Tweede Kamer der Staten-Generaal 

Vergaderjaar 1990-1991 

21 818 

Nr. 2 

Rechtzetten 
Rapport van de subcommissie 
Kinderbescherming 

RAPPORT VAN DE SUBCOMMISSIE KINDERBESCHERMING 

INHOUD 
Hoofdstuk 1. 
Hoofdstuk 2. 
Hoofdstuk 3. 

3.1. 

3.2. 

3.3. 

3.4. 

Hoofdstuk 4. 

4.1. 

4.2. 

4.3. 
Bijlagen 
Bijlage A. 
Bijlage B. 

Bijlage C. 

Bijlage D. 

Blz. 
Doel en werkwijze van de subcotnmissie 4 

Context 6 

Bevindingen 16 

De rechtspositie van degene die in een juridische 
procedure tegenspraak wil voeren 17 
Oe toepassing van gezagsmaatregelen en van 
uithuisplaatsing 23 
De doorwerking van het recht op eerbiediging van 
gezinsleven 28 
De externe controle op het functioneren van de 
organisaties voor kinderbescherming 35 

Aanbevelingen 40 

Aanbevelingen met het oog op bestuur 41 
Aanbevelingen met het oog op de wetgeving 49 
Lijst van aanbevelingen 58 

Gespreksverstagen 61 

Correspondentie met de staatssecretaris van 
Justitie 163 

Enkele begrippen uit de Wet openbaarheid van 
bestuur, de Wet persoonsregistraties en de Wet op 
de jeugdhulpverlening 170 

Evaluatie van de werkwijze van de subcommissie 174 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


2 Ondersteuning aan de subcommissie 
Kinderbescherming werd gegeven door: 
mevr. mr. M. Pe (stafmedewerker Tweede 
kamer), drs Ch J M Roovers (plaatsver– 
vangend griffier van de Tweede Kamer), 
griffier van de subcommissie, mevr mr. J I. 

M. Richaers-Adelmeijer (oud-stafmede– 
werker van de Nationale Raad Maatschap– 
pelijk Welzijn), mevr H W. Richters 
(oud-directeur van het Landelijk Samenwer– 
kingsverband Dagbehandeling) en mevr. tnr 
ir. N. A. Stegerhoek (stafmedewerker van de 
Wetenschappelijk Raad voor het Regerings– 
beleid) 
HOOFDSTUK 1. DOEL EN WERKWIJZE VAN DE SUBCOMMISSIE 

Naar aanleiding van het aantal en de aard van de klachten van burgers 
over de kinderbescherming die in de jaren 1988 en 1989 bij de Tweede 
Kamer zijn binnengekomen, hebben de bijzondere Commissie voor het 
Jeugdwelzijnsbeleid en de vaste Commissie voor Justitie de subcom– 
missie Kinderbescherming ingesteld. 

De subcommissie had tot doel de klachten over het functioneren van 
de kinderbescherming te analyseren. 

Werkwijze 

De subcommissie is gestart met het inventariseren van de klachten en 
berichten die gedurende 1988 en 1989 door de Tweede Kamer zijn 
ontvangen, en van klachten die door de Nationale ombudsman zijn 
behandeld. 

De subcommissie Kinderbescherming heeft zich vooral beperkt tot de 
civielrechtelijke kinderbescherming. 

Zij is niet ingegaan op problemen met betrekking tot kinder-alimen– 
tatie, noch op (capaciteits)problemen die spelen in de sfeer van de 
residentiële voorzieningen. 

Zij merkt op dat van de kant van allochtone personen die met de 
kinderbescherming in aanraking zijn gekomen, nauwelijks klachten zijn 
ontvangen, zodat de subcommissie nauwelijks beschikte over indicaties 
met betrekking tot het functioneren van de kinderbescherming ten 
opzichte van allochtone burgers. 

De subcommissie is niet bedoeld geweest als tijdelijke hoogste 
instantie voor individuele klachtenbehandeling, en zij heeft zich ook niet 
als zodanig gepresenteerd. 

Zij doet dan ook geen uitspraken over de gegrondheid van de indivi– 
duele klachten, over het gelijk of ongelijk dat degenen zouden hebben 
die zich met hun klacht tot de Tweede Kamer hebben gewend. 

De subcommissie heeft de klachten en berichten die haar hebben 
bereikt, opgevat als indicaties voor wat er in het functioneren van de 
kinderbescherming en in de rechtspleging bij kinderzaken verbeterd zou 
kunnen worden. 

Per 1 april 1990 kon de subcommissie Kinderbescherming beschikken 
over secretariaatscapaciteit, en konden externe deskundigen worden 
aangetrokken2. 

In de loop van april heeft de subcommissie een voorlopige analyse 
gemaakt van de klachten. 
Daaruit is een vijftal thema's afgeleid: 

- de rechtspositie van degene die in een juridische procedure tegen– 
spraak wil voeren; 
- de toepassing van gezagsmaatregelen en van uithuisplaatsing; 
- de doorwerking van het recht op eerbiediging van gezinsleven; 
- de externe controle op het functioneren van de organisaties voor 
kinderbescherming; 
- de ministeriële richtlijnen aan de organisaties voor kinderbe– 
scherming. 
Deze thema's hebben de leidraad gevormd voor twee ronde tafel 
gesprekken die de subcommissie heeft belegd. 

Op 17 mei 1990 zijn leden uitgenodigd van zeven organisaties die zich 
ten doel stellen de belangen te behartigen van groepen burgers waartoe 
degenen behoren die hun klachten ter kennis van de Tweede Kamer 
hebben gebracht. 

Op 23 mei zijn leden uitgenodigd van een zestal groeperingen van 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


beroepsbeoefenaars die op het gebied van de kinderbescherming 

werkzaam zijn. 

Degenen die vanuit de beroepsgroep kinderrechters aan dit gesprek 
zouden deelnemen, waren allen verhinderd; daarom is op 7 juni 1990 
met vier kinderrechters een afzonderlijk gesprek gevoerd. 

In de gesprekken, waaraan in totaal 27 genodigden deelnamen, heeft 
de subcommissie Kinderbescherming zich nader geïnformeerd over de 
problematiek die in de ontvangen klachten naar voren is gebracht, en 
over oorzaken en mogelijke verbeteringen. 

De omstandigheid dat in de ronde tafel gesprekken leden van de 
verschillende organisaties ook in reactie op elkaar hun mening naar voren 
konden brengen, heeft bijgedragen tot het inzicht van de subcommissie 
in het functioneren van de kinderbescherming. 

Van de gesprekken, die een besloten karakter hadden, zijn stenogra– 
fische verslagen gemaakt. 
De deelnemers hebben de gelegenheid gekregen de door hen 
gesproken tekst te corrigeren. 
De verslagen zijn in bijlage A bij dit rapport opgenomen. 

Verder heeft de subcommissie de klachten en berichten die in de 
periode januari tot en met mei 1990 bij de Tweede Kamer zijn binnenge– 
komen, in het onderzoek betrokken. 

In bijlage D is een evaluatie door de subcommissie Kinderbescherming 
van de door haar gevolgde werkwijze opgenomen. 

Opzet 

In het volgende hoofdstuk (Hoofdstuk 2) wordt in het kort de context 
geschetst waarin de kinderbescherming functioneert. 

In het hoofdstuk Bevindingen (Hoofdstuk 3) wordt een naar thema's 
geordend overzicht gegeven van de analyse van het onderzoeksmate– 
riaal: de binnengekomen klachten en berichten, en datgene wat de 
deelnemers aan de groepsgesprekken onder de aandacht van de 
subcommissie hebben gebracht. 

Met de aanbevelingen die de subcommissie Kinderbescherming doet 
(Hoofdstuk 4), beoogt zij een bijdrage te leveren aan het functioneren 
van de kinderbescherming, met name de externe controle op de kinder– 
bescherming, en de verbetering van de rechtsbescherming voor ouders, 
minderjarigen en pleegouders. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


HOOFDSTUK 2. CONTEXT 

3 Voor een definitie van deze begrippen zie 

E.M.H. Hirsch Ballin, Publiekrecht en beleid, 
1979, p. 75-85. 
4 Bij de benoeming wordt acht geslagen op 
de betrokkenheid bij het maatschappelijk 
gebeuren van de te benoemen personen, op 
hun bekendheid met het jeugdwelzijn en op 
de geestelijke stromingen en maatschappe– 
lijke groeperingen, zoals die in het 
betrokken arrondissement aanwezig zijn 
(artikel 6 lid 2 van het Organisatiebesluit 
raden voor de kinderbescherming) 
5 Voor een beschrijvmg van het ontstaan 
van de voogdijraden en de reorganisatie tot 
raden voor de kinderbeschermmg zie: mr H 
Hermans, De raad voor de kinderbe– 
scherming, 1984 

Bij wijze van inleiding op de bevindingen van de subcommissie Kinder– 
bescherming naar aanleiding van de klachten die bij de Tweede Kamer 
zijn binnengekomen, wordt in dit hoofdstuk een schets gegeven van de 
context waarbinnen de taakuitoefening van de kinderbescherming staat. 
Dit zonder de pretentie een volledige beschrijving van het terrein te 
geven. 

Kinderbescherming 

Kinderbescherming bestaat uit regels, rechtspraak en organisaties. 

De rechtspraak in kinderzaken geschiedt volgens het burgerlijk 
(proces)recht. Daarnaast bevat het straf(proces)recht voor jeugdige 
personen elementen van kinderbescherming; dit rapport is echter niet op 
het strafrecht gericht. 

De regels voor de werkwijze van de organisaties voor kinderbe– 
scherming behoren tot het administratieve recht, waarvan de Wet op de 
jeugdhulpverlening onderdeel uitmaakt. 

De taken van deze organisaties - de raden voor de kinderbescherming, 
de (gezins)voogdij-instellingen en de justitie-inrichtingen - zijn geregeld 
in het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijk Rechtsvor– 
dering, en verder in de administratieve regelgeving, en in de regelgeving 
voor het strafrecht voor jeugdige personen. 

Het recht met betrekking tot het onderwerp van het onderzoek van de 
subcommissie Kinderbescherming - het functioneren van de kinderbe– 
scherming - ligt in het grensgebied tussen privaatrecht en publiekrecht3, 
en gaat over handelingen en betrekkingen die zowel tot de private sfeer 
als tot de publieke sfeer behoren. 

De meeste organisaties voor kinderbescherming zijn te rekenen tot 
«het particulier initiatief»: het zijn door het ministerie van Justitie gesub– 
sidieerde rechtspersonen, met een bestuur dat uit particulieren bestaat. 
Als organisaties van particulier initiatief zijn de instellingen voor voogdij 
en gezinsvoogdij, en de particuliere inrichtingen voor kinderbescherming 
aan te merken. 

De levensbeschouwelijke signatuur van instellingen, inrichtingen en 
tehuizen is nog steeds van belang, maar de invloed op de uitvoering van 
de werkzaamheden is in de loop van de tijd in het algemeen gesproken 
minder geworden. 

Op het gebied van de kinderbescherming zijn overheidsorganen 
werkzaam, bekostigd door het ministerie van Justitie: de bureaus van de 
raden voor de kinderbescherming en de rijksinrichtingen. 

De raden voor de kinderbescherming in enge zin (de colleges) bestaan 
uit particuliere personen4. 
Ook het openbaar ministerie heeft bevoegdheden en taken op het 
gebied van de kinderbescherming. 

De voorlopers van de raden voor de kinderbescherming waren de 
voogdijraden, wettelijk geregeld in het Organisatiebesluit voogdijraden 
19055. In 1905 werden de drie kinderwetten van 1901 ingevoerd. 

Dit waren: 

- een wet ter wijziging en aanvulling van het Burgerlijk Wetboek (S62, 
1901), waarbij de ontheffing en ontzetting van de ouderlijke macht 
werden ingevoerd, 
- een wet ter wijziging van het straf(proces)recht ten aanzien van 
jeugdige personen (S 63, 1901), 
- de Kinderbeginselenwet (S 64, 1901). 
Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


6 Rijksplan jeugdhulpverlening 1990, p. 

91-94. 
7 Artikel 24 lid 3 van de Wet op de jeugd– 
hulpverlening luidt: «Een uitvoerder van een 
voorziening van residentiële hulpverlening 
verleent aan een jeugdige ten aanzien van 
wie geen maatregel van justitiële kinderbe– 
scherming als bedoeld in het eerste lid is 
getroffen slechts hulp, nadat hij zich ervan 
heeft vergewist, dat geen jeugdige ten 
aanzien van wie een melding als bedoeld in 
het tweede lid is gedaan, in aanmerking 
moet komen voor die hulpverlening.» 

' Bijvoorbeeld artikel 1: 267 lid 1 BW: 
«Ontheffing wordt slechts uitgesproken op 
verzoek van de raad voor de kinderbe– 
scherming, of op vordering van het 
openbaar ministerie.», en de artikelen 1: 
254 lid 2 BW (ondertoezichtstelling) en 1: 
270 lid 1 BW (ontzetting) 

9 Volgens het strafrecht voor jeugdige 
personen kan de ondertoezichtstelling 
worden opgelegd als maatregel (zie de 
artikelen 77e, 77h en 77v van het Wetboek 
van Strafrecht) 

De volgende grote stap in de ontwikkeling van het kinderrecht was de 
invoering van de maatregel van ondertoezichtstelling en de kinderrechter 
in 1922 (S834, 1921). 

Om een indruk te geven van de orde van grootte van enkele begro– 
tingsbedragen die tegenwoordig met de kinderbescherming zijn 
gemoeid: 

- ongeveer f 80 000 000 voor de raden voor de kinderbescherming (er 
zijn 19 raden, één per arrondissement), 
- ongeveer f 83 000 000 voor de rijksinrichtingen en de particuliere 
inrichtingen (in totaal 16 inrichtingen), 

- ongeveer f 160000.000 voor de (gezins)voogdij-instellingen (in 
totaal 49 instellingen), inclusief de verzorgingskosten van onder toezicht 
gestelde minderjarigen6. 

Wat de plaatsing van minderjarigen in tehuizen betreft, kan «de kinder– 
bescherming» minderjarigen doen opnemen in de particuliere tehuizen 
die door het ministerie van WVC worden gesubsidieerd. 

De Wet op de jeugdhulpverlening, die regels geeft voor de justitiële en 
de vrijwillige jeugdhulpverlening, bevat hiertoe een voorrangsbepaling. 
Deze komt erop neer dat een residentiële voorziening slechts een 
jeugdige ten aanzien van wie geen maatregel van justitiële kinderbe– 
scherming is getroffen, opneemt, nadat de uitvoerder van de voorziening 
zich ervan heeft vergewist dat geen jeugdige ten aanzien van wie een 
maatregel van justitiële kinderbescherming is getroffen en die «op de 
wachtlijst staat», in aanmerking moet komen voor opneming in die 
voorziening7. 

Deze voorrangsregel was nodig als garantie voor de uitvoerbaarheid 
van rechterlijke beslissingen nadat meer dan 100 particuliere tehuizen 
eind 1986 van het ministerie van Justitie waren overgedragen aan het 
ministerie van WVC. 

De kinderbescherming ontleent haar bestaansgrond aan de wense– 
lijkheid in bepaalde situaties de belangen van minderjarigen een zekere 
bescherming te geven tegen onmacht of nalatigheid, of tegen bepaalde 
handelingen van de kant van ouders en eventuele andere gezagsdragers. 

Het Burgerlijk Wetboek omschrijft de situaties waarin die bescherming 
van toepassing is. 

Daarnaast stellen ook andere wetten grenzen aan de gezagsuit– 
oefening en het gedrag ten opzichte van minderjarigen, bijvoorbeeld de 
Leerplichtwet en het Wetboek van Strafrecht. 

Binnen de civielrechtelijke kinderbescherming gaat het vooral om twee 
groepen minderjarigen: minderjarigen ten behoeve van wie een 
maatregel van kinderbescherming dient te worden overwogen of is 
opgelegd, en minderjarige kinderen die betrokken zijn bij een scheiding 
waarbij de ouders geen overeenstemming bereiken over de toewijzing 
van de voogdij, de omgang of de kinder-alimentatie. 

In bestaande familiebetrekkingen en in de bestaande uitoefening van 
het gezag over een minderjarige kan alleen door rechtspraak verandering 
worden gebracht. 

Daarnaast hebben de raden voor de kinderbescherming enkele 
zelfstandig uit te oefenen bevoegdheden die een inbreuk op de persoon– 
lijke levenssfeer van burgers inhouden. 

Ook de officieren van justitie beschikken over een dergelijke 
bevoegdheid: de voorlopige toevertrouwing van minderjarigen. 
Het openbaar ministerie is bevoegd maatregelen van kinderbe– 
scherming aanhangig te maken8. In de praktijk komt dit weinig voor9. 
Naast de taken die de raden hebben op financieel gebied (met 
betrekking tot kinder-alimentatie en ouderbijdragen), zijn belangrijke 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


10 Artikel 4 lid 2 van de Wet op de jeugd– 
hulpverlening: «Indien de gemeenten 
Amsterdam, Rotterdam, 's-Gravenhage en 
Utrecht te zamen met de gemeenten 
waarmee zij een samenwerkingsgebied 
vormen (...) een gemeenschappelijke 
regeling hebben getroffen ter behartiging 
van de jeugdhulpverlening, worden de 
samenwerkende gemeenten voor de 
toepassing van deze wet gelijkgesteld met 
een provincie.» 
11 Artikel 57 van de Wet op de jeugdhulp– 
verlening: «Tot 1 januari 1992 behoren 
regionale voorzieningen tot de bemoeiing 
van het Rijk (...).» 

taken van de raden voor de kinderbescherming: het instellen van een 
onderzoek, het optreden als procespartij, en het rapporteren aan de 
rechter. 

Bepaalde rechterlijke beslissingen impliceren de inschakeling van 
instellingen voor voogdij en gezinsvoogdij, van raden voor de kinderbe– 
scherming, of van tehuizen. Bijvoorbeeld: een opdracht tot uitoefening 
van de voogdij over een minderjarige aan een instelling, de begeleiding 
van een persoon die als gezinsvoogd is benoemd, en de inning en 
doorbetaling van kinder-alimentatie of van een ouderbijdrage, de 
opneming in een bepaalde categorie voorzieningen. 

Jeugdhulpverlening 

Het functioneren van de organisaties voor kinderbescherming valt 
onder de verantwoordelijkheid van de minister van Justitie. 

De inhoudelijke samenhang tussen de vrijwillige jeugdhulpverlening en 
de kinderbescherming (ook wel justitiële jeugdhulpverlening of 
gedwongen jeugdhulpverlening of justitiële kinderbescherming 
genoemd) was één van de redenen voor de invoering van de Wet op de 
jeugdhulpverlening in 1989. 

De juridische en inhoudelijke verschillen tussen vrijwillige en 
gedwongen jeugdhulpverlening komen in de Wet op de jeugdhulpver– 
lening tot uitdrukking in het feit dat alleen de minister van Justitie 
bevoegd is inzake de (gezins)voogdij-instellingen, de inrichtingen voor 
justitiële kinderbescherming en het College van advies voor de justitiële 
kinderbescherming. 

De wettelijke basis voor deze organisaties was voorheen de Beginse– 
lenwet voor de kinderbescherming, die bij de invoering van de Wet op de 
jeugdhulpverlening is ingetrokken. 

Het interdepartementale karakter van de wet heeft voor de meeste 
onderwerpen ter nadere regeling geleid tot twee regelingen: één voor de 
Justitie-voorzieningen en één voor de WVC-voorzieningen. 

De wet voorziet in een decentralisatie van de planning van regionale 
voorzieningen van het rijk naar de provinciale besturen en de besturen 
van de grote steden10 met ingang van 1992". 

De ministers van WVC en Justitie verstrekken dan op basis van provin– 
ciale en grootstedelijke plannen een uitkering aan de provincies en de 
samenwerkende gemeenten waarvan de grote steden deel uitmaken, ter 
bestrijding van de kosten. 

De planning van de landelijke voorzieningen en de steunfuncties blijft 
rijksverantwoordelijkheid. 

Buiten de reikwijdte van de wet vallen de bevoegdheden van de recht– 
banken, de kinderrechters en de kantonrechters; de taken en bevoegd– 
heden van gezinsvoogden, en van particuliere personen die door de 
rechter als voogd of toeziende voogd zijn benoemd; de taken en 
bevoegdheden van de raden voor de kinderbescherming en het openbaar 
ministerie. 

Kenmerken 

Kinderbescherming voltrekt zich grotendeels in wat wel gezien wordt 
als een uithoek van de rechtspleging, en op afstand van de centra van 
belangstelling van politiek en bestuur. 

De ontoegankelijkheid van de regelgeving ontmoedigt degene die wil 
weten hoe één en ander in elkaar zit. 

Bij de totstandkoming van wetgeving, en bij de uitvoering en 
toepassing van wetgeving speelt vaak een rol dat de politieke en 
maatschappelijke consensus over normen en waarden over zaken als 
gezinsleven, gezag, ouderschap, mondigheid, individualisering en de rol 
van de staat daarin, ontbreekt. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


" Het Burgerlijk Wetboek noemt dit 
criterium bij de benoeming door de rechter 
van een instelling als voogd, bij de 
benoeming van een gezinsvoogd, en bij de 
plaatsing van een minderjarige in een 
voorziening of elders (bijvoorbeeld in een 
pleeggezin). 
13 Een tussenvorm is het zogenaamde vrije 
patronaat (Wet op de jeugdhulpverlening, 
artikel 60 lid 1 sub b): iemand die optreedt 
in de rol van gezinsvoogd zonder dat een 
ondertoezichtstelling is uitgesproken - een 
afspraak tussen de raad voor de kinderbe– 
scherming, de ouder(s) of voogd en een 
gezinsvoogdij-instelling. 

Dit alles bij elkaar betekent dat de kinderbescherming en de rechts– 
pleging in kinderzaken, op een enkele spectaculaire kwestie na, gemak– 
kelijk in een politiek-bestuurlijke impasse kunnen raken. 


De wenselijkheid van een systeem van kinderbescherming, dat minder– 

jarigen zo nodig dwingend kan beschermen tegen gebrekkige gezagsuit– 

oefening en tegen inbreuken op als gezinsleven aan te merken familiebe– 

trekkingen en op het privé leven van burgers, is onbetwist. 

Er doen zich echter verschillen van inzicht voor over wat in dit kader 

onder «in het belang van het kind» moet worden verstaan, en over de 

rechten en belangen die gedurende de interventies richtinggevend 

dienen te zijn. 

Bij deze normatieve vraagstukken zijn de volgende ontwikkelingen van 

belang. 

De godsdienstige gezindheid van het gezin waartoe de minderjarige 

behoort12, was van oudsher een belangrijke richtinggevende factor, en is 

nu in de praktijk minder bepalend. 

De nadruk op de inschakeling van particuliere personen (vrijwilligers, 
ook wel familieleden) is in de loop van de tijd tot op zekere hoogte 
veranderd in een nadruk op professionele taakuitoefening. 

Anderzijds heeft een verschuiving plaatsgevonden van opneming in 
een tehuis als meest voor de hand liggende oplossing naar de inscha– 
keling van particuliere personen voor de feitelijke verzorging en 
opvoeding van minderjarigen: de plaatsing in een pleeggezin. 

Een hoofdlijn van het beleid in de afgelopen jaren is een sterke 
voorkeur voor jeugdhulpverlening op basis van vrijwilligheid in plaats van 
op basis van een justitiële interventie. 

Echter, tegenover de wens het vrijwillige karakter van de hulpverlening 
aan jeugdigen en gezinnen zo lang mogelijk te behouden, staat de 
overweging dat het te lang uitstellen van gedwongen interventies nadelig 
kan zijn voor de minderjarige13. 

Hierover bestaan verschillen van opvatting. 

Dit geldt ook voor het belang dat gehecht wordt aan de prioriteit die 
gegeven dient te worden aan de continuïteit van de gezinsrelaties in 
geval van verwaarlozing of mishandeling door ouders, en in geval van het 
van huis weglopen van de minderjarige. 

Enerzijds is er een zekere mate van maatschappelijk begrip voor het 
van huis weglopen, anderzijds is er behoefte aan duidelijke spelregels en 
aan een zo snel mogelijk herstel van de gezinsrelaties. 

Er heerst een grotere openheid en alertheid ten aanzien van kindermis– 
handeling en zedendelicten jegens minderjarigen. Beroepsbeoefenaars in 
de betrokken disciplines missen daarentegen een landelijk protocol voor 
het reageren op vermoedens en feiten van misdrijven ten opzichte van 
minderjarigen. 

Al enige tijd wordt aandacht gevraagd voor de gevolgen van de toene– 
mende aantallen tweede generatie immigranten die met kinderbe– 
scherming in aanraking komen. Aan een gericht beleid, dat behoud en 
herstel van de gezinsrelaties bevordert, wordt echter weinig aandacht 
besteed. 

Een ander punt waarover de opvattingen uiteenlopen, is de basis voor 
de inning van een ouderbijdrage als een weggelopen minderjarige in een 
voorziening of in pleegzorg wordt geplaatst, terwijl de ouder(s) of voogd 
niet accoord gaat met de plaatsing: is die basis er nu niet, is de basis de 
onderhoudsverplichting van (stief)ouders, of is de basis de ouderbij– 
drage-regeling van de Wet op de jeugdhulpverlening? 

Nog een punt waarover men van mening verschilt, is de wenselijkheid 
dat de raad voor de kinderbescherming betrokken wordt bij de beslis– 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


14 Artikel 1 lid 1 sub c van de Wet op de 
jeugdhulpverlening. 

15 Volgens het Uitvoermgsbesluit ondertoe 
zichtstelling. artikel 7. 

16 Artikel 1: 255 lid 1 van het Burgerliijk 
Wetboek 
" De artikelen 1: 262 en 263 lid 1 van het 
Burgerlijk Wetboek. 

singen die ten aanzien van minderjarige kinderen bij een echtscheiding 
moeten worden genomen. En meer in het algemeen: hoe verhoudt de 
verplichting van ouders tot verzorging en opvoeding van hun minder– 
jarige kinderen - waarbij het kind hen volgens het Burgerlijk Wetboek 
(artikel 1: 245 BW) eerbied en ontzag verschuldigd is - zich in de praktijk 
tot de overheid die intervenieert, en die voorzieningen subsidieert gericht 
op het bij jeugdigen voorkomen, verminderen of opheffen van problemen 
of stoornissen van lichamelijke, geestelijke, sociale of pedagogische aard 
die hun ontwikkeling naar volwassenheid ongunstig kunnen 
beïnvloeden?14 

Degenen die werkzaam zijn in de organisaties voor kinderbescherming 
dienen zich enerzijds te houden aan de spelregels van het recht, en 
moeten anderzijds goed thuis zijn in het veld van de vrijwillige hulpver– 
lening: de ambulante hulp, de dagbehandeling en de residentiële hulp. 

De bovenstaande dilemma's en overwegingen zijn kenmerkend voor de 
kinderbescherming, op het niveau van de wetgeving èn op het niveau van 
beleid en uitvoering. 

Rechtspositie 

Het is goed om voor ogen te houden dat de kinderbescherming zowel 
wat betreft een aantal bestuurlijke aspecten als wat betreft de rechts– 
pleging een bijzondere constructie kent. 

In het geval dat een maatregel van kinderbescherming is verzocht, is 
de juridische behandelingsprocedure een bijzondere vorm van de civiel– 
rechtelijke verzoekschriftprocedure. 

Men is daarbij niet zozeer partij in de eigen zaak, maar eerder belang– 
hebbende bij een door een ander - meestal door de raad voor de kinder– 
bescherming - ingediend verzoek. 

Bewijsrechtelijke aspecten krijgen in het kinderrecht weinig aandacht. 

Bijzonder is het instituut van «overheidsrapporteur» in de vorm van een 
maatschappelijk werker van de raad voor de kinderbescherming, waarbij 
de raad in diezelfde zaak veelal tevens de procespartij is. Verder brengt 
de gezinsvoogd ten minste een maal per drie maanden aan de kinder– 
rechter verslag uit15. 

Verder zijn de vele ambtshalve (uit eigen beweging) door de rechter te 
nemen beslissingen kenmerkend voor de rechtspleging in kinderzaken, 
alsmede de zogenaamde dubbelrol van de kinderrechter: rechtspraak, 
plus uitvoerende taken: de formele leiding over het toezicht16 dat de 
gezinsvoogd houdt op de verzorging en opvoeding van de onder toezicht 
gestelde minderjarige en de formele uithuisplaatsing17. 

Het is niet eenvoudig om de positie te omschrijven van degenen die 
zich met klachten over de kinderbescherming tot de Tweede Kamer 
hebben gewend. 

In de taal van het welzijn zouden zij «cliënt» heten: iemand met een 
hulpvraag, die ontevreden is over het aanbod van voorzieningen en over 
de wijze waarop hij wordt geholpen. 

In de taal van het recht zouden zij «procespartij» heten: iemand met 
een rechtsvraag, die het niet eens is met de beslissing van de rechter en 
met de waarborgen waarmee zijn positie is omkleed. 

Wie met de kinderbescherming te maken krijgt, zit ergens tussen de 
maatschappelijke gedefinieerde rollen van cliënt en procespartij in. 

De rechtsbescherming die hij geniet wijkt af van die van een cliënt, 
een patiënt, een consument of een procespartij m een civielrechtelijke 
dagvaardingsprocedure. 

Men staat als persoon ter discussie en ter beoordeling: als minderjarig 
kind, als ouder, als opvoeder. 
Dit maakt de belanghebbende kwetsbaar: ieder woord lijkt te tellen, 
maar hij kan zelf niet bepalen wat doorslaggevend is in zijn zaak. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


15 Bij besiuit van 22 november 1989, Stb.
528

Onder die omstandigheden is de waarde begrijpelijk die wordt gehecht 

aan het rapport, het verslag en alles wat te maken heeft met «het 

dossier». 

De informatie die daarin gaat, heeft de betrokkene nog enigszins in de 

hand, maar wat op grond daarvan besloten wordt niet meer. 

Wat betreft de rechtsbescherming in verband met inzage en correctie 

staat voor belanghebbenden de weg open van de Wet openbaarheid van 

bestuur en/of de Wet persoonsregistraties. 

De doorwerking van deze wetten op het gebied van de kinderbe– 
scherming kent echter beperkingen, zeker als men ook kennis wil nemen 
van onderliggende stukken, telefoonnotities en dergelijke. 

Wat betreft de Wet openbaarheid van bestuur is van belang dat niet 

alle organisaties op het gebied van de kinderbescherming onder 

«overheidsorganen» te rekenen zijn. 

Bij de Wet persoonsregistraties dient in het oog te worden gehouden 
dat deze wet betrekking heeft op geautomatiseerde en systematisch 
aangelegde verzamelingen van persoonsgegevens, waarbij .^ich de vraag 
voordoet in hoeverre dossiers en dergelijke als zodanig moeten worden 
beschouwd (zie ook de bijlagen B en C). 

Klachtenprocedures 

Zowel in de kinderbescherming als in de jeugdhulpverlening laat de 
algemene regeling van procedures voor klachtenbehandeling veel ruimte 
aan de organisaties, en dus ruimte voor diversiteit. 

Van alle niet-residentiële voorzieningen voor jeugdhulpverlening en 
kinderbescherming is de procedure voor klachtenbehandeling bij de 
raden voor de kinderbescherming het meest uitgewerkt. 

In de residentiële sfeer is het klachtrecht voor jeugdigen in een rijksin– 
richting met de meeste waarborgen omkleed. 

Klachtenbehandeling blj de raden. Het klachtrecht bij de raden voor de 
kinderbescherming is vastgelegd in het Organisatiebesiuit 1982, de 
artikelen 35 t/m 43. 

De opvolgende instanties zijn: de directeur van het bureau van de raad 
(mondelinge of schriftelijke indiening van de klacht), de bevoegde klach– 
tencommissie (schriftelijk indiening van de klacht). 

leder van de zes commissies is bevoegd voor een aantal arrondisse– 
menten. De klachtencommissies zijn onafhankelijk van de organisaties 
waarop de klachten betrekking hebben - de leden worden door de 
minister van Justitie benoemd. 

De regeling is in november 1989 gewijzigd'8. 

Nieuw is de explicitering van het onderwerp van klagen. Aan «het 
optreden jegens hem persoonlijk in die aangelegenheid door een 
medewerker van het bureau» is toegevoegd: «daaronder begrepen de 
wijze waarop door de daarvoor verantwoordelijke medewerker van het 
bureau in die aangelegenheid vorm is gegeven aan het beleid van de 
raad». 

Klachtenbehandeling bij de justitie-inrichtingen. Van alle residentiële 
voorzieningen voor jeugdhulpverlening inclusief de kinderbescherming is 
de procedure voor de behandeling van klachten van jeugdigen in rijksin– 
richtingen het meest uitgewerkt. 

Het klachtrecht voor jeugdigen in een rijksinrichting is geregeld in 
artikel 70 t/m 80 (van Hoofdstuk XV) van de Wet op de jeugdhulpver– 
lening. 

 Het onderwerp van klagen is: «elke door of vanwege de directeur van 
de rijksinrichting gegeven beslissing die zich tot hem persoonlijk richt of 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2


19 Deze klachtenregeling geldt dus niet voor 
de dagcentra voor schoolgaande jeugd, en 
de medische kleuterdagverblijven. 
20 De uitvoerder is degene die een 
voorziening in stand houdt (artikel 1 lid 1 
sub b van de Wet op de jeugdhulpver– 

lening). Uitvoerders die rechtspersoon– 

lijkheid bezitten, werken samen in een 

regionaal samenwerkingsverband (artikel 14 

lid 1) De rijksinrichtingen worden door de 

minister van Justitie in stand gehouden (de 

artikelen 65 en 1 lid 1 sub i) 

21 Bedoeld wordt waarschijnlijk: «de 

ouder(s) of voogd», de aanduiding van de 

gezagsdrager(s) over de minderjarige die in 

de residentiêle voorziening is opgenomen, 

en niet: «de (stief)ouder(s)», de aanduiding 
van de onderhoudsplichtigen ten behoeve 
van hun (stief)kind. 
" Besluit van 22 februari 1990, Stb 1 22, 
artikel 9, sub d. 

waarbij wordt afgeweken van de rechten die hij aan de in de rijksin– 
richting geldende voorschriften kan ontlenen». 
Aan iedere rijksinrichting is een commisie van toezicht verbonden. De 
leden worden door de minister van Justitie benoemd. 
Voor een klacht van eenvoudige aard zijn de opvolgende instanties: de 
voorzitter van de commissie van toezicht bij die rijksinrichting, en de 
klachtencommissie samengesteld uit de commissie van toezicht. 

Voor een klacht die niet van eenvoudige aard is, zijn de opvolgende 
instanties: de klachtencommissie, en het College van advies voor de 
justitiële kinderbescherming. 

Zowel de jeugdige als de directeur kunnen tegen de beslissing van de 
voorzitter respectievelijk de klachtencommissie in beroep gaan. 
Het College van advies kan de behandeling van het beroepschrift 
opdragen aan een uit zijn midden benoemde commissie. 
De leden van het College van advies worden benoemd door de Kroon 
(artikel 82 lid 2 van de Wet op de jeugdhulpverlening). 

Deze regels voorzien niet in een klachtrecht voor degene die het gezag 
uitoefent over de minderjarige die in de rijksinrichting verblijft, of voor 
degene die anderszins in een als gezinsleven te beschouwen betrekking 
tot de minderjarige staat. 

Een ouder zou bijvoorbeeld klachten kunnen hebben over zijn mogelijk– 
heden tot het bezoeken van de minderjarige. 

Ook voorziet de regeling niet in de behandeling van klachten van de 
opgenomen jeugdigen die buiten het bovengenoemde onderwerp van 
klagen vallen. 

Voor de particuliere justitie-inrichtingen gelden, evenals voor de 
residentiële19 voorzieningen gesubsidieerd door het ministerie van WVC, 
de artikelen 46-52 (Hoofdstuk IX) van de Wet op de jeugdhulpverlening. 

Deze regeling bepaalt dat er bij iedere voorziening voor residentiële 
jeugdhulpverlening een commissie is, belast met de behandeling van 
klachten. De leden worden benoemd door de uitvoerder20. 

«Jeugdigen, hun ouders en stiefouders kunnen bij de commissie 
schriftelijk of mondeling een klacht indienen over elke door of vanwege 
de uitvoerder gegeven beslissing die zich tot de klager persoonlijk richt 
of waarbij deze anderszins in zijn belangen wordt getroffen», aldus 
artikel 47 van de Wet op de jeugdhulpverlening21. 

Voor de particuliere inrichtingen gesubsidieerd door het ministerie van 
Justitie (en voor de rijksinrichtingen) bepaalt het Besluit regels inrich– 
tingen voor justitiële kinderbescherming dat de directeur een werkplan 
vaststelt. 

Het werkplan bevat volgens dit Besluit in ieder geval een beschrijving 
van onder meer de wijze waarop particuliere inrichtingen klachten behan– 
delen22. Elke inrichting stelt dus een eigen reglement voor klachtenbe– 
handeling vast. 

Klachtenbehandeling bij de (gezins)voogdij-instellingen. Een bepaling 
met betrekking tot het klachtreglement is opgenomen in de algemene 
maatregel van bestuur behorende bij artikel 60 lid 4 van de Wet op de 
jeugdhulpverlening (het Besluit kwaliteitsregels en taken voogdij– en 
gezinsvoogdij-instellingen, Staatsblad 1990, 354). 

Van het werkplan van de instelling maakt een beschrijving van de wijze 
waarop de instellingen klachten behandelen deel uit. Elke instelling stelt 
dus een eigen reglement voor klachtenbehandeling vast. 

De wetgever blijft zo vrij ver op afstand: in een uitvoeringsbesluit 
wordt slechts gesteld dat iedere (gezins)voogdij-instelling een werkplan 
zal vaststellen dat een beschrijving bevat van de wijze van klachtenbe– 
handeling. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


23 Artikel 3 van het Reglement voor de 

Commissie voor de Verzoekschriften van de 
Tweede Kamer; artikel 4 lid 1 van het 
Reglement voor de Commissie voor de 
Verzoekschriften van de Eerste Kamer. 
24 Artikel 4 lid 2 van het betreffende 
reglement van de Eerste Kamer, en artikel 4 
van het betreffende reglement van de 
Tweede Kamer. 
25 Zie de artikelen 9-10 van het Besluit 
College van advies voor de justitiële kinder– 
bescherming, Stb. 113, 1990. 
26 Jaarverslag Inspectie Jeugdhulpverlening 
1989, Rijswijk, juni 1990, p 13. 

Niets staat het ontstaan in de weg van een groot aantal verschillende 
«wijzen» beschreven in de werkplannen. Ook is niet gegarandeerd dat de 
klachtreglementen aan bepaalde voor alle klachtreglementen geldende 
minimum-eisen voldoen. 

Andere klachtprocedures. In de sfeer van de niet aan het terrein van de 
jeugdhulpverlening gebonden klachteninstanties valt voor het klagen over 
de kinderbescherming te denken aan de Nationale ombudsman, en aan 
de Commissies voor de Verzoekschriften van de Eerste en de Tweede 
Kamer. 

Deze instanties zijn beperkt in hun bevoegdheden. 

De ombudsman kan op verzoek een onderzoek instellen naar de wijze 
waarop een administratief orgaan zich in een bepaalde aangelegenheid 
jegens een natuurlijk persoon of rechtspersoon heeft gedragen (artikel 
12 lid 1 Wet Nationale ombudsman). Ook kan hij uit eigen beweging een 
onderzoek instellen (artikel 15). 

Hij is onder meer niet bevoegd een onderzoek in te stellen zolang ten 
aanzien van de gedraging een administratiefrechtelijke voorziening open 
staat, of een procedure bij een rechterlijke instantie aanhangig is (artikel 
16). 

De ombudsman beoordeelt of het administratieve orgaan zich in de 
door hem onderzochte aangelegenheid al dan niet behoorlijk heeft 
gedragen. Hij stelt een rapport op, waarin hij zijn zienswijze over 
eventueel te nemen maatregelen bekend maakt. Hij brengt jaarlijks een 
verslag van zijn werkzaamheden uit, dat openbaar wordt gemaakt (Wet 
Nationale ombudsman, artikel 26 en 27). 

De ombudsman heeft in 1989 op het gebied van de raden voor de 
kinderbescherming onder meer gevolg gegeven aan verzoeken op het 
gebied van de inning van alimentatiegelden voor minderjarigen en aan 
verzoeken op het gebied van onderzoek, voorlichting en rapportage 
(Jaarverslag 1989, p. 227). 

Een voorgenomen onderzoek uit eigen beweging op het gebied van de 
kinderbescherming heeft de Nationale ombudsman geschorst omdat te 
weinig statistisch materiaal voorhanden was. Dit blijkt uit een brief van 
de Nationale ombudsman aan de minister van Justitie van 22 februari 
1988(brief nr. 8602177016). 

De Kamercommissies voor de Verzoekschriften kunnen een onderzoek 
instellen naar aangelegenheden, aan de orde gesteld in verzoekschriften 
betreffende de wijze waarop de overheid haar taak vervult, en kunnen 
daarin mede betrekken de vraag, of de overheid al dan niet een taak zal 
moeten gaan vervullen23. 

De onderzoeken van de Commissies strekken zich niet uit tot onder 
meer de taakvervulling van de leden van de rechterlijke macht met recht– 
spraak belast24. 

Tot slot het College van advies voor de kinderbescherming (tegen– 
woordig: de justitiële kinderbescherming). Dit College heeft een brede 
adviserende taak, en een beperkte taak met betrekking tot beroep– 
schriften in verband met klachten van jeugdigen in rijksinrichtingen en 
verzoeken om advies bedoeld in artikel 7 lid 3 van de Wet opneming 
buitenlandse pleegkinderen25. 

Klachtenbehandeling behoort formeel niet tot de taken van de 
Inspectie jeugdhulpverlening. 

Blijkens het Jaarverslag 198926 verwijst de Inspectie jeugdhulpver– 
lening klagers eerst door naar de instelling waarop de klacht betrekking 
had. «Pas wanneer bleek dat klager en instelling niet tot afhandeling van 
de klacht konden komen, heeft de inspectie de klacht in behandeling 
genomen.» 

Dat bij de inspectie binnengekomen klachten wel een rol kunnen 
spelen bij het onderzoek naar de kwaliteit, is op te maken uit de 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


27 staatscourant 109, 9 juni 1988, p 5 en21

toelichting op het vroegere Besluit Instelling Inspectie Jeugdhulpver– 
lening van 3 juni 198827: «De Inspectie kan op eigen initiatief optreden, 
maar kan ook actie ondernemen naar aanleiding van klachten.» 

In verband met de procedures voor klachtenbehandeling kan nog 
gewezen worden op de «informele klacht», de klacht die zonder gebruik– 
making van een formeel geregelde procedure wordt gemeld en 
behandeld. 

Verder mag door de nadruk op klachten de aandacht niet worden 
afgeleid van het «gewone» contact: de contacten in het kader van 
werkwijzen die overleg met de direct betrokkenen inhouden, en het 
verhoor van ouders, voogden en minderjarigen. 

Over een aantal onderwerpen is verplicht overleg voorgeschreven - zie 
bijvoorbeeld artikel 35 van het Besluit regels inrichtingen voor justitiële 
kinderbescherming (Staatsblad 1990, 112) dat in beginsel overleg 
voorschrijft over het hulpverleningsplan, met de jeugdige, de ouders en 
de plaatsende instantie. 

Inspect/e-taken 

De Wet op de jeugdhulpverlening van 1989 voorziet in meer dan èén 
soort toezicht. 
Er is een Inspectie jeugdhulpverlening belast met het toezicht op de 
kwaliteit van de jeugdhulpverlening. 

Zij neemt bij de vervulling van haar taak de aanwijzingen in acht van de 
minister van WVC en de minister van Justitie. Zij brengt in voorkomende 
gevallen aan deze ministers en het betrokken provinciaal bestuur verslag 
uit van haar bevindingen en doet zonodig voorstellen tot verbetering van 
de kwaliteit van de jeugdhulpverlening in een voorziening. 

Zij stelt jaarlijks van haar werkzaamheden een verslag op, waarin zij 
zonodig voorstellen doet die zij in het belang van de jeugdhulpverlening 
nodig acht. Het verslag wordt toegezonden aan de minister van WVC en 
de minister van Justitie, aan de provinciale besturen en aan de Tweede 
Kamer (artikel 54). 

Daarnaast is er toezicht op de naleving van wat bij of krachtens 
hoofdstuk XIII Voogdij– en gezinsvoogdij-instellingen van de Wet op de 
jeugdhulpverlening is bepaald. 

Dit toezicht berust bij de minister van Justitie, die daarin wordt bijge– 
staan door de raden voor de kinderbescherming (artikel 63). Krachtens 
de bepalingen in dit hoofdstuk zijn nadere regels te stellen omtrent de 
kwaliteit en de taken (artikel 60 lid 4) en de subsidieverlening (artikel 61 
Iid4). 

Voorts is er toezicht op de naleving van wat bij of krachtens hoofdstuk 
XIV Inrichtingen voor justitiële kinderbescherming - de rijksinrichtingen 
en de particuliere inrichtingen - van de Wet op de jeugdhulpverlening is 
bepaald (zie ook Bijiage B). 

Het toezicht berust bij de minister van Justitie (artikel 67). Krachtens 
dit hoofdstuk zijn nadere regels te stellen omtrent de kwaliteit (artikel 
66). 

Wettelijk is niet voorzien in toezicht óp de raden voor de kinderbe– 
scherming. ledere raad zendt jaarlijks aan de minister van Justitie een 
beredeneerd verslag van zijn werkzaamheden (artikel 34 Organisatiebe– 
sluit raden voor de kinderbescherming). 

Feitelijk wordt wel toezicht op de raden uitgeoefend: vanuit het bureau 
van de sector-manager raden voor de kinderbescherming op het minis– 
terie van Justitie. 

 Dit toezicht wordt onder meer uitgeoefend door middel van bespreking 
van het jaar-activiteitenplan van iedere raad (zie Bijlage B). 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2


" TK, 1984 1985, 18 122, nr 20, p. 3-4. 
29 Zie de Notitie De Raad voor de Kinderbe– 
scherming, TK, 1983-1984, 18 122, nrs. 
1-2, p. 10-11 en29 
30 Wel is de Wet administratieve recht– 
spraak overheidsbeschikkingen van 
toepassing op de beschikkingen die 
berusten op hetgeen bij of krachtens de 


Wet openbaarheid van bestuur is bepaald 
(artikel 8a van de WOB) 
31 Volgens de artikelen 902 en 902b van het 


Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. 
32 Wie een verzoek tot het opleggen van 


een maatregel van kinderbescherming kan 

indienen, is per maatregel bepaald, bijvoor– 

beeld in artikel 1: 254 lid 2 van het 

Burgerlijk Wetboek 

De minister is bevoegd de colleges algemene aanwijzingen te geven 
(volgens artikel 4 lid 1 van het Organisatiebesluit - artikel 20 lid 3 
vermeldt: opdrachten en aanwijzingen). 

Het zogenaamde Normenrapport II, een gestencilde uitgave op verzoek 
verkrijgbaar bij het ministerie van Justitie, bevat een beschrijving van de 
werkwijze voor raadsmedewerkers in verschillende soorten gevallen. 

Daarin staan ook de «Uitgangspunten met betrekking tot de taak van 
de raden op het gebied van rechtstoepassing en hulpverlening», die 
opgenomen waren in de Vervolg-notitie Raden voor de Kinderbe– 
scherming van december 198428. 

De status van deze uitgangspunten in relatie tot artikel 4 lid 1 (en 20 
lid 3 van het Organisatiebesluit, en het gewijzigde artikel 35 lid 1 van dat 
besluit) is niet duidelijk aangegeven. 

Toezicht dóór de raden voor de kinderbescherming op het functioneren 
van organisaties komt voor in het bovengenoemde artikel 63 van de Wet 
op de jeugdhulpverlening (bijstand aan de minister bij het uitoefenen van 
toezicht op de instellingen voor voogdij en gezinsvoogdij). Dit kan een 
overlap van taken betekenen met die van het zogenaamde sector– 
management instellingen dat deel uit maakt van het ministerie van 
Justitie (zie Bijlage B). 

De gedachte dat de zogenaamde centrumfunctie van de raden geregeld 
in artikel 1: 238 lid 3 BW - actieve coördinatie zou inhouden, 
wordt al sinds jaar en dag sterk gerelativeerd29. 

Slotopmerking 

Tot besluit van deze schets van de context waarbinnen de taakuit– 
oefening in de kinderbescherming staat, kan nog opgemerkt worden dat 
op het terrein van de kinderbescherming het administratief beroep en de 
administratieve rechtspraak niet of nauwelijks30 van toepassing zijn. 

Wel zijn er de procedures voor klachtenbehandeling, en worden de 
ouders of voogd, en de minderjarige van 12 jaar of ouder door de 
burgerlijke rechter gehoord31. 

Verder kan men, in het geval dat de raad voor de kinderbescherming 
geen verzoek indient tot het treffen van een maatregel voor kinderbe– 
scherming, zich wenden tot het openbaar ministerie, dat goeddeels 
dezelfde bevoegdheden heeft als de raad wat betreft het uitlokken van 
een rechterlijke beslissing. Ook kan men zelf een verzoek indienen, als de 
wet die mogelijkheid aangeeft32. 

Een voogdij-instelling die als voogd (of als toeziende voogd) is 
benoemd, kan door de rechtbank van die voogdij (of toeziende voogdij) 
worden ontzet (artikel 1: 328 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek). 

Deze ontzetting kan worden verzocht door de toeziende voogd of de 
voogd, door een van de bloed– of aanverwanten van de minderjarige tot 
en met de vierde graad, en door de raad voor de kinderbescherming, of 
worden gevorderd door het openbaar ministerie (artikel 1: 329 lid 1 van 
het Burgerlijk Wetboek). 

Als gezinsvoogd kan de kinderrechter of een natuurlijk persoon of een 
gezinsvoogdij-instelling benoemen (artikel 1: 255 lid 2 van het Burgerlijk 
Wetboek). Indien een ouder of voogd met de gezinsvoogd van mening 
verschilt over de te nemen maatregelen, kan deze de beslissing van de 
kinderrechter inroepen (1: 260 lid 2 BW). Ook kan de kinderrechter 
ambtshalve tot vervanging van de gezinsvoogd over gaan (1: 256 BW). 

Het burgerlijk recht biedt dus ook mogelijkheden voor controle op de 
taakuitoefening door organisaties voor kinderbescherming. 

In die zin vervangen de civielrechtelijke controle-mogelijkheden op het 
functioneren van organisaties voor kinderbescherming als het ware het 
administratieve beroep en de administratieve rechtspraak. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


HOOFDSTUK3. BEVINDINGEN 

Inleiding 

In allerlei vormen hebben mensen die met de kinderbescherming in 
aanraking zijn gekomen, hun klachten op papier gezet, en deze ter kennis 
van de Tweede Kamer gebracht: van handgeschreven noodkreten, 
persoonlijke emoties, tot lijvige en met zorg getypte notities, complete 
correspondentie-dossiers en zwartboeken. 

Stuk voor stuk waren dit signalen van mensen die niet het gevoel 
hadden dat aan hun zaak recht was gedaan, waren het kwesties die er 
als het ware om roepen tot de bodem te worden uitgezocht. 

Dat was echter niet de taak van de subcommissie Kinderbescherming. 

Blijkbaar is men met de bestaande procedures van klachtenbehan– 
deling niet in staat geweest om deze protesten dusdanig te behandelen 
dat de klagers met de reactie genoegen namen, of hebben de klagers 
niet de geëigende weg gevonden om hun klacht behandeld te krijgen. 

Behalve een ieder die belast is met het beleid voor en het toezicht op 
de organisaties, met klachtenbehandeling binnen de organisaties voor 
kinderbescherming, en met het horen van belanghebbenden ter terecht– 
zitting, is het ook de wetgever die zich deze constatering aan zou kunnen 
trekken. 

Het onderzoeksmateriaal van de subcommissie Kinderbescherming 
bestaat uit door de Tweede Kamer ontvangen klachten en berichten en 
uit de oogst van de drie groepsgesprekken die de subcommissie heeft 
belegd. 

De professionele kinderbeschermers die hun mening naar voren 
hebben gebracht, blijken met het gros van de kritiek bekend te zijn. Zij 
bieden deels tegenwicht, deels onderschrijven zij de kritiek, deels 
aanvaarden zij belangentegenstellingen als kenmerk van hun werk. 

De subcommissie heeft bij haar analyse de standpunten en voorstellen 
van de kant van de beroepsbeoefenaars die vanwege de genodigde 
organisaties aan de gesprekken deelnamen, meegewogen. 

Uiteraard baseren de leden van de subcommissie Kinderbescherming 
hun meningen niet alleen op het onderzoeksmateriaal, maar ook op de 
parlementaire discussies over de kinderbescherming en de jeugdhulpver– 
lening in de afgelopen jaren. 

In dit verband zijn de discussies te noemen naar aanleiding van de Wet 
op de jeugdhulpverlening (TK, 19 399) en de behandelingen van de 
begrotingen van de ministeries van Justitie en WVC (TK, 1986-1987, 
19 700, de hoofdstukken VI en XVI). Voorts de discussies naar 
aanleiding van de Notitie De Raad voor de Kinderbescherming, de 
Vervolg-notitie, en de brief van de staatssecretaris van Justitie van 26 
juni 1989 (TK, 18 122, nrs. 1-2, 20 en 27). Op de materie van dit 
onderzoek naar het functioneren van de kinderbescherming hebben ook 
betrekking: de Notitie Toepassing van kinderbeschermingsmaatregelen 
(TK, 1987-1988, 20 634, nr. 2) en de Notitie Rechtspositie minderja– 
rigen (TK, 1989-1990, 21 309, nr. 2). 

De bevindingen van de subcommissie worden hieronder weergegeven 
aan de hand van de eerste vier in het hoofdstuk Doel en werkwijze 
genoemde thema's: 

- de rechtspositie van degene die in een juridische procedure tegen– 
spraak wil voeren (hoofdstuk 3.1); 
- de toepassing van gezagsmaatregelen en van uithuisplaatsing 
(hoofdstuk 3.2); 
Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2


" Voor een beschrijving van deze begin– 
selen zie mr R.J.G.M. Widdershoven, 
Gespecialiseerde rechtsgangen in het 
administratieve recht, 1989 

- de doorwerking van het recht op eerbiediging van gezinsleven 
(hoofdstuk3.3); 
- de externe controle op het functioneren van de organisaties voor 
kinderbescherming (hoofdstuk 3.4). 
De bevindingen met betrekking tot het vijfde thema, de ministeriële 
richtlijnen aan de organisaties voor kinderbescherming, zijn in de hoofd– 
stukken 3.1 t/m 3.4 opgenomen. 

Behoorlijkheidseisen 

Aan het eind van het vorige hoofdstuk is gesteld, dat op het terrein van 
de kinderbescherming nauwelijks sprake is van administratief beroep en 
administratieve rechtpraak. 

De subcommissie Kinderbescherming wil erop wijzen, dat dit niet wil 
zeggen dat de beginselen van behoorlijk bestuur die in de sfeer van het 
administratiefrechtelijke recht tot ontwikkeling zijn gebracht, niet op de 
kinderbescherming van toepassing zijn. 

Het gaat om het beginsel van wetmatigheid en om de beginselen van 
behoorlijk bestuur, zoals het rechtszekerheidsbeginsel en het procedurele 
en inhoudelijke zorgvuldigheidsbeginsel. 

In het vorige hoofdstuk is aan de orde geweest dat de rechtspleging in 
zaken waarin over een maatregel van kinderbescherming moet worden 
beslist, geschiedt volgens een civielrechtelijke verzoekschriftprocedure. 
Daarvoor gelden bijzondere processuele regels: de artikelen 900 en 
volgende van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. 

De procedure van behandeling van kinderzaken wordt wel beschreven 
als een informele, flexibele procedure. 

Opnieuw geldt dat dit niet betekent, dat de beginselen van behoorlijke 
rechtspleging niet in volle omvang op de rechtspleging in kinderzaken 
van toepassing zijn. Daartoe behoren de beginselen van onafhanke– 
lijkheid en onpartijdigheid, het beginsel van effectieve toegang tot de 
rechter, het verdedigingsbeginsel (hoor en wederhoor) en het motive– 
ringsbeginsel33. 

De behoorlijkheidsnormen voor bestuur en rechtspleging hebben de 
leden van de subcommissie Kinderbescherming voor ogen gestaan bij 
het analyseren van de klachten en berichten die onder haar aandacht zijn 
gekomen. 

3.1. De rechtspositie van degene die in een juridische procedure 
tegenspraak wil voeren 
De klachten die te rangschikken zijn onder het thema «rechtspositie» 
gaan over situaties in de rechtspleging waarin een burger zijn positie zo 
ervaart, dat hij «het systeem» tegenover zich vindt. 

De rechter, de raad voor de kinderbescherming als procespartij, de 
raad voor de kinderbescherming of de gezinsvoogd als adviseur aan de 
rechter, en eventuele deskundigen die ten behoeve van de rechter 
geadviseerd hebben, komen op sommige minderjarigen en ouders als 
één blok over. 

Meestal is degene die tegenspraak wil voeren een ouder wiens gezag 
over een kind ten gevolge van een maatregel van kinderbescherming of 
ten gevolge van een scheiding in het geding is. 

Het komt ook voor, dat de minderjarige in kwestie zich wil verzetten 
tegen de toewijzing of de afwijzing van een verzoek of vordering, of 
tegen een verlenging, en dat pleegouders het met een verzoek of een 
beslissing niet eens zijn. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


Klachten 

Kort samengevat komt de geleverde kritiek hierop neer: 
De klagers achten zich onvoldoende inhoudelijk en juridisch 
«gewapend» tegenover de door de overheid bekostigde «wederpartij». 

Sommigen komen tot de ontdekking dat hun positie, bijvoorbeeld die 
van ouder-toeziende voogd of die van ouder van een uit huis geplaatste 
minderjarige, een verlies van bevoegdheden met zich mee brengt die zij 
als onevenredig groot ervaren. 

Er zijn klachten dat de rechter geen onpartijdige indruk maakt, dat het 
lijkt of de professionele kinderbeschermers elkaar de hand boven het 
hoofd houden. 

Verder klaagt men over machteloosheid om zich te verweren tegen 
procedurele onzorgvuldigheden zoals het op zeer korte termijn oproepen 
ter verhoor, en over het besef eigenlijk buiten spel te staan, onder meer 
doordat besluiten vaak niet op feiten, maar op meningen of vermoedens 
berusten. 

Door sommigen wordt de opvatting dat handelingen van beroepsbeoe– 
fenaars in de kinderbescherming hun legitimatie ontlenen aan de 
bewering dat zij in het belang van de minderjarige plaatsvinden, aan de 
kaak gesteld. Voor anderen is de positie die met name de raad voor de 
kinderbescherming inneemt nauwelijks aanvaardbaar. 

Als de raad voor de kinderbescherming of de gezinsvoogd voor de 
belangen van de minderjarige opkomt, betekent dat dan dat de ouders 
tegenover de verzoeker en/of de adviseur staan, en tegenover hun kind?, 
zo vragen ouders zich af. Wie wordt in het maatregelrecht verondersteld 
de wederpartij van wie te zijn? 

«In bijna alle gevallen is er wel consensus over het feit dat er iets moet 
gebeuren.» Op deze manier typeren professionele kinderbeschermers de 
zaken waarin juridische interventie nodig wordt geacht. 

Hoe raak de sfeer tijdens de zitting en in de voorbereidingsfase 
hiermee ook getekend moge zijn, de onvrede met de daarop volgende 
fasen van beslissing en tenuitvoerlegging is er niet mee verklaard. 

De direct betrokkenen willen niet alleen gehoord worden, zij willen ook 
vrij precies kunnen nagaan wat er met de door hen aangedragen infor– 
matie en de door hen gegeven mening gebeurt. 

Meer in het bijzonder willen zij aan het product van de werkzaamheden 
van beroepsbeoefenaars - de beslissing van de rechter, de voorlichting 
aan de rechter door de raad voor de kinderbescherming, het verslag van 
de gezinsvoogd aan de kinderrechter - kunnen aflezen hóe de rechter, de 
rapporteur en de gezinsvoogd met hun mening rekening hebben 
gehouden. 

Zij verwachten van de door de overheid bekostigde organisaties voor 
kinderbescherming en van de instanties voor rechtspraak, dat hun 
mening en inbreng niet alleen wordt aangehoord, maar ook in de 
besluiten tot uitdrukking komt. 

De procedurele voorschriften bieden hiervoor weinig garanties. 

Ouders, minderjarigen en pleegouders trekken uit hun ervaringen soms 
de conclusie dat rapporteurs en gezinsvoogden ongehinderd door inhou– 
delijke en procedurele richtlijnen hun eigen koers varen, en dat de 
rechter in vele gevallen die koers volgt. 

Bevindingen 

De rode draad die door de kritiek heen loopt, is het verzet tegen de 
ongelijkheid van de rechtsposities van «partijen», de wens om te komen 
tot meer «equality of arms». 

In termen van het systeem van kinderbescherming vertaald, hebben de 
hier bedoelde kritiekpunten betrekking op het procesrecht. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2


Toch gaat het zeker niet om procedurele kritiek alleen: het verwijt is 
dat de rechtsongelijkheid een goed overzicht van de feiten en omstan– 
digheden en een goede besluitvorming in de weg staat, en tot gevolg 
heeft dat fouten niet of te laat worden rechtgezet. 

Een zeer belangrijke oorzaak van de onvrede die het systeem van de 
kinderbescherming steeds blijkt op te roepen, is de onbekendheid van 
burgers met de mogelijkheden en de beperkingen van het systeem. 

De burger die met de kinderbescherming in aanraking komt, zal vaak 
onvoldoende voorkennis hebben van die mogelijkheden en beperkingen, 
en zal bovendien vaak in een situatie verkeren waarbij hij emotioneel 
sterk betrokken is. 

Onbekendheid kan dan leiden tot extra verwarring, het niet of te laat 
gebruiken van de eigen mogelijkheden, tot overspannen verwachtingen, 
zoals bij een poging tot bemiddeling die geen resultaat heeft. Of tot 
verwachtingen die niet blijken te kloppen, bijvoorbeeld in geval van de 
zogenaamde fuikwerking: men denkt hulp te krijgen maar wordt gecon– 
fronteerd met een juridische maatregel. 

De benaming «maatschappelijk werker» voor een raadsmedewerker die 
zich bezighoudt met de voorbereiding van rapporten, dient vervangen te 
worden door de benaming «rapporteur». 

Het is de verdienste van de belangenorganisaties op het gebied van de 
kinderbescherming, dat zij algemene informatie en gerichte voorlichting 
verstrekken aan minderjarigen, ouders en pleegouders, en dat zij 
aandacht vragen voor manco's en inconsequenties in het systeem 
waarmee de mensen van wie zij de belangen behartigen, worden gecon– 
fronteerd. 

Terecht wijst men er op dat de betrokkenheid van de kinderbe– 
scherming per definitie eindig is. De direct belanghebbenden moeten, al 
dan niet op afstand, met elkaar verder. 

De subcommissie Kinderbescherming heeft zich niet aan de indruk 
kunnen onttrekken, dat beroepsbeoefenaars in de rechtspleging en in de 
kinderbescherming wel eens te gemakkelijk aannemen, dat aan de 
mening van betrokkenen in de beslissing of het rapport inhoudelijk 
voldoende aandacht is besteed. 

Mogelijke verklaringen daarvoor houden verband met de soms scherpe 
tegenstellingen tussen de wensen van de belanghebbenden, met hun 
«vooringenomenheid», met de omstandigheid dat het contact tussen de 
direct betrokkenen is vastgelopen, en met het zeer beperkte aantal opties 
dat juridisch gezien voorhanden is. 

Een andere verklaring komt hierop neer: het gaat om kinderbe– 
scherming, en de mening van de betrokkenen doet er dus wat minder toe 
dan in niet-kinderbeschermings-situaties. De beroepsbeoefenaars in de 
kinderbescherming hebben immers het belang van de minderjarige voor 
ogen - daarin ligt hun taak. 

Het gevaar van een dergelijke optiek is dat een cirkelredenering 
ontstaat, waar als het ware behalve de minderjarige geen burger meer 
aan te pas komt: de bijzondere bevoegdheden van de kinderbescherming 
treden in werking, omdat het een geval van kinderbescherming is, omdat 
een beroepsbeoefenaar de situatie zo definieert. 

De subcommissie Kinderbescherming is van mening dat het 
overweging verdient om in maatregel-zaken en in scheidingszaken waarin 
de raad voor de kinderbescherming heeft geadviseerd, een zelfstandig 
uit te oefenen recht op tegenonderzoek toe te kennen in de vorm van de 
hoger-beroep variant: een deskundigenverhoor dat verzocht is door de 
ouder(s) of voogd in hoger beroep, wordt in beginsel toegewezen, tenzij 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2


34 De wiize van gedragen a\s bedoeld in 
artikei !4a van de Wet op de Rechteriijke

Organisatie

de rechter oordeelt dat van toewijzing ernstig nadeel voor de minder– 
jarige moet worden gevreesd. 

Het is van groot belang dat iedere ouder(s) of voogd in de beschikking 
worden gewezen op het rechtsmiddel van hoger beroep, de termijn 
waarbinnen dit beroep moet worden ingesteld en bij welke instantie, en 
dat dit moet gebeuren via een procureur. 

Degene wiens gezagsuitoefening in het geding is, dient zelf te kunnen 
beslissen of hij in de rechterlijke beslissing wil berusten. 

Waar dit van toepassing is, dient degene die wordt opgeroepen ter 
verhoor van te voren schriftelijk ervan op de hoogte te worden gesteld 
dat het voeren van tegenspraak op de zitting voorwaarde is voor het 
kunnen instellen van hoger beroep. 

De subcommissie Kinderbescherming acht het noodzakelijk dat de 
opgeroepene in de oproep wordt geattendeerd op de mogelijkheid van 
inschakeling van een raadsman. 

In de klachten die gaan over de rechtspositie keren de zorgvuldigheid 
van taakuitoefening en bejegenmg, de wenselijkheid van motivering van 
beslissingen, en de contra-expertise op verzoek van «de gedaagde» vaak 
terug. 

Op deze onderwerpen gaat de subcommissie Kinderbescherming hier 
afzonderlijk in. 

Bejegening 

Als de wijze waarop een beroepsbeoefenaar zijn werk doet gedetail– 
leerd is geregeld, dan is het niet moeilijk een onderscheid te maken 
tussen het optreden dat te rekenen is tot de (al dan niet zorgvuldige) 
taakuitoefening en een (al dan niet zorgvuldige) bejegening. 

Als de wijze waarop een beroepsbeoefenaar zijn werk doet echter in 
hoge mate door hem zelf of door de organisatie waar hij werkt wordt 
bepaald, is het onderscheid tussen (on)zorgvuldige taakuitoefening en 
een (on)zorgvuldige bejegening vaag. Het gevaar van willekeur is dan 
groter. 

Naarmate de rechter een grotere vrijheid heeft om de processuele 
gang van zaken zelf te bepalen, vervaagt het onderscheid tussen 
bejegening34 en rechtspleging. 

Degene die met de kinderbescherming te maken heeft, voelt zich –zo 
blijkt uit klachten - vaak sterk afhankelijk van de bejegening, van het 
feitelijk optreden, van de welwillendheid van de personen die hij 
tegenover zich vindt. 

ïn de klachten over de bejegening is dus vaak een klacht tegen de vrije 
beleidsruimte van beroepsbeoefenaars en organisaties vervat. 

De klachten over een onzorgvuldige bejegening geven ook blijk van 
angst bij ouders, pleegouders en minderjarigen: déze beroepsbeoefenaar 
die de indruk maakt dat hij mijn opvattingen niet respecteert, heeft de 
ruimte om zeer ingrijpende beslissingen over mijn leven te nemen. 

Als men in een situatie die voor de direct betrokkene sterk emotioneel 
geladen is, een weinig begripvolle houding ontmoet bij iemand die over 
ruime bevoegdheden beschikt, dan werkt dat ontmoedigend en beang– 
stigend. 

Motivering 

De rechterlijke beschikking met betrekking tot een maatregel van 
kinderbescherming dient te worden gemotiveerd (artikel 909 lid 1 
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). 

 Ovengens dient ook het verzoek of de vordermg met redenen te 
worden omkleed (artikel 900 lid 1 van dat wetboek). 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2


35 Jaarverslag Raden voor de kinderbe 

scherming, 1988, p. 34. 
36 Zie: mr. P. Vlaardingerbroek, Moet de 
ondertoezichtstelling met pensioen?, Neder– 
lands Juristenblad, 21 november 1987, afl. 
41, p 1318-1321. 
37 Bij een verlenging van de ondertoezicht– 
stellmg zijn de eisen lichter dan bij het 
opleggen van de maatregel De Hoge Raad 
oordeelde dat het voor een verlenging niet 
nodig is dat de bedreiging «in zodanige 
mate zou herleven als voor een oorspronke– 
lijke ondertoezichtstelling nodig zou zijn» 
(Hoge Raad, 29-11-1963, Nederlandse 
Jurisprudentie, 64, 45). 
38 De artikelen 176 en volgende van het 
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. 

De motiveringsverplichting wordt in de praktijk wel zo geïnterpreteerd, 
dat deze met name geldt, of alleen geldt, indien er tegenspraak is 
gevoerd, en de tegenspreker aangeeft dat hij overweegt in hoger beroep 
te gaan. 

Het komt voor dat voor de beschikking in eerste aanleg voorgedrukte 
formulieren worden gebruikt, waarin de toegepaste wetsartikelen zijn 
aangekruist, en voor de inhoudelijke motivering verwezen wordt naar het 
raadsrapport. 

De minderjarïge en de ouders of voogd die zijn gehoord, kunnen 
daaruit niet opmaken hoe hetgeen zij naar voren hebben gebracht in de 
besluitvorming is meegewogen, noch welke informatie uit het raads– 
rapport de rechter aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd. 

Van de door de raad voor de kinderbescherming verzochte maatre– 
gelen is ongeveer 80% een ondertoezichtstelling35. 
Kwantitatief in de ondertoezichtstelling dus veruit de belangrijkste 
maatregel. 

De wettelijke grond voor de ondertoezichtstelling wordt algemeen als 
vaag beschouwd: de minderjarige groeit zodanig op dat hij met zedelijke 
of lichamelijke ondergang wordt bedreigd (1: 254 lid 1 van het Burgerlijk 
Wetboek). 

Globaal de helft van de ondertoezichtstellingen gaat samen met een 
uithuisplaatsing36. 

Voor de uithuisplaatsing volgens artikel 1: 263 lid 1 van het Burgerlijke 
Wetboek (BW) geldt een procedureel criterium: er is een (voorlopige) 
ondertoezichtstelling, en een inhoudelijk criterium: het is in het belang 
van de verzorging en opvoeding noodzakelijk. 

Voor de verlenging van de ondertoezichtstelling met telkens een jaar 
geeft de wet geen criterium aan (1: 258 BW)37. 

Ook voor de verlenging van de uithuisplaatsing geeft de wet voor de 
eerste twee jaar geen criterium, wel voor een verdere verlenging (1: 263 
lid 3 en 4 BW). 

Juist gezien het ruime toepassingsbereik van de maatregelen van 
kinderbescherming vanwege de vaagheid van de wettelijke gronden of 
vanwege het ontbreken van een wettelijk criterium, acht de subcom– 
missie Kinderbescherming een inhoudelijke motivering van deze beslis– 
singen op zijn plaats. 

Con tra -expertise 

In de kinderbescherming zijn tendenzen te constateren om vaker 
specialistische deskundigheid in te schakelen bij het opstellen van de 
raadsrapporten. 

De raad voor de kinderbescherming kan ten behoeve van het rapport 
advies vragen aan bijvoorbeeld een deskundige op het gebied van de 
pedagogiek. 

Daarnaast is er de mogelijkheid dat de kinderrechter beslist tot 
plaatsing in een observatietehuis (volgens artikel 1: 262 van het 
Burgerlijk Wetboek). 

In het geval dat een ouder of voogd de conclusie van het raadsrapport 
of het gezinsvoogdij-verslag niet deelt om reden dat hij het niet eens is 
met de uitkomst van het onderzoek door een deskundige, dan brengt het 
beginsel van «equality of arms» met zich mee dat hij in de mogelijkheid 
wordt gesteld om ter onderbouwing van zijn bezwaren een tegenon– 
derzoek te laten verrichten. 

Hier speelt de vraag in hoeverre en in welke vorm in kinderzaken 
sprake dient te zijn van rechtsgelijkheid tussen ouder(s) of voogd en de 
raad voor de kinderbescherming als verzoeker en/of adviseur. 

Ook speelt hier de vraag naar het al dan niet van toepassing zijn van 
de algemene regels van burgerlijk bewijsrecht38. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


39 Bijlage I bij de Notitie De Raad voor de 
Kinderbescherming (TK. 1983 1984. 18 

122, nrs 1 -2. p. 31) stelt onder punt 1: «Een 
cliënt kan zich in beginse! laten bijstaan 
door een helper. liever te noemen «iemand 
in wie de cliënt vertrouwen heeft» Dit kan 
zijn bij voorbeeld een advocaat, een 
familielid, een buurman of een lid van een 
belangenbehartigmgsorganisatie » 

Eén van de verschillen tussen het bewijsrecht in civielrechtelijke 
dagvaardingsprocedures en het bewijsrecht in civielrechtelijke verzoek– 
schriftprocedures is het ontbreken in verzoekschriftprocedures van het 
recht van partijen een getuigenverhoor te verzoeken (artikel 192 lid 1 en 
182 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). 

Of een deskundigenverhoor plaatsvindt beslist de rechter, op verzoek 
van een partij of ambtshalve (artikel 221 van dit wetboek). 

Uit de kritiek die door klagers wordt geleverd op het ontbreken van 
onvoldoende waarborgen voor het uitoefenen van het recht op tegenon– 
derzoek, blijkt dat «contra-expertise» soms als containerbegrip wordt 
gehanteerd, als begrip met verschillende betekenissen die alle betrekking 
hebben op het (kunnen) voeren van adequate tegenspraak. 

Behalve op het niet kunnen doen oproepen van «eigen» getuigen, en 
het feit dat de beslissing of er al dan niet een tegenonderzoek kan 
worden verricht door de rechter wordt genomen, speelt de behoefte aan 
het kunnen indienen van een pleitnota waarin het standpunt van de 
ouder(s) schriftelijk onder de aandacht van de rechter wordt gebracht. 

Het raadsrapport kan zowel feitelijke informatie bevatten als persoon– 
lijke meningen en indrukken van de rapporteur. 

De vermenging van feiten en meningen in een raadsrapport is 
aanleiding tot kritiek: zo vervaagt het onderscheid tussen wat er feitelijk 
aan de hand is, en de invulling die de maatschappelijke werker vanuit zijn 
eigen opvattingen geeft aan het belang van de minderjarige in kwestie. 

Het voeren van tegenspraak is dan moeilijk. 

Ook het gebruik van verhullende termen, vrij neutrale aanduidingen 
van gedragingen en omstandigheden waarvan de bedoeling voor 
«insiders» wel duidelijk is, bemoeilijkt «de verdediging». 

De status van de inhoud van raadsrapporten is onduidelijk: is het 
bewijsmateriaal of is het een persoonlijke indruk? 
Ook juridische bijstand door een raadsman kan tegemoet komen aan 
de behoefte aan «contra-expertise», opgevat als containerbegrip. 
Het is zeker niet zo dat men in alle gevallen van die mogelijkheid 
gebruikmaakt. 

In tegenstelling tot bijvoorbeeld strafzaken voor de rechtbank, schei– 
dingszaken en burgerlijke dagvaardingsprocedures, is in zaken met 
betrekking tot maatregelen van kinderbescherming geen procesvertegen– 
woordiging verplicht. 

Een ouder of voogd wiens gezagsuitoefening in het geding is, beschikt 
altijd over de mogelijkheid zich door een advocaat te doen bijstaan. 
Ook kan hij een advocaat vragen op te treden als vertrouwensfiguur als 
de raad voor de kinderbescherming een onderzoek instelt39. 

Voor de toekenning aan de ouder(s) of voogd van een recht op contra– 
expertise zijn verschillende modellen denkbaar: de rechter staat contra– 
expertise toe of weigert dit; de belanghebbende heeft zowel in eerste als 
in tweede instantie een zelfstandig uit te oefenen recht op het doen 
uitvoeren van een tegenonderzoek; contra-expertise is alleen een 
zelfstandig uit te oefenen recht in geval van hoger beroep; de belang– 
hebbende heeft recht op het doen uitvoeren van een tegenonderzoek in 
zaken waarin de advisering aan de rechter geschiedt door middel van de 
inschakeling van deskundigen anders dan een maatschappelijk werker 
werkzaam bij de raad voor de kinderbescherming of een gezinsvoogdij– 
instelling. 

Bij het maken van een keuze tussen de verschillende denkbare 
modellen zijn de kosten belangrijk, en de eventuele schade die een extra 
onderzoek kan toebrengen aan de belangen van de minderjarige. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


40 Volgens de artikelen 1: 262 en 263 van 

het Burgerlijk Wetboek. 
"' Volgens de artikelen 1 241 lid 2 en 3, en 
272 en 332 van het Burgerlijk Wetboek 
42 Volgens de artikelen 271 lid 4 en 331 lid 
2 van het Burgerlijk Wetboek en de (vrijwel 
niet toegepaste) artikelen 825c lid 3 en 827I 
lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke 
Rechtsvordering 

3.2. De toepassing van gezagsmaatregelen en van uithuis– 
plaatsing 
Voor degene die het gezag over de minderjarige uitoefent - de 
ouder(s) of voogd - betekent een maatregel van kinderbescherming een 
bevoegdheidsverlies: er komt toezicht op zijn uitoefening van het gezag, 
de minderjarige wordt aan zijn invloed onttrokken, of hij raakt tijdelijk of 
duurzaam het gezag kwijt. 

Voor de minderjarige kan een gezagsmaatregel betekenen dat er 
verandering optreedt van degene die voor zijn verzorging en opvoeding 
verantwoordelijk is en/of verandering van de plaats waar hij woont en 
van degene die hem verzorgt en opvoedt. 

De toepassing van gezagsmaatregelen en van de uithuisplaatsing is 
aan wettelijke criteria gebonden. Het is de taak van de instantie die tot 
de maatregel besluit - de kinderrechter, de officier van justitie of de 
rechtbank - om te beoordelen of aan de wettelijke criteria is voldaan. 

De inhoud van de maatregelen ligt wettelijk globaal vast. De wet geeft 
aan hoe en wanneer een maatregel eindigt. 

De rechterlijke beslissingen tot het opleggen van een maatregel - met 
uitzondering van de voorïopige - en de rechterlijke beslissingen tot 
uithuisplaatsing zijn vatbaar voor hoger beroep. 

De maatregelen van kinderbescherming zijn: de ondertoezichtstelling, 
de ontheffing van de ouderlijke macht of van de ouder-voogdij, de 
ontzetting van de ouderlijke macht, de ontzetting van de voogdij of de 
toeziende voogdij, de voorlopige ondertoezichtstelling, de voorlopige 
toevertrouwing aan de raad voor de kinderbescherming, en de schorsing 
in de uitoefening van de ouderlijke macht of de voogdij. 

Ook het herstel van een ouder in de ouderlijke macht of de voogdij 
over zijn kind, na een ontheffing of ontzetting, wordt wel onder de 
maatregelen van kinderbescherming gerekend. 

De ondertoezichtstelling wordt beschouwd als een lichte maatregel, 
lichter dan de ontheffing en de ontzetting. 

Gedurende een (voorlopige) ondertoezichtstelling kan de minderjarige 
door de kinderrechter ter observatie worden opgenomen, of in het 
belang van de verzorging en opvoeding buiten het gezin worden 
geplaatst, in een tehuis of elders (bijvoorbeeld in een pleeggezin)40. 

Een voorlopige toevertrouwing aan de raad voor de kinderbescherming 
kan geschieden door de officier van justitie41 of door de rechtbank voor 
de duur van het geding42. 

De voorlopige toevertrouwing houdt gewoonlijk een plaatsing van de 
minderjarige buiten het gezin in. 

Klachten 

Met betrekking tot de maatregelen van kinderbescherming laten 
klagers zich kritisch uit over: 

- de vaagheid van wettelijke criteria, waardoor onder meer ruimte 
geboden wordt aan het verschijnsel financiële ondertoezichtstelling; 
- het ontbreken van wettelijke criteria voor bepaalde beslissingen, wat 
ten koste gaat van de rechtszekerheid voor ouders; 
- het tekort schieten van de bewaking van de duur van voorlopige 
ingrepen; 
- de onduidelijke verantwoordelijkheidsverdeling gedurende een 
ondertoezichtstelling al dan niet met uithuisplaatsing; 
- onzorgvuldigheden in de juridische procedure zoals het negeren van 
pleegouders; 

- de «twee petten» van de kinderrechter (rechtspraak en leiding over 
de gezinsvoogdij); 
Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


- het grote verlies van invloed van de ouders; 
- de toepassing van de voorlopige toevertrouwing van de kinderen aan 
een van de ouders gedurende een scheidingsgeding; 
- het als het ware automatisch overgaan van een ondertoezichtstelling 
in een gedwongen ontheffing; 
- het ontbreken van een regeling voor het bezoeken van buiten het 
gezin geplaatste kinderen; 
- de zwakke positie van pleegouders; 
- het gebrek aan richtlijnen voor complexe situaties; 
- het gebrek aan deskundigheid bij beslissers en uitvoerenden; 
- het gebrek aan serieuze inschakeling van minderjarigen, ouders en 
pleegouders bij het opstellen van indicatiestellingen, hulpverlenings– 
plannen en evaluaties. 
De subcommissie Kinderbescherming geeft zich er rekenschap van dat 
gezagsmaatregelen naar hun aard, gezien het verlies aan invloed en 
bevoegdheden dat optreedt, tot op zeker hoogte altijd onderwerp zullen 
zijn van kritiek, zowel op de toepassing als op de inhoud. 

Dit ontslaat de organisaties voor kinderbescherming echter niet van de 
plicht om zo zorgvuldig mogelijk te handelen. 

Het is voor de kinderbescherming als systeem belangrijk om de kritiek 
ter harte te nemen als indicatie voor wat er op het niveau van de 
wetgeving dient te verbeteren. 

Bevindingen 

De subcommissie trekt uit de klachten en berichten met betrekking tot 
het thema «maatregelen van kinderbescherming» de conclusie dat de 
wettelijke gronden aanscherping behoeven, dat het nodig is de 
waarborgen voor de duur van voorlopige maatregelen te versterken, en 
dat de verantwoordelijkheidsverdeling gedurende een ondertoezicht– 
stelling dient te worden verhelderd. 

De gronden 

De wettelijke grond: de minderjarige groeit zodanig op dat hij met 
zedelijke of lichamelijke ondergang wordt bedreigd (1: 254 lid 1 BW), 
wordt vrij ruim geïnterpreteerd. 

Bekende verschijnselen zijn de «financiële ots» (een maatregel van 
ondertoezichtstelling ter financiering van een plaatsing buiten het gezin 
als de ouders of voogd niet instemmen met een opneming van de 
minderjarige op basis van vrijwilligheid) en van de «omgangs-ots» (ter 
begeleiding van de naleving door de verzorgende ouder van een 
omgangsregeling). 

De wettelijke grond is «zwaar» geformuleerd, maar is toch zo vaag dat 
hij ruimte biedt voor uiteenlopende interpretaties van wat dreigende 
ondergang inhoudt, en ook voor oneigenlijk gebruik. 

Hoewel dit probleem herhaaldelijk is gesignaleerd, het punt van de 
rechtsonzekerheid is onderkend, en ook van de kant van de kinder– 
rechters naar voren is gebracht dat aan het oneigenlijke gebruik van de 
maatregel ondertoezichtstelling een einde zou moeten komen, lijkt het 
zoeken naar een oplossing telkens te eindigen in een impasse. 

Van de kant van WVC speelt de overweging dat de subsidiëring van 
crisisplaatsingen na een bepaalde, niet al te lange tijd, dient te stoppen. 

Vanuit de raad voor de kinderbescherming als verzoekende partij, en 
vanuit de rechtspraak kan worden gesteld dat bij een ondertoezicht– 
stelling die men zou kunnen aanmerken als een «financiële ots» of een 
«omgangs-ots» zich nog zo veel andere problemen voordoen bij de 
verzorging en opvoeding dat niet gesproken kan worden van oneigenlijk 
gebruik. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2


43 Niet te verwarren met de voorlopige 
toevertrouwing aan éèn van de ouders voor 
de duur van het scheidingsgeding (volgens 
825b sub b en 827k sub b van het Wetboek 
van Burgerlijke Rechtsvordering) Deze 
voorlopige maatregel behelst geen 
schorsing van de andere ouder in de 
uitoefening van de ouderlijke macht. 
Eventuele geschillen tussen de ouders 
kunnen worden voorgelegd aan de kinder– 
rechter (1 246 lid 2 van het Burgerlijk 
Wetboek) Zie: prof.mr. J.E. Doek en mr. 

H.M.A. Drewes, Jeugdrecht en jeugdbe– 
schermingsrecht in Nederland, tweede 
herziene druk, 1988, p. 130. 
" Zie de artikelen 1: 257 en 271 lid 5, 272 
lid 4 en 331 lid 3 van het Burgerlijk 
Wetboek. 

De minister van Justitie kan zich op het standpunt stellen, dat de raden 
bevoegd zijn een eigen beleid te voeren met betrekking tot het 
aanhangig maken van procedures, en dat het aan de onafhankelijke 
rechter is of hij een verzoek toe– of afwijst. 

De subcommissie Kinderbescherming is van mening dat de huidige 
wettelijke grond voor de ondertoezichtstelling aan ouders niet de 
gewenst mate van rechtszekerheid biedt over de norm die geldt als 
grond voor het opleggen van deze maatregel. 

Uiteraard werkt die rechtsonzekerheid door naar de minderjarigen, 
naar de van de subsidiëring afhankelijke voorzieningen, in de regeling 
voor de ouderbijdrageregeling, en in het beleid van de raden voor de 
kinderbescherming met betrekking tot het indienen van verzoeken. 

De subcommissie acht het voortduren van de impasse op dit punt niet 
langer aanvaardbaar. 

Het is aan de minister van WVC om op zo kort mogelijke termijn een 
landelijk ontheffingenbeleid in te voeren dat voorziet in gevallen die nu 
leiden tot oneigenlijk gebruik van de ondertoezichtstelling als instrument 
ter vervanging van de subsidie en ter inning van ouderbijdragen. 

De minister van Justitie dient te onderzoeken of een andere formu– 
lering een goed alternatief kan vormen voor de «dreiging van zedelijke of 
lichamelijke ondergang» (artikel 1: 254 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek). 

Dit met het oog op een grotere duidelijkheid van deze grond als norm 
voor de toepassing van de ingreep, en ter voorkoming van oneigenlijk 
gebruik van de maatregel. 

De duur 

De voorlopige maatregelen zijn: de voorlopige ondertoezichtstelling 
door de kinderrechter volgens artikel 1: 257 van het Burgerlijk Wetboek 
(BW), de voorlopige toevertrouwing door de officier van justitie volgens 
de artikelen 1: 241 lid 2 en 3 BW en 1: 272 en 332 BW, en de schorsing 
en voorlopige toevertrouwing door de rechtbank volgens 1: 271 en 331 
BW (en de niet of zelden43 toegepaste artikelen 825c en 827I van het 
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). 

In de artikelen 1: 272 lid 2 en 332 BW is een vervaltermijn van 14 
dagen aangegeven. 

In artikel 1: 241 lid 2 en 3 BW zit een gat: er wordt een geldig– 
heidsduur van 6 weken genoemd, maar als de raad voor de kinderbe– 
scherming geen actie onderneemt loopt de voorlopige maatregel ook na 
die 6 weken door. 

De voorlopige maatregelen voor de duur van het geding vervallen op 
het moment dat omtrent het verzoek of de vordering bij gewijsde is 
beslist44. 

In gevallen dat de eindbeslissing lang aangehouden wordt, duren ook 
de voorlopige maatregelen lang, tenzij de beschikking wordt herroepen. 

In de klachten is gewezen op de onzekerheid die voorlopige maatre– 
gelen voor alle betrokkenen met zich mee brengen: voor ouders en 
kinderen, maar ook voor pleegouders die hun pleegkind in onzekerheid 
moeten laten over de duur van het verblijf. 

Voorlopige ondertoezichtstellingen en toevertrouwingen gaan meestal 
samen met uithuisplaatsing van de minderjarige. 

In geval van een voorlopige ondertoezichtstelling wordt de beslissing 
tot plaatsing buiten het gezin genoemd door de kinderrechter, hetzij ter 
observatie (1: 262 BW), hetzij in het belang van de verzorging en 
opvoeding (1: 263 BW). 

Tegen deze beslissing kunnen de ouder(s) of voogd in hoger beroep 
gaan (de artikelen 944 lid 2 en 945 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke 
Rechtsvordering). 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


45 Een overzicht geeft mr E P von Brucken 
Fock, Ondertoezichtstelling en EVRM, Een 
tussenstand, Justitiële Verkenningen. jrg. 

16. nr 2. 1990. p 67-100. 
In geval van een voorlopige toevertrouwing is het besluit waar de 
minderjarige wordt ondergebracht, te nemen door de raad voor de 
kinderbescherming. 

Dit valt onder de zorg die de raden in artikel 1: 240 lid 1 BW is 
opgedragen. De raden zijn erkende plaatsende instellingen en erkende 
voorzieningen voor pleegzorg (artikel 27 van de Wet op de jeugdhulpver– 
lening). 

De artikelen 1: 271 lid 4 en 331 lid 2 BW (en de artikelen 825c lid 3 
en 827I lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) geven de 
rechtbank de mogelijkheid de voorlopige gezagsbevoegdheden van de 
raden voor de kinderbescherming te specificeren. 

De subcommissie Kinderbescherming is van mening dat het Burgerlijk 
Wetboek dient te worden aangevuld ter voorkoming van voorlopige 
toevertrouwingen aan de raad voor de kinderbescherming door de 
officier van justitie volgens artikel 1: 241 lid 2 en 3, en volgens de 
artikelen 272 en 332 BW waarvan de duur voor de betrokkenen niet 
bepaalbaar is. 

Het voortduren van voorlopige maatregelen ten gevolge van het lang 
aanhouden van de «hoofdzaak», en ten gevolge van herhaling van een 
voorlopige maatregel als de termijn is verstreken, dient zo veel mogelijk 
te worden tegengegaan. 

De ondertoezichtstelling 

De subcommissie Kinderbescherming is van mening dat de bezwaren 
tegen de niet-rechtsprekende taken van kinderrechters terecht zijn, 
gezien de eisen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid gesteld in 
artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM, 
Verdrag van Rome, 1950). 

In artikel 6 lid 1 van het verdrag is onder meer het recht vastgelegd 
van een ieder op behandeling van zijn zaak door een onafhankelijke en 
onpartijdige rechterlijke instantie bij het vaststellen van zijn burgerlijke 
rechten en verplichtingen. 

In verband met de maatregel ondertoezichtstelling wordt ook wel 
gewezen op artikel 5 EVRM, dat de vrijheidsberoving betreft45. 

Ook acht de subcommissie de bezwaren terecht die worden gemaakt 
tegen het ontbreken van voldoende controlemogelijkheden op de 
uitoefening van die uitvoerende rechterstaken (geen hoger beroep, en de 
artikelen 14a-14e van de Wet op de Rechterlijke Organisatie zijn niet van 
toepassing op «het beleid» van rechters), en tegen de onduidelijke 
verantwoordelijkheidsverdeling bij een uithuisplaatsing. 

Wat precies onder «de uitvoerende taak van kinderrechters» valt, is 
niet afgebakend. In ieder geval valt daaronder de leiding over het 
toezicht op de minderjarige die de kinderrechter heeft volgens artikel 1: 
255 lid 1 BW. 

Ook kunnen daaronder de beslissingen worden gerekend die hij ambts– 
halve neemt: 

- de beslissing tot voorlopige ondertoezichtstelling voor de duur van 
hetgeding (1: 257 BW), 
- de beslissing tot plaatsing buiten het gezin volgens 1: 262 of 263 
BW, 
- de verkorting en verlenging en verdere verlenging van de plaatsing, 
- de verkorting en de verlenging van de ondertoezichtstelling. 
Wellicht zouden verder tot de uitvoerende taak kunnen worden 
gerekend: het kennisnemen van de driemaandelijkse verslagen en de 
andere berichten van de gezinsvoogd (artikel 7 Uitvoeringsbesluit onder– 
toezichtstelling) in verband met de ambtshalve te nemen beslissingen; 
het bezoeken en doen voorgeleiden van de minderjarige (artikel 10 van 
dit besluit en artikel 1: 261 van het Burgerlijk Wetboek). 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


Ondertoezichtstellingen met een totale duur van een jaar of vier zijn 

46 Artikel 60 lid 1 sub b van de Wet op de 
jeugdhulpverlening Bij de subsidiëring van 
het aantal maatschappelijk werkers bij 
gezinsvoogdij-instellingen wordt het aantal 
minderjarigen die onder toezicht zijn gesteld 
verhoogd met 15% voor vrijwillige hulpver 
lening. 

bepaald geen uitzondering. 

De relatie tussen degene die feitelijk optreedt als gezinsvoogd, en een 
gezinsvoogdij-instelling kan volgens de huidige regelgeving vijf vormen 
aannemen: 

- de rechter benoemt een instelling tot gezinsvoogd, waarbij de 
instelling een contactpersoon aanwijst die namens haar de taken van een 
gezinsvoogd uitoefent (1: 255 lid 2 en 257 BW en artikel 60 lid 1 sub b 
Wet op de jeugdhulpverlening); 
- de rechter benoemt een bestuurslid van een instelling tot gezins– 
voogd (artikel 3 sub a Uitvoeringsbesluit ondertoezichtstelling), waarbij 
de instelling tot taak heeft de gezinsvoogd leiding en bijstand te verlenen 
(artikel 60 lid 1 sub b Wet op de jeugdhulpverlening); 
- de rechter benoemt een personeelslid van een instelling tot gezins– 
voogd (artikel 3 sub b Uitvoeringsbesluit ondertoezichtstelling), waarbij 
de instelling tot taak heeft de gezinsvoogd leiding en bijstand te verlenen 
(artikel 60 lid 1 sub b Wet op de jeugdhulpverlening); 
- de rechter benoemt een particuliere persoon die geen bestuurslid of 
personeelslid van een gezinsvoogdij-instelling is (een vrijwilliger), tot 
gezinsvoogd (artikel 3 sub c Uitvoeringsbesluit ondertoezichtstelling) en 
roept zoveel mogelijk de medewerking in van een gezinsvoogdij-instelling 
bij het uitoefenen van de leiding van het toezicht (1: 255 lid 2 BW); 
- het zogenaamde vrij patronaat, waarvoor de gezinsvoogdij-instel– 
lingen maximaal 15% extra subsidie krijgen. 
Patronaat is een «vrijwillige ondertoezichtstelling», waar de rechter 
niet aan te pas komt: een niet-dwingende afspraak tussen de raad voor 
de kinderbescherming, de ouder(s) of voogd, een gezinsvoogdij-instelling 
en de patroon46. 

De subcommissie Kinderbescherming is van mening dat de doorzich– 
tigheid van het systeem en de rechtszekerheid gebaat zijn bij het 
handhaven van de eerste en de vijfde vorm, waarbij de tweede, derde en 
vierde vorm komen te vervallen. 

De instelling kan hetzij een personeelslid hetzij een vrijwilliger (dat kan 
een familielid van de minderjarige zijn) aanwijzen als contactpersoon 
voor de uitvoering van de gezinsvoogdij. 

Bij globaal de helft van de ondertoezichtstellingen wordt een uithuis– 
plaatsing uitgesproken, soms als bevestiging van een bestaande situatie 
van weggelopen zijn. 

De positie van de gezinsvoogd gedurende een uithuisplaatsing is 
onduidelijk: zijn taak is het geven van aanwijzingen aan de ouder(s) of 
voogd met betrekking tot de verzorging en opvoeding van de minder– 
jarige (1: 260 lid 1 BW), maar de minderjarige verblijft niet in het gezin, 
of - in geval van plaatsing in een voorziening voor dagbehandeling - ten 
dele in het gezin. 

Ook in de meest voorkomende constructie: de kinderrechter benoemt 
een personeelslid van een gezinsvoogdij-instelling als gezinsvoogd, is de 
verantwoordelijkheid voor de inhoudelijke evaluatie van het verloop van 
de uithuisplaatsing verdeeld over kinderrechter, gezinsvoogd, gezins– 
voogdij-instelling en eventueel de voorziening die de minderjarige heeft 
opgenomen. 

De inhoudelijke evaluatie van de ondertoezichtstelling en van de 
plaatsing buiten het gezin is van belang voor de beslissingen over de 
duur van het verblijf buiten het gezin (1: 262 en 263 lid 3 BW), voor de 
verlengingsbeslissingen met betrekking tot de ondertoezichtstelling, en 
eventueel voor de beslissing tot gedwongen ontheffing van de ouder(s) 
na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden of na een 
uithuisplaatsing van meer dan een jaar en zes maanden (1: 268 lid 2 sub 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


*' In de terminologie van prof mr. J. de 
Ruiter (RM Themis, nr. 5, mei 1990, p. 201). 

•' Artikel 8 lid 1 EVRM luidt: «Een ieder 
heeft recht op eerbiediging van zijn privè 
leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn brief– 
wisseling.» Lid 2: «Geen inmenging van enig 
openbaar gezag istoegestaan met 
betrekking tot de uitoefening van dit recht, 
dan voor zover bij de wet is voorzien en in 
een democratisch land nodig is in het 
belang van 's lands veihgheid, de openbare 
veiligheid, of het economisch welzijn van 
het land, de bescherming van de openbare 
orde en het voorkomen van strafbare feiten, 
de bescherming van de gezondheid of de 
goede zeden, of voor de beschermmg van 
de rechten en vrijheden van anderen.» 
a BW), of een beslissing tot ontzetting op grond van artikel 1: 269 lid 1 
sub d of 327 lid 1 sub g van het Burgerlijk Wetboek. 

Veel bezwaren die tegen de maatregel ondertoezichtstelling naar voren 
worden gebracht, hebben te maken met de constructie van ondertoe– 
zichtstelling met daarbinnen de bevoegdheid van de kinderrechter om de 
minderjarige ambtshalve uit huis te plaatsen. 

In haar aanbevelingen stuurt de subcommissie Kinderbescherming aan 
op een splitsing in twee maatregelen: de ondertoezichtstelling zonder, en 
de ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing (de «ots-plus»). 

Bij een plaatsing buiten het gezin gedurende een (voorlopige) onder– 
toezichtstelling zijn betrokken bij de plaatsing: 

- de kinderrechter; hij kan volstaan met het aanwijzen van de 
categorie van voorzieningen (1: 263 lid 1 BW); 
- de gezinsvoogd; hij heeft tot taak de ouders of voogd aanwijzingen 
te geven met betrekking tot de verzorging en opvoeding (1: 260 lid 1 
BW); 
- de gezinsvoogdij-instelling; deze heeft tot taak aan de gezinsvoogd 
leiding en bijstand te geven (artikel 60 lid 1 sub b van de Wet op de 
jeugdhulpverlening). 
De gezinsvoogdij-instellingen ontbreken in artikel 27 van de Wet op de 
jeugdhulpverlening dat organisaties voor kinderbescherming erkent als 
plaatsende instelling en als voorziening voor pleegzorg. 

De subcommissie Kinderbescherming is er voorstander van de discre– 
pantie tussen het Burgerlijke Wetboek dat uitgaat van de kinderrechter 
als plaatser en de Wet op de jeugdhulpverlening die uitgaat van een 
voorziening als plaatser, op te heffen te gunste van het laatste. 

Dit door het Burgerlijk Wetboek zo te wijzigen dat de gezinsvoogdij 
altijd wordt opgedragen aan een instelling, die dan een persoon met de 
feitelijke uitvoering kan belasten. 

3.3. De doorwerking van het recht op eerbiediging van gezins– 
leven 
Het recht van een ieder op eerbiediging van zijn familie– en gezins– 
leven47, zoals vastgelegd in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de 
rechten van de mens48, werkt door in het familie– en jeugdrecht. 

Telkens doet zich daarbij de vraag voor, wat het recht op eerbiediging 
door de staat van als gezinsleven aan te merken relaties inhoudt, vooraf– 
gegaan door de vraag welke relaties als gezinsleven dienen te worden 
aangemerkt, en vaak gevolgd door de vraag hoe dit recht zich verhoudt 
tot het recht op eerbiediging van het privé leven en het familie– en gezin– 
sleven van andere betrokkenen. 

Bekende voorbeelden zijn: de effectuering van het omgangsrecht van 
de niet-verzorgende ouder na een scheiding, en de bescherming van als 
gezinsleven aan te merken relaties tussen een minderjarig pleegkind en 
de pleegouder(s). 

In beginsel zijn gezinsleven en de opvoeding van kinderen aangelegen– 
heden die tot de privé sfeer behoren. Er zijn echter belangrijke beper– 
kingen: naast het strafrecht - bijvoorbeeld de strafbaarstelling van 
kindermishandeling - en de leerplichtwet stelt ook het burgerlijk recht 
beperkingen aan de «vrijheid van opvoeding». 

Volgens het burgerlijk recht kan de rechter in het belang van de 
minderjarige een maatregel van kinderbescherming opleggen. Dit 
betekent een inbreuk op de gezagsuitoefening van de ouder(s) of voogd. 

Het burgerlijk recht bepaalt ook dat bij een scheiding de ouderlijke 
macht over minderjarige kinderen wordt omgezet in voogdij en toeziende 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


" Artikei 1 245 lid 1, en 336 lid 3 BW

voogdij. Voor de ouder die geen voogd wordt betekent dit een aanzienlijk 

verlies van bevoegdheden. 

Dat ook het burgerlijk recht grenzen stelt aan de manier van verzorgen 
en opvoeden van minderjarigen, en dat overheidsorganisaties bevoegd 
zijn zich onder bepaalde omstandigheden met de wijze van verzorging en 
opvoeding van kinderen te bemoeien, daar komt men vaak pas achter als 
men midden in een problematische scheiding of een ernstig opvoedings– 
conflict zit. 

Het thema «eerbiediging van het gezinsleven» is sterker dan de andere 
vier thema's beladen met de normen en waarden die mensen van 
toepassing achten op de relatie tussen ouder en kind, op de betrekkingen 
tussen het kind en de overige familieleden zoals grootouders, op de 
opvoeding van minderjarigen, op de plaats van het gezin in de samen– 
leving, en op de relatie tussen pleegouder en pleegkind. 

Sommigen wijzen met klem op de verantwoordelijkheden en de 
verplichtingen in verband met het ouderlijk gezag, ook die van het 
minderjarige kind. De minderjarige is volgens het Burgerlijk Wetboek49 
zijn ouders die de ouderlijke macht of de voogdij over hem uitoefenen, 
eerbied en ontzag verschuldigd. 

Anderen bezien overheidsinterventies die te maken hebben met 
gezinsrelaties meer in het licht van emancipatie en individuele vrijheid, of 
wijzen op de maatschappelijke realiteit waarvan scheidingen, machtsmis– 
bruik, verwaarlozing, weglopen, ernstige opvoedingsconflicten en het 
wegsturen van kinderen deel uitmaken. 

Klachten 

Klachten die mensen hebben met betrekking tot de wijze van eerbie– 
diging van gezinsleven bij echtscheidingen, betreffen: 

- de niet-afdwingbaarheid van omgangsregelingen; 
- het uitblijven van een wettelijke regeling van het omgangsrecht van 
niet-verzorgende ouders; 
- het gebrek aan zelfstandig uit te oefenen bevoegdheden van minder– 
jarigen ter effectuering van hun omgangsrecht; 
- het uitblijven van een wettelijke regeling voor het informatierecht 
van niet-verzorgende ouders; 
- het mislukken van bemiddelingspogingen van de raad voor de 
kinderbescherming met betrekking tot het treffen van een omgangsre– 
geling; 
- het feit dat de raad voor de kinderbescherming ingeschakeld kan 
worden bij een scheidingsgeding ook al heeft dat gezin nooit eerder met 
de kinderbescherming te maken gehad; 
- de onterecht geachte hantering van de ondertoezichtstelling om de 
naleving van een omgangsregeling te begeleiden; 
- de zwakke positie van de ouder-toeziende voogd; 
- de werking van de voorlopige toevertrouwing van de kinderen aan 
éèn van de ouders als feitelijk voorschot op de beslissing over de 
voogdij-toewijzing; 
- onvoldoende actief optreden van de raad voor de kinderbescherming 
bij de inning van kinder-alimentatie. 

Klachten met betrekking tot de wijze van eerbiediging van gezinsleven 
bij crisisopvang en bij het treffen van maatregelen van kinderbe– 
scherming, zijn: 

- het systeem voorziet in procedures die via crisisopvang en residen– 
tiële hulp leiden tot een ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing 
gevolgd door een gedwongen ontheffing van de ouderlijke macht; 
_ ou(jers voelen zich als ouder afgeschreven; 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2


50 Rechten van jeugdigen en gezag van 
ouders, Nederlands Juristenblad, 25 januari 
1975, af!4. p 97 e.v. 
51 De Hoge Raad heeft wel gewezen op de 
mogelijkheid van een ondertoezichtstelling 
van het pleegkind J E Doek. De rechtspo– 
sitie van pleegouders: een belangrijke 
doorbraak, Tijdschrift voor familie– en 
jeugdrecht 1989-6. p 140-148 

- de interventies zijn te zeer gericht op verplaatsing van de minder– 
jarige en te weinig op de begeleiding van de ouders; 
- door plaatsing van de minderjarige buiten het gezin en een grote 
tolerantie voor het weglopen van de minderjarige leert deze niet om de 
problemen op te lossen; 
- een plaatsing ver van huis maakt het bezoeken van de minderjarige 
moeilijk; 
- het uitblijven van een wettelijke regeling van het bezoekrecht 
gedurende (voorlopige) maatregelen die een uithuisplaatsing inhouden; 
- er wordt in de jeugdhulpverlening nog te veel uitgegaan van 
anti-gezinsdenken; 
- de maatschappelijk werker is te jong om te kunnen oordelen over de 
verhouding tussen ouders en opgroeiende kinderen; 
- er is te weinig aandacht voor de waarae van de band met de ouders, 
met andere gezinsleden en met de grootouders; 
- er is onvoldoende bescherming van het gezinsleven in geval van 
weglopen; 
- ouders van weggelopen minderjarigen zitten te lang in onzekerheid 
over de verblijfplaats van hun kind, over de kwaliteit van de opvang en 
over het verloop van de hulpverlening na de opvang. 

