Woensdag 17 februari 1993 

50ste vergadering 

Aanvang 10.15 uur 

Voorzitter: Van Dis 

Tegenwoordig zijn 125 leden, te 
weten: 

Achttienribbe-Buijs, Akkerman, 
Apostolou, Beijlen-Geerts, Beinema, 

J.T. van den Berg, Biesheuvel, 
Bijleveld-Schouten, Blaauw, Blauw, 
Boers-Wijnberg, Bolkestein, 
Brouwer, M.M. van der Burg, V.A.M. 
van der Burg, Castricum, De Cloe, 
Dees, Deetman, Dijkstal, Van Dis, 
Doelman-Pel, Eisma, Eisses– 
Timmerman, Van Erp, Esselink, 
Feenstra, Franssen, Frinking, Frissen, 
Van Gelder, Van Gijzel, Ginjaar– 
Maas, De Graaf, Groenman, Van 
Heemskerck Pillis-Duvekot, Van 
Heemst, Van der Heijden, Hillen, Van 
der Hoeven, Van Hoof, De Hoop 
Scheffer, Huibers, Huys, Janmaat, 
Janmaat-Abee, A. de Jong, G. de 
Jong, Jorritsma-Lebbink, Jurgens, 
Kalsbeek-Jasperse, Kamp, Kersten, 
Koetje, Koffeman, Kohnstamm, De 
Kok, Korthals, Krajenbrink, Laning– 
Boersema, Lansink, Leerling, Leers, 
Van Leijenhorst, Leijnse, Lilipaly, Van 
der Linden, Lonink, Mateman, 
Middel, E. van Middelkoop, 
Mulder-van Dam, Netelenbos, 
Niessen, Van Nieuwenhoven, Van 
Noord, Nuis, Ockels, Van Otterloo, 
Paulis, Van der Ploeg-Posthumus, De 
Pree, Quint-Maagdenberg, Ramlal, 
Reitsma, Rempt-Halmmans de 
Jongh, Roosen-van Pelt, Rosen– 
möller, Ruigrok-Verreijt, 
Scheltema-de Nie, Schimmel, 
Schoots, Schutte, Sipkes, Smits, 
Soutendijk-van Appeldoorn, 
Stemerdink, Stoffelen, Swildens– 
Rozendaal, Tegelaar-Boonacker, E.G. 
Terpstra, G.H. Terpstra, Tommel, 
Tuinstra, Van der Vaart, Valk, Ter 
Veer, Te Veldhuis, Verbugt, 
Vermeend, Versnel-Schmitz, 
Verspaget, Vliegenthart, Van der 
Vlies, Van Vlijmen, Vos, Vreugdenhil, 
Weisglas, Wiebenga, Willems, 
Witteveen-Hevinga, Wolters, 
Wöltgens, Ybema, Van Zijl en 
Zijlstra, 

en de heren Hirsch Ballin, minister 
van Justitie, en Kosto, staatssecre– 
taris van Justitie. 

D 

De voorzitter : Ik deel aan de 

Kamer mede, dat zijn ingekomen 

berichten van verhindering van de 

leden: 

Linschoten, wegens ziekte; 

Nijland en Van Rijn-Vellekoop, 
wegens bezigheden elders; 

Van der Vaart, wegens bezigheden 
elders, alleen voor de middagverga– 
dering. 

Deze berichten worden voor kennis– 
geving aangenomen. 

Aan de orde is de behandeling van: 

- het wetsvoorstel Wijziging 
van enige artikelen van de Wet 
voorlopige regeling schadefonds 
geweldsmisdrijven (22464) . 
Dit wetsvoorstel wordt zonder 
beraadslaging en, na goedkeuring 
van de onderdelen, zonder stemming 
aangenomen. 

Aan de orde is de behandeling van: 

- het wetsvoorstel Aanvulling 
van het Wetboek van Strafrecht 
met enige bepalingen strek– 
kende tot het tegengaan van 
commercieel draagmoederschap 
(21968); 
- het wetsvoorstel Wijziging in 
het Burgerlijk Wetboek en het 
Wetboek van Burgerlijke 
Rechtsvordering, strekkende tot 
invoering ten behoeve van 
minderjarige moeders van de 
mogelijkheid tot meerderjarig– 
verklaring (14167). 
De algemene beraadslaging wordt 
geopend. 

D 

De heer Kohnstamm (066): 
Mijnheer de voorzitter! Alhoewel het 
erop lijkt dat het fenomeen van het 
draagmoederschap nieuw is, weten 
kenners van de Bijbel onder ons dat 
die schijn bedriegt. Uit Genesis 16 
en 30 blijkt dat het draagmoeder– 
schap ook in de oudtestamentische 
tijd voorkwam. 

Het verhaal van het kinderloos 
gebleven huwelijk tussen Abraham 
en Sara is in menig opzicht voor de 
discussie van vandaag leerzaam en 
opvallend. Het lukte Sara en 
Abraham niet om kinderen te krijgen. 
Toen zij ook naar huidig medisch 
inzicht fysiek daarvoor zeer oud 
waren - Abraham was 85 jaar en 
Sara was 75 jaar oud - besloot Sara 
tot een noodgreep en zei tegen 
Abraham, aldus Genesis 16 vers 2: 
"Zie toch, de Heere heeft mij niet 
vergund te baren; ga toch tot mijn 

Commercieel draagmoederschap/ 17 februan 1993 
Tweede Kamer Meerderjarigverklaring TK50 50-3675 


Kohnstamm 

slavin; misschien zal ik uit haar 
gebouwd worden." 

En aldus geschiedde en trad Hagar 
als het ware als draagmoeder op 
voor de wensouders Abraham en 
Sara met als resultaat dat de zoon 
Ismaël op Abrahams 86ste jaar werd 
geboren. 

Opvallend tegen de achtergrond 
van de discussie over draagmoeder– 
schap van vandaag, is dat de relatie 
tussen Sara en Hagar door het een 
en ander zwaar werd verstoord. 
Immers, ook dat weten wij uit de 
literatuur en de meest recente 
literatuur daarna: de reacties in 
emotionele en psychologische zin 
van wensouders en draagmoeders 
zijn over het algemeen slecht 
voorspelbaar. Nog opvallender in het 
verhaal is, dat Sara vervolgens, ruim 
na de geboorte van Ismaël, samen 
met Abraham een eigen kind heeft 
verwekt. Sara is overigens tegen die 
tijd 90 jaar oud en Abraham 100 
jaar. Ook dit gegeven is, met uitzon– 
dering van de leeftijd waarop het een 
en ander gebeurt, iets wat ook 
vandaag relatief frequent voorkomt. 
Een echtpaar dat kennelijk geen 
kinderen kan krijgen, adopteert een 
kind waarna de vrouw alsnog zelf 
zwanger wordt. 

Mevrouw Terpstra (VVD): 
Voorzitter! Ik waardeer deze inleiding 
die elk van ons op de eigen wijze wel 
zal relateren, maar ik denk dat 
hiermee het verhaal niet af is. Juist 
het dilemma waar we het allemaal 
over hebben, namelijk het risico voor 
het kind, wordt ook doorgetrokken in 
het bijbelverhaal want, zoals de heer 
Kohnstamm weet, vertelt de Bijbel 
dat uiteindelijk de draagmoeder 
Hagar met haar zoon de woestijn is 
ingejaagd door Sara. Dat is wel een 
buitengewoon trieste toekomst voor 
de zoon van de draagmoeder 
geweest. 

De heer Kohnstamm (D66): Ik kom 
daarover nog te spreken. Maar ik heb 
zojuist volledig uit de geschiedenis 
geciteerd. Ik heb daarbij aangegeven 
dat er een paar grote problemen uit 
zijn voortgekomen. Je kunt je 
afvragen welke vorm van draagmoe– 
derschap dit kan zijn geweest. In het 
verhaal van Jakob, in Genesis 30, 
zegt Rachel: laat het kind op mijn 
knieën geboren worden. Zo zijn er 
natuurlijk heel veel aanknopings– 
punten met de discussie van 

vandaag 

De heer Van den Berg (SGP): 
Voorzitter! Ik wil niet over theolo– 
gische interpretaties discussiëren. 
De heer Kohnstamm ziet echter een 
wezenlijk element over het hoofd. 
Bijbels gezien was er namelijk sprake 
van een huwelijk tussen Abraham en 
Hagar, zodat Abraham geen soort 
wensvader was. Hij was de echte 
vader van Ismaël. 

De heer Kohnstamm (D66): In het 
geval van de draagmoederschapcon– 
structie wordt de natuurlijke vader 
veelal ook de psychologische vader. 
Het is een andere vraag of dat via de 
natuurlijke weg of anderszins 
gebeurt. In het bijbelse verhaal 
gebeurde het kennelijk via de natuur– 
lijke weg. Nu gebeurt dat veelal via 
donorinseminatie. Maar dan is de 
donor wel de vader zelf. 

De heer Van den Berg (SGP): De 
essentie van mijn opmerking was dat 
er in het bijbelse verhaal sprake is 
van een huwelijk. 

De heer Kohnstamm (D66): De 
heer Van den Berg en ik verschillen 
echter van mening over de vraag 
welke rechtskracht daarvan moet 
uitgaan. Ik kom hierop nog uitvoe– 
riger terug. Ik ben blij dat de heer 
Van den Berg deze interruptie 
plaatste. Het betreft hier een kwestie 
die onvoldoende naar voren is 
gekomen in de schriftelijke voorbe– 
reiding. 

Voorzitter! Ikzal mij naar 
aanleiding van dit verhaal niet al te 
zeer verliezen in bespiegelingen over 
de vraag of het draagmoederschap 
van een slavin, vertaald naar huidige 
maatstaven, een vorm van commer– 
cieel draagmoederschap is of over 
de vraag of, wederom vertaald naar 
de huidige tijd, Hagar geacht moet 
worden familie of ten minste een 
goede vriendin van Sara te zijn 
geweest. Ik stel slechts vast dat het 
draagmoederschap een gegeven is 
uit lang vervlogen tijden en dat in de 
Bijbel, maar ook in de literatuur 
sindsdien, dat fenomeen voorkomt 
en dus geacht moet worden een van 
de oudste manieren te zijn om 
vormen van kinderloosheid en 
onvruchtbaarheid te overwinnen. Het 
is de vraag of het, na duizenden 
jaren draagmoederschapgeschie– 
denis, tijd wordt om aan dat 

fenomeen paal en perk te stellen 

door middel van wetgeving. Het is 
die vraag die het kabinet op grond 
van het regeerakkoord bevestigend 
heeft beantwoord. Ook mijn fractie 
beantwoordt de vraag bevestigend. 

Maar tot mijn spijt moet ik consta– 
teren dat er voorlopig nog geen 
volledige overeenstemming bestaat 

tussen mijn fractie en het kabinet 

over de wijze waarop de zaak 
wettelijk geregeld moet worden. 

Als advocaat heb ik mij in het 
midden van de jaren tachtig intensief 
moeten en mogen bezighouden met 
het vraagstuk van het draagmoeder– 
schap. Door omstandigheden die uit 
mijn praktijk voortvloeiden, heb ik 
mij daarbij in het bijzonder gecon– 
centreerd op de wijze waarop het 
draagmoederschap zich in Amerika 
ontwikkelde. Nog afgezien van de 
kosten van juridische en medische 
bijstand, toen circa 30.000 dollar, 
bestond het standaardcontract uit 
een aantal verplichtingen, die zich 
overigens in drie opeenvolgende 
staten dienden te voltrekken, 
waarvan een deel naar gebruikelijke 
en Nederlandse normen volstrekt 
onaanvaardbaar is. Ik noem er één. 
Indien de draagmoeder daadwer– 
kelijk zwanger zou worden, is zij 
krachtens dat contract verplicht om 
een vruchtwaterpunctie te doen 
plaatsvinden. Zo zou blijken dat de 
vrucht gebreken vertoont, is zij 
verplicht een abortus te ondergaan 
bij gebreke waarvan de wensouders 
van alle verplichtingen uit het 
contract zijn ontslagen. 

Voorzitter! Op grond van die 
uitwassen rond het draagmoeder– 
schap en op grond van het feit dat 
het kopen van kinderen of het 
inhuren van de draagmoeder tegen 
betaling in allerlei opzichten tegen 
de borst stuit en gevaarlijk is, acht 
ook mijn fractie het noodzakelijk dat 
commercieel draagmoederschap zo 
niet verboden dan toch wel 
aanzienlijk bemoeilijkt wordt. In die 
zin ondersteunt mijn fractie van 
ganser harte de in dit opzicht gelijk– 
luidende doelstelling die het kabinet 
onder het wetsontwerp heeft gelegd. 

Mevrouw Terpstra (VVD): 
Voorzitter! Stel dat er bij een 
niet-commercieel draagmoederschap 
een draagmoederschapscontract is 
gesloten. Volgens de Nederlandse 
wetgeving is dan dit soort eisen en 
voorwaarden absoluut niet 

Commercieel draagmoederschap/ 17 februari 1993 
Tweede Kamer Meerderjarigverklaring TK50 

50-3676 


Kohnstamm 

Mevrouw Terpstra (VVD) 

afdwingbaar, niet alleen als het gaat 

om het maken van een vruchtwater– 

punctie en het ondergaan van IVF, 

maar ook als het gaat om een 
abortus provocatus. Is de heer 
Kohnstamm het in dit opzicht met 
mij eens? Zijn opmerkingen op dit 
punt zijn buitengewoon interessant, 
maar zij zijn niet relevant. Ook bij 
een niet-commercieel draagmoeder– 
schap geldt in sterke mate dat niet 
alles afdwingbaar is. 

De heer Kohnstamm (D66): U 
interrumpeert midden in mijn 
betoog. U hebt de rest hiervan nog 
niet gehoord en daarom kent u de 
opbouw van mijn betoog niet. Met 
mijn tweede punt wilde ik namelijk 
op dit onderwerp ingaan. Hierbij gaat 
het om een kwestie waarover het 
kabinet en mijn fractie het eens zijn. 

Draagmoederschap is, zo blijkt ook 
uit het voorbeeld van Abraham en 
Sara, een avontuur dat niet van 
risico's is ontbloot. Je moet er toch 
niet aan denken, dat draagmoeder 
en wensouders tegenover elkaar 
komen te staan, bijvoorbeeld in kort 
geding, en hetzij om levering van het 
gecontracteerde eisen hetzij afname 
eisen van het inmiddels geboren 
kind, alles op zeg straffe van een 
dwangsom voor iedere dag dat de 
veroordeelde partij het vonnis niet 
zal nakomen. Mij dunkt, dat iedere 

contractuele binding tengevolge van 
een afspraak in verband met een 
draagmoederschap, juist omdat het 
een ongeoorloofde oorzaak betreft, 

ontbreekt en ontbreken moet. Dit zo 
zijnde, betreft de afspraak over 
draagmoederschap altijd een 
afspraak in vertrouwen. Dat 
vertrouwen kan beschaamd worden 
met onder andere als mogelijk 
gevolg, dat het verwekte kind noch 
bij de draagmoeder noch bij de 
wensouders welkom is. Ik neem aan 
dat ik thans ook in de ogen van 
mevrouw Terpstra een relevante 
opmerking heb mogen maken. 

Mevrouw Terpstra (VVD): Absoluut! 

De heer Kohnstamm (D66): 
Aangezien het zeer moeilijk is om 
van tevoren een reële inschatting te 
maken over de vraag hoe iemand 
gaat reageren in de situatie dat zij 
als draagmoeder zwanger is 
geworden en een kind baart voor een 
ander, past bij draagmoederschap 
dus grote voorzichtigheid. Zoals 
gezegd, verschillen mijn fractie en 
het kabinet in die zin niet van 
oordeel. 

Maar dan gaat een probleem 
ontstaan, want het kabinet gaat een 
stap verder. Het stelt, dat ook 
niet-commercieel draagmoederschap 
in zijn algemeenheid ongewenst is 

en moet worden ontmoedigd, terwijl 
mijn fractie daar tegenover van 
oordeel is, dat aan niet-commercieel 
draagmoederschap weliswaar een 
aantal risico's is verbonden, 
waardoor het in ieder geval 
raadzaam is om draagmoederschap 
niet aan te moedigen, maar dat in 
die gevallen waarin de wens bestaat 
om draagmoeder te worden of in die 
gevallen waarin wensouders een 
afspraak met een draagmoeder 
willen maken, het zaak is de 
betrokkene zoveel mogelijk inzicht te 
verschaffen in de risico's die daaraan 
zijn verbonden en, zo nodig, 
begeleiding aan te bieden. Men moet 
in ieder geval niet doen alsof het 
probleem opgelost is door het op 
onderdelen strafbaar te stellen. Dat 
is in onze ogen een vorm van contra– 
produktieve struisvogelpolitiek. 

In de ogen van mijn fractie is het 
daarenboven ook minder gepast om 
niet-commercieel draagmoederschap 
zo overduidelijk als verdacht aan te 
merken. Algemeen is in de samen– 
leving aanvaard en in wetten en 
internationale verdragen verankerd, 
dat mensen het recht hebben om 
zelf te beslissen over het eigen 
nakomelingschap. Dus is er van de 
zijde van de overheid om zich met dit 
vraagstuk te bemoeien grote terug– 
houdendheid. Het oordeel dat 
bepaalde mensen absoluut geen 
kinderen zouden moeten krijgen of 
het oordeel dat kinderen gewenst of 
zeer gewenst geboren zouden 
kunnen worden, weegt kennelijk niet 
op tegen het algemeen belang, 
gelegen in het feit dat mensen zelf 
moeten beslissen over de vraag of 
en in welke omstandigheden zij 
kinderen verwekken of willen krijgen. 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): Voorzitter! Ik wil toch 
duidelijkheid hebben over een punt. 
Ik weet namelijk niet of de heer 
Kohnstamm nu ook bedoelt te 
zeggen wat hij schijnt te zeggen. 
Stel dat draagmoeder en 
wensouders eenmaal in de situatie 
komen die wij nu voor ogen hebben 
en dat zij begeleid worden door 
FIOM of de Raad voor de kinderbe– 
scherming. Zijn die dan op de een of 
andere wijze strafbaar? Bedoelt de 
heer Kohnstamm dat te zeggen? 

De heer Kohnstamm (D66): Neen, 
dat bedoel ik niet te zeggen. Dat zou 
ik ook niet wenselijk vinden. In het 

Commercieel draagmoederschap/ 17 februari 1993 
Tweede Kamer Meerderjarigverklaring TK50 

50-3677 


Kohnstamm 

tweede voorgestelde artikel staat 
ook, dat zulks niet het geval is. Als 
twee volwassen en wilsbekwame 
mensen trouwen met de bedoeling 
om samen kinderen te krijgen, 
overweegt toch niemand om hun 
daarbij een strobreed in de weg te 
leggen, ook als van tevoren zeer 
aannemelijk is dat het belang van die 
kinderen dat eigenlijk zou vergen? 
Waarom dan toch dat grote verschil 
in houding tegenover de wens van 
onvruchtbaar gebleken wensouders 
die bijvoorbeeld via de krant op zoek 
gaan naar iemand die voor hen een 
kind wil baren? Waarom zou de 
uitgangsstelling in het ene geval 
onverkort luiden: dat is goed, ook 
voor de kinderen en dat moet dus als 
het ware gestimuleerd worden. En 
waarom zou die in het andere geval 
kunnen luiden: dat is per definitie 
niet goed, ook per definitie niet voor 
de kinderen en moet dus 
ontmoedigd worden of is 
ongewenst? Is het huwelijk of is het 
zijn van een medisch probleemloos 
heteroseksueel paar volgens het 
kabinet dan toch de enige weg voor 
het in vervulling doen gaan en 
rechtens onverkort toestaan van die 
wens naar een kind? Kortom, ik ben 
het eens met prof. Sluyters, waar 
deze in het artikel in Delict en Delin– 
quent schrijft: "De zelfbeschikking 
van de betrokken individuen 
(draagmoeder en wensouders) en 
hun privacy moeten overwegen en 
niet door een strafrechtelijk 
maatregel getroffen worden." 

Voorzitter! Nu doet zich het feit 
voor dat het kabinet bij het voorlig– 
gende wetsontwerp weliswaar als 
doelstelling formuleert, het opnemen 
van een aantal bepalingen in het 
Wetboek van Strafrecht, die strekken 
tot het tegengaan van commercieel 
draagmoederschap - zoals gezegd, 
met volledige instemming van mijn 
fractie - maar dat bij de invulling van 
die doelstellingen aanzlenlijk verder 
gegaan wordt dan het intitulè, de 
doelstelling die verwoord is. Want in 
het wetsvoorstel wordt ook strafbaar 
gesteld, degene die openbaar maakt 
dat iemand niet-commercieel draag– 
moeder wenst te worden of als 
zodanig beschikbaar is, terwijl ook 
de niet-commerciële bemiddeling 
tussen draagmoeder en wensouders 
strafbaar wordt gesteld. 

Met de Raad van State - in dit 
geval zal het verbazen dat wij het 
volledig met elkaar eens zijn - ben ik 

van oordeel dat het kabinet op dit 
punt gewoon een keuze moet 
maken: ofwel het kabinet verzet zich 
tegen draagmoederschap in zijn 
algemeenheid en dan ware het 
vanuit die optiek wenselijk om in het 
Wetboek van Strafrecht commer– 
cieel en niet-commercieel draagmoe– 
derschap met alle voorbereidende 
handelingen vandien, zoals het 
adverteren en het bemiddelen, 
strafbaar te stellen; ofwel het 
kabinet doet wat het zich blijkens de 
titel van het wetsontwerp, dus 
blijkens het intitulè, heeft voorge– 
nomen te doen, namelijk een aantal 
bepalingen opnemen in het Wetboek 
van Strafrecht die het commercieel 
draagmoederschap tegengaan. Je 
kunt niet blazen met meel in de 
mond of, anders gezegd, alhoewel 
het een en ander in volle openheid 
geschiedt, kan enige dubbelhar– 
tigheid aan de aanpak van het 
kabinet niet worden ontzegd. Ik 

bedoel: de doelstellingen zijn goed 
maar in het voorbijgaan wordt, met 
mijn woorden weergegeven, nog wel 
even een tik uitgedeeld in de richting 
van draagmoederschap in zijn 
algemeenheid. Mij dunkt, voorzitter, 
dat dit de strafwetgever niet past. 

Naast veel andere argumenten die 
uit de stukken zijn gebleken en 
waarover ik in deze plenaire behan– 
deling niet veel meer wil zeggen, 
hanteert het kabinet het argument 
dat het waar is dat ook het 
niet-commercieel draagmoederschap 
tengevolge van het voorliggende 
wetsontwerp wordt tegengegaan en 
op onderdelen strafbaar wordt 
gesteld. Maar dat geeft niet, aldus 
het kabinet, omdat door die straf– 
baarstelling ook niet een door de 
overheid te beschermen belang 
wordt aangetast. Door met het 
oogmerk van het tegengaan van 
commercieel draagmoederschap ook 
niet-commercieel draagmoederschap 
in het verdomhoekje te plaatsen, 
wordt bovendien "voorkomen dat 
een klimaat ontstaat waarin het 
verschijnsel commercieel draagmoe– 
derschap zich kan ontwikkelen". 
Voorzitter! Met alle respect voor de 
wat diffuse vermoedelijk achterlig– 
gende motieven van het kabinet, wil 
ik de minister in alle ernst vragen of 
hij deze argumenten echt ook tot de 
zijne wil maken. Het kan toch 
moeilijk zijn dat de strafwetgever, 
haast per ongeluk, een handeling 
strafbaar stelt met als argument dat 

de overheid het ook niet nodig vond 
om een, op zichzelf niet strafbare 
handeling, te beschermen. Dat kan 
ons nog eens op een forse 
uitbreiding van het Wetboek van 
Strafrecht komen te staan. Het kan 
evenmin zo zijn dat je een recht– 
matige handeling in het Wetboek van 
Strafrecht van de norm voorziet dat 
het desalniettemin niet mag omdat 
je, als je dat niet doet, bang bent dat 
er een wèl strafbare commerciële 
praktijk uit zou kunnen voortvloeien. 
Kortom, ik weet niet of het bestaat, 
maar ik zou de definitie willen geven 
dat hier sprake is van misbruik van 
strafwetgevende bevoegdheden. 
Daardoor heeft mijn fractie zich 
genoodzaakt gezien, op een tweetal 
punten amendementen voor te 
stellen, overigens mede namens 
mevrouw Brouwer. 

Het eerste amendement ziet op 
het voorstel van het kabinet om 
beroeps– of bedrijfsmatige draag– 
moederbemiddeling te verbieden. 
Mijn fractie kan zich op zichzelf in 
die bepalingen wel vinden, omdat 
draagmoederschap, zoals zoëven 
ook uiteengezet, een riskante affaire 
kan zijn en over het algemeen 
gesproken beroeps– of bedrijfsmatig 
bemiddelen in dit soort gevallen 
links– of rechtsom bijna als vanzelf– 
sprekend uit commerciële motieven 
gebeurt. Mij dunkt dat net als bij 
artikel 1 51c Wetboek van Strafrecht 
echter een uitzondering gemaakt zou 
moeten worden voor de Raad voor 
de kinderbescherming of een door 
de raad aangewezen rechtspersoon. 
Zoals gezegd, draagmoederschap 
kan een riskant avontuur zijn. Dus is 
het juist in het belang van het kind 
van draagmoeder en wensouders 
dat, ook als de opzet is gericht op 
het krijgen van een kind ten behoeve 
van een ander, er in ieder geval een 
instantie is die de begeleiding van 
dat avontuur ter hand kan nemen 
zonder daarvoor strafbaar te zijn, die 
ook advies kan geven, die kan helpen 
om risico-inschattingen te maken en 
die professionele ervaringen opdoet 
in dat alles. Juist omdat de Raad 
voor de kinderbescherming het 
belang van het kind voor ogen heeft 
krachtens wettelijke opdracht, is de 
raad of een door die raad aan te 
wijzen rechtspersoon bij uitstek 
geschikt om deze klus te klaren. 

In dit verband wil ik nog een korte 
opmerking maken en een vraag 
stellen over artikel 151b, lid 1. In het 

Commercieel draagmoederschap/ 17 februari 1993 
Tweede Kamer Meerderjarigverklaring TK50 

50-3678 


Kohnstamm 

al eerder genoemde artikel van prof. 
Sluyters vraagt hij zich onder meer 
af of onder het eerste lid van artikel 
151b Wetboek van Strafrecht ook 
valt de advocaat of andere juridisch 
of medisch adviseur die bemiddelt in 
die zin dat hij niet draagmoeder en 
wensouders met elkaar in contact 
brengt, maar die draagmoeder en 
wensouders slechts adviseert over 
de juridische implicaties dan wel als 
medicus hulp verleent in het kader 
van de afspraken tussen draag– 
moeder en wensouders, bijvoorbeeld 
door mee te werken aan kunstmatige 
bevruchtlng van de draagmoeder 
met sperma van de wensvader. Mij 
dunkt dat de bemiddeling bedoeld in 
artikel 1 51 b echt ziet op het bij 
elkaar brengen, het met elkaar in 
contact brengen van wensouders en 
draagmoeder, maar niet ziet op 
andere onderdelen van de hulpver– 
lening. Mag ik daarover het oordeel 
van de minister vernemen? 

Het tweede amendement heeft 
betrekking op het voorgestelde 
artikel 151, tweede lid, sub b. 
Daarbij wordt strafbaar gesteld het 
openbaar maken van een aanbod van 
of een vraag naar een draagmoeder. 
De krant of radio, het medium, wordt 
strafbaar gesteld, ook indien een 
niet-commerciële draagmoeder via 
dat medium bekend maakt als draag– 
moeder te willen optreden. Met de 
Raad van State ben ik van oordeel 
dat deze bepaling tegen de achter– 
grond van de doelstelling van het 
wetsontwerp een dubieuze is. Zoals 
het kabinet ook nog in de nota naar 
aanleiding van het eindverslag meldt, 
is "het doel van het voorstel immers 
weloverwogen beperkt tot het 
tegengaan van alleen commercieel 
draagmoederschap". Dus ligt het 
voor de hand om ook ten aanzien 
van de openbaarmaking die 
beperking in acht te nemen. Dat wil 
zeggen dat alleen het openbaar 
maken van een aanbod van of een 
vraag naar commercieel draagmoe– 
derschap strafbaar gesteld dient te 
worden. 

Naast het argument van doel en 
middel speelt hier uiteraard ook de 
eventuele strijdigheid met in het 
bijzonder artikel 10 van het Europese 
verdrag voor de rechten van de 
mens. Dat artikel ziet op de 
mogelijkheid, de vrijheid van 
meningsuiting te beperken ter 
bescherming van de openbare orde, 
de gezondheid of de goede zeden. 

De regering is van oordeel dat het 
openbaarmakingsverbod geen strij– 
digheid oplevert met het Europese 
verdrag, nu het verschijnsel 
"draagmoederschap" in strijd zou 
zijn met de openbare orde, de 
gezondheid en de goede zeden. Ik 
vermag dat niet in te zien. Onder 
verwijzing naar in dit geval specifiek 
de inbreng van de fractie van Groen 
Links in het eindverslag, die dit punt 
in mijn ogen "gefileerd" heeft, meen 
ik dat, nu gekozen is voor een 
wetsontwerp dat ziet op het 
tegengaan van uitsluitend commer– 
cieel draagmoederschap, niet tegelij– 
kertijd staande kan worden 
gehouden dat draagmoederschap als 
zodanig een betrekkelijk schandalige 
aangelegenheid is waardoor strijd 
ontstaat met goede zeden, openbare 
orde en gezondheid. Als dat laatste 
immers het geval zou zijn, dan dient 
een verbod op het draagmoeder– 
schap in zijn algemeenheid te 
worden nagestreefd. Nu dat niet is 
gebeurd, is deze strafbepaling, die 
een beperking van de vrijheid van 
meningsuiting met zich brengt, naar 
alle waarschijnlijkheid in strijd met 
het Europese verdrag en zal deze 
clausule, getoetst door het Europese 
hof voor de rechten van de mensen, 
vermoedelijk als zijnde in strijd met 
het verdrag geen toepassing kunnen 
vinden. Ik krijg graag een reactie van 
de minister op dit punt, alsmede op 
datgene wat Sluyters in het eerder 
genoemde artikel schrijft: "Het strijdt 
met het proportionaliteitsbeginsel 
om tegen de bekendmaking van een 
door de wet niet verboden aanbod 
van of vraag naar draagmoederschap 
wel het strafrechtelijk ultimum 
remedium in te zetten". 

Ook Sluyters komt dus tot de 
conclusie dat dit verbod de toets aan 
artikel 10 EVRM niet kan doorstaan. 

Alvorens mijn betoog af te ronden, 
wil ik kort ingaan op het tweede 
wetsvoorstel dat vandaag aan de 
orde is: wetsvoorstel 14167. Het 
stond twee of drie weken geleden op 
de agenda om zonder stemming te 
worden aanvaard. Mijn fractie heeft 
gevraagd om het te voegen bij het 
wetsvoorstel van vandaag, omdat de 
argumentatie voor de wijziging van 
het oorspronkelijke wetsvoorstel is 
gelegen in de discussie over het 
draagmoederschap. Na een 
langdurige schriftelijke voorbereiding 
en grote radiostiltes in de behan– 
deling van dit wetsvoorstel heeft het 

kabinet ten slotte besloten dat er 

geen reden was om de mogelijkheid 

tot afstand van ouderrechten te 

openen. Het terugtrekken van het 

voorstel om afstand te kunnen doen 

van ouderrechten motiveert het 

kabinet, in mijn woorden gezegd, als 

volgt: wij zijn tegen het draagmoe– 

derschap, bij het afstand doen van 

ouderrechten maak je het draagmoe– 

derschap gemakkelijker en dus 

moeten wij het wetsvoorstel op dit 

punt wijzigen. 

Na hetgeen ik nu in de plenaire 
behandeling heb ingebracht, moge 
het duidelijk zijn dat mijn fractie zich 
tegen die motivatie verzet. Ik heb 
echter geen amendement voorbereid 
om alsnog de mogelijkheid van het 
afstand doen van ouderrechten in 
het wetsvoorstel op te nemen. De 
stelling die ik ten aanzien van het 
draagmoederschap betrek, is immers 
overheidsneutraal: niet verbieden 
maar ook niet aanmoedigen door 
mensen tot het draagmoederschap 
uit te lokken. Hoewel invoering van 
het afstand doen van ouderrechten 
niet betekent dat je het leven van 
draagmoeders en wensouders 
aanzienlijk gemakkelijker maakt of 
dat je ze uitlokt, acht ik de huidige in 
de wet verankerde procedure 
voorlopig toch de juiste. Ik verzet mij 
dus niet tegen de aangebrachte 
wijziging. 

Ik rond mijn betoog af. Mijns 
inziens heeft het kabinet op twee 
gedachten gehinkt: moeten wij 
alleen het commercieel draagmoe– 
derschap tegengaan of moeten wij 
ook niet-commercieel draagmoeder– 
schap aanpakken? Het kabinet heeft 
besloten om (als doelstelling voor 
wetgeving) slechts het commercieel 
draagmoederschap tegen te gaan, 
maar het neemt en passant het 
niet-commercieel draagmoederschap 
mee in de bepaling van welke hande– 
lingen strafbaar kunnen zijn. 
Daarmee komt het fenomeen van het 
draagmoederschap in onze ogen ten 
onrechte in een kwader daglicht te 
staan dan noodzakelijk is. Bovendien 
is door de vermenging van de 
doelstellingen of misschien door 
enige dubbelhartigheid bij de 
gestelde doelen een juridisch 
merkwaardig produkt afgescheiden. 
Vanwege het belang van het 
tegengaan van het commercieel 
draagmoederschap, waarover het 
kabinet en mijn fractie het volmondig 
eens zijn, hoop ik dat de plenaire 

Commercieel draagmoederschap/ 17 februari 1993 
Tweede Kamer Meerderjarigverklaring TK50 50-3679 


Kohnstamm 

behandeling van het wetsvoorstel tot 
een betere tekst van de wet zal 
leiden. 

Minister Hirsch Ballin : Mijnheer de 
voorzitter! Mag ik even de aandacht 
vestigen op een kennelijke 
misstelling (een tikfout) in het 
amendement op stuk nr. 10 (21968) 
van de heer Kohnstamm en mevrouw 
Brouwer? In onderdeel I van dat 
amendement wordt een nieuw derde 
lid voorgesteld dat echter als "2" is 
genummerd. Misschien is het goed 
om dat even bij dezen in "3" te corri– 
geren. 

De heer Kohnstamm (D66): Dat 
doe ik ongezien. 

D 

De heer Leerling (RPF): Voorzitter! 
Onlangs zond de VARA een 
programma uit, waarin het 
verschijnsel draagmoederschap aan 
de orde werd gesteld. Twee samen– 
wonende mannen lieten in dat 
programma weten, dat zij samen een 
kind opvoeden. Een ook aan het 
programma meewerkende vriendin 
was bereid geweest, een kind voor 
hen ter wereld te brengen en 
vervolgens aan hen af te staan. Eén 
van de beide mannen was de biolo– 
gische vader. Kennelijk was de 
voogdij van de moeder op de vader 
overgedragen. Of de rechter zich 
heeft gerealiseerd dat het hier om 
een draagmoederschap ging, en hoe 
hij dat heeft gewaardeerd, weet ik 
niet. Dat vermeldt de historie niet. In 
ieder geval betrof het zeker geen 
geval van commercieel draagmoe– 
derschap. Hoe het ook zij, ik wil met 
dit voorbeeld aangeven dat er 
inderdaad vrouwen blijken te zijn die 
zich bewust laten bevruchten om 
vervolgens na de bevalling hun kind 
af te staan. Draagmoederschap dus, 
al kan ik in dezen het woord 
"moeder" nauwelijks plaatsen. Ik 
vind zo'n daad namelijk volstrekt 
tegennatuurlijk. Hoe is het letterlijk 
en figuurlijk in de wereld mogelijk, 
dat een moeder haar kind zo 
schijnbaar achteloos kan afstaan? 
Zelfs in Somalië vechten uitgehon– 
gerde moeders voor onze ogen met 
hun laatste krachten voor hun 
kinderen. In wat voor ontaarde 
wereld leven wij toch in Nederland? 

Mevrouw Terpstra (VVD): Doet de 

heer Leerling hiermee niet die draag– 
moeder onrecht die uit ideële 
overwegingen en uit grote betrok– 
kenheid bijvoorbeeld met een 
onvruchtbare zus, bereid is om dat 
grote gebaar te maken om voor haar 
zus een kind te baren? Is zijn 
absolute afweer niet gelegen in het 
feit dat het in de casus waar hij het 
over heeft, toevallig gaat om de 
opvoeding door twee homofielen? 

De heer Leerling (RPF): Neen, ik 
heb dit voorbeeld genoemd om aan 
te tonen wat voor absurde situaties 
je op deze manier kunt krijgen. Ik 
geef direct toe dat er ideële 
motieven kunnen zijn. Die kun je 
respecteren en waarderen, maar 
daarmee zijn ze naar mijn 
overtuiging, met alle respect, nog 
niet geoorloofd. Ik vind verder - ik 
heb dit voorbeeld aangehaald, maar 
er zijn wellicht meerdere - dat je van 
ontaarding kunt spreken. Ik ben geen 
vrouw, maar ik ken in mijn omgeving 
geen vrouwen die, als zij een kind ter 
wereld hebben gebracht, dat niet 
koesteren op een manier waartoe 
alleen een vrouw in staat is. Ik kan 
mij dan niet voorstellen, dat er 
vrouwen zijn die handelen zoals is 
gebeurd in mijn voorbeeld. Wellicht 
gebeurt het meer, gelet op het feit 
dat het draagmoederschap een 
fenomeen is waarover wij in deze 

Kamer horen te spreken. 

Mevrouw Terpstra (VVD): De heer 
Leerling gaat een beetje om mijn 
vraag heen. Hij heeft heel harde 
woorden gesproken over de draag– 
moeder. Hij kan zich het woord 
"moeder" niet eens voorstellen. Ik ga 
terug naar het andere geval. Ik noem 
het mededogen, het meeleven met 
het intense verdriet van je zus, die 
ondanks alle liefde die zij heeft te 
geven, ook als moeder, geen kind 
kan krijgen. Zijn de harde woorden 
die de heer Leerling zojuist heeft 
gesproken, dan ook van toepassing 
als een vrouw, vanuit die ideële 
overwegingen en vanuit liefde, voor 
haar zus dat grote gebaar maakt? 

De heer Leerling (RPF): Voorzitter! 
Ik heb een voorbeeld aangehaald om 
aan te tonen met welk fenomeen wij 
in de samenleving te maken hebben. 
In die situatie heb ik die terminologie 
gebruikt. Ik breng begrip op voor de 
situatie die mevrouw Terpstra 
schetst - dat heb ik zojuist ook al 

gedaan en wat dat betreft ben ik niet 
om de vraag heen gelopen - maar 
toch blijft dat voor mij onacceptabel. 
Ik kan de gevoelens van die draag– 
moeder voor haar zus, of iemand 
anders in een directe relatie, niet 
inschatten, maar ik kom toch tot de 
conclusie, dat dit geen gewenste 
route is. 

Mevrouw Terpstra (VVD): Dat is 
wat anders. 

De heer Leerling (RPF): Voorzitter! 
Vandaag spreken we over een 
verbod op het commercieel draag– 
moederschap. Er mag geen handel in 
kinderen ontstaan. Ik ben er 
verheugd over dat regering en Kamer 
het in dezen volstrekt eens zijn en 
het commercieel draagmoederschap 
bij wet zal worden verboden. Wat 
dat betreft zou het wetsvoorstel 
geen verdere discussie behoeven. Er 
is echter best iets te zeggen over het 
draagmoederschap als zodanig. 

Ik stel vast, dat het kabinet het 
draagmoederschap geen gewenste 
ontwikkeling vindt en derhalve wil 
ontmoedigen. Op zichzelf stem ik 
daarmee in, maar zou het kabinet 
toch niet wat krachtiger stelling 
willen nemen door deze vorm van 
voortplanting als afkeurenswaardig 
te betitelen en al het mogelijke te 
doen om het draagmoederschap te 
verbieden? Een niet te verwaarlozen 
aspect daarbij is dat het draagmoe– 
derschap afbreuk doet aan de 
Scheppingsordinantie, die uitgaat 
van de norm dat kinderen geboren 
worden in een huwelijksverband 
tussen één man en èén vrouw. 

Heel nadrukkelijk stel ik daarbij het 
belang van het kind voorop. In onze 
tijd kennen we de voorbeelden van 
kinderen die in een identiteitscrisis 
zijn gebracht en op zoek zijn naar 
hun biologische vader, die als 
anonieme zaaddonor ertoe heeft 
bijgedragen dat het kind ter wereld 
is gekomen. Zo'n identiteitscrisis lijkt 
nog meer waarschijnlijk als het kind 
op zoek moet naar zijn moeder, of 
als het kind weet dat zijn moeder 
hem of haar heeft overgedragen en 
eigenlijk dus niet wilde. 

Er zijn nog veel meer bezwaren 
tegen de gevolgen van het draag– 
moederschap aan te voeren. Die zijn 
in de schriftelijke voorbereiding ook 
aan de orde geweest. Ik wijs vooral 
op het risico dat wensouders uitein– 
delijk niet in het kind zijn geïnteres– 

Commercieel draagmoederschap/ 17 februari 1993 
Tweede Kamer Meerderjarigverklaring TK50 

50-3680 


Leerling 

seerd omdat het een of andere 

handicap blijkt te hebben, dan wel 

niet voldoet aan gekoesterde 
verlangens. Kortom, het kind wordt 

handelswaar, of in het meest 

gunstige geval een cadeau en in 

ieder geval iets dat je overdraagt. 

Ik onderken dat identiteitspro– 
blemen zich ook kunnen voordoen bij 
adoptie. Maar bij adoptie is er toch 
sprake van een geheel andere 
situatie, waarin de wens van adoptie– 
fouders natuurlijk wel meespeelt, 
maar het primair om het belang van 
het kind gaat. De rechter bewaakt 
dat. 

Voorzitter! Ik meen dan ook dat 
draagmoederschap niet alleen moet 
worden ontmoedigd, maar ook 
verboden. Is de minister ervan 
overtuigd, dat een dergelijk verbod 
absoluut onhaalbaar is? Op grond 
van de schriftelijke gedachtenwis– 
seling ben ik daar nog niet zo zeker 
van. Ik ben op dit moment in ieder 
geval nog niet zover. Ik wil alsnog 
een poging wagen, de minister aan 
te zetten tot een verbod op het 
draagmoederschap. 

Moreel gezien is het draagmoeder– 
schap verwerpelijk en dat alleen al 
dient een argument van de overheid 
te zijn om handelend op te treden. Ik 
ga er gemakshalve van uit, dat er 
altijd afspraken worden gemaakt 
tussen de draagmoeder en de 
wensouders. Het maken van een 
dergelijke afspraak kan toch 
verboden worden en strafbaar 
worden gesteld? Een dergelijke 
overeenkomst is nietig, omdat strijd 
met de wet wordt geconstateerd. 
Wensouders, maar ook draag– 
moeders, zullen daardoor toch 
enigszins worden ontmoedigd, want 
hun handelen is niet zonder risico. 
Beide partijen zijn niet aan de 
overeenkomst gebonden, met alle 
gevolgen vandien. Bovendien maken 
zij zich door het sluiten van de 
overeenkomst schuldig aan het 
plegen van een strafbaar feit. 

Cruciaal bij zo'n verbod is dat de 
rechter de bedoelingen van partijen 
kan toetsen. Dit geldt vooral voor de 
bedoelingen van de draagmoeder. 
Een geval van draagmoederschap 
dient onderscheiden te worden van 
een situatie waarin een ongehuwde 
moeder, na een ongewenste 
zwangerschap, een kind "afstaat" 
voor adoptie. Maar de rechter staat 
hierin niet geheel machteloos. Van 
iedere geboorte moet aangifte 

worden gedaan. Dan staat vast wie 
de natuurlijke moeder is. Als de 
wensouders de voogdij over het kind 
willen krijgen, dient de rechter dat 
verzoek af te wijzen, als hij of zij de 
indruk heeft dat het om draagmoe– 
derschap gaat. Dan kan de 
wensouder het kind vervolgens ook 
niet adopteren, omdat voogdij 
daartoe een voorwaarde is. 

Daarnaast wijs ik nog op de 
mogelijkheid die artikel 241, derde 
lid, BW biedt: de voorlopige toever– 
trouwing van een kind jonger dan 6 
maanden aan de Raad voor de 
kinderbescherming, wanneer het 
kind als pleegkind is opgenomen, 
zonder voorafgaande instemming 
van de raad. Het is denkbaar dat 
altijd tot die voorlopige toever– 
trouwing wordt overgegaan, als de 
officier van justitie de indruk heeft 
dat het concreet om een geval van 
draagmoederschap gaat. Dit is 
immers een strafbaar feit, als mijn 
voorstel wordt overgenomen. Via de 
aangegeven wegen kan bereikt 
worden dat het kind in het geheel 
niet bij de wensouders behoeft 
terecht te komen. Is zo'n benadering 
nu echt onwenselijk? Is de 
handhaving werkelijk een obstakel? 

Zoals gezegd, ik ben er voorshands 
nog allerminst van overtuigd dat het 
draagmoederschap niet kan worden 
verboden dan wel nadrukkelijker kan 
worden ontmoedigd en gedwars– 
boomd dan nu gebeurt. Graag hoor 
ik een reactie van de minister hierop. 
Ik besef hierbij dat een strafrechte– 
lijke bepaling op dit punt wellicht 
niet volledig kan worden gehand– 
haafd. Wij zien ook in andere 
situaties in de samenleving dat de 
handhaving niet lukt, zoals wij willen. 
Denk maar aan het handhaven van 
de maximumsnelheid. Maar om 
daaruit te concluderen dat het 
daarbij dan maar moet blijven, is 
vers twee. Het nevendoel, tegengaan 
van draagmoederschap als zodanig, 
blijft immers aan de orde. 

Mijnheer de voorzitter! Over de 
voorgestelde strafrechtelijke 
bepalingen met betrekking tot het 
commercieel draagmoederschap heb 
ik in dit stadium geen vragen meer. 
Met genoegen constateer ik nog 
slechts dat hulpverleningsorgani– 
saties die zich bijvoorbeeld bezig– 
houden met de hulpverlening aan 
ongewenst zwangere vrouwen, een 
ontheffing kunnen verkrijgen om zich 
toch, technisch gesproken, op het 

terrein van de bemiddeling tussen 

draagmoeder en geschikte adoptie– 

fouders te begeven. Ik wil hier de 

VBOK met ere noemen, een organi– 

satie die zich in een geval van 

ongewenste zwangerschap inzet 

voor de hulp aan moeder èn kind. 

Voorzitter! Ik kom nu aan het 
volgende onderwerp dat voorligt, 
namelijk het wetsvoorstel onder stuk 
14167. Het eerste deel van dit 
wetsvoorstel, de mogelijkheid van 
ongehuwde, zwangere vrouwen of 
moeders om al op hun 16de 
verjaardag de meerderjarigheid aan 
te vragen, stuit wat mij betreft niet 
op bezwaren. Een belangrijke 
overweging hierbij is dat die 
meerderjarigheid hen niet van 
rechtswege toekomt, na de 
bevalling, maar op aanvraag, waarna 
een beoordeling door de rechter 
volgt. Dit biedt de mogelijkheid om 
te onderscheiden naar hen die nog 
niet kunnen worden geacht toe te 
zijn aan hun meerderjarigheid en hen 
die dat wel zijn. 

Een tweede argument is dat 
huwelijk evenzo tot meerderjarigheid 
leidt en een huwelijk kan gesloten 
worden op 16-jarige leeftijd, in geval 
van zwangerschap en als daartoe 
toestemming door de Koningin is 
verkregen. 

Het tweede deel van het voorstel 
ligt een slag anders, niet alleen 
omdat het in feite zelfs niet meer ter 
bespreking voorligt. Vrij onverwacht 
is de ontwikkeling rond het draag– 
moederschap immers aangegrepen 
om het aanvankelijke voorstel om het 
afstand doen van een kind te forma– 
liseren zodat het een juridisch 
rechtsgeldige handeling wordt, in te 
trekken. In het voorlopig verslag bij 
stuk 21968 heb ik aangegeven dat ik 
de argumentatie hiervoor kan volgen 
voor zover deze ertoe strekt, alles te 
vermijden dat het verschijnsel draag– 
moederschap kan bevorderen. Toch 
valt hierover nog wel iets meer te 
zeggen en ik wil deze gelegenheid 
aangrijpen om dat ook te doen. 

