechterlijke macht) 

hoger beroep (zie: rechtsmiddelen) 
huis van bewaring (zie: enitentiaire 
inrichtingen) 

informatiebronnen criminaliteit 
en rechtshandhaving 309-334 
inning van geldboete (zie ook: 
geldboete) 208-210, 213, 263 

inning van voordeelsontneming 

(zie ook: voordeelsontneming) 
211, 263 

Inspectie voor de 
sanctietoepassing 37 
Internationale slachtofferenquête 

332-333, 281-284 

internationale rechtshulp 

(zie ook: overdracht van 
straftenuitvoerlegging; 
uitlevering) 46-47 


internationale vergelijking 
criminaliteit en opsporing 

279-290 

internationale vergelijking kosten 
van criminaliteit 273-275 

internationale vergelijking 
strafrechtspleging en 
tenuitvoerlegging 290-294 

interne criminaliteit (zie: bedrijven 
als slachtoffer) 

internetfraude 

(zie: computercriminaliteit) 

inverzekeringstelling 

(zie: voorlopige hechtenis) 

jeugdbescherming – 
organisatie (zie: Raad voor de 
Kinderbescherming) 

jeugdbeschermingsmaatregelen 

196 

jeugdcriminaliteit (zie ook: 
meisjescriminaliteit) 128-135, 
157-163, 
288-290 

jeugddetentie 55, 175-178, 197-200, 
268-269 


Trefwoordenregister 581 

jeugdmaatregelen 

(zie: jeugdstraffen en 

-maatregelen) 
jeugdreclassering 206-208 
jeugdstraffen en -maatregelen 

(zie ook: alternatieve 
(jeugd)straffen; jeugddetentie, 
PIJ-maatregel) 53-57, 173-178, 
242-244 

jeugdstrafrechtspleging 53-54, 
164-178, 
242-244 

justitiële documentatie 326-328 

justitiële inrichtingen (zie: Dienst 
Justitiële Inrichtingen; justitiële 
jeugdinrichtingen; penitentiaire 
inrichtingen) 

justitiële jeugdinrichtingen 

– doelgroep, capaciteit, bezetting 
en doorstroming 
195-201, 331-332, 263 
kantongerechten (zie: rechterlijke 
macht) 
kinderbescherming (zie: Raad voor 
de Kinderbescherming) 
kosten van criminaliteit 73, 77-78, 
251-277 
kosten van preventie 255-256, 
268-270 

kosten van 

(straf)rechtshandhaving 256-259, 
265-268 

kosten van straftenuitvoerlegging 

263-264 

kosten van vervolging en 

strafrechtspleging 259-262 
kroongetuigen (zie: getuigen) 
landelijk parket (zie: Openbaar 

Ministerie) 
landenvergelijking (zie: 

internationale vergelijking) 
legaliteitsbeginsel 17-18 
lichamelijk letsel bij slachtoffers 

(zie ook: slachtoffers) 73, 77-79, 

maatregelen (zie: straffen en 
maatregelen) 

meervoudig slachtofferschap 

(zie ook: slachtoffers; 
slachtofferrisico) 63, 71-72, 76 


meisjescriminaliteit (zie 
ook: jeugdcriminaliteit; 
vrouwencriminaliteit) 129 

melding ongebruikelijke 
transacties 

(zie: witwassen) 

Minister van Justitie – organisatie 
en taken 20-21 
Monitor Bedrijven en Instellingen 

(MBI) 316-317 

Monitor Criminaliteit 
Bedrijfsleven 

(MCB) 317-319 

Nederlands Forensisch Instituut 

135-137 
OMDATA 324-326 
ondertoezichtstelling (zie: jeugd-

beschermingsmaatregelen) 

ongeregistreerde criminaliteit 

67-69, 218-219, 242 

ontneming van wederrechtelijk 
verkregen voordeel 

(zie: voordeelsontneming) 