Bevindingen 

De subcommissie Kinderbescherming geeft zich rekenschap van de 
spanningen die uitgaan van de concretisering van het recht op eerbie– 
diging van het gezinsleven op het werk in de kinderbescherming. 

Deze spanningen zijn tweeërlei. Ten eerste moet men om goed kinder– 
beschermingswerk (en goede rechtspraak in kinderzaken) te leveren met 
steeds meer claims rekening houden, als het ware met meer mondige, 
betrokken, belanghebbende, rechtzoekende personen per minderjarige. 

Ten tweede is een aantal van die claims uiteraard met elkaar in strijd. 

Dat dit kan gelden voor «de rechten van de minderjarige» en «de 
rechten van ouders» blijkt uit het voorstel dat in 1975 is gedaan door 
zeven jeugdrechtspecialisten50. 

Dit was een voorstel om artikel 1: 246 van het Burgerlijk Wetboek 
(over de ouderlijke macht) zo in te vullen dat men bij de opvoeding 
rekening moest houden met de toenemende zelfstandigheid van minder– 
jarigen: de «glijdende schaal». 

Deze gedachte is terug te vinden in een document van een meer 
recente datum, de Notitie Rechtspositie minderjarigen van de minister 
van Justitie van september 1989 (TK, 21 309, nr. 2). 

Maar ook «de rechten van pleegouders» en «de rechten van ouders» 
kunnen botsen: zo geeft artikel 1: 299a van het Burgerlijk Wetboek 
pleegouders wel de bevoegdheid voogdij-overdracht te verzoeken als 
een instelling of een derde voogd over het pleegkind is, maar niet als het 
onder ouderlijke macht of ouder-voogdij staat. 

Voogdij-overdracht aan een pleegouder «ten koste van» het gezag van 
een ouder laat de wet niet toe. Van de kant van pleegouders wordt bij 
deze afweging van belangen een vraagteken gezet, vanuit de belangen 
van de minderjarige51. 

Meer in het algemeen pleit men voor aanpassing van de wetgeving aan 
het gegeven dat de relatie tussen pleegkind en pleegouder in beginsel 
als gezinsleven kan worden erkend. 

Gezien de klachten en berichten die rond het thema «gezinsleven» 
onder haar aandacht zijn gebracht, wil de subcommissie Kinderbe– 
scherming op drie onderwerpen nader ingaan: de positie van de ouder 
die het kind niet zelf verzorgt en opvoedt (het recht op omgang of 
bezoek en op informatie), de positie van pleegouders en de opvang in 
crisissituaties. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


Omgang, bezoek en informatie 

De positie van de ouder die bij een scheiding niet met de voogdij over 
zijn kind is bekleed, is zonder meer zwak te noemen. 

Soms kan een cumulatie van omstandigheden optreden: een onder– 
houdsplichtige vader, wiens kinderen tegen zijn zin voor de duur van het 
geding aan de andere ouder worden toevertrouwd, en die vervolgens 
gezien de wenselijkheid van continuïteit in de opvoedingssituatie niet 
met de voogdij over zijn kinderen wordt belast, die het met zijn 
(ex-)echtgenote niet eens wordt over de omgang, die de rechter verzoekt 
een regeling te treffen, naar aanleiding waarvan de raad voor de kinder– 
bescherming na mislukte pogingen tot bemiddeling het advies uitbrengt 
om geen regeling te treffen, welk advies door de rechter wordt overge– 
nomen. 

«Eigenrichting» in de vorm van het niet betalen van alimentatie is niet 
toegestaan - daartegen kan de raad voor de kinderbescherming zijn 
bijzondere bevoegdheid tot het leggen van loonbeslag inzetten (artikel 
479g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). 

Gezien de complexiteit van de toepassing van scheidings(proces)recht 
bij een scheiding waarin minderjarige kinderen zijn betrokken, en gezien 
de verschillende visies op de wenselijke richting voor verbeteringen, 
verloopt het wijzigen van het (proces)recht langzaam. 

Het wetsvoorstel 18 964 Nadere regeling van de omgang in verband 
met scheiding - ingediend op 2 mei 1985 en op 11 september 1990 
door de Eerste Kamer aangenomen - verbindt het niet opleggen van een 
gevraagde omgangsregeling aan wettelijke gronden. 

Aan de niet-verzorgende ouder kan het recht op omgang worden 
ontzegd op één van de vier in de wet - in een nieuw artikel 1: 161 a BW te 
vermelden gronden, waarbij de belangen van het kind centraal staan. 

De totstandkoming en aanvaarding van wetsvoorstellen op dit gebied 
wordt bemoeilijkt door het grote aantal samenhangen met andere vraag– 
stukken in het familie– en jeugdrecht, zoals: de omgang anders dan bij 
scheidingen (het bezoekrecht bij uithuisplaatsing), de rechtspositie van 
de minderjarige (wel of geen zelfstandig uit te oefenen bevoegdheden), 
de andere facetten van de positie van de ouder die niet met de voogdij 
over zijn kind is belast (heeft deze naast het omgangsrecht ook recht op 
informatie over het kind, en wellicht op medezeggenschap in de 
opvoeding?), het scheidings(proces)recht in het algemeen. 

Een vlotte totstandkoming van wetgeving op het gebied van kinderbe– 
scherming en kinderrecht vergt een hoge graad van consensus over 
normen en waarden wat betreft gezinsleven, intermenselijke verhou– 
dingen en de rol die de staat daarbij kan en moet spelen. Die graad van 
maatschappelijke en politieke consensus is er niet. 

Dat de wetswijzigingen ter verbetering van de positie van niet-verzor– 
gende ouders zo traag tot stand komen, is een reden voor onvrede op 
zich. 

Pleegzorg 

Dat tussen pleegouders en pleegkind een gezinsleven kan bestaan in 
de zin van artikel 8 EVRM, een gezinsleven dat bescherming verdient, is 
bij herhaling vastgesteld. 

In de wet komt de bescherming van de relatie tussen pleegouder en 
pleegkind tot uitdrukking in het zogenaamde blokkaderecht tegen 
wijziging in het verblijf van het pleegkind door de ouder(s) of voogd. 

Pleegouders die de minderjarige tenminste een jaar hebben verzorgd 
en opgevoed, kunnen dit blokkaderecht uitoefenen, mits de minderjarige 
met toestemming van degene die de ouderlijke macht uitoefent of met 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2


toestemming van zijn voogd in het pleeggezin verblijft (1: 246a en 336a 

" Hoge Raad. 10-03-1989. Nederlandse 
Jurisprudentie, 1990, 24 
53 J.E. Doek, De rechtspositie van pleeg– 
ouders: een belangrijke doorbraak. 
Tijdschrift voor familie– en jeugdrecht 

1989-6. p 148. 
54 Artikel 27 lid 3 en lid 6 van de Wet op de 
jeugdhulpverlening in samenhang met de 
Bijlage voorzieningensoort 11.8. 

BW). 

Het blokkaderecht bestaat dus niet in geval dat het pleegkind in het 
pleeggezin verblijft uit hoofde van een ondertoezichtstelling of een 
voorlopige toevertrouwing. 

Een andere bevoegdheid van pleegouders na tenminste een jaar 
pleegzorg betreft het verzoek met de voogdij over hun pleegkind te 
worden bekleed (1: 299a BW). Dit kan echter alleen indien de minder– 
jarige onder voogdij staat van een derde of een instelling, niet indien de 
minderjarige onder het gezag staat van zijn ouder(s), ook niet in geval 
van ouder-voogdij (de wetstekst is op dat punt ietwat verwarrend). Hier 
worden de belangen van de ouder(s) dus beschermd. 

Echter, als de ouder(s) het kind terugeisen, is er blokkaderecht. 
Weigert de kinderrechter vervolgens de teruggave van het kind aan de 
ouder(s) (volgens artikel 246a lid 2 BW), dan bieden de artikelen 1: 268 
lid 2 sub d en 267 lid 2 en 275 lid 3, of 330 en 334 lid 3 van het 
Burgerlijk Wetboeken een procedure voor gedwongen ontheffing van de 
ouder(s) waarbij de pleegouder met de voogdij kan worden bekleed. 

Van de kant van pleegouders wordt wel gepleit voor wetswijziging die 
voogdij-overdracht aan pleegouders in geval van ouderlijke macht en 
ouder-voogdij ook mogelijk maakt als de ouder het kind niet terugvraagt. 

Het huidige wettelijke stelsel laat een patstelling toe: zolang de ouder 
de pleegouders geen reden geeft om zijn blokkaderecht uit te oefenen, 
kan de pleegouder niet met de voogdij over het pleegkind worden 
bekleed. 

Dit wordt toelaatbaar geacht, gezien artikel 8 lid 2 EVRM52. 

Pleeggezinnen die een justitieel geplaatste minderjarige in hun gezin 
opnemen, dienen vooraf op de hoogte te worden gesteid van de 
bevoegdheden die zij kunnen uitoefenen, maar zij dienen ook te worden 
geïnformeerd over de bevoegdheden van pleegouders die in geval van 
justitiële pleegzorg niet van toepassmg zijn. 

Wel kunnen pleegouders door de rechter ontvankelijk worden verklaard 
in verzoeken met betrekking tot een ondertoezichtstelling53. 

Aangezien de raden voor de kinderbescherming en de voogdij-instel– 
lingen tot taak hebben om de pleegouders, de minderjarige en diens 
ouders te begeleiden met betrekking tot de pleegzorg54, dient de 
procedure voor klachtenbehandeling bij deze organisaties zonder meer 
open te staan voor pleegouders. 

Ook de klachtenprocedures bij gezinsvoogdij-instellingen dienen voor 
pleegouders open te staan, en dit dient duidelijk in de (voorlichting over 
de) klachtreglementen tot uitdrukking te worden gebracht. 

Er zijn drie manieren waarop minderjarigen via de kinderbescherming 
in pleegzorg worden geplaatst: door een raad voor de kinderbescherming 
of door een voogdij-instelling (artikel 27 lid 3 en 6 van de Wet op de 
jeugdhulpverlening), of in het kader van een (voorlopige) ondertoezicht– 
stelling - in de regel door de kinderrechter of een instelling voor gezins– 
voogdij. 

De plaats van de pleegzorg in het maatregel-recht is niet duidelijk. 
Pleegzorg wordt ingeschakeld voor zeer uiteenlopende situaties wat 
betreft duur van de plaatsing en ernst van de problematiek. 

Sommige pleegouders zijn teleurgesteld in de begeleiding, voelen zich 
buiten spel staan op het moment dat er beslissingen worden genomen. 

Verder wordt geklaagd over de slechte bereikbaarheid van de begelei– 
dende instantie: buiten kantooruren moeten pleegouders zelf de 
problemen oplossen, ook in de vacantietijd en op de dagen dat de 
begeleider niet werkt, als er geen vervanger is aangewezen. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


Concreet willen pleegouders graag betrokken worden bij het opstellen 
van hulpverleningsplannen en bij belangrijke beslissingen, en willen zij 
graag duidelijkheid over de rol die de ouders van het pleegkind 
gedurende de pleegzorg spelen. 

Pleegouders zijn blijkens de klachten en berichten die onder de 
aandacht van de subcommissie Kinderbescherming zijn gebracht, te zeer 
afhankelijk van het beleid en de welwillendheid van hulpverleners, kinder– 
beschermers en rechters: zij moeten maar afwachten in hoeverre die 
willen luisteren naar wat zij te zeggen hebben. 

Voor de kwaliteit van de jeugdhulpverlening, en daarbinnen voor de 
kinderbescherming is het naar de mening van de subcommissie van 
groot belang om de bejegening van en de positie van pleegouders regel– 
matig te evalueren met het oog op verbeteringen. 

Het grote belang dat aan goede pleegzorg is te hechten, rechtvaardigt 
een duidelijke verantwoordelijkheid van organisaties voor vrijwillige 
hulpverlening en kinderbescherming en van de ministers die deze organi– 
saties bekostigen voor de belangen van pleegouders, en de relatie tussen 
pleegkind en pleegouder. 

In het kader van de wenselijkheid van een goede informatiever– 
strekking aan pleegouders is door éèn van de belangenbehartigende 
organisaties gewerkt aan een statuut voor de pleegzorg en een 
vademecum voor pleegouders. 

Aan verschillende punten van kritiek van de kant van pleegouders 
wordt tegemoet gekomen door het gebruik van pleegcontracten, en door 
bepalingen met betrekking tot het te voeren overleg die krachtens de 
Wet op de jeugdhulpverlening (zullen) gelden. 

De kritische kanttekening dat het leveren van goed voorlichtingsmate– 
riaal bij uitstek een taak voor de overheid is, is naar de mening van de 
subcommissie Kinderbescherming terecht. 

Weglopen 

Voor de ouders van weggelopen minderjarigen vormt het gegeven dat 
vele instanties iets met de situatie te maken (kunnen) hebben, een 
complicatie. Te denken valt aan: de politie voor de opsporing van de 
minderjarige, de gemeente wat betreft de verstrekking van een tijdelijke 
bijstandsuitkering, een door het ministerie van WVC gesubsidieerde 
voorziening die de minderjarige opvangt. 

Op een wegloop-situatie kunnen verschillende soorten recht van 
toepassing zijn, zoals: het wel en niet strafbaar verbergen van minderja– 
rigen (strafrecht); de ontbrekende invulling van het strafrechtelijke begrip 
zorgvuldige hulpverlening; de politietaak opsporen, aanhouden en terug– 
brengen van minderjarigen (onder de verantwoordelijkheid van de 
minister van Binnenlandse Zaken); het weglopen gedurende de tenuit– 
voerlegging van een strafrechtelijke beslissing of van een civielrechtelijke 
plaatsing; het weglopen als gevolg van mishandelings– of zedendelicten 
ten opzichte van de minderjarige (strafrecht); de opvangfunctie van 
voorzieningen voor vrijwillige jeugdhulpverlening in noodsituaties (Wet 
op de jeugdhulpverlening); de subsidiëring door het ministerie van WVC 
van het verblijf gedurende de eerste weken; de onderhoudsverplichting 
van ouders en stiefouders (burgerlijk recht); de verstrekking van een 
bijstandsuitkering aan weggelopen minderjarigen en het verhaal van de 
kosten van bijstand op de onderhoudsplichtige (Algemene Bijstandswet); 
de bijdrage in de kosten van vrijwillige hulpverlening (Wet op de jeugd– 
hulpverlening); de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door de 
minderjarige veroorzaakt (burgerlijk recht); de vrijwillige plaatsingen voor 
langere periodes in tehuizen of pleeggezinnen (Wet op de jeugdhulpver– 
lening); de inschrijvingsverplichting volgens de Leerplichtwet, en de 
betaling van lesgelden; de wettelijke vertegenwoordiging van de minder– 
jarige (burgerlijk recht); het onderzoek naar de noodzaak van een 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2


" Besluit van1 maart 1990, Stb. 167. 
56 Waarschijnlijk wordt ook bedoeld: 
degene die de voogdij over de minderjarige 
uitoefent. 
57 Volgens artikel 5 lid 2 sub b van het 
ontwerp-besluit kwaliteitsregels jeugdhulp– 
verlening 

beperking of ontneming van het gezag (burgerlijk recht); de ouderbij– 
drage bij een justitiële uithuisplaatsing (burgerlijk recht). 

Aangezien deze circuits ieder een eigen vorm of eigen vormen van 
klachtrecht kennen, is het maken van bezwaar tegen de gang van zaken 
verre van eenvoudig. 

Dit kan bijvoorbeeld een gang naar Gedeputeerde Staten betekenen 
vanwege bezwaren tegen het verhaal van de tijdelijke bijstand op de 
ouders, en/of naar de Raad van State vanwege bezwaren tegen een 
besluit van de minister van WVC. 

Hulpverlening in acute noodsituaties gedurende ten hoogste veertien 
dagen is een functie van de vrijwillige jeugdhulpverlening gesubsidieerd 
door het ministerie van WVC. Er is dan geen indicatiestelling nodig (Wet 
op de jeugdhulpverlening, artikel 26 lid 2-3) en er is geen ouderbijdrage 
verschuldigd (artikel 41 lid 3). 

Op dit punt lijkt er een discrepantie te zijn tussen de Wet op de jeugd– 
hulpverlening en het Besluit bijdragen jeugdhulpverlening55. 

Artikel 3 sub b van dit besluit stelt als voorwaarde voor het 
niet-verschuldigd zijn van een ouderbijdrage, dat een bezwaarschrift bij 
de minister van WVC is ingediend door degene die belast is met het 
ouderlijk gezag56. 

Voor de duidelijkheid zou in dit artikel 3 het «bijdrage-vrij» zijn van de 
crisisplaatsing gedurende ten hoogste 14 dagen volgens artikel 41 lid 3 
van de Wet op de jeugdhulpverlening, kunnen worden herhaald. 

De status van artikel 2 lid 1 van het Bijdragebesluit, dat stelt dat bij 
een niet-justitiële opneming de (stief)ouder(s) een bijdrage verschuldigd 
zijn, staat ter discussie in gevallen waarin de ouder(s) of voogd niet 
instemmen met de opneming van de minderjarige in een voorziening, ook 
zonder dat zij hun gebrek aan instemming tot uitdrukking brengen door 
schriftelijk bij de minister van WVC bezwaar te maken. 

Verder kan, bij een opneming in een voorziening voor jeugdhulpver– 
lening als vervolg op een acute noodsituatie, de overlegverplichting met 
de ouder(s) of voogd gedurende 6 weken worden opgeschort57. 

Deels parallel hieraan loopt een administratiefrechtelijke «bekostiging 
van het weglopen» die bestaat uit bijstand verstrekt door de gemeente 
gedurende de eerste weken. 

Een andere mogelijkheid, die zo nodig vrij snel is te realiseren, is een 
voorlopige ondertoezichtstelling op verzoek van de raad voor de kinder– 
bescherming, met een uithuisplaatsing, waarbij de rechter een ouderbij– 
drage kan vaststellen (artikel 927 van het Wetboek van Burgerlijke 
Rechtsvordering). 

Voorwaarde voor de voorlopige maatregel is, dat een verzoek tot 
ondertoezichtstelling is ingediend. Voorafgaand verhoor is niet nodig 
(artikel 940 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). 

De subcommissie Kinderbescherming acht in dit verband een aantal 
zaken van groot belang. 

Ten eerste de ouders of voogd van de minderjarige: zij dienen in elk 
geval zo spoedig mogelijk op de hoogte te worden gebracht van de 
verblijfplaats van de minderjarige, of tenminste van het feit dat 
zorgvuldig hulp wordt verleend. 

Het «gat» in artikel 280 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht - de 
melding aan de raad voor de kinderbescherming als voorwaarde voor 
niet-strafbaar verbergen van de minderjarige, waarmee vervolgens niets 
gebeurt - dient daartoe te worden gedicht. Volgens het huidige wette– 
lijke stelsel, waarin richtlijnen voor de raden met betrekking tot deze 
meldingen ontbreken, geven de raden niet de informatie aan de ouders 
door die zij nodig hebben, omdat zij geen onderzoek hebben verricht. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


Ten tweede: in gevallen waarin degene die een minderjarige verborgen 
houdt, een beroep doet op artikel 280 lid 2 en 3 van het Wetboek van 
Strafrecht, ontbreekt het na aan voldoende garanties voor toezicht op de 
kwaliteit van de hulpverlening, op de zorgvuldigheid van de hulpver– 
lening. 

Het verband tussen de zorgvuldige hulpverlening als bedoeld in dit 
artikel 280 lid 2 en 3 uit het Wetboek van Strafrecht en de kwaliteits– 
eisen voor de jeugdhulpverlening en de kinderbescherming (indicatie, 
hulpverleningsplan, verplicht overleg met minderjarige en ouders of 
voogd) ontbreekt. 

Ten derde: op zo kort mogelijke termijn dient een ondubbelzinnige 
uitspraak te worden gedaan over de vraag of - en zo ja onder welke 
omstandigheden - de (stief)ouder(s) verplicht kunnen worden tot het 
meebetalen aan het verblijf van de minderjarige in een tehuis of pleeg– 
gezin, waarvoor degene die het gezag over de minderjarige uitoefent, 
geen toestemming geeft. Voor zover deze verplichting niet op hen rust, 
dient de minister van WVC zijn ontheffingsbeleid voor de follow-up van 
crisisplaatsingen in die zin aan te passen. 

Dit om uit te sluiten dat voor de financiering van het verblijf een 
oplossing moet worden gezocht in minder eigenlijke toepassingen van de 
maatregel ondertoezichtstelling. 

In hoeverre is het voor het herstel van gezinsrelaties zinvol om de 
inning van ouderbijdragen op de spits te drijven? Het gaat niet primair 
om het binnenhalen van zo veel mogelijk ouderbijdrage-gelden, maar om 
opvang en hulpverlening die de continuïteit van of het herstel van de 
gezinsrelaties bevordert. 

3.4. De externe controle op het functioneren van de organisaties 
voor kinderbescherming 
Alle organisaties voor kinderbescherming worden bekostigd door de 
minister van Justitie, en vallen onder diens verantwoordelijkheid. 

Het tekort schieten van de externe controle op het functioneren van de 
kinderbescherming wordt door belangenbehartigende organisaties 
aangewezen als een oorzaak voor het uitblijven van de gewenste verbe– 
teringen. 

Men verwijt de kinderbescherming te zeer een gesloten systeem te 
zijn, waarin de verschillende categorieën beroepsbeoefenaars elkaar de 
hand boven het hoofd houden. 

De belangenbehartigende organisaties op het gebied van de kinderbe– 
scherming zijn mede ontstaan vanuit de ervaringen van burgers dat een 
effectieve controle - in de zin van een onafhankelijke beoordeling van de 
taakuitoefening en het rechtzetten van fouten - ontbreekt. 

Ook over het klachtrecht wordt geklaagd: over het gebrek aan 
onafhankelijke klachteninstanties, over het woud van verschillende klach– 
tenprocedures waar men een weg doorheen moet zien te vinden. 

Klachten 

De kritiek die te maken heeft met het thema externe controle kan als 
volgt worden samengevat: 

- de angst voor represailles - voor nadelige gevolgen voor de minder– 
jarige, voor een negatief advies over de voogdijtoewijzing of de omgang, 
voor een negatief verslag van de gezinsvoogdij, voor intrekking van de 
bezoekregeling, voor overplaatsing en dergelijke - weerhoudt ouders, 
pleegouders en minderjarigen ervan hun bezwaren kenbaar te maken; 
- de rol van de inspectie voor de kinderbescherming is teleurstellend; 
de inspectie stelt zich te weinig onafhankelijk en te passief op; 
- op het beleid van de kinderrechter is geen controle mogelijk; 

- minderjarigen, ouders en pleegouders zijn niet of nauwelijks 
betrokken bij de samenstelling van de commissies voor klachtenbehan– 
Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2


deling, en bij de ontwikkeling van procedures voor klachtenbehandeling ook 
op dit niveau worden zij niet beschouwd als volwaardige partici– 
panten; 

- de klachtenbehandeling is te zeer een organisatie-interne aangele– 
genheid; er zijn te weinig externe beroepsmogelijkheden; het is nodig 
dat de externe commissies desgewenst direct toegankelijk zijn; 
- ook mondelinge, informele klachten zijn belangrijk als bron van infor– 
matie over het functioneren van organisaties en beroepsbeoefenaars; 

- zelfs binnen het terrein van de kinderbescherming is sprake van een 
aantai verschillende soorten regelingen voor de behandeling van 
klachten; 
- de voorlichting over de klachtenregelingen schiet tekort. 
In de verbeteringsvoorstellen voor het klachtrecht die van de kant van 
de belangenbehartigende organisaties naar voren zijn gebracht, zitten 
een aantal gemeenschappelijke elementen. 

Deze zijn: landelijke uniformiteit, één structuur voor klachtenbehan– 
deling voor kinderbescherming en vrijwillige jeugdhulpverlening, de 
mogelijkheid om tegen de beslissing van de klachtencommissie in 
beroep te gaan bij een hogere commissie, die onafhankelijk is van de 
organisatie waarover men klaagt. Deze tweede instantie dient desge– 
wenst direct toegankelijk te zijn. In de instanties voor klachtenbehan– 
deling dienen ouders en minderjarigen vertegenwoordigd te zijn. Het 
indienen van klachten dient vorm-vrij te zijn. Er dienen voor de beroeps– 
beoefenaars gevolgen te kunnen worden verbonden aan een onjuiste 
uitoefening van werkzaamheden. 

Samengevat wordt gevraagd om een landelijk bureau voor klachtenbe– 
handelmg voor vrijwillige én justitiële jeugdhulpverlening, waarin ouders 
en minderjarigen een belangrijk aandeel hebben. 

Daarnaast wijst men op de wenselijkheid van een daadwerkelijk 
onafhankelijke en actief optredende inspectie werkzaam op het gebied 
van de kinderbescherming, waarbij men van de inspectie jeugdhulpver– 
lening een onafhankelijk optreden verlangt, onafhankelijk van de organi– 
saties, de rechters en de betrokken ministeries. 

Bevindingen 

Mede op grond van de parlementaire discussies over de Wet op de 
jeugdhulpverlening concludeert de subcommissie Kinderbescherming uit 
de klachten en berichten die onder haar aandacht zijn gebracht, dat 
verbetering noodzakelijk is op drie onderwerpen: de inspectie jeugdhulp– 
verlening, het klachtrecht in de jeugdhulpverlening, en de directheid van 
de ministeriële sturing. 

Naar één inspectie jeugdhulpverlening 

De plaats van de organisaties voor kinderbescherming ten opzichte van 
het toezicht op hun functioneren is ondanks de in 1989 ingevoerde Wet 
op de jeugdhulpverlening naar de mening van de subcommissie Kinder– 
bescherming onvoldoende uitgekristalliseerd. 

De Wet op de jeugdhulpverlening voorziet in drie vormen van toezicht: 

- met het toezicht op de kwaliteit van de jeugdhulpverlening is een 
inspectie belast (artikel 54 van de Wet op de jeugdhulpverlening); 
- op de (gezins)voogdij-instellingen houdt de minister van Justitie 
toezicht (artikel 63 van de Wet op de jeugdhulpvetïening); 
- op de particuliere en rijksinrichtingen houdt de minister van Justitie 
toezicht (artikel 67 van de Wet op de jeugdhulpverlening); 

Verder is van belang: 

- dat de rijksinrichtingen onderdeel uitmaken van de overheidsorgani– 
satie, evenals de bureaus van de raden voor de kinderbescherming; 
Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2


- dat de raden voor de kinderbescherming, in het kader van de zorg 
voor voorlopig toevertrouwde minderjarigen (1: 240 lid 1 BW), minderja– 
rigen plaatsen in tehuizen en in pleeggezinnen, en dat (min of meer ten 
overvloede) een erkenning als plaatsende instantie en voorziening voor 
pleegzorg ten opzichte van voorlopig toevertrouwde minderjarigen in 
artikel 27 van de Wet op de jeugdhulpverlening is opgenomen; 
- dat wat betreft de voogdij-instellingen en de raden voor de kinderbe– 
scherming verwarring kan ontstaan of zij wat betreft deze plaatsingen 
onder één of twee toezichtsregiems vallen («bovenop» hun wettelijke 
taken met betrekking tot de minderjarigen voor wie zij de zorg dragen, 
worden zij in artikel 27 van de Wet op de jeugdhulpverlening nog eens 
van rechtswege als erkende plaatsende instantie aangemerkt); 
- dat het toezicht op de gezinsvoogdij-instellingen en de voogdij– 
instellingen sterk is verweven met de beleidsvoorbereiding ten departe– 
mente, en dat noch een «inspectie kinderbescherming» noch «het 
toezicht» op de organisaties van kinderbescherming in de Staatsalmanak 
te vinden is; 
- dat ook de rechter in incidentele gevallen controle op het functio– 
neren van (gezins)voogdij-instellingen kan uitoefenen: door ontzetting 
van een voogdij-instelling van de voogdij over een minderjarige, en door 
de vervanging van een gezinsvoogd; 
- dat in het huidige wettelijke systeem de kinderrechter formeel de 
«uithuisplaatser» van onder toezicht gestelde minderjarigen is, maar dat 
in de praktijk de verantwoordelijkheid niet duidelijk is: de kinderrechter, 
de gezinsvoogd/contactpersoon of de gezinsvoogdij-instelling? 
- dat de huidige mspectie jeugdhulpverlening een duidelijk 
WVC-imago heeft; 
- dat de discussie over de positie van de inspectie jeugdhulpverlening 
niet los te zien is van het perspectief van de voorgenomen decentralisatie 
van een aanzienlijk deel van de voorzieningen naar de provincies en de 
grote steden met ingang van 1992. 
De subcommissie Kinderbescherming is van mening, dat juist op het 
gebied van de kinderbescherming, waar een groot deel van de taakuit– 
oefening het kenmerk van niet-vrijwilligheid draagt, een actieve en 
duidelijk herkenbare inspectie op de kwaliteit van de taakuitoefening 
onontbeerlijk is, en doet daartoe de aanbeveling om te komen tot één 
interdepartementale inspectie jeugdhulpverlening. 

Naar een stroomlijning van het klachtrecht 

Eén van de oorzaken voor het «klagen over het klagen» in de kinderbe– 
scherming, is het gegeven dat kinderbescherming altijd samenhangt met 
rechtspraak. 

Van de kant van beroepsbeoefenaars is in de groepsgesprekken, die de 
subcommissie Kinderbescherming heeft belegd, naar voren gebracht dat 
in de praktijk de nodige ruimte wordt geboden aan zowel informele 
klachten als aan bezwaren die tijdens het verhoor van minderjarigen, 
ouders en voogden worden ingebracht, en dat deze met zorg worden 
behandeld. 

Voor de belanghebbenden zal het toch niet altijd eenvoudig zijn om uit 
te maken welke klacht in de sfeer van de klachtenprocedures thuishoort, 
en welke klacht op de zitting naar voren moet worden gebracht. 

En wat betreft het openbaar ministerie: fungeert het openbaar minis– 
terie werkelijk als «achtervanger» voor de requestrering door de raden 
voor de kinderbescherming (zie bijvoorbeeld 1: 254 lid 2, 267 lid 1, 270 
lid 1 BW), in de zin dat als de raad voor de kinderbescherming nalaat een 
verzoek in te dienen, het openbaar ministerie deze publiekrechtelijke taak 
over neemt? En dient de officier van justitie de binnenkomende informele 
verzoeken (vaak van de raad voor de kinderbescherming) tot voorlopige 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2


58 De oproepingen worden ten minste zeven 
dagen voor de dag van de terechtzitting 
verzonden. tenzij de rechter anders bepaalt 
(artikel 7 lid 1 van het Besluit oproepingen. 
mededelingen en zendingen verzoekschrift– 
procedure, 14 november 1986, Staatsblad 
1986. 578) 

toevertrouwing (1: 241 lid 2 en 3, 272 en 332 BW) zelfstandig te 
toetsen? 
Wat te doen als de oproeping tot verhoor op een zo korte termijn 
wordt gedaan58, dat een goede voorbereiding niet mogelijk is? 

Het is moeilijk te bepalen waar moet men klagen als men te maken 
krijgt met een opeenvolging van onderzoek, rapportage, zitting, uitspraak 
en tenuitvoerlegging van de uitspraak. 

In dat geval volgen drie soorten «klachtrecht» elkaar op: de klachten– 
behandeling bij de raden voor de kinderbescherming (geregeld in artikel 
35 en volgende van het Organisatiebesluit raden voor de kinderbe– 
scherming), het recht ter terechtzitting gehoord te worden en het recht 
hoger beroep in te stellen (beide volgens het burgerlijk procesrecht), en 
de klachtenbehandeling bij de instelling die met de uitvoering van de 
rechterlijke beslissing wordt belast. 

Een tweede oorzaak voor het «klagen over het klagen» in de kinderbe– 
scherming, is de bijzondere juridische verhouding tussen de organisatie 
voor kinderbescherming of de persoon die gezinsvoogd is, en de minder– 
jarige en diens ouders of voogd en de eventuele pleegouders. 

Het bijzondere kinderbeschermingselement van niet-vrijwilligheid in die 
verhouding heeft gevolgen voor het klachtrecht en voor de praktijk van 
het klagen. 

Het is denkbaar dat men zich juist tegen het niet-vrijwillige element dat 
de meeste kinderbeschermings-werkzaamheden kenmerkt, wil verzetten 

- maar dat is het wettelijke gevolg van een beslissing door een rechter 
genomen. Het is met name de niet-vrijwilligheid die het indienen van 
klachten kan kleuren met angst voor represailles. 
Door de burger die met de kinderbescherming in aanraking komt, aan 
te duiden als «cliënt van de hulpverlening» of «gebruiker van de 
voorziening», gaat men aan het niet-vrijwillige element voorbij. 

Een derde oorzaak voor het «klagen over het klagen» in de kinderbe– 
scherming, is dat een aantal regelingen voor klachtenbehandeling op dit 
terrein nieuw is. De klachtreglementen zijn ten dele nog in de maak. 

De balans van het gebruik dat van de geformaliseerde klachtproce– 
dures wordt gemaakt, kan nu nog niet opgemaakt worden. 
Uit dat gebruik zijn geen harde conclusies te trekken over het functio– 
neren van de kinderbescherming. 

In de werkplannen voor de instellingen voor voogdij en gezinsvoogdij is 
voorgeschreven (in artikel 2 lid 2 sub d van het betreffende uitvoerings– 
besluit, het Besluit van 18 juni 1990, behorend bij de Wet op de jeugd– 
hulpverlening), dat een beschrijving dient te worden gegeven van de 
wijze van klachtenbehandeling. 

Vooralsnog zijn er weinig garanties voor uniformiteit in de klachtenbe– 
handeling bij de instellingen voor kinderbescherming. 

Naar een directere ministeriële sturing 

Het beeld dat naar voren komt van de ministeriële verantwoorde– 
lijkheid voor en de sturing van het functioneren van de organisaties voor 
kinderbescherming, is in een aantal opzichten vrij diffuus. 

Dit omdat de overheid zeer ver op afstand blijft (zoals met betrekking 
tot de klachtreglementen van instellingen), vanwege de colleges van de 
raden voor de kinderbescherming als «extra bestuurslaag», en vanwege 
onduidelijkheden wat betreft het toezicht. 

De zwaarwegende, persoonlijke belangen van de burgers die met de 
kinderbescherming in contact staan, nopen echter tot een grote 
helderheid in de taken en verantwoordelijkheden in de publieke sfeer. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


s9 De colleges zijn formeel verantwoordelijk 
voor de toepassmg van het beleid met 
betrekking tot de behandeling van indivi– 
duele zaken Aldus de Notitie De Raad voor 
de Kinderbescherming (TK, 1983 1984, 18 

122. nrs. 1-2, p 9) 
De constructie «de raad is het college van particulieren, maar de 
bureaus verrichten de werkzaamheden en zijn overheidsorganen» heeft 
tot gevolg dat de gewenste mate van directheid van de verantwoorde– 
lijkheid van de minister van Justitie voor de taakuitoefening door de 
bureaus voor kinderbescherming niet kan ontstaan. 

Hoezeer ook ingekaderd en gerelativeerd, de colleges hebben een 
eigen beleidsverantwoordelijkheid.59 

Een heldere organisatievorm betekent dat de raden voor de kinderbe– 
scherming omgezet worden in de bureaus voor kinderbescherming, 
waarbij de colleges komen te vervallen. 

Tot slot wil de subcommissie Kinderbescherming haar bezorgdheid 
uiten over de waarborgen voor deskundigheid van de personeelsleden 
van organisaties voor kinderbescherming, met name de deskundigheid in 
de complexe situaties die zich in het grensgebied tussen hulp en recht 
kunnen voordoen, en de deskundigheid met betrekking tot allochtone 
jeugdigen en gezinnen. 

In het hoofdstuk Doel en werkwijze (Hoofdstuk 1) maakte de subcom– 
missie melding van het feit dat er relatief zo weinig klachten waren 
binnengekomen van de kant van allochtone ouders en minderjarigen. 

Over de specifieke deskundigheden in de jeugdhulpverlening is er een 
passage in de ontwerp-toelichting bij het nog niet ingevoerde Besluit 
kwaliteitsregels bij de Wet op de jeugdhulpverlening: de toelichting bij 
artikel 3 van dat Besluit: «Bij deze bepaling kan tevens gedacht worden 
aan een op de doelstelling of de doelgroep van de voorziening 
afgestemde samenstelling van het personeelsbestand, bijvoorbeeld een 
aantal vrouwelijke personeelsleden of personeelsleden afkomstig uit 
etnische minderheden.» 

De concept-toelichting bij artikel 4 van het concept-besluit kwaliteits– 
regels en taken voogdij– en gezinsvoogdij-instellingen bij de Wet op de 
jeugdhulpverlening (inmiddels Besluit van 18 juni 1990, Stb. 1990, 354) 
vermeldde onder meer: «De deskundigheid ten aanzien van vorenge– 
noemde doelgroep kan nog worden vergroot, door de aanstelling van 
hulpverleners uit etnische kringen. Daarbij dient er naar te worden 
gestreefd, dat deze categorie hulpverleners in evenredige mate in het 
personeelsbestand is vertegenwoordigd.» 

De subcommissie Kinderbescherming signaleert dat het beleid van de 
ministers van WVC en Justitie met betrekking tot de waarborgen voor 
deze deskundigheden in de jeugdhulpverlening scherper in de regel– 
geving tot uitdrukking dient te komen, gezien de grote belangen die zijn 
gemoeid met een goede hulpverlening aan allochtone jeugdigen en 
gezinnen. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


HOOFDSTUK4. AANBEVELINGEN 

Inleiding 

Een centrale overweging voor de subcommissie Kinderbescherming bij 
het doen van aanbevelmgen is geweest, dat het systeem van kinderbe– 
scherming dient te voldoen aan de eisen die in deze tijd aan rechts– 
pleging en openbaar bestuur mogen worden gesteld. 

Het overheidsoptreden dient te voldoen aan de eis van wetmatigheid 
en de eisen van behoorlijkheid. 

Onder de eisen van behoorlijkheid zijn, naast de eis van een 
zorgvuldige voorbereiding van besluiten, ook de eis van een behoorlijke 
bejegening te rekenen, en de eis van kenbaarheid van het beleid. 

Te denken valt aan een begrijpelijke en adequate voorlichting aan 
burgers die met de kinderbescherming in aanraking komen, en aan 
procedures voor de behandeling van klachten die ertoe leiden dat 
eventueel geschokt vertrouwen en eventueel gemaakte fouten worden 
hersteld. 

Rechterlijke beslissingen dienen controleerbaar te zijn aan de hand van 
de motivering; rechtspraak dient te geschieden door onpartijdige 
instanties. 

In verband met de behoorlijkheid van bevoegdheidsuitoefening dient 
duidelijk te zijn voor welk doel iedere bevoegdheid is verleend, zodat het 
gebruik in die zin controleerbaar is. 

De regelgeving dient te bevorderen dat alle rechtstreeks bij de zaak 
betrokken belangen worden afgewogen, en dat handelingen in 
verhouding tot de met de handeling te dienen doelen geen onevenredig 
nadeel toebrengen aan één of meer belanghebbenden. 

De kinderbescherming is een juridisch systeem, dat tot taak heeft 
minderjarigen door middel van de uitoefening van wettelijke bevoegd– 
heden bescherming te bieden tegen gebrekkige uitoefening van het 
gezag, en tegen gebrekkige nakoming van ouderlijke verplichtingen. 

Van groot belang daarbij is de relatie tussen het recht van minderja– 
rigen op deze bescherming, en het recht van een ieder op eerbiediging 
van zijn familie– en gezinsleven en zijn privé leven. 

Kinderbescherming impliceert het toepassen van juridische normen op 
onder meer de wijze van verzorgen en opvoeden van minderjarigen. 
Deze normen, en ook de procedures voor de rechtspleging in kinder– 
zaken, zijn in het burgerlijke recht vastgelegd. 

Kinderbescherming houdt tevens in dat het uitoefenen van gezag over 
een minderjarige gedeeltelijk of geheel, voorlopig of duurzaam aan een 
organisatie kan worden opgedragen. 

Het burgerlijk recht en het administratieve recht bevatten regels voor 
de taakuitoefening door en de bekostiging van organisaties voor kinder– 
bescherming. 

Daarbij dient de wet aan te geven hoe de bevoegdheden en verplich– 
tingen van de organisaties zich verhouden tot die van de direct belang– 
hebbenden. 

Binnen de wettelijke regels is de minister van Justitie bevoegd een 
nadere invulling te geven van de ruimte voor beleid. 

De subcommissie Kinderbescherming hecht er aan op deze plaats te 
benadrukken, dat zij geen reden heeft om te twijfelen aan de integriteit 
en de inzet van degenen die in de kinderbescherming werken, en dat zij 
niet lichtvaardig aankijkt tegen de problemen en dilemma's die zij in hun 
werk tegen komen. 

Met haar aanbevelingen beoogt zij de controleerbaarheid en de 
herkenbaarheid van de kinderbescherming en de rechtspleging in kinder– 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2


60 Zie artikel 2 lid 2 sub b van het Besluit 
van 18 juni 1990. Staatsblad 1990. 354 
6' Artikel 9 lid 2 sub d van dit Besluit (Stb 
112,1990) vermeldt «de wijze waarop parti 
culiere inrichtingen klachten behandelen» 
als èèn van de onderdelen van het vast te 
stellen werkplan voor de inrichting. 

zaken te versterken, in het licht van het evenwicht tussen de 

bescherming van minderjarigen en de eerbiediging van de als gezins– 

leven aan te merken opvoedingsrelaties. 

Naar aanleiding van haar bevindingen heeft de subcommissie Kinder– 
bescherming aanbevelingen opgesteld gericht op verbetering van 
bestuur en aanbevelingen gericht op verbetering van de wetgeving. 

De eerste zijn gericht aan de verantwoordelijke bewindslieden, de 
tweede aan de regering en Staten-Generaal. 

4.1. Aanbevelingen met het oog op bestuur 
De subcommissie Kinderbescherming beveelt de volgende verande– 
ringen in de bestuurlijke sfeer aan. 

/. Voor zover het opstellen van de procedures voor klachtenbehan– 
deling aan de instellingen en inrichtingen zelf i's overgelaten, worden 
door de ministers van WVC en Justitie landelijk geldende criteria voor de 
klachtenbehandeling ingevoerd. Beroep op een externe klachtencom– 
missie dient mogelijk te zijn. 

Het uitvoeringsbesluit met betrekking tot de kwaliteitsregels voor de 
(gezins)voogdij-instellingen bevat de opdracht tot het vaststellen van een 
werkplan voor iedere instelling. Van het werkplan maakt een beschrijving 
van de wijze van klachtenbehandeling deel uit80. 

Eenzelfde bepaling staat in het Besluit regels inrichtingen justitiële 
kinderbescherming, voor de particuliere inrichtingen61. 

De subcommissie Kinderbescherming beveelt de minister van Justitie 
en de minister van WVC aan, binnen zes maanden de criteria vast te 
stellen waaraan alle op te stellen klachtreglementen in ieder geval dienen 
te voldoen. 

De criteria dienen naar de mening van de subcommissie de volgende 
punten te omvatten: 

- wie is bevoegd een klacht in te dienen; 
- waarover kan worden geklaagd, 
- aan welke vormvoorschriften dient een klacht te voldoen; 
- welke termijnen gelden voor klacht en beslissing op de klacht; 
- hoe wordt aan het beginsel van hoor en wederhoor vormgegeven; 
- welke instanties zijn bevoegd klachten te behandelen; 
- hoe is een klachtencommissie samengesteld (de deskundigheid van 
de leden, en de garantie dat in de commissies personen zitting hebben 
die het vertrouwen genieten van de betrokkenen, waaronder de belan– 
genorganisaties op het terrein van de jeugdhulpverlening); 
- welke mogelijkheid is er om bij een externe instantie tegen een 
beslissing op een klacht in beroep te gaan; 
- hoe worden beslissingen op klachten openbaar gemaakt; 
- hoe wordt aan het klachtreglement bekendheid gegeven? 
Gezien de bijzondere relatie van de organisatie voor kinderbe– 
scherming tot de burgers ten opzichte van wie de organisatie zijn taken 
uitoefent, moet in de kinderbescherming ook na afloop van een zaak nog 
de mogelijk open staan een klacht in te dienen. 

De subcommissie Kinderbescherming is van mening dat de procedures 
voor klachtenbehandeling op het terrein van de jeugdhulpverlening een 
zo groot mogelijke uniformiteit dienen te vertonen. Verder, dat zij in 
principe toegankelijk dienen te zijn voor een ieder die direct belang heeft 
bij de taakuitoefening door de voorzieningen, in ieder geval voor de 
minderjarige, de ouders en de pleegouders. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


62 De artikelen 35-43 van het Organisatie– 
besluit raden voor de kinderbescherming 
(gewijzigd bij K B van 22 november 1989, 
Stb 528) 
63 De artikelen 46-52 van de Wet op de 
jeugdhulpverlening. 
Deze artikelen zijn van toepassing op 
voorzieningen voor residentiële hulpver– 
lening niet zijnde een rijksinrichting 
Zij voorzien alleen in een interne klachten– 
commissie 
" De artikelen 70-80 van de Wet op de 
jeugdhulpverlening. 
65 Artikel 8 van het Besluit inrichtingen voor 
justitiële kinderbescherming (Stb 112, 
1990) 
66 De artikelen 15-19 van het Besluit regels 
inrichtingen voor justitiële kinderbe– 
scherming 
67 Op grond van de artikelen 1 258 en 262 
en 263 van het Burgerlijk Wetboek 

De regelgeving die van toepassing is op de kinderbescherming voorziet 
in een drietal uitgewerkte procedures voor klachtenbehandeling: voor de 
raden voor de kinderbescherming62, voor residentiële voorzieningen63 en 
voor jeugdigen in rijksinrichtingen64. 

Over de aansluiting van deze procedures bij de hierboven bedoelde 
landelijk geldende criteria wil de subcommissie Kinderbescherming het 
volgende opmerken. 

Voor klachtenbehandeling bij de raden voor de kinderbescherming zijn 
de opvolgende instanties: de directeur en één van de zes externe klach– 
tencommissies. 

Voor die organisaties voor kinderbescherming waarvoor de regelgeving 
nu niet in een externe beroepsinstantie voorziet, zouden deze externe 
commissies wellicht kunnen fungeren als de beroepsinstantie. 

Het valt af te raden om in de klachtencommissies personen te 
benoemen die werkzaam zijn op het gebied van de rechtspleging in 
familie– en kinderzaken. Er kan een overlap van functies optreden, niet in 
de laatste plaats vanuit het gezichtspunt van de burger. 

De subcommissie Kinderbescherming geeft de minister van WVC in 
overweging bij het instellen van de externe klachtencommissies voor 
beroep tegen de beslissingen op klachten in de vrijwillige sfeer, rekening 
te houden met de voorgenomen decentralisatie van bevoegdheden naar 
de provincies en de grote steden, door regionale externe klachtencom– 
missies in te stellen. 

De subcommissie Kinderbescherming concludeert dat in de kinderbe– 
scherming met slechts twee soorten klachtenregelingen kan worden 
volstaan: de reglementen van de organisaties (die voldoen aan de vast te 
stellen landelijke criteria), en een bijzonder klachtrecht voor jeugdigen in 
gesloten of besloten justitie-inrichtingen. 

Vanuit oogpunt van uniformiteit verdient het aanbeveling het klacht– 
recht voor jeugdigen in particuliere justitie-inrichtingen en het klacht– 
recht voor jeugdigen in rïjksinrichtingen op één lijn te brengen. 

Het besloten karakter van de particuliere inrichtingen65, en de ook in 
deze inrichtingen bestaande mogelijkheden van plaatsing buiten de 
groep en van afzondering66, rechtvaardigen een bijzonder klachtrecht 
voor de jeugdigen die in particuliere justitie-inrichtingen zijn opgenomen. 

Voor zover het bijzondere klachtrecht niet van toepassing is, dient voor 
alle belanghebbenden bij de verzorging en opvoeding van minderjarigen 
in een rijksinrichting en een justitie-inrichting een klachtprocedure open 
te staan. 

2. Voor de totstandkoming, de inhoud en de vormgeving van de 
rapporten van de raden voor de kinderbescherming en de verslagen die 
door de gezinsvoogd aan de rechter worden uitgebracht, dient de 
minister van Justitie richtlijnen op te nemen in het Organisatiebesluit 
raden voor de kinderbescherming en in het Uitvoeringsbesluit ondertoe– 
zichtstelling. 
De rapporten van de raden voor de kinderbescherming hebben tot 
functie de rechter te adviseren in het kader van zijn beoordeling naar 
aanleiding van een ingediend verzoek of een ingestelde vordering. 

De verslagen van de gezinsvoogdij hebben tot functie de rechter te 
adviseren in het kader van het eventueel nemen van een ambtshalve 
beslissing tot verkorting of verlenging van een ondertoezichtstelling of 
tot een plaatsing buiten het gezin, of tot verkorting of verlenging van een 
plaatsing67. 

De subcommissie Kinderbescherming is van mening dat noch voor de 
voorbereiding, inhoud en vormgeving van de rapporten noch voor de 
voorbereiding en inhoud van de verslagen dusdanige richtlijnen gelden, 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


BS wet op de jeugdhuipveriening. artikei 26

dat de zorgvuldigheid van deze schriftelijke informatie aan de rechter 

voldoende is gewaarborgd. 

De subcommissie beveelt de minister van Justitie aan om binnen zes 
maanden landelijke richtlijnen op te stellen voor de totstandkoming, de 
inhoud en de vormgeving van rapporten en verslagen die ten behoeve 
van de rechtspleging worden opgesteld. 

Deze richtlijnen dienen in de daartoe geëigende uitvoeringsbesluiten te 
worden opgenomen: het Organisatiebesluit raden voor de kinderbe– 
scherming en in het Uitvoeringsbesluit ondertoezichtstelling. 

Daarbij denkt de subcommissie aan de volgende punten: 

- de rapporteur (respectievelijk de gezinsvoogd) geeft aan of, en zo ja 
hoe, alle belanghebbenden en informanten op de hoogte zijn gesteld van 
de bevoegdheden van de raad voor de kinderbescherming of de gezins– 
voogdij-instelling, en van de beslissingen die de rechter mede naar 
aanleiding van het rapport kan nemen; 
- de rapporteur geeft aan of en zo ja hoe aan de gezagsdrager(s), de 
minderjarige en de eventuele pleegouders, de gelegenheid is geboden 
hun mening naar voren te brengen; 
- de rapporteur onderscheidt enerzijds feiten en anderzijds 
vermoedens en indrukken; 
- de rapporteur motiveert waarom vrijwillige hulpverlening voor het 
gezin en de minderjarige niet tot de mogelijkheden behoort; 
- in de gevallen waarin de regelgeving het opstellen van een hulpver– 
leningsplan of van een evaluatie voorschrijft, wordt dit stuk als bijlage bij 
het rapport gevoegd; 
- de rapporteur geeft aan of en zo ja hoe terzake aan de Wet 
openbaarheid van bestuur (de wijze waarop de verlangde informatie is 
verstrekt, de eventuele weigeringsgronden) en de Wet persoonsregis– 
traties (met name de rechten van de belanghebbende op kennisneming 
en verbetering) uitvoering is gegeven, indien daarom is gevraagd. 
3. In de wetgeving voor de hulpverlening aan minderjarigen volgend 
na crisisopvang, en voor het niet-strafbaar geheim houden van de 
verblijfplaats van minderjarigen worden extra waarborgen opgenomen 
voor een zorgvuldige hulpverlening, en waarborgen om te voorkomen dat 
de ouders (of de voogd) in onzekerheid verkeren. 
De subcommissie Kinderbescherming beveelt de minister van WVC, 
onder wiens verantwoordelijkheid de functie onderdak te bieden aan 
weggelopen minderjarigen valt, aan met de andere ministers die het 
aangaat, afspraken te maken voor die crisisgevallen waarvoor een 
opvang gedurende twee weken onvoldoende blijkt, en waarbij de 
ouder(s) of voogd niet instemmen met het verblijf van de minderjarige in 
een voorziening. 

Daarbij acht de subcommissie het van groot belang dat de wijze van 
subsidie-verstrekking geen belemmeringen oplevert voor de terugkeer 
van de minderjarige naar het gezin en voor het herstel van de relaties. 

Wat betreft de eerste opvang bij het van huis weglopen (of wegge– 
stuurd zijn) geeft de regelgeving als mogelijkheden aan: de plaatsing in 
acute noodsituaties gedurende ten hoogste 14 dagen68 en/of de 
voorlopige bijstandsuitkering door de gemeente gedurende ten hoogste 
30 dagen. 

De mogelijkheden voor de ouder(s) of voogd om invloed uit te 
oefenen, hangen af van de werkwijze die de voorziening voor jeugdhulp– 
verlening respectievelijk de gemeente hanteert. 

Wat betreft het verplichte overleg is er een uitzonderingsbepaling 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2


69 Zie artikel 5 lid 2 sub b van het ontwerp– 
besluit kwaliteitsregels jeugdhulpverlening. 
70 Volgens artikel 41 lid 3 van de Wet op de 
jeugdhulpverlening. 

71 Artikel 3 sub b van het Besluit bijdragen 

jeugdhulpverlening (Stb. 167, 1990). 

72 Geponeerd in artikel 2 lid 1 van het 
Besluit bijdragen jeugdhulpverlening. 
73 Artikel 1 264 van het Burgerlijk Wetboek 
en artikel 927 van het Wetboek van Rechts– 
vordering. 
74 Artikel 280 lid 2 van het Wetboek van 
Strafrecht: «Het voorgaande is niet van 
toepassing op hem die de raad voor de 
kinderbescherming ten spoedigste de 
verblijfplaats van de minderjarige meedeelt 

(..-)••
75 Artikel 280 van het Wetboek van Straf– 
recht stelt in de leden 2 en 3: «Het 
voorgaande is niet van toepassing (...) op 
hem die handelt in het kader van 
zorgvuldige hulpverlening aan de minder– 
larige Van zorgvuldige hulpverlening vormt 
de melding aan degene die het gezag over 
de minderjarige uitoefent dat hulp wordt 
verleend een bestanddeel » 

gedurende 6 weken voor de hulpverlening volgend op een acute noodsi– 
tuatie69. 

De regeling met betrekking tot het al dan niet in rekening brengen van 
een ouderbijdrage gedurende de crisisplaatsing gedurende ten hoogste 
14 dagen is onduidelijk: is dan een bijdrage in elk geval niet 
verschuldigd70, of slechts dan niet als de gezagsdrager een bezwaar– 
schrift indient?71 

De grond voor de verschuldigdheid van de ouderbijdrage na de eerste 
14 dagen72 staat ter discussie in het geval dat de ouders (of de voogd) 
niet instemmen met de opneming van hun kind. 

Eén en ander kan ertoe leiden dat een ondertoezichtstelling wordt 
uitgesproken, vanuit de overweging dat zo de financiering van het verblijf 
van de minderjarige is gegarandeerd (een «financiële ots»). 

Ook «verhuist» de bijdrage van de onderhoudsplichtige (stief)ouder(s) 
in de kosten daarmee van de administratieve regelgeving - de Wet op de 
jeugdhulpverlening plus het Bijdragebesluit - naar het burgerlijk 
(proces)recht73. 

Zo wordt de ondertoezichtstelling benut als de laatste regeling voor 
hulpverlening die een open einde karakter draagt. 

Vragen naar de strafbaarheid van het geheim houden van de verblijf– 
plaats van minderjarigen worden beantwoord aan de hand van artikel 
280 van het Wetboek van Strafrecht. 

Dit artikel geeft als voorwaarde voor niet-strafbaarheid: hetzij de 
mededeling aan de raad voor de kinderbescherming van de verblijfplaats 
van de minderjarige74, hetzij men handelt in het kader van zorgvuldige 
hulpverlening aan de minderjarige. Onderdeel daarvan is de melding aan 
degene die het gezag over de minderjarige uitoefent, dat hulp wordt 
verleend75. 

Met het oog op de positie van ouders en minderjarigen constateert de 
subcommissie Kinderbescherming met grote bezorgdheid dat deze twee 
voorwaarden inhoudelijk belangrijke leemten vertonen. 

Ten eerste: waartoe de mededeling aan de raad voor de kinderbe– 
scherming zou moeten leiden, is niet geregeld. Het is begrijpelijk dat de 
raad voor de kinderbescherming geen informatie over (de verblijfplaats 
van) de minderjarige aan de ouder(s) of voogd doorgeeft zonder dat een 
onderzoek is ingesteld. 

Ten tweede: de wet geeft geen omschrijving van wat onder 
zorgvuldige hulpverlening dient te worden verstaan. 
De subcommissie Kinderbescherming beveelt de minister van Justitie 
aan een aanvulling van de wet op deze punten voor te bereiden. 

Dit in overleg met de minister van WVC in verband met de taakuit– 
oefening door erkende voorzieningen voor jeugdhulpverlening, en met de 
minister van Binnenlandse Zaken in verband met de aanwijzingen aan de 
politie met betrekking tot de opsporing, aanhouding en teruggeleiding 
van minderjarigen. 

Daarbij geeft de subcommissie in overweging, in de leemte wat betreft 
de bepaling van de inhoud van «zorgvuldige hulpverlening» te voorzien 
door verwijzing naar de Wet op de jeugdhulpverlening. Dat wil zeggen 
dat «zorgvuldige hulpverlening» betekent: volgens de kwaliteitseisen 
gesteld in die wet en de bijbehorende uitvoeringsbesluiten. 

Aan artikel 280 lid 3 van het Wetboek van Strafrecht - «Van 
zorgvuldige hulpverlening vormt de melding aan degene die het gezag 
over de minderjarige uitoefent dat hulp wordt verleend een 
bestanddeel.» - dient te worden toegevoegd: «(...); deze melding vindt zo 
spoedig mogelijk plaats». 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


76 Pleegkinderenwet, artikel 1 lid 1. 

" De artikelen 7, 10, 11, 12 en 14 van die 
wet. 
78 Vergelijk artikel 7 lid 1 van de Pleegkin– 

derenwet. 
79 «De raad voor de kinderbescherming stelt 
zich op de hoogte van alle gevallen, waarin 
maatregelen met betrekking tot het gezag 
over tninderjarigen (...) overwogen dienen te 
worden.» 
80 Van de verzoeken die de raden voor de 
kinderbeschermmg indienen, zijn ongeveer 
80% verzoeken tol ondertoezichtstelling. Het 
aantal verzoeken tot ondertoezichtstelling 
per jaar lag in de jaren 1985-1 987 in de 
orde van grootte van 2000 In 1988 zijn 
door de raden 2725 verzoeken tot ondertoe– 
zichtstelling ingediend (Jaarverslag Raden 
voor de kinderbescherming, 1988, p 34) 

81 Artikel 1: 254 lid 1 van het Burgerlijk 
Wetboek: «Indien een kind zodanig 
opgroeit, dat het met zedelijke of lichame– 
lijke ondergang wordt bedreigd, kan de 
kinderrechter het onder toezicht stellen » 

Na een mededeling als bedoeld in artikel 280 lid 2 van het Wetboek 
van Strafrecht, dient voor de raden voor de kinderbescherming de 
verplichting te gelden om zich zo spoedig mogelijk na ontvangst van de 
mededeling ervan op de hoogte te stellen of aan de minderjarige hulp 
wordt verleend door een erkende voorziening. 

Zo ja, dan rust op die voorziening de taak contact op te nemen met de 
ouders of voogd, in het kader van een zorgvuldige hulpverlening, en wel 
zo spoedig mogelijk. Ten minste wordt aan de ouders of voogd gemeld, 
dat aan de minderjarige hulp wordt verleend. 

In alle gevallen waarin de raad voor de kinderbescherming niet 
vaststelt dat hulp aan de minderjarige wordt verleend door een erkende 
instelling, treden de toezichthoudende bevoegdheden van de raad voor 
de kinderbescherming uit de Pleegkinderenwet in werking. 

Deze wet geeft de raden voor de kinderbescherming een toezichthou– 
dende bevoegdheid met betrekking tot pleegzorg die plaats vindt in een 
gezin of een tehuis dat niet is onderworpen aan het toezicht volgens een 
andere wet76. 

Volgens de Pleegkinderenwet77 stelt de raad voor de kinderbe– 
scherming alleen een onderzoek in als er een redelijk vermoeden bestaat, 
dat er in het pleeggezin of de inrichting misstanden heersen of dreigen 
te ontstaan. De raad kan besluiten dat de minderjarige niet langer in het 
gezin of de inrichting zal mogen verblijven. 

De vaststelling dat het niet zo is dat aan de minderjarige wiens verblijf– 
plaats voor de ouder(s) of voogd verborgen wordt gehouden, hulp wordt 
verleend door een erkende voorziening, vervangt daarbij de voorwaarde 
in artikel 10 van de Pleegkinderenwet dat een redelijk vermoeden 
bestaat, dat er in het pleeggezin of de inrichting misstanden heersen of 
dreigen te ontstaan. 

De raad voor de kinderbescherming stelt zo spoedig mogelijk een 
onderzoek in naar de minderjarige en naar de opvang en hulp die aan de 
minderjarige wordt geboden78, mede in het licht van artikel 1: 242 van 
het Burgerlijk Wetboek79. Van haar bevindingen stelt de raad de ouder(s) 
of voogd op de hoogte. 

4. In verband met de rechtszekerheid voor ouders en minderjarigen 
beveelt de subcommissie Kinderbescherming de minister van Justitie aan 
nadere criteria in de wet op te nemen. Het gaat om die rechterlijke 
beslissingen waarover de wet nu te vaag is wat betreft de grond en de 
duur. 
Kwantitatief het belangrijkst80 is de grond voor ondertoezichtstelling81. 

De formulering van deze grond is bepaald niet licht te noemen 
(«dreigende ondergang»), maar hij biedt door zijn vaagheid ruimte voor 
toepassing als «financiële ots» (ter voortzetting van een opneming die 
niet de instemming heeft van de ouders of voogd) en als «omgangs-ots» 
(ter begeleiding van de naleving van een omgangsregeling). 

De subcommissie Kinderbescherming beveelt de minister van Justitie 
aan te onderzoeken door welke wijziging van de grond voor de ondertoe– 
zichtstelling de norm voor de toepassing van de ingreep kan worden 
verhelderd, en oneigenlijk gebruik van de maatregel kan worden 
voorkomen. 

Wat betreft de voorlopige toewijzing van kinderen voor de duur van 
het scheidingsgeding constateert de subcommissie Kinderbescherming 
op basis van haar bevindingen dat verwarring kan optreden van de 
toepassing van de artikelen 825b sub b en 825k sub b van het Wetboek 
van Burgerlijke Rechtsvordering, met de artikelen 825c en 8271 van dat 
wetboek, die niet of nauwelijks worden toegepast. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


82 Naar analogie van «hangende haar 
onderzoek» (door de rechtbank) in artikel 1 
331 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek 
83 Dit gevaar is niet denkbeeldig: deze 
invulling is te vinden in Pitlo/Van der Burght. 
Rood-de Boer. Personen– en familierecht. 
1989 (p 512) 

84 Dit blijkt uit de tweede zin van artikel 1: 
257 BW Zie ook mr. G. Delfos en prof mr 

J.E. Doek, Maatregelen van kinderbe– 
scherming. 1982, p 82-83. 
Dit zou pleiten voor verwijdering van de beide laatstgenoemde 
artikelen. De mogelijkheid van schorsing van het gezag en de 
mogelijkheid van voorlopige toevertrouwing worden geboden door de 
procedure voor de maatregelen ontheffing en ontzetting van de ouder– 
lijke macht. 

Aan de wettelijke regeling van de voorlopige maatregelen kunnen de 
eisen worden gesteld dat de wet de criteria aangeeft volgens welke zij 
worden toegepast, en dat de duur voor de belanghebbenden bepaalbaar 
is. Dit mede in verband met het ontbreken van de mogelijkheid tegen de 
voorlopige beslissing in hoger beroep te gaan. 

Aan de eerste eis voldoet de voorlopige ondertoezichtstelling niet. De 
subcommissie Kinderbescherming beveelt aan, dat naast het formele 
criterium dat een onderzoek door de kinderrechter gaande is, een inhou– 
delijk criterium in artikel 1: 257 van het Burgerlijk Wetboek wordt 
opgenomen. Bijvoorbeeld eenzelfde als bij een voorlopige toever– 
trouwing door de rechtbank volgens de artikelen 1: 271 lid 1 en 331 lid 1 
van het Burgelijk Wetboek: «indien hij dit in het belang van de minder– 
jarige noodzakelijk acht». In de beschikking motiveert de kinderrechter 
dan zijn oordeel dat aan dit inhoudelijke criterium is voldaan. 

De subcommissie Kinderbescherming meent dat ook de woorden 
«hangende het onderzoek» in artikel 1: 257 van het Burgerlijk Wetboek 
opheldering verdienen, en geeft in overweging deze te vervangen door 
«hangende zijn onderzoek»82. 

De aanduiding «het onderzoek» geeft aanleiding tot verwarring in de 
zin dat de schijn zou kunnen worden gewekt, dat bepalend is of door de 
raad voor de kinderbescherming een onderzoek (als bedoeld in artikel 24 
lid 2 van het Organisatiebesluit) is ingesteld83. 

Bepaiend is echter, of een verzoek of vordering tot ondertoezicht– 
stelling is ingediend84. 

Aan de tweede eis (de bepaalbaarheid voor de belanghebbenden van 
de duur) voldoen de voorlopige toevertrouwingen volgens artikel 1: 241 
lid 2 en 3 van het Burgerlijk Wetboek niet. 

Weliswaar is daarin een termijn van 6 weken opgenomen, maar indien 
de raad voor de kinderbescherming geen actie onderneemt, vervalt de 
maatregel niet. Dit in tegenstelling tot andere voorlopige toevertrou– 
wingen door de officier van justitie, die gebonden zijn aan een verval– 
termijn van 14 dagen als de officier geen bekrachtiging van de rechtbank 
heeft gevorderd (1: 272 lid 2 en 332 van het Burgerlijk Wetboek). 

De subcommissie Kinderbescherming beveelt aan de termijn van 6 
weken in artikel 1: 241 lid 2 en 3 van het Burgerlijk Wetboek aan te 
houden; daarna vervalt de voorlopige toevertrouwing van rechtswege 
tenzij voordien de raad voor de kinderbescherming terzake een verzoek, 
of het openbaar ministerie terzake een vordering heeft ingediend. 

Een lange feitelijke duur van de voorlopige maatregelen voor de duur 
van het geding - naast de voorlopige ondertoezichtstelling zijn dit de 
voorlopige toevertrouwingen door de rechtbank bij een verzoek tot 
ontheffing of ontzetting - kan oplopen als de eindbeslissing langdurig 
wordt aangehouden. 

Tegen geen van deze voorlopige beslissingen is hoger beroep mogelijk 
(de artikelen 940 lid 1 en 949 van het Wetboek van Burgerlijke Rechts– 
vordering). 

Wel is hoger beroep mogelijk tegen een uithuisplaatsing gedurende 
een voorlopige ondertoezichtstelling (944 lid 2 en 945 lid 3 van het 
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). 

De subcommissie Kinderbescherming beveelt de minister van Justitie 
aan te onderzoeken, op welke wijze meer waarborgen kunnen worden 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


85 In civielrechtelijke verzoekschriftproce– 
dures kunnen partijen geen getuigenverhoor 
verzoeken (artikel 192 lid 1 en 182 lid 1 van 
het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvor– 
dering) Of een deskundigenverhoor plaats– 
vindt beslist de rechter, op verzoek van een 
partij of ambtshalve (artikel 221 van dit 
wetboek). 

8e Zie het Besluit oproepingen, medede 
lingen en zendingen verzoekschriftpro– 
cedure (Stb 578, 1986), artikel 7. 

87 Zie artikel 900 lid 1 van het Wetboek van 

Burgerlijke Rechtsvordering. 
88 Volgens artikel 18 van de Grondwet en 
artikel 429f lid 5 van het Wetboek van 
Burgerlijke Rechtsvordering 

85 Zoals bij de ondertoezichtstelling (artikel 
941 lid 2 sub b van het Wetboek van 
Burgerlijke Rechtsvordenng juncto artikel 1: 
254 van het Burgerlijk Wetboek) 

geboden aan de ouder(s) of voogd en de minderjarige, tegen het voort– 

duren van uithuisplaatsingen op een voorlopige basis. 

5. De mogelijkheden en garanties voor tegenonderzoek en getuigen– 
verhoor op verzoek van degene die tegen een verzoek of vordering 
verweer voert, dienen te worden uitgebreid. 
De subcommissie Kinderbescherming is van mening dat de rechtspo– 

sitie van degene die tegenspraak wil voeren, versterkt moet worden door 

de mogelijkheden voor tegenonderzoek en getuigenverhoor te vergroten, 

en de afhankelijkheid van het beleid van de rechter op dit punt te 

verkleinen. 

De subcommissie Kinderbescherming beveelt de minister van Justitie 

terzake voorstellen te ontwikkelen. Daarbij dient aandacht gegeven te 

worden aan het kostenaspect. Het mag niet zo zijn dat het recht op het 

doen verrichten van een tegenonderzoek in feite vooral voor meer draag– 

krachtige ouders, voogden en pleegouders is weggelegd. 

Met het oog op wetswijziging85 dienen de verschillende modaliteiten 
die denkbaar zijn, nader te worden verkend. 

De subcommissie Kinderbescherming spreekt een voorkeur uit voor 
wetswijziging waardoor een deskundigenverhoor (tegenonderzoek) en 
een getuigenverhoor op verzoek van degene die tegenspraak voert, in 
hoger beroep in beginsel wordt toegewezen, tenzij de rechter oordeelt 
dat van toewijzing van dit verzoek ernstig nadeel voor de minderjarige 
moet worden gevreesd. 

Daarnaast heeft de rechter in eerste aanleg de bevoegdheid een 
verzoek tot getuigenverhoor of tegenonderzoek van de kant van degene 
die tegenspraak voert, toe te wijzen als hij dit in het belang van de 
minderjarige wenselijk oordeelt. 

6. Door een zorgvuldige uitoefening van bevoegdheden kan 
voorkomen worden dat de burger de indruk krijgt dat hij sterk afhankelijk 
is van de wijze van bejegening, dat hij zich nauwelijks kan verweren, en 
dat rechter en de raad voor de kinderbescherming als het ware één blok 
zouden vormen. 
De bijzondere juridische procedure voor maatregel-zaken, de ruimte 
voor rechters om beslissingen te nemen, de zelfstandig uit te oefenen 
bevoegdheden van de raden voor de kinderbescherming, en de omstan– 
digheid dat rechters in de regel de adviezen van de raden voor de kinder– 
bescherming volgen, kunnen resulteren in het beeld dat raad en rechter 
als het ware samen spannen, en dat de rechtspleging niet onpartijdig is. 

Hoewel de bevoegdheden van de minister van Justitie om hierin te 
sturen formeel beperkt zijn, wil de subcommissie Kinderbescherming 
speciale aandacht vragen voor de volgende aspecten: 

- het tijdig86 aan de ouder(s) of voogd toesturen van het verzoek of de 
vordering inclusief de redenen87; 
- het daarbij wijzen op de mogelijkheid van verzet, indien dit van 
toepassing is; 
- in iedere oproeping tot verhoor van de ouder(s) of voogd met 
betrekking tot het nemen van een maatregel van kinderbescherming 
dienen zij te worden gewezen op hun recht zich te doen bijstaan door 
een raadsman88, alsmede op de mogelijkheid een beroep te doen op de 
Wet rechtsbijstand on– en minvermogenden; 
- het bij de oproeping tot verhoor vermelden, dat men om hoger 
beroep te kunnen instellen op de zitting dient te verschijnen en daar 
tegenspraak dient te voeren, indien dit van toepassing is89; 
Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


90 Op grond van artikel 825b sub b of 827k 
sub b van het Wetboek van Burgerlijke 
Rechtsvordering 
91 Volgens de artikelen 825d lid 3 en 825m 
lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke 
Rechtsvordering. 
92 Artikel 909 lid 1 van het Wetboek van 
Burgerlijke Rechtsvorderïng: «De beschik– 
kingen worden (.. ) op straffe van nietigheid 
met redenen omkleed (...)» 
93 Volgens de artikelen 260 lid 1 van het 
Burgerlijk Wetboek, 939 van het Wetboek 
van Burgerlijke Rechtsvordering, en 77v lid 

1 van het Wetboek van Strafrecht 
94 Het blokkaderecht is gericht tegen 
wijziging in het verblijf van de minderjarige 
door de ouder(s) of voogd (artikel 1: 246a 
of 336a van het Burgerlijk Wetboek) 

95 Volgens de artikelen 1 268 lid 2 sub d, 
267 lid 2 en 275 lid 3, of volgens de 
artikelen 330 en 334 lid 3, of 299a van het 

Burgerlijk Wetboek 

- het zo veel mogelijk vermijden van anoniem verstrekte informatie en 
anoniem gehouden informatie in rapporten; 
- het aanwezig zijn van de rapporteur op de zitting met het oog op het 
stellen van vragen naar aanleiding van het rapport; 
- de gezinsvoogd dient niet (in anticipatie op een toewijzende 
beslissing) aanwezig te zijn op de zitting waarop de rechtmatigheid van 
het verzoek tot ondertoezichtstelling wordt onderzocht; 
- het bewaken van de duur van voorlopige maatregelen, met name van 
de uithuisplaatsingen op een voorlopige basis; 
- het bij de advisering door de raad over de voogdij-toewijzing wat 
betreft de continuïteit in de opvoeding en verzorging, zo min mogelijk 
afgaan op de periode van voorlopige toewijzing van het kind aan één van 
de ouders90 - dit om te vermijden dat deze voorlopige voorziening, 
waartegen men geen hoger beroep kan instellen91, gaat werken als een 
feitelijk voorschot op de voogdij-toewijzing; 
- het zo snel mogelijk nemen van een definitieve beslissing over het 
gezag; 
- het in iedere beschikking vermelden of, en zo ja hoe, de belangheb– 
bende daartegen beroep kan instellen, en binnen welke termijn dat dient 
te geschieden; 
- de (wijze van) motivering van rechterlijke uitspraken: niet per 
aankruis-formulier, niet onder verwijzing naar het raadsrapport in zijn 
totaliteit, en óók als er geen tegenspraak is gevoerd92. 
7. De informatieverstrekking aan de burger die met de kinderbe– 
scherming te maken krijgt, schiet tekort. Het is een taak van de minister 
van Justitie om zorg te dragen voor de verspreiding van actuele en 
duidelijke informatie. 
Ondanks de beschikbaarheid van folders en ondanks de informatiever– 
strekking door beroepsbeoefenaars over de taakuitoefening en proce– 
dures in de kinderbescherming, achten burgers zich onvoldoende 
geïnformeerd. 

Door onvolledige of onbegrijpelijke informatie kan een overval-effect 
optreden: men weet zijn positie ten opzichte van de kinderbescherming 
niet goed te bepalen, en men kan niet goed van zijn rechten gebruik– 
maken. 

De subcommissie Kinderbescherming acht het van groot belang dat 
ouders, voogden, minderjarigen en pleegouders die met de kinderbe– 
scherming in aanraking komen, van voldoende en begrijpelijke informatie 
worden voorzien. 

Ouders, voogden en minderjarigen die met een ondertoezichtstelling te 
maken krijgen, dienen op de hoogte te worden gesteld van de verdeling 
van verantwoordelijkheden gedurende de maatregel, wat meer inhoudt 
dan de mededeling dat de gezagsdrager de aanwijzingen van de gezins– 
voogd dient op te volgen93, behoudens beroep op de kinderrechter. 

De voorlichting aan pleegouders die als gevolg van een rechterlijke 
beslissing een pleegkind in hun gezin opnemen, dient duidelijk te maken 
welke de bevoegdheden van de ouder(s) of voogd van de minderjarige 
zijn, en in welke gevallen de pleegouders wel en in welke gevallen zij niet 
van het zogenaamde blokkaderecht94 gebruik kunnen maken, en 
overdracht van de voogdij kunnen verzoeken95. 

Voor het gebruik dat de burger maakt van de procedures voor de 
behandeling van klachten, is een begrijpelijke en geactualiseerde infor– 
matieverstrekking een voorwaarde. 

De minister van Justitie dient het verstrekken van informatie door de 
organisaties voor kinderbescherming aan de burgers die ermee in 
contact komen, actief te bevorderen. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


36 In het huidige artikel 7 van het Uitvoe– 

ringsbesluit ondertoezichtstelling staat: De 
gezinsvoogd brengt de kinderrechter 
tenminste eenmaal per drie maanden van 
zijn bevindingen verslag uit. 

91 Zoals bedoeld in artikel 35 lid 2 sub c van 
het Besluit regels inrichtingen voor justitiële 
kinderbescherming (Stb 112, 1990) Artikel 
5 lid 3 van het ontwerp-besluit kwaliteits– 
regels jeugdhulpverlening vermeldt de eis 
van overeenstemming met de kinderrechter 
(respectievelijk de voogdij-instelling) In het 
voorgestelde model wordt dit: de 
instemming van de gezinsvoogdij-instelling 
(respectievelijk de voogdij-instelling) 

Bij het verstrekken van deze informatie dient de ontvanger ook attent 
te worden gemaakt op andere mogelijkheden om van eventuele 
bezwaren blijk te geven, zoals: 

- in het overleg met de contactpersoon van de (gezins)voogdijinstelling 
over het hulpverleningsplan, 
- in het overleg met de residentiële voorziening of de voorziening voor 
pleegzorg over het hulpverleningsplan, 
- tijdens het verhoor, 
- in de vorm van hoger beroep tegen een rechterlijke beslissing, 
- bij de Nationale ombudsman in zaken waarin deze bevoegd is, 
- bij de Commissies voor de Verzoekschriften van de Eerste en 
Tweede Kamer. 
4.2. Aanbevelingen met het oog op de wetgeving 
De subcommissie Kinderbescherming beveelt de volgende wijzigingen 
van de wetgeving aan. 

8. Er wordt een volledige scheiding aangebracht tussen de recht– 
spraak en de gezinsvoogdij. 
De leidinggevende en uitvoerende taken die kinderrechters hebben 
met betrekking tot ondertoezichtstellingen roepen vraagtekens op ten 
aanzien van hun onpartijdigheid en onafhankelijkheid als rechtsprekende 
instantie. 

De verantwoordelijkheid voor de plaatsing van onder toezicht gestelde 
minderjarigen is nu onduidelijk: wanneer is dit de kinderrechter, de 
gezinsvoogdij-instelling of de gezinsvoogd respectievelijk de contact– 
persoon? 

De subcommissie Kinderbescherming beveelt een zodanige wetswij– 
ziging aan, dat de bevoegdheden van de kinderrechter zich beperken tot 
rechtspraak, en dat de leiding over de uitvoering van de gezinsvoogdij 
berust bij de instelling voor gezinsvoogdij. 

Daartoe stelt de subcommissie het volgende model voor. 
Indien de kinderrechter het verzoek tot ondertoezichtstelling toewijst, 
draagt hij de gezinsvoogdij op aan een instelling voor gezinsvoogdij. 
De mogelijkheid dat de kinderrechter direct een persoon als gezins– 
voogd aanstelt, komt daarmee te vervallen. 
De gezinsvoogdij-instelling wijst een persoon - een personeelslid of 
een vrijwilliger - aan als contactpersoon. 

Niet de kinderrechter maar de instelling geeft leiding aan de 
werkzaamheden van de contactpersoon. Eventuele vervanging van de 
contactpersoon geschiedt niet door de kinderrechter, maar door de 
instelling voor gezinsvoogdij. 

De gezinsvoogdij-instelling bericht de kinderrechter tenminste een 
maal per drie maanden, gemotiveerd, met betrekking tot de wense– 
lijkheid van verkorting of verlenging van de duur van de ondertoezicht– 
stelling en indien van toepassing - van de plaatsing96. 

Dat de gezinsvoogdij aan een instelling is opgedragen, houdt in dat 
niet de instemming van de kinderrechter met het hulpverleningsplan van 
de inrichting of voorziening is vereist97, maar de instemming van de 
gezinsvoogdij-instelling. 

Aan de bedoelde bepalingen met betrekking tot de benodigde 
instemming dient de raad voor de kinderbescherming te worden toege– 
voegd, voor zover deze optreedt als plaatsende instantie ten behoeve van 
voorlopig toevertrouwde minderjarigen. 

Na een rechterlijke beslissing tot plaatsing buiten het gezin op grond 
van artikel 1: 262 of 263 Burgerlijk Wetboek, is de gezinsvoogdij– 
instelling verantwoordelijk voor de feitelijke plaatsing (de keuze van, en 
de contacten met het tehuis of het pleeggezin) en voor een eventuele 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


98 Volgens artikel 27 lid 6 van de Wet op de 

jeugdhulpverlening 
99 De beslissingen tot opneming in een 
observatietehuis, en tot plaatsing buiten het 
gezin, zijn nu ambtshalve (zonder verzoek of 
vordering) door de kinderechter te nemen 
(de artikelen 1: 262 en 263 lid 1 van het 
Burgerhjk Wetboek) 

100 Mr J.A. Nota, De nieuwe maatregelen 
van jeugdbescherming in het rapport 
Wiarda, Nederlands Juristenblad. 8 januari 
1972. afl 2. p. 33 43 

101 Jeugdbeschermingsrecht, Rapport van 
de commissie voor de herziening van het 

Kinderbeschermingsrecht. 1971. p 179 

overplaatsing van de minderjarige. De kinderrechter treedt niet op als 
plaatsende instantie. 

De gezinsvoogdij-instellingen dienen in artikel 27 lid 3 van de Wet op 
de jeugdhulpverlening, dat de raden voor de kinderbescherming en de 
voogdij-instellingen erkent als plaatsende instantie, te worden 
opgenomen. 

Daarmee zijn zij tevens voorzieningen voor pleegzorg98. 

Het toezicht op de taakuitvoering van de gezinsvoogdij-instelling, ook 
in de hoedanigheden van plaatsende instelling en voorziening voor 
pleegzorg, berust bij de inspectie. 

De mogelijkheid van beroep op de kinderrechter in geval van een 
conflict over de uitoefening van de gezinsvoogdij (volgens artikel 1: 260 
van het Burgerlijk Wetboek), blijft behouden, alsmede de mogelijkheid 
dat de kinderrechter de gezinsvoogd vervangt (artikel 1: 256 van het 
Burgerlijk Wetboek), door een andere instelling te benoemen. 

9. In plaats van de ambtshalve door de kinderrechter te nemen 
beslissing tot uithuisplaatsing gedurende een ondertoezichtstelling, 
wordt een afzonderlijke maatregel «ots-plus» ingevoerd: de ondertoe– 
zichtstelling met uithuisplaatsing. 
Een maatregel van ondertoezichtstelling betekent gedurende een 
uithuisplaatsing van de minderjarige voor de belanghebbenden een 
situatie die sterk verschilt van een ondertoezichtstelling waarbij de 
minderjarige in het gezin van de ouder(s) of voogd wordt verzorgd en 
opgevoed. 

De subcommissie Kinderbescherming is van mening, dat de huidige 
maatregel van ondertoezichtstelling met de mogelijkheid van ambtshalve 
plaatsing buiten het gezin dient te worden vervangen door twee maatre– 
gelen. Dit zijn: de ondertoezichtstelling, en de ondertoezichtstelling met 
plaatsing buiten het gezin - de «ots» en de «ots-plus», beide op verzoek 
of vordering. Daarmee vervalt het ambtshalve karakter van de beslissing 
tot uithuisplaatsing". 

Hiermee volgt de subcommissie Kinderbescherming de lijn van mr. 

J.A. Nota, die in 1972 de invoering bepleitte van een tussenvorm tussen 
een ondertoezichtstelling zonder uithuisplaatsing en een gezagsont– 
neming. Hij stelt100: 
«Er is veel om duidelijkheid geroepen voor de cliënten. Deze duide– 
lijkheid is er bij een maatregelenpakket bestaande uit: 

1. de «lichte» gezagsbeperking (ondertoezichtstelling), voor 1 of 2 
jaar, opvoedingssteun zonder bevoegdheid tot uithuisplaatsen, 
2. tijdelijke gedeeltelijke ontheffing (opvoedingszorg), voor 2 jaar 
ineens hoogstens, wel steeds te verlengen, 
3. onbepaalde ontheffing, voor bijzondere gevallen als verbreking van 
de band nodig is. Dan zal vaak het pleeggezin na verloop van enige tijd 
de voogdij verwerven.» 
In het leggen van het verband tussen de opdracht van de gezinsvoogdij 
uitsluitend aan een instelling, en de uithuisplaatsing door die instelling in 
plaats van door de kinderrechter, volgt de subcommissie Kinderbe– 
scherming de Commissie voor de herziening van het Kinderbescher– 
mingsrecht (de commissie Wiarda). 

De commissie Wiarda bracht dit verband als volgt onder woorden101: 
«Nu de commissie voorstelt de uitvoering van de maatregel aan een 
instelling op te dragen volgt hieruit, dat ook de instelling het initiatief tot 
uithuisplaatsing zal moeten nemen. Ambtshalve ingrijpen van de jeugd– 
rechter past niet in dit systeem.» 

Wat betreft het initiatief tot uithuisplaatsing: de subcommissie Kinder– 
bescherming legt dit niet bij de gezinsvoogdij-instelling, maar bij de 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


102 Als voortzetting van de huidige 
mogelijkheid om tegen een uithuisplaatsing 
gedurende een voorlopige ondertoezicht– 
stelling in hoger beroep te kunnen gaan (de 
artikelen 944 lid 2 en 945 lid 3 van het 
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). 

103 In de voorgestelde opzet is dit altijd een 
gezinsvoogdij-instelling. 

10" Volgens de artikelen 1: 260 lid 1 en 326 
lid 2 van het Burgerlijk Wetboek 
105 Zie de Notitie De Raad voor de Kinder– 
bescherming, TK, 1983 1984, 18 122, nrs 
1-2, p. 7 

verzoeker, die hetzij een ondertoezichtstelling, hetzij een ondertoezicht– 
stelling met uithuisplaatsing («ots-plus») verzoekt of vordert. 

In de formulering van de grond van de «ots-plus» dient tot uitdrukking 
te komen, dat de rechter plaatsing van de minderjarige in een 
voorziening of een pleeggezin ten behoeve van de opvoeding en 
verzorging noodzakelijk acht. 

Eén en ander dient ook te gelden voor strafrechtelijk opgelegde onder– 
toezichtstellingen: in het vonnis wordt aangegeven in welke vorm de 
ondertoezichtstelling wordt opgelegd. 

De voorlopige ondertoezichtstelling «volgt» het verzoek of de 
vordering: in geval van een verzoek tot een «ots-zonder-plaatsing» kan 
de minderjarige niet uit huis worden geplaatst gedurende de eventuele 
voorlopige ondertoezichtstelling. 

De subcommissie Kinderbescherming beveelt aan om in geval van 
invoering van de «ots-plus» hoger beroep tegen de «voorlopige ots-plus» 

- een voorlopige plaatsing buiten het gezin door een alleensprekende 
rechter - open te stellen102. 
Nu het zo is dat bij globaal de helft van de ondertoezichtstellingen 
sprake is van een uithuisplaatsing, dient in het Burgerlijk Wetboek de 
bevoegdheid van de gezinsvoogd in verband met de plaatsing te worden 
opgenomen. 

De hoofdtaak van de gezinsvoogd - te weten het geven van aanwij– 
zingen aan de ouder(s) of voogd met betrekking tot de verzorging en 
opvoeding van de onder toezicht gestelde minderjarige (artikel 1: 260 lid 
1 van het Burgerlijk Wetboek) - past bij het geval dat de minderjarige in 
het gezin van de ouder(s) of voogd wordt verzorgd en opgevoed. Maar in 
het geval dat de minderjarige in een pleeggezin of een tehuis verblijft, 
zijn ook de werkzaamheden met betrekking tot de plaatsing van belang. 

De in het Burgerlijk Wetboek op te nemen plaatsingsbevoegdheid (de 
gezinsvoogd103 kan de minderjarige doen opnemen in een voorziening 
voor jeugdhulpverlening, in een pleeggezin of elders) geldt alleen in 
geval van een «ots-plus». Daarbij dient de gezinsvoogdij-instelling de 
bevoegdheid te hebben om te besluiten tot een proefperiode van verblijf 
bij de ouder(s) of voogd. 

Met de plaatsingsbevoegdheid vervalt de aanwijzings-bevoegdheid van 
de gezinsvoogd ten opzichte van de ouder(s) of voogd'04 niet. 

Voorts wil de subcommissie Kinderbescherming wijzen op de overlap 
die is ontstaan door de toevoeging aan artikel 1: 263 lid 1 van het 
Burgerlijk Wetboek van de zin «De kinderrechter kan volstaan met het 
aanwijzen van de categorie van voorzieningen (...).» met de toepassing 
van het voorgaande artikel (de opneming in een observatietehuis) indien 
de kinderrechter de categorie II.2 (observatietehuizen) van de Bijlage bij 
de Wet op de jeugdhulpverlening aanwijst. 

10. De colleges bij raden voor de kinderbescherming dienen te 
verdwijnen; aan de bureaus voor kinderbescherming worden advies– 
groepen verbonden. 
Voor de colleges van de raden voor de kinderbescherming ziet de 
subcommissie Kinderbescherming geen taken van betekenis weggelegd. 

Een eigen beleidsbepalende rol voor de colleges verhult de ministeriële 
verantwoordelijkheid voor de taakuitoefening door de bureaus, en staat 
de gewenste uniformiteit van uitvoeringsbeleid en de rechtszekerheid 
voor de burger in de weg. 

De bureaus voor kinderbescherming zijn overheidsorganisaties'05, voor 
het optreden waarvan de minister van Justitie rechtstreeks verantwoor– 
delijk is. De regelgeving dient op dit punt geen enkele aanleiding te 
geven tot misverstanden. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


06 Dit blijkt uit de Notitie De Raad voor de 
Kinderbescherming, TK, 1983-1984, 18 
122, nrs. 1-2, p 9. 

107 Zie de Notitie De Raad voor de Kinder– 
bescherming, TK, 1983-1984, 18 122, nrs 
1-2, p. 10. 

108 TK, 1984-1985, 18 122, nr 20, p 3-4. 
109 Volgens artikel 4 lid 1, en artikel 20 lid 3 
van het Organisatiebesluit is de minister 
bevoegd aanwijzingen te geven Indien de 
colleges van de raden voor de kinderbe– 
scherming komen te vervallen worden dit 
aanwijzingen gericht aan de directeuren van 
de bureaus kinderbescherming. 
"° De wijziging dateert van november 1989 
(Stb 528, 1989) 

Aan de huidige constructie - waarvan benoeming van de leden van het 
college door de Kroon, bevoegdheden van het college met betrekking tot 
de casuïstiek, een geringe feitelijke invloed van het college, geregelde 
mandatering, vèrgaande delegatie en hiërarchische ondergeschiktheid in 
beheers– en beleidsaspecten aan de minister deel uitmaken'06 - kan naar 
de mening van de subcommissie de noodzakelijke duidelijkheid niet 
worden toegeschreven. 

Het bestuur van particulieren maakt de raden voor de kinderbe– 
scherming tot een kruising tussen een organisatie van particulier initiatief 
en een overheidsorgaan. 

Wel is de subcommissie Kinderbescherming van mening dat het zinvol 
is aan iedere raad een adviesgroep te verbinden, waarmee in ieder geval 
het jaarplan van het bureau wordt besproken. De leden van de advies– 
groepen kunnen door of vanwege de minister van Justitie worden 
benoemd. 

Deze adviesgroepen hebben niet de functie een «rechtstreekse verant– 
woordelijkheid van de burgerij»107 te bewerkstellingen, maar hebben de 
functie een inbreng te garanderen vanuit levensbeschouwelijke 
stromingen en maatschappelijke groeperingen en een inbreng van 
deskundigheid op het gebied van de jeugdhulpverlening in brede zin. 

11. De wijze van taakuitoefening van de bureaus van de raden voor de 
kinderbescherming dient nader bij of krachtens de wet te worden gespe– 
cificeerd. De toezichthoudende taken van de raden ten opzichte van 
andere organisaties voor kinderbescherming dienen te verdwijnen. 
Het beleid van de bureaus van de raden voor de kinderbescherming 
valt onder de verantwoordelijkheid van de minister van Justitie, in het 
kader van de uitvoering van de wet; de uitvoering van het ministeriële 
beleid is aan de bureaus. 

Voor de taakuitoefening door de bureaus zijn beleidsuitgangspunten 
opgesteld: de «Uitgangspunten met betrekking tot de taak van de raden 
op het gebied van rechtstoepassing en hulpverlening» vermeld in de 
Vervolg-notitie Raden voor de Kinderbescherming108 en in het 
zogenaamde Normenrapport II voor de werkwijze van raadsmede– 
werkers. 

De subcommissie Kinderbescherming beveelt de minister van Justitie 
aan zijn beleidsuitgangspunten, zo nodig na actualisering, op te nemen in 
(of als bijlage bij) het Organisatiebesluit raden voor de kinderbe– 
scherming109. 

Voor de toepassing van artikel 35 lid 1 van dit besluit kan dan aan deze 
beleidsaanwijzingen worden gerefereerd. 

De recente110 toevoeging van de woorden «daaronder begrepen de 
wijze waarop door de daarvoor verantwoordelijke medewerker van het 
bureau in die aangelegenheid vorm is gegeven aan het beleid van de 
raad» aan artikel 35 lid 1 van het Organisatiebesluit raden voor de 
kinderbescherming als specificatie van datgene waarover men kan 
klagen, onderstreept de wenselijkheid van naleving van de eis van 
kenbaarheid van het bedoelde beleid. 

De subcommissie Kinderbescherming beveelt de minister van Justitie 
aan telkens in de toelichting op de Justitie-begroting in het kort verslag 
te doen van de werkzaamheden van de bureaus voor kinderbescherming, 
en daarbij aandacht te besteden aan de maatschappelijke achtergronden 
van de werklast van de bureaus voor kinderbescherming. 

Verder beveelt de subcommissie Kinderbescherming wijziging aan van 
artikel 35 lid 3 van het Organisatiebesluit, in de zin dat de directeur van 
het bureau voor kinderbescherming de rechter niet alleen op de hoogte 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


" Wettelijk vastgelegd in artikel 1: 240 lid 
1 van het Burgerlijk Wetboek Voorlopige 
toevertrouwingen vinden hetzij plaats door 
de rechtbank, hetzij door de officier van 
justitie 

112 Daarmee komt sub b van lid 3 van artikel 
27 van de Wet op de jeugdhulpverlening te 
vervallen. 

113 Deze verzoeken berusten niet op een 
wettelijke bepalmg Het Jaarverslag Raden 
voor de kinderbescherming 1 988 geeft aan 
dat per jaar ongeveer 200 «verzoeken» tot 
voorlopige toevertrouwing worden 
ingediend (p 34) 

"" TK, 1987-1988, 20 695, nrs 1-2, p 1-2 

stelt van het feit dat een klacht is ingediend, maar ook van de inhoud van 
de klacht. 

Voorts beveelt de subcommissie aan, dat de toezichthoudende taken 
van de raden voor de kinderbescherming op het functioneren van andere 
organisaties - de bijstand aan de minister bij het uitoefenen van toezicht 
op de instellingen voor voogdij en gezinsvoogdij bedoeld in artikel 63 van 
de Wet op de jeugdhulpverlening - komen te vervallen. 

Wel behouden de bureaus voor kinderbescherming de bevoegdheid 
een ontzetting van een voogdij-instelling van de voogdij te verzoeken 
(volgens artikel 1: 328 lid 2 en 329 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek), 
alsmede de bevoegdheid de plaatsen te bezoeken waar minderjarige 
verblijven die onder de voogdij van een instelling staan (artikel 1: 305 
van het Burgerlijk Wetboek). 

De zogenaamde centrumfunctie van de raden, geregeld in artikel 1: 
238 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek, dient te vervallen. 

Aangezien de raden voor de kinderbescherming geen enkele plaat– 
singstaak hebben buiten de zorg voor de hun toevertrouwde minderja– 
rigen111, dient artikel 27 lid 3 sub b van de Wet op de jeugdhulpverlening 
te worden gewijzigd. 

De bedoelde bepaling kan slechts luiden: «de raden voor de kinderbe– 
scherming in het kader van een voorlopige toevertrouwing»; de woorden 
«dan wel ten behoeve van een onderzoek naar de noodzaak van een 
maatregel tot beperking of ontneming van de ouderlijke macht of de 
voogdij» dienen te worden verwijderd. 

In artikel 27 lid 3 sub b van de Wet op de jeugdhulpverlening wordt 
gewaarborgd dat de raden voor de kinderbescherming erkenning hebben 
als plaatsende instantie en voorziening voor pleegzorg. 

Met de invoering van de kwaliteitsregels die bij of krachtens de Wet op 
de jeugdhulpverlening min of meer gelijkelijk voor alle voorzieningen 
voor jeugdhulpverlening gelden, doet zich echter de volgende vraag voor. 
In hoeverre strekt het toezicht op de naleving van de kwaliteitsregels bij 
de plaatsingen door de inspectie jeugdhulpverlening zich ook uit over de 
plaatsingen door de bureaus voor kinderbescherming? 

De subcommissie beveelt de minister van Justitie aan te onderzoeken 
of de overdracht van de voorlopige toevertrouwing van minderjarigen van 
de raden naar de voogdij-instellingen zonder veel bezwaren plaats zou 
kunnen vinden112. 

Vanzelfsprekend dient iedere toevertrouwing aan een voogdij-instelling 
onmiddellijk aan de raad voor de kinderbescherming te worden gemeld. 

Daarmee zou tevens het «gesloten circuit» komen te vervallen, dat nu 
optreedt wanneer de raad voor de kinderbescherming de officier van 
justitie (informeel113) verzoekt een minderjarige aan die raad zelf toe te 
vertrouwen. 

Het van rechtswege ter verhoor oproepen van de raad voor de kinder– 
bescherming wordt in het wetsvoorstel Facultatief horen van de raad 
voor de kinderbescherming (TK, 20 695) vervangen door een rechterlijke 
beoordeling van de noodzaak van advisering. 

Voorgesteld wordt dat de eerste zin van artikel 902a van het Wetboek 
van Burgerlijke Rechtsvordering komt te luiden"4: De rechter kan, indien 
hij dit met het oog op de belangen van de minderjarige noodzakelijk 
acht, het advies van de raad voor de kinderbescherming inwinnen. 

Daarnaast heeft de raad de bevoegdheid om op eigen initiatief te 
adviseren. 

Het nieuwe dat dit wetsvoorstel met betrekking tot de maatregelen 
voor kinderbescherming biedt, betekent een verbinding tussen 
rechterswerk en raadsadvisering op een punt waar die verbinding nu niet 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 53 


115 Memorie van Toelichting, TK, 

1987-1988. 20 695. nr 3, p 1 en 3 
ns Memorie van Toelichting, TK, 
1987-1988. 20695. p 3 

bestaat, te weten in zaken waarin de wet nu voorschrijft dat de raad 
wordt opgeroepen ter verhoor. De raad bepaalt vervolgens of en in welke 
vorm (mondeling of schriftelijk) hij adviseert. 

In de toelichting wordt als reden voor de voorgestelde wetswijziging 
opgegeven dat zo de huidige praktijk in de wet wordt vastgelegd, een 
gang van zaken die op afspraken is gebaseerd115. Op die plaats zou een 
uitspraak over de wenselijkheid van die praktijk verwacht mogen worden, 
vanuit een visie op de gewenste verhouding tussen raadsbeleid en 
rechterswerk. Een dergelijke uitspraak ontbreekt echter. 

Voor maatregelzaken zet de subcommissie een vraagteken bij de 
wenselijkheid van «de doorbreking van het bestaande automatisme van 
verplichte oproeping van de raad» waartoe het wetsvoorstel 20 695 
blijkens de toelichting strekt'16. 

Het gaat om de substitutie van een raadsbeleid door rechtersbeleid, 
een substitutie die de externe controle moeilijker maakt. 

Op grond van haar bevindingen staat de subcommissie Kinderbe– 
scherming juist een sterkere scheiding van rechtsprekende taken en de 
advisering ten behoeve van die rechtspleging voor. De subcommissie ziet 
aanleiding het wetsvoorstel tegen dit licht in heroverweging te nemen. 

12. De wijze van effectuering van de rechten op omgang, informatie 
of bezoek, van minderjarigen, ouders en andere personen die tot een 
minderjarige staan in een als gezinsleven aan te merken betrekking, dient 
in de wet te worden aangegeven. 
De subcommissie Kinderbescherming acht het Wetsvoorstel Nadere 
regeling van de omgang in verband met scheiding (18 964) een verhel– 
dering van de wijze waarop de rechter het omgangsrecht van de 
niet-verzorgende ouder gestalte geeft. 

Het is als een verbetering te beschouwen dat de rechter zich in iedere 
scheidingszaak waarin èén van de echtgenoten of beiden een omgangs– 
regeling verzoeken of vorderen, moet uitspreken over het recht op 
omgang van de niet-verzorgende ouder en het kind. 

Hetzij het recht op omgang wordt geconcretiseerd in de vaststelling 
van een regeling, hetzij (de concretisering in een regeling van) het recht 
wordt gemotiveerd ontzegd, op één van de vier gronden vermeld in het 
voorgestelde artikel 1: 161a lid 3 van het Burgerlijk Wetboek. 

De subcommissie beveelt aan dat een soortgelijk wetsvoorstel wordt 
voorbereid over het informatierecht van de niet-verzorgende ouder bij 
scheiding, parallel aan de regeling voor de wijze van effectuering van het 
omgangsrecht. 

Dit betekent dat bijvoorbeeld in artikel 161 lid 5 van het Burgerlijk 
Wetboek de woorden «een regeling treffen inzake de omgang» te zijner 
tijd worden vervangen door «een regeling treffen inzake de omgang en 
de informatie». 

Verwant aan deze materie is het recht op bezoek en informatie van 
ouders en andere personen die tot de minderjarige in een als familie– of 
gezinsleven aan te merken betrekking tot de minderjarige staan, in geval 
van voorlopige en niet-voorlopige maatregelen van kinderbescherming 
die een onttrekking aan de invloed of aan de gezagsuitoefening 
betekenen. 

De subcommissie Kinderbescherming is van mening dat met name het 
bezoekrecht van in een voorziening opgenomen minderjarigen en hun 
(pleeg)ouders of voogd in te grote mate aan de tehuizen, inrichtingen en 
instellingen is overgelaten. Zo is onvoldoende duidelijk hoe mensen dit 
recht kunnen effectueren. 

Als bestaande aanzet tot een wettelijke regeling van het bezoekrecht is 
te beschouwen: het bezoekrecht van de toeziende voogd aan een 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


" Volgens de artikelen 277, 278 en 335 
van het Burgerhjk Wetboek. 
118 Het eerste deel, Commissie wetgeving 
algemene regels van bestuursrecht, 1987 
Het Voorlopig Verslag van de behandeling 
van het Voorstel van wet Algemene regels 
van bestuursrecht (Algemene wet bestuurs– 
recht. TK, 21 221. nrs. 1. 2, 3, A en B) is op 
12 september 1990 vastgesteld 

minderjarige die onder voogdij van een instelling staat (artikel 1: 305 lid 

2 van het Burgerlijk Wetboek). 

Een andere aanzet is artikel 13 lid 1 van het Besluit kwaliteitsregels en 

taken voogdij– en gezinsvoogdij-instellingen (Besluit van 18 juni 1990, 

Staatsblad 1990, 354): «De voogdij-instelling bevordert, tenzij 

gewichtige redenen zich daartegen verzetten, contact tussen de jeugdige 

en zijn oorspronkelijk milieu.» Dit is van belang met het oog op de 

mogelijkheid van ouders die van het gezag zijn ontheven of ontzet, 

herstel in het gezag te verzoeken117. 

De overleg-verplichtingen met betrekking tot de hulpverleningsplannen 
zijn stappen in de richting van een geregeld informatierecht van de 
ouder(s) of voogd van een buiten het gezin geplaatste minderjarige. 

De subcommissie Kinderbescherming heeft een voorkeur voor een 
geconcentreerde regeling van het bezoek– en informatierecht bij gezags– 
uitoefening of uithuisplaatsmg door een organisatie van kinderbe– 
scherming, boven een «ad-hoc» wijze van vastlegging. 

13. Nadat met de door de ministers van WVC en Justitie op te stellen 
landelijke criteria voor de klachtreglementen van voorzieningen voor 
vrijwillige jeughulpverlening en kinderbescherming enige ervaring is 
opgedaan, dienen zij te worden opgenomen in het hoofdstuk Klachtrecht 
van de Wet op de jeugdhulpverlening. 
In het bovenstaande is gepleit voor een uniformering van het klacht– 
recht in de kinderbescherming, met als eindplaatje: algemeen geldende 
criteria waaraan alle door de voorzieningen op te stellen klachtregle– 
menten voldoen, en een bijzonder klachtrecht voor jeugdigen in inrich– 
tingen met een (overwegend) besloten of gesloten regiem. 

De algemene klachtenregeling dient te voorzien in een beslissing door 
de leiding van de voorziening, of door een interne commissie zoals 
voorgeschreven in de artikelen 46-52 van de Wet op de jeugdhulpver– 
lening, met de mogelijkheid tegen de beslissingen op de klachten in 
beroep te gaan bij een externe klachtencommissie. 

In de wet dient een «doorzend-bepaling» te worden opgenomen, naar 
analogie van artikel 6.2.8 van het Voorontwerp Algemene wet bestuurs– 
recht118. 

Niet alle werkzaamheden van organisaties voor kinderbescherming 
staan in het teken van de niet-vrijwilligheid. Het is echter van belang het 
gedwongen karakter van meeste kinderbeschermings-activiteiten zowel 
bij de werkzaamheden van de inspectie jeugdhulpverlening als bij de 
regeling en toepassing van het klachtrecht in de jeugdhulpverlening 
steeds voor ogen te houden. 