Mijn partij heeft de afstandspro– 
cedure in beginsel altijd toegejuicht, 
omdat zij daarin een alternatief zag 
voor abortus provocatus. Daarbij 
geldt wel dat over de vormgeving 
van de afstandsprocedure nog wel 
de nodige discussies kunnen worden 
gevoerd. De procedure als voorzien 
in stuk 14167 is bijvoorbeeld erg 
rigide, met name de onherroepe– 
lijkheid van de afstandsverklaring 

Commercieel draagmoederschap/ 17 februari 1993 
Tweede Kamer Meerderjarigverklaring TK50 

50-3681 


Leerling 

roept bezwaren op. Behoudens een 
kleine uitzondering, die zich niet vaak 
zal voordoen, is er geen mogelijkheid 
de afstandsverklaring weer in te 
trekken. En dat gaat wel heel ver. Dit 
heeft mij tot de conclusie geleid, dat 
ik de afstand van ouderrechten als 
oorspronkelijk voorgesteld, niet kan 
aanvaarden. 

Toch kan de vraag gesteld worden 
of er wellicht behoefte is aan een 
minder onherroepelijke afstandsver– 
klaring. Voor mij heeft deze vraag 
een bijzondere betekenis, omdat wij 
haar opwerpen in relatie tot de 
abortusproblematiek. Het is 
natuurlijk pure winst indien 
ongewenste zwangerschap niet leidt 
tot abortus provocatus, dus de dood 
van het kind, omdat als alternatieve 
mogelijkheid gekozen wordt voor het 
afstand doen van het kind. De 
huidige Wet afbreking zwangerschap 
zou kunnen worden ingetrokken als 
die weg meer wordt bewandeld. Het 
is immers een betere regeling, die 
levensreddend is voor moeder én 
kind. 

De minister meent echter dat voor 
dit doel geen officiële afstandspro– 
cedure nodig is. Hij wijst in dit 
verband op de huidige praktijk van 
het afstand doen, voornamelijk bij 
ongehuwd zwangere, met name 
minderjarige vrouwen. Dit wordt 
veelal geregeld via bemiddeling door 
bureaus van de FIOM of een organi– 
satie als de VBOK, hetgeen in de 
regel uitmondt in een verzoek van de 
Raad voor de kinderbescherming tot 
ontheffing van de vrouw uit de 
voogdij. Of in een ander geval: de 
moeder heeft de voogdij nog niet 
omdat zij nog geen 18 jaar is. 
Bovendien zou een ontheffing 
aanvaardbaarder zijn voor het kind 
dan een afstandsverklaring door de 
ouder, waarbij nog gewezen wordt 
op de "ampele rechterlijke 
overweging" waarvan sprake is bij 
ontheffing. 

Nu kunnen bij deze overwegingen 
wel de nodige kanttekeningen 
worden geplaatst, maar ter wille van 
de tijd ga ik daar maar niet verder op 
in. Doorslaggevend is denk ik de 
overweging dat de afstandspro– 
cedure een element van vrijwil– 
ligheid, of in ieder geval eigen initi– 
atief, inbouwt in de procedures met 
betrekking tot het afstand doen van 
een kind, waar het personen– en 
familierecht uitgaat van het beginsel 
dat een ouder of voogd niet van zijn 

of haar kind af kan, tenzij. Bij de 
afstandsprocedure gaat het om een 
"ja, mits". Vooral dit aspect maakt 
dat een toelaatbare afstand heel 
moeilijk is af te grenzen van een 
geval van ontoelaatbaar draagmoe– 
derschap. Ik vraag nog aandacht 
voor het feit dat ook in de huidige 
praktijk afstandsverklaringen worden 
gebruikt. Weliswaar zijn deze niet 
rechtsgeldig, maar betrokkenen zijn 
daarvan niet altijd op de hoogte. De 
indruk van rechtsgeldigheid wordt in 
ieder geval wel gewekt. Is het niet 
vreemd dat dergelijke verklaringen 
kennelijk mogen worden gebezigd? 
Zij kunnen veel misverstanden, of 
zelfs misbruik oproepen, zoals 
beïnvloeding van de ongehuwde 
moeder. Hoe kijkt de minister hier 
tegenaan? Is er aanleiding om tegen 
het gebruik van dergelijke verkla– 
ringen, die geen formele status 
hebben, stappen te ondernemen? 

Voorzitter! Over commercieel 
draagmoederschap zijn wij het allen 
eens. Overigens kan wat mij betreft 
nog wel verder worden gediscus– 
sieerd over het fenomeen draagmoe– 
derschap, maar nu pleit ik ervoor, 
nog eens te bekijken of het draag– 
moederschap als zodanig kan 
worden verboden. Graag verneem ik 
de reactie van de minister hierop, 
alsmede op mijn vraag over de 
afstandsprocedures. 

D 

Mevrouw Terpstra (VVD): 
Voorzitter! Omdat het niet vaak 
voorkomt dat wij anno 1993 nog een 
wetsvoorstel behandelen dat is 
ingediend op 18 oktober 1976, heb 
ik mij voorgenomen om daar maar 
eerst mee te beginnen. De intitulé 
van dat wetsvoorstel 14167 luidde 
destijds "Wijziging in het Burgerlijk 
Wetboek en het Wetboek van 

Burgerlijke Rechtsvordering, strek– 
kende tot irwoerïng ten behoeve van 

minderjarige moeders van de 

mogelijkheid tot meerderjarigver– 
klaring en ten behoeve van ouders 
van de mogelijkheid tot het doen van 

afstand van ouderrechten". In de 
afgelopen zeventien jaar is niet 
alleen het tweede deel hiervan 
vervallen. Interessant is dat de 
gehele wetsgeschiedenis van dit 
wetsvoorstel duidelijk maakt hoezeer 
de wetgeving en alles wat daarbij 
komt, in beweging is. 

Ik ga terug naar 1976. Het 

wetsvoorstel was de tweede, meer 
omvangrijke wetgeving naar 
aanleiding van de voorstellen van de 
commissie-Wiarda, de commissie 
voor de herziening van het kinderbe– 
schermingsrecht. Alleen al het 
advies van die commissie deed heel 
wat stof opwaaien. Met trots moet ik 
zeggen dat ik nu de fakkel overneem 
van ex-collega Annelien Kappeyne 
van de Coppello, die in feite het 
eerste, voorlopig verslag op het 
onderhavige wetsvoorstel in die tijd 
heeft geschreven. Het wetsvoorstel 
bestond dus uit twee delen. Aller– 
eerst was er de mogelijkheid om een 
meerderjarigheidsverklaring te 
verkrijgen voor de ongehuwde, 
minderjarige moeder en dat in een 
tijd waarin adolescenten pas 
meerderjarig werden op hun 21ste. 
Vooral het verschil tussen 21 en 16 
gaf niet alleen bijval aan de ene kant, 
maar vooral kritiek aan de andere 
kant, juist ook in de richting van het 
toenmalige koppel: de progressieve 
minister Van Agt en zijn niet minder 
progressieve staatssecretaris 
Zeevalking, die indertijd de onderte– 
kenaars waren. 

De kritiek werd vooral ook geuit 
omdat dit koppel afweek van het 
advies van de commissie-Wiarda, 
waarbij, zoals iedereen weet, de 
minderjarige moeder weliswaar de 
mogelijkheid kreeg om van 
rechtswege bij de geboorte van haar 
kind het verzorgings– en het opvoe– 
dingsrecht te verlenen, maar 
vervolgens geen zelfstandige verte– 
genwoordigingsbevoegdheid had in 
burgerlijke handelingen en geen 
bewind kon voeren over het 
eventuele vermogen. Toch werd dit 
deel van het wetsvoorstel bijna 
kamerbreed ondersteund, zij het - ik 
zeg het nog maar eens voor de 
geschiedschrijving - dat niet alleen 
de partij van de heer Leerling, maar 
ook de KVP, de ARP en de CHU zich 
indertijd zorgen maakten over 
mogelijk misbruik van deze meerder– 
jarigheidsverklaring. 

De voorzitter: Ik wijs mevrouw 
Terpstra erop dat de RPF in 1976 
nog niet in de Kamer vertegen– 
woordigd was. 

Mevrouw Terpstra (VVD): Dat is 
waar. Ik ben blij dat ik de heer Van 
Dis als voorzitter tref. "Chapeau" 
voor deze opmerking, want die is 
waar. Ook dit komt nu in de 

Commercieel draagmoederschap/ 17 februari 1993 
Tweede Kamer Meerderjarigverklaring TK50 

50-3682 


Terpstra 

geschiedschrijving terecht. 

Hoe dan ook, de KVP, de ARP en 
de CHU maakten zich er zorgen over 
dat de meerderjarigheidsverklaring 
door de adolescenten - die nog geen 
21 waren en dus nog toestemming 
van hun ouders moesten hebben zou 
worden misbruikt om daarmee 
zonder toestemming van hun ouders 
te trouwen. 

Interessant was ook dat de leden 
van de fractie van de PSP, die 
destijds wel bestond en nu niet 
meer, nog eens nadrukkelijk aante– 
kening vroegen voor hun, ook toen 
reeds, principiële bezwaar dat door 
de kinderrechter vooraf getoetst zou 
worden of de minderjarige 
ongehuwde moeder wel in staat was 
tot ouderschap en de ouderlijke 
macht. Ik vind het wel aardig om dit 
nog een keer te relateren. Zij 
maakten zich te meer zorgen over 
die toetsing, omdat de bewinds– 
lieden (Van Agt en Zeevalking) niet 
klip en klaar afstand namen van de 
uitspraak dat het minderjarïg 
ongehuwd moederschap niet in de 
eerste plaats een bewijs was van 
maatschappelijke rijpheid. Anno 
1976! Het kan verkeren! 

Nu wordt terecht de vraag gesteld 
of 16 jaar niet een erg arbitraire 
leeftijd is. Ik wil erbij zeggen dat de 
VVD die grens van 16 jaar 
vooralsnog wel accepteert, te meer 
daar 16 jaar in allerlei soorten 
wetgeving, van de Wet op de 
geneeskundige behandelingsover– 
eenkomst tot en met allerlei andere 
wetgeving, als grens wordt erkend. 

Voorzitter! De VVD is het ook eens 
met de keuze voor gezagsuitoefening 
via de meerderjarigheidsverklaring. 
Het alternatief is toekenning van 
rechtswege van het verzorgings– en 
opvoedingsrecht, terwijl de moeder 
minderjarig blijft en zelf nog onder 
het gezag van haar ouders of voogd 
staat. Dat zou kunnen leiden tot een 
onontwarbaar complex van bevoegd– 
heden en daarmee tot onoplosbare 
problemen tussen de moeder en 
haar ouders of voogd. 

Bovendien acht de VVD het 
positief - wij wel - dat de aanvraag 
als zelfstandige persoonlijkheid tot 
meerderjarigverklaring de kinder– 
rechter de mogelijkheid geeft om te 
beoordelen of de moeder wel in 
staat is om het gezag uit te oefenen 
en of zulks wel in het belang van 
moeder en kind is. Het draait 
tenslotte om het belang van het kind. 

Die rechterlijke beoordeling is er niet 
bij toekenning van rechtswege van 
het verzorgings– en opvoedingsrecht 
aan de minderjarige moeder. 

In de loop van de al zeventien jaar 
durende schriftelijke voorbereiding 
van deze wet zijn er al veel opvat– 
tingen veranderd. Niemand in dit 
huis zal durven citeren wat destijds 
in de schriftelijke voorbereiding is 
gezegd: dat de minderjarige moeder, 
nog ongehuwd ook, als maatschap– 
pelijk onrijp werd gedefinieerd. Maar 
enige toetsing door de kinderrechter 
kan ook anno 1993 geen kwaad, 
menen wij. Mijn fractie wil de 
minister vragen om nog eens in te 
gaan op deze toetsing en op de 
criteria die daarbij gehanteerd 
moeten worden. 

Zoals gezegd zijn wij het eens met 
dit onderdeel van het wetsvoorstel. 
Het tweede deel van het 
wetsvoorstel uit 1976 betrof de 
regeling voor de afstand van ouder– 
rechten. Uit de stukken van 1991 
blijkt dat de regering drie 
argumenten had om uiteindelijk af te 
zien van de in 1976 voorgestelde 
wettelijke regeling voor afstand. Ik 
noem ze alle drie: 

a. naar verwachting zou maar een 
zeer klein aantal gevallen van die 
regeling gebruik maken; 
b. uit de huidige praktijk blijkt geen 
behoefte om die praktijk te formali– 
seren; 
c. naar het oordeel van de regering 
zal een wettelijke regeling tot 
afstand het draagmoederschap in de 
hand werken. 
De regering acht dus het gevaar 
aanwezig dat veeleer een beroep 
wordt gedaan op afstand, als dat 
wettelijk is geregeld, dan wanneer de 
figuur van afstand in de praktijk is 
gegroeid. In verband met het over de 
onwenselijkheid van draagmoeder– 
schap opgemerkte is dit onderdeel 
uit wetsvoorstel 14167 geschrapt. 
Over het verband dat hier is gelegd, 
wil ik graag een nadere vraag stellen. 
Ik vind dat dit verband onvoldoende 
is aangetoond in de schriftelijke 
voorbereiding van het wetsvoorstel. 
Bovendien, en dat is misschien nog 
wel belangrijker, heeft het naar mijn 
gevoel iets betuttelends om te 
denken dat een wettelijke regeling 
zonder meer een aantrekkende 
werking zou hebben, zeker als het 
om zo'n essentiële beslissing gaat. 
Die betutteling, daar houden 
liberalen niet van, tenzij overtuigend 

is aangetoond dat het niet anders 

kan. Wij nodigen de minister uit om 

dat aan te tonen. 

Minstens even aanvechtbaar lijkt 
mij overigens de nadere argumen– 
tatie in de nota naar aanleiding van 
het eindverslag om af te zien van een 
wettelijke regeling van de afstand 
van ouderrechten. Daarin schrijft de 
minister: "Naar mijn mening geldt 
voor kinderen van ongehuwde 
moeders, evenzeer als voor andere 
kinderen, dat een na ampele 
overweging genomen rechterlijke 
beslissing waarbij de oorspronkelijke 
ouder van de voogdij is ontheven, 
aanvaardbaarder is" - voor die 
kinderen - "dan een verklaring 
waarbij vrijwillig van het ouderrecht 
afstand is gedaan". Het realiteitsge– 
halte van een dergelijke stelling over 
de beleving van het kind lijkt mij 
gering. Met "kind" bedoel ik een kind 
in alle leeftijdsfasen, want een kind 
blijft een kind, ook als het volwassen 
is. Er moge juridisch een groot 
verschil bestaan in beide procedures, 
in de belevingswereld van het kind, 
hoe oud ook, heeft de minderjarige 
en ongehuwde moeder zich destijds 
toch niet verzet tegen c.q. is akkoord 
gegaan met de gevolgde procedure. 
De gevolgde argumentatie komt de 
VVD-fractie dus wat gezocht voor. 
Anderzijds moeten er geen regels 
zijn waarvan de noodzaak niet is 
aangetoond. Per saldo vindt de 
VVD-fractie het schrappen van dit 
onderdeel wel positief. Ik wil nog een 
laatste vraag stellen over de 
blijvende financiële band ten aanzien 
van mogelijke financiële verplich– 
tingen van de ouder die daarvan 
afstand heeft gedaan. 

Ik kom nu te spreken over 
wetsvoorstel 21968, de aanvulling 
van het Wetboek van Strafrecht met 
enige bepalingen strekkende tot het 
tegengaan van commercieel draag– 
moederschap. Dit wetsvoorstel is 
van aanmerkelijk jongere datum en is 
ingediend op 20 december 1990. De 
vraag laat zich stellen hoe het komt 
dat pas het laatste decennium ook in 
de ons omringende landen de 
behoefte zich doet gevoelen voor 
enige wettelijke regulering; zle de 
informatieve brief van 9 november 
1992 over buitenlandse strafbepa– 
lingen ter zake van commercieel 
draagmoederschap. Het verschijnsel 
draagmoederschap is immers 
bepaald niet van deze tijd alleen. De 
heer Kohnstamm heeft er al op 

Commercieel draagmoederschap/ 17 februari 1993 
Tweede Kamer Meerderjarigverklaring TK 50 

50-3683 


Terpstra 

gewezen dat het reeds opgetekend is 
in bijbelse tijden. Ik vraag de 

minister of het antwoord niet 
besloten ligt in de geest van deze 
tijd. Daarbij lijkt het of de groeiende 
mogelijkheden van de medische 
technologie met betrekking tot voort– 
plantingstechnieken, het mensen 
steeds moeilijker maakt te berusten 
in kinderloosheid. Zou bij diezelfde 
tijdgeest niet juist een wetsregelmg 
noodzakelijk zijn, omdat bij het 
wegvallen van de taboes het openlijk 
aanbieden van diensten, al dan niet 
ideëel of commercieel, om die onver– 
vulde kinderwens alsnog in vervulling 
te doen gaan steeds meer in zwang 
komt? Dat is toch een woord dat hier 
op zijn plek is. 

Uitgangspunt van het onderhavige 
wetsvoorstel is dat de regering het 
draagmoederschap maatschappelijk 
ongewenst acht. Zij geeft daar in de 
memorie van toelichting en ook in de 
rest van de schriftelijke voorbe– 
reiding verschillende argumenten 
voor. Ik kom daarop terug. De eerste 
vraag evenwel die liberalen zich 
moeten stellen is of de overheid op 
dat punt wel een oordeel past. Ik wil 
die vraag graag beantwoorden zoals 
ik dat reeds heb gedaan bij de 
behandeling van de notitie Kunst– 
matige inseminatie en draagmoeder– 
schap (20706). De VVD hecht sterk 
aan de individuele vrijheid van 
mensen, die eigen keuzen maken en 
er de verantwoordelijkheid en conse– 
quenties voor dragen. Liberalen 
vinden dat mondige burgers daarin 
vrij moeten zijn; zie bijvoorbeeld ook 
de opvatting van de VVD over legali– 
sering van prostitutie. Ik zeg er 
echter gelijk bij dat de liberale 
vrijheid van de een eindigt daar waar 
hij de vrijheid van een ander 
belemmert of in de weg zit. Dat geldt 
juist in combinatie met de ook door 
de regering in onder andere de 
memorie van toelichting genoemde 
nadelige risico's van draagmoeder– 
schap voor het draagkind: ik noem 
de identiteitsproblemen, de 
onzekerheid enzovoort. Dat zijn 
overigens geen andere risico's dan 
bij een adoptieprocedure, maar er is 
een extra risico waar het gaat om 
het weinig verheffende juridische 
getouwtrek ten aanzien van een 
draagmoederschapscontract om het 
kind. Ik wijs er hierbij op dat 
mevrouw mr. Broekhuizen een 
pleidooi houdt om niet over te gaan 
tot een absolute nietigheidsver– 

klaring op alle onderdelen van het 
draagmoederschapscontract. Ik 
nodig de minister uit om ook hier 
iets over te zeggen. Het risico voor 
het draagkind is het eerste punt. 

Maar ik noem ook het risico voor 
de draagmoeder: hechting en spijt. 
Ik noem als meer risico het ten dele 
rechtsgeldige c.q. afdwingbare 
contract met alle onoverzienbare 
gevolgen vandien in verband met de 
wensouders. Ook is het probleem al 
genoemd dat het kind na de 
geboorte, nader beschouwd, toch 
niet gewenst is door de een noch de 
ander. 

De heer Janmaat (Centrumdemo– 
craten): Ik neem aan dat mevrouw 
Terpstra is uitgesproken over het 
risico van het draagkind. 

Mevrouw Terpstra (VVD): Ja. 

De heer Janmaat (Centrumdemo– 
craten): Dan mag ik mij er toch wel 
over verbazen dat de liberalen in al 
hun verantwoordelijkheid daar zo 
makkelijk overheen stappen. Immers, 
uit onderzoeken blijkt steeds meer 
dat draag– hetzij adoptiekinderen, 
zeker als er sprake is van een proces 
waarbij de natuurlijke ouders 
onbekend, anoniem blijven, vreselijk 
instabiel worden. Dat is bij de 
liberalen allemaal ingecalculeerd? 
Dat vindt u prachtig, mevrouw 
Terpstra? 

Mevrouw Terpstra (VVD): Ik 
constateer dat de heer Janmaat, 
zoals zo vaak het geval is, niet eens 
luistert. Ik adviseer hem dan ook 
graag om de Handelingen daarop na 
te lezen. Juist in een vorige volzin 
heb ik namelijk het risico van het 
draagkind als een van de negatieve 
parameters voor het draagmoeder– 
schap genoemd. 

De heer Janmaat (Centrumdemo– 
craten): Nou, wat zijn uw conclusies 
dan? 

Mevrouw Terpstra (VVD): Mijnheer 
Janmaat, ik begrijp dat u in uw 
opgekloptheid een dergelijke 
terechtzetting niet kunt hebben en 
onmiddellijk vraagt om de rest van 
mijn verhaal in één zin samen te 
vatten. Gaat u maar rustig zitten, dan 
kunt u luisteren naar de rest van mijn 
betoog. Als u tenminste bereid bent 
om te luisteren! 

De heer Janmaat (Centrumdemo– 
craten): Het gaat niet om mij, maar 
om de opvattingen van de VVD. 
Welnu, ik had gevraagd of mevrouw 
Terpstra de argumentatie inzake het 
risico van de draagkinderen had 
afgerond. Dat was het geval. Maar ik 
begrijp dat de conclusies nog aan de 
orde komen. Dus die in één zin 
aangeduide argumenten die een 
breed spectrum van een heel leven 
omvatten, worden nog uitgewerkt en 
daaruit worden nog conclusies 
getrokken. 

Mevrouw Terpstra (VVD): Ik geloof 
dat de heer Janmaat zelfs niet naar 
mijn antwoord geluisterd heeft. Maar 
dat komt wel meer voor in dit huis. 

De heer Janmaat (Centrumdemo– 
craten): Ja, maar dan mag ik toch 
wel alvast concluderen dat de VVD 
in ieder geval aan mogelijke instabili– 
sering van kinderen, komende 
mensen in onze samenleving, 
nauwelijks waarde hecht. Dat komt 
de VVD goed uit. 

Mevrouw Terpstra (VVD): Waar 
bent u nu toch mee bezig? 

De heer Janmaat (Centrumdemo– 
craten): Met het beargumenteren 
van hetzelfde wetsontwerp waar u 
nu over praat. 

Mevrouw Terpstra (VVD): Ik vraag u 
otn hetgeen ik nu net gezegd heb, in 
de Handelingen na te lezen. Ik ben 
namelijk niet van plan om voor een 
collega die niet wil luisteren, mijn 
hele betoog over te doen. Nogmaals, 
ik vraag u om de Handelingen erop 
na te lezen. Dan kunt u tot de 
conclusie komen dat u een geheel 
andere opvatting hebt dan ik hier 
heb verwoord. Ik ben niet bereid om 
met u in discussie te treden, als er 
onterecht niet wordt geluisterd naar 
wat hier wordt gezegd, zodat u er 
vervolgens mooie sier mee gaat 
maken. 

De heer Janmaat (Centrumdemo– 
craten): Nou,u begrijpt... 

De voorzitter Mevrouw Terpstra 
vervolgt haar betoog. Dit punt is nu 
genoeg besproken. 

Mevrouw Terpstra (VVD): 
Voorzitter! Ik zei dat juist de combi– 
natie met de ook door de regering in 

Commercieel draagmoederschap/ 17 februari 1993 
Tweede Kamer Meerderjarigverklaring TK 50 

50-3684 


Terpstra 

onder andere de memorie van 
toelichting genoemde nadelige 
risico's van het draagmoederschap, 
voor het draagkind, zoals de identi– 
teitsproblemen en de onzekerheden, 
voor de draagmoeder zelf en voor de 
wensouders, maakt dat het ook voor 
liberalen naar mijn afweging legitiem 
is om draagmoederschap als 
maatschappelijk ongewenst te 
beoordelen. 

De VVD steunt de regering dan 
ook in de opvatting dat draagmoe– 
derschap ontmoedigd dient te 
worden, hetgeen overigens onverlet 
laat dat soms, bij onvruchtbaarheid 
van de vrouw of de anders onver– 
vulbare kinderwens van homoparen, 
in individuele gevallen het ideële, 
commerciële draagmoederschap een 
zegen kan zijn. Bij die mdividuele 
situatie, waarbij het gaat om een niet 
strafbaar ideëel draagmoederschap, 
gebeurt dat - en de heer Kohnstamm 
zei het ook al - voornamelijk op basis 
van vertrouwen, vertrouwen binnen 
de familie of de vriendenkring. 
Daarvoor is onzes inziens het 
openbaar aanbieden van diensten 
niet nodig en is het verbieden van 
het openbaar aanbieden van 
diensten dus geen belemmering. 

De regering kiest niet voor een 
algeheel verbod van draagmoeder– 
schap en volgt daarbij de bewijs– 
technische redenering dat a. het niet 
kan wegens de handhaafbaarheid en 

b. het een ongewenste inbreuk op de 
privacy zou zijn. Het OM zou immers 
moeten aantonen dat voor een kind 
dat wordt afgestaan, al voor de 
zwangerschap het voornemen tot 
afstand bestond. Maar hoe moeilijk 
het in sommige gevallen zou kunnen 
zijn, het is niet onmogelijk. 
Bovendien vindt de VVD deze 
redenatie niet sterk omdat dit ook 
geldt voor andere, wel strafbaar 
gestelde feiten. Ik noem bijvoorbeeld 
het bewijs van opzet dat wel degelijk 
strafbaar is gesteld. 
Ook het privacy-argument, hoe 
belangrijk ook, is niet overtuigend. 
Reeds in het voorlopig verslag heb ik 
aangegeven dat als het de regering 
ernst is dat draagmoederschap voor 
het kind ernstige risico's meebrengt, 
het belang van de privacy van de 
moeder in het kader van een opspo– 
ringsverzoek, dan ook van onderge– 
schikte orde is. Nee, het enige steek– 
houdende argument voor de VVD om 
het draagmoederschap zelf niet 
strafbaar te stellen, wordt mijns 

inziens het best verwoord in een veel 
geciteerd artikel van prof. Sluyters, 
getiteld "Draagmoederschap en de 
strafwetgever" van 1992, die stelt 
dat het in wezen gaat om het 
volgende: Het is een groot goed dat 
mensen zelf beslissen over hun eigen 
nakomelingenschap. Voor dat belang 
moet in het algemeen wijken het 
belang van kmderen die als gevolg 
van een, in de ogen van de 
maatschappij, verkeerde beslissing 
geboren worden. De zelfbeschikking 
van de betrokken individuen, draag– 
moeder en wensouders, en hun 
privacy moeten overwegen en niet 
door een strafrechtelijke maatregel 
getroffen worden. Dit argument 
geldt overigens niet voor derden die 
beroepshalve of bedrijfshalve bemid– 
delen. Een belangrijk argument tegen 
een algeheel verbod lijkt mij 
overigens, dat het gevolg daarvan 
zou zijn dat een uit een draagmoeder 
geboren kind het belastende gevoel 
met zich zal kunnen dragen, de 
vrucht van een strafbaar feit te zijn. 
Ook dat moet verboden worden. 

Mijn slotsom is, dat het goed is 
dat het draagmoederschap niet 
rechtstreeks strafbaar wordt gesteld 
maar dat het gewenst is dat hiervoor 
in de wetsgeschiedenis de goede en 
de werkelijke argumenten worden 
gebruikt en vooral niet de bewijs– 
technische. Samengevat, de VVD 
acht het juist dat het draagmoeder– 
schap op zichzelf niet verboden 
wordt maar zij acht voldoende 
argumenten aanwezig om door 
middel van aanvullende wetgeving, 
vooral door het tegengaan van 
beroeps– of bedrijfsmatige bemid– 
deling tussen draagmoeder en 
wensouders, een ontmoedigings– 
beleid te voeren. 

De heer Kohnstamm (D66): 
Voorzitter! Ik heb heel erg gepro– 
beerd om het betoog van mevrouw 
Terpstra tot nu toe geheel te volgen. 
Er zit natuurlijk toch een verschil 
tussen de opvatting van mijn fractie 
en die van mevrouw Terpstra. Zij 
zegt dat het in beginsel een 
ongewenst fenomeen is dat moet 
worden ontmoedigd. 

Mevrouw Terpstra (VVD): Daar zijn 
we het samen over eens. 

De heer Kohnstamm (D66): Ik zou 
dat als overheid niet zo snel in 
wetgeving willen vertalen. Ik wil u de 

volgende vraag stellen. Als in de 

familie– of vriendenkring draagmoe– 

derschap voorkomt, dan kan dat 

zegenrijk zijn en dat kan ook uw 

"zegen" krijgen. 

Mevrouw Terpstra (VVD): Altijd in 

individuele gevallen. 

De heer Kohnstamm (D66): 
Jazeker, maar niettemin zijn er 
risico's aan verbonden. Mijn vraag is 
de volgende. Vindt u dat de Raad 
voor de kinderbescherming van 
oorsprong aan de begeleiding ter 
hand mag nemen van de opzet om te 
komen tot een draagmoederschap, 
bijvoorbeeld tussen twee zusjes die 
het er volstrekt over eens zijn? 

Mevrouw Terpstra (VVD): U stelt 
eigenlijk twee vragen. De Raad voor 
de kinderbescherming zou heel goed 
dat draagmoederschap kunnen 
begeleiden en in de praktijk gebeurt 
dat natuurlijk al lang. Ik ben 
benieuwd wat de minister zegt over 
uw amendement. Maar het in 
vertrouwen afspreken tussen twee 
zusjes om een kind voor de ander te 
krijgen, gebeurt niet onder 
begeleiding van de kinderbe– 
scherming maar in de familiekring 
zelf, tussen die twee zusjes. Ik denk 
dat de kinderbescherming daar op 
zichzelf geen rol in hoeft te spelen. 
Een ander punt is, of het terecht is 
dat de tussenpersoon, zoals bijvoor– 
beeld een jurist of een ander die 
helpt bij het opstellen van het draag– 
moedercontract of die helpt bij het 
preventief voorlichten over de 
juridische en emotionele risico's 
daarvan, strafbaar moet worden 
gesteld. Ik kom hierop in de loop van 
mijn verhaal nog terug omdat dit een 
van de klemmende vragen is die wij 
de minister willen stellen. 

De heer Kohnstamm (D66): Nog 
afgezien van het feit dat er ook 
verschil van mening is tussen u en 
mij omdat ik vind dat je het niet 
alleen binnen de familie– of vrienden– 
kring hoeft te doen - ik denk dat er 
een bredere kring aangezocht zou 
kunnen worden - blijft voor mij de 
volgende vraag bestaan. Wanneer 
twee of drie mensen samen besloten 
hebben een wensouder– of draag– 
moederschapconstructie aan te gaan 
en zij willen zich laten voorlichten en 
begeleiden in dat geheel - er is dan 
nog niets gebeurd en de draag– 

Commercieel draagmoederschap/ 17 februari 1993 
Tweede Kamer Meerderjarigverklaring TK50 

50-3685 


Terpstra 

moeder is niet zwanger - kan in dat 
geval van oorsprong aan de Raad 
voor de kinderbescherming een 
begeleidende taak krijgen zonder 
strafbaar te zijn? 

Mevrouw Terpstra (VVD): Ik denk 
dat het zelfs wenselijk is dat er een 
begeleidende taak is en dat het dus 
niet strafbaar wordt gesteld. Daar 
had in feite het tweede deel van uw 
vraag betrekking op. Het eerste deel 
van uw vraag wil ik als volgt beant– 
woorden, mijnheer Kohnstamm. 

Er zit inderdaad licht tussen uw 
opvatting en mijn opvatting. U zegt: 
voor het in individuele gevallen in 
vertrouwen aangaan van een draag– 
moederschap - dus op ideële basis 
en niet op commerciële basis - kan 
het nodig zijn om het openbaar 
maken van een dienst niet strafbaar 
te stellen. Ik heb daar lang over 
nagedacht Er zitten twee aspecten 
aan vast. Als in de wet het openbaar 
maken van diensten, de Opzij'tjes, 
wordt verboden, dan ben ik ervan 
overtuigd dat de creativiteit van 
mensen zo groot is dat in een soort 
geheimtaal of met codes wel een 
andere weg wordt gevonden. Het is 
dus de vraag of die strafbaarstelling 
wel effectief is. De tweede afweging 
is voor ons van groter belang en doet 
ons ertoe neigen om het in het 
openbaar aanbieden van diensten 
toch strafbaar te stellen. Wij hebben 
het in de Nederlandse praktijk over 
draagmoederschap dat een tien– of 
twintigtal keren per jaar voorkomt. 
Dan ga ik uiteraard uit van de onder– 
zoeksgegevens. Dat aantal kan hoger 
of lager zijn. Het overgrote deel 
gebeurt op ideële basis en op basis 
van vertrouwen en zal zich voordoen 
in familie– of vriendenkring. Er zijn 
dus enkele individuele gevallen 
waarin men niet in de familie– of 
vriendenkring terecht kan. Men moet 
dan zijn toevlucht nemen tot het in 
het openbaar aanbieden van of 
vragen om diensten. Hoewel het 
maar om een enkel geval gaat, 
vinden wij dat het niet strafbaar 
stellen normvervaging in de hand 
werkt. Juist omdat wij bezig zijn met 
een ontmoedigingsbeleid, acht ik dat 
enkele geval niet voldoende repre– 
sentatief om daarvoor de situatie te 
creëren dat het eigenlijk de 
normaalste zaak van de wereld is. De 
regering heeft dat in de stukken 
terecht aangegeven. Bovendien lijkt 
het dan alsof de grens tussen draag– 

moederschap op ideële basis en 
draagmoederschap op commerciële 
basis aan het vervagen is. Hier is dus 
duidelijk sprake van een verschil van 
mening. 

De heer Kohnstamm (D66): Een 
groot verschil van mening! Ik vind 
dat het niet aangaat om de openbare 
uiting te verbieden van iets wat 
feitelijk niet verboden is. De overheid 
hoeft toch ook geen toestemming te 
geven voor advertenties van allerlei 
bureaus voor relatiebemiddeling? Dat 
wordt toch ook niet verboden? Het 
verbieden van de openbare uiting 
van iets wat niet strafbaar is, omdat 
het zou kunnen leiden tot iets wat 
minder gewenst is, is strafwetge– 
vingstechnisch niet fraai. Bovendien 
is het vanuit de liberale houding die 
mevrouw Terpstra heeft neergelegd, 
ook niet geheel consequent. Of je 
verbiedt het en je zegt dat ook niet 
geadverteerd mag worden. Als je het 
om allerlei redenen minder gewenst 
vindt maar je wilt het niet verbieden, 
moet je ook niet een niet verboden 
handeling in de openbaarheid 
proberen weg te poetsen. Dat lukt 
niet. 

Mevrouw Terpstra (VVD): Mag ik u 
een tegenvraag stellen? Als u een 
wettelijke mogelijkheid zou zien om 
commercieel draagmoederschap te 
verbieden en ideëel draagmoeder– 
schap te ontzien, zou u daar dan toe 
neigen? 

De heer Kohnstamm (D66): 
Commercieel draagmoederschap 
wens ik te verbieden. Dat heb ik al 
aangegeven. Daarover mag geen 
twijfel bestaan. Ik vind dat een 
strafbare handeling vanwege de 
volstrekt onaanvaardbare 
maatschappelijke consequenties 
daarvan. 

Mevrouw Terpstra (VVD): Dan zijn 
wij het daarover eens: commercieel 
draagmoederschap is geen wenselijk 
verschijnsel. U benadert het van de 
ene kant, wij benaderen het van de 
andere kant. U zegt: je kunt het 
eigenlijk niet goed verbieden, maar 
je moet het wel ontmoedigen. Dat 
zeggen wij ook. U zegt vervolgens: 
dat laat onverlet dat je ideëel draag– 
moederschap mogelijk moet maken. 
Ik wil dat niet verbieden. Vervolgens 
zegt u: om dat te kunnen doen, moet 
maar over de gehele breedte het 

aanbieden en het vragen van 
diensten mogelijk zijn. 

De heer Kohnstamm (D66): U zegt: 
het mag op ideële gronden, maar wij 
verbieden de openbaarmaking 
daarvan. De bewijslast ligt bij u en 
niet bij mij. 

Mevrouw Terpstra (VVD): Neen, 

helemaal niet! De bewijslast ligt 
allereerst bij de regering. Zover als u 

nu gaat, zijn wij nog niet, mijnheer 

Kohnstamm. 

Wat is nu het enlge verschil in 
zienswijze tussen de heer 
Kohnstamm en mij? Ik ben van 
mening dat bij het niet strafbaar 
stellen van het openbaar vragen of 
aanbieden van diensten, er een 
dusdanig gevaar is voor normver– 
vaging en voor een verbreding van 
het grijze gebied dat zich bevindt 
tussen ideëel en commercieel, dat 
wij ertoe neigen dit toch strafbaar te 
stellen. Wij zijn het met de heer 
Kohnstamm eens, dat het in dezen 
voornamelijk gaat om een zaak van 
vertrouwen. De heer Kohnstamm 
vindt echter dat het geschetste 
gevaar minder groot aanwezig is en 
daarom wil hij geen strafbaarstelling. 

Mevrouw Brouwer (Groen Links): 
Voorzitter! Het klinkt vreemd als een 
liberale politica spreekt over het 
risico van normvervaging en als zij 
zegt dat zij met het oog op dit risico 
iets wil verbieden wat men eigenlijk 
ook weer niet wil verbieden. Mijn 
fractie is het er ook voor om het 
commercieel draagmoederschap 
strafbaar te stellen. 

Mevrouw Terpstra (VVD): Maar we 
künnen het niet strafbaar stellen! 

Mevrouw Brouwer (Groen Links): 

Maar u doet het wel. In dit 
wetsvoorstel wordt het voorgesteld 
en ik neem aan dat u het met dit 
voorstel eens bent. 

Mevrouw Terpstra (VVD): Absoluut! 

Mevrouw Brouwer (Groen Links): 

Dus we doen dat. Of dat verbod 
handhaafbaar is, is weer een andere 
kwestie. Waarom wilt u het adver– 
teren voor commercieel draagmoe– 
derschap dan ook niet verbieden? 
Daarmee zou mijn fractie het eens 
zijn. Met andere woorden: het gaat 
niet alleen om het mogelijk maken 

Commercieel draagmoederschap/ 17 februari 1993 
Tweede Kamer Meerderjarigverklaring TK50 

50-3686 


Terpstra 

van commercieel draagmoeder– 
schap, maar ook om het bemiddelen, 
het adverteren etcetera. Als men dat 
ook zou verbieden, volgt men een 
consequente lijn. 

Mevrouw Terpstra (VVD): Was het 

maar zoals u het steit. In de rest van 
mijn betoog, dat overigens zeer kort 
is, kom ik nog op dit onderwerp 
terug. 

De voorzitter: Zou het dan niet 
verstandig zijn, eerst uw betoog 
voort te zetten? 

Mevrouw Terpstra (VVD): Vast! Ik 
wil echter graag nog even reageren 
op de opmerking van mevrouw 
Brouwer. De vraag is of je het 
bemiddelen kunt verbieden. Ik wijs 
erop, dat er vrijheid van menings– 
uiting is. Ook is verbieden niet 
mogelijk op grond van artikel 10 van 
het Europese verdrag voor de 
rechten van de mens. Met dat 
dilemma zouden wij dus te maken 
krijgen. 

Mevrouw Brouwer (Groen Links): 
Ja, dat klopt. 

Mevrouw Terpstra (VVD): Met onze 
opvattingen staan wij dus dichter bij 
elkaar dan u denkt. Ik vind mijn 
redenering dan ook logisch en 
consistent. 

Voorzitter! Overigens laat zich de 
vraag stellen hoe artikel 151a van 
het Wetboek van Strafrecht, het 
strafbaar stellen om met het oog op 
winstbejag opzettelijk te bevorderen 
dat een kind onder de leeftijd van 6 
maanden dat niet onder de voogdij 
van een rechtspersoon staat, zonder 
voorafgaande toestemming van de 
Raad voor de kinderbescherming, als 
pleegkind wordt opgenomen, moet 
worden gezien in het licht van het 
onderhavige wetsvoorstel. 

Een zelfde vraag betreft artikel 
442a. Op grond van dat artikel is het 
verboden een dergelijk kind zonder 
schriftelijke toestemming van de 
raad op te nemen. Met name de 
relatie met artikel 151c, lid 2, is 
interessant, omdat in dit lid de Raad 
voor de kinderbescherming in één 
adem wordt genoemd met een "door 
de Raad aangewezen rechtspersoon" 
die, in tegenstelling tot artikel 1 51 c, 
lid 1, wel mag bemiddelen bij het 
door een vrouw duurzaam 
overdragen van de verzorging en 

opvoeding van haar kind aan een 

ander. Op deze vraag krijg ik graag 

een antwoord. 

Voorzitter! Ik kom tot een samen– 
vatting. Het onderhavige 
wetsvoorstel kan in de ogen van de 
VVD de liberale toets doorstaan als 
het gaat om de afweging in verband 
met de legitimiteit van overheidsin– 
grijpen, de vrijheid van contract en 
om via ontmoediging tot straf– 
baarheid van commerciële c.q. 
beroeps– of bedrijfsmatig, het 
geregeld en stelselmatig, bemid– 
delen te komen. Tot slot heb ik toch 
nog enkele vragen. 

Mijn eerste vraag: kan de minister 
nog eens bevestigen, dat de tussen– 
komst van een jurist die een draag– 
moedercontract opstelt en al dan 
niet preventief voorlichting geeft 
over de juridische haken en ogen en 
de risico's van een dergelijk contract, 
dat maar voor een deel rechtsgeldig 
is en voor een nog kleiner deel 
afdwingbaar, niet valt onder de straf– 
baarstelling ex artikel 151b, lid 1, of 
ex artikel 151c, lid 1? 

Vraag 2. Kan nog eens duidelijk 
worden gemaakt wat de positie is 
van organisaties die zich inzetten om 
ongewenst zwangere vrouwen, de 
zwangerschap alsnog te laten 
uitdragen met het doel, het kind 
onmiddellijk na de bevalling kind ter 
adoptie af te staan? 

Vraag 3 is een zeer prangende 
vraag. Kan alsnog worden ingegaan 
op het verbod van openbaarmaking 
ex artikel 151 b, lid 2, met name in 
relatie tot de grondwettelijk vastge– 
stelde vrijheid van meningsuiting 
enerzijds en artikel 10, lid 2, van het 
Europese verdrag voor de rechten 
van de mens, namelijk dat dit in 
strijd zou zijn met de goede zeden, 
gezondheid en de openbare orde? Ik 
heb mij verbaasd over het begrip 
"gezondheid" want zwanger zijn is 
geen ziekte. 

Voorzitter! Van deze drie criteria 
zegt de minister in de stukken dat 
het voorgestelde verbod van 
openbaarmaking niet in strijd is met 
artikel 10, lid 2, van het Europese 
verdrag voor de rechten van de 
mens, omdat aan alle drie 
voorwaarden, namelijk goede zeden, 
gezondheid en openbare orde wordt 
voldaan. Graag ontvang ik hierop een 
uitgebreide argumentatie van de 
minister. Het moge duidelijk zijn dat 
het gewicht van het grondrecht van 
vrije meningsuiting voor de VVD 

zwaar weegt en dat de belangenaf– 

weging om een beperking aan dat 

grondrecht te stellen, een heldere 

moet zijn. Wij wachten met belang– 

stelling de antwoorden van de 

minister af. 

De heer Kohnstamm (D66): Uw 
redenering is helder. Het belang van 
het kind vergt eventueel een 
ontmoedigingsbeleid ten aanzien van 
draagmoederschap en daarom 
kunnen wij ook de openbaarheid of 
de vrijheid van meningsuiting geweld 
aan doen. Kanker is een afschuwe– 
lijke ziekte en van roken krijg je, 
zeker weten, kanker. Het is dus een 
belang van de overheid om er op 
enigerlei wijze voor te zorgen dat de 
vrijheid van meningsuiting ten 
aanzien van het commercieel 
aanbieden van rookwaren wordt 
verboden. Geeft u daar eens een 
reactie op? 

Mevrouw Terpstra (VVD): 
Voorzitter! De heer Kohnstamm stelt 
mij nu echt teleur. Het is zoiets van 
een koe is een dier dus alle dieren 
zijn koeien. Ik vind dit beneden zijn 

niveau. 

De heer Kohnstamm (D66): 

Helemaal niet want u zegt: iets moet 
ontmoedigd worden. Het kabinet 
voert, wat het roken betreft, een 
ontmoedigingsbeleid. Bij draagmoe– 
derschap weten wij niet zeker welk 
belang daarmee in het geding is, 
maar bij roken weten wij dat wel 
zeker. Uw fractie is niet helemaal 
consequent in haar keuzen. 

De voorzitter: Ik vind uw opmerking 
over die koeien prachtig. Het lijkt mij 
verstandig dat u nu niet verder 
reageert op de opmerking van de 
heer Kohnstamm. 

De vergadering wordt van 11.37 uur 
tot 11.42 uur geschorst. 

D 

De heer Schutte (GPV): Mijnheer de 
voorzitter! Terwijl in Nederland 
jaarlijks zo'n 35.000 ongewenste 
kinderen voor hun geboorte worden 
gedood, spreken wij nu over een 
wetsvoorstel inzake zeer gewenste 
kinderen die niet binnen een normale 
huwelijksrelatie worden geboren. Het 
verschil lijkt groot, maar op belang– 
rijke punten is er toch overeenkomst. 

Commercieel draagmoederschap/ 17 februari 1993 
Tweede Kamer Meerderjarigverklaring TK50 

50-3687 


Schutte 

Ook bij draagmoederschap staat de 
wens van de ouders omtrent het 
ontvangen van een kind centraal. 
Daarvoor moeten de normen wijken 
die God vanaf de Schepping heeft 
gesteld. Overeenkomst is ook dat de 
belangen van het kind ondergeschikt 
zijn aan deze ouderwens. 

Het wetsvoorstel draagt onmis– 
kenbaar een zeker tweeslachtig 
karakter. Het beperkt zich tot 
maatregelen die het commercieel 
draagmoederschap moeten 
tegengaan. Draagmoederschap of 
het verlenen van medewerking 
daaraan wordt niet verboden. Ook 
zoek je tevergeefs naar een expli– 
ciete veroordeling van deze vorm van 
buitenechtelijke verwekking van 
kinderen. Wel wordt met een keur 
van argumenten aangegeven dat het 
bij draagmoederschap om een 
ongewenst verschijnsel gaat waaraan 
belangrijke risico's zijn verbonden. 
Het zijn deze risico's die de regering 
brengen tot een ontmoedigings– 
beleid. Ik zou het op prijs stellen als 
de minister zou willen aangeven hoe 
hij tot deze afweging is gekomen. Is 
dat louter omdat de mogelijkheden 
van de strafwet niet verder reiken of 
meent hij ook dat de overheid niet 
het recht zou hebben, het doen 
geboren worden van kinderen met 
het oogmerk ze daarna aan een 
ander af te staan naar vermogen 
tegen te gaan? Uit de nota naar 
aanleiding van het eindverslag blijkt 
in ieder geval dat het wetsvoorstel 
weloverwogen is beperkt tot het 
tegengaan van alleen commercleel 
draagmoederschap. Over de overwe– 
gingen valt dus zeker wel wat te 
zeggen. Ik meen dat deze vraag in 
dit geval met extra recht kan worden 
gesteld, omdat de regering 
onderkent dat het hier gaat om een 
verschijnsel waaraan als zodanig 
risico's verbonden zijn. Wie de 
genoemde risico's op zich laat 
indringen, moet wel tot de conclusie 
komen dat de biologische band 
tussen ouders en kinderen van grote 
betekenis is voor beiden. 

Ik realiseer mij dat een principiële 
afwijzing van elke vorm van draag– 
moederschap nog niet betekent dat 
het instrument van het strafrecht 
moet worden ingezet om draagmoe– 
derschap tegen te gaan. Veelal zal 
naar buiten toe weinig blijken van 
het bestaan van een overeenkomst 
inzake draagmoederschap. Als het 
bovendien om een mondelinge op 

wederzijds vertrouwen gebaseerde 
overeenkomst gaat met weinig of 
geen getuigen, zal strafvervolging 
veelal niet tot resultaat kunnen 
leiden. Onder die omstandigheden 
kan het terecht zijn dat de overheid 
zich beperkt tot een duidelijk 
ontmoedigingsbeleid. Wil zo'n beleid 
doeltreffend zijn, dan zal het niet 
alleen moeten bestaan uit een aantal 
concrete strafbepalingen, maar zal 
het er ook op gericht moeten zijn, 
zoveel mogelijk te voorkomen dat 
een klimaat ontstaat waarin draag– 
moederschap als zodanig een 
geaccepteerd verschijnsel is. Terecht 
is daarom het uitgangspunt van het 
wetsvoorstel dat het verschijnsel 
draagmoederschap als zodanig 
ongewenst is. Zoals gezegd, had dit 
wat mij betreft meer onomwonden 
kunnen worden gezegd, maar een 
afwijzing van draagmoederschap als 
zodanig is nodig om een klimaat te 
scheppen waarin strafbepalingen 
kunnen werken en het aangaan van 
overeenkomsten wordt ontmoedigd. 