ontslag van rechtsvervolging 

(zie: vonnis) 
onttrekking aan het verkeer 51, 

153, 212-213, 210-211 
ontvluchtingen 189 
ontzegging van rijbevoegdheid 

153, 212, 

209-210 
onveiligheidsgevoelens 82-88, 105 
Openbaar Ministerie – organisatie, 

taken en omvang (zie ook: 
afdoening door Openbaar 
Ministerie) 27-32, 259-261 


ophelderingspercentage 107-121, 
219-220, 
opsporingsonderzoek 38-40 

271-272 


582 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

opvanginrichtingen voor 
jeugdigen (zie: justitiële 
jeugdinrichtingen) 

overdracht van straftenuitvoerlegging 
189-190 
parketten (zie: Openbaar 

Ministerie) 
penitentiair programma 49, 182 
penitentiaire inrichtingen 

– doelgroep, bestemming en 
mate van beveiliging 45, 181-183, 
263-264 
PIJ-maatregel (zie ook: 
jeugdstraffen en 
-maatregelen) 54, 196-197, 
200-201 

plaatsing in inrichting voor 
stelselmatige daders 52-53, 
185-186 

plaatsing in psychiatrisch 
ziekenhuis 52 
politie – organisatie, taken en 
omvang 26-27, 256-259, 290-291 
politiekosten (zie: kosten van 

(straf)rechtshandhaving) 
politiemonitor 313-314 
politiesepot (zie: afdoening door 

politie) 

politiestatistiek (zie ook: 
criminaliteitsontwikkeling) 
100-103, 107-135 

politietransactie (zie: afdoening 

door politie) 
processen-verbaal (zie: aangifte) 
preventiekosten (zie: kosten van 

preventie) 

preventiemaatregelen door 
bedrijven 

(zie ook: bedrijven als slachtoffer) 
81-82, 268-270 

preventiemaatregelen door 
burgers 78-81, 268-270 
psychisch letsel bij slachtoffers 73, 
88-89 

Raad voor de Kinderbescherming 

(zie ook: Jeugdbescherming) 

35-36, 206-208, 260, 263 
Raad voor de Rechtspraak 34 
Raad voor de 

Strafrechtstoepassing en 

Jeugdbescherming 37 
raadsmannen (zie: advocaten) 
rechterlijke macht – organisatie, 

taken en omvang 32-34, 259-262 
rechters 32-33 
rechtshulp – incl. gefinancierde 

rechtshulp 219-221, 264-265 
rechtsmiddelen 43-44, 160-162 
recidive 202, 205-206, 244-248 
reclassering – organisatie, 

omvang en taken (zie ook: 
Jeugdreclassering) 34-35, 201206, 
260, 263-265 

regionale criminaliteit (zie ook: 
criminaliteitsontwikkeling; 
stadscriminaliteit) 58-59, 110-113 

rijden onder invloed (zie: 
verkeersdelicten) 
sancties (zie: straffen en 
maatregelen) 
schade van criminaliteit (zie: 
kosten van criminaliteit) 

Schadefonds Geweldsmisdrijven 

74, 254-255, 272 

schadevergoeding aan ex-
verdachten 45-46, 163, 263 
schadevergoedingsmaatregel 21, 
51, 73-74, 211-212, 254-255 
schikking (zie: afdoening door 

Openbaar Ministerie) 
schuldigverklaringen (zie: vonnis) 
seksuele delicten (zie: 

zedendelicten) 
self report studies (zie: 
zelfrapportages) 

sepot (zie: afdoening door 
Openbaar Ministerie; afdoening 
door politie) 

schuldigverklaring (zie: vonnis) 


Trefwoordenregister 583 

slachtofferenquête (zie ook: internationale 
slachtofferenquête) 
59-62, 75, 82-85, 91, 100, 309-319, 

slachtofferhulp (zie ook: 
lichamelijk letsel bij slachtoffers; 
psychisch letsel bij slachtoffers) 
22, 88-90, 253-255 

slachtofferrisico 68-72 

slachtoffers – kenmerken en 
rechtspositie (zie ook: bedrijven 
als slachtoffer; meervoudig 
slachtofferschap; Victim Impact 
Statement) 21-22, 59-105, 288 

snelheid van berechting (zie: 
doorlooptijden van strafzaken) 

staande magistratuur 
(zie: Openbaar Ministerie) 