De kinderbescherming onderscheidt zich van de overige jeugdhulpver– 
lening door de niet-vrijwilligheid die kenmerkend is voor de relatie tussen 
de organisaties voor kinderbescherming en de personen ten opzichte van 
wie zij hun taken uitoefenen. 

14. De Wet op de jeugdhulpverlening, die nu voorziet in drie soorten 
toezicht, wordt zo gewijzigd dat één interdepartementale inspectie 
jeugdhulpverlening ontstaat. 
Zeker op het gebied van de vrijwillige jeugdhulpverlening en de kinder– 
bescherming mag een actief optredende en duidelijk herkenbare 
inspectie niet ontbreken. 

De Wet op de jeugdhulpverlening biedt hiervoor naar de overtuiging 
van de subcommissie Kinderbescherming onvoldoende garanties. 

Nu is de inspectie jeugdhulpverlening onderdeel van het ministerie van 
WVC. De toezichthoudende taken op het gebied van de kinderbe– 
scherming zijn geabsorbeerd in de beleidsvoorbereiding op het ministerie 
van Justitie. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


"9

 In Afdeling 5 Voogdij van rechtsper 
sonen van Titel 15 van Boek 1 van het 
Burgerlijk Wetboek, respectievelijk in het 
Uitvoeringsbesluit ondertoezichtstelling 
Daarbij kan de laatste zin van arlikel 60 lid 4 
van de Wet op de jeugdhulpverlening 
vervallen. 
110 De taken zijn geregeld in de artikelen 38 
en volgende van het Besluit regels inrich– 
tmgen voor justitiële kinderbescherming 

'21 Volgens artikel 1: 328 lid 2 van het 

Burgerlijk Wetboek 
122 Volgens artikel 34 van de Wet op de 
jeugdhulpverlening. 

De reikwijdte van de inspectietaken zijn voortdurend onderwerp van 
discussie, een discussie die een extra dimensie zal krijgen bij realisering 
van de voorgenomen decentralisatie van bevoegdheden naar de 
provincies en de grote steden met ingang van 1992. 

Om hierin verandering te brengen acht de subcommissie Kinderbe– 
scherming wijziging van de Wet op de jeugdhulpverlening noodzakelijk. 
De drie soorten toezichthoudende taken op de kwaliteit dienen in één 
orgaan te worden gebundeld: één interdepartementale inspectie jeugd– 
hulpverlening. 

Het gaat om bundeling van de toezichthoudende taken geregeld in de 
artikelen 54-57, 63 en 67 van de Wet op de jeugdhulpverlening. 

Wat betreft het object van toezicht vermeldt artikel 54 van de Wet op 
de jeugdhulpverlening de kwaliteit van de jeugdhulpverlening. Artikel 67 
(justitie-inrichtingen) verwijst naar regels die met het oog op een goede 
kwaliteit worden gesteld. Artikel 63 (voogdij– en gezinsvoogdij-instel– 
lingen) verwijst naar regels voor de kwaliteit, naar nadere regels omtrent 
de taken, alsmede naar regels voor de subsidieverlening. 

De subcommissie Kinderbescherming merkt in dit verband op, dat de 
betrekking tussen (gezins)voogdij-instellingen en de personen ten 
opzichte van wie zij hun taken uitoefenen, primair een civielrechtelijke 
betrekking is, en niet een administratiefrechtelijke. 

In de administratiefrechtelijke sfeer kunnen kwaliteitsregels voor de 
wijze van taakuitoefening worden gesteld, maar het verdient de voorkeur 
dat de taken van de (gezins)voogdij-instellingen alsnog in het Burgerlijk 
Wetboek119 worden opgenomen. 

Het toezicht op de naleving van de regels voor subsidieverlening 
berust bij het ministerie dat de subsidie verleent. 

Het toezicht op de naleving van de kwaliteitsregels die bij en krachtens 
de Wet op de jeugdhulpverlening zijn gesteld, inclusief het toezicht op 
de wijze van uitoefening van de wettelijke taken door de instellingen en 
inrichtingen voor kinderbescherming voor zover de kwaliteitsregels 
daarop van toepassing zijn, dient te berusten bij de interdepartementale 
inspectie jeugdhulpverlening. 

Een overlap van de werkzaamheden van de inspectie jeugdhulpver– 
lening met de commissies van toezicht bij de rijksinrichtingen120 zal 
geringer zijn naarmate bij de commissies van toezicht de nadruk sterker 
ligt bij de behandeling van klachten. 

Het formeel tot het ministerie van Justitie behoren van de rijksinrich– 
tingen mag geen belemmering zijn voor het toezicht door de inspectie op 
de kwaliteit van de hulpverlening en de taakuitoefening in rijksinrich– 
tingen. 

Bij een overdracht van de taak zorg te dragen voor voorlopig toever– 
trouwde minderjarigen van de raden voor de kinderbescherming naar 
voogdij-instellingen, valt ook die zorg - inclusief het piaatsen van 
minderjarigen in een tehuis of een pleeggezin - onder het bereik van de 
inpectie jeugdhulpverlening. 

Wat betreft het toezicht op de wijze waarop een voogdij-instelling de 
voogdij over een minderjarige uitoefent, zijn als mogelijke reacties op 
een eventueel gebrekkige wijze van uitoefening van dit gezag 
voorhanden: een ontzetting door de rechtbank van de instelling van de 
voogdij over de minderjarige121, de intrekking van de erkenning als plaat– 
sende instantie, tevens voorziening voor pleegzorg122, en sancties in de 
sfeer van de subsidiëring van die instelling. 

Van deze «paardemiddelen» zal als reactie op de wijze van gezagsuit– 
oefening in een individueel geval niet snel gebruik worden gemaakt. Een 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


minderjarige die onder voogdij van een instelling staat, kan niet onder 
toezicht worden gesteld123. 
Eén en ander maakt de taak van de inspectie met betrekking tot 
kwaliteit van de voogdij-uitoefening door instellingen extra belangrijk. 

De inspectie jeugdhulpverlening is geen instantie voor klachtenbehan– 
deling. In verband met de bevoegdheid voorstellen te doen voor de 
verbetering van de kwaliteit van de jeugdhulpverlening in een 
voorziening, dient de inspectie jeugdhulpverlening echter inzage te 
hebben in klachten die zijn ingediend over de kwaliteit van de hulpver– 
lening, de uitoefening van wettelijke taken en het feitelijk optreden van 
beroepsbeoefenaars. 

123 Volgens artikel 1 326 lid 1 van het 
Burgerlijk Wetboek 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 57 


4.3. Lijst van aanbevelingen van de subcommissie Kinderbe– 
scherming, gericht op verbetering van bestuur en verbetering 
van de wetgeving. 
Bestuur 

1. Voor zover het opstellen van de procedures voor klachtenbehan– 
deling aan de instellingen en inrichtingen zelf is overgelaten, worden 
door de ministers van WVC en Justitie landelijk geldende criteria voor de 
klachtenbehandeling ingevoerd. Beroep op een externe klachtencom– 
missie dient mogelijk te zijn. 
2. Voor de totstandkoming, de inhoud en de vormgeving van de 
rapporten van de raden voor de kinderbescherming en de verslagen die 
door de gezinsvoogd aan de rechter worden uitgebracht, dient de 
minister van Justitie richtlijnen op te nemen in het Organisatiebesluit 
raden voor de kinderbescherming en in het Uitvoeringsbesluit ondertoe– 
zichtstelling. 
3. In de wetgeving voor de hulpverlening aan minderjarigen volgend 
na crisisopvang, en voor het niet-strafbaar geheim houden van de 
verblijfplaats van minderjarigen worden extra waarborgen opgenomen 
voor een zorgvuldige hulpverlening, en waarborgen om te voorkomen dat 
de ouders (of de voogd) in onzekerheid verkeren. 
4. In verband met de rechtszekerheid voor ouders en minderjarigen 
beveelt de subcommissie Kinderbescherming de minister van Justitie aan 
nadere criteria in de wet op te nemen. Het gaat om die rechterlijke 
beslissingen waarover de wet nu te vaag is wat betreft de duur en de 
grond. 
5. De mogelijkheden en garanties voor tegenonderzoek en getuigen– 
verhoor op verzoek van degene die tegen een verzoek of vordering 
verweer voert, dienen te worden uitgebreid. 
6. Door een zorgvuldige uitoefening van bevoegdheden kan 
voorkomen worden dat de burger de indruk krijgt dat hij sterk afhankelijk 
is van de wijze van bejegening, dat hij zich nauwelijks kan verweren, en 
dat rechter en de raad voor de kinderbescherming als het ware één blok 
zouden vormen. 
7. De informatieverstrekking aan de burger die met de kinderbe– 
scherming te maken krijgt, schiet tekort. Het is een taak van de minister 
van Justitie om zorg te dragen voor de verspreiding van actuele en 
duidelijke informatie. 
Wetgeving 

8. Er wordt een volledige scheiding aangebracht tussen de recht– 
spraak en de gezinsvoogdij. 
9. In plaats van de ambtshalve door de kinderrechter te nemen 
beslissing tot uithuisplaatsing gedurende een ondertoezichtstelling, 
wordt een afzonderlijke maatregel «ots-plus» ingevoerd: de ondertoe– 
zichtstelling met uithuisplaatsing. 
10. De colleges bij raden voor de kinderbescherming dienen te 
verdwijnen; aan de bureaus voor kinderbescherming worden advies– 
groepen verbonden. 
11. De wijze van taakuitoefening van de bureaus van de raden voor de 
kinderbescherming dient nader bij of krachtens de wet te worden gespe– 
cificeerd. De toezichthoudende taken van de raden ten opzichte van 
andere organisaties voor kinderbescherming dienen te verdwijnen. 
12. De wijze van effectuering van de rechten op omgang, informatie 
of bezoek, van minderjarigen, ouders en andere personen die tot een 
minderjarige staan in een als gezinsleven aan te merken betrekking, dient 
in de wet te worden aangegeven. 
13. Nadat met de door de ministers van WVC en Justitie op te stellen 
landelijke criteria voor de klachtreglementen van voorzieningen voor 
Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2


vrijwillige jeughulpverlening en kinderbescherming enige ervaring is 
opgedaan, dienen zij te worden opgenomen in het hoofdstuk Klachtrecht 
van de Wet op de jeugdhulpverlening. 

14. De Wet op de jeugdhulpverlening, die nu voorziet in drie soorten 
toezicht, wordt zo gewijzigd dat één interdepartementale inspectie 
jeugdhulpverlening ontstaat. 
Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2


Bijlagen Bijlage A. Gespreksverslagen 

A.1. Uitnodigingsbrieven 
A.2. Lijst van deelnemers aan de groepsgesprekken 
A.3. Stenografisch verslag van het ronde tafel gesprek op 17 mei 1990 
A.4. Stenografisch verslag van het ronde tafel gesprek op 23 mei 1990 
A.5. Stenografisch verslag van het gesprek met kinderrechters op 7 juni 
1990 
Bijlage B. Correspondentie met de staatssecretaris van Justitie 

Bijlage C. Enkele begrippen uit de Wet openbaarheid van 
bestuur, de Wet persoonsregistraties en de Wet op de jeugd– 
hulpverlening 

Bijlage D. Evaluatie van de werkwijze van de subcommissie 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2


BIJLAGEN RAPPORT RECHTZETTEN VAN DE SUBCOMMISSIE 

KINDERBESCHERMING 

Bijlage A. Gespreksverslagen 

A.1 UITNODIGINGSBRIEVEN AAN DE BELANGENORGANI– 
SATIES EN AAN DE ORGANISATIES VAN BEROEPSBEOEFE– 
NAARS 
's-Gravenhage, 2 mei 1990 

Naar aanleiding van de klachten over de kinderbescherming die bij 
commissies en leden van de Tweede Kamer zijn binnengekomen, is in 
januari jl. een subcommissie Kinderbescherming samengesteld uit de 
bijzondere Commissie voor het Jeugdwelzijnsbeleid en de vaste 
Commissie voor Justitie. 

De subcommissie wil zich op korte termijn een beeld vormen van de 
aard en de ernst van de klachten over de kinderbescherming als 
indicaties voor wat er in de bejegening en in de structuren dient te veran– 
deren. 

Om zich nader te informeren over de aard en de ernst van de proble– 
matiek die in de ontvangen klachten naar voren is gebracht en over de 
oorzaken en de wenselijke veranderingen, zal de subcommissie Kinder– 
bescherming onder meer twee ronde-tafelgesprekken voeren. Deze 
gesprekken zullen een besloten karakter hebben. 

De subcommissie nodigt voor het eerste gesprek, te houden op 17 mei 
a.s., vertegenwoordigers uit van organisaties die zich ten doel stellen de 
belangen te behartigen van groepen burgers waartoe degenen behoren 
die zich met hun klachten tot de Tweede Kamer hebben gewend. Voor 
het tweede van deze gesprekken, te houden op 23 mei a.s., worden 
vertegenwoordigers uitgenodigd van organisaties van beroepsbeoefe– 
naars die in de kinderbescherming werkzaam zijn. Van iedere organisatie 
zullen ten hoogste twee personen aan het gesprek kunnen deelnemen. 

Hierbij nodigt de subcommissie Kinderbescherming twee personen uit 
om namens Uw organisatie deel te nemen aan het ronde-tafelgesprek op 

donderdag 17 mei van 10.00tot 16.00 uur 

(respectievelijk 

donderdag 23 mei van 10.00 tot 16.00 uur) 

in de Bovenzaal van het gebouw Hotel, adres: Lange Poten 10, 
's-Gravenhage. Voor een lunch wordt gezorgd. Desgewenst worden 
reiskosten vergoed overeenkomstig het tarief van een treinbiljet 1e klas. 

De subcommissie Kinderbescherming stelt het op prijs dat de 
deelnemers aan het gesprek hun mening naar voren brengen over de 
volgende uit de binnengekomen klachten afgeleide thema's (zie bijlage 
1Aof 1B): 

- de rechtspositie van degene die in een juridische procedure tegen– 
spraak wil voeren; 
- de toepassing van maatregelen van kinderbescherming, ook van 
uithuisplaatsing; 
- de doorwerking van het recht op eerbiediging van gezinsleven; 
- de externe controle op het functioneren van de organisaties voor de 
Kinderbescherming; 
- de ministeriële aanwijzingen aan de organisaties voor de kinderbe– 
scherming. 
Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2


Per thema wordt aan één of twee organisaties gevraagd om als 
eerste(n) in 5 a 10 minuten hun visie over dat thema als bron van 
klachten kenbaar te maken (zie bijlage 1A of 1B). Om de genodigden en 
de leden van de subcommissie, in de gelegenheid te stellen hierop te 
reageren zal spreektijdbeperking noodzakelijk zijn. De subcommissie 
verzoekt U dringend zich hieraan te houden. 

Van de twee ronde-tafelgesprekken zullen stenografische verslagen 
worden gemaakt die, na accordering door de sprekers van hetgeen door 
hen is gezegd, zullen worden opgenomen als bijlagen bij het verslag, dat 
de subcommissie na afsluiting van haar werkzaamheden zal uitbrengen. 
Het verslag zal worden uitgebracht aan de bijzondere Commissie voor 
jeugdwelzijnsbeleid en de vaste Commissie voor Justitie en zal openbaar 
zijn. 

Hoogachtend, 

A.M. Vliegenthart, 
voorzitter subcommissie Kinderbescherming 
Postbus 20018, 2500 EA 's-Gravenhage, tel.: 070-3182211 
Bijlage bij de uitnodiging 

Structurering 

Het gesprek op 17 mei zal door de voorzitter van de subcommissie 
Kinderbescherming worden geleid aan de hand van onderstaande 
thema's. 

In de ochtend: 

1. in te leiden door de SOR: 
de rechtspositie van degene die in een juridische procedure tegen– 
spraak wil voeren (waaronder: de mogelijkheid van contra-expertise, en 
de relatie burger-raad voor de kinderbescherming-rechter in eerste 
aanleg en in hoger beroep); 

2. in te leiden door het AKK: 
de toepassing van gezagsmaatregelen en van uithuisplaatsing 
(waaronder: de wettelijke gronden voor maatregelen, de duur van 
voorlopige toevertrouwingen en voorlopige ondertoezichtstellingen); 

3. in te leiden door de VOK en de NVP: 
de doorwerking van het recht op eerbiediging van gezinsleven 
(waaronder: de positie van de ouders, van de ouder-toeziende voogd, 
van pleegouders). 

Lunch 

In de middag: 

4. in te leiden door de BM en de SBO: 
de externe controle op het functioneren van de organisaties voor 
kinderbescherming (waaronder: de behandeling van klachten over instel– 
lingen van gezinsvoogdij en voogdij en de raden voor de kinderbe– 
scherming, de vertaling van klachten in eventuele beleidswijzigingen, de 
taken van het ministeriële toezicht op de kinderbescherming); 

5. in te leiden door de SBK: 
de ministeriële aanwijzingen aan de organisaties voor kinderbe– 
scherming (waaronder: landelijke uniformering van de werkwijze van de 
raden voor de kinderbescherming, landelijke richtlijnen voor de inrichting 
van rapporten, richtlijnen wat betreft de openbaarheid van bestuur en de 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2


bescherming van persoonsgegevens, deskundigheidseisen voor 

medewerkers van de raden voor de kinderbescherming en van de instel– 
lingen voor voogdij en gezinsvoogdij, de informatievoorziening aan de 
burger); 

6. gelegenheid tot het maken van opmerkingen over aangelegenheden 
die nog niet aan de orde zijn geweest. 
Bijlage bij de uitnodiging 

Structurering 

Het gesprek op 23 mei zal door de voorzitter van de subcommissie 
Kinderbescherming worden geleid aan de hand van onderstaande 
thema's. 

In de ochtend: 

1. in te leiden door de Vereniging voor Familie– en Jeugdrecht: 
de externe controle op het functioneren van de organisaties voor 
kinderbescherming (waaronder: de behandeling van klachten, de 
vertaling van klachten in eventuele beleidswijzigingen, de taken van het 
ministeriële toezicht op de kinderbescherming); 

2. in te leiden door de Vereniging van Secretarissen van de Raden 
voor de Kinderbescherming en de Vereniging van directeuren van 
voogdij– en gezinsvoogdij-instellingen en aangekoppelde adviesbureaus; 
de ministeriële aanwijzingen aan de organisaties voor kinderbe– 
scherming (waaronder: landelijke uniformering van de werkwijze van de 
raden voor de kinderbescherming, landelijke richtlijnen voor de inrichting 
van rapporten, richtlijnen wat betreft de openbaarheid van bestuur en de 
bescherming van persoonsgegevens, deskundigheidseisen voor 
medewerkers van de raden voor de kinderbescherming en van de instel– 
lingen voor voogdij en gezinsvoogdij, de informatievoorziening aan de 
burger). 

Lunch 

In de middag: 

3. in te leiden door de advocaten mr. A.P. Visser ('s-Gravenhage) en 
mr. A.W.M. Willems (Amsterdam): 
de rechtspositie van degene die in een juridische procedure tegen– 
spraak wil voeren (waaronder: de mogelijkheid van contra-expertise, en 
de relatie burger-raad voor de kinderbescherming-rechter in eerste 
aanleg en in hoger beroep); 

4. in te leiden door de Inspraak Structuur Raden maatschappelijk 
werkers: 
de toepassing van gezagsmaatregelen en van uithuisplaatsing 
(waaronder: de wettelijke gronden voor maatregelen, de duur van 
voorlopige toevertrouwingen en voorlopige ondertoezichtstellingen); 

5. in te leiden door de afdeling Familie– en Jeugdrecht van de Neder– 
landse Vereniging voor Rechtspraak: 
de doorwerking van het recht op eerbiediging van gezinsleven 
(waaronder: de positie van ouders, van de ouder-toeziende voogd, van 
pleegouders); 

6. gelegenheid tot het maken van opmerkingen over aangelegenheden 
die nog niet aan de orde zijn geweest. 
Bijlage bij de uitnodiging 

Lijst van uitgenodigde organisaties voor de bijeenkomst op 17 mei 
1990. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2


Stichting onderzoek naar de nederlandse rechtspleging in familiezaken 
(SOR) 
Stichting adviesbureau kinderbeschermingsconflikten (AKK) 
Landelijk secretariaat belangenverenigingen minderjarigen (BM) 
Stichting scheiden en blijvend ouderschap (SBO) 
Nederlandse verenigmg voor pleeggezinnen (NVP) 
Stichting bescherming kinderen (SBK) 
Vereniging ouders voor kinderen (VOK) 

Bijlage bij de uitnodiging 

Lijst van uitgenodigde organisaties voor de bijeenkomst op 23 mei 
1990. 
Afdeling familie– en jeugdrechtspraak van de Nederlandse vereniging 
voor rechtspraak (NVR) 
Vereniging van secretarissen van de raden voor de kinderbescherming 
Nederland (VSR) 
Vereniging van directeuren van voogdij– en gezinsvoogdij-instellingen 
en aangekoppelde adviesbureaus (Vedivo) 
Vanuit de Orde van advocaten: twee advocaten gespecialiseerd in 
familie– en jeugdrecht 
Vereniging voor familie– en jeugdrecht (FJR) 
Inspraak Structuur Raden (ISR), maatschappelijk werkers 

Uitnodigingsbrief aan enkele kinderrechters 

's-Gravenhage, 22 mei 1990 

Aan geadresseerden 

Zoals U wellicht bekend is, is naar aanleiding van de klachten over de 
kinderbescherming die bij commissies en leden van de Tweede Kamer 
zijn binnengekomen, in januari II. een subcommissie Kinderbescherming 
samengesteld uit de bijzondere Commissie voor het jeugdwelzijnsbeleid 
en de vaste Commissie voor justitie. 

De subcommissie wil zich op korte termijn een beeld vormen van de 
aard en de ernst van de klachten over de kinderbescherming als 
indicaties voor wat er in de bejegening en in de structuren dient te veran– 
deren. 

Om zich een beeld te vormen van de aard en ernst van de proble– 
matiek die in de ontvangen klachten naar voren is gekomen en over de 
oorzaken en wenselijke veranderingen stelt de subcommissie zich voor U 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2


in een besloten vergadering voor een informatief gesprek uit te nodigen 

op donderdag 7 juni a.s. van 19.00 uur tot 21.00 uur 

in de Bovenzaal van het gebouw Hotel, adres Lange Poten 10 
's-Gravenhage. Desgewenst worden reiskosten vergoed overeenkomstig 
het tarief van een treinbiljet eerste klas. 

Te Uwer informatie diene dat tevens drie van uw collega-kinder– 
rechters zijn uitgenodigd. 

Van het gesprek zal een stenografisch verslag worden gemaakt dat, na 
accordering door de sprekers van hetgeen door hen is gezegd, zal 
worden opgenomen als bijlage bij het verslag, dat de subcommissie na 
afsluiting van haar werkzaamheden zal uitbrengen. Het verslag zal 
worden uitgebracht aan de bijzondere Commissie voor het jeugdwelzijns– 
beleid en de vaste Commissie voor justitie en zal openbaar zijn. 

Hoogachtend, 

A.M. Vliegenthart 
voorzitter subcommissie Kinderbescherming 
Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2


A.2 LIJST DEELNEMERS RONDE-TAFELGESPREKKEN SUBCOM– 
MISSIE KINDERBESCHERMING 

17 mei 1990 

Stichting adviesbureau kinderbeschermingsconflicten (AKK), 
Amsterdam: mevrouw drs M. Ammerlaan, mevrouw drs I. Meijerink. 
Stichting scheiden en blijvend ouderschap (SBO), Nieuwegein: de heer 

R. Bakker, de heer mr E. Rijks. 
Nederlandse vereniging voor pleeggezinnen (NVP), Utrecht: mevrouw 
Ch. Bakker-Rothuizen. 
Vereniging ouders voor kinderen (VOK), Beverwijk: mevrouw M.H. Bijl, 
de heer drs J.M. Bonnet. 
Stichting onderzoek naar de Nederlandse rechtspleging in familiezaken 
(SOR), Lelystad: de heer H.M. Burgman, de heer mr R.H. Dormeier, de 
heer mr W.F. Looman. 

Landelijk secretariaat belangenvereniging minderjarigen (BM), 
Amsterdam: de heer M. Greatti, de heer N. van Megchelen. 
Stichting bescherming kinderen (SBK), Hellevoetsluis: mevrouw J.T. 
Udema. 

23 mei 1990 

Vereniging voor familie– en jeugdrecht (FJR), Amsterdam: de heer prof 
mr J.E. Doek, de heer mr P. Vlaardingerbroek. 

Vereniging van secretarissen van de raden voor de kinderbescherming, 
Amsterdam: de heer mr J.B.E.M. van Gent (Breda), de heer mr T. 
Oosting (Utrecht). 

Inspraak structuur raden (ISR), maatschappelijk werkers, Dordrecht: de 
heer J. van der Heijden (Breda), de heer P. Jansen (Roermond). 

Vereniging van directeuren van voogdij– en gezinsvoogdij-instellingen 
en aangekoppelde adviesbureaus (Vedivo), Amsterdam: de heer P. 
Jeurgens (Roermond), de heer L.A. van Tol ('s-Hertogenbosch). 

De heer mr A.P. Visser, advocaat te 's-Gravenhage. 
De heer mr A.W.M. Willems, advocaat te Amsterdam. 


7 juni 1990 

De heer jhr mr O.W.E. Berg, kinderrechter Assen. 
De heer mr K.R. van der Graaf, kinderrechter 's-Gravenhage. 
De heer mr B.A. Meulenbroek, kinderrechter Middelburg. 
De heer mr J.P.F. Rijken, kinderrechter 's-Hertogenbosch. 


Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2


A.3 Stenograf isch verslag van het Donderdag17meM990 
rondetafelgesprek van de 
subcommissie Kinderbe– 
scherming met vertegenwoor– 
digers van belangenorganisaties 
betrokken bij de kinderbe– 
scherming 
Voorzitter: Vliegenthart 

Aanwezig zijn 5 leden der Kamer, te 
weten: 

Vliegenthart, Leerling, Dijkstal, 
Doelman-Pel en Lankhorst. 

Verder nemen deel aan het gesprek: 

mevrouw M. Ammerlaan en mevrouw 

I. Meijerink, Stichting adviesburo 
kinderbeschermingskonflikten 
(AKK); 
de heren R. Bakker en E. Rijks, 
Stichting scheiden en blijvend 
ouderschap (SBO); 
mevrouw Ch. Bakker-Rothuizen, 
Nederlandse vereniging voor 
pleeggezinnen (NVP); 
de heer J.M. Bonnet en mevrouw 
M.H. Bijl, Vereniging ouders voor 
kinderen (VOK); 
de heren H.M. Burgman, R.H. 
Dormeier en W.F. Looman, Stichting 
onderzoek naar de Nederlandse 
rechtspleging in familiezaken (SOR); 
de heer M. Greatti en H. van 
Megchelen, Belangenvereniging 
minderjarigen (BM); 
mevrouw J.T. Udema, Stichting 
bescherming kinderen (SBK). 
De voorzitter: Ik heet u allen 
hartelijk welkom. 

Voordat ik inga op de bedoeling 
van deze bijeenkomst en de verga– 
derorde, moet ik eerst een paar 
huishoudelijke mededelingen kwijt. 
Dit gesprek is gepland tot 16.00 uur. 
Tussen 13.00 uur en 14.00 uur is er 
gelegenheid de lunch te gebruiken. 

Van deze besloten bijeenkomst 
wordt een stenografisch verslag 
gemaakt. Het zal als bijlage worden 
toegevoegd aan ons onderzoeksrap– 
port. Over enige tijd krijgt u het 
concept thuisgestuurd. U heeft het 
recht kleine correcties aan te 

brengen. De Stenografische dienst 
zal deze correcties beoordelen. 
Meestal hoeft er erg weinig veran– 
derd te worden; onze ervaringen met 
de Stenografische dienst zijn zeer 
goed. Wij denken vaak: wat hebben 
wij dat toch goed gezegd! 

Mevrouw Versnel kan vandaag tot 
haar spijt niet aanwezig zijn. Haar 
fractie vond het gewenst dat zij 
deelneemt aan het debat over de 
Vierde nota over de ruimtelijke 
ordening. Kleine fracties hebben vaak 
weinig keuze. De heren Leerling en 
Lankhorst zullen tussendoor dit 
gesprek ook even verlaten om een 
bijdrage te leveren aan het kamerde– 
bat. 

De bijzondere Commissie voor het 
jeugdwelzijn en de Commissie voor 
justitie hebben naar aanleiding van 
de klachten over de kinderbescher– 
ming de Subcommissie kinderbe– 
scherming ingesteld. De doelstelling 
van ons onderzoek is om op basis 
van datgene wat bij ons is binnenge– 
komen en informatie uit een tweetal 
rondetafelgesprekken ons een beeld 
te vormen van de aard en de ernst 
van de klachten, als indicatie voor 
wat er moet veranderen in de 
structuur van en de bejegening in de 
kinderbescherming. Wij kijken niet 
alleen naar de Raden voor de kinder– 
bescherming. Wij bezien zowel de 
overheidstaak als de rechtspleging. 
De commissie heeft een inventari– 
satie gemaakt van de klachten die bij 
ons en bij de Nationale ombudsman 
zijn binnengekomen. Vervolgens 
heeft zij bekeken op welke 
elementen die klachten betrekking 
hebben. Op basis daarvan hebben 
wij de thema's vastgesteld. Voor alle 
duidelijkheid zeg ik dat de commissie 
nog geen conclusies heeft 
getrokken, ook geen voorlopige 
conclusies. Misschien klinkt in onze 
vraagstelling vandaag af en toe een 

mening door. Dat zijn echter geen 

meningen van de commissie als 
geheel. 

De functie van dit gesprek is om, 
los van de casuïstiek die in de vele 
brieven naar voren is gekomen, door 
u geïnformeerd te worden over wat u 
als de kern van de problematiek 
beschouwt. Het gaat dus over de 
oorzaak en de mogelijke oplossingen. 
Wij hebben gekozen voor de vorm 
van een gesprek en niet voor een 
hoorzitting om het mogelijk te maken 
dat er niet alleen een vraag-en-ant– 
woordspel plaatsvindt, maar dat ook 
discussie en uitwisseling van 
argumenten kunnen plaatsvinden, 
niet alleen tussen u en de leden van 
de commissie, maar ook tussen de 
organisaties onderling. De kwaliteit 
van onze meningsvorming kan 
hierdoor bevorderd worden. 

Bij de verwerking van de informatie 
uit dit gesprek gaan wij ervan uit dat 
een ieder alleen namens zichzelf c.q. 
namens zijn of haar organisatie 
spreekt, tenzij expliciet blijkt dat 
anderen het daarmee eens zijn. Om 
veel herhalingen te voorkomen, zal ik 
regelmatig vragen of anderen ook die 
mening zijn toegedaan, of men 
aanvullingen heeft dan wel afwijken– 
de opvattingen. 

De thema's van vandaag hebben 
wij u toegestuurd. lederthema wordt 
kort door een van u ingeleid, waarna 
de discussie kan plaatsvinden. Ik 
verzoek u om die inleidingen kort te 
houden, want wij hebben maar 
beperkt de tijd. Het zou zonde zijn als 
wij niet alle onderdelen aan de orde 
kunnen laten komen. Na die inleidin– 
gen zal ik vragen of iemand aanvul– 
lingen dan wel afwijkende opvattin– 
gen heeft. Vervolgens is het aan de 
leden van de commissie om vragen 
te stellen. 

Als laatste agendapunt van deze 
bijeenkomst hebben wij de rondvraag 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


toegevoegd. Het kan zijn dat in de 
loop van de discussie zaken worden 
vergeten of onvoldoende aan bod 
komen. Als u bij afsluiting van een 
thema het gevoel heeft dat u nog een 
aantal zaken had willen opmerken, 
dan is de rondvraag daarvoor 
geschikt. Als men dus nog iets kwijt 
wil, dan kan dat op dat moment. 

Voor het eerste en het derde 
thema hebben wij ongeveer een uur 
uitgetrokken. Voor de overige 
thema's is drie kwartier beschikbaar. 
Wij moeten dus efficiënt met onze 
tijd omgaan, anders komen wij er niet 
doorheen. 

Afgelopen maandag is het rapport 
van de commissie-Gijsbers gepresen– 
teerd. Het is heel verleidelijk om 
vandaag een discussie te voeren over 
hetgeen in dat rapport staat, maar 
dat is uitdrukkelijk niet onze bedoe– 
ling. Nadat het regeringsstandpunt 
over dat rapport is uitgebracht, komt 
er nog een hele procedure in de 
Kamer. Dan heeft u alle gelegenheid 
om expliciet op dat rapport te 
reageren. In het najaar zal waar– 
schijnlijk een gezamenlijke behande– 
ling van het onderzoek van de 
subcommissie en van dat regerings– 
standpunt plaatsvinden. In de 
tussenliggende periode is er dus nog 
tijd genoeg voor reacties op dat 
rapport-Gijsbers. 

Thema 1: De rechtspositie van 
degene die in een juridische 
procedure tegenspraak wil 
voeren (waaronder: de moge– 
lijkheid van contra-expertise en 
de relatie burger-raad voor de 
kinderbescherming-rechter in 
eerste aanleg en in hoger 
beroep). 

De voorzitter Ik geef het woord aan 
de heer Burgman van de Stichting 
onderzoek naar de Nederlandse 
rechtspleging in familiezaken (SOR). 

De heer Burgman: Mevrouw de 
voorzitter! Voordat de heer Looman 
op het eerste thema ingaat, heb ik 
drie korte mededelingen. 

In de eerste plaats dank ik als 
voorzitter van de SOR de commissie 
namens het voltallige bestuur voor 
de uitnodiging. In de tweede plaats 
hebben wij kennis genomen van het 
rapport-Gijsbers, ten behoeve 
waarvan wij veel informatie hebben 
verstrekt. Wij hebben met grote 
instemming kennis genomen van dit 

rapport en wij hopen dat dit handvat– 
ten biedt, ook voor deze commissie. 

In de derde plaats merk ik op, dat het 
voor de SOR niet gebruikelijk is met 
spandoeken te komen en daarom 
heb ik er maar een foto van meege– 

bracht. Ik zal de commissie deze foto 
overhandigen. 

De heer Looman: Mevrouw de 
voorzitter! Het eerste thema van 
vanmorgen dat ter inleiding aan de 
SOR is opgegeven, luidt: de rechts– 
positie van degene die in een 
juridische procedure tegenspraak wil 
voeren (waaronder de mogelijkheid 
van contra-expertise) en de relatie 
burger-raad voor de kinderbescher– 
ming-rechter in eerste aanleg en in 
hoger beroep. 

Concreet valt hierbij te denken aan 
een gerechtelijke procedure, in 
eerste aanleg voor de rechtbank en 
in hoger beroep voor het gerechts– 
hof, waarbij door de rechter een 
familierechtelijke beslissing wordt 
genomen, die voor het gezinsleven 
("family life", in de zin van het 
Europees verdrag voor de rechten 
van de mens) van het kind en zijn 
naaste relaties (ouders, verzorgers/ 
opvoeders) van ingrijpende betekenis 
kan zijn. Dit doet zich onder andere 
voor bij de gezagsvoorziening na 
scheiding of bij uithuisplaatsing in 
het kader van een ondertoezichtstel– 
ling, met name wanneer geen 
omgangsregeling wordt getroffen. 
Degene die in zo'n geval de band 
met het kind dreigt te verliezen, zal 
zich daarom tegen die inbreuk op zijn 
gezinsleven willen verzetten door 
tegenspraak te voeren. 

Het verzet richt zich ook tegen de 
Raad voor de kinderbescherming, die 
tot taak heeft de rechter omtrent de 
feiten te informeren en te adviseren 
welke beslissing het meest in het 
belang van het kind is, dan wel zelf 
procespartij is, wanneer hij tot het 
nemen van een kindermaatregel 
requestreert. In het laatste geval is het 
verzet speciaal gericht tegen de 
ongevraagde interventie in het 
gezinsleven door de raad als 
overheidsorgaan. Maar het is altijd 
de rechter — en niet de raad - die 
de beslissing neemt. In eerste aanleg 
zijn de beslissingen, althans die ten 
aanzien van kindermaatregelen, 
meestal niet of nauwelijks gemoti– 
veerd. Volstaan wordt met een 
voorgedrukt formulier, waarin wordt 
verwezen naar de inhoud van het 
dossier en de toepasselijke wetsbe– 
paling. De betrokken ouder vindt in 

de beschikking niets terug van zijn 
bezwaren en heeft het gevoel niet te 
zijn gehoord. Dit geeft aanleiding tot 
emotionele klachten elders dan daar 
waar ze thuishoren: bij het gerechts– 
hof. Anders dan in het administratie– 
ve recht wordt de ouder echter in de 
beschikking niet gewezen op het 
rechtsmiddel van hoger beroep, de 
termijn waarbinnen dit beroep moet 
worden ingesteld en bij welke 
instantie, en dat dit moet gebeuren 
via een procureur. Een beschikking 
zonder een dergelijke vermelding zou 
wegens vormfouten nietig moeten 
zijn. Een bijsluiter kan al veel helpen. 

Het optreden van de Raad voor de 
kinderbescherming is onderhevig aan 
kritiek en heeft in een aantal gevallen 
aanleiding gegeven tot concrete 
klachten bij een bevoegde klachten– 
instantie. Weliswaar gaat het hier 
om een relatief gering aantal 
geregistreerde klachten, maar tot 
voor kort kon slechts worden 
geklaagd over de bejegening door 
raadsmedewerkers en niet over de 
werkwijze van de raad, dus ook niet 
over de wijze van de totstandkoming 
van de raadsrapporten. Bovendien 
werd dikwijls van het indienen van 
een klacht tijdens het onderzoek van 
de raad afgezien uit angst voor 
negatieve gevolgen voor de zaak, in 
de procedure dus. Na afloop daarvan 
was echter meestal de termijn voor 
indiening van een klacht reeds 
verstreken en was de klacht dus niet 
ontvankelijk. Dit verklaart waarom 
veel meer klachten alsnog hun weg 
hebben gevonden naar belangenor– 
ganisaties en naar de media. 

De rechtspositie van degene die in 
de juridische procedure, als hierbo– 
ven bedoeld, tegenspraak wil voeren, 
wordt, waar het gaat om de vaststel– 
ling van burgerlijke rechten en 
verplichtingen, gewaarborgd door 
het Europees verdrag voor de 
rechten van de mens. Artikel 6 lid 1 
van het EVRM garandeert een ieder 
het recht op een eerlijk proces 
binnen een redelijke termijn ten 
overstaan van een onafhankelijke en 
onpartijdige rechterlijke instantie. 
Deze verdragsbepaling verleent ook 
een recht op een rechterlijke 
procedure voor de vaststelling van 
burgerlijke rechten en verplichtingen 
daar waar de Nederlandse wet zwijgt. 
Zo zal een stiefvader of een grootou– 
der in voorkomende gevallen van 
"family life" om de vaststelling van 
een omgangsregeling kunnen 
verzoeken en zal de stiefvader door 
de griffier moeten worden opgeroe– 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


pen om te worden gehoord op een 
verzoek tot ondertoezichtstelling van 
een kind van zijn vrouw dat tot zijn 
gezin behoort. Een concrete uitwer– 
king van het Europees verdrag in de 
Nederlandse wetgeving c.q. een 
systematische toetsing van ons 
familierecht aan dit verdrag wordt 
node gemist. 

De rappportage van de Raad voor 
de kinderbescherming, dan wel — bij 
ondertoezichtstelling - van de 
gezinsvoogd, vormt in de regel de 
feitelijke basis voor een rechterlijke 
beslissing. Er is kritiek dat de 
betrokken maatschappelijk werker 
niet in alle gevallen voldoende 
deskundig is. Bij het uitlokken van 
een kinderbeschermingsmaatregel is 
het raadsrapport per definitie 
partijdig. De mogelijkheid van 
contra-expertise is een essentieel 
onderdeel van een eerlijke en ook als 
eerlijk gevoelde procesgang en kan 
zo bijdragen aan een optimale 
rechterlijke beslissing. Van de 
rechter mag echter op de terreinen 
van pedagogie en orthopedagogie, 
kinderpsychologie en –psychiatrie en 
maatschappelijk werk geen super– 
deskundigheid worden verwacht. De 
vraag rijst dan hoe hij de merites van 
expertise en contra-expertise zal 
kunnen beoordelen. Het verdient 
overweging dat de rechter in zulke 
gevallen wordt bijgestaan door één 
of meer vaste deskundigen op 
overeenkomstige wijze als thans 
reeds geschiedt bij de raden van 
beroep. Ten behoeve van degenen 
die niet in staat zijn de kosten van 
een contra-expertise zelf te dragen 
dient een voorziening te worden 
getroffen. 

De voorzitter: Heeft één van de 
aanwezigen behoefte naar aanleiding 
hiervan aanvullende opmerkingen te 
maken? 

Mevrouw Udema: Voorzitter! Ik wil 
graag reageren. Ik kan volledig 
instemmen met het betoog van de 
heer Looman, maar op het punt van 
de concrete klachten bij de bevoegde 
klachtencommissies maak ik nog wat 
aanvullende opmerkingen. 

De voorzitter: Ik wijs u erop, dat het 
onderdeel klachten straks nog apart 
aan de orde komt. 

Mevrouw Udema: Uitstekend, dan 
wacht ik daarop. Maar het lijkt mij 
wel van belang om van tevoren mee 
te delen dat ouders niet durven te 
klagen uit angst voor sancties als het 

gaat om het omgangsrecht. Op dlt 

moment kunnen rapporteurs van de 

raden en van voogdij-instellingen 
tegen de ouders zeggen: als jullie 
durven te klagen, zijn jullie het niet 
eens met onze beslissing; dat houdt 

in dat de beslissing die wij hebben 
genomen niet in het belang van het 
kind is; derhalve staken wij nu de 

procedure en u krijgt uw kind 
gewoon niet te zien. 

De heer Looman: Voorzitter! Ik wil 
hier graag even op inhaken. In de 
tekst die ik heb voorgelezen, staan 
nog een aantal noten. Naar aanlei– 
ding van wat zojuist door mevrouw 
Udema is gezegd, merk ik op dat ik 
in een van die noten heb gewezen op 
de wijziging van het Organisatiebe– 
sluit Raden voor de kinderbescher– 
ming. Dat was in november vorig 
jaar. Als je de nota van toelichting 
hierbij leest, dan wordt daarin juist 
het punt dat mevrouw Udema 
aanstipt, met zoveel woorden 
genoemd. De mensen hebben angst 
om te klagen, omdat zij bang zijn 
voor repercussies in de eigen zaak. 

De heer Dijkstal (VVD): Voorzitter! 
In de eerste plaats wil ik de heer 
Looman en in hem de SOR prijzen 
voor deze zeer korte en bondige 
inleiding, een excerpt van de vele 
stapels papier die wij altijd van de 
SOR krijgen. 

De heer Looman: U niet alleen. 

De heer Dijkstal (VVD): U heeft drie 
punten aan de orde gesteld: de 
procespartijen, de klachten en de 
contra-expertise. II wil voorstellen 
om de klachten vanmiddag aan de 
orde te stellen bij de bespreking van 
dit thema. 

Naar aanleiding van wat u heeft 
gezegd, heb ik een paar vragen. Ik zal 
deze kort aanstippen. Maar ik wil 
daarna graag met een algemenere 
vraag beginnen en dan als het ware 
van een breed terrein trachten toe te 
werken naar een wat smaller terrein. 
De specifieke punten waarover ik 
vragen wil stellen, zijn de volgende: 
de motivatie van de beslissing in 
eerste aanleg, het wijzen op de 
rechtsmiddelen die men heeft om in 
hoger beroep te gaan en de wijze 
waarop dit moet gebeuren, de 
toelating van mogelijke anderen tot 
het proces — bijvoorbeeld een 
stiefvader of andere betrokkenen — 
en de relatie tussen de Nederlandse 
wetgeving en het Europees Verdrag. 

Bij het onderwerp van de contra-ex– 

pertise zou ik iets willen vragen over 

de externe deskundigen die de 

kinderrechter zou moeten hebben. 

Maar voordat ik op deze zaken 
inga, wil ik u in algemene zin de 
volgende vraag stellen. U heeft er 
terecht over gesproken dat wij in ons 
rechtstelsel, terugvallend op de trias 
politica, een onafhankelijke recht– 
spraak kennen met daarom de fictie 
van een neutrale, objectieve rechter, 
die tussen partijen een oordeel moet 
vellen over wat voorligt. Dit roept de 
vraag op of de partijen die voor de 
rechter — in dit geval de kinderrech– 
ter - verschijnen, daar in een 
gelijkwaardige positie staan. Wij 
hebben uit al het materiaal dat ons 
aangeleverd is en ook op grond van 
onze eigen bevindingen wel eens het 
idee dat deze gelijkwaardigheid er 
niet helemaal is. Vindt u de positie 
gelijkwaardig? Als u vindt van niet, 
kunt u dan aanduiden waar de 
ongelijkwaardigheid in gelegen is? 
Wellicht heeft u suggesties hoe die 
ongelijkwaardigheid dan is op te 
heffen. Ik realiseer mij dat ik u een 
zeer open vraag stel, maar het is 
misschien nuttig om de discussie 
langs die lijn te voeren. 

De heer Looman: Ik wil er graag op 
ingaan. Om meteen maar met de 
deur in huis te vallen: ik acht partijen 
niet gelijkwaardig. Het is heel 
eenvoudig. Wanneer de Raad voor 
de kinderbescherming de andere 
partij is — daar ga ik even van uit — 
beschikt die over een apparaat, 
ervaring, know how, geld, tijd, 
kortom, alles wat nodig is om in 
beginsel tot een goed onderzoek en 
een goede beslissing te komen. 

Daartegenover staat de justitiabele 
in kwestie. Deze is niet genoodzaakt 
om een deskundige, bijvoorbeeld een 
advocaat, in de arm te nemen. Hij of 
zij wordt ook niet altijd op deze 
mogelijkheid gewezen en eigenlijk — 
ik kom nu bij de methodiek — een 
beetje "gefopt". Ik denk aan een 
situatie van ondertoezichtstelling. Je 
krijgt een briefje thuis van de griffier, 
waarin je wordt uitgenodigd voor een 
gesprek over "problemen bij de 
opvoeding". Het blijkt dan te gaan 
over een verzoek van de raad tot 
ondertoezichtstelling en wellicht 
uithuisplaatsing van een kind. Als een 
ouder vriendelijk wordt uitgenodigd 
door een rechter om een gesprek te 
hebben over opvoedingsproblemen, 
dan denkt hij: die komt mij helpen. 
Nadat de ouder door de kinderrech– 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


ter op een informele wijze is ontvan– 
gen, draait het erop uit, dat het kind 
wordt afgenomen. 

Wat kan hiertegen worden 
gedaan? Ik denk, dat de meeste 
mensen gewoon boos worden of in 
een soort depressieve situatie terecht 
kornen waarin zij helemaal niets meer 
doen. Zij hebben uiteraard niet 
geleerd om in een emotionele 
situatie hun bezwaren concreet te 
formuleren, ook in juridische zin. Zij 
beschikken gewoon niet over een 
equality of arms, die in het strafrecht 
zo vanzelfsprekend wordt gevonden. 

Verder is er de fictie van de 
neutrale rechter. Dit heeft te maken 
met de werkelijke of vermeende 
partijdigheid van de kinderrechter. 
Het feit, dat de kinderrechter in een 
dergelijke situatie de rapporten van 
de raad noodzakelijkerwijs als enige 
feitenbasis aanneemt, geeft de ouder 
het gevoel, dat de kinderrechter a 
priori op de hand is van de tegenpar– 
tij, de Raad voor de kinderbescher– 
ming. Er is iets aan de hand, dat ik 
veel ernstiger vind. In de sfeer van de 
kinderrechter en de Raad voor de 
kinderbescherming — ik spreek nu 
over het civiele vlak; er is een zekere 
parallel in het kinderstrafrecht — 
wordt op een wat soepele manier 
met het recht omgegaan. Het is altijd 
als een visitekaartje van de kinder– 
rechter gepresenteerd, dat hij zo 
flexibel is. In de praktijk overschrijdt 
hij grenzen, die hem door het recht 
worden gesteld. Ik doel met name op 
artikel 24 van de Wet op de rechter– 
lijke organisatie, dat de rechter en 
dus de kinderrechter verbiedt om 
met een der partijen vooraf of 
achteraf contact te hebben over een 
zaak, die hem ter beslissing kan 
worden voorgelegd. Soms is de raad 
adviseur van de kinderrechter, soms 
ook procespartij, die op een wat 
soepele manier contact heeft met de 
kinderrechter. De grenzen vervagen 
daardoor. Ik heb in mijn portefeuille 
beschikkingen van de kinderrechter, 
waarin de kinderrechter in de 
beschikking onomwonden aangeeft, 
dat hij tot iets is gekomen na overleg 
met de Raad voor de kinderbescher– 
ming. De wederpartij — de ouder heeft 
van dat overleg geen weet. 

De heer Rijks: Wat de heer Looman 
heeft gezegd, is volkomen terecht. 
De wijze, waarop de rechter de 
regels toepast, lokt een ongelijke 
machtspositie tussen ouders uit. Die 
machtspositie is in zoverre van 
belang, dat in conflictueuze situaties 

— bijvoorbeeld in de sfeer van het 
omgangsrecht - sprake moet zijn 
van een evenwicht tussen de ouders. 
Als je dat evenwicht aan het begin 
meteen verbreekt en de ene ouder 
alle bevoegdheden en de ouderlijke 
macht geeft en de ander helemaal 
niets, dan betekent dat, dat vanaf het 
begin de ouder die uit het huis 
wegloopt of wegloopt met de 
kinderen respectievelijk verloren of 
gewonnen heeft. Op dat moment is 
de strijd al gestreden. Rechters 
anticiperen daarop. 
Er is een regel, artikel 825, de 
leden a en b, van het Wetboek van 
rechtsvordering, die bepaalt dat de 
rechter een ordemaatregel kan 
nemen als ouders elkaar het huis uit 
meppen en grote ruzie hebben. Hij 
kan dan één van de ouders tijdelijk uit 
de ouderlijke macht schorsen en de 
ander alle gezag geven. Het pro– 
bleem is dan opgelost, want de een 
heeft niets meer te vertellen en de 
ander heeft alles te vertellen. Als de 
ouder die van de ouderïijke macht is 
geschorst lastig wordt, bijvoorbeeld 
aan huis lastig valt, wordt hij door de 
sterke arm, de politie, verwijderd. 
Dan is het probleem opgelost. 

De regel die gegeven is voor 
dergelijke situaties, voor het geval 
het echt oorlog is in de gezinssfeer, 
wordt vanaf 1980 door rechters in 
grote mate toegepast om vanaf het 
begin niet een besluit te hoeven 
nemen, maar een feitelijke situatie te 
creëren waardoor het besluit als het 
ware al genomen is. Dit is een soort 
rechtssociologisch verhaal aan het 
worden. Wat ik zeg kan ik met cijfers 
onderbouwen. 

Sinds het begin van de jaren 
tachtig raakten de mensen door het 
sterk toenemende aantal gevallen 
niet meer gescheiden, doordat er 
steeds conflicten waren over de 
kinderen. Zolang er geen beslissin– 
gen genomen kunnen worden over 
de eisen in de dagvaarding kan er 
niet gescheiden worden. De dossiers 
rezen bij de rechtbanken boven de 
daken uit. De rechter raakte in nood 
en moest iets doen. "Tom Poes 
verzin een list!". Dat gebeurde. Vanaf 
die tijd ziet men dat waar ouders 
maar even problemen over de 
kinderen hebben, ook de gewone 
normale problemen die er bij iedere 
echtscheiding zijn, dus niet zozeer 
dat zij elkaar het huis uit meppen men 
scheidt omdat er problemen zijn 
en niet omdat het zo lekker gaat— 
de rechter in grote mate artikel 825, 
leden a en b, toepast. Dat betekent 

dat de strijd al bij voorbaat gestreden 

is en dat een van de ouders niets 

meer te vertellen heeft. Het eind van 

het liedje is dan ook altijd, dat de 

ouder die in het begin het gezag over 

de kinderen heeft behouden dat 

gezag blijft houden Dat is het 

probleem waarvoor wij staan. 

Dit is een voorbeeld van de 
creatieve toepassing van de regels 
door de rechter, waardoor hij zijn 
eigen problemen oplost. Het is 
overigens ook een probleem van de 
politiek, want de rechterlijke macht is 
zwaar overbelast geweest door een 
tekort aan middelen. Op die manier 
wordt het financiële probleem in 
Nederland vertaald in problemen 
tussen ouders en kinderen, waardoor 
ouders hun kinderen nooit meer zien. 

De voorzitter: U maakt nu in feite al 

een overstap naar de toepassing van 

maatregelen en de gronden daar– 

voor. Ik stel voor dat wij dat onder– 

werp bij het tweede thema behande– 

len en proberen ons te beperken tot 

de rechtspositie. Er zijn natuurlijk 

nauwe relaties. Dat is ook de reden 

waarom wij die twee thema's na 

elkaar behandelen. 

De heer Burgman: Mevrouw de 
voorzitter! In aansluiting op hetgeen 

mr. Looman naar voren heeft 

gebracht wil ik ingaan op de vraag 
van de heer Dijkstal. 

Onlangs, op 8 mei, kregen ouders 
's morgens tussen tien en elf uur per 
expressepost het request toegezonden 
door de Raad voor de kinderbescher– 
ming. Of ze maar even om half een 
bij de kinderrechter wilden komen! 
Met andere woorden, de ouders is 
alleen door de raad ter kennis 
gebracht dat zij voor de kinderrechter 
dienden te verschijnen. Zij zijn niet 
zoals het behoort opgeroepen door 
de griffier. Bij niet verschijnen van de 
ouders zou een beschikking in zo'n 
geval eigenlijk nietig moeten zijn. 
Doordat de volgende dag de subsidie 
van WVC zou worden ingetrokken, 
moest er op de achtste een maatre– 
gel worden getroffen om de financie– 
ring via Justitie zeker te stellen. Dit is 
natuurlijk een pure overrompeling, in 
strijd met de artikelen 6 en 8 EVRM 
en 24 RO, zoals zoëven door mr. 
Looman genoemd. Dit soort praktij– 
ken komt aan de lopende band voor. 
Wij noemen dat financiële OTS-en. 

Mevrouw Udema: Ik ben het totaa! 
eens met wat de heer Looman heeft 
gezegd. Als ouders worden uitgeno– 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


digd om buiten een zitting voor de 
rechter te verschijnen, worden er wel 
eens besluiten genomen, die de 
rechter dan niet op papier behoeft te 
zetten. Zo kan een rechter bijvoor– 
beeld zeggen: mijnheer wanneer u 
verhuist en in uw nieuwe huis een 
mooie kamer gereed maakt, dan 
komt uw dochter weer op bezoek. Op 
dergelijke uitspraken kan een ouder 
zich nooit beroepen. Ook de 
advocaat die het heeft gehoord, mag 
zich daar niet op beroepen. Een 
Haagse advocate heeft een dergelijke 
zaak eens aanhangig gemaakt. Zij 
heeft tegen de rechter gezegd: dit 
kan zo niet meer. Zij verliest nu al 
haar zaken en ouders wachten zich 
om zich bij haar te vervoegen. Als 
een rechter bepaalde zaken niet op 
papier behoeft te zetten, ontneemt 
dit de ouders het recht om waar dan 
ook en op welke wijze dan ook in 
beroep te gaan. Dat gebeurt niet één 
keer, maar heel vaak. Het is bijna 
dagelykse praktijk. 

De heer Lankhorst (Groen Links): Ik 
zie er de nadelen wel van als een 
rechter soepel met het recht kan 
omgaan, maar zouden er soms — en 
misschien zelfs wel vaak — niet ook 
voordelen aan kunnen zitten als een 
rechter wat meer ruimte heeft om er 
invulling aan te geven? Denkt de heer 
Looman dat er in alle situaties meer 
nadelen aan verbonden zijn dan 
voordelen? 

De heer Looman: Ik denk dat wij 
hierbij te maken hebben met de 
verwarring tussen hulp en recht. Op 
zichzelf zou het prima zijn als de 
kinderrechter iemand is die juridische 
kwaliteiten in zich verenigt met die 
van de professionele hulpverlener en 
ook op de hoogte is van alle hulpwe– 
tenschappen en daarmee kan 
opereren in het sociale veld. Ik denk 
echter dat wij in de kinderrechter, 
zoals die in de jaren twintig is 
ontstaan, een soort surrogaat-vader 
of –moeder hebben willen creëren, 
met het daarbij behorende negen– 
tiende-eeuwse aureool van betutte– 
ling, dat weinig ruimte laat voor het 
individu. Dat komt neer op een 
houding van: laat het maar over aan 
vader en moeder, in dit geval de 
rechter. In de maatschappelijke 
emancipatie heeft zich een ontwikke– 
ling voorgedaan waarin de rechten 
van het individu, de burger, meer 
plaats hebben gekregen en in het 
kinderrecht ook meer worden 
opgeëist dan zeventig jaar geleden. 

En het is mijn indruk dat in die 
ontwikkeling de kinderrechter, 
althans de functie van kinderrechter 
en zijn bevoegdheden, niet is 
meegegaan. Wat men op het 
ogenblik wil, is een veel nauwkeuri– 
ger omschrijving van taken en 
bevoegdheden van de kinderrechter, 
een grotere controleerbaarheid en, 
als u het zo noemen wilt, een meer 
democratische inspraak in het 
opvoedingsproces. Dat is iets dat ten 
enenmale ontbreekt. Ik zocht net 
even naar het juiste woord. Ik 
noemde het woord "betutteling", 
maar ik bedoel eigenlijk paternalis– 
me. 

De voorzitter: De heer Dijkstal heeft 
een aantal meer specifieke punten 
genoemd, zoals de motivatie van de 
beslissing, de wijze waarop hoger 
beroep kan worden aangetekend, 
toelating van anderen in het proces, 
de verhouding tussen Nederlandse 
wetgeving en Europese wetgeving en 
de contra-expertise. U zei in uw 
inleiding dat gebruik wordt gemaakt 
van voorgedrukte formulieren. Is dat 
standaard? 

De heer Looman Dat is vaste regel. 

Het zijn door het Rijk voorgedrukte 
formulieren. Als die op zijn, maken ze 
ze zelf. Het zijn heel wonderlijke 
dingen. Het geldt vanaf de oproeping 
voor de behandeling, met de 
aangekruiste hokjes, waarbij toevallig 
door de hulp van de griffier het 
verkeerde kruisje in het verkeerde 
hokje komt te staan, tot en met de 
besiissing. De naam staat er al op. Er 
staat dat gezien de inhoud van het 
dossier en gezien het rapport van de 

Raad voor de kinderbescherming, 
overwegend dat artikel zus en zo van 
toepassing is of dat het kind met 
zedelijke of lichamelijke ondergang 
wordt bedreigd, dat aan de voor– 
waarden, aan de wettelijke vereisten 
is voldaan. Het ligt ongeveer in 
hetzelfde vlak als wat je in proces– 
sen-verbaal van de politie wel vindt, 
dat er niet wordt gezegd dat de 
verdachte door de verbalisant op zijn 
zwijgrecht is gewezen. Er wordt 
gewoon geconstateerd dat aan alle 
wettelijke vereisten is voldaan. Je 
kunt het dus nooit controleren. Ik 
vind dat op zichzelf niet zo erg als 
men er vrede mee heeft. Je moet 
natuurlijk ook een beetje begrip 
hebben voor de administratieve 
verwerking van deze beslissingen. 
Waar zijn wij echter op uit? Wij zijn 
erop uit, het aantal klachten te 

verminderen. Ik denk dat de accepta– 
tie van beslissingen van de kinder– 
rechter zal toenemen, wanneer zij 
zodanig zijn gemotiveerd dat de 
betrokkenen zichzelf daarin kunnen 
terugvinden. 

De voorzitter: Dat betekent in feite 

dat het rapport van de raad fungeert 

als motivatie van de beslissing van 

de kinderrechter? 

De heer Looman Ja, maar er staan 
natuurlijk heel veel dingen in zo'n 
rapport. En je weet dus niet, welke 
dingen de kinderrechter doorslagge– 
vend heeft gevonden, als er bepaaide 
punten in een rapport zijn aange– 
vochten. De ouders krijgen gelegen– 
heid om hun opmerkingen te maken 
op het moment dat het rapport nog 
in het concept-stadium verkeert. Als 
bijvoorbeeld de vader het niet eens is 
met de inhoud van het rapport en hij 
zegt ook nog waarom, staan er dus 
twee standpunten in zo'n rapport, 
namelijk de visie van de raadsmede– 
werker en de visie van de vader. 
Vervolgens kijkt de vader bij de 
besiissmg van de kinderrechter 
ernaar, wat het doorslaggevende 
punt is geweest en of daarbij ook niet 
een beetje rekening is gehouden met 
het standpunt dat de vader heeft 
verwoord. En dat kan hij achteraf niet 
nagaan. Doordat zo categorisch 
wordt verwezen naar de inhoud van 
het dossier of naar het raadsrapport, 
krijgt men het gevoel dat het toch 
niet helpt, of men nu iets komt 
vertellen bij de raad of bij de 
kinderrechter. Men krijgt het gevoel 
dat het van tevoren is bekokstoofd. 
En dat geeft een gevoel van machte– 
loosheid dat mensen drijft tot 
emotionele dingen, die de zaak 
geen goed doen. En daardoor 
werden zij door de raadsmedewer– 
kers niet voor vol aangezien, want 
wat moet je met emotionele mensen? 

Mevrouw Bijl Ik geef de heer 
Looman gelijk. Bij een ouderverhoor 
voor een ondertoezichtstelling of 
voorlopige ondertoezichtstelling is de 
voogdes of voogd al aanwezig. Dit 
geeft er blijk van dat van te voren al 
is vastgesteld dat een ondertoezicht– 
stelling of voorlopige ondertoezicht– 
stelling zal plaatsvinden. Het maakt 
dus niet uit welke argumenten de 
ouders ter tafel brengen: er komt een 
ondertoezichtstelling. Door het 
rapport van de raad staat het al vast 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


en het is al met de voogdij-instelling 
afgesproken. 

Mevrouw Doelman-Pel (CDA): De 
heer Looman zei dat hij begrip heeft 
voor een bepaalde verwerking van 
gegevens, maar hij vindt de motive– 
ring volledig onvoldoende en 
onherkenbaar. Ik begrijp dat hij 
ervoor pleit dat in een formulier 
waarop staat dat een ondertoezicht– 
stelling zal plaatsvinden, ook de 
gronden hiervoor staan. 

De heer Looman Exact. Wij praten 
over een proces, dus iets dat in 
wording is. Hiervan moet ik iets 
kunnen terugvinden in de beschik– 
king, althans in de eerste beschikking 
waarin de ondertoezichtstelling 
wordt uitgesproken. Als er in een 
later stadium een verlenging komt, 
kan de kinderrechter mijns inziens 
volstaan met de motivering dat de 
omstandigheden sedert de vorige 
beschikking niet zijn gewijzigd. Is 
men het hiermee niet eens en meent 
men dat er toch wijzigingen zijn, dan 
dient men dit zelf te bestemder 
plaatse aan te voeren. Elke nieuwe 
beschikking voor hetzelfde kind hoeft 
dus niet uitvoerig gemotiveerd te zijn, 
maar de eerste keer dat in het 
gezinsleven wordt ingegrepen, moet 
het voor de betrokkenen duidelijk zijn 
waarom het gebeurt en dat het 
terecht gebeurt. 

De voorzitter: Ik zie overal instem– 

mend geknik. 

De heer Rijks: In het algemeen kun 
je zeggen dat het besluit voorgekookt 
is en dat het er niet toe doet wat in 
de motivering staat, als er maar wat 
staat. Het gaat toch allemaal door, 
wat de ouders ook zeggen. De 
essentie van het verhaal is dat je een 
rechtspositie hiertegenover moet 
zetten. Het is echter ook van belang 
dat er "iets minder kinderrechter" 
komt. Dat de ouders een rechtsposi– 
tie krijgen en dat duidelijke gronden 
worden aangevoerd, is allemaal 
goed, maar het leidt wel tot meer 
juridisch werk, meer psychologen, 
meer rechters, meer procedures en 
hogere kosten. De hoeveelheid 
procedures neemt toe en dus ook het 
aantal klachten. Als er een agent 
meer op straat wordt gezet, moet hij 
ook zijn werk doen. Dan worden er 
ook tien misdrijven per dag meer 
gesignaleerd en neemt dus de 
criminaliteit toe. Als je de criminali– 
teit wilt laten toenemen, moet je dus 

gewoon meer agenten op straat 
zetten. Zo werkt het hier ook. 

Ik wil niet de mening ondergraven 
dat ouders eeri rechtspositie moeten 
krijgen. In de procedures waarover 
de SOR en mevrouw Bijl het hebben, 
dus ondertoezichtstellingen en 
voogdijzaken, moeten de ouders 
inderdaad een betere rechtspositie 
krijgen. Verder is echter ook "minder 
kinderrechter" mogelijk. Wij houden 
ons onder andere met omgangsrecht 
bezig. Doordat de rechter nu 
absoluut vrij is in zijn handelen, 
gebeuren er allerlei oncontroleerbare 
dingen, zoals de zaak die ik net 
genoemd heb. 

Wanneer ouders die nooit met de 
kinderbescherming te maken hebben 
gehad, willen scheiden, zijn er 
uiteraard probleempjes en de 
kinderen maken die mee. Onze 
stichting vindt het waanzin dat de 
kinderbescherming hiertussen wordt 
geschoven, als de ouders het niet 
eens zijn over de kinderen. De 
kinderbescherming moet dan een 
rapportje schrijven over een zaak die 
in het begin al beklonken is, want de 
eerste klap is een daalder waard. 
Kortom, het rapport van de raad 
dient er alleen maar toe om een zaak 
die eigenlijk al volkomen duidelijk is, 
van een motivering te voorzien. Dat 
is het hele verhaal. Als het gaat om 
het omgangsrecht voor ouders die 
gaan scheiden, die kinderen hebben 
en die nooit met de kinderbescher– 
ming te maken hebben gehad, dan 
moet daar niet de kinderbescherming 
tussengeschoven worden. Daar moet 
zelfs de kinderrechter niet tussenge– 
schoven worden. Dat probleem moet 
op het bordje van de ouders 
gedeponeerd worden. Er moet een 
wettelijke regeling gemaakt worden 
waarin staat, dat er na een scheiding 
een minimumrecht is op omgang van 
twee dagen per veertien dagen of per 
maand, of een weekend in de 
veertien dagen voor de ouder die niet 
met de verzorging van de kinderen is 
belast. Daarmee is het probleem 
opgelost. Dat is een absolute 
minimumregeling. Als ouders meer 
willen, moeten zij dat bespreken en 
als ze minder willen dan is dat niet 
mogelijk. Je maakt het daarmee 
onmogelijk om te procederen over 
kinderen. Dat zou een goede 
oplossing zijn en het betekent grote 
besparingen en ontlasting van de 
rechterlijke macht. Kortom, de 
oplossing van het probleem, want wij 
creëren die problemen namelijk zelf. 

De voorzitter: Uw stelling is helder. 
Wil de heer Dijkstal nog nadere 
informatie naar aanleiding van zijn 
vragen? 

De heer Dijkstal (VVD): Een aantal 
uwer heeft bij de discussie aangege– 
ven in welke situatie het kan 
voorkomen dat de positie ongelijk is. 
Dat is duidelijk. Dat is de reden 
waarom wij over dit onderwerp 
praten. Ik was niet zozeer op zoek 
naar voorbeelden die de ongelijkheid 
bewezen. Wij zoeken naar de 
oplossing daarvan. Ter wille van de 
discussie wil ik hieraan toevoegen — 
ik stel mij dan niet kritisch op 
tegenover de heer Rijks — dat ik met 
opzet niet het begrip ongelijke 
machtspositie heb gebruikt. Ik heb 
gesproken over de gelijkwaardigheid 
in juridische zin. Natuurlijk is er altijd 
materiële ongelijkwaardigheid. In het 
strafrecht staat bijvoorbeeld de 
individu tegenover de overheid; in 
het civielrecht staat de multinationale 
onderneming tegenover de kleine 
leverancier. Daarom zoeken wij in de 
rechtspraak naar de equality of arms 

— de heer Rijks heeft dat terecht 
genoemd — hoe kun je ervoor 
zorgen dat, gegeven de machtsonge– 
lijkheden in de samenleving er voor 
de rechter een gelijkheid ontstaat 
waar ieder zijn recht kan halen. 
Vanuit die achtergrond heb ik nog 
een paar vragen, op zoek naar een 
versterking van de positie van die 
mensen die naar het oordeel van de 
heer Rijks voor de rechter in een 
zwakkere juridische positie staan. 
Welnu, de eerste vraag van mevrouw 
Doelman over de motivatie van de 
beslissing heeft de heer Rijks al 
beantwoord. 
Mijn eerste vraag is aan de heer 
Looman. Vindt u dat er regels 
moeten komen, in welke zin dan ook, 
dat bij elke beslissing, en zeker bij de 
eerste beslissing, het wijzen op het 
middel van hoger beroep en alles wat 
daarmee samenhangt voorgeschre– 
ven dient te zijn, c.q. dat erop gelet 
wordt dat naleving plaatsvindt? 

Mijn tweede vraag betreft de 
eerste inleiding van de heer Looman, 
waarin hij sprak over anderen die 
betrokkene zijn op grond van het 
EVRM maar die als het ware 
materieel of formeel niet toegelaten 
worden tot de procesgang. Mis– 
schien kan hij daarover nog iets 
zeggen. Moeten wij op dat terrein 
verder zoeken naar regelgeving die 
de positie van die mensen daarin 
versterkt? De toetsing van de 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


Nederlandse wet aan de EVRM is een 
algemene zaak. Dat nemen wij in 
onze overwegingen mee. Ik wil 
hierover dan ook geen vraag stellen. 

Mijn volgende vraag aan de heer 
Looman betreft de externe deskundi– 
gen bij de kinderrechter. Je kunt je 
voorstellen dat partijen voor de 
kinderrechter zich versterken met 
deskundigen de raad aan de ene 
kant - die beschikt al over deskundi– 
gen - en de partijen aan de andere 
kant. Het is opvallend dat u ervoor 
pleit, dat die kinderrechter zelf een 
eigen staf heeft. Misschien kunt u 
daarover nog iets zeggen? Welke 
ideeën heeft u om dat te regelen? 
Dat is immers de consequentie van 
die gedachte? Verder heeft u 
gesproken over het rapport van de 
raad dat in de praktijk de enige 
feitenbasis is bij de kinderrechter. 
Kunt u zeggen voor welk ander 
feitenmateriaal u meer toegang zou 
willen geven en hoe dat geregeld zou 
moeten worden? Wat mij betreft 
kunnen deze vragen kort beantwoord 
worden, want de vraagstelling is vrij 
helder. 

Aan de heer Rijks zou Ik willen 
vragen of hij naar aanleiding van 
hetgeen hij over artikel 825 rechts– 
vordering heeft gezegd, aannemende 
dat we het nog wel via het recht 
laten lopen — dat is meer een 
beleidsmatige vraag — meent dat 
een hoger-beroepmogelijkheid 
daartegen een verbetering zou zijn. 
Of heeft hij nog andere juridische 
suggesties? 

Mijn laatste vraag betreft de 
financiële OTS, waarmee wij al heel 
lang geconfronteerd worden. De heer 
Burgman heeft daarover gesproken. 
Ik vraag dit nu specifiek aan de SOR 
maar het betreft ook de anderen. 
Bent u van mening of er in de wetten 
wijzigigen moeten komen om te 
verhinderen dat langs de weg van de 
60-dagen-uitkeringen en de 30-da-
gen-WVC men uiteindelijk uitmondt 
in die financiële OTS? 

De heer Leerling (RPF): De heer 
Looman heeft in zijn inleiding 
gewezen op de mogelijkheid van 
hoger beroep. Hij heeft gezegd dat 
men te laat of niet over de mogelijk– 
heden ervan wordt geïnformeerd. En 
wordt men al geïnformeerd of kent 
men de mogelijkheid, dan nog heeft 
men weinig kans van slagen, gelet op 
de hele gang van zaken bij de 
kinderrechter als zodanig. Mijn vraag 
is nu concreet. zou een contra-exper– 
tise de kans om in hoger beroep iets 

te bereiken vergroten? Of anders 

gezegd: is contra-expertise echt 

nodig om in hoger beroep te kunnen 

gaan? 

De heer Looman: Mevrouw de 
voorzitter! Er is een groot aantal 
vragen op mij afgevuurd. Ik zal 
proberen ze kort te beantwoorden. 
De heer Dijkstal heeft mij gevraagd 
of naar mijn oordeel gewezen moet 
worden op de mogelijkheid van hoger 
beroep. Ik denk dat wij een prachtig 
voorbeeld hebben in het administra– 
tieve recht waar het regel is te wijzen 
op de mogelijkheid van hoger 
beroep. Als in de overheidsbeschik– 
king niet staat: U kunt binnen dertig 
dagen in beroep gaan, hetzij bij de 
Raad van State, hetzij bij de Raad van 
beroep, dan mankeert er iets aan die 
beschikking. Dan moet hij over de 
kop. Het is eigenlijk een heel simpele 
service die de overheid, en daar 
reken ik ook de rechterlijke macht 
toe, aan de justitiabelen, consumen– 
ten van recht, kan verlenen. Het \s 
simpel een kwestie van een extra 
alineaatje in de word processor 
invoeren. 

De heer Dijkstal (VVD): Even bij 

interruptie om het kort te sluiten: U 

pleit voor een vormvoorschrift? 

De heer Looman: Ja. 

De heer Dijkstal (VVD): Accoord, 
dat is duidelijk. 

De heer Looman Ik heb daarstraks 
even gezegd dat een dergelijk 
vormvoorschrift natuurlijk bij de wet 
moet worden geregeld. Anders werkt 
het niet. Wat is er op tegen om tot 
dat moment een "bijsluiter" bij te 
voegen, of iets dergelijks? 

Dan hebt u, mijnheer Dijkstal, 
gesproken over de externe deskundi– 
gen die ik op de een of andere 
manier aan de kinderrechter zou 
willen toevoegen. Al doordenkend op 
onze gedachten van de expertise en 
de contra-expertise kwam in mij op: 
de stituatie die je creëert, is dat, als 
alle plannen doorgaan, de Raad voor 
de kinderbescherming straks een 
deskundige kan meenemen en dat 
ook de cliënt, of liever gezegd de 
justitiabele, vergezeld is van een 
deskundige. De meningen zullen dan 
hopelijk botsen, want anders was die 
contra-expertise niet nodig geweest. 
Wie zal dan het verlossende woord 
spreken? Dat is de kinderrechter, 
terwijl juist de kritiek op de kinder– 

rechter is, dat hij niet op alle vlakken 
even deskundig is en natuurlijk ook 
niet kan zijn. Je kunt niet verwachten 
dat de kinderrechter een super-des– 
kundige is. 

Dus hoe los je dat op? Ik denk dat 
dan aan de familiekamer of aan de 
kinderrechter een deskundige moet 
worden toegevoegd, zoals dat ook 
gebruikelijk is bij de raden van 
beroep. De raden van beroep hebben 
te maken met veel medische zaken, 
maar de leden van de raden hebben 
niet zelf al die medische deskundig– 
heid in huis. 

Ook kan eventueel de familiekamer 
ad hoc worden uitgebreid met een 
niet-jurist, bijvoorbeeld een gedrags– 
deskundige, een psycholoog of een 
andere deskundige. 

De heer Dijkstal (VVD): Kan dit 

ertoe leiden dat er in de staf van het 

bureau van de kinderrechter een 

bepaalde discipline wordt opgeno– 

men? 

De heer Looman: Ja, iemand die op 

afroep beschlkbaar is. 

De heer Dijkstal heeft gesproken 
over een eventuele andere feitenba– 
sis dan het rapport van de raad. Er 
kan een andere feitenbasis zijn. Dan 
moet de ouder in kwestie zich wel 
voorzien van iemand die de feiten 
van hem verneemt, iets uitzoekt, een 
en ander op een rijtje zet, dat 
formuleert enzovoorts. De ouder 
moet dus op zijn minst met een 
pleitnotitie komen: met iets dat zwart 
op wit staat en waar de rechter niet 
omheen kan. Dit betekent dat het 
wenselijk zou zijn, dat iemand die 
met een verzoek van de raad wordt 
geconfronteerd zich bijtijds voorziet 
van rechtsbijstand. Elders heb ik er 
voor gepleit, dat men zich bij 
verplichte rechtsbijstand in recht– 
bank– en hofzaken tot een advocaat 
wendt om toegang tot de rechter te 
krijgen. Dat zou nodig zijn, of men nu 
wiï of niet. 

Ik noem in dit verband de commis– 
sie-Gijsbers. Die commissie wil wel 
bevorderen dat de mensen in een 
eerder stadium erop gewezen 
worden dat zij zich tot een advocaat 
kunnen wenden. Ik krijg echter wel 
de indruk dat men er niet veel voor 
voelt om die verplichte rechtsbijstand 
ook bij kinderzaken in te voeren. Dat 
zou eigenlijk ook in strijd zijn met de 
wat informele wijze waarop men in 
kinderzaken met elkaar wenst te 
communiceren. De schaduwzijde 
hiervan is, dat al te gemakkelijk bij 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


justitiabelen de indruk wordt gewekt, 
dat de betrokkene het wel zonder 
rechtsbijstand afkan. 

In dit verband herinner ik aan de 
geschiedenis van de kantonrechter. 
De wetgever heeft de rechtsbijstand 
bij het komen voor de kantonrechter 
ook niet noodzakelijk geacht. De 
gedachte daarbij was: daar komen 
alleen maar eenvoudige zaakjes aan 
de orde; het betreft daar dingen die 
even soepel, bij de kruidenier op de 
hoek kunnen worden geregeld 
Gaandeweg heeft echter ook de 
kantonrechter moeilijker en ingewik– 
kelder zaken opgedragen gekregen, 
waarbij in feite niemand het zich kan 
veroorloven om het zonder gekwalifi– 
ceerde juridische bijstand te doen. 
Datzelfde verschijnsel doet zich mijns 
inziens nu ook bij de kinderrecht– 
spraak voor. 

De heer Dijkstal heeft nog 
gesproken over financiële aspecten. 
Wat wilde hij in dat verband weten? 

De heer Dijkstal (VVD): Ons 

bereiken daar ook vaak berichten 

over. U hebt ooit eens een lijstje met 

24 punten gemaakt. Daarmee werd 

geschetst wat de praktijk bij een 

crisissituatie is. Drie ministeries zijn 

daarbij betrokken. Vanuit verschillen– 

de bronnen bestaat regelgeving. U 

kent die praktijk beter dan wij. Heeft 

u op dit punt specifieke ideeën? 
Zouden er, bijvoorbeeld in een of 
andere wet, wijzigingen moeten 

komen, om het gesignaleerde 
verschijnsel te vermijden? ledereen 
vindt het namelijk ongewenst, dat dit 

voorkomt. 

De heer Looman Naar mijn mening 
Is het weer een punt van de kinder– 
rechter en niet van allerlei instanties 
die enigszins met deze kwesties te 
maken hebben. Voor ondertoezicht– 
stelling is volgens de wet vereist, dat 
een kind wordt bedreigd met 
"zedelijke en lichamelijk ondergang". 
Whatever that may be. Wat gebeurt 
er nu? Er wordt gesteld, dat die 
omstandigheid zich voordoet, terwijl 
het er in feite alleen om gaat, dat de 
geldkraan is dichtgedraaid. Omdat de 
beschikkingen niet zijn gemotiveerd, 
het hoe en waarom niet is aangege– 
ven en niet duidelijk is hoe de 
kinderrechter tot de conclusie is 
gekomen dat er inderdaad sprake is 
van de bedoelde wettelijke grond, 
kan een vereenzelviging plaatsvinden 
van niet concreet genoemde feiten 
met het begrip "zedelijke en 
lichamelijke ondergang". Deze 

termen worden vaak als ouderwets 
beschouwd en men vindt dat 
daarmee eigenlijk wordt gedoeld op 
het welzijn van het kind. Daarmee 
wordt de aanduiding vager. Hoe 
vager echter de bewoordingen zijn, 
hoe vager de uitleg is en des te 
eerder kun je allerlei verschijnselen 
onder de bedoelde grond gaan 
vatten. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn 
van te weinig zakgeld, niet naar de 
disco mogen enzovoorts. Ik denk dat 
je de oplossing bij de kinderrechter 
moet zoeken. Er moeten strengere 
eisen aan de motivering worden 
gesteld. 

De voorzitter: Wij maken hiermee in 
feite geleidelijk aan de overgang naar 
het tweede thema, de toepassing van 
gezagsmaatregelen en uithuisplaat– 
singen. 

De heer Rijks: Ik wilde nog even 
antwoorden op een vraag van de 
heer Dijkstal. Het gaat daarbij om 
artikel 825 Wetboek van Rechtsvor– 
dering, de voorlopige schorsing uit 
de ouderlijke macht. Hoger beroep 
zou mogelijk moeten zijn, maar dan 
wel met opschortende werking van 
het rechterlijke besluit. Anders leidt 
het alleen maar tot meer procedures 
zonder feitelijke gevolgen en daar zit 
niemand op te wachten. Dat leidt 
alleen maar tot meer psychologische 
en emotionele ellende, bij rechters en 
justitiabelen. 

Mevrouw Bijl: Ik haak in op de 
importantie van een advocaat bij een 
voorlopige ondertoezichtstelling. 

De voorzitter: U bent het eens met 
de woorden van de heer Looman? 

Mevrouw Bijl Ja, maar dan moet 
zo'n advocaat in een voorlopige OTS 
wel iets voor de cliënt kunnen 
betekenen. Het is mijn ervaring dat 
de advocaat hiermee vaak niets kan. 
Van tevoren staat het eigenlijk al 
vast, al zijn er geen echte gronden 
voor het uitspreken van een voorlopi– 
ge OTS. De advocaat kan dan niets 
doen. Hij is alleen maar een door– 
geefluik voor offlciële briefjes en 
documenten. 

De heer Leerling (RPF): De heer 
Looman heeft nog niet geantwoord 
op een vraag mijnerzijds. 

De heer Looman: Ik realiseer mij dat 
ik wel kritiek heb op anderen, maar 
dat ik de heer Leeriing geen gehoor 

bij mij heb laten vinden. Dat spijt mij. 
Ik ben de vraag alleen even kwijt. 

De heer Leerling (RPF): Is de 
contra-expertise echt noodzakelijk 
om in hoger beroep kans van slagen 
te hebben? 

De heer Looman: Zoals de situatie 
op het ogenblik ligt, neemt de raad 
aanzienlijke tijd om een zaak voor te 
bereiden. De termijn van zes weken 
is bepaald te kort voor de raad om 
iets op papier te krijgen. Daartegen– 
over staat dat de ouder die met een 
of ander verzoek tot ondertoezicht– 
stelling wordt bedreigd, nauwelijks 
de gelegenheid krijgt een verweer op 
te stellen. In dit verband is een 
termijn van één of twee dagen 
genoemd. Het is ook mogelijk dat 
zich een bepaalde objectieve 
noodsituatie voordoet waarin er 
werkelijk direct iets moet gebeuren. 

In eerste aanleg acht ik in zo'n geval 
de kans vrij gering dat je met 
contra-expertise tijdig iets kunt 

uitrichten. Niettemin moet de 
mogelijkheid er wel zijn. 

De heer Rijks: Het dwingt de rechter 
om te kiezen en zijn keuze te 
motiveren. Dat hoeft nu niet. 

De heer Looman Dat ben ik met u 
eens, maar de vraag was of contra– 
expertise noodzakelijk is om in hoger 
beroep te gaan. Die vraag beant– 
woord ik ontkennend. Je kunt altijd in 
hoger beroep gaan. Omdat de zaak in 
hoger beroep nu eenmaal zorgvuldi– 
ger wordt bekeken, kun je dan via 
een contra-expertise meer aan je 
trekken komen. 

Thema 2: De toepassing van 
gezagsmaatregelen en van 
uithuisplaatsing (waaronder: de 
wettelijke gronden voor maatre– 
geljn, de duur van voorlopige 
toevertrouwingen en voorlopige 
ondertoezichtstellingen). 

De voorzitter: Ik geef het woord aan 
mevrouw Meijerink van de Stichting 
adviesburo kinderbeschermingkon– 
flikten (AKK). 

Mevrouw Meijerink: Ons is 
gevraagd een korte inleiding te geven 
op dit thema. Er is al erg veel over 
gezegd, maar ik houd mij toch maar 
aan mijn verhaal. Wij willen een 
onderscheid maken tussen voorlopi– 
ge maatregelen en de zogenaamde 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


gewone kinderbeschermingsmaatre– 

gelen. Als je kijkt naar de klachten 

die bij ons binnenkomen, valt een 

aantal zaken op. 

Allereerst is dat de gebrekkige 
positie van betrokkenen in kinderbe– 
schermingszaken, waarover wij het 
net al hebben gehad. Daarbij ging het 
overigens met name om de slechte 
positie van ouders. Wij moeten het 
echter ook eens hebben over de 
slechte positie van minderjarigen. Zij 
hebben bijvoorbeeld, in tegenstelling 
tot de ouders, geen recht op een 
advocaat In de tweede plaats wil ik 
de slechte indicatiestelling noemen 
bij uithuisplaatsingen. Deze aspecten 
wil ik nader illustreren. 

Bij de voorlopige ondertoezicht– 
stelling (VOTS) en de voorlopige 
toevertrouwing is duidelijk te zien, 
dat ouders en minderjarigen geen 
positie hebben. Zij kunnen zich 
absoluut niet verweren tegen een 
voorlopige maatregel. Zij worden niet 
betrokken bij het besluitvormingspro– 
ces. Zij weten in de meeste gevallen 
niet eens, waarom een uithuisplaat– 
sing nodig is. Er gebeuren allerlei 
heel ingrijpende dingen, zonder dat 
hen iets is gevraagd. Waartoe dat 
kan leiden, hebben wij gezien in de 
geruchtmakende zaak van De 
Bolderkar. De commissie-Gijsbers 
heeft ook het nodige over dit punt 
gezegd. Zij heeft gewezen op de 
slechte rechtspositie van betrokke– 
nen bij voorlopige maatregelen. 

Als het gaat om spoedplaatsingen, 
bepleiten wij de ontwikkeling van een 
protocol. Daarin dient een aantal 
dingen goed te zijn geregeld. Wij 
denken dan aan het regelen van de 
verantwoordelijkheid voor de 
uithuisplaatsing: wie is direct 
aanspreekbaar, hoe is de procedure, 
in welke gevallen wordt een voorlopi– 
ge maatregel uitgesproken, om welke 
indicaties gaat het? Hoe komt de 
Raad voor de kinderbescherming aan 
zijn informatie en wordt deze nog 
getoetst? 

Voorts zijn er nog de gewone 
kinderbeschermingsmaatregelen, 
zoals de ondertoezichtstelling en de 
ontheffing. Wij pleiten ervoor dat de 
voorwaarden voor het opleggen van 
een OTS worden uitgebreid met de 
voorwaarde, dat de raad voldoende 
aannemelijk moet maken dat de 
vrijwillige hulpverlening geen 
oplossing biedt. In de rapportage 
moet dat dan ook terug zijn te 
vinden. Bovendien moet in dit soort 
zaken automatisch een advocaat 
worden toegevoegd. 

Het AKK krijgt zeer regelmatig 
klachten binnen over met name de 
OTS en de uithuisplaatsing. Ik wil 
een aantal klachten noemen. Dat 
betreft bijvoorbeeld de onduidelijk– 
heid over de duur van de plaatsing, 
de onbekendheid met het behande– 
lingsplan van het tehuis, de onduide– 
lijkheid over het doel van de uithui– 
splaatsing, onduidelijkheid over de 
taakverdeling tussen de gezinsvoogd 
en andere hulpverleners (wie neemt 
bijvoorbeeld de beslissing over een 
bezoekregeling) Het gaat voorts om 
de onduidelijke indicatiestelling. Er 
wordt vaak geplaatst waar plaats is, 
hetgeen volgens ons al bij voorbaat 
slecht is. De plaatsing staat dan niet 
in relatie tot de problematiek. Tot slot 
is er absoluut geen overleg over de 
vraag in welk tehuis wordt geplaatst. 

Het is opvallend in de klachten, dat 
zowel ouders als minderjarigen zo 
slecht worden betrokken bij het 
hulpverleningsproces. Er wordt niet 
overlegd over de meest elementaire 
zaken, zoals opvoeding, doel van de 
hulpverlening, het beoogde effect, de 
terugplaatsing van de minderjarige 
naar huis, enzovoorts. Als ouders of 
minderjarigen te kennen geven dat zij 
betrokken willen worden, worden zij 
vaak van het kastje naar de muur 
gestuurd. Als het bijvoorbeeld over 
een behandelingsplan gaat, verwijst 
de gezinsvoogd vaak naar het tehuis. 
Daar verwijst men naar de kinder– 
rechter, aangezien die uiteindelijk 
verantwoordelijk is. 

De balans opmakend over de 
laatste vijf jaar klachtenwerk, willen 
wij de aandacht vragen voor een 
aantal aspecten van de ondertoe– 
zichtstelling en de uithuisplaatsing. 
Een van de belangrijkste aspecten is 
wel het ontbreken van een jaarlijkse 
inhoudelijke evaluatie van de 
ondertoezichtstelling en uithuisplaat– 
sing. Ons lijkt het van groot belang 
dat deze elk jaar opnieuw inhoudelijk 
wordt bekeken. Het gaat daarbij om 
een aantal aspecten, zoals: wat is het 
doel van een eventuele verlenging, 
wat heeft het afgelopen jaar eigenlijk 
opgeleverd, wat is er verbeterd en 
wat niet, en hoe moet het hulpverle– 
ningsaanbod er het komende jaar 
uitzien Nu vindt een verlenging van 
een ondertoezichtstelling plaats door 
de kinderrechter op basis van de 
rapportage van de gezinsvoogd. Wij 
willen er in dit kader voor pleiten, dat 
de kinderrechter niet meer verant– 
woordelijk is voor de uitvoering van 
de ondertoezichtstelling. Hij of zij zou 
alleen de gronden van de OTS 

moeten toetsen en zich niet meer 

moeten bemoeien met de inhoudelij– 

ke hulpverlening. De controle daarop 

zou ons inziens moeten gebeuren via 

een jaarlijkse evaluatie van de 

plaatsing door de plaatsende 

instantie, de behandelaar en de 

betrokkene. 

Een ander aspect is het na twee 
jaar automatisch overgaan van een 
OTS met uithuisplaatsing in een 
ontheffing. Dit is een onterende 
maatregel, niet alleen voor de ouders 
maar ook voor de kinderen. Daarbij 
komt, dat het nog maar de vraag is of 
het in alle gevallen noodzakelijk is na 
twee jaar uithuisplaatsing over te 
gaan tot een ontheffing. Ook in dit 
geval is evaluatie van de plaatsing 
noodzakelijk. Als er eenmaal sprake 
is van een ontheffing hebben ouders 
helemaal geen rechtspositie meer en 
worden zij overal buiten gehouden. 
Ook is er in deze gevallen geen 
controle meer op de behandeling en 
plaatsing van de jeugdigen. Formeel 
heeft de raad een toezichthoudende 
taak in dezen, maar in de praktijk 
komt er niets van terecht. De vraag is 
dan wie er nog overzlcht heeft over 
de hulp die aan de jeugdigen wordt 
gegeven. 

Ook willen wij de problematiek 
rondom het weglopen van minderja– 
rigen nog noemen. Er is opgemerkt 
dat de tendens in dit soort gevallen 
is, een kinderbeschermingsmaatregel 
uit te spreken, opdat de financierïng 
van de plaatsing is geregeld Dat is 
een oneigenlijk gebruik van de 
kinderbeschermingsmaatregel. 
Bovendien leidt dit tot grote ontevre– 
denheid zowel bij ouders, kinderen, 
als bij de raden voor de kinderbe– 
scherming. Daarnaast ervaren wij dat 
ouders van weggelopen kinderen 
vaak in de kou komen te staan en 
alleen staan in hun verdriet. 

Ik eindig deze inleiding met het 
uitspreken van mijn verbazing en 
verontwaardiging over de kinderbe– 
scherming. Het is nog steeds zo, dat 
wanneer je eenmaal in het kinderbe– 
schermingscircuit zit, er dingen met 
je gebeuren waar je totaal geen 
greep meer op hebt. Als je in een 
tehuis zit en lastig bent, word je naar 
een strenger tehuis gestuurd als 
straf. Het gaat dan niet meer om wat 
zo mooi de "indicatiestelling" wordt 
genoemd, maar om straf. Minderjari– 
gen en hun ouders hebben nog 
steeds een heel slechte, marginale 
positie in de kinderbescherming en 
zij worden nog steeds niet serieus 
genomen. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


De heer Burgman: Voorzitter! 
Gezien de ervaringen die wij kort 
geleden hebben opgedaan, merk ik 
kort het volgende op. Justitie schrijft 
op 11 augustus 1989, dat binnen het 
onderzoek de raad zelf dient te 
komen tot een diagnose, een oordeel 
en een advies en dat dit in een 
rapportage moet worden neergelegd. 
Ik wijs op het stuk dat wij de 
commissie hebben doen toekomen 
getiteld "De normering in ere 
hersteld". Daarin wordt heel duidelijk 
gesteld dat er met betrekking tot 
normering van de rapportage bij de 
raden geen voorschriften zijn. In de 
handleiding van 1 januari 1989staat 

hoe men met de documenten moet 
omgaan en hoe men ze op moet 
bergen, maar een behoorlijk voor– 
schrift met betrekking tot normering 
ontbreekt. Er is bij de raden geen 
voorschrift waar bijvoorbeeld de 
indicatiestelling aan moet voldoen 

De plaatsende instellingen dienen 
te voldoen aan het Erkenningsbesluit. 
In dat Erkenningsbesluit staat een 
aantal heel belangrijke punten. Ik 
noem het zorg dragen voor een 
diagnosestelling en het aan de hand 
daarvan bezien welke vorm van 
hulpverlening, gezien de psycho-so– 
ciale problematiek, voor de jeugdige 
het meest aangewezen is en 
gedurende welke termijn deze nodig 
zal zijn. In artikel 3 staat — en nu 
komt het — dat de ambulante 
instelling verantwoordelijk is voor de 
diagnosestelling die ten grondslag 
moet liggen aan elke beslissing tot 
jeugdhulpverlening. Het gaat daarbij 
om het vaststellen van de aard van 
de problemen of stoornissen van de 
jeugdigen. De oorzaak kan in de 
jeugdige zelf gelegen zijn, maar ook 
in zijn leefmilieu. Bij diagnosestelling 
spelen de bevindingen van de 
hulpverlener en van de eventueel 
geconsulteerde deskundige een rol. 
Aan de hand van die diagnose zal 
bepaald moeten worden of en zo ja 
in welke vorm hulpverlening geboden 
moet worden. Dan volgt indicatie. 
Daarbij dienen de uitgangspunten 
van artikel 5 in acht te worden 
genomen. 

In artikel 5 staat het volgende. 
Gezien het feit dat één van de 
belangrijkste uitgangspunten bij 
jeugdhulpverlening is, dat de hulp 
moet worden verleend in de minst 
ingrijpende vorm zal, als men tot de 
conclusie komt dat uithuisplaatsing 
geboden is, uit de indicatie stelling 
moeten blijken dat noch ambulante 
hulp in de thuissituatie of bij de 

zelfstandige bewoner noch semi-resi– 
dentiële hulp een oplossing kan 
bieden. 

Welnu, de SOR heeft de volgende 
norm gesteld, althans, drs. Treurniet, 
één van onze bestuursleden heeft die 
norm uit hoofde van zijn functie 
gesteld. Als een plaatsende instelling 
komt om een algemene bijstandsuit– 
kering moet de diagnose aan 
bepaalde normen voldoen. Ik zal deze 
normen straks in vogelvlucht 
noemen. Het aardige is dat deze 
worden overgenomen door de raad 
in Zwolle. Als namelijk de plaatsende 
instelling aan die voorwaarden 
volgens de erkenningsregeling moet 
voldoen, kan de raad als eis stellen 
voor een verzoek tot ondertoezicht– 
stelling dat er eerst een behoorlijke 
diagnose plaatsvindt, die genor– 
meerd is. In Dronten, waar dit van 
toepassing is, blijkt dat er praktisch 
geen weglopers meer zijn. Heel 
merkwaardig. Dat komt doordat de 
deskundigheid van de maatschappe– 
lijk werkers zo minimaal is, dat zij aan 
deze normen qua opleiding niet meer 
kunnen voldoen. Daar kom ik in de 
loop van de middag nog op terug. 
Het lijkt mij beter dat ik vanmiddag in 
het kader van het thema opleidingen 
nader op de normen inga. 

De voorzitter: Ik wilde ook voorstel– 
len, dat aspect later te bespreken. Ik 
geef de heer Leerling gelegenheid tot 
het stellen van vragen. 

De heer Leerling (RPF): Voorzitter! 
Ik sluit aan op de laatste woorden 
van mevrouw Meijerink over verba– 
zing en verontwaarding over de 
handelwijze van de Raad voor de 
kinderbescherming. Toch is alles wat 
de raad doet gebaseerd op wet en 
voorschriften. De vraag is nu of 
mevrouw Meijerink vindt dat de 
wettelijke bepalingen en de voor– 
schriften die er zijn onvoldoende zijn. 
Ik wijs op hetgeen bepaald is in het 
Burgerlijk Wetboek inzake de Raden 
van de kinderbescherming, de 
artikelen 238 en volgende. Ik wijs 
daarnaast op hetgeen bepaald is in 
artikel 245 BW over de positie van 
de ouders ten opzichte van de 
minderjarigen en op het Europees 
verdrag van de rechten van de mens 
inzake de rechten op een privé– en 
gezinsleven. Dat zijn natuurlijk 
basisbegrippen, waarmee alles wat 
hier aan de orde is te maken heeft. 
Vindt mevrouw Meijerink die 
bepalingen onvoldoende? Moeten ze 
aangescherpt worden? Of, zoals de 

heer Looman ten opzichte van het 
EVRM heeft gezegd, moet een en 
ander meer in Nederlandse wetge– 
ving worden geëffectueerd? 

Mevrouw Meijerink: Ik heb in mijn 
betoog geprobeerd aan te geven, dat 
het niet zozeer gaat om de wetten en 
voorschriften, maar om de toepas– 
sing daarvan. Ik heb ook niet zozeer 
mijn verbazing en verontwaardiging 
uitgesproken over de handelwijze van 
de Raden voor Kinderbescherming, 
maar over de kinderbescherming in, 
zoals wij dat noemen, het kinderbe– 
schermingscircuit, waarmee wij 
tehuizen en gezinsvoogdij bedoelen. 
Daar gaat het mij om. Met wetten en 
voorschriften hebben wij in onze 
praktijk niet zoveel te maken. Wij 
hebben veel meer te maken met de 
manier waarop de individuele 
hulpverlener de wetten en voorschrif– 
ten naar eigen goeddunken toepast. 
Misschien kan dan gezegd worden: 
ze zijn te ruim te interpreteren. Maar 
ik vind niet dat zo direct gezegd kan 
worden dat de wetten en de voor– 
schriften slecht zijn. 

De heer Leerling (RPF): Dus het 
wettelijk instrumentarium is voldoen– 
de en het gaat alleen om de toepas– 
sing ervan. Dat is natuurlijk een taak 
voor de rechter; dat is evident. Wij 
hebben zojuist gehoord dat de 
rechter af moet gaan op een rapport 
dat, naar men zegt, naar een 
bepaalde situatie, naar een beslissing 
is toegeschreven. Dan kom je toch 
weer terug op het functioneren van 
de kinderrechter die de wet moet 
toepassen op grond van gegevens en 
rapporten die hem zijn toegezonden. 
Daar ligt het manco. 

Mevrouw Meijerink: Uiteindelijk 
wel, maar het begint reeds eerder. 
Als wij praten over ondertoezichtstel– 
ling, dan begint het natuurlijk bij het 
uitspreken hiervan. Mij gaat het erom 
hoe een gezinsvoogd met de 
opvoedingsproblemen omgaat. Wat 
voor tehuis kiest de gezinsvoogd? De 
kinderrechter bepaalt dit niet. In de 
praktijk zegt de kinderrechter niet: 
Jantje gaat hiernaartoe. De gezins– 
voogd komt met een idee. Het gaat 
veel meer om de toepassing dan om 
de wettelijke voorschriften. 

Mevrouw Udema: Toch is de 
wettelijke regeling bepaald wel 
onvoldoende. Wanneer er uitgebrei– 
de regelingen waren, zouden de 
ouders zich hierop kunnen beroepen. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


Inderdaad geeft in de praktijk de 
voogdij-instelling aan wat er met een 
kind gebeurt. Ik wil hier nog aan 
toevoegen dat er niet alleen een 
financiële OTS is, maar dat er in 
Nederland ook meerdere malen een 
OTS wordt uitgesproken in het kader 
van een omgangsregeling. Dit is 
natuurlijk ten hemel schreiend. 

De heer Rijks: Ik ben het met 
mevrouw Udema eens dat de 
bevoegdheden van de kinderrechter 
te ruim zijn. De kinderrechter heeft te 
veel vrijheid. Hij kan doen waar hij zin 
in heeft. Er zijn te weinig regels die 
de kinderrechter beperken. Er zouden 
aanvullende regels moeten komen, 
die de kinderrechter de plicht 
opleggen om zijn besluiten te 
motiveren, of die hem dwingen om 
een besluit te nemen door de 
contra-expertise in te voeren. 

De voorzitter Zijn volgens u de 
wettelijke gronden tot het doen van 

een uitspraak duidelijk genoeg 

geformuleerd? 

De heer Rijks: Voor het treffen van 
maatregelen in het algemeen? Deze 
zijn op zich wel duidelijk geformu– 
leerd. Maar wij spreken niet alleen 
over de wet, maar ook over de 
gehele jurisprudentie van de Hoge 
Raad. Als je deze leest, dan zie je dat 
de Hoge Raad er in de afgelopen 
twintig jaar voor heeft gezorgd dat 
de rechter veel meer vrijheid heeft 
gekregen en dat hij zich niet meer 
aan de wettelijke regels hoeft te 
houden Deze vrijheid zal ingeperkt 
moeten worden door de besluiten 
van de Hoge Raad weer ongedaan te 
maken. Want deze besluiten hebben 
geleid tot alle toestanden waarover 
wij gesproken hebben. 

Mevrouw IJdema Er is trouwens 
nog steeds geen omgangsrecht voor 
de ouders. In het belang van het kind 
dient er ook een omgangsregeling 
vastgesteld te worden voor de 
ouders. Op dit moment kunnen 
voogdij-instellingen, Raden voor de 
kinderbescherming en rechters 
allemaal zeggen, dat een van de 
ouders mag worden geamputeerd in 
het belang van het kind. Het is pure 
amputatie dat een ouder zijn kind niet 
mag zien. 

Mevrouw Doelman-Pel (CDA): Ik 
wil graag wat duidelijkheid. Wij 
proberen voor bepaalde zaken tot 
oplossingen te komen. Ik beluister 

twee stromingen. Aan de ene kant 
wordt gezegd dat er voldoende 
helderheid is in de wettelijke 
regelgeving. Maar als ik de klachten 
naga en mevrouw Meijerink hoor, 
dan beluister ik dat de OTS zo divers 
gehanteerd wordt dat deze voor 
ouders vaak een bron van klachten is 
en dat er veel onduidelijkheid is in de 
vaststelling van een voorlopige OTS. 
De OTS is wel in het belang van het 
kind, maar dit belang wordt onvol– 
doende onderbouwd, waardoor 
bijvoorbeeld uithuisplaatsing 
plaatsvindt. Mevrouw Meijerink zegt 
in feite dat zij graag een evaluatie wil. 
Maar de heer Rijks vindt dat de wet– 
en de regelgeving voldoende is. 

De heer Rijks: Dat zeg ik niet. Ik zeg 

dat de regels in Nederland bestaan 
uit wet en jurisprudentie. Als je de 
wet zou hanteren, dan zouden een 
aantal toestanden die er nu zijn, er 
niet zijn. Maar door de regels die de 
Hoge Raad eraan heeft toegevoegd, 
krijg je alle situaties waar mevrouw 

Meijerink over spreekt. Maar volgens 

mij zijn er helemaal geen twee lijnen. 

Mevrouw Doelman-Pel (CDA): Dat 
begrijp ik. Maar ik wil graag dat het 
heel duidelijk is. Er zijn natuurlijk 
hoger-beroepzaken en jurisprudentie. 
Ik heb het idee, dat er klachten zijn, 
die niet bij de Hoge Raad terecht 
komen, maar die wel een rol spelen 
in de discussie en in de belevings– 
wereld van ouders en kinderen. Het 
gaat om de vraag, waarom ondertoe– 
zichtstelling heeft plaatsgevonden.De 
ondertoezichtstelling is toch bedoeld 
om ouders weer te helpen en de 
ouderlijke macht te herstellen. Het is 
niet de bedoeling om de kinderen af 
te pakken, om het wat cru te zeggen. 

Oe heer Rijks: Ik wil in dit verband 
een voorbeeld noemen. Kan het snel 
en duidelijk, zo is gevraagd. Ik heb 
het over schorsing uit de ouderlijke 
macht. Wanneer dat niet gebeurde, 
nam de ene ouder kinderen mee. 

Hetzelfde kan van de andere ouder 
worden gezegd. Kortom, er werd aan 
die kinderen getrokken, omdat beide 
ouders de ouderlijke macht hadden. 
Je kon er niets aan doen. Wat doet 
de Hoge Raad dan? Die heeft artikel 
279 Strafrecht - het gaat over 
kinderontvoering — onder artikel 825 
Wetboek van strafvordering ge– 
bracht. Er is dan sprake van kinder– 
ontvoering als één van de ouders de 
kinderen meeneemt. Het is inmiddels 
een samenstel van regels geworden. 

Wij moeten overigens die technisch– 

juridische discussie op dit punt hier 

niet voeren. 