Daartoe behoort ook dat vaststaat 
dat zo'n overeenkomst elke rechts– 
kracht mist. Uiteraard staat dit 
laatste uiteindelijk ter beoordeling 
van de rechter, maar er is geen 
enkele reden voor de regering en de 

Kamer om op dit punt terughoudend 
te zijn in onze uitspraken. Ik noteer 

met instemming dat de regering 
deze uitspraak voor haar deel ook 

heeft gedaan. 

De concrete verbodsbepalingen 
welke de regering voorstelt, hebben 
mijn instemming. Terecht wordt niet 
volstaan met het verbieden van 
beroeps– en bedrijfsmatige bemid– 
deling, maar wordt tevens het in het 
openbaar aanbieden van bemid– 
deling en het openbaar maken van 
de vraag naar of het aanbod van een 
draagmoeder verboden. Op die 
manier kan een tweeslachtige 
opstelling van de wetgever naar 
vermogen worden tegengegaan. 

Ik krijg graag nog een nadere 
toelichting op de rol van de Raad 
voor de kinderbescherming. Bij brief 
van 22 april 1985 is aangegeven dat 
deze raad een zeer grote reserve in 
acht moet nemen ten opzichte van 
het draagmoederschap. Bij het 
geven van voorlichting dienen de 
problemen te worden betrokken die 
aan het draagmoederschap 
verbonden zijn. Wat moet ik mij 
daarbij nu concreet voorstellen? 
Krijgt de raad in de praktijk al met 

vragen rond het draagmoederschap 
te maken voordat er sprake is van 
een zwangerschap of alleen tijdens 
en kort na de zwangerschap? Maakt 
het stadium waarin men met vragen 
komt, nog verschil voor de beant– 
woording? 

Het tweede wetsvoorstel, namelijk 
dat inzake de meerderjarigverklaring 
van minderjarige moeders, is 
gedurende de zestien jaar van zijn 
behandeling aanmerkelijk afgeslankt 
en verbeterd. Ik meen dat het een 
goede zaak is dat de regering ervan 
heeft afgezien, het voorstel tot 
verruiming van de mogelijkheden tot 
het afstand doen van ouderrechten 
te handhaven. Een punt van 
overweging zou kunnen zijn - de 
heer Leerling wees daar ook al op dat 
vrijwillige afstand van ouder– 
rechten soms een alternatief is voor 
abortus provocatus. Voor zover het 
hier om een alternatief zou gaan, 
bestaat dit alternatief nu in feite ook 
in de vorm van opneming van het 
kind in een pleeggezin of kinder– 
tehuis, waarna weloverwogen kan 
worden beslist over zijn of haar 
toekomst. Met de regering ben ik 
dan ook van mening dat het geen 
goede zaak zou zijn, te bevorderen 
dat meer moeders dan tot nu toe de 
verantwoordelijkheid voor hun kind 
opgeven, terwijl deze mogelijkheid 
van afstand ook niet goed past bij 
een beleid dat is gericht op de 
ontmoediging van het draagmoeder– 
schap. 

Het restant van dit wetsvoorstel, 
namelijk de mogelijkheid tot 
meerderjarigverklaring van een 
minderjarige moedervan 16 en 17 
jaar, heeft mijn instemming. Deze 
leeftijdsgrens is logisch, naast 
dezelfde grens voor het aangaan van 
een huwelijk, als de vrouw een 
verklaring overlegt waaruit blijkt dat 
zij zwanger is of reeds een kind ter 
wereld heeft gebracht. Ik ga ervan 
uit dat in dat laatste geval van 
meerderjarigverklaring geen sprake 
meer behoeft te zijn, want door haar 
huwelijk is de vrouw immers al 
meerderjarig. 

Ervan uitgaande dat de minister de 
bij mij levende vragen naar tevre– 
denheid zal beantwoorden, kan ik 
mijn instemming geven aan beide 
wetsvoorstellen zoals zij thans 
luiden. 

Commercieel draagmoederschap/ 17 februari 1993 
Tweede Kamer Meerderjarigverklaring TK50 50-3688 


Schutte 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): Mijnheer de 
voorzitter! Het zal u niet verwon– 
deren dat de CDA-fractie het 
helemaal eens is met de opvatting 
van de regering, dat draagmoeder– 
schap een ongewenst verschijnsel is. 
Het beroep dat collega Kohnstamm 
van D66 op de Bijbel deed, hoe 
aardig ook gebracht, illustreert onzes 
inziens alleen maar de problemen die 
ook toen al aan het licht kwamen 
rond het draagmoederschap. 
Bovendien vond het plaats onder 
omstandigheden waarin bijvrouwen -
Hagar was immers een slavin die tot 
bijvrouw werd - een geaccepteerd 
verschijnsel waren. Ik neem aan dat 
dat geen maatschappijsetting is die 
D66 wil accepteren ten behoeve van 
een verantwoorde begeleiding van 
het draagmoederschap. 

Wij accepteren noodgedwongen 
dat het verwerven van ouderschap 
langs deze wettelijke weg slechts 
kan worden ontmoedigd door een 
verbod op bemiddelings– en publi– 
katie-activiteiten. Voortplanting is nu 
eenmaal niet een zaak waarbij de 
overheid in iedere fase betrokken is. 
Alleen de meer publieke elementen, 
zoals het publiekelijk uiten van 
intenties tot draagmoederschap of 
wensouderschap, zijn grijpbaar voor 
de overheid. De negatieve aspecten 
van het draagmoederschap recht– 
vaardigen in de ogen van de 
CDA-fractie een strenge opstelling. 
Ik doel daarbij dan op de niet in te 
schatten emotionele problemen 
waarmee de draagmoeder die haar 
kind heeft afgestaan, te maken kan 
krijgen. Ook een draagmoeder, ook 
al heet zij draagmoeder, is en blijft 
immers een moeder. Ook de identi– 
teitsproblemen waarmee het kind te 
maken kan krijgen, zijn niet te onder– 
schatten. Bovendien is het risico 
levensgroot aanwezig, dat de 
wensouders niet precies krijgen wat 
zij verwachten en bijvoorbeeld 
worden geconfronteerd met een 
gehandicapt kind. Het is voor 
wensouders moeilijker om een niet 
volmaakt kind te accepteren dan 
voor natuurlijke ouders. 

Mevrouw Terpstra (VVD): Is 
mevrouw Soutendijk het met mij 
eens dat de identiteitsproblemen van 
het draagkind dezelfde zijn als bij 
een geadopteerd kind? Betekent dit 

dat zij dit doortrekt naar het mogelijk 
niet verwelkornen van adoptieproce– 
dures? 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): Ik wijs erop dat wij bij 
adoptie in ieder geval maatregelen 
hebben proberen te nemen om die 
identiteitsproblemen zoveel mogelijk 
in te perken. Ik erken, dat ook daar 
die identiteitsproblemen bestaan. In 
dat geval hebben wij echter te 
maken met een kind zonder ouders, 
dat door adoptie vervolgens ouders 
krijgt. 

Mevrouw Terpstra (VVD): Dat hoeft 
natuurlijk niet: een kind zonder 
ouders. 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): In ieder geval een kind 
dat op de een of andere manier zijn 
ouders is kwijtgeraakt. 

Mevrouw Terpstra (VVD): Nu perkt 
u de adoptiepraktijk wat in. Adoptie– 
praktijk kan ook zijn: het voorlopig in 
een pleeggezin plaatsen van een 
kind, terwijl de biologische ouder of 
ouders inmiddels het voornemen 
hebben om het kind af te staan voor 
adoptie. 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): Er zijn verschillende 
motieven voor adoptie, maar bij dat 
verschijnsel doen zich inderdaad 
dezelfde problemen voor. Dat is ook 
het geval bij donorinseminatie. 

De heer Kohnstamm (D66): Waar 

baseert mevrouw Soutendijk haar 
veronderstelling op, dat de 
wensouders naar alle waarschijn– 
lijkheid niet zullen krijgen wat zij 
graag zouden willen, terwijl ouders 
dat kennelijk wel altijd krijgen? 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): De heer Kohnstamm 
heeft niet goed geluisterd naar wat ik 
heb gezegd. Het ligt voor de hand, 
dat men verlangt en hoopt op een 
gezond kind. De vraag kan echter 
worden gesteld, of de bereidheid bij 
wensouders net zo groot is om een 
gehandicapt kind te accepteren als 
bij andere ouders. Het risico is groter 
dat wensouders, gelet op hun 
verlangen en hun gerichtheid om een 
gezond kind te krijgen, het moeilijker 
kunnen opbrengen om een gehan– 
dicapt kind te accepteren. 

De heer Kohnstamm (D66): Waar 

haalt u die stelling nu vandaan? 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 

doorn (CDA): Dat lijkt mij voor de 

hand te liggen. 

De heer Kohnstamm (D66): Dat 

moge zo zijn, maar u heeft er 
kennelijk een reden voor om dat te 
denken. Bij een wensouder of 
wensouders zal het waarschijnlijk in 
999 van de 1000 gevallen zo zijn, 
ook al zijn het er gelukkig niet zoveel, 
dat men zegt: ik wil dolgraag een 
kind, maar het lukt niet met zijn 
tweeën, alleen sowieso niet; ik heb 
er echter alles voor over, dus ik ga 
op zoek naar een draagmoeder. 
Waarom zou de kinderwens 
plotseling uitsluitend en alleen zijn 
gericht op een welomschreven soort 
kind, waardoor, als dat niet het geval 
is, dat kind niet meer gewenst is? 
Waar haalt u die stelling vandaan? 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): In de eerste plaats 
gelet op de situatie, zoals wij die bij 
adoptie meemaken, waarbij het vaak 
moeilijk is om voor gehandicapte 
kinderen een adoptie-adres te 
vinden. Verder is het zo, dat 
wensouders zich sterk richten op het 
krijgen van een gezond kind. Dat 
geldt natuurlijk voor iedereen, maar 
in de wensoudersituatie is de 
mogelijkheid aanwezig om het kind 
te weigeren. 

De heer Kohnstamm (D66): Die 
mogelijkheid hebben ouders ook, 
want het gebeurt natuurlijk regel– 
matig dat een ongewenst zwangere 
moeder zegt: ik voldraag mijn 
zwangerschap, maar ik wil het kind 
niet. Dat is dezelfde situatie. Het 
enige dat ik wil zeggen, is dat u 
ergens van uitgaat, zonder dat u op 
dat punt meer dan een gevoel hebt 
dat het zo zou kunnen gaan. Dan is 
het mijns inziens een wat magere 
basis om daar op de een of andere 
manier een strafrechtelijke vertaling 
aan te geven. 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): Het is niet de enige 
basis. Er is sprake van een opeen– 
hoping van nadelige effecten die zich 
bij het verschijnsel draagmoeder– 
schap kunnen voordoen. 

Hoe goed alle betrokkenen, draag– 
moeder of wensouders, er ook over 

Commercieel draagmoederschap/ 17 februari 1993 
Tweede Kamer Meerderjarigverklaring TK 50 

50-3689 


Soutendijk-van Appeldoorn 

hebben nagedacht, de gevolgen 
laten zich nu eenmaal niet ten volle 
overzien. Wij houden onszelf voor de 
gek, als wij menen dat de overheid 
dat wel kan en dat de overheid 
maatregelen zou kunnen en moeten 
nemen om de problemen die samen– 
hangen met het draagmoederschap 
te verzachten. Wat dat betreft vraag 
ik oprecht hoe wij ideële motieven 
kunnen meten en wanneer ideële 
motieven ideëel zijn. In het geval van 
twee zussen zijn die ideële motieven 
vooropgesteld. Maar hoe zit het met 
twee vriendinnen, waarvan de ene 
bereid is om het kind te dragen voor 
de ander, omdat daarmee de 
mogelijkheid wordt verschaft om 
door te werken? Zijn dit dan geen 
ideële motieven? Wat dat betreft 
plaats ik dus een kanttekening bij de 
vraag, of het mogelijk is om ideële 
motieven te scheiden van andere 
motieven. Ook in die gevallen is het 
gevaar echter groot, dat ook zij in de 
emotionele sfeer klem raken. Ik vind 
dat de overheid de indruk niet moet 
wekken, dat wij die problemen 
kunnen wegnemen of kunnen 
voorkomen. De heer Kohnstamm 
heeft de contractuele escapades 
geschetst waartoe in de VS wordt 
overgegaan om de risico's in te 
dekken. Ik ben het met iedereen 
eens die zegt dat, als er een vertrou– 
wensbasis is, de noodzaak om dit 
soort contractuele afspraken te 
maken, geringer zal zijn. Maar 
mevrouw Terpstra heeft gewezen op 
de dan toch aanwezige noodzaak van 
juridische bijstand. De vertrouwens– 
basis zal in meerdere of mindere 
mate geformaliseerd moeten 
worden. 

Voor de CDA-fractie is wezenlijk 
dat het accepteren van het draag– 
moederschap een nieuwe stap is op 
de heilloze weg van de wensgenees– 
kunde, waarbij de overheid zich 
ervoor zou moeten inzetten, iedere 
wens te honoreren. In dit geval gaat 
het dan om de "levering" van een 
gezond kind en van de vrouw als 
baarmoeder. Mijn fractie wil die weg 
niet op. Dat de CDA-fractie dit 
wetsvoorstel accepteert en niet voor 
verdergaande maatregelen pleit, 
wordt vooral ingegeven door 
aspecten van handhaafbaarheid. 

De heer Kohnstamm (D66): Noch 

met dit wetsvoorstel, noch met een 

pleidooi in de Kamer stimuleert de 

overheid draagmoederschap. Dat is 

ook ongewenst. De fracties van D66 
en van het CDA- bien ètonnèes de 
se trouver ensemble - blijken het op 
dat punt eens te zijn. De vraag die 
echter beantwoord moet worden, is 
of draagmoederschap op enigerlei 
wijze verboden moet worden. 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): De strafbaarstelling in 
het onderhavige wetsvoorstel komt 
geheel overeen met de wijze waarop 
wij, gelet op de problemen die 
ermee samenhangen, een verant– 
woord ontmoedigingsbeleid willen 
voeren. 

Mevrouw Brouwer (Groen Links): 
Uit uw betoog zou ik de conclusie 
trekken dat de CDA-fractie het 
draagmoederschap in het algemeen 
strafbaar zou willen stellen en niet 
alleen het commercieel draagmoe– 
derschap. 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): Algemene strafbaar– 
steiling van het draagmoederschap 
acht mijn fractie illusoir. Dat zou 
betekenen dat wij denken dat de 
overheid machtiger is dan zij in 
werkelijkheid is. Daarnaast moet 
erkend worden dat in sommige 
omstandigheden draagmoederschap 
voor kan komen. Bovendien is de 
CDA-fractie ervan overtuigd dat door 
de wijze waarop in het wetsvoorstel 
de bemiddeling en de publikatie 
worden geregeld, het leggen van 
contacten zodanig bemoeilijkt wordt 
dat er onmogelijk een klimaat kan 
ontstaan waarin het draagmoeder– 
schap een geaccepteerd verschijnsel 
is. 

Mevrouw Brouwer (Groen Links): 
De voorgestelde maatregelen kunnen 
tot gevolg hebben dat het draag– 
moederschap in een illegaal circuit 
terechtkomt, met alle negatieve 
consequenties vandien. Dan dreigt er 
gevaar voor de betrokken vrouw en 
voor het kind. Kortom, dan kunnen 
zich alle vreselijke praktijken 
voordoen die in de Verenigde Staten 
te zien zijn. 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): Dat risico lopen wij 
niet. In de gevallen waarin er toch 
sprake is van draagmoederschap 
moeten betrokkenen zich toch al tot 
de FIOM of de raden voor de kinder– 
bescherming wenden voor hulp of 

bijstand. Deze instanties zijn immers 
toch nodig voor het creëren van een 
juridische band met het kind. 

De heer Leerling (RPF): Mevrouw 
Soutendijk heeft gezegd dat een 
verbod op het draagmoederschap als 
zodanig niet mogelijk is. Ik heb in 
mijn bijdrage een poging gedaan, de 
mogelijkheden daartoe toch nog 
eens te onderzoeken. Acht mevrouw 
Soutendijk de door mij aangegeven 
weg om het draagmoederschap 
meer te ontmoedigen dan in het 
onderhavige wetsvoorstel gebeurt, 
niet begaanbaar? 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): Ik ben van mening dat 
het voorgestelde ontmoedigings– 
beleid het maximaal haalbare is. 
Verdergaande stappen kunnen 
problemen veroorzaken voor draag– 
moeders, wensouders en kinderen, 
die dan in een juridisch vacuüm 
terecht kunnen komen. Dat is niet 
verantwoord. 

Mevrouw Terpstra (VVD): Mevrouw 
Soutendijk zei dat draagmoeder– 
schap wensgeneeskunde in de hand 
werkt. Dat vindt de fractie van het 
CDA ongewenst. Het niet willen of 

kunnen verbieden van het 
verschijnsel draagmoederschap leidt 
er echter toe dat er toch een vorm 
van wensgezondheidszorg wordt 
gecreëerd. 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): Naar mijn idee vraagt 
dat een verdergaande betrokkenheid 
van de overheid. Wij verwachten niet 
dat de overheid in verdergaande 
mate dan op dit moment, waar ze 
zich terughoudend pleegt op te 
stellen, draagmoederschap mogelijk 
maakt en begeleidt. Hier ligt voor 
ons de grens. Wij willen echter niet 
de indruk wekken alsof we overal 
kunnen voorkomen dat draagmoe– 
derschap op bepaalde gronden of 
ideële basis ontstaat. Zover willen wij 
niet gaan. 

Als er toch sprake is van draag– 
moederschap en betrokkenen zich bij 
de FIOM of raden voor de kinderbe– 
scherming melden om hulp en 
bijstand, accepteren wij de betrok– 
kenheid van deze instantie ter wille 
van de zorgvuldigheid van de behan– 
deling van deze problematiek, met 
name de begeleiding van het kind. 
Deze instanties mogen zich echter 

Commercieel draagmoederschap/ 17 februari 1993 
Tweede Kamer Meerderjarigverklaring TK50 

50-3690 


Soutendijk-van Appeldoorn 

Mevrouw Brouwer (Groen Links) 

niet actief gaan opstellen en bemid– 
delen en daarmee vraag en aanbod 
aan elkaar gaan koppelen. Dat 
beoogt het amendement van de heer 
Kohnstamm en mevrouw Brouwer. 
Dit gaat ons een stap te ver. 

Voor het bemiddelen en bij elkaar 
brengen van vraag en aanbod laat 
het voorstel, zo heb ik er in ieder 
geval uit begrepen, geen ruimte. De 
regering heeft dit verzekerd. Wij 
willen dit graag zo houden. 
Bovendien mag niet de indruk 
ontstaan dat uit het feit dat de 
overheid slechts de bemiddeling 
aanpakt en geen algeheel verbod 
uitvaardigt, a contrario kan worden 
afgeleid dat ideëel draagmoeder– 
schap dus een geaccepteerd 
maatschappelijk verschijnsel is. Kan 
de minister ons op dit punt gerust– 
stellen en verzekeren dat die indruk 
dus niet zal ontstaan? 

Mevrouw Brouwer (Groen Links): 
Verstaat mevrouw Soutendijk hier 
ook het volgende onder? Stel dat een 
vrouw contact heeft met een 
mogelijke draagmoeder. De draag– 
moeder wil het wel doen, maar zij wil 
hierover advies inwinnen, omdat zij 
niet terecht wil komen in allerlei 
praktijken die zij zelf niet accepteert. 
Zij gaat dan naar de Raad voor de 
kinderbescherming, een instelling die 
in ieder geval enige garantie biedt 

voor professionaliteit. Wil mevrouw 
Soutendijk zo'n situatie niet? 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): Dat is een andere 
situatie. Ik stel dat het verbod geldt 
voor de Raad voor de kinderbe– 
scherming of de FIOM of een andere 
instelling die zich gaat opwerpen als 
bemiddelaar en vraag en aanbod 
gaat oproepen en bij elkaar brengen. 
Mevrouw Brouwer schetst een 
situatie waarin vraag en aanbod 
elkaar reeds gevonden hebben en 
men zich tot de raad wendt om 
advies. 

Mevrouw Brouwer (Groen Links): 
Dit kan betekenen dat dit valt onder 
artikel 151, lid b, het eerste deel, van 
het wetsvoorstel, omdat het 
uitgelegd zou kunnen worden als 
"bevorderen". 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): Ik heb uit de schrifte– 
lijke gedachtenwisseling afgeleid dat 
dit niet valt onder het begrip 
"bemiddelen", zoals in het 
wetsvoorstel gehanteerd. Hier gaat 
het dus zuiver om adviseren. Bemid– 
delen is vraag en aanbod bij elkaar 
brengen. In die gevallen is hier geen 
sprake van, omdat de draagmoeder 
en de wensouders elkaar al hebben 
gevonden. 

Mevrouw Terpstra (VVD): 

Voorzitter! Mevrouw Soutendijk zegt 

dat de overheid zich niet overal mee 

kan bemoeien. Voelt mevrouw 

Soutendijk er wel voor om dit 

proces, als er sprake is van draag– 

moederschap, door de Raad voor de 

kinderbescherming of een andere 

organisatie zoals de FIOM te laten 

begeleiden? Daar zou ik voor zijn. 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): Dat willen wij niet 
verbieden ter wille van de 
zorgvuldige begeleiding van alle 
betrokkenen en met name het belang 
van het kind. 

Voorzitter! Het laatste punt betreft 
de IVF-praktijk. Ik heb serieus 
signalen waargenomen dat men in 
sommige ziekenhuizen neigt naar het 
gebruik maken van draagmoeders, 
zelfs met medeweten van de 
inspecteur voor de volksgezondheid. 
Ik wil helder stellen dat dit in strijd is 
met de afspraken die hierover 
destijds in de Kamer zijn gemaakt. 
Het is ook in strijd met de regels, 
zoals deze gelden voor de 
IVF-vergunningen. In een geloof– 
waardig ontmoedigingsbeleid met 
betrekking tot draagmoederschap 
past ook, dat de minister de instel– 
iingen die in-vitrofertilisatie 
toepassen, houdt aan de 
voorschriften zoals die bij de 
vergunning zijn verstrekt en dat hij 
bij overtreding de vergunning intrekt. 
Kortom, ik wil de minister vragen of 
hij de IVF-praktijk wil natrekken op 
het hanteren en gebruiken van 
draagmoeders en ervoor wil zorgen 
dat de uitgangspunten zoals wij die 
hier hebben geformuleerd, worden 
bewaakt en of hij bij overtreding 
inderdaad de uiterste consequentie 
wil trekken en de vergunning 
intrekken. 

D 

De heer Van den Berg (SGP): 

Mijnheer de voorzitter! Ik roep graag 

in herinnering dat op 17 april 1989 
de Commissies voor de volksge– 
zondheid en voor justitie verga– 
derden over het in september 1988 
uitgebrachte standpunt inzake kunst– 
matige bevruchting en draagmoeder– 
schap. Bij die gelegenheid bleek er 
een duidelijk draagvlak te bestaan 
voor een wettelijke regeling inzake 
het tegengaan van commercieel 
draagmoederschap. Ik constateer dat 

Commercieel draagmoederschap/ 17 februari 1993 
Tweede Kamer Meerderjarigverklaring TK50 50-3691 


Van den Berg 

het desondanks tot december 1990 
heeft geduurd alvorens een 
wetsvoorstel werd ingediend, en dat 
vervolgens de schriftelijke voorbe– 
reiding toch nog geruime tijd in 
beslag heeft genomen. Wat mijn 
fractie betreft, is dit, gezien het 
belang van het onderwerp en de 
beperktheid van het onderhavige 
voorstel, eigenlijk te lang. 

Mijnheer de voorzitter! Draagmoe– 
derschap als maatschappelijk 
verschijnsel geeft mijn fractie reden 
tot grote zorg. Het betekent bijna 
altijd een inbreuk op de huwelijksre– 
latie, hetzij door een buitenhuwe– 
lijkse samenlevingsvorm, hetzij door 
technische methoden zoals kunst– 
matige bevruchting, waaraan grote 
ethische bezwaren kleven. Draag– 
moederschap beoogt tegemoet te 
komen aan bepaalde wensen van 
ouders en hoewel het verlangen naar 
het ouderschap zeer legitiem is, zijn 
niet alle wegen die tot vervulling van 
die wensen moeten leiden, ook 
acceptabel. Er bestaat ook niet ten 
principale een soort recht op het 
krijgen van kinderen. 

Voor een goed begrip schets ik 
kort het principiële uitgangspunt van 
mijn fractie op dit punt en dat betreft 
in het bijzonder de Bijbelse gegevens 
over het huwelijk. Daar heb ik eerder 
vanmorgen al op gewezen toen ik de 
heer Kohnstamm interrumpeerde. 
Wij menen dat het huwelijk als 
samenlevingsvorm tussen één man 
en één vrouw door de Heere God 
zelf is ingesteld en dus een onver– 
gankelijke waarde heeft. De huidige 
maatschappelijke ontwikkeling - wij 
zien het op tal van terreinen tendeert 
helaas meer en meer in een 
andere richting, in het bijzonder in 
de richting van de zichzelf autonoom 
wanende mens. Wij zien dan ook op 
dit terrein een proces van voort– 
gaande vertechnisering van de 
menselijke voortplanting en wij 
vinden dat daartegen een dam moet 
worden opgeworpen. Ik zal niet 
ingaan op allerlei 
medisch-technische ontwikkelingen, 
maar sluit mij wel graag aan bij de 
vraag die mevrouw Soutendijk ter 
zake zojuist stelde. In dit verband 
vraag ik de minister ook wanneer de 
wetsvoorstellen ter zake van de ferti– 
lisatietechnieken en donorgegevens 
bij kunstmatige inseminatie zullen 
worden ingediend. Dit soort 
wetgeving met een ethische 

strekking is wat ons betreft brood– 
nodig. 

Voorzitter! Ten principale zijn wij 
het volstrekt eens met de regering 
dat draagmoederschap een onwen– 
selijk verschijnsel is. Het verwerven 
van ouderschap langs deze weg 
moet worden ontmoedigd en het 
commercieel draagmoederschap 
moet worden tegengegaan, aldus de 
memorie van toelichting. Ik kan mij, 
met inachtneming van de zojuist 
weergegeven principiële 
stellingname, ook aansluiten bij de 
door de regering in de memorie van 
toelichting duidelijk geschetste 
risico's die verbonden zijn aan het 
draagmoederschap. Ik heb er geen 
behoefte aan om daar nu verder over 
uit te weiden; ook andere woord– 
voerders hebben hierover gesproken. 
Ik constateer dat de regering deson– 
danks niet heeft gekozen voor een 
rechtstreeks verbod. Draagmoeder– 
schap, commercieel draagmoeder– 
schap als zodanig en incidentele 
bemiddeling zonder winstoogmerk 
worden niet strafbaar gesteld. Als 
reden daarvoor wordt genoemd dat 
het bijna nooit zal kunnen worden 
aangetoond dat bij een vrouw het 
voornemen bestond om afstand te 
doen van het kind, reeds voordat de 
zwangerschap bestond. Het 
wetsvoorstel gaat dus uit van de 
beperkte strafrechtelijke benadering, 
een ultimum remedium. Daar hebben 
wij ook in de schriftelijke voorbe– 
reiding vragen over gesteld, gericht 
op de ontmoediging van een bepaald 
klimaat. Wij vernemen graag of met 
deze gekozen, beperkte benadering 
het verschijnsel draagmoederschap, 
al dan niet commercieel, optimaal en 
effectief kan worden bestreden. Wij 
vragen de minister om een heldere 
uiteenzetting. 

Na bestudering van de stukken zijn 
wij er overigens nog niet van 
overtuigd dat het onmogelijk zou zijn 
om draagmoederschap als zodanig, 
al of niet commercieel, strafbaar te 
stellen. Wil de minister ook daarop 
ingaan? Wat dit betreft, verwijs ik 
ook naar datgene wat de heer 
Leerling heeft gezegd. 

Voorzitter! In de schriftelijke 
stukken is uitvoerig het vraagstuk 
inzake het al dan niet strafbaar zijn 
van bedrijfsmatige bemiddeling 
zonder winstoogmerk uit 
zogenaamde ideële motieven aan de 
orde geweest. Ik heb uit de schrifte– 
lijke gedachtenwisseling afgeleid dat 

de regering van oordeel is dat met 
de gekozen formuleringen in de 
uitoefening van beroep of bedrijf 
impllciet niet-commerciële bemid– 
deling zal worden getroffen. Waarom 
wordt bemiddeling bij draagmoeder– 
schap zonder winstoogmerk niet 
expliciet strafbaar gesteld? Met 
andere woorden: is de gekozen 
constructie afdoende ingesteld op 
het tegengaan van bemiddeling 
zonder winstoogmerk? 

Voorzitter! Over de strafbaar– 
stelling van openbaarmaking heb ik 
geen concrete vragen te stellen. Wel 
vragen wij ons af welk opsporings– 
en vervolgingsbeleid de ministerwil 
gaan hanteren ter zake van 
openbaarmakingen inzake draag– 
moederschap, al of niet met winst– 
oogmerk, zoals via advertenties. Wij 
gaan ervan uit dat er sprake zal zijn 
van een actieve houding van het 
openbaar ministerie. Graag krijgen 
wij daarvan een bevestiging. 

Voorzitter! Bij afzonderlijke brief is 
de Kamer geïnformeerd over buiten– 
landse strafbepalingen inzake 
commercieel draagmoederschap. 
Daaruit blijkt aan de ene kant dat 
een aantal Europese landen overeen– 
komstige wetgeving kent of in 
voorbereiding heeft. Aan de andere 
kant zijn er diverse landen, waarin 
draagmoederschap niet strafbaar is. 
Acht de minister het met mij 
wenselijk dat in internationaal 
verband op wetgeving wordt aange– 
drongen bij meerdere staten, zo 
mogelijk bij alle, opdat uitwijkgedrag 
naar andere naties effectief kan 
worden tegengehouden? Wat 
gebeurt er in dit verband? 

De parlementaire behandeling van 
wetsvoorstel 14167 laat een zeer 
merkwaardige weg zien, anderen 
hebben daar reeds op gewezen. Het 
voorstel is in 1976 ingediend, het 
eindverslag is vastgesteld in 
december 1980 en de nota naar 
aanleiding van het eindverslag 
verscheen vervolgens in november 
1991. Ik weet dat daar wel het een 
en ander tussen ligt, maar het is toch 
een zeer merkwaardige procedure. 
Overigens kan mijn fractie 
instemmen met het uiteindelijk 
voorliggende voorstel. Die zeer lange 
periode van heroverweging heeft wat 
ons betreft in ieder geval tot een 
aanvaardbaar resultaat geleid. Dat 
verzacht de nadelen van deze in 
beginsel onjuiste procedure weer 
wat. Wij zijn het ermee eens dat is 

Commercieel draagmoederschap/ 17 februari 1993 
Tweede Kamer Meerderjarigverklaring TK50 50-3692 


Van den Berg 

afgezien van de verruiming van 
afstand van ouderrechten. Wij 
kunnen ons ook vinden in het 
onderwerp dat nu nog 'ts overge– 
bleven: de mogelijkheid van 
meerderjarigverklaring van minder– 
jarige moeders. Dat is in feite een 
uitvloeisel van de nieuwe meerderja– 
righeidsgrenzen. 

Afrondend, wij hebben een aantal 
kritische vragen gesteld bij het 
belangrijkste wetsvoorstel dat nu aan 
de orde is en wij hopen dat deze 
bevredigend worden beantwoord. 
Wij kunnen ons verenigen met de 
hoofdlijn van de regering. 

D 

Mevrouw Brouwer (Groen Links): 
Mijnheer de voorzitter! Het draag– 
moederschap wordt vaak geplaatst 
in de tijd van nieuwe voortplantings– 
techniek, maar al eerder tijdens deze 
behandeling is naar voren gebracht 
dat dit een a-historische opvatting is. 
Het draagmoederschap is zo oud als 
de geschiedenis zelf, omdat het de 
uiting is van de begeerte naar een 
kind, als je zelf geen kind kunt 
krijgen. Draagmoederschap 
gebeurde bijvoorbeeld door het 
huren van een vrouw, het kopen van 
een slavin of het aangaan van een 
tweede of derde huwelijk, vooral bij 
onvruchtbaarheid van de eerste 
vrouw, of als de man het ongeluk 
had dat deze vrouw slechts meisjes 
baarde en als hij graag een jongen 
als erfgenaam wilde. Niet zelden 
kwam het voor dat de eerste vrouw 
werd weggezonden bij gebrek aan 
een vruchtbare bodem, want zo 
cynisch is het, of dat de slavin werd 
verkocht, nadat zij haar taak had 
verricht en een kind had gebaard. 

Deze voorbeelden uit de geschie– 
denis behoren niet alleen tot het 
verleden, want wereldwijd komen 
deze technieken en gedragingen nog 
vaak voor. Zij wekken onze weerzin 
op, en terecht, maar zij zijn dus niet 
beperkt tot het technologisch draag– 
moederschap waarover wij het 
vandaag hebben. Het draagmoeder– 
schap is een wijd verbreid 
verschijnsel. Het staat symbool voor 
het feit dat je een kind zou kunnen 
kopen. Het kind is dan een object dat 
begeerd kan worden en waarvoor 
een prijs betaald kan worden. Deze 
wijze van omgaan met kinderen is in 
strijd met ons gevoel van 
beschaving. Wij vinden deze vormen 

van draagmoederschap - er zijn er 

ongetwijfeld nog veel meer 


onacceptabel. Wij vinden dat deze 

vorm van draagmoederschap, dat 

dus een zeer breed begrip is, 

ontmoedigd moet worden. 

Sommigen hier zeggen dat er een 
zeer scherp onderscheid kan worden 
aangebracht tussen het aangaan van 
een tweede huwelijk om een kind te 
krijgen en het huren van een draag– 
moeder. Het aanbrengen van dat 
onderscheid is misschien wel prettig 
voor je eigen geweten, maar in de 
praktijk ligt het niet zo scherp als 
hier wordt gesuggereerd. In het niet 
zo verre verleden, en wellicht komt 
het nog voor in Nederïand, werd een 
meisje dat ongewenst zwanger was 
vaak ver weg van het dorp gestuurd 
om haar kind te krijgen. Er zijn veel 
verhalen bekend waarin de moeder 
het kind tegen haar eigen wens 
moest afstaan en daar later veel 
problemen door heeft gekregen. Dat 
was ook een vorm van draagmoeder– 
schap, onder andere omstandig– 
heden en niet met voortplantings– 
technieken, maar wel met dezelfde 
consequentie, namelijk het 
doorsnijden van de band tussen 
vrouw en kind en helemaal niet het 
belang van het kind noch van de 
vrouw in aanmerking nemend. 

Met andere woorden, ik begin mijn 
bijdrage met de stelling dat wij een 
scherp onderscheid tussen vormen 
van draagmoederschap beter 
achterwege kunnen laten en beter 
kunnen praten over de vraag hoe wij 
een zo gewenst mogelijke ontwik– 
keling zouden kunnen stimuleren, 
waarbij met name het belang van het 
kind centraal komt te staan. Daarvan 
uitgaand vond mijn fractie het draag– 
moederschap maatschappelijk 
ongewenst en vindt zij dat ook nu. Er 
kunnen echter situaties zijn waarin 
draagmoederschap gewenst is, de 
overheid niet meteen een oordeel 
hoeft te hebben en het zowel gaat 
om het belang van het kind als van 
de betrokkenen. 

Nu is alleen de vraag aan de orde 
waar je het strafrecht wel en waar je 
het niet hanteert. In het niet zo verre 
verleden is deze discussie over 
andere onderwerpen gevoerd. Ik 
noem als reactie op hetgeen in de 
memorie van toelichting staat 
geschreven het abortusvraagstuk. 
Ook abortus is zeer ingrijpend voor 
de vrouw in kwestie en het is beter 
het te voorkomen dan ervoor te 

zorgen dat de vrouw in zo'n situatie 

komt. Toch is abortus onder de 

omstandigheden in Nederland 

gelukkig niet strafbaar. Wat is de 

historische les die wij daaruit kunnen 

trekken? Dat Nederland gelukkig een 

land is dat een heel laag percentage 

abortussen heeft en dus kennelijk 

een weg heeft gevolgd die ertoe 

heeft geleid dat er andere, meer 

humane middelen zijn om gewenst 

ouderschap tot stand te brengen. Ik 

denk dat die historische les zou 

mogen doorwerken bij dit 

wetsvoorstel. 

Ik geloof dat bijna alle fracties in 
dit huis zeggen dat commercieel 
draagmoederschap als perfecte 
uiting van handel, het met geld 
kopen van een kind, een lichaam, 
moet worden verboden. Dan is de 
vraag aan de orde of, zelfs als men 
het ongewenst vindt, het middel van 
het strafrecht geoorloofd, gewenst 
en handhaafbaar is bij niet-commer– 
cieel draagmoederschap? En als men 
het middel van strafrecht op deze 
wijze bij het ideëel draagmoeder– 
schap hanteert, roept men daar dan 
geen negatieve consequenties mee 
op? Ik laat dan even in het midden 
welke ideeën aan dat draagmoeder– 
schap ten grondslag liggen. Ook dat 
aspect moet men beoordelen bij dit 
wetsvoorstel. 

Het CDA zegt heel duidelijk het 
draagmoederschap en ook het 
niet-commercieel draagmoederschap 
maatschappelijk ongewenst te 
vinden en ook de regering zegt het te 
willen ontmoedigen. Dan moet zowel 
het CDA als de regering de vraag 
beantwoorden of het strafrecht het 
middel is dat je moet hanteren en of 
je dat kunt handhaven. Ik vraag mij 
daarnaast af hoe ik de handhaaf– 
baarheid moet zien van bijvoorbeeld 
het verbieden van advertenties voor 
niet-commercieel draagmoeder– 
schap. Gaan wij een politieman 
aanstellen die iedere maand Opzij en 
nog wat kranten gaat doornemen? 
Wordt Ciska Dresselhuys gebeld om 
te vragen wie zich onder nummer 
"zus en zo" heeft aangeboden als 
draagmoeder? Gaan wij daar een 
opsporingspraktijk van maken? Wat 
zullen daarvan de consequenties 
zijn? Zullen niet na een paar 
maanden advertenties gaan 
verschijnen die op andere wijze, dus 
niet binnen het kader van de wet 
vallend, een soortgelijke vraag 
stellen? Of is het bij het verbieden 

Commercieel draagmoederschap/ 17 februari 1993 
Tweede Kamer Meerderjarigverklaring TK50 50-3693 


Brouwer 

daarvan mogelijk dat er een illegaal 
circuit ontstaat van ondergrondse 
blaadjes of wegen waarin hetzelfde 
wordt gevraagd? Dit is nog 
ongewenster dan de openbaarheid, 
omdat het aanbieden of de 
openbaarmaking van draagmoeder– 
schap dan in een illegaal circuit 
terechtkomt. Laten wij zo'n circuit 
dan ook voorkomen. De handel in 
vrouwen en kinderen krijgt namelijk 
de meest grote kans, als een en 
ander in de illegaliteit gedrukt wordt. 

Om die reden is de fractie van 
Groen Links het eens met het verbod 
van het commercieel draagmoeder– 
schap. De regering moet echter wel 
de lijn consequent doortrekken in het 
wetsvoorstel. Dus moeten onder 
andere bemiddeling en adverteren 
inzake commercieel draagmoeder– 
schap strafbaar gesteld worden. 

Wij zijn niet voor de strafbaar– 
stelling van niet-commercieel draag– 
moederschap, niet omdat wij dit in 
alle opzichten een gewenste ontwik– 
keling vinden, maar omdat, daar de 
overheid niet zal kunnen voorkomen 
dat er toch nu en dan sprake is van 
draagmoederschap, wij willen 
voorkomen dat er een illegaal circuit 
ontstaat waarin niet-professionele 
organisaties, die heel iets anders op 
het oog hebben dan het belang van 
vrouw en kind, hun slag kunnen 
slaan en zich meester kunnen maken 
van deze technieken. 

Mevrouw Terpstra (VVD): Ik heb 
met heel veel aandacht naar 
mevrouw Brouwer geluisterd. Maar 
ik meen toch een discrepantie te 
bespeuren tussen haar pleidooi voor 
verbod van openbaarmaking van 
diensten inzake en vraag naar 
commercieel draagmoederschap en 
haar pleidooi voor toelaten van 
openbaarmaking van ideëel draag– 
moederschap, dus als het ware van 
Opzij'tjes. In het begin van haar 
betoog heeft zij buitengewoon 
scherp geanalyseerd dat een scherpe 
scheidslijn tussen ideëel en commer– 
cieel draagmoederschap weliswaar 
handig zou zijn, maar dat die 
scheidslijn er helemaal niet is. Hoe 
kan zij die scheidslijn dan wel 
definiëren tussen het openbaar 
maken van ideële en commerciële 
aanbieding van of vraag naar die 
diensten? Dat kan dus ook niet. 

Mevrouw Brouwer (Groen Links): Ik 
heb gezegd dat het een glijdende 

schaal betreft en dat het derhalve 
heel erg moeilijk is om daarin een 
scherpe scheidslijn aan te brengen. 

Dat zou tot de conclusie kunnen 

leiden om het helemaal niet te 
verbieden, dus om het te reguleren. 

Mevrouw Terpstra (VVD): Of het 

kan leiden tot de conclusie om de 
openbaarmaking helaas helemaal te 
verbieden. 

Mevrouw Brouwer (Groen Links): In 
dat geval moet het draagmoeder– 
schap in het algemeen verboden 
worden. Die lijn moet dan in het hele 
wetsvoorstel doorgetrokken worden. 
Je moet niet zeggen: het 
wetsvoorstel heeft als titel het 
tegengaan van commercieel draag– 
moederschap, dus maken wij het 
ideëel draagmoederschap en vormen 
en uitingen daarvan, zoals adverteren 
en bemiddelen, ook strafbaar. Er 
moet dus éèn lijn getrokken worden 
in het wetsvoorstel en het moet niet 
op twee gedachten hinken. 

Nog even de vraag van mevrouw 
Terpstra. Welnu, in de praktijk zal het 
niet zo eenvoudig zijn om commer– 
cieel draagmoederschap te bewijzen. 
Dat zal best ingewikkeld zijn. Het zal 
namelijk niet altijd gaan om 
contracten waarin staat dat de 
draagmoeder ƒ 5000 krijgt of wat 
dan ook. Zeker als het commercieel 
draagmoederschap wordt verboden, 
zullen er ook contracten zijn waarin 
weliswaar geen geld genoemd 
wordt, maar waarbij er toch van 
betaling sprake is. Nogmaals, het zal 
best ingewikkeld zijn om dat te 
bewijzen. 

Toch moet er onzes inziens ergens 
een grens getrokken worden. Die 
leggen wij bij het commercieel 
draagmoederschap. Dit betekent het 
verbieden van advertenties in de 
trant van "tegen betaling wil ik wel 
draagmoeder zijn" of "wij vragen een 
draagmoeder en bieden daarvoor 

ƒ 1 5.000 aan of een vakantiereis naar 
Hawaï". Er zijn allerlei vormen van 
betaling mogelijk. Dat achten wij een 
ongewenst verschijnsel. Het is goed 
dat een strafwetgever in elk geval 
dat signaal geeft. Dat is ook te 
achterhalen. 
Mevrouw Terpstra (VVD): Dat is nu 
die discrepantie. Dit betekent dat de 
agent die u zoëven hebt opgevoerd 
om bij Ciska Dresselhuys over de 
schouder mee te kijken, nu de adver– 

tenties moet nagaan om te bepalen 
of het wel degelijk om een ideële 
aanbieding van diensten gaat. Ik 
probeer voor mijzelf een zuiver beeld 
te krijgen. 

Mevrouw Brouwer (Groen Links): 
Dat betekent inderdaad dat je niet de 
ideële aanbieding van diensten maar 
de commerciële aanbieding van 
diensten strafbaar stelt. 

Mevrouw Terpstra (VVD): Maar wij 
hebben al in een eerdere fase van dit 
debat gezien dat er zoveel creativiteit 
bij mensen is, of je het nu verbiedt 
of niet, dat er toch altijd nieuwe 
uitingen zullen zijn die begrepen 
zullen worden door vrager en 
aanbieder. Zojuist had u het, in het 
dilemma waar we allemaal mee 
zitten, wat badinerend over de agent 
die de advertenties zou moeten 
nagaan om te bekijken wie ze had 
geplaatst, of het allemaal wel klopte 
en of het ideëel of commercieel was. 
Vervolgens is dezelfde vraag aan de 
orde maar dan in uw redenatie, of 
die agent nu alle ideële advertenties 
moet gaan nakijken op de vraag of er 
wel degelijk sprake is van ideële, 
niet-commerciële aanbieding en 
bemiddeling van diensten. Je krijgt 
dan precies hetzelfde probleem. 

Mevrouw Brouwer (Groen Links): 

Nee, nee er zit ongetwijfeld net zo 
goed een probleem in de bewijslast 
omdat het commerciële feit lang niet 
altijd aan te tonen is. Dat zal het 
probleem van dit wetsvoorstel zijn. 

Dat alles afwegende, willen wij toch 
het commercieel draagmoederschap, 

het bemiddelen daartoe en de handel 
daarin in zekere zin belemmeren. 

Dus, maak dat strafbaar ondanks de 
bewijsproblemen maar ga niet verder 
dan dat. Dat is onze stellingname en 
natuurlijk zit daar spanning in met 
betrekking tot de vraag of het 

bewezen kan worden of niet. Daar 
waar sprake is van ideële motieven 
zowel bij de vrouw als bij de 
wensouders en men bewust buiten 
het commerciële circuit en buiten 
praktijken die vergelijkbaar zijn met 
handel wil blijven, maar men wel 
contacten wil leggen met elkaar, 
willen wij een dergelijke vorm van 
contact leggen niet onder het straf– 
recht laten vallen. Dat vinden wij veel 
te ver gaan, afgezien van de vraag in 
hoeverre er sprake is van een 
spanning, strijdigheid met artikel 10 

Commercieel draagmoederschap/ 17 februari 1993 
Tweede Kamer Meerderjarigverklaring TK50 50 3694 


Brouwer 

van het EVRM. Als er sprake is van 
strijdigheid, mag de vraag gesteld 
worden of dat ook het geval is als 
het om commercieel draagmoeder– 
schap gaat. Daar is natuurlijk ook 
een probleem en als daar strijdigheid 
is, moet je het als strafbepaling laten 
vallen. 

Mevrouw Terpstra (VVD): 
Voorzitter! Mag ik nog een korte 
vraag stellen, juist omdat dit de kern 
van het dilemma is waar we allemaal 
mee zitten? In het amendement dat 
is ingediend, wordt een pleidooi 
gehouden om de Raad voor de 
kinderbescherming en/of een andere 
organisatie die daartoe is aange– 
wezen, nlet strafbaar te stellen bij 
het bemiddelen en begeleiden van 
draagmoederschap. Als dat 
amendement zou worden aange– 
nomen, waarbij zowel de Raad voor 
de kinderbescherming als de FIOM 
of een andere organisatie in de 
individuele gevallen kan bekijken of 
datgene wat wordt gevraagd 
werkehjk ideëel is en als het 
vervolgens niet strijdig is met de 
EVRM, zou het voor Groen Links dan 
een begaanbare weg zijn wanneer de 
openbaarmaking van aanbieding en 
vraag van diensten toch verboden 
zou kunnen blijven? Aan de ene kant 
bevorder je dan niet het klimaat 
waarin het een doodnormale zaak 
zou zijn en aan de andere kant sluit 
je niet uit dat er een bemiddeling is 
voor ideëel draagmoederschap. 