stadscriminaliteit (zie ook: 
regionale criminaliteit) 110-113 

Stop-reactie (zie ook: alternatieve 
(jeugd)straffen) 167-169 

Strafbeschikking 31-32 

straffen en maatregelen (zie ook: 
alternatieve (jeugd)straffen; 
jeugdstraffen en 
-maatregelen) 47-57, 224-226 

strafmaat 157-159, 225-226, 292-294 

strafproces – organisatie en fasen 
38-43, 223-226, 

strafrechtelijk finanancieel 
onderzoek (zie ook: voordeelsontneming) 
41 

strafrechtelijke opvang 
verslaafden 52-53, 185-186 

strafrechtspleging (zie ook: 
doorlooptijd van strafzaken; 
internationale vergelijking 
strafrechtspleging) 141-179, 
221-241, 261-262 

strafrechtsysteem 17-57, 335-339 
straftenuitvoerlegging 

(zie ook: kosten van 
straftenuitvoerlegging) 44-46, 
181-214, 263-264 

taakstraffen (zie: alternatieve 
(jeugd)straffen) 

tbs – tenuitvoerlegging, capaciteit, 
bezetting en doorstroming 52, 
190-195, 263 

tbs-bevolking – kenmerken 194, 
194 
technisch sepot (zie: afdoening 
door Openbaar Ministerie) 

tenuitvoerlegging 

(zie: straftenuitvoerlegging) 
terbeschikkingstelling (zie: tbs) 
terechtzitting 42-43 
tolken 24 
transactie (zie: afdoening door 

Openbaar Ministerie; afdoening 

door politie) 
uitlevering 46-47, 163, 178-180 
vandalisme 67, 92-93, 103, 115-116, 

132-133, 151, 232-234, 237-238, 
240-241, 243-244 
veelvoorkomende delicten (zie: 
criminaliteitsontwikkeling) 
veiligheidsmonitor (zie ook: 
slachtofferenquête) 314-316 
verbeurdverklaring 153, 212-213, 
210-211 

verdachten – rechtspositie (zie ook: 
daderprofiel) 22-23, 121-135, 146, 
220-224, 290-292 

vergelijking criminaliteit 
en strafrechtspleging (zie: 
internationale vergelijking 
criminaliteit; internationale 
vergelijking strafrechtspleging) 

verkeersdelicten 119-120, 
134-135,150-151, 241 

vermogensdelicten 65-67, 92-93, 
102-103, 
113-115, 118, 131-132, 151, 173-177, 
229-232, 237-238, 240, 243-244, 
281-284, 285-290 

vernieling (zie: vandalisme) 
vervolging en berechting 

(zie: strafrechtspleging) 


584 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

vervroegde invrijheidstelling 

48-49, 187-189 
vonnis 42-43, 150-160, 173-178, 
221-241 

voordeelsontneming (zie ook: 
inning van voordeelsontneming; 
strafrechtelijke financieel 
onderzoek) 51, 210-211, 273 

voorlopige hechtenis (zie ook: 
heenzendingen) 39-40, 92, 
181-182, 197-200, 195, 333-334 

vreemdelingenbewaring 182, 196 
vrijheidsstraffen (zie: 

gevangenisstraffen) 
vrijspraak (zie: vonnis) 
vroeghulp (zie: reclassering) 
vrouwencriminaliteit (zie ook: 

meisjescriminaliteit) 127, 144, 
288-289 

Waarborgfonds Motorverkeer 

74-75 
wapendelicten 120-121, 134-135, 

143-146, 1683 
wetgever – taken 20 
witwassen 273 
zedendelicten 64-65, 118-119 
zelfmelders 182-183, 195 
zittende magistratuur 

(zie: rechterlijke macht) 