De voorzitter: Volgens mij lopen er 

twee zaken door elkaar. Aan de ene 

kant de wettelijke gronden, aan de 

hand waarvan iets uitgesproken kan 

worden. Aan de andere kant zijn er 

de bevoegdheden en de procedures. 

Ik denk, dat wij dit uit elkaar moeten 

trekken. 

De heer Burgman: De departemen– 
ten werken met aanwijzingen, de 
zogenaamde circulaires, pseudo-wet– 
geving. Ik citeer nu de heer Leerling: 
de regelgeving is op dit moment te 
weinig wettelijk gekanaliseerd. 
Onlangs heeft men kunnen lezen, dat 
door het ministerie van WVC 
beschikkingen worden afgegeven 
zonder enige wettelijke grondslag. 

Ik richt mij nu tot de heer Lank– 
horst. De termijn van beantwoording 
van door de heer Lankhorst gestelde 
schriftelijke vragen... 

De heer Dijkstal (VVD): Dat is 

buiten de orde. 

De heer Burgman: De vraag was 
aan de heer Lankhorst gesteld. Het 
moet de heer Dijkstal toch wel 
interesseren, want het gaat om geld. 

De voorzitter: Het is inderdaad 

buiten de orde. 

De heer Lankhorst (Groen Links): Ik 
wil een ander punt aan de orde 
stellen. Breeduit wordt gepleit — en 
terecht — voor versterking van de 
positie van de ouders. Nu wil ik niet 
zeggen, dat het altijd in het nadeel 
van de minderjarigen behoeft te zijn, 
maar ik heb mevrouw Meijerink aan 
het begin van haar betoog horen 
zeggen, dat ook moet worden 
gesproken over de slechte positie 
van de minderjarigen in het gehele 
proces. Wanneer gekeken wordt naar 
de versterking van de positie van de 
ouders, moet ook worden gekeken 
naar de positie van de minderjarigen. 
Hoe ziet mevrouw Meijerink die 
spanning? 

Mevrouw Meijerink Begrijp ik het 
goed, dat het gaat om de spanning 
tussen de belangen van ouders en 
die van kinderen? 

De heer Lankhorst (Groen Links): Ik 
denk dat die niet altijd helemaal 
samenvallen. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


Mevrouw Meijerink Dat is waar. Je 
ontkomt er niet aan om heel 
specifiek te worden. Je zou verschil– 
lende situaties moeten analyseren. 
Het is belangrijk, dat hier wordt 
gewezen op de gebrekkige positie 
van ouders. Het is even belangrijk, 
dat aan minderjarigen meer middelen 
in handen worden gegeven, waar– 
door zij hun stem kunnen laten 
horen. Misschien kan de BM daar 
ook nog het een en ander over 
zeggen. 

De heer Van Megchelen Wij 
denken dat als de kinderen meer 
rechten krijgen en ook een positie 
hebben in de hele rechtsgang, dat zij 
gehoord worden en dat er naar hen 
geluisterd wordt, de kwaliteit van de 
jeugdhulpverlening aanzienlijk zou 
worden verbeterd. De Raden voor de 
kinderbescherming verdedigen het 
belang van het kind, maar in een 
heleboel gevallen hebben wij daar 
onze twijfels over. Het zal niet altijd 
verkeerd uitpakken, maar vaak 
gebeurt dat wel. Het lijkt ons 
belangrijk om in de regelgeving de 
positie van de kinderen te verbete– 
ren. Het gebeurt nu wel eens dat een 
kinderrechter de kinderen hoort, 
maar dat is verder de vrije keus van 
de kinderrechter. Als dat een 
verplichting wordt, zou dat een 
verbetering zijn. Bij een belangrijke 
beslissing van de kinderrechter 
zouden de kinderen gehoord moeten 
worden. 

Mevrouw Bijl: Het gaat er in wezen 
om hoe je de belangen en rechten 
van een kind interpreteert. Mijns 
inziens kan het niet in het belang van 
het kind zijn, dat het door een 
maatregel voor de rest van zijn leven 
wordt geamputeerd van zijn ouders 
en de rest van zijn familie. Dat is wat 
vaak gebeurt na het uitspreken van 
een OTS of een voorlopige OTS. Het 
kind raakt dan van de ouders 
vervreemd. In de praktijk stellen de 
gezinsvoogden en gezinsvoogdessen 
zeer weinig in het werk om het 
contact tussen ouders en kind weer 
op gang te brengen. Er gebeurt vaak 
niets. Daardoor blijven kinderen vaak 
verstoken van contact met ouders en 
familieleden. Dat kan nooit in het 
belang zijn van de minderjarige. 

Wanneer de hulpverlener en de 
rechter zich achter de wil van de 
adolescent scharen, snappen zij niets 
van het leven van kinderen en 
überhaupt niet van mensen. Wanneer 
men het recht alleen nog langs de 

rechterlijke weg wil regelen, kunnen 
de hulpverleners en rechters 

misschien nog iets van ons ouders 

leren. 

De voorzitter: Ik zou willen probe– 

ren de discussie terug te brengen tot 

het thema dat wij zouden moeten 

behandelen: de toepassing van de 

gezagsregels en de gronden 

daarvoor. Alles dreigt nu door elkaar 
te lopen. 

De heer Leerling (RPF): Wij moeten 
inderdaad proberen de opgegeven 
thema's te behandelen. Hopelijk zijn 
dan aan het eind van de rit alle zaken 
die u op het hart hebt aan de orde 
geweest. Wij hebben nog het 
vangnet van de rondvraag! In de 
politiek wordt altijd voor een vangnet 
gezorgd. 

Ik wilde de zaak wat toespitsen, 
om in dit rondetafelgesprek wat 
verder te komen dan alleen het 
aanhoren van de klachten, maar ook 
oplossingen te zoeken. Op een vraag 
die mevrouw Doelman gesteld heeft 
is nog onvoldoende antwoord 
gekomen, namelijk hoe het in de 
praktijk gaat met een OTS of een 
voorlopige OTS, die is bedoeld om 
de band tussen minderjarig kind en 
ouders te herstellen. Functioneert dat 
systeem? Als het niet functioneert, 
wat moeten wij dan doen om het wel 
te laten functioneren? Moeten er 
bepaalde garanties voor komen en zo 
ja welke? 

Voorts wil ik het AKK meteen een 
concrete vraag stellen, over de 
indicatiestelling. Men is daar nog wat 
vaag over. Men is ongetwijfeld in 
staat om dat veel scherper te 
formuleren. Indicatiestelling heeft 
natuurlijk te maken met individuen. 
Het is onmogelijk om in wetten en 
voorschriften voor elk individu een 
plaatje te maken. Moeten er algeme– 
ne regels komen voor die indicatie– 
stelling, waarmee dan uiteindelijk 
toch gewerkt kan worden in het 
kader van de jeugdhulpverlening? 

Mevrouw Doelman-Pel (CDA): Er is 
gezegd dat er vijf jaren klachten zijn 
geïnventariseerd. Is de ervaring dat 
de voorlopige ondertoezichtstelling 
en de voorlopige toevertrouwing 
relatief veel meer reden tot klagen 
geven? U zegt zelf al dat u zaken 
vaak onvoldoende onderbouwd vindt, 
maar misschien kunt een een beetje 
duidelijker aangegeven in wat voor 
soort gevallen vrijwillige hulpverle– 
ning wel mogelijk was geweest en 

ten onrechte een OTS is uitgeschre– 
ven. Zijn er gevallen waarin u kunt 
aantonen dat ouders vrijwillige 
hulpverlening wel hadden geaccep– 
teerd, maar dat helaas en dus 
waarschijnlijk ten onrechte een OTS 
is uitgesproken. 

Verder zei u dat volgens u 
gezagsmaatregelen vaak onvoldoen– 
de kenbaar en herkenbaar aan 
ouders worden overgebracht, 
waardoor ze voor u oncontroleerbaar 
worden. Wilt u daarom graag een 
evaluatie? 

De heer Dijkstal (VVD): In haar 
inleiding somde mevrouw Meijerink 
talloze nuttige punten op, waarna zij 
concludeerde dat het niet gaat om de 
wet– en regelgeving, maar om de 
toepassing. Daarna is een discussie 
ontstaan over de vraag of je in de 
wet al dan niet inhoudelijk belangen 
en rechten van mensen — in 
kwantitatieve en kwalitatieve zin moet 
regelen. Daarachter zit dan 
weer een hele discussie over normen 
en waarden, waardoor het geheel 
zeer ingewikkeld wordt. Een andere 
mogelijkheid is, in de wet iets meer 
procedureel te regelen. Mevrouw 
Meijerink stelde wet– en regelving 
scherp tegenover elkaar en wees 
erop dat het gaat om de toepassing. 
Zou zij er voor zijn om ten aanzien 
van een aantal door haar gesigna– 
leerde knelpunten in de wet– en 
regelgeving ten minste procedures 
vast te leggen waar allen aan 
gebonden zijn, of acht zij dat niet 
nodig? 

Mevrouw Meijerink: Mevrouw de 
voorzitter! In antwoord op de vraag 
van mevrouw Doelman kan ik 
inderdaad bevestigen dat er de 
laatste paar jaar meer klachten 
binnenkomen over de voorlopige 
maatregel. De klachten gaan met 
name over de onduidelijkheid. 

Meestal weten mensen heel goed dat 
er iets niet goed gaat. Een voorlopige 
maatregel komt dus niet zomaar uit 
de lucht vallen. De onduidelijkheid 
betreft met name de procedures. 
Mensen vragen zich af waar ze aan 
toe zijn. Vaak is het zo dat ze hun 
kind niet mogen zien. Dan vragen ze 
zich af wanneer dat weer wel mag en 
waar het op dat moment verblijft. Dat 
soort belangrijke vragen laat mensen 
niet los, maar ze krijgen daar geen 
gehoor voor. Wij kunnen ze dan 
adviseren om naar de kinderrechter 
te stappen, maar dat is niet voldoen– 
de. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


Dan de vraag over de vrijwillige 
hulpverlening. De commissie-Gijs– 
bers heeft aangestipt, dat het van 
belang is om te onderzoeken wat 
uiteindelijk de aanleiding is om een 
kinderbeschermingsmaatregel uit te 
spreken. Naar ons idee leidt gebrek 
aan kennis vaak tot het opleggen van 
een OTS. Regelmatig hebben wij te 
maken met gevallen waarin de Raad 
voor de kinderbescherming nog 
bezig is met een onderzoek, terwijl 
wij al weten dat het advies wordt: 
OTS met uithuisplaatsing. Als je dan 
aan een betrokkene in de raad vraagt 
of wel eens is gedacht aan semi-resi– 
dentiële opvang, blijkt men daar niet 
van op de hoogte te zijn. Dat komen 
wij heel vaak tegen. Wij verbazen ons 
er steeds weer over dat veel mensen 
die bij de raad en bij de gezinsvoog– 
dij werken, een zeer beperkte kennis 
hebben van de sociale kaart. Eigenlijk 
plaatsen ze op basis van connecties 
die ze hebben. Daarnaast moet ik 
ook eerlijk toegeven dat het moeilijk 
is om te plaatsen waar je dat zou 
willen, vanwege de grote wachtlijs– 
ten. 

De heer Leerling (RPF): Is volgens u 
in de praktijk de OTS, en zeker de 
voorlopige OTS, niet voor alles 
gericht op herstel van de relatie 
tussen ouders en het minderjarige 
kind? 

Mevrouw Meijerink Ja, dat is 
inderdaad ook mijn ervaring. Het is 
een noodmaatregel die er in het 
algemeen toe leidt, dat uiteindelijk 
een ontheffing plaatsvindt. 

Mevrouw Doelman-Pel (CDA): Als 
je wilt evalueren, moet je natuurlijk 
wel weten wat je wilt evalueren. Dat 
is een spanningsveld. Wat wil je 
evalueren? De basis, de gronden, de 
uitspraken die worden gedaan? Kun 
je die naast elkaar leggen? Over 
welke uitspraken zijn meer klachten 
en welke uitspraken worden meer 
geaccepteerd? Ik stel mij er zoiets bij 
voor, maar ik weet niet of u hetzelfde 
denkt. 

Mevrouw Meijerink: Mijn idee is om 
het toetsen van de juridische 
gronden bij een OTS los te koppelen 
van de inhoudelijke evaluatie. Als het 
gaat om een verlenging, wordt op dit 
moment van beide iets gedaan. De 
kinderrechter bekijkt of er nog 
juridische gronden aanwezig zijn om 
teverlengen. Daarnaast wordt 
ingegaan op de inhoudelijke hulpver– 

lening. Wij pleiten ervoor om dit los 
te koppelen. Laat de kinderrechter nu 
maar de rechtstaken uitvoeren, in de 
zin dat alleen bekeken wordt of 
juridische gronden aanwezig zijn En 
laten wij een andere constructie 
verzinnen voor de evaluatie van de 
inhoudelijke hulpverlening. 

Mevrouw Doelman-Pel (CDA): In 
feite pleit u voor twee evaluaties, aan 
de ene kant de motivering van de 
kinderrechter, eigenlijk de gronden, 
en aan de andere kant een evaluatie 
wat er met het kind gebeurt, op welk 
tijdstip wordt getoetst, of het voor de 
ouders herkenbaar is en of de ouders 
erbij betrokken worden. 

De heer Leerling (RPF): Ik heb nog 
een vraag over die indicatiestelling. 
De problematiek van de indicatiestel– 
ling ligt onder kritiek. Nu gaat het 
erom hoe u dit zelf ziet. Je kunt dit 
per individu niet in voorschriften 
vastleggen. Als je met algemene 
indicatienormen gaat werken, 
voldoet dit dan aan de hele gang van 
zaken bij de conflictsituatie? 

Mevrouw Meijerink: Ik denk dat dit 
nog moet blijken. In de Wet op de 
jeugdhulpverlening staat ook nog het 
een en ander over de indicatiestel– 
ling. Wat dat betreft is het een aardig 
voorbeeld hoe het zou moeten zijn. Ik 
weet niet of het ook in de praktijk zo 
werkt dat de hulp die geïndiceerd is, 
ook wordt gegeven. Wij zijn in de 
jeugdhulpverlening gewoon gebon– 
den aan wachtlijsten, aan plaatsge– 
brek. Dat signaleren wij natuurlijk 
ook. De mooiste situatie zou zijn dat 
je altijd kon plaatsen in een tehuis, of 
andersoortige instelling, dat geïndi– 
ceerd is voor de jongere. Maar dat is 
gewoon niet zo. Dat is ook een 
verantwoordelijkheid van WVC, dat 
voortdurend bezuinigt. 

De voorzitter: Ik begrijp dat er nog 
andere organisaties zijn die hierover 
een opmerking willen maken. De 
heer Dijkstal had nog een vraag 
gesteld. Daarna krijgen die het 
woord. 

Mevrouw Ammerlaan: Dat was de 
vraag over procedures? 

De heer Dijkstal (VVD): U heeft 
gezegd dat de wet– en regelgeving 
goed is, maar dat de toepassing 
slecht is. Zou dan niet wat de 
procedurele kant betreft een nadere 
wet– en regelgeving gewenst zijn? 

Mevrouw Ammerlaan: In ieder 
geval zou je de positie van ouders en 
minderjarigen moeten versterken. Ik 
denk dat er zeker procedures en 
protocollen moeten komen, voorna– 
melijk bij de voorlopige maatregelen. 
Daar zitten toch de meeste proble– 
men. Betrokkenen hebben daarbij per 
definitie geen rechtspositie. De 
commissie-Gijsbers zegt dat wij toch 
een noodmaatregel voor noodsitua– 
ties nodig hebben. Misschien is dat 
zo. Ik denk dat je een duidelijke 
richtlijn moet hebben voor wat er dan 
gebeurt, een soort van protocol. De 
affaire-De Bolderkar is er een 
fantastisch voorbeeld van hoe het 
niet moet en dat veel ellende had 
kunnen worden voorkomen, als het 
duidelijk was geweest wat er gebeurd 
was. 

De heer Burgman: Mevrouw de 
voorzitter! Ik overhandig u graag een 
persbericht over het proefschrift van 
de heer Deboutte. Dit begint met de 
opmerking dat kinderen die naar een 
tehuis of pleeggezin gaan, even 
zware problemen hebben als 
kinderen die andere hulp krijgen. Het 
circuit waarin zij terechtkomen, ligt 
vooral aan degene die hen heeft 
doorverwezen. Het is een aardig 
artikel en ik vraag u, het volledig in 
het verslag op te nemen. Ik vermoed 
dat het antwoord geeft op vragen die 
de parlementariërs net aan mevrouw 
Meijerink hebben gesteld. 

Verder wijs ik op de publikatie een 
dezer dagen in de Leidse Courant 
waarin staat dat de kinderrechter 
betrokken bij de affaire-De Bolderkar 
heeft toegegeven, dat hij door de 
hulpverlening op het verkeerde been 
is gezet en op grond hiervan zijn 
beslissingen heeft genomen. U vindt 
deze publikatie in de stukken die wij 
u hebben overgelegd. 

De voorzitter: Wij hebben al heel 
veel materiaal van u ontvangen en 
het allemaal gelezen. 

De heer Burgman: Daarom staan wij 
bekend. Misschien kan dit er nog bij. 

De voorzitter Over de publikatie 
van uw gegevens moeten wij nog 
beslissen. Ik vermoed dat het niet 
kan, maar wij zullen het in ieder geval 
lezen. 

De heer Bonnet: Volgens diverse 
onderzoekingen schiet, als je het op 
de keper beschouwt, 90% van de 
gezagsmaatregelen hun doel voorbij. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 79 


Dit staat onder andere in het 
proefschrift van de heer Deboutte 
waarover de heer Burgman zojuist 
sprak. De heer Deboutte schrijft dat 
in het circuit van de kinderbescher– 
ming negen keer zoveel uithuisplaat– 
singen zijn als bij de RIAGG. Hiermee 
kom ik bij de opmerkingen van de 
heer Leerling over de indicatie. De 
RIAGG geeft wel een diagnose, dus 
een indicatie, maar bij de rest van de 
kinderbescherming gebeurt dit niet. 

Ook professor Van Acker komt 
ongeveer op het percentage van 90 
uit. Er is geen behandelmgsplan en 
daardoor is er geen basis voor 
behandeling en is ook geen toetsing 
van het hulpverleningsproces 
mogelijk. Elke verdere bemoeienis is 
dus eigenlijk natte-vingerwerk. Veel 
van de hulpverlening op dit gebied 
houdt zichzelf in stand, bijvoorbeeld 
door maatregelen te verlengen 
waarbij zij zelf financieel belang 
heeft. Als je de gegevens in het 
proefschrift van de heer Deboutte 
omrekent naar een gemiddelde van 

10.000 uithuisplaatsingen, kom je uit 
op een bedrag van 675 mln. per jaar 
dat te veel wordt uitgegeven. Hier 
heb ik dus 15% wel terecht uit huis 
laten plaatsen en 85% is niet terecht 
uit huis geplaatst. Daarin is ambulan– 
te hulpverlening, bijvoorbeeld door 
een RIAGG, ook meeberekend. De 
commissie-Gijsbers wil meer 
deskundigheid binnen de raad 
brengen. Ik denk dat dit alleen maar 
meer geld gaat kosten. Het bos 
wordt eigenlijk ondoorzichtiger. Ik 
ben ertegen omdat je in plaats van 
een onafhankelijke deskundige een 
afhankelijke deskundige krijgt. Nu 
wordt voor de verlenging van OTS de 
mening gevraagd van bijvoorbeeld 
een kindertehuis. Daar heeft men er 
belang bij dat het kind daar zit. Men 
is dan maar al te graag bereid om 
zo'n OTS in stand te houden en 
dientengevolge te adviseren. 
De heer Rijks: Wij staan daar achter. 

De voorzitter Het is nu twaalf uur. 
Ik wil een pauze van vijf minuten 
inlassen, waarna wij overgaan naar 
de laatste ronde, het derde thema. 
Daarna wordt er gepauzeerd voor de 
lunch. 

De heer Leerling (RPF): Voorzitter! 
Ik wil toch nog één vraag stellen, 
want de heer Bonnet noemt nu een 
saillant gegeven, dat ook in de 
literatuur wordt vermeld. Heeft hij er 
enige verklaring voor dat er zoveel, 

naar zijn idee, onnodige uithuisplaat– 
singen worden geconstateerd? 

De heer Bonnet: Ik denk dat dit 
komt doordat de wettelijke termen 
"dreigende zedelijke en lichamelijke 
ondergang" veel te ruim gesteld zijn. 
Voordat de zitting plaatsvindt, is al 
bepaald dat een OTS zal worden 
uitgesproken, gezien het feit dat er al 
een gezinsvoogd bij een OTS-zitting 
aanwezig is. De kinderrechter duldt 
totaal geen tegenspraak van de 
ouders. Ik denk dat het systeem van 
de kinderrechter op de helling moet. 
Een kinderrechter die zegt dat hij 
kinderrechter is en maatschappelijk 
werker, zal in de toekomst tuchtrech– 
telijk moeten worden aangepakt 
anders krijg je enorme excessen. Het 
is veel pijnlijker wanneer men een 
kind bij je weghaalt dan wanneer je 
been geamputeerd wordt. Met dat 
laatste kun je leren leven, maar de 
onzekerheid of het kind ooit weer bij 
je terugkomt blijft een schrijnend 
verdriet. 

Mevrouw Bijl: Ik wil hier nog een 
kanttekening bij plaatsen. Ik ben het 
eens met wat de heer Bonnet zegt. Ik 
wil hier nog aan toevoegen dat de 
hulpverlening zichzelf in stand houdt, 
want het kind komt ook later, als 
jonge volwassene, door het gebrek 
aan contact met de familie met 
zichzelf in conflict. Wanneer hij 24, 
25 jaar is komt hij hierdoor psychisch 
in moeilijkheden. Op die manier 
houdt de hulpverlening zichzelf in 
stand: het is een vicieuze cirkel, want 
de mensen komen terecht bij de 
RIAGG en dan zijn we weer bij het 
begin. 

De vergadering wordt vijf minuten 
geschorst. 

Thema 3: De doorwerking van 
het recht op eerbiediging van 
gezinsleven (waaronder: de 
positie van de ouders, van de 
ouder-toeziende voogd, van 
pleegouders). 

De voorzitter: Ik verzoek mevrouw 
Bakker als eerste een korte inleiding 
te geven. Vervolgens zal een 
vertegenwoordiger van de VOK over 
hetzelfde thema een korte inleiding 
verzorgen. 

Mevrouw Bakker-Rothuizen: 
Mevrouw de voorzitter! De leden van 
de commissie beschikken waar– 

schijnlijk over ons beginsel-statuut 
voor de pleegzorg, waarin ons idee 
van beleid in feite vastligt. Wat u 
waarschijnlijk niet van ons 
verwacht, als Vereniging voor 
Pleeggezinnen, is dat ik in eerste 
instantie een lans wil breken voor de 
hulpverlening thuis bij de natuurlijke 
ouders. Het valt ons namelijk op dat 
nogal in wat gezinnen waar een 
ondertoezichtstelling is uitgesproken 
niet of vrijwel niet aan de thuissituatie 
wordt gewerkt. Er komt af en toe 
eens een maatschappelijk werker op 
bezoek die wat hinten kan geven, 
maar daar houdt het in veel gevallen 
mee op. De situatie verbetert dus 
niet en dan zal het kind op een 
gegeven moment wel uit huis 
moeten worden geplaatst. Ook bij 
een korte, tijdelijke uithuisplaatsing, 
of bij een ondertoezichtstelling, 
waarbij een kind tijdelijk in een 
pleeggezin wordt geplaatst, wordt 
naar ons oordeel vaak veel te weinig 
gedaan aan juist die relatie 
met de eigen ouders. Als je in de 
tussentijd •va^rin het kind voor een 
korte tijd voor sen observatie uit huis 
wordt geplaatst, veel meer zou 
werken aan de relatie tussen ouders 
en kind en zou bestuderen of die 
relatie hersteld kan worden, of de 
ouders geholpen kunnen worden om 
zelf hun kind op te voeden, dan was 
de mogelijkheid om het kind weer 
thuis terug te plaatsen waarschijnlijk 
veel groter dan wij nu moeten 
constateren. Het kind wordt bij ons 
geplaatst, er wordt geen doel 
vastgesteld, er wordt geen behande– 
ling vastgesteld en na een poosje 
blijkt dat de toestand totaal niet 
veranderd is. De relatie is niet 
veranderd, dus het kind blijft uit huis. 

Wij zijn van mening dat een kind 
recht heeft op een opvoedingssitua– 
tie die zijn ontwikkeling niet ver– 
stoort. Dat houdt in dat een kind een 
vaste relatie kan hebben waarop het 
kan terugvallen. Wanneer je een kind 
ettelijke keren verplaatst — uit huis 
plaatst, een tijdje in een tehuis of in 
een pleeggezin plaatst en weer 
terugplaatst en als dat niet goed 
gaat, weer verplaatst - beschadig je 
een kind enorm en eigenlijk zonder 
noodzaak. Het was niet nodig 
geweest als de omstandigheden 
tevoren goed waren bestudeerd. 

Wij pleiten dus bij een uithuisplaat– 
sing voor een heel intensieve 
begeleiding en dan niet alleen een 
begeleiding van de pleegouders, 
maar juist een begeleiding van het 
kind en de natuurlijke ouders om te 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


bezien of het kind eventueel terug 

kan. Blijkt na zo'n periode dat het 

absoluut onmogelijk is het kind terug 

te plaatsen, omdat de ouders althans 

de opvoedingstaak niet op zich 

kunnen nemen, dan zal je op een 

gegeven moment een definitieve 

beslissing voor het kind moeten 

nemen, wil je hem een veilige plek 

bieden. Een ondertoezichtstelling is 

natuurlijk in eerste instantie een regel 

om te kijken welke oplossing moet 

worden gevonden; of die thuis bij de 

ouders te vinden is, door hulp aan de 

ouders, of dat het uiteindelijk toch 

niet gaat. Er zijn op het ogenblik 

ongelofelijk veel "eindeloze tijdelijke" 

plaatsingen. Dit brengt ook met zich 

dat je een kind geen enkele zekerheid 

kunt bieden. Als een kind je vraagt: 

Mag ik blijven?, kan je dat nooit 

zomaar toezeggen, want je weet niet 

of dat mogelijk is. Je hebt dan ook 

geen blokkaderecht. Al is je pleeg– 

kind zeven jaar in je huis, als het een 

ondertoezichtstelling is, heb je geen 

blokkaderecht. Want dan moet de 

kinderrechter in feite zijn eigen 

uitspraak blokkeren 

Het gevolg daarvan is dat een kind 
met grote problemen, waarvan de 
pleegouders op een gegeven 
ogenblik zeggen: Dit wordt zo 
moeilijk, wij weten niet meer wat wij 
moeten doen, a la minute overge– 
plaatst kan worden naar een 
gezinshuis, behandelingshuis of wat 
dan ook. Wij hebben dat ettelijke 
keren meegemaakt. De pleegouder 
vraagt daar niet om. Die vraagt om 
hulp en houvast en dat wordt in die 
gevallen vaak niet geboden. Natuur– 
lijk, er is sprake van een hoge case 
load. Dat weten wij allemaal. Maar 
het komt vaak ook door te weinig 
deskundigheid bij de begeleiding. Bij 
alle regels die getroffen moeten 
worden en bij alle beslissingen die 
genomen moeten worden, zal meer 
respect getoond moeten worden 
voor de natuurlijke ouders. Als een 
ouder niet een opvoedingstaak op 
zich kan nemen, kun je wel nagaan 
wat deze wél kan doen. Welke plaats 
zou zo'n ouder wel in kunnen nemen? 
Wat die kan doen, zal variëren. In het 
ene geval betekent het één ansicht– 
kaart per jaar en in het andere het 
breien van truien en het meedenken 
over de schoolkeuze. De mogelijkheden 
kunnen zeer sterk variëren. Je kunt 
die ouders echter niet "wegdenken". 
Dat kun je niet maken. Als je de 
natuurlijke ouders namelijk niet 
respecteert, respecteer je in feite het 
kind niet. De ouders zijn namelijk de 

wortels van het kind. Vaak wordt 
gedacht, dat de pleegouders de 
natuurlijke ouders aan de kant willen 
zetten. Dit is niet zo. In principe wil 
men dit niet. Er zullen situaties zijn, 
waarbij inschakeling van de natuurlij– 
ke ouders niet kan, maar in heel veel 
gevallen is er in dezen voor de 
ouders een plaats. Daarbij is de taak 
van de begeleiding behoorlijk zwaar. 
Deze taak moet echter wel verricht 
worden. In de maatschappij wordt op 
je neer gekeken, als je je eigen kind 
niet opvoedt, terwijl niet iedereen in 
staat is zijn kind op te voeden. De 
maatschappelijk werker zal daarom 
de ouders moeten helpen, opdat die 
niet een enorm schuldgevoel krijgen, 
vanwege het feit dat zij hun kind niei 
opvoeden. Als dat door de ouder 
meer aanvaard kan worden, zal ook 
de samenwerking met de pleegouder 
wat gemakkelijker zijn. 

Over de deskundigheid heb ik 
zojuist al even gesproken. De Raad 
voor de kinderbescherming wil 
volgens de commissie-Gijsbers over 
meer deskundigheid beschikken. Dat 
vind ik prachtig, maar daarbij moet 
naar mijn mening ook gedacht 
worden aan de vervolgsituatie. Stel 
hogere eisen aan de opleiding van de 
maatschappelijk werker. Hij moet 
voor dit werk gespecialiseerd zijn, 
want het is niet zo simpel om 
pleegkinderen, pleegouders en 
natuurhjke ouders te begeleiden. 

Ook zouden wij graag zien, dat het 
beleid binnen een stichting meer 
continuïteit vertoonde. Sommige 
stichtingen hebben een commissie 
pleegzorg, waarin overleg wordt 
gepleegd over allerlei situaties. Er 
zijn echter ook stichtingen waar de 
maatschappelijk werker op eigen 
houtje werkt en zelf de beslissingen 
neemt. De een doet het dus zus en 
de ander zo en als kind, als ouder en 
als pleegouder ben je aan de situatie 
overgeleverd. Als pleegouder — daar 
spreek ik nu voor — heb je geen 
enkel recht. Zojuist sprak ik al over 
de wenselijkheid van een stabiele 
situatie. Als je nu de rechten van een 
kind meer vastlegt, kun je op basis 
daarvan zeggen wat de rechten van 
de pleegouders zijn. De rechten van 
de pleegouders kun je als het ware 
dan uit het bestaande destilleren, die 
zouden moeten voortkomen uit de 
rechten van het kind. 

Vervolgens wil ik iets zeggen over 
de bereikbaarheid van de instellin– 
gen, niet alleen 's avonds en in het 
weekend, maar ook op dagen als 
bijvoorbeeld Goede Vrijdag. Het 

gebeurt nu dat de stichting op Goede 

Vrijdag opgebeld wordt omdat het 

klnd het hele huis in elkaar knalt en 

er niemand te bereiken is. Dan 

mogen wij ervoor zorgen dat er iets 

gebeurt, dat er iemand van de politie 

of de RIAGG komt. Dat is toch niet 

de bedoeling. Kennelijk is dan de 

voogdij-instelling totaal niet bereik– 

baar. Dergelijke situaties komen nog 

steeds voor. 

In dit verband denk ik ook aan 

vakanties en ziekte bij de begelei– 

ding. In die gevallen kan men vrijwel 

niemand anders bereiken die de taak 

over kan nemen. Het komt ook voor, 

dat niemand iets van de situatie 

weet. 

De papiermolen, zoals de bijzon– 
dere aanvragen voor de f5-regeling, 
betekent voor zeer veel pleegouders 
een moeizame aangelegenheid. Wij 
hebben ontzettend veel pleeggezin– 
nen met mensen die, zoals dat zo 
fraai heet, niet zo ontwikkeld zijn en 
verbaal niet zo sterk zijn, terwijl het 
fantastische pleegouders zijn. 
Wanneer deze mensen ik weet niet 
wat moeten invullen en van alles 
moeten aanvragen, wordt het werk 
voor hen alleen maar moeilijk. 
Waarom moet dat, als het eigenlijk 
om iets gaat waar zij recht op 
hebben? Waarom moet dat allemaal 
gebeuren? Het blijkt ook dat in veel 
gevallen, de maatschappelijk werkers 
de financiële regeling niet goed 
kennen, niet weten hoe zij iets 
moeten aanvragen en de pleegou– 
ders niet op de hoogte stellen van 
hun rechten. Wij hebben een 
vademecum voor de pleegzorg 
gemaakt. Eigenlijk vragen wij ons af 
waarom wij dat hebben gemaakt en 
waarom dat niet vanuit Den Haag 
komt. ledere pleegouder moet zijn 
rechten en plichten kunnen opzoe– 
ken. Rechten zijn er overigens niet zo 
veel. 

In het geheel zouden wij de 
pleegouder graag zien als gelijk– 
waardig medewerker. Wij hebben 
geen rechten en zeker bij ondertoe– 
zichtstelling hebben wij maar af te 
wachten wat de maatschappelijk 
werker beslist. Erzijn natuurlijk 
uitzonderingen. Erzijn natuurlijk 
goede maatschappelijk werkers, 
mensen die overleg plegen, maar wij 
hebben het nu over de klachten. 

In zeer veel gevallen hebben wij geen 
inzage in rapporten. Ik heb daar in 
mijn eigen situatie wel eens om 
gevraagd, maar ik kreeg de rapporten 
niet te zien. De typiste mag ze 
uittypen, ze mag lezen wat er over 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


mij in een rapport staat, maar ik mag 
het zelf niet inzien. 

Er komen nieuwe richtlijnen voor 
werk– en hulpplannen. Ze zijn ons te 
summier. Ook dit wordt weer 
ingevuld door de begeleider. Als een 
kind in een pleeggezin wordt 
geplaatst, moet een hulpplan worden 
gemaakt waaraan de begeleider, de 
ouder, de pleegouder en zo mogelijk 
het kind allen een bijdrage leveren. Er 
moet overleg plaatsvinden. In het 
hulpplan moeten de reden en het 
doel van de plaatsing worden 
opgenomen. Er moet een behande– 
ling worden voorgesteld. Er moet een 
schatting worden gegeven van de 
tijdsduur van de plaatsing, hoewel je 
dat natuurlijk niet precies kunt 
aangeven. Ook moet een tijdstip voor 
een evaluatie worden vermeld. Ten 
slotte moet worden aangegeven wie 
waarvoor verantwoordelijk is. Wat 
mag een medewerker verwachten 
van een pleeggezin? Wat mag het 
pleeggezin verwachten van de 
andere partij? 

De voorzitter: In de twee AMvB's 
inzake kwaliteitsregels voor de 
jeugdhulpverlening — ik weet niet of 
ze inmiddels al uitgevaardigd zijn — 
zijn deze aspecten in ieder geval 
geregeld Concludeert u dat deze in 
de praktijk niet worden toegepast? 

Mevrouw Bakker-Rothuizen: Er 
moeten wel een hulpplan en een 
werkplan worden gemaakt, maar de 
invulling daarvan geschiedt door de 
maatschappelijk werker. Wij zouden 
dat graag, zo mogelijk met de 
natuurlijke ouder erbij, gezamenlijk 
doen. Als een kind ouder is, kan het 
er ook zelf over meepraten en het 
zelfs medeondertekenen. 

Alle bezuinigingen van de laatste 
tijd zijn natuurlijk prachtig, maar het 
is volkomen korte-termijnpolitiek. 
Alle mislukte plaatsingen, alle 
toestanden die ontstaan door 
plaatsing met weinig begeleiding en 
weinig ondersteuning — kinderen zijn 
weer een relatie kwijt - hebben 
ellendige gevolgen. Deze kinderen 
krijgt de overheid later terug. Zij 
kunnen bijvoorbeeld zelf geen relatie 
leggen met hun eigen kinderen. 

Mevrouw Bijl: Ik kom op het recht op 
eerbiediging van het gezinsleven en 
de doorwerking daarvan. Op welke 
manieren wordt dat recht geschon– 
den? Er zijn natuurlijk verschillende 
situaties. Ik noem het omgangsrecht 
en wegloopsituaties. Na een 

beëindiging van een OTS zouden de 
rechter en de voogdes of voogd de 
plicht moeten hebben om het gezag 
weer over te dragen aan de ouders. 
Ik denk aan artikel 1, het recht op 
bescherming, op eerbiediging van 
het gezinsleven. Het moet niet alleen 
gaan om het recht op eerbiediging, 
maar ook om de verzekering van dat 
recht door de Staat. Door te vluchten 
in lid 2 van artikel 8 van het EVRM 
onttrekt de Staat zich steeds aan 
verdragsplicht (artikel 1). De Staat 
vlucht dus voor zijn verplichtingen. Er 
is sprake van een autoritaire 
belangenbehartiging en van een 
belangenverstrengeling in plaatsvan 
de behartiging van rechten. Dit dient 
ons inziens te worden teruggebracht. 

In het familierecht staan wij toe dat 
de rechter de grondslag van de 
rechtsstaat verlaat en zich bezig– 
houdt met autoritaire belangenbehar– 
tiging. De klok is dus in wezen 
teruggedraaid. De winst van de 
rechtsstaat wordt ook aan kinderen 
onthouden. De rechtsstaat is nu 
uitgevonden als betere garantie voor 
welzijn voor de burgers. Hierbij is 
sprake van dreiging van usurpatie 
door de Staat: het zogenaamde 
legaliteitsbeginsel. Erzijn voorbeel– 
den van te noemen. Bij het niet-nale– 
ven van de omgangsregeling 
onthoudt de Staat zich van sancties. 
Voor het overige kan ik mij vinden in 
hetgeen mevrouw Bakker zojuist 
heeft gezegd. Zij heeft al veel gras 
voor mijn voeten weggemaaid. 

De voorzitter Dat is het risico van 
het hebben van twee inleiders. Maar 
wij dachten dat het toch aardig was 
om de verschillende posities in de 
discussie te betrekken. 

Mevrouw Ammerlaan: Ikwil 
reageren op hetgeen mevrouw 
Bakker heeft gezegd. Zij zou het liefst 
een behandelingsplan zien dat mede 
wordt opgesteld door pleegouders, 
natuurlijke ouders, minderjarige en 
de gezinsvoogdij. Als je met al die 
partijen om de tafel komt, is er al 
bijna geen justitiemaatregel meer 
nodig. Dat zou dan dus in het 
vrijwillige circuit kunnen. 

Mevrouw Bakker-Rothuizen: Ik 
denk dat dit zeker ook bij een 
vrijwillige plaatsing moet gebeuren. 
Er zijn nu vrijwillige plaatsingen 
waarbij het kind binnenkomt, maar er 
a la minute ook uit kan wandelen. Dat 
is zonde van het geld. Het is ook 
zonde voor de pleeggezinnen, want 

die haken af als er geen regeling is. 
Ik pleit dus zeker ook voor een 
dergelijke overeenkomst bij vrijwillige 
plaatsingen. Die dient door iedere 
betrokkene te worden ondertekend, 
opdat men zich daaraan houdt. 

De heer Lankhorst (Groen Links): Ik 
dank degenen die een inleiding 
hebben gehouden. Wij hebben dit 
thema op de agenda geplaatst, 
omdat normen en waarden natuurlijk 
een rol spelen bij wat in de jeugd– 
hulpverlening plaatsvindt. Dat geldt 
voor iedereen, ook voor de commis– 
sieleden. Ook bij hen vind je natuur– 
lijk een breed spectrum van normen 
en waarden inzake de invalshoek van 
de rechten en plichten van minderja– 
rigen, ouders en pleegouders. Het 
geldt ook voor iedereen die in de 
jeugdhulpverlening werkzaam is, 
zoals maatschappelijk werkers en 
kinderrechters. Bij alle uitspraken die 
men doet en bij alle stukken die men 
schrijft, spelen die normen en 
waarden impliciet een bepaalde rol. 

Wij staan nu voor de vraag of je als 
wetgever meer moet regelen. Of ben 
je klaar door te zeggen: wij weten dat 
de normen en waarden veranderen. 
Toen de wetgever de nu van kracht 
zijnde wetten maakte, waren die 
normen en waarden anders dan zij 
thans zijn. Wij worden bij het recht 
op eerbiediging van het gezinsleven 
natuurlijk vaak geconfronteerd met 
het Europees verdrag inzake de 
rechten van de mens, dat is ge– 
noemd. Moet de wetgever, die dat 
weet, die zich dat realiseert en die dit 
vaak voor de voeten geworpen krijgt, 
hierin verdergaan? Je komt dan in 
een buitengewoon boeiende politieke 
discussie terecht. Je moet dan kijken 
of je tot iets gemeenschappelijks 
komt dat in de wet kan worden 
opgenomen. Of misschien moet je 
dat toch niet doen, want dat heeft 
natuurlijk ook nadelen. Dan is het de 
vraag of maatschappelijke ontwikke– 
lingen daardoor bevorderd worden of 
juist niet. Het antwoord op die vraag 
kan afhangen van de wijze waarop je 
tegen de huidige ontwikkelingen 
aankijkt. 

Deze algemene inleiding is 
bedoeld als een uitdaging aan de 
verschillende genodigden om hierop 
in te gaan. Ik wil graag weten of 
betrokkenen geconfronteerd worden 
met de normen en waarden van 
maatschappelijk werkers en kinder– 
rechters — die hebben wij tenslotte 
allemaal - en ook of zij vinden dat 
men daar op een verstandige manier 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


mee omgaat. Mevrouw Bakker, die in 
eerste instantie opkomt voor de 
rechten van de pleegouders, noemde 
in dit verband een aardig voorbeeld. 
Zij heeft met veel nadruk gewezen op 
haar respect voor de natuurlijke 
ouders. Ik vraag mij af of men dit 
soort zaken in andere gevallen ook 
tegenkomt. Het kan gebeuren dat 
men vindt dat dit in te sterke mate 
gebeurt. Ik houd de vraagstelling wat 
dit betreft min of meer open. 

Er is binnen de pleegzorg een 
discussie gaande over de vraag of je 
pleegouders moet zien als gelijk– 
waardige medewerkers, zoals 
mevrouw Bakker naar voren bracht. 
Dan worden de pleegouders op een 
lijn geplaatst met de professionele 
hulpverleners. Ik vraag mij af of veel 
pleegouders hun positie toch niet 
anders zien. Zij menen eerder dat zij 
in de plaats komen van de natuurlijke 
ouders. Dan komt het recht op 
eerbiediging van het gezinsleven er 
anders uit te zien. Je zou je dan 
kunnen voorstellen dat pleegouders, 
op grond van hun "belangen", eerder 
dat recht tot gelding willen brengen. 
Zij kijken op een heel andere wijze 
tegen de situatie aan dan professio– 
nele hulpverleners. Ik zou hier graag 
de opvatting van mevrouw Bakker 
over horen. Je zou het recht op 
eerbiediging van het gezinsleven 
bijvoorbeeld tot gelding kunnen 
brengen door de positie van pleegou– 
ders te versterken. 

Aan de BM wil ik de volgende 
vraag stellen. ledereen wordt wel een 
beetje warm als het gaat om de 
eerbiediging van het gezinsleven. 
Wordt de minderjarige daar eigenlijk 
ook warm van? Hoe kijkt die er 
tegenaan? Vindt een minderjarige dit 
ook belangrijk? 

De heer Leerling (RPF): Mijn vraag 
sluit wonderschoon aan op de 
woorden van de heer Lankhorst. Wat 
dit betreft, groeit de consensus. Ik 
kom terug op de woorden van 
mevrouw Bakker, die een lans heeft 
gebroken voor de natuurlijke ouders. 
Ik herhaal de vraag die ik ook heb 
gesteld aan het slot van de bespre– 
king van het vorige thema. Als de 
NVP als vertegenwoordiger van de 
pleegouders en ook anderen dit 
constateren, is dan op enigerlei wijze 
te verklaren dat men niet in de eerste 
plaats zoekt naar een oplossing in 
het gezin? Men kan de natuurlijke 
ouders bijstaan als zij in een bepaal– 
de conflictsituatie te kort schieten. 
Logischerwijs kan het probleem dan 

"goedkoper", gemakkelijker en naar 

grotere tevredenheid worden 

opgelost. Die route wordt kennelijk 

niet gekozen, afgaande op hetgeen 

mevrouw Bakker en ook anderen 

zeggen. Ligt daar een gedachten– 

goed achter? 

Mevrouw Bakker-Rothuizen Ik zal 
eerst de vraag van de heer Leerling 
proberen te beantwoorden. Voor een 
groot deel schort het aan deskundig– 
heid. Je komt in een gezin waar een 
heleboel moeilijkheden zijn — 
hetzelfde gebeurt overigens in een 
pleeggezin waar heel veel moeilijkhe– 
den zijn — en dan haal je het kind 
eruit. Je hoeft dan verder niet te 
zoeken naar oplossingen. Je hoeft je 
niet af te vragen welke deskundig– 
heid ingeschakeld moet worden. Je 
denkt als volgt: ik weet het niet dus 
ik haal het eruit en dan zet ik het 
ergens anders. Ik zeg het nu heel 
zwart/wit. 

Mijnheer Lankhorst, wij zeggen niet 
dat wij als officiële hulpverleners 
benaderd willen worden, maar wij 
willen op een gelijk niveau benaderd 
worden. Het moet niet zo zijn dat de 
maatschappelijk werker ons thuis 
komt vertellen hoe wij het allemaal 
precies moeten doen en dat ons 
pleegkind wordt weggehaald als wij 
het niet precies zo doen. Dat is ook 
weer zwart/wit. Wat het gezinsleven 
betreft, om als gezin te leven hoef je 
geen natuurlijke ouder te zijn. Dat 
kan ook een heel andere samenstel– 
ling zijn. Ook het recht op "family 
life" slaat niet alleen op een gezin 
met natuurlijke ouders. Ik weet niet 
of dit een antwoord is op de vraag 
van de heer Lankhorst. 

De heer Lankhorst (Groen Links): 
Jazeker, maar dan begint de 
discussie met de anderen pas. 

De voorzitter: Ik stel voor, eerst het 
woord te geven aan mevrouw Bijl en 
daarna aan de BM. 

Mevrouw Bijl: Ik ben het er niet 
helemaal mee eens. Wanneer een 
"deskundige" hulpverlener te hulp 
zou schieten bij een crisissituatie in 
een gezin en een wat langere adem 
zou hebben dan nu het geval is bij die 
hulpverlening, werden de problemen 
mijns inziens heel wat vaker opgelost 
en waren er ook niet zoveel pleegge– 
zinnen nodig. Als er echter geen 
oplossing kan worden gevonden voor 
de problematiek in het gezin met 
natuurlijke ouders, dan is er sprake 

van een rechterlijke maatregel en 

wordt het kind geplaatst bij een 

pleeggezin. Dan is het vooral bij een 

voorlopige OTS van cruciaal belang 

dat er begeleiding plaatsvindt door 

een goede deskundige, zodat het 

kind eventueel terug kan keren naar 

de natuurlijke ouders. Daar moeten 

mogelijkheden voor gezocht worden 

en dat gebeurt nu in de praktijk niet. 

De criteria daarvoor zijn zeer laag. 

Ik heb de criteria getoetst - men 

mag het beschamend vinden of niet 

- die gesteld worden aan pleegou– 
ders. Ik was daar meuwsgieng naar. 
De hulpverlener en de rechterlijke 
macht achten ons als ouders dus 
incompetent om ons kind op te 
voeden. Ik heb mij voorts bij dezelfde 
maatschappelijke instelling aange– 
meld als pleegouder. Na het invullen 
van een A4, waarin de vragen 
stonden hoe ik over seksualiteit, de 
pil, vriendjes, drugs, uitgaan enz. 
dacht, kon ik na twee weken zo een 
pleegkind naar binnen geworpen 
krijgen. Ik vind dat zeer beschamend, 
vooral als men weet dat je binnenste– 
buiten gekeerd moet worden als je 
adoptieouder wil worden. Ikvind 
deze criterïa zeer laag. De heer 
Burgman zei al dat de cruciale 
punten bij het opvoeden zijn: 
vriendje, laat uitgaan, zakgeld enz. 
Als de ouders dan geholpen zouden 
worden door deskundige hulpverle– 
ners, werd een heleboel geld 
bespaard, want dan zouden conflic– 
ten opgelost worden en de kinderen 
zouden dan gewoon bij de natuurlijke 
ouders kunnen blijven. 
De heer Van Megchelen Het 
allerbeste voor een kind is natuurlijk 
een goed functionerend gezinsleven. 

Dat denken wij ook. Naar onze 

mening is er het recht op eerbiedi–. 
ging van het gezinsleven zolang de 

minderjarige dat wil. Als de minder– 
jarige het niet uithoudt in het gezin 
en er door middel van hulpverlening 
geen opiossing kan worden geboden, 
moet er toch wel degelijk gekeken 
worden naar pleeggezinnen. Wij 
prefereren pleeggezinnen natuurlijk 
boven een tehuis. In een tehuis is er 
een opeenstapeling van probleemge– 
vallen, terwijl een pleeggezin in 
sommige gevallen heel goed een 
vervangend gezinsleven kan bieden. 
Als het kind in een pleeggezin goed 
functioneert, dan zien wij dit ook als 
"family life". Wij vinden dat het kind 
dan niet snel overgeplaatst moet 
worden, tenzij het kind aangeeft dat 
het de pleegouders niet ziet zitten. In 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


feite is het een vrij toevallige zaak, 
welke pleegouders je krijgt toegewe– 
zen. Hieruit is volgens ons een deel 
van de mislukkingen tussen pleegou– 
ders, goedwillende pleegouders en 
kinderen te verklaren. 

Wij vinden verder dat de omgang 
met de natuurlljke ouders heel 
belangrijk is. Als deze echter 
dwangmatig wordt ingesteld, dan 
kornt dit het contact tussen ouders 
en kinderen niet ten goede. De 
kinderen krijgen dan vaak een hekel 
aan de ouders, die zij verplicht 
moeten zien. Als de omgangsrege– 
ling niet verplicht is, kan het goed 
zijn dat een kind na enige tijd zelf 
weer de behoefte krijgt om zijn 
ouders te spreken. Het zal dan naar 
zijn ouders kunnen toestappen 
zonder dat er een blokkade is 
opgeworpen door een verplichte 
omgangsregeling. 

Een goed gezin is natuurhjk altijd 
beter dan een tehuis of een pleegge– 
zin. Dat staat buiten kijf. Als proble– 
men binnen het gezin opgelost 
kunnen worden, dan is dit een heel 
goede zaak. 

De heer Dijkstal (VVD): Je kunt een 
normatieve discussie voeren over de 
eerbiediging van het gezinsleven en 
de rol van de wetgever hierin. Maar 
je kunt eenzelfde normatieve 
discussie voeren over het belang van 
het kind en de rol van de wetgever. Ik 
denk aan adoptiewetgeving, of 
bedreiging met zedelijke en lichame– 
lijke ondergang. Ook al wordt 
hierover op zichzelf in de wet weinig 
gezegd, dan krijgt het door de 
jurisprudentie die eruit ontstaat, toch 
zijn lading. De heer Rijks had hierin 
gelijk vanmorgen. Deze lading kan 
veranderen in de tijd, omdat de 
maatschappelijke ontwikkelingen 
veranderen. Hierin zit een heel stuk 
"normen en waarden". 

Ikwil graag een open vraag stellen 
en ik hoor wel wie deze vraag wil 
beantwoorden. Is iemand er een 
voorstander van om die bepalingen 
uit de wet te halen? Dus om niet 
kwalitatief-inhoudelijk te regelen 
waar het om gaat, maar slechts 
die personen in de wet te vermelden 
die het gezag uitoefenen over 
kinderen? Er staat dan nergens meer: 
"in het belang van het kind" of 
"zedelijke of lichamelijke onder– 
gang". Er staat dan slechts: er zijn 
kinderen bij nature en degenen die 
hierover het gezag uitoefenen tot een 
bepaalde leeftijd zijn die en die 

personen. Ik laat verder in het 
midden wie dit zijn. 

De heer Rijks: Ik zou hierover niet zo 
snel iets negatiefs weten te zeggen. 
Het lijkt mij normaal dat ouders en 
kinderen een vertrouwensrelatie 
hebben. Daar gaan wij althans van 
uit. Of die ouders dan een man en 
een vrouw, twee vrouwen of twee 
mannen zijn, zal mij uiteindelijk een 
zorg zijn. De heer Leerling zal dit niet 
zo waarderen, maar in die zin sluit ik 
mij bij de heer Dijkstal aan. 

Je moet echter kijken hoe hiermee 
in de praktijk wordt omgegaan. In dat 
opzicht sluit ik mij wel enigszins aan 
bij de heer Leerling. Neem bijvoor– 
beeld een maatschappelijk werker die 
in Culemborg is opgeleid of een 
maatschappelijk werker die aan de 
Karthuizer in Amsterdam is opgeleid. 
Hier heb je te doen met twee 
tegenstellingen. De ene academie is 
een christelijke sociale academie en 
de andere niet Aan verschillende 
academies bestaat een sectie 
vrouwenstudies. De afgelopen 
twintig jaar is de ontwikkeling 
meegegaan met de feministische 
golf. Ik beantwoord hiermee de vraag 
van de heer Leerling. Die normen 
bestaan dus niet alleen bij mij en bij 
de heer Leerling, maar ook binnen de 
raden. De maatschappelijk werker 
vermeldt niet in zijn rapport welke 
levensvisie hij heeft. Het feminisme 
heeft zich tot nu toe gemanifesteerd 
als het anti-gezinsdenken in de zin 
van: gezinnen moeten uit elkaar 
gehaald worden, als het even kan. 
Vele maatschappelijk werkers 
hebben impliciet deze achtergrond. 
Ik beschik over rapporten waarin 
men dit kan lezen. Ik kan hier 
bewijsmateriaal voor aandragen. 
Sinds de verzuiling, sinds 1900 — 
met het hoogtepunt in de jaren vijftig 

— heeft iedere levensbeschouwing 
haar eigen maatschappelijk werk. 
ledereen kreeg hulp vanuit het eigen 
normen– en waardenpatroon. 
Officieel bestaan die instellingen nog 
onder die naam maar feitelijk is het 
één grote brij en één pot nat. Er 
wordt met professionele hulpverle– 
ners gewerkt, die gesubsideerd 
worden door de staat. Als er een 
gezin met problemen is, dan staat 
niet het probleem van het kind, het 
gezin centraal. Afhankelijk van de 
visie van de maatschappelijk werker 
wordt in het ene geval uithuisplaat– 
sing geadviseerd en in het andere 
geval hulpverlening binnen het gezin. 
Zo liggen de kaarten op dit moment 
na 20 jaar feministische golf. 

Ouders zijn tegenwoordig man– 
vrouw, vrouw-vrouw of man-man. 
Dat kan tegenwoordig allemaal. De 
ouders die als vrouw-vrouw hun 
kinderen opvoeden krijgen precies 
dezelfde problemen. Die gaan ook uit 
elkaar en krijgen ook ruzie. Op grond 
van dezelfde regels worden precies 
dezelfde beslissingen genomen Het 
is in ieders belang — ook vanuit de 
feministische visie gezien — dat 
hiermee op een meer neutrale wijze 
wordt omgegaan. 

De heer Leerling (RPF): Ik laat mij 
niet uit over de waardering van 
hetgeen u zegt. Heeft u de situatie 
vanwege de duidelijkheid zwart-wit 
geschilderd? Of ligt het iets genuan– 
ceerder? 

De heer Rijks: Wat ik zeg is in 
zoverre ongenuanceerd, dat ik het 
zwart-wit geschetst heb. Tussen 
gedwongen contact en vrijwillig 
contact zit een hele wereld aan 
stimuleringsmaatregelen om te 
bereiken, dat een kind na weggelo– 
pen te zijn gedwongen/vrijwillig-vrij– 
willig/gedwongen contact gaat 
zoeken. Zo is het met mijn zwart-wit– 
schets ook. 

De heer Leerling (RPF): Spoort dat 
met hetgeen mevrouw Bakker zoëven 
heeft gezegd? Als de maatschappe– 
lijk werker er zich mee gaat bemoei– 
en, is niet de eerste vraag: wat kan in 
de relatie tussen de minderjarige en 
de natuurlijke ouder nog thuis 
worden gedaan? Dat hoofdstuk 
wordt gewoon overgeslagen 
vanwege die visie of de genoten 
opleiding? 

Mevrouw Doelman-Pel (CDA): 
Mensen hebben een bepaalde visie. 
De vraag rijst, of het over een 
vooroordeel gaat, iets geheel anders 
dan een visie. Op basis van een visie 
kun je beargumenteren, waarom je 
tot iets gekomen bent. Kunt u 
duidelijk maken, wat u hebt gezegd? 
Kunt u voorbeelden geven dat het 
inderdaad om een visie of een 
vooroordeel gaat? Dit hangt nauw 
samen met de discussie over normen 
en waarden. 

De heer Rijks: Er staat niet bij vanuit 
welke levensbeschouwing, visie of 
vooroordeel de rapporten worden 
geschreven Ik heb zwartboeken 
vanaf I970 over de kinderbescher– 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


ming. In een aantal zwartboeken 

staan die vooroordelen. Wij kunnen 

op dit punt bewijzen naar voren 

brengen. 

Mevrouw Bakker-Rothuizen: 
Wanneer een maatschappelijk werker 
alleen met eigen normen en waarden 
werkt, is hij volkomen ondeskundig. 
ik heb jaren gewerkt in de gespeciali– 
seerde gezinsverzorging, bij gezinnen 
met psycho-sociale problemen. Het 
eerste, wat in de opleiding wordt 
geleerd is: laat je eigen normen en 
waarden thuis. Natuurlijk moet je je 
niet laten schaden in jezelf-zijn. Leg 
nooit een ander jouw normen en 
waarden op. 

De heer Rijks: Het is dan goed om 

te weten wat mijn achtergrond is. Ik 

heb de sociale academie doorlopen. 

Ik ben ook jurist. Ik weet waar ik het 

over heb. 

De heer Lankhorst (Groen Links): 

Het blijft bij dit soort werk natuurlijk 

altijd de vraag in welke mate je je 

eigen normen en waarden thuis kunt 

laten. Dat je dat leert lijkt mij juist. 

Als ik interviews met bijvoorbeeld 

kinderrechters lees, heb ik niet altijd 

de indruk dat zij hun normen en 

waarden thuis laten. 

Mevrouw Bijl heeft gezegd dat 
door meer deskundigheid een aantal 
kinderen niet in de pleegzorg terecht 
behoeven te komen. Dat bestrijd ik 
nu niet, maar ik neem aan dat zij niet 
uitsluit dat er situaties zijn waarin 
pleegzorg wel noodzakelijk is. Kan zij 
het eens zijn met mevrouw Bakker 
dat pleegouders een gelijkwaardige 
positie moeten hebben en gelijkwaar– 
dige medewerkers zijn? Een stapje 
verder kan misschien weer in het 
geval van een deel van de kinderen in 
de pleegzorg, kinderen waarvan je 
weet dat zij op den duur niet meer bij 
de natuurlijke ouders terug zullen 
komen, gesproken worden van een 
recht op eerbiediging van het 
gezinsleven van pleegouders, zoals 
de BM bijvoorbeeld naar voren bracht. 

Mevrouw Bijl: Dat is in tweede 
instantie zeker zo. Daar kan ik mij wel 
in vinden. De fout waarvoor wij nu bij 
elkaar zitten is, dat het in eerste 
instantie niet gebeurt Ik kom even 
terug op het maatschappelijk werk. 
De vraag waar de heer Leerling mee 
kwam wordt eigenlijk overgeslagen. 
Men stelt zich direct achter het kind 
op. Het kind wil dit niet en het kind 
wil dat niet. Men gaat niet in dialoog. 

Men gaat totaal voorbij aan normen 

en waarden. 

Mevrouw Doelman-Pel (CDA) Van 

het eigen gezin? 

Mevrouw Bijl: Ja. 

De heer Lankhorst (Groen Links): Ik 
vind uw antwoord belangrijk omdat je 
daaruit ziet, dat het nooit een 
zwart-witsituatie is. Er kan veel 
verbeterd worden, maar u sluit niet 
uit dat er pleegzorg is en dat 
pleegouders op een gegeven 
ogenblik bepaalde rechten tot 
gelding kunnen brengen. 

Mevrouw Bijl: Zeker! Ik maak daar 
nog een kanttekening bij. Wanneer 
uithuisplaatsing plaatsvindt met 
gegronde redenen, zouden strafbare 
feiten uit de zaak gelicht moeten 
worden en ondergebracht moeten 
worden bij het openbaar ministerie. 
Dat gebeurt nu niet. Wanneer er 
strafbare feiten zijn gepleegd, het 
kind moet worden ondergebracht bij 
een pleeggezin en niet kan terugke– 
ren bij de natuurhjke ouders, wil ik 
zeker pleiten voor de eerbiediging 
van het gezinsleven van het pleegge– 

De heer Lankhorst (Groen Links): Is 
de heer Rijks het met mevrouw Bijl 
eens dat er situaties zijn waarbij 
pleeghulp de aangewezen vorm van 
hulpverlening is en dat in die situatie 
pleegouders gelijkwaardig behandeld 
moeten kunnen worden? Moeten zij 
gelijkwaardige medewerkers kunnen 
zijn en, een stapje verder, als de 
pleegkinderen er langdurig zullen 
blijven een recht op eerbiediging van 
het gezinsleven kunnen laten gelden? 

De heer Rijks: Er zullen situaties zijn 
waarin dat zal moeten. Er zullen 

kinderen zijn die definitief bij hun 
ouders weggaan en in een pleegge– 
zin worden geplaatst, waar zij groot 
zullen worden en van waar uit zij hun 

leven zullen vervolgen. Dat zal nodig 
zijn. Wij lezen dagelijks in de krant 
over afschuwelijke dingen, dus daar 
hoeven wij geen doekjes om te 
winden. Ik zeg er onmiddellijk bij dat 
er een groot aantal waarborgen 
zullen moeten zijn. Wij hebben het 
daar de hele ochtend al over gehad. 
Die waarborgen zijn er niet en 
daarom zijn er zoveel klachten. 
Omdat die waarborgen er niet zijn, 
wordt te gemakkelijk met dit soort 
zaken omgegaan, snijdt men een kind 

te snel van zijn natuurlijke ouders af, 
is er niet de lichte drang om toch het 
contact met de eigen ouders te 
herstellen. Wat is er aan de hand? 
Een kind kan om heel legitieme 
redenen weglopen. Vervolgens wordt 
het dan uit huis geplaatst, waardoor 
het niet meer gedwongen is om de 
problemen die het zelf heeft, binnen 
het ouderlijk gezin op te lossen. In 
het nieuwe gezin ontstaan dan vaak 
dezelfde problemen, omdat ze 
inherent zijn aan het kind. Als er de 
waarborg zou zijn dat een kind door 
lichte drang vanuit de nieuwe situatie 
verplicht wordt om met zijn natuurlij– 
ke ouders de problemen op te lossen, 
wordt er ook effectief met die 
problemen omgegaan. Die dwang is 
er nu niet. Dat is de grote makke die 
ik zie. Er wordt wel materiële hulp 
verleend, in de zin van bijstand voor 
zelfstandig wonen en het beschik– 
baar stellen van geld voor plaatsing 
in een pleeggezin, maar er is te 
weinig immateriële hulp, in de zin 
van een zekere dwang — en dan niet 
zo van: je moet — om kinderen ertoe 
te brengen om hun problemen aan te 
pakken. 

De heer Van Megchelen: Stimula– 

tie! 

De heer Rijks: Inderdaad, stimulatie. 
Nu zie je te vaak dat kinderen te 
gemakkelijk materieel geholpen 
worden, waardoor ze hun problemen 
niet meer behoeven op te lossen. Ze 
blijven dan met die problemen zitten, 
waardoor ze er elders ook weer 
tegenaan lopen en zo in een vicieuze 
cirkel terecht komen. Uiteindelijk 
komen ze dan — en daar heb ik 
rapporten van gezien — soms in de 
heroïnescene terecht en gaan ze naar 
de verdommenis. Dan vraag ik mij af 
waar wij met elkaar mee bezig zijn. 

De voorzitter: Het lijkt mij wel 

interessant om de reactie van de BM 
hierop te horen. 

De heer Van Megchelen: De heer 

Rijks heeft het over lichte dwang, 
stimulatie, maar hoe ziet hij dat 
precies? Ik ben het met hem eens dat 
het heel goed zou zijn als de jongere 
in kwestie nadenkt over de proble– 
men die zijn ontstaan en dat hij zijn 
eigen rol daarin erkent. Als er een 
probleem is tussen kind en ouders, 
slaat het op beide partijen. Het zou 
goed zijn als er goede hulpverleners 
waren die, zoekende naar een 
oplossing, dit trachten uit te praten 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


met zowel ouders als kinderen. Ik 
denk echter dat het ontbreekt aan 
mensen die dit goed kunnen, die dus 
zowel de ouders als het kind goed 
begrijpen en die daartussen een 
goede dialoog op gang kunnen 
brengen. 

De heer Rijks: We hebben nu twintig 
jaar vrijheid achter de rug. ledereen 
is zo doordrongen van die vrijheid, 
dat individualisme, dat vrouwen, 
kinderen en noemt u verder maar op, 
allemaal hun eigen rechten willen 
hebben. Het individualisme heeft 
ertoe geleid dat men niet meer in 
staat en bereid is om, desnoods 
onder lichte dwang, bestaande 
problemen op te lossen. Wat is er 
belangrijker dan op goede voet te 
blijven met je natuurlijke ouders. Dat 
is zelfs van belang ingeval van incest, 
teneinde herhaling in de toekomst te 
voorkomen. Daar is onder andere in 
Amerika door Nagy uitgebreid 
onderzoek naar gedaan. Hij gaf het 
belang aan van het voortzetten van 
familieverbanden. Ik kan mij best 
voorstellen dat het soms nodig is om 
zo'n band definitief door te snijden, 
maar na zo'n twintig jaar vrijheidside– 
ologie moet er maar eens een punt 
achter worden gezet. We moeten 
weer eens een andere weg gaan 

bewandelen. Daarvoor zitten we hier. 
We zitten hier niet voor de vaak te 
praten. Ik zit hier ook niet om een 
hele dag van mijn werktijd te verdoen 
en daarom vind ik dat ik ook een 
grote mond mag hebben. Er moeten 
resultaten zijn, want ik moet er veel 
voor opofferen om hier te zijn. 

Mevrouw Bijl: Ik kan mij hierin 
vinden. 

De heer Leerling (RPF): Is de heer 
Rijks van mening dat in dit soort 
situaties de kinderrechter een rol zou 
kunnen en moeten spelen. Zou hij, 
alvorens een maatregel uit te 
vaardigen, alles moeten onderzoeken 
wat mogelijk is om tot herstel van de 
relatie te komen? Zou hij daartoe 
eventueel advies moeten inwinnen, 
zodat al het mogelijke wordt gedaan 
om de relatie tussen de natuurlijke 
ouders en het kind te herstellen? 

De heer Rijks: Ik denk dat de 
kinderrechter daar een heel grote rol 
in speelt en zou moeten spelen. Het 
zijn allen kinderrechters die in de 
jaren zeventig groot zijn geworden. 
Zij hebben allen die vrijheidsideolo– 
gie. Ik ben, door ervaring wijs 

geworden, een beetje anders gaan 
denken. Maar ik heb gezien dat een 
hoop kinderrechters niet door 
ervaring wijs zijn geworden. Zij gaan 
gewoon op de oude weg verder. En 
daar moeten wij het dan eens over 
hebben. 

Mevrouw Bijl: Dat heb ik ook 
meegemaakt met een kinderrechter. 
Een kinderrechter wordt door een 
hulpverlener die een andere visie 
hierop heeft, uitgenodigd om erover 
te komen praten. Het gesprek wordt 
's nachts om twee uur beëindigd en 
de hulpverlener vraagt aan de 
kinderrechter of zij een betere kijk op 
de zaak heeft. Daarop antwoordt ze: 
"ja, dat kan allemaal wel wezen, 
maar uiteindelijk beslis ik." Dat komt 
over als machtswellust. En dat kan 
nooit in het belang van het kind zijn. 

De vergadering wordt van 13.05 uur 
tot 14.00 uur geschorst. 

Thema 4: De externe controle op 
het functioneren van de organi– 
saties voor de kinderbescher– 
ming (waaronder: de behande– 
ling van klachten, de vertaling 
van klachten in eventuele 
beleidswijzigingen, de taken van 
het ministeriële toezicht op de 
kinderbescherming). 

De voorzitter: Wij hebben de BM 
gevraagd, dit thema voor te berei– 
den. Ik geef het woord aan de heer 
Van Megchelen. 

De heer Van Megchelen: Mevrouw 
de voorzitter! Ons is door de 
subcommissie gevraagd, een 
inleiding te geven over het onder– 
werp externe controle op het 
functioneren van de organisaties 
voor de kinderbescherming. De twee 
belangrijkste instrumenten waarmee 
externe controle uitgeoefend kan 
worden, zijn een klachtenregeling en 
een inspectie. Deze instrumenten 
licht ik toe. 

Voor het klachtrecht verwijzen wij 
ook naar het model-klachtrecht dat 
wij aan verschillende instanties 
hebben gestuurd ter verbetering van 
het klachtrecht. De basisvoorwaar– 
den voor een goed werkend klacht– 
recht zijn een onafhankelijke 
klachtencommissie en een externe 
beroepsmogelijkheid. Sinds kort 
moeten voogdij– en gezinsvoogdij– 
instellingen volgens de Wet op de 
jeugdhulpverlening over een 

klachtenregeling beschikken. De 
wetgeving geeft hieraan echter geen 
uitwerking. De voogdij– en gezins– 
voogdij-instellingen moeten zelf een 
klachtenregeling opstellen. Voor 
zover zij dit gedaan hebben, ont– 
breekt aan hun regelingen zowel een 
onafhankelijke klachtencommissie als 
de mogelijkheid tot extern beroep. In 
de praktijk leidt de bestaande 
verplichting dus niet tot goede 
externe controle, doordat de 
wetgever heeft nagelaten, hieraan 
een uitwerking te geven. De raden 
voor de kinderbescherming beschik– 
ken wel over een onafhankelijke 
klachtencommissie, maar ook daar 
ontbreekt een externe beroepsmoge– 
lijkheid. Helaas hebben wij nooit 
kunnen vaststellen dat klachten tot 
beleidswijzigingen in de desbetref– 
fende instelling leidden. 

Aangezien de huidige klachtenre– 
gelingen veelal geen externe 
controlemogelijkheid bieden, blijft 
voor de klager de mogelijkheid over, 
zijn klacht schriftelijk aan de inspec– 
tie kenbaar te maken. Wegens onze 
ervaringen met de werkwijze van de 
inspectie van justitie hebben wij het 
vertrouwen in deze instantie 
opgezegd. Ik geef enkele voorbeel– 
den van deze werkwijze. 

Een jongen belde naar de inspectie 
op met een klacht over een voogdij– 
instelling. Hij kon gebrekkig schrijven 
en er was enige haast geboden. De 
inspectie zei, alleen schriftelijke 
klachten te accepteren. Als wij ons er 
niet mee bemoeid hadden, was die 
jongen gewoon afgepoeierd. Nadat 
de klacht door ons was ingediend, 
schriftelijk, mocht de voogdij-instel– 
ling schriftelijk reageren. Naar 
aanleiding van deze reactie bepaalde 
de inspectie haar standpunt dat de 
klacht ongegrond was. De jongen is 
niet gevraagd, zijn klacht toe te 
lichten of op het verhaal van de 
voogdij-instelling te reageren. Het 
verhaal van de voogdij-instelling 
werd zonder meer voor waar 
aangenomen. Later zijn wij naar de 
Nationale ombudsman gestapt, die 
deze handelwijze heeft afgekeurd. 

De afhandeling van de klacht door 
het ministerie, een eenvoudige zaak 
genoemd, duurde maar liefst vijf 
maanden. Ik vraag mij af hoelang het 
duurt om een niet eenvoudige klacht 
te onderzoeken. 

In 1985 kwamen wij met een 
zwartboek over Zetten, waarin een 
aantal serieuze klachten van 
bewoonsters en ex-bewoonsters 
stond. De inspectie wilde deze 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


klachten niet onderzoeken, omdat de 
klagers anoniem wilden blijven. Er 
gebeurde dan ook niets met deze 
klachten. In 1985 verklaarde een 
meisje tegenover de inspectie dat zij 
seksueel misbruikt was door 
Finkensieper, de ex-directeur van 
Zetten. De inspectie drong op 
aangifte aan en zou er niets aan 
doen, als deze er niet kwam. Het 
laatste is ook gebeurd, omdat het 
meisje weigerde aangifte te doen en 
anoniem wilde blijven. Wij constate– 
ren dat de inspectie slecht toeganke– 
lijk, langzaam en weinig actief is. Met 
betrekking tot de toegankelijkheid 
moet veel verbeterd worden. 
Hierbij denken wij vooral aan de 
mogelijkheid tot het vormvrij indienen 
van klachten. De inspectie moet haar 
eigen verantwoordelijkheid onderken– 
nen en niet passief afwachten tot er 
overduidelijk iets mis is, zoals 
bijvoorbeeld in Zetten is gebeurd. 
Bovendien moet zij bij klachten niet 
alleen de instelling maar zeker ook de 
betrokken minderjarigen horen en 
serieus nemen. Wellicht zou het 
hellzaam zijn om de taken van de 
inspectie van Justitie over te dragen 
aan de inspectie van de jeugdhulp– 
verlening van WVC, mede omdat 
hiermee voorkomen wordt dat 
Justitie zichzelf controleert. 

Gezien de huidige externe controle 
is het niet mogelijk, misstanden 
adequaat op te lossen. Veel jongeren 
zien het daarom niet zitten om te 
klagen. Wij vinden dit een kwalijke 
zaak omdat het enerzijds geen recht 
doet aan de jongeren en omdat het 
anderzijds de instelling ontbreekt aan 
informatie die zou kunnen leiden tot 
structurele verbetering van de 
kwaliteit van de hulpverlening. 

De heer Rijks: Mevrouw de voorzit– 
ter! Ik spreek tevens namens het 
platform Laat Ouders Ouders Blijven. 
Dat bestaat uit de stichtingen De 
Dwaze Vaders, Omgangsrecht 
Kinderen, Scheiden en Blijvend 
Ouderschap, de Organisatie Geschei– 
den Mensen en de Vereniging 
Ouders voor Kinderen. 

Externe controle op het functione– 
ren van de organisaties voor 
kinderbescherming veronderstelt 
klachten over die organisaties. Het is 
dan ook een gotspe, een brutaüteit 
dat de commissie-Gijsbers zegt 
verbaasd te zijn over het geringe 
aantal klachten over de kinderbe– 
scherming en dat zij daaruit de 
conclusie trekt dat er geen aanleiding 
is tot fundamentele kritiek op de 

raden. Sinds 1983 functioneren er 
interne klachtencommissies bij 
Justitie waar mensen kunnen klagen 
over de kinderbescherming. In deze 
klachtencommissies hebben de 
mensen om wie het gaat, geen 
vertrouwen. Dat is tevens het 
bestaansrecht van onze verenigingen 
en stichtingen, die ik zojuist ge– 
noemd heb, namens wie wij hier 
spreken. Er zijn overigens nog een 
tiental andere stichtingen die zich 
met precies hetzelfde bezighouden 
en die hier vandaag niet zijn uitgeno– 
digd. 

Honderden, duizenden mensen zijn 
bij ons aangesloten omdat zij 
klachten hebben over de kinderbe– 
scherming en dat staat toch wel in 
schril contrast met de 141 klachten 
die de commissie-Gijsbers heeft 
kunnen opsporen. Hier klopt iets niet. 
Omdat mensen die klachten over de 
kinderbescherming hebben - als ik 
spreek over kinderbescherming, 
bedoel ik ook voogdij-instellingen en 
gezinsvoogdij-instellingen - geen 
vertrouwen in de justitiële klachten– 
commissies hebben, klagen zij daar 
ook niet. Het heeft geen zin; men 
begint er niet aan. Vandaar dat de 
commissie-Gijsbers maar weinig 
officiële klachten heeft kunnen 
opsporen. De commissie-Gijsbers 
heeift bovendien geen enquête 
gehouden. Het ging niet om aantal– 
len, maar om de inhoud van de 
klachten. Waar komen die klachten 
dan wel terecht? In de eerste plaats 
bij ons. Daarom zijn wij vandaag ook 
hier. In de tweede plaats bij uw 
Kamer. In de afgelopen jaren bent u 
steeds vaker geconfronteerd met 
boze en machteloze ouders die 
klachten hadden omdat de officiële 
commissies niet functioneren. De 
ombudsman is ook zo'n vergaarbak 
als je echt niet meer weet wat je 
moet doen. De heer Van Megchelen 
heeft dat zojuist ook al aangedragen. 

Brieven met klachten gericht aan 
de heer Lubbers of aan de Koningin 

— gezagsgetrouwe mensen doen dat 
dikwijls - worden steevast afgedaan 
met een dooddoener door het 
ministerie van Justitie bij monde van 
de heer Buiskool. Dit gebeurt 
uiteraard na overleg met de betref– 
fende hulpverlener bij de raad 
waarover de klacht nu juist ging. Zo 
nodig kunnen wij u de corresponden– 
tie, vertrouwelijk en na toestemming 
van de betrokkenen, ter hand stellen. 
Ik heb het dan over de corresponden– 
tie gericht aan de heer Lubbers of 
aan de Koningin die vervolgens bij de 
heer Buiskool terecht komt, die na 
overleg met de raden in het land en 
met de maatschappelijk werker 
waarover de klacht gaat, de brief met 
een nietszeggend briefje afdoet. Wij 
hebben er pakken vol van! Zo doen 
wij dat in Nederland! Wij zorgen dat 
er geen objectieve klachtbehandeling 
is en vervolgens zeggen we dat er 
weinig klachten zijn, dus dat de raden 
goed functioneren! Dit is de waanzin 
ten top maar het geeft precies aan 
waar het probleem zit. De commis– 
sie-Gijsbers zelf is een door Justitie 
benoemde, dus geen objectieve club 
en zij zal de Raden voor de kinderbe– 
scherming niet afvallen. Men dekt 
elkaar. Daar wringt ook de schoen bij 
de klachtenbehandeling. Niet voor 
niets zijn de secretarissen van de 
Raden voor de kinderbescherming 
zeer tevreden over de commissie– 
Gijsbers, die benoemd is om uw 
commissie de wind uit de zeilen te 
nemen. Hopelijk zal uw commissie 
een iets kritischer en onafhankelijker 
houding aannemen. 

Dan komen wij nu aan het pro– 
bleem waar het eigenlijk om gaat en 
de oplossing die moet worden 
gevonden. Het meest nijpende 
politieke probleem van dit moment is 
het steeds intensiever wordende 
toezicht dat de Staat met zijn 
bureaucratische apparaat uitoefent 
op steeds meer intieme aspecten van 
het dagelijks leven. Onder andere het 
monopolie dat de kinderbescherming 
bij de jeugdhulpverlening heeft, leidt 
tot de wantoestanden waarover de 
laatste tien jaar in toenemende mate 
wordt geklaagd. Externe effectieve 
controle op de raden en voogdij-in– 
stellingen kan dit probleem een 
beetje indammen. Hoe stellen wij ons 
dat voor? 

In het begin van deze eeuw hadden 
maatschappelijke organisaties een 
belangrijke inbreng bij het oplossen 
van problemen tussen ouders en 
kinderen. Heden ten dage is in het 
justitiële circuit deze maatschappelij– 
ke inbreng tot een minimum 
gereduceerd. Maatschappelijke 
participatie binnen de Raden voor de 
kinderbescherming, zowel bij de 
beleidsvoorbereiding als op ministe– 
rieel niveau bij de klachtenbehande– 
ling, is dan ook noodzakelijk om 
verbeteringen tot stand te brengen. 
Als vorm hiervoor zien wij een door 
de minister te benoemen permanente 
commissie, met ambtelijke onder– 
steuning, waarin ook wij als maat– 
schappelijke organisaties vertegen– 
woordigd zullen zijn. U kunt daarbij 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


denken aan een constructie zoals bij 

het Commissarïaat voor de Media, 

dus een Commissariaat voor de 

Jeugdhulpverlening. Daar zal ik het 

dan ook verder over hebben, het 

Commissariaat voor de Jeugdhulp– 

verlening. 

Dit Commissariaat voor de 
jeugdhulpverlening zal de bevoegd– 
heid moeten krijgen om de minister 
te adviseren om bij wijze van sanctie 
subsidiërlng van voogdij mstellingen 
die niet aan de normen voldoen te 
verminderen c.q. in te trekken en 
ambtenaren die niet voldoen, op een 
andere werkplek te zetten - denk 
aan de eerdergenoemde heer 
Buiskool –, kortom, het Commissari– 
aat voor de Jeugdhulpverlening alle 
bevoegdheden te geven, indien 
gewenst door delegatie, die nodig 
zijn om de raden voor de kinderbe– 
scherming en de voogdij– en 
gezinsvoogdij-instellingen te 
onderzoeken c.q. te corrigeren. Het 
zal een soort SER moeten worden, 
waarin alle betrokkenen evenredig 
vertegenwoordigd dienen te zijn. Dus 
ook wij; wij ontbreken binnen dit 
tableau, op een enkele uitzondering 
na. In dat commissariaat kunnen de 
belangentegenstellingen, de 
maatschappelijke conflicten, de 
klachten en verschillen in normen en 
waarden duidelijk voor het voetlicht 
komen. 

Nu, 85 jaar na de invoerïng van de 
Voogdijwetten in 1905 is de op de 
grondslag van de verzuiling gegroei– 
de jeugdhulpverleningsindustrie aan 
een grondige renovatie toe. U, 
Tweede-Kamerleden, kunt de 
voorwaarden scheppen op grond 
waarvan dat mogelijk wordt. 

De heer Dijkstal (VVD): Omdat 
anders de begrippen erg in elkaar 
gaan overlopen, lijkt het mij nuttig 
een onderscheid te maken tussen 
een individuele kant en een algemene 
kant aan de problemen. Aan de ene 
kant is er de individuele burger die 
vindt dat de overheid of de organen 
van de overheid hem of haar 
onrechtvaardig behandeld heeft en 
die daarover wil klagen. Die moet 
dan weten hoe hij dat moet regelen. 
Aan de andere kant is er een bepaald 
beleidsterrein, in dit geval even 
grofweg aangeduid met de kinderbe– 
scherming en jeugdhulpverlening. 
Wat moet je doen, welke mechanis– 
men moet je inbouwen om ervoor te 
zorgen dat een dergelijk beleidster– 
rein optimaal fuctioneert op grond 
van hetgeen in de wet staat en dat 

overigens ook op de een of andere 

manier democratisch is vastgesteld? 

Eerst die individuele kant. Ik begin 
met een open vraag en zou het op 
prijs stellen als een of meer van de 
aanwezigen daarop wil reageren. In 
het verleden is wel eens gezegd dat 
klachten op dit terrein voortvloeien 
uit de emoties van de mensen dle 
daarbij betrokken zijn. Dat zijn 
mensen die hun zaak bij de kinder– 
rechter "verloren" hebben. Impli– 
ceert daarom de gang naar de 
kinderrechter niet de beste klachten– 
behandeling? Natuurlijk, de zaken 
waarover wij vanochtend hebben 
gesproken, moeten beter geregeld 
zijn dan tot nu toe het geval is 
geweest. Dat is een voorwaarde. 
Voor de individuele burger zou je dus 
de vraag kunnen stellen: is dit de 
goede manier? 

De heer Van Megchelen: Voorzit 
ter! Ik wil graag meteen op deze 
opmerking reageren. Misschien heeft 
mijn reactie te maken met het feit dat 
wij de jongeren vertegenwoordigen. 
De jongeren, waarover het gaat in 
het beleid, zouden gehoord kunnen 
worden, hetzij via een klachtencom– 
missie hetzij anderszins. Dat zou een 
fundamentele verbetering van het 
beleid kunnen betekenen. De mensen 
die het beleid bepalen, zouden dan 
kunnen luisteren naar de klachten 
van de mensen die met de proble– 
men te maken hebben. Naar 
aanleiding van die klachten kunnen zij 
dan verbetering aanbrengen. Op die 
manier is er sprake van een wissel– 
werking tussen de individuele klacht 
en het beleid. De zaak ligt natuurlijk 
anders als het gaat om klachten van 
ouders over de kinderbescherming. 

De voorzitter: Zojuist zei u, dat u 

nog niet had meegemaakt dat 

klachten tot beleidswijziging leiden. 

De heer Van Megchelen: Dat is zo, 
maar daar gaat het nu juist om. De 
jongeren worden niet gehoord, de 
klacht wordt "afgepoeierd" en 
zodoende kan er geen sprake zijn van 
een gunstige beleidswijziging of een 
structurele verbetering. 

De heer Rijks: Daarmee kan ik het 
eens zijn. Individuele klachten 
hebben vaak structurele oorzaken. 
Als je geen structuur hebt waarbin– 
nen die individuele klachten geïnven– 
tariseerd kunnen worden, kun je ook 
niet nagaan wat bij die klachten de 
gemeenschappelijke noemer is en 

kun je dus ook niet het beleid 
wijzigen. Uiteraard hebben wij het 
vandaag hier een beetje over: dit is 
een soort inventarisatie van klachten. 
Ik heb het Commissariaat van de 
Jeugdhulpverlening genoemd. Dat 
zou die functie moeten hebben: 
onderzoeken wat de achtergrond is 
van de individuele klachten, dat 
vertalen in structurele beleidswijzi– 
gingen en dan veranderingen 
aanbrengen. 

Mevrouw Doelman-Pel (CDA): 

Welke rol is volgens u daarbij 

weggelegd voor de inspectie? 

De heer Rijks: De inspectie is niet 
objectief. Voor haar zie ik dus geen 
rol weggelegd. Wat die verder moet 
doen weet ik niet, maar misschien 
kunnen de ambtenaren van de 
inspectie naar het secretariaat voor 
de jeugdhulpverlening komen. Op dit 
moment functioneert de inspectie 
echter niet. Daarover ligt weer die 
grote mantel der liefde. Die verstikt 
en verhult alles, maar maakt niets 
duidelijk. 

De heer Dijkstal (VVD): Wij kunnen 
het er dus over eens zijn, dat 
klachten hun vertaling moeten krijgen 
in beleid. Hoe wij dat moeten 
organiseren, kunnen wij misschien 
straks bespreken. 

Ik wil het nog hebben over de 
individuele klachten. Wij hebben 
namelijk met individuele mensen te 
maken die van mening zijn, dat zij 
niet rechtvaardig zijn behandeld. 
Hierover heb ik een paar concrete 
vragen. 

Elders in Nederland kennen wij 
voor klachten een systeem of zijn wij 
bezig dat te ontwikkelen. In eerste 
instantie klaag je bij de instelling die 
je onrechtvaardig behandeld heeft en 
word je niet tevreden gesteld dan 
kun je daarna, dat is je tweede 
mogelijkheid, naar een onafhankelijke 
klachtencommissie. Die beoordeelt 
de zaak opnieuw. Daarna zijn er 
opnieuw twee mogelijkheden. Eén 
van die twee mogelijkheden is de 
zaak aan de rechter voorleggen, 
welke rechter dan ook. De andere 
mogelijkheid is het gebruik maken 
van het vangnet van de Nationale 
ombudsman of de Commissie voor 
de verzoekschriften van de Tweede 
Kamer. 

De heer Van Megchelen sprak over 
een onafhankelijke regeling en een 
externe beroepsmogelijkheid. Is hij 
het er echter mee eens, dat je eerst 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


moet klagen bij de instelling zelf die 
je slecht behandeld heeft? Dat is mijn 

eerste concrete vraag. 

Dan heb ik een tweede vraag. De 
heer Van Megchelen heeft gesproken 
over de ervaringen van de BM met 
justitie. Heeft de BM ook al enige 
ervaring met de Inspectie voor de 
jeugdhulpverlening? Hoe werkt die? 

Vervolgens kom ik toe aan mijn 
derde vraag. De toegankeüjkheid voor 
mensen bij het deponeren van hun 
klachten is altijd een groot probleem. 
Aan de ene kant wil je zoveel 
mogelijk de drempels wegnemen. Je 
wilt namelijk dat de mensen kunnen 
klagen. Aan de andere kant worden 
in de praktijk wel vormvoorwaarden 
gesteld. Ik noem het voorbeeld van 
anoniem klagen. Op veel beleidsterrei– 
nen wordt dat niet geaccepteerd. Het 
mondeling klagen wordt ook niet 
geaccepteerd. Er wordt gevraagd de 
klacht, in welke vorm dan ook, op 
papier te zetten. Die vormvoorschrif– 
ten zijn er natuurlijk om de klacht 
voor degene die de klacht moet 
behandelen, behandelbaar te maken. 
Wat moet de inspecteur of de klach– 
tencommissie immers met een 
anoniem telefoontje? Ik wil daarom 
graag horen of er niet bepaalde 
vormvoorschriften zouden moeten 
zijn voor het indienen van een klacht. 

De heer Van Megchelen Ik ga 
eerst in op het klagen in de instelling. 

Een klachtencommissie bestaat vaak 
uit leden van de instelling. Dan is er 
een heel grote kans dat de jongeren 
daar absoluut geen vertrouwen in 

hebben. In ons modelklachtrecht 
staat dan ook dat het mogelijk moet 
zijn, direct bij de externe beroepsmo– 
gelijkheid een klacht te deponeren. 
Als je ontevreden bent over de 
instelling, dan ga je niet bij de 
instelling klagen, want daar heb je 
nou juist geen vertrouwen in. 

Wij hebben geen ervaring met de 
inspectie van WVC. Wij vinden het 
wel een structurele verbetering dat 
de inspectie onder een ander 
ministerie is komen te vallen. De 
taakomschrijving is duidelijker en de 
inspectie is beter over het land 
verspreid. Dat kan een betere 
toegankelijkheid inhouden. Wij zijn 
overigens wel van mening dat in de 
inspectie bepaalde zaken moeten 
worden verbeterd. 

Wij vinden dat de inspectie 
geruchten en anonieme klachten zeer 
wel serieus moet nemen. De 
zaak-Zetten laat dat zien. Daar 
werden klachten niet aanvaard, 

omdat ze anoniem waren. Het was 

beter geweest als de inspectie een 

diepgaand onderzoek had ingesteld 

naar aanleiding van geruchten. Ook 

als er geruchten ontstaan over een 

psychiater die niets verkeerd doet, is 

het goed de zaak te onderzoeken, al 

was het alleen maar om zijn naam te 

zuiveren. 

Mevrouw Udema: Ik wilde even een 
aanvulling geven op de procedure 
van de klachtenregeling. Wij hebben 
het met name over de Raad voor de 
kinderbescherming. In de onafhanke– 
lijke commissie voor de klachtenre– 
geling zie ik graag ouderparticipatie. 
Er is natuurlijk een andere procedure– 
gang voor de voogdij-instellingen. 
Laten wij wel wezen! Neem alleen de 
Stichting voor jeugd en gezin. Er zijn 
39 verschillende stichtingen over het 
hele land met alle hun eigen 
werkwijze. Er lijkt homogeniteit te 
heersen, er lijkt sprake te zijn van een 
zelfde structuur, maar ze zijn 
compleet anders. Er is dus alleen al 
een verschil in de klachtenprocedu– 
res bij de instellingen. Het is 
belangrijk daar onderscheid in te 
maken. De ouders moeten vooral bij 
de voogdij-instellingen kunnen 
klagen. Als zij klagen, moeten de 
kinderen geen sanctie krijgen. Dat 
gebeurt nog steeds. Er wordt zelfs 
aan ouders gevraagd om verklarin– 
gen te tekenen dat zij niet naar 
andere instanties zullen gaan. 

De heer Dijkstal (VVD): Er is angst 
als men gaat klagen, bij de instellin– 
gen, maar ook bij een onafhankelijke 
commissie. Men is bang dat het 
onmiddellijk terugslaat. Het lijkt niet 
in het eigen belang om te klagen. 
Hoe los je dat op? Op het moment 
dat een klacht gedeponeerd wordt, 
hoort de instelling die het betreft het 
ook. 

Mevrouw Meijerink: Een van de 
oplossingen hiervoor is om te 
beginnen met het wat soepeler 
omgaan met de termijnen waarbin– 
nen een klacht moet worden 
ingediend. Verder moet de mogelijk– 
heid worden geschapen, direct naar 
een externe klachtencommissie te 
lopen om daar een klacht in te 
dienen. Die keuze moeten klagers 
hebben. Zij moeten kunnen kiezen 
tussen de instelling en een externe 
commissie. 

De heer Dijkstal (VVD): Daar lost u 
het probleem niet mee op. Als die 

klacht er ligt, gaat degene die haar 

behandelt, naar de instelling. 

De heer Van Megchelen: Dat zou 

ook anoniem moeten kunnen. 

De heer Dijkstal (VVD): Dan kun je 
de klacht niet behandelen. Dan kun je 
immers niet beoordelen of dat 
rapport van die maatschappelijk 
werker volkomen verkeerd is of iets 
dergelijks. 

Mevrouw Meijerink: Nee, maar 

daardoor is er wel meer controle van 

buitenaf. Ik denk dat dit al heel wat 

uitmaakt. 

De heer Rijks: De instellingen zullen 
een beetje bang worden. Als er een 
echt onafhankelijke commissie is die 
de mogelijkheid heeft om instellingen 
financieel te corrigeren, dan hebben 
de instellingen zelf ook het nadeel. 
Dan gaan zij zich fatsoenlijk gedra– 
gen. Het komt dus neer op het 
herstellen van het evenwicht. 

De heer Burgman: Mevrouw de 
voorzitter! Bij de begrotingsbehande– 
ling van 1979 heeft de toenmalige 
minister De Ruiter toegezegd dat er 
een klachtenregeling zou komen 
inzake de bejegening en de werk– 
wijze. In 1982 kwam het Organisatie– 
besluit. Toen kon je alleen maar 
klagen over de bejegening en niet 
over de werkwijze. 

Tot voor kort heeft men bij de 
Raden voor de kinderbescherming 
nog niet kunnen klagen over de 
werkwijze. Ik vraag mij dan ook af, 
hoe de commissie-Gijsbers tot haar 
analyse komt. Zijn die 141 klachten 
bij die commissie-Gijsbers inge– 
diend? De commissie heeft zich 
echter niet in de publiciteit gemeld. 
Ik vind dat rapport, gelet op de korte 
tijd die ermee gemoeid was, niet 
slecht. Er hangt echter wel een 
bepaalde waas overheen. In het 
rapport wordt wel voorgesteld om 
die raden hun functie af te nemen 
met betrekking tot de voogdijraden, 
maar in het rapport wordt nergens 
ingegaan op de vraag wie de Raden 
voor de kinderbescherming contro– 
leert. 

In 1984 is de nota DDF (democra– 
tisch en doelmatig functioneren van 
overheidsinstellingen) uitgebracht. 
Vervolgens is een brief geschreven, 
ondertekend door Brinkman en 
Lubbers, waarin stond dat er 
voldoende aanleiding was om tot een 
wettelijke klachtenregeling voor 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


particuliere instellingen te komen. 
Dat is helemaal de mist ingegaan; wij 
hebben er nooit meer iets over 
gehoord. 

Nu is er van het ministerie van 
WVC weer een nieuw voorstel 
gekomen voor een klachtenregeling 
met betrekking tot de particuliere 
instellingen. Wij krijgen een briefje 
van 29 juni 1989, waarin staat dat 
wij over de nieuwe regeling moeten 
discussiëren met de Stichting 
overleg jeugdvoorzieningen Neder– 
land. Die is in de plaats van het WIJN 
gekomen. Welnu, wij proberen met 
die stichting in contact te komen om 
te discussiëren over die klachtenre– 
geling. Wij krijgen echter een keurig 
briefje terug waarin staat: uw 
organisatie past niet in onze statuten. 
Dit betekent weer: er wordt over ons, 
maar zonder ons gesproken. De 
klachtenregeling is bestemd voor de 
clienten, maar de instellingen zullen 
wel even uitmaken waaraan die 
klachtenregeling dient te voldoen. 

Vervolgens kom ik op een punt dat 
nog niet aan de orde is gekomen: de 
bijstandsuitkeringen aan minderjari– 
gen. Wij kennen artikel 34 van de 
Algemene Bijstandswet, waaruit 
volgt dat alleen degenen kunnen 
klagen die de beschikking krijgen. De 
ene gemeente vordert wel terug, de 
andere niet. De ouders kunnen niet 
over die werkwijze klagen, want zij 
krijgen geen afschrift van de 
beschikking en ook niet van de 
indicatiestelling. Volgens artikel 55 
inzake het verhaalsrecht kunnen de 
kosten wel op de ouders worden 
verhaald, maar zij kunnen zich niet 
verdedigen. Zij beschikken immers 
niet over de beschikking en de 
indicatiestelling. Nou u weer! Hoe het 
ook zij, het is altijd hetzelfde liedje: 
ouders zitten op de publieke tribune 
als figurant of zij zitten op het 
beklaagdenbankje, maar zij zijn te 
allen tijde het kind van de rekening! 

De heer Rijks: Applaus! Zo is het! 

De heer Burgman: Mevrouw de 
voorzitter. Ook bij het weglopen 
krijgen de mensen volgens de 
30-dagenregeling te maken met de 
Algemene Bijstandswet. Zij krijgen 
ook met WVC te maken, namelijk bij 
de vrijwillige pleegzorg. Vervolgens 
krijgen zij te maken met een onder– 
toezichtstelling. In dat geval moet 

men naar drie klachtencommissies 
toe. Waar zijn wij dan mee bezig? Er 
moet een landelijke onafhankelijke 
klachtencommissie komen, waar de 

ouders met al hun zaken terecht 
komen. Hun klacht moet daar 
zodanig in behandeling komen, dat zij 
ermee worden geholpen. Dit is 
immers geen haalbare kaart. Het is te 
gek om over te praten dat de 
inspectie jeugdhulpverlening alleen 
zeggenschap heeft over de gesubsi 
dieerde instellingen van WVC. Ik 
herinner aan de vragen van de heer 
Dijkstal in de Kamer. In antwoord 
daarop zei mevrouw Korte-van 
Hemel dat men voor klachten over de 
raden en over de voogdij bij de 
kinderrechter of bij het openbaar 
ministerie moest zijn. De heer Dijkstal 
kan zich dat vermoedelijk nog wel 
herinneren. Daarmee was de zaak 
voor hem ook weer afgedaan. 

De heer Dijkstal (VVD): Wilt u mij 
niet steeds zo persoonlijk aanspre– 
ken? 

De heer Van Megchelen Kunnen 
jongeren ook bij een landelijke 
klachtencommissie terecht? 

De heer Burgman: Wi] hebben het 
over het verdrag van Rome gehad. In 
dat verdrag worden geen leeftijds– 
grenzen aangegeven. Gebruikers van 
hulpverleningsinstellingen kunnen 
ouders, pleegouders en minderjari– 
gen zijn. Minderjarigen moeten 
evengoed toegang krijgen tot een 
onafhankelijke klachtencommissie als 
de ouders. Is de heer Van Megchelen 
daar tevreden mee? 

De heer Van Megchelen: Zeker! 

De heer Leerling (RPF): Mevrouw de 
voorzitter! Er wordt over een 
klachtenregeling gesproken. Vaak 
gaat het erom dat men onvoldoende 
informatie heeft over en inzicht in de 
beschikkingen. In hoeverre kunnen 
wettelijke regelingen als de WOB en 
de WPR een belangrijke rol spelen, 

c.q. gaan spelen? Heeft men er 
ervaring mee dat een beroep wordt 
gedaan op de Wet openbaarheid 
bestuur? 
De voorzitter: Die vraag betreft het 
volgende thema. 

De heer Leerling (RPF): Veront– 
schuldiging. Mijn ongeduld laat zich 
wellicht verklaren, omdat ik straks 
even weg moet. 

De heer Dijkstal (VVD): Ik denk dat 
de noodzaak van een goede, 
onafhankelijke klachtenregeling 

voldoende is aangetoond. Vervolgens 
komt dan de vraag aan de orde hoe 
een en ander georganiseerd moet 
worden. Ik wil echter een andere kant 
van deze kwestie aan de orde stellen. 
Wij hebben in Nederland een 
conglomeraat van instituten en 
instellingen die al dit werk doen. Hoe 
moet de controle daarop georgani– 
seerd worden? De klachtenregeling is 
een onderdeel van de gehele 
controle. Als er ergens heel veel 
klachten over binnenkomen, is het 
duidelijk dat daar iets aan gedaan 
moet worden. Er moet echter ook op 
andere zaken gelet worden, zoals de 
besteding van de gelden en de 
kwaliteit van het werk. Daarvoor is 
externe controle nodig. 

Er zijn verschillende modellen voor 
externe controle. Je kan het overla– 
ten aan de rechter. Dat betekent dat 
er alleen controle plaatsvindt als een 
burger klaagt. Je kan ook denken aan 
een inspectie op het terrein van de 
jeugdhulpverlening. In de volksge– 
zondheid kennen wij bijvoorbeeld de 
inspecteur voor de volksgezondheid. 
Je kunt je ook voorstellen dat er 
externe controle wordt opgezet per 
organisatiesoort, dus per raad en per 
soort instellingen. Er is gesproken 
over het Commissariaat van de 
Jeugdhulpverlening. Dat wordt een 
vrij onafhankelijk, landelijk instituut, 
heb ik begrepen. Heeft u op grond 
van uw ervaring ideeën hierover? 

De heer Burgman: Mevrouw de 
voorzitter! Ik wijs in dit verband op 
het voorbeeld dat wij de commissie 
inmiddels hebben overhandigd. Er is 
een aantal criteria op grond waarvan 
wij kunnen beoordelen of er sprake is 
van een crisissituatie. De heer 
Dormeier zal nader ingaan op 
hetgeen wij moeten gedogen als 
ouders. 

Het is duidelijk dat er een onafhan– 
kelijke klachtenregeling moet komen. 
Het idee van het commissariaat 
spreekt mij erg aan. Mensen moeten 
ergens met hun klachten terecht 
kunnen. Bovendien kan het commis– 
sariaat de mensen verder helpen. Zij 
kunnen het probleem misschien 
oplossen of anders de klacht 
indienen bij de Inspectie jeugdhulp– 
verlening of bij de Raad voor de 
kinderbescherming. De betrokkenen 
moeten in ieder geval bij zo'n 
commissariaat wegwijs worden 
gemaakt. 

De voorzitter: De discussie over de 
klachtenregelingen als zodanig is 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


uitvoerig gehouden. Het tweede 
element hierbij is de externe controle 
in zijn algemeenheid op het functio– 
neren van de jeugdhulpverlening of 
de kinderbescherming. Ik doel op de 
relatie met de inspectie. Het lijkt mij 
goed om hierop eerst in te gaan 
voordat wij het voorbeeld gaan 
behandelen. Wij moeten namelijk ook 
de toekomst van het in de praktijk 
functioneren in ogenschouw nemen. 

De heer Dormeier Er is één situatie 

nog niet aan de orde geweest, 

namelijk de wegloopsituatie, die 
gekenmerkt wordt door crisisachtige 
verschijnselen. Daarbij staan de 
ouders volstrekt buitenspel. In die 
situatie is het acute ingrijpen van 
ouders buitengewoon belangrijk. Veel 
uithuisplaatsingen beginnen met het 
weglopen van het kind uit de 
ouderlijke sfeer. Uit gegevens die de 

SOR heeft verzameld blijkt dat er 
juist in de eerste paar dagen nog van 
alles kan worden rechtgetrokken. 

Naderhand kan dat niet meer. De 
ouders worden in die eerste dagen 
echter onkundig gelaten over de 
verblij^plaats van hun kind. Ik wijs 
hierbij op concrete gevallen die zich 
hebben voorgedaan in zogenaamde 
wegloophuizen met vrijwillige 
hulpverlening, waarbij het kind 
binnen drie a vier dagen tegen de 
ouders werd opgezet en er een 
uitkering werd aangevraagd op basis 
van de ABW. Het subtiele en zeer 
breekbare evenwicht, het restante– 
venwicht is daarmee volstrekt 
vernietigd. Dan komt alles aan de 
orde waar wij het vandaag over 
hebben. Dan kunnen we over 
procedures gaan praten en over 
klachtrechten. Overigens heeft dat 
altijd te maken met formele procedu– 
res, met papier, met termijnen. Dan 
komt er een lawine over de betrokke– 
nen heen. Dat werkt alleen maar 
vervreemdend. Van het grootste 
belang is een acuut klachtrecht van 
ouders op de dag waarop het kind 
verdwijnt. Daar heb ik vandaag niets 
over horen opmerken. 

Hieraan wil ik nog een opmerking 
toevoegen die de heer Burgman mij 
influisterde. Het parïement heeft via 
de clausulering van artikel 280 
Wetboek van strafrecht bepaalde 
bevoegdheden verleend, waarin een 
aantal vage normen staan voor de 
zorgvuldigheid van hulpverlening. Als 
ik dan de werkelijkheid bekijk, dan 
kan ik niet anders concluderen dan 
dat er een vrijbrief wordt gegeven 
voor het verborgen houden van het 

kind, juist in deze cruciale eerste 
dagen. Daar wil ik toch de nadruk op 
leggen. Ik vraag dc commissie, een 
apart onderzoek in te stellen naar de 
eerste paar dagen nadat het kind het 
ouderlijk huis heeft verlaten. Het kind 
is in volstrekt disevenwicht na een 
crisis. Het is ook zeer beïnvloedbaar 
zowel voor als tegen het stelling 
nemen tegen het ouderschap. De 
kinderen komen veelal terecht in 
wegloophuizen, bij JAC's, die nota 
bene worden gesubsidieerd door 
WVC. Als de ouders er na dagen, 
weken of zelfs maanden achter zijn 
waar het kind verblijft, is er van alles 
gebeurd. We hebben het over pubers 
in een moeilijke fase van hun leven. 
Ik praat niet over verwijtbaarheid, dat 
is buiten de orde. Maar er schijnen 
altijd mensen te zijn die niet uit hun 
eigen ouderbeeld zijn gekomen en 
die proberen medestanders te vinden 
in deze jongeren, ten koste van de 
ouders. Ouders worden volstrekt 
buitenspel gezet. 

De voorzitter: Ik geef eerst het 
woord aan de BM en vervolgens aan 

de leden van de commissie. Dan 
zullen we dit onderwerp af moeten 
ronden, omdat we anders in de 
problemen komen met de tijd. 