Mevrouw Brouwer (Groen Links): 
Het gaat dus om twee zaken. In het 
ene geval moet je de Raad voor de 
kinderbescherming niet onder het 
strafrecht brengen als die op de een 
of andere wijze betrokken wordt. In 
dit verband wil ik ook de interpretatie 
van mevrouw Soutendijk aan de 
minister voorleggen. Ik lees uit het 
wetsvoorstel dat de Raad voor de 
kinderbescherming of de FIOM of 
een andere door de raad aange– 
wezen persoon, strafbaar is als 
geïnterpreteerd zou worden dat de 
raad zich schuldig maakt aan het 
teweegbrengen of bevorderen dat 
een draagmoeder of een vrouw die 
draagmoeder wenst te worden, 
onderhandelt. Daar zitten veel inter– 
pretatiemogelijkheden in die tekst. 
Wat is teweegbrengen? Wat is 
bevorderen? Daarom heb ik de 
volgende vraag gesteld. Stel dat een 
draagmoeder met de wensouders 

naar de Raad voor de kinderbe– 
scherming gaat met de mededeling 
dat zij nog geen afspraken hebben 
gemaakt, maar dat zij absoluut niet 
in het vaarwater van duistere 
praktijken willen terechtkomen en 
dat zij daarom willen overleggen hoe 
zij dat het beste kunnen aanpakken. 
Valt in zo'n geval de Raad voor de 
kinderbescherming onder teweeg– 
brengen of bevorderen dat..., artikel 
151 b, lid 1 ? Dat zouden wij zeer 
ongewenst vinden. Het betekent dat 
de Raad voor de kinderbescherming 
niet legaal zijn goede diensten kan 
aanbieden. Dat willen wij 
voorkomen. Vervolgens is er de 
openbaarmaking. Dat is toch een 
andere zaak en heeft niets van doen 
met de Raad voor de kinderbe– 
scherming. Er zullen mensen zijn die 
naar de Raad voor de kinderbe– 
scherming gaan, maar er zullen ook 
mensen zijn die een andere weg 
zoeken. Gelukkig gaat het wat de 
laatste categorie betreft in 
Nederland maar om een klein aantal 
gevallen. Wie weet, beperkt het zich 
daartoe. Maar misschien zoeken 
deze mensen via Opzij of via andere 
wegen naar contacten. 

Mevrouw Terpstra (VVD): Uw 
pleidooi was om te voorkomen dat 
mensen in het commerciële illegale 
circuit terechtkomen. 

Mevrouw Brouwer (Groen Links): 
Ja. 

Mevrouw Terpstra (VVD): Als je dat 
kunt voorkomen door een bemidde– 
lingsfunctie van bijvoorbeeld de 
Raad voor de kinderbescherming in 
individuele gevallen mogelijk te 
maken, is de openbaarmaking niet 
meer nodig. Dan is ook de agent niet 
nodig, die moeilijk kan controleren of 
het commercieel of ideëel is. 

Mevrouw Brouwer (Groen Links): 
Dat probleem zien wij beiden. Het 
zou goed zijn als het via die weg 
ging. Wij moeten echter een 
antwoord geven op de vraag wat er 
gebeurt als men niet die weg volgt, 
maar een advertentie zet. Moet dat 
dan onder het strafrecht vallen? Ik 
vind dat te ver gaan. Ik ben het 
ermee eens dat het wenselijk is om 
het bijvoorbeeld via de Raad voor de 
kinderbescherming te laten gaan. 

Voorzitter! Ik ga toch nog wat 
dieper in op het wetsvoorstel. Onder 

anderen de heer Kohnstamm heeft 
er terecht op gewezen dat de intitulé 
helder is- het tegengaan van 
commercieel draagmoederschap maar 
dat de vlag de lading niet dekt. 
Want wat gebeurt er in het 
wetsvoorstel? Met het commercieel 
draagmoederschap worden ook 
bepaalde handelingen rond het 
ideëel draagmoederschap, zoals 
adverteren, openbaarmaking en 
advies vragen, strafbaar gesteld. Ik 
vind dat de wetgever helderheid 
moet verschaffen over zijn bedoe– 
lingen met een wetsvoorstel. Dat 
moet allereerst de regering doen. 
Maar ook fracties in dit parlement 
moeten helderheid scheppen over de 
bedoeling. Gaat het zuiver en alleen 
om het tegengaan van commercieel 
draagmoederschap? Dan moet ook 
het adverteren etcetera in dat teken 
worden gesteld, maar alleen als het 
gaat om commercieel draagmoeder– 
schap. Maar wellicht heeft de 
regering iets anders op het oog. En 
dat heeft zij, als ik het wetsvoorstel 
goed lees. Het gaat de regering 
zowel om het tegengaan van 
commercieel draagmoederschap als 
om het tegengaan van handelingen 
rondom het algemeen draagmoeder– 
schap. Ik ben het daar niet mee 
eens. Maar dat moet dan wel in de 
intitulé van het wetsvoorstel met 
zoveel woorden worden genoemd. Er 
moet helderheid worden geschapen 
over het karakter van het 
wetsvoorstel. Die helderheid is er nu 
niet. Dat staat los van de handhaaf– 
baarheid, waarover wij het al hebben 
gehad. Het wetsvoorstel is innerlijk 
tegenstrijdig en leidt tot nogal wat 
spraakverwarring. 

Het gaat mij om het volgende. Wil 
de regering, alles afwegende, alleen 
het commercieel draagmoederschap 
verbieden? Of wil zij eigenlijk in het 
algemeen het draagmoederschap 
verbieden? Als haar antwoord op de 
laatste vraag "neen" is, is het niet 
verbieden van het algemeen draag– 
moederschap dan gelegen in de 
veronderstelling dat een dergelijk 
verbod niet handhaafbaar is? Of zijn 
er andere motieven waarom zij dat 
niet doet? Ik vind het absoluut een 
innerlijk tegenstrijdig wetsvoorstel. 
Nogmaals, wil de minister ingaan op 
de niet onmogelijke gevolgen van het 
voorliggende wetsvoorstel, namelijk 
het ontstaan van een illegaal circuit? 

Voorzitter! Ik herhaal mijn vraag of 
onder artikel 1 51 b, lid 1, ook de 

Commercieel draagmoederschap/ 17 februari 1993 
Tweede Kamer Meerderjarigverklaring TK50 

50-3695 


Brouwer 

gebeurtenis valt dat mensen advies 
vragen aan de Raad voor de kinder– 
bescherming. Betekent dat, dat de 
Raad voor de kinderbescherming 
strafbaar kan zijn? Of is dat niet het 
geval? 

Verder heb ik een vraag over 
artikel 151b, lid 2b. Hierbij gaat het 
overigens om een vraag die reeds 
eerder, in de schriftelijke behan– 
deling, maar ook in de media, is 
gesteld. Stel dat een vrouw in een 
radio– of televisieprogramma wordt 
geïnterviewd en dan zegt dat zij, 
alles overwegend, wellicht een keer 
draagmoeder wil zijn. Valt de 
uitspraak van die vrouw dan onder 
de strafbepaling van artikel 151b, lid 
2b? Dus: is zij na uitzending van het 
programma strafbaar? Kan zij dan 
worden vervolgd? Zo ja, kunnen in 
dat geval ook de makers van het 
radio– of televisieprogramma worden 
vervolgd? In dit verband is Opzij al 
genoemd. Kan de makers uitlokking 
van een strafbaar feit worden 
verweten? Graag krijg ik op dit punt 
een antwoord van de minister. 

Voorzitter! Hiermee heb ik de 
standpunten van mijn fractie 
duidelijk verwoord. Nogmaals, wij 
zijn voor het tegengaan van commer– 
cieel draagmoederschap en alles 
afwegend denken wij in dit verband 
aan toepassing van het strafrecht. 
Andere bepalingen zouden niet 
moeten gelden. Hieraan wil ik nog 
iets toevoegen. 

De heer Kohnstamm heeft 
verwezen naar de geschiedenis van 
Hagar, maar hij is daarbij niet in 
details getreden Daarom maak ik 
van de gelegenheid gebruik om dat 
wel te doen. Ik wijs er dan op, dat 
het met Hagar zeer slecht afliep en ik 
vind dat men dit goed in gedachten 
moet houden. Nadat Sara nog een 
kind had gekregen, dat van haarzelf 
was, werd Hagar met haar zoon de 
woestijn ingestuurd. 

D 

Mevrouw Swildens-Rozendaal 
(PvdA): Voorzitter! Commercieel 
draagmoederschap dient naar de 
mening van de fractie van de Partij 
van de Arbeid te worden tegen– 
gegaan. Dat is reeds bij eerdere 
gelegenheden naar voren gebracht. 
Mijn vroegere fractiegenote Ineke 
Haas drukte zich tijdens de UCV van 
17 april 1989 kort en krachtig uit en 
zei: Een kind is geen handelswaar! 

In het regeerakkoord is dan ook, in 
navolging van het beleid van het 
vorige kabinet, uitgesproken, dat ter 
zake een wettelijke regeling tot stand 
zou worden gebracht. Mijn fractie 
kan instemmen met de keus die door 
het kabinet is gemaakt, namelijk het 
strafbaar stellen van de gedragingen 
die een klimaat kunnen bevorderen 
waarin commercieel draagmoeder– 
schap zich als maatschappelijk 
verschijnsel kan ontwikkelen. 
Commercieel draagmoederschap zal 
namelijk moeilijk tot stand kunnen 
komen zonder bedrijfs– of beroeps– 
matige bemiddeling en daarom is het 
terecht dat deze gedragingen ook 
strafbaar worden gesteld, evenals 
het in het openbaar aanbieden van 
die bemiddeling. 

Dat ook het openbaar maken van 
vraag– en aanbod wordt verboden, 
acht mijn fractie terecht, want 
zonder deze activiteiten zal immers 
de mogelijkheid dat potentiële 
vragers naar en aanbieders van 
commerciële draagmoeders elkaar 
ortmoeten, gering zijn. De 
mogelijkheid voor vrouwen die 
bijvoorbeeld ten behoeve van 
vrienden of famllie zwanger willen 
worden met het uitdrukkelijk 
voornemen voor hen een kind te 
baren en die dus voor hen draag– 
moeder willen zijn, wordt door dit 
voorstel niet beperkt. Hetgeen die 
vrouwen willen, kan; het is niet 
verboden. Op dit punt is mijn fractie 
het met het voorstel eens. 

Door beroeps– en bedrijfsmatige 
bemiddeling of door openbaar– 
making van vraag en aanbod als 
zodanig strafbaar te stellen, wordt 
ook een beperking aangebracht ten 
aanzien van deze activiteiten 
wanneer het oogmerk van commer– 
cieel draagmoederschap ontbreekt. 
Men fractie onderkent dat en zij 
onderkent ook dat hiermee de weg 
naar draagmoederschap op grond 
van ideële overwegingen en anders 
dan ten behoeve van directe 
vrienden– of kennissenkring, wordt 
afgesneden. Maar de belangen tegen 
elkaar afwegend, achten wij dit een 
aanvaardbare consequentie. Los van 
de vraag of het in de praktijk 
mogelijk zal zijn om vast te stellen 
dat een dergelijke bemiddeling en 
openbaarmaking ook inderdaad 
niet-commercieel draagmoederschap 
betreft, het toelaten ervan zal een 
normaliserend effect hebben. Dat wil 
mijn fractie ook voorkomen, want al 

eerder hebben wij aangegeven, het 
draagmoederschap niet te willen 
propageren. Wij willen ook geen 
wettelijke veranderingen om het 
draagmoederschap gemakkelijker te 
maken - ik citeer nu de woorden van 
mevrouw Haas tijdens de UCV van 
17 april 1989 - en wel gezien de 
risico's die hieraan verbonden zijn 
voor het kind, de draagmoeder en de 
wensouders. Alhoewel hierover al 
eerder is gesproken, noem ik toch 
nog maar eens: de psychische en 
emotionele problemen op de langere 
termijn voor de moeder die het kind 
heeft gedragen maar er afstand van 
heeft gedaan, niet het minst voor het 
kind een verhoogd risico van identi– 
teitsproblemen wanneer het is 
afgestaan door de draagmoeder, het 
doorkruisen van het hechtingsproces 
tussen moeder en kind, om dan nog 
maar niet te spreken over de situatie 
waarin de draagmoeder noch de 
wensouders het kind willen 
opvoeden en verzorgen. Voorzitter! 
Ook is er het risico van teleurstelling 
voor de wensouders om geconfron– 
teerd te worden met het feit dat de 
draagmoeder het kind bij nader 
inzien niet zal willen afstaan. Zij is 
daar niet toe verplicht. De vrouw die 
het kind baart, is immers de 
juridische moeder en de overeen– 
komst tussen draagmoeder en 
wensouders heeft geen rechtskracht 
op grond van een ongeoorloofde 
oorzaak. De overeenkomst is nietig 
want nakoming kan niet worden 
afgedwongen. Inderdaad zal de 
rechter zich hierover moeten 
uitspreken, maar mijn fractie staat 
volkomen achter deze interpretatie. 
Mijn fractie is ook van mening dat 
een en ander bovendien onethisch 
kan zijn en zij kan dan ook 
instemmen met het schrappen van 
de afstandsverklaring die voorge– 
steld wordt in wetsvoorstel 14167 
over de meerderjarigverklaring. 

Voorzitter! Zijn de genoemde 
risico's voor niet-commercieel draag– 
moederschap al relevant wanneer 
commerciële motieven een belang– 
rijke of zelfs een enige reden zijn 
voor zwangerschap, dan zullen deze 
risico's, zoals de bewindslieden ook 
stellen, nog groter zijn. Mijn fractie 
kan zich in die redenering ook 
vinden. Zoals gezegd is, dient 
commercieel draagmoederschap met 
kracht te worden tegengegaan, niet 
alleen omdat een kind geen 
handelswaar dient te zijn maar ook 

Commercieel draagmoederschap/ 17 februan 1993 
Tweede Kamer Meerderjarigverklaring TK50 

50-3696 


Swildens-Rozendaal 

omdat de kans niet denkbeeldig is 
dat vrouwen, gedreven door finan– 
ciële nood, in het draagmoederschap 
een uitweg zien. Of, erger nog, 
omdat bij commercieel draagmoe– 
derschap, juist vanwege de finan– 
ciële belangen die daarbij een rol 
spelen, de mogelijkheid bestaat dat 
vrouwen tegen hun wil besluiten of 
zelfs gedwongen worden tot 
zwangerschap. Ook die veronder– 
stelling van de bewindslieden kan 
mijn fractie - ik moet zeggen, helaas 

- delen, evenals het oordeel dat dit 
moreel volstrekt onaanvaardbaar is. 
Een klimaat waarin commercieel 
draagmoederschap zich als een 
maatschappelijk verschijnsel kan 
ontwikkelen, mag dan ook niet 
ontstaan. Nogmaals, voorzitter, als 
vrouwen besluiten voor hun eigen 
bekenden, bijvoorbeeld voor 
vrienden of familie, zwanger te willen 
worden en voor die wensouders een 
kind willen baren, dan zullen de 
normale procedureregels in acht 
moeten worden genomen. Wat mijn 
fractie betreft mag het overigens ook 
éèn wensouder zijn. Voor de Raad 
voor de kinderbescherming of een 
door die raad aangewezen rechts– 
persoon - het gaat dan meestal toch 
om de FIOM - is dezelfde taak 
weggelegd als in andere gevallen 
van afstand en adoptie. 

Voorzitter! Ook in de sfeer van 
voorlichting aan betrokkenen die 
draagmoederschap overwegen, is 
voor deze instanties een belangrijke 
taak weggelegd. Zoals in de nota 
naar aanleiding van het eindverslag 
ook door de bewindslieden wordt 
gesteld, is voorlichting over 
juridische en emotionele problemen 
belangrijk. Zojuist is gesproken over 
de interpretatie die wellicht aan 
artikel 151b gegeven kan worden. 
Wat de Raad voor de kinderbe– 
scherming of de FIOM betreft, zou 
dit soort activiteiten strafbaar 
moeten zijn. Ik interpreteer dit artikel 
zelf niet zo. Dat geldt ook voor de 
tekst die wij naar aanleiding van de 
nota naar aanleiding van het 
eindverslag hebben gekregen. Er is 
namelijk geen sprake van bemid– 
deling. De partijen worden niet bij 
elkaar gebracht. Die zijn, op eigen 
initiatief, al bij elkaar gekomen. 
Nogmaals, wij vinden het buiten– 
gewoon verstandig dat er voor zo'n 
belangrijke en gevoelige kwestie als 
het draagmoederschap voorlichting 
gegeven wordt. Men moet zich er 

bewust van zijn waar men aan 

begint. 

Bij draagmoederschap dienen 
instellingen op grond van een op het 
Planningsbesluit in-vitrofertilisatie 
gebaseerd protocol de handel in 
eicellen en eiceldonatie uit te sluiten. 
De eicel van de wensmoeder mag 
niet worden gebruikt. Mijn fractie is 
het daarmee eens. Anders ligt het 
echter bij de KID. Zoals de bewinds– 
lieden stellen, zal bevruchting van de 
draagmoeder geschieden via 
geslachtsverkeer met de beoogde 
biologische vader, dat wil zeggen de 
wensvader van het kind, dan wel via 
kunstmatige inseminatie, waarbij 
diezelfde vader donor is. In het 
laatste geval - ook dit is namens 
mijn fractie al eerder naar voren 
gebracht - kan men zich beter tot 
een arts wenden voor hulp dan dat 
men tot zelfinseminatie overgaat met 
alle risico's voor moeder en kind 
vandien. Van de minister zou ik 
graag vernemen of hij met deze 
zienswijze kan instemmen. 

Vandaag spreken wij in de Kamer 
over het opnemen in het Wetboek 
van Strafrecht van bepalingen strek– 
kende tot het tegengaan van 
commercieel draagmoederschap. Ik 
heb duidelijk gemaakt dat mijn 
fractie zich in dit voorstel kan vinden. 
Voorkomen moet worden dat 
commercieel draagmoederschap in 
de samenleving kan gedijen en zich 
kan ontwikkelen. Dit belang weegt 
voor het kabinet zwaarder dan het 
belang van de vrijheid van menings– 
uiting, die door het wetsvoorstel 
wordt beperkt. Het openbaar maken 
dat een draagmoeder beschikbaar is 
en gezocht wordt, is verboden. Voor 
de beoordeling van een concreet 
geval is relevant of de openbaar– 
making dat men bereid en ook in een 
voorkomend geval beschikbaar is om 
draagmoeder te worden inderdaad 
het karakter heeft van een aanbod, 
dat wil zeggen een wervend karakter 
heeft opdat een publiek van geïnte– 
resseerden wordt bereikt. Tijdens de 
schriftelijke behandeling heeft mijn 
fractie een aantal bezwaren naar 
voren gebracht; die zijn hier ook 
door andere woordvoerders naar 
voren gebracht. Moeten wij zo ver 
gaan dat wij bijvoorbeeld uitspraken 
beperken die men toch in een 
opiniërend gesprek of tijdens een 
praatprogramma doet op radio of 
televisie? Door het antwoord van de 
bewindslieden in de nota naar 

aanleiding van het eindverslag is 

naar onze mening het belangrijkste 

element voor strafbaarheid duidelijk 

geworden, namelijk dat de uitspraak 

die de vrouw doet het karakter heeft 

wervend te willen zijn en ook het 

publiek van geïnteresseerden, 

namelijk van wensouders, te willen 

bereiken, opdat tot draagmoeder– 

schap overgegaan zou kunnen 

worden. Met die interpretatie kan 

mijn fractie leven. 

Mijn fractie is tevens van mening 
dat in onze democratische samen– 
leving de vrijheid van meningsuiting 
een buitengewoon groot goed is. 
Met het beperken van die vrijheid zal 
ook in het vervolgingsbeleid uiterst 
zorgvuldig en zeer voorzichtig dienen 
te worden omgegaan. Ik neem aan 
dat de minister het daarmee eens is. 
Dat hoor ik hem graag nogmaals 
bevestigen. 

D 

De heer Janmaat (Centrumdemo– 
craten): Mijnheer de voorzitter! Heeft 
de CD-fractie de laatste tijd soms 
moeite met wetsvoorstellen die 
mede door deze minister zijn onder– 
tekend, vandaag is dat gelukkig niet 
het geval. De CD vindt dat draag– 
moederschap, commercieel dan wel 
ideëel, tot die activiteiten van de 
mens behoort die in ieder geval door 
de overheid waar dan ook moeten 
worden tegengegaan. Deze 
opvatting, mogelijk ook levend bij de 
minister, legt hij weliswaar niet 
geheel in deze wet vast, maar het 
wetsvoorstel verbiedt in ieder geval 
openbare aankondigingen en publi– 
katies die draagmoederschap waar 
dan ook aangekondigd verbieden. In 
ieder geval is daar de positieve 
consequentie van dat de minister bij 
voorbaat sluikwegen wil tegengaan 
om door middel van publikaties te 
komen tot commercieel draagmoe– 
derschap. Daar is de CD blij mee. 
Wij zien buitengewoon weinig in 
commercieel en ideëel draagmoe– 
derschap. 

Op dat punt verschillen wij ook van 
mening met de VVD. Mevrouw 
Terpstra sprak van het ideële draag– 
moederschap bij twee zusjes. Hoe 
goed het misschien ook is bedoeld, 
het lost natuurlijk niet echt wat op. 
Ook het kind uit dat draagmoeder– 
schap is immers niet echt van de 
vrouw die geen eigen kind kan 
krijgen. Zij heeft wel wat te doen: zij 

Commercieel draagmoederschap/ 17 februari 1993 
Tweede Kamer Meerderjarigverklaring TK50 

50-3697 


Janmaat 

kan een kindje verzorgen. Maar ook 
binnen intieme relaties als een 
familie of gezin komen in een later 
stadium de emotionele banden 
tussen moeder en kind sterk naar 
voren. Naar de mening van de CD zal 
het ideële draagmoederschap, 
waarvan mevrouw Terpstra sprak, 
niet werken. Toen ik haar daarover 
interrumpeerde, meende zij dat ik 
haar niet goed had begrepen. Welnu, 
de microfoons staan er nog. Zij kan 
nu dus aangeven, waar de CD dat 
heeft misverstaan. 

Er is in de Nederlandse samen– 
leving natuurlijk een aantal ontwikke– 
lingen die tot scheefgroei leiden. Dat 
geldt niet alleen voor het draagmoe– 
derschap. Die ontwikkelingen 
hebben eraan bijgedragen dat de 
zaak in de praktijk volgens de 
normen gaat ontsporen. Ik doel dan 
op kunstmatige inseminatie via de 
spermabanken. De CD kan dat niet 
zo goed begrijpen. Ook al kun je via 
kunstmatige bevruchting een kind 
krijgen, dan nog lijkt het mij dat de 
natuurlijke vader een leuker karweitje 
had te volbrengen dan via die 
banken. Als het op latere leeftijd bij 
een kind bekend wordt dat het niet 
langs natuurlijke maar langs kunst– 
matige wijze ter wereld is gekomen, 
dan geeft dat een domper bij zo'n 
kind en dat schept dan afstand 
tussen ouders. Dat soort ontwikke– 
lingen in Nederland wordt door ons 
volstrekt afgewezen. Wij prijzen de 
minister, dat hij aan dergelijke 
praktijken een begin van grenzen 
gaat stellen. Wij staan daar achter. 

De vergadering wordt van 12.55 uur 
tot 14.00 uur geschorst. 

Voorzitter: Deetman 

D 

De voorzitter : De ingekomen 
stukken staan op een lijst, die op de 
tafel van de griffier ter inzage ligt. 
Op die lijst heb ik voorstellen gedaan 
over de wijze van behandeling. Als 
aan het einde van de vergadering 
daartegen geen bezwaren zijn 
ingekomen, neem ik aan, dat de 
Kamer zich met de voorstellen heeft 
verenigd. 

Regeling van werkzaamheden 

De voorzitter: Het Presidium heeft 

met eenparigheid van stemmen 
besloten, te stellen in handen van: 

a. de vaste Commissie voor justitie 
en de bijzondere Commissie voor het 
jeugdwelzijnsbeleid gezamenlijk: 
- het wetsvoorstel Nadere regeling 
van het gezag over en van de 
omgang met minderjarige kinderen 
(23012); 
b. de vaste Commissie voor 
financiën: 
- het wetsvoorstel Nieuwe 
bepalingen inzake identificatie van 
cliënten bij financiële dienstverlening 
(Wet identificatie bij financiële 
dienstverlening 1993) (23008); 
- het wetsvoorstel Melding ongebrui– 
kelijke transacties bij financiële 
dienstverlening (Wet melding 
ongebruikelijke transacties) (23009); 
c. de vaste Commissie voor volks– 
huisvesting en ruimtelijke ordening: 
- het wetsvoorstel Verzelfstandiging 
van de Rijksdienst van het Kadaster 
en de Openbare Registers (Organisa– 
tiewet Kadaster) (23007); 
- het wetsvoorstel Wijziging van de 
Wet op de Ruimtelijke Ordening 
(23015); 
d. de vaste Commissie zeeën: 
- de Planologische Kernbeslissing 
Waddenzee (22605, nr. 3); 
e. de vaste Commissie voor econo– 
mische zaken: 
- het wetsvoorstel Instelling van een 
Aardgasbatenfonds (Wet Aardgasba– 
tenfonds) (23002); 
f. de vaste Commissie voor 
landbouw, natuurbeheer en visserij: 
- de nota Beleid voor openluchtre– 
creatie in de jaren negentig (22990); 
g. de vaste Commissie voor de volks– 
gezondheid: 
- het wetsvoorstel Wijziging van de 
Wet inzake medische experimenten 
in verband met regels inzake hande– 
lingen met menselijke embryo's en 
geslachtscellen (23016). 
Ik stel voor, aan de orde te stellen en 
te behandelen in de vergaderingen 
van 9 en 10 maart: 

- het wetsvoorstel Regels voor de 
besluitvorming met betrekking tot de 
aanleg of wijziging van hoofdwegen, 
van landelijke railwegen en van 
hoofdvaarwegen (Tracèwet) 
(22500); 

- het wetsvoorstel Wijziging van de 
Wet op het basisonderwijs, van de 
Interimwet op het speciaal onderwijs 
en het voortgezet speciaal onderwijs 
en van de Overgangswet ISOVSO, in 
verband met deregulering, autono– 
mievergroting en vermindering van 
beleidslasten en van de Wet 
algemene regels herindeling in 
verband met technische aanpas– 
singen (22353); 
- het wetsvoorstel Goedkeuring van 
de op 25 juni 1991 te Bonn tot stand 
gekomen Protocollen en Overeen– 
komsten inzake de toetreding van de 
Republiek Portugal en het Koninkrijk 
Spanje tot het Akkoord van 
Schengen van 14 juni 1985 en tot de 
Overeenkomst tot uitvoering van het 
Akkoord van Schengen van 19 juni 
1990, beide gewijzigd bij Protocol, 
respectievelijk Overeenkomst betref– 
fende de toetreding van de Italiaanse 
Republiek van 27 november 1990 
(22615). 
Ik stel voor, aan de orde te stellen in 
de vergaderingen van 16 en 17 
maart: 

de gezamenlijke behandeling van: 

- het wetsvoorstel Vaststelling van 
een nieuwe Politiewet (Politiewet) 
(22562); 
- het wetsvoorstel Wijziging van de 
rechterlijke indeling (22095); 
- het wetsvoorstel Wijziging van de 
Politiewet in verband met het 
opdragen aan de Koninklijke 
marechaussee van de politie– en 
veiligheidstaak op de luchthaven 
Schiphol en op andere aan te wijzen 
luchtvaartterreinen (22819); 
de behandeling van: 

- het wetsvoorstel Wijziging van de 
Algemene militaire pensioenwet 
(22185); 
- het wetsvoorstel Wijziging van de 
Algemene wet inzake rijksbelas– 
tingen (uitbreiding van de 
mogelijkheid van bezwaar en beroep) 
(22491). 
Ik stel voor, aan de orde te stellen en 
te behandelen woensdag 3 maart bij 
de aanvang van de vergadering: 

- het wetsvoorstel Wijziging van de 
Wet tot wijziging van de begroting 
van de uitgaven en de ontvangsten 
van hoofdstuk XI (Ministerie van 
Volkshuisvesting, Ruimtelijke 
Ordening en Milieubeheer) voor het 
17 februari 1993 
Tweede Kamer Regeling van werkzaamheden TK50 

50-3698 


voorzitter 

jaar 1992 (wijziging samenhangende 
met de Najaarsnota; tweede 
wijziging) (22988); 

- het wetsvoorstel Wijziging van de 
Wet tot invoering van een leeftijds– 
grens voor het notarisambt en 
oprichting van een notarieel pensi– 
oenfonds, zoals gewijzigd bij de 
Wetten van 26 maart 1980, 18 
februari 1981 en 19 september 
1988(22814). 
Overeenkomstig de voorstellen van 

de voorzitter wordt besloten. 

De voorzitter: Ik bepaal, dat uitge– 

breide commissievergaderingen 

zullen worden gehouden op: 

donderdag 11 maart: 

I. van 10.15 uur tot 17.00 uur van de 
vaste Commissie voor de volksge– 
zondheid over de nota 
Patiënten/consumentenbeleid 
(22702); 
II. van 10.15 uur tot 17.00 uur van 
de vaste Commissie voor verkeer en 
waterstaat over de nota Financiering 
waterbeheer (22728). 
Ik stel voor, de stukken 21507, nr. 7, 
19521, nr. 32, 20985, nr. 36, 
22328, nr. 8, 22800-XII, nr. 30, 
22800-XIV, nr. 33, 22800-XV, nr. 54 
en 22808, nr. 11 voor kennisgeving 
aan te nemen. 

Daartoe wordt besloten. 

De voorzitter: Het woord is aan de 

heer Eisma. 

De heer Eisma (D66): Voorzitter! De 
fractie van D66 verzoekt u, er 
rekening mee te houden dat in de 
eerste week na het krokusreces een 
debat wordt gehouden over de 
opvang van vluchtelingen uit het 
voormalige Joegoslavië. Wij 
verwachten binnenkort de 
antwoorden op de vragen die door 
de vaste Commissie voor justitie 
twee weken geleden aan de regering 
zijn gesteld. Voor een definitief 
verzoek zullen wij uiteraard deze 
antwoorden moeten bestuderen. Ik 
vraag dus om voorlopig tijd voor dit 
debat te reserveren. 

Mevrouw Sipkes (Groen Links): 
Voorzitter! Ik steun het verzoek van 
de heer Eisma en ik wil er het 
volgende aan toevoegen. Is het 
mogelijk dat de minister van Buiten– 

landse Zaken de Kamer volgende 
week een schrijven doet toekomen 
over de algemene situatie in het 
voormalige Joegoslavië? Er is nogal 
wat veranderd - bijvoorbeeld het 
plan-Clinton - sinds wij hier voor het 
laatst overleg over hebben gevoerd. 

De voorzitter : Ik stel voor, kennis 
te nemen van het verzoek van de 
heer Eisma. Ik neem aan dat deze 
zaak de dinsdag na het krokusreces 
bij de regeling van werkzaamheden 
terug zal komen. De leden van de 
Kamer weten dan dat daarover in die 
week een nader besluit kan plaats– 
vinden. 

Wat het verzoek van mevrouw 
Sipkes betreft, stel ik voor, het 
stenogram van dit deel van de verga– 
dering door te geleiden naar de 
minister van Buitenlandse Zaken. 

Overeenkomstig de voorstellen van 

de voorzitter wordt besloten. 

Aan de orde is de voortzetting van 
de behandeling van: 

- het wetsvoorstel Aanvulling 
van het Wetboek van Strafrecht 
met enige bepalingen strek– 
kende tot het tegengaan van 
commercieel draagmoederschap 
(21968); 
- het wetsvoorstel Wijziging in 
het Burgerlijk Wetboek en het 
Wetboek van Burgerlijke 
Rechtsvordering, strekkende tot 
invoering ten behoeve van 
minderjarige moeders van de 
mogelijkheid tot meerderjarig– 
verklaring (14167) 
De algemene beraadslaging wordt 
hervat. 

D 

Minister Hirsch Ballin : Mijnheer de 
voorzitter! De Kamer heeft de nadruk 
gelegd op het wetsvoorstel dat tot 
doel heeft het commercieel draag– 
moederschap en de beroeps– en 
bedrijfsmatige bemiddeling bij 
draagmoederschap tegen te gaan. Ik 
zal daaraan uiteraard ook de meeste 
aandacht besteden. Daarnaast is het 
oude wetsvoorstel aan de orde dat 
inmiddels gereduceerd is tot de 
meerderjarigverklaring van minder– 
jarige moeders. Voor zover nodig, zal 
ik daar ook opmerkingen over 
maken. 

Inleidend onderstreep ik waar het 
om te doen is bij het eerstgenoemde 
wetsvoorstel. Ik kon mij goed vinden 
in veel van de beschouwingen die 
vanmorgen zijn gegeven; bijvoor– 
beeld in de beschouwing van 
mevrouw Brouwer, die er alle nadruk 
op legde dat er iets mensonwaardigs 
in is gelegen om vrouwen te 
reduceren tot hun functie in de 
voortplanting. Het moederschap 
wordt teruggebracht tot het gebruik 
dat in het belang van anderen van de 
baarmoeder wordt gemaakt. Er zit 
iets mensonwaardig in het reduceren 
van het menselijk aandeel in de 
voortplanting tot alleen het nut voor 
een ander. Mevrouw Brouwer herin– 
nerde er terecht aan dat dit in allerlei 
verhoudingen, omstandigheden en in 
verschillende culturen afschuwelijk 
vaak is voorgekomen. 

Ik verdedig dit wetsvoorstel omdat 
het erop gericht is, tegen te gaan dat 
het inschakelen van een vrouw als 
draagmoeder - waarbij zij wordt 
gereduceerd tot het "nut" voor 
anderen - als normaal wordt gezien 
in onze samenleving. In zoverre reikt 
de betekenis van het wetsvoorstel 
dan ook verder dan alleen maar het 
tegengaan dat er geld aan wordt 
verdiend. Het wetsvoorstel wil een 
verzakelijking tegengaan van de rol 
van de vrouw bij het ter wereld 
brengen van kinderen. Er is gevraagd 
waarom nu precies deze beperkingen 
worden aangebracht en waarom niet 
het draagmoederschap als zodanig 
strafbaar wordt gesteld. Hiervoor zijn 
verschillende redenen. 

Er is vanochtend terecht aange– 
haald dat praktische argumenten 
hiertegen spreken. Dit is verbonden 
met een meer principiële 
overweging. Wanneer de pijlen van 
de rechtshandhaving zich zouden 
richten op de vrouw die zelf 
medewerking verleent aan het 
uitdragen van een zwangerschap dus 
niet in termen zoals gebruikt in 
het wetsvoorstel "het aanbieden van 
diensten en het bemiddelen ervan" tegen 
de vrouw die hoe dan ook voor 
een ander een kind draagt, zouden 
wij misschien in vele gevallen de 
verkeerde treffen. Wij zouden dan 
wellicht terechtkomen in strafvervol– 
gingen tegen degenen wier belangen 
we willen beschermen. Door 
verschillende sprekers is erop 
gewezen dat er bovendien situaties 
zijn waarin het kenmerk van verzake– 
lijking van de rol van de vrouw 

Commercieel 
draagmoederschap/Meerderjarigver– 17 februari 1993 
Tweede Kamer klaring TK50 50-3699 


Hirsch Ballin 

ontbreekt, omdat iemand op basis 
van een persoonlijke band eraan 
meewerkt om een kind voor een 
ander ter wereld te brengen. Wij 
moeten dit niet met de middelen van 
het strafrecht bestrijden, ook al 
willen we dit niet aanmoedigen. 

Daarom bevat het wetsvoorstel 
naar mijn oordeel de juiste strafbe– 
palingen, de juiste strafbaarstel– 
lingen. Er wordt geen "misbruik" - de 
heer Kohnstamm gebruikte een 
zwaar woord - gemaakt van het 
strafrecht. Dat wat eenduidig is 
onder te brengen in de sfeer van de 
verzakelijking, wordt strafbaar 
gesteld. De bedoeling hiervan is het 
commercieel draagmoederschap 
tegen te gaan, dat de hardste 
verschijningsvorm is van een verza– 
kelijkt moederschap, een moeder– 
schap dat de vrouw reduceert tot de 
rol van baarmoeder. Dat is het doel. 
Wij beseffen echter dat, waar het 
wetsvoorstel niet alleen over het 
beroeps– en bedrijfsmatig bemid– 
delen gaat maar ook over het doen 
van openbaar aanbod en openbare 
vraag, wij dan terecht zijn gekomen 
buiten de sfeer van de persoonlijke 
hulp, waarvan verschillende sprekers 
vanochtend hebben gezegd dat dit 
niet met de middelen van het straf– 
recht moet worden bestreden. 

Naar mijn oordeel is dus de 
aanduiding van het doel van het 
wetsvoorstel, het tegengaan van 
commercieel draagmoederschap als 
hardste vorm van een verzakelijking 
van de rol van de vrouw, juist. Ik vind 
met mevrouw Brouwer en andere 
sprekers dat een dergelijk draagmoe– 
derschap niet passend is in een 
samenleving die zich richt op 
bescherming van de menselijke 
waardigheid. Dit is de kern van de 
zaak. 

De heer Leerling (RPF): Voorzitter! 
De minister heeft de kwestie van het 
al dan niet strafbaar stellen van het 
draagmoederschap als zodanig 
afgerond en hiervoor zijn 
argumenten gegeven. Ik had uit de 
schriftelijke voorbereiding begrepen, 
dat de minister liet doorschemeren 
dat hij wel iets voor een verbod zou 
voelen, als hij het op een adequate 
manier kon handhaven. Dit argument 
blijkt dus niet doorslaggevend voor 
hem te zijn. 

Minister Hirsch Ballin: Ik ben 

begonnen met die praktische 

argumenten, maar heb aangegeven 
dat dit verder reikt dan alleen die 
praktische kwesties. 

Voorzitter! Ik kom op de vrijheid 
van meningsuiting. De sprekers die 
ik zojuist noemde, maar misschien 
ook anderen, hebben het daarover 
gehad of het onderwerp minstens 
aangeroerd. Gevraagd werd of dit 
een constitutioneel en inhoudelijk 
gerechtvaardigde beperking van de 
vrijheid van meningsuiting is. Het 
antwoord is ja, wat mij betreft 
zonder twijfel, gelet op zowel artikel 
7 van de Grondwet als artikel 10 van 
het Europese verdrag tot 
bescherming van de rechten van de 
mens en de fundamentele vrijheden. 
Artikel 7 van de Grondwet beperkt 
zich tot het omgrenzen van het type 
beperking, namelijk ieders verant– 
woordelijkheid volgens de wet, 
waarbij geen sprake is van vooraf– 
gaande censuur. Artikel 10 van het 
verdrag gaat verder en kent namelijk 
een binding aan doeleinden. Daar 
ben ik in de schriftelijke voorbe– 
reiding op ingegaan. Ik heb gezegd 
dat naar mijn oordeel voldaan is aan 
de op zichzelf verschillende 
doelclausuleringen die in artikel 10 
te vinden zijn. Het gaat om de goede 
zeden, waaronder het Hof verstaat 
de morele maatstaven zoals die 
mede in de rechtsorde begrepen 
kunnen zijn. 

Inleidend ben ik al ingegaan op de 
vraag waarom dat aan de orde is. 
Daar hoort dus ook bij het type 
rechtsregels dat nodig is ter 
bescherming tegen mensonwaardige 
toestanden. Daarnaast is er de 
gezondheid, waarbij het niet gaat om 
het gezondheidsprobleem van een 
zwangerschap als zodanig, maar om 
de psychische problemen die zich 
zowel bij de betrokken vrouw als bij 
het kind kunnen voordoen wanneer 
dit verzakelijkt dragen van kinderen 
voor anderen, deze vorm van 
"gebruiken" van vrouwen ruim baan 
en de schijn van normaal zou kunnen 
krijgen in de samenleving. In dit 
verband wordt het woord "openbare 
orde" al naar gelang het soort 
rechtsverhouding verschillend 
opgevat. Hier gaat het om het 
ordelijke verloop van de samen– 
leving, dus om het ordelijk regelen 
van de rechtsverhoudingen tussen 
draagmoeder, wensmoeder en kind. 

Mevrouw Terpstra (VVD): De 
minister heeft nu de drie criteria 

genoemd waarom het naar zijn 
mening op grond van artikel 10 van 
het Europese verdrag voor de 
rechten van de mens geoorloofd is, 
de openbaarmaking van het aanbod 
van of de vraag naar diensten te 
verbieden. Ik ga even terug naar 
artikel 7 van onze Grondwet, waarin 
vrijheid van meningsuiting een 
grondrecht is. Meer in abstractie 
vraag ik mij af of de minister het met 
mij eens is dat daar waar dit soort 
grondrechten wordt beperkt, het niet 
aangaat om die grondrechten bij 
voorbaat in te perken door te zeggen 
dat dit op grond van de Grondwet 
gebeurt, "behoudens wanneer". Dit 
brengt met zich dat er in wezen een 
gedegener onderbouwing zou 
moeten zijn dan alleen dat het een 
politieke keuze is dat dit grondrecht 
beperkt wordt. 

Minister Hirsch Ballin Dat ben ik 
met mevrouw Terpstra eens. Dat 
geldt voor dit grondrecht, maar ook 
voor andere grondrechten, zoals de 
aanstellingsvrijheid van leerkrachten. 
Er is motiverïng nodig met zwaarwe– 
gende belangen, wil daaraan een 
beperking worden gesteld en dan 
nog alleen voor zover dat überhaupt 
door de Grondwet wordt toegelaten. 
Ik noemde als voorbeelden een 
grondrecht waarbij een beperkings– 
clausule bestaat en een grondrecht 
waarbij daarvan geen sprake is en 
waarbij dus naar de gebruikelijke 
opvatting in elk geval de kern van het 
grondrecht - in dit geval dus de 
aanstellingsvrijheid - zou moeten 
worden ontzien. In het eerste 
voorbeeld, waarin sprake is van een 
beperkingsclausule behoudens 
ieders verantwoordelijkheid volgens 
de wet, is de wetgever daarmee niet 
ontslagen van het geven van een 
grondige motivering. 

Mevrouw Terpstra (VVD): Ik ga nu 
van de abstractie naar de huidige 
concrete situatie, namelijk naar de 
beperking van artikel 7 van onze 
Grondwet, de beperking van de 
vrijheid van meningsuiting. Welke 
andere dan alleen de politieke keuze 

- "ik vind het niet geoorloofd, dus ik 
vind dat er een beperking mogelijk 
is" - ligt ten grondslag aan het 
beperken van dit grondrecht? 
Minister Hirsch Ballin : Daarmee 
ben ik mijn antwoord van vanmiddag 
begonnen. Daaraan ligt ten 

Commercieel 
draagmoederschap/Meerderjarigver– 17 februari 1993 
Tweede Kamer klaring TK50 50-3700 


Hirsch Ballin 

grondslag het oordeel van de 
wetgever, dat uiteraard in politieke 
besluitvorming gestalte krijgt, over 
het beschermen van mensen tegen 
mensonwaardige verhoudingen en 
over die belangen van gezondheid en 
van psychische schade. Het een 
staat niet los van het ander. Dat 
vereist wetgeving die een verzake– 
lijking van de rol van de vrouw als 
degene die een kind ter wereld 
brengt, tegengaat. 

Mevrouw Terpstra (VVD): Als dit 
het concrete antwoord is, moet dat 
voor mevrouw Brouwer ook 
aanvaardbaar zijn, gezien het feit dat 
de minister zo zuiver heeft gekozen 
voor onderstreping van de 
redenering van mevrouw Brouwer. 

Mevrouw Brouwer (Groen Links): 
Dat is een vraag aan mij, maar ik zat 
net na te denken over die redenering 
over verzakelijking. Het verschil 
tussen commercieel draagmoeder– 
schap en het aanbod doen als 
mogelijke draagmoeder is het zelfbe– 
schikkingsrecht. Als iemand een 
advertentie plaatst omdat zij bereid 
is om draagmoeder te zijn voor 
iemand die heel graag kinderen 
wenst, is dat misschien een 
abstracte ideële doelstelling, maar 
wel een ideële doelstelling. Het gaat 
mij te ver om te zeggen dat dit een 
verzakelijkte verhouding is. In die 
sfeer zou ik het niet meteen willen 
trekken. Als er wordt gevraagd om 
een dergelijke band, die misschien 
niet erg persoonlijk is, vind ik dat je 
dat niet binnen het strafrecht moet 
brengen. 

Mevrouw Terpstra (VVD): Ik ga 
hierop in, omdat dit een van de grote 
dilemma's is van dit debat. De VVD 
heeft er niet op grond van het 
zelfbeschikkingsrecht voor gepleit 
om het draagmoederschap als 
zodanig te verbieden, zoals het CDA 
doet, maar vanwege de menselijke 
waardigheid, zoals de minister ook 
zei, vinden wij een ontmoedigings– 
beleid gerechtvaardigd. In het kader 
van dat ontmoedigingsbeleid is voor 
ons een verbod op openbaarmaking 
van het aanbieden of vragen van 
diensten aanvaardbaar. Als de 
minister uw redenering onderstreept 
met deze aanvaardbaarheid en het 
inperken van het grondrecht van 
vrijheid van meningsuiting, dan vraag 
ik waarom er licht tussen zit. 

Mevrouw Brouwer (Groen Links): Er 
zit absoluut een spanningsveld in. 
Het kan een heel handige invalshoek 
zijn voor de minister om mijn verhaal 
om te beginnen te onderstrepen, 
omdat ik kritiek heb op het 
wetsvoorstel. 

Mevrouw Terpstra (VVD): Ik geloof 

dat hij het nog meent ook. 

Mevrouw Brouwer (Groen Links): 
Laten wij aannemen dat hij het 
meent, waarvoor dank, dan nog kun 
je tot verschillende conclusies 
komen, als je het eens bent over de 
wenselijkheid om de verzakelijking 
tegen te gaan, waarmee de vrouw 
wordt teruggebracht tot de functie 
van baarmoeder. Bij mij speelt nog 
een aspect, namelijk de verzake– 
lijking van het kind. Het kind wordt 
onder sommige omstandigheden als 
handelswaar aangeboden, als het 
gaat om commercieel draagmoeder– 
schap. Dat wil ik er ook nog bij 
betrekken. Als wij het daarover eens 
zijn, kun je het nog over het 
volgende oneens zijn. Stel dat een 
vrouw graag draagmoeder wil zijn, 
waarvoor zij niet betaald wil worden, 
omdat zij er onder bepaalde omstan– 
digheden mensen mee wil helpen. Zij 
kan niet zo gauw contact leggen, 
maar zij wil dat doen door middel 
van een advertentie. Ik zie er niets in 
om dat te verbieden of dat onder het 
strafrecht te brengen, want dat hoort 
niet tot het jezelf als handelswaar 
aanbieden. 

Mevrouw Terpstra (VVD): Al 
luisterend naar de redenering van 
mevrouw Brouwer, vraag ik de 
minister hoe een ontmoedigings– 
beleid - daar is mevrouw Brouwer in 
feite ook voor - concreet handen en 
voeten kan worden gegeven als je 
niet uitkomt op de conclusie dat je 
het openbaar aanbieden of vragen 
van diensten strafbaar moet stellen. 

Mevrouw Brouwer (Groen Links): Ik 
vind sowieso dat een verzakelijking 
van mensen op welke wijze dan ook 
ontmoedigd moet worden, maar dan 
is het nog de vraag wanneer je wel 
of geen strafrecht hanteert. Dat is 
een discussie apart. 

Minister Hirsch Ballin: Ik wil 
reageren op de duo-interruptie van 
mevrouw Terpstra en mevrouw 
Brouwer. 

Het ontmoedigen en zeker niet 
aanmoedigen stelt bijvoorbeeld 
bepaalde grenzen aan de manier 
waarop de raden voor de kinderbe– 
scherming optreden. 


Ik ga nu even van de laatste vraag 
terug naar de kern. Mevrouw 
Terpstra wees er terecht op dat ik 
met een vraag zit over het betoog 
van mevrouw Brouwer. Ik heb onder– 
streept wat mevrouw Brouwer aan 
het begin van haar betoog zei. Dat 
heb ik niet gedaan omdat dit goed 
uitkwam omdat zij desalniettemin 
een bepaalde vorm van kritiek op 
een onderdeel van het wetsvoorstel 
leverde. Het is een misverstand voor 
zover zij de indruk zou hebben dat ik 
haar woorden daarom wel heb 
onderstreept, en bijvoorbeeld de 
woorden van mevrouw Swildens of 
mevrouw Soutendijk niet, met wie ik 
het in de conclusies zeer eens was. 
Ik heb de woorden van mevrouw 
Brouwer onderstreept omdat zij ook 
met een verwijzing naar andere 
culturen en perioden aangaf dat wij 
ertegen moeten opkomen als 
mensen worden gereduceerd tot hun 
fysieke nuttigheid voor anderen. Dat 
is het gevaar dat ik zie in verband 
met het verzakelijkte draagmoeder– 
schap. Daarom is het voor mij ook 
zeker geen argument tegen het 
wetsvoorstel dat er, ook zonder dat 
er winst wordt aangetoond, bepaalde 
gedragingen binnen de termen van 
de strafbaarheid vallen. Het gaat 
natuurlijk om het tegengaan van de 
hardste vorm van verzakelijking: de 
commercialisering. Naar mijn 
overtuiging is het dus vanuit het 
uitgangspunt van mevrouw Brouwer 
niet consistent dat zij aan het slot 
van haar betoog met een tegen– 
spraak kwam; zij noemde het zelfs 
een innerlijke tegenstrijdigheid ten 
aanzien van het wetsvoorstel. 
Daarop wilde mevrouw Terpstra 
zonet wijzen, dacht ik. 