WODC-rapporten 


Om zo veel mogelijk belanghebbenden te informeren over de onderzoeksresultaten 
van het WODC wordt een beperkte oplage van de rapporten 
kosteloos verspreid onder functionarissen, werkgroepen en instellingen 
binnen en buiten het ministerie van Justitie. Dit gebeurt aan de hand 
van een verzendlijst die afhankelijk van het onderwerp van het rapport 
opgesteld wordt. De rapporten in de reeks Onderzoek en beleid (O&B) 
worden uitgegeven door Boom Juridische uitgevers en zijn voor belangstellenden 
die niet voor een kosteloos rapport in aanmerking komen, te 
bestellen bij Boom distributiecentrum, postbus 400, 7940 AK Meppel, 
tel.: 0522-23 75 55, via e-mail: bdc@bdc.boom.nl. 
Een complete lijst van de WODC-rapporten is te vinden op de WODC-site 
(www.wodc.nl). Daar zijn ook de uitgebreide samenvattingen te vinden 
van alle vanaf 1997 verschenen WODC-rapporten. Volledige teksten van 
de rapporten (vanaf 1999) zullen met terugwerkende kracht op de WODC-
site beschikbaar komen. Hieronder volgen de titelbeschrijvingen van de in 
2002, 2003, 2004 en 2005 verschenen rapporten. 

Kamphorst, P.A., G.J. Terlouw 

Van vast naar mobiel; een evaluatie van het experiment met elektronisch 
huisarrest voor minderjarigen als modaliteit voor de voorlopige hechtenis 

2002, O&B 195 

Moolenaar, D.E.G., F.P. van Tulder, G.L.A.M. Huijbregts, W. van der Heide 

Prognose van de sanctiecapaciteit tot en met 2006 

2002, O&B 196 

Bokhorst, R.J., C.H. de Kogel, C.F.M. van der Meij 

Evaluatie van de Wet BOB; fase 1: de eerste praktijkervaringen met de Wet 
bijzondere opsporingsbevoegdheden 

2002, O&B 197 

Kleemans, E.R., M.E.I. Brienen, H.G. van de Bunt m.m.v. 

R.F. Kouwenberg, G. Paulides, J. Barendsen 
Georganiseerde criminaliteit in Nederland; tweede rapportage op basis van 
de WODC-monitor 

2002, O&B 198 

Voert, M. ter, J. Kuppens 

Schijn van partijdigheid rechters 

2002, O&B 199 

Daalder, A.L. 

Het bordeelverbod opgeheven; prostitutie in 2000-2001 

2002, O&B 200 

Klijn, A.

 Naamrecht 

2002, O&B 201 

Kruissink, M., C. Verwers 

Jeugdreclassering in de praktijk 

2002, O&B 202 


586 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Eshuis, R.J.J. 
Van rechtbank naar kanton; evaluatie van de competentiegrensverhoging 
voor civiele handelszaken in 1999 
2002, O&B 203 

Meijer, R.F., M. Grapendaal, M.M.J. van Ooyen, B.S.J. Wartna, 

M. Brouwers, A.A.M. Essers 
Geregistreerde drugcriminaliteit in cijfers; achtergrondstudie bij het 
Justitieonderdeel van de Nationale Drugmonitor: Jaarbericht 2002 
2003, O&B 204 

Tak, P.J.J. 
The Dutch criminal justice system; organization and operation – second 
revized edition 
2003, O&B 205 

Kromhout, M., M. van San 

Schimmige werelden; nieuwe etnische groepen en jeugdcriminaliteit 

2003, O&B 206 

Kogel, C.H. de, C. Verwers 

De longstay afdeling van Veldzicht; een evaluatie 

2003, O&B 207 

Moolenaar, D.E.G., G.L.A.M. Huijbregts 

Sanctiecapaciteit 2007; een beleidsneutrale prognose 

2003, O&B 208 

Eshuis, R.J.J. 

Claims bij de rechtbank 

2003, O&B 209 

Combrink-Kuiters, L., E. Niemeyer, M. ter Voert m.m.v. N. Dijkhoff, 

M. van Gammeren-Zoeteweij, J. Kuppens 
Ruimte voor Mediation 

2003, O&B 210 

Heide, W. van der, A.Th.J. Eggen (red.) 