De heer Van Megchelen: Ik wil 
ingaan op de woorden van de heer 

Dormeier. Wat gebeurt er volgens 
hem als een kind wegloopt? Het kind 
komt bij een JAC of bij een instelling 
van jeugdhulpverlening terecht. Wat 
zou er dan volgens hem moeten 
gebeuren? 

De heer Dormeier De ouders 
zouden op dat moment de zekerheid 
moeten hebben dat er objectiviteit is 
ten aanzien van de hele problema– 
tiek. Zowel ouders als kinderen 
moeten recht kunnen doen gelden op 
woord en wederwoord. Er moet een 
objectieve derde zijn — wie dit ook 
mag zijn — die de ouders en 
kinderen aan het woord laat, zodat 
niemand recht kan doen gelden op 
het kind, ook al wil het kind dat in die 
fase zelf. Er wordt altijd het adagium 
gehanteerd: het kind wil het zelf. 
Natuurlijk wil het kind het zelf. 
Natuurlijk wil het kind op korte 
termijn een uitkering. Natuurlijk wil 
het kind niet meer naar school. Die 
beslissingen worden genomen, 
uiteraard even zonder de ouders. 

De heer Van Megchelen: Als de 
instellingen verplicht zouden zijn om 

een gesprek met de ouders aan te 

knopen, bestaat er grote kans dat de 

jongeren helemaal niet meer in een 

instelling verschijnen en hun eigen 

zaakjes opknappen. 

De heer Dormeier: Dat argument 
ken ik. Ik vind het geen goed 
argument, maar een drogreden. Er 
wordt veel te veel vrijheid gegeven 
aan zogenaamde alternatieve 
hulpverleners die zelf nauwelijks 
droog achter de oren zijn en denken 
dat zij inzicht hebben in kinderen die 
enkele jaren jonger zijn dan zij. 
Allereerst zouden er officieel mensen 
moeten worden aangesteld die in een 
dergelijke situatie blijk hebben 
gegeven van rijpheid en inzicht in de 
verhouding tussen ouders en pubers. 

De heer Van Megchelen: Denkt u 

dat de kinderen hier vertrouwen in 

zouden hebben en hierheen zouden 

gaan? 

De heer Dormeier Waarom denkt u 
van niet? 

De heer Van Megchelen Omdat ik 
wel eens weggelopen kinderen ben 
tegengekomen. 

De heer Rijks: Dit veronderstelt 
bekendheid bij kinderen en die is er 
natuurlijk niet. In feite verschaffen dit 
soort instellingen geen informatie. Ik 
heb net het jaarverslag van het JAC 
gelezen en de laatste informatiebro– 
chure. Daar staat het letterlijk zo in. 
Kinderen weten vaak helemaal niet 
dat het JAC zo opereert. Kinderen 
lopen weg en voor de rest weten zij 
van niets. Wat de heer Van Megche– 
len zegt, is gebaseerd op veronder– 
stellingen die helemaal niet kloppen. 
Hij doet alsof kinderen op de hoogte 
zouden zijn van het feit dat er geen 
informatie aan de ouders gegeven 
wordt en daarom bij het JAC komen. 
Dat is niet zo. Dat is het beleid van 
het JAC. 

De heer Van Megchelen Wij 
voeren geen actief beleid in het 
opvangen van weggelopen jongeren. 

De voorzitter: Het lijkt mij dat wij 
het thema van de klachtenprocedure 
even moeten afronden. De heren 
Dijkstal en Lankhorst willen hierover 
nog een vraag stellen. 

De heer Dijkstal (VVD): Het lijkt mij 
goed om enige ordening aan te 
brengen, want het loopt nu allemaal 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


door elkaar heen. Wij hebben 
vanmorgen de ene kant besproken. 
Er wordt een beslissing genomen. Je 
bent het er niet mee eens. Je gaat in 
beroep. Wij hebben gesproken over 
de contra-expertise. Dat is één 
kanaal. 

De klachtenregeling houdt per 
definitie in dat je achteraf klaagt dat 
iets op een bepaalde manier is 
gebeurd. Het kan gaan om een 
bepaalde bejegening of werkwijze. 
Maar je klaagt achteraf 

De heer Dormeier brengt nu een 
heel interessant en belangrijk nieuw 
element in, namelijk de crisissituatie. 
Laten wij aannemen dat wij het 
kunnen eens worden over de definitie 
van een crisissituatie. Bij een acuut 
klachtrecht is het toch altijd zo, dat je 
achteraf klaagt over het toepassen 
van de definitie "crisissituatie". In 
dezelfde sfeer is "hoor" en "weder– 
hoor" niet mogelijk in een acute 
crisissituatie, want daar is het nu 
juist een acute crisissituatie voor. 

Daarmee kom je bij een zeer 
belangrijk punt. Het is goed dat de 
heer Dormeier dit aan de orde heeft 
gesteld. Naarmate er minder vooraf 
te regelen en te structureren is, is er 
meer externe controle noodzakelijk 

- niet alleen via de klachtenregeling 
maar in het algemeen - om 
onzorgvuldigheid te vermijden. Wij 
waren op zoek naar de wijze waarop 
je de externe controle zou moeten 
organiseren om te vermijden dat 
dergelijke discussies, die nu al tussen 
u ontstaan, tussen betrokkenen 
ontstaan. 
De heer Lankhorst (Groen Links): 
De heer Dormeier wijst erop dat het 
bij klachten vaak om snelheid gaat. 
Dit wordt wat mij betreft terecht naar 
voren gebracht. Maar ik wil wel 
stelling nemen tegen de voorstelling 
van zaken dat alle kinderen weg 
zouden lopen om meer zakgeld te 
krijgen. Ik sluit niet uit dat dit zich 
wel eens voordoet, maar wij moeten 
het niet doen voorkomen alsof dit in 
alle situaties de belangrijkste reden 
is. 

De heer Dormeier: Ook in die 
situaties bestaat juist de behoefte 
aan een afweging. 

De heer Lankhorst (Groen Links): In 
alle situaties kan er een reden 
bestaan tot afweging. Maar de heer 
Dijkstal wees er ook reeds op dat er 
wel degelijk crisissituaties zijn waarin 

je op een heel andere wijze een 
afweging zult moeten maken. 

Ik wil verder vragen of er reeds 
enige ervaring is met de nieuwe 
klachtencommissies bij de Raden voor 
de kinderbescherming en of deze 
überhaupt bekend zijn bij de mensen? 
Hebben de raden er moeite voor 
gedaan om hieraan enige bekendheid 
te geven? 

Mevrouw Ammerlaan: Voor zover ik 
weet, hebben de raden er geen 
moeite voor gedaan om bekendheid 
te geven aan de klachtencommissies 
en de verruiming van de onderwer– 
pen, waarover geklaagd kan worden. 

Het verbaast mij wel, dat in onze 
regio een kinderrechter de voorzitter 
is van de klachtencommissie. Ik 
denk, dat de onafhankelijkheid hier 
onderuit gehaald is. 

De heer Burgman: Ik wijs erop, dat 
de kinderrechter mevrouw Blom in 
de nieuwe klachtencommissie is 
opgenomen. Wij hebben van Justitie 
een lijst met alle medewerkers 
gekregen. De klachtencommissie 
functioneert nog niet. 

Hoe kunnen bepaalde zaken 
worden vermeden? Ik heb hier voor 
mij een meiding van een plaatsing. 
De plaatsende instelling krijgt 
subsidie van WVC. Er behoeft alleen 
maar een kruisje te worden gezet bij 
de vraag, of een indicatiestelling is 
opgemaakt. Meer is niet nodig. 
Ambtelijke behandeling is voldoende 
om de geldkraan te openen Dit is 
exact hetzelfde als het volgende. Je 
gaat bij de gemeente om een 
bouwvergunning vragen. De 
ambtenaar vraagt: hebt u ook een 
tekening? Jazeker, wordt geant– 
woord. Moet ik die laten zien? Neen, 
die hoeft u niet te laten zien. Hier 
heeft u de vergunning. Of het nu gaat 
over de Algemene bijstandswet, 
WVC of louter een telefoontje zoals 
bij de Bolderkaraffaire, de geldkraan 
gaat open op basis van vodjes 
papier. Er is geen enkele controle. De 
ouders worden tot eenheidsworst 
verwerkt met een loodje van vrouwe 
Justitia om de nek. 

De heer Rijks: Ik wil ingaan op de 
vraag van de heer Dijkstal. Ik kan 
daarop geen antwoord geven, omdat 
de vraag te globaal is. De problemen 
zijn duidelijk. Er is een hoop agressie. 
Wij worden er allemaal kwaad over. 
Als ik een antwoord moet geven, zal 
ik van iedere instelling moeten 
vertellen, wat de gang van zaken is. 

Op dit moment moet ik globaal zijn. 
Zoals het nu gaat, klopt het niet. 
Vandaar dat ik kwam met het 
Commissariaat voor de Jeugdhulpver– 
lening. Ik heb een voorbeeld 
genoemd. Als iemand bloedend op 
straat ligt, komt een ambulance langs 
en neemt hem mee naar het 
ziekenhuis. Als een kind wegloopt, 
gebeurt er niets. Het is zaak, dat er 
snel een hoor– en wederhoorsysteem 
komt. Het moet niet zo zijn, zoals het 
nu is: maandenlang niets horen. Dat 
is één voorbeeld van wat er zou 
moeten veranderen. 

Ik kan over een maand wel met een 
nota komen. De inhoud kan niet in 
een paartellen worden aangegeven. 

De heer Dormeier: Het is bekend, 
dat artikel 280 van het Wetboek van 
Strafrecht de ouders de bevoegdheid 
gaf om het kind te doen opsporen, 
waar het zich ook bevindt. In 1983 is 
dit artikel aangevuld: straffeloosheid 
wordt in het vooruitzicht gesteld aan 
die hulpverlener die onverwijld, met 
bekwame spoed de Raad voor de 
kinderbescherming inlicht omtrent 
verblijfplaats van het kind, subsidiair 
op een of andere wijze aan zorgvuldi– 
ge hulpverlening doet. De ouders 
worden hiermee geconfronteerd. 
Gezegd wordt: mijnheer en mevrouw, 
waar bemoeit u zich mee? Het is 
gemeld aan de Raad voor de 
kinderbescherming, die daarmee 
geen donder doet. Maar de straffe– 
loosheid van mensen van het JAC of 
van vrijwillige verleners van hulp aan 
mensen die weglopen is daarmee 
gewaarborgd. Een van de stellingen 
in het geschrift dat ik bij de griffier 
zal achterlaten betreft deze wijziging, 
die in een andere tijd heeft plaatsge– 
vonden en de brokken waarvan wij nu 
de rekening gepresenteerd krijgen. Er 
is een eenzijdige kijk op acute 
crisissituaties. Ik hamer erop dat het 
dat zijn. Binnen twee of drie dagen 
moet er iets gebeuren. De ouders 
willen het kind graag zien. Dat is een 
volstrekt legitiem verlangen. Men 
wordt geblokkeerd en om de oren 
geslagen met een formele procedure. 

De heer Bonnet: Voorzitter! Wat ik 
in de discussie mis is de controle op 
de kinderrechters. Er is overal 
controle op, door middel van 
klachtrecht. Een klachtrecht inzake 
het functioneren van de kinderrech– 
ter is er niet. De medische stand 
heeft een medisch tuchtcollege in 
het leven geroepen. Voor de 
kinderrechters is zoiets er niet. Een 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


kinderrechter kan een beschikking 
afgeven wanneer hij maar wil. Hij 
hoeft het niet. Er worden gesprekken 
gehouden, waarvan hij een afschrift 
kan geven. Dat hoeft niet. Daartegen 
is geen beroep mogelijk. 

Het kernprobleem ligt mijns inziens 
bij de kinderrechters, omdat zij de 
macht hebben gegeven aan de 
kinderbescherming. 93% of zelfs 
97% van de adviezen van de 
kinderbescherming wordt door de 
kinderrechters opgevolgd. 

De voorzitter: Laten wij het op 95% 
houden! 

De heer Bonnet Er zijn verschillen– 
de cijfers in omloop. De kinderrech– 
ter geeft de kinderbescherming 
zoveel macht, terwijl tegen het 
disfunctioneren van de kinderrechter 
geen klacht mogelijk is. Als een 
medicus een verkeerd been ampu– 
teert wordt hij voor zijn leven 
geschorst, maar als een kinderrech– 
ter ten onrechte een kind uit huis 
plaatst, hetgeen tot een vergelijkbare 
emotionele belasting leidt — daar 
kunnen wij misschien nog lang over 
discussiëren - is een correctie van 
de kinderrechter niet mogelijk. 

Thema 5: De ministeriële 
aanwijzingen aan de organisaties 
voor kinderbescherming 
(waaronder: landelijke uniforme– 
ring van de werkwijze van de 
Raden voor de kinderbescher– 
ming, landelijke richtlijnen voor 
de inrichting van raadsrappor– 
ten, richtlijnen wat betreft de 
openbaarheid van bestuur en de 
bescherming van persoonsgege– 
vens, deskundigheidseisen voor 
medewerkers van de Raden voor 
de kinderbescherming en van de 
instellingen voor voorgdij en 
gezinsvoogdij, de informatie– 
voorziening aan de burger). 

Mevrouw IJdema Voorzitter! Op het 
eind van de dag heb ik vermoedelijk 
een soort vangnetfunctie. Alles is al 
behoorlijk besproken. Ik wil toch 
enkele zaken aandragen die wellicht 
nog een bijdrage kunnen zijn voor 
een verder gesprek. 

Wij hebben het over een bundeling 
van de klachten gehad, maar nog niet 
over de attitude en werkwijze van de 
raden. Zoals dat tegenwoordig heet 

— ik kom zelf uit gemeentelijke 
kringen — : een cultuurwijziging. Dat 
is zeer in. Die zou ook zeer functio– 
neel kunnen zijn bij de Raden voor de 
kinderbescherrning. De Raden voor 
de kinderbescherming en de 
voogdij-instellingen werken met 
ministeriële regelgeving, maar daarbij 
vooral met hun eigen attitude. 
Vanmorgen is het al gezegd: eigen 
normen en waarden Dat geeft geen 
garantie voor deskundigheid. Daarom 
wil ik een zijsprongetje maken naar 
andere vormen van klachtrecht. 

Na de demonstratieve mars van 
het vorig jaar zijn er heel kleine 
toezeggingen gedaan door de Raden 
voor de kinderbescherming. Tot onze 
grote verbazing is men er op het 
ministerie van Justitie van overtuigd 
dat die ook worden nagekomen, 
terwijl men er bij de Raden voor de 
kinderbescherming niets van weet. Ik 
wil best iemand van de commissie — 
dat moet dan wel een onbekend 
persoon zijn — meenemen om bij de 
raad te vragen om een dossier in te 
zien. In het begin was ik ook 
onbekend, maar nu word ik anders 
behandeld. Ik heb samen met ouders 
enkele raden bezocht met de vraag 
of zij hun dossier mochten inzien. Dat 
werd en dat wordt nog steeds 
geweigerd. Je mag dan een brief 
schrijven, tewijl aan de hand van het 
archief heel simpel een dossier kan 
worden opgezocht. Na veel door– 
drammen kun je het dossier wel 
inzien. Dat duurt dan toch nog vaak 
een halfuur en als je het dan krijgt, 
zijn er vaak brieven uit verwijderd. Ik 
adviseer ouders daarom altijd om 
meer dan één keer te gaan, zodat ze 
uiteindelijk inzage in het volledige 
dossier kunnen krijgen. De laatste tijd 
merk je overigens wel dat sommige 
raden wat voorzichtiger zijn gewor– 
den. 

Dit alles onderstreept dat een 
uitvoerig onderzoek naar de cultuur 
bij de raden niet zou misstaan. Naast 
toetsing van de jaarlijkse rekening en 
verantwoording — de financiële kant 

— zou ook kunnen worden getoetst 
aan de doelstellingen van iedere 
organisatie in het "circus" van het 
hulpverleningsgebeuren. De algeme– 
ne beginselen van behoorlijk bestuur 
— en nu nuanceer ik per se niet en ik 
neem er ook geen woord van terug 
— worden dagelijks door de instellin– 
gen in het circuit overschreden. Let 
wel, ik heb nog nooit goede berich– 
ten van een ouder gehoord. Nadat ik 
via enkele weekbladen wat bekender 
ben geworden, word ik dagelijks, 
buiten degenen die mij voor mijn 
normale werkzaamheden bellen, nog 
zeker door drie ouders gebeld. Dat 
vind ik een slechte zaak. Overeen– 

komstig het principe van hoor en 

wederhoor moeten ouders gelegen– 

heid krijgen te reageren. 

Ook bij de behandeling wordt 
duidelijk niet voldaan aan zorgvuldig– 
heidsnormen. Zo kent het ministerie 
van Justitie rapporteurs. Terecht 
noemt men deze functionarissen zo: 
het zijn slechts rapporteurs aan de 
kinderrechter. Onder iedere rappor– 
tage die naar de ouders gaat, staat 
echter: maatschappelijk deskundige. 
Daardoor denken ouders dat zij met 
een hulpverlener te maken hebben. 
Als ouders zich willen beroepen op 
hun rechten, wordt er steeds 
chantage gepleegd, althans zo komt 
het op mij over. Zo wordt aan ouders 
gevraagd om een verklaring te 
ondertekenen dat zij behalve de Raad 
voor de kinderbescherming of de 
voogdij-instelling, geen andere 
hulpverleningsinstantie zullen 
inschakelen. Dat is blijkbaar de 
normale attitude. 

Keer op keer denk ik dat een flinke 
dosis zelfkritiek in het circuit van de 
hulpverlening op zijn plaats zou zijn. 
Fouten herkennen is al moeilijk, maar 
ze erkennen is blijkbaar nog moeilij– 
ker. Erkennen van fouten komt niet 
voor. Ook al gebeuren er vreselijke 
dingen, ik heb nog nooit gehoord dat 
een rapporteur bij de raad wordt 
berispt, geschorst of ontslagen. 
Gebeurt er iets zo ergs dat een kind 
het niet meer na kan vertellen, dan is 
het op dit moment zo dat een 
rapporteur naar huis wordt gestuurd. 
Er wordt niet gekeken of er wel een 
zodanige deskundigheid was. 
Degene die naar huis wordt ge– 
stuurd, blijft maanden ziek thuis, 
maar daarvoor heeft zij toch al een 
paar rapportages gemaakt over 
andere ouders en kinderen. Je mag 
je dan toch afvragen wat daar het 
effect van is. 

Besluitvorming, procedures, 
werkwijze, voogdij-instellingen, 
andere klachtenprocedure. Het kost 
handen vol geld. Wanneer een ouder 
al bang is om een klacht in te dienen, 
zou hij dan nog het geld hebben om 
een klacht in te dienen? Er is al een 
serie geweest bij de Raad voor de 
kinderbescherming. Het vervolg is de 
voogdij-instelling. Op dat moment 
krijg je dan weer het indienen van 
een klacht. Daarna kom je bij een 
collega terecht. De omgang wordt 
ontzegd. En die collega zegt dat hij al 
van je weet. dat hij al van je gehoord 
heeft en dat je dus je kind niet te zien 
krijgt. Dit gebeurt niet één keer, maar 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


honderden keren. Denk aan al die 
stichtingen voor voogdij, Humanitas, 
Leger des Heils, 39 stichtingen voor 
jeugd en gezin. Ik durf ze niet eens te 
tellen van het Leger des Heils. Het 
gaat zo maar door. 

Ik heb niets nieuws verteld. Al 
hetgeen ik heb aangedragen, kent 
een ieder hier. Het zou goed zijn als 
ik mij namens de stichting nooit meer 
zou hoeven te beklagen en als ik de 
stichting morgen mag en kan 
opheffen. Want het is een vreselijke 
druk. 

Mevrouw Doelman-Pel (CDA): Er zit 
een e!ement in dat vanochtend ook al 
aan de orde is gegeweest, maar dat 
nu toch duidelijk weer naar voren 
komt. Dat is de machtsongelijkheid 
en het feit dat u onvoldoende weet 
waar u aan toe bent. Daarom wil ik 
de volgende vraag stellen. Is er niet 
iets wezenlijk fout met de informatie– 
verplichting, die onvoldoende is 
vastgelegd? Is die informatie dan 
inderdaad zo toegankelijk dat 
mensen het kunnen lezen en kunnen 
begrijpen? Is inderdaad voor de 
cliënten duidelijk hoe de Wet 
openbaarheid bestuur werkt en hoe 
straks eventueel de Wet op de 
persoonsregistratie uitwerkt voor de 
raden zelf? Het heeft natuurlijk ook 
consequenties voor de raden, maar 
ook voor de cliënten in het algemeen. 
Is dit voldoende duidelijk? 

Wij hebben maar één soort raden 
in Nederland, maar de praktijk leert 
dat het niet op die manier wordt 
ervaren. Mevrouw Bakker heeft 
vanmorgen ook al gezegd dat het 
maatschappelijk werk zo verschillend 
is en zo divers. Er is weinig uniformi– 
teit en er zijn weinig richtlijnen. Moet 
daar niet veel meer aan worden 
gedaan en hoe zouden wij dat 
kunnen doen? Daaraan wil ik de 
vraag verbinden of wij niet moeten 
komen tot een ander soort benamin– 
gen. Hoe presenteert het maatschap– 
pelijk werk zich? U zegt dat de 
maatschappelijk deskundige en de 
rapporteur door elkaar heen lopen. 
Leidt dat ook niet tot verwarring in 
het hulpverleningscircuit? Als het om 
heel ingrijpende maatregelen gaat, 
zoals ontheffing en ontzetting, wat 
ouders volledig buitenspel zet, rijst 
ook de vraag of de informatiestroom 
en deskundigheid voldoende worden 
gebruikt, zodat het voor de ouders 
ook zichtbaar wordt. 

Mevrouw IJdema: Voorzitter, 
mevrouw Doelman zegt dingen die 

mij recht in het hart raken. Zij sprak 
over een ander soort benamingen. 
Raad voor de kinderbescherming, 
toezichthoudende raad? Een ander 
woord, het zou heel goed zijn. 
Ouders ervaren dit niet als kinderbe– 
scherming. Men heeft een adviseren– 
de taak voor de kinderrechter en 
geen hulpverlenende taak. Ik denk 
dat daar de scheidslijn moet liggen. 

Er zijn verschillende raden. Heb 
niet het lef of misschien ook wel... 
Als vader moet je dus in Utrecht 
wonen, als moeder in Den Haag. Als 
moeder in Den Haag krijg je de 
kinderen toegewezen en als vader in 
Utrecht. Ook daar! Er zijn verschillen– 
de raden die verschillende beleidswij– 
zigingen doorvoeren. Wij kennen het 
voorbeeld van Haarlem. Ik denk dat 
de meesten van ons daar zijn 
geweest. De directeur daar is zeer 
welwillend. Naar mijn mening is er 
weinig uniformiteit, niet alleen bij de 
raden, maar ook bij de voogdij-instel– 
lingen. De oorzaak ligt in de verzui– 
ling. Wij kennen het allen. Het Leger 
des Heils, Humanitas. leder heeft zijn 
eigen inzichten. En als ik morgen een 
voogdij-instelling wil oprichten voor 
arme zielige kinderen, wellicht op 
een grondslag die te maken heeft 
met mijn mans afkomst, speciaal 
voor Joegoslavische kinderen, krijg ik 
misschien ook wel subsidie en kan ik 
ook meedoen. Het lijkt allemaal zeer 
makkelijk te gaan, maar het komt de 
kinderen, voor wie wij hier zitten, 
zeker niet ten goede. 

Ik ben bij de commissie-Gijsbers 
geweest, die wel enig inzicht had. Zij 
heeft mij gevraagd, een boekje te 
schrijven om het voor de ouders 
toegankelijker te maken, een aardige 
vraag. 

De heer Lankhorst (Groen Links): 

En dat gaat u doen? 

Mevrouw Udema: Nee, dank u. Voor 
mij liggen de belangen te veel bij de 
ouders om de werkzaamheden van 
anderen te kunnen overnemen. 

De informatieplicht is niet bekend. 
Ik ben ambtenaar en weet wetten te 
lezen, maar de informatieplicht is 
voor ouders niet te lezen. De werkers 
in het jeugdhulpverleningscircuit 
treden deze plicht zelfs dagelijks met 
de voeten. Er gaan rapporten naar de 
kinderrechter waarvan de ouders 
geen weet hebben; zij kunnen er dus 
ook niet om vragen. Ik ben er wel 
eens met stomheid door geslagen, 
maar het gebeurt echt. Mijn verba– 
zing over het feit dat er zo weinig 

klachten zijn, was wellicht groter dan 
die van de heer Rijks. Ouders worden 
er soms vreselijk slim in om hun 
klachten te bewijzen. Al die klachten 
heb ik aan de commissie-Gijsbers 
aangeboden, maar er was zelfs geen 
interesse. Er is dus geen toeganke– 
lijkheid voor de ouders en die moet 
naar mijn mening zeker wettelijk 
geregeld worden. 

Mevrouw Doelman-Pel (CDA): Hoe 
zit het met de voorlichting na 
ingrijpende maatregelen? Hierover 
hebben wij nog weinig gehoord. Het 
is wel even ter sprake gekomen bij de 
ontheffing na twee jaar ondertoe– 
zichtstelling, maar wij kennen ook de 
voorlopige toevertrouwing. Deze is in 
feite veel ingrijpender, omdat de 
bedoeling hiervan is dat ouders uit 
de ouderlijke macht worden ontzet. 
Ouders zouden van te voren moeten 
weten wat hun op dit gebied te 
wachten staat. 

Mevrouw IJdema: Er zijn prachtige 
boekjes, die door ouders niet te lezen 
zijn. Er zijn wel ouders die aardig wat 
weten en er zijn hulpverleners die er 
bekend mee zijn, maar ik heb veel 
met buitenlandse mensen te rnaken. 
Mijn man is zelf werkzaam voor hen 
en daardoor heb ik veel te maken 
met Joegoslaven en Turken. Wij 
worden regelmatig opgebeld door 
mensen uit Slavische landen. Zij 
begrijpen er totaal niets van, maar 
Hollandse mensen ook niet. Een 
voogdij-instelling geeft helemaal 
niets en sommige Raden voor de 
kinderbescherming ook nog steeds 
niet, terwijl ookdie beleidslijn anders 
zou worden. 

Mevrouw Doelman-Pel (CDA): 
Bestaan er eigenlijk richtlijnen voor 
de werkers van gezinsvoogdij-instel– 
lingen? 

Mevrouw Udema Nee, totaal niet. 
Zij mogen naar eigen inzicht sturen. 
Als zij een rapportage maken, mogen 
zij zeggen dat het in het belang van 
het kind is dat de ouders deze niet 
lezen. Waar moeten de ouders dan 
heengaan? Er is hiervoor geen 
eenduidig beleid, sorry: er is geen 
beleid. 

De voorzitter: Ik zie ongeveer alle 
vingers omhoog gaan en maak dus 
gewoon maar even een rondje. 

Mevrouw Meijerink: Ik denk dat 
veel problemen met het inzagerecht 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


en afgifterecht opgelost worden door 
de Wet op de persoonsregistraties 
van toepassing te verklaren op 
raadsdossiers en andere kinderbe– 
schermingsdossiers. De Wet op de 
persoonsregistraties geeft onder 
andere een protocolplicht. In dit 
protocol moet zijn opgenomen welke 
bescheiden in een dossier aanwezig 
zijn. Hiermee wordt het probleem van 
mevrouw Udema enigszins onder– 
vangen. Daarnaast zou ik ook nog 
willen opmerken dat wij het nu 
hebben over de uniformering van de 
rapporten van de raden, maar dat het 
naar mijn idee nog veel slechter 
gesteld is met de rapportage van de 
gezinsvoogdij-instellingen. Daar is 
absoluut geen controle op. Ook 
hebben zij enorm slechte richtlijnen, 
voor zover die er al zijn, voor inzage, 
afgifte, correctierecht enzovoorts. 

De heer Rijks: Voorzitter! Ik wil een 
opmerking van algemene aard 
maken. Onze stichtingen, waarvan de 
meeste hier zitten, werken op 
donateursbijdragen en ledenbijdra– 
gen. 

Mevrouw Udema: Totaal niet. Het is 
mijn eigen wens om dit soort werk te 
doen. 

De heer Rijks: Dat is uw goed recht. 
Maar voor ons betekent het, dat wij 
zuinig met het geld om moeten gaan, 
want het is geen vetpot. Men betaalt 
bij ons 35 gulden per jaar. Wij 
hebben dus niet veel geld om 
voorlichtingsbrochures uit te 
brengen. En als je alle onzin ziet die 
de Raden voor de kinderbescherming 
uitbrengen dan vraag je je wel eens 
af waarom het zo raar verdeeld is in 
Nederland. Wij hebben nooit echt 
moeite gedaan om uit de diverse 
potjes geld los te peuteren. Ik zou 
ook niet weten waar ik dat zou 
moeten doen. Maar onze stichting is 
heel goed in staat om zeer duidelijke 
en heldere brochures te produceren. 
Als u er potjes voor weet, houden wij 
ons aanbevolen. 

Mevrouw Udema: Ik denk dat er al 
genoeg verdiend wordt over de 
ruggen van al deze kinderen. Daar 
moeten we mee stoppen. We hebben 
ambtenaren die naar behoren kunnen 
werken. Kunnen ze dat niet, dan 
zullen hun werkwijze en hun attitude 
veranderd moeten worden. 

De heer Rijks: Wat wilt u daarmee 
zeggen? 

Mevrouw Doelman-Pel (CDA): Ik 
kom even terug op het voorstel van 
de heer Rijks. Op zichzelf vind ik het 
niet gek wanneer mensen die met 
deze dingen te maken hebben, 
zichzelf kunnen toetsen aan voorlich– 
ting uit de praktijk. Mij lijkt dat een 
winstpunt. 

De heer Burgman: Mevrouw de 
voorzitter! Ik wil nog iets zeggen over 
de richtlijnen die de raden hanteren 
bij weglopers. Ik overhandig u 
hiervoor een brief van 25 januari 
1984. Daarin staat: "In de memorie 
van toelichting wordt niet aangege– 
ven hoe de melding door de raad 
dient te worden ingevuld. Noch bij de 
behandeling in de Tweede Kamer, 
noch bij de behandeling in de Eerste 
Kamer blijkt, dat van de raden op 
basis van een melding een bepaald 
handelen wordt verwacht." Dat 
betekent, zoals de heer Dormeier al 
zei, dat als de hulpverleners het maar 
melden bij de raad, daarmee een 
vrijgeleide gegeven is aan de 
hulpverlener. 

Mijn tweede punt heeft betrekking 
op de Wet openbaarheid van 
bestuur. Zoals men weet is de Wet 
openbaarheid van bestuur van 
toepassing op de Raden voor de 
kinderbescherming. Dat is een 
gevolg van de procedure van de 
SOR, die tien jaar heeft geduurd. Nu 
hebben wij op 1 januari 1987 het 
Normenrapport gekregen, waarin dat 
wordt gesteld. Maar de Wet open– 
baarheid van bestuur schrijft voor, 
dat er een register dient te worden 
samengesteld, waarin alle instituten 
en instellingen die de aanwijzingen 
van de minister dienen op te volgen, 
dienen te worden gemeld. Welnu, in 
het register staan nog steeds de 
bureaus en niet de Raden voor de 
kinderbescherming. Wij hebben op 
29 oktober 1987 de toezegging 
gekregen van het ministerie dat dit 
zal worden veranderd. Dat is nog 
steeds niet gebeurd! Wanneer de 
voorzitter of een lid van het college 
een brief van de raad ondertekent, 
valt die brief buiten de werkingssfeer 
van de Wet openbaarheid van 
bestuur. Zo gaat men met de wet 
om! 

Ik heb hier een voorbeeld liggen, in 
het kader van de persoonsregistratie, 
van de wijze waarop mensen een 
briefje ontvangen. "Geachte heer, 
zoals u reeds is toegezegd, bied ik u 
de mogelijkheid tot inzage van het 
rapport op het bureau van de raad. 
Hiertoe kunt u telefonisch een 

afspraak maken met mevrouw J. van 
Rijssel of de heer Nielsen van de 
raad. Indien u meent, dat de inhoud 
van het rapport reeds voldoende aan 
u bekend is, hoeft u hiervan uiteraard 
geen gebruik te maken. Ik wijs u erop 
dat u in persoon of schriftelijk (dus 
niet telefonisch) kunt verzoeken om 
afgifte van bovenbedoeld rapport en 
eventuele bijlagen. Voor de goede 
orde deel ik u mede, dat de raad 
inmiddels de rechtbank te Groningen 
heeft geadviseerd, geen omgangsre– 
geling tussen u en Ghislaine in de 
beschikking vast te leggen." 

Dus wanneer je erop terug wilt 
komen, in het kader van de Wet 
openbaarheid van bestuur, moet je 
schriftelijk om een afschrift van het 
rapport vragen. Als wij naar de Wet 
op de persoonsregistratie kijken, zou 
je in wezen het correctierecht van 
toepassing kunnen verklaren. Hoe 
gaat het nu met die documenten? Wij 
hebben daarover vanmorgen, toen 
wij het over de kinderrechter hadden, 
nog niet gesproken. Het punt is 
namelijk het volgende. Als u bij de 
raad wordt uitgenodigd om het 
conceptrapport te bespreken, kunt u 
er schriftelijk op– en aanmerkingen 
over maken. Als u die geeft, worden 
ze in de bewoording van de maat– 
schappelijk werker in het officiële 
rapport opgenomen. En uw kladje 
verdwijnt in het dossier. Het rapport 
en het advies gaan naar de kinder– 
rechter, het dossier blijft bij de raad 
achter, wat betekent dat de kinder– 
rechter nooit over de gegevens 
beschikt op basis waarvan het 
rapport is opgesteld of het advies is 
gegeven. Hij kan ze dus ook niet 
toetsen aan die gegevens. 

De SOR beschikt over adviesbrie– 
ven waarin staat op welke wijze men 
een schriftelijk verzoek tot de raad 
richt ter verkrijging van een rapport. 
Wij hebben dat expres gedaan, want 
als je de mensen niet duidelijk 
dicteert wat zij moeten schrijven, 
doen ze het altijd anders. Ik ben het 
met u eens: als je het niet puur 
ambtelijk schrijft, heeft het verzoek 
ter verkrijging van inzage of van een 
afschrift geen effect. Deze brieven 
kunt u overnemen van ons, dat is 
helemaal geen probleem. Als een 
verzoek op deze wijze wordt inge– 
diend, ontstaan er geen problemen. 

Een interessant punt is nog het 
volgende. Aan het onttrekken van 
relevante gegevens ter bewijsvoering 
aan de rechteriijke macht zit een 
strafrechtelijke kant. Ik heb zelf een 
keer meegemaakt dat Raden voor de 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


kinderbescherming relevante stukken 

aan de kinderrechter onthielden. Ik 

heb ze hier strafrechtelijk op 

aangepakt, zowel de secretaris van 

Maastricht als de secretaris van 
Zwolle. Ik kreeg wel gelijk, maar de 

betrokkenen werden niet veroor– 

deeld, en waarom niet? In het kader 

van artikel 361 Wetboek van 

Strafrecht moet u de opzet aantonen. 

Als ik bij u thuis wijn in een prachtig 

glas krijg en het glas kapot laat 
vallen, bewijst u dan maar eens dat ik 

het opzettelijk heb laten vallen. Dit 

zijn de woorden van prof. Doek. Dat 

is een konijnenhol met negen gaten. 

Mijn laatste opmerking gaat over 
beschikkingen van WVC, ook een 
interessante zaak. Die klachtenproce– 
dure hebben wij hier nog niet 
aanhangig gemaakt. Als je een 
beschikking van WVC krijgt, wordt 
daarbij gemeld dat je in beroep kunt 
gaan bij de Raad van State. Zoals 
bekend duurt een beroep bij de Raad 
van State per definitie drie jaar. Daar 
begin je dan mee. Dan is het kind 
met het badwater weg. Als u het 
wint, krijgt u de griffiekosten terug, 
maar voor het terugkrijgen van de 
proceskosten moet u een aparte 
civiele procedure aanhangig maken 
tegen het ministerie dat verloren 
heeft. Er lopen op het ogenblik een 
paar van die procedures van ons. Wij 
krïjgen geen subsidie, dus wij halen 
het zo. 

Als je naar de Raad van State gaat 
in het kader van een bijstandsbe– 
schikking van de gemeente, staat in 
de beschikking dat in het kader van 
artikel 55 geen verhaal zal worden 
gepleegd. Dat betekent dat u bij de 
Raad van State geen voorlopige 
voorziening kunt vragen wegens het 
ontbreken van een spoedeisend 
karakter. Dan kunt u weer drie jaar 
wachten, dus dan zijn wij weer drie 
jaar verder. Zo werkt dat. Hoe je het 
ook wendt of keert, je staat als 
ouders te allen tijde met de rug tegen 
de muur. Dat geldt net zo goed voor 
de minderjarigen. Zo ligt de zaak. 
Laten wij dat nog maar eens heel 
duidelijk zeggen. Ik zeg het al vijftien 
jaar. Die zwijnetroep moet maar eens 
afgelopen zijn. Zo simpel ligt dat. 

De voorzitter: Dat is heel duidelijk. 

De heer Burgman: Daar neem ik ook 
de verantwoordelijkheid voor. Ik heb 
eens tegen een kinderrechter gezegd 
dat het gelegaliseerde kinderroof 
was. Dat was tegen Van Teeffelen. 
Weet u wat Van Teeffelen zei? "Daar 

klaag ik u voor aan." Ik zei: "Daar zit 

ik net op te wachten." 

De voorzitter: Dat is niet gebeurd? 

De heer Burgman: Nee, nog niet, 

maar ik beweer het nog steeds. 

De voorzitter Als u klaar bent, mag 
u uw microfoon uitdoen. 

De heer Burgman: Nee, ik wil nog 

even iets zeggen. Ik heb bij de 

stukken iets gevoegd over de 

rapportagenormen. Ik adviseer u om 

dat te lezen. 

De voorzitter: Wij hebben dat al 

gelezen. 

De heer Burgman: Daarin staat dat 
de rapporten van de raden niet zijn 
genormeerd. Ditzelfde geldt voor de 
voortgangsverslagen van de gezins– 
voogdij-instellingen. Exact hetzelfde 
doet zich ook voor bij de maatschap– 
pelijk werksters van de sociale 
diensten. Die doen ook voortgangs– 
controles. Ze komen met hun 
ambtelijke berichten ook bij gedepu– 
teerde staten. Van precies hetzelfde 
laken en pak. 

Afgelopen maandag heb ik weer 
een mooie zaak meegemaakt, 
voordat ik naar Gijsbers toe ging. U 
kunt klagen op basis van artikel 34 
ABW. Dan kom je bij een bezwaar– 
schnftencommissie van de gemeen– 
te. Als dat afloopt op een manier 
waarover u niet tevreden bent, dan 
kunt u naar gedeputeerde staten toe 
gaan. Ik kwam bij gedeputeerde 
staten en daar zei de advocaat van 
de tegenpartij, de gemeentelijke 
sociale dienst uit Deventer: Eigenlijk 
moet deze zaak niet ontvankelijk 
worden verklaard, want de minderja– 
rige is inmiddels 1 8 jaar geworden. 
Nu u weer. Dus u dient een bezwaar 
in als ze minderjarig zijn en het wordt 
behandeld als ze 18 jaar zijn en dan 
wordt straks de zaak niet ontvankelijk 
verklaard. Waar zijn wij dan in 
godsnaam met onze rechtspositie in 
Nederland mee bezig? In artikel 13 
van het Verdrag van Rome staat: 
Verdragsstaten hebben zich aan te 
passen aan het Verdrag. Het is een 
schande dat, terwijl wij het Verdrag 
toch al in 1954 hebben ondertekend, 
het personen– en familierecht in de 
wet tot op heden nog niet aan het 
Verdrag is aangepast. 

Mevrouw Bakker-Rothuizen: Ook 
als pleegouders moeten wij maar 

afwachten wat wij te horen krijgen. 
Als wij een kind in huis krijgen, 
moeten wij afwachten welke 
achtergrondinformatie wij zullen 
krijgen. Rechten hebben wij niet. Dat 
wij niet alle privégegevens van 
ouders krijgen, is natuurlijk begrijpe– 
lijk. Wij moeten echter ook maar 
afwachten of wij te horen krijgen wat 
er allemaal met het kind is gebeurd. 
Wanneer een pleegkind getest wordt 
door een psychiater, een psycholoog 
of een bureau met dergelijke 
deskundigen, wordt de pleegouders 
niet gevraagd om mee te komen voor 
een gesprek. In dat geval wordt de 
maatschappelijk werker gevraagd. 
Die vertaalt de mening van de 
pleegouders. Die zegt dan wat de 
pleegouders zouden weten, zouden 
willen zeggen of zouden willen 
vragen. En als de psychiater met een 
rapport komt, mag je heel blij zijn als 
de maatschappelijk werker daaruit de 
voor de pleegouder relevante stukjes 
voorleest. Die moet wel het kind 
opvoeden, dat is wel de bedoeling! 
Voor de rest is het maar afwachten. 
Als er door de kinderrechter beslis– 
singen worden genomen over het 
pleegkind, word je in de meeste 
gevallen als pleegouder niet gehoord. 

Mevrouw Doelman-Pel (CDA): Ik 
wil nog iets zeggen over de rapporta– 
ge. Voor de Raden voor de kinderbe– 
scherming bestaat een soort 
normering voor de rapportage, voor 
de opbouw daarvan. Nu is het zo, dat 
de ene instelling zich er wel aan 
houdt en de andere niet. Daardoor is 
vaak moeilijk controleerbaar of alles 
goed gaat. Je kunt dan namelijk niet 
vergelijken. Eerst zou je daarvoor 
moeten uitpluizen of hetzelfde 
materiaal is verwerkt. 

Een andere zaak is voor mij nog 
belangrijker. Op basis van de Wet 
openbaarheid van bestuur mag 
men de rapporten inzien. Die 
rapporten moeten dan qua taalge– 
bruik toegankelijk zijn voor ouders. 
Die moeten kunnen zien wat erin 
staat. Ik kan mij echter voorstellen, 
dat in die rapporten aardig wat 
jargon gebruikt wordt. Ook kan het 
voorkomen dat door een verschillend 
gebruik van normen en waarden de 
informatie gekleurd is. De vraag is 
dan hoe je dat kan zien. Bovendien 
kan de samenvatting en het advies 
aan de kinderrechter wezenlijk 
anders zijn. Het advies is namelijk 
een beoordeling van de gegevens die 
men verzameld heeft. 

Heeft u hierover klachten? Heeft u 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 96 


voorstellen om de rapporten voor 

ouders beter toegankelijk te maken? 
Worden de rapporten ook naar de 

pleegouders gestuurd, opdat zij veel 

beter op de hoogte zijn? 

Mevrouw Udema: Dit is een 
algemene vraag. Het opstellen van 
rapporten gebeurt door één persoon. 
Die komt slechts één uur en aan de 
hand van wat dan wordt opgeschre– 
ven, wordt beoordeeld of iemand een 
goede ouder is, of dat iemand als 
een zodanige ouder moet worden 
beoordeeld dat er maatregelen 
moeten worden getroffen. Bij zo'n 
toetsing moet de ouder niet huilen, 
want dan ben je emotioneel. Je moet 
ook niet boos worden, want dan ben 
je agressief. Je moet geen griep 
hebben, want dan is je huis wat vuil. 
Je moet ook niet een te schoon huis 
hebben, want dan ben je te netjes. Ik 
zie mevrouw Doelman lachen, maar 
zo gaat het. Het is triest. In feite 
moet je wel lachen. Wij lachen ook 
wat af; wij huilen niet alleen. Dit 
soort zaken bij een klachtenprocedu– 
re zorgt voor een bepaalde humor. 
Maar zo gaat het. Het gevolg is 
echter, dat slechts één persoon 
toetst. Er wordt wel zo netjes 
gezegd: wij werken in teamverband 
en wij toetsen allemaal. Maar 
niemand heeft dat kind gezien. Ook 
als het gaat om kinderen onder de 
twaalf jaar wordt nog steeds niet in 
de rapportage opgenomen, dat zij 
zijn gezien. Laat staan gesproken! En 
laat staan dat ernaar geluisterd 
wordt. Een voogdij-instelling is nu drie 
jaar bezig om het vertrouwen van 
kinderen te winnen. Drie jaar! Het 
kind is nog wel bij de moeder, want 
eerst wil men het vertrouwen van de 
moeder winnen. De kinderen worden 
door de verzorgenden dus nog wel 
verder behandeld. 

Laten wij dus wel wezen: er is geen 
toetsing of een rapportage door een 
team. Het rapport gaat vervolgens 
naar het unit-hoofd. Dat unit-hoofd 
ziet alleen maar de kleuring van de 
rapporteur. Die zegt dan: dat heb je 
hartstikke goed gedaan, die maatre– 
gel is prima, laat maar zo staan! Zo 
gaat die beoordeling verder. Die gaat 
een eigen leven leiden. Wij komen 
dan weer bij hetzelfde punt terecht: 
fouten herkennen is voor die mensen 
al moeilijk, maar ze aangeven zal 
nooit en te nimmer gebeuren. Vooral 
niet als wij nog deze attitude hebben 
en ik verwacht dat het in de pleeg– 
zorg hetzelfde is. 

Mevrouw Bakker-Rothuizen: Ik 
heb het in de pleegzorg één keer 
meegemaakt. Na zeven gesprekken 
konden wij de kinderen uit een 
kindertehuis krijgen om terug te gaan 
naar de pleegouders. De instelling 
gaf uiteindelijk als commentaar: nu 
pas hebben wij de goede beslissing 
genomen. Later vroeg men ons, te 
helpen bij het ontwerpen van hulp– 
en beleidsplannen. Dat was een 
applausje waard. 

Mevrouw Bijl: Bij het opmaken van 
de rapportages, bij de ouderverhoren 
maakt de maatschappelijk werkster 
geen notulen. Het gesprek duurde 
drie a drieëneenhalf uur. Je kunt mij 
nog meer vertellen, maar na een 
gesprek van drie uur weet je niet 
meer wat er allemaal gezegd is. Het 
rapport komt vervolgens bij het 
unithoofd. De ouder krijgt niet het 
officiële document, maar wel een 
kladje te zien. Bij de kinderrechter 
zijn ouders vaak totaal verbaasd. Het 
advies en het rapport zijn vaak totaal 
anders. 

Mevrouw Ammerlaan: Ik wil nog 
iets zeggen over de rapportage. Er 
werd gezegd dat het normenrapport 
een zekere structuur gaf aan de 
raadsrapporten. Wij dringen al jaren 
aan op het stellen van kwaliteitseisen 
aan de rapportage. Het ministerie 
heeft zich daarvan al een tegenstan– 
der verklaard, want de rapportage 
zou een weerslag zijn van de relatie 
tussen de maatschappelijk werker en 
de betrokkene. Daarmee wordt de 
maatschappelijk werker alle ruimte 
geboden om neer te schrijven wat hij 
wil. Een kwaliteitseis zou op haar 
plaats zijn, en niet alleen bij de raden. 
Bij de gezinsvoogdijverenigingen 
weet je soms helemaal niet wat je 
leest. 

De heer Bonnet: Wat mij in de 
rapporten opvalt — ik ben zelf 
medicus, dus ik heb er heel wat 
gelezen - is dat er veel vooroorde– 
len en veronderstellingen in staan. 
Alle feiten worden er systematisch 
uitgehaald. Dat was althans het geval 
in de rapporten die ik heb gelezen. 
Dat zijn misschien de slechte. 
Imrners, er zijn klachten over. Ik vind 
dit een heel slechte zaak. Bij de Raad 
voor de kinderbescherming moet 
erop worden aangedrongen, niet een 
rapport te schrijven, maar een 
proces-verbaal op te maken. Er moet 
worden uitgegaan van de feiten. De 
raden moeten zich onthouden van 

een advies aan de kinderrechter. 
Deze heeft gestudeerd en kan wel 
voor zichzelf beslissen, op grond van 
de feiten. Een groot deel van de Raad 
voor de kinderbescherming wordt 
daarmee overbodig. Er hoeft dus niet 
meer geld in; er komt juist geld vrij, 
terwijl de kwaliteit verbetert. 

De heer Lankhorst (Groen Links): 

Het is inderdaad interessant om te 

overwegen de Raad voor de kinder– 

bescherming meer een OM-taak te 

geven. 

Ik stel een vraag over de kwaliteits– 
eisen die aan de rapporten worden 
gesteld. Waar denkt men dan aan? 

ledereen pleit hier in feite voor 
meer uniformering, strakkere regels 
en duidelijkere normen. Alle raden en 
alle maatschappelijk werkers en 
werksters moeten daarmee te maken 
krijgen. Men voelt minder voor een 
ministerie dat wat meer op afstand 
staat, dat wat meer ruimte biedt aan 
de raden. Je zou kunnen denken aan 
colleges met een nieuwe taak: het 
maken van beleid. Dat is op dit 
ogenblik de algemene trend in het 
bestuur: de overheid op afstand, 
decentralisatie, deconcentratie, 
beleidsruimte voor organisaties. Ik 
proef echter dat u allen bent voor 
meer uniformering. De consequentie 
daarvan is een redelijk grote greep 
op de gang van zaken van het 
ministerie van Justitie. 

Mevrouw Udema De heer Worrell, 
oud-kamerlid en thans burgemeester, 
heeft vorig jaar gezegd: 20 jaar 
geleden hadden ouders klachten over 
de kinderbescherming; nu zijn het 
andere ouders en andere kinderen, 
maar zij hebben dezelfde klachten. 
Als je de mensen toch weer free– 
wheelend bezig laat zijn met dezelfde 
attitude, zoals die heerst in het 
jeugdhulpverleningscircuit, dan zijn 
wij nog verder van huis. Dan kunnen 
wij als ouder die niet de voogdij 
heeft, nooit meer een verzorgende 
taak uitvoeren. Je mag dan in het 
weekend, als het kind ziek is, niet 
eens naareen huisarts. 

De heer Lankhorst (Groen Links): 

Naar mijn mening legt u terecht de 
nadruk op de attitude van maat– 
schappelijk werkers. Dat is buitenge– 
woon belangrijk. Denkt u echter dat 

door meer uniformering vanuit het 
ministerie die attitude sneller zal 
veranderen in de door u gewenste 
richting dan door decentralisatie en 
meer mogelijkheden voor de raden 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


zelf? In feite zegt u namelijk: laat die 

centrale overheid er maar meer 

greep op krijgen. 

Mevrouw IJdema Daar ben ik mij 

van bewust, terwijl men zich in 

Roemenië juist daartegen keert. Ik 

pleit echter zonder meer voor 

uniformering. De attitude moet 

jaarlijks worden getoetst aan de 

gestelde beleidsnormen en aan het 

doel van het instituut waarover wij 

het nu hebben. Dan komen wij goed 

terecht. Dan kunnen de ouders ook 

klagen, al valt er dan misschien 

helemaal niets meer te klagen. 

De heer Rijks: Ik denk dat vooral een 

onafhankelijke klachtencommissie 

van belang is. Die herstelt dat 

evenwicht voor een deel. 

Mevrouw IJdema Maar wel met 

deskundigheid! 

Mevrouw Ammerlaan: Op dit 

moment zie je dat de ongelijkheid 

leidt tot rechtsongelijkheid. Daarom 

moet je misschien pleiten voor 

centralisering, ook omdat kinderbe– 

scherming toch nog altijd overheids– 

ingrijpen inhoudt. Het is goed dat je 

dat als overheid bewaakt en het niet 

zomaar overlaat aan welk decentraal 

orgaan dan ook. Dat zie je bij de 
gezinsvoogdij. De particuliere 
stichtingen zijn daar allemaal vrij in 

hun beleid. Daar komen heel veel 

klachten uit voort. 

Het is natuurlijk moeilijk om zo 
even de kwaliteitseisen op te lepelen. 
Je kunt dan globaal aan een aantal 
zaken denken. Het doel van het 
rapport moet duidelijker worden 
vermeld. De conclusie moet geba– 
seerd zijn op feiten die in het rapport 
staan. De conclusie moet geen nieuwe 
feiten toevoegen. Het moet duidelijk 
zijn wat de mening van de rapporteur 
is en wat een feit is, want dat is 
thans vaak moeilijk te onderscheiden. 
Voorts zou je het vakjargon moeten 
vermijden of in ieder geval moeten 
omschrijven. Aan dat soort dingen 
denk ik dan. 

De heer Burgman: Ik heb nog een 
paar wensen. Het merkwaardige is 
dat de code van het maatschappelijk 
werk niet door Justitie wordt erkend. 
Dat is natuurlijk een heel rare zaak. Ik 
weet niet, of dit u al bekend is. Wij 
moeten ervoor oppassen, dat wij de 
raden niet gaan privatiseren. Dan 
krijgen wij net zo'n rommeltje als bij 
WVC. 

De heer Bonnet: De code van het 
maatschappelijk werk is nog niet 
eens aan alle maatschappelijk 
werkers bekend. Daar begint het al. 
De meeste maatschappelijk werkers 
zij niet aangesloten bij de landelijke 
vereniging. Het is in "maatschap– 
pelijk-werk-land" helaas een bont 
gezelschap. Ik wil niet zeggen dat 
het een zooitje is, maar dat bedoel ik 
eigenlijk wel. 

Rondvraag 

Mevrouw Meijerink: Voorzitter! Ik 
wil nog iets toevoegen aan hetgeen 
ik in mijn inleiding heb gezegd over 
het uitbreiden van de voorwaarden 
voor het opleggen van een OTS. Er 
moet bekeken worden waarom de 
vrijwillige jeugdhulpverlening gefaald 
heeft. Het lijkt mij belangrijk dat de 
Raad voor de kinderbescherming die 
taak krijgt en dat de kinderrechter die 
taak bewaakt. Als dat goed gebeurt, 
zal men op een aantal zaken stuiten. 
Een daarvan zal zijn dat er een zeer 
groot gebrek is aan laagdrempelige, 
semi-residentiële opvang voor vooral 
jonge kinderen. Wij signaleren dat de 
laatste tijd heel sterk. Het gaat dan 
vooral om de MKD's en de Boddaert– 
centra. In onze regio zitten de 
Boddaert-centra hartstikke vol en 
datzelfde geldt voor de MKD's. 
Daarnaast moet bedacht worden dat 
de MKD's behoorlijk gespecialiseerd 
zijn. Wij zien de laatste tijd regelma– 
tig dat er door dat gebrek aan 
semi-residentiële opvang niets 
anders opzit dan het uitspreken van 
een maatregel, dus een uithuisplaat– 
sing. Als die opvang uitgebreid 
wordt, kan dat preventief werken. 

De heer Bakker: Voorzitter! Ik heb 
niet zozeer een vraag als wel een 
opmerking. Wij hebben de gehele 
dag gediscussieerd over allerlei 
klachten, maatregelen en wetgeving. 
Ik mis eigenlijk de aandacht voor het 
belang van de relatie tussen ouder en 
kind. Je kunt veel wetgeving in het 
leven roepen en veel maatregelen 
nemen, maar dit alles mag geen 
verdere verwijdering tussen ouder en 
kind tot gevolg hebben. Hoe de 
situatie ook is, dit is een biologische 
band die nooit en te nimmer 
verbroken kan worden. Wat je ook 
verzint, wat je ook doet en wat je ook 
voorschrijft, dit moet altijd voorop 
staan. Vanuit die positie moet er 
gewerkt worden. Dat moet de 
grondgedachte zijn. 

De heer Rijks: De laatste jaren is 
een pleidooi gehouden voor een 
zelfstandige rechtsingang voor 
kinderen in het algemeen. Ik geloof 
dat een zelfstandige rechtsgang voor 
kinderen tot 12 jaar ongewenst is om 
de volgende reden. Het gaat om de 
situatie waarin kinderen bij een ouder 
wonen. Wiens brood men eet, diens 
taal men spreekt. De Hindoestanen 
zeggen: wiens aap men is, daar danst 
men voor. Dat betekent dat kinderen 
door de ouder bij wie ze wonen, 
gedwongen kunnen worden een 
briefje aan de rechter te schrijven. 
Het kind bepaalt niet zelf zijn wil, 
maar wordt door de ouder gedwon– 
gen. Ik vind dat een ernstige vorm 
van psychische kindermishandeling. 
Wetgeving die aan dit soort jonge 
kinderen rechten toekent, leidt tot 
veel misbruik en psychische mishan– 
deling. 

De heer Dormeier De woorden van 
de heer Bakker zijn mij uit het hart 
gegrepen. Ik wil de commissie wijzen 
op de grote gevaren van juridisering 
van de ouder-kindrelatie in het 
algemeen. Beide vorige sprekers 
hebben daar een deel van aangestipt. 
Daarvan zijn voorbeelden te over te 
geven. De heer Bakker noemde het 
een specifiek menselijke relatie, die 
nooit of te nimmer te vatten valt in 
objectieve regelgeving. 

De heer Burgman: Mevrouw de 
voorzitter! Ik wil hier nog een paar 
wensen te kennen geven met 
betrekking tot de SOR-lobbynotities 
die men heeft ontvangen. Daarbij ga 
ik ervan uit dat de Wet openbaarheid 
van bestuur behoorlijkfunctioneert 
bij de raden, want ze kunnen nog 
altijd zeggen: we doen het niet als de 
procedure nog niet is afgerond. Bij 
de Kamer ligt al geruime tijd een 
voorstel tot wijziging van het 
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvor– 
dering voor. Daarbij gaat het om de 
artikelen 908a, 908b, 971 en 978. 
Als deze wetswijzigingen worden 
gehonoreerd, kunnen we er zeker van 
zijn dat de Wet openbaarheid van 
bestuur naar behoren kan functione– 
ren. 

Vervolgens meen ik dat wij, willen 
wij een goede controle op de raden 
hebben, uitvoering dienen te geven 
aan artikel 238, lid 2, BW I, waarin 
staat dat de taken en bevoegdheden 
wettelijk dienen te worden geregeld. 
Dat is iets anders dan het in algeme– 
ne maatregelen van bestuur of links 
en rechts in de wet opnemen van 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


taken en die aan de raden toebede– 
len. In mijn pleitnotitie wordt hierover 
in een uitgebreid artikel weergegeven 
hoe de vorige staatssecretaris 
daarover dacht. 

Dan kom ik bij mijn lobbynotitie nr. 
12 "Schoolgeldbelasting". Bij een 
ondertoezichtstelling wordt de 
ouders een ouderbijdrage opgelegd. 
Mevrouw Korte-van Hemel heeft 
indertijd gezegd dat alle kosten in het 
kader van een ondertoezichtstelling 
gedragen moeten worden door het 
ministerie, waarbij de ouders al dan 
niet een ouderbijdrage wordt 
opgelegd. Ook schoolgeldbelasting 
valt daaronder. Het merkwaardige is 
dat ouders schoolgeldbelasting 
wordt kwijtgescholden als wij een 
bezwaarschrift indienen. Dus men 
moet weer klagen. Eigenlijk zouden 
ouders waarvan kinderen onder 
toezicht zijn gesteld automatisch uit 
het bestand moeten worden gehaald, 
zodat die mensen helemaal niet 
worden aangeslagen. 

Vervolgens noem ik mijn lobbynoti– 
tie nr. 13 "Opsporing-Aanhouding– 
Terugbrenging (OAT) van minderjari– 
gen op verzoek van de ouderlijke 
macht". Tot op heden vallen wij 
daarvoor onder de wet uit 1948. De 
minister van Binnenlandse Zaken 
heeft daarvoor in 1948 richtlijnen 
gegeven. We zitten dan ook nog met 
de combinatie met artikel 28 van de 
Politiewet betreffende hulp aan hen 
die dat behoeven. De vorige minister 
van Justitie heeft ons indertijd 
gezegd, dat de aanwijzingen van de 
ministervan Binnenlandse Zaken uit 
1948 zo langzamerhand zijn achter– 
haald en dat er op korte termijn 
nieuwe voorschriften komen. Daar zit 
de heer Van der Linden van de 
politiebond overigens ook nog steeds 
op te wachten. Daarom vraag ik de 
Kamer daarop bij de huidige 
staatssecretaris aan te dringen. 

Een grote wens is nog steeds een 
regeling van het omgangsrecht, niet 
alleen bij scheiding. Ik doel daarbij 
ook op het bezoekrecht. Daar weten 
velen van de aanwezigen wel meer 
van dan ik. Het bezoek van de ouders 
wordt op alle mogelijke manieren 
gefrustreerd als het gaat om 
kinderen, ten aanzien van wie de 
ouders de ouderlijke macht niet 
ontzegd is, maar die in het kader van 
een ondertoezichtstelling in een 
instelling zijn geplaatst. Van de week 
hoorde ik bijvoorbeeld dat kinderen 
uit Alkmaar naar Uithuizen gaan. Dat 
wordt gedaan om het de ouders 
moeilijk te maken: de kinderen zitten 

dan zo ver mogelijk weg, zodat de 
ouders er praktisch niet kunnen 
komen. Het liefst stuurt men de 
kinderen de rimboe in. Daarbij komt 
dat wij wat het omgangsrecht betreft 
van de Verenigde Naties al geruime 
tijd geleden een tik op de neus 
hebben gekregen. Nee, wij wijzen 
altijd voor de schending van de 
mensenrechten op het buitenland, 
hoewel het hier in Nederland toch 
ook nog lang niet klopt. Het gaat dus 
niet alleen om het bezoekrecht na 
scheiding. Even erg op dit moment 
is, dat ouders op alle mogelijke 
manieren onder druk worden gezet, 
waarbij wordt gezegd: als u moeilijk 
blijft doen, mag u niet meer één keer 
in de veertien dagen komen, maar 
dan komt u maar één keer in het 
halfjaar. Als de ouders dan toch bij 
de inrichting verschijnen, dan 
betreden ze de privéterreinen van de 
instellingen en op grond daarvan 
kunnen ze door de politie worden 
verwijderd. Zo simpel ligt dat. 

Daarnaast wijs ik op de procedure– 
tijd bij de Raad van State. Het is 
natuurlijk te gek dat een procedure 
vaak jaren duurt. Ik verzoek u verder 
aandacht te besteden aan de taken 
en bevoegdheden van de inspectie 
jeugdhulpverlening, ook in het kader 
van de Algemene bijstandswet. Wij 
moeten voorkomen dat ouders die al 
zo in de ellende zitten, overal naar 
toe moeten schrijven en van het 
kastje naar de muur worden ge– 
stuurd. 

Ik wil graag met het volgende 
afsluiten. Ouders hebben geen 
rechten, alleen plichten. Zij hebben 
de verantwoordelijkheid voor hun 
kinderen op zich genomen en dienen 
de taak van het grootbrengen tot een 
goed einde te brengen en hen niet 
alleen lichamelijk te verzorgen maar 
ook iets van hun eigen geestelijke 
rijkdom mede te geven, ieder op 
eigen wijze en naar eigen aard. 
Zonder de doorgeeffunctie van de 
ouders zou er geen cultuur mogelijk 
zijn, alle subsidie van de ministeries 
ten spijt. 

Mevrouw Udema: Met nadruk wil ik 
stellen dat een kind nog meer heeft 
dan ouders. Het heeft ook grootou– 
ders. Deze zien vaak heel verlangend 
naar het kind uit. Zij kunnen zich niet 
beroepen op artikel 8 EVRM, alleen 
als zij het kind uitgebreid hebben 
verzorgd, mogen zij het kind zien. 

Evenals de ouders mogen ook de 
grootouders geen brief sturen, geen 
telefoontje plegen, want dit is niet in 

het belang van het kind en er kunnen 
beschadigingen optreden. Ik vraag 
daarom, ook de grootouders erbij te 
betrekken. 

Mevrouw Bakker Rothuizen Er is 
vandaag niet over de achttienjarigen– 
regeling gesproken. Mijn vraag is of u 
hier ook nog eens goed op wilt 
letten. Ik spreek over de kinderen die 
voor WVC als zeventienjarigen in een 
pleeggezin zijn geplaatst en voor wie 
de ouders niet wensen te betalen. Je 
kunt twee dingen doen. Als het kind 
achttien is, kun je het op eigen 
kosten blijven verzorgen. Je kunt het 
ook op straat zetten. Een andere 
keuze is er niet. 

Ik vraag verder of u in uw werk de 
beginselen voor een Statuut voor de 
pleegzorg nog eens goed wilt 
bekijken. Wij hebben het destijds 
gemaakt met instemming van WVC 
en Justitie. Wij hebben het aangebo– 
den. Er zou iets mee gedaan worden. 
Nu wordt gezegd: moet een vrijwilli– 
gersclub zoiets gaan trekken? Daar 
zijn wij het niet mee eens. 

De heer Van Megchelen: Wij 

hebben niets toe te voegen aan wat 
wij gezegd hebben, behalve dat de 
meeste organisaties hier als speciale 
invalshoek het behartigen van de 
belangen van de ouders hebben. 
Aangezien iedereen hier ook in de 
eerste plaats de belangen van de 
kinderen behartigt, begrijp je niet dat 
er niettemin iets mis kan zijn, want 
iedereen heeft toch het beste voor 
met de kinderen. Dit blijkt in de 
realiteit dus wel anders te liggen. 

Mevrouw Bijl: Ik wil nog even ingaan 
op de code voor het maatschappelijk 
werk. In dit kader kan gezegd worden 
dat de code voor het maatschappelijk 
werk niet wordt erkend door de 

Raden voor de kinderbescherming. In 
de code wordt niet alleen de 
verplichting tot hulpverlening 
onderstreept, maar ook de ethische 
kant, namelijk dat het beroep van 
maatschappelijk werker nimmer mag 
worden misbruikt. Toch doet men bij 
de raden niet anders. Zonder 
erkenning van de code zijn de 
rapporteurs die zich maatschappelijk 
werker noemen bezig zichzelf, de 
rechters, de bevolking, u en mij te 
bedriegen. Zij zijn als chirurgen 
zonder enig inzicht in wat zij doen, 
bezig de levens van volwassenen en 
kinderen te vernielen. Wij vragen 
aandacht voor deze vorm van 
beunhazerij. Wij stellen u onze 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 99 


mankracht en kennis ter beschik– 
king in de hoop dat een echte 
discussie mogelijk wordt gemaakt 
over de aard en de werkwijze van de 
raden en over individuele gevallen in 
het bijzonder. Daarbij voegt zich de 
adviesraad van Ouders voor kinde– 
ren. Hierin zitten onder anderen: 
prof. Van Acker, orthopedagoog in 
Nijmegen; prof. Teuns, kinderpsychi– 
ater; prof. Imelman, pedagoog; dr. R. 
de Groot, hoofd van de vakgroep 
Orthopedagogie te Groningen; prof. 
Brouwer, psycholoog; prof. Hoefna– 
gels, criminoloog-hoogleraar 
jeugdrecht en dr. D. Deboutte, 
jeugdpsychiater. 

Ik wil een lans breken voor de 
grootouders. Ouders hebben al geen 
recht zo blijkt, maar grootouders 
helemaal niet. 

Ook vraag ik aandacht voor de 
alimentatie. Normaal gesproken, zou 
de raad de alimentatie voor de 
overblijvende ouder kunnen innen. In 
de praktijk blijkt dit niet altijd mogelijk 
te zijn. Wanneer de overblijvende 
ouder zwart gaat werken, krijgt de 
andere ouder geen alimentatie en 
staat dan financieel gezien alleen 
voor de opvoeding van het kind. Wij 
ervaren dit als zéér onrechtvaardig. 

De heer Bonnet: Ik pleit ervoor, dat 
in het civiele familie– en jeugdrecht 
dezelfde zorgvuldigheid in acht wordt 
genomen als ter zake van het 
strafrecht het geval is. Ook dienen 
dezelfde criteria te worden gehan– 
teerd. Ik geef een voorbeeld. Er 
wordt een fiets gestolen. De politie 
arresteert iemand. De politieagent 
zegt tegen de rechter: wij vermoeden 
dat deze mijnheer een fiets heeft 
gestolen. De politie stelt voor 
hem een boete van tweehonderd 
gulden te geven en hem een week in 
bewaring te stellen. De strafrechter 
zou dit beslist niet accepteren. In het 
strafrecht is dit niet mogelijk, wel in 
het civiele recht. Vanwaar die 
diversiteit? 

Ten slotte wijs ik op het verslag 
van het gesprek van onze vereniging 
met de commissie-Gijsbers. Ik zou 
graag zien, dat dit meegenomen 
wordt. 

De voorzitter: Ik dank u allen 
hartelijk voor uw aanwezigheid en uw 
inbreng. Het is voor ons een zeer 
nuttige bijeenkomst geweest. Wij 
beseffen dat wij een groot beroep op 
u hebben gedaan door u veertien 
dagen geleden uit te nodigen om zo 

maar op een doordeweekse dag hier 
te verschijnen. 

U krijgt een stenografisch verslag 
van deze bijeenkomst. Dit kan 
worden gecorrigeerd. Wij zullen ons 
rapport aan u toezenden, als wij de 
conclusies hebben geformuleerd. 
Aan dat laatste zijn wij nog niet toe. 
Wij hopen, dat wij een en ander voor 
de zomer af kunnen ronden. Wij 
nemen aan, dat wij na de zomer, als 
de discussie verder gaat ongetwijfeld 
iets van u zullen vernemen. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


d*923mei1990 

A.4 Stenografisch verslag van het w—
rondetaf elgesprek van de 
subcommissie Kinderbe– 
scherming met personen beroeps– 
matig betrokken bij de kinderbe– 
scherming 

Voorzitter: Vliegenthart 

Aanwezig zijn 5 leden der Kamer, te 

weten: 

Vliegenthart, Leerling, Dijkstal, 

Doelman-Pel en Versnel-Schmitz. 

Verder nemen deel aan het gesprek: 

de heren J.E. Doek en P. Vlaardinger– 

broek, Vereniging voor familie– en 
jeugdrecht (FJR); 

de heren J.B.E.M. van Gent en D. 

Oosting, Vereniging van secretaris– 

sen van de raden voor de kinderbe– 

scherming; 

de heren J. van der Heijden en P. 
Janssen, Inspraak structuur raden 
maatschappelijk werkers (ISR-MW); 

de heren P. Jeurgens en L.A. van Tol, 
Vereniging van directeuren van 
voogdij– en gezinsvoogdij-instellingen 
en aangekoppelde adviesbureau's 
(Vedivo); 

de heer A.P. Visser, advocaat te 
's-Gravenhage; 

de heer A.W.M. Willems, advocaat te 
Amsterdam. 

De voorzitter: Ik heet u van harte 
welkom bij dit tweede rondetafelge– 
sprek van de Subcommissie kinder– 
bescherming. Voordat ik inga op de 
bedoeling van deze bijeenkomst heb 
ik een paar huishoudelijke medede– 
lingen. Dit gesprek duurt tot 
vanmiddag vier uur, met een 
lunchpauze van 12.15 uur tot 13.00 
uur. Om 13.00 uur zal het middag– 
deel aanvangen. De lunch wordt aan 
de overkant gebruikt, maar u kunt 
ook even naar buiten om een frisse 
neus te halen. 

Dit is een besloten bijeenkomst, 
waarvan een stenografisch verslag 
wordt gemaakt. Bij de publikatie van 
het onderzoeksrapport zullen de 
verslagen van de rondetafelgesprek– 
ken in een bijlage worden gepubli– 
ceerd. Achteraf worden de gesprek– 
ken dus wel openbaar. U krijgt de 
mogelijkheid om het stenografisch 
verslag in te zien en te corrigeren, als 
dat nodig is. Het is uiteraard alleen 
mogelijk om correcties aan te 
brengen op datgene wat u zelf heeft 
gezegd. De bedoeling is dat de 
strekking van wat er is gezegd, 
daardoor niet wordt gewijzigd. Soms 
is er iets niet goed verstaan, zodat de 
weergave niet klopt, dus u wordt wel 
verzocht om er even naar te kijken. 
Het is van belang dat u weet dat de 
Stenografische dienst zelf beoordeelt 
of die correcties al of niet terecht zijn 
en dat de commissie daar niets mee 
van doen heeft. Dat is de verant– 
woordelijkheid van de Stenografische 
dienst. 

De laatste mededeling is dat een 
van de leden van de commissie, de 
heer Lankhorst, niet aanwezig kan 
zijn, omdat hij in het buitenland is. 
Dat spijt hem. 

Dan ga ik over naar de inhoud van 
deze bijeenkomst. Zoals u weet, 
hebben de bijzondere Commissie 
voor het jeugdwelzijnsbeleid en de 
Vaste kamercommissie voor justitie 
deze subcommissie ingesteld naar 
aanleiding van klachten over de 
kinderbescherming in de afgelopen 
jaren. De doelstelling van dit 
onderzoek is om op basis van bij ons 
binnengekomen klachten en de 
informatie die wij onder andere in 
deze rondetafelgesprekken verzame– 
len, een beeld te vormen over de 
aard en de ernst van de klachten. Dat 
kan een indicatie geven voor wat er 
moet veranderen in de structuur en 

in de bejegening van de kinderbe– 

scherming. 

Zoals uit de meegezonden thema's 
kan worden gezien, kijken wij niet 
alleen naar de Raden voor de 
kinderbescherming, maar zowel naar 
de uitvoering van de overheidstaken 
als naar het systeem van rechtsple– 

De commissie heeft een inventari– 
satie gemaakt van de klachten die bij 
ons en de Nationale ombudsman zijn 
binnengekomen. Vervolgens hebben 
wij bekeken op welke elementen de 
klachten betrekking hebben. Op basis 
daarvan hebben wij de vijf thema's 
voor vandaag vastgesteld. Voor alle 
duidelijkheid, de commissie heeft 
nog geen conclusies getrokken, ook 
nog geen voorlopige conclusies. Wat 
dat betreft hebben wij nog een weg 
te gaan. Misschien klinkt in de 
vraagstelling van een van de leden 
wel een oordeel of een voorlopige 
conclusie door, dan is het goed om 
te weten dat dit geen conclusies van 
de commissie als geheel zijn, maar 
dat wij in ieder geval vatbaar zijn voor 
de argumenten en inbreng die u 
levert. 

De functie van dit gesprek voor 
ons is om los van de casuïstiek die in 
de individuele brieven natuurlijk sterk 
naar voren komt, door personen en 
organisaties die op een of andere 
wijze bij de uitvoering zijn betrokken, 
geïnformeerd te worden over wat u 
als de kern van de problematiek 
beschouwt, over de oorzaak en 
mogelijke oplossingen. Zoals men op 
de uitnodiging heeft kunnen zien, 
hebben wij ook een aantal kinder– 
rechters uitgenodigd maar deze zijn 
vandaag helaas verhinderd. Wij 
zullen op een later moment nog met 
hen spreken. 

Wij hebben gekozen voor de vorm 
van een rondetafelgesprek en niet 
voor hoorzittingen, waarbij mensen 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


afzonderlijk worden gehoord. Wij 
vinden het een goede zaak wanneer 
er niet alleen een vraag-en-ant– 
woord-spel tussen de commissie en 
individuele personen plaatsvindt 
maar er ook een wisseling van 
argumenten is tussen de verschillen– 
de betrokkenen. Onze ervaringen, 
tijdens het eerste rondetafelgesprek 
met deze methode opgedaan, zijn 
bijzonder positief. Hierdoor wordt 
een zekere verdieping van de 
argumentatie mogelijk. Bij de 
verwerking van de informatie die 
hiermee verkregen wordt, gaan wij 
ervan uit dat iedereen namens de 
eigen organisatie of namens zichzelf 
spreekt. Pas wanneer blijkt dat er 
sprake is van algemene instemming, 
trekken wij algemene conclusies. 

Het is de bedoeling dat ieder 
thema kort door een of twee 
personen wordt ingeleid. Hiervoor is 
vijf tot tien minuten beschikbaar. Er 
moet voldoende tijd overblijven voor 
het stellen van vragen en voor 
discussie. Als laatste agendapunt is 
een rondvraag opgenomen, in het 
kader waarvan kan worden gespro– 
ken over zaken die bij de behandeling 
van een thema zijn blijven liggen, 
zaken die helemaal nog niet aan de 
orde zljn geweest enz. Voor de eerste 
twee thema's hebben wij steeds een 
uur uitgetrokken. Die thema's 
worden voor de lunchpauze behan– 
deld. Voor de thema's die vanmiddag 
worden behandeld, is wat minder tijd 
beschikbaar: ongeveer drie kwartier 
per thema. Wij zullen dus efficiënt 
met onze tijd moeten omgaan. 

Het is zeer verleidelijk om nu al in 
te gaan op het rapport van de 
commissie-Gijsbers maar dat is niet 
onze bedoeling. Wij willen aan de 
hand van onze eigen thema's 
discussiëren. In het najaar, nadat een 
regeringsstandpunt is geformuleerd 
en de behandeling van deze stukken 
in de Kamer aan de orde komt, is er 
nog tijd genoeg om met reacties 
daarop te komen. 

Thema 1: De externe controle op 
het functioneren van de organi– 
saties voor kinderbescherming 
(waaronder: de behandeling van 
klachten, de vertaling van 
klachten in eventuele beleidswij– 
zigingen, de taken van het 
ministeriëie toezicht op de 
kinderbescherming) 

De voorzitter: Ik geef het woord aan 

de heer Vlaardingerbroek van de 
Vereniging voor Familie– en Jeugd– 
recht (FJR). 

De heer Vlaardingerbroek: 
Mevrouw de voorzitter, dames en 
heren. Namens de FJR dank ik de 
commissie voor haar uitnodiging. Een 
probleem is dat in het bestuur van 
onze vereniging de vorige week werd 
afgesproken dat de heer Doek 
vanmorgen een inleiding zou houden 
over het aan de orde gestelde thema 
maar dat de heer Doek gisteren liet 
weten dat hij wat later op deze 
bijeenkomst zou verschijnen. Ik zal in 
het kort aangeven wat de mening van 
onze vereniging over het genoemde 
thema is en ik hoop dat de heer Doek 
vanmiddag nog de gelegenheid zal 
vinden om nader op die zaak in te 
gaan. 

Een probleem binnen de jeugd– 
hulpverlening is de versnippering van 
toezicht. De raden kennen een 
afzonderlijk toezichtorgaan in de 
vorm van het ministerie van Justitie. 
De voogdij– en gezinsvoogdij-instel– 
lingen kennen inspecteurs van het 
ministerie van Justitie. De vrijwillige 
hulpverleningsinstellingen op het 
terrein van de jeugdhulpverlening 
kennen de inspectie voor de jeugd– 
hulpverlening. Dat toezicht is 
hoofdzakelijk financieel van aard. 
Ons bestuur ziet graag dat de 
inspecties en derhalve de inspecteurs 
toezicht hebben op de inzage in 
dossiers, alsmede op het beleid van 
de instelling en de uitvoering van het 
beleid. Dat toezicht zou bij één 
instantie moeten liggen. Dan is 
eenheid in de controle mogelijk. Wij 
denken daarbij aan een duidelijke rol 
voor de inspectie voor de jeugdhulp– 
verlening. Dat betreft dus de 
inhoudelijke toetsing van de hulpver– 
lening door diverse instellingen. 
Hierbij gaat het om de externe 
controle. 

Nu iets over de klachtenregeling 
voor de cliënten die met de jeugd– 
hulpverlening te maken hebben. Ook 
daarbij valt het op dat het gehele 
terrein zeer versnipperd is. Zo kennen 
wij de klachtenregeling bij de Raad 
voor de kinderbescherming die bij de 
rijksinrichtingen voor jeugdigen en 
die welke is opgenomen in de Wet 
op de jeugdhulpverlening voor de 
residentiële particuliere jeugdhulp– 
verlening. Daarnaast hebben vele 
instellingen hun eigen klachtenrege– 
lingen, al of niet gebundeld. Daarbij 
is te denken aan de centrales voor 

pleeggezinnen, de Boddaert-centra 
en het algemeen maatschappelijk 
werk. 

Voor de cliënt die met meer van 
deze instellingen te maken krijgt, 
wordt het een toer op zich om te 
bepalen bij wie hij zijn klacht moet 
deponeren, wat de reden en de 
rechtsgrond mogen respectievelijk 
moeten zijn om te klagen en wat de 
uiteindelijk rechtsgang is bij de 
behandeling van de klacht. Een cliënt 
met twee of drie hulpverleners zal 
dan met een dienovereenkomstig 
aantal klachtenregelingen te maken 
krijgen. 

De Vereniging voor familie– en 
jeugdrecht opteert dan ook voor een 
model met één centrale klachtenre– 
geling die duidelijk voorziet in 
verschillende mogelijkheden. Dat zal 
een informele procedure zijn bij de 
directeur van de instelling, waarna de 
cliënt in beroep kan gaan bij een 
bestuur van de instelling of bij een 
commissie die daartoe door de 
instelling is geformeerd. Die 
commissie staat dus hoger dan de 
directeur. Wanneer de cliënt dan nog 
niet tevreden is, moet er volgens ons 
de mogelijkheid bestaan van beroep 
op een centrale klachtencommissie. 

Ik wijs in dit verband op de 
klachtenregeling die sinds kort 
bestaat in het zuiden van Nederland. 
Misschien is het tegen deze achter– 
grond niet opvallend dat hier veel 
mensen uit het zuiden aanwezig zijn. 
Die regeling is op initiatief van het 
vroegere WIJN opgezet. Die was 
bestemd voor de ambulante jeugd– 
hulpverlening. Door de commissie is 
de regeling uitgebouwd en geldt nu 
in principe voor alle ambulante en 
residentiële instellingen op het 
terrein van de jeugdhulpverlening in 
het zuiden van Nederland. Daaronder 
vallen dus de provincies Zeeland, 
Limburg en Noord-Brabant. 

Als u erin geïnteresseerd bent, kan 
ik u straks een exemplaar van het 
concept van die regeling overhandi– 
gen. De verenigingen moeten 
namelijk nog akkoord gaan met deze 
klachtenregeling. Daar schuilt 
tegelijkertijd het zwakke punt in: 
iedere instelling kan voor zich 
bepalen of zij daarmee instemt. Ook 
kan elke instelling bekijken of er 
amendementen op de regeling 
gewenst zijn. Daarom lijkt het ons 
gewenst dat de overheid de instellin– 
gen verplicht om een dergelijke 
centrale klachtenregeling te onder– 
schrijven. Een andere mogelijkheid is 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


dat de overheid zo'n regeling van 

bovenaf oplegt. 

Met een centrale klachtenregeling 
is het voor iedere cliënt duidelijk bij 
wie geklaagd kan worden, 
waarover geklaagd kan worden, 
wat de procedure zal zijn en wat 
verwacht mag worden. Dat is voor de 
rechtsbescherming van iedere cliënt, 
of dat nu een minderjarige of 
meerderjarige is, van heel groot 
belang. 

Dit vereist ook van de instellingen 
een zorgvuldig omgaan met de 
klachtenregeling. De cliënt moet dan 
ook in een van de eerste contacten 
met de instelling op het bestaan van 
een klachtenregeling gewezen 
worden, opdat hij weet dat hij, als hij 
het met een bepaalde bejegening of 
beslissing niet eens is, van die 
beslissing in beroep kan gaan bij de 
directeurvan de instelling. 

Hiermee heb ik globaal de 
belangrijkste lijnen aangegeven van 
wat onze vereniging voorstaat. Het is 
een tendens die je vaker ziet: het 
zoeken naar een rechtspositierege– 
ling voor cliënten. Wij zijn een groot 
voorstander van uniformering, liefst 
over heel Nederland en niet alleen in 
de zuidelijke provincies. Je kunt 
hierbij nog twisten over de vraag of 
je zo'n centrale commissie per regio, 
per provincie of landelijk moet 
instellen. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 

U heeft een mooi idee over een 
centrale klachtenregeling en een 

centrale klachtencommissie aan het 
einde van het proces. Ik heb er twee 
vragen over. 

Is wat u schetst, niet een ontzet– 
tend langdurige procedure? Doordat 
het zolang intern blijft, zullen de 
mensen om wie het in dat soort 
situaties gaat, zich wellicht door 
bestaand wantrouwen niet gauw erin 
storten. Ook zijn zij bang voor 
sancties voor hun kinderen of 
henzelf, al zijn die onduidelijk. 

Ziet u in zo'n centrale klachten– 
commissie ook ruimte voor maat– 
schappelijke instellingen, zoals een 
vertegenwoordiging van organisaties 
van ouders die dit soort problemen 
hebben meegemaakt? 

De heer Vlaardingerbroek: De 
totale procedure vergt inderdaad een 
zekere tijd. In de regeling die op dit 
moment in de regio Brabant geldt, 
moet de cliënt binnen drie weken na 
de bejegening reageren. De directeur 
heeft de plicht, binnen zes weken na 

de indiening van de klacht een 

beslissing te nemen. Dit is een 

aanzienlijke tijd, die wij op verzoek 

van de instellingen hebben opgeno– 

men, omdat de behandeling van een 

klacht in de regel enige tijd vergt. 

Het model waarover ik sprak, 
voorziet in een informele procedure 
in eerste instantie, omdat het niet 
altijd direct duidelijk is of de klacht 
serieus is. Een voorbeeld is de klacht 
van een moeder bij de directeur van 
een instelling dat zij zo weinig 
schoon ondergoed meekrijgt, als het 
kind het weekeinde thuiskomt. Vaak 
zijn dit soort klachten door bemidde– 
ling van de directeur heel eenvoudig 
te verhelpen. Hiervoor is het wel 
nodig dat de mensen gehoord 
worden, evenals de groepsleiding of 
de maatschappelijk werker, en dat 
kost enige tijd. Natuurlijk zit de cliënt 
dan op een beslissing te wachten, 
maar ik meen dat hij het er graag 
voor over heeft, als hij weet dat er 
serieus aan zijn klacht gewerkt wordt. 

In ieder geval is de termijn 
duidelijk: de cliënt heeft er recht op, 
in eerste instantie binnen zes weken 
na de indiening van de klacht een 
bericht van de directeur te krijgen. 
Verder zijn er nog enkele termijnen; 
in totaal komt het neer op ongeveer 
drieënhalve maand tussen indiening 
van de klacht bij de directeur tot de 
uiteindelijke afhandeling door de 
klachtencommissie. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 

Door een centrale klachtencommis– 

sie? 

De heer Vlaardingerbroek: Ja. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Ik wil nog een vraag stellen over de 
eerste drie weken. Van mensen die 
dit soort problemen hebben, hoor je 

nogal eens dat zij na een wat langere 
periode alsnog een klacht zouden 
willen indienen, juist in verband met 
de sanctie-achtige toestand. Is die 
mogelijkheid in uw model opgeno– 
men? 

De heer Vlaardingerbroek: In die 
mogelijkheid is voorzien. Wanneer de 
klacht zich leent voor alsnog een 
behandeling, kan zij in behandeling 
genomen worden. Het kan zijn dat 
iemand een zeer ernstige klacht heeft 
die alsnog in behandeling kan 
worden genomen, ook al is de termijn 
overschreden. Ik denk bijvoorbeeld 
aan de seksuele bejegening van een 
maatschappelijk werker. Je kunt een 

dergelijke klacht niet laten liggen 
omdat aan de procedurevereiste van 
de termijn van drie weken niet is 
voldaan. De directeur heeft op dat 
punt een duidelijke taak. 

Dan ga ik nog in op de verschillen– 
de instellingen die zich kunnen 
aansluiten bij zo'n klachtenregeling. 
Het is opvallend dat veel instellingen 
zoeken naar een soort externe 
klachtenregeling die voorziet in zowel 
interne als externe procedures. Het 
algemeen maatschappelijk werk 
heeft een regeling die door de 
VIVAM en Joint is opge– 
steld. De instellingen van de 
gezinszorg hebben een eigen 
klachtenregeling. Het is naar onze 
mening wenselijk dat ook andere 
instellingen, niet alleen op het terrein 
van de jeugdhulpverlening maar op 
een veel breder terrein van hulpverle– 
ning aan de cliënten, een dergelijke 
klachtenregeling hebben. Wat de 
opname van cliënten in de klachten– 
commissie betreft, is het onder meer 
denkbaar dat vanuit organisaties van 
ouders en cliënten daartoe voorstel– 
len worden gedaan. Ons model 
voorziet daar overigens niet in. Onze 
regeling moet worden geaccordeerd 
door de instellingen. Wat de 
benoeming van de klachtencommis– 
sie betreft, is er nogal wat onduide– 
lijkheid. Er functioneert op dit 
moment een klachtencommissie die 
bestaat uit zes leden, namelijk drie 
buitengewone en drie gewone leden. 
De leden zijn benoemd door het oude 
WIJN, dat inmiddels is opgeheven. 
De instellingen die zich hebben 
aangesloten bij de oude klachtenre– 
geling vonden het goed dat deze 
commissie zou doorgaan met haar 
werkzaamheden. De kosten van 
vergadering worden op dit moment 
vergoed door het provinciaal overleg 
jeugdhulpverlening Noord-Brabant. 
Ik hoop dat dit een toereikend 
antwoord is op de gestelde vraag. 

Mevrouw Doelman-Pel (CDA): U 
zegt dat in het zuiden de nieuwe 
regeling tot stand is gekomen. Wij 
weten allen dat er een nieuwe 
regeling van kracht is bij de Raad 
voor de kinderbescherming. Ik 
verneem graag waarom u afwijkt van 
die klachtenregeling. Ik neem aan dat 
u er goede redenen voor hebt. 
Uiteindelijk stelt u dat niet tot twee 
maanden na de bejegening/ 
beslissing kan worden geklaagd, 
maar binnen drie weken. Ik neem 
aan dat u argumenten heeft om 
ervan af te wijken. Heeft daarover 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


overleg plaatsgevonden? Welke 
tegenargumenten heeft u? 

De heer Vlaardingerbroek Het 
probleem is geweest dat de nieuwe 
klachtenregeling, zoals genoemd, bij 
de Raad voor de kinderbescherming 
nog niet zo lang geldt. In de regio 
zuid vinden al ruim twee jaar 
werkzaamheden plaats om te komen 
tot een uniforme klachtenregeling. 
Die uniforme klachtenregeling is 
ontstaan vanuit de particuliere 
jeugdhulpverlening, los van de raden. 
Er heeft dus ook geen contact 
plaatsgevonden met de raden over 
afstemming van de regelingen op 
elkaar. Hoewel het geen bevredigend 
antwoord zal zijn, hoop ik toch dat 
het antwoord voldoende is. 

Mevrouw Doelman-Pel (CDA): Ik 
neem aan dat u erover heeft 
nagedacht dat deze regeling beter is. 
U stelt immers: ik zou die dwingend 
willen opleggen. 

De heer Vlaardingerbroek Ja. 

Mevrouw Doelman-Pel (CDA): Ik 
neem aan dat u argumenten heeft 
tegen de regeling van de raden. Daar 
ben ik nieuwgierig naar. Het is voor 
ons belangrijk om te kunnen 
oordelen. 

De heer Vlaardingerbroek: U sprak 
over de termijn van drie weken die bij 
ons geldt en de termijn van twee 
maanden die bij de raad geldt. Er is 
gekozen voor een snel reageren door 
de cliënten. Anders zal het uitzoeken 
van de grond van de klacht veel 
moeilijker worden. Wat vers in het 
geheugen ligt, kan in de procedure 
duidelijker naar voren worden 
gebracht door de cliënt of de 
maatschappelijk werker. De gedaag– 
de of aanklager kan niet zeggen dat 
het geheugen hem in de steek laat. 
Daarom is gekozen voor drie weken. 
Dat is mede gebeurd op verzoek van 
instellingen om zodoende het beleid 
te kunnen uitvoeren waartoe 
besloten is. Anders zou nadien 
gezegd kunnen worden: met de 
beslissing die toen genomen is, zijn 
wij het niet eens en wij willen daar 
nog op terugkomen. Dat is het 
verschil. 

De voorzitter Het lijkt mij wel 
aardig de mening te horen van de 
advocaten die hier aanwezig zijn. Zij 
klagen wel eens voor cliënten. Graag 
zou ik van hen een reactie krijgen op 

het voorstel dat gedaan is. Daarna 
wil ik de heer Dijkstal het woord 
geven. 

De heer Leerling (RPF): Voorzitter! 

Ik wil op dit voorstel een sub-amen– 
dement indienen. Zou het niet aardig 
zijn om alle vertegenwoordigers op 
dit punt te horen. Het is namelijk een 
zeer aangelegen punt en ik ben erg 
nieuwsgierig naar de mening van de 
onderscheiden delegaties. 

De voorzitter: Ik geef het woord aan 
de heer Dijkstal. 

De heer Dijkstal (VVD): Voorzitter! 
Ik wil enkele vragen stellen. De heer 
Vlaardingerbroek sprak over een 
klachtenregeling. Waarover zou men 
moeten, mogen en kunnen klagen? Er 
is ook de mogelijkheid om naar de 
rechter te gaan. Het standpunt dat de 
bewindslieden in dezen hebben 
ingenomen is bekend: tegen de tijd 
dat de kinderrechter een uitspraak 
heeft gedaan, hebben de emoties 
een rol gespeeld en zijn de mensen 
ontevreden. De kinderrechter is 
echter nu juist degene die alles 
beoordeelt. Daarom kiaag je bij de 
rechter. Hierbij is dus sprake van een 
spanningsveld. 

De heer Vlaardingerbroek pleit 
voor een centrale, uniforme regeling. 
Ik herinner aan de ontwikkelingen op 
dit moment bij de wetgeving: de 
wetgever regelt voor de verschillende 
maatschappelijke instanties alles niet 
uniform, maar heeft wel de neiging 
om bijvoorbeeld in het BW voor een 
bepaald terrein vast te laten leggen: 
er zij een klachtenregeling. Aan het 
betreffende maatschappelijk veld 
wordt dan verder de uitwerking 
overgelaten. Daar bepaalt men hoe 
de klachtenregeling er uit gaat zien. 
Er zijn dus twee mogelijkheden, maar 
in hoeverre moet je dit centraal 
regelen? 

Dan heb ik nog een derde vraag. 
Welke bevoegdheden zou een 
klachtencommissie moeten hebben? 
Wat mag en kan die doen? 

Ik heb voorts nog een aantal 
kleinere vragen. Die zijn ook van 
belang. Ik wil het nu echter hierbij 
laten. Straks kom ik op die andere 
vragen terug. 

De heer Vlaardingerbroek: 
Mevrouw de voorzitter! De heer 
Dijkstal stelt belangrijke vragen. Deze 
vragen hebben ook de meeste 
discussie opleverd bij het redigeren 
van de regeling. 

Allereerst wil ik ingaan op de 
vraag: waarover mag geklaagd 
worden? Zoals men weet, is de 
regeling daarvoor bij de Raden voor 
de kinderbescherming sinds kort 
gewijzigd is. Thans mogen de 
beslissingen die te maken hebben 
met het beleid van de raden ook aan 
de orde komen. Het beleid van de 
raden zelf niet. In de concept-klach– 
tenregeling voor de regio Zuid, 
staat dat eenieder het recht heeft 
een klacht in te dienen met betrek– 
king tot de uitvoering van de 
hulpverlening indien hij of zij van 
mening is niet juist te zijn behandeld 

- dat betreft de bejegening - of dat 
jegens hem/haar respectievelijk het 
kind wiens belangen hij/zij behartigt 
- dat geldt natuurlijk voor de 
wettige vertegenwoordiger — 
onjuiste beslissingen zijn genomen. 
Dat betreft zowel de bejegening als 
de beslissingen die jegens de klager 
genomen zijn. 
Wat wordt onder een klacht 
verstaan? Ik wijs erop, dat ik 
buitengewoon lid van de klachten– 
commissie ben. Onder een klacht 
verstaan wij ieder probleem of 
meningsverschil tussen degene die 
klaagt en de instelling, of een 
medewerker van de instelling, 
waarover geen overeenstemming kan 
worden bereikt, en dat als zodanig 
door of namens betrokkene bij de 
instelling is gedeponeerd. Dit is dus 
een vrij ruime omschrijving, die ook de 
mogelijkheid open laat, dat niet 
alleen de minderjarige, die object of 
subject van hulpverlening is, en de 
ouders, maar ook de pleegouders en 
arts kunen klagen. De arts kan van 
mening zijn dat de informatie die hij 
aan een maatschappelijk werker 
heeft gegeven ten onrechte is 
gebruikt De formulering richt zich 
dus eigenlijk op een zeer ruime 
categorie van mensen die jegens een 
bepaalde instelling een klacht wil 
indienen over het beleid of de 
bejegening die de instelling jegens 
hem gevoerd heeft. Dit was het 
antwoord op de eerste vraag van de 
heer Dijkstal. 

De tweede vraag is: in hoeverre 
moet je nu dit soort zaken centraal 
regelen? De Wet op de jeugdhulpver– 
lening creëert inderdaad ook een 
kader: er zij een klachtenregeling 
binnen de residentiële instellingen. 
Eigenlijk wordt er heel veel overgela– 
ten aan de instellingen zelf. Daar is 
op zichzelf natuurlijk niets tegen, als 
een cliënt met één instelling te 
maken zou hebben. Het probleem is 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


echter dat kinderen nogal eens 
wisselen van instelling, dat een ouder 
kinderen in verschillende instellingen 
kan hebben en dat een ouder vaak 
ook nog te maken heeft met een 
instelling die ambulant hulp verleent, 
bijvoorbeeld een gezinsvoogdij-in– 
stelling of een hulpverleningsinstel– 
ling die kinderen uit huis plaatst. Dat 
maakt het naar onze mening allemaal 
onduidelijk voor de cliënt zelf. 
Vandaar dat wij ervoor pleiten dat er 
toch een centrale regeling komt 
waarin vrij gedetailleerd wordt 
geregeld hoe de procedure is en bij 
wie de cliënt mag klagen. Ik denk dat 
dit een groot goed zal zijn voor de 
duidelijkheid voor de cliënt. 

De derde vraag betreft de be– 
voegdheden die een commissie moet 
hebben. Ook dat is natuurlijk een 
heel moeilijk punt geweest in onze 
commissie. Het meest vergaand is 
als een commissie het recht heeft 
om een beslissing te vernietigen of te 
schorsen en de cliënt een bepaaide 
schadevergoeding kan geven. Deze 
klachtencommissie in het zuiden 
fungeert nog namens en dankzij de 
instellingen die bereid zijn een 
klachtenregeling als deze in het leven 
te roepen. U kunt zich voorstellen dat 
de vraag hoever het recht van de 
commissie mag gaan om beslissin– 
gen te vernietigen een hevige 
discussie heeft opgeleverd. Tot op 
heden heeft die commissie alleen 
nog maar het recht om beslissingen 
gegrond of ongegrond te verklaren. 
Overigens heeft dat er al toe geleid 
dat, nadat een klacht van een cliënt 
gegrond werd verklaard en de 
instelling in het ongelijk werd 
gesteld, die cliënt een advocaat 
bereid vond om een schadeclaim in 
te dienen tegen die instelling op 
grond van de klacht die terecht was 
bevonden. Via die indirecte weg kan 
het wel, maar het zou natuurlijk 
mooier zijn als een commissie het 
recht zou hebben om beslissingen 
teniet te doen. 

Ik moet hier overigens aan 
toevoegen — daarom is het jammer 
dat de kinderrechters er niet bij zijn 

— dat de kinderrechters bij de 
totstandkoming van deze regeling 
nogal wat bezwaren hebben geuit. Zij 
vonden dat deze commissie mis– 
schien wel eens op de stoel van de 
rechter kon gaan zitten. Toch hebben 
zij gezegd: wij willen dat wel 
gedogen; wij willen zien hoe dat gaat 
bij jullie in het zuiden. Er is echter 
inderdaad wat weerstand geweest 
van de kinderrechters. 
Dat sluit aan bij uw opmerking dat 
een cliënt ook naar de rechter zou 
kunnen gaan, bijvoorbeeld de 
kinderrechter. Dat kan inderdaad bij 
een maatregel zoals de ondertoe– 
zichtstelling, maar bij de overige 
kinderbeschermingsmaatregelen is er 
geen rechter die direct contact heeft 
met de cliënt. Nu is de kinderrechter 
belast met de uitvoering van de 
maatregel van ondertoezichtstelling. 
Er zijn natuurlijk heel wat cliënten die 
niet te maken hebben met de 
kinderbescherming, maar wel met 
jeugdhulpverlening, namelijkde 
particuliere en ambulante jeugdhulp– 
verlening. Denkt u aan advieswerk 
voor jongeren, de Stichting jeugd en 
gezin. Daarin zou dan niet worden 
voorzien. Vandaar dat wij toch 
hebben gekozen voor een dergelijke 
commissie. Wij zijn van mening dat 
het in ieder geval voor de cliënt een 
regeling biedt. Hij vindt een commis– 
sie waarbij hij uiteindelijk terecht kan. 

De heer Visser: In mijn praktijk heb 

ik zelden of nooit te maken met 

klachten van bijvoorbeeld pupillen of 

ouders over de inrichting en het 

functioneren ervan. Dat heeft 

misschien te maken met het feit dat 
wij hier in een grote stad zitten. Dat 
geldt ook voor mijn collega Willems 
uit Amsterdam. Je hebt in een stad 
zoals Den Haag een vrij groot scala 
aan hulpverlening. Uit dien hoofde 

kan ik niet veel uit mijn eigen praktijk 

daarover meedelen. Ik denk wel dat 

het handig is om zoveel mogelijk een 
centrale regeling te treffen voor 

klachten. Uiteraard kan daarin niet 
alles geregeld worden, er blijven 
altijd dingen over voor de toekomst. 

Op een heel ander gebied noem ik 
de bijstand. Daarin worden dingen 
van bovenaf geregeld, met een eigen 
beleidsvrijheid voor de gemeenten. 
Je komt nogal eens rare dingen 
tegen, bijvoorbeeld een krakerskor– 
ting, die in Amsterdam op een heel 
andere manier wordt gehanteerd dan 
in Den Haag of Tilburg. Dat zijn zaken 
die voor de rechtzoekenden, voor de 
burgers, onverteerbaar zijn. De ene 
kraker, in Amsterdam, wordt niet 
geconfronteerd met een korting, en 
de andere kraker, in bijvoorbeeld Den 
Haag, wel. Bij de opstelling van een 
klachtenregeling moet daarmee 
rekening worden gehouden. De 
beleidsvrijheid die dan wordt 
gegeven, moet overzichtelijk zijn. 
Zoals mijn buurman al zei, ben ook ik 
van mening dat er zo ruim mogelijk 
geklaagd moet kunnen worden. Je 

kunt dan zelf bekijken, welke klachten 
de aandacht behoeven. 

De heer Willems Ter aanvulling het 
volgende. Onze activiteiten spitsen 
zich voornamelijk toe op procedures 
rond kinderbeschermingsmaatrege– 
len. Wij zijn in eerste instantie gericht 
op de rechter, waar wij zullen 
proberen invloed uit te oefenen, 
bijvoorbeeld op een bepaalde 
rapportage van de Raad voor de 
kinderbescherming. Ik moet zeggen 
dat daarbij wel een nieuw probleem 
opduikt, waarbij ik inspeel op de 
opmerking dat de kinderrechters 
mogelijk bezwaren hadden tegen de 
klachtenregeling. De kinderrechter 
heeft een bijzondere positie, iets 
waarop ik nog zal terugkomen. De 
kinderrechter is als autoriteit die 
leiding geeft aan de ondertoezicht– 
stelling, natuurlijk ook betrokken bij 
het gevoerde beleid en heeft ook 
vaak nauw contact met een instelling 
waar bijvoorbeeld een minderjarige is 
geplaatst. De kinderrechter is ook 
niet altijd de meest aangewezen 
persoon om een klacht te behande– 
len over gevoerd beleid, zeker niet 
wanneer dat beleid te maken heeft 
met een beleidsbeslissing van de 
kinderrechter zelf. Er is eigenlijk 
sprake van een tweesporenbeleid. 
We moeten natuurlijk toegang tot de 
rechter hebben om bepaalde 
beslissingen aan de orde te stellen, 
maar voor zover de kinderrechter zelf 
betrokken is bij het gevoerde beleid, 
is het gewenst dat er een andere 
instantie is, zoals een appèlrechter of 
een, hopelijk zo onafhankelijk 
mogelijke, klachtencommissie. 

Met betrekking tot de Raden voor 
de kinderbescherming heeft de 
advocaat meestal te maken met het 
rapport, dat een heel zware rol speelt 
bij belangnjke beslissmgen, zoals de 
vraag wie de voogdij krijgt, hoe de 
omgangsregeling eruit zal gaan zien 
en welke kinderbeschermingsmaatre– 
gel, met een mogelijk zeer verstrek– 
kend karakter, er genomen gaat 
worden. Er is wel eens kritiek 
mogelijk op het rapport, kritiek die je 
niet altijd ter zitting kunt onderbou– 
wen, omdat het dan een nietes-wel– 
les-verhaal wordt. In het hele 
klachtengebeuren acht ik het 
wenselijk dat, wanneer rapporten een 
rol spelen en grondslag geven aan 
beslissingen — als die beslissing 
negatief uitvalt, kun je achteraf een 
klacht indienen, maar dan wordt vaak 
gezegd dat de verliezer nog eventjes 
achteraf wil gaan klagen — in een zo 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


vroeg mogelijk stadium kan worden 
gereageerd op een mogelijk onjuist 
rapport. Dat kan bij de rechter zijn, 
maar het is maar de vraag of je daar 
altijd gehoor vindt. Ik zou graag zien 
dat op zittingen, als er onjuiste 
dingen zijn gebeurd die verband 
houden met een bepaalde rapporta– 
ge, het rapport wat indringender 
wordt besproken, liefst in aanwezig– 

heid van de rapporteur. Nu is er een 

rapportage op afstand; een maat– 
schappelijk werker die een rapport 
schrijft, waarbij ernstige fouten 

kunnen worden gemaakt. De 
vertegenwoordiger ter zitting weet 
daar niets van, ontkent dat, haalt zijn 
schouders op, en dan kun je nog wel 
eens met lege handen komen te 
staan. Het is soms wenselijk om de 
rapporteur zelf te horen en verant– 
woording af te laten leggen over wat 

hij heeft opgeschreven. 