Ik wil daar nog iets aan toevoegen. 
Waarom precies deze wetgeving en 
waarom niet opzij gaan voor het 
argument van het zelfbeschikkings– 
recht dat mevrouw Brouwer net naar 
voren bracht? Wanneer wetgeving in 
dit domein tot stand wordt gebracht, 
wanneer een beperking wordt 
gesteld, ook aan de vrijheid van de 
pers of een andere vorm van 
meningsuiting, moeten daarbij 
zwaarwegende belangen in het spel 
zijn. Die zijn in het spel. Het gaat hier 
om menswaardige verhoudingen in 

Commercieel 
draagmoederschap/Meerderjarigver– 17 februari 1993 
Tweede Kamer klaring TK 50 50-3701 


Hirsch Ballin 

de samenleving. Daarom is het bij 
grondrechten te doen en dat is de 
grondliggende gedachte bij onze 
grondrechtenbescherming: mensen 
beschermen in hun ideële identiteit, 
in hun godsdienstige levensbe– 
schouwing en in hun politieke 
overtuiging, in hun mogelijkheid om 
daarover van gedachten te wisselen 
en meningen te uiten ten opzichte 
van anderen en mensen te 
beschermen in hun fysieke 
integriteit. Het gaat om het 
beschermen van de integriteit en de 
waardigheid van mensen, ook bij dit 
wetsvoorstel. Wanneer zoiets 
gewichtigs in een rechtsstaat op het 
spel staat, aanvaarden wij ook in 
ander verband dat wij niet onmid– 
dellijk opzij gaan voor het argument 
dat de betrokken vrouw die verzake– 
lijking, het gebruik van haar lijf voor 
dat doel zelf gewild heeft. Wij gaat 
niet zomaar opzij voor het argument 
dat mensen iets dat wezenlijk bij hen 
en hun waardigheid behoort, 
vervreemden en overdoen, er afstand 
van doen. Daarom aanvaarden wij 
bijvoorbeeld ook niet dat mensen 
een contract afsluiten waarbij zij 
afstand doen van hun vrijheid van 
meningsuiting. Bepaalde waarden 
zijn zo nauw verbonden met de 
menselijke integriteit waarvoor wij 
opkomen in een rechtsstaat, dat wij 
het daarvan niet accepteren dat het 
in de aanbieding wordt gedaan. Dat 
is precies de omschrijving in dit 
wetsvoorstel. 

De heer Kohnstamm (D66): Maar 
als je het terugbrengt naar de meer 
juridische vertaling, kom je terecht 
bij de onaantastbaarheid van het 
menselijk lichaam. Het artikel in de 
Grondwet dat daarover gaat, ziet 
nauw toe op het veelal onvrijwillig, 
zonder een informed consent, 
betrekken van het menselijk lichaam 
in een medische of andersoortige 
handeling. In dit geval wijkt het daar 
in die zin van af dat de integriteit van 
het menselijk lichaam weliswaar 
buiten kijf staat, maar dat het onder 
pressie zetten van die integriteit door 
er commerciële doelstellingen aan te 
verbinden, verboden wordt met 
unanimiteit van regering en Kamer. 
De vraag is nu echter of, als in 
verband met de integriteit van het 
menselijk lichaam, de waardigheid, 
zoals de minister het noemt, de 
vrouw daar zelf toe bereid is ten 
behoeve van het nageslacht van een 

ander, je er dan op enigerlei wijze 
een moreel oordeel over moet 
uitspreken, zoals de minister doet. Ik 
denk dat per saldo dit punt de 
minister en mij verdeeld houdt. Ik 
denk dat dit ook voor mevrouw 
Brouwer en de minister geldt. 

Minister Hirsch Ballin Elke 
wetgeving berust op een morele 
beoordeling, als het in de bevoegd– 
heidssfeer van de Staat ligt. Het gaat 
in de kern van de zaak toch ook altijd 
om morele argumenten die wij hier, 
ook als wij van mening verschillen, 
bijvoorbeeld de heer Kohnstamm en 
ik, naar voren brengen. 

Ik maak evenwel bezwaar tegen 
het volgende, hoewel het misschien 
wat scherp klinkt. Ik neem graag aan 
dat de heer Kohnstamm volledig oog 
heeft voor de keerzijde ervan. Ik heb 
er dus bezwaar tegen, als 
bescherming van de integriteit van 
mensen het in feite moet afleggen 
tegen de contracteervrijheid. 

De heer Kohnstamm (D66): Daar 
bestaat geen misverstand over. Ook 
ik ben daar in eerste termijn heel 
helder over geweest. Maar de vraag 
blijft, of het middel van het straf– 
recht direct of indirect gebruikt moet 
worden bij de bescherming van een 
recht waar de betrokkene op dat 
ogenblik weloverwogen niet om 
vraagt. De minister zegt terecht dat 
er het strafrecht dan af en toe achter 
de wens zit om te beschermen. Dan 
kan het zelfbeschikkingsrecht daar 
niet doorheen gaan. Dat komt vaker 
voor. Moet dat in dit geval - het doet 
zich in Nederland maar een enkele 
keer per jaar voor, voor zover wij 
weten - ook gebeuren tegen de 
achtergrond van de vraag of je de 
morele verontwaardiging zou moeten 
uitspreken over de vrouw die willens 
en wetens bereid is om voor een 
ander een kind te baren? Eerlijk 
gezegd, denk ik dat wij elkaar in de 
discussie een heel eind genaderd 
zijn. Wij zijn het namelijk over een 
groot deel met elkaar eens. Maar ten 
slotte lopen onze meningen uiteen, 
dunkt mij, op de cruciale vraag 
waarom je via het strafrecht of ex 
cathedra de morele verontwaar– 
diging zou uitspreken over die wens 
van die ene vrouw die daarover heeft 
nagedacht en dat bij wijze van 
broeder– of zusterliefde doet, los van 
de vraag of er een familieband 
bestaat. Dat kan ook voor een 

onbekende zijn. Immers, heb uw 
naaste lief. Dat kan ook een verre 
naaste zijn. Waarom zou je daar dus 
die morele verontwaardiging over 
uitspreken? Ik voel die niet. 

Minister Hirsch Ballin : Ik had het 
over de verzakelijking: het gebruiken 
van vrouwen in hun fysieke functie. 

Ik had het ook over het reduceren tot 
verzakelijking. Er is ook geen verschil 
van mening over tussen de heer 
Kohnstamm en mij, dat er geen 
bedoeling is om direct of indirect 
met dit wetsvoorstel een druk te 
leggen, een straf te stellen of iets 
wat daarop gelijkt, als het gaat om 
de persoonlijke verhoudingen waarin 
mensen iets voor een ander willen 
doen wat zo ver gaat als het dragen 
van een kind. Daar blijft het 
wetsvoorstel buiten. 

Waar het wetsvoorstel wel over 
gaat, is het openbare aanbod en de 
openbare vraag waarmee van meet 
af aan buiten de sfeer van die 
persoonlijke relatie is getreden. 

Mevrouw Brouwer (Groen Links): Ik 
blijf met een vraag zitten. 

De voorzitter: Kunt u uw vraag kort 
formuleren, want ik neem aan dat u 
ook nog in tweede termijn het woord 
zult voeren? De eerste termijn is 
vanmorgen ook uitvoerig geweest. 
Dit is geen termijn, wil ik maar 
zeggen. 

Mevrouw Brouwer (Groen Links): 
Nee, dat was ik ook niet van plan 
voorzitter! 

De voorzitter Dat weet ik nooit 
zeker. 

Mevrouw Brouwer (Groen Links): 
Mij zelf kennende, denk ik dat het 
wel meevalt. 

Ook de minister zegt dat hij zich in 
bepaalde omstandigheden heel goed 
een draagmoederschap kan 
voorstellen dat niet voldoet aan het 
afkeurenswaardige begrip van verza– 
kelijking. Of wij het nu leuk vinden of 
niet, die ruimte is er, ook in het 
wetsvoorstel. Daar wil de overheid 
niet aankomen. Daar zijn wij het over 
eens. Nu luidt mijn vraag als volgt. In 
persoonlijke contacten is het wel 
mogelijk maar waarom moeten we, 
wanneer het contact wordt gelegd 
via een advertentie waar geld noch 
commerciële doeleinden aan te pas 

Commercieel 
Tweede Kamer 
draagmoederschap/Meerderjarigver– 
klaring 
17 februari 1993 
TK50 50-3702 


Hirsch Ballin 

komen, de stap maken naar de 

uitspraak dat het niet mag? Dat is 
toch maar een gradueel verschil? 

Minister Hirsch Ballin : Commer– 
cialisering is de hardste vorm van 
verzakelijking. Het aangrijpingspunt 
van het wetsvoorstel is de 
openbaarheid van vraag en aanbod. 
Daarvoor spreken praktische 
argumenten die ook in de schrifte– 
lijke voorbereiding uitvoerig zijn 
neergelegd. Wanneer dat niet zou 
gebeuren, dreigt de strafbaarstelling 
haar doel te missen. Zoëven heb ik al 
naar voren gebracht, ook naar 
aanleiding van de verdenking en de 
bezwaren die vanmorgen ten aanzien 
van die argumentatie naar voren zijn 
gebracht, dat het verder reikt, op 
goede gronden die ik zo treffend 
door mevrouw Brouwer verwoord 
vond, namelijk dat het niet past in 
een rechtsorde die mensen in hun 
waardigheid wil laten en hun 
integriteit wil beschermen om, hoe 
dan ook, ruimte te geven aan de 
mogelijkheid dat men een verzake– 
lijkte dienstverlening in dit vlak, zelfs 
als daarbij niet is gebleken dat er 
geld over de tafel gaat, normaal zou 
gaan vinden. Daarom is er het 
aangrijpingspunt van de openbare 
vraag en het openbare aanbod, 
hetgeen buiten de persoonlijke 
verhoudingen ligt. Wie in de 
persoonlijke verhoudingen, waarover 
dit wetsvoorstel zich niet uitspreekt, 
zover wil gaan, doet niet in het 
openbaar een aanbod en die stelt 
niet in het openbaar de vraag. 

Voorzitter! Mevrouw Swildens, 
mevrouw Soutendijk, mevrouw 
Terpstra en de heer Kohnstamm 
hebben gesproken over de omgren– 
zingen van de strafbepalingen. Zij 
hebben de vraag opgeworpen hoe 
het ligt als iemand inlichtingen inwint 
die van belang zijn bij de eigen 
persoonlijke besluitvorming die iets 
met het krijgen en dragen van 
kinderen te maken heeft. Zij 
noemden de rol van de arts, van de 
advocaat en ook de rol van de Raad 
voor de kinderbescherming. Naar 
voren is gebracht dat niet elke vraag 
om informatie onder de werking van 
de strafbepaling moet vallen. Die valt 
er inderdaad niet onder. Wanneer 
een arts of advocaat geregeld en 
stelselmatig of met winstoogmerk 
opzettelijk teweegbrengt of 
bevordert dat draagmoederafspraken 
worden gemaakt, dan valt dit 

natuurlijk wel daaronder. Maar als 
een arts of een advocaat met het 
oog op besluiten van wensouders of 
van mensen die zich afvragen of zij 
wel of niet medewerking zullen 
verlenen aan het krijgen van een kind 
voor een ander, medisch of juridisch 
adviseert of als de Raad voor de 
kinderbescherming in zo'n 
verhouding wordt aangesproken voor 
advies, dan valt dat buiten de termen 
van dit wetsvoorstel, zowel van 
artikel 151 b als van artikel 151 c. 

De heer Kohnstamm (D66) 
Voorzitter! Op dit concrete punt wil 
ik de volgende vraag stellen. Als drie 
mensen, wensouders en draag– 
moeder, met elkaar de mogelijkheid 
om draagmoeder te worden hebben 
besproken - er is nog geen sprake 
van zwangerschap - en vervolgens 
gaan zij naar de Raad voor de 
kinderbescherming. De opzet is 
gericht op het tot stand brengen van 
een kind dat vervolgens weggegeven 
wordt aan bijvoorbeeld de zuster en 
haar man. Mag de Raad voor de 
kinderbescherming vanaf dat 
ogenblik de advisering en de 
begeleiding ter hand nemen? 

Minister Hirsch Ballin : Ik begrijp 
niet aan welke toepasselijkheid van 
de strafbepaling de heer Kohnstamm 
in dit verband denkt. Ziet hij hierin 
een opzettelijk teweegbrengen of 
bevorderen? 

De heer Kohnstamm (D66): Het is 
in ieder geval de vraag of het 
daaronder valt. Dat is in de stukken 
niet duidelijk geworden. Het 
betekent in dit geval dat de Raad 
voor de kinderbescherming de 
waarschuwende vinger moet 
opsteken voor de risico's die eraan 
verbonden zitten, vervolgens moet 
vertellen wat de juridische ins en 
outs zijn, misschien zelfs moet 
verwijzen naar een medicus voor de 
kunstmatige inseminatie en ook nog 
maatschappelijk werk aanbiedt ter 
begeleiding van het hele proces. 
Kennelijk hebben betrokkenen 
besloten om het te willen. Maar de 
hele begeleidmg, vanaf de 
oorsprong, wordt dan ter hand 
genomen door de Raad voor de 
kinderbescherming. Het staat wel 
vast dat er een beroep wordt gedaan 
op het bedrijf. Het is opzettelijk en 
brengt een en ander mede tot stand. 

Minister Hirsch Ballin: De heer 

Kohnstamm bracht geleidelijkaan 

meer elementen in de vraagstelling. 
Zoals bekend, compliceert dat de 

beantwoording van de vraag. 

De heer Kohnstamm (D66): Zo zit 

de werkelijkheid in elkaar. 

Minister Hirsch Ballin : Die moeten 

wij dan vervolgens juridisch analy– 

seren om een goed antwoord te 

kunnen geven. Ik neem aan dat dat 

ook het werk was van de heer 

Kohnstamm toen hij nog advocaat 

was. Hij verwees daar vanmorgen 

naar. Voor zover ik hem nog moet 

geruststellen: de wijziging van de 

strafwet heeft geen effecten op de 

reeds voor de datum van de 
totstandkoming gepleegde feiten. 

De heer Kohnstamm sprak over 
het geven van informatie. Het zal 
duidelijk zijn dat deze strafbepaling 
daar niet op slaat. Het geven van een 
ander adres ligt in de sfeer van de 
informatie. Dat is iets anders dan 
vorderen of teweegbrengen. De 
vraagstelling van de heer 
Kohnstamm kreeg echter met de 
aaneenrijging van gedragingen een 
soort open einde. Als dat open einde 
neerkomt op een totaliteit van 
gedrag dat als bevorderend moet 
worden aangemerkt - het voor 
betrokkenen regelen dat zo'n 
afspraak tot stand komt - dan 
hebben wij natuurlijk wel met iets 
anders te maken. 

De heer Schutte (GPV): Voorzitter! 
De vorige staatssecretaris heeft in 
1985 een brief over deze zaak 
geschreven aan de raden voor de 
kinderbescherming. Daarin werd, 
kort samengevat, aangedrongen op 
zeer grote terughoudendheid bij het 
verlenen van medewerking op 
enigerlei wijze aan draagmoeder– 
schap. Blijft die brief bij de totstand– 
koming van de wet, in de vorm 
waarin zij nu voorligt, onverkort van 
kracht? Of moet een nadere brief 
volgen waarin wordt aangegeven wat 
het verschil is, voor en na deze wet? 

Minister Hirsch Ballin : Die brief 
geeft al aan dat de rol van de raden 
voor de kinderbescherming een 
beperkte moet zijn. Die rol wordt 
uiteraard niet ruimer wanneer deze 
wet tot stand is gekomen. Dat zal 
duidelijk zijn. De activiteiten die de 
raden voor de kinderbescherming 

Commercieel 
draagmoederschap/Meerderjarigver– 17 februari 1993 
Tweede Kamer klaring TK50 50-3703 


Hirsch Ballin 

verrichten en kunnen verrichten 
binnen hun bevoegdheden, worden 
niet op een onverhoedse manier 
geconfronteerd met de werking van 
deze strafwet. Daarvoor hoeft men 
niet bang te zijn. De heer Schutte 
vroeg of de circulaire van kracht zal 
blijven. Ik denk dat die circulaire 
aanpassing en aanvulling behoeft op 
het moment dat deze wet in werking 
treedt. Uiteraard blijft er sprake van 
terughoudendheid. Dat spreekt 
vanzelf. Dergelijke circulaires aan de 
raden voor de kinderbescherming 
hebben altijd de functie van infor– 
matie geven over de geldende 
wetsbepalingen. Daarom zal de 
circulaire moeten worden aangepast. 

De heer Schutte (GPV): Maar dan is 
natuurlijk de vraag relevant in welke 
zin, in welke richting aanpassing zal 
moeten plaatsvinden. Toen in 1985 
nog geen sprake was van deze wet 
was het motto al: uiterste terughou– 
dendheid. Zal de circulaire die nu 
moet worden verzonden, een concre– 
tisering inhouden van die uiterste 
terughoudendheid? Of wordt heel 
gericht aangegeven dat nu misschien 
toch meer houvast geboden wordt 
dan toen geboden kon worden? 

Minister Hirsch Ballin : Voorzitter! 
In het voorgestelde artikel 151c is, 
onverminderd artikel 151b, om te 
beginnen een uitdrukkelijke uitzon– 
dering gemaakt voor de raden voor 
de kinderbescherming en de door de 
raden aangewezen rechtspersonen. 
Dit betekent dat instellingen voor 
bemiddeling, zorg voor ongehuwde 
moeders enzovoorts geen problemen 
zullen ondervinden van de strafbe– 
paling van artikel 1 51c. De uitzon– 
dering van het tweede lid houdt 
uitdrukkelijk rekening met hun 
positie. Bij de strafbepaling van 
artikel 151b past een dergelijke 
uitzondering niet. In de nadere circu– 
laire aan de raden voor de kinderbe– 
scherming zal men met dergelijke 
gegevens rekening moeten houden. 
Dat ligt voor de hand. 

De heer Schutte (GPV): Voorzitter! 
In eerste termijn heb ik in dit 
verband gevraagd: maakt het daarbij 
nog verschil of er sprake is van de 
situatie die de heer Kohnstamm 
schetste, waarbij er nog geen sprake 
is van draagmoederschap, maar wel 
van de bereidheid om daartoe over 
te gaan, of dat er sprake is van de 

situatie waarin de zwangerschap een 
feit is respectievelijk het kind 
geboren is? 

Minister Hirsch Ballin : In het 
laatste geval is natuurlijk sowieso 
hulpverlening voor de ouders aan de 
orde, en niet iets anders. In het 
eerste geval, waarbij het gaat om de 
situatie vooraf, moeten wij denken 
aan het niet opzettelijk teweeg– 
brengen of bevorderen dat een 
vrouw die draagmoeder is of wenst 
te worden afspraken met anderen 
maakt of dat zij onderhandelt. 

Voorzitter! Na hetgeen ik heb 
gezegd, zal duidelijk zijn, dat ik het 
amendement van de heer 
Kohnstamm en mevrouw Brouwer op 
stuk nr. 9 ontraad. Het amendement 
op stuk nr. 10 ontraad ik evenzeer. 
Er is voor de Raad voor de kinderbe– 
scherming geen rol weggelegd bij 
het bemiddelen inzake het draag– 
moederschap. 

Vcorzitter! De heer Kohnstamm 
heeft ook een vraag gesteld over het 
andere wetsvoorstel, wetsvoorstel 
14167. Daarbij ging het om de 
situatie van 16- en 17-jarige 
moeders. Allereerst stel ik vast, dat 
ook de heer Kohnstamm voorkeur 
geeft aan de huidige procedure voor 
het doen van afstand. Hij pleit dus 
niet voor herstel van het geschrapte 
onderdeel van het wetsvoorstel. Het 
niet willen bevorderen van het 
verschijnsel van draagmoederschap 
was zeker niet het hoofdargument 
om het onderdeel "afstand van 
ouderrechten" in te trekken. De 
hoofdreden voor intrekken was 
gelegen in het feit dat de huidige 
praktijk voldoet en dat een regeling 
die specifiek afstand formaliseert, 
het effect kan hebben dat meer 
vrouwen de zorg voor hun kind 
zouden opgeven. Daarop is ook door 
de heer Schutte gewezen. Er is dus 
een relatie, maar er is geen relatie 
tussen de wijziging van het ene en 
de indiening van het andere 
wetsvoorstel. 

Voorzitter! De heer Leerling heeft 
gevraagd of de huidige praktijk van 
afstandsverklaringen niet veranderd 
zou moeten worden. Deze vraag 
betreft dus ook het oude 
wetsvoorstel. De afstandsverklaring 
waarmee nu in de praktijk wordt 
gewerkt is zeker geweldig. lets 
anders is of de moeder altijd op haar 
beslissing kan terugkomen. Dat kan 
zij na een dergelijke verklaring 

definitief niet meer. Pas dan is er dus 
sprake van rechtsgeldigheid en van 
een definitieve en beslissende 
rechtshandeling die geldt als een 
kind van de bewuste vrouw wordt 
geadopteerd. Dit lijkt mij ook de 
juiste gang van zaken. 

Mevrouw Terpstra heeft gevraagd 
of een moeder die afstand heeft 
gedaan alimentatieplichtig is. Het 
antwoord is "ja". De alimentatie– 
plicht houdt wettelijk pas op als het 
kind is geadopteerd. Overigens 
wordt zo'n moeder door de Raad 
voor de kinderbescherming niet aan 
haar formele alimentatieplicht 
gehouden. In de praktijk doen zich 
hierbij dus geen problemen voor. 

Mevrouw Terpstra (VVD): 
Voorzitter! Voor dit antwoord was ik 
al bang. De vraag is namelijk of het 
wel redelijk is dat iemand die afstand 
heeft gedaan van het kind en van het 
gezag over het kind, nog een finan– 
ciële band daarmee heeft totdat de 
formele adoptie een feit is. Die vraag 
laat zich te meer stellen omdat de 
minister zegt: in de praktijk wordt 
aan de formele alimentatieplicht 
geen aandacht geschonken. 

Minister Hirsch Ballin Dat is wel 
zo, voorzitter, maar er is een relatie 

met het antwoord dat ik de heer 

Schutte gaf, namelijk dat dit pas 
definitief is op het moment dat de 
adoptie voltrokken is en er niet meer 
teruggekomen kan worden op een 
afstandsverklaring. Ik sprak eerst 
over geldig. Om precies te zijn, zou 
je dat woord tussen aanhalings– 
tekens moeten zetten. Uit dat latere 

moment van intreden van het rechts– 
gevolg, de onherroepelijkheid, vloeit 
voort dat er, zolang er geen defini– 
tieve beslissing genomen is over het 
verbreken van de familierechtelijke 
band met de afstand doende 
moeder, sprake zal zijn van een soort 
alimentatieplicht. Die moet ook 
slapende blijven en niet zonder meer 
door een eenzijdige verklaring van de 
moeder worden afgeschaft, want zij 
zou daarop inderdaad kunnen terug– 
komen. In de huidige verhoudingen 
werkt dat goed en zijn er geen 
praktische problemen, mede ook 
omdat er geen misbruik van wordt 
gemaakt om aan alimentatieplichten 
te ontkomen. Wanneer een en ander 
zou worden geformaliseerd en 
onmiddellijk zou worden omgezet in 
een onherroepelijk rechtsgevolg van 

Commercieel 
draagmoederschap/Meerderjarigver– 17februari 1993 
Tweede Kamer klaring TK50 50-3704 


Hirsch Ballin 

de afstandsverklaring, dan zouden 
wij misschien gevolgen kunnen 
oproepen. 

Mevrouw Terpstra (VVD): 
Voorzitter! Als ik de minister dus 
goed versta, betreft het een 
slapende alimentatieplicht die pas 
geformaliseerd zal worden in een 
actieve alimentatieplicht op het 
moment dat wordt teruggekomen op 
de afstandsverklaring. 

Minister Hirsch Ballin : Ja. 

Mevrouw Terpstra (VVD): Ik ben blij 
dat het laatst gesproken woord, naar 
analogie van de debatten van vorige 
week, geldt. Dit is in ieder geval 
helder, voorzitter! 

Minister Hirsch Ballin: U weet niet 
wat ik nog meer ga zeggen. 

Mevrouw Terpstra (VVD): Ik heb 
ook alleen maar gezegd dat dit in 
ieder geval helder is. 

Minister Hirsch Ballin : Voorzitter! 
Bij sommige woorden, ook al zijn die 
vorige week uitgesproken, lijkt men 
nu al uit het oog verloren te hebben 
welke clausuleringen daaraan ook 
toen verbonden waren. 

Mevrouw Terpstra heeft gevraagd 
of de 16-jarige leeftijd niet wat 
arbitrair is. Aan de andere kant vond 
zij die leeftijd toch ook wel weer heel 
redelijk. Uiteraard heeft elke 
leeftijdsgrens in zekere zin iets 
arbitrairs, omdat je, als je de 
individuen zo ziet, wellicht wat 
andere data zou kunnen aanhouden 
dan de 16de, de 18de of de 65ste 
verjaardag. Het is echter een 
leeftijdsgrens die consistent is met 
andere leeftijdsgrenzen. Ik verwijs 
naar de memorie van antwoord, 
bladzijde 1, bij wetsvoorstel 14167. 
Er wordt aangesloten bij de leeftijd 
waarop een zwanger meisje een 
huwelijk zou kunnen sluiten en, 
voorzitter, een vrouw moet toch, 
naar gemiddelde ervaringsregels, 
oud genoeg zijn om deze verant– 
woordelijkheid aan te kunnen. 

Mevrouw Terpstra heeft een 
betoog aangehaald van mevrouw 
Broekhuizen-Molenaar over de 
nietigheid van de draagmoeder– 
schapsovereenkomst. De nietigheid 
van zo'n overeenkomst als geheel is 
een rechtsgevolg want het is een 
overeenkomst met een ongeoor– 

loofde oorzaak. Ik wijs erop dat de 
nietigheid van de overeenkomst niet 

betekent dat er niet op andere 
grond, bijvoorbeeld uit onrecht– 
matige daad, een verplichting tot 
schadeloosstelling zou kunnen 

ontstaan. 

Op de argumenten van prof. 
Sluyters ben ik al ingegaan. De 
verboden die vermeld staan in de 
artikelen 151a en 442a aan de ene 
kant en de artikelen 1 51 b en 1 51 c 
aan de andere kant, passen goed 
naast elkaar. Het opnemen van een 
pleegkind, niet ouder dan 6 maanden 
of het daartoe bemiddelen zonder 
toestemming van de Raad voor de 
kinderbescherming - de artikelen 
151 a en 442a -is strafbaar. De 
Raad voor de kinderbescherming 
bemiddelt daarbij niet en in de nu 
voorgestelde bepalingen gaat het 
wel om bemiddeling. 

Voorzitter! De heer Schutte heeft 
gesproken over het draagmoeder– 
schap in het algemeen. Daarop ben 
ik reeds ingegaan. Dat geldt ook 
voor de vragen over de voorlichting 
door de Raad voor de kinderbe– 
scherming. 

Als een vrouw een verklaring van 
een arts overlegt dat zij zwanger is dit 
naar aanleiding van het oude 
wetsvoorstel - of reeds een kind ter 
wereld heeft gebracht, dan bestaat 
het huwelijksbeletsel van de leeftijd 
van 18 jaar niet meer. Als die 16- of 
17-jarige vrouw vervolgens in het 
huwelijk treedt, wordt zij door het 
huwelijk meerderjarig. Dan is 
meerderjarigverklaring inderdaad 
niet meer nodig. 

Mevrouw Soutendijk stemde in, 
waarvoor dank, met de doelstelling 
van het wetsvoorstel en de gekozen 
opzet voor de strafbepalingen met 
betrekking tot het niet strafbaar zijn 
van het draagmoederschap. Voor 
alle duidelijkheid, dat betekent niet 
het tot normaal verklaren van het 
draagmoederschap als zodanig. 

Wat de in-vitrofertilisatie betreft, 
meldde mevrouw Soutendijk 
medische praktijken waarbij men 
ernaar neigt of zelfs ertoe is 
overgegaan om gebruik te maken 
van draagmoeders, naar zij zei zelfs 
met medeweten van de inspecteur 
voor de volksgezondheid. Zij vroeg of 
ik dat wil nagaan, naar ik aanneem in 
samenwerking met de staatssecre– 
taris van WVC, om de uitgangs– 
punten van onze wetgeving en de 
vergunningstelsels die daarvoor zijn 

ingevoerd te bewaken. Het 
Planningsbesluit in-vitrofertilisatie 
houdt inderdaad in dat het protocol 
voor in-vitrofertilisatie zodanige 
bepalingen dient te bevatten dat 
uitsluiting van handel in eicellen en 
van eiceldonatie plaatsvindt voor 
zover in combinatie met draagmoe– 
derschap. Dat betekent dat het type 
praktijken zoals mevrouw Soutendijk 
schetste niet strookt met deze richt– 
lijnen. Wij zullen graag nagaan - ik 
zal daarover contact opnemen met 
de staatssecretaris van WVC - of 
zich inderdaad situaties voordoen 
zoals mevrouw Soutendijk heeft 
aangeduid en, nadat dit is gebeurd, u 
over de bevindingen daarvan infor– 
meren. 

De heer Van den Berg heeft 
gevraagd wanneer de wetsvoor– 
stellen over donorgegevens bij 
kunstmatige inseminatie en fertilisa– 
tietechnieken tegemoet kunnen 
worden gezien. Het wetsvoorstel 
over de donorgegevens is op 22 
januari jl. voor advies naar de Raad 
van State gegaan. Zodra dat advies 
er is en besluitvorming daarover 
heeft plaatsgevonden, kunt u dat 
wetsvoorstel verwachten. Wat de 
fertilisatietechnieken betreft, moeten 
wij naar geldend recht een aantal 
adviesmstanties raadplegen, die 
daarvoor een redelijke termijn moet 
worden gegund. Desalniettemin 
meen ik erop te mogen rekenen dat 
wij in de loop van dit jaar dit 
wetsvoorstel aan de Raad van State 
kunnen voorleggen. 

De heer Van den Berg heeft ook 
gevraagd, om redenen die ik mij zeer 
goed kan voorstellen, hoe deze 
kwestie internationaal is geregeld. Bij 
dit soort onderwerpen moeten wij 
inderdaad zeer op onze hoede zijn 
voor de risico's van het even over de 
grens gaan om als het ware te 
winkelen in verschillende rechts– 
stelsels. In het kader van de Raad 
van Europa worden dit onderwerp en 
deze invalshoek bij de regeling van 
medisch-ethische vraagstukken bij 
voortduring behartigd door de verte– 
genwoordigers van justitie in de 
overleggremia die resoluties en 
standpuntbepalingen voorbereiden. 
Wij proberen dat zoveel mogelijk in 
Europees verband te ondersteunen. 
Ik heb daarvoor ook zelf in vergade– 
ringen van de ministers van justitie 
van de Raad van Europa aandacht 
gevraagd. 

Over het verbod van draagmoeder– 

Commercieel 
draagmoederschap/Meerderjarigver– 17 februari 1993 
Tweede Kamer klaring TK 50 50-3705 


Hirsch Ballin 

schap heb ik reeds gesproken. De 
houding van het openbaar ministerie 
zal overeenkomstig de doelstellingen 
van het wetsvoorstel zijn. 

De hoofdpunten van het betoog 
van mevrouw Brouwer betroffen de 
kwestie van de strafbepalingen. Zij 
vroeg ook naar het voorbeeld van 
een vrouw die in een discussiepro– 
gramma via de media bekend zou 
maken dat zij bereid zou zijn zich in 
een voorkomend geval als draag– 
moeder beschikbaar te stellen. Ik 
ben daarop ingegaan in de nota naar 
aanleiding van het eindverslag op 
bladzijde 7. Ik heb nu eigenlijk niets 
toe te voegen aan mijn antwoord 
daarop, dus misschien mag ik 
daarnaar verwijzen. 

Mevrouw Swildens heeft gevraagd 
of ik instem met de zienswijze dat 
het beter is dat bij kunstmatige 
inseminatie de hulp van een arts 
wordt ingeroepen dan dat dit in 
eigen beheer geschiedt. Het 
antwoord daarop is "ja". Ik had wat 
moeite met het volksgezondheidsar– 
gument met betrekking tot de 
natuurlijke weg, omdat dat ons, 
consequent doorgedacht, tot heel 
vreemde standpunten zou moeten 
brengen. Maar ook in verband met 
de voorbereiding van wetgeving op 
het gebied van de kunstmatige 
inseminatie zijn collega Simons en ik 
van oordeel, dat wij ons tevens 
moeten keren tegen beunhazerij op 
dit gebied. 

D 

De heer Kohnstamm (D66): 
Voorzitter! Allereerst dank ik de 
minister van Justitie voor zijn geser– 
reerde maar niettemin redelijk 
complete reactie op althans mijn 
inbreng in eerste termijn. Ik stel tot 
mijn grote spijt vast dat ik de 
minister met mijn inbreng niet heb 
kunnen overtuigen van de juistheid 
van mijn zienswijze. Ik had dat, 
eerlijk gezegd, ook niet geheel 
verwacht. 

Wat opvallend is in het antwoord 
van de minister, is uiteraard het 
eerste deel van zijn inbreng. Daarin 
zei hij: de belangrijkste achtergrond 
voor dit wetsvoorstel is het 
tegengaan van de verzakelijking van 
de rol van de vrouw bij het krijgen 
van kinderen (reductie tot 
baarmoeder). Dat is aardig, omdat 
de plenaire behandeling kennelijk 
aanleiding geeft tot een totaal 

nieuwe motivatie voor het 
wetsvoorstel. Ik heb namelijk, 
althans in de vluchtigheid die de 
voorbereiding van een tweede 
termijn noodzakelijkerwijs met zich 
brengt, gekeken naar de memorie 
van toelichting onder "Algemeen" 
(bladzijden 1 en 2). Daarin zijn de 
gronden weergegeven waarop het 
wetsvoorstel berust. Bij de tekst 
achter de vier liggende streepjes 
komt als hoofdachtergrond van het 
wetsvoorstel overal het belang van 
het kind naar voren en niet het 
gewenste verzet tegen de verzake– 
lijking tot de vertaling "de vrouw is 
uitsluitend baarmoeder". Het kan 
overigens niet worden ontkend dat 
beide argumenten tot de discussie 
van vandaag hebben geleid. Ik stel 
wel vast dat de minister mij op een 
ander been zet dan hij in de schrifte– 

lijke voorbereiding had gedaan. Dat 
kan echter geen kwaad, want daar is 

het plenaire debat nu juist voor 

bedoeld. 

Met mijn interruptie hoop ik 
duidelijk te hebben gemaakt dat ik 
het van ganser harte eens ben met 
de doelstelling van de minister, ook 
als het gaat om het tegengaan van 
de verzakelijking. In die interruptie is 
ook naar voren gekomen dat er een 
tegenstelling kan bestaan tussen aan 
de ene kant dat streven en aan de 
andere kant het streven naar een 
grote zelfstandige beoordelingsbe– 
voegdheid van de vrouw of de 
wensouders in kwestie. Ik volg de 
door de minister gemaakte afweging 
graag als het om het commerciële 
deel gaat. De minister noemde dat, 
in mijn woorden gezegd, de 
uitwassen van de verzakelijking. 

Ik volg de minister echter niet in 
zijn stelling dat er ook sprake is van 
verzakelijking als het draagmoeder– 
schap uit ideële motieven plaats– 
vindt. Met mijn kennis van zaken, in 
de dubbele betekenis van het woord, 
geloof ik daar niets van. Ik vind dat 
de minister de praktijk op dit punt, 
voor zover ik die heb waargenomen, 
onrecht aandoet. Ik noem bijvoor– 
beeld iemand die na veel wikken en 
wegen zegt: het is juist dat vrienden 
van vrienden van vrienden of, in zijn 
algemeenheid, een mannelijk 
homostel geen kinderen kunnen 
krijgen; als zij dat nu zo ontzettend 
graag willen, dan ben ik bereid om 
voor hen een kind te baren. Dan 
staat dat voor mijn gevoel zo ver af 
van het woord "verzakelijking", dat ik 

vind dat de wetgeving zich met die 
zeer genuanceerde praktijk niet moet 
inlaten, maar alleen maar daar waar 
die verzakelijking vormen aanneemt 
die volstrekt onaanvaardbaar zijn, 
zoals het commercieel draagmoeder– 
schap en het voorbeeld dat ik 
vanochtend uit de Amerikaanse 
contractuele praktijk heb gegeven. Ik 
accepteer en respecteer het oordeel 
van de minister op dat punt, maar ik 
kies een andere weg waar het gaat 
om het ex cathedra veroordelen van, 
noem het maar, de naastenliefde van 
sommigen die zeggen: zo wil ik dat 
mijn wereld eruitziet en daarvoor ben 
ik bereid om een kind te baren. Er 
zijn vrouwen die zeggen: ik heb twee 
kinderen, maar ik heb het zwanger 
zijn en het baren enig gevonden, dus 
ik wil dat dolgraag nog een keer 
doen, ook al heb ik niet zo'n 
behoefte aan nog een kind. Er zijn 
anderen die dat wel hebben. 
Waarom zou je daar op enigerlei 
wijze het stempel van morele veront– 
waardiging op zetten en er ten dele 
de strafrechter bij halen om ervoor 
te zorgen dat het niet gebeurt? Ik 
voel daar heel weinig voor. Op dat 
punt handhaaf ik de lichte 
nuancering - naar mijn gevoel is het 
dat - die is neergelegd in de 
amendementen met betrekking tot 
het voorliggende wetsvoorstel. 

Hoewel de minister het niet heeft 
gezegd, beklemtoon ik dat, als die 
amendementen zouden worden 
gehandhaafd en aangenomen, er 
geen sprake van kan zijn dat een 
meerderheid van de Kamer zich voor 
verzakelijking van die relatie 
uitspreekt. De minister heeft dat niet 
gesuggereerd, maar in de intensiteit 
van zijn stellingname kan dat gevoel 
licht ontstaan. Namens de Raad van 
State wil ik maar gezegd hebben, dat 
daar natuurlijk geen sprake van is. 
Het intitulé van het wetsvoorstel 
heeft ook betrekking op het 
tegengaan van commercieel draag– 
moederschap. Waar het gaat om de 
openbaarmaking van je wens om 
draagmoeder of wensouder te 
worden - ik had het schertsend over 
het misbruik maken van de strafwet– 
gevende bevoegdheid in de sfeer van 
détournement de pouvoir, maar ik 
wist niet of dat bestond en daarom 
keek ik de minister ook aan - is dat 
dus echt een foute weg. 

In de discussie is het bijna niet aan 
de orde geweest, maar ik kan mij 
niet aan de indruk onttrekken, mede 

Commercieel 
draagmoederschap/Meerderjarigver– 17 februari 1993 
Tweede Kamer klaring TK50 50-3706 


Kohnstamm 

dankzij de interventie van de heer 
Van den Berg, dat als je je zo verzet 
tegen het draagmoederschap - in die 
zin dat er op onderdelen strafbaar– 
heidstellingen uit naar voren komen, 
dat het bemiddelen en begeleiden 
niet tot de mogelijkheden behoort en 
dat het adverteren niet tot de 
mogelijkheden behoort - daar een 
bevoordeling uit volgt van degenen 
die getrouwd zijn en of heterosek– 
sueel samenwonen en medisch in 
staat zijn om kinderen te krijgen. 
Omdat mij dat ook een belang lijkt in 
deze samenleving, acht ik de strafbe– 
palingen zoals die voorliggen net een 
stap te ver. 

Ten slotte een hartekreet. Wij 
zouden nog eens uitvoerig, niet aan 
de hand van de strafwet, maar in de 
sfeer van de volksgezondheid ter 
zake moeten doorpraten. Wat dat 
betreft ben ik het met mevrouw 
Soutendijk eens, dat wij ook moeten 
doorpraten over de vraag, in 
hoeverre wij kunnen communiceren 
over het feit dat het niet noodzakelijk 
is om kinderen te krijgen om voor 
"volwaardig" te worden aangezien in 
deze samenleving. Die achtergrond 
zit ook in deze discussie. Hoewel ik 
nu de pleitbezorger ben van degenen 
die overigens kinderen willen krijgen 
en dat op de "natuurlijke" weg niet 
kunnen, ben ik er tegelijkertijd zeer 
van overtuigd dat je die andere weg 
ook niet moet gaan. Daar vragen wij 
soms te weinig aandacht voor. 

D 

De heer Leerling (RPF): Voorzitter! 
Ik dank de minister voor de heldere 
beantwoording. Het was mij echter 
wel iets waard geweest als hij meer 
aandacht had geschonken aan de 
door mij genoemde mogelijkheden 
om het draagmoederschap als 
zodanig te verbieden. In eerste 
termijn en ook bij interruptie heb ik 
erop gewezen dat de minister tijdens 
de schriftelijke voorbereiding op zijn 
minst de indruk heeft gewekt dat hij 
die route wel zou willen volgen, maar 
dat hij geen kans zag om een 
adequaat handhavingssysteem te 
ontwerpen. Is de minister het met 
mij eens dat wanneer hij die weg wel 
zou willen bewandelen, de door mij 
geschetste route begaanbaar is, dat 
een verbod wel mogelijk is? 

De minister heeft gezegd dat het 
hem er voor alles om gaat, de verza– 
kelijking van het moederschap te 

voorkomen, waarbij de moeder 
wordt gedegradeerd tot baarmoeder. 
Daar ben ik het volstrekt mee eens. 
Ik steun het wetsvoorstel dat ertoe 
strekt het commercieel draagmoe– 
derschap te bestrijden dan ook van 
harte. De minister heeft er echter op 
gewezen dat er ideële motieven zijn 
die het fenomeen "draagmoeder– 
schap" als het ware rechtvaardigen 
en dat het niet gepast is daar straf– 
bepalingen voor te stellen. 
Voorzitter! In de schriftelijke voorbe– 
reiding wordt de term "niet gewenst" 
gebruikt. Ontmoedigen kan worden 
uitgelegd als niet aanmoedigen. 
"Niet gewenst" houdt naar mijn 
mening de kwalificatie in dat het niet 
zou moeten gebeuren. Waarom 
wordt het draagmoederschap niet 
verboden? Als er sprake is van ideële 
motieven kan de rechter toch 
beslissen van strafvervolging af te 
zien? 

De minister heeft gezegd dat het 
wetsvoorstel inzake de afstandsver– 
klaring helder is geformuleerd. Ik 
vraag mij dat af. Uit de praktijk van 
alledag bereiken mij berichten dat dit 
niet het geval is. Vandaar mijn 
vragen in eerste termijn inzake de 
rechtsgeldigheid. De Indruk wordt 
gewekt dat de verklaring rechtsgel– 
digheid heeft, terwijl dat niet zo is. 
Dit kan misverstanden en mogelijk 
ook misbruik tot gevolg hebben. Is 
de minister bereid, ervoor zorg te 
dragen dat het voor een ieder die 
hierbij betrokken raakt, duidelijk is 
wat de status van zo'n verklaring is? 

D 

Mevrouw Terpstra (VVD): 
Voorzitter! Ik dank de minister voor 
zijn heldere beantwoording. Ondanks 
dat, sta ik hier met gemengde 
gevoelens. De minister is onvol– 
doende ingegaan op de vraag die wij 
als liberalen hebben gesteld of het 
de overheid wel past zich op dit punt 
een oordeel aan te meten. Ik ben het 
met de minister eens dat het gaat 
om de integriteit en de fysieke 
waardigheid van mensen. Daarbij is 
het individuele zelfbeschikkingsrecht 
van mensen aan de orde. Ik wil in dit 
verband liever over individuele 
vrijheid spreken. De minister is daar 
overigens met geen woord op 
ingegaan. 

De minister is wel uitgebreid 
ingegaan op de verzakelijking van de 
rol van de vrouw. Ik plaats dit in de 

categorie van het verbod op 
commercieel draagmoederschap met 
alles wat hierbij aan de orde is. Over 
dit laatste zijn de minister en ik het 
volstrekt eens. Ook wij vinden straf– 
baarstelling een middel om het in het 
openbaar aanbieden of vragen van 
commerciële diensten te bestrijden. 

Als wij het echter hebben over de 
integriteit en de fysieke waardigheid 
van mensen ten aanzien van de 
ideële grondslag van het draagmoe– 
derschap, dan staan wij toch voor 
een dilemma. Ik heb bij de afweging 
of het openbaar aanbieden of vragen 
van ideële diensten strafbaar gesteld 
dient te worden, het belang van het 
kind node gemist. Ik heb in eerste 
termijn in dit verband het artikel van 
prof. Sluyters aangehaald. Zelfs als 
je tot de conclusie komt dat in het 
kader van artikel 7 van de Grondwet 
de beperking van de grondrechten 
van de vrije meningsuiting geboden 
is in het kader van het ontmoedi– 
gingsbeleid, dan nog kun je de ogen 
niet sluiten voor het feit dat het 
verschijnsel draagmoeder een 
maatschappelijke realiteit is. Wij 
hebben in eerste termijn bijna 
kamerbreed gevraagd naar de 
controle op de handhaafbaarheid van 
het strafbaar stellen van het in het 
openbaar plaatsen van de Opzij'tjes. 
Mevrouw Brouwer had het zelfs over 
de agent die over de schouder van 
Ciska Dresselhuys heen zou kijken. Ik 
heb ook de oneindige creativiteit van 
mensen genoemd, die zonder enige 
twijfel als gevolg van dit 
wetsvoorstel zal maken dat in een 
ander jargon of een andere code 
hetzelfde wordt nagestreefd. Mijn 
vraag is daarom of de minister wil 
ingaan op het gevaar dat hierbij kan 
ontstaan, dat men afglijdt naar het 
illegale circuit. Ik vraag dit in het 
kader van het belang van de volksge– 
zondheid en het belang van het kind, 
bijvoorbeeld in geval een kind 
gehandicapt geboren zou worden en 
in het ergste geval door de 
wensouders geweigerd en door de 
draagmoeder niet geaccepteerd zou 
worden. 

De leden Kohnstamm en Brouwer 
hebben in het amendement op stuk 
nr. 10 geprobeerd om een modus te 
vinden voor die gevallen waarbij het 
gaat om bemiddeling door de Raad 
voor de kinderbescherming - die een 
rol speelt in de hele adoptiepro– 
cedure - in geval van een ideëel 
draagmoederschap en het 

Commercieel 
draagmoederschap/Meerderjarigver– 17 februari 1993 
Tweede Kamer klaring TK50 50-3707 


Terpstra 

begeleiden ervan. Zou dit geen 
ultimum remedium kunnen zijn om 
het afglijden naar het illegale circuit 
zoveel mogelijk tegen te gaan? Ik 
vraag dit ook weer in het belang van 
zowel het kind als de wensouders en 
de draagmoeder. Voor ons is het 
antwoord hierop uitermate 
belangrijk. Het gaat om de afweging 
tussen zelfbeschikking in het kader 
van de individuele vrijheid enerzijds 
en het grondrecht van de vrije 
meningsuiting anderzijds, alsmede 
om de beperking van individuele 
vrijheid waar dit de vrijheid van een 
ander belemmert. Het antwoord van 
de minister zal uiteindelijk ons 
stemgedrag ten aanzien van het 
amendement op stuk nr. 10 bepalen. 