Criminaliteit en rechtshandhaving 2001; Ontwikkelingen en 

samenhangen 

2003, O&B 211 

European Sourcebook 

European Sourcebook of Crime and Criminal Justice Statistics – 2003 

2003, O&B 212 

Smit, P.R., F.P. van Tulder, R.F. Meijer, P.P.J. Groen 

Het ophelderingspercentage nader beschouwd 

2003, O&B 213 

Dijksterhuis, B.M., M.J.G. Jacobs, W.M. de Jongste 

De competentiegrens van enkelvoudige kamers in strafzaken 

2003, O&B 214 

Bunt, H.G. van de, C.R.A. van der Schroot 

Prevention of Organised Crime 

2003, O&B 215 


WODC-rapporten 587 

Wartna, B.S.J., N. Tollenaar 

Bekenden van Justitie 

2004, O&B 216 

Moolenaar, D.E.G., P.P.J. Groen, A.G. Mein, B.S.J. Wartna, M. Blom

 Wegenverkeerswet 1994 

2004, O&B 217 

Faber, W., A.A.A. van Nunen

 Uit onverdachte bron 

2004, O&B 218 

Velthoven, B.C.J. van, M.J. ter Voert m.m.v. M. van Gammeren-Zoeteweij 

Geschilbeslechtingsdelta 2003; Over verloop en afloop van (potentieel) 

juridische problemen van burgers 

2004, O&B 219 

Leuw E., R.V. Bijl, A. Daalder 
Pedoseksuele delinquentie; Een onderzoek naar prevalentie, toedracht en 
strafrechtelijke interventies 
2004, O&B 220 

Leertouwer, E.C., G.L.A.M. Huijbregts

 Sanctiecapaciteit 2008 

2004, O&B 221 

Beijer, A., R.J. Bokhorst, M. Boone, C.H. Brants, J.M.W. Lindeman 

De wet bijzondere opsporingsbevoegdheden – eindevaluatie 

2004, O&B 222 

Moors, J.A., M.Y.W. von Bergh, S. Bogaerts, J.W.M.W. van Poppel, 

A.M. van Kalmthout 
Kiezen voor delen? 

2004, O&B 223 

Adriaanse, J.A.A., N.J.H. Huls, J.G. Kuijl, P. Vos 

Informele reorganisatie in het perspectief van surseance van betaling, 

WSNP en faillissement 

2004, O&B 224 

Jong, P.O. de, M. Herweijer 

Alle regels tellen 

2004, O&B 225 

Kogel, C.H. de, C. Verwers, V.E. den Hartogh 

‘Blijvend delictgevaarlijk’ – empirische schattingen en conceptuele 

verheldering 

2004, O&B 226 

Wartna, B.S.J., N. Tollenaar, M. Blom 
Recidive 1997; Een cijfermatig overzicht van de strafrechtelijke recidive van 
volwassen en jeugdige daders 
2005, O&B 227 

Wartna, B.S.J., N. Tollenaar, A.A.M. Essers 

Door na de gevangenis; Een cijfermatig overzicht van de strafrechtelijke 

recidive onder ex-gedetineerden 

2005, O&B 228 


588 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Wartna, B.S.J., S. el Harbachi, A.M. van der Laan 
Jong vast; Een cijfermatig overzicht van de strafrechtelijke recidive van 
ex-pupillen van justitiële jeugdinrichtingen 
2005, O&B 229 

Wartna, B.S.J., S. el Harbachi, L.M. van der Knaap 
Buiten behandeling; Een cijfermatig overzicht van de strafrechtelijke 
recidive van ex-terbeschikkinggestelden 
2005, O&B 230 

Lünnemann, K.D., M.Y. Bruinsma 
Geweld binnen en buiten; Aard, omvang en daders van huiselijk en 
publiek geweld in Nederland 
2005, O&B 231 

Erp, J.G. van, M.D. van Ewijk 
Werklast bestuurlijke boete; Determinanten van de werkbelasting in de 
bestuursrechtspleging 
2005, O&B 232 

Broeksteeg, J.L.W., E.M.J. Hardy, S. Klosse, M.G.W.M. Peeters, 

L.F.M. Verhey 
Zicht op wetgevingskwaliteit; Onderzoek naar de wetgevingsadvisering van 
de Raad van State 
2005, O&B 233 

Gritter, E., G. Knigge, N.J.M. Kwakman 
De WED op de helling; Een onderzoek naar de wenselijkheid de Wet op de 
economische delicten te herzien 
2005, O&B 234 

Rovers, G.B., E. de Vries Robbé 

Interne criminaliteit in de logistieke sector 

2005, O&B 235 

Kogel, G.H. de, V.E. den Hartogh 
Contraire beëindiging van de TBS-maatregel; Aantal, aard en verband met 
recidive 
2005, O&B 236 

Eggen, A.Th.J., W. van der Heide (red.) 