De heer Van Tol: Voorzitter! 
Datgene wat de heer Vlaardinger– 
broek naar voren heeft gebracht, kan 
van onze kant vrijwel geheel worden 
onderschreven. Het terugdringen van 
de versnippering van het toezicht is 
van groot belang. Het komen tot één 
centrale klachtenregeling is van 
belang. De ervaringen met de 
klachtenregeling in het zuiden zijn 
ons bekend. Deze zijn positief. 
Daarom is het ook van belang om de 
kwestie bij de instelling te laten. Wat 
mijn instelling betreft vind ik het 
overigens comfortabel om bij het 
besluit over een klacht voortdurend 
te kunnen vermelden dat er nog 
beroep mogelijk is. Bij mijn instelling 
is daar trouwens nog geen gebruik 
van gemaakt. Over het geheel 
genomen, ben ik er dus zeer positief 
over. 

De heer Van der Heijden: Voorzit 
ter! De mogelijkheden tot klagen over 
de bejegening zijn naar mijn idee vrij 
aardig geregeld, maar dit kan 
overigens een bepaalde blinde vlek 
zijn. De mensen komen aan hun 
trekken. Het tweede punt vind ik 
eigenlijk veel ingewikkelder. Dat 
betreft de klachtmogelijkheid ten 
aanzien van het advies van de raad, 
zeker wat betreft de beslissing. Dat 
lijkt mij namelijk een heel ander 
moment. De raad adviseert en een 
derde, meestal de rechtbank, toetst 
en wijst het advies eventueel toe of 
beslist negatief. Deze kwestie vind ik 
een beetje ingewikkeld. Hoe wil je dit 
namelijk gestalte geven in de vorm 
van een klachtenregeling? Het 

antwoord hierop heb ik eigenlijk niet 
gehoord, maar daar zit natuurlijk wel 
de bottle-neck, want het gaat 
natuurlijk om het klagen over het al 
dan niet gelijk krijgen. Dit is een 
optiek waarop wij, heel zwart-wit 
gesteld, eigenlijk heel weinig greep 

hebben. 

De heer Van Gent: Voorzitter! Ik 
huldig hetzelfde standpunt. Wat 
betreft het klagen moet je heel 
duidelijk differentiëren. Wat voor 
klachten zijn er eigenlijk? Deze 
kwestie loopt al een beetje door de 
discussie heen. Je hebt de "onder– 
broekenklachten" van de heer 
Vlaardingerbroek, je hebt klachten 
over bejegening en klachten over 
advisering door de raad die de 
mensen raakt. Je moet de diverse 
klachten dus heel duidelijk onder– 
scheiden, niet alleen wat betreft de 
raden, maar ook wat betreft de 
functies die de onderscheiden 
instituten en instituties binnen de 
jeugdhulpverlening hebben. In de 
residentiële sector zal een heel ander 
soort klachten voorkomen, ook een 
veel "dagelijkser" soort klachten, dan 
die welke de Raden voor kinderbe– 
scherming krijgen. Hetzelfde geldt 
voor de instellingen van voogdij en 
gezinsvoogdij. De functie van de 
instelling maakt de klacht en ook 
de klachtbehandeling — die koppel ik 
er duidelijk aan vast - anders. Als 
wij het hebben over een centrale 
klachtenregeling, dan moeten wij dit 
heel goed in de gaten houden. Je 
kunt geen dichtgetimmerde, centrale 
klachtenregeling maken. 

Ik ben eerder voorstander van een 
klachtenregeling waarbij je bepaalde 
basisregels hebt die voor iedere 
klachtenregeling gelden. Dan heb ik 
het over de toegankelijkheid van de 
klachtencommissies, over termijnen, 
over beslissingen en over bevoegd– 
heden en dergelijke. Dat kader moet 
vastliggen, maar daarbinnen moet er 
ruimte bestaan om vorm aan een en 
ander te geven. Wat dat betreft 
spreek ik ook een beetje uit eigen 
ervaring. Gelet op de aard van de 
klacht behandel je iedere klager nu 
eenmaal niet hetzelfde. Als iemand 
bij mij klaagt over het feit dat wij 
bezig zijn met het innen van alimen– 
tatie, terwijl wij hebben geadviseerd 
om de omgangsregeling niet door te 
laten gaan — dat wordt dan heel 
duidelijk gekoppeld - dan kan ik 
deze kwestie in één gesprek afdoen. 
Dan zeg ik, dat ik er ook niets aan 
kan doen dat wij met elkaar in 

hetzelfde systeem zitten, waardoor 

die zaken duidelijk van elkaar 

losgekoppeld zijn. Ik kan daar weinig 

aan veranderen. Als iemand klaagt 
over het feit - dit betreft het gros 
van de klachten naar mijn ervaring — 
dat er communicatiestoornissen zijn 

geweest, waarbij heel duidelijk de 

bejegeningsproblematiek speelt, dan 

ga ik daarvoor zitten. Ik nodig de 

klagers dan uit en ik neem dan alle 
contacten die zij gehad hebben met 
de betrokken medewerkers, door. 

Daarna praat ik met de medewerkers 
en als het even kan, praat ik ook nog 
eens met de hele groep bij elkaar. 

Dat is toch een wezenlijk andere 

behandeling, al naar gelang de 

klacht. Die ruimte moet in de 

klachtenregeling ingebouwd blijven. 

De heer Dijkstal (VVD): Dat laatste 
is erg essentieel. Als ik de heer Van 
Gent goed begrijp, maakt hij een 
onderscheid - wij kennen dat ook bij 
de overheid op andere terreinen, als 
ik de raden als semi-overheid mag 
zien... 

De heer Van Gent: Overheid. 

De heer Dijkstal (VVD): Ja, 
inderdaad. Als het gaat om het 
nemen van een beslissing, kom je in 
het volgende traject terecht. Tegen 
de beslissing moet je bezwaar 
kunnen maken en je moet in beroep 
kunnen gaan. Dat kan je administra– 
tief-rechtelijk doen of via de kinder– 
rechter. Dat is de ene lijn. De andere 
lijn is dat je moet kunnen klagen over 
de manier waarop je behandeld 
wordt door die instelling of mensen 
in die instelling. Dat is het onder– 
scheid dat de heer Van Gent maakt. 

In vorige gesprekken is gezegd dat 
men mondeling en anoniem zou 
moeten kunnen klagen. Op het 
moment dat je je exponeert, komen 
er namelijk onmiddellijk repercussies, 
waarvan je schade ondervindt. Is dat 
ook de ervaring van de heer Van 
Gent? Vindt hij ook dat men monde– 
ling en anoniem moet kunnen 
klagen? Ik wijs er overigens op dat 
hoe anoniemer het wordt, hoe 
moeilijker het wordt voor de klach– 
tencommissie om klachten af te 
handelen. 

Verder is wel gezegd dat men ook 
bij de inspectie moet kunnen klagen. 
Dan ontstaat er echter een rare 
situatie. Terwijl er een klachtenrege– 
ling is, moet men ook nog bij de 
inspecteur kunnen klagen. Bij mijn 
weten kunnen burgers inderdaad hun 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


klachten neerleggen bij de inspecteur 
voor de Volksgezondheid, maar die 
zijn dan toch van een andere aard. 
Wat is het oordeel van de heer Van 
Gent hierover? 

Ten aanzien van de samenstelling 
van die klachtencommissies, centraal 
of regionaal, is sprake van twee 
modellen. Het ene is dat ze represen– 
tatief moet zijn. Er moet een 
vertegenwoordiger van de ouders in 
zitten en van de pleegzorg, aangezien 
die er verstand van hebben. Het 
andere is dat er mensen in moeten 
zitten die zo objectief en onafhanke– 
lijk mogelijk zijn. Heeft de heer Van 
Gent daar een oordeel over? 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Ik wil nog een vraag stellen over de 
inspectie. Ik wil graag weten of de 
rest van het gezelschap de gedachte 
deelt, dat er eigenlijk één inspectie 
zou moeten komen, namelijk een 
inspectie jeugdhulpverlening, en dat 
die moet worden weggehaald uit het 
circuit van Justitie. 

Een ander punt dat op tafel is 
gelegd, is dat een vorm van acuut 
klachtrecht nodig zou zijn in weg– 
loopgevallen. Heeft de heer Van Gent 
daar een mening over en eventueel 
een oplossing voor? Kinderen die 
weglopen komen via het JAC en de 
melding bij de kinderbescherming op 
een onbekend adres te zitten. De 
ouders weten dan niet waar het kind 
is. Zij zouden echter wel iets willen 
doen om de problemen op te lossen. 
Zij zijn echter van mening dat 
wanneer het te lang doorgaat, alles is 
geïnstitutionaliseerd en zij het kind 
nooit meer terug krijgen. Zo spreken 
de ouders daarover. Ik wil daar graag 
een reactie op horen. 

Als er klachten zijn over een 
rapporteur, hoe gaat het dan verder? 
Wordt het rapport van die rapporteur 
dan opgehouden, of wordt het vrolijk 
doorgezonden naar de rechter en 
door hem beoordeeld, waarna 
iedereen er tot zijn verbazing achter 
komt, dat die twee wegen niet meer 
kloppen? 

De heer Leerling (RPF): Mevrouw de 
voorzitter! Ik proef bij de heren Van 
der Heijden en Van Gent een zekere 
relativering van de problemen die op 
ons bordje liggen, namelijk het 
klagen van ouders over de hele gang 
van zaken met betrekking tot het 
functioneren van de Raden voor de 
kinderbescherming. Is dat juist? Kan 
daar een nadere toelichting op 
worden gegeven? 

Voor de centrale klachtenregeling 
kan men allerlei vormen bedenken. 
Ziet de heer Van Gent iets in de vorm 
van een Commissariaat voor de 
Jeugdhulpverlening, waarin iedereen 
die daar op enigerlei wijze bij 
betrokken is, representant is en daar 
een rol in kan spelen? 

Aan de heer Vlaardingerbroek wil 
ik nog een vraag stellen over de 
inspectie. Welke rol is in zijn model 
weggelegd voor de inspectie van 
Justitie? 

De heer Van Gent: Voorzitter! De 
heer Dijkstal heeft over de repercus– 
sies gesproken. De werkers in de 
jeugdhulpverlening is niets mense– 
lijks vreemd. Ik denk dat wij de 
kwaliteit, de vaardigheid en ook de 
intentie moeten hebben - en 
doorgaans hebben wij die ook — om 
de zaken goed te scheiden. Ook als 
er klachten zijn, zal de zaak normaal 
op haar merites moeten worden 
beoordeeld. Ik wijs er overigens op, 
dat de meeste klachten behandeld 
worden nadat er door de raad 
geadviseerd is of nadat er beslissin– 
gen zijn genomen. Het komt zelden 
voor dat tijdens de rit officieel wordt 
geklaagd. 

Natuurlijk zullen cliënten klagen als 
zij niet tevreden zijn, al is de een wat 
assertiever dan de ander. Als men 
klachten heeft, kan het betrokken 
unithoofd worden gebeld. Men kan 
dan bijvoorbeeld doorgeven dat de 
maatschappelijk werker niet bevalt. 
In principe zal een unithoofd hierover 
een gesprek aangaan. Doet het 
unithoofd dit niet, dan kan men bij de 
directeur klagen. Dan zal bekeken 
worden of de klacht op dat niveau 
afgehandeld kan worden. Er is dus 
ook een officieus klachtencircuit. Die 
ruimte moet men scheppen. Ik wil 
hiermee zeggen, dat een klachtenre– 
geling op zichzelf heel mooi is, maar 
dat het ook een kwestie is van 
mentaliteit. Mijn ervaring is - men 
kan van mij niet anders verwachten 

— dat de mentaliteit in de raden 
zodanig is, dat men daar open voor 
staat. Het is natuurlijk lastig als 
mensen klagen, af toe is het zelfs 
vervelend en soms word je erdoor 
geraakt, maar je moet ermee kunnen 
omgaan. 
De inspectie is wat duidelijker in 
the picture gekomen. Mevrouw 
Versnel is blij dat die uit de sfeer van 
Justitie wordt gehaald. Er is echter 
bij Justitie geen inspectie jeugdhulp– 
verlening, die is bij WVC onderge– 
bracht. De inspectie zou dus uit de 

sfeer van WVC worden gehaald. 

Justitie en WVC zouden gezamenlijk 

- daar ben ik zelf een groot 
voorstander van - een inspectie 
jeugdhulpverlening moeten opzetten, 
waar alle instellingen en instituties, 
inclusief de raden, onder moeten 
vallen. Er moet echter wel goed 
bekeken worden wat er onder de 
inspectie gebracht moet worden. Wij 
hebben op het department bijvoor– 
beeld inspecteur-consulenten, maar 
die hebben meer een beheersmatige 
invalshoek. Zij kijken of het "bedrijf" 
goed gerund wordt en kijken minder 
naar de beleidskant. Daar is ove– 
rigens ook wat minder tijd voor, gelet 
op de reorganisatie op het departe– 
ment. Daarom ook vind ik het 
instellen van een wat onafhankelijker 
inspectie jeugdhulpverlening van 
belang. 
De voorzitter: Moet die mspectie 
het beleid van de instellingen 
controleren? 

De heer Van Gent: Dat denk ik wel. 
Je zit met het probleem dat je alleen 
kunt klagen over de manier waarop 
de raden het vastgestelde beleid 
uitvoeren. Daarom is de klachtenre– 
geling van de raden ook op deze 
wijze ingericht. Je kunt niet over het 
beleid klagen, want dat valt onder de 
ministeriële verantwoordelijkheid. 
Daarvoor moet je toch bij het 
departement zijn. Dat blijft verant– 
woordelijk, ook voor het beleid dat de 
raden in redelijke autonomie hebben 
vastgesteld. 

De heer Dijkstal heeft naar de 
samenstelling van de klachtencom– 
missies gevraagd. Ik ben gevoelsma– 
tig geneigd, een vergelijking te 
maken met rechterlijke instanties. Die 
worden ook niet uit verschillende 
geledingen samengesteld. Ik zie het 
liefst dat een klachtencommissie 
gevormd wordt door deskundigen, 
die goed op de hoogte zijn van het 
werk binnen de jeugdhulpverlening. 
Dat kunnen natuurlijk ook gewezen 
cliënten zijn. Dat sluit ik niet uit. Maar 
ik heb er wat moeite mee die mensen 
per definitie op te nemen in zo'n 
commissie. Ik weet uit ervaring dat 
wanneer mensen problemen hebben 
gehad met de jeugdhulpverlening — 
terecht of onterecht — die heel lang 
na blijven werken en ook de oor– 
deelsvorming beïnvloeden. Daar heb 
ik moeite mee. Dan kom ik bij 
mevrouw Versnel. Zij maakte een 
opmerking over een versnelde 
klachtregeling voor weglopers, een 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


weglopende klachtregeling zou ik 
bijna willen zeggen. Wij moeten 
vermijden om de methodiek van 
handelen en klagen met elkaar te 
gaan vermengen. Het probleem bij 
weglopen is nu eenmaal dat het een 
crisissituatie betreft, dat dit vaak rust 
vergt, dat ouders dit niet altijd 
accepteren, dat ook de jongere dit 
niet altijd accepteert en dat de 
hulpverlening op een heel verschil– 
lende manier tegen de situatie kan 
aankijken. Maatschappelijk is ook nog 
niet uitgekristalliseerd wat de positie 
van minderjaren hierin precies is. In 
artikel 280 van het Wetboek van 
Strafrecht krijgen de raden ook een 
wat onduidelijke positie. Ik wil 
vermijden dat wij hier via een 
versnelde klachtenregeling tegen 
gaan optreden. Ik zou liever het 
probleem iets duidelijker analyseren 
en maatschappelijk gezien een aantal 
standpunten bepalen. Uit het een 
vloeit dan vanzelf het ander voort. Ik 
zie niet in dat een versnelde klachtre– 
geling kan helpen. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Ik begrijp dat de raden hierin gewoon 
als een formaliteit een positie 
toebedeeld gekregen hebben en dat 
de raden zelf hier buitengewoon 
weinig mee doen. Hoe ervaart u de 
positie waarin u bent komen te 
verkeren? 

De heer Van Gent: Ik ben hier 
bijzonder ongelukkig mee. Het artikel 
is in de wet gekomen. Er is aangege– 
ven dat er zorgvuldige hulpverlening 
plaatsvindt, als er gemeld wordt aan 
de raad. Maar er is niet over 
gediscussieerd wat de raad dan met 
die melding moet doen. Natuurlijk ligt 
er moreel gezien — maar niet 
juridisch - een bepaalde verplich– 
ting om met die melding iets te doen. 
Maar de keerzijde van de medaille is 
dat er nooit bepaald is dat de raden 
hiervoor mankracht of tijdruimte 
krijgen. Wij hebben altijd in een 
klemsituatie gezeten. Als er een 
melding kwam — deze komen 
trouwens steeds minder; ze komen 
eigenlijk nauwelijks meer voor - dan 
belde je met de hulpverlener. Dan 
vroeg je of er met de ouders contact 
was. De beleidsuitgangspunten van 
de raad werden aan de hulpverlening 
voorgehouden. Daar hield het in 
wezen mee op. 

De heer Leerling (RPF): De heer Van 
Gent heeft zoëven gepleit voor een 
"raamregeling", niet te gedetailleerd. 

Maar nu zegt u bij de wegloopsitua– 
tie: ze hebben ons nooit verteld wat 
wij hiermee moesten doen. Die 

ruimte heeft u zelf. Is het dan niet 
vanzelfsprekend dat u de natuurlijke 
ouders als eersten inlicht over de 
situatie van hun weggelopen kind? 
Die verantwoordelijkheid ligt toch bij 

U? Daar hoeft u toch niet een 
directief van hogerhand voor te 
krijgen? 

De heer Van Gent: Dat was ook de 
betekenis van de melding. Maar er 
wordt nauwelijks meer gemeld. Als er 
dan gemeld werd en als je dan aan 
de hulpverlener vroeg waar het kind 
was, dan was het antwoord: dat 
zeggen wij jou ook niet. Dan 
antwoordde ik dat zij er rekening mee 
moesten houden dat dit geen 
melding was conform de wet, zodat 
de rechter nog altijd kon toetsen of 
er sprake was van zorgvuldige 
hulpverlening. In wezen is artikel 280 
dus een redelijk dode letter. 

De heer Leerling (RPF): Even voor 
alle duidelijkheid. Wat is de attitude 
van de Raden voor de kinderbescher– 
ming? Wat doet u, als er wel een 
melding komt? 

De heer Van Gent: Als wij weten 
waar het kind is? Dan zijn wij primair 
natuurlijk "kinderbescherming". Wij 
kunnen van een afstand niet zien wat 
het effect is van het mededelen van 
het adres van het kind aan de ouders. 
Natuurlijk hebben de ouders ook 
belang. Wij horen de ouders 
natuurlijk ook. Maar wij kunnen in die 
situatie geen onderzoek doen, dus wij 
kunnen ook geen zuivere afweging 
maken, waar de belangen exact 
liggen. Wij zitten in een patstelling. 
Wij kunnen die afweging niet maken. 
Wij leggen ons niet de regel op: wij 
geven per definitie het adres van de 
minderjarige aan de ouders, want wij 
kennen het effect van zo'n medede– 
ling niet. 

De heer Vlaardingerbroek: De 
discussie spitst zich nu wat te veel 
toe op de raden. Daar wordt een 
melding gedaan conform artikel 280 
Strafrecht, maar in hetzelfde artikel 
staat ook dat er zorgvuldige hulpver– 
lening moet zijn. Het hof te Leeuwarden 
heeft in een arrest in 1982 heel 
duidelijk uitgemaakt, wat hieronder 
verstaan moet worden. Een van de 
beginselen hierbij is dat de hulpverle– 
ner zich controleerbaar op zal 
moeten stellen. Hij zal binnen de 

instelling moeten aangeven wat hij 
doet met een kind dat is weggelopen, 
waar hij het heeft ondergebracht en 
waarom hij dat zo heeft gedaan. Hij 
zal daar een goede rapportage van 
moeten geven. Een van de vereisten 
van zorgvuldige hulpverlening is dat 
de ouders zo gauw mogelijk in kennis 
worden gesteld van het feit dat het 
kind onder dak is gebracht en bij hem 
of haar is terechtgekomen. Hij zal 
moeten vermelden dat hulp wordt 
verleend. Er zal dus zo spoedig 
mogelijk contact met de ouders 
gezocht moeten worden om te 
bekijken of er een mogelijkheid 
bestaat om het kind weer met de 
ouders in contact te brengen. Dat 
hoeft niet in een verzoening te 
resulteren, maar partijen dienen wel 
met elkaar "on speaking terms" te 
komen. Zorgvuldige hulpverlening is 
wel degelijk op grond van artikel 280 
van het Wetboek van Strafrecht 
toetsbaar voor de rechter. Dat 
betekent dat een hulpverlener die 
zich daaraan onttrekt, strafbaar is en 
zich schuldig maakt aan overtreding 
van artikel 280. Dat is wellicht een 
toevoeging aan hetgeen de heer Van 
Gent heeft vermeld. 

De heer Van Gent: Ik zeg het 
volgende even voor de duidelijkheid. 
De raad is een overheidsinstantie. 
Voordat de raad zich met privé-situa– 
ties gaat bemoeien, ook indien dit 
geschiedt op grond van een melding, 
moeten wij duidelijkheid hebben over 
het antwoord op de vraag, of een 
kind zo ernstig in de knel zit, dat een 
overheidsinstantie zich met die 
privé-situatie mag bemoeien. 

Wij kunnen wel stellen dat wij op 
basis van de melding de zaak gaan 
onderzoeken, maar dan zeggen de 
ouders: wat kom je hier doen. Die 
reactie krijg je. Wij zijn natuurlijk 
geen hulpverleners. Het is primair de 
verantwoordelijkheid van de hulpver– 
lening en van de hulpverlener om een 
heel goede werkwijze of methode 
van handelen op te bouwen. Het is 
nu wat verder uitgekristalliseerd. In 
de jaren zeventig lagen de standpun– 
ten binnen de hulpverlening veel 
duidelijker uiteen. Nu kan men toch 
een duidelijke groei constateren naar 
een situatie waarin men zegt dat het 
niet goed is om het kind van het 
gezin af te houden en dat je moet 
werken naar een zekere "levelling" 
van het probleem. Het kind hoeft niet 
altijd terug te gaan naar het gezin, 
maar een en ander moet wel worden 
uitgesproken. Het kind blijft die 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 108 


ouders immers houden, ook al wordt 

het 40 of 50. Daar kun je niet 

omheen. Op zichzelf is dat ook het 
standpunt van de raad. De verant– 
woordelijkheid ligt echter primair bij 

de hulpverlening. Alleen als wij 

merken dat de hulpverlening de zaak 
verknalt, moeten wij ingrijpen. 

De voorzitter: Het lijkt mij goed om 
even verder te gaan over de klachten 
en de inspectie. Wij kwamen immers 
te spreken over het acute klach– 
trecht. 

De heer Van Gent: Ik ga nog even in 
op een vraag van mevrouw Versnel. 
Zij vroeg wat er gebeurt als een 
klacht wordt ingediend terwijl het 
rapport onderweg is. De klachtrege– 
ling schrijft voor dat wij de rechter 
mededeling moeten doen over het 
feit dat er een klacht is ingediend. 
Het valt verder onder de verantwoor– 
delijkheid van de rechter wat hij met 
de zaak doet. Hij kan de zaak wel of 
niet aanhouden tot na de behande– 
ling van de klacht. Het enige wat de 
klachtregeling ons voorschrijft is dat 
wij de rechter daarover moeten 
informeren. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 

Betreft dat alleen het feit dat er een 
klacht is ingediend of wordt de 
inhoud van de klacht erbij gevoegd? 

Dat lijkt mij op dat moment immers 
niet onbelangrijk. 

De heer Van Gent: De regeling 
schrijft voor dat moet worden 
gemeld dat er een klacht is inge– 
diend. Dat heeft geen betrekking op 
de inhoud van de klacht. De rechter 
die de zaak bekijkt, kan de raad altijd 
vragen wat de inhoud van de klacht 
is. Wellicht wil hij een en ander toch 
wel even wat verder beoordelen. Dat 
kan bijvoorbeeld voorkomen in 
gevallen waarin hij zelf wat vraagte– 
kens heeft inzake de rapportage. Dat 
komt ook voor. 

De heer Willems: Daarbij doet zich 
wel een probleem voor. In Amster– 
dam moeten wij vaak drie of vier 
maanden wachten op een rapport. 
De cliënt bevindt zich dan in een 
dilemma. De indiening van een klacht 
kan verdere vertraging opleveren en 
de cliënt heeft er belang bij dat de 
zaak binnen een redelijke tijd zal 
worden behandeld. Dat dilemma is 
vrij onoplosbaar. In Amsterdam heeft 
de raadsman zelf het rapport vaak 
pas een paar dagen voor de zitting. 

Dan pas kan bekeken worden in 
hoeverre het verwijtbare gedrag 
effect heeft in de rapportage zelf. 
Het kan uiteindelijk ook meevallen. 
Het ophouden van het rapport is 
wellicht wenselijk, maar het heeft 
ook aanzienlijke nadelen. Dat wilde ik 
even opmerken. 

De heer Visser: Ik kan daar nog iets 
aan toevoegen. In Den Haag krijgt de 
raad drie maanden de tijd. Vaak 
wordt er ook nog eens uitstel 
gevraagd. Dan spreek je al over een 
termijn van zes maanden. Een paar 
dagen voor de zitting ontvangt de 
raadsman de stukken. Deze dienen 
dan nog met de cliënt besproken te 
worden. Vaak is er in feite niet eens 
tijd om een klacht formeel in te 
dienen. Dan moet de kwestie op de 
zitting zelf aan de orde komen. 

De heer Van Tol: In eerste instantie 
heb ik al bedoeld aan te geven dat 
van onze kant belang wordt gehecht 
aan een uniforme, heldere klachtre– 
geling. Wij hechten ook belang aan 
een ruime omgang daarmee. Wij 
moeten niet al te benepen met 
klachten omgaan. Klachten moet er 
gewoon kunnen zijn en daar moet je 
heel nadrukkelijk en ruim mee 
omgaan. Er is gevraagd of klachten 
mondeling of anoniem in behande– 
ling kunnen worden genomen. Het 
komt wel voor dat iemand opbelt en 
zegt dat hij een klacht heeft. Je bent 
dan geneigd om te zeggen "zet het 
eens op papier". Zo iemand kan dan 
zeggen dat hij daar grote moeite mee 
heeft en dan nodig je die persoon 
natuurlijk uit. Als er een anonieme 
klacht binnenkomt, kan je niet zoveel 
doen, maar je kan haar wel lezen en 
kijken of zij signalen bevat die van 
belang zijn voor de kwaliteit van de 
hulpverlening. Dat zou de attitude 
moeten zijn voor het omgaan met 
klachten. 

Ik wil graag nog even op de 
inspectie ingaan, omdat zij juist voor 
ons soort instellingen een belangrijke 
kwestie is. Later zullen wij daarop 
nog wel terugkomen. De gezinsvoog– 
dij-instellingen met daarbij aange– 
schakelde adviesbureau's hebben per 
definitie te maken met de inspectie 
van het ministerie van Justitie en met 
de inspectie jeugdhulpverlening. Het 
probleem is dat dit telkens onduide– 
lijkheid oplevert. De door Van Gent 
zojuist bepleite eenduidigheid is ons 
uit het hart gegrepen. Maar er spelen 
nog steeds een aantal zeer ingrijpen– 
de kwesties tussen het tninisterie van 

Justitie en WVC, zoals de slepende 
discussie rondom hulp en recht en zo 
meteen natuurlijk ook tussen het 
ministerie van Justitie en de provinci– 
ale overheden. De problemen die 
daarbij kunnen ontstaan, kunnen 
belemmerend werken voor de 
regionale samenwerkingsverbanden. 
Misschien zijn zij wel een kernpro– 
bleem van de kinderbescherming en 
jeugdhulpverlening. Zij zouden nu 
eindelijk een keer moeten worden 
opgelost. Het zou een groot goed 
zijn, als er een eenduidige inspectie 
en toezicht op ons soort werk komt. 

Thema 2: De ministeriële 
aanwijzingen aan de organisaties 
voor kinderbescherming 
(waaronder landelijke uniforme– 
ring van de werkwijze van de 
raden voor de kinderbescher– 
ming, landelijke richtlijnen voor 
de inrichting van raadsrappor– 
ten, landelijke richtlijnen wat 
betreft de openbaarheid van 
bestuur en de bescherming van 
persoonsgegevens, deskundig– 
heidseisen voor medewerkers 
van de Raden voor de kinderbe– 
scherming en van de instellingen 
voor voogdij en gezinsvoogdij, 
de informatievoorziening aan de 
burger) 

De voorzitter: Ik geef het woord aan 
de heer Van Gent van de Vereniging 
van secretarissen van de raden voor 
de kinderbescherming. 

De heer Van Gent: Wij waren wat 
gehandicapt door de vraagstelling, 
omdat zij nogal breed is. Er zijn 
natuurlijk tal van ministeriële 
aanwijzingen. Als ik de brief goed 
lees, zou ik de ministeriële aanwijzin– 
gen die tot klachten aanleiding 
hebben gegeven, eruit moeten 
vissen. De klachten die bij u liggen, 
zijn mij niet bekend, dus ik weet de 
directe aanleiding niet. Verder speelt 
de commissie-Gijsbers daarin een 
rol. Zij heeft een aantal dingen 
gezegd, die u bekend zijn, en ons is 
daardoor wat gras voor de voeten 
weggemaaid. 

Ik zal iets zeggen over welke 
aanwijzingen er zijn en er dan 
voorlopig het zwijgen toe doen. Er 
zijn tal van aanwijzingen van de 
minister aan de raden. Het gros is 
van beheersmatige aard en cliënten 
hoeven daar doorgaans niet over te 
klagen, daar klagen wij wel over, als 
er wat te klagen valt. De enige 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


beheersmatig getinte circulaires 
waarmee wij doorgaans wat moeite 
hebben, komen van WVC. De laatste 
die voor cliënten ook heel ingrijpend 
is geweest, is de laatste regeling van 
de ouderbijdrage. De regelgeving 
luidt dat als de ouders aangeven dat 
zij het niet eens zijn met de hulpver– 
lening, de bijdrage van WVC aan de 
plaatsing binnen zes weken stopt. 

Punt uit. 

Wanneer een jongere in een 
pleeggezin of in een tehuis verblijft, 
betekent dit dat de financiering dan 
stopt en dat de hulpverlener een 
oplossing moet vinden voor die 
situatie. Die oplossing is doorgaans 
te vinden in de enige open-eindere– 
geling die er nog is. Dat is een 
kinderbeschermingsmaatregel, dus 
zij staan om één minuut voor twaalf 
bij ons op de stoep en dan moeten 
wij dezelfde afweging maken van wat 
wij doen; moeten wij bevorderen dat 
de uithuisplaatsing in ieder geval 
gefinancierd blijft, dus als kinderbe– 
schermingsmaatregel, of niet. Dat 
kunnen wij op zo'n moment niet 
beoordelen. In principe willen wij dan 
voorlopig de status quo handhaven, 
dus toch een kinderbeschermings– 
maatregel uitlokken, maar ook de 
zaak met spoed onderzoeken en als 
daartoe geen aanleiding is, moet de 
zaak weer van tafel. Dat zijn de 
dilemma's waartoe dit soort beheers– 
matige circulaires ons dwingen. Wij 
maken onze bezwaren dan wel 
kenbaar aan ons eigen departement, 
maar dat moet in uitvoerig overleg 
met WVC en daar moet kennelijk 
altijd tijd overheen gaan. 

Inhoudelijk hebben wij een aantal 
aanwijzingen over het beleid. Artikel 
4 van het organisatiebesluit geeft de 
minister de mogelijkheid om 
aanwijzingen te geven. Echter, 
inhoudelijke beleidsaanwijzingen zijn 
doorgaans gestoeld op breed overleg 
met de raden. De minister, de 
staatssecretaris of het departement 
zal er zelden toe overgaan, beleids– 
aanwijzingen te geven voor de 
interne werkwijze bij de raden zonder 
daarover in een breed overleg met de 
raden te hebben gesproken. Het 
belangrijkste stuk dat wij wat dit 
betreft kennen, is dat betreffende het 
normenproject waarin per categorie 
van zaken die men op de sociale 
afdeling te behandelen heeft, wordt 
aangegeven hoe de werkwijze zou 
behoren te zijn, welke aandachts– en 
uitgangspunten moeten gelden 
enz. In principe dient die lijn te 
worden gevolgd. Wij vinden dit een 

groot goed. Het genoemde stuk valt 
bovendien onder de Wet openbaar– 
heid van bestuur zodat iedereen er 
kennis van kan nemen. 

Wij zijn voorts doende met de 
uniformering van de werkwijze bij de 
financiële afdelingen. Dit proces 
ondervindt enige vertraging door de 
onduidelijkheid van de positie van die 
afdelingen bij de raden. hetgeen de 
motivatie bij de medewerkers niet 
vergroot om hiermee zeer intensief 
bezig te zijn. Het is niet duidelijk hoe 
lang men nog onder de koepel van de 
raad blijft vallen. Die discussie sleept 
zich voort maar wij zijn hiermee bezig 
en dat geldt ook voor de landelijke 
vaststelling door de raden van de 
alimentatienormen. 

Landelijke richtlijnen voor de 
inrichting van rapportages zijn er 
niet. Er zijn wel algemene noties 
maar ministeriële aanwijzingen 
ontbreken. Ik herinner mij dat in de 
jaren zeventig eens een standaard– 
voorbeeld het land inging maar ik 
meen toch dat elke raad tot een 
eigen invulling komt. Daar staat 
tegenover dat uit de rapporten blijkt 
dat er meestal via een bepaald 
sjabloon wordt gewerkt, waarbij 
aanleiding van het onderzoek, 
omstandigheden van het onderzoek, 
de visie van de mensen, de visie van 
de maatschappelijk werker, de visie 
van het team enz. aan de orde 
komen. Ik onderstreep overigens dat 
deze rapporten niet het produkt zijn 
van één rapporteur maar van een 
team. Ik meen dat de klachten inzake 
rapportages ook niet zozeer betrek– 
king hebben op het ontbreken van 
richtlijnen voor uniformering maar 
meer op het taalgebruik. Wij weten 
allemaal wel hoe moeilijk het is om 
goed weer te geven wat men 
gehoord heeft en om dat los te 
koppelen van eigen impressies. Het 
is een belangrijk aspect, waarvoor wij 
in de laatste periode ook door middel 
van rapportagetraining duidelijk de 
aandacht vragen. Ik vind deze 
benadering wezenlijker dan een 
landelijke richtlijn voor de inrichting 
van rapportages. 

De richtlijnen in het kader van de 
openbaarheid van bestuur vormen 
een zeer gecompliceerde zaak. De 
Hoge Raad heeft nu eenmaal 
uitgemaakt dat lopende juridische 
zaken vallen onder de artikelen 902a 
en b van het Wetboek van rechtsvor– 
dering en daarvoor geldt een eigen 
openbaarheidsregeling. De rest valt 
onder de Wet openbaarheid van 
bestuur. De raden hebben een en 

ander wat gesimplificeerd en hebben 
in feite ook de eerstgenoemde zaken 
laten vallen onder de Wet openbaar– 
heid van bestuur. Het is overigens 
niet de verdienste van de raden dat 
dit zo tot stand is gekomen. Er is 
immers sprake van een afgifterege– 
ling met betrekking tot de rapporta– 
ges. Wat die inzageregeling betreft 
kan ik de opmerkingen die van de 
zijde van de advocatuur zijn gemaakt, 
niet ontkennen. Het zal met een 
zekere regelmaat voorkomen dat 
rapporten op een laat moment 
worden uitgebracht. Dit heeft nu 
eenmaal te maken met de werk– en 
tijdsdruk waaraan men onderhevig is. 
Natuurlijk wordt getracht om hieraan 
in organisatorische zin iets te doen, 
ook in de sfeer van de unit-lijn. Er 
wordt goed gekeken naar te respec– 
teren termijnen maar een maatschap– 
pelijk werker kan nu eenmaal maar 
een bepaalde hoeveelheid werk 
afleveren terwijl de zittingsdatum 
eraan komt. In Breda hebben wij 
gelukkig de systematiek aanvaard 
waarbij de zittingsdata pro forma 
worden bepaald. Bij die werkwijze 
verschijnt eerst de rapportage en 
daarna wordt een nieuwe datum 
bepaald zodat er altijd enig tijdsver– 
loop is tussen rapportage en 
behandeling ter zitting. Op die 
manier zijn er oplossingen voor te 
vinden. Toch zit daar een knelpunt. 

Ik heb wel de indruk dat de 
cliënten heel blij zijn met die 
afgifteregeling. In het begin van de 
jaren tachtig en eerder hadden wij 
last van koudwatervrees. Zo vroegen 
wij ons af wat er met de rapporten 
gebeurde. Welnu, gebleken is dat er 
in de meeste gevallen heel verstan– 
dig mee wordt omgegaan. 

Er is nog gesproken over bescher– 
ming van de persoonsgegevens. Wij 
vallen wat de archivering betreft 
uiteraard onder de Wet op de 
persoonsregistraties. Wij wachten 
ministeriële aanwijzingen ter zake af. 
Men is daarmee bezig; 1 juli is de 
dead line. Ik hoop dan ook dat men 
het haalt. Afgezien daarvan trachten 
wij er wel op een heel verantwoorde 
manier mee om te gaan. Natuurlijk 
heeft niet iedereen toegang tot de 
archieven van de raden. Dat moge 
duidelijk zijn. 

De voorzitter: Maar heeft u 
daarover afspraken gemaakt? 

De heer Van Gent: Ja, in die zin dat 
rapporten ouder dan twee jaar in 
wezen niet meer gehanteerd mogen 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


worden; dossiers ouder dan vijf jaar 
mogen alleen gehanteerd worden 
met toestemming van de directeur. 
Daar zit ook een knelpunt. Immers, 
een dossier bestrijkt meestal een 
langere periode; het wordt niet 
gesplitst. Het is onwerkbaar om een 
stuk dat vijf jaar oud is, eruit te halen. 
Als een dergelijk systeem wordt 
ingevoerd, brengt dat een verdrie–, 
verviervoudiging van de personeels– 
formatie met zich voor alleen de 
archieven. Als je het dus zo zorgvul– 
dig mogelijk wilt doen, met alle 
administratieve regelgeving daarom– 
trent, krijg je te maken met een 
knelpunt, zoals ik zojuist omschreven 
heb. Wij trachten er wel vanwege de 
mentaliteit achter de regelgeving 
zoveel mogelijk gestalte aan te 
geven. 

Nu iets over deskundigheidseisen 
voor medewerkers van Raden voor de 
kinderbescherming. Ik raak aan het 
rapport van de heer Gijsbers, dus ik 
moet mij een beetje voorzichtig 
uitdrukken. Ik kan er heel lang over 
praten. Ik heb al gezegd dat beslis– 
singen in de raad in teamverband 
genomen worden. Een aantal 
deskundigheden hebben een stem. 
Allereerst noem ik de maatschappe– 
lijk werker die het onderzoek heeft 
verricht. Dan is er de praktijkbegelei– 
der met een HBO/MW-opleiding en 
voortgezette opleiding die de 
maatschappelijk werker begeleidt 
tijdens het onderzoek. Uiteraard is er 
het unithoofd, doorgaans acade– 
misch gevormd; meestal zijn het 
juristen. Met hun drieën bekijken zij 
de zaak en bepalen de visie en het 
uitgangspunt. Het maatschappelijk 
werk brengt de hulpverleningsmetho– 
diek in en het unithoofd de beleids– 
factor. Er wordt voor gezorgd dat de 
zaak spoort. 

Ik ben van mening dat voor het 
gros van de zaken die deskundigheid 
voldoende is. Ik heb al vaker gezegd 
dat wij de deskundigheid in met 
name de sfeer van het maatschappe– 
lijk werk verder kunnen uitdiepen. Er 
zit mijns inziens nog veel meer 
potentieel dan wij de afgelopen jaren 
gebruikt hebben. De kwaliteit van de 
insteek van de maatschappelijk 
werker kan dus duidelijk verdiept 
worden. Daar zie ik ook wel mogelijk– 
heden toe. 

Voor de informatievoorziening aan 
de burger geldt min of meer 
hetzelfde. Wij zitten met een berg 
folders. De afdeling voorlichting is nu 
bezig om nieuwe voorlichtingsfolders 
te ontwerpen die onder andere wat 

publieksvriendelijker zijn. PR is altijd 
een heel moeihjk punt. Daar zijn wij 
ook niet zo in geschoold. Wij 
proberen onze aandacht daar nu wat 
sterker op te richten. Wij zien 
namelijk ook wel dat er in dat opzicht 
manco's zijn. Folders alleen zijn niet 
voldoende. Je kunt tegen een 
maatschappelijk werker zeggen dat 
de paarse folder over de Raad voor 
de kinderbescherming aan het begin 
van het onderzoek uitgereikt moet 
worden. Dan zegt hij: als de moeder 
helemaal hoteldebotel rondloopt, 
heeft het weinig zin om haar die 
folder te geven. Het vergt dus een 
andere methodiek. Je moet van geval 
tot geval goed met de voorlichting 
omgaan en folders kunnen dit 
ondersteunen. Vele situaties vragen 
het duidelijke inzicht dat mensen niet 
alles begrijpen. Je kunt van mening 
blijven verschillen, maar het is een 
kunst op zichzelf om ervoor te zorgen 
dat het goed bij de ander overkomt. 

De heer Jeurgens Mevrouw de 
voorzitter! Wat de heer Van Gent een 
handicap noemt, noem ik een kans. 
Als ik de agenda wat ruimte geef, 
kan ik in het eerste deel van mijn 
betoog iets zeggen over de samen– 
hang tussen de aard van het werk en 
de klachten. In het tweede stuk kom 
ik op de ministeriële aanwijzingen. 

Na het voorbereidende werk van 
de raad begint het eigenlijke werk 
van voogdij– en gezinsvoogdij-instel– 
lingen. Het onderzoeksrapport van de 
raad is dan binnen en ook de 
uitnodiging om een gezinsvoogd voor 
te stellen. Dat is het basismateriaal. 

De werkelijkheid is echter niet altijd 
zo simpel. Gedurende de voorberei– 
ding van een zaak meldde ons 
kantoor in Venlo dat drie ingekomen 
stukken waren toegevoegd. Dat 
waren drie heel mooie maaskeien, de 
grootste meer dan tien kg. Die had 
de moeder van twee kinderen die 
onder toezicht zouden worden 
gesteld, door de ruit naar binnen 
gegooid. Zo uitte zij haar klacht. Een 
halfjaar, enkele bakstenen - de 
kwaliteit liep terug — en vier kapotte 
ruiten verder heeft de gezinsvoogdes 
moeizaam contact met de moeder 
opgebouwd. In de psychiatrische 
inrichting waar de moeder dan 
verblijft, vertelt zij dat zij haar 
onmacht niet meer meester was. Zij 
wilde loyaal zijn en haar kinderen 
verzorgen, maar zij kon dat niet meer. 
De frustratie daarover leidde tot die 
explosieve vorm van klagen. 

Er zijn uit de praktijk ontelbare 

varianten naar voren te brengen, 
maar zo veel tijd krijg ik niet van u. Ik 
noem er nog één, het geval dat 
ouders gaan scheiden en menen, dit 
bij voorkeur in oorlogstenue te 
moeten doen, met de kinderen als 
inzet. De strijd loopt zo hoog op, dat 
derden, raad, kinderrechter en 
gezinsvoogd, ingeschakeld worden 
om de kinderen te beschermen. De 
oorlog duurt voort, een vredesver– 
drag is niet te sluiten en voor de 
kinderen moet een voorziening 
getroffen worden. De kans dat de 
regeling door een of beide partijen 
wordt afgewezen, ligt in de buurt van 
100%. De zich benadeeld voelende 
partij is zeer gemotiveerd om een 
klacht in te dienen. 

De kern is dat in de ogen van 
ouders die om welke reden dan ook 
te kort schieten, ook de kinderbe– 
scherming niet mag slagen. Wil je als 
ouder je eigenwaarde behouden, dan 
moet je als het ware bewijzen dat 
niet jij faalde, maar de kinderbe– 
scherming, het internaat, het 
pleeggezin of de maatschappelijk 
werker/gezinsvoogd. Voeg hierbij het 
gegeven van de maatschappelijke 
druk die zich uit in grote belangstel– 
ling van de media voor alles wat 
kinderbescherming heet, en het 
gegeven dat de burgers bij wie 
rechtstreeks in de gezinssituatie 
wordt ingegrepen, mondiger zijn 
geworden en publiciteit niet schu– 
wen, en de conclusie mag getrokken 
worden dat op dit vlak klachten 
inherent zijn aan het werk. Zo ervaren 
wij het: als onvermijdelijk dus. 

Nu zult u misschien zeggen: einde 
verhaal, maar dan zeg ik: zeker niet. 
Als voogdij– en gezinsvoogdij-instel– 
lingen doen wij ons werk op basis 
van een maatschappelijke opdracht 
die voor een deel is gelegitimeerd op 
grond van het Burgerlijk Wetboek. Ik 
zeg "voor een deel", omdat de 
opdracht dan nog niet naar haar 
inhoud is getypeerd. Ook de Wet op 
de jeugdhulpverlening, waarin in de 
artikelen 60 en volgende een plaats 
voor onze instellingen is ingeruimd, 
laat dit probleem naar onze mening 
onopgelost. Immers, wat is de eigen 
aard van de gezagstaken en de eigen 
aard van de hulpverlening? Uit een 
recent verschenen rapport, dat 
vandaag al eerder is genoemd, citeer 
ik dat het zinloos is om krampachtig 
te zoeken naar een onderscheiding of 
scheiding van hulp en recht in de 
werkzaamheden van de raad. In nog 
sterkere mate is deze stelling van 
toepassing op ons werk. Voor ons is 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


het daarom een vanzelfsprekende 
zaak dat de adviesbureaus gescha– 
keld zijn aan en completerend zijn 
voor de sector voogdij/gezinsvoogdij. 

Met alle begrip voor de achter– 
grond van de motie-Vliegenthart om 
gelijke regelingen tot stand te 
brengen voor de pleegzorg; het 
gevolg is dat nijvere ambtenaren 
krampachtig moeten zoeken naar het 
vatten van de gezagstaken, te 
betalen door Justitie, en het vatten 
van de begeleidingstaken, te betalen 
door WVC. Dit is een traject waarvan 
wij hopen dat het zo snel mogelijk 
verlaten zal worden. Het in het kader 
van Oort aan de pleegouders 
uitleggen dat de hele Tweede Kamer 
achter hen staat maar dat deson– 
danks de vergoeding voor het verblijf 
van de pleegkinderen in hun gezin 
nog niet onbelast is verklaard, is 
vergeleken met het voorgaande nog 
zeer eenvoudig. 

Na het Burgerlijk Wetboek en de 
Wet op de jeugdhulpverlening kom ik 
bij de verdere ministeriële aanwijzin– 
gen. In het ontwerp-besluit kwali– 
teitsregels en taken voogdij/gezins– 
voogdij-instellingen staat in contai– 
nerbegrippen vrij volledig omschre– 
ven aan welke eisen moet worden 
voldaan. Jammer is dat er nog 
slechts sprake is van een concept. 
Met enige jaren ervaring in deze 
sector hopen wij vrij te blijven van het 
gevaar dat het als zodanig zeer oud 
zal worden. Er wordt daarin voldoen– 
de gezegd over het hulpverlenings– 
plan, de bereikbaarheid en de 
beschikbaarheid. Het staat zeer 
treffend in artikel 4, eerste lid: het 
personeelsbestand van de instellin– 
gen is zowel kwalitatief als kwantita– 
tief afgestemd op de op basis van de 
doelstelling uit te oefenen functies 
en werkzaamheden en op de 
doelgroep. Neem de doelgroep. Uit 
het onderzoek van Van der Ploeg 
"Kinderen in internaten bekeken en 
vergeleken" blijkt dat in 10 jaar tijd 
de afstand tussen de zwaarder 
wordende problematiek van vrijwillig 
in internaten geplaatste kinderen en 
van kinderen die er geplaatst zijn op 
basis van een maatregel, niet kleiner 
is geworden maar gelijk is gebleven. 
Het moment van justitieel ingrijpen in 
die periode wordt steeds meer 
uitgesteld. De maatregel krijgt 
daardoor steeds meer het karakter 
van bestraffing en komt te laat, 
waardoor de kans op succes veel 
kleiner en die op klagen veel groter 
wordt. 

Nog een facet binnen de doelgroep 

mag niet onvermeld blijven: de 
toename van allochtone cliënten. Die 
toename alleen rechtvaardigt een 
hernieuwd case load onderzoek naar 
de werkdruk ter zake. Men zal zich 
afvragen of er dan alleen kommer en 
kwel is. Welneen, er is nog hoop. 
Hoopvol stemt het vorige week 
uitgekomen beleidsplan 1990 van de 
directie jeugdbescherming en 
reclassering, waaruit ik twee 
passages citeer en het overige in uw 
warme belangstelling aanbeveel. 

"Justitie wil de sector voogdij/ge– 
zinsvoogdij in staat stellen, versterkt 
uit de crisisachtige situatie van dit 
moment te komen. Uitbreiding van 
werkzaamheden in de strafrechtsec– 
tor, bevestigen van de centrale 
positie die de instellingen als 
mededrager van gezag hebben ten 
opzichte van de jeugdigen èn 
versterking van de diagnostische 
vermogens staan naast een meer 
adequaat financieringssysteem en 
versterking van de organisatiestruc– 
tuur hoog in het vaandel." 

Wie zou geen hoop hebben bij 
deze omschrijving? Drie alinea's 
verder, op pagina 12, worden de 
ontbrekende mogelijkheden terugge– 
voerd op de beperkte financiële 
armslag voor deskundigheidsbevor– 
dering, management, inbreng van 
gedragswetenschappers en toegeno– 
men werkdruk. 

"De vraag zal gesteld moeten 
worden met welke methode en 
werkwijze een maatschappelijk 
werker gemiddeld 32 jeugdigen in 
problematische en complexe 
gezinssituaties kan begeleiden." Bij 
een dergelijke case load is aan 
cliëntgerichte werkzaamheden drie 
kwartier per jeugdige per week 
beschikbaar. De eerste en nog 
onvolledige resultaten van het 
gezinsvoogdij-informatiesysteem, een 
onderzoek dat lopende is, bevestigen 
dit. Verder noemt Justitie dan nog de 
verhoudingsgewijs lage salarissen die 
voor directeuren, middenkader en 
uitvoerend werkers gelden, vergele– 
ken met de aangrenzende sectoren 
zoals de Raden voor de kinderbe– 
scherming en de reclassering. 

Cruciaal bij deze hoopvolle 
uitspraken is de vraag: wordt de 
grens tussen het utopische concept 
van het beleidsplan en de verwerke– 
lijking ervan nog deze eeuw over– 
schreden? Wanneer veranderingen in 
de structuur leiden tot redelijk grote 
instellingen met een management op 
niveau, een multi-disciplinaire staf en 
uitvoerende werkers die door de 

deskundigheidsbevordering mede 
overeind gehouden kunnen worden, 
kan ook ondersteunende hulp vanaf 
de werkvloer ontwikkeld worden met 
deskundigen van buiten. De coördi– 
natie van die werkontwikkeling kan 
worden opgedragen aan een 
steunpunt als Vedivo en behoeft 
daarvoor geen duur en nationaal 

instituut zonder werk te worden. 

Ik kom tot een afsluiting, mevrouw 
de voorzitter. Ervan uitgaande dat het 
bovenstaande meer een samenvat– 
ting is van een niet uitgegeven 
proefschrift, heeft u nog recht op 
twee stellingen. 

1. Gelet op de spanningsvolle 
situatie van ons werk en de beperkte 
materiële voorzieningen, is in onze 
optiek het aantal klachten nog 
opmerkelijk laag te noemen. Je zou 
er nog meer verwachten. 
2. De maatschappelijke opdracht 
die de basis is van ons werk, wordt 
onduidelijk geformuleerd en nog 
steeds verstoord door de houdgreep 
van de hulp-recht-discussie, hetgeen 
onder andere ook tot uitdrukking 
komt in het WVC-Justitie-duel. 
Tot slot: onze sector wordt veel 
aangevallen. Wij willen ons graag 
verantwoorden. Echter, wij willen ook 
wel in de aanval. Er wordt in de 
gezinsvoogdij, op adviesbureaus en 
in de instellingen hard, integer en 
zorgvuldig gewerkt. Dat willen wij zo 
houden en, zo mogelijk, verbeteren. 

Mevrouw Doelman-Pel (CDA): 
Mevrouw de voorzitter! Er is nu op 
veel aspecten gewezen. De heer 
Jeurgens zou kunnen suggereren, 
dat wij hem in de beklaagdenbank 
willen zetten. Dat is niet de bedoe– 
ling. Het gaat er vooral om, de 
klachten die wij hebben gekregen 
serieus te nemen en om op basis 

daarvan te bezien of er iets 
veranderd kan worden. 

Over sommige dingen zou ik graag 
meer duidelijkheid hebben. Bij de 
ondertoezichtstelling geldt, dat het 
kind met geestelijke en lichamelijke 
ondergang bedreigd wordt. Ik neem 
aan dat zich op dit punt bij de raden 
voor de kinderbescherming langza– 
merhand een beleid heeft ontwikkeld 
waarmee criteria worden gesteld. Zijn 
criteria worden gesteld. Zijn van waaruit 
bestaan die slechts in de hoofden 
van de mensen en zijn die daardoor 
in feite niet controleerbaar? 

Ik wijs vervolgens op een ander 
aspect. Vooral bij voorlopige 
ondertoezichtstelling voelt men zich 
behoorlijk bedreigd. Bestaan daarbij 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


protocollen? Wanneer neemt men 
actie? Gebeurt dat als de situatie in 
het gezin escaleert of gebeurt dat als 
de situatie bij de hulpverlener 
escaleert? Wordt daardoor de 
ondertoezichtstelling eerder geïndi– 
ceerd of volgt dan eerder een 
voorlopige toevertrouwing? 

Mijn volgende punt betreft de 
rapportage. Er is gezegd dat hiervoor 
geen eenduige richtlijnen bestaan. 
De klachten die ons bereiken, wijzen 
erop dat men de rapporten moeilijk 
leesbaar vindt. Graag zou men zien 
dat die gereduceerd werden en dat 
er sprake was van eenduidigheid. 
Kan er ook niet in vermeld worden, 
waarom bijvoorbeeld vrijwillige 
hulpverlening niet meer mogelijk is? 
De indruk bestaat, dat men niet altijd 
goed weet hoe de sociale kaarten er 
overal uitzien. Ik begrijp de moeilijk– 
heid; er zijn twee raden. Mijn vragen 
betreffen echter algemene zaken die 
niet alleen op één raad betrekking 
hebben. 

Een ander punt is de gezinsvoogdij. 
De gezinsvoogdij is in feite al 
vertegenwoordigd op de zitting. 
Mogen de cliënten daaruit afleiden, 
dat de rechter van tevoren al bepaald 
heeft dat een OTS wordt uitgespro– 
ken? De ouders kunnen dan zeggen: 
wij hadden geen weerwoord, alles is 
al geregeld. Misschien heeft de raad 
daarom een geweldige monopoliepo– 
sitie. De heer Van der Heijden zei 
zojuist: de kinderrechter toetst. Wij 
vragen ons af: toetst de kinderrech– 
ter echt? Gebruikt hij daarbij de 
rapporten? En wat gebeurt er 
eigenlijk op die zitting? 

Een volgend punt is de toerusting. 
U zegt: wij houden trainingen en 
dergelijke. De heer Jeurgens noemde 
al de toename van het aantal 
allochtonen. Ik neem aan dat 
hierdoor op zichzelf nieuwe proble– 
men ontstaan en nieuwe deskundig– 
heid vereist is. Hoe wordt daaraan 
gewerkt? Zijn er mogelijkheden voor? 
Zijn er middelen voor? 

U zegt zelf al: ons beleid wordt 
mede bepaald na intern overleg. Als 
u voorschriften zou willen ontvangen 
voor hulpverlening, wie moet die dan 
moeten geven: WVC, Justitie? Waar 
wordt het beter van? Moet uiteinde– 
lijk de rechter die nu zaken ex artikel 
280 Strafrecht hanteert het bepalen? 
Of zou u liever zelf richtlijnen willen 
ontvangen hoe te handelen? 

Het zijn eigenlijk heel veel vragen 
in een keer, maar het is voor ons 
toch belangrijk om daar een beter 
inzicht in te krijgen. 

De heer Van Gent: Ik begin met de 
controleerbaarheid van de criteria bij 
ondertoezichtstelling. Het is in 1922 
zo in de wet gekomen en het staat er 
nu nog net zo in. Er is ook een 
heleboel geschreven over de vraag of 
het niet anders kan. Het komt toch 
neer op de vraag: wat is goede 
opvoeding en wat is geen goede 
opvoeding? Als ik met een micro– 
foontje door de stad loop en dat ga 
vragen, krijg ik van iedereen een 
verschillend antwoord. Daar zit nu 
net onze bottle-neck. Van de raad 
wordt verwacht een zekere interpre– 
tatie te geven. Geen opvoedingssitu– 
atie is gelijk aan de andere. Men 
heeft wel gepoogd criteria te vinden 
die wat breder liggen dan wat hier 
staat, maar dat is nauwelijks 
hanteerbaar. Je moet natuurlijk ook 
een zekere slagvaardigheid en 
flexibiliteit kunnen behouden. 

Wij hebben een criterium. Wij 
nemen een zaak niet eerder in 
behandeling dan wanneer een 
maatregel tot de mogelijkheden zou 
behoren. Zolang er nog sprake is van 
mogelijkheden van vrijwillige 
hulpverlening, wordt de zaak 
terugverwezen. Dit geldt voor 
vooronderzoek; tijdens onderzoek 
geldt precies hetzelfde. De percenta– 
ges — wij hebben er al vaker mee 
gestrooid — zullen u bekend zijn. Van 
de 100 zaken die bij ons op het 
spreekuur of anderszins binnenko– 
men, gaan er 30 onmiddellijk terug 
naar de vrijwillige hulpverlening. Van 
de 70 die overblijven, gaan er nog 
eens 35 tijdens het onderzoek terug 
naar de vrijwillige hulpverlening. Er 
blijven er 35 over waarop wij een 
maatregel uitlokken. In de loop van 
de raadsbemoeienis vindt een zeker 
schiftingsproces plaats. Je kunt 
natuurlijk een heleboel dossiers naast 
elkaar leggen. Je kunt een dossieron– 
derzoek doen door bij alle uitgelokte 
ondertoezichtstellingen te bekijken 
welke criteria daaraan ten grondslag 
liggen. Je komt toch altijd op 
situaties uit waarin lichamelijke - bij 
mishandeling of incest - of wat 
meer geestelijke — bij leerplichtza– 
ken of sociale motieven, zoals bij de 
problematiek van de tweede 
generatie — invalshoeken een rol 
spelen, soms zelfs tegelijk. Dan is er 
sprake van een zekere destabilisering 
binnen de harmonische gezinssitua– 
tie die niet meer opgelost kan 
worden door vrijwillige hulpverlening, 
want er is geen acceptatie van 
hulpverlening. Als die hulpverlening 
er echter niet komt, dan groeit het 

kind scheef. Maar ja, wat is scheef– 
groei van een kind? Beoordeel dat 
maar. 


Daarom leggen wij een advies 
neer. Wij verzoeken de rechter die 
maatregel uit te spreken. Maar wij 
verwachten — dat mogen wij ook 
verwachten — dat de rechter 
uiteindelijk uitspreekt: dit is maat– 
schappelijk een juist standpunt en dit 
is maatschappelijk nog geen juist 
standpunt; dit komt nog niet in 
aanmerking voor gedwongen 
hulpverlening. Nu zie ik ook wel dat 
er door dat regelmatige contact — ik 
kom dan bij de verhouding met de 
kinderrechter — in de beoordeling 
een zekere stabilisatie ontstaat. Dat 
zou je kunnen vermijden door 
voortdurend nieuwe kinderrechters te 
benoemen, etcetera, waardoor je de 
zaak vers houdt. Je moet als raad 
ook goed kijken waarmee je bezig 
bent en kritisch op jezelf zijn, goed 
letten op klachten en op wat cliënten 
naar voren brengen en ook goed 
letten op wat maatschappelijk 
gaande is. Dat is natuurlijk allemaal 
je verantwoordelijkheid. Ik blijf erbij 
dat je niet kunt zeggen: als je 
bepaalde regels overtreedt, krijg je 
een ondertoezichtstelling aan je 
broek. We hebben dat bijvoorbeeld 
wel gedaan in de verslavingszorg. In 
de regio waar ik werk hebben we, in 
het geval van een verslaafde moeder 
van een ongeboren kind, bepaalde 
afspraken gemaakt: als zij bepaalde 
dingen tijdens de zwangerschap 
nalaat, dan vinden wij — die afspraak 
wordt gemaakt met het Bureau 
vertrouwensarts en het CADCAD dat 
moeder zo verantwoord handelt 
dat, als het kind wordt geboren, een 
maatregel wordt uitgelokt, uiteraard 
na toetsing door de raad, want dat 
laten we ons niet afnemen. 

De voorzitter: Is dat een afspraak in 
uw regio, en wat is de status van die 
afspraak? 

De heer Van Gent: Dat is een 
afspraak die wij hebben gemaakt met 
de door mij genoemde partijen, en 
daar worden uiteraard de instellingen 
voor voogdij en gezinsvoogdij bij 
betrokken, want deze worden belast 
met de ondertoezichtstelling. Het 
gaat om het meten van de mate van 
verantwoordelijkheid die een moeder 
kan opbrengen voor haar kind. Als de 
moeder het tijdens de zwangerschap 
niet kan opbrengen om van de drugs 
af te blijven, of haar methadon niet 
haalt, of zich niet op de daarvoor 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


aangewezen tijden laat controleren, 
waarvoor zij uiteraard wel tevoren 
iets, laat ik het maar een contract 
noemen, krijgt voorgeschoteld, dan 
heeft dat kind ook heel weinig 
perspectief. Dan zullen we moeten 
starten met een ondertoezichtstelling 
om te zien of de moeder, als het kind 
er eenmaal is, wel voldoende 
verantwoordelijkheid kan opbrengen. 
Dat \s een voorbeeld waarin afspra– 
ken worden gemaakt, maar veel 
verder kun je niet gaan. 

De voorzitter: Is dat in andere 
regio's ook zo? Is het ministerie van 
Justitie daarvan op de hoogte? 

De heer Oosting In onze regio, dus 
de regio Utrecht, bestaat een 
soortgelijke afspraak met instellingen 
om ten aanzien van drugsverslaving 
van zwangere moeders te kijken of er 
een minimale basis van verantwoor– 
de zorg valt te verwachten. Zo niet, 
dan is de normale afspraak, ook met 
de kinderrechters, dat er een 
ondertoezichtstelling wordt uitge– 
sproken. 

Ik wil nog een algemene aanvulling 
geven op de kwestie van de criteria, 
een van de meest weerbarstige 
zaken. De suggestie wordt wel, niet 
geheel onterecht, gewekt dat 
iedereen bij gebrek aan duidelijke 
maatschappelijke normen maar met 
zijn eigen normen normen en 
waarden werkt. Daar kun je natuurlijk 
nooit helemaal omheen, maar wat er 
op de raad afkomt is een neerslag 
van maatschappelijke normen die 
iedereen zo hanteert. Met een soort 
Pavlov-reactie om eerst te kijken of 
de vrijwillige hulpverlening überhaupt 
aan bod is geweest en, zo ja, of die 
hulpverlening adequaat is geweest 
en inmiddels is uitgeput, hou je toch 
een residu over waarmee hetzij in de 
meer fysieke sfeer, bijvoorbeeld het 
medische circuit, hetzij in de meer 
opvoedkundige sfeer - de signalen 
kunnen daarbij komen uit RIAGG's en 
het onderwijscircuit - duidelijk iets 
loos \s. Dat ga je dan nog eens 
onderzoeken, en dan ga je nog eens 
kijken of er gelet op dat disfunctione– 
ren - inclusief de medische en de 
psycho-sociale problematiek - een 
maatregel nodig is. Zo langzamer– 
hand is de praktijk gegroeid dat de 
zwaardere maatregelen, dus 
ontheffing en ontzetting, zeer zelden 
worden toegepast. Een toevertrou– 
wing is iets dat je in een noodsituatie 
gebruikt, als er echt heel acute 
problemen zijn. Dat is iets van een 

geheel andere orde. Kortom, het is 
niet alleen een kwestie van de vraag, 
hoe de raad omgaat met een bepaald 
aanbod, nee, het aanbod op zichzelf 
is al een weerspiegeling van bepaal– 
de maatschappelijke normen. 
Tenslotte gaat de raad niet als een 
dief in de nacht op zoek naar 
probleemgevallen. Misschien was dat 
vroeger zo, dat weet ik niet, maar nu 
is dat zeker niet zo. Je kunt dus 
domweg zeggen dat er hele catego– 
rieën jongeren zijn die acuut met 
lichamelijke en zedelijke ondergang 
bedreigd worden, waar wij niet 
aankomen. Ik noem de zwerfjonge– 
ren. De vraag waarom we daar niets 
aan doen, kan misschien een 
volgende keer worden beantwoord. 

De heer Leerling (RPF): De zaak van 
de criteria ligt uiteraard erg moeilijk 
en is niet eenduidig. Het is dan toch 
een kwestie van interpretatie. Zou 
dat toch niet kunnen ieiden tot een 
heroverweging van de methodiek van 
de raden, waar het gaat om het 
samenstellen van een rapport dat 
beschrijvend van karakter is, waarin 
toch een stuk waarneming is 
opgenomen van degene die het 
rapport opstelt, inhoudend dat je 
meer toe moet naar een proces-ver– 
baal van een bepaalde situatie, dat 
dan wordt voorgelegd aan de 
rechter, zodat deze daarover een 
objectief oordeel kan vellen? U zegt 
dat niet alles dat wordt aangediend, 
in behandeling wordt genomen en 
dat eerst alle mogelijkheden wat 
betreft de vrijwillige hulpverlening 
worden uitgeprobeerd. Wordt ook 
aan de ouders meegedeeld dat alles 
is gedaan? Wordt er tegen die ouders 
gezegd: op grond hiervan moeten wij 
besluiten dat vrijwillige hulpverlening 
is uitgesloten, zodat we een bepaal– 
de route kunnen inslaan. Die 
geluiden zijn mij tot nu toe niet 
bekend, maar wellicht kunt u 
daarover opheldering verschaffen. 

De heer Van Gent: Mevrouw de 
voorzitter! Ik ga alleen op het laatste 
punt in. Het andere punt is namelijk 
veel interessanter voor de maat– 
schappelijk werkers. 

Wij hoeven de ouders niet mee te 
delen, of de vrijwillige hulpverlening 
al of niet is gelukt, want zij hebben 
dat aan den lijve ervaren. Zij weten 
het toch! De vrijwillige hulpverlening 
verwijst vaak naar ons, in die zin dat 
men daar niet meer verder kan, ook 
al komt een bepaald percentage 
ouders natuurlijk zelf. De ouders 

weten dus, dat de vrijwillige hulpver– 

lening naar de raad verwijst. ledere 

fatsoenlijke hulpverleningsinstantie 

zal dat ook aan de ouders melden. 

Als wij tijdens de rit proberen, terug 

te verwijzen naar de vrijwillige 

hulpverlening, dan gaat het om 

activiteiten waarbij de ouders 

betrokken zijn. De ouders weten dus 

heel goed, ook al zeggen ze het niet 

altijd, waar de zaak op stuk loopt. Ik 

denk dus niet, dat dit een probleem 

is. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Maar er wordt ook gesproken over 
die fuikwerking. Dat is niet iets dat zo 
maar uit de lucht komt vallen. Er zijn 
ook ouders die denken, gezien de 
attitude van de maatschappelijk 
werker en alles wat hij aan beroeps– 
zaken met zich brengt, dat er hulp 
wordt verleend, maar ondertussen 
wordt er een proces-verbaal 
opgemaakt, zoals de heer Leerling 
zei. Je zou kunnen zeggen, dat het 
gaat om een soort wolf in schaaps– 
kleren. Is dit soort klachten flauwe– 
kul? Verzinnen die mensen dat, of 
gaat het om reële klachten? Datgene 
wat je van de ouders hoort en 
hetgeen de heer Van Gent stelt, lijken 
mij net twee werelden die niets met 
elkaar te maken hebben. Het lijkt wel 
alsof het niet om hetzelfde gaat. 

De heer Van Gent: Het is ook heel 
moeilijk uit te leggen, omdat het te 
maken heeft met de perceptie 
waarmee mensen naar een bepaalde 
zaak kijken. Ik kan mij heel goed 
voorstellen, dat mensen af en toe het 
gevoel hebben dat zij in de val zijn 
gelopen. Ik vind dat ook niet 
onbegrijpelijk, omdat ze op een heel 
andere manier naar de zaak kijken. 
Dat is ook dat dubbele. Ik vind het 
zelf ook heel moeilijk om daar zo 
zuiver mogelijk op te reageren en op 
te blijven reageren. Ik kan een 
heleboel gevallen noemen, waarbij 
mensen dat zeggen, maar waarvan ik 
dan zeg: "Ja, maar jullie hebben 
geen behoorlijk inzicht in je eigen 
situatie. Juist omdat jullie dat niet 
hebben en omdat wij het niet aan 
jullie duidelijk kunnen maken, moet 
er gedwongen hulpverlening 
komen". Ik kan dit echter heel 
moeilijk uit elkaar trekken. 

De heer Van der Heijden: Mevrouw 
de voorzitter! Ik sluit even aan bij 
hetgeen zojuist is gezegd. Als 
onderzoeker, als maatschappelijk 
werker van de raad heb je geen 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


enquêtelijst bij je. Je houdt dus niet 
bij, op welke punten er gescoord 
wordt en daar maak je geen proces– 
verbaal van op, zoals de heer 
Leerling zegt. Nee, het gaat erom dat 
er in de gezinnen sprake is van een 
enorme problematiek. Je probeert 
om met die mensen zover te komen, 
dat ze onderkennen waar de 
problemen zitten. Vervolgens kijk je 
naar de pogingen die er in het 
verleden zijn geweest om de kwestie 
op te lossen. Aan de hand daarvan 
bekijk je welke mogelijkheden er op 
dit moment voorhanden zijn. Dat is 
het veelgehoorde hulpverleningspro– 
ces, waartegen wordt geprotesteerd. 
Toch is dat naar mijn mening de 
methodiek die je moet bewandelen, 
want anders ga je hetzelfde doen als 
een politiefunctionaris. Het is dan 
nog maar de vraag of de criteria 
objectiever worden. Het gaat dus om 
het hulpverleningsproces. Na de vele 
pogingen die al zijn mislukt — die 
ervaring kunnen wij inbrengen — 
probeer je om de mensen hernieuwd 
op het spoor te zetten, zodat er wat 
rust ontstaat en zodat de crisissitua– 
tie die zich in veel gevallen aandient, 
wat vermindert. Het enige middel dat 
je daarvoor ter beschikking staat, is 
de hulpverleningsmethodiek. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Het is toch niet de bedoeling dat er 
hulp wordt verleend? 

De heer Van der Heijden: Ik spreek 
ook over de hulpverleningsmetho– 
diek. Ik heb geen andere methodiek, 
dan de methodiek die ik mij als 
hulpveriener eigen heb gemaakt. Ik 
kan dat niet doen — ik zou dat ook 
niet willen aanraden — met een 
vragenlijst, waar dan een computer– 
uitslag uitkomt. Dat zou bij de 
mensen nog veel meer weerstanden 
oproepen. Het gaat dus om de 
methodiek die je gebruikt om 
mensen probleeminzicht te doen 
krijgen. Dat wil niet zeggen dat je pur 
sang hulp verleent. Dat is wat 
anders. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Het is dan volstrekt duidelijk dat de 
mensen volledig in verwarring 
kunnen komen, omdat zij kunnen 
veronderstellen dat er hulp verleend 
wordt, gezien de hulpverleningsme– 
thodiek die wordt gehanteerd, terwijl 
er in feite een rapport wordt 
opgesteld. Dat rapport voldoet 
weliswaar niet aan bepaalde criteria 
en er zitten geen normen in. Dat is 

eigenlijk ook wat ongelukkig. Of vindt 
de heer Van der Heijden dat niet 
ongelukkig? 

De heer Van der Heijden Dat is 
een verkeerde voorstelling van zaken. 
Aan het begin van het onderzoek 
wordt goed uitgelegd waarom je 
komt, wat de bedoeling is, wat de 
aanleiding is en welke klacht is geuit. 
Er wordt dus geen verstoppertje 
gespeeld. De manier waarop wordt 
geprobeerd om in kaart te brengen 
wat er feitelijk aan de hand is, 
verloopt volgens methodieken die de 
hulpverlener eigen zijn. Dat wil echter 
niet zeggen dat ik dan hulp verleen. 
Dat wordt ook volstrekt duidelijk 
gemaakt aan de betrokkene. Het 
hanteren van een methodiek 
betekent niet dat je pur sang hulp 
verleent. 

De heer Janssen Het betreft een 
diagnostische fase. Er wordt gebruik 
gemaakt van een aantal hulpverle– 
ningsmethodieken om tot een 
diagnose te komen. Dat wil echter 
niet per definitie zeggen dat je hulp 
verleent. Je stelt een diagnose. Het 
feitelijke veranderingsproces verloopt 
niet via de raad. Dat zou ook niet 
mogen, vanwege de marginale 
opstelling. 

Mevrouw Vcrsnel-Schmitz (D66): 
De cliënt krijgt echter, ondanks het 
feit dat het hem is verteld en 
ondanks het feit dat er bijvoorbeeld 
een folder op tafel ligt, door de 
methode van werken de indruk dat 
het een prettig en vertrouwelijk 
gesprek is, hetgeen "hulpverlenend" 
op hem overkomt. Ondertussen daarom 
sprak ik over een wolf in 
schaapskieren - wordt er echter een 
rapport geschreven op basis van dat 
gesprek. Er worden wellicht allerlei 
mededelingen gedaan, die anders 
niet zouden worden gedaan. Als 
iemand in tranen uitbarst — daar is 
een klacht over binnengekomen — 
omdat hij zich buitengewoon 
ongelukkig voelt met een bepaalde 
situatie, wordt hij als onevenwichtig, 
emotioneel en ongeschikt voor het 
opvoeden van kinderen geacht. Dat 
verzin ik niet, die klacht is naar voren 
gekomen. Dat soort dingen komen 
voor, omdat het in een hulpverle– 
ningsachtige sfeer wordt besproken. 
Het is echter een keiharde zaak, want 
er wordt een rapport opgemaakt. Dat 
rapport komt bij de rechter terecht 
en de rechter volgt dat in 95% van 
de gevallen. 

Er zijn ook nog klachten, als ik die 
en passant naar voren mag bren– 
gen... 

De voorzitter: Ik wil voorstellen dat 
wij ons beperken. Wij spreken nu 
over de richtlijnen die er zijn. Er zijn 

nog een aantal vragen niet beant– 
woord. Daarom wil ik eerst het 
rondje afmaken. Anders komen die 
zaken niet aan de orde. 

De heer Willems Ik wil met name 
spreken over de richtlijnen en de 
criteria die gehanteerd zouden 
moeten worden bij het uitlokken van 
kinderbeschermingsmaatregelen. Ik 
realiseer mij dat de ondertoezicht– 
stelling een vrij breed gebied 
bestrijkt, met nogal wat uiteenlopen– 
de gevallen. Ik kan mij ook voorstel– 
len dat het nlet zo eenvoudig is 
duidelijke criteria op te stellen. Toch 
moeten zij er komen. Mij baart 
zorgen dat zelfs voor de acute 
gevallen geen duidelijke criteria zijn. 
Het is althans niet duidelijk hoe te 
handelen en wanneer te handelen. Ik 
constateer in mijn praktijk bijvoor– 
beeld dat er een duidelijke lijn is 
tussen de vertrouwensarts en de 
Raad voor de kinderbescherming. Ik 
moet helaas ook constateren dat 
alarmerende berichten van de 
vertrouwensarts vrij snel worden 
overgenomen, zonder een behoorlijk 
onderzoek of die berichten juist zijn. 
Ik heb een geval meegemaakt waarin 
men met een zeer alarmerend 
verhaal kwam. Het bleek echterzeer 
eenvoudig duidelijk te maken, dat er 
sprake was van een grandioos 
misverstand. Een waarnemend 
huisarts had verkeerde informatie 
verstrekt. Het was absoluut niet 
nodig om de zeer ingrijpende 
maatregel van voorlopige toevertrou– 
wing uit te lokken. 

De raad heeft op dit gebied een vrij 
vergaande bevoegdheid. De voorlopi– 
ge toevertrouwing wordt pas na vier 
tot zes weken door de rechter 
gecontroleerd. In die periode kan een 
kind uit huis worden geplaatst, 
krachtens de aan de raad gegeven 
bevoegdheid. In het door mij 
genoemde geval liep het gelukkig op 
het allerlaatste nippertje nog goed af. 
Ik constateerde echter dat het 
bureau vertrouwensarts vrij klakke– 
loos werd geloofd. Hoewel er geen 
aanwijzigingen waren voor zeer 
ernstig nadeel, heeft men toch het 
zwaarste geschut in stelling ge– 
bracht. Men heeft de ouders niet 
vooraf geraadpleegd. Erwas 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


toevallig een ziekenhuisopname 
geweest, maar men heeft geen 
navraag gedaan bij het ziekenhuis. 
Men heeft ook andere mogelijke 
onderzoeken niet uitgevoerd. Ik 
constateer dat de raad een heel 
ingrijpende bevoegdheid gebruikt 
zonder een aantal zorgvuldigheidscri– 
teria toe te passen. Op de zitting is 
dit allemaal recht gezet. De rechter 
liet ook wel wat bezorgdheid blijken. 

Mijn conclusie was dat men vrij 
klakkeloos afgaat op hetgeen de 
vertrouwensarts zegt en dat men 
geen eigen onderzoek instelt, terwijl 
men wel de bevoegdheid heeft om 
gedurende zes weken een zeer 
ingrijpende maatregel te nemen. Dan 
rijst bij mij de vraag: als zelfs in dit 
soort gevallen de criteria nogal wat 
gebreken vertonen of er wellicht 
helemaal niet zijn, hoe zit het dan 
met al die andere gevallen die wat 
diffuser zljn, die meer betrekking 
hebben op het grijze middengebied? 
Deze gevallen tonen de noodzaak 
aan van een protocol, dat aangeeft 
wanneer en hoe gehandeld moet 
worden. Het moet duidelijk zijn welke 
"check's" afgewerkt moeten worden, 
voordat kinderen uit huis geplaatst 
worden en wanneer met minder 
ingrijpende maatregelen volstaan kan 
worden. Op dat gebied moet nog 
veel werk worden gedaan. 

De heer Jeurgens Mevrouw de 
voorzitter! Men doet het soms 
voorkomen alsof eerst alle fasen van 
de vrijwillige hulpverlening moeten 
zijn doorlopen, alvorens een maatre– 
gel kan worden genomen. Dit 
versterkt natuurlijk het "straffend" 
karakter van de ondertoezichtstelling. 
Als cliënten dit als straf ervaren, lokt 
dit verzet uit. Zij moeten daartegen in 
opstand komen. Blijkbaar is het 
ethischer, ouders en hun kinderen te 
laten verdrinken of hun eigen graf te 
laten graven, dan hen met enig 
houvast van een hellend vlak te halen 

Ik citeer enkele "knallertjes" van 
een ervaringsdeskundige. Ouders 
niet gemotiveerd, dan heeft de 
maatregel geen zin. Ouders wel 
gemotiveerd, dan is maatregel 
overbodig. Wanneer dan wel een 
maatregel? Als er spectaculair 
gedrag is: weglopen, incest, crisis, 
drugs, criminaliteit. Terug dus naar 
af. Als de problematiek niet specta– 
culair is, is er blijkbaar geen legitima– 
tie om die maatregel te nemen. Dit 
werkt echter alleen taakverzwarend 
en drukverzwarend — ook voor de 
cliënten — en vergroot het verzet. 

De voorzitter Mevrouw Doelman 
heeft een vraag gesteld over het feit 
dat op de zitting de gezinsvoogd al 
aanwezig is. Is dat een standaardpro– 
cedure? Voordat de rechter een 
uitspraak heeft gedaan, zijn er 
blijkbaar al contacten tussen de raad 
en de instellingen voor gezinsvoogdij, 
waarbij men in feite vooruitloopt op 
de beschikking. 

De heer Jeurgens In ons arrondis– 
sement hebben wij de volgende 
praktijk. Wanneer de raad zijn 
onderzoeksrapport bij de kinderrech– 
ter indient, deelt de raad ons door 
middel van dit rapport en een 
begeleidend schrijven mee dat om de 
maatregel verzocht wordt. Wij 
vernemen dan van de kinderrechter 
of deze zaak effectief ter zitting 
komt. Wij worden uitgenodigd om de 
gezinsvoogd voor te stellen. Dan 
worden ouders met of zonder 
minderjarigen opgeroepen. Wij 
streven ernaar dat de kandidaat-ge– 
zinsvoogd ter zitting aanwezig is. 
Wordt de zaak "afgeblazen", dan 
heeft hij die tijd daar gezeten en 
komt hij naar huis. Als het wel een 
OTS wordt, maakt hij kennis en legt 
de eerste contacten om afspraken te 
maken. 

De voorzïtter Ik kan mij voorstellen 
dat dit niet zoveel problemen 
oplevert, als de beslissing niet 
omstreden is. Maar juist in de 
gevallen waarin de beschikking wel 
bestreden wordt door de ouders, zal 
men zich zeer bedreigd voelen door 
het feit dat zowel de raad als de 
gezinsvoogdij als de kinderrechter 
"tegenover" hen staan, zodat de 
betreffende persoon het gevoel heeft 
dat hij zijn recht niet kan halen bij de 
rechter. 

De heer Willems: Dat is een erkend 
zwak punt in de rechtsbescherming 
bij een OTS. Dit wordt nu wel in vrij 
brede kring als probleem ervaren. In 
de vakliteratuur zien wij steeds meer 
rechters stukken schrijven dat de 
dubbelfunctie van de kinderrechter 
bij de OTS in strijd is met het 
Europees Verdrag tot bescherming 
van de rechten van de mens. Je hebt 
recht op toegang tot een onpartijdige 
rechter. Als een rechter van tevoren 
al, op grond van een rapport, 
besloten heeft een OTS uit te 
spreken en de gezinsvoogd al 
aanwezig laat zijn, dan heeft een 
cliënt niet zo veel meer in de melk te 
brokkelen, zeker niet omdat het 

mnaar de vraag is of de cliënt — al 

dan niet voorzien van een advocaat 

— het rapport kent dat eraan ten 
grondslag ligt. En als hij het rapport 
kent, is het de vraag of hij het rapport 
tijdig kent. Als je het rapport tijdig 
hebt, is het nog maar de vraag of je 
alle andere informatie kent, die in de 
informele contacten uitgewisseld 
wordt. Hier ligt een heel groot 
probleem. Ik ben hier in mijn praktijk 
herhaaldelijk tegenaan gelopen Dit is 
een vrij structureel probleem, dat ook 
door de rechterlijke macht als 
zodanig wordt erkend. Dit brengt met 
zich mee, dat eigenlijk pas in appel 
bij het gerechtshof de onafhankelijke 
rechter, het hof, voor het eerst de 
getroffen maatregel beoordeelt. 
Maar dan is er inmiddels weer een 
status quo ontstaan. Als er een 
voorlopige OTS is, kan deze zeer lang 
duren. Als er een OTS is, dan heb je 
drie weken de tijd om in appel te 
gaan. Het duurt dan drie tot vier 
maanden in Amsterdam voordat dit 
wordt behandeld. Daarna moet je zes 
weken op een uitspraak wachten. 
Dan is er een status quo ontstaan 
van een maand of vijf die zichzelf 
rechtvaardigt. Dan is de maatregel 
getroffen en dan zijn er altijd wel 
weer rapporten waaruit blijkt dat de 
maatregel niet slecht heeft uitge– 
werkt. Dus zal deze wel goed zijn. 
Hier ligt een heel essentieel pro– 
bleem. 
De voorzitter: Wij komen vanmid– 
dag terug op de procedures. Ik wil 
nog een feitelijke vraag stellen. Is er 
een richtlijn dat de gezinsvoogd dan 
al op de zitting aanwezig dient te 
zijn? Of is dit gewoon een praktische 
afspraak? 

De heer Jeurgens Voor zover mij 
bekend, mevrouw de voorzitter, 
betreft het een praktische afspraak. 
Ik ken tenminste de richtlijn niet. Of 
je zou deze moeten aftappen uit de 
tekst: op het moment dat de 
gezinsvoogd benoemd wordt, moet 
hij contact houden met... Maar dit is 
een zwak derivaat. 

De heer Van Gent: In het begin van 
de zeventiger jaren is er in de sfeer 
van Pro juventute een uitgebreid 
onderzoek geweest naar de aan– 
sluiting van het raadsonderzoek op 
het begin van de OTS. Daar werd 
juist het probleem geconstateerd dat 
het raadsonderzoek eindigde en dat 
eerst drie, vier maanden later de 
gezinsvoogdij een aanvang nam. De 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


ouders zaten in feite met een advies 
van de raad dat er een OTS kwam. In 
wezen wilden zij dat ook. Wij moeten 
niet vergeten dat het gros van de 
ouders de maatregel ook accepteert. 
Pas veel later begon dan de echte 
hulpverlening pas. Naar aanleiding 
hiervan zijn er in het begin van de 
zeventiger jaren werkafspraken 
ontwikkeld tussen de kinderrechter, 
de gezinsvoogdij en de Raad voor de 
kinderbescherming om de termijn 
wat terug te dringen door: a) de zaak 
bij de kinderrechter wat tijdiger op de 
zitting te krijgen en b) door over– 
drachtsafspraken te maken tussen de 
Raad voor de kinderbescherming en de 
gezinsvoogdij voorafgaande aan de 
zitting. Er vinden gesprekken plaats 
tussen een maatschappelijk werker 
van de raad en een van de instelling 
om de zaak over te dragen. 

De heer Leerüng (RPF): Kunt u zich 
dan niet voorstellen dat ouders het 
gevoel hebben dat zij geen eerlijke 
procesgang hebben? 

De heer Van Gent: Dit geldt niet 
voor ouders van wie duidelijk is dat 
zij het niet eens zijn met de OTS. Dan 
vinden die activiteiten niet plaats. 
Men wacht dan af tot de zitting. Als 
de ouders echter zelf aangegeven 
dat zij die hulp in het kader van de 
ondertoezichtstelling accepteren of 
zelfs wensen - en dat is bij het gros 
van de ouders het geval — zorg je 
dat de zaak op een en ander aansluit. 
Het is dan ook heel belangrijk dat de 
maatschappelijk werker van de raad 
de maatschappelijk werker van de 
instelling introduceert. In het 
tripartite overleg dient hij tegenover 
de ouders duidelijk aan te geven dat 
de nieuwe maatschappelijk werker 
alles weet wat zij aan hem hebben 
verteld en dat zij daarop kunnen 
aansluiten. 

De voorzitter: Zijn die werkafspra– 
ken openbaar? Staan deze op schrift 
of leven zij alleen in de hoofden van 
de mensen? 

De heer Van Gent: Hieromtrent zijn 
centrale werkafspraken gemaakt. In 
ieder arrondissement is daarop 
verschillend gereageerd. De werk– 
wijze en de gang van zaken worden 
de cliënt uiteraard heel duidelijk 
uitgelegd. 

Mevrouw Doelman-Pel (CDA): 
Welke minister moet de richtlijnen 
geven voor een zorgvuldige hulpver– 

lening? De minister van WVC of de 
minister van Justitie? Ik denk hierbij 
onder andere aan de hulpverlening 
voor kinderen die weglopen. 

Ik kom ook even te spreken over de 
minderheden. De heer Van Gent zegt 
zelf dat het eigen normen– en 
waardenpatroon een rol speelt. Hij 
zegt voorts dat je dat probeert te 
abstraheren en dat je te maken krijgt 
met nieuwe culturen en met andere 
opvattingen. Er is bijvoorbeeld met 
Marokkaanse vaders gepraat die er 
niets meer van begrijpen. In dat geval 
moet je je, volgens de heer Van 
Gent, heel veel dingen eigen gaan 
maken en je moet nieuwe criteria 
stellen. 

Hoe gebeurt dat? Van welke 
mensen en van welke specialiteiten 
kan gebruik worden gemaakt opdat 
daar goed mee kan worden omge– 
gaan? 

Kan men bij weigering van 
vrijwillige hulpverlening een OTS 
opleggen? 

De heer Van Gent: Mevrouw 
Doelman stelt nu wel heel veel 
vragen tegelijk. 

Wat is het criterium. Als de ouders 
zeggen dat zij geen hulpverlening 
willen en die hulpverlening is toch 
noodzakelijk om het kind te weerhou– 
den van een scheve uitgroei, dan 
moet je overstappen op gedwongen 
hulpverlening. Dat moet de raad 
onderzoeken. Als de ouders zeggen 
dat zij vrijwillig hulp willen ontvan– 
gen, gaat de hulp gewoon door. Als 
de ouders echter zeggen dat zij die 
hulp niet meer willen terwijl de 
vrijwillige hulpverlening zegt dat het 
onbreken van hulpverlening ernstige 
tekortkomingen bij het kind veroor– 
zaakt en men kaart de zaak bij de 
raad aan, dan moeten wij onderzoe– 
ken of de zaak niet alleen vanuit de 
hulpverleningssfeer maar ook vanuit 
de maatschappelijk juridische 
toetsing rijp is voor een kinderbe– 
schermingsmaatregel. 

De problematiek inzake de 
allochtonen is heel specifiek. Wij 
stuiten hierbij al jaren op problemen. 
De maatschappelijk werkers bij de 
raden hebben hiervoor al jaren 
uitvoerige cursussen gevolgd. Meer 
kun je niet doen. Je kunt leren dat je, 
voordat je met een Marokkaanse 
vader praat, eerst een uur naast hem 
moet gaan zitten om over koetjes en 
kalfjes te praten. Als je over de incest 
moet praten die hij gepleegd heeft 
met zijn dochter, moet je tegen die 
vader niet zeggen dat hij incest heeft 

gepleegd. Tegen die vader moet je 
zeggen "ik ken een man die..., etc." 

Dan red je zijn eer en je kunt er toch 
over praten. Dat soort dingen weet ik 
zelfs al. En de maatschappelijk 
werkers weten dat nog veel beter 
dan ik. 

De voorzitter: Moeten WVC en 
Justitie gezamenlijk richtlijnen 
ontwikkelen voor de omgang met 
weglopers? 

De heer Van Gent: Dat lijkt mij een 
goede zaak. De Vereniging van 
secretarissen van de raden voor de 
kinderbescherming heeft daar al in 
januari over gesproken. Toen was er 
opnieuw een regeling opgesteld. Drie 
jaar geleden hadden wij met 
hetzelfde te maken. Wij hebben 
gesteld dat men eens met elkaar 
moet gaan praten en dat men een en 
ander behoorlijk op elkaar moet 
afstemmen. Op deze manier wordt er 
langs twee lijnen gewerkt en - ik ga 
ervan uit dat u de krant leest — wij 
hangen. 

De voorzitter: Heeft de heer Van 
der Heijden nog aanvullende 
opmerkingen inzake de minderhe– 
den? 

De heer Van der Heijden: Er zijn 
cursussen gevolgd, maar dat zegt 
niet alles. Daarover ben ik het met de 
heer Van Gent eens. 

Wij zijn al een aantal jaren met 
deze problematiek bezig. Het lijkt mij 
toch dat wij best het een en ander 
hebben geleerd. Zo werkt het 
natuurlijk ook. Je gaat er anders mee 
om. Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan 
de ondertoezichtstelling. De allochto– 
ne ouders hebben echter vaak een 
heel ander verwachtingspatroon van 
rechters en autoriteiten en daaraan 
wordt niet beantwoord. Dat blijft 
botsen. Het is ook een maatschappe– 
lijk probleem. Dat is een prachtige 
constatering, maar het antwoord 
daarop heb ik niet. Wij constateren 
een enorme stijging van criminaliteit, 
vooral van groepscriminaliteit onder 
Marokkaanse jongeren, maar wat wij 
daaraan moeten doen en hoe, kan ik 
ook niet vertellen. Wij werken er 
samen aan om er beter op in te 
spelen dan een aantal jaren geleden, 
rekening houdend met de moeilijke 
punten, zoals eer en geloof. Er is een 
maatschappelijke ontwikkeling bij de 
jongeren van 1 5 tot 18 jaar naar een 
criminele hoek. Wij hebben daar 
geen pasklaar antwoord op. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


De heer Vlaardingerbroek: Ik wil 
hieraan toevoegen dat de allochto– 
nen als bevolkingsgroep binnen het 
personeelsbestand van de raden 
nauwelijks zijn vertegenwoordigd. De 
oorzaak daarvan is niet dat de raden 
discrimineren bij de aanname, maar 
vooral dat het heel moeilijk is om 
capabele maatschappelijk werkers te 
vinden binnen die bevolkingsgroep. 
Het is natuurlijk een vrij specifieke 
beroepsgroep. 

De maatschappelijk werkers van 
Turkse of Marokkaanse origine 
krijgen bovendien heel moeilijk 
ingang bij de problemen van deze 
bevolkingsgroep, omdat de houding 
vaak is dat de eigen bevolkingsgroep 
het niet mag weten, want dan is de 
eer geschonden. 

Dan heb ik een vraag aan de heer 
Van Gent. Hij zei in zijn inleiding dat 
bij de maatschappelijk werkers de 
potentie aanwezig is voor deskundig– 
heidsbevordering. Bij verschillende 
raden zijn experimenten geweest met 
tegelijkertijd een ouder– en kindge– 
richte benadering: de oudergerichte 
benadering vanuit de maatschappe– 
lijk werker en de kindgerichte 
benadering vanuit de hulpverlener bij 
de raad die een HBO-Jeugdopleiding 
achter de rug heeft. Ik heb vernomen 
dat die experimenten stopgezet 
moesten worden, hoewel de 
bevindingen daarmee zeer positief 
waren, omdat het ministerie van 
Justitie ze niet verder wilde subsidië– 
ren, althans geen twee hulpverleners 
voor één gezin. Ik vraag mij af in 
hoeverre de raden willen bepleiten 
om voor dit soort experimenten meer 
geld beschikbaar te krijgen. Dat heeft 
natuurlijk alles te maken met 
deskundigheidsbevordering. 

De heer Van Gent: Dan hebben wij 
het over welke deskundigheden er 
nodig zijn binnen de raden. Geduren– 
de een aantal jaren was het mogelijk 
om naast de HBO-MW-opleiding ook 
een pedagogisch medewerkster met 
een HBO-J-opleiding in huis te 
hebben. Zij werd vooral in huis 
gehaald om proef-omgangsregelin– 
gen te begeleiden en dergelijke. Al 
doende bleek dat die opleiding ook 
bijzonder geschikt was voor gevallen, 
waarin met kinderen moest worden 
gesproken. Bij de HBO-MW-oplei– 
ding ontbreekt het kindgerichte. Er 
waren ook zaken die iemand met een 
HBO-J-opleiding volledig kon 
afwikkelen, omdat de problematiek 
alleen kindgericht was. 

Daarover is een discussie geweest 

binnen de raden en daaruit kwam de 
opvatting voort, dat een maatschap– 
pelijk werker bij de raden zowel een 
HBO-MW– als een HBO-J-opleiding 
kon hebben. Daardoorwerd afgewe– 
ken van het standpunt dat er een 
specifiek pedagogische medewerk– 
ster in huis kon zijn voor dat soort 
activiteiten. Dat was het knelpunt, 
want dat werd niet meer formatief 
betaald. Door de raden die er wat 
intensiever gebruik van maakten is 
daartegen protest aangetekend. Ik 
wil de heer Vlaardingerbroek 
tegenspreken, omdat er door het 
departement wat meer ruimte is 
geschapen om die zaken in het kader 
van de formatieve berekeningswijze 
als zwaar te beschouwen, zodat er 
extra twee maatschappelijk werkers 
mogen worden ingezet. Op zichzelf is 
dat een ongunstige ontwikkeling 
geweest. Ik ben er een voorstander 
van om in elk geval de werkers 
binnen de raden een duidelijk 
kindgerichte opleiding te geven. Wij 
starten nu met een experimentcursus 
voor maatschappelijk werkers 
waarmee wordt getracht om het 
kindgerichte kijken en het goed 
omgaan met kinderen als kwaliteit 
toe te voegen. 

De voorzitter: In het begin heeft u 
gezegd dat er in het kader van het 
onderzoek van de raad nog een 
schifting plaatsvindt. Wanneer blijkt 
dat voor gevallen vrijwillige hulpver– 
lening mogelijk is, worden zij 
daarnaar terugverwezen. Wij hebben 
gehoord dat in sommige gevallen— 
het is misschien geen standaardge– 
bruik - aan mensen wordt gevraagd 
om een verklaring te ondertekenen 
waarin wordt gesteld dat zij bij 
andere instanties, zoals de RIAGG, 
niet om hulp zullen vragen. Ik zie dat 
u mij aankijkt alsof u het in Keulen 
hoort donderen. 

De heer Van Gent: Dat klopt; ik heb 
er nog nooit van gehoord, werkelijk 
niet. 

De voorzitter Wij wel. Heeft 
iemand er ooit van gehoord? 

De heer Janssen: Ook wij hebben 
daar nog nooit iets over gehoord en 
als er wèl sprake zou zijn van zo'n 
verklaring dan zou ik dat beslist 
verwerpen. 

De vergadering wordt van 12.20 uur 
tot 13.00 uur geschorst. 

Thema 3: De rechtspositie van 
degene die in een juridische 
procedure tegenspraak wil 
voeren (waaronder de mogelijk– 
heid van tegenexpertise en de 
relatie burger - Raad voor de 
kinderbescherming - rechter in 
eerste aanleg en in hoger 
beroep). 

De heer Willems: Mevrouw de 

voorzitter! Ik spits mijn inleiding toe 

op de vraag in hoeverre er sprake is 

van een eerlijk proces, een fair trial, 

of je als persoon die tegenspraak 

voert over dezelfde mogelijkheden 

beschikt als anderen om de rechter 

voor te lichten, te beïnvloeden, dus 

het beginsel van equality of arms. Ik 

denk hierbij aan de bekende criteria 

uit het Verdrag van Rome. 

Ik moet zeggen dat ik nogal wat 
verschillen zie tussen de echtschei– 
dingsperikelen, om het zo gemaks– 
halve te noemen, en de kinderbe– 
schermingsmaatregelen. Een en 
ander moet mijns inziens toch een 
beetje worden uitgesplitst. Als ik het 
over echtscheiding heb, bedoel ik 
natuurlijk ook de ongehuwde 
partners die in problemen kunnen 
komen wat betreft het gezag over de 
kinderen. Zij kunnen die dan voorleg– 
gen aan de rechter. Zoals aangege– 
ven, vat ik dit dus even samen onder 
de echtscheidingsproblematiek. 

Bij dergelijke zaken is er om te 
beginnen geen informatie-achter– 
stand. Er is een probleem tussen 
twee ouders, die vanaf het begin 
weten wat er aan de hand is. Er is 
een procedure op tegenspraak 
tussen twee ouders voor een rechter. 
De betrokkenen hebben meestal een 
advocaat. De rechter staat boven de 
partijen. Op het moment dat de Raad 
voor de kinderbescherming ten 
tonele verschijnt, verandert er naar 
mijn gevoel wel iets. Er komt dan 
namelijktoch een gezaghebbende 
instantie, waarvan de rapporten een 
vrij zwaar effect hebben. Op dat punt 
heb ik wel wat kritiek. Er zijn 
weliswaar uitstekende rapporten en 
uitstekende maatschappelijk werkers 
bij de raad, maar er is ter zake nogal 
eens kritiek denkbaar. Die zal de 
advocaat in eerste instantie ook 
moeten kunnen ventileren. 

Zo is het wel eens storend dat de 
vertegenwoordiger van de raad op de 
zitting en de rechter vaak een 
tandem vormen. Het is namelijk niet 
zo eenvoudig om een advies van de 
raad weg te krijgen; de rechter heeft 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


daar wat moeite mee. Dan speelt de 
kwestie van de kwaliteit van het 
rapport. In hoeverre kun je een aantal 
zwakke punten daarvan, de motive– 
ring en de opbouw van het rapport 
aan de orde stellen? Nogmaals, op 
dat punt is wel eens kritiek denkbaar. 

Ik heb vanmorgen al gezegd dat ik 
de rapporteur, althans de persoon 
die de betrokkene thuis heeft 
gesproken, graag nadere vragen zou 
willen stellen. Vermenging van feiten 
en waardeoordelen tref je toch nog 
wel eens aan. Zo wordt exact 
dezelfde feitelijke omstandigheid in 
het ene geval ten gunste en in het 
andere geval ten nadele van betrok– 
kene uitgelegd. Ik geef een voor– 
beeld. Beide ruziënde ouders hebben 
een nieuwe partner die werkloos is. 
Van de ene wordt gezegd: sombere 
toestand, heeft almaar geen werk en 
het lukt ook niet. Van de ander wordt 
gezegd: hij heeft geen werk, maar hij 
vindt wel wat en hij is vol goede 
moed. Je zou dan wel eens willen 
vragen: waarom zegt u dat in het ene 
geval wel en waarom niet in het 
andere geval? In dergelijke gevallen 
kun je er een vinger tussen krijgen. Er 
zijn echter vaak onuitgesproken 
opvattingen die met feiten vermengd 
worden. Die wil je wel eens boven 
water halen. Dus niet alles staat in 
het rapport. 

Dit is een groter probleem bij de 
kinderbeschermingsmaatregelen. Als 
het om rechtsbescherming en een 
eerlijk proces gaat, zijn er in dat 
verband grotere problemen aan de 
orde. Wij hebben het er al over 
gehad dat klnderbeschermingsmaat– 
regelen zeer ingrijpend zijn voor 
ouders. Een voorlopige ondertoe– 
zichtstelling kan heel lang duren; 
daartegen bestaat geen rechtsmid– 
del. Ook is het niet altijd duidelijk 
volgens welke criteria de ondertoe– 
zichtstelling wordt uitgesproken. 
Vaak gebeurt dit overigens met 
instemming van de ouders; dan is er 
geen probleem. Maar zodra een 
ondertoezichtstelling een uithuis– 
plaatsing impliceert, is het de vraag 
of de ouders dat ook willen. Ik 
herhaal dat dit een zeer ingrijpende 
maatregel is. 

Ik moet zeggen dat er twijfel over 
bestaat of er op dat moment bij de 
kinderrechter als leider van de 
ondertoezichtstelling voldoende 
rechtsbescherming is. De kinderrech– 
ter heeft de ondertoezichtstelling of 
de plaatsing bevolen en moet dan de 
ouders vragen wat zij ervan vinden. 
Het is maar de vraag of de kinder– 

rechter zich dan nog laat beïnvloe– 

den. Als een ondertoezichtstelling 

tegen de wens van de ouders wordt 

uitgesproken, is de aspirant-gezins– 

voogd of –voogdes vaak al aanwezig. 

De informatievoorsprong van de 

kinderrechter en de raad speelt de 

betrokkenen dan heel erg parten. 

Wie is de tegenpartij van de ouders 
op de zitting waar over de ondertoe– 
zichtstelling of de plaatsing gespro– 
ken wordt? De raad heeft een rapport 
gemaakt, maar adviseert en is dus 
niet echt partij. In feite is de tegen– 
partij de kinderrechter, die een 
bepaald beleid heeft uitgezet. Je ziet 
dan vaak een debat tussen de ouders 
of pleegouders en de kinderrechter 
over een maatregel. 

Het wordt vrij algemeen erkend dat 
de dubbelfunctie, de twee petten, 
van de kinderrechter vooral in 
gevallen van ondertoezichtstelling 
problematisch en niet in overeen– 
stemming met het verdrag is. Er 
verschijnen hierover artikelen van 
rechters en ook mevrouw Wortmann, 
werkzaam op het ministerie van 
Justitie, heeft er onlangs in het 
Tijdschrift voor familie– en jeugdrecht 
iets over geschreven. Zij schrijft dat 
de mogelijkheid van appel er is. Als 
je bij het hof in beroep gaat, is er 
voor het eerst een onafhankelijke 
rechter die bekijkt of het allemaal in 
orde is. Dan is er echter al een status 
quo van enkele maanden en heeft de 
maatregel zichzelf vaak gerechtvaar– 
digd. Dit is naar mijn mening niet 
juist. 

Het hof moet het hoger beroep 
tegen de ondertoezichtstelling of 
plaatsing zoals in de wet staat, met 
de meeste spoed, behandelen. Ik 
heb vanmorgen al gezegd dat dat 
eigenlijk pas na vier maanden, na vijf 
maanden en bij verlenging wellicht 
na nog langere tijd gebeurt. Het is 
een vrijblijvende frase in de wet, die 
geen garantie biedt voor een spoedige 
behandeling van een dergelijk appel. 
Ik zet dit even af tegen de 
rechtsbescherming die verdachten in 
strafprocessen hebben. Het Europe– 
se hof in Straatsburg eist dat de 
onafhankelijke rechter al na een paar 
dagen een inverzekeringstelling 
toetst. Dit staat in schril contrast met 
kinderbeschermingszaken, waaraan 
de onafhankelijke rechter, het hof, 
pas na vele maanden te pas komt. Ik 
vind dat dit niet in verhouding tot 
elkaar staat. 

Een heel eenvoudige remedie is 
dat het hof inderdaad met de meeste 
spoed op een appel beslist. Het 

apparaat is er, de gerechtshoven zijn 
er en zij zullen ongetwijfeld een 
werkachterstand hebben, maar dit 
mag geen argument zijn. De 
betrokkenen hebben recht op een 
rechterlijke beslissing op korte 
termijn, zoals de wet ook voorschrijft. 
Nu volgens het hof in Straatsburg de 
toetsing van een maatregel voor 
vrijheidsbeneming door de rechter na 
vijf of zes dagen niet tijdig geschiedt, 
kan ik mij niet voorstellen dat het een 
termijn van vijf of zes maanden in 
kinderbeschermingszaken wel 
redelijk vindt. Nogmaals, hierbij ga ik 
ervan uit dat de beslissing van de 
kinderrechter op het eerste niveau 
onvoldoende rechtsbescherming 
biedt voor ouders of pleegouders die 
met een ingrijpende kinderbescher– 
mingsmaatregel worden geconfron– 
teerd. Naar mijn mening moet er iets 
in de wetgeving veranderen, 
waardoor het begrip "met de meeste 
spoed" wordt uitgewerkt en inder– 
daad aan een termijn wordt gebon– 
den. Anders moet er meer druk op de 
hoven worden uitgeoefend om het 
begrip uit te leggen en te hanteren 
zoals het er staat. Dit lijkt mij een 
remedie die op dit gebied dringend 
nodig is. 