D 

De heer Schutte (GPV): Mijnheer de 
voorzitter! Ik dank de minister voor 
zijn beantwoording. Hij zei op een 
gegeven moment dat er waarden zijn 
in onze rechtsstaat waarvan we niet 
accepteren dat hier vrijwillig afstand 
van wordt gedaan. Dit lijkt mij een 
zeer goede stellingname. Onder deze 
waarden zou ik in dit verband willen 
rekenen dat kinderen geboren 
behoren te worden binnen het kader 
van het huwelijk van man en vrouw. 
In die zin staat de stellingname van 
mij en van de regering niet 
tegenover elkaar. Ik hecht er echter 
wel aan om die toespitsing te geven, 
omdat juist in een zaak waarin wij er 
waarde aan hechten, te voorkomen 
dat een klimaat ontstaat waarin het 
draagmoederschap als normaal 
verschijnsel gaat gelden, er ook 
helderheid bestaat over onze 
uitgangspunten. 

Van verschillende kanten is het 
zelfbeschikkingsrecht in het geding 
gebracht. Nu zal men mij er niet van 
verdenken dat ik het zelfbeschik– 
kingsrecht als uitgangspunt hanteer 
en bovendien meen ik dat de 
Grondwet niet zo gelezen behoort te 
worden dat deze daarop gebaseerd 
zou zijn. Maar zelfs als in deze 
discussie wordt uitgegaan van het 
zelfbeschikkingsrecht, zal men er 
toch rekening mee moeten houden 
dat er altijd een derde in het geding 
is. Dus als het zelfbeschikkingsrecht 
een rol kan spelen, wordt het altijd al 
begrensd door de grondrechten, 
zoals mevrouw Terpstra zei, en is er 
bovendien een derde in het geding 
waarvan bescherming door overheid 

en wetgeving gerechtvaardigd is. 

Ik steun ook het onderdeel van het 
wetsvoorstel dat gaat over het 
openbaar maken, dus het adverteren. 
In de schriftelijke voorbereiding is er 
terecht al op gewezen dat het 
plaatsen van dit soort advertenties 
bijdraagt aan een klimaat waarin 
draagmoederschap als een min of 
meer normaal verschijnsel gaat 
gelden. Naar mijn mening zal het 
maken van een onderscheid tussen 
commercieel en ideëel handelen, zo 
dit al relevant zou zijn, heel moeilijk 
te maken zijn. ledere advertentie zal 
immers heel ideëel klinken, hetgeen 
echter niemand verhindert om er, als 
er eenmaal een eerste contact is 
gelegd, een zeer commercieel tintje 
aan te geven. Alleen al om die 
praktische reden is het heel goed dat 
het adverteren zonder meer wordt 
verboden en niet afhankelijk wordt 
gemaakt van de vraag of het bij 
eerste kennisneming een ideëel of 
een commercieel tintje draagt. 

D 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): Voorzitter! De minister 
heeft de vragen die ik in eerste 
termijn heb gesteld, voldoende 
beantwoord. Ik heb dan ook geen 
behoefte aan een tweede termijn. 

D 

Mevrouw Brouwer (Groen Links): 

Voorzitter! Ik dank de minister voor 

zijn antwoord. 

Ik moet zeggen dat het toch een 
interessante discussie wordt als het 
gaat om de kern van het 
wetsvoorstel. Met de heer 
Kohnstamm was mij opgevallen dat 
de verzakelijking van de vrouw en 
het kind niet genoemd was in de 
motivering van het wetsvoorstel. Ik 
vind het echter een goede zaak dat 
dit nu sterk in de discussie wordt 
betrokken; ik heb daar, hoop ik, aan 
bijgedragen. Over deze verzakelijking 
wil ik een paar dingen zeggen. 

Allereerst zal ik mijn eigen onder– 
bouwing nader motiveren, omdat ik 
van mening ben dat dit toch wel van 
belang is. In mijn eerste termijn heb 
ik gezegd dat vormen van draagmoe– 
derschap - ik heb dat bewust heel 
breed gemaakt - in de geschiedenis 
in diverse culturen veel zijn voorge– 
komen. Ik heb daarbij ook vormen 
genoemd die andere mensen 
absoluut niet zouden zien als een 

vorm van draagmoederschap. Daar 
kan dan ook een ander woord voor 
gevonden worden. Het gaat erom dat 
ik heb aangegeven dat er in de loop 
van de geschiedenis relaties zijn 
ontstaan, al of niet afgedwongen, 
louter en alleen gericht op de voort– 
plantingsfunctie van de vrouw. Het 
komt bijvoorbeeld voor dat de eerste 
vrouw te oud is om een kind te 
krijgen en aan de kant wordt gezet, 
waarna een tweede vrouw wordt 
"aangeschaft" met als oogmerk het 
krijgen van nakomelingen. Dat zie ik 
als een verzakelijking van de relatie, 
want het is louter en alleen gericht 
op de voortplantingsfunctie. 

Als ik hier nader op ondervraagd 
zou worden, net zo goed als ik de 
minister nader zou kunnen onder– 
vragen over wat nu precies de verza– 
kelijking van een relatie is, dan moet 
ik zeggen dat ik deze maatschappe– 
lijke ontwikkeling afwijs. Het gaat om 
de ontwikkeling waarin een vrouw en 
een kind tot object gemaakt kunnen 
worden; zij worden dan puur en 
alleen teruggebracht tot de functie 
van voortplantingsmiddel of 
nakomeling. Deze ontwikkeling wijs 
ik af omdat zij leidt tot het onderge– 
schikt maken van de belangen van 
vrouw en kind. Deze ontwikkeling 
wijs ik af in al haar breedheid. Maar 
dat betekent nog niet dat ik als 
medewetgever van een individuele 
relatie mag en kan zeggen dat het 
een verzakelijkte relatie is. 

Om het iets concreter te zeggen, 
ik kan wel zeggen dat het vaak 
voorkomt dat de eerste vrouw aan de 
kant wordt gezet, omdat zij niet meer 
voldoet aan de eisen van de man, 
bijvoorbeeld omdat zij geen zoon kan 
baren. Ik vind dat een verzakelijkte 
relatie en wijs die af, maar de goede 
man kan op mijn kritiek wel zeggen 
dat het liefde op het eerste gezicht 
is. Wie heeft er dan gelijk? Dan 
zitten wij met de vraag van de inter– 
pretatie van de individuele relatie. 
Daarom heb ik ook gezegd dat wij 
voorzichtig moeten zijn, niet met een 
oordeel geven over bepaalde 
maatschappelijke ontwikkelingen, 
want ik vind dat een politieke partij 
en de medewetgever dat moeten 
doen, maar wel met het plaatsen van 
een individuele relatie in dat kader. 
Dat is nu precies de spanning die in 
dit wetsvoorstel gaat optreden. 

Laat ik hiervan een riader 
voorbeeld geven. Bij commercieel 
draagmoederschap wordt een 

Commercieel 
draagmoederschap/Meerderjarigver– 17februari 1993 
Tweede Kamer klaring TK50 50-3708 


Brouwer 

commerciële relatie aangegaan met 
als doel het krijgen van een kind. In 
deze discussie verdwijnt overigens 
helemaal dat de wensvader meestal 
de biologische vader is, wat iets 
anders is dan bij het adopteren van 
een kind. Er is ook een biologische 
vader in het spel. Als er sprake is van 
handel en geld, kun je deze relatie 
beschouwen als een verzakelijkte 
relatie, die je niet gewenst acht. Die 
moet je verbieden en daar moet je 
een grens stellen. 

De discussie spitst zich toe op de 
situatie dat de vrouw zegt dat zij er 
best voor voelt om draagmoeder te 
zijn voor een of twee mensen die 
heel graag een kind zouden willen 
hebben, omdat zij het gevoel heeft 
dat zij daarmee een goede daad 
verricht, en dat kenbaar wil maken in 
een of ander blad. Dan vind ik niet 
dat ik als medewetgever kan zeggen 
dat dit een verzakelijkte relatie is, 
want daarmee treed ik in de 
motieven van de vrouw. Ik vind niet 
dat verzakelijking helemaal los kan 
staan van de interpretatie van de 
vrouw die hierbij betrokken is. Als 
dat wel het geval is, gaat de 
overheid erg ver, want dan geeft zij 
een oordeel over individuele relaties, 
en dat vind ik een stap te ver gaan. 

Mevrouw Terpstra (VVD): Ziet 

mevrouw Brouwer hier een analogie 

met het zijn van zaaddonor om niet, 
vanuit altruïstische ideeën en om 
iemand gelukkig te maken, of ziet zij 
een principieel verschil? 

Mevrouw Brouwer (Groen Links): In 
bepaalde opzichten kun je het op 
één lijn stellen, omdat de sperma– 
donor en de vrouw die wel zwanger 
wil worden, andere mensen de 
mogelijkheid bieden om met hun 
hulp een kind te krijgen. In dat 
opzicht is het gelijk, maar de 
emotionele kant ervan vind ik 
verschillend. Zwanger zijn en het 
baren van een kind vind ik nog iets 
anders dan sperma afstaan. Er zijn 
zoveel verschillen tussen dat ik dit 
niet in alle opzichten op èén lijn wil 
stellen, maar in juridisch opzicht zou 
je kunnen zeggen dat er sprake is 
van vergelijkbaarheid. 

Voorzitter! Onze conclusie is dat je 
de grens moet trekken bij commer– 
cieel draagmoederschap. Dat moet 
je verbieden en daarop wordt het 
strafrecht met dit wetsvoorstel 
terecht van toepassing gemaakt. Als 

het echter gaat om het niet-commer– 
cieel draagmoederschap moet er wel 
voor gezorgd worden dat het in 
goede banen wordt geleid en dat er 
mogelijkheden zijn voor profes– 
sionele begeleiding door de Raad 
voor de kinderbescherming of een 
andere daartoe geëigende instelling. 
Hoe onwenselijk men het zelf 
misschien ook mag vinden, men mag 
het verschijnsel niet in de taboesfeer 
drukken. Daardoor kan men immers 
andere, ongewenste, bijverschijn– 
selen krijgen. Dat aspect van het 
wetsvoorstel, de openbaarmaking en 
bemiddeling van niet-commercieel 
draagmoederschap, wordt naar onze 
mening ten onrechte onder het straf– 
recht gebracht. Wij zijn het dus over 
veel eens. Waar het echter deze 
onderdelen van het wetsvoorstel 
betreft, zullen wij daaraan onze 
steun niet geven. 

Ik heb de nota naar aanleiding van 
het eindverslag nagekeken naar 
aanleiding van de opmerking van de 
minister over openbaarmaking door 
middel van een televisie– of radio– 
programma. Ik begrijp inderdaad dat 
het niet onder het wetsvoorstel valt 
als een vrouw in een programma 
zegt zich voor te kunnen stellen 
draagmoeder te zijn. Men is dan niet 
strafbaar, want het gedrag moet 
echt op werven gericht zijn. Dat is 
iets anders dan een mededeling in 
een programma doen. Ik denk dat dit 
verstandig is en dat het ook 
belangrijk is dat dit helder wordt 
vastgesteld. Ware dit wel het geval, 
dan was dit voor ons helemaal een 
ontoelaatbare inperking van de 
vrijheid van meningsuiting, die geen 
doel dient bij dit wetsvoorstel. 

D 

Mevrouw Swildens-Rozendaal 
(PvdA): Mijnheer de voorzitter! Ik wil 
de minister bedanken voor zijn 
uitvoerige antwoord. Zijn antwoord 
was in die zin uitvoerig dat het niet 
erg lang duurde, maar in de diepte 
opnieuw aangegeven werd wat de 
achtergrond van dit wetsvoorstel is. 

Ik vond de uiteenzetting van de 
minister heel verhelderend waar hij 
aangaf dat het met name gaat om 
het tegengaan van de verzakelijking 
van de rol van de vrouw. De zaak 
was in de schriftelijke behandeling 
nog niet eerder op deze manier 
belicht. De minister zegt dat dit 
probleem niet geldt als iemand op 

persoonlijke basis, bijvoorbeeld voor 

vrienden, een kind wil baren. Dan 

komen wij ogenblikkelijk aan de 

grenzen van wat wij willen regelen. 

Wij willen het strafrecht gebruiken 
en inzetten door strafbaar te maken 
wat nu precies in de sfeer van verza– 
kelijking ligt. Aan de ene kant is het 
uitgangspunt van dit wetsvoorstel 
om, zoals de minister het zegt, de 
hardste vorm van verzakelijking van 
de rol van de vrouw aan te pakken, 
namelijk het commercieel draagmoe– 
derschap. Aan de andere kant wil het 
strafrecht helemaal wegblijven uit de 
persoonlijke sfeer, waarbij gedacht 
wordt aan het draagmoeder zijn en 
willen zijn voor mensen in de directe 
relatie en omgeving. Daar is de 
fractie van de Partij van de Arbeid 
het van harte mee eens. 

Je komt dan wel in de vanmiddag 
gevoerde discussie terecht over het 
dilemma, het probleem dat je alles 
wat tussen die twee uitersten in ligt 
juist wel of juist niet strafrechtelijk 
zou willen regelen. Ik denk bijvoor– 
beeld aan de situatie die door 
mevrouw Brouwer is geschetst, 
waarbij het gaat om iemand die om 
persoonlijke en ideële motieven 
draagmoeder zou willen zijn maar de 
directe wensouders niet kent. Ik heb 
in mijn eerste termijn al gezegd dat 
dit een probleem is dat mijn fractie 
ook heeft erkend. Het probleem van 
strafbaarstelling en een verbod voor 
iedere openbaarheid en iedere 
openbaarmaking op die manier, 
maakt dat soort vormen volgens het 
wetsvoorstel in ieder geval niet 
mogelijk. Het niet stellen van een 
verbod leidt echter ook tot een 
aantal voor ons onoverkomelijke 
bezwaren. In de discussie kwam naar 
voren dat de motieven van de vrouw 
in aantal gevallen ook absoluut niet 
duidelijk zijn. Daar kunnen wij niet 
achterkomen. Mevrouw Brouwer 
heeft dat net nog gezegd. Het is heel 
tragisch voor die vrouwen die echt 
op goede, ideële gronden draag– 
moeder willen zijn. Maar omdat wij 
die motieven niet kennen, kunnen wij 
ook het omgekeerde niet vaststellen. 

Mevrouw Brouwer zei heel terecht 
dat wij als overheid niet in alle 
motieven willen treden. Zij gaf een 
aantal aardige voorbeelden. Voor 
onze fractie is dat een reden om dat 
verbod wel te handhaven in het 
voorstel. 

Ik heb het volgende argument ook 
al genoemd. Indien men het 

Commercieel 
draagmoederschap/Meerderjarigver– 17 februari 1993 
Tweede Kamer klaring TK50 50-3709 


Swildens-Rozendaal 

openbaar maken van dat soort 
gedragingen, voornemens en 
bereidheid niet verbiedt, verwachten 
wij dat er sprake kan zijn van een 
vorm van normalisering. Dat wil de 
fractie van de PvdA echter niet. 
Immers, het zou kunnen leiden tot of 
bijdragen aan een sfeer waarin het 
commerciële element meer naar 
voren treedt. Ik wijs op de 
gewenning. Dat heeft een zekere 
uitstraling in die zin dat het een 
ander op een idee brengt, iemand 
met misschien minder edele 
motieven. 

Wij willen het draagmoederschap 
als zodanig ook niet gemakkelijker 
maken. Dat brengt mij onmiddellijk 
bij het amendement van de heer 
Kohnstamm en mevrouw Brouwer. 
Daarin wordt bemiddeling door de 
Raad voor de kinderbescherming 
voorgesteld. Dat gaat mijn fractie te 
ver. Het bij elkaar brengen van de 
mensen, nee. Het volgende is echter 
wel een taak van die raad: adviseren, 
ondersteunen, begeleiden, helpen en 
misschien met beide benen op de 
grond zetten van degene die er te 
hoge verwachtingen van heeft bij 
onduidelijkheden over wensen van 
ouders en potentiële draagmoeders. 
Ik ben blij dat de minister dit ook 
met zoveel woorden heeft erkend. Ik 
heb genoteerd dat dit ook geldt in de 
gevallen dat er nog geen sprake is 
van zwangerschap. Nogmaals, het is 
heel belangrijk dat de raad die taak 
vervult. Immers, in concrete situaties 
van draagmoederschap in de 
praktijk, moet een en ander heel 
zorgvuldig verlopen. 

Mevrouw Brouwer (Groen Links): 
Wat het amendement beoogt, is heel 
eenvoudig: de Raad voor de kinder– 
bescherming valt niet onder de straf– 
bepaling van artikel 151b, lid 1. Het 
is bekend dat het hierbij niet gaat 
over bemiddeling in het algemeen, 
maar over de vraag of de raad in dit 
geval teweegbrengt of bevordert en 
dat kan heel breed geïnterpre– 
teerd worden - dat een draagmoeder 
rechtstreeks met een ander onder– 
handelt of afspraken maakt, etcetera. 
Met andere woorden, het gaat erom 
dat de Raad voor de kinderbe– 
scherming juist niet onder het straf– 
recht valt. Als u zegt dat u sommige 
dingen absoluut niet onder het straf– 
recht wilt laten vallen, moe'i u er 
mijns inziens ook niet voor zorgen 
dat er een situatie kan ontstaan 

waarin de raad wèl met deze strafbe– 
paling te maken krijgt. Laten wij dat 
dan ook niet doen. 

Mevrouw Swildens-Rozendaal 
(PvdA): Ik kan mij dat heel goed 
voorstellen, maar ingevolge de inter– 
pretatie van door het kabinet voorge– 
stelde artikel 151 b die vandaag in 
het debat is verwoord en die door de 
minister is bevestigd, is de Raad 
voor de kinderbescherming in al die 
situaties die u noemt, zoals 
advisering en begeleiding, ook 
absoluut niet strafbaar. Alleen is het 
bemiddelingsaspect dat ook 
onderdeel vormt van artikel 151b, 
voor zover dat bij een van de activi– 
teiten van de raad aan de orde is, 
wèl strafbaar. Dat willen wij niet 
opheffen en dat doet het 
amendement wel. 

Mevrouw Brouwer (Groen Links): Ik 
wil als medeondertekenaar van het 
amendement de indruk wegnemen 
dat dit amendement beoogt dat de 
Raad voor de kinderbescherming een 
soort uitzendbureau moet worden 
dat advertenties plaatst en dat vraag 
en aanbod bij elkaar brengt. Wat 
ermee beoogd wordt, is dat de Raad 
voor de kinderbescherming zonder 
enige belemmering zijn werk kan 
doen. 

Mevrouw Swildens-Rozendaal 
(PvdA): Maar als mevrouw Brouwer 
niet meer wil dan in feite de 
advisering en de begeleiding gestalte 
geven en als zij nu juist niet die 
koppelaarsfunctie wil vervullen, dan 
kan zij na de interpretatie die 
vandaag gegeven is op het voorstel 
dat door de regering is gepresen– 
teerd, met dat voorstel ook leven. 

Mevrouw Brouwer (Groen Links): 
Voorzitter! Dan blijft de vraag 
overeind, wat daar allemaal onder 
wordt verstaan. Hier wordt een 
nieuwe strafbepaling geïntroduceerd. 
Het komt mij voor dat je dat alleen 
moet doen als je precies weet waar 
je het over hebt. 

Mevrouw Swildens-Rozendaal 
(PvdA): De angst daarbij is, dat je 
daaronder ook kunt vangen die 
activiteiten die nu juist wel in de 
sfeer van bemiddeling liggen. Dat is 
mijn bezwaar. 

D 

Minister Hirsch Ballin : Mijnheer de 
voorzitter! Met dank voor de uitdruk– 
kelijke steun van mevrouw Swildens 
en de heren Leerling en Schutte en 
de stilzwijgende steun van mevrouw 
Soutendijk en de tekenen van enige 
steun van mevrouw Terpstra, wil ik 
graag ingaan op de bezwaren die 
nog naar voren zijn gebracht. Ik doe 
dat in de hoop om, als het niet de 
heer Kohnstamm èn mevrouw 
Brouwer mag zijn, dan toch minstens 
mevrouw Brouwer ervan te kunnen 
overtuigen dat we het niet alleen 
over de uitgangspunten maar ook 
over de uitwerking van de regeling 
van dit ontwerp eens kunnen zijn. Ik 
wil daarbij ook ingaan op hetgeen de 
heer Kohnstamm zei toen hij zijn 
tweede termijn begon met de 
terechte constatering dat ik de 
bedoeling had in mijn antwoord in 
eerste termijn, nog wat grondiger op 
de overwegingen achter deze 
wetgeving in te gaan dan in de 
stukken was gedaan. Daarmee heb ik 
zeker niets willen afdoen aan de 
argumenten die de Kamer in de 
stukken vond en waarin is gewezen 
op de mogelijke psychische 
problemen voor het kind vanwege 
vragen over de identiteit, voor de 
moeder, de vrouw van wie het kind 
gescheiden wordt en misschien ook 
voor de vrouw die het kind 
aanneemt, de risico's dat het kind in 
geval van een handicap of om welke 
reden dan ook, later niet gewenst 
blijkt te zijn, of de situaties waarin 
men aan beide kanten het kind wenst 
en op de risico's in verband met de 
druk daaromheen. 

Die overwegingen die men in de 
schriftelijke voorbereiding is tegen– 
gekomen en die de belangen 
betreffen van de vrouwen en van het 
kind, staan niet los van wat ik naar 
voren heb gebracht over de onwen– 
selijkheid, het niet passend zijn in 
onze rechtsorde die zich toch wil 
baseren op bescherming van mensen 
in hun integriteit, van het op de een 
of andere manier tot een normaal 
verschijnsel maken dat er zaken 
worden gedaan over het dragen van 
kinderen voor een ander; het 
reduceren dat daarin begrepen is van 
vrouwen, van moeders, tot hun rol 
van baarmoeder, op een manier die 
tot een verdere verharding van 
verhoudingen tussen mensen kan 
leiden en het reduceren van wat 

Commercieel 

draagmoederschap/Meerderjarigver– 17 februari 1993 
Tweede Kamer klaring TK50 

50-3710 


Hirsch Ballin 

menselijke relaties in de volle zin van 

het woord kunnen zijn. 

Wanneer daartegen wordt 
ingebracht dat men weliswaar aan 
de ene kant die nadelen voor 
mensen kan onderkennen maar dat 
er aan de andere kant toch zoiets als 
het zelfbeschikkingsrecht is, waarvan 
mevrouw Terpstra abusievelijk veron– 
derstelde dat ik daarover in eerste 
termijn niets zou hebben gezegd, 
dan wil ik nog wel iets zeggen over 
de manier waarop bij een onderwerp 
als dit, het zelfbeschikkingsrecht in 
het veld wordt gebracht. Natuurlijk 
geven wij in het recht op velerlei 
manier bescherming aan mogelijk– 
heden voor mensen om zelf te 
bepalen hoe zij in het leven willen 
staan. Mevrouw Swildens bracht 
terecht naar voren dat wij niet alles 
strafrechtelijk moeten willen regelen. 
Ook de heer Schutte begon zijn 
betoog met een vraag hierover. Wij 
moeten niet alles wat wij wenselijk 
of passend vinden, proberen met 
dwingende regels van mensen los te 
maken. Daar spelen overwegingen 
van eigen verantwoordelijkheid, die 
wij mede met grondrechten 
beschermen. Maar als wij de verne– 
derende, de ontmenselijkende 
aspecten van zo'n verzakelijkte 
relatie onder ogen ziend - zoals het 
onder druk zetten van mensen en het 
in de handel doen van zoiets intiems 
als het krijgen van kinderen - nog 
zeggen dat er aan de andere kant het 
zelfbeschikkingsrecht is, dan gaan 
wij naar mijn overtuiging uit van een 
verkeerde opvatting over wat het 
recht te doen staat in een rechts– 
staat. 

Mevrouw Brouwer (Groen Links): 

Dat is een beetje te abstract. 

De heer Kohnstamm (D66): Mag ik 
de minister een vraag stellen, 
voorzitter? 

De voorzitter : Het lijkt bij beter dat 
de minister eerst een toelichting 
geeft. 

Minister Hirsch Ballin : Ik heb naar 
voren gebracht dat het bij dit 
wetsvoorstel gaat om het bestrijden 
van de verzakelijking, in de eerste 
plaats in de harde vorm van 
commercialisering. Daarbij is mede 
een aangrijpingspunt in de strafrech– 
telijke regeling: openbare vraag en 
openbaar aanbod. Men kan daar 

tegenover stellen dat, als mensen 
over zichzelf beschikken en dat 
aanbod in het openbaar kunnen 
doen, daarmee het zelfbeschikkings– 
recht wordt uitgeoefend. De straf– 
baarstelling zou dan te ver gaan. 
Zo'n opvatting over het zelfbeschik– 
kingsrecht dreigt ertoe, de 
rechtsorde te maken tot een bestand 
tussen mensen op het punt waarop 
zij zo min mogelijk last hebben van 
elkaar. Het recht in een rechtsstaat 
heeft een verder reikende ambitie. 
Het recht heeft ook nog iets te 
maken met medemenselijkheid, 
waarin de ander een eigen waarde 
heeft. Dat moet soms ook door het 
recht worden beschermd, ook al zijn 
mensen bereid om contracten af te 
sluiten. 

De heer Kohnstamm (D66): 
Voorzitter! De minister van Justitie 
zegt dat op dit punt het zelfbeschik– 
kingsrecht niet zijn gang kan gaan en 
geen vertaling kan krijgen in het op 
enigerlei wijze niet strafbaar stellen 
van het ideële draagmoederschap, 
omdat het onder druk zou kunnen 
plaatsvinden. Dat was een van zijn 
hoofdargumenten. Dan zie ik 
absoluut niet hoe dat überhaupt in 
de praktijk kan of moet worden 
gebracht. Het onder druk zetten van 
een vrouw om draagmoeder te zijn, 
linksom of rechtsom, is volstrekt uit 
te sluiten. Het zal altijd vanult de 
innerlijke overtuiging van de vrouw 
zelf moeten komen - ideëel - om 
draagmoeder te willen zijn. Op het 
moment dat er iets anders aan de 
hand is, is er sprake van een situatie 
die in ieder geval wel de morele 
verontwaardiging teweeg zal 
brengen die de minister nu heeft ten 
aanzien van het normale ideële 
draagmoederschap. Druk wordt er 
niet uitgeoefend. 

Minister Hirsch Ballin : De heer 

Kohnstamm licht nu één argument 
uit de verschillende argumenten die 
ik naar voren heb gebracht. Ik heb 
gewezen op de situaties van druk. Ik 
heb ook gewezen op de problemen 
voor de betrokken vrouwen en voor 
het betrokken kind. Ik heb erop 
gewezen dat een verzakelijking van 
dit soort relaties niet past in onze 
rechtsorde. Ik heb aan de andere 
kant erkend dat er situaties zijn 
waarin het recht afstand moet 
houden van wat zich in de persoon– 
lijke sfeer afspeelt. Ik heb verdedigd 

dat dit een reden is om in de straf– 

baarstelling het openbare aanbod en 

de openbare vraag te begrijpen, 

uiteraard met als eerste doel om de 

commercialisering tegen te gaan 

maar zonder daarmee het in de 

aanbieding doen van zoiets persoon– 

lijks tot normaal te verklaren. 

Voorzitter! De heer Leerling heeft 
nog gesproken over de afstandsver– 
klaring. Het punt daarover moet 
helder zijn; dat ben ik met hem eens. 
Uit de praktijk bereiken ons 
overigens geen berichten waaruit 
zou blijken, dat zich op dit punt 
problemen voordoen. Het lijkt mij 
ook redelijk te veronderstellen, dat 
zij zich niet voor zullen doen. De 
afstandsverklaring vormt namelijk 
een goede basis voor de beslissingen 
die volgen. De procedure kan 
worden afgerond met de adoptie. 
Tenzij er dus sprake is van bewijzen 
waarmee het tegendeel wordt 
aangetoond, vind ik dat ik moet 
zeggen: die regeling zit niet alleen 
goed in elkaar, maar functioneert 
ook nog goed. 

Voorzitter! De vragen in tweede 
termijn concentreerden zich op de 
zelfbeschikking en op de scope van 
de strafbaarstelling. De vragen 
hierover zijn beantwoord. Mevrouw 
Terpstra heeft nog herinnerd aan de 
creativiteit van mensen. Wat zij zei, 
valt niet te ontkennen. Het is 
denkbaar, dat wij geconfronteerd 
zullen worden met fenomenen in 
onze samenleving waarvan wij zullen 
moeten zeggen: die komen neer op 
hetgeen waarop in deze regeling 
wordt gedoeld. De raden voor de 
kinderbescherming en andere 
instanties die hierbij betrokken zijn, 
zullen daarom waakzaam moeten 
blijven. Dat neemt niet weg dat het 
belangrijk is om deze voor de hand 
liggende patronen, die hier en daar 
worden gerealiseerd, op grond van 
deze wetgeving aan te pakken. 

Mevrouw Terpstra heeft ook 
gewezen op kwesties die het belang 
van het kind betreffen. Ik doe 
volstrekt niets af van hetgeen ik juist 
op dat punt in de schriftelijke 
voorbereiding naar voren heb 
gebracht. 

Voorzitter! Ik meen hiermee de 
vragen in tweede termijn te hebben 
beantwoord. 

Mevrouw Terpstra (VVD): 
Voorzitter! Ik dank de minister voor 
zijn antwoorden, maar hij heeft de 

Commercieel 
draagmoederschap/Meerderjarigver– 17 februari 1993 
Tweede Kamer klaring TK50 50-3711 


Hirsch Ballin 

vraag over het wegglijden naar het 
illegale circuit nog niet beantwoord. 
Ik heb ook gesproken over het 
mogelijk voorkomen van dat 
afglijden door het blijven bij straf– 
baarstelling voor het openbaar 
aanbieden van diensten, ook als het 
om ideële draagmoederschappen 
gaat. Verder heb ik in dit verband 
gesproken over een mogelijk uitge– 
breidere rol van de Raad voor de 
kinderbescherming of van de FIOM. 

Minister Hirsch Ballin : Voorzitter! 
De situatie van de Raad voor de 
kinderbescherming is goed weerge– 
geven. Mevrouw Swildens heeft 
daarover in tweede termijn ook nog 
gesproken. Ik meen dat wij het op dit 
punt met elkaar eens zijn. De raden 
voor de kinderbescherming worden 
niet belemmerd in het vervullen van 
hun adviserende en voorlichtende 
functie. Zij worden ook niet 
gehinderd als het gaat om het reali– 
seren van adoptie. Zij moeten wel 
alert blijven, onder andere als het 
gaat om het verschijnsel van het 
wegglijden naar het illegale circuit. 
Op een gegeven moment zal men 
met iets voor de dag moeten komen. 
Ik sluit niet uit, dat er een moment 
komt waarop wij iets onder ogen 
moeten krijgen wat daarover gaat. 
Toch meen ik dat de hoofdlijnen 
aangegeven zijn. 

De heer Kohnstamm (D66): 
Voorzitter! Ik heb toch nog een vraag 
over de Raad voor de kinderbe– 
scherming. Misschien zijn wij het 
daarover wel met elkaar eens, maar 
ik kan die overeenstemming niet echt 
ontwaren. In artikel 151b van het 
Wetboek van Strafrecht staat: 
"Degene die in de uitoefening van 
een beroep of bedrijf opzettelijk 
teweegbrengt of bevordert dat een 
draagmoeder of een vrouw die 
draagmoeder wenst te worden, 
rechtstreeks of middellijk met...". Het 
gaat dus om het opzettelijke teweeg– 
brengen of bevorderen dat een 
vrouw in contact komt met anderen 
dan wel door anderen begeleid 
wordt voor het worden van draag– 
moeder. Stel nu dat een vrouw zich 
tot de Raad voor de kinderbe– 
scherming wendt en zegt dat zij 
draagmoeder wil worden. Zij zegt 
verre kennissen te hebben die 
problemen hebben met het krijgen 
van kinderen en zij vraagt de mensen 
van de Raad voor de kinderbe– 

scherming of zij bereid zijn om het 
draagmoederschap, waarover nog 
geen definitieve afspraken zijn 
gemaakt en die nog ver in het 
verschiet ligt, te begeleiden en om 
haar te adviseren. Zij vraagt dus wat 
zij wel en wat zij niet moet doen. 
Valt een dergelijke vraag nu onder 
het gestelde in artikel 151 b van het 
Wetboek van Strafrecht? 

Minister Hirsch Ballin : In eerste 
termijn is bij interruptie hierover ook 
gesproken. Ik heb in mijn antwoord 
aangegeven dat de raden voor de 
kinderbescherming al in de vorige 
kabinetsperiode de aanwijzing 
hebben gekregen om afstand te 
nemen van draagmoederschapprak– 
tijken. Voor zover wij weten, doen ze 
dat ook. Ik mag niet iets anders 
aannemen. In de situatie die door de 
heer Kohnstamm wordt geschetst, is 
misschien enige twist mogelijk over 
de vraag of hierbij sprake is van het 
ondersteunen van een bemiddeling 
bij het tot stand komen van een 
niecige overeenkomst met betrekking 
tot het draagmoederschap of dat het 
gaat om het geven van informatie. 
Als dat zozeer op het randje ligt, 
moet aan de ene kant duidelijk zijn 
dat de Raad voor de kinderbe– 
scherming zich heeft te houden aan 
de regel: niet aanmoedigen, niet 
ondersteunen, niet bevorderen. Aan 
de andere kant zal een officier van 
justitie zich zeker niet geroepen 
voelen, het advies te vervolgen dat 
de Raad voor de kinderbescherming 
geeft op de manier die mevrouw 
Swildens in tweede termijn aangaf. 
Zij vroeg: hoe ziet de wet eruit, wat 
kan men wel of niet doen en wat 
speelt een rol bij een beslissing die 
er wezenlijk een blijft van degenen 
die elkaar - zij het dan vaaglijk in het 
voorbeeld van de heer Kohnstamm kennen. 
Zo'n raad kan dus worden 
gezien als informatie maar hij zal 
geen bemiddeling bevorderen of tot 
stand brengen. 

De algemene beraadslaging wordt 
gesloten. 

De voorzitter: Ik stel voor, af te zien 
van artikelsgewijze behandeling en 
dinsdag over een week te stemmen. 

Daartoe wordt besloten. 

De vergadering wordt van 15.55 uur 
tot 16.05 uur geschorst. 

Aan de orde is de behandeling van: 

- het wetsvoorstel Herziening 
van Titel 4 van Boek 1 van het 
Burgerlijk Wetboek en wijziging 
van enige andere bepalingen van 
Boek 1 van dat wetboek, het 
Wetboek van Burgerlijke 
Rechtsvordering en het 
Wetboek van Strafvordering 
(21847). 
De algemene beraadslaging wordt 
geopend. 

D 

De heer Schutte (GPV): Mijnheer de 
voorzitter! De ambtenaar van de 
burgerlijke stand is een bijzondere 
ambtenaar en dat blijft hij, ook al 
wordt de regeling van zijn positie 
overgeheveld van de Gemeentewet 
naar het Burgerlijk Wetboek. Hij is 
gemeenteambtenaar en toch ook 
weer niet helemaal. Zijn positie is 
wel vergeleken met die van de 
burgemeester: geen andere chef dan 
de wet. In feite wordt zijn positie na 
de wetswijziging waarover we nu 
spreken nog wat zelfstandiger. De 
controlerende blik van de officier van 
justitie verdwijnt nog meer naar de 
achtergrond dan al het geval was. Ik 
vind dat een goede en verantwoorde 
ontwikkeling. De tijd dat de burger– 
lijke stand vooral een erebaan was 
voor burgemeesters, raadsleden en 
andere notabelen ligt ver achter ons. 
Verreweg de meeste ambtenaren 
van de burgerlijke stand doen hun 
werk beroepshalve en hebben een 
adequate opleiding genoten. Een 
kamer van toezicht, zoals voorge– 
steld door de Commissie regelgeving 
burgerlijke stand, zou aan de 
kwaüteit van hun werk niet veel 
kunnen toevoegen dat ook niet op 
andere wijze verkregen kan worden. 

Sommige trouwlustige paren 
zullen er met instemming kennis van 
nemen dat burgemeester en 
wethouders naast de gewone ambte– 
naren van de burgerlijke stand ook 
een of meer buitengewone ambte– 
naren van de burgerlijke stand 
kunnen benoemen. Zij zullen in de 
praktijk vooral belast zijn met het 
voltrekken van huwelijken. De ruime 
mogelijkheid die de wet ter zake 
biedt kan voorkomen dat zich 
evenals in het verleden situaties 
zullen voordoen waarbij raadsleden 
bij toerbeurt voor korte tijd tot 

17 februari 1993 
Tweede Kamer Burgerlijke stand TK 50 50-3712 


Schutte 

ambtenaar van de burgerlijke stand 
worden benoemd en als zodanig 

beëdigd, afhankelijk van de trouw– 

plannen van familieleden of goede 

kennissen. 

Over de positie van de ambtenaar 
van de burgerlijke stand heb ik nog 
twee vragen. De eerste betreft de 
beëdiging. Tot nu toe is het naar ik 
meen zo dat men beëdigd wordt als 
ambtenaar van de burgerlijke stand 
van een bepaalde gemeente. Wordt 
men daarnaast of daarna in een 
andere gemeente ambtenaar van de 
burgerlijke stand, dan vindt opnieuw 
beëdiging plaats. Heb ik het goed 
begrepen dat dit niet meer nodig zal 
zijn? Men wordt beëdigd als 
ambtenaar van de burgerlijke stand 
en deze eed geldt zolang men deze 
functie ergens bekleedt, ook al zou 
daar een periode van jaren tussen 
zitten waarin men nergens 
ambtenaar van de burgerlijke stand 
is. 

In de tweede plaats vraag ik naar 
de planning met betrekking tot de 
inwerkingtreding van de wet. Is het 
de bedoeling deze gelijktijdig te 
doen plaatsvinden met de invoering 
van de nieuwe Gemeentewet, zodat 
de regeling van artikel 183 van de 
oude Gemeentewet geruisloos kan 
overgaan in die van het Burgerlijk 
Wetboek? 

De ambtenaar van de burgerlijke 
stand heeft een zeer formele taak. 
Hij maakt akten op, zorgt voor de 
bewaring ervan en geeft inzage, 
afschrift of uittreksel. Voor een en 
ander gelden gedetailleerde 
voorschriften. Het is goed, omdat de 
authenticiteit van akten gegaran– 
deerd moet zijn. Toch moet er niet 
aan voorbijgegaan worden dat de 
ambtenaar van de burgerlijke stand 
niet alleen een wettelijke taak 
vervult, maar ook een maatschappe– 
lijke functie heeft. Dat komt vooral 
tot uitdrukking bij het voltrekken van 
huwelijken. Voor de overheid is een 
huwelijk vooral een formele gebeur– 
tenis waaraan rechtsgevolgen 
verbonden zijn. Daarom is het voor 
haar belangrijk dat het feit en de 
datum van het huwelijk nauwkeurig 
worden geregistreerd, nadat 
gebleken is dat er geen beletselen 
tegen het huwelijk bestaan. Voor het 
bruidspaar en de familie ligt dat, 
zeker op de huwelijksdag, anders. 
Voor hen gaat het als het goed is om 
een feestdag waarvan de huwelijks– 
voltrekking door de ambtenaar van 

de burgerlijke stand een hoogtepunt 
vormt. De memorie van toelichting 

maakt er melding van dat veel 
aanstaande echtelieden prijs stellen 
op een passende ceremonie. 

Terecht wordt dit als argument 
gebruikt om de benoeming van 
buitengewone ambtenaren van de 
burgerlijke stand mogelijk te maken. 
Maar daar houdt het niet mee op. Bij 
een passende ceremonie behoort het 
voorlezen van de akte. Maar als ik 
lees wat de regering voornemens is 
met de huwelijksakte te gaan doen, 
is elk ceremonieel ineens uit het 
gezichtsveld verdwenen. In plaats 
van de huidige akte, die wordt 
voorgelezen en vervolgens door het 
echtpaar, de getuigen en de 
ambtenaar wordt ondertekend, komt 
er een akte in staatvorm met de 
minimaal noodzakelijke gegevens, 
die niet kan worden voorgelezen. Een 
soort aanmeldingsformulier. Het is 
ontleend aan het rapport van de 
commissie-Mulder, dat tot het 
wetsvoorstel heeft geleid. Als bijlage 
daarin is een concept van de 
verschillende staatakten bijgevoegd. 

De staatakte voor het huwelijk 
bestaat uit een aantal onder elkaar 
geplaatste vakken. In het eerste vak 
moeten achtereenvolgens van de 
man en de vrouw ingevuld worden: 
geslachtsnaam voor huwelijk, 
voornamen, dag van geboorte, plaats 
van geboorte en geslachtsnaam na 
huwelijk. Daaronder worden vermeld 
datum en plaats van het huwelijk. In 
het tweede vak moeten achtereen– 
volgens geslachtsnaam en voornaam 
van de ouders van man en vrouw 
worden vermeld. Het derde vak biedt 
ruimte voor bijzondere gegevens, 
zoals benodigde toestemmingen. Het 
vierde vak dient voor de dagtekening 
van de akte, de naam van de 
ambtenaar van de burgerlijke stand 
en de handtekeningen van man en 
vrouw en van de ambtenaar. Een 
vijfde en laatste vak is gereserveerd 
voor verbeteringen, doorhalingen, 
bijvoegingen en latere vermeldingen. 

Dit heeft toch niets meer met 
ceremonieel of stijl te maken? Zo'n 
akte teken je en die wordt vervolgens 
in het archief gestopt. Waarom deze 
formalisering - denkend aan het 
vorige debat zou ik ook kunnen 
spreken van verzakelijking- van de 
huwelijksceremonie? De argumenten 
zijn internationale standaardisatie, 
gemakkelijke gegevensuitwisseling 
en het eenvoudig kunnen verstrekken 

van afschrift of uittreksel. Ik zal niet 
zeggen dat deze argumenten in het 
geheel niet ter zake doen, maar de 
vraag is of ze zo belangrijk zijn dat 
een verdere formalisering van de 
huwelijksvoltrekking geaccepteerd 
moet worden. Zo denkt men er in het 
buitenland in ieder geval lang niet 
overal over. In Frankrijk en in latijnse 
landen stelt men nog hogere proto– 
collaire eisen aan de akte dan wij al 
gewend zijn. Volledige harmonisatie 
op dit punt zal dan ook wel een 
illusie bhjven 

Er is nog een bijkomend aspect. 
De getuigen bij het huwelijk blijven 
gehandhaafd vanwege de sociale 
functie van hun aanwezigheid. Een 
goede zaak, maar deze sociale 
functie krijgt vervolgens geen 
inhoud. Hun namen worden niet 
meer in de akte vermeld, medeon– 
dertekening wordt afgeschaft. In 
plaats daarvan moeten de 
aanstaande echtgenoten tevoren de 
namen van de getuigen opgeven, 
waarna de ambtenaar van de burger– 
lijke stand zich ervan vergewist dat 
ze ook inderdaad gekomen zijn. De 
argumentatie van de staatssecretaris 
is opnieuw puur formeel: vermelding 
van de getuigen in de akte zou 
afbreuk doen aan een doelstelling 
van harmonisatie, namelijk dat de 
vermeldingen worden beperkt tot 
datgene wat uit een juridisch 
oogpunt onmisbaar is. En de 
getuigen hebben nu eenmaal geen 
functie meer als bewijselement. 

Deze wijze van redeneren is puur 
formalistisch. En als er éen ding is 
waar men op een trouwdag niet op 
zit te wachten, dan is dat puur 
formalisme. Er is niets op tegen om 
de getuigen de rol te laten spelen die 
zij bij huwelijksvoltrekkingen in ons 
land vanouds hebben. Hun namen 
kunnen zonder problemen in de akte 
worden vermeld, zelfs als dit een 
staatakte zou worden. Het vak voor 
bijzondere gegevens biedt er 
voldoende ruimte voor. 

Ik wil de staatssecretarïs dan ook 
opwekken formele argumenten die 
geen belangrijke materiële betekenis 
hebben, nu eens te vergeten en te 
proberen zich te verplaatsen in de 
situatie op een trouwdag, een 
hoogtepunt in het leven van twee 
mensen en hun familie. 

In de schriftelijke voorbereiding is 
nogal wat aandacht geschonken aan 
een verdere automatisering bij de 
burgerlijke stand. Op dit terrein 

17 februari 1993 
Tweede Kamer Burgerlijke stand TK50 50-3713 


Schutte 

liggen in de toekomst zeker 
mogelijkheden, maar na wat ik 
zojuist heb gezegd, zal men 
begrijpen dat ik nog niet toe ben aan 
de vervanging van de ambtenaar van 
de burgerlijke stand door een robot 
of aan de huwelijksplechtigheid op 
het gemeentehuis door het werken 
met een computersysteem waarbij 
het "jawoord" vervangen wordt door 
een druk op de knop. Ik heb dan ook 
met instemming gelezen dat er in 
geen enkel land het voornemen 
bestaat, af te stappen van een stelsel 
van akten op papier. Op dit punt 
hebben we dus voorlopig nog geen 
harmonisatievoorstellen te 
verwachten. 

In de schriftelijke voorbereiding 
heb ik ook een discussie met de 
staatssecretaris gehad over de vraag 
of leges geheven moet worden van 
afschriften van akten die ambtshalve 
worden toegezonden aan de 
betrokkene. Ik wil er niet veel 
woorden meer aan besteden, maar ik 
blijf het vreemd vinden van burgers 
geld te vragen voor iets waar zij niet 
om hebben gevraagd. Voor zoiets 
betaal je gewoon belasting en niet 
ook nog eens leges, nog afgezien 
van het feit dat invordering van dit 
soort leges wel eens net zo kostbaar 
zou kunnen zijn als de opbrengst 
ervan. 

Een vraag die de laatste tijd 
meermalen actueel was betreft de 
mate waarin de ambtenaar van de 
burgerlijke stand een eigen verant– 
woordelijkheid heeft bij het opmaken 
van akten. Wij kennen het 
verschijnsel van de schijnhuwelijken, 
waarover inmiddels een wetsvoorstel 
bij de Tweede Kamer ligt. Een ander 
probleem doet zich voor, als 
frauduleus aangifte van een 
geboorte wordt gedaan. Ik weet niet 
hoe omvangrijk dit probleem is, maar 
het is duidelijk dat in de huidige 
situatie aangifte van een niet of 
anders geboren kind tamelijk 
eenvoudig is. De staatssecretaris is 
inmiddels een paar jaar op deze zaak 
aan het studeren en hij vindt het een 
gecompliceerde kwestie. Dat zal wel 
waar zijn, maar na een paar jaar 
moet een conclusie toch wel 
mogelijk zijn. In ieder geval hoop ik 
niet, dat hij onder de indruk zal zijn 
van het beroep dat de Nationale raad 
voor de volksgezondheid heeft 
gedaan op het verschoningsrecht 
van de medische hulpverlener en op 
het recht van privacy van de moeder. 

Voor dit standpunt heb ik maar één 
kwalificatie: onzin. Ik ben dan ook 

benieuwd naar de reactie van de 
staatssecretaris op het amendement 
dat inmiddels door mijn collega's 
mevrouw Bijleveld en de heer 
Wiebenga is ingediend. 

Ik ben mijn bijdrage begonnen met 
vertrouwen uit te spreken in de 
ambtenaar van de burgerlijke stand 
en zijn werk. Ter afsluiting moet ik 
daarop iets afdingen naar aanleiding 
van het optreden van de gemeente 
Rheden, die enkele jaren geleden 
twee raadsleden tot ambtenaar van 
de burgerlijke stand benoemde met 
het enkele doel hen in de 
gelegenheid te stellen, het huwelijk 
te voltrekken tussen twee mannen. 
De Arnhemse rechtbank stak hier 
een stokje voor door te weigeren hen 
te beëdigen. Kennelijk deelde de 
staatssecretaris toen mijn standpunt, 
dat een gemeentebestuur dat zo met 
zijn wettelijke taken omspringt een 
stevige correctie verdient. Hij stemde 
namelijk in met het weigeren van een 
beëdiging, die kennelijk ten doel had 
huwelijken te laten voltrekken in 
strijd met de wet. Mijn vraag in zijn 
richting was echter ingegeven door 
de gedachte, dat het doel van het 
optreden voortreffelijk was, maar dat 
het middel oneigenlijk leek. Dat heeft 
de Hoge Raad inmiddels ook uitge– 
sproken. Volgens de Hoge Raad 
heeft de rechtbank in beginsel 
slechts tot taak, de benoemde 
ambtenaren te beëdigen en mag de 
verwachting over de wijze waarop zij 
te zijner tijd hun ambt zullen uitoe– 
fenen geen aanleiding zijn hen niet 
te beëdigen. 