Criminaliteit en rechtshandhaving 2004; Ontwikkelingen en samen hangen 

2006, O&B 237 

Bruin, D.E. de, C.J.M. Meijerman, F.R.J. Leenders, R.V. Braam 
Verslingerd aan meer dan een spel; Een onderzoek naar de aard en omvang 
van kansspelproblematiek in Nederland 
2006, O&B 238 

Knaap, L.M. van der, L.T.J. Nijssen, S. Bogaerts 
Geweld verslagen? Een studie naar de preventie van geweld in 
het publieke en semi-publieke domein 
2006, O&B 239 (239a, Violence Defied?) 


WODC-rapporten 589 

Kogel, C.H. de, M.H. Nagtegaal, E. Neven, G. Vervaeke 

Gewelddadige delinquenten met een psychische stoornis 

2006, O&B 240 

Martin Killias, Marcelo Fernando Aebi, Kauko Aromaa, Bruno Aubusson 
de Cavarlay, Gordon Barclay, Beata Gruszczyñska, Hanns von Hofer, 
Vasilika Hysi, Jörg - Martin Jehle, Paul Smit, Cynthia Tavares 

European Sourcebook of Crime and Criminal Justice Statistics 

2006, 0&B 241 

Faure, M.M.G., C.A.R. Moerland 

Griffierechten. Een vergelijkende beschrijving van griffierechten- en 

vergelijkbare stelsels in een aantal landen van de Europese Unie 

2006, O&B 242 

Sikkel, D., P.G.M. van der Heijden, G. van Gils 

Methoden voor omvangschattingen van verborgen populaties, 

met name illegalen 

2006, O&B 243 

Ferwerda, H.B., I.M.G.G. van Leiden, N.A.M. Arts, A.R. Hauber 

Halt: Het Alternatief? De effecten van Halt beschreven 

2006, O&B 244 

Laan, A.M. van der, M. Blom 

Jeugddelinquentie: risico’s en bescherming. Bevindingen uit de WODC 

Monitor Zelfgerapporteerde Jeugdcriminaliteit 2005 

2006, O&B 245 

Poot, C.J. de, E.W. Kruisbergen 
Kringen rond de dader. Grootschalig DNA-onderzoek als instrument in de 
opsporing 
2006, O&B 246 

Ewijk, M.D. van, M.J. ter Voert 
Trendrapportage Gerechtsdeurwaarders 2006. Toegankelijkheid, 
continuïteit en kwaliteit van de ambtelijke dienstverlening 
2006, O&B 247 

Sackers, H.J.B., B.A.M. van Stokkom, J.-P. Wils 
Godslastering, discriminerende uitingen wegens godsdienst en haat-
uitingen. Een inventariserende studie 
2007, O&B 248 

Daalder, A.L., 

Prostitutie in Nederland na opheffing van het bordeelverbod

 2007, O&B 249 

Jennissen, R.P.W. (red.), J. Oudhof (red.) 

Ontwikkelingen in de maatschappelijke participatie van allochtonen

 2007, O&B 250 

Mheen, D. van de (red.), P. Gruter (red.) 
Helingpraktijken onder de loep. Impressies van helingcircuits in Nederland 
2007, O&B 251 


590 Criminaliteit en rechtshandhaving 2006 

Bunt, H.G. van de, E.R. Kleemans, 

Georganiseerde criminaliteit in Nederland. Derde rapportage op basis van 
de Monitor Georganiseerde Criminaliteit 
2007, O&B 252 

Struiksma, N., J. de Ridder, H.B. Winter 

De effectiviteit van bestuurlijke en strafrechtelijke milieuhandhaving 
2007, O&B 253 


Eshuis, R.J.J. 

Het recht in betere tijden. Over de werking van interventies ter versnelling 
van civiele procedures 
2007, O&B 254 

W. van der Heide, A. Th. J. Eggen (red.) 
Criminaliteit en rechtshandhaving 2006. Ontwikkelingen en samenhangen 
2007, O&B 255 