Ik heb al iets gezegd over de 
informatievoorsprong bij de professi– 
onals op het gebied van de kinderbe– 
scherming. Het dossier is voor de 
advocaat de eerste mogelijkheid om 
zich een goed beeld te vormen van 
wat er aan de hand is. De vraag is nu 
hoe compleet het dossier is. In 
kinderbeschermingszaken word ik de 
ene keer geconfronteerd met een 
dossier dat er rommelig uitziet, maar 
waarbij tenminste de kladjes en 
telefoonnotities zitten waarmee ik 
beslissingsmomenten kan achterha– 
len, en de andere keer met een 
keurig dossier waar te weinig inzit. 
Natuurlijk is er veel gebeld en 
gesproken. Er is soms een lacune. Ik 
mis soms iets. Ik zag laatst een 
dossier, waarin een periode van drie 
maanden wordt afgedaan met de 
regel: het waren roerige maanden. 
De verslaglegging van voor en na die 
tijd was redelijk minutieus. Die 
periode van drie maanden wordt 
echter afgedaan met: het waren 
roerige maanden. Van mijn cliënten 
hoor ik wat er gebeurd is. Dat is vrij 
relevante informatie, die de instelling 
ook niet aan de kinderrechter geeft. 
Dat gebeurt misschien telefonisch. Er 
is dan geen informatie aanwezig die 
volgens mij toch belangrijk is. 

Ik doe ook wel zaken op het gebied 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


van het administratief recht. Als ik bij 
de Raad van State procedeer in 
AROB-zaken, dan zijn er kladjes en 
telefoonnotities. De Raad van State 
bekijkt met vergrootglazen met name 
de kladjes en de telefoonnotities. 
Daar is op een beetje ongepolijste 
manier de besluitvorming terug te 
vinden Ik heb een keer meegemaakt 
dat de Raad van State wilde weten 
wat de regel inhield die met witte lak 
was weggewerkt. Ik wist dat het 
regeltje een jaar eerder niet was 
weggelakt. Die regel werd tegen het 
licht gehouden en de vertegenwoor– 
diger van het ministerie moest 
zeggen wat er stond. Dan is er 
sprake van zorgvuldig onderzoek. De 
administratieve rechterwil precies 
weten wat er gebeurd is. Ik meen dat 
er iets anders aan de hand is in 
kinderbeschermingszaken. Wij 

hebben niet alle informatie. Het 
dossier is, naar mijn gevoel, niet altijd 
compleet. Er zijn soms te zeer 
gepolijste rapporten. 

Het is daarom goed dat er 
rapporteurs aanwezig zijn. Ik maak 
een uitstapje naar het strafrecht. Als 
de verbalisant van een proces-ver– 
baal in een strafzaak wordt gehoord, 
komt er vaak meer informatie naar 
boven dan uit het proces-verbaal 
blijkt. Dat kan ook het geval zijn in 
zaken waarin kinderbeschermings– 
dossiers worden aangelegd. Het 
probleem ligt ook vaak bij de 
kinderrechter, dle vaak meer weet 
dan uit het dossier blijkt. Het is voor 
een advocaat bijzonder moeilijk om 
een kinderrechter te beïnvloeden die 
al een bepaalde mening heeft, die 
informatie heeft die hij niet kent. Je 
moet dan maar afwachten wat eruit 
komt rollen. Pas bij het hof is er een 
rechter die niet meer weet dan je zelf 
weet. Dan moet er ook wel eens 
geruzied worden. De informatie 
wordt niet altijd zonder meer 
afgegeven bij de hogere verdieping 
van het hof. Daar is echter een 
rechter die dezelfde informatie heeft 
als betrokkenen. Dan praat je 
inderdaad tegen een onafhankelijke 
rechter die met een onbevangen blik 
naar de zaak kijkt. 

Het is in dit verband tevens een 
grote handicap dat advocaten 
volgens de wet slechts inzage 
kunnen krijgen in kinderbescher– 
mingsdossiers. Er staat in de wet 
slechts "inzage". Er wordt niet 
gesproken over afschriften. Als ik mij 
bij de griffie bureau kinderrechter 
meld, krijg ik de instructie: denk 
eraan, mijnheer Willems, inzage en 

geen afschriften! Je kunt natuurlijk 
een zo dik dossier overschrijven, 
maar wij weten allen dat het niet 
reëel is. Je moet een dossier inzien. 
Je leest informatie waarvan je op dat 
moment niet zeker weet of die 
relevant is. Een week of twee weken 
later, na een gesprek met de cliënt, 
denk je: daarover stond iets in het 
dossier, maar wat was het? Je kunt 
dan het dossier weer opvragen, maar 
dat is allemaal heel onpraktisch. Ik 
vind dat de advocaat van de ouders, 
de pieegouders en betrokkenen een 
grote handicap hebben door niet te 
beschikken over afschriften van het 
dossier waarover de kinderrechter, 
de professionals op dat gebied en 
ook de raad beschikken. De raad zal 
overigens niet altijd over het dossier 
beschikken, maar toch wel over de 
relevante rapporten. 

Een afschrift van het dossler stelt 
betrokkenen ook in de gelegenheid, 
eigen deskundigen in te schakelen 
om eventueel een ander licht op de 
zaak te laten schijnen. Als je met 
contra-expertise komt en je moet je 
eigen verhaal doen, dan wordt al 
gauw gezegd dat de betrokken arts 
of de betrokken deskundige de zaak 
niet kent en alleen maar eenzijdige 
informatie heeft ontvangen. Een 
compleet dossier kan ook de andere 
deskundigen in de gelegenheid 
stellen om zich een oordeel over de 
zaak te vormen. Dat is soms nodig. Ik 
realiseer mij nu dat contra-expertise 
vaak averechts werkt: daar heb je 
een querulant die zo nodig iemand 
anders ernaar moet laten kijken. Naar 
mijn mening is het nodig dat erkend 
wordt, dat naast de vaste adviseurs 
die de kinderrechter inschakelt, nog 
andere, niet nauw met het circuit 
verbonden, deskundigen hun oordeel 
over de zaak kunnen geven. Wij 
praten over een rechtsgebied met vrij 
open normen. Er zijn verschillende 
waarde-oordelen. Je kunt in een 
bepaalde zaak nu eenmaal een paar 
kanten op. Juist dan is het nodig dat 
anderen hun licht over de zaak laten 
schijnen. Nogmaals, de professionals 
geven een oplossing, maar zij werken 
met een bepaalde routine en hebben 
als het ware een enigszins verkoker– 
de blik op het geheel. lemand die 
enigszins buitenstaander is zou dan 
ook zijn visie op het geheel kunnen 
geven. Naar mijn mening is dat nodig 
en vruchtbaar. Het is vooral goed, 
dat de vaste combinatie van kinder– 
rechter, raad en vaste adviseurs af en 
toe geconfronteerd wordt met 

andere deskundigen. Een andere blik 
kan verhelderend werken. 

Voorzitter! Ten slotte wil ik, 
geïnspireerd door de woorden van de 
heer Jeurgens, nog een ander punt 
naar voren brengen. Enige kritiek op 
de advocatuur is misschien niet 
geheel misplaatst. Er zijn weinig 
advocaten die in kinderbescher– 
mingszaken willen duiken. Het is een 
moeilijke en tijdrovende materie. 
Behandeling van die zaken vereist 
naast juridische kwaliteiten ook 
andere vaardigheden. Wat advocaten 
ongetwijfeld niet zal stimuleren, is 
het feit dat de vergoedingen in 
pro-deo-zaken — het is vaak 
pro-deo-werk — erbarmelijk laag zijn. 
Het zijn de allerlaagste vergoedingen 
die Justltie heeft gereserveerd voor 
de advocatuur. Als het een beetje 
tegen zit, zijn de vergoedingen in 
bewerkelijke zaken onvoorstelbaar 
laag. Dit komt de rechtsbescherming 
niet ten goede. Dit type zaken is zeer 
arbeidsintensief en de daarvoor te 
geven vergoedingen zullen daarmee 
enigszins in verhouding moeten 
staan. 

De voorzitter: Wil iemand van de 
aanwezigen hierop nog reageren? 

De heer Van Gent: Ik wil kort nog 
een paar opmerkingen ter verduidelij– 
king maken. Er wordt gesteld, dat op 
de zitting van de kinderrechter de 
raad adviseert. Dat is natuurlijk niet 
waar. De raad is duidelijk partij. De 
raad heeft een verzoekschrift 
ingediend bij de kinderrechter om 
een kinderbeschermingsmaatregel 
uit te lokken. Dus de raad is partij. En 
partij voor wie? Voor het kind. De 
heer Willems sprak voortdurend over 
de verhouding van de ouders met de 
rechters. Dat kind is er echter ook 
nog en dat verdient ook de noodza– 
kelijke rechtsbescherming. Daar is de 
raad voor. 

De heer Dijkstal (VVD): Voorzitter! 
Vanmorgen had ik nog een vraag aan 
de heer Jeurgens willen stellen. Nu 
dat niet is gebeurd, wil ik mijn 
interventie thans anders inrichten. Ik 
maak misbruik van wat hij heeft 
gezegd, poneer een stelling en kom 
vervolgens tot een aantal vragen. 

De heer Jeurgens zei vanochtend 
dat de mensen in zijn sector met 
grote inzet en intentie hun werk 
doen. Hij zei ook, dat het aantal 
klachten meevalt; het hadden er veel 
meer moeten zijn. Daarna ontwikkel– 
de zich de discussie. Over deze 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


aspecten gaat de discussie in wezen 
echter niet. De discussie gaat over 
het groot aantal subjectieve elemen– 
ten dat dit terrein bevat. Ik denk nu 
niet alleen aan de maatschappelijk 
werker die een rapport maakt, maar 
ook aan allerlei andere subjectieve 
elementen waarover in dit huis wordt 
gesproken. Daarbij gaat het vooral 
om normen en waarden. Naar haar 
aard is het dus een zeer emotioneel 
terrein. Alle partijen die bij een zaak 
betrokken zijn, zijn er in ieder geval 
emotioneel bij betrokken. Degenen 
die de zaak moeten behandelen, 
worden er misschien ook een beetje 
emotioneel van. Kan dat niet de 
reden zijn, dat je de oplossing zou 
moeten zoeken aan de procedurele 
kant: in protocollen, in vormvoor– 
schriften en in nadere regelgeving? 
Uiteindelijk kom ik dan op de vraag 

- die betreft de inbreng van de heer 
Willems - of partijen in dit proces 
inderdaad gelijkwaardig ten opzichte 
van elkaar staan. Ook in onze vorige 
gesprekken is op dit punt een aantal 
suggesties gedaan, die ik thans naar 
voren wil brengen. 
Het lijkt mij nuttig dat de advocaat 
pleit voor een fair trial and equality of 
arms. Dat ligt ook voor de hand. Stel 
eens voor dat hij dit niet gedaan zou 
hebben. Met nadruk wil ik aan de 
anderen, de zo betrokkenen in dit 
veld, de vraag voorleggen of zij het 
eens zijn met de uitgangspunten 
waarvoor nu gekozen is, namelijk dat 
gelijkwaardigheid van partijen 
nagestreefd moet worden in de 
procesgang. In feite moet dat ook al 
in het voortraject bij de raden, maar 
wij hebben het er nu over dat de zaak 
eenmaal bij de kinderrechter is. 
Tegen die achtergrond heb ik een 
aantal vragen aan de heer Willems. 

Het is ons gebleken - kunt u dat 
bevestigen? — dat in eerste aanleg 
de beslissing van de kinderrechter 
niet of nauwelijks wordt gemotiveerd. 
Er is een formuliertje waarop de 
beschikking staat. Ér wordt nog 
verwezen naar het dossier en de 
wetsbepalingen, maar verder staat er 
geen motivering bij waarom de 
rechter tot die beslissing is gekomen, 
laat staan dat erin staat wat de 
ouder, die aan de andere kant stond, 
ervan vond. Verder is gezegd dat de 
partijen niet duidelijk of helemaal niet 
worden gewezen op de mogelijkheid 
om beroep aan te tekenen. Is dat ook 
uw ervaring? Vindt u dat die beschik– 
king in eerste instantie gemotiveerd 
dient te worden? 

De heer Willems Ik maak uitslui– 
tend mee dat er standaardformulie– 
ren worden gebruikt waarop de 
beslissing staat. Die zitten vaak van 
tevoren al kant en klaar in het 
dossier. Ze worden ook wel eens 
achteraf gemaakt, voorzien van een 
handtekening. Het zijn nietszeggende 
beslissingen, terwijl het toch om vrij 
ingrijpende zaken gaat. Het hangt 
van de kinderrechter af, als deze 
constateert dat iemand het niet eens 
is met de maatregel, of er wordt 
gewezen op een appelmogelijkheid. 
Naar mijn gevoel zou de beslissing 
zelf van een motivering voorzien 
moeten zijn en moeten vermelden 
dat er een appelmogelijkheid bestaat 
bij het hof. Er wordt nlet systema– 
tisch gewezen op die mogelijkheid. 

De voorzitter: Dat is duidelijk. Ik zou 
zelf aan de mensen van de raden 
willen vragen wat het betekent dat 
het rapport dat u uitbrengt aan de 
kinderrechter in feite de motivering 
vormt voor de beslissing die de 
rechter neemt. Dat legt ook een druk 
op uw activiteiten, neem ik aan. 

De heer Oosting: Die conclusie zou 
ik aan anderen willen overlaten. Niet 
ter correctie, maar puur ter aanvul– 
ling van hetgeen de heer Willems 
heeft gezegd: in het algemeen blijven 
beslissingen ongemotiveerd en 
verwijzen ze naar het rapport. Er zijn 
echter rechtbanken waar wel degelijk 
een inhoudelijk substantiële motive– 
ring wordt gegeven. Dat is dus 
ongelijk. Mijn indruk is — maar het is 
niet meer dan een indruk — dat het 
in meerderheid niet zo is. 

De heer Dijkstal (VVD): Een tweede 
vraag ligt een beetje in het verlengde 
daarvan. Ons is meegedeeld dat de 
rechter het raadsrapport als enige 
feitenbasis neemt. Begrijp ik goed 
dat u impliciet pleit voor de mogelijk– 
heid — dat noemen wij dan een 
pleitnota of iets dergelijks — om het 
verhaal van de andere kant ook 
daarin op te nemen, alsook feiten en 
veronderstellingen of waardebepalin– 
gen? Ik begrijp dat u naast dat 
feitenmateriaal van het dossier ook 
dat andere materiaal als bewijsmate– 
riaal aangemerkt wilt zien 

De heer Willems Als de kinderrech– 
ter, wat voorschrift is, de betrokke– 
nen, in dit geval de ouders, wil horen 
dan over de voorgenomen maatregel, 
impliceert dat horen volgens de wet 
en volgens het verdrag dat de ouders 

een inbreng hebben. Dat \s ook de 
jurisprudentie van het Hof in 
Straatsburg. De ouders moeten een 
reële mogelijkheid hebben om 
invloed uit te oefenen op de te 
nemen beslissing. Dat kan alleen 
maar als de ouders het rapport van 
de raad kennen en ook in de 
gelegenheid zijn andere standpunten, 
tegenwerpingen en weerleggingen 
naar voren te brengen. Het gebeurt 
erg weinig. Er zijn natuurlijk situaties 
waarin de ouders zich erbij neerleg– 
gen, maar er zijn wel degelijk ook 
zaken, zeker als het gaat om 
plaatsingen, waarin bezwaar bestaat 
tegen een bepaalde maatregel. Mijn 
ervaring is dat te weinig van de 
mogelijkheid gebruik wordt gemaakt 
bezwaren naar voren te brengen. Ik 
denk ook dat betrokkenen te weinig 
in de gelegenheid worden gesteld 
dat te doen. De zaak ligt toch te zeer 
in een bepaald stramien. Je hebt niet 
het gevoel dat er nog veel invloed 
mogelijk is, ook gelet op de betrok– 
kenheid van de kinderrechter bij de 
voorbereiding van de zaak voor de 
zitting. 

De heer Dijkstal (VVD): In het 
verlengde daarvan heb ik een vraag 
die ik niet alleen aan u, maar 
bijvoorbeeld ook aan de raad wil 
stellen. Artikel 24 Rechterlijke 
Organisatie verbiedt de rechter 
vooraf met partijen om te gaan. Dat 
zou betekenen dat de kinderrechter 
geen overleg met de raad mag 
hebben. De tegenpartij moet dat dan 
ook niet hebben. De praktijk is dat er 
wel contact is - er is vanmorgen ook 
even over gesproken — tussen de 
raad en de kinderrechter. De 
tegenpartij weet daar niets van. Is dat 
niet een onzuiverheid in het geheel 
die eruit zou moeten, zo vraag ik licht 
suggestief. 

De heer Van Gent: Ik kan mij niet 
herinneren dat vanmorgen is gezegd 
dat wij van tevoren contact hebben 
met de kinderrechter over de 
ondertoezichtstelling. Wij hebben wel 
van tevoren contact met de gezins– 
voogdij, maar dat is iets wezenlijk 
anders. 

De heer Dijkstal (VVD): Het gaat er 
niet zozeer om dat u dat deed, maar 
dat de kinderrechter vaak al telefo– 
nisch of anderszins contact heeft met 
de raad. Ik zal de vraag anders 
formuleren. Komt het voor dat 
kinderrechters vooraf contact hebben 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


met de raden en, zo ja, vindt u dat 

juist? 

De heer Van Gent: Ik vind het in 
principe niet juist als het zo zou zijn. 
Ik ontkom er niet aan dat het wel 
eens zo zal zijn, maar dan zal het 
erop neerkomen dat de kinderrechter 
van mening is dat een bepaalde zaak 
geen ondertoezichtstelling op mag 
leveren en dus helemaal niet ter 
zitting mag komen. Dat zal de 
invalshoek zijn, en die komt bij 
uitzondering wel voor. 

De heer Dijksta! (VVD): Vloeit het 

niet voort uit het feit dat de kinder– 

rechter twee, hem door de wet 

opgezette, petten heeft? 

De heer Van Gent: De kinderrechter 
kijkt natuurlijk niet alleen als 
beslisser, maar ook als uitvoerder 
naar zo'n zaak. Hij vraagt zich af of 
hlj met wat hij krijgt voorgeschoteld, 
in gemoede goed uit de voeten kan 
in de sfeer van de gedwongen 
hulpverlening. 

De heer Oosting: Even ter aanvul– 
ling het volgende. Die twee petten 
lopen ook in het betoog van de heer 
Willems op een bepaald moment 
enigszins door elkaar. Als een zaak 
ter zitting komt en er eventueel een 
ondertoezichtstelling aan de orde is, 
bekijkt de rechter dat met de blik van 
de mogelijk verantwoordelijke voor 
die ondertoezichtstelling, maar in 
wezen is hij dan alleen nog maar de 
beslisser. Die twee zaken moet je 
niet al tezeer door elkaar halen, iets 
wat volgens mij hier af en toe wel 
gebeurt. Maar op zich is het niet juist 

— ik ben dat met de heer Van Gent 
eens — dat een kinderrechter de 
raad vooraf consulteert over 
aspecten van een zaak die ter zitting 
komt. 
De voorzitter: Het feit dat de 
gezinsvoogdij soms al ter zitting 
aanwezig is, komt volgens u omdat 
de raad dan het initiatief heeft 
genomen, en niet omdat de kinder– 
rechter dat aardig zou vinden. De 
kinderrechter heeft daar dus geen 
bemoeienis mee? 

De heer Van Gent: De kinderrechter 
roept op, omdat hij, als hij de 
ondertoezichtstelling uitspreekt, 
meteen in de uitvoeringssfeer zaken 
wil doen. 

De voorzitter: Dat doet hij op grond 
van het rapport en het advies van de 

raad. Dat betekent dus dat hij in feite 
al van plan is, die ondertoezichtstel– 
ling uit te spreken. 

De heer Van Gent: In principe 
vraagt hij aan de gezinsvoogdij of er 
een gezinsvoogd wordt voorgesteld. 

Het is overigens niet altijd een 
gezinsvoogd, er kan ook een 

praktijkbegeleider ter zitting verschij– 

nen. Het bovenstaande heeft heel 
duidelijk met efficiency te maken, 
omdat in de opdracht van de 

kinderrechter voor de ondertoezicht– 

stelling niet alleen de jundische 

beslissing, maar ook de uitvoerings– 

kant is vertegenwoordigd. We 

kunnen lang om elkaar heen blijven 
draaien, maar zo is dat nu eenmaal. 

De heer Dijkstal (VVD): Een 
volgende vraag gaat over de 
Europese wetgeving, met name over 
het Verdrag. Welke partijen zou je 
dan moet toelaten? Wie zou je 
als betrokkene kunnen beschouwen? 
De ouders liggen voor de hand, 
evenals de pleegouders, en daarna 
kom je op de stiefouders, de 
grootouders en de minderjarige zelf, 
de laatste afhankelijk van de leeftijd 
Ik ben overigens benieuwd of u als 
advocaat ook advies geeft aan 
minderjarigen. Vorige keer hebben 
wij met de BM gesproken, en daarom 
lijkt mij dit een aardige vraag. Bent u 
van mening dat ook anderen dan de 
tot nu toe voor de hand liggenden, 
toegang zouden moeten hebben tot 
die rechtszaak om daar hun belangen 
naar voren te kunnen brengen? 

De heer Willems Het hangt van het 
type zaak af. Je kunt de kinderrechter 
natuurlijk ook vragen om andere 
belanghebbenden uit te nodigen. Een 
cliënt zal dit overigens niet altijd op 
prijs stellen, want het betreft 
natuurlijk privacy-gevoelige kwesties. 
Er moet wel een bepaald belang zijn. 
Niet iedereen wil er bijvoorbeeld een 
ander familielid bij hebben. Ik vind 
het in het algemeen dus moeilijk om 
die vraag te beantwoorden. Welke 
belangen spelen er? Zijn er botsende 
belangen? Ik constateer in de praktijk 
van de ondertoezichtstellingen vaak 
wat informele contacten. De 
kinderrechter praat vaak met ouders. 
De gezinsvoogd is daar meestal bij, 
maar dat hoeft niet. Er is dus een vrij 
continu contact met een wat 
informeel karakter. Daarom is 
moeilijk aan te geven, wat er aan de 
hand is. Pas als je achteraf het 
dossier leest, wordt duidelijk dat er 

een netwerk van contacten is, waar 
dit ene contact ook in thuishoort. Al 
met al is de kwestie vaak onoverzich– 
telijk. Diverse lijnen komen bij de 
kinderrechter uit, maar in eerste 
instantie is vaak niet duidelijk wat er 
aan de hand is. Dat blijkt pas later. Je 
kunt de kinderrechter natuurlijk altijd 
voorstellen om die en die te horen, 
maar als het om een niet-belangheb– 
bende gaat, dan is het antwoord 
meestal negatief. Zodra je met eigen 
deskundigen komt, stuit je op een 
wat afhoudende reactie in de zin van: 
"Liever niet". Het wordt dus niet op 
prijs gesteld, hoewel ik ook wel 
meemaak, dat het Hof op een 
appelzitting wel de gelegenheid geeft 
om deskundigen van buiten het 
woord te laten voeren. 

De heer Van Gent: Even ter 
verduidelijking met betrekking tot het 
netwerk van contacten. Hebben wij 
het dan over de situatie tijdens de 
ondertoezichtstelling, of over de 
procedure die tot de beslissing van 
een ondertoezichtstelling moet 
leiden? Dit zijn namelijk twee 
verschillende zaken. 

De heer Willems: Ik doel met name 
op de situatie van een lopende OTS. 
Dan is er sprake van een informele 
activiteit van de kinderrechter, in die 
zin dat er met de diverse betrokke– 
nen contact wordt onderhouden. In 
de fase die voorafgaat aan de OTS 
ligt het anders. Dan is er sprake van 
een verzoek van de raad. Vervolgens 
komt er een zitting waarop de ouders 
worden gehoord. De kinderrechter 
zou dan eventueel andere familiele– 
den kunnen horen, maar voor zover ik 
kan nagaan, wordt er van deze 
mogelijkheid weinig gebruik ge– 
maakt. 

De voorzitter: Betekent dit, dat de 
heer Willems ervoor pleit om de 
toezichthoudende functie van de 
kinderrechter bij de tenuitvoerlegging 
van de OTS te laten verdwijnen? 

De heer Willems De remedie voor 
dit probleem zou kunnen zijn: geef de 
bevoegdheid voor het treffen van 
bepaalde maatregelen aan anderen 
dan de kinderechter en laat de 
kinderrechter uitsluitend een 
rechterlijke functie vervullen. Dat zou 
een oplossing voor het probleem van 
de kinderrechter die twee petten op 
heeft kunnen zijn. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


De heer Van der Heijden: Mevrouw 
de voorzitter! 

De voorzitter: Mijnheer van der 

Heijden, misschien wilt u ook even 

reageren op de suggestie van de 

heer Willems om ook de rapporteur 

op de zitting bij de kinderrechter 

aanwezig te laten zijn. 

De heer Van der Heijden: Daar is al 
vaker over gesproken. Hier zitten een 
voordeel en een nadeel aan vast. Het 
voordeel is dat de praktische 
gebeurtenissen tijdens en het proces 
wat duidelijker kunnen worden 
onderbouwd. Het nadeel is, vooral bij 
conflicterende zaken, dat het 
welles-nietes-spelletje zich ter zitting 
zou kunnen afspelen. Het is nog maar 
de vraag, of dit zo constructief is. 

De heer Willems heeft ook over de 
informatie gesproken. Mijn idee 
daarover — dit is ook mijn werkwijze 

— \s het volgende. Als mensen het 
van belang vinden dat rapporten van 
scholen, tehuizen enzovoorts worden 
meegewogen in de procesgang en 
aan de kinderrechter worden 
voorgelegd, dan zie ik geen bezwaar 
om dit in de rapportage mee te 
nemen. Ik begrijp uit de woorden van 
de heer Willems, dat het anders is en 
dat het zelfs wordt afgehouden. 
De heer Willems: Ik ken een geval, 
waarbij relevante informatie niet in 
het rapport stond. De betrokkene 
kreeg langs andere weg bepaalde 

informatie uit medische hoek. De 
informatie was wel bekend bij de 
rapporteur, maar deze heeft het niet 
vermeld. Hij heeft op een globale 
manier gesproken over de desbetref– 
fende kwestie. Het rapport is dus 
vaak niet volledig. Er is natuurlijk ook 
het aspect van de openbaarheid. Ik 
heb gemerkt dat sinds het inzage– 
recht ingevolge de Wet openbaar– 
heid van bestuur bestaat, de 
informanten wat meer afgeschermd 
worden. Ik vind dat een probleem. In 
de rapporten staat namelijk soms dat 
men iets uit welingelichte kringen 
heeft vernomen. Dat weegt dan heel 
erg zwaar, terwijl het vermoedelijk 
een huisarts of een andere hulpverle– 
ner is. Dat komt echter niet uit het 
rapport naar voren. Ik vind dat een 
hulpverlener met een beroepsgeheim 
die niet met name genoemd wil 
worden, de vertrouwensarts in moet 
schakelen. Hij moet niet op een min 
of meer anonieme manier de 
rapporteur inlichten. De bronnen 
moeten in het rapport genoemd 

worden. Als een informant niet wil 
dat de bronnen genoemd worden, 
moet de informatie niet in het 
rapport komen. Nu wordt vaak een 
beetje geheimzinnig gedaan over 
informatie, die dan een eigen leven 
gaat leiden. Daarop kan dan niet 
adequaat worden gereageerd, omdat 
men de bron van de informatie niet 
kent. Dat probleem doet zich voor. 

De heer Janssen: Ik kan met de 
hand op mijn hart verzekeren, dat 
wanneer een huisarts mij iets vertelt 
dat niet in het rapport mag komen, 
dat er ook absoluut niet in komt. De 
informanten moeten in de rapportage 
worden genoemd. Voor zover mij 
bekend, is dat de gebruikelijke 
werkwijze. Dat kan ik met de hand op 
mijn hart verzekeren. 

De heer Oosting: Net zo min als de 
heer Willems kan spreken voor alle 
raden en alle rechtbanken, kan ik 
spreken voor alle raden. Ik heb 
echter toch bezwaar tegen de 
opmerking dat de rapporten vaak 
onvolledig zijn. Ze zijn soms onvolle– 
dig, dat zal ik zonder meer toegeven, 
maar ik weet niet hoe vaak. Dat is 
ook een kwestie van opvatting. Er is 
verschil van opvatting over de vraag 
of een informant wel of niet bena– 
derd had moeten worden en of 
bepaalde informatie had moeten 
worden opgenomen. De raad moet 
beoordelen of aanvullende informatie 
nodig is. Als cliënten of advocaten 
vinden dat er meer informatie moet 
komen, kan dat via de inzage of ter 
zitting worden aangevuld. Wij 
moeten echter niet te zeer in 
algemeenheden vervallen. Dat is toch 
het risico van dit soort discussies. 

De informatie van anonieme 
informanten wordt niet gebruikt. Wat 
een informant te zeggen heeft en wat 
in een rapport wordt weergegeven, 
moet hij eerst goedkeuren. Het 
probleem ligt soms eerder omge– 
keerd. Als een informant geconfron– 
teerd wordt met hetgeen hij heeft 
gezegd, als dat met naam en 
toenaam in het rapport komt, dan 
gebeurt het wel eens dat hij zegt dat 
hij het er niet in wil hebben. Daarmee 
komt dan een deel en soms de hele 
basis van je rapport en je advisering 
te vervallen. De ouder heeft daarmee 
zijn rechtsbescherming gekregen, 
maar daar is het kind niet altijd mee 
geholpen. 

De heer Vlaardingerbroek: Ik wil 
nog even een opmerking maken naar 

aanleiding van hetgeen de heer 
Janssen heeft gezegd. Wanneer er 
anonieme informatie wordt gegeven 
en deze niet in het rapport wordt 
opgenomen, omdat de informant dat 
niet wenst, dan kan die informatie 
toch een eigen leven gaan leiden. In 
een ander kader is heel duidelijk door 
de maatschappelijk werkers gezegd 
dat zij proberen om direct te vragen 
of zij de informatie mogen gebruiken. 
Als dat niet mag van de betrokkene, 
omdat de cliënt of patiënt het niet 
mag weten, dan willen zij die 
informatie ook niet horen. Het is op 
zichzelf veel zuiverder om zo met de 
informatie van de anonieme infor– 
manten om te gaan. 

De heer Dijkstal (VVD): Dat laatste 
probleem hebben wij als kamerleden 
ook. Al die vertrouwelijke zaken die 
wij te horen krijgen, daar hebben wij 
niets aan, want daar kunnen wij niets 

mee doen. 

Ik wil nog twee vragen stellen: een 
makkelijke en een moeilijke. De 
makkelijke vraag is de volgende. Ons 
is gemeld dat met een schorsing ex 
artikel 825 Rechtsvordering, de 
rechter een feitelijk voorschot neemt 
op de voogdijtoewijzing. De vraag is 
of daar tegenspraak tegen kan 
worden gevoerd door de geschorste 
ouder en of dat zou moeten kunnen. 
De moeilijke vraag is de volgende. 
Wij komen daar aan het eind van de 
dag, bij het laatste thema, nog op 
terug, maar ik wil die vraag nu ook 
naar voren brengen, maar dan vanuit 
de juridische invalshoek. De zedelijke 
en lichamelijke ondergang van het 
kind is natuurlijk een sleutelbegrip 
van waaruit de raden werken en 
waarop de kinderrechter moet 
beoordelen. De vraag is natuurlijk 
hoe hanteerbaar dat begrip is in een 
procedure. Kom je er voldoende mee 
weg als je de weg die zojuist is 
voorgesteld, zou volgen. Het rapport 
moet kwalitatief beter worden en de 
kinderrechter moet meer motiveren. 
Zijn dat voldoende waarborgen dat 
wij dit vrij abstracte begrip handen en 
voeten kunnen geven in een procedu– 
re? 

De heer Willems Ik denk dat we 
daardoor betere beslissingen krijgen. 
Als de motivering beter is, wordt 
degene die de beslissing neemt 
gedwongen, de voors en tegens af te 
wegen. Dit is van belang nu het gaat 
om toepassing van een vrij globale 
norm als lichamelijke en zedelijke 
ondergang. Als men zich rekenschap 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


geeft van de voor– en nadelen, zal dit 

tot zorgvuldiger besluitvorming 

leiden. 

Wat de eerste vraag betreft, moet 

ik zeggen dat ik in mijn praktijk nooit 

gevallen van schorsing van de 

ouderlijke macht heb meegemaakt. Ik 

kan daar niet zoveel over zeggen. 

De heer Visser: Ik heb een geval 
meegemaakt, dat de positie van 
andere partijen en vooral die van de 
minderjarige goed illustreert. Dit is 
overigens slechts een geval en je 
moet daar geen algemene conclusies 
aan verbinden. Het ging om een 
meisje van 16,5 jaar dat was 
weggelopen. De ouders wisten waar 
zij zat, namelijk in een kraakpand in 
de buurt. Het meisje kwam voor 
advies over het kraakpand bij mij. Ik 
heb haar, evenals andere jongelui, 
dat advies gegeven. Op een gegeven 
moment kreeg zij echter een brief 
van de kinderrechter dat zij moest 
komen voor een hearing over een 
ondertoezichtstelling. Dat meisje was 
vrij verrast en verbaasd. Ik heb toen 
aangeboden met haar mee te gaan, 
want er was verder helemaal niets 
geregeld. De rechtsbijstand heeft het 
karakter van een lappendeken op dat 
punt. 

Wij zijn toen naar de kinderrechter 
gegaan en die ging bijna uit z'n dak. 
Hij vroeg zich af wat ik erbij deed. Ik 
heb gezegd dat er een ondertoezicht– 
stelling op stapel stond en dat ik bij 
de hoorzitting aanwezig wilde zijn om 
de belangen van het meisje te 
verdedigen, omdat zij de ondertoe– 
zichtstelling niet zag zitten. De 
kinderrechter zei dat het "horen" 
onder vier ogen zou gebeuren en dat 
's middags de zitting zou zijn. Mijn 
cliënte had niet eens een oproep 
voor de zitting gekregen! Als 
minderjarige mag je gehoord worden 
en daarmee is de kous af. Dat is een 
vrij ernstige inbreuk op de positie van 
de ondertoezichtgestelde. De ouders 
hebben rechten en beroepsmogelijk– 
heden, maar voor de minderjarige is 
er werkelijk niets geregeld, zelfs de 
appelmogelijkheden ontbreken 
geheel. In dit geval is het overigens 
met een sisser afgelopen. Het meisje 
werd uit huis geplaatst in het 
desbetreffende kraakpand. Dat was 
wel een leuke oplossing. Met behulp 
van de gezinsvoogd is uiteindelijk 
alles op zijn pootjes terechtgekomen. 
Ik wil met dit voorbeeld extra 
aandacht vragen voor de positie van 
de minderjarige. 

De heer Van Gent: Voorzitter! Ik wil 

nog op het volgende wijzen. De Raad 

voor de kinderbescherming en ook 

de voogdijraad zijn in 1905 nu 

eenmaal in het leven geroepen ter 

bescherming van de minderjarige, 

wiens belangen niet meer behoorlijk 

door hun ouders worden waargeno– 

men. Laten wij dat helder houden. 

Wij hebben het niet over instituties 

die alleen maar voor zichzelf 

optreden. Zij hebben een heel 

duidelijke kerntaak voor de minderja– 

rigen. 

Overigens is hetgeen de heer 
Visser zegt volstrekt terecht. In 1971 
is het rapport Wiarda uitgeko– 
men. Wat de rechtspositie van 
minderjarigen betreft, is er toen niet 
meer gedaan dan het horen van 
kinderen ouder dan 12 jaar mogelijk 
maken. Maatschappelijk is er geen 
discussie over geweest. De 
problemen van minderjarigen krijgen 
wij ook voortdurend op tafel. 

Ik mis echter een aspect in de 
discussie. Aan het eind van de jaren 
zeventig is er een voorstel voor 
ondertoezichtstelling geweest, 
waarbij de kinderrechter uit de 
toezichthoudende rol is geschoven. 
De discussie hierover wordt ove– 
rigens al vanaf 1930 gevoerd, dus wij 
kunnen nog wel even vooruit. Als de 
kinderrechter alleen een beslissende 
rol krijgt, heeft dat een aantal 
consequenties. Ik noem de noodza– 
kelijke verbetering van het maatrege– 
lenpakket. Wij hebben nu in feite 
alleen de mogelijkheid van ondertoe– 
zichtstelling, ontheffing en ontzet– 
ting. Ontzetting is nagenoeg 
obsoleet, maar ontheffing komt nog 
wel voor. Gelet op de uitspraak van 
de Hoge Raad onlangs, zal dit ook 
sterk verminderen. Wij hebben het 
dus over gezagbeperkende maatre– 
gelen. Dat is maar één blok. In een 
aantal situaties heb je aan een paar 
maatregelen voldoende bij dd OTS. 
Maar in het maatregelenpakket zit 
heel weinig flexibiliteit. Het is een 
ailes-of-niets-systeem. Als je de 
rechter tot beslisser maakt, dan moet 
je hem genuanceerd en gedifferen– 
tieerd laten beslissen over de aanpak 
die de hulpverlening erop na moet 
houden. 

Een ander punt is dat de toezicht– 
houdende taak van de kinderrechter 
nu voor een deel als "stoplap" 
fungeert voor de kwaliteit van de 
jeugdhulpverleningsinstellingen. Als 
je deze taak weghaalt, zul je heel 
duidelijk moeten investeren in de 
kwaliteit van de gezinsvoogdij-instel– 

lingen. Ik ben het volstrekt eens met 
wat door Vedivo werd aangeroerd. 
Als je ziet hoe die instellingen 
moeten werken, met een "directeur– 
tje" — salvis reverentia, maar de heer 
Van Tol heeft zelf al het verschil in 
salarisschalen aangegeven, dus ik 
mag het zeggen — een praktijkbege– 
leider en wat maatschappelijk 
werkers. Zet je dit tegenover de 
equipering van de raden, waar wij 
ook over klagen, dan hebben die toch 
altijd een dubbele leiding, staffuncti– 
onarisen, een praktijkbegeleider en 
een unithoofd per unit. Voor de aard 
van de zaak waarvoor de gezins– 
voogdijinstellingen staan, zijn zij op dit 
moment volstrekt onvoldoende 
toegerust. De kinderrechter fungeert 
dus voor een stuk als "stoplap". Haal 
je die taak weg, dan betekent dat niet 
alleen iets voor de gezinsvoogdij, 
maar ook voor de raden. Dat is een 
duidelyke zaak. Wij lokken de 
maatregelen uit. Maar als wij iets 
uitlokken ten behoeve van minderja– 
rigen, maar ook ten behoeve van 
ouders, dan moet dit voldoende 
kwaliteit hebben. Want het slaat 
natuurlijk op onszelf terug, als er 
onvoldoende kwaliteit op tafel komt. 

De heer Van Tol: Hartelijk dank voor 
deze opmerking, mijnheer Van Gent. 

Overigens zeer terecht. 

Je kunt de dubbelpet van de 
kinderrechter bekijken vanuit de 
zuiverheid van zijn rechtsprekende 
rol. Inderdaad moet ook de andere 
kant bekeken worden: in hoeverre 
komt de hulpverlening goed tot haar 
recht als een kinderrechter daarin de 
leiding moet nemen? De mate van 
competentie kan een rol spelen en 
ook het verschil in competentie van 
de instelling en de kinderrechter. Wie 
is uiteindelijk verantwoordelijk voor 
de kwaliteit van de hulpverlening? 
Daar kan onzuiverheid ontstaan en 
dat is onwenselijk. Het zou er 
bijvoorbeeld toe kunnen leiden dat 
een gezinsvoogdij-instelling achtero– 
ver gaat zitten en zegt: de kinder– 
rechter moet het maar zeggen. De 
kinderrechter heeft in het algemeen 
met individuele gezinsvoogden te 
maken. Daar heeft hij een relatie 
mee, niet direct met een instelling. 
De nieuwe mogelijkheid in de wet om 
ook een instelling als gezinsvoogd te 
benoemen, zou hierin al behulpzaam 
kunnen zijn. Wij zijn er meer voor om 
de zorg voor de kwaliteit van de 
hulpverlening nadrukkelijk te laten 
liggen op de plaats waar deze het 
beste kan plaatsvinden, namelijk ons 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 124 


soort instellingen. Maar ik wijs hierbij 
op de opmerkingen die de heer Van 
Gent heeft gemaakt. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Vanochtend is ook reeds uw 
suggestie aan de orde geweest voor 
grotere instellingen, beter manage– 
ment, meer diversiteit, etcetera. Aan 
de andere kant hebben wij te horen 
gekregen dat juist de particuliere 
organisatie zoals die tot op heden is, 
het nadeel heeft van het eigen beleid 
dat door een ieder gevoerd wordt, 
waardoor er weinig mogelijkheid is 
om te kijken naar de kwaliteit van het 
geheel. Als je die constructie zou 
willen wijzigen en naar grotere 
instellingen toe zou willen werken, 
wie zou dan aangewezen zijn om dat 
te regelen, te organiseren of wat 
ook? 

De heer Jeurgens: Het particulier 
initiatief heet niet voor niets zo. Het 
moet zijn verantwoordelijkheid 
kennen. Het moet hier het initiatief 
toe nemen. Dat gebeurt ook. De 
subsidiërende overheid moet dit niet 
onmogelijk maken. Wij zeggen wel 
eens in het Zuiden: je moet af en toe 
met de genade meewerken. Al is de 
instelling nog zo klein, er moet 
voldoende garantie zijn voor kwali– 
teit. Wij vinden dan dat bepaalde 
bedrijfsfuncties daar niet goed 
behartigd kunnen worden. Er is geen 
ruimte voor innovatie. Hier wordt wel 
eens tegen ingebracht dat een kleine 
instelling heel goed kan werken. Ik 
zeg dan: misschien is dat wel eens 
zo, maar haal er één schakel 
tussenuit en de boom valt om. Je 
kunt hierbij kijken naar concrete 
gevallen links en rechts in Nederland. 

Het lijkt mij dus dat dit op particu– 
lier initiatief gebeurt. Ik geef een 
voorbeeld. Vedivo en justitie hebben 
een gemengde werkgroep. Deze 
werkgroep heeft een bepaald produkt 
gerealiseerd over schaalgrootte. Men 
had het daarbij over een omvang van 
524 pupillen als grens. Wij hebben 
hierop gezegd dat dat geen draag– 
vlak is voor een nette instelling, want 
je krijgt dan onvoldoende binnen om 
de zaken goed te regelen. Wij 
hebben gezegd dat zij het huiswerk 
maar mee terug moesten nemen en 
dat wij de zaak met deskundigen van 
buiten eens kritisch wilden bekijken. 
Dan zullen wij een formule uitdenken 
die gehanteerd kan worden. Het is 
dus een "en-en". 

De voorzitter: Wij zijn in feite van 

de rechtspositie afgedwaald naar de 

kwaliteitvan hulpverlening. 

De heer Dijkstal (VVD): Ik wil kort 
nog iets zeggen over de contra-ex– 
pertise. De kernvraag hierbij is - dit 
staat los van de vraag hoe je 
contra-expertise zou moeten 
organiseren en of daar voorschriften 
aan verbonden zouden moeten 
worden - of het wenselijk is dat 
ouders het recht hebben op contra– 
expertise. Ik concentreer mij nu even 
op de ouders. Als je "ja" op deze 
vraag zegt, moet je dat dan doen in 
het voortraject? Het rapport is 
bijvoorbeeld door de raad opgesteld 
en op dat moment krijgt de ouder het 
recht om een tegenrapport te maken. 
Beide rapporten gaan naar de 
kinderrechter. Dat is de ene mogelijk– 
heid. De andere mogelijkheid is met 
de advocaat samen zoeken naar een 
contra-expertise op het moment dat 
de zaak bij de kinderrechter ligt, of 
vlak voor het moment waarop de 
zaak bij de kinderrechter komt. Ook 
dan hggen beide stukken bij de 
kinderrechter. Bestaat daar een 
oordeel over? 

De heer Visser: Ik heb daar een 
oordeel over. Vanmorgen hebben wij 
de zaak ook al aangekaart. Het duurt 
al vreselijk lang voordat het rapport 
er is. Als er dan ook nog eens een 
contra-rapport gemaakt moet 
worden, loopt die tijd nog verder 
door. Je kunt dan niet meer spreken 
over de status quo. De rapporten die 
nadien nog op tafel mogen komen — 
daar is geen ontkomen aan — zullen 
waarschijnlijk als conclusie hebben 
dat het al zolang heeft geduurd en 
dat zij het daarom maar zo willen 
laten. Op zichzelf ben ik niet tegen 
een contra-expertise. Het kan een 
geruststelling zijn voor een van de 
ouders of voor beide ouders. Dat 
hangt ervan af wat voor een soort 
zaak het betreft. Zij hebben dan in 
ieder geval het idee dat zij serieus 
worden genomen en dan kunnen wij 
ook iemand anders aan het werk 
zetten. Ik heb bijvoorbeeld eens te 
maken gehad met een situatie waarin 
een vrouw de kinderen dreigde 
toegewezen te krijgen. Het rapport 
werd opgesteld door een vrouw van 
de Raad voor de kinderbescherming. 
Bij de man van die vrouw leefde het 
idee dat die vrouwen elkaar dekten. 
Naar zo'n opmerking moet je serieus 
kijken. Je moet bekijken of het niet 
op een andere manier opgelost kan 
worden. Een teamgenoot kan hier 

een belangrijke inbreng in hebben 
bijvoorbeeld. Als da nog kan of als 
dat nog zinvool is, kun je hierbij ook 
kiezen voor een contra-expertise. Dat 
is in feite een beetje een probleem. 

De voorzitter De vraag is dan of 
zo'n contra-expertise alleen zou 
moeten dienen als een soort 
legitimatie in de zin van "dan is er 
voldoende naar gekeken". Daarmee 
wordt de acceptatie van de beslis– 
sing vergroot. De contra-expertise is 
echter al eerder op tafel gekomen in 
het kader van zorgvuldigheid in de 
procedure, de mogelijkheid tot het 
maken van fouten of het niet volledig 
in kaart kunnen hebben van com– 
plexe problemen. Het is dan een 
instrument voor rechtsbescherming. 
Als het alleen maar gaat om het 
vergroten van de legitimatie van de 
beslissing, is het de vraag of het 
verlengen van termijnen en al dat 
soort zaken daarvoor nodig is. Als er 
echter sprake is van een vergroting 
van de rechtsbescherming van de 
cliënt en het bevorderen van het 
nemen van een juiste beslissing, dan 
ligt de zaak naar mijn mening toch 
iets anders. 

De heer Oosting Je heb een 
contra-expertise en een contra-ex– 
pertise. Beschouw je het rapport van 
de raad als de expertise? Of be– 
schouw je een aanvullend deskundi– 
genonderzoek als expertise, waarop 
eventueel een conta-expertise 
gevraagd kan worden? 

Je praat echt over een contra-ex– 
pertise als een gedragswetenschap– 
pelijk onderzoek op academisch 
niveau wordt verricht. Een rapport 
van de raad kan feilen vertonen. Je 
kunt er een andere interpretatie aan 
geven of er een andere conclusie aan 
verbinden. Het lijkt mij dat dit in 
eerste instantie — dit is echter een 
betrekkelijk open discussie — het 
beste ter zitting kan gebeuren. Daar 
kan worden bezien of er aan het 
rapport zoveel schort dat je het 
onderzoek opnieuw moet verrichten 
of een deskundige moet inschakelen. 
Bepaalde vragen die onbeantwoord 
zijn gebleven of op een hoger niveau 
thuishoren, kunnen dan onafhankelijk 
getoetst worden. Dan is het niet 
zozeer contra-expertise, alswel 
aanvullende expertise. Als de raad in 
het kader van zijn eigen onderzoek 
concludeert dat hij er niet uitkomt en 
aanvullend gedragsdeskundig 
onderzoek nodig heeft, en dat komt 
in feite steeds meer voor, vraagt hij 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


dat aan. Hij betrekt dat in zijn eigen 
oordeelsvorming en sluit zich daar 
veelal bij aan, want anders doe je 
zo'n duur onderzoek niet en er is 
tenslotte voor doorgeleerd. Dat gaat 
dan vervolgens naar de kinderrechter 
en dan kan de vraag aan de orde 
komen of daarop contra-expertise 
moet plaatsvinden Ik denk dat goed 
bekeken moet worden welke 
procedure daarbij wordt opgezet; of 
dit klakkeloos wordt toegekend, 
waarbij ook een financiële compo– 
nent speelt en niet zo'n kleine, of dat 
daarbij bepaalde criteria worden 
aangelegd. Echt open contra-experti– 
se is waarschijnlijk niet zo zinvol. 

De heer Willems: Diverse aspecten 

lopen door elkaar heen. Het begrip 

"contra-expertise" is genoemd 

omdat tegenover de vrij zwaarwe– 

gende positie van de raad en 

eventueel naderhand nog ingescha– 

kelde gedragswetenschappelijke 

deskundigen, de cliënt of de ouder 

een eigen deskundige moet kunnen 

inschakelen. Zo moet het begrip 

"contra-expertise" worden gezien. 

Dat het nodig is, heb ik in een 
bepaalde zaak ervaren. In deze zaak 
is een jaar door twee cliënten 
geprocedeerd. Aan het begin van het 
jaar hebben zij standpunten van 
eigen experts naar voren gebracht. 
Zij zeiden dat het kind niet naar een 
residentiële plaats moest worden 
gebracht. De bevindingen van die 
deskundigen zijn vrij systematisch 
genegeerd door de kinderrechter. 
Het uitgebreide dossier van de 
instelling waar het kind feitelijk 
verbleef, bevestigde achteraf het 
standpunt van de deskundigen in de 
contra-expertise. 

Ik wil daarmee zeggen dat 
deskundigen van buiten, die geen 
institutionele banden hebben met de 
kinderbescherming, breed opgevat, 
een verfrissende blik op het geheel 
kunnen hebben. De vanzelfsprekend– 
heid waarmee soms steeds zwaar– 
dere maatregelen worden voorge– 
steld, kan wel eens doorbroken 
worden door iemand van buiten in te 
schakelen. In die ruime zin wil ik het 
zien. Welke vorm daaraan moet 
worden gegeven, hangt af van 
hoeveel tijd er is. Kan dat worden 
georganiseerd in het korte tijdsbe– 
stek tussen het moment dat het 
raadsrapport of het andere rapport 
beschikbaar is en een eventuele 
zitting of in de loop van een vrij 
langdurige ondertoezichtstelling 
waarin verschillende beslissingsmo– 

menten voorkomen? Dat hangt 

helemaal van de situatie af. 

Ik pleit ervoor dat in ieder geval 
wordt geaccepteerd dat ouders 
deskundigen van buiten inschakelen 
en dat dit niet wordt gezien als 
querulantengedrag, maar op zijn 
eigen waarde wordt beoordeeld. Dat 
vind ik het grote knelpunt. Het wordt 
als lastig ervaren; als een inbreuk van 
buitenstaanders die de zaak niet zo 
goed zouden kennen of als pottekij– 
kerij. Daarvoor moet een oplossmg 
worden gevonden. De concrete 
oplossing kan ik niet aanreiken. Het 
moet aanvaard worden. Het lijkt mij 
goed als er een procedureel kader 
kan worden geschapen om dat vorm 
te geven. 

De heer Leerling (RPF): Ik wil nog 
even doorgaan op het punt van de 
deskundigen. De heer Van Gent heeft 
zoëven gezegd dat de raad bij de 
rechter partij is voor het kind en dat 
de raad deskundigen raadpleegt. Dat 
advies gaat mee naar de kinderrech– 
ter. Wij weten dat de kinderrechter 
voor een groot deel blindvaart op het 
advies dat de raad uitbrengt, 
inclusief het deskundigenrapport. Als 
een dergelijke ontwikkeling zich 
doorzet, roept dat dan niet automa– 
tisch de vraag om contra-expertise 
op, vanwege de deskundigheid die 
wordt ingeschakeld? Dan staat 
wellicht de ene deskundige tegen– 
over de andere. Mijn vraag is daaraan 
gekoppeld: is het wel zo'n goede 
zaak dat er deskundigen worden 
ingeschakeld in dit soort processen? 

De heer Van Gent: Ik wil hier wel op 
antwoorden, vooral omdat het 
betoog van de heer Willems mij op 
wat bredere gedachten brengt, 
namelijk over de totale diagnosestel– 
ling in de jeugdhulpverlening. Wij 
spreken hier alleen over contra-ex– 
pertise in de sfeer van kinderbe– 
schermingsmaatregelen, niet bij 
echtscheidingszaken, want dat is nog 
genuanceerder en soms nog 
onzuiverder. 

Waar het de diagnosestelling in de 
jeugdhulpverlening betreft, gaat het 
om de volgende aspecten. Er is iets 
aan de hand in een gezin, met een 
jongere. Welnu, wat is er dan precies 
aan de hand? Wat zijn de beste 
hulpverleningsmethoden? Wat moet 
er gebeuren? Voorzitter! Die vragen 
vergen een heel goede diagnose. In 
de jeugdhulpverlening constateren 
wij, ook gelet op ontwikkelingen in de 
regionale samenwerkingsverbanden, 

dat juist dat element in belangrijke 
mate ontbreekt. Juist omdat men 
onder een bepaalde hulpverlenings– 
hoek het hulpverleningskanaal 
inschiet, kan het een bepaalde kant 
opgaan. Als men er onder een heel 
andere hoek was ingekomen, was het 
wellicht een heel andere kant 
opgegaan. Daaruit blijkt dat de 
diagnosestelling in het eerste begin 
van het hulpverleningsproces zeer 
belangrijk is. Naarmate die eerste 
fase beter verloopt, zal men veel 
minder uitgebreidere diagnosestellin– 
gen nodig hebben in het hulpverle– 
ningsproces zodra het meer gedwon– 
gen hulpverleningskader aan de orde 
komt. De ouders hebben dan ook in 
een veel vroegere fase duidelijker in 
de gaten waar de problemen 
nu precies zitten. Als die eerste 
diagnosestelling optimaal is, kan 
worden voorkomen dat in het kader 
van de gedwongen hulpverlening een 
zwaar onderzoek volgt, plus expertise 
en contra-expertise. Er is dan sprake 
van een veel meer vloeiende lijn. Die 
notie zullen wij moeten meenemen; 
de hulpverlening begint nu eenmaal 
niet wanneer men bij de kinderrech– 
ter zit. 

Oe voorzitter: Die notie ligt in feite 
ten grondslag aan de Wet op de 
jeugdhulpverlening. Het was althans 
de bedoeling dat het op die manier 
zou gaan functioneren. 

Thema 4: De toepassing van 
gezagsmaatregelen en van 
uithuisplaatsing (waaronder: de 
wettelijke gronden voor maatre– 
gelen, de duur van voorlopige 
toevertrouwingen en voorlopige 
ondertoezichtstellingen). 

De voorzitter: Ik geef het woord aan 
de heer Van der Heijden. 

De heer Van der Heijden: Mevrouw 
de voorzitter. Ik constateer dat mij bij 
deze inleiding al heel wat gras voor 
de voeten is weggemaaid. 

De beslissing tot het uitlokken van 
een maatregel wordt in teamverband 
genomen. Dat team bestaat uit de 
maatschappelijk werker die het 
onderzoek heeft verricht, de praktijk– 
begeleider en het unit-hoofd. Bij 
complexe zaken wordt ook de 
directie betrokken. Bij de afweging 
die het team maakt, wordt nagegaan 
of het verzoek voldoet aan de 
wettelijke norm en of het beant– 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


woordt aan het algemene, door de 
raad vastgestelde beleid. 

De meest ingrijpende maatregel is 
de voorlopige toevertrouwing, die 
inhoudt dat de ouders voorlopig uit 
hun gezag worden ontzet en dat dit 
gezag bij de raad komt te berusten. 
De wettelijke grond van deze 
maatregel is de zeer ernstige 
bedreiging van het kind, veroorzaakt 
door het falen danwel het in gebreke 
blijven van de ouders. Daarbij kan 
onder meer worden gedacht aan 
incest, ernstige mishandeling en 
schromelijke verwaarlozing. Bij een 
voorlopige toevertrouwing moet de 
raad met feiten aantonen dat 
continuering van het gezag van de 
ouders groot gevaar voor het kind 
oplevert. De raad richt het verzoek 
om voorlopige toevertrouwing aan de 
officier van justitie die het verzoek al 
dan niet fiatteert. Binnen zes weken 
toetst de rechtbank de juistheid van 
het verzoek om voorlopige toever– 
trouwing aan de raad. Wanneer de 
rechtbank van oordeel is dat aan de 
wettelijke gronden is voldaan, 
bekrachtigt zij de maatregel en 
vertrouwt zij het kind toe aan de raad 
gedurende een door de rechtbank 
nader vastgestelde termijn. De 
voorlopige toevertrouwing gaat altijd 
gepaard met uithuisplaatsing van het 
kind. 

Voordat er om een dergelijke 
maatregel wordt gevraagd is er, in 
het kader van het onderzoek van de 
raad, contact geweest met de ouders 
en eventueel met andere betrokke– 
nen. Met de ouders wordt vooraf 
gesproken over de geconstateerde 
feiten van bedreiging. Pas wanneer 
blijkt dat de ouders geen verdere 
hulpverlening kunnen of willen 
accepteren en dat de ouders niet in 
staat zijn om de ernst van de 
ontstane situatie te onderkennen, 
wordt de voorlopige toevertrouwing 
overwogen. Ter zitting kunnen de 
ouders zich door een advocaat laten 
bijstaan. Tevens hebben zij de 
mogelijkheid om, nadat de rechtbank 
een beslissing heeft genomen, in 
hoger beroep te gaan. 

De voorlopige toevertrouwing is de 
minst voorkomende maatregel en 
wordt uitsluitend in situaties 
uitgelokt, waarin blijkt dat de ouders 
niet meer in staat zijn, de regie te 
voeren over hun eigen handelen. 
Wanneer een kind aan de raad is 
toevertrouwd, betekent dit voor de 
ouders overigens niet het einde van 
de rit. Waar mogelijk en verantwoord 
kunnen de ouders immers omgang 

blijven houden met hun kind. Tevens 
wordt op een vrij intensieve manier 
getracht, de ontstane situatie te 
veranderen. Zo wordt bijvoorbeeld bij 
drugsverslaafde ouders toegewerkt 
naar afkicken en behandeling in 
bijvoorbeeld een therapeutische 
gemeenschap. Na het verstrijken van 
de door de rechtbank vastgestelde 
termijn van toevertrouwing wordt, 
afhankelijk van de veranderingen die 
zich hebben voorgedaan, een nadere 
beslissing genomen, hetzij een 
ondertoezichtstelling, hetzij een 
vrijwillige danwel gedwongen 
ontheffing. 

De volgende categorie van de 
gezagsmaatregelen is die van de 
ondertoezichtstelling (OTS). De 
wettelijke grond voor de ondertoe– 
zichtstelling is gelegen in de 
bedreiging met zedelijke en lichame– 
lijke ondergang van het kind. De wet 
is in deze niet erg specifiek. Dit 
houdt derhalve het risico van 
interpretatieverschillen in. In het 
algemeen adviseert de raad tot een 
ondertoezichtstelling, wanneer de 
ontwikkeling van het kind door de 
wijze van opvoeding door de ouders 
in het gedrang komt, negatief wordt 
beïnvloed, kortom wanneer er sprake 
is van nadelige gevolgen voor het 
kind in al z'n facetten. 

De beoordeling van een dergelijke 
situatie blijkt in de praktijk verre van 
eenvoudig en is nogal eens geba– 
seerd op subjectieve overwegingen. 
Maatschappelijke normen voor 
opvoeding van kinderen zijn namelijk 
nogal gevarieerd. Wat de een zonder 
meer als juist ervaart, beleeft de 
ander als faliekant fout. 

Bij een onderzoek naar opvoe– 
dingsproblemen is dan ook niet 
primair te beoordelen, of de ouders 
goed of fout handelen. Veeleer ligt 
het accent op het bespreken van 
effecten van handelwijzen. Er wordt 
gewerkt aan een herdefiniëring van 
de ontstane situatie met als doel, 
ruimte te creëren voor het totale 
gezin en voor het werken aan de 
bestaande problemen. 

De OTS heeft voornamelijk tot 
doel, een basis te creëren voor het 
op gang brengen van de hulpverle– 
ning, hulpverlening voor het hele 
gezin, met het kind dat knel zit als 
invalshoek. Een OTS wordt pas dan 
gevraagd, als blijkt dat vnjwilhge 
hulpverlening niet voorhanden is, 
wordt afgewezen of na aantoonbare 
pogingen geen effect heeft gesor– 
teerd. Het gedwongen kader houdt 
dan in dat de hulpverlening gestruc– 

tureerd en niet vrijblijvend is. In de 

praktijk blijkt dat deze structuur 

mensen tot veranderingen aanzet, 

hetgeen in een eerdere fase binnen 

het circuit van vrijwillige hulpverle– 

ning niet lukte. 

Om voorlopige ondertoezichtstel– 
ling wordt gevraagd wanneer er een 
grote crisis binnen het gezin is 
ontstaan, dan wel escalatie dreigt of 
net heeft plaatsgevonden, of 
wanneer het gezin in een dergelijk 
vicieuze cirkel is geraakt, dat er grote 
conflicten dreigen die nadelig zijn 
voor het kind. Het verzoek tot 
voorlopige ondertoezichtstelling in 
combinatie met een uithuisplaatsing 
wordt tegen de achtergrond van het 
zojuist vermelde geplaatst. Uithuis– 
plaatsing heeft in dergelijke situaties 
tot doel, de conflicterende partijen 
(ouder - kind) te scheiden om 
verdere escalaties te voorkomen. Met 
het in de praktijk scheiden van de 
conflicterende partijen wordt 
beoogd, elk tot rust en bezinning te 
laten komen, waardoor er mogelijker– 
wijs een nieuwe basis gevonden 
wordt om verder te gaan. Het 
uitgangspunt is in dezen altijd 
hereniging van ouders en kind. 

Het is in alle gevallen de kinder– 
rechter die over het verzoek van de 
raad om een voorlopige ondertoe– 
zichtstelling uit te spreken, beslist. 
Wanneer hij het verzoek van de raad 
inwilligt, is het streven altijd om de 
duur van de voorlopig uitgesproken 
maatregel zo kort mogelijk te 
houden. Dat is vanwege het feit dat 
de wet geen beroepsmogelijkheid 
biedt. Zo snel mogelijk — gestreefd 
wordt naar een termijn van twee a 
drieweken - roept de kinderrechter 
de betrokkenen op ter zitting. Pas als 
de kinderrechter alle partijen gehoord 
heeft, spreekt hij de OTS eventueel 
uit. 

Wanneer de raad om een voorlopi– 
ge ondertoezichtstelling vraagt, 
moeten indien mogelijk de ouders en 
de betrokken minderjarige altijd van 
het voornemen op de hoogte 
gebracht worden. Ook het voorne– 
men tot uit huis plaatsen moet met 
betrokkenen vooraf besproken zijn. 
Na plaatsing wordt het adres bekend 
gemaakt aan de ouders en worden er 
verdere afspraken gemaakt over 
bezoekregelingen, enzovoort. 

Voorafgaande aan de zitting inzake 
de ondertoezichtstelling is met 
betrokkenen in ieder geval uitvoerig 
gesproken en overlegd. De ouders 
kunnen zich tijdens de behandeling 
ter zitting laten bijstaan door een 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


advocaat. Wanneer de kinderrechter 
een ondertoezichtstelling uitspreekt, 
bestaat voor de ouders de mogelijk– 
heid van beroep. De kinderrechter is 
in deze situaties niet alleen beoorde– 
laar, doch in geval van ondertoezicht– 
stelling tevens verantwoordelijk voor 
de uitvoering. Slechts in extreme 
gevallen wordt bij wijze van hoge 
uitzondering enigszins van voor– 
noemde aanpak afgeweken. Zoiets 
wordt bepaald door de onmogelijk– 
heid van overleg, veelal geblokkeerd 
door de ouders. 

Verder kan de raad aan de 
rechtbank verzoeken, de ouders uit 
de ouderlijke macht te ontheffen dan 
wel te ontzetten. De wettelijke grond 
voor de ontheffing is gelegen in de 
onmacht en voor de ontzetting in de 
onwil van de ouders ter zake van de 
opvoeding van het kind. De onmacht 
dan wel de onwil houdt een ernstige 
bedreiging in voor het kind of kan 
ernstige schade bij het kind veroorza– 
ken. Een en ander moet van dien 
aard zijn dat verdere gezagsuitoefe– 
ning door de ouders onverantwoord 
is. De twee laatstgenoemde maatre– 
gelen worden in de praktijk weinig 
gevraagd. Dit houdt verband met het 
gegeven dat er een spanningsveld is 
tussen de wettelijke gronden, de 
jurisprudentie en de maatschappelij– 
ke opvattingen over de genoemde 
maatregelen. 

Overeind blijft dat de raden 
uitwerking proberen te geven aan de 
bescherming van het kind, ondanks 
de vaak paradoxale verwachtingen. 
In de zaken die de media hebben 
gehaald, wordt de raden enerzijds 
verweten, niet of te laat te hebben 
ingegrepen, en anderzijds, in 
vergelijkbare gevallen, ten onrechte 
dan wel voorbarig te hebben 
ingegrepen. 

Ten slotte dient te worden 
opgemerkt dat in alle zaken waarin 
de raad onderzoek verricht, aan de 
betrokkene wordt uitgelegd wat de 
bedoeling en de inhoud van het 
onderzoek zijn. Tevens moet in het 
eerste contact een folder over de 
taak en de werkwijze van de raad aan 
de betrokkene worden overhandigd. 
Na afronding van het onderzoek 
wordt het concept-rapport ter inzage 
aan de betrokkene aangeboden. 
Opmerkingen en aanvullingen 
worden in het rapport opgenomen. 
Desgewenst kunnen de ouders een 
afschrift van het rapport ontvangen. 
Verder bestaat voor de ouders de 
mogelijkheid, een klacht in te dienen 

over de bejegening door de maat– 
schappelijk werkende in kwestie. 

Desondanks zijn er nogal wat 
ouders die zich door de werkwijze 
van de raad gepasseerd en rechte– 
loos gemaakt voelen. De vraag in 
dezen is of de minderjarige gelijk– 
waardige rechtsmiddelen ter 
beschikking staan. Mijns inziens kan 
deze vraag met nee beantwoord 
worden, met als consequentie dat de 
minderjarige zeer afhankelijk is en 
blijft in zijn belangenvertegenwoordi– 
ging. De indruk wordt meer dan eens 
gewekt dat de raden naar willekeur 
en eigen goeddunken handelen. 
Daarom lijkt de kanttekening op haar 
plaats dat er altijd een beoordelings– 
moment van een objectieve derde is, 
meestal de rechtbank na kennis te 
hebben genomen van de visie van de 
raad en de ouders. 

De heer Leerling (RPF): Mevrouw de 
voorzitter! Wij houden de rondetafel– 
gesprekken van vandaag en de vorige 
week wegens de klachten die wij van 
ouders hebben gekregen over het 
functioneren van de Raden voor de 
kinderbescherming, de kinderrechter 
en de hele gang van zaken in het 
circuit van de jeugdhulpverlening. 
Een van de belangrijkste aspecten 
hiervan is de toepassing van 
maatregelen waardoor kinderen van 
hun ouders worden gescheiden. De 
privacy wordt aangetast en het 
gezinsleven wordt ontwricht door het 
toepassen van die maatregelen. 
Hierover hebben ons veelvuldig 
klachten bereikt en daarom doen wij 
onderzoek en heeft ook de staatsse– 
cretaris onderzoek laten verrichten. 
Het is dus nogal wat, want dit komt 
niet elke dag voor. 

Ik herhaal een vraag die ik 
vanmorgen heb gesteld, maar 
waarop ik geen antwoord heb 
gekregen. Ik krijg de indruk dat men 
van de kant van de maatschappelijk 
werkers en de Raden voor de 
kinderbescherming de legitimiteit 
van de klachten probeert weg te 
moffelen. Men zegt dat het allemaal 
wel meevalt. Wij lezen het ook in de 
literatuur: als je alles op een rijtje zet, 
wordt er maar in 1 % van de gevallen 
geklaagd. De vraag is dan of wij ons 
hierover druk moeten maken. Dat 
hoor ik graag van u, want de 
toepassing van de maatregelen is 
zeer ingrijpend. 

Ik stel aan de maatschappelijk 
werkers, de heren Van der Heijden en 
Janssen, ook de vraag welke rol de 
positie van de ouders in hun werk 

speelt. U heeft te maken met een 
ten aanzien van een kind probleem 
maar u heeft ook met de positie van 
de ouders te maken. Deze is 
gedeeltelijk in wettelijke regels en 
bepalingen vastgelegd, zoals het 
Burgerlijk Wetboek en het Europees 
verdrag voor de rechten van de 
mens. Van het laatste noem ik artikel 
8, waarin het gaat om de bescher– 
ming van het gezinsleven en het 
recht op waarborgen daaromtrent. Ik 
hoor graag hoe u hierover denkt. 

U sprak er in de inleiding al over 
hoe diffuus het criterium van 
zedelijke en lichamelijke ondergang is 
geworden. De vorige week heeft 
iemand opgemerkt dat het in wezen 
om het welzijn van het kind gaat. Als 
een kind iets niet bevalt, wordt het 
welzijn aangetast en is het rijp voor 
een maatregel. Kunt u zich dit 
voorstellen? Nu ik uwverhaal heb 
gehoord, vermoed ik dat u het 
negatief zult beantwoorden. Het is 
echter een punt dat de ouders ons 
hebben voorgelegd. Ik voeg hieraan 
toe dat professor Hoefnagels enige 
tijd geleden op een studiedag heeft 
gezegd: als je het op de keper 
beschouwt, kan op grond van de 
criteria die nu worden gehanteerd 
door de maatschappelijk werkers, in 
casu de Raden voor de kinderbe– 
scherming, elk kind geacht worden, 
bedreigd te zijn. Herkent u zich 
daarin? Wilt u daarop reageren? 

Ik wil vervolgens een vraag 
voorleggen aan de heren Van Tol en 
Jeurgens. Worden de maatregelen 
die nu in de praktijk worden toege– 
past, legitiem geacht ten opzichte 
van de positie van de natuurlijke 
ouders? Wordt al het mogelijke 
gedaan om de relatie tussen ouder 
en minderjarig kind te herstellen? Ik 
meen dat dat ook altijd de bedoeling 
is geweest van OTS. Is dat ook uw 
instelling? Zegt u: wij zijn pas 
beschikbaar als al het mogelijke is 
gedaan, wij komen dan pas in het 
geweer? Controleert u ook of dat in 
het belang van de natuurlijke ouders 
is gedaan? 

Er zullen ongetwijfeld meer vragen 
zijn, maar wellicht kan op deze 
vragen al een reactie worden 
gegeven. 

Mevrouw Doelman-Pel (CDA): Wij 
hebben vanmorgen al even gespro– 
ken over de rapportage die herken– 
baar moet zijn en die feiten en 
conclusies moet bevatten. Ik kijk 
even in de richting van de heren 
Jeurgens en Van Tol. Zij moeten 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 128 


straks werken met de basisgegevens 
die in het rapport liggen voor de 
Raad voor de kinderbescherming. 
Dat is uiteindelijk de start voor uw 
werk. Eigenlijk bent u de volgende 
schakel in de hulpverlening. Kunt u 
uit de voeten met de rapportage? Is 
die inderdaad brulkbaar? Als die 
rapportage niet voldoende is, kan dat 
betekenen dat u uw werk niet goed 
kunt doen. 

Ik kom hiermee bij de kinderrech– 
ters. De kinderrechter zit altijd in een 
bepaalde positie. Het kan de 
gezinsvoogd makkelijk worden 
gemaakt: hij is niet verantwoordelijk 
want de kinderrechter heeft het kind 
uit huis geplaatst. Intussen moet u 
met kind, ouders en eventueel 
pleegouders werken. Ons is de klacht 
ter ore gekomen dat het nogal eens 
fout loopt met de poging om alle 
mensen op hetzelfde niveau geïnfor– 
meerd te houden in het belang van 
het kind. Pleegouders hebben vaak 
het idee dat zij geheel worden 
overgeslagen in het proces van 
hulpverlening. Hoe ziet u hun plaats? 
Gaat het om medewerkers in het 
kader van hulp aan het kind? 
Vervullen zij een ondergeschikte rol 
of zijn het echte hulpverleners? 

De heer Van der Heijden: Ik wil 
aritwoord geven op de eerste vraag 
van de heer Leerling: hoe kijken jullie 
aan tegen de klachten. Wij nemen de 
klachten heel serieus. Wij zeggen 
echter — dat is wellicht anders 
overgekomen — dat het beleid niet 
moet worden afgestemd op mogelij– 
ke klachten die een uitzondering 
vormen. Wij zeggen niet dat het 
slechts een gering percentage betreft 
dat de moeite niet waard is. Wij 
moeten echter waken voor het 
gevaar dat het beleid op zeer 
uitzonderlijke zaken wordt afge– 
stemd. 

De heer Janssen Ik zal proberen 
een antwoord te formuleren op de 
vraag wat de positie van de ouders is 
in het onderzoek. Ik kan ter gerust– 
stelling opmerken dat het uitgangs– 
punt van het onderzoek altijd is, dat 
de hulpverlening binnen de bestaan– 
de constellatie van het gezin kan 
plaatsvinden. Dat wordt zorgvuldig 
nagestreefd langs de hulpverlenings– 
methodiek van de systeembenade– 
ring, één van de meest recent 
ontwikkelde methodieken om hulp te 
verlenen aan gezinnen. Het onder– 
zoek heeft zeker niet het karakter van 
het drijven van een wig tussen 

ouders en kinderen. Wanneer 
kinderen en ouders erg ver uit elkaar 
zijn gegroeid, kun je daarvoor de 
ogen niet sluiten. Er wordt gekeken 
naar de wisselwerking die plaatsvindt 
in de onderlinge gezinsrelatie. Het 
streven is om na de diagnose zulks 
nader inhoud te geven met inschake– 
ling van het circuit van de vrijwillige 
hulpverlening. Als dat niet lukt, zul je 
tot een afweging moeten komen: laat 
je het probleem maar voor wat het is, 
of moet je als kinderbescherming 
stelling nemen en de belangen van 
het kind verder behartigen? Het 
conflict is ook tijdens het onderzoek 
onveranderd gebleven, gepoian 
seerd. De afweging die je dan moet 
maken: of je laat het erbij zitten of je 
meldt het probleem weer bij de 
vrijwillige hulpverlening. Als je de 
garantie niet hebt, dat er daar iets 
aan wordt gedaan, moet je dat 
misschien niet doen en uitgaande 
van het belang van de minderjarige 
kiezen voor het opstarten van 
gedwongen hulpverlening. 

De heer Leerling (RPF): Kunt u het 
percentage geven van het aantal 
gevallen waarin men erin slaagt om 
de relatle tussen ouder en minderjari– 
ge weer te herstellen? 

De heer Janssen Herstellen kun je 
die niet tijdens het raadsonderzoek. 
Je werkt voorwaardenscheppend om 
tot een relatieherstel te komen. 

De heer Leerling (RPF): Maar het 
zou kunnen dat de ouder en het kind 
weer met elkaar in contact worden 
gebracht, zodat geen maatregel 
nodig is. 

De heer Janssen: Vanmorgen heb ik 
de statistische cijfers bekeken. Die 
staan in het jaarverslag van de raad. 
Daaruit heb ik begrepen, dat in nog 
niet helemaal 50% van de gevallen 
een maatregel wordt gevraagd. 

De voorzitter Misschien is dit een 
punt voor de vertegenwoordigers van 
de voogdij– en de gezinsvoogdij-in– 
stellingen. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Voorzitter! Misschien kunnen die ook 
iets zeggen over het ontbreken van 
een behandelplan. Daarover ging één 
van de klachten. Ook hebben wij 
gesproken over de diagnosestelling. 
Klopt het, dat er op grond van de 
diagnosestelling bij de raad geen 
behandelplan is? Zo'n plan zou in het 

vervolg van het proces aan de orde 

kunnen komen. Na inzage bij de 

kinderrechter kan het naar de 
voogdij-instelling gestuurd worden. 

In dat plan kan aandacht besteed 
worden aan terugkeer, of aan een 
relatie met het ouderlijk huis. Men 

kan in ieder geval proberen de relatie 
zo redelijk mogelijk te maken. Is aan 
zoiets gedacht? 

De heer Van Tol: Voorzitter! Ik wil 
eerst ingaan op de opmerking van de 

heer Leerling over de klachten. De 
klachten vormen de aanleiding voor 
deze bijeenkomst en een recent 

rapport. 

De heer Dijkstal (VVD): Dat is niet 

helemaal waar. U dient te beseffen, 
dat alle fracties in de Kamer al 
minstens vijf jaar bezig zijn met de 
vraagstukken waarover wij het 
vandaag hebben. De behandelmg is 
gecompliceerd door een aantal 
ontwikkelingen, door aantallen, door 
capaciteitsdiscussies enzovoorts. De 
klachten zijn voor ons niet de 
oorzaken van het onderzoek, maar 
eerder de aanleiding. Wij beseffen 
zelf ook, dat wij het gevaar lopen, dat 
de klachten die ons toevallig bereikt 
hebben, bepalend zijn voor de 
discudsie. Die klachten zullen een rol 
spelen, maar wij moeten niet een te 
absolute betekenis aan de klachten 
op zichzelf hechten. 

De heer Van Tol: Ik ben blij met uw 
toelichting. Ik heb vanmorgen al 
gezegd dat voor ons klachten 
signalen zijn die behulpzaam kunnen 
zijn bij het verbeteren van de 
kwaliteit. De overheid mobiliseert nu 
geweldige politieke aandacht naar 
aanleiding van de klachten. Dat 
betekent dat de opdrachtgever voor 
ons soort instellingen kennelijk 
gemotiveerd wordt als er klachten 
zijn. Dat lijkt een negatieve gemoti– 
veerdheid en dat werkt door in de 
werkuitvoering. Een boekje in de 
Marka-reeks gaat over het allerbelang– 
rijkste management-principe. U 
begrijpt, dat je snel naar zo'n boekje 
grijpt als je ons vak uitoefent. In dat 
boekje gaat het slechts over één 
begrip en dat is "waardering". 
Waardering kan ook ontzettend 
stimulerend werken. Indien de 
aandacht alleen maar ontstaat naar 
aanleiding van het feit dat er 
klachten zijn, is dat vaak voor de 
werkuitvoering ontmoedigend. Dit 
was een reactie op de opmerking 
over de klachten. De heer Dijkstal 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


heeft met zijn opmerking ook al veel 

over de kwestie gezegd. 

De heer Leerling (RPF): Ik sluit mij 

geheel aan bij datgene wat de heer 

Dijkstal heeftgezegd. Misschien heb 

ik mij niet nauwkeurig genoeg 

uitgedrukt. Daarvoor mijn excuses. 

De heer Van Tol: Er is gevraagd wat 
de positie van de ouders is. Welke rol 
spelen zij in bedoelde zaken? Ook in 
verband met de te nemen maatrege– 
len is dit gevraagd. 

Op de voogdij– en gezinsvoogdij– 
instellingen houdt men zich met 
allerlei zaken bezig, onder andere 
met het vraagstuk van de identiteit. 
Daarbij spelen dit soort vragen een 
belangrijke rol. Bij dit onderdeel van 
de discussies zijn wij het volstrekt 
met elkaar eens. Het is heel helder 
dat een kind, welke probemen dat 
ook met zijn ouders heeft, altijd een 
natuurlijke of biologische loyaliteit 
ten opzichte van de ouders heeft. Er 
is wat dat betreft een onverbrekelijke 
band. Daarmee moeten wij rekening 
houden in ons werk. Hiermee houden 
wij ook rekening. Dat betekent 
overigens niet dat dit het einde van 
het verhaal is. Immers, heel jonge 
kinderen die in een gevoelige periode 
zijn rondom het ontwikkelen van 
loyaliteiten kun je niet zomaar van de 
ene op de andere dag dan hier, dan 
daar plaatsen. Het zou wenselijk zijn 
om zelfs bij de plaatsing van kinderen 
in een pleeggezin, zeker op jongere 
leeftijd, grenzen te stellen aan de 
mate waarin er teruggeplaatst kan 
worden. Het blokkaderecht is daar al 
een hulpmiddel bij. Er zou wellicht op 
doorgedacht kunnen worden, want 
die pleegouders zijn er ook. 

Er is gevraagd hoe wij omgaan met 
de positie van pleegouders. Ik denk 
dat hier best hardop gezegd mag 
worden dat daar in de discussie 
rondom de pleegzorg en de pleegou– 
ders door de voogdij/gezinsvoogdij– 
instellingen, gelet op het belang dat 
zij erbij hebben en gelet op hun 
marktaandeel, in de recente geschie– 
denis te weinig aandacht aan is 
gegeven. Binnen Vedivo is dat 
nadrukkelijk onderkend. Wij zijn 
intensief bezig om daarin een 
inhaalmanoeuvre te doen. De 
discussies die de laatste maanden 
dan ook zeer intensief plaatsvinden, 
gaan daarover. Ik kan u zeggen dat, 
naast een aantal elementen die 
rondom de pleegzorg van belang zijn, 
heel vanzelfsprekend komt bovendrij– 
ven dat de aandacht voor de 

pleegouders, de begeleiding, de 

voorbereiding en de positie van de 

pleegouders veel meer nadruk moet 

krijgen en dat er ook meer energie in 

gestopt moet worden. Pleegouders 

zijn van onschatbare waarde. 

De voorzitter: De suggestie is 
gewekt, onder andere door de 
Nederlandse vereniging van pleegge– 
zinnen, dat het goed zou zijn om de 
pleegouders te betrekken bij de 
opstelling van een behandelingsplan 
hoe de hulpverlening vorm zou 
krijgen, dat er in feite een soort 
contract gesloten zou moeten 
worden tussen instellingen en 
pleegouders over de wijze waarop de 
uitvoering van zo'n hulpverlenings– 
plan zou moeten plaatsvinden. Voelt 
u iets voor zo'n scherpe betrokken– 
heid van pleegouders en eventueel 
de natuurlijke ouders? 

De heer Van Tol: Ik denk dat het 
zeer wel te overwegen is om in die 
zin behandelingsplannen op te 
stellen. Een discussiepunt daarbij is 
of een pleegouder een gedeelte is 
van het doelsysteem of van het 
dienstverleningssysteem. Indien je 
pleegouders uitsluitend zet in het 
doelsysteem, doe je hun geen recht. 
Dan doe je geen recht aan hun 
verantwoordelijkheid en aan hun 
positie. Het is zeer wel de moeite 
waard om te overwegen om hen 
meer te trekken naar het dienstverle– 
ningssysteem. Dat zou zijn uitwerking 
kunnen hebben door hen ookte 
betrekken bij het behandelingsplan. 

Mevrouw Doelman-Pel (CDA): Een 
van de klachten was dat zij weinig 
inzage hebben in zaken waarin 
ouders wel worden betrokken, terwijl 
zij erbuiten worden gehouden. Dat 
geldt bijvoorbeeld voor de rapporta– 
ge van de raden. Zij weten vaak zelfs 
niet wat er over hen wordt geschre– 
ven. Als er bijvoorbeeld al een 
plaatsing is geweest en er een 
maatregel uitgelokt moet worden, 
dan worden pleegouders relatief als 
buitenstaanders beschouwd. 

De heer Van Tol: Er zijn allerlei 
soorten pleegouders; zij zijn er ook in 
verschillende mate bij betrokken. Dat 
maakt de beantwoording van een 
dergelijke vraag wat lastig. Boven– 
dien is voor ons een helder probleem 
van de pleegzorg dat de regelgeving, 
de wijze waarop wordt omgegaan 
met de pleegzorg in Nederland veel 
te versnipperd is. Ook dat maakt een 

beantwoording van uw vraag lastig. 

Maar ik hoop dat u uit mijn woorden 

kunt begrijpen dat wij hen er zeer 

intensief bij betrekken. Dat behoort 
vanzelfsprekend te worden nage– 

streefd. 

De heer Jeurgens: Recentelijk is het 
STAP-programma van start gegaan, 
dat een heel grote verbetering van de 
kwaliteit van de pleegzorg kan 
betekenen. Een fundament daarvan is 
dat van meet af aan pleegouders 
actief betrokken zijn, ook bij het zich 
inselecteren. Ik denk dat deze lijn 
naar de toekomst de grootste kracht 
zal krijgen. 

De heer Van Tol: Er is gevraagd of 
de rapportage van de raad voldoende 
gegevens oplevert voor het opstellen 
van een hulpverleningsstrategie voor 
de voogdij/gezinsvoogdij-instellin– 
gen. Op grond van hetgeen ik kan 
overzien, kan ik de vraag bevestigend 
beantwoorden, zij het dat de 
rapportage van de raad altijd 
aanleiding is voor een gesprek met 
iemand die bij ons een dergelijke 
zaak "intaket", en er naar aanleiding 
van die rapportage ter plekke 
aanvullende vragen kunnen worden 
gesteld. Vervolgens wordt die intake 
meegenomen naar ons intakeoverleg, 
waarbij nog eens uitdrukkelijk wordt 
doorgenomen, wat dit precies 
betekent. Soms kan dit leiden tot 
verdere aanvullende vragen, maar 
meestal is dat niet het geval, en op 
grond daarvan kunnen wij dan aan de 
slag. Aan de slag gaan betekent het 
opstellen van een behandelingsplan, 
een hulpverleningsplan. Is dat er 
altijd? Ja, zij het dat de verschijnings– 
vorm daarvan varieert. 

Mevrouw Doelman-Pel (CDA): Een 
van de klachten is dat, als het kind uit 
huis is geplaatst, het circuit is 
verbroken, want voogdij– en gezins– 
voogdij-instellingen hebben het 
redelijk druk. Dus als het kind daar 
zit, vinden er te weinig checks plaats 
om te zien of die uithuisplaatsing wel 
verlengd moet worden. U zegt dat 
het behandelingsplan verschillende 
vormen heeft, en ik voeg daaraan toe 
dat het ook heel flexibel is. Met 
andere woorden: als een kind uit huis 
wordt geplaatst, wordt een stuk 
verantwoordelijkheid overgedragen, 
met als achterliggende gedachte dat 
er professionals aanwezig zijn, zodat 
de voogdij– en gezinsvoogdij-instel– 
lingen wat meer op de achtergrond 
kunnen gaan opereren. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


De heer Van der Heijden Even ter 
toelichting het volgende. De 
bedoeling van het presenteren van 
een behandelingsplan aan de 
kinderrechter is dat je niet alleen 
probeert aan te geven dat het kind 
uit huis moet, maar ook de bedoeling 
ervan schetst. Een andere mogelijk– 
heid is dat daarin om een nadere 
diagnose wordt gevraagd, of dat 
wordt aangegeven welke problema– 
tiek verder uitgewerkt dient te 
worden. Je brengt dus in kaart wat je 
verwachting is, zodat de ouders 
weten waar zij aan toe zijn. Dat is de 
bedoeling van het behandelingsplan. 

Mevrouw Doelman-Pel (CDA): Ik 
stel mijn vraag kennelijk helemaal 
verkeerd, want dat bedoel ik 
natuurlijk niet. U zegt zelf, een hoge 
case-load te hebben. Als een kind 
wordt geplaatst in een vrijwillig 
circuit, bijvoorbeeld in een pleegge– 
zin (voor zover je dat vrijwillig mag 
noemen) dan is daar toch sprake van 
een andere relatie dan wanneer een 
kind is geplaatst in een tehuis waarin 
allerlei deskundigen rondlopen. Mag 
ik aannemen dat de contacten altijd 
evenwichtig zijn en dat het behande– 
lingsplan altijd, dus onafhankelijk van 
waar het kind is geplaatst, na een 
half jaar wordt getoetst? 

De heer Van Tol: Het behandelings– 
plan wordt altijd getoetst. Ook in een 
internaat zou je kunnen plaatsen en 
na een half jaar kunnen toetsen. In 
beide gevallen kan dat voorkomen. In 
de praktijk die ik kan overzien, komt 
dat overigens niet in die mate voor. 
Integendeel, er worden goede 
contacten onderhouden. Dat 
betekent ook niet dat er wekelijks 
iemand aan de deur komt, want dat 
is niet altijd nuttig en nodig. Er moet 
in ieder geval wel regelmatig 
gerapporteerd worden. 

De heer Jeurgens Ter toelichting 

nog het volgende. Het is niet zo dat 
men na plaatsing in een tehuis 
overgaat tot de orde van de dag. De 
maatregel brengt het werken aan het 
hele systeem met zich mee. Uit de 
praktijk bij mijn instelling blijkt dat 
keihard de norm wordt gehanteerd 
dat maandelijks contact wordt 
gezocht met een bepaald kind in een 
bepaald internaat. Daar rapporteer je 
over, en dat rapport wordt met de 
praktijkleider geëvalueerd om te zien, 
of het behandelingsplan moet 
worden bijgesteld of dat er voor 
verlenging moet worden zorggedra– 

gen. In de laatste jaren is dat enorm 

gegroeid, wat ook geldt voor het 

besef dat je dat niet allemaal 

ongecontroleerd kunt laten gaan. 

De heer Leerling (RPF): Ik wil nog 
graag een vraag stellen aan de 
vertegenwoordigers van de Vedivo. 
Zij hebben net gezegd dat zij werken 
vanuit het principe van de ouder/ 
kind-band, een band die onverbreke– 
lijk is. Hoe vullen zij in de praktijk de 
positie van de gezinsvoogden in, met 
het oog op de natuurlijke ouder en de 
pleegouder? Geven zij inderdaad 
invulling aan het principe dat zij 
proberen uit te dragen? 

Verder wil ik aan de maatschappe– 
lijk werkers en de vertegenwoordi– 
gers van de raden voor de kinderbe– 
scherming vragen of er enigerlei 
vorm van evaluatle van de ondertoe– 
zichtstelling is, waarmee na verloop 
van tijd kan worden bekeken wat de 
vorderingen zijn op weg naar het doel 
dat beide partijen zeggen na te 
streven, namelijk herstel van de 
relatie tussen natuurlijke ouders en 
kind. Is die evaluatie er en, zo ja, 
waaraan moet zij voldoen? 

De heer Van Tol: Mevrouw de 
voorzitter! De heer Leerling stelt de 
tweede vraag aan de raden, maar ik 
wil er ook iets over zeggen met 
betrekking tot mijn instelling. Wij 
hebben de gewoonte om elk half jaar 
alle in dat halve jaar uitgesproken 
ondertoezichtstellingen met de raden 
te evalueren. Dan wordt bekeken, of 
de OTS terecht was en of de 
veronderstellingen die meespeelden, 
door de praktijk worden bevestigd of 
juist worden ontkend. 

Dan de eerste vraag. Bij de 
voorbereiding en de screening van de 
pleegouders en vervolgens bij de 
matching - het gaat dan om de 
vraag, of een bepaald kind in een 
bepaald gezin past — gaan wij 
nadrukkelijk na, of er bij de pleegou– 
ders, zowel uitgesproken als 
onuitgesproken, voldoende ruimte 
bestaat om een plaats te geven aan 
de natuurlijke ouders, indien zij een 
kind in hun gezin opnemen. 

De heer Oosting: Ik stak zojuist mijn 
hand op om een mogelijk misver– 
stand weg te nemen. Ik zeg niet dat 
het bewust gebeurt — de indruk zou 
echter wel kunnen ontstaan - maar 
men praat hier alsof OTS gelijk staat 
aan uithuisplaatsing. Dit is echter 
lang niet altijd het geval. Vaak blljven 
de kinderen thuis, maar dan wordt 

er een maatregel genomen om het 
systeem te ondersteunen. Relatieher– 
stel is dan niet het doel. Ook bij 
uithuisplaatsing is er nog altijd een 
relatie, maar het gaat erom het 
systeem self-sufficient te maken. 

Dan de vraag over de evaluatie van 
het nut en de effectiviteit van de 
OTS. Ik concludeer uit de opmerkin– 
gen van de heer Van Tol, dat de 
ervaringen ter zake nogal variëren. In 
mijn arrondissement worden 
ondertoezichtstellingen na verloop 
van tijd niet systematisch met de 
raad geëvalueerd. In het regulier 
overleg met de gezinsvoogdij en de 
kinderrechters hebben wij dit wel 
bepleit vanuit de raad, maar zover is 
het nog niet gekomen. Voor ons is 
deze kwestie van belang om te 
kunnen inschatten of de basis 
waarop wij ondertoezichtstellingen 
vragen, in de praktijk gerechtvaar– 
digd blijkt te zijn. Het omgekeerde 
komt wel voor, namelijk dat je ad hoc 
in de clinch raakt, omdat ondertoe– 
zichtstellingen worden opgeheven 
door de kinderrechter, zogenaamd 
"bij gebrek aan baten", vanwege het 
feit dat er inderdaad niets meer te 
verhapstukken valt. Vervolgens komt 
de zaak twee jaar, één jaar of twee 
maanden later weer vrolijk bij ons 
terug. Het zal dan vaak om oudere 
kinderen gaan, maar de kinderrech– 
ters worstelen ook enorm met dit 
probleem. De stelling daar is, dat als 
men echt geen verantwoordelijkheid 
kan nemen voor een minimaal effec– 
tieve hulpmaatregel, de ondertoe– 
zichtstelling ook niet moeten worden 
gehandhaafd, want dan is men 
verkeerd bezig. Dat geldt dus zowel 

voor de overheid als de kinder– 
rechter. Het probleem ligt echter nog 
wel levensgroot op tafel. 

De voorzitter: Als er niet systema– 
tisch wordt geëvalueerd, kun je je 
afvragen op grond waarvan besloten 
wordt om iets te verlengen, of met 
iets te stoppen. 

De heer Oosting Dan nog iets over 
het herstel van de relatie. Dat is de 
formele opdracht binnen de onder– 
toezichtstelling als het om een 
uithuisplaatsing gaat. Er zijn natuur– 
lijk vaak situaties waarbij je gewoon 
weet dat dit er niet in zit. Er zit 
bijvoorbeeld één ouder in een 
psychiatrische inrichting. Zelfs in 
minder zware en duidelijke gevallen 
weet je soms dat het gewoon niet 
meer kan. Toch wordt dan een 
ondertoezichtstelling gebruikt in 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 131 


plaats van een zwaardere maatregel, 
want die is, waarschijnlijk terecht, uit 
de mode geraakt door de maat– 
schappelijke opvattingen. Je zit dan, 
gezien de wettelijke constructie, in 
wezen met een oneigenlijke gang van 
zaken, omdat het een kwestie is van 
het uitzitten van de rit om na 
anderhalf jaar uithuisplaatsing te 
kunnen overgaan tot de zogenaamde 
verderstrekkende maatregel, namelijk 
de ontheffing. De teneur is om de 
lichtst mogelijke maatregel te kiezen, 
ook bij situaties waarin je, gezien de 
wettelijke basis, een voorlopige 
toevertrouwing zou kunnen uitlokken. 
Ook dan wordt vaak gekozen voor 
een voorlopige ondertoezichtstelling, 
omdat je daarmee hetzelfde kunt 
bereiken, namelijk het veiligstellen 
van de onmiddellijke belangen van 
het kind. 

Dan kom ik weer terug bij de 
opmerkingen van mijn collega over 
het maatregelpakket. Dit pakket is in 
de loop van de tijd een heel ruime jas 
geworden, waarin je heel veel kan, 
maar bepaalde dingen misschien ook 
niet of onvoldoende. 

De heer Willems: Mevrouw de 
voorzitter! Ik wil twee feitelijke 
opmerkingen maken naar aanleiding 
van het betoog van de heer Van der 
Heijden. Hij heeft gesproken over de 
voorlopige toevertrouwing. Hij heeft 
gezegd, dat de rechtbank na een 
tijdje wordt gevraagd om deze 
kwestie al of niet te bekrachtigen. Hij 
heeft verder gezegd, dat vervolgens 
beroep kan worden ingesteld bij een 
hoger college. Dat is echter niet het 
geval. Dat wil ik voor de goede orde 
even opmerken. De eventuele 
bekrachtiging van een voorlopige 
toevertrouwing is niet vatbaar voor 
een hogere voorziening. De voorlopi– 
ge OTS is ook niet vatbaar voor een 
hogere voorziening. 

Verder heeft de heer Van der 
Heijden gezegd: voordat wij een 
voorlopige toevertrouwing aan de 
raad willen uitlokken, horen wij de 
ouders altijd. Ik heb hem daar geen 
reserve bij horen maken. Ik weet 
echter uit de praktijk dat dit niet altijd 
gebeurt. 

De heer Vlaardingerbroek: 
Mevrouw de voorzitter! Ik wil een 
paar opmerkingen maken naar 
aanleiding van het betoog van de 
heer Van der Heijden. Hij heeft 
gezegd dat bij het contact de folder 
"Taak en werkwijze van de kinderbe– 
scherming" wordt uitgereikt. Die 

folder munt echter uit in onduidelijk– 
heid. Er is vanmorgen al even gezegd 
dat er gewerkt wordt aan een 
duidelijker folder. Dat zal waarschijn– 
lijk weer een folder zijn die door het 
ministerie wordt verstrekt. Ik pleit 
ervoor dat in de folder ook informatie 
uit de eigen instelling komt te staan, 
bijvoorbeeld wie de directeur is, met 
welke maatschappelijk werkers van 
de desbetreffende unit de cliënt te 
maken kan krijgen en wie het 
unithoofd is. Verder moeten de 
openingstijden van de raad erin 
worden vermeld. Dat zou een 
waardevolle aanvulling zijn. 

De raad staat voor het belang van 
de kinderen. De heer Van Gent heeft 
dat zojuist herhaald. Ik hoor wel eens 
van gevallen dat de raad niet bij 
gezinnen binnenkomt, omdat de 
situatie dermate bedreigend is voor 
de maatschappelijk werker dat men 
het maar zo moet laten. Mijn vragen 
aan de medewerkers van de raad zijn 
dan ook: zijn de handvatten die op 
grond van de wet aan u zijn gegeven 
voldoende, zou u meer willen of vindt 
u het bij het leven horen dat men 
bepaalde zaken niet aan kan? 

De heer Van Gent: Het gaat nu wel 
een heel andere kant op. Ik denk dat 
wij voldoende mogelijkheden hebben. 
Er zullen zich altijd situaties voor– 
doen, waarin je je moet afvragen of 
het belang van je eigen medewerker, 
het pure lijfsbehoud, voorrang heeft 
boven het belang waarvoor je moet 
staan. Dat is natuurlijk moeilijk en dat 
moet je heel goed bekijken. Er was 
laatst sprake van een situatie, waarin 
een maatschappelijk werker en 
mensen van het CAD heel duidelijk 
bedreigd werden door een zwaar aan 
drugs verslaafde figuur, die een kind 
had verwekt om zijn leven wat 
mooier te maken. Wij vonden die 
situatie niet zo goed voor het 
opvoeden van een kind en wilden het 
kind daar dus uithalen. Wij werden 
echter bedreigd met doodslag. De 
politie gaf aan dat die dreiging, gelet 
op hetgeen men van hem wist, heel 
reëel was en dat wij die heel serieus 
moesten nemen. Dan zit je dus in een 
dilemma: ga je verder of niet? De 
politie gaf aan dat hij wellicht 
gevoelig was voor autoriteit. Daarom 
hebben wij besloten dat de directeur 
een gesprek zou voeren met de 
betrokkene. Ik heb dus persoonlijk 
met die man gesproken, waarbij ik 
mijn directeursgezicht heb getrokken 
en heb gezegd dat hij geen mensen 
moest bedreigen. Hij leek daar wel 

vatbaar voor. Daardoor ontstond er 
wat ruimte om wat te regelen. Daar 
kwam uit dat het kind weliswaar bij 
hem in huis zou blijven, maar dat hij 
de hulpverlening in huis toe zou 
laten. Dit voorbeeld geeft aan dat je 
soms oplossingen kunt vinden, maar 
dat dat niet afhankelijk is van de 
middelen die je hebt, maar van de 
ruimte die de cliënten je bieden en 
van de gekozen aanpak. Ik zie niet in 
dat wij nog meer mogelijkheden 
nodig zouden hebben, althans niet in 
de sociale sector. De situatie in de 
financiële sector is natuurlijk een heel 
ander verhaal. 

De heer Dijkstal (VVD): Ik wil graag 
twee vragen stellen. De eerste wil ik 
stellen aan de heren Van Tol en 
Jeurgens. Zij betreft de rechtspositie 
van de voogdij– en gezinsvoogdij-in– 
stellingen, de mensen die daar 
werken en de pleegouders. Heeft u 
nog wensen als het gaat om de 
rechtspositie van die actoren in het 
veld, zowel — ik ga het ingewikkeld 
zeggen en ik hoop dat ik het zelf nog 
snap - in het protocollaire gedeelte 

— dat betreft die sectoren waarvan 
wij al eerder gezegd hebben dat daar 
een protocol voor zou moeten zijn, 
een soort afspraak hoe je iets doet in 
dat circuit - als in het procedurele 
circuit, richtlijnen en regels, bijvoor– 
beeld omtrent de werkwijze van 
raden, en in het processuele circuit, 
als men eenmaal voor de kinderrech– 
ter staat? Zijn er voor de door mij 
genoemde mensen leemtes in de 
wet– en regelgeving, waardoor zij een 
te zwakke rechtspositie hebben? 
Heeft u suggesties op dit punt? 
Mijn tweede vraag ligt in het 
verlengde hiervan. Wij hebben het 
over kinderen, natuurlijke ouders, 
voogdij en pleegouders. Ik laat 
gemakshalve de grootouders en 
andere familie even buiten beschou– 
wing. Ik wil het overigens niet over 
de normatieve kant van de zaak 
hebben, want daar komen wij bij de 
bespreking van het laatste thema nog 
wel op terug. Ik vraag mij af of, 
wanneer je de rechtspositie van elk 
van de betrokkenen vergelijkt, er in 
de praktijk geen onhanteerbare 
botsingen kunnen ontstaan. Dat zou 
u dan moeten zien en weten. Als dit 
het geval is, is het nuttig voor de 
commissie om dat te weten. Dat 
moet dan op de een of andere 
manier leiden tot aanpassing van de 
wet– en regelgeving. Heeft u daar 
zicht op? 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


De heer Van Tol: Ik moet eerlijk– 
heidshalve zeggen dat ik zo voor de 
vuist weg geen compleet antwoord 
op uw vragen kan geven. Ik zal 
enkele aangrijpingspunten noemen. 
De "dubbele pet" van de kinderrech– 
ter is al eerder genoemd. Dat is een 
element dat zeker meespeelt. Wij 
lopen daar wei eens tegenaan. 
Vanmorgen is de aansluiting tussen 
de vrijwillige hulpverlening en de 
maatregelhulp genoemd. Dat is zeker 
ook een punt. 

De honorering van de pleegouders 
verdient zeer veel aandacht. Jaren– 
lang zijn de bedragen niet bijgesteld. 
Ik zal "Oort" in dit verband buiten 
beschouwing laten, want dat begint 
zo langzamerhand een vloekte 
worden. Deze operatie werkt echter 
wel ernstig belemmerend. Er is 
eerder opgemerkt dat er situaties zijn 
waarin pleegouders worden betaald 
voor de werkzaamheden die zij 
verrichten. Kortom, ook dit is een 
belangrijk punt. 

De heer Jeurgens: Ik denk dat wij 
het meest in gebreke moeten blijven 
bij het protocollaire gedeelte. Andere 
deskundigen kunnen overigens beter 
beoordelen op welke wijze de 
kinderrechter met zijn functies daarin 
een rol speelt. 

Wat het procedurele circuit betreft 
het volgende. Het is van belang dat 
je goede afspraken maakt met de 
pleegouders en met degenen aan wie 
je moet rapporteren. Je moet zorgen 
dat het voor de cliënten inzichtelijk is 
wat je doet. Gebruikelijk is dat de 
rapporten aan de kinderrechter 
ingezien worden door de ouders. 
Vaak zie je dan aan het eind de 
toevoeging: edelachtbare, die en die 
zal niet ter zitting verschijnen, want 
hij of zij is het met bovenstaande 
volledig eens. Op deze wijze kun je in 
de procedure mensen duidelijk 
maken waar je mee bezig bent. 

De heer Dijkstal (VVD): Er zijn in de 
praktijk via richtlijnen allerlei 
werkafspraken tot stand gekomen. Er 
zijn afspraken binnen de raden, 
tussen de raden en de voogdij-instel– 
lingen en tussen deze instellingen en 
pleegouders. Hebben alle actoren 
een gelijke positie of is de een 
machtiger dan de ander? U heeft al 
een groep aangeduid die vrij zwak 
staat, namelijk de pleegouders. Dat 
wisten wij overigens ook wel. 

De heer Jeurgens: Je kunt dit 
verder doortrekken. Een goed 

functionerende instelling is een basis 
van waaruit goede hulpverlening 
gegeven kan worden. In de totale 
procesgang moet de instelling zeer 
creatief zijn. Wij hebben geen 
mensen die direct onze belangen 
behartigen. Wij hebben een aantal 
mensen zo gek gevonden om 
bovenop hun eigen taak iets te doen 
in Vedivo-verband. Van daaruit 
worden lijnen doorgetrokken naar 
overheden en wat dies meer zij. Deze 
ad-hoc-situatie waarbij ik er moeite 
mee heb om de vrede met het 
thuisfront te bewaren, duurt nu 1 
jaar. Er zou wel iets aan gedaan 
kunnen worden om een en ander 
processueel zodanig te laten 
verlopen, dat de zaak niet vastloopt. 