Wat betekent dit nu voor de 
toekomst? Gemeenteraadsleden 
kunnen dan nog slechts tot buiten– 
gewoon ambtenaar van de burger– 
lijke stand worden genoemd. Zij zijn 
dan alleen met de voltrekking van 
het huwelijk belast, niet met de 
registratie van de aangifte en de 
beoordeling van de huwelijksbe– 
voegdheid. Duidelijk is in ieder geval, 
dat een raadslid niet zonder 
medewerking van de ambtenaar van 
de burgerlijke stand een pseudo– 
huwelijk kan voltrekken. Moet zo'n 
ambtenaar in zo'n geval weigeren de 
aangifte te registreren? En als hij 
toch tot registratie overgaat, is het 
dan aan de officier van justitie om 
het huwelijk te stuiten of een 
vordering in te dienen tot doorhaling 
van de ten onrechte in de registers 

opgenomen akte? 

Het is jammer dat wij zelfs dit 
onderwerp niet kunnen bespreken, 
zonder de mogelijkheid van misbruik 
van bevoegdheid onder ogen te zien. 
De praktijk leert echter, dat onder de 
ruim 600 gemeenten er altijd wel 
enkele kunnen zijn die zich voor het 
karretje van een actiegroep laten 
spannen, desnoods tegen de wet in. 
Het is goed dat zij weten wat hun 
dan te wachten staat. Dat laat echter 
onverlet dat het goed is dat de 
ambtenaar van de burgerlijke stand 
een eigen positie heeft, rechtstreeks 
gebonden aan de wet. Als de staats– 
secretaris er nu ook aan wil 
meewerken, dat het eigen karakter 
van de huwelijksvoltrekking gehand– 
haafd kan blijven, dan heb iktegen 
zijn wetsvoorstel weinig meer in te 
brengen. 

D 

Mevrouw Bijleveld-Schouten 
(CDA): Voorzitter! De CDA-fractie wil 
allereerst een woord van waardering 
uitspreken aan het adres van de 
Commissie regelgeving burgerlijke 
stand onder voorzitterschap van dr. 

Mulder. Deze commissie heeft een 
belangrijke rol gespeeld bij de 
totstandkoming van dit wetsvoorstel. 
Grondig werk lijkt mij door haar 
verricht. Ik ben verheugd over het 
feit dat nu in een alomvattend 
wetsvoorstel een modernisering van 
de regelgeving rond de burgerlijke 
stand plaatsvindt. Er is sprake van 
een duidehjke aanpassing aan de 
actualiteit. De materiële 
voorschriften inzake registratie van 
feiten betreffende de burgerlijke 
stand zijn getoetst aan de eisen van 
deze tijd. De CDA-fractie onder– 
streept hier nogmaals het 
uitgangspunt, dat het met name uit 
maatschappelijk oogpunt wenselijk 
is, dat belangrijke gebeurtenissen in 
het menselijk leven in authentieke 
akten worden neergelegd. Speciaal 
daarvoor aangewezen ambtenaren 
van de burgerlijke stand zijn daarbij 
onontbeerlijk. Het dienen van het 
algemeen belang is en blijft immers 
hun taak. Wel kan en moet de 
ambtenaar natuurlijk profiteren van 
de mogelijkheden die de voortschrij– 
dende automatisering hem biedt. 
Met name in het kader van de juiste 
registratie van gegevens is de 
automatisering van groot belang. 

In de schriftelijke voorbereiding 

17 februari 1993 
Tweede Kamer Burgerlijke stand TK50 50-3714 


Bijleveld Schouten 

heeft de CDA-fractie uitgebreid 
stilgestaan bij het toezicht op het 
werk van de ambtenaren van de 
burgerlijke stand. Het blijft teleur– 
stellend, te moeten constateren dat 
het OM zijn toezichthoudende taak 
slechts zeer gedeeltelijk uitvoert. Ik 
krijg graag een duidehjke reactie van 
de staatssecretaris op dit punt. 

Het is jammer dat er geen nader 
kwantitatieve - wel enige kwalita– 
tieve - gegevens beschikbaar zijn 
over de klachten over de ambtenaren 
van de burgerlijke stand. Het enkele 
feit dat er zelden schorsing of 
ontslag plaatsvindt, zegt niet zoveel. 
Als dat al het geval is, zegt dat iets 
over de cliënt en niets over het 
algemeen belang, bijvoorbeeld over 
de juiste registratie van gegevens, 
dat eveneens gediend moet worden. 

Ofschoon de CDA-fractie meent 
dat het voorstel van de 
commissie-Mulder om speciale 
kamers van toezicht in te stellen, 
vergelijkbaar met het toezicht op het 
notariaat, terecht door de regering 
als te zwaar voor dit doel is 
bestempeld, vraag ik toch de 
blijvende aandacht van de staatsse– 
cretaris voor dit punt. Het gaat ons 
erom dat voortdurend eventuele 
onrechtmatigheden kunnen worden 
geconstateerd. Wellicht kunnen in 
het kader van de fraudebestrijding 
nadere rapportages overwogen 
worden. 

De CDA-fractie heeft herhaald blijk 
geven van haar bezorgdheid over de 
problematiek van schijnhuwelijken en 
schijnerkenningen. Zij heeft dan ook 
gepleit voor verdergaande maatre– 
geien dan in het wetsvoorstel 
worden aangegeven. Naar onze 
mening kan niet slechts geconsta– 
teerd worden dat ongeveer een 
derde van het aantal huwelijken 
waarbij buitenlanders betrokken zijn, 
schijnhuwelijken zijn. Dat is 5% a 
10% van het totaal aantal huwelijken. 
Ik ben blij dat de staatssecretaris op 
basis van onder andere adviezen van 
een ambtelijke werkgroep - waarbij 
gewezen wordt op het ernstige 
misbruik van sociale voorzieningen tot 
de conclusie is gekomen dat 
nadere maatregelen zeer noodza– 
kelijk zijn. 

Inmiddels is een afzonderlijk 
wetsvoorstel voorbereid op grond 
waarvan het OM nietigverklaring 
wegens strijd met de openbare orde 
kan vorderen. Dat betekent dat 
artikel 18b van het aan de orde 

zijnde wetsvoorstel zo zal moeten 
worden gelezen, dat de ambtenaar 
wanneer hij de overtuiging heeft dat 
de Nederlandse openbare orde zich 
verzet tegen het huwelijk, 
medewerking dient te weigeren. De 
CDA-fractie ziet een en ander aldus: 
een niet langer lijdelijke rol van de 
ambtenaar met uitgebreidere infor– 
matiebevoegdheid. Het vergaren van 
gegevens bij de vreemdelingenpolitie 
hoort hier zeker bij. Ik krijg hier 
graag nog eens een bevestiging van 
de staatssecretaris van. 

Eindelijk kunnen wij constateren 
dat ook de memorie van antwoord 
op wetsvoorstel 22488 inzake de 
schijnhuwelijken is verschenen. Dit 
heeft naar de mening van mijn 
fractie veel te lang geduurd. Hopelijk 
zal de nota naar aanleiding van het 
eindverslag sneller verschijnen. Wij 
zullen daarop in ieder geval 
aandringen. Het strafrechtelijke 
sluitstuk ten opzichte van de Neder– 
landse partner moet immers ook nog 
geregeld worden. 

Bij aangiften van geboorten 
bepleitte de CDA-fractie tijdens de 
schriftelijke voorbereiding eveneens 
een actieve opstelling van de 
ambtenaar van de burgerlijke stand. 
Dit kan door het invoeren van een 
informatieplicht. Bij aangifte van een 
geboorte zou een doktersverklaring 
of een verklaring van de verlos– 
kundige moeten kunnen worden 
overlegd; een zogenaamde attestver– 
plichting. Ik stipuleer nogmaals dat 
mijn fractie die opvatting van de 
Permanente commissie voor zaken 
van burgerlijke stand en nationali– 
teitsaangelegenheden van maart 
1991 - een meerderheidsstandpunt 
- onderschrijft. Een juiste geboorte– 
registratie moet prevaleren boven de 
privacy van de moeder en het 
verschoningsrecht van de medische 
hulpverlener. Een en ander lijkt ons 
met nadruk in het belang van het 
kind. Ik verwijs hierbij naar de zaak in 
Vlaardingen. 

In de nota naar aanleiding van het 
eindverslag van april 1992 geeft de 
staatssecretaris aan dat de besluit– 
vorming hierover nog niet is 
afgerond. Een eventuele regeling zou 
in een afzonderlijk wetsvoorstel 
worden vervat. Waarom eventueel? 
Recent bekend geworden gevallen 
van fraude op het gebied van de 
kinderbijslag hebben dit punt alleen 
nog maar actueler gemaakt. Na de 
UCV inzake ISMO van 8 februari jl. is 

mijn fractie niet geruster geworden 

op de afloop van deze zaak. De 

CDA-fractie blijft vinden dat de 

attestverplichting op korte termijn 

moet worden ingevoerd en dit kan 

ook. Daartoe heb ik samen met 

collega Wiebenga het amendement 

op stuk nr. 15 ingediend. 

Op het punt van de rechtsze– 
kerheid en rechtsgelijkheid van 
gemeenten, vraagt de CDA-fractie 
zich af of de bevoegdheid omschreven 
in artikel 18, lid 2, van 
artikel I - van de ambtenaar van de 
burgerlijke stand om zich voor het 
opmaken van een akte de door de 
wet vereiste bescheiden te doen 
vertonen, wel ver genoeg voert. Ik 
ben blij met het feit dat de algemene 
bepaling hier is opgenomen. Dit is 
een eerste stap. Maar zou niet 
eerder van een wettelijke plicht 
moeten worden gesproken? Graag 
zou ik hierop een antwoord van de 
staatssecretaris ontvangen. 

Tot slot wil ik de problematiek van 
de zogenaamde in het buitenland 
geboren kinderen aankaarten. 
Vervalste buitenlandse documenten 
blijken te worden voorgelegd bij 
inschrijving van buitenlandse 
kinderen in het bevolkingsregister. Is 
de staatssecretaris van plan ook dit 
probleem op korte termijn aan te 
pakken? Het CDA acht dit nodig, 
zeker nu in het kader van ISMO 
gegevensuitwisseling een steeds 
belangrijkere rol gaat spelen. De 
CDA-fractie dringt er dan ook op aan 
om slechts die documenten aan te 
nemen die zijn gelegaliseerd, bijvoor– 
beeld door onze eigen ambassades 
in het buitenland. De waarborgen 
voor een juiste aangifte moeten naar 
onze mening zo groot mogelijk zijn. 

D 

De heer Wiebenga (VVD): Mijnheer 
de voorzitter! Ik zou het wetsvoorstel 
dat strekt tot algehele herziening van 
de regelgeving rond de burgerlijke 
stand - zonder hiermee iets te willen 
afdoen aan het vele en goede werk 
dat hiertoe is verricht - willen kwali– 
ficeren als een technische 
aanpassing. Ik kan er kort over zijn. 
De VVD-fractie steunt het voorlig– 
gende wetsvoorstel, op een enkel 
onderdeel na. Ik kom hier straks over 
te spreken. 

Ik wil het over twee aangelegen– 
heden hebben die in het verband van 
dit wetsvoorstel spelen. Om te 

17 februari 1993 
Tweede Kamer Burgerlijke stand TK50 50-3715 


Wiebenga 

beginnen zijn dat de schijnhuwe– 
lijken. Het betreft hier een uitwas 
van het toelatingsbeleid. Reeds in 
een rapport uit 1988 staat vermeld 
dat een derde van de huwelijken 
waarbij buitenlanders in Nederland 
betrokken zijn, kan worden aange– 
merkt als een schijnhuwelijk. Dit wil 
zeggen dat het huwelijk wordt 
gesloten met het oogmerk om een 
verblijfsrecht in Nederland te krijgen 
alsmede toegang tot de sociale 
voorzieningen. In 1988 al ging het 
om ongeveer 10.000 gevallen per 
jaar. De staatssecretaris weet dat 
hiermee malafide praktijken gemoeid 
zijn. Dit alles is onaanvaardbaar 

Mijn fractie is er uiteraard van op 
de hoogte dat hier een wetsvoorstel 
aanhangig is om het verschijnsel van 
de schijnhuwelijken tegen te gaan. 
Wij zullen dit wetsvoorstel te zijner 
tijd behandelen. Ik wil echter nu 
reeds zeggen dat mijn fractie het van 
belang vindt dat de ambtenaar van 
de burgerlijke stand - want over hem 
of haar praten wij vandaag - een 
actievere rol krijgt bij het tegengaan 
van zaken als schijnhuwelijken en 
schijnerkenningen. Ik noem de 
misstanden van de Ghanese bruiden 
of de Dominicaanse prostituées. Het 
gaat hierbij om mensenhandel. Ik 
stel dit punt hier nu reeds aan de 
orde, omdat ik de staatssecretaris 
wil vragen wat er op dit ogenblik 
reeds gebeurt op het gebied van 
schijnhuwelijken en schijnerken– 
ningen om de malafide praktijken, de 
mensenhandel die annex is aan dit 
soort aangelegenheden, aan te 
pakken. Ik denk aan een gezamenlijk 
optreden, niet alleen van de ambte– 
naren van de burgerlijke stand, maar 
samen met politie, justitie en de 
Nederlandse consulaten in het 
buitenland. Mijn fractie vindt dit zo 
belangrijk dat zij deze vraag nu op 
tafel legt en hiermee niet wil 
wachten tot de behandeling van het 
betreffende, meer specifieke 
wetsvoorstel over Titel 5 van Boek 1 
BW. 

Voorzitter! Mijn tweede punt 
betreft de valse geboorte-aangiften. 
Hier doen zich een aantal problemen 
voor. Er is het probleem van de 
dubbele aangifte, het beruchte geval 
van baby René waarover ik destijds 
schriftelijke vragen heb gesteld. Daar 
kwam ook al het punt van het 
medisch attest, de medische 
verklaring bij de geboorte-aangifte 
naar voren. Het kan ook gaan om de 

aangifte van in het geheel niet 
bestaande kinderen, teneinde 
bijvoorbeeld misbruik te maken van 
de kinderbijslag. Deze kinderen 
kunnen "niet bestaande Neder– 
landse" kinderen zijn, maar het kan 
ook gaan om buitenlandse kinderen. 
Het is niet zo lang geleden dat 
daarover een nogal forse affaire het 
licht heeft gezien die ik de "Turkse 
affaire" zou willen noemen. Als ik 
goed ben ingelicht, werden in dit 
geval kinderen aangegeven die 
gedeeltelijk in Nederland en gedeel– 
telijk in het buitenland zouden 
verblijven. Daarbij werd door de 
Sociale verzekeringsbank een schade 
geleden van 5 mln. en was er sprake 
van drie lange jaren van frauderen en 
de mogelijkheid daartoe. In dat 
verband is ons overigens gebleken wellicht 
was het al eerder bekend, 
maar de aandacht is er bij de 
VVD-fractie nog eens op gevestigd dat 
ook illegale vreemdelingen in dit 
land kinderbijslag kunnen aanvragen. 
Ik besef overigens dat dit niet 
behoort tot het mandaat van deze 
staatssecretaris. Wat ik hiermee wil 
zeggen, is dat er met de valse 
geboorte-aangifte meer aan de hand 
is dan zomaar een enkel incident. 

De vraag is nu wat voor maatre– 
gelen hiertegen genomen kunnen 
worden. Het staat voor mijn fractie 
vast dat wij dit soort zaken als 
overheid zoveel mogelijk moeten 
tegengaan. Fraude kan natuurlijk 
nooit helemaal uitgebannen worden, 
maar moet wel worden tegengegaan. 
Het gaat uiteindelijk ook om het 
gebruik van publiek geld en 
openbare voorzieningen. Er zijn een 
paar dingen te doen. Zo kan geëist 
worden dat een geboren kind 
getoond wordt aan de ambtenaar 
van de burgerlijke stand. Daar kan ik 
kort over zijn: dit lijkt mij een in de 
praktijk zeer moeilijke aangele– 
genheid, die dus niet wenselijk is en 
waarvoor ik niet zal pleiten. Wat 
vroeger gebeurde en wat ook bepleit 
zou kunnen worden, is dat de 
aangifte vergezeld gaat van 
getuigen, dus van mensen die 
verklaren dat zij het desbetreffende 
kind hebben gezien en dat de 
geboorte een feit was. Dit is echter 
ook niet zo'n wenselijke oplossing 
omdat getuigen van de straat 
gehaald kunnen worden en tegen 
een redelijke vergoeding bereid 
zullen zijn om te zeggen wat zij 
moeten zeggen. Hier zouden dus ook 

vraagtekens bij gezet kunnen 
worden. 

Waar mijn fractie wel voorstander 
van is, is het eisen van een medische 
verklaring. Vandaar ook dat ik het 
amendement dat is ingediend door 
mevrouw Bijleveld mede heb onder– 
tekend. Hiervoor wil ik een paar 
argumenten geven. Om te beginnen 
zijn wij van mening dat zoveel 
mogelijk, uiteraard in het redelijke, 
moet worden gedaan om misbruik 
door valse aangifte tegen te gaan. 
Toen ik het had over schijnhuwe– 
lijken heb ik gesproken van mensen– 
handel en in dit verband zou ik willen 
spreken van praktijken van 
babyhandel. Ik durf het ook zo te 
kwalificeren. Ik heb geen aantallen, 
maar dat het voorkomt staat vast, 
gezien de publikaties die daarover 
zijn. lets wat misschien niet te kwali– 
ficeren is als malafide babyhandel, 
maar waarvan wel valse aangiften 
het gevolg kunnen zijn, is het 
onderwerp waarover wij vandaag in 
de Kamer met de minister van 
Justitie hebben gesproken, namelijk 
het draagmoederschap. Ik denk ook 
aan kinderontvoering. 

Voorzitter! Een andere en 
misschien wel de belangrijkste reden 
om een medische verklaring te eisen, 
is het belang van het kind. Mijn 
fractie vindt, daarover nagedacht 
hebbende, dat het het recht van 
ieder kind is om zeker te zijn over 
zijn of haar afstamming. Dat is ook 
een reden om deze maatregel tot het 
vereisen van een medische verklaring 
bij de geboorte-aangifte te bepleiten. 

Ten slotte geef ik aan dat het 
eigenlijk wel raar is dat wij dit hier bij 
amendement moeten regelen, want 
mijns inziens gaat het om iets wat 
een doodnormale zaak is in de 
meeste Europese landen. Daar is dit 
het gewone voorschrift, ook bij 
bijvoorbeeld andere aangelegen– 
heden die vergelijkbaar zijn, zoals vergeef 
mij de vergelijking - het 
overlijden, waarbij een overlijdens– 
verklaring vereist is. Kortom, het is 
eigenlijk een doodnormale zaak. Mijn 
fractie ziet geen reden, naast de 
voordelen die wij ertegenover 
stellen, om hiervan af te moeten 
zien. Daarom is het een redelijke 
zaak om dit in dit verband als volks– 
vertegenwoordiging te regelen. Wij 
zijn nu immers bezig met de regeling 
van de burgerlijke stand. 

Voorzitter! Het vereisen van een 
medische verklaring is niet de enige 

17 februari 1993 
Tweede Kamer Burgerlijke stand TK 50 50-3716 


Wiebenga 

maatregel die genomen zou moeten 
worden. Er kan meer gebeuren. Over 
de fraude met de buitenlandse 
kinderen, de zogenaamde "Turkse 
affaire", wil ik de staatssecretaris 
vragen of hij ons kan mededelen hoe 
de vervolging is afgelopen. Als er ten 
onrechte aanspraak wordt gemaakt 
op kinderbijslag, moet de Sociale 
verzekeringsbank zelf maatregelen 
nemen om fraude op dat terrein, 
onder andere door het verkeerd 
aangeven van de geboorte van 
kinderen, tegen te gaan. Zo nodig 
moet ook op dit terrein door ambte– 
naren van de burgerlijke stand, de 
sociale-zekerheidsinstellingen, politie 
en justitie samen worden 
opgetreden. Is de staatssecretaris 
dat met ons eens? 

D 

Mevrouw Van der Burg (PvdA): 
Voorzitter! Tien jaar geleden heeft de 
Nederlandse vereniging van ambte– 
naren sterk aangedrongen op een 
herijking van de regelgeving ten 
aanzien van de burgerlijke stand. Nu 
ligt het wetsvoorstel om dat te 
regelen voor ons voor plenaire 
behandeling. De Commissie regel– 
geving burgerlijke stand, onder 
leiding van de heer Mulder, heeft 
hiervoor uitstekend voorwerk 
gedaan. De uitgangspunten en de 
opzet van het door deze commissie 
opgestelde ontwerp voor algehele 
herziening van de regelgeving voor 
de burgerlijke stand werden dan ook 
door alle adviesinstanties onder– 
schreven. Het is goed dat het kabinet 
dit voorstei voor het overgrootste 
deel overneemt in dit wetsvoorstel. 

De fractie van de Partij van de 
Arbeid kan met dit wetsvoorstel 
instemmen, ook met de laatste nota 
van wijziging die wij gisteren nog 
hebben ontvangen. Het is goed dat 
de regelgeving voor de registratie 
van geboorten, huwelijk en overlijden 
is aangepast, gemoderniseerd en 
afgestemd op de huidige praktijk. 
Ook met de nieuwe positie van de 
ambtenaar van de burgerlijke stand 
en de uitbreiding van de bevoegd– 
heden zijn wij het eens. Zo ook met 
het laten vervallen van het toezicht 
van het openbaar ministerie op de 
inhoud van de akte. Dat stelde in de 
praktijk niet veel voor en was 
bovendien in het algemeen niet meer 
nodig. De betrokkenheid blijft 
terecht in bijzondere situaties en dat 

is naar onze mening de juiste weg. 

Aan een kamer van toezicht, zoals 

door de commissie-Mulder werd 

voorgesteld, hebben wij evenmin 

behoefte als het kabinet. 

Voorzitter! Over dit wetsvoorstel 
heb ik nog twee opmerkingen. De 
eerste betreft de bevoegdheden van 
de ambtenaar van de burgerlijke 
stand bij het opmaken van de akte. 
Vanaf 1988 is door deze Kamer 
aangedrongen op wettelijke maatre– 
gelen ter voorkoming van schijnhan– 
delingen, zoals schijnerkenningen en 
schijnhuwelijken. Daaraan gebeurt 
nu wat in diverse wetsvoorstellen. In 
dit wetsvoorstel krijgt de ambtenaar 
van de burgerlijke stand ruimere 
mogelijkheden voor onderzoek. 
Hij/zij dient te weigeren om de akte 
op te stellen, als deze in strijd wordt 
geacht met de Nederlandse 
openbare orde. 

Ten aanzien van de schijnhuwe– 
lijken volgen nog meer wetsvoor– 
stellen. Ik zal dan ook nu nlet verder 
ingaan op de problematiek van de 
schijnhuwelijken en op de effecti– 
viteit en de praktische uitvoer– 
baarheid van de regelgeving en de 
consequenties daarvan voor de 
samenleving. Dat volgt bij het 
wetsvoorstel over schijnhuwelijken, 
nr. 22488, dat bij de Kamer in 
behandeling is en waarvan wij 
onlangs de memorie van antwoord 
hebben ontvangen van de regering. 

Wat betreft de problematiek van 
de frauduleuze geboorte-aangifte ligt 
er al geruime tijd een advies over 
invoering van een attestverplichting 
bij aangifte van een geboorte. Er zijn 
nog nadere adviezen gevraagd, die 
kennelijk uiteenlopen. Het is een 
gecompliceerde zaak door het 
privacy-effect, legitimatie, etcetera. 
Maar anderzijds kunnen wij situaties 
zoals met de Dordtse of de Vlaar– 
dlngse baby ook niet hebben. Er zijn 
meer voorbeelden te noemen, zoals 
collega Wiebenga heeft gedaan. Het 
tweemaal aangeven van de geboorte 
van éèn kind kan niet, maar zo zijn er 
ook andere zaken die "niet kunnen". 
Naar onze mening moet de knoop 
over wel of geen attestverplichting 
dan ook snel worden doorgehakt. 

In het eindverslag hebben wij al 
aangedrongen op spoed opdat wij 
deze problematiek al in het kader van 
dit wetsvoorstel zouden kunnen 
bespreken en regelen. Wij betreuren 
het dan ook dat het kabinets– 
standpunt er nog steeds niet ligt. In 

de nota naar aanleiding van het 

eindverslag van medio april, is al 

toegezegd dat een definitief 

standpunt van het kabinet zo 

spoedig mogelijk bekend zou worden 

gemaakt. Wanneer komt dat 

kabinetsstandpunt? 

Van dit antwoord hangt het af wat 
mijn mening zal zijn over het 
amendement dat door het CDA en 
de VVD is ingediend. Voor mijn 
fractie is het namelijk van belang 
omdat er dilemma's zijn bij het 
verplicht stellen van een doktersver– 
klaring, een attestverplichting. Die 
dilemma's moeten naar onze mening 
hier worden besproken. Er is niet 
voor niets al vijf jaar onderzoek en 
advies geweest. Dat kunnen wij niet 
zomaar naast ons neerleggen. Er zijn 
dilemma's in de justitiële sfeer, in de 
fraudesfeer, in de privacysfeer en de 
sfeer van de volksgezondheid. Wij 
moeten al deze elementen naast 
elkaar leggen. Voor mijn fractie is 
deze afweging van belang om te 
beoordelen wat wel of niet in dit 
wetsvoorstel moet worden 
opgenomen. Als het kabinets– 
standpunt hierover op korte termijn 
zou kunnen komen, dan moet naar 
mijn mening dit wetsvoorstel daarop 
kunnen wachten. 

D 

Staatssecretaris Kosto Mijnheer de 
voorzitter! Ik wil graag de leden van 
de Kamer die in dit debat het woord 
hebben gevoerd hartelijk danken 
voor de aandacht die zij aan dit 
inderdaad belangrijke wetsvoorstel 
hebben willen schenken. Ik sluit mij 
graag aan bij die leden van de Kamer 
die woorden van waardering aan het 
adres hebben gericht van de heer 

Mulder en zijn commissie die het 
voorwerk hebben gedaan, nadat tien 
jaar geleden - mevrouw Van der 

Burg merkte het al op - de wens tot 

hervorming kenbaar was gemaakt. 
Tien jaar is weinig op de eeuwigheid, 

maar toch wel lang voor een 
wetsvoorstel. Het is, naar ik hoop, 
dan ook een gedegen wetsvoorstel 
waar wij lang mee toe kunnen, zeker 
nadat wij er hier met elkaar over 
hebben gesproken. Ik ben dan ook 
blij dat de meeste geachte afgevaar– 
digden, zo niet alle, zich in de opzet 
van het wetsvoorstel kunnen vinden. 
Dit geldt ook voor de heer Schutte, 
die als eerste het woord voerde. De 
heer Schutte maakte echter nog een 

17 februari 1993 
Tweede Kamer Burgerlijke stand TK 50 

50-3717 


Kosto 

paar opmerkingen. 

De heer Schutte zegt in zijn 
inbreng letterlijk: "de ambtenaar van 
burgerlijke stand is een bijzondere 
ambtenaar en dat blijft hij". Daarbij 
komt een vleug van oud-vader– 
landsheid over ons omdat onmis– 
kenbaar het beeld van de schrijver C. 
Johan Kieviet, die de vader van Dik 
Trom over zijn zoon liet zeggen: "het 
is een bijzonder kind en dat is ie". 
Daarmee zijn wij thuis in zeer 
vertrouwde sferen. Wat dat betreft 
kunnen wij doorgaan en van hieruit 
kijken naar ontwikkelingen die zich in 
het buitenland voltrekken en die wij 
ons misschien minder dan in de tijd 
die ik net aanduidde kunnen veroor– 
loven te negeren. 

De heer Schutte heeft twee vragen 
gesteld over de positie van de 
ambtenaar van de burgerlijke stand. 
De eerste vraag betrof de nieuwe 
regeling van de beëdiging. Inderdaad 
is beoogd te voorkomen dat de 
ambtenaar van de burgerlijke stand 
die van standplaats verandert 
opnieuw wordt beëdigd, ook al zou 
de tweede benoeming plaatsvinden 
na een tussenperiode, waarin men 
dus geen ambtenaar van de burger– 
lijke stand is. Wij achten dat een 
goede zaak. 

Ten tweede wijst de heer Schutte 
terecht op het belang van een goede 
planning in verband met de inwer– 
kingtreding van de wet. Over die 
goede planning wordt regelmatig 
contact onderhouden met het 
naburige departement van Binnen– 
landse Zaken. Mijn verwachting is 
dat het wel zal lukken om het nu aan 
de orde zijnde wetsvoorstel op 1 
januari 1994 in werking te laten 
treden. ledereen zal begrijpen dat 
dan ook de Eerste Kamer zal moeten 
meewerken. Ik heb er echter enig 
vertrouwen in dat dit zal lukken. Die 
inwerkingtreding zal samenvallen 
met de inwerkingtreding van de 
nieuwe Gemeentewet, waarin dan 
geen bepalingen ter zake van de 
positie van de ambtenaar van de 
burgerlijke stand meer voorkomen. 
Immers, als dit wetsvoorstel wet 
wordt, zljn die overgeheveld naar het 
Burgerlijk Wetboek. 

Welnu, blijkt in de loop van het 
jaar dat ik wat dit betreft te optimis– 
tisch geweest ben, dan zal in de 
invoeringswet van de Gemeentewet 
een overgangsbepaling worden 
opgenomen op grond waarvan de 
huidige regeling van de positie van 

de ambtenaar van de burgerlijke 
stand nog zo lang als nodig is, blijft 
gelden. Nogmaals, ik hoop dat dit 
niet nodig is. Ik denk ook dat in het 
enkele feit dat deze ingreep nodig is, 
ook al een aansporing gelegen is om 
het niet zover te laten komen. Aan 
mij zal dat niet liggen. 

Met de heer Schutte ben ik mij 
ervan bewust dat de functie van de 
ambtenaar van de burgerlijke stand 
heel duidelijk ook maatschappelijke 
kanten heeft. Daaraan is bij het 
ontwerpen van een regeling voor de 
buitengewone ambtenaar van de 
burgerlijke stand dan ook in het 
bijzonder gedacht. De heer Schutte 
meent de voorgestelde regeling 
betreffende de opstelling van de 
huwelijksakte zo te moeten begrijpen 
dat daarmee elk ceremonieel ineens 
uit het gezichtsveld verdwenen is. De 
heer Schutte riep het beeld op van 
het huwende paar dat dit een heel 
belangrijke dag zal vinden en dat dit 
ceremonieel wenst. De discussie 
spitst zich dan toe op de invoering 
van de staatakte. De heer Schutte is 
geneigd, dit een soort aanmeldings– 
formulier te noemen. Het feit van de 
staatakte zou dan het ceremoniële in 
de weg staan. Misschien - ik 
herhaal: misschien - leeft hierover 
bij de heer Schutte toch een zeker 
misverstand. 

Ik geef toe dat het nadrukkelijk de 
bedoeling van het wetsvoorstel is, 
dat in de akte nog alleen de juridisch 
relevante gegevens vermeld worden. 
Dat kan ook niet anders. Maar dit 
neemt niet weg dat artikel 67 van 
het eerste boek van het Burgerlijk 
Wetboek uitdrukkelijk voorschrijft 
welke verklaringen de ambtenaar van 
de burgerlijke stand de aanstaande 
echtelieden moet laten afleggen, 
waarna deze verklaart dat het 
huwelijk voltrokken is. 

Als de heer Schutte het verlangen 
van het paar oproept naar enig 
ceremonieel, een toespraak van de 
ambtenaar van de burgerlijke stand, 
is dat niet verboden. Dat ceremo– 
nieel kan dan natuurlijk inhoud 
krijgen. Degenen die niet aan dat 
ceremonieel hechten, zullen er ook 
niet zo onder lijden dat wij alleen 
juridisch relevante feiten in de akte 
opnemen. 

In de in te voeren huwelijksakte 
staat nog uitdrukkelijk dat deze 
wordt ondertekend door de 
ambtenaar die de genoemde verkla– 
ringen heeft laten afleggen; toch 

ceremonieel. Hieruit mag duidelijk 
zijn dat, zelfs wanneer een 
aanstaand echtpaar geen prijs stelt 
op een toespraak - ik neem nog 
steeds aan dat degenen die 
ceremonie wensen, dat wel doen - er 
toch steeds sprake van enig ceremo– 
nieel zal zijn en dat de ambtenaar 
van de burgerlijke stand het niet laat 
bij het enkele opsommen van de 
verplicht in de akte te vermelden 
gegevens. 

Voor een goed begrip beschrijf ik 
de huidige praktijk nog eens. De akte 
zal op het tijdstip van de ceremonie 
al zijn opgesteld. Doorgaans zal 
daarbij de modelakte van de Neder– 
landse vereniging van ambtenaren 
van de burgerlijke stand gebruikt 
zijn. Dat is weliswaar een protocol– 
laire akte, maar deze bevat een 
standaardformule die niet geheel 
letterlijk weergeeft wat door partijen 
en de ambtenaar van de burgerlijke 
stand gezegd wordt. Anders dan de 
heer Schutte meen ik dat de 
invoering van de staatakte in het 
geheel niet de handhaving van het 
nodige ceremonieel bij een huwelijk, 
in de weg staat. 

De staatakte - en nu ga ik de 
grens even over - is al lang gebrui– 
kelijk in Duitsland, Zwitserland, 
Oostenrijk en, voor zover het mij op 
dit moment bekend is, de Angelsak– 
sische landen. Ik heb nooit en te 
nimmer vernomen dat de huwelijks– 
voltrekking in die landen een minder 
plechtig karakter draagt dan in 
Nederland. Zoals al in de schriftelijke 
behandeling is aangegeven, is het in 
de Internationale commissie voor de 
burgerlijke stand gelanceerde project 
voor harmonisatie van de inhoud van 
de akte, een zeer serieuze zaak. In 
Italië en in Luxemburg wordt gewerkt 
aan de invoering van staatakten. Zij 
voegen zich dus ook toe aan de 
zojuist opgesomde reeks van landen. 
Daartoe is te meer aanleiding, nu 
wordt beoogd om de vaste 
vermelding in deze akte te voorzien 
van een code aan de hand waarvan 
deze vermeldingen kunnen worden 
vertaald. Zo u wilt: modern times, 
moderne tijden, maar die zijn er dan 
ook, voorzitter! 

Over de wenselijkheid van de 
invoering van staatakten is eerder al 
het nodige gezegd De internationaal 
beoogde standaardisatie biedt grote 
praktische voordelen, waaronder ook 
het voordeel van een rangschikking 
van gegevens naar hun privacyge– 

voeligheid. 

17 februari 1993 
Tweede Kamer Burgerlijke stand TK 50 50-3718 


Kosto 

Door de commissie-Mulder is veel 
zorg besteed aan de uitwerking van 
de toekomstige aktenmodellen. Ik 
zou het bepaald heel jammer vinden 
als van het resultaat van dat werk 
geen gebruik zou worden gemaakt. 
Ik roep nog even de prijzende 
woorden in herinnering die zojuist 
zijn uitgesproken. Laat ik op dit punt 
tot slot vermelden, dat dit wetge– 
vingsproject door de Internationale 
commissie voor de burgerlijke stand 
met belangstelling wordt gevolgd en 
dat een en ander zeker een stimulans 
zal zijn voor de andere lidstaten van 
die commissie. 

De heer Schutte (GPV): Voorzitter! 
Dit element van de discussie spitst 
zich toe op het ceremonieel tijdens 
de huwelijksvoltrekking van het 
voorlezen van de akte. Voor een 
aantal mensen is dat toch een 
wezenlijk bestanddeel van dat 
ceremonieel. De staatakte die nu als 
bijlage bij het rapport van de 
commissie-Mulder is gevoegd, leent 
zich niet voor voorlezen. Die heeft 
inderdaad het karakter van, wat 
onvriendelijk uitgedrukt, een aanmel– 
dingsformulier. Kan men niet via een 
bepaalde grafische vormgeving een 
dergelijke akte zodanig inrichten dat 
zij tevens geschikt is om voorgelezen 
te worden? 

Staatssecretaris Kosto: Een 
grafische vormgeving dient het oog 
te strelen en niet het oor. Voor het 

handzaam en verwerkbaar formu– 
leren van gegevens - het woord 
code is gevallen - ligt hier een 
beperking. Ik wijs nogmaals op de 
eigen verklaring van de ambtenaar 
van de burgerlijke stand van de te 
huwen personen en zijn mogelijke 
toespraak voor degenen die 
ceremonie wensen. De heer Schutte 
riep immers dat beeld op van 
degenen die ceremonie wensen. 
Naar mijn vaste overtuiging kunnen 
de zaken hier hand in hand gaan. De 
efficiency die ook een internationale 
waarde krijgt zoals ik zojuist aangaf 
en de behoefte aan ceremonie 
kunnen beide gediend worden, ook 
al zal niet die akte zoals tot dusverre 
gebruikelijk is geweest, worden 
voorgelezen. Ik denk eigenlijk dat wij 
hier praten over iets dat in het 
verleden standaard was maar dat in 
de nieuwe vormgeving, in de 
toekomst, niet behoeft te verhin– 

deren dat wij bij het huwelijk ook 

ceremonie zullen zien. 

De heer Schutte (GPV): Zeker 
behoeft niet alles te blijven wat 
geweest is. Het is alleen de vraag of 
je datgene wat de staatssecretaris 
erkent als een relevant gegeven, 
namelijk de ceremonie bij de 
huwelijksvoltrekking, bewust moet 
gaan verminderen door niet meer de 
mogelijkheid te creëren dat de akte 
als onderdeel van die ceremonie 
wordt voorgelezen. Ik heb de indruk 
dat door een andere grafische 
vormgeving van de staatakte er een 
lopend zinsverband kan worden 
gemaakt, dat kan leiden tot het 
voorlezen van de akte. De voordelen 
die de staatssecretans ziet in een 
staatakte en die ik ook niet zal 
ontkennen - ik wijs op het reprodu– 
ceren en de internationale vergelijk– 
baarheid - kunnen toch ook via die 
grafische vormgeving bereikt 
worden? 

Staatssecretaris Kosto : Ik ben 
graag bereid, te doen bezien of de 
waarden die ik uitgesproken heb en 
die aan het wetsvoorstel ten 
grondslag liggen, behouden kunnen 
blijven als wij de documenten 
inrichten zoals de heer Schutte wil. 
Ik weet niet of we eruit kunnen 
komen maar ik ben bereid, te doen 
bezien of dat mogelijk is. Dat 
voorlezen kan natuurlijk altijd maar 
het risico is aanwezig dat als men 
zo'n code-akte voorleest, dit een 
bijna ridicule werking zou kunnen 
krijgen. Dat ware te vermijden. Ik 
wijs er nogmaals op, dat er in de 
toespraak veel mogelijk is. Maar als 
het inrichten van het document 
zodanig kan zijn dat er vloeiende 
zinnen uit kunnen voortvloeien die 
men kan voorlezen, zal ik dat doen 
bezien, mits er geen afbreuk wordt 
gedaan aan de waarden die wij met 
dit wetsvoorstel op dit punt 
nastreven. 

Voorzitter! De heer Schutte heeft 
gesproken over de getuigen bij het 
huwelijk. Het is een niet te 
ontkennen feit dat de harmonisatie 
van de akte met zich brengt dat de 
vermelding van de getuigen in de 
akte achterwege blijft. De heer 
Schutte noemt het argument dat er 
op internationaal niveau toe heeft 
geleid om de vermelding niet langer 
noodzakelijk te achten; voor het 
bewijs van het huwelijk spelen de 

getuigen in de praktijk geen rol 
Daarvan is de heer Schutte zich ook 
bewust. Hij meent echter dat de 
sociale functie van de aanwezigheid 
van de getuigen met zich moet 
brengen dat toch tot vermelding 
wordt overgegaan en wel in het vak 
voor de bijzondere gegevens. Ik geef 
toe dat daartoe technisch gezien 
inderdaad de mogelijkheid bestaat, 
maar ik voel daar niet zoveel voor. 
Zoals ik zojuist al betoogde, vormt 
de toekomstige inhoud van de akte 
geen belemmering voor het houden 
van een passende ceremonie. De 
ambtenaar van de burgerlijke stand 
dient nog steeds tevoren na te 
vragen wie als getuigen zullen 
optreden. Voordat het huwelijk wordt 
voltrokken, zal door hem moeten 
worden vastgesteld dat deze 
getuigen ook metterdaad aanwezig 
zijn. Ik memoreer in dit verband dat 
de Nederlandse vereniging van de 
ambtenaren van de burgerlijke stand 
het instituut "getuigen" geheel wilde 
afschaffen. Ik zou niet zover willen 
gaan, maar zou anderzijds liever ook 
geen concessies willen doen wat de 
gewenste modernisering van de akte 
betreft. Hier ligt dus duidelijk een 
compromis. De getuigen blijven nog 
wel, ondanks krachtig advies van 
deskundige zijde. Ik denk dat het 
goed is om daarmee niet verder te 
gaan dan strikt nodig is. 

Voorzitter! De heer Schutte kwam 
vervolgens te spreken over de 
toekomstige automatisering van de 
burgerlijke stand. Hij signaleerde in 
dit verband dat hij daartoe wel 
mogelijkheden ziet, maar niet toe is 
aan de vervanging van de ambtenaar 
van de burgerlijke stand door een 
robot. Op dat punt kan ik de heer 
Schutte geruststellen. De studie naar 
mogelijkheden van verdere automati– 
sering is inmiddels ter hand 
genomen door een speciaal daartoe 
in het leven geroepen werkgroep. 
Deze werkgroep zal zich ook moeten 
buigen over de niet eenvoudige 
vraag of een verdere modernisering 
van de burgerlijke stand een ingreep 
in het bestaande bewijsrecht met 
zich moet brengen. Dat vraagt een 
diepgaand onderzoek, te meer daar zoals 
de heer Schutte zelf stelde - er 
in andere landen geen precedenten 
zijn. 

De heer Schutte blijft het vreemd 
vinden dat volgens de toekomstige 
regeling leges zullen worden 
geheven ter zake van het ambtshalve 

17 februari 1993 
Tweede Kamer Burgerlijke stand TK50 

50-3719 


Kosto 

toezenden van stukken aan betrok– 
kenen. Anders dan de heer Schutte 
meen ik dat er voldoende 
argumenten zijn voor zo een heffing. 
De ambtshalve toezending geschiedt 
in daarvoor in aanmerking komende 
specifieke gevallen. Zij geschiedt 
uitsluitend in het belang van de 
betrokkene. Ik ben mij ervan bewust 
dat het niet zal lukken, de leges in 
alle gevallen te innen. Maar dat mag 
voor mij geen reden zijn om van een 
heffing af te zien. 

Voorzitter! Er is door alle geachte 
afgevaardigden en in het bijzonder 
door de heer Schutte gesproken over 
het probleem van valsheid in 
geschrift en verduistering van staat 
bij geboorte-aangifte. Dat heeft, de 
heer Schutte zei dat ook, al enkele 
jaren mijn aandacht en de aandacht 
van de minister van Justitie. 
Inderdaad is het bij de huidige 
regeling betrekkelijk eenvoudig - ik 
geef dat toe - om een niet bestaand 
kind aan te geven of om een al 
eerder aangegeven kind nog eens 
een keer aan te geven. Daarnaast 
kan er sprake zijn van verduistering 
van staat in verband met draagmoe– 
derschap, een onderwerp waaraan 
het eerste deel van deze vergadering 
was gewijd. Het is bijzonder moeilijk 
na te gaan, op welke schaal dit 
probleem zich voordoet. Dat maakt 
het weer moeilijk om te beslissen of 
maatregelen vereist zijn en, zo ja, 
hoe zwaar die maatregelen moeten 
zijn. Omdat in het door Nationale 
raad voor de volksgezondheid naar 
voren gebrachte bezwaar geen 
doorslaggevend argument kon 
worden gevonden om af te zien van 
de maatregel waarbij aan de medici 
een zekere rol toekomt als het gaat 
om het voorkomen van fraude, is 
inmiddels opnieuw - ik zeg met 
nadruk "opnieuw" - overleg geopend 
met de staatssecretaris van Welzijn, 
Volksgezondheid en Cultuur. Ik ga 
ervan uit, dat wij binnenkort ter zake 
een beslissing kunnen nemen. 

Bij de behandeling van dit punt wil 
ik ook het amendement van de 
geachte afgevaardigden mevrouw 
Bijleveld en de heer Wiebenga 
betrekken. Zojuist zei ik al, dat met 
de staatssecretaris van WVC overleg 
plaatsvindt. Hij houdt zich ook bezig 
met de gedachten en de mogelijk– 
heden die in de kring van de medici 
naar voren worden gebracht. 
Mevrouw Bijleveld zei niet onder de 
indruk te zullen zijn als de mensen 

uit die kring tegen zijn. Ik wijs er 
echter op, dat als wij legels 
invoeren, wij er ook voor moeten 
zorgen dat die regels een functie 
hebben, dat zij zinvol zijn en dat bij 
het opstellen van de regels geen 
dingen over het hoofd worden 
gezien. Zonder te beweren dat de 
Kamer iets over het hoofd zou 
kunnen zien, lijkt het mij toch 
verstandig ons bezig te houden met 
voor de hand liggende vragen. Wij 
dienen ons dan ook af te vragen wat 
bijvoorbeeld de waarde is van de 
bedoelde medische verklaring. 

Stel dat een medicus verklaart dat 
er een kind geboren is uit X. Maar 
wie is X dan? Moet de medicus zo 
ver gaan, dat hij zich ook vergewist 
van de identiteit van de moeder? 
Moet hij overgaan tot het opvragen 
van papieren? Als hij daartoe niet 
verplicht kan worden, wat is dan de 
waarde van het attest dat wordt 
overgelegd wanneer gesproken 
wordt van een kind, geboren uit zich 
noemende X? Kortom, in dit verband 
is een aantal vragen aan de orde die 
vrij fundamenteel zijn. Die vragen 
moeten wij toch beantwoorden. Wij 
kunnen niet zeggen: die mensen 
hebben er geen zin in en dan moet 
het maar niet. Wij moeten ons 
daarentegen vooral oriënteren op de 
vraag: als wij een regeling invoeren 
die verplichtingen en kosten met zich 
brengt, wat is dan de waarde van het 
produkt dat wij op grond van de wet 
aan de samenleving ontlokken? Heeft 
dat de waarde die wij nodig hebben? 
Kortom, dit soort vragen zijn hierbij 
aan de orde. 

Voorzitter! Ook door mevrouw Van 
der Burg is naar het regerings– 
standpunt in dezen gevraagd. Het is 
nu haif februari. Als de regering van 
het paasreces terugkomt, moet dat 
standpunt er zijn. Ik wil mij ertoe 
verplichten, het daarheen te leiden 
dat zulks mogelijk is. Van mijn kant 
wordt het ook wel degelijk wenselijk 
geacht om op dit punt met regel– 
geving te komen. Nu wil ik het 
amendement sterk ontraden, maar 
nu is wel sprake van een zeer 
positieve geladenheid van mijn 
woorden. Ik ontraad het 
amendement namelijk met de 
toezegging, dat wetsvoorstellen 
zullen worden ontwikkeld. Voordat 
de maand april voorbij is, hoop ik de 
Kamer iets te hebben meegedeeld 
over het hoe en waarom. 

Mevrouw Bijleveld-Schouten 
(CDA): Voorzitter! De staatssecre– 
taris zegt opnieuw het overleg met 
WVC te hebben geopend. Wellicht 
kan hij wat meer vertellen over zijn 
inzet in dat overleg. Een mededeling 
daarover kan voor ons van belang 
zijn bij onze afweging. 

Staatssecretaris Kosto : Voorzitter! 
De inzet heeft betrekking op de door 
mevrouw Bijleveld aangehaalde 
discussies over ISMO. Inderdaad is 
hierbij sprake van het risico van 
fraude. Ik zie dat de heer Wiebenga 
zich van zijn zetel verheft. Wellicht 
wil hij vragen stellen over het 
openbaar ministerie. Ik zal de Kamer 
schriftelijk laten weten wat de bevin– 
dingen van het OM zijn geweest met 
betrekking tot de concrete zaken die 
aan de orde zijn geweest. De 
geachte afgevaardigde heeft over 
sommige, concrete zaken gesproken. 
Ik moet nagaan hoe het daarmee 
staat. Het punt van de fraudegevoe– 
ligheid wordt door het ministerie van 
Justitie heel nadrukkelijk in het debat 
ingebracht. De inbreng houdt 
voldoende overtuigingskracht in zich 
om tot een regeringsstandpunt te 
komen. Zoals men weet, is het 
standpunt van één minister of van 
éèn staatssecretaris onvolkomen als 
dat standpunt niet namens het 
gehele kabinet kan worden gepre– 
senteerd. Daarvoor is overleg nodig 
en soms ook overtuigingskracht. 
Naar mijn mening is daarvoor het 
materiaal voorhanden. Kortom, ik 
hoop dat de geachte afgevaardigden 
die het amendement hebben 
ingediend, de ruimte zullen vinden 
om dat in te trekken. Zij zouden dat 
kunnen doen op basis van mijn 
toezegging, dat ik als het ware regel– 
geving aan de horizon zie en dat ik 
met een nader bericht hoop te 
komen. Dat betekent ook, dat de 
minister van Justitie, die hier ook de 
ISMO-problematiek behandelt en die 
de eerstverantwoordelijke is voor de 
wetgeving ter zake, nu door mij aan 
deze afspraak wordt gebonden. Daar 
zal hij geen bezwaar tegen hebben. 
Dus eind april hoop ik de Kamer op 
dit punt nader te kunnen informeren. 
Ik hoop dat dit kan inhouden dat het 
amendement niet in stemming hoeft 
te komen. 

De heer Schutte refereert aan het 
arrest van de Hoge Raad waarin 
werd beslist dat de rechtbank slechts 
tot taak heeft, benoemde ambte– 

17 februari 1993 
Tweede Kamer Burgerlijke stand TK50 50-3720 


Kosto 

naren te beëdigen. De heer Schutte 
zei: de verwachting over de wijze 
waarop zij te zijner tijd hun ambt 
zullen uitoefenen, mag geen 
aanleiding zijn hen niet te beëdigen. 
Hij citeerde hiermee de jurispru– 
dentie. Terecht wijst de heer Schutte 
er in dit verband op dat de buiten– 
gewoon ambtenaar van de burger– 
lijke stand uitsluitend met de 
voltrekking van het huwelijk belast 
zal zijn en niet met de registratie van 
de aangifte. De gewone ambtenaar 
van de burgerlijke stand zal moeten 
beoordelen of er termen zijn om het 
opmaken van een akte van aangifte 
te weigeren. Ik attendeer erop, dat in 
het kader van het wetsvoorstel 
inzake de schijnhuwelijken, 
wetsvoorstel 22488, bij nota van 
wijziging is voorgesteld, dat alle voor 
het aangaan van een huwelijk 
benodigde bescheiden reeds vóór de 
aangifte worden overgelegd. Dit 
maakt het ook in andere gevallen 
dan het geval van het schijnhuwelijk 
voor de betrokken ambtenaar 
gemakkelijker om na te gaan of hij 
de aangifte zal moeten weigeren. 
Blijkt naderhand dat een akte van 
aangifte is opgemaakt voor personen 
die, zoals in het door de heer 
Schutte bedoelde geval, onbevoegd 
zijn om een huwelijk aan te gaan dan 
ligt het voor de hand dat het huwelijk 
gestuit wordt. Overigens bepaalt 
artikel 57 van het eerste boek van 
het Burgerlijk Wetboek dat een 
ambtenaar aan wie een huwelijksbe– 
letsel bekend is, niet aan de aangifte 
of de voltrekking van het huwelijk 
mag meewerken, ook al zou geen 
stuiting hebben plaatsgevonden. 

De heer Schutte wijst nog op de 
kans op misbruik van de 
bevoegdheid door de ambtenaar van 
de burgerlijke stand. Uit hetgeen ik 
over de praktijk van deze beroeps– 
sector verneem, meen ik te kunnen 
vertrouwen dat daarvan geen sprake 
zal zijn, zeker nadat de Hoge Raad 
zich recent zo duidelijk heeft uitge– 
sproken over het huwelijk van twee 
personen van gelijk geslacht. 

Van de wens van de heer Schutte 
om ervoor te zorgen dat de 
huwelijksvoltrekking haar eigen 
karakter behoudt, heb ik goede nota 
genomen. Dat is ook wel gebleken 
uit de uitvoerige aandacht die wij 
hier samen aan hebben geschonken. 
Maar anders dan hij, voorzitter, denk 
ik dat aan die handhaving niets in de 
weg staat. De ambtenaren van de 

burgerlijke stand zijn met het 
maatschappelijke element van hun 
taak zeer vertrouwd. Ik ben ervan 
overtuigd dat de stroomlijning van 
de regelgeving op geen enkele wijze 
daaraan een element van afbreuk zal 
toevoegen. 

Mijnheer de voorzitter! Mevrouw 
Bijleveld heeft haar teleurstelling 
uitgesproken over het slechts 
gedeeltelijk functioneren van de 
toezichthoudende taak van het 
openbaar ministerie. Gelet op de 
steeds zwaardere strafvorderlijke 
taken van het openbaar ministerie 
kon deze instantie de taak betref– 
fende de burgerlijke stand inderdaad 
niet substantieel uitvoeren. Dat is de 
Kamer ook wel bekend. Bij de 
Permanente commissie burgerlijke 
stand komen maar een paar - en dat 
is zelden - signalen binnen dat een 
ambtenaar van de burgerlijke stand 
zijn taak niet goed vervult. Daarom 
wordt het toereikend geacht dat met 
door het gemeentebestuur uit te 
oefenen disciplinair toezicht wordt 
volstaan. Zijn er klachten over 
bijvoorbeeld fouten in een akte, dan 
kan op grond van artikel 29 van het 
eerste boek van het Burgerlijk 
Wetboek, de rechter te hulp worden 
geroepen, die een bevel tot bijvoor– 
beeld aanpassing van de akte kan 
geven. In die samenhang wordt dit 
probleem mijns inziens wel opgelost. 

Mevrouw Bijleveld gaf, met 
betrekking tot het wetsvoorstel, een 
beschrijving van het schijnhuwelijk. 
Die beschrijving is inderdaad de 
juiste. 

Mevrouw Bijleveld heeft aandacht 
gevraagd voor de kwestie van de 
inschrijving van buitenlandse 
kinderen in het bevolkingsregister. Ik 
zeg het ongaarne, maar dit valt niet 
onder de competentie van Justitie 
maar onder die van Binnenlandse 
Zaken. Bovendien is hier ook een 
probleem voor Sociale Zaken en 
Werkgelegenheid in het geding. Ik 
hecht eraan, hier met enige nadruk 
te vertellen dat de geciteerde fraude 
met Turkse kinderen, waar publiciteit 
over is geweest, niets te maken had 
met een ambtenaar van de burger– 
lijke stand. Dit kan misschien een 
misverstand ophelderen. Dat is een 
probleem dat zich in het buitenland 
heeft voorgedaan en daar stond onze 
burgerlijke stand geheel buiten. 

Artikel 18 betreft de bevoegdheid 
van de ambtenaar van de burgerlijke 
stand om zich stukken te doen 

overleggen. Mevrouw Bijleveld vroeg 
of dat niet eigenlijk een verplichting 
zou moeten zijn in plaats van een 
bevoegdheid. De ratio van het 
voorstel is hierin gelegen dat de 
ambtenaar van de burgerlijke stand 
veelal over een aantal van de 
gegevens beschikt. Hij hoeft niet van 
alles een afschrift te hebben. Wij 
mogen ook wel enig vertrouwen 
hebben in de professionaliteit van de 
ambtenaar in kwestie. Hiermee krijgt 
hij zijn bevoegdheid om stukken te 
vragen. Hij zal niet verplicht hoeven 
te worden om te vragen wat hij al 
weet. Ik hoop dat dit een afdoende 
verklaring is. 

Ook de heer Wiebenga sprak over 
de kwestie van de Turkse kinderen. 
Ik zei al dat er geen ambtenaar van 
de burgerlijke stand bij is betrokken. 
Ik zal bij het openbaar ministerie 
navraag doen naar deze concrete 
zaak. Als het op prijs wordt gesteld, 
dan zal ik de Kamer daar schriftelijk 
over berichten. 

De heer Wiebenga sprak over de 
kwestie van de babyhandel. Dat is 
inderdaad een kwalijk euvel, dat zich 
evenwel vooral in het buitenland 
voordoet. Waar dat het geval is, 
kunnen wij dat eigenlijk alleen maar 
tegengaan door internationale 
afspraken. Een voorbeeld van dat 
type afspraken op dit punt is het 
Haagse adoptieverdrag. In dat kader 
heeft dit zeker niet alleen onze 
aandacht, maar ook die van de 
overige landen die ter zake met ons 
in discussie zijn. 

De heer Wiebenga sprak ook over 
de schijnhuwelijken. Er komt 
wetgeving, akkoord, alles goed en 
wel, maar wat gebeurt er in de 
tussentijd zolang die wet er nog niet 
is? Deze problematiek, die 
deskundige ambtenaren zoals die 
van de burgerlijke stand wel bekend 
zal zijn, is nog eens nadrukkelijk 
onder hun aandacht gebracht via een 
circulaire die op 7 mei 1992 is 
uitgegaan. Daardoor zal iemand niet 
meer wereldvreemd kunnen zeggen 
dat hij of zij zich dat niet bewust is, 
want dat is wel degelijk bekend. Ook 
het openbaar ministerie is alert. Er 
zijn een paar strafvervolgingen 
geweest, in het bijzonder wegens 
schijnerkenningen. Aangenomen 
mag worden dat de ambtenaar van 
de burgerlijke stand door die circu– 
laire nu ook alert is, als hij dat niet al 
was, op schijnhuwelijken. Het 
probleem is alleen dat hij of zij nu 

17februari 1993 
Tweede Kamer Burgerlijke stand TK50 50-3721 


Kosto 

weinig kan ondernemen tegen die 
schijnhuwelijken. Het wetsvoorstel is 
uiteraard van groot belang om het 
instrument daarvoor aan te reiken. In 
mijn antwoord aan de heer Schutte 
heb ik al gezegd dat de beoogde 
datum van inwerkingtreding 1 januari 

a.s. is. Ik wil de Kamer dan ook 
voorstellen, daarop aan te koersen 
en niet te wachten op het 
wetsvoorstel inzake de aangifte van 
de geboorte, dat ik zojuist in het 
vooruitzicht stelde. Ik denk dat dit 
separaat kan gaan. Ik heb bij alle 
afgevaardigden waardering gemerkt 
voor het wetsvoorstel dat zojuist is 
besproken, ook bij mevrouw Van der 
Burg. Ik proefde overigens bij haar 
dat zij niet zo'n behoefte had aan het 
amendement als haar duidelijk zou 
worden gemaakt dat er wel degelijk 
wetsvoorstellen zouden komen. Ik 
hoop dat haar visie door de Kamer 
wordt gevolgd. Ik heb grote 
waardering voor de gedachte achter 
het amendement, maar ik houd een 
pleidooi om het daarheen te leiden 
dat wij ons binnen redelijke tijd 
kunnen buigen over een speciaal 
wetsvoorstel ter zake waarin alle 
aspecten, die dan ook met WVC zijn 
doorgesproken, in het geding kunnen 
komen. 
D 

De heer Schutte (GPV): Mijnheer de 
voorzitter! Ik dank de staatssecre– 
taris voor zijn uitvoerige beant– 
woording. 

Als er een bruidspaar is dat geen 
prijs stelt op een uitvoerig huwelijks– 
ceremonieel, dan is er zeker met de 
nieuwe regelgeving alle mogelijkheid 
om dat tot een minimum te 
beperken. Voor die categorie is er 
dus geen probleem. Het voorlezen 
van de akte is met de voorgestelde 
regelgeving niet meer mogelijk en 
dus ook niet verplicht. Dat onderdeel 
kan dus ook geen problemen 
opleveren voor die categorie. 

Ik kijk echter ook naar de andere 
categorie, die naar mijn indruk nogal 
substantieel is. Het gaat dan om 
degenen die de huwelijksdag als een 
hoogtepunt beschouwen, niet alleen 
voor het bruidspaar zelf maar ook 
voor familie, vrienden en kennissen. 
Zij vinden het ceremonieel erbij 
derhalve wel belangrijk. Uiteraard 
gaat het dan om het tekenen van de 
akte in welke vorm dan ook. 
Bovendien kan er een toespraak 

worden gehouden. Dat hangt af van 
plaatselijke omstandigheden en van 
de vraag of de betrokkenen er prijs 
op stellen. De ene ambtenaar slaagt 
er overigens beter in om dat op een 
aantrekkelijke wijze te doen dan de 
ander. Ik denk dan ook dat wij dat 
niet als een wezenlijk bestanddeel 
van het ceremonieel moeten 
beschouwen. Wat de afgelegde 
verklaringen betreft, gaat het om de 
verklaring van de ambtenaar van de 
burgerlijke stand waar vervolgens, 
naar ik aanneem, het "ja" op volgt. 
En dan is het, aldus het wetsvoorstel, 
voorbij. 

Is het zo bezwaarlijk als wij het 
voorlezen van de akte, dat daar nu 
traditioneel nog op volgt, niet meer 
imperatief maar facultatief eraan 
toevoegen? Als de staatssecretaris 
zo hecht aan een staatakte - ik zie er 
ook wel voordelen van - dan moet 
het toch mogelijk zijn om er een 
grafische vorm aan te geven 
waarmee je de voordelen van die 
staatakte kunt handhaven en er 
tegelijkertijd een logisch zinsverband 
in kunt aanbrengen, waardoor de 
akte zonder meer geschikt is om te 
worden voorgelezen en vervolgens 
van handtekeningen te worden 
voorzien. Ik heb begrepen dat de 
staatssecretaris daar nog naar wil 
kijken. Aan die toezegging houd ik 
hem graag. Het zou wat overtrokken 
zijn om dit punt in de vorm van een 
uitspraak aan de Kamer voor te 
leggen. Zijn woorden moeten genoeg 
zijn. 

De staatssecretaris zegt dat het 
technisch mogelijk is om de getuigen 
op de akte te vermelden, ook bij 
handhaving van de staatakte. Dat is 
een belangrijk gegeven. Er zijn dus 
geen technische bezwaren. Er wordt 
ook erkend dat de getuigen in de 
nieuwe situatie geen functie hebben 
in de bewijsvoering. De getuigen 
hebben wel, zoals de staatssecretaris 
ook opmerkte, een sociale functie. 
Wat is die sociale functie dan in de 
praktijk? Dat is niet zozeer het feit 
dat er voor het huwelijk een briefje 
wordt overgelegd met de namen van 
de getuigen die men straks zal 
aantreffen. Er zullen immers 
waarschijnlijk wel meer aanwezigen 
zijn dan de paar getuigen die worden 
opgegeven. Die mensen tref je dan 
ook aan. Hun functie is wel dat zij 
toch enige rol vervullen bij het 
ceremonieel. Tot nog toe kwam dat 
tot uiting in de vermelding van hun 

naam in de akte en vervolgens ook 
door het door hen ondertekenen van 
de akte. Ik denk dat dit door velen 
wordt gewaardeerd. Als daar geen 
belangrijke bezwaren tegen bestaan 
met het oog op de functie van de 
huwelijksvoltrekking of van de akte, 
dan vraag ik mij af wat erop tegen is 
om dat ook in de toekomst mogelijk 
te laten zijn. Ik vraag de staatssecre– 
taris dan ook of zijn toezegging om 
een en ander nog eens te bezien, 
ook niet kan gelden voor dat aspect. 

De meeste punten zijn door de 
staatssecretaris naar genoegen 
beantwoord Daaraan kan ik nu dus 
voorbijgaan, zij het dat ik even 
memoreer dat ik het nog steeds niet 
met hem eens ben over de leges. 
Daarover hebben wij evenwel al 
genoeg gezegd. Ik laat het daarbij. 

Wellicht ten overvloede attendeer 
ik erop dat het laatste woord van het 
voorgestelde zevende lid in het 
amendement van mevrouw Bijleveld 
en de heer Wiebenga niet correct is. 
Er moet, dunkt mij, sprake zijn van 
"overgelegd". Dat is een kwestie van 
bijstelling. De staatssecretans pleitte 
ervoor om hem de gelegenheid te 
geven, de discussie met WVC af te 
ronden. Die gelegenheid heeft hij 
natuurlijk al heel lang gehad, dus dat 
is niet zo'n imponerend argument. 
Hij vroeg ook: wat is nu de waarde 
van een dergelijk attest als bijvoor– 
beeld als naam van de moeder 
"mevrouw X" wordt vermeld. Dat is 
in ieder geval van waarde voor de 
ambtenaar van de burgerlijke stand. 
Als deze ambtenaar bij de aangifte 
met een dergelijk attest wordt 
geconfronteerd, dan zal hij of zij 
denken: hier moet ik toch eerst eens 
goed nagaan of ik wel zonder meer 
tot het opmaken van de akte kan 
overgaan. Het is ook niet zo gefor– 
muleerd, dat de overlegging van het 
attest een soort ontbindende 
voorwaarde zou zijn om de akte op 
te kunnen maken. Het is dus niet een 
noodzakelijk bestanddeel daarvan, 
maar er is wel sprake van een 
verplichting in de richting van 
degene die een aangifte komt doen 
in de zin van: denk erom, je moet 
iets meebrengen, namelijk een 
attest. Als dat vragen oproept, dan is 
dat precies wat wij willen bereiken, 
als wij zeggen: wij moeten iets meer 
hebben dan alleen maar de aangifte 
van de man of vrouw, die vanuit welk 
oogpunt dan ook een aangifte komt 
doen. Er wordt een aangifte gedaan. 

17 februari 1993 
Tweede Kamer Burgerlijke stand TK50 50-3722 


Schutte 

Dat kan de vader zijn, maar het kan 
ook de verloskundige zijn. Er zijn 
verschillende mogelijkheden. Die 
moeten dus het attest meebrengen. 
Is het de vader, dan kan de desbe– 
treffende vraag meteen al aan de 
orde komen. Is het de verloskundige, 
dan is dat waarschijnlijk ook degene 
die het attest invult. Dan is de zaak 
ook helder, want de verloskundige 
zal verklaren uit wie het kind geboren 
is. Ik zie dus niet in welke problemen 
zich voordoen, als wordt voorge– 
schreven wat hierin staat. Ik zie 
eigenlijk alleen maar voordelen. Als 
er echt iets mis is, waardoor men 
iets wil verbergen, dan kan het juist 
om die gevallen gaan, waarbij extra 
onderzoek voor de hand ligt. 

D 

Mevrouw Bijleveld-Schouten 
(CDA): Voorzitter! Ook ik dank de 
staatssecretaris voor zijn uitgebreide 
en uitvoerige beantwoording. 

Ik kom eerst terug op in het 
buitenland geboren kinderen. Ik heb 
dat punt anders gebracht, dan uit het 
antwoord van de staatssecretaris 
blijkt. Ik heb gesteld: zouden wij 
geen documenten moeten hebben, 
geverifieerd door onze eigen ambas– 
sades in het buitenland - ik begrijp 
overigens, dat dit op een ander 
terrein ligt - zodat in ieder geval een 
gelegaliseerd papier kan worden 
overgelegd bij inschrijving in het 
bevolkingsregister? Dat is in ieder 
geval een betere waarborg voor een 
juiste aangifte, dan wanneer er geen 
enkel papier is. Ik heb deze kwestie 
dus in dat kader gebracht. Ik heb de 
staatssecretaris verder verzocht om 
dat punt, ook in het kader van de 
ISMO-discussie, nog eens op te 
pakken. Ik kan mij voorstellen, dat dit 
in samenwerking met andere 
collega's moet gebeuren, maar het 
punt moet niet onder tafel 
verdwijnen. 

Dan het door mij en de heer 
Wiebenga ingediende amendement. 
Het is van groot belang om dat 
amendement momenteel boven de 
markt te laten hangen. Er is al 
minstens twee jaar overleg mogelijk 
geweest. Wat dat betreft viel het mij 
op, dat de staatssecretaris in zijn 
antwoord zei, dat hij opnieuw 
overleg had gestart. In de schrifte– 
lijke voorbereiding is echter steeds 
naar die punten gevraagd. Het is mij 
onduidelijk in welke vorm het 

regeringsstandpunt ons rond Pasen 
zal bereiken. Misschien kan de 
staatssecretaris daar wat meer over 
zeggen. Inhoudelijk heb ik niet zoveel 
bezwaren van de staatssecretaris 
tegen het amendement gehoord. De 
waarde van het amendement is wat 
dat betreft wel duidelijk. De heer 
Schutte heeft die ook heel goed 
aangegeven. Het gaat om het zoveel 
mogelijk tegengaan van fraude. Ik 
realiseer mij daarbij dat niet alles 
kan, maar een dergelijke verklaring 
kan een goede bijdrage aan het 
tegengaan van fraude leveren. Er is 
in ieder geval iets meer aantoonbaar 
dan nu. Ik hoor verder graag wat 
meer inhoudelijke argumenten van 
de staatssecretaris, met name waar 
het gaat om zijn inzet in het overleg 
tot nu toe. Wil hij deze kwestie 
overigens in Titel 4 regelen? Als de 
staatssecretaris met een nader 
wetsvoorstel komt, dan zal de 
procedure nog wel enige tijd in 
beslag nemen. Dan is er veel tijd 
verstreken, terwijl wij nu relatief 
simpel iets aan deze problematiek 
zouden kunnen doen. 

Mevrouw Van der Burg (PvdA): 
Mevrouw Bijleveld wil de fraude en 
de fraudegevoeligheid via dit 
amendement voorkomen. Ik kan mij 
daar iets bij voorstellen. Zij zei er 
echter bij, dat lang niet alle fraude in 
deze sfeer kan worden voorkomen. 

Dat is terecht. Ik vraag haar in dat 
verband, of zij er geen behoefte aan 
heeft om al die andere argumenten 
die in de loop van de afgelopen vijf 
jaar door diverse instanties naar 
voren zijn gebracht, ook nog eens te 
horen en af te wegen. 

Mevrouw Bijleveld Schouten 

(CDA): In de memorie van antwoord 
is het meerderheidsstandpunt van de 
Permanente commissie voor burger– 
lijke stand en nationaliteitsaangele– 
genheden weergegeven. Voor het 
voorkomen van dubbele aangiften en 
aangiften van niet bestaande 
kinderen kan een attestverplichting 
een oplossing zijn. De privacy en het 
verschoningsrecht zouden daar niet 
boven moeten prevaleren. Deze 
vormen van fraude zijn te bestrijden 
en voor andere vormen zullen nieuwe 
oplossingen bedacht moeten 
worden. Waarom zouden wij deze 
fraude niet via een kleine wijziging 
tegengaan? Er wordt al jaren op 
aangedrongen, onder anderen door 

mevrouw Haas-Berger. 

Mevrouw Van der Burg (PvdA): Ik 
ben het met u eens dat deze vormen 
van fraude via het aan de orde zijnde 
wetsvoorstel bestreden kunnen 
worden. De vraag is echter of een 
attestverplichting wel uitvoerbaar is. 
Het lijkt mij beter om er nog eens 
een nachtje over te slapen. Het is 
niet zinnig, regelingen op te nemen 
die kennelijk niet uitvoerbaar zijn, 
zoals ik vernomen heb van de staats– 
secretaris. Ik stel dan ook voor, het 
kabinetsstandpunt ter zake in de 
Kamer te bespreken. Heel snel 
daarna kan de procedure van het 
wetsvoorstel vervolgd worden. Het is 
heel goed mogelijk dat uw 
amendement onderdeel van het 
wetsvoorstel zal uitmaken, maar 
eerst dient er een afweging te 
worden gemaakt. Er zijn al genoeg 
regels door het parlement opgesteld 
die niet uitvoerbaar bleken te zijn. 
Die afweging hoeft niet langer dan 
twee of drie maanden te duren. Wat 
zijn drie maanden op een periode 
van tien jaar? 

Mevrouw Bijleveld-Schouten 
(CDA): Er is al veel tijd verstreken. Ik 
heb overigens niet uitgesloten dat 
het wetsvoorstel kan worden aange– 

houden. Ik heb de staatssecretaris 
daar ook een aantal vragen over 
gesteld. Eerst wilde hij de Kamer een 
regeringsstandpunt doen toekomen 
en later sprak over een wetsvoorstel 
dat net na Pasen zal worden 
ingediend. Ik wacht met belang– 
stelling het antwoord van de staats– 
secretaris op mijn nadere vragen af, 
maar ik blijf voorshands van mening 
dat ons amendement een deel van 
de problematiek kan ondervangen. 

D 

DeheerWiebenga(VVD): 
Voorzitter! Ik dank de staatssecre– 
taris voor zijn antwoorden. Ik kom 
terug op de valse 
geboorte-aangiften. De argumenten 
van de staatssecretaris tegen 
aanneming van het amendement van 
mevrouw Bijleveld en mij zijn naar 
mening te licht. Hij vraagt begrip 
voor het feit dat hij opnieuw overleg 
moet plegen. Met de eerdere woord– 
voerders vind ik dat de staatssecre– 
taris en de regering alle tijd hebben 
gehad om een beslissing hierover te 
nemen. Ik zeg tegen mevrouw Van 

17 februari 1993 
Tweede Kamer Burgerlijke stand TK 50 

50-3723 


Wiebenga 

der Burg dat wanneer de regering 
daar kennelijk niet toe in staat is, het 
moment is aangebroken dat in de 
eigen fractie afwegingen gemaakt 
moeten worden. Welnu, mijn fractie 
heeft die afweging ook gemaakt. 

De tegenargumenten zijn zeer 
bekend. Van de zijde van de 
medische stand wordt het beroeps– 
geheim van de artsen aangevoerd, 
op grond waarvan men geen geboor– 
teverklaring zou kunnen of willen 
tekenen als medicus of vroedvrouw. 
Ook wordt de persoonlijke levens– 
sfeer van de moeder aangevoerd. 
Een van de eerdere sprekers heeft 
dit laatste punt terecht als "kul" 
bestempeld. Het gaat hier om de 
inschrijving van een belangrijke 
gebeurtenis in het leven, de 
geboorte. Dit heeft met de persoon– 
lijke levenssfeer van de moeder of 
met het beroepsgeheim van de 
artsen niets te maken. 

Door de geachte afgevaardigde 
mevrouw Van der Burg is bij inter– 
ruptie gevraagd of de regeling 
uitvoerbaar is. In de meeste 
Europese landen bestaat deze 
regeling gewoon en hoor je niets 
over de uitvoerbaarheid. Als deze 
regeling bij amendement wordt 
ingevoerd en de wet straks van 
kracht wordt, zullen de ambtenaren 
van de burgerlijke stand en de 
betrokken artsen en vroedvrouwen 
een kleine aanpassing in hun 
werkzaamheden moeten 
aanbrengen. Zij moeten behalve 
assisteren bij de natuurlijke geboorte 
een kleine administratieve handeling 
verrichten. Met alle respect: ik denk 
dat ook de PvdA-fractie ruim de tijd 
heeft gehad om deze elementen af 
te wegen. 

Mevrouw Van der Burg (PvdA): 
Voorzitter! Het argument of de 
attestverplichting al dan niet 
uitvoerbaar is, werd door de staats– 
secretaris zelf genoemd. Ik heb dit 
herhaald, omdat hier kennelijk 
problemen mee zijn. Graag wil ik dan 
ook van de staatssecretaris horen, 
wat de problemen zijn. 

De heer Wiebenga (VVD): Dat is uw 
goed recht. U bent niet de enige 
ambtenaar van de burgerlijke stand 
die hier af en toe aan zijn verleden 
denkt. Ik vind het argument dat de 
regeling niet uitvoerbaar zou zijn 
allerminst een overtuigend verweer. 
Ik vind dat deze uitvoerbaar is. Als 

dit niet zo is, moet dit aangetoond 
worden. Er bestaat een besluite– 

loosheid in de boezem van de 
regering, die niet redelijk is. Het 
parlement moet hier dan maar eens 
een knoop doorhakken. Daarom 

moet het amendement gehandhaafd 
worden. Wellicht doet zich hierbij 
een procedurevraag voor. De staats– 

secretaris zou kunnen voorstellen om 

het amendement in te trekken en na 
hernieuwd overleg zo mogelijk te 
komen met een nieuw wetsvoorstel. 

Ik voel daar nog veel minder voor. 

Dit wetsvoorstel zit nu al tien jaar in 
de molen en moet de Eerste Kamer 
nog passeren, maar ook een nieuw 
wetsvoorstel kost tijd. Als het in de 
boezem van de regering niet zo 
lekker loopt en als er jaren overleg 
nodig zijn om eruit te komen, zal een 
nieuw wetsvoorstel politiek wel 
ingewikkeld zijn. Mijn inzet is dat we 
het wetsvoorstel afhandelen, 
inclusief een stemming over het 
ameiidement. Als de regering dit niet 
wil is het niet aan ons om het 
wetsvoorstel hier aan te houden. Dan 
moet de regering verzoeken om het 
wetsvoorstel aan te houden Als de 
staatssecretaris inderdaad toezegt 
dat in een brief van de regering eind 
april uitsluitsel gegeven zal worden 
over dit amendement, kunnen wij 
met een heropening van de beraad– 
slaging het wetsvoorstel afronden. 

Dit is een aanzienlijk snellere wijze 
van wetgeving. Die weg zouden wij, 
gezien de uitvoerbaarheid, moeten 
bewandelen. Nogmaals, de inzet van 
mijn fractie is dat wij het 
wetsvoorstel per stemming binnen 
afzienbare tijd afhandelen. Als de 
regering hier niet aan toe is, dient zij 
voor eind april een nadere brief te 
schrijven, zodat het wetsvoorstel dan 
kan worden afgewikkeld. 

D 

Mevrouw Van der Burg (PvdA): 
Voorzitter! Ik dank allereerst de 
staatssecretaris voor zijn antwoord 
op de ene vraag die ik heb gesteld. 
Het kabinetsstandpunt komt vóór 
eind april. Ik interpreteer dit als een 
harde toezegging van de staatsse– 
cretaris. Ik herhaal het belang van 
het bespreken van deze problematiek 
in de Kamer voordat dit wordt 
vastgelegd in het nu aan de orde 
zijnde wetsvoorstel. Dat het 
discussie geeft, blijkt ook al uit de 
discussie die nu heeft plaatsge– 

vonden, ook met de heer Schutte. 

Deze behoefte blijkt dus niet alleen 
bij mij, maar ook bij andere fracties. 

Mijn voorkeur gaat ernaar uit om 
dit te regelen in het huidige 
wetsvoorstel, zoals ik in mijn eerste 
termijn ook heb gezegd. Dit houdt in 
dat het wetsvoorstel enige tijd moet 
worden opgehouden. Er is echter nu 
al behoorlijk wat over tafel gekomen 
en in de schriftelijke voorbereiding 
besproken. Naar mijn mening kan 
het voorstel dan ook snel nadat het 
kabinetsstandpunt bekend is 
geworden, hier behandeld worden. 
Een apart wetsvoorstel lijkt mij niet 
direct nodig. Een termijn van drie, 
vier maanden vertraging vind ik 
overkomelijk. Wat zijn nu drie of vier 
maanden op een heel leven of op 
tien jaar? Bovendien hebben wij 
vanmorgen een wetsvoorstel 
behandeld dat al 25 jaar op behan– 
deling wachtte. Dat is natuurlijk geen 
norm en dat moet het ook absoluut 
niet worden. In dit geval heeft enige 
vertraging echter voor mij toch de 
voorkeur, boven een nieuw 
wetsvoorstel dat weer veel tijd in 
beslag neemt. Daarom zeg ik: regel 
dit in deze wet. 

D 

Staatssecretaris Kosto : Mijnheer 
de voorzitter! Ik dank de Kamer voor 
de reactie, al ben ik nog niet 
helemaal gelukkig. Maar wie weet 
hoever ik vandaag nog kom. De heer 
Schutte heeft vastgesteld dat wij op 
een paar punten van mening 
verschillen. Hij heeft ook nog eens 
op mijn toezegging gewezen om te 
bekijken of, met behoud van de 
waarden die wij met het 
wetsvoorstel nastreven, de staatakte 
zo kan worden ingericht dat 
vloeiende zinnen het mogelijk 
maken, die voor te lezen. Dat wil ik 
bezien. Hij vroeg ook of ik de getui– 
genvermelding daarbij wilde 
betrekken. Ook dat zal ik bezien. Ik 
heb echter de argumenten gegeven 
waarom ik het niet wilde doen. Ik 
denk nog steeds dat het verhaal 
rondom de staatakte het altijd 
mogelijk maakt om een inhoud van 
ceremonie te geven. Kortom, naar 
mijn mening zouden wij elkaar 
kunnen vinden, maar de specifieke 
wensen van de heer Schutte wil ik 
eerst bekijken. Daarbij zeg ik 
nogmaals dat dit zal gebeuren met 
behoud van de waarden die worden 

17 februari 1993 
Tweede Kamer Burgerlijke stand TK50 50-3724 


Kosto 

nagestreefd met dit wetsvoorstel. 

Mijnheer de voorzitter! Het belang– 
rijke punt is uiteraard het 
amendement en wat daarmee 
samenhangt. De heer Wiebenga zei 
heel pregnant dat hij niet zo sterk 
vond wat ik zei. Hij stelde dat ik tijd 
genoeg had gehad en vroeg zich af 
wat mijn verweer nu eigenlijk was. 
Het amendement moest maar aange– 
nomen worden en anders moest de 
boel maar opgehouden worden. 
Mevrouw Van der Burg sloot zich 
hierbij aan en mevrouw Bijleveld 
sprak zelfs over het boven de markt 
laten hangen van een amendement. 
Dat houdt automatisch het gehele 
wetsvoorstel op; een motie kan wel 
boven een situatie hangen, maar een 
amendement niet. 

ledereen sprak over dit onderwerp 
en de heer Schutte begon ermee. Hij 
gebruikte zelfs zijn meeste spreektijd 
in tweede termijn juist voor dit 
onderwerp. Ik zal nog eens een heel 
nadrukkelijke poging doen. De 
Kamer is het er toch mee eens dat 
wij geen regels in de wet moeten 
opnemen die eigenlijk geen inhoude– 
lijke waarde hebben voor de praktijk. 
De heer Schutte meende - en ik 
denk dat dit een misverstand is - dat 
het attest dat door de vroedvrouw of 
de arts wordt afgegeven die bij de 
geboorte aanwezig is geweest, in 
voorkomende gevallen een alarme– 
rende werking zou kunnen hebben 
voor de ambtenaar van de burgerlijke 
stand, die dan zijn maatregelen zou 
treffen. Dat is nu juist het misver– 
stand. Als er namelijk sprake is van 
een wens tot fraude, zal deze juist 
gericht zijn op het zo geloofwaardig 
mogelijk doen voorkomen van die 
akte. Dat zal de kern van het bedrog 
zijn. Niemand die op fraude uit is, zal 
achteloos gegevens verstrekken aan 
een arts, die een attest oplevert dat 
vervolgens de ambtenaar van de 
burgerlijke stand zal alarmeren. 

Ik schets de situatie en blijf erbij 
dat dit het probleem zal zijn, waarbij 
ik voorbijga aan de bezwaren die de 
medische beroepsgroep zou kunnen 
hebben. Dat is wel een realiteit, 
maar mijn collega van WVC zal zich 
daar wellicht wat meer om bekom– 
meren dan mevrouw Bijleveld of wij 
hier bij elkaar op dit moment in deze 
discussie zijnde. Wat is er nu de 
waarde van als de desbetreffende 
arts dat attest opmaakt als hij tegelij– 
kertijd niet kan verifiëren wie de 
vrouw is uit wie dat kind geboren is? 

Artsen in grote steden hebben veel 
onbekenden in hun praktijk. Vroed– 
vrouwen kunnen acuut te hulp 
geroepen worden in een bepaald 
huis op een bepaald adres waar een 
kind geboren wordt, terwijl zij de 
betrokkene niet kennen en er geen 
kennis van hebben van wie het kind 
is. Om het attest waarde te laten 
hebben, zullen zij zich er ook van 
moeten vergewissen wie die vrouw 
eigenlijk is. Zij beweert wel "die en 
die" te zijn en de man die ernaast 
staat roept ook "ja, dat is die en die". 
Maar is dat ook zo? De arts zou 
moeten kunnen vragen: wie bent u 
eigenlijk, kunt u zich even legiti– 
meren, mag ik uw papieren even 
zien? Wij zijn bezig met de wet op de 
identificatieplicht, maar die is er nog 
niet. Daarmee is een samenhang, 
maar als de vraag niet is opgelost of 
de arts die bevoegdheid kan krijgen, 
komt er een papier met een uiterst 
betrekkelijke waarde. Dan hebben 
wij met heel veel moeite symbool– 
wetgeving gemaakt die in de praktijk 
niet zal werken. 

De heer Wiebenga zegt dat het 
kan. Natuurlijk kan het, maar is het 
iets waard? Daar gaat het om. Het 
kan pas waarde krijgen, als er dieper 
is doorgedacht, ook over de rol van 
de burgerlijke stand. Wat moet hij 
dan doen? Hoe lang is zijn polsstok 
om in te grijpen? Wat is de 
bevoegdheid van de ambtenaar van 
de burgerlijke stand en van de 
officier van justitie? Moet de arts een 
registratie bijhouden? Moeten er 
standaardformulieren komen? Dat 
zijn praktische en technische vragen, 
maar de hoofdvraag is eigenlijk: wat 
is het waard? De dokter moet ook 
gaan identificeren, anders is het 
niets waard. Daar ligt een probleem 
dat wij met elkaar onder ogen 
moeten zien. 

De heer Schutte (GPV): Voorzitter! 
Hoe zou de arts dan te werk gaan als 
hij de rekening wil indienen? Zal hij 
zich dan ook niet afvragen bij wie hij 
die dienst heeft verleend? 

Staatssecretaris Kosto : Ik weet niet 
of die arts een rekening indient. Er 
zijn kringen waar snel geld op de 
plank ligt. Ik zie dat probleem niet 
zo. Je kunt per slot van rekening ook 
een schuld voor een ander voldoen, 
dat is wettelijk volkomen correct. Die 
rekening zal wel betaald worden, 
hetzij door een instantie, hetzij door 

een particulier. Pecunia non olet. Dat 
zal het probleem niet zijn. Ik denk 
niet dat dit echt een serieus verweer 
is, hoe serieus de heer Schutte ook 
is in zaken die van belang zijn. Ik wijs 
de Kamer op die onvolkomenheid. 
Wij moeten niet met symboolwet– 
geving bezig zijn. 

Er is gezegd dat het al zolang 
heeft geduurd. Dat kan zo zijn, maar 
de Wet op de identificatieplicht heeft 
ook nog geen kracht van wet 
gekregen. Een van de wringende 
punten is dat de medische stand dit 
op zich af ziet komen. Daarover is te 
discussiëren, want daarvoor hoeven 
wij niet terstond te wijken, maar dat 
is wel een groot probleem. Ik ben 
bang dat wij dat probleem met dit 
amendement niet oplossen. 

Ik erken het probleem en de 
minister van Justitie en ik willen er 
wat aan doen, maar ik zou het 
buitengewoon vervelend vinden als 
dit vraagstuk met zich zou brengen 
dat deze wet op 1 januari 1994 niet 
in werking kan treden en 
opgehouden moet worden. Als er al 
een brief is in april over hoe wij het 
gaan aanpakken, is die wet er 
wellicht nog niet. Ik geef toe dat de 
minister van Justitie en ik niet 
vanmiddag om een ronde tafel 
kunnen gaan zitten om dit 
wetsvoorstel te maken, omdat de 
ministerraad en de Raad van State 
daaraan te pas komen, maar dat 
hoef ik hier niet te vertellen. 

Moet het wetsvoorstel dat hier nu 
ligt en dat wet zou kunnen worden, 
dan blijven liggen? Ik doe een beroep 
op de Kamer om het niet zover te 
laten komen en van mij te 
aanvaarden dat ik de discussie met 
WVC met een grote motivatie inga. 
Ik kan verwijzen naar ISMO en alles 
wat zich aan denkbare fraude 
voordoet. Alles wat je bedenken kunt 
aan fraude, gebeurt ook metterdaad, 
laten wij daar eerlijk over zijn. Ik zeg 
er nadrukkelijk bij dat de Kamer in 
haar volle omvang, door alle fracties 
die het woord hebben gevoerd, in 
een overweldigende meerderheid 
van leden, zegt dat dit zo moet 
gebeuren. Dan moet men maar van 
mij geloven dat het wetsvoorstel er 
wel komen zal. Ik neem mee dat de 
Kamer dat wil, maar zij moet het niet 
bij dit amendement doen. De kwestie 
rond dit amendement moet niet het 
hele wetscomplex ophouden. Ik doe 
een dringend beroep op de Kamer 
om het niet zo te doen. Wij zijn èén 

17 februari 1993 
Tweede Kamer Burgerlijke stand TK50 50-3725 


Kosto 

van zin, maar wij moeten nog met 
elkaar discussiëren over de ins en 
outs, het hoe en waarom, over hoe 
het zal gaan in de praktijk en wat dat 
dan betekent, zoals mevrouw Van 
der Burg ook vroeg. Met alle respect 
doe ik een beroep op de Kamer om 
niet aan symboolwetgeving te doen. 
Men moet pas een regel opnemen in 
de wet, als deze regel in de praktijk 
van waarde kan zijn. Dat kan hij niet, 
zoals hij nu bij amendement wordt 
opgenomen. 

Mevrouw Bijleveld-Schouten 
(CDA): De staatssecretaris heeft een 
paar keer het woord "symboolwet– 
geving" gebruikt. De vier sprekers 
hebben ook inhoudelijke argumenten 
aangevoerd voor een degelijke 
oplossing van de problematiek. Het 
is duidelijk dat wij het niet helemaal 
kunnen oplossen. Je kunt echter wel 
een aantal punten met een dergelijke 
attestverplichting oplossen: het 
bestaan van een kind en de kwestie 
van de dubbele aangiften. Al dit 
soort argumenten hoor ik de staats– 
secretaris niet geven en het lijkt mij 
dat je dan allerminst bezig bent met 
symboolwetgeving, maar met het 
oplossen van in ieder geval een deel 
van de problematiek waarover wij 
ons met z'n allen zorgen maken. 
Daar wijs ik de staatssecretaris nog 
eens op. 

Staatssecretaris Kosto : Ik hoop niet 
dat het begrip "symboolwetgeving" 
als kwetsend ervaren is, want zo is 
het geenszins bedoeld. Ik geloof ook 
niet dat de problemen die mevrouw 
Bijleveld met het amendement denkt 
op te lossen inderdaad opgelost zijn. 
Het is en blijft allemaal op die crux 
zitten of de bewering waar is dat het 
moeder X is die dit kind ter wereld 
heeft gebracht. Er is zoveel talent in 
het frauderen. Dat weet mevrouw 
Bijleveld ook wel. Dit lost alleen 
maar mogelijkerwijs wat op als wij 
als sluitstuk de mogelijkheid tot 
verificatie van de persoon van de 
moeder hebben Dat is niet in het 
wetsvoorstel besloten en daarmee is 
het een onvolkomen wetsvoorstel. 
Nogmaals, de Kamer en ik zijn 
volstrekt èèn in ons verlangen om 
hier een bijdrage tot een oplossing te 
leveren. De weg waarlangs moet 
even een andere zijn en ik heb 
aangegeven waarom, namelijk om de 
verbintenis met de mogelijkheid tot 
verifiëren van de persoon van de 

moeder. Geef mij de tijd en houd het 
wetsvoorstel hiervoor niet op als een 
soort premie op voortvarendheid van 
deze kant of als een soort een stok 
achter de deur. De materie van de 
burgerlijke stand, waaraan zo hard 
en lang aan gewerkt is, verdient het 
om kracht van wet te krijgen tegelijk 
met de wijziging van de Gemeen– 
tewet die 1 januari 1994 in werking 
treedt. Natuurlijk kan het, maar het is 
niet wenselijk. Daarom doe ik echt 
een beroep op de Kamer om het 
amendement niet in stemming te 
brengen en vanuit onze eensge– 
zindheid op dit punt er enig 
vertrouwen in te hebben dat de 
regering met voorstellen zal komen. 

De algemene beraadslaging wordt 
gesloten. 

De voorzitter: Ik stel voor, af te zien 
van artikelsgewijze behandeling en 
dinsdag over een week te stemmen. 

Daartoe wordt besloten. 

Sluiting 17.46 uur. 

Lijst van ingekomen stukken , 
met de door de voorzitter ter 
zake gedane voorstellen : 

1. een koninklijke boodschap, ten 
geleide van het voorstel van wet 
Wijziging van de Wet inzake 
medische experimenten in verband 
met regels inzake handelingen met 
menselijke embryo's en geslachts– 
cellen (23016). 
Deze koninklijke boodschap, met de 
erbij behorende stukken, is al 
gedrukt en rondgedeeld; 

2. een brief van de voorzitter van de 
Eerste Kamer der Staten-Generaal, 
met de mededeling, dat zij in haar 
vergadering van 16februari 1993 
het haar door de Tweede Kamer 
toegezonden voorstel van wet, 
gedrukt onder nummer 22733, heeft 
aangenomen. 
De voorzitter stelt voor, deze brief 
voor kennisgeving aan te nemen; 

3. de volgende brieven: 
een, van de staatssecretaris van 
Buitenlandse Zaken, ten geleide van 
de zes fiches die werden opgesteld 
naar aanleiding van het overleg door 
de werkgroep Beoordeling nieuwe 

commissievoorstellen (22112, nr. 
19); 

een, van de staatssecretaris van 
Justitie, inzake de ontwikkelingen op 
het terrein van de grensbewaking 
(22800-VI, nr. 38); 

een, van de minister van Binnen– 
landse Zaken, inzake de formatie– 
plaatsen bij de rijksdienst 
(22800-VII, nr. 36); 

een, van de minister van Onderwijs 
en Wetenschappen, inzake Wijziging 
Regeling berekeningsgrondslag rijks– 
bijdrage W.H.B.O. (23021); 

een, van de staatssecretaris van 
Onderwijs en Wetenschappen, 
inzake de bestuurlijke vernieuwing in 
het onderwijs (22827, nr. 4); 

een, van de minister van Defensie, 
inzake het toevoegen van het fregat 
Hr. Ms. Abraham Crijnssen per 1 
maart 1993 aan de Britse taakgroep 
Ark Royal in de Adriatische Zee 
(22181, nr. 33); 

een, van de minister van Volks– 
huisvesting, Ruimtelijke Ordening en 
Milieubeheer, ten geleide van het 
zelfevaluatierapport van de Raad van 
advies voor de ruimtelijke ordening 
(22800-XI, nr. 44); 

een, van de ministers van Volks– 
huisvesting, Ruimtelijke Ordening en 
Milieubeheer en van Welzijn, Volks– 
gezondheid en Cultuur, ten geleide 
van een herzien financieel overzicht 
inzake de nota Ruimte voor Archi– 
tectuur (21363, nr. 5); 

twee, van de minister van Sociale 
Zaken en Werkgelegenheid, te 
weten: 
een, ten geleide van de voortgang 
van de sociale dossiers in de EG 
gedurende het tweede halfjaar van 
1992 (21240, nr. 16); 
een, ten geleide van de nota 
"Kabinetsstandpunt over de positie 
van de sollicitant bij werving en 
selectie" (23020); 

een, van de staatssecretaris van 
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 
inzake ex-mijnwerkers (22800-XV, 
nr. 64). 

Deze brieven zijn al gedrukt en 
rondgedeeld; 

4. de volgende brieven: 
drie, van de minister van Sociale 
Zaken en Werkgelegenheid, te 
weten: 
een, ten geleide van het Interna– 
tionale Arbeidsorganisatie/Verdrag 
nr. 171 en aanbeveling nr. 178 
inzake nachtarbeid; 

17 februari 1993 
Tweede Kamer Ingekomen stukken TK50 

50-3726 


Lijst van ingekomen stukken 

een, ten geleide van het Interna– 
tionale Arbeidsorganisatie/Verdrag 
nr. 172 en aanbeveling nr. 179 
inzake arbeidsvoorwaarden en 
–omstandigheden (Horeca); 
een, ten geleide van voorstellen voor 
EG-regelgeving op sociaal gebied. 

De voorzitter stelt voor, deze brieven 
door te zenden aan de betrokken 
commissies ter afdoening en niet te 
drukken; 

5. de volgende brieven: 
een, van PTT Telecom, inzake de 
kwaliteitsmeter; 
een, van de AVNEG, inzake de 
ontwikkelingen rond DAF; 
een, van het Provinciaal 
Sociaal-Economisch Overlegorgaan, 
ten geleide van een afschrift van een 
telegram dat heden verzonden is aan 
de minister van Welzijn, Voiksge– 
zondheid en Cultuur. 

Deze brieven liggen op de griffie ter 
inzage. Kopie is gezonden aan de 
betrokken commissies. 

6. de volgende brieven: 
een, van R. Warmink, inzake de 
situatie in Nederland; 
een, van A.C.M. van Rossum, 
inzake de anti-racismeweek; 
een, van P. Rijkers, inzake een 
AAW-uitkering aan vroeggehandi– 
capten. 

Deze brieven liggen op de griffie ter 
inzage. 

17 februari 1993 
Tweede Kamer Ingekomen stukken TK 50 50-3727 