De heer Van Tol: Met name de 
landelijk werkende organisaties 
melden ons, dat er nogal wat 
verschillen zijn per arrondissement in 
de manier waarop allerlei regels 
worden uitgelegd of toegepast, of 
soms ook worden aangevuld met 
allerlei afspraken. Ik geef een 
voorbeeld. Per arrondissement wordt 
door de voogdij-instellingen zeer 
verschillend gehandeld bij de 
melding van een thuisplaatsing van 
een kind aan de Raad voor de 
kinderbescherming en in de wijze 
waarop de Raad voor de kinderbe– 
scherming hier vervolgens mee 
omgaat. Zo zijn er meer onduidelijk– 
heden, die per arrondissement 
kunnen verschillen. Het zou zeer 
wenselijk zijn om hierin veel meer 
eenheid te brengen. Dat is zeker een 
wens onzerzijds. 

Er is al eerder opgemerkt — maar 
dit valt enigszins buiten de door de 
heer Dijkstal gestelde vraag — dat er 
nog steeds een aantal algemene 
maatregelen van bestuur in de 
"pipeline" zitten. Deze kunnen dus 
nog geen duidelijkheid geven. Deze 
bevatten vanwege op zich goede 
redenen nogal wat "container"-begrippen 
die ook nog uitgewerkt 
moeten worden. Er is veel onduide– 
lijkheid. 

De heer Willems Ikwil graag iets 
zeggen over de positie van de diverse 
belanghebbenden, ouders, pleegou– 
ders, etcetera. Het is duidelijk dat die 
belangen kunnen botsen. Ouders 
kunnen zich uiteraard bedreigd 
voelen door pleegouders die wellicht 
voor langere termijn de zorg voor het 
kind overnemen. Er is dan duidelijk 
sprake van een belangenconflict. 
Wanneer een kind in het kader van 

de OTS bij pleegouders is geplaatst, 
is er weinig confrontatie tussen de 
diverse belanghebbenden voor het 
forum van één rechter. De rechter 
spreekt wel met de diverse betrokke– 
nen, maar meestal niet tegelijkertijd. 
Dit geeft een onoverzichtelijke 
situatie. Ik kan mij voorstellen dat 
betrokkenen hierdoor het idee 
hebben, dat zij geen greep op de 
situatie hebben. Het raadplegen van 
een meestal niet zo toegankelijk of 
soms niet zo volledig dossier werpt 
soms wat meer licht op de zaak. Pas 
als er door iemand appel wordt 
ingesteld tegen bijvoorbeeld een 
verlenging van een plaatsing, zie je 
dat bij het hof alle partijen bij elkaar 
komen. Het is wel eens verhelderend, 
wanneer vanuit de diverse invalshoe– 
ken betrokkenen hun zegje doen. De 
diverse invalshoeken, de diverse 
botsende belangen komen dan aan 
bod. De rechter is dan ook de rechter 
die boven de partijen staat. 

Ik vind het een manco van de 
huidige OTS dat er een aantal lijnen 
door elkaar lopen. Ik heb het idee dat 
betrokkenen het Kafka-achtige 
gevoel hebben: wat is hier aan de 
hand? Ook in dat eerdere stadium 
moet er iets verbeteren. Het moet 
niet zo zijn dat slechts een appel bij 
het hof, na zoveel tijd, alle betrokke– 
nen in een vertrek bij elkaar brengt. 
Dat moet op een andere manier 
beter kunnen. Het appel is soms ook 
een te zwaar middel. Het hoeft niet 
altijd door middel van een hoger 
beroep. Er moet in een vroeger 
stadium meer samenspraak zijn. 

De heer Oosting Ik wil iets zeggen 
over de situatie van betrokkenen. Er 
is een specifieke situatie waarin de 
positie van pleegouders nogal in het 
geding is, althans moeilijk ligt. Het 
betreft de zogenaamde verderstrek– 
kende maatregel. Ik noemde dit punt 
zostraks al. Als een OTS met 
plaatsing niet tot het beoogde doel 
van relatieherstel en terugplaatsing 
leidt, dan zal na een beperkte tijd van 

1,5 jaar de kinderrechter aan de raad 
vragen of een ontheffing aangewe– 
zen is. Als de ouders het hiermee 
eens zijn, is dit geen probleem. Als 
de ouders het er niet mee eens zijn, 
zal de raad na onderzoek een 
ontheffing aan de kinderrechter 
vragen. Dan zal de kinderrechter c.q. 
de rechtbank moeten bezien of 
hiervoor termen aanwezig zijn. De 
rapportage vanuit de gezinsvoogdij is 
dan natuurlijk een heel belangrijk 
element. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


De Hoge Raad heeft een paar jaar 
geleden bepaald dat die verstrekken– 
de maatregel niet nodig is als de 
echte ouders instemmen met 
voortgezet verblijf buitenshuis. Dat is 
meestal in een pleeggezin. Met 
andere woorden: als de echte ouders 
te kennen geven dat zij het belang 
van het kind onderkennen, zodat het 
kind uit huis blijft, zijn zij daarmee 
niet meer onmachtig. Er wordt 
betoogd dat het een ietwat gekun– 
stelde constructie is en daar ben ik 
het wel mee eens. Deze constructie 
brengt in ieder geval met zich dat de 
rechtspositie van pleegouders 
onduidelijk blijft. En dat is vooral 
bezwaarlijk wanneer het om jonge 
kinderen gaat, waarbij vooral 
hechtingsprocessen een rol spelen. 
Het maakt pleegouders in zekere zin 
afhankelijk van mogelijke grillen van 
echte ouders. Daarover wordt en zal 
worden gediscussieerd. Die discussie 
heeft echter duidelijk betrekking op 
de positie van pleegouders en het 
betreft vaak de zwaardere, zo niet de 
zwaarste gevallen. 

De heer Doek: Wat mij altijd 
intrigeert - en daarop is ook weinig 
zicht — is het "handjeklap" spelen 
van de raad met een voogdij-instel– 
ling of een gezinsvoogdij-instelling 
voordat het bedoelde verzoek wordt 
ingediend bij de rechtbank. Daarvoor 
worden mooie termen gebruikt zoals 
"intake". Hierbij gaat het erom uit te 
zoeken of het oordeel van de raad, 
namelijk dat er een maatregel nodig 
is, in feite wordt gedeeld — hierop 
komt het neer — door de instelling 
die geacht wordt met de uitvoering 
belast te worden. Op zichzelf is dat 
naar mijn mening een heel redelijk 
overleg. De indruk die ontstaat, 
namelijk dat er een handjeklap is, is 
naar mijn mening niet terecht. Bij die 
kwestie hebben de cliënten naar mijn 
mening recht op inzicht in het 
proces. Dat kun je in een protocol 
vastleggen. Je kunt mensen toch 
duidelijk maken dat zij niet moeten 
denken dat het rapport in één streep 
naar de kinderrechter gaat, maar dat 
er nog een tussenstation is. Er vindt 
namelijk overleg plaats. Net had ik 
even het gevoel dat er een soort 
"close harmony" was tussen de 
raden en de instellingen; dat was 
nieuw voor mij en dat noteerde ik 
met vreugde. Voor zover de indruk is 
ontstaan dat er een tamelijk naadloze 
aansluiting is tussen de rapportage 
van de raad en het behandelingsplan 
of het hulpverleningsplan van de 

instelling, is die naar mijn mening 
niet juist. Het lijkt mij dat de instelling 
duidelijk moet maken dat de 
diagnose die de raad in het rapport 
vermeldt, een betrekkelijke is. Aan de 
ene kant is het moeilijk om de raad 
een behoorlijke diagnose te laten 
stellen - als dat anders is dan hoor 
ik dat graag - maar aan de andere 
kant dient de hulpverlenende 
instelling, de voogdij-instelling of de 
gezinsvoogdij-instelling, toch het 
hulpverleningsplan te maken. Daar 
schuurt wat. Als raad zou je in alle 
redelijkheid moeten aangeven wat er 
zou moeten gebeuren en hoe dat zou 
moeten gebeuren. Maar dat laatste 
wil de instellmg zelf ook graag 
uitmaken. Daar kun je protocollair ik 
denk hierbij niet direct aan 
rechtsregels of aan rechtspositiere– 
gels — wel wat inzicht in verschaf– 
fen. Als men dan wil weten hoe een 
en ander gaat, kan naar het protocol 
verwezen worden. 

De voorzitter Hierover hebben wij 
in feite in eerdere instantie al 
gesproken. Ik wil voorstellen, hierop 
niet nog een keer in te gaan. Het 
voorstel om het protocol in te voeren, 
is op zichzelf helder. 

Ik stel voor het laatste thema aan 

de orde te stellen. 

Mevrouw Doelman-Pel (CDA): Ik 
wil nog iets zeggen over het maat– 
schappelijk werk. Er is gezegd dat 
men de ervaring heeft dat vele 
mensen, alleen al door de term 
"maatschappelijk werk", denken dat 
zij hulp krijgen. Is het niet veel 
helderder om voor "maatschappelijk 
werk" een andere term te bedenken 
in het kader van de Raad voor de 
kinderbescherming? 

De heer Van der Heijden Het is de 
vraag of de term dat oplost. De 
verwarring daaromtrent is vanoch– 
tend ook al aangeduid. Je bent 
natuurlijk maatschappelijk werker en 
voor een deel ben je met hulpverle– 
ning bezig. Daar blijft een verwarring 
over bestaan. Die kan ik hier niet 
wegnemen. Dat een andere term 
daar iets aan verandert, betwijfel ik. 

Mevrouw Doelman-Pel (CDA): Het 
verandert misschien niets voor u, 
maar misschien wel iets voor de 
mensen die u helpen moet. 

Thema 5: De doorwerking van 
het recht op eerbiediging van 

gezinsleven (waaronder: de 

positie van ouders, van de 

ouder-toeziende voogd, van 

pleegouders) 

De voorzitter: Wij hadden aan de 
kinderrechters gevraagd dit thema 
voor te bereiden. Die zijn vandaag 
niet aanwezig, maar de heer Visser is 
bereid geweest om dat over te 
nemen. 

De heer Visser: Ik zit graag op de 
stoel van de rechter, in dit geval van 
de kinderrechter. Eerbiediging van 
het gezinsleven is een soort tover– 
woord geworden de laatste jaren. Ik 
zal mij beperken tot het recht op 
omgang. Als er problemen zijn en 
een van de ouders of pleegouders wil 
de kinderen zien, is dat vaak een 
laatste contact. In de praktijk is het 
vaak streng gereglementeerd; een 
weekend in de maand, van vrijdag 
zes uur tot zondagavond vier uur of 
iets dergelijks. 

Als een spermadonor mij als 
advocaat tien jaar geleden een 
bezoekje had gebracht omdat hij 
contact wilde met het kind dat 
middels zijn zaad op de wereld was 
gekomen, zou ik hem waarschijnlijk 
zonder studie hebben gezegd dat ik 
hem moest teleurstellen, omdat het 
er niet in zat. Inmiddels is het tien 
jaar later en die vraag is bij de Hoge 
Raad aan de orde gesteld. Vrij recent 
is daarover een uitspraak geweest. 
Het hof Amsterdam heeft op grond 
van de omstandigheden van het 
geval gezegd, dat er geen recht op 
omgang moet zijn. 

Kortom, er is in tien jaar nogal wat 
gebeurd. Wij kunnen niet iedereen de 
revue laten passeren, maar ik zal een 
paar mensen noemen die sinds kort 
recht op omgang hebben gekregen, 
althans waarover duidelijke uitspra– 
ken zijn geweest van de Hoge Raad: 
de grootouders en de pleegouders. 
Deze uitspraken zijn in april van dit 
jaar gepubliceerd in de Rechtspraak 
van de week. 

Er zijn ook gevallen bekend bij het 
Europese hof van justitie van ouders 
die zijn ontzet uit de ouderlijke 
macht, die omgang mogen hebben 
met de kinderen, wat er in het 
verleden ook gebeurd zou zijn. Dat is 
een uiterste recht dat de mensen 
kennelijk niet kan worden onthouden. 

Toen ik met de eerste gevallen in 
mijn praktijk werd geconfronteerd die 
moeilijk lagen, heb ik de uitspraken 
van de Hoge Raad bestudeerd. 
Daarbij viel mij op dat de Hoge Raad 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


een afwachtende houding aannam. 

Sterk klonk in de uitspraken door, 20 

niet in de uitspraak van de Hoge 

Raad zelf, dan toch wel in de noot 

onder de desbetreffende arresten, 

dat men eigenlijk wachtte op een 

signaal of regelgeving van de 
wetgever. De Hoge Raad vond 
eigenlijk dat het daar thuishoorde. 

Niet lang nadat de Hoge Raad dit 
soort uitspraken had gedaan, bleek 
dat hij er toch niet aan kon ontkomen 
om zelf in te grijpen. Er was een 
wirwar ontstaan van allerlei regels 
voor omgangsrecht en bij wie de 
ouderlijke macht kon thuishoren. De 
Hoge Raad heeft toen een aantal 
belangwekkende arresten gewezen. 
Wij zijn nu tien jaar verder en er is 
een gigantische stroom van uitspra– 
ken gekomen, waarbij het de vraag is 
of die uitspraken allemaal even 
helder zijn. In ieder geval zijn zij voor 
de rechtzoekende niet altijd even 
duidelijk. 

Ik heb zojuist de spermadonor 
genoemd. Daaraan vooraf ging een 
andere, soortgelijke zaak die 
nauwelijks of geen publiciteit heeft 
gehad. Het ging om een biologische 
vader die op een gegeven moment 
omgang heeft gehad. Hij heeft na de 
geboorte van het kind nooit bij de 
vrouw gewoond, maar er zijn 
duidelijke aanwijzingen geweest van 
verzorgende en opvoedende 
aspecten, te eten geven en genegen– 
heid. Op grond daarvan kan worden 
gezegd dat er ontvankelijkheid moet 
worden toegekend. Deze zaak is bij 
de Hoge Raad geweest. De Hoge 
Raad is omgegaan en heeft gezegd 
dat het biologisch ouderschap 
inderdaad niet meer voldoende is, op 
grond van een uitspraak van het 
Europese Hof overigens over een 
heel ander geval, namelijk van een 
vreemdeling. 

Deze persoon, die lange tijd heeft 
gewacht en verwikkeld is geweest in 
deze procedure, hoort dan dat de 
Hoge Raad vindt dat aan de ontvan– 
kelijkheidsvraag nog wat nare kantjes 
zitten en dat de zaak naar een ander 
gerechtshof moet die de zaak nog 
een keer onderzoekt. De rechtspraak 
wordt daardoor gedwongen om zelf 
een aantal criteria op te stellen, naar 
aanleiding van de hogere regelgeving 
die wel bestaat, maar niet altijd 
evenveel houvast biedt. 

De vraag is of het geen tijd wordt 
voor de wetgever om daar behoorlijk 
op in te springen. Bij een paar 
recente uitspraken zien wij dat de 
Hoge Raad toch weer een afwach– 

tende houding aanneemt op 
bepaalde punten. Daardoor zitten 
veel belanghebbenden weer in 
onzekerheid. Vandaag de dag zou ik 
een spermadonor, die ik tien jaar 
gelden negatief zou hebben geadvi– 
seerd, positief adviseren. Voor de 
Hoge Raad is bijna niets meer te gek. 
De ontwikkelingen gaan zo hard dat 
je te voren niet weet wat het 
resultaat zal zijn. Ik verwijs in dit 
verband naar de zeer geruchtmaken– 
de zaak van de incest-vader die 
omgang wilde met zijn incest-kind. 
Vele groepen gaven als hun oordeel 
dat dit verzoek op zichzelf al 
schandelijk was maar de advocaat 
meende toch, op grond van de band 
die hij met zijn cliënt had, met dit 
verzoek te moeten komen. 

Hoe dan ook, het wordt voor de 
wetgever hoog tijd om te voorkomen 
dat het omgangsrecht het stiefkindje 
van ons recht wordt. Er moeten nu 
flinke stappen worden gezet. De 
Hoge Raad heeft al een aantal 
behoorlijke criteria ontwikkeld en de 
wetgever kan op grond daarvan een 
behoorlijke wettelijke regeling 
formuleren. Daarbij kunnen ook 
aan grenzen worden aangegeven de 
omvang van de omgang. Al eerder 
heeft men zich afgevraagd of het wel 
in het belang van de minderjarige is 
wanneer zo'n beetje iedereen 
omgang verlangt. Straks mogen de 
oma's op maandag, de ex-pleegou– 
ders op dinsdag, de vroegere ouders 
op woensdag enz. Er dient eindelijk 
eens een goede wettelijke regeling te 
komen. Ik ben zeer benieuwd wat de 
kinderrechters hiervan vinden. 

De voorzitter: Die zijn er nu niet en 
dus krijgen wij die reactie later. Wij 
zijn het er overigens over eens dat 
met betrekking tot het omgangsrecht 
wetgeving noodzakelijk is. Uw 
oproep daartoe is heel duidelijk en 
helder. Voor een gedeelte ligt de 
verantwoordelijkheid hiervoor bij ons 
en bij de overzijde van het Binnenhof 
maar voor de discussie van vandaag 
is vooral van belang het antwoord op 
de vraag wat de elementen zijn die 
hierbij een rol spelen, welke afwegin– 
gen er moeten worden gemaakt en 
voor welke problemen er een 
oplossing moet worden gevonden. 

De heer Doek: Mevrouw de 
voorzitter. Met uw goedvinden wil ik 
nog enkele opmerkingen maken over 
de ouder/toeziend voogd. Ik verwijs 
daarbij naar het beginsel, neergelegd 
in artikel 8 van het Europees Verdrag. 

Ik moet zeggen dat ik het een 

tamelijk treurige zaak vind, dat de 

regelgeving in Nederland de andere 

ouder na de echtscheiding volstrekt 

neutraliseert. Dit is mijns inziens in 

het licht van het genoemde artikel 

volstrekt onverdedigbaar. Het is 

droevig dat het kan bestaan dat een 

ouder/toeziend voogd via een 

briefkaartje moet vernemen dat zijn 

kinderen met zijn ex-echtgenote 

inmiddels in Australië zitten. Ik 
chargeer nu een beetje maar 
theoretisch is dit mogelijk in ons 

recht. 

De heer Van Gent: In de praktijk 

ook! 

De heer Doek: Zonder enige 

informatie aan de vader kan moeder 

met de kinderen naar Australië 
emigreren. Zelf heb ik ooit een zaak 
gehad, waarbij ik een poging deed 
om in een dergelijke situatie ordente– 
lijk te handelen. De man kwam er via 
een advertentie, waarmee het huis te 
koop werd gezet, achter dat zijn 
vrouw vertrok en kreeg toen in de 
gaten dat zij naar Nieuw-Zeeland 
wilde gaan. Als wij spreken over de 
doorwerking van het recht op "family 
life", moet ik zeggen dat dit toch 
zaken zijn die niet snel genoeg 
afdoende kunnen worden geregeld. 
Er is een wetsontwerp geweest — 
helaas is het in de Eerste Kamer 
gestruikeld - waarmee een begin 
van een behoorlijke regeling kon 
worden gemaakt. Dat ontwerp, dat 
over het informatierecht voor de 
andere ouder handelde, kan worden 
opgezocht en ik vind dat het zo 
overgenomen zou kunnen worden. 
Het mag niet zo zijn — ook dergelijke 
zaken heb ik meegemaakt — dat een 
vader tijdens een discussie over een 
omgangsregeling te horen krijgt, dat 
hij het kind nooit in het ziekenhuis 
heeft opgezocht en daarmee voor het 
eerst verneemt, dat het kind in het 
ziekenhuis heeft gelegen. Wij moeten 
ons er met z'n allen voor schamen 
dat dergelijke situaties in dit land nog 
mogelijk zijn. 

De heer Leerling (RPF): Mevrouw de 
voorzitter, dames en heren. Bij de 
bespreking van dit thema hebben wij 
een bijzonder gevoelig punt bij de 
kop. leder van u kent een bepaald 
patroon van normen en waarden en 
dat geldt ook voor ons, aan deze kant 
van de tafel. Ik zal proberen om de 
opvattingen die op dit terrein in de 
commissie leven zo goed mogelijk 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


weer te geven en rnij daarbij zo 
neutraal mogelijk op te stellen. Bij dit 
thema staat eerbiediging van het 
gezinsleven centraal. De heerVisser 
heeft zojuist al duidelijk gemaakt dat 
de terminologie (gezin en gezinsle– 
ven) feitelijk ook al diffuus is. Ik stel 
er prijs op dat de heren Doek en 
Vlaardingerbroek hun visie geven 
naar aanleiding van de vraag hoe je 
dat in onze situatie moet zien. Vinden 
zij dat er tegen de achtergrond van 
de hele problematiek inzake contac– 
ten van ouders met de Raden voor de 
kinderbescherming in voldoende 
mate wordt aangegeven dat er niet 
meer eenduidig wordt gedacht over 
wat gezinsleven precies is en wat de 
positie van de natuurlijke ouders in 
dezen is ten opzichte van minderjari– 
ge kinderen die problemen met hun 
ouders hebben? 

In dat opzicht is het belangrijk dat 
ook de rechten — ik zou bijna willen 
zeggen: de onderscheiden rechten — 
van de natuurlijke ouders enerzijds en 
van de pleegouders anderzijds nog 
eens wat nadrukkelijker en duidelijker 
naar voren komen. Dit punt behoeft 
zeker nadere aandacht bij de 
hulpverlening aan en de begeleiding 
van ouders. 

De klacht is dat een (voorlopige) 
OTS vaak eindeloos opgerekt wordt 
of kan worden. Hoe voorlopig is 
"voorlopig" in dit verband? Ik sluit 
mij aan bij wat mevrouw Versnel 
zojuist heeft gezegd over de 
fuikwerking. Immers, als je eenmaal 
in dat circuit zit, kom je er niet meer 
uit. Dat staat misschien op gespan– 
nen voet — laat ik mij voorzichtig 
uitdrukken — met de eerbiediging 
van het gezinsleven. Ik heb graag dat 
men hierop reageert. 

De volgende vraag sluit een beetje 
aan bij thema 4, maar een en ander is 
natuurlijk niet met waterdichte 
schotten te scheiden. Als er bij 
uithuisplaatsing — ik laat het 
kraakpand uiteraard even buiten 
beschouwing — een gezinsvoogdij– 
instelling gekozen moet worden, 
wordt daarbij bijvoorbeeld ook echt 
rekening gehouden met de godsdien– 
stige gezindheid van die ouders en 
van het gezin waarin het kind 
geplaatst wordt? Dit is natuurlijk een 
zeer belangrijk punt voor bepaalde 
categorieën ouders. Heeft men daar 
op enigerlei wijze zeggenschap over 
en invloed op? Hoe werkt de 
begeleiding op dit punt door? 

De heer Vlaardingerbroek: 
Voorzitter! Volgens de wet moet er 

bij de ondertoezichtstelling en de 
uithuisplaatsing ook gelet worden op 
de godsdienstige gezindheid van het 
kind en van het gezin waartoe het 
kind behoort. Ik kom uit Brabant, wat 
het katholieke zuiden genoemd 
wordt. Daar ontstond het volgende 
probleem. Het aantal islamitische 
kinderen dat onder toezicht kwam te 
staan, werd groter dan het aantal 
katholieke kinderen dat onder 
toezicht werd gesteld. Dan is er 
sprake van bedreiging van instellin– 
gen. Op een gegeven moment heeft 
een katholieke instelling haar naam 
dan ook gewijzigd in gewoon 
Stichting voor jeugd en gezin. Er zijn 
meer instellingen geweest die dit 
hebben gedaan. 

Je kunt zeggen dat dit te maken 
heeft met pragmatisme. Maar het 
heeft ook te maken met een veran– 
derde kijk op de godsdienstige 
gezindheid. Over het algemeen wordt 
de godsdienst van het kind en van 
het gezin waartoe het kind behoort, 
gerespecteerd. Dit betekent dat ook 
bij een uithuisplaatsing in eerste 
instantie wordt nagegaan, of ouders 
er prijs op stellen dat hun kind naar 
een bepaald internaat met een 
bepaalde richting kan. Dan moet er 
wel plaats zijn op dat internaat. 
Bovendien moet er dan zo'n internaat 
zijn. Ook in dat opzicht is de ontwik– 
keling dat veel meer algemene 
gezindten in christelijke, katholieke 
tehuizen opgenomen worden. 
Immers, men kan geen plaatsen 
openhouden voor kinderen uit 
katholieke milieus, als er op een 
gegeven moment iemand op de 
stoep staat van een protestants of 
islamitisch gezin. Het gebeurt dus 
steeds meer dat er rekening wordt 
gehouden met islamitische kinderen. 
Zo gaan islamitische meisjes naar 
specifieke inrichtingen. Voor de 
"oude" geloven in Nederland neemt 
het echter af. 

Aangaande de duur van een voor– 
lopige ondertoezichtstelling is niets 
geregeld. Zolang de raad niet met 
een advies voor een ondertoezicht– 
stelling, een ontzetting of misschien 
zelfs opheffing van de voorlopige 
ondertoezichtstelling komt en de 
ouders er niet voor naar de kinder– 
rechter gaan, duurt het voort. Voor 
de ondertoezichtstelling wordt echter 
minstens eenmaal per jaar bekeken 
of voortzetting noodzakelijk is. Hierbij 
komen verschillende rapporten op 
tafel, zoals dat van de gezinsvoogd 
en een aanvullend rapport van het 
internaat waar het kind verblijft. Op 

grond van die rapportage moet de 
kinderrechter de beslissing nemen of 
hij voortzetting van de ondertoezicht– 
stelling gewenst acht. 

Ik kom zelf uit de kinderbescher– 
ming. In de tijd waarin ik gezins– 
voogd was, werd nogal eens soepel 
met de verlenging omgegaan. 
Wanneer de gezinsvoogd verlenging 
goed vond, waarvoor ook pragmati– 
sche overwegingen konden zijn een 
zaak die goed liep, was gewoon 
lekker tussen al die moeilijke gevallen 

- stemde de kinderrechter er vaak 
zonder meer mee in, zeker wanneer 
de ouders geen bezwaar maakten. 
Vaak maakten ouders geen bezwaar, 
want zij vonden het wel prettig als er 
iemand kwam. Ik heb gemerkt dat de 
kinderrechters nu veel kritischer zijn, 
ook over de verlengingsrapporten. Zij 
vragen om het behandelingsplan en 
willen weten wat er tot stand is 
gebracht gedurende de ondertoe– 
zichtstelling. Dit lijkt mij een goede 
ontwikkeling, die het eindeloos 
voortduren van de ondertoezichtstel– 
ling in gevallen waarin het niet nodig 
is, voorkomt. 
Het gezinsleven is een probleem 
waarmee de Hoge Raad al tien jaar 
worstelt, sinds het Marckx-arrest 
door het Europese hof gewezen is. Er 
is naar gezocht wie eronder vallen. 
De heer Visser noemde al de 
biologische ouder, die tot voor kort 
hieronder werd geschaard; de 
rechtbank in Amsterdam heeft dat 
gedaan en zelfs de Hoge Raad in het 
arrest van 22 februari 1985 over een 
geval van omgang. De Hoge Raad is 
kort geleden echter op dit standpunt 
teruggekomen, omdat er naar zijn 
mening een nauwere band tussen het 
kind en de opvoeder moet zijn 
geweest, wil er sprake zijn van 
gezinsleven. Op de nauwheid van de 
band is nog niet ingegaan. Moet die 
een jaar of een halfjaar hebben 
geduurd? Hangt het ook af van de 
intensiteit, de kwaliteit, van de 
relatie? Deze punten spelen naar mijn 
mening een rol. 

De heer Leerling (RPF): Heeft u er 
zelf een opvatting over? 

De heer Vlaardingerbroek: Ik meen 
dat je voor degenen die een belang– 
rijke rol in de verzorging en de 
opvoeding van het kind hebben 
gespeeld, zonder meer van een 
gezinsleven kunt uitgaan. Grootou– 
ders vallen hierbuiten, want zij 
voeden een kind niet mee op. Naar 
mijn idee moeten echter ook de 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


emotionele banden die een kind met 
familieleden heeft onder het 
gezinsleven vallen, mits deze banden 
van belang zijn voor het kind. 

De heer Willems: Ik geef er graag 
een aanvulling op. Grootouders 
hebben gezinsleven met een kind. 
Het hof in Straatsburg heeft dat in 
het Marckx-arrest vastgesteld. 
Zolang gezmsleven aan een juridisch 
gezinsleven (bijvoorbeeld ingevolge 
een huwelijk) gekoppeld is, is er 
weinig aan de hand. De problemen 
zijn ontstaan, doordat kinderen niet 
altijd uit huwelijkse relaties worden 
geboren. Dan rijst de vraag wanneer 
een sociale of uitsluitend biologische 
ouder gezinsleven met een kind 
heeft. Dit is de variëteit van het 
dagelijkse leven, die de rechter en de 
wetgever voor het probleem plaatst 
waar zij moeten afbakenen. 

Wij zien nu dat de Hoge Raad het 
vrij ruime standpunt over het 
biologische ouderschap wat heeft 
beperkt en meer eist dan een puur 
biologische relatie, wellicht mede 
met het oog op de spermadonor en 
de incest plegende vader die 
grootouder van zijn eigen kind wordt. 
Ik denk dat de rechtspraak dat verder 
moet uitwerken. Wanneer heeft een 
biologische ouder family-life met het 
kind? Wij moeten ons wel realiseren 
dat daarmee de rechter verder gaat 
op een weg die eigenlijk al heel lang 
een nadere invulling behoeft van de 
wetgever. 

Op dit punt wil ik ook iets zeggen 
over de pleegouders. Het is de Hoge 
Raad die in recente jurisprudentie 
pleegouders bepaalde bevoegdheden 
toekent, ook in het kader van een 
OTS. Pleegouders hebben op grond 
van de uitspraak van de Hoge Raad 
van maart 1989 het recht om appel 
in te stellen tegen een wijziging van 
de plaatsing, een overplaatsing van 
het kind. Het is de rechter die deze 
verruiming ten gunste van de 
pleegouders heeft gegeven. Daar– 
mee is de uitermate zwakke rechts– 
positie van de pleegouders inderdaad 
wat versterkt. Ik merk echter dat dat 
in de praktijk nog bepaald niet is 
doorgedrongen. Waar trek je de 
grens? Er kan een vrij korte plaatsing 
zijn in een gezin, die echter een heel 
intense band kan opleveren. Er moet 
invulling worden gegeven. De zaak 
van vorig jaar betrof een plaatsing 
van meerjaren. Er kunnen natuurlijk 
veel kortere plaatsingen zijn. Er moet 
afgebakend worden. Dit zijn open 
vragen, waarmee wij in de dagelijkse 

praktijk zitten. Als een kinderrechter 

het niet prettig vindt om ter verant– 
woording te worden geroepen door 
een pleegouder - om het zo te 

noemen — zal hij soms geneigd 

kunnen zijn om de korte duur van de 

plaatsing tegen te werpen aan de 

pleegouders. Daarmee hoeft geen 

recht gedaan te zijn aan de nauwe 

band die er kan zijn ontstaan tussen 
opvangouders/pleegouders en kind. 

Er is vrij veel in beweging op dit 

moment. Ik denk dat meer duidelijk– 

heid niet uitsluitend van de rechter 
kan worden verlangd. 

Oe heer Van Gent: Ik wil nog enkele 
korte noties naar voren brengen. De 
heer Leerling stelde een vraag over 
uithuisplaatsing en godsdienstige 
gezindten. Ik wil hem adviseren om 
er eens bij te gaan zitten en om zelf 
eens te proberen om in deze dagen 
een kind geplaatst te krijgen. Dan 
denk je niet meer aan godsdienstige 
gezindten. Dan denk je er alleen aan 
om een plaats te krijgen. Je belt 10 
tot 15 tehuizen af voordat je een kind 
überhaupt geplaatst kunt krijgen. Het 
probleem van de plaatsing is groter 
dan de zaak die de heer Leerlmg naar 
voren brengt. 

Wat de voorlopige ondertoezicht– 
stelling betreft, ben ik van mening 
dat het geen goede zaak is wanneer 
die onrechtmatig en onterecht lang 
voortduurt, dus met alle waarborgen 
van een jaar etcetera. Waar is die 
voorlopige ondertoezichtstelling 
voor? Die is met name voor crisissitu– 
aties, waarin het kind snel de 
hulpverlening in moet, ook als de 
ouders dat niet willen. Meestal gaat 
het gepaard, zoals de heer Van der 
Heijden al aangaf, met uithuisplaat– 
sing. Dat ligt dan in het verlengde. 
Het gaat niet aan om dat eindeloos te 
laten doorlopen. Als het een goede 
kinderrechter is - en dat zijn ze toch 
allemaal — zal deze het ook niet 
tolereren. In principe moet de termijn 
van de normale onderzoeksduur van 
een raad, namelijk ongeveer drie 
maanden, niet worden overschreden. 
Dan moet het verzoek bij de kinder– 
rechter liggen tot behandeling van de 
definitieve ondertoezichtstelling. De 
kinderrechter moet daarop bij de 
raad insisteren. Naar mijn beste 
weten gebeurt het door de bank 
genomen ook in deze lijn. Maar 
nogmaals, het is altijd moeilijk om 19 
arrondissementen te bezien. 

De voorzitter: Er zijn signalen dat 
voorlopige maatregelen steeds 

langer duren en dat het in feite 

eindeloze maatregelen zijn. 

De heer Van Gent: Ik weet het niet. 

20 of 25 jaar geleden hadden raden 

honderden toevertrouwingen in huis. 

Die duurden jaren door. Dat systeem 

is verlaten. Ik weet niet in hoeverre 

dit een overgeleverd verhaal is. 

De heer Doek: Mijn ervaring is niet 
dat voorlopige ondertoezichtstellin– 
gen jaren duren. Er is een voorzitter 
van een commissie geweest die dit in 
de krant heeft geroepen. Ik heb die 
indruk echter niet. Ik ben er zeker 
voor om een termijn te stellen. Dat 
moet bij wet worden geregeld. 
Anders gebeurt het namelijk niet. Er 
moet een termijn worden opgenomen 
in de wet. Een verzoek om voorlopige 
ondertoezichtstelling kan, naar mijn 
mening, best binnen twee maanden 
door de kinderrechter behandeld zijn 
in definitieve vorm. De raad moet er 
dan snel achteraan. Het zijn vaak 
zaken waarin al een heleboel is 
gebeurd. Het is niet zo dat men niets 
weet of niets kan. Een ander aspect 
dat ik aan de orde wil stellen, is het 
doorlopen van ondertoezichtstellin– 
gen omdat het zo makkelijk is. Daar 
zit een probleem. Ik weet niet precies 
hoe dat opgelost zou moeten 
worden. Zojuist is gezegd dat het wel 
makkelijk is als er iemand komt. Die 
"iemand" zou natuurlijk ook best 
iemand anders kunnen zijn. Het is mij 
in de praktijk opgevallen dat het 
verschrikkelijk moeilijk is om 
"maatregel-hulpverlening", als die er 
eenmaal is, terug te koppelen naar 
het gewone vrijwillige veld. Het 
vrijwillige veld zegt: het is kinderbe– 
scherming, het is keurig geregeld, 
wat moeten wij ermee. Nu zou je 
kunnen veronderstellen, dat dan 
adviesbureaus ingeschakeld worden 
en dat een en ander binnen de 
voogdij-instellingen gemakkelijk 
gekoppeld wordt. Ik vraag mij echter 
af of daarvoor een systeem bestaat. 
Naast de praktische oplossingen 
denk ik in dit verband nog aan een 
andere mogelijkheid. Als je alle 
ondertoezichtstellingen die langer 
dan twee jaar geduurd hebben als 
het ware doorlicht, zou je verschillen– 
de gevallen tegenkomen die bij de 
vrijwillige hulpverlening onderge– 
bracht kunnen worden. Ik houd dat 
voor mogelijk. Zoals het nu gaat, 
vindt men het echter wel handig. 

De voorzitter: In feite wordt dan 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


gebruik gemaakt van een oneigenlijke 
grond. 

De heer Doek Voor het voortbe– 
staan is het een oneigenlijke grond. 
Voor het voortbestaan en de 
verlenging van de ondertoezichtstel– 
ling gelden niet dezelfde gronden als 
voor het instellen ervan. Dat is het 
boeiende. Hierover is ook jurispru– 
dentie. 

De heer Van Gent: Hierover zou 
men de mening van de kinderrech– 
ters moeten vragen. Ik hoor van hen 
veel argumenten. Ik kan mij inden– 
ken, dat de ouders de ondertoezicht– 
stelling willen laten voortduren, 
omdat zij zo'n plezierige omgang met 
de gezinsvoogd hebben en alles zo 
lekker loopt. Hun houding is vaak: 
houd er nu niet mee op, want dan 
hebben wij helemaal niets meer. De 
heer Vlaardingerbroek sprak daar ook 
over. 

Overigens betreft de opmerking 
van de heer Doek ook een ander 
aspect. Daarbij gaat het over de 
overgang van de gedwongen 
hulpverlening naar de vrijwillige. 
Hetzelfde geldt natuurlijk voor de 
overgang van de vrijwillige naar de 
gedwongen hulpverlening. Op dat 
traject doen zich grote manco's in de 
hulpverlening voor. Er is als het ware 
sprake van een groot gat, een grote 
grijze zone tussen wat je echt 
vrijwillige hulpverlening noemt en dat 
wat je gedwongen hulpverlening 
noemt. De kans dat er een aanzui– 
ging is naar de gedwongen hulpver– 
lening is niet ondenkbaar. De raden 
staan als het ware voor de poort. Aan 
de andere kant van de poort staan 
alleen de voogdij– en gezinsvoogdij– 
instellingen annex adviesbureaus 
Daarmee voeren wij vaak discussies. 
Die instellingen zijn nu eenmaal 
bekend met gedwongen hulpverle– 
ning en zijn ook in staat out reaching 
te werken in de vrijwillige hulpverle– 
ning. Een hulpverlener kan bijvoor– 
beeld een afspraak hebben met een 
cliënt en deze cliënt komt niet 
opdagen. De hulpverlener kan dan 
zeggen: dit is kennelijk geen 
gemotiveerde cliënt; klaar! Hij kan 
die cliënt ook nog eens opbellen en 
vragen: waarom was je er niet; kom 
eens. Dat is een geheel andere 
methode. Het volgen van die andere 
methode kan ertoe leiden dat hulp 
geleverd wordt en de zaak niet 
zodanig verkommert dat er uiteinde– 
lijk sprake is van gedwongen 
hulpverlening. Ook in die sfeer van 

de jeugdhulpverlening is er nog veel 
te doen. 

De heer Jeurgens: Voorzitter! Ik wil 
aanhaken op datgene wat de heer 
Doek heeft gezegd. Het is mogelijk 
dat bij ondertoezichtstellingen van 
langer dan twee jaar oneigenlijke 
gevallen zitten. Ik denk in dit verband 
ook aan de opmerking van de heer 
Van der Heijden. Hij zei, dat het 
gehele gezin onder toezicht wordt 
gesteld vanwege het feit dat een kind 
in de knel zit. Tegenwoordig is de 
case load veelal opgebouwd uit 
eenlingen. Vaak wordt namelijk één 
kind uit een gezin onder toezicht 
gesteld. De zondebok is weer terug. 
Het eenlingenbeleid staat overigens 
ook haaks op het al aanvaarde 
systeemdenken. Je krijgt er namelijk 
gratis alle andere gezinsleden bij. 
Daarop moet ook gewezen worden, 
omdat wordt gesproken over OTS-en 
die blijven bestaan als zij niet meer 
nodig zijn. Naar mijn mening moet je 
ook naar de andere gevallen kijken en 
nagaan hoe je die moet aanduiden. 
Vindt u het ook niet merkwaardig, 
dat wij altijd over een gezinsvoogdij– 
maatregel spreken? Wij hebben het 
dan over één maatregel, maar 
bedoelen wel het gehele gezin. 

Voorts wil ik ingaan op de opmer– 
king van de heer Leerling over de 
uithuisplaatsing. De heerVan Gent 
heeft daar ook al kort over gespro– 
ken. Op dit moment is de situatie 
zeer rampzalig. Voor civielrechtelijke 
plaatsingen moet je stad en land 
afreizen; dat lukt je amper. Een 
winkeldiefje? Strafrechtelijk; dat 
heeft voorrang! Een winkeldiefje 
wordt eerder geplaatst dan een 
suïcidaal, een anorexia of een 
drugsexperimenteerder. Ik citeer een 
hulpverlener: je hoopt tegenwoordig 
dat de drugsexperimenteerder ook 
nog even een kraakje zet, dan heeft 
hij ten minste nog een kans op 
plaatsing en hulp. Dit is een uitspraak 
van iemand uit de praktijk. Deze 
uitspraak tekent wel hoe de situatie 
is. Zojuist zei de heer Leerling, dat 
maatregelen gezinnen ontwrichten. 
Ik neem aan, dat dit een verspreking 
is. Vaak krijgen wij te maken met 
ontwrichte gezinnen. Ter beveiliging 
en voor hulp aan kinderen wordt dan 
een maatregel van toepassing. 

De heer Leerling (RPF): Ik ben mij 
niet bewust dat ik gezegd heb, dat 
maatregelen gezinnen ontwrichten. 
Het is voor een gezin echter wel 
ingrijpend als dit soort maatregelen 

worden genomen. Daarbij wordt 
namelijk uiteindelijk gekomen tot een 
scheiding tussen ouder en kind. Dat 
heb ik bedoeld te zeggen. 

Mag ik van de gelegenheid gebruik 
maken om nog een vraag te stellen 
aan de maatschappelijk werkers? 
Niet alleen de positie van de ouders 
is namelijk aan de orde, maar ook die 
van de minderjarigen. Die zijn hier 
vorige week ook geweest. Toen is 
gezegd: alles goed en wel, maar de 
bescherming en eerbiediging van het 
gezinsleven gaat wat ons betreft net 
zolang op als die minderjarige dat 
wil. Als die minderjarige zich niet 
meer thuisvoelt in dat gezin, is het 
niet noodzakelijk dat het gezinsleven 
wat die minderjarige betreft ook 
wordt geëerbiedigd. Kunt u zich in 
een dergelijke stellingname vinden? 
Komt u het in de praktijk ook tegen 
dat dit uiteindelijk wordt gehono– 
reerd? 

Mevrouw Doelman-Pel (CDA): Mag 
ik daar even naast leggen dat ik het 
anders heb gehoord? Ik denk dat het 
goed is voor de beeldvorming. Ik 
voelde dat die minderjarigen zeiden: 
wij zitten hier juist omdat het thuis 
niet goed ging, omdat de ouders het 
niet met elkaar rooiden en ons niet 
konden opvoeden. Ik wil even 
aangeven dat ook bij hen die 
spanning erin zat: wij hadden het wel 
graag gewild, maar het liep niet 
goed. 

De heer Leerling (RPF): Het is 
inderdaad een aanvulling, maar u 
bedoelt hetzelfde. 

De heer Van der Heijden: Ik denk 
dat u in de vragen al ten dele een 
antwoord geeft. Het gaat vaak om 
partijen die op de een of andere 
manier niet meer samen door een 
deur kunnen. Het is vaak de vraag 
hoe hoog dat oploopt. Bij de mensen 
die hier zijn geweest en die bij ons 
komen is het behoorlijk hoog 
opgelopen. Dan is niet zozeer de 
vraag: raad, waar kies je voor; kies je 
voor het gelijk van de ouders of voor 
het gelijk van de kinderen? Het gaat 
er veel meer om dat je poogt te 
kijken wat nog werkbaar is, welke 
brokken nog te lijmen zijn. Op het 
moment dat blijkt dat dit niet 
mogelijk, moet je heel pragma– 
tisch denken en proberen er dan 
maar het beste van te maken. In de 
praktijk zijn partijen vaak al geschei– 
den. Je moet dan zien of op termijn 
herstel mogelijk is. Het probleem is 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


dat ons uitgangspunt in dat soort 

zaken vaak is dat het al zo uit elkaar 

ligt dat wij in de praktijk niet veel 

anders kunnen dan ons daarin heel 

pragmatisch op te stellen. De keuze 
voor primair het gezin of het kind 

alleen is naar mijn idee dan al een 

gepasseerd station. 

De heer Leerling (RPF): In de 
discussie die wij vorige week op dit 
punt hebben gehad, is er van de kant 
van de ouders aangegeven - dat 
was althans hun ervaring - dat er 
toch te weinig sympathie is voor het 
gezin als zodanig. Met name wordt in 
de opvatting van velen binnen het 
werkterrein van het maatschappelijk 
werk te veel aandacht besteed en 
waarde gehecht aan het individuali– 
seringsproces. Als minderjarigen 
inderdaad met gerede klachten 
komen, dan wordt dat als een motief 
beschouwd om dat individualise– 
ringsproces verder te onderstrepen. 

De heer Dijkstal (VVD): Ik laat even 
in het midden wat wij onder "gezin" 
verstaan Op die vraag zullen wij als 
medewetgever misschien ooit nog 
eens een antwoord moeten geven. Er 
ligt nog een ander probleem in het 
verlengde van wat de heer Leerling 
zei. Als je aan de ene kant uitgaat 
van rechten van natuurlijke ouders — 
die zijn er; de wet spreekt daar ook 
over — en aan de andere kant 
begrippen hanteert zoals "het belang 
van het kind" — ik denk aan de 
adoptiewetgeving - of "het welzijn 
van het kind" of "de zedelijke en 
lichamelijke ondergang", dan zit je 
middenin een normatieve discussie. 
Die normatieve discussie wordt op 
dit moment in volle hevigheid 
gevoerd, omdat daar veel onduide– 
lijkheid over is, niet alleen aan de 
kant van de politiek - dat zou nog 
het minst erge zijn - maar ook bij de 
mensen zelf. Dat blijkt ook uit die 
brieven. De vraag is wat wij daaraan 
doen. Een oplossing zou kunnen zijn 

- is dat een begaanbare weg? - dat 
de wetgever verder in de wet gaat 
regelen wat hij er allemaal precies 
mee bedoelt. Hoe beter wij het in de 
wet zetten, hoe duidelijker het voor 
iedereen wordt wat wij eronder 
verstaan. Alleen doet zich dan weer 
het vraagstuk voor hoe dat past bij 
verdere maatschappelijke ontwikke– 
lingen, die niemand kan voorspellen. 
Hoe komen wij er echter uit als wij 
het niet in de wet kunnen regelen? 
Dan blijft dit conflict voortduren, 
waarbij iedereen vanuit zijn eigen 
optiek per definitie altijd gelijk heeft. 

Hoe kom je er dan uit? Heeft u daar 

een idee over? 

De heer Van Gent: We leren nu dat 
inhoudelijke wetgeving op dat punt 
niet werkt, omdat het de ontwikkelin– 
gen blokkeert. Het is eerder zaak om 
qua procedures de materie goed te 
regelen, en ervoor te zorgen dat de 
rechter bij voortduring de inhoudelij– 
ke kant van de zaak toetst. De 
ontwikkelingen gaan snel en de 
maatschappelijke ontwikkelingen 
wijzigen zich snel — kijk naar de 
ontwikkelingen in de afgelopen 10 a 
20 jaar - en de raden merken dat 
aan den lijve. Het is daarom zaak dat 
die ontwikkelingen qua maat– 
schappelijke acceptatie mogelijk 
worden gemaakt, wat alleen maar 
kan op de meest flexibele manier, 
namelijk door de rechter daartoe te 
roepen, mits er maar een duidelijke 
procesgang is. Uiteraard blijft het 
natuurlijk zaak dat we een aantal 
noties hebben — ik verwijs in dit 
verband naar de Grondwet — van 
wat maatschappelijk aanvaardbaar is. 

De voorzitter: Maar dat betekent in 

feite dat jurisprudentie in de plaats 

treedt van wetgeving. 

De heer Doek Daar zou ik toch wel 
moeite mee hebben. Ik onderken wel 
het probleem om begrippen als het 
belang van het kind en de vraag, wat 
"gezinsleven" is, in een wet zo te 
regelen dat iedereen het begrijpt. Ik 
denk echter dat dat niet lukt en dat je 
met een restant interpretatieruimte 
blijft zitten, hoe je deze zaken ook 
regelt. Je moet er ook voor oppas– 
sen, te veel te willen regelen. Een en 
ander moet in evenwicht worden 
gehouden door de controleerbaarheid 
van de rechter. Een van de dingen 
die ons nu parten speelt is de 
aanwezigheid van te ruime wettelijke 
grondslagen voor de toewijzing van 
verzoeken en maatregelen. Onmacht 
en ongeschiktheid van ouders zijn 
natuurlijk buitengewoon handig, 
omdat je er erg veel achter kunt 
zoeken. Je kunt zeggen dat dat geen 
probleem is, maar dat geldt alleen als 
de rechter die dat uitspreekt 
controleerbaar is, wat eisen stelt aan 
de motivering van de kinderrechter. 
Het kan dus niet meer zo zijn dat je 
met formulieren werkt. Als je een 
ruime grond pakt, vereist dat voor de 
justitiabelen, de ouders en de 
minderjarigen dat de rechter die 
daarvan gebruik maakt, in zijn 

beschikking daaraan invulling geeft 

en duidelijk maakt, waarom hij vindt 

dat sprake is van onmacht of 

ongeschiktheid, en waarom hij niet 

kan volstaan met: overwegende, dat 

is voldaan aan bijvoorbeeld de 

gronden van artikel 254 Boek 1 BW. 

De eenvoudige burger weet in het 

laatste geval niet, waar de rechter 

het over heeft. De toetsbaarheid stelt 

hoge eisen. 

Je hebt een keuzemogelijkheid, 
waarbij je moet proberen, de balans 
te vinden tussen een uitwerking van 
het belang van het kind - hoewel 
dat tot de mogelijkheden behoort, 
weet ik niet of dat lukt — en de 
toetsbaarheid en controleerbaarheid 
van de uitspraak van de rechter. Als 
hij van mening is dat ouders onge– 
schikt en onmachtig zijn om hun kind 
op te voeden, dan hebben we 
natuurlijk wel de neiging om daarover 
niet te praten, omdat het om een 
onaangename boodschap gaat — je 
gaat ouders niet graag vertellen, hoe 
slecht ze zijn - maar je kunt er 
natuurlijk ook niet overheenlopen en 
alleen een artikel noemen om de 
betrokkenen te sparen en de 
onaangename boodschap te 
versluieren. Dat kan niet meer. 

De heer Van Gent: Ik kan dat 
helemaal volgen. We staan niet zo 
vreselijk ver van elkaar af. In andere 
landen wordt een rechter bijgestaan 
door andere gedragswetenschap– 
pers, met name met het oog op de te 
leveren motivering. Als je zegt dat de 
rechtsprekende instantie de maat– 
schappelijke ontwikkelingen moet 
bewaken en toetsen, dan moet je je 
afvragen of de juridische kwaliteit 
alleen voldoende is om dat te 
beoordelen, en of je daar geen 
assessoren van andere gedragswe– 
tenschappen naast moet zetten. 
Nogmaals, ik heb dat in andere 
landen gezien, en ik heb dat altijd een 
bijzonder aardige methode gevon– 
den. 

De heer Dijkstal (VVD): Analoog 
aan wat er op het gebied van de 
euthanasie gebeurt, moeten wij ons 
er ook hierbij overigens wel van 
bewust zijn dat de maatschappelijke 
acceptatie niet zo erg groot is als we 
zouden hopen. Uiteindelijk is het dan 
de kinderrechter zelve die de norm 
stelt. Je hoopt dan alleen dat deze 
door een intern systeem van checks 
and balances niet te veel wegloopt 
van de maatschappelijke ontwikke– 
ling. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


De heer Doek: Ik heb niet gezegd, 
dat je aan de andere kant niet zou 
kunnen proberen daar wat 
verduidelijking in aan te brengen. De 
ervaringen hebben geleerd, dat het 
uiteindelijk niet lukt. In de Verenigde 
Staten is in de zeventiger jaren ter 
zake een groot project opgezet. Men 
heeft daarbij geprobeerd om allerlei 
normen in de wet aan te scherpen, 
maar ook dat is niet gelukt. Een van 
de interessante dingen is, dat 
degenen die zich er het krachtigst 
tegen verzetten, rechters zijn. Dat laat 
zich natuurlijk raden 

De heer Van Tol: Ik ben heel blij, dat 
de heer Dijkstal die vraag stelt, want 
het is een heel centrale vraag. Ik kan 
mij zeer wel vinden in de gemaakte 
opmerkingen ter zake. Vervolgens 
blijft de politieke vraag over — die 
spelen wij dus terug naar de heer 

Dijkstal - hoe de politieke controle 
daarop vorm wordt gegeven. Dat is 
voor ons buitengewoon interessant, 
want de beantwoording van die vraag 
geeft ons weer helderheid. 

De voorzitter: Wij oefenen controle 

uit via de wetgeving. Anderzijds 
vinden er bij begrotingsdebatten 
globale beleidsdebatten plaats. De 

lacune die wij in feite hebben 
geconstateerd, is dat dit soort 
debatten over heel globale lijnen 
gaat. In de uitvoering gaat het echter 

om tal van differentiaties, die 
eigenlijk voor niemand controleer– 

baar en toetsbaar zijn. Daardoor 

ontstaat er ontzettend veel onduide– 

lijkheid en dat leidt weer tot proble– 

men. In feite is dit het eerste thema 
dat wij vanochtend bespraken, 

namelijk de externe controle op het 
geheel en de functie van de inspectie 

die daarvoor zou moeten worden 
aangescherpt. Het is in ieder geval 
onze verantwoordelijkheid om met 
alles wat wij vandaag hebben 
gehoord en onderzocht, iets te doen 
om ervoor te zorgen dat een en 
ander uiteindelijk beter gaat functio– 

neren. 

De heer Dijkstal (VVD): De enige 
die wij in formele zin niet kunnen en 

mogen controleren, is de onafhanke– 

lijke rechter. 

De heer Van Tol: De ontwikkeling 
ter zake kan wel worden gevolgd en 
daar kan men ook opvattingen over 

hebben. 

De heer Dijkstal (VVD): Precies en 
van daaruit gaan wij weer terug 

De heer Leerling (RPF): Ik wil nog 
even herinneren aan mijn vraag aan 
de maatschappelijk werkers. 

De voorzitter: Inderdaad. De heer 
Leerling heeft gevraagd, of er binnen 
de raden wordt gewerkt met een 
bepaalde filosofie over hoe gezinnen 
moeten functioneren en de vraag of 
het beter is in bepaalde situaties om 
gezinnen uit elkaar te laten vallen. 
Mag ik het zo weergeven, mijnheer 
Leerling? 

De heer Leerling (RPF): Ik laat die 
woorden voor uw rekening, voorzit– 
ter! U moet mij in ieder geval niets in 
de mond leggen. 

De voorzitter: Nee, nee. Verleden 
week is echter de suggestie gewekt, 
dat er te gemakkelijk van werd 
uitgegaan, dat bepaalde situaties niet 
meer herstelbaar zouden zijn. 

De heer Janssen Je kunt die vraag 
moeilijk sluitend beantwoorden, want 
je praat dan over indrukken uit de 
praktijk. Uitgangspunt blijft dat er 
hulp komt binnen de gezinssituatie. 
Wanneer er een conflict is en 
wanneer de zaak niet meer mar– 
cheert, dan kun je tegen een 
weggelopen kind wel zeggen dat het 
terug moet gaan — de politie kan dat 
dan een keer doen, terwijl het kind 
via de achterdeur weer naar buiten 
gaat — maar daar los je niets mee 
mee op. Onze opvattingen over hoe 
een gezin eruit moet zien, moeten 
niet bepalend zijn. Bepalend voor de 
kansen van het relatieherstel is hoe 
het gezin eruit ziet. 

De heer Leerling (RPF): Laat ik ter 
afsluiting van dit punt zeggen, dat er 
vorige week inderdaad twee varian– 
ten over de tafel gingen. Het ging 
erom welke opleiding aan welke 
academie men heeft gehad. U heeft 
wat mij betreft op de goede gezeten. 

De voorzitter: Bij de publikatie van 
het verslag zal duidelijk worden waar 
precies op wordt gedoeld. 

De heer Jeurgens De veronderstel– 
ling van de heer Leerling is niet 
geheel juist. Mensen die van de 
academie in onze instellingen komen 
werken, hebben weliswaar een 
basispakket, maar de verdere 
opleiding moet in de instelling 

plaatsvinden. Dat is zeker zo 
belangrijk voor de juiste toesnijding 
voor het werk als de basisopleiding 
zelf. 

De heer Leerling (RPF): Om 
misverstanden te vermijden: ik heb 
uiteraard mijn eigen opvattingen 
hierover, maar die heb ik hier niet 
geventileerd. Ik heb een vraag 
doorgegeven die hier verleden week 
duidelijk op tafel is gekomen en die 
als mogelijke verklaring werd 
gegeven voor het feit dat er, volgens 
degenen die hier aan tafel zaten, zo 
gemakkelijk scheiding te weeg werd 
gebracht tussen ouders en kind. 
Vandaar dat ik die vraag nu heb 
doorgegeven aan de maatschappelijk 
werkers, want die werden in dat 
verband genoemd. Zij hebben de 
vraag beantwoord en ik ben hen daar 
erkentelijk voor. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Mevrouw de voorzitter! Wij hebben 
het onder meer over de Raden voor 
de kinderbescherming. Een van de 
taken van de raden is het geven van 
adviezen aan de kinderrechter in 
geval van echtscheiding en wel als 
de ex-echtelieden het niet eens 
worden. Is het denkbaar dat dat uit 
het pakket van de raden zou verdwij– 
nen, zodat er meer een situatie met 
gelijke partijen zou ontstaan bij de 
rechter, of dat nu de kinderrechter is 
of niet. Dat is ook het geval bij de 
verdeling van de boedel of welke 
deling dan ook. Er is dan sprake van 
gelijke partijen, in plaats van een 
partij die om welke reden dan ook, 
uitverkoren wordt door de raad. 

De heer Van Gent: Ik wil herhalen 
dat kinderen iets anders zijn dan 
boedel. Wij zijn er noch voor de ene 
partij, noch voor de andere. Wij zijn 
er voor de kinderen. Als de ouders 

het niet met elkaar eens worden, 
dient er iets of iemand te zijn die 
bevordert, dat die ouders het wel 

met elkaar eens worden, want dat is 

het beste voor de kinderen. Er 
ontstaat dan ook altijd verwarring als 
men ons ziet als een hulpverlenende 
raad. Wij verlenen echter geen hulp. 
Het is in het belang van de kinderen 
als de ouders overeenstemming 
bereiken. Pas als dat niet lukt, kun je 
aan de hand van de activiteiten die je 
hebt gepleegd, bekijken wat, naar 
jouw oordeel, een goede uitgangspo– 
sitie is voor het kind. Dat advies geef 
je dan aan de rechter, want die kan 
ook niet aan de blauwe, bruine of 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


zwarte ogen van de mensen zien bij 
wie de kinderen het beste kunnen 
zijn. Die heeft daar een onafhankelijk 
adviesorgaan voor nodig. Het is 
natuurlijk denkbaar dat iets of 
iemand anders het doet dan de 
raden, maar het moet wel een 
instituut zijn dat goed controleerbaar 
is, dat werkt volgens bepaalde 
normen, dat gehoord kan worden 
door commissies als deze, waar 
rapporten over gemaakt kunnen 
worden enzovoort. Ik zou het een 
slechte zaak vinden wanneer dat 
soort zaken zonder meer richting 
particulier initiatief zouden verdwij– 
nen. 

Dat is wat anders dan dat de raad 
probeert om het bemiddelingspro– 
ces, in situaties waarin dat mogelijk 
is, buitenshuis te exporteren. Als het 
lukt om bijvoorbeeld de particuliere 
hulpverlening — dat is echter zeer 
moeilijk, want die doen dat werk 
liever niet — te interesseren voor die 
bemiddelingsfase, dan moet dat 
zeker niet worden nagelaten. Dat 
werkt de zuiverheid ook in de hand. 
Als je het zelf doet, moet je dat de 
partijen ook goed voorhouden en 
precies zeggen wat je doet, wanneer 
je aan het bemiddelen bent en 
wanneer je, als je met de bemidde– 
ling niet verder komt, gaat adviseren. 
Die zuiverheid moeten wij dan zelf in 
de gaten houden, maar die kun je 
ook uitbeelden door een andere 
instantie die bemiddeling te laten 
doen. Ik geef u echter op een briefje 
dat het particulier initiatief er echt 
niet happig op is om dit soort 
activiteiten te ontplooien. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Ik neem aan dat het in andere landen 

— mijn televisiekennis doet mij daar 
althans in geloven — anders verloopt 
en dat daar twee partijen bij de 
rechter zijn. Beide partijen komen 
dan met hun argumenten en met hun 
deskundigen om de situatie te 
verduidelijken. Is die situatie zo 
dramatisch slechter dan de situatie 
hier? 
De heer Van Gent: Het systeem kan 
net zo goed zijn, maar het zit niet 
gebakken in ons wettelijk kader. Het 
is misschien een zwak argument, 
maar wij hebben in dezen de 
opvatting, al vanaf 1901, dat de 
overheid een bepaalde taak heeft ten 
aanzien van de kinderen en dat wij 
dat niet vrijelijk aan de ouders 
kunnen overlaten, omdat de ouders 
ook een overeenkomst kunnen 

sluiten die ten nadele zou kunnen zijn 
van het kind. In 95% of 96% van de 
gevallen beslissen de ouders het 
echter zelf. De raad wordt er alleen 
bij geroepen als de ouders er niet uit 
komen. Ik vraag mij af hoe ze dat in 
het buitenland doen. In de landen 
waar ik de mensen confronteer met 
het gegeven van de Raden voor de 
kinderbescherming — ik ben er in 
een aantal geweest — klappen ze in 
de handen en zeggen: dat is een 
aardig instituut, dat zouden wij ook 
moeten hebben. Dat hoor ik echter 
graag. 

De heer Doek Ik vrees dat de heer 

Van Gent veel in het buitenland zit. 

Het voorbeeld van mevrouw 
Versnel is bekend. Wij moeten daar 
echter niet al te zeer naar streven. 
Wij leven in een cultuur waarin wij dit 
soort problemen bij voorkeur zo 
weinig mogelijk "juridiseren". Dat is 
op zichzelf een goede gedragslijn. 
Deze problemen lenen zich daar in 
essentie ook niet zo goed voor. Als 
vader zegt dat hij de voogdij wil en 
moeder zegt dat zij de voogdij wil, zal 
de rechter niet de Raad voor de 
kinderbescherming om advies 
vragen. Hij zal zeggen: mevrouw, 
mijnheer, u mag beiden over drie 
maanden terugkomen met een 
deskundige en een advocaat. Dan 
mogen beiden vertellen wat zij ervan 
vinden en mogen de deskundigen de 
zaak toelichten. Je kan dit nog verder 
uitbreiden door een deskundige voor 
het kind aan te wijzen, die de 
opvatting van het kind naar voren kan 
brengen. ledereen krijgt dan de volle 
ruimte. Ik denk echter dat de minister 
van Justitie wat zenuwachtig wordt 
als hij hoort wat dit allemaal moet 
gaan kosten. 

De voorzitter: De minister van 
Financiën waarschijnlijk ook! 

De heer Van Tol: Ik heb nog wat 
aanvullende informatie aan het adres 
van de heer Van Gent. Er zijn nogal 
wat gezinsvoogdij-instellingen, die 
voor het begeleiden van de onder– 
handelingen over een goede 
omgangsregeling uitgewerkte 
methodieken hebben ontwikkeld. Zij 
hebben daar zeer veel ervaring mee. 
Ik weet niet of dat bekend is. 

Rondvraag 

De heer Oosting: Mevrouw de 
voorzitter! Het werk van deze 

commissie stond in begin bij de 
raden niet in een erg helder licht. De 
berichtgeving in het begin was niet 
zo duidelijk. De raden kregen bij hun 
pogingen om daar enig zicht op te 
krijgen, c.q. erachter te komen wat 
de klachten waren, op een weinig 
elegante manier nul op het rekest. De 
klachten waren overigens de 
aanleiding voor het instellen van deze 
commissie. Toen was er een tijdje 
stilte. Vervolgens kwamen er 
duidelijke mededelingen. Nu is de 
commissie aan het werk en worden 
wij gehoord. 

Ik noem dit omdat men bij de 
raden toch het gevoel heeft - dit 
geldt overigens ook voor de rest van 
het circuit — dat men zich constant 
moet verantwoorden. Op zichzelf is 
dat wel goed en wij zijn dat ook 
gewend. Wij hebben een bufferfunc– 
tie, ook ten opzichte van de cliënten. 
Maar als er vanuit de politiek — en 
dan ik zwijg ik nog maar over de 
media — aandacht voor de klachten 
is, moet ook de andere kant van de 
zaak redelijk gewogen worden. Ik 
begrijp heel goed dat een commissie 
een werkbare methodiek moet 
ontwikkelen. Uit de brij van klachten 
moet een aantal algemene lijnen te 
voorschijn komen. Deze werkwijze 
heeft echter het gevaar dat het 
vergrootglas wordt gezet op hetgeen 
allemaal niet in orde is en beter kan. 
En dat is veel. Ik noem de termijnen 
van inzage en de kwaliteit van de 
rechtsbescherming. Er is nog zeer 
veel te verbeteren. 

Men heeft hetzelfde zien gebeuren 
bij de publikatie van het rapport-Gijs– 
bers. De structuur van de raden bleek 
in orde, alleen het functioneren kon 
beter. Dan is het heel gemakkelijk om 
te zeggen: zie je wel, er klopt geen 
donder van. De kop in De Telegraaf is 
dan direct "pijnlijke tik voor de 
raden". Daar kun je allemaal mee 
leven. Maar het is zeker van zeer 
groot belang voor de commissie om 
ook enige feeling voor het normale 
werk te krijgen. Men moet zien hoe 
het toegaat in moeilijke zaken en in 
makkelijke zaken. Men moet zich dan 
niet zozeer richten op de klachten — 
hoewel, een goede klachtzaak is 
buitengewoon instructief — als wel 
op de normale gang van zaken. Dan 
wordt duidelijk wat in de praktijk de 
dilemma's zijn. 

Ik denk dat dit de commissie maar 
ik begrijp dat de tijdsfactor een 
probleem is — net dat beetje meer 
feeling, inzicht en stevigheid kan 
geven, om straks inderdaad met 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


goede aanbevelingen te komen. Daar 
zijn wij allemaal mee gebaat. Wat het 
werkveld betreft, zou dit het vertrou– 
wen kunnen geven waar het tot nu 
aan ontbroken heeft. Het is een 
behoorlijk belegerd werkveld. Je bent 
dat gewend, maar af en toe zou je 
iets meer erkenning mogen verwach– 
ten. 

De heer Van Gent: Ik sluit mij daar 
geheel bij aan. Ik ben erg gelukkig 
met de discussie van vandaag. Ik ben 
de heer Doek nog mijn uitdrukkelijk 
bijval verschuldigd met betrekking tot 
zijn opmerkingen over het gezag na 
echtscheiding. Ik ben met hem van 
mening dat er een einde moet komen 
aan de alles-of-niets-situatie na 
echtscheiding. De ouderlijke macht 
na echtscheiding dient te blijven 
bestaan. Er dienen meer specifieke 
en op de situatie gerichte regelingen 
te komen, waardoor ook de pro– 
bleemstelling voor ouders veel 
concreter wordt. Als er iets helpt, is 
het dat. 

De heer Van der Heijden Ik wil een 
onderwerp aanroeren dat vandaag 
niet zo aan bod is gekomen, waarbij 
ik — nu wij hiertoch zitten — een 
appel wil doen op de politiek. Er kan 
zeker het nodige veranderen in het 
werk van de raden. Van de andere 
kant moet ik echter zeggen dat de 
kwaliteit van het werk zonder meer 
geleden heeft onder het feit, dat wij 
de afgelopen jaren behoorlijk een 
sluitpost zijn geweest. Vanuit onze 
positie willen wij de bereidheid tonen 
om dingen bij te schaven en over 
zaken na te denken. Van de andere 
kant hebben wij natuurlijk wel wat 
verwachtingen van de politiek. Met 
zeer geringe middelen zijn wij 
natuurlijk niet in staat om kwalitatief 
het allerbeste werk te leveren. 

De heer Van Tol: Ik wil graag een 
opmerking over de aansluiting tussen 
de vrijwillige hulpverlening en de 
maatregelhulp maken. Ik had deze 
opmerking eerder willen maken, 
maar ik kwam er niet goed tussen. 
De eerder gemaakte opmerking dat 
er een grijs circuit is, is terecht. Je 
kunt niet altijd zeggen dat er bij de 
kinderrechter voor het eerst in de 
hulpverlening sprake is van "gezag" 
of "macht". Dat is eerder ook reeds 
het geval. Hiervoor is het werk 
binnen de adviesbureaus van de 
gezinsvoogdij-instellingen van groot 
belang. De overgang van het een 
naar het ander wordt overigens 

belemmerd door het feit, dat de 
regelgeving en de financiering 
ernstig verschillen. Het zou dus 
nuttig zijn om te streven naar een 
beter aansluitende regelgeving en 
financiering. Hiervoor wil ik nogmaals 
pleiten. 

De heer Jeurgens Ik heb zostraks 
een vraag van mevrouw Versnel 
onvolledig beantwoord. ik zal dit 
antwoord nu volledig maken door 
een aanvulling erop. Mevrouw 
Versnel heeft gevraagd naar de 
grootte van instellingen, wat eraan te 
doen zou zijn en wie het initiatief 
hiertoe zou moeten nemen. Ik had 
toen moeten zeggen: de overheid 
heeft uiteraard in de subsidievoor– 
waarden mogelijkheden om zaken te 
sturen. Het particulier initiatief kan 
hier al dan niet gretig op inhaken. 
Het is een waardevolle gedachte, in 
het spoor van wat de heer Van Tol 
heeft gezegd, om in provincies, c.q. 
delen van provincies de gehele 
ambulante jeugdhulpverlening bij 
elkaarte brengen. Dan worden heel 
veel dingen ter zake, zoals financie– 
ring en structurele problemen, 
opgevangen. Bovendien ontstaat er 
dan ook een heel andere aanpak in 
de discussie over het onderwerp hulp 
en recht waarover wij het vanmorgen 
gehad hebben. 

Mogen wij u dan namens Vedivo 
gratis aanbieden om op werkbezoek 
te komen bij een instelling naar uw 
keuze, op een door u te bepalen 
tijdstip? U mag dan in de praktijk 
ervaren hoe het gaat. 

De heer Visser: Het is al gezegd 
vandaag, maar ik benadruk nog eens 
dat ik het heel belangrijk vind dat de 
positie van de minderjarigen goed 
bekeken wordt. Verder wil ik erop 
wijzen dat het belangrijk is dat de 
rapportages van de raad zorgvuldig 
tot stand komen en dat hieraan met 
gepaste snelheid gewerkt wordt. 

De heer Vlaardingerbroek: Daar 
sluit ik mij graag bij aan. In een ander 
kader is al eens ter sprake gebracht 
dat de interne rapportage van 
maatschappelijk werkers bij de raden 
vaak een sluitpost is. De kinderbe– 
scherming heeft vandaag centraal 
gestaan. En kinderbescherming 
heeft alles te maken met de kwaliteit 
van de hulpverlening die eraan 
voorafgaat, dus ook vrijwillige 
hulpverlening, zoals de heren 
Jeurgens en Van Tol reeds zeiden. 
Goede kwaliteit van de hulpverlening 

heeft ook alles te maken met de 
opleiding. Dit sluit aan bij wat de 
heer Leerling heeft gezegd. Ik merk 
als bestuurslid in een stichting dat 
het ontzettemd moeilijk is om goede 
hulpverleners die recht van de 
academie komen, aan het werk te 
krijgen omdat de meesten van 
hulpverlening nauwelijks kaas 
gegeten hebben. De echte leerschool 
is de praktijk. Op de sociale acade– 
mies mag hieraan nog best het 
nodige gedaan worden. Het staat ver 
af van wat uw commissie doet, maar 
het heeft er wel mee te maken 

De voorzitter Zelf wil ik tot slot nog 
iets zeggen, met name in antwoord 
op de opmerking van de heer 
Oosting. 

Voor de mensen in het veld is onze 
commissie plotseling opgedoken. De 
aanleiding voor het instellen van de 
commissie werd gevormd door de in 
de loop der jaren verzamelde 
onvrede. Die bestond ook bij ons. Wij 
hadden namelijk geen goede greep 
op hetgeen er gebeurde. Wij hoorden 
echter wel klachten en wij kregen ook 
signalen dat er iets mis was. Wij 
kregen de indruk dat de legitimiteit 
van het systeem steeds meer ter 
discussie kwam te staan. Dat is een 
ongewenste situatie. Wij moeten als 
controlerend orgaan van de regering 
bekijken wat er daadwerkelijk aan de 
hand is. Daarbij hebben wij de 
geluiden die wij te horen kregen, 
serieus genomen. Daartoe zijn wij als 
vertegenwoordigers van het volk ook 
verplicht. Tegelijkertijd moesten wij 
oog hebben voor de situatie waarin 
de mensen in de praktijk hun taak 
moesten verrichten. 

De door ons gekozen werkwijze 
heeft ertoe geleid dat er in de praktijk 
enig onbegrip kan zijn ontstaan over 
hetgeen wij eigenlijk allemaal aan het 
doen zijn. Wij hebben heel bewust 
gekozen voor een besloten werkwijze 
en voor een fasering in die werkwijze. 
Er zou eerst een inventarisatie 
plaatsvinden en later zou op grond 
van die inventarisatie besloten 
worden of daadwerkelijk tot onder– 
zoek moest worden overgegaan. 

Wij hebben geen individuele 
klachten onderzocht. Dat heeft men 
ook gemerkt. Dat ligt niet op onze 
weg; daarvoor bestaan klachtenrege– 
lingen en er is ook een Nationale 
ombudsman. Die besloten werkwijze 
brengt met zich dat wij in het begin 
geen openheid van zaken hebben 
gegeven. Daardoor kon geen 
discussie ontstaan over de vraag wat 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs 1-2 


wij nu eigenlijk gingen doen. Voorts 
zou daardoor het onderzoek zelf 
geen onderwerp van maatschappelijk 
discussie worden. De verantwoor– 
ding daaromtrent zullen wij achteraf 
afleggen bij de publikatie van ons 
rapport. Daarin zullen wij dus ook 
verantwoording afleggen voor de 
door ons gehanteerde werkwijze. 

Het lijkt mij goed dat gesprekken 
zoals deze in beslotenheid plaatsvin– 
den. Er wordt dan geen druk 
uitgeoefend door eventuele televisie– 
camera's en leden van de pers op de 
tribune. Die waren bij andere 
onderzoeken in de Kamer nadrukke– 
lijk wel aanwezig. Op deze manier 
konden wij goed met elkaar praten. 

Het rapport zullen wij u toesturen 
en wij staan open voor reacties 
daarop. Ook het stenografisch 
verslag van deze bijeenkomst krijgt u 
toegestuurd en dat kunt u, zoals ik in 
het begin al heb gezegd, corrigeren. 
Ik hoop dat alles ertoe zal leiden dat 
wij een paar stappen verder komen in 
een discussie die al heel erg lang 
duurt. ledereen die hier aan tafel zit, 
zal er uiteindelijk een stukje beter van 
worden. 

De heer Van Gent: Mag ik nog een 
praktische vraag stellen? Wanneer 
mogen wij het rapport tegemoet 
zien? 

De voorzitter: Wij proberen een en 
ander voor de zomer af te ronden. 
Wij zijn echter nog bezig met het 
verwerven van informatie. Wij 
moeten ook nog gesprekken met 
kinderrechters voeren. Misschien 
concluderen wij op grond van de 
gesprekken die vandaag en vorige 
week zijn gevoerd, dat er nog een 
aanvullend gesprek dient plaats te 
vinden. De materie is zeer complex 
en wij willen een en ander zorgvuldig 
doen. Wij hebben ons voorgenomen 
de zaak voor de zomer af te ronden, 
maar men moet het ons niet kwalijk 
nemen, als wij daar niet in slagen. 

Na de zomer zal in de Kamer 
ongetwijfeld een debat hierover 
plaatsvinden. Het regeringsstandpunt 
over het rapport-Gijsbers is dan 
bekend en onze rapportage is dan 
ook klaar. 

Hiermee wil ik deze bijeenkomst 
afsluiten. Ik dank iedereen hartelijk 
voor zijn aanwezigheid. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 143 


, 



A.5 Stenografisch verslag van het 
rondetafelgesprek van de 
subcommissie 
Kinderbescherming met enkele 
kinderrechters 


Voorzitter: Vliegenthart 

Aanwezig zijn 6 leden der Kamer, te 
weten: 

Vliegenthart, Doelman-Pel, Dijkstal, 

Lankhorst, Leerling en Versnel– 

Schmitz. 

Verder nemen deel aan het gesprek: 

mr. O.W.E. Berg, mr. K.R. van der 
Graaf, mr. B.A. Meulenbroek, mr. 

J.P.F. Rijken, kinderrechters. 
De voorzitter: Ik heet u allen van 
harte welkom. Het heeft nogal wat 
moeite gekost om een gesprek met 
de kinderrechters te organiseren — 
dat ligt overigens niet aan u persoon– 
lijk — en daarom zijn wij erg blij dat u 
er vanavond met zijn vieren bent, 
zeker ook omdat een aantal van u 
pas erg laat benaderd is voor dit 
gesprek. 

Ik zal u kort informeren over de 
doelstelling en de werkwijze van de 
subcommissie en de thema's die wij 
vanavond met u willen bespreken en 
die straks nog kort zullen worden 
ingeleid. De thema's, die wij ook in 
de vorige gesprekken aan de orde 
hebben gesteld, zullen nu worden 
rondgedeeld; zij vormen een leidraad 
voor ons gesprek. 

Alvorens in te gaan op de inhoud 
van deze bijeenkomst, moet ik u 
meedelen dat dit gesprek een 
besloten karakter heeft en dat er een 
stenografisch verslag van deze 
bijeenkomst gemaakt wordt. Bij de 
publikatie van ons onderzoeksrapport 
zullen in een bijlage ook de verslagen 
van de bijeenkomsten gepubliceerd 
worden. Achteraf is er wel openbaar– 
heid van hetgeen zich vanavond 
afspeelt. 

U krijgt de mogelijkheid om het 
stenografisch verslag in te zien en te 

corrigeren als dat nodig is. Uiteraard 
kunt u alleen correcties aanbrengen 
in datgene wat u zelf gezegd heeft. 
Het is niet de bedoeling dat de 
strekking van hetgeen gezegd is, 
veranderd wordt maar soms is iets 
onduidelijk gebleven. Voor u is het 
ook van belang te weten, dat niet de 
commissie die correcties beoordeelt 
maar dat de Stenografische dienst 
dit aan de hand van een bandopname 
doet. De commissie staat daar verder 
buiten. 

Voorts wil ik nog meedelen, dat de 
heer Lankhorst iets later komt omdat 
hij op dit moment een andere 
verplichting heeft. De heer Dijkstal 
zal om ongeveer 20.30 uur de 
vergadering helaas moeten verlaten. 

Ik kom nu toe aan de inhoud van 
deze bijeenkomst. Zoals u weet 
hebben de bijzondere Commissie 
voor het jeugdwelzijnsbeleid en de 
vaste Commissie voor justitie deze 
Subcommissie kinderbescherming 
ingesteld naar aanleiding van 
klachten over de kinderbescherming 
die in de afgelopen jaren bij ons en 
bij de Nationale ombudsman zijn 
binnengekomen. De doelstelling van 
het onderzoek is om op basis van de 
binnengekomen klachten en van de 
informatie die wij bijvoorbeeld in de 
rondetafelgesprekken en in dit 
gesprek met u krijgen, ons een beeld 
te vormen van de aard en de ernst 
van de klachten als indicatie van 
datgene wat zou kunnen veranderen 
in de structuur en in de bejegening, 
ter oplossing van de problematiek. 
Wij kijken niet sec naar het functio– 
neren van de Raden voor de kinderbe– 
scherming maar wij willen de 
problematiek breed benaderen. Wij 
kijken zowel naar de uitvoering van 
overheidstaken als naar het systeem 
van rechtspleging. 

De commissie heeft een inventari– 
satie gemaakt van de klachten die bij 

ons en bij de Nationale ombudsman 
zijn binnengekomen. Vervolgens 
hebben wij gekeken op welke 
elementen die klachten betrekking 
hebben. Wij hebben dus niet gekeken 
of iedere klacht op zichzelf terecht 
was maar op welke elementen die 
klacht betrekking heeft. Vervolgens 
hebben wij een selectie gemaakt uit 
de thema's waarop die klachten 
betrekking hebben en die thema's 
staan dan weer ter discussie. Die 
thema's dienen ter structurering van 
het gesprek; u bent vrij om vanuit uw 
invalshoek daarover te praten. Aan 
het eind van dit gesprek is er nog een 
rondvraag waarin u datgene kwijt 
kunt wat u op een eerder moment in 
dit gesprek niet naar voren heeft 
kunnen brengen. 

Voor alle duidelijkheid deel ik u 
mede, dat de commissie nog geen 
conclusies en ook geen voorlopige 
conclusies heeft getrokken zodat al 
uw argumenten en alle informatie die 
u ons geeft, belangrijk zijn voor onze 
meningsvorming. Dat wil niet zeggen 
dat soms in onze vraagstelling geen 
oordeel zou kunnen doorklinken. Dat 
is evenwel geen oordeel van de 
commissie als geheel. Wij zijn 
vatbaar voor argumenten en wij 
hopen dat u zich dat realiseert. 

Wij beseffen ook, dat iedere 
kinderrechter zijn eigen opvattingen 
heeft en dat u niet namens "het" 
gremium van de kinderrechters uw 
opvattingen kenbaar kunt maken. Dat 
is zeer logisch, maar misschien weet 
u of er over sommige punten 
discussie is of er andere opvattingen 
zijn. In dat geval is het goed dat u 
ons dat laat weten. Dan weten wij 
wat voor soort argumenten in die 
discussie een rol spelen en dan 
kunnen wij die ook in onze menings– 
vorming betrekken. Wij zullen dus uw 
stellingname niet generaliseren en 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


zeggen dat "de" kinderrechters iets 
vinden 

De invalshoek van het onderzoek is 
primair die van de burger. Daarbij 
wordt uitgegaan van de klachten van 
de burger. Er zijn reeds twee 
rondetafelgesprekken gehouden. Het 
eerste is gehouden met vertegen– 
woordigers van belangenbehartigen– 
de organisaties van ouders en 
minderjarigen en het tweede met 
vertegenwoordigers van raden, 
gezinsvoogdij-instellingen en 
advocaten, dus met de professionals 
in het systeem. In die gesprekken viel 
het ons op, dat er in feite twee 
werelden naast elkaar bestaan. De 
cliënt maakt een proces door waarbij 
men in verschillende fasen met de 
raad, de kinderrechter, de gezins– 
voogdij, eventueel met de pleegou– 
ders en de jeugdhulpverleningsinstel– 
lingen te maken heeft. Dat gehele 
proces lijkt soms ongrijpbaar voor de 
cliënt. In huis–, tuin– en keukentaal 
komt het op het volgende neer. 
Mensen krijgen te maken met de 
raad, bijvoorbeeld in verband met 
opvoedingsmoeilijkheden. Er wordt 
dan een onderzoek gedaan, een 
rapport opgesteld en een verzoek 
gedaan aan de kinderrechter voor 
bijvoorbeeld een OTS. De kinderrech– 
ter honoreert dat verzoek vrijwel 
automatisch. Er vindt een verhoor 
plaats. Maar wordt er dan wel serieus 
gehoord? De toekomstige gezins– 
voogd is heel vaak al aanwezig bij dat 
horen. 

Naar aanleiding van de klachten en 
de rondetafelgesprekken zijn bij ons 
tal van vragen gerezen. Graag willen 
wij van u daarop een antwoord 
hebben, opdat wij aan de hand 
daarvan ons beeld van het geheel 
kunnen completeren. 

Thema 1: de rechtspositie van 
degene die in een juridische 
procedure tegenspraak wil 
voeren (waaronder: de moge– 
lijkheid van tegenexpertise en de 
relatie burger-Raad voor de 
kinderbescherming - rechter in 
eerste aanleg en in hoger 
beroep) 

De voorzitter Dit thema is een 
"breed" thema. Ter inleiding van de 
behandeling van dit thema wil ik u de 
volgende vragen stellen. U kunt daar 
dan op antwoorden en vervolgens 
kan met de leden van de commissie 
enige discussie plaatsvinden. 

Wij hebben begrepen, dat in 

ongeveer 90% of 95% van de 
gevallen de kinderrechter het advies 
dan wel het verzoek van de raad 
bekrachtigt. Het rapport dat de raad 
uitbrengt speelt dus een doorslagge– 
vende rol in de gehele procedure. 
Wordt dat rapport door de kinder– 
rechter inhoudelijk getoetst? 
Onderzoekt de kinderrechter of dat 
rapport op een behoorlijke manier tot 
stand is gekomen? Zo ja, hoe toetst u 
dat? Is onze informatie juist, dat 
beslissingen, althans die ten aanzien 
van kindermaatregelen, meestal niet 
of nauwelijks gemotiveerd zijn, maar 
dat volstaan wordt met een voorge– 
drukt formulier waarin wordt 
verwezen naar de inhoud van het 
dossier en de van toepassing zijnde 
wetsbepalingen? Is ook de informatie 
juist, dat de ouder in de beschikking 
vaak niet gewezen wordt op de 
mogeiijkheid van hoger beroep, de 
termijnen daarvoor en dat ook niet 
meegedeeld wordt bij welke instantie 
hoger beroep kan worden ingesteld? 
Hoe beoordeelt u, vanuit uw positie, 
de rechtspositie van de mensen 
waarmee u dagelijks te maken heeft? 

Ten slotte wil ik nog ter inleiding 
het volgende punt naar voren 
brengen. Bij het uitlokken van een 
maatregel is het raadsrapport per 
definitie partijdig. Daarin wordt 
immers om een maatregel gevraagd. 
Door een groot aantal mensen wordt 
gepleit voor de wettelijke mogelijk– 
heid van contra-expertise, waardoor 
kan worden bijgedragen aan de 
kwaliteit van de rechterlijke beslis– 
sing en waardoor tevens de ongelijk– 
waardige positie van de cliënt 
versterkt kan worden. Maakt u in uw 
praktijk wel eens gebruik van 
contra-expertise? Zo ja, waarom en, 
zo neen, waarom niet? Wat is uw 
mening over het wettelijk regelen 
hiervan? Hoe denkt u over de 
verplichte rechtsbijstand in kinderza– 
ken? 

Het voorgaande was de start voor 
de discussie. Ik geef nu graag het 
woord aan u om hierop te reageren 
en om uw eigen elementen in te 
brengen. 

De heer Berg: Dat zijn een hoop 
vragen! 

De voorzitter: U mag zelf weten 
waar u begint. Als een vraag 
onbeantwoord blijft, komen wij daar 
wel op terug. 

De heer Berg: U vroeg eerst of het 
rapport van de raad door de kinder– 

rechter wordt getoetst. Zo'n rapport 
lees je kritisch. Ouders krijgen 
tegenwoordig ook altijd de gelegen– 
heid om de rapporten te lezen of 
althans te bespreken. Zij ventileren 
hun eigen opvattingen al voordat het 
rapport naar de kinderrechter gaat. 
Je kunt dus op de bezwaren van de 
ouders die zij al kenbaar hebben 
gemaakt, inhaken. Je probeert er 
natuurlijk altijd wel een beetje achter 
te komen hoe de bezwaren tegen het 
hele feitenrelaas dat in het rapport 
staat, door de ogen van de ouders 
worden gezien. In die zin probeer je 
het rapport te toetsen aan de mening 
van degenen die het lijdend voorwerp 
zijn van het rapport. Verder praat je 
over de situatie rondom het kind in 
het algemeen. 

Er wordt hier wel voortdurend 
gepraat over allerlei rechtsposities, 
maar niet vergeten moet worden dat 
waar wij mee bezig zijn, het 
belang van het kind is. Het belang 
van het kind rechtvaardigt een 
inbreuk op de rechten van de ouders. 
Je praat over afschuwelijke situaties 
waarin kinderen verkeren, want aan 
ons worden immers alleen maar de 
heel nare gevallen voorgelegd. Het is 
de vraag of die situaties het recht– 
vaardigen dat de rechten van de 
ouders beperkt worden. De vragen 
worden dus kritisch bekeken en 
besproken en zo wordt er getoetst. 
De ouders krijgen ruimschoots de 
gelegenheid om zelf ook te zeggen 
wat hun bezwaren zijn tegen het 
rapport. Een gesprek over een 
nieuwe ondertoezichtstelling duurt 
gauw een half uur tot drie kwartier en 
een uur is ook geen uitzondering. Een 
en ander wordt dus, althans bij mij, 
zeer uitvoerig behandeld. Ik praat nu 
alleen puur voor mijzelf. 

De heer Meulenbroek: Ikwil mij 
graag aansluiten bij de heer Berg. In 
de vraagstelling komt een beeld naar 
voren van ouders tegenover de raad. 

In een aantal gevallen zal het 
voorkomen, dat ouders het niet met 
de raad eens zijn. Men moet evenwel 
niet vergeten dat er in nogal wat 
gevallen een belangrijke mate van 
overeenstemming is tussen de 
ouders en de raad over het feit dat er 
iets moet gebeuren en zelfs vaak 
over wat er moet gebeuren. Het komt 
haast nooit voor, dat ouders het 
volstrekt niet eens zijn met alles wat 
er in het rapport staat. Er zijn 
natuurlijk wel gevallen waarin dat zo 
is en waarin ouders aangeven dat 
volgens hen het hele verhaal van de 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


raad gebaseerd is op roddel, leugens 
enzovoort. Zo'n bespreking is moeilijk 
maar in het overgrote deel van de 
gevallen is er op hoofdlijnen overeen– 
stemming over de beschrijving. Je 
zou het zelf misschien anders 
geformuleerd hebben, maar daar is 
ook over heen te stappen. Ook over 
het type oplossingen is een grote 
mate van overeenstemming te 
verkrijgen. Een zwart-wit beeld: 
ouders daar, hulpverlening daar en 
rechters die dan maar wat moeten 
bedenken, is niet juist. Wanneer een 
ondertoezichtstelling wordt uitge– 
sproken, is dat doorgaans op basis 
van het verzoek van de raad. Niet 
alleen het rapport dat daaraan ten 
grondslag ligt maar ook de bespre– 
king daarvan op de zitting speelt een 
rol. De manier waarop ouders 
reageren op het rapport speelt wel 
degelijk mee. Soms kunnen zelfs 
bepaalde punten die de raad 
accentueert in zijn rapport, zelf wat 
minder gewichtig worden gevonden, 
maar andere dingen die door de 
ouders aangedragen worden, kunnen 
wel van belang gevonden worden. 
Dat totale pakket is de basis voor de 
beslissing voor een ondertoezicht– 
stelling of geen ondertoezichtstelling. 
Het kan zijn dat een ondertoezicht– 
stelling wordt uitgesproken. Als een 
ouder wel hecht aan een vorm van 
hulpverlening maar de ondertoezicht– 
stelling te veel als dwang beschouwt, 
kan de beslissing tot ondertoezicht– 
stelling een aantal maanden worden 
uitgesteld om de ouder in de 
gelegenheid te stellen om de 
hulpverlening op vrijwillige basis 
zoveel voet aan de grond te laten 
krijgen dat zij effect sorteert. Dat is 
ook een mogelijke beslissing. 
Misschien dat er uiteindelijk wel een 
beslissing tot ondertoezichtstelling 
valt, en die is natuurlijk ook wel 
gebaseerd op de rapportage van de 
raad. Dat is een van de factoren, 
maar niet de enige en ook niet altijd 
de doorslaggevende. 

De heer Leerling (RPF): Mevrouw de 
voorzitter! Ik wil de vraag nog wat 
meer veralgemeniseren. U heeft al 
gezegd, voorzitter, dat wij een 
onderzoek doen naar aanieiding van 
klachten die ons hebben bereikt, 
recent, maar ook over een langere 
periode. Daarom hebben wij ook een 
gesprek met deze heren. Zij hebben 
er ongetwijfeld het een en ander over 
gevolgd in de media. Herkennen zij 
daar iets van? Herkennen zij het feit, 
dat ouders grote problemen hebben 

met het fenomeen klnderbescher– 

ming en met het optreden van de 

kinderrechters? Of gaat het, gelet op 

hun eigen ervaring, om een heel 

kleine groep? 

De heer Van der Graaf: Er wordt 

over een grote hoeveelheid zaken 

rapportage opgesteld. Het commen– 

taar van de ouders wordt ook 

vermeld in de rapportage. Een 

OTS-zitting heeft mede tot doel om 

de ouders duidelijk te maken wat er 

aan de hand is - de ouders hebben 

meestal een kopie van het rapport 

gekregen - wat de bedoeling van 

het verzoekschrift is en wat er gaat 

gebeuren. 

Als ik uit mijn eigen ervaring put die 
is nog niet zo gek lang, op dit 
moment bijna drie jaar — dan 
constateer ik, dat het in niet zo gek 
veel gevallen voorkomt, dat ouders 
zeggen dat de raad van geen kant 
deugt. Wanneer je in zo'n geval 
doorvraagt over wat er dan mis is en 
waar men bezwaar tegen heeft, dan 
krijg ik vaak de indruk dat men 
ergens zijn gram kwijt moet. Dan zal 
het de raad moeten zijn, want de 
raad zwengelt de zaak aan. Feitelijke 
bezwaren over hetgeen in de 
rapportage wordt beschreven, komen 
er amper of niet uit. 

In de tweede plaats komt het wel 
eens voor, ook in een klein aantal 
zaken, dat ouders zeggen: Wij zitten 
hier nu wel, maar de raad heeft ons 
eigenlijk helemaal niet verteld hoe de 
zaak in elkaar zit en heeft ons ook 
niet uitgelegd wat voor procedure er 
wordt gestart. De gemiddelde 
kinderrechter — ik reken mij daar ook 
toe — legt de kwestie dan uit. Daarbij 
heb ik ook wel eens de indruk, dat de 
mensen zich met enige tegenzin een 
stukje gezag laten ontnemen, maar 
het juist daarom nog eens een keer 
extra uitgelegd willen hebben, terwijl 
het nog maar de vraag is of de zaak 
bij de raad niet juist is uitgelegd. Dat 
komt dus ook maar in een zeer klein 
aantal gevallen voor. Dat wat de 
klachten betreft. 

De heer Berg: Mevrouw de voorzit– 
ter! De verschillende zaken waarover 
door de raden wordt gerapporteerd, 
moeten wel worden onderscheiden. 
Er zijn situaties waarbij kinderen om 
de een of andere reden helemaal zijn 
vastgelopen en waarbij de raad een 
maatregel uitlokt. Daarnaast 
rapporteert de raad ook in geschilsi– 
tuaties, bijvoorbeeld bij het toewijzen 
van kinderen na echtscheiding, dus 

voogdij en vooral ook bij omgangsre– 
gelingen. Bij die laatste categorie is 
er heel dikwijls één partij die zijn zin 
niet krijgt. Juist in dat geval - dat is 
onze ondervinding - gaat het 
dikwijls om mensen die stad en land 
aflopen met hun klachten tegen de 
raden. Het betreft dan echter geen 
klachten tegen de raden, maar 
klachten, gebaseerd op het feit dat 
die mensen uiteindelijk hun zin niet 
hebben gekregen. Dat roept reacties 
op. Dat is heel begrijpelijk. In het 
rapport-Gijsbers wordt ook heel 
duidelijk aangegeven, dat een 
belangrijke categorie mensen die 
bezwaar heeft tegen de werkwijze 
van de raad voor de kinderbescher– 
ming, in een geschil haar zin niet 
heeft gekregen. 

De voorzitter: Natuurlijk gaat het in 
een heleboel gevallen goed. Dan 
hebben de mensen geen problemen. 
De discussie concentreert zich echter 
altijd op de gevallen waarin beslissin– 
gen worden genomen die betrokke– 
nen niet welgevallig zijn. Dat is ook 
logisch. Als je tevreden bent, klaag je 
niet. Toch is het relevant om te 
bekijken, of de klachten gegrond zijn 
en of de uiteindelijke beslissing 
zorgvuldig is voorbereid, zodanig dat 
zij ook de enig juiste is die had 
kunnen worden genomen en zodanig 
dat zij het rechtsgevoel van de 
mensen niet aantast. Wij moeten in 
feite beoordelen of het systeem 
zodanig in elkaar zit dat er een 
optimale situatie ontstaat. Onze 
indruk is, gelet op hetgeen wij 
gehoord en gezien hebben, dat daar 
nog wel wat verbetering in kan 
worden aangebracht. 

De heer Rijken: Het onderscheid dat 
collega Berg heeft aangebracht, is 
volstrekt juist. Er moet onderscheid 
worden gemaakt tussen de adviesta– 
ken omtrent de toewijzing voogdij en 
toeziende voogdij en omgangsrege– 
lingen enerzijds en het al dan niet 
uitlokken van maatregelen anderzijds. 
Dat zijn wezenlijk verschillende 
dingen. Bij de meeste rechtbanken 
worden die zaken ook wezenlijk 
verschillend ondergebracht, hoewel 
het allemaal door kinderrechters 
moet gebeuren. 

Zojuist ging het gesprek over de 
ondertoezichtstelling. Collega 
Meulenbroek zei daarover dat in het 
begin meestal met ouders eenduidig– 
heid bestaat over de vraag hoe het zo 
is gekomen. In veel gevallen bestaat 
overeenstemming over hetgeen zou 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


kunnen gebeuren en in ieder geval 
over het feit dat er wat moet 
gebeuren. Het advieswerk van de 
raad, dat staat ook in het rapport de 
commissie Gijsbers is dus een heel 
andere poot dan het voorbereiden 
van de maatregelen. 

De heer Dijkstal (VVD): Wij zien dat 
onderscheid uiteraard ook. Ér is 
echter één noemer, waaronder het 
allemaal samen komt. In alle gevallen 
vindt de samenleving dat de Raad 
voor de kinderbescherming het 
belang van het kind in de gaten moet 
houden. Als dat niet het geval zou 
zijn, zou je je af kunnen vragen of 
twee mensen die gaan scheiden en 
iets moeten regelen niet naar een 
notaris kunnen gaan om dat te doen. 
Daar ligt natuurlijk de verbintenis. Ik 
geef grif toe dat, ook naar de aard 
van de problemen, zoals die ons zijn 
toegekomen, er een duidelijk verschil 
is tussen de ene categorie en de 
andere. 

Ik wil nog twee vragen stellen aan 
de heer Berg. Ik hoop dat hij mij goed 
wil begrijpen. Ik heb geen kritiek op 
de kinderrechters, maar ik ga die 
vragen wel kritisch stellen. De heer 
Berg zei: ik lees dat rapport kritisch 
door. Ik neem aan dat hij dat doet, 
want daar is hij ook voor ingehuurd. 
Wij vragen ons af of de opbouw, de 
samenstelling en de totstandkoming 
van een rapport aan bepaalde eisen 
moet voldoen en of hij ook naar dat 
soort aspecten kijkt. Wij vragen ons 
dus af of hij niet alleen kritisch kijkt 
naar de argumenten die daarin staan, 
maar ook naar het soort elementen. 

Met mijn tweede vraag koppel ik 
terug op hetgeen de heer Van der 
Graaf zei toen hij het woord "gram" 
gebruikte. De mensen willen hun 
gram halen. Op het moment dat een 
rechter een bepaalde uitspraak doet, 
kan dat natuurlijk een inbreuk 
betekenen op de rechtspositie van de 
ouder of wie er dan ook partij is. Dat 
is logisch en dat willen wij in wezen 
ook. Wij vragen namelijk aan de Raad 
voor de kinderbescherming of er niet 
een inbreuk moet worden gemaakt 
op die rechten. Als wij spreken over 
de rechtspositie van partijen, dan 
bedoelen wij dat echter meer in 
procedurele zin. Vindt de heer Berg 
dan niet dat die ouder het recht heeft 
om zichzelf te verdedigen tegenover 
de Raad voor de kinderbescherming? 
Als hij dat vindt, heeft die ouder dan 
in de praktijk wel genoeg mogelijkhe– 
den om dat naar behoren te doen? 

Dat is de rechtspositie in iets andere 
betekenis opgevat. 

De heer Berg: Ik stuur wel eens een 
rapport terug, omdat ik vind dat ik 
onvoldoende beeld krijg van de hele 
situatie. Als het belang van het kind 
ten minste toestaat dat een dergelijk 
uitstel plaatsvindt. Hoe kritisch kijk je 
naar rapporten? Ik vind dat een 
moeilijke vraag. Ik kijk niet naar de 
indeling en dat soort zaken. Dat is 
een verantwoordelijkheid van de 
raad. Een rapport gaat door zo veel 
handen, dat het meestal wel 
ongeveer begrijpelijk in elkaar zit. Het 
is echter niet mijn taak om die 
rapporten op opbouw, nette indeling 
en dat soort zaken te beoordelen. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Er wordt nogal eens geklaagd dat 
maatschappelijk werkers zich bij de 
betrokkenen als hulpverlener 
presenteren. Zij hebben ook die 
attitude. De betrokkenen ieggen dan 
vervolgens hun hele hebben en 
houden op tafel. Zij denken dat zij 
hulp krijgen, maar dan blijken zij in 
een soort fuik te zijn gelopen. 
Wanneer deze mensen met zo'n 
rapport worden geconfronteerd, 
zeggen ze: dat heb ik allemaal wel 
gezegd en dat is ook wel waar, maar 
toen zag ik de persoon van de 
maatschappelijk werker anders. De 
mensen voelen zich daardoor 
genomen. Je kan dit gemakshalve 
omschrijven als een wolf in schaaps– 
kleren. Ik vraag mij af of de rol van de 
maatschappelijk werker voor de 
betrokkenen wel duidelijk genoeg is. 

lets anders is of de wijze van 
waarneming wel zo objectief is. Wij 
horen ook klachten in de trant van: je 
moet zorgen dat het niet te vies is, 
maar het mag ook niet te schoon zijn. 
Aan beide situaties wordt een 
negatieve duiding gegeven. Verder 
moet je niet huilen, want dan ben je 
een onevenwichtig persoon. Dit soort 
dingen blijken een specifieke duiding 
te krijgen in zo'n rapport. Dan denkt 
zo'n mevrouw of meneer: ik heb 
gehuild, dat is waar. Heeft u zicht op 
de manier waarop de rapportage is 
ingericht? Er zitten in feite al 
conclusies in. 

De heer Berg: Soms merk je dat de 
voorindruk die je had na lezing van 
het rapport, toch erg verandert nadat 
je met de ouders hebt gesproken. 
Dan blijkt dat het rapport een wat 
eenzijdig beeld heeft gegeven van de 
ouders of van bepaalde situaties. Dat 

komt voor. Bij de behandeling van 

het verzoek kan dit gecorrigeerd 

worden. 

Maatschappelijk werkers zijn 
subjectief. Dat is duidelijk. Zij zijn 
subjectief omdat zij heel dicht bij de 
ellende zitten. Zij komen in het gezin 
en worden direct geconfronteerd met 
allerlei dingen die daar gebeuren. Als 
je daarmee bezig bent, ontkom je er 
niet aan daar af toe subjectief over te 
schrijven. Dat is onlosmakelijk 
verbonden met het werk van de 
maatschappelijk werker. De maat– 
schappelijk werker is ook emotioneel 
bij zijn werk betrokken. De raad kan 
instructies geven en de mensen 
oefenen hun emoties zo veel mogelijk 
terzijde te laten, maar ook een 
raadsmaatschappelijk werker 
ontkomt hier niet aan. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 

Dat is ook niet erg, als het maar als 

subjectief gepresenteerd wordt. Een 

subjectieve waarneming mag niet als 

objectief gepresenteerd worden. 

De heer Rijken: Het verschilt van 
raad tot raad, maar ik denk dat de 
meeste raden hun rapporten in 
hoofdstukjes splitsen. De eigen 
mening en waarnemingen van de 
maatschappelijk werker komen dan in 
een apart hoofdstuk. Alle onderdelen 
van het rapport worden betrekkelijk 
zorgvuldig gesplitst. Collega Berg 
heeft gelijk dat dit altijd een moeilijk 
punt is voor de maatschappelijk 
werker, maar dat lees je ook in de 
rapporten. 

Je leest wel dingen waar mensen 
over vallen en dat komen ze ook op 
de zitting vertellen. Ik vraag dan wat 
zij van het rapport vinden. Is het juist 
wat erin staat of niet? Dan zeggen zij 
soms dat zij bepaalde dingen niet 
juist vinden. Ik geef ze gelegenheid 
hun klachten te uiten en hun eigen 
zienswijze te geven. Het moeilijke is 
dan vaak dat men dingen noemt, 
waarvan ik zelf nooit vermoed had 
dat ze ook maar van enig belang 
zouden zijn voor het nemen van 
welke beslissing dan ook. Er staan 
dingen in die ik als futuliteiten zie. 
Voor mlj geven die opmerkingen niet 
eens "kleur" aan de zaak, terwijl die 
mensen ze zien als een inbreuk op 
hun leven. Ik geef ze daarover graag 
het woord en zij kunnen hun aanvul– 
lingen geven. Als zij het anders 
willen, komt dat in het proces verbaal 
van de zitting. 

De voorzitter: De kern is toch dat 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 148 


het rapport door de raad wordt 
gemaakt via een bepaalde procedure. 
De heer Rijken zegt: wij lezen het 
rapport kritisch en wij bespreken het 
met de mensen. Wij hebben ook 
verhalen gehoord dat ouders soms 
enkele uren van tevoren opgeroepen 
worden voor de zitting, dat het 
rapport vaak heel laat klaar is, dat 
zaken onder grote tijdsdruk gebeuren 
zodat ouders nauwelijks afstand 
kunnen nemen van wat er staat. 
Veelal lopen de emoties zo hoog op 
dat men niet in staat is om een 
relevant verweer te voeren. De heer 
Rijken zei zojuist: mensen winden 
zich op over futiliteiten. 

De heer Rijken: Over wat ik zié als 
futiliteiten. Ik zeg niet dat het 
futiliteiten zijn. 

De voorzitter: De vraag is dan hoe 
deze dingen zich tot elkaar verhou– 
den. Naarmate het rapport zorgvuldi– 
ger en beter tot stand komt, zal de 
onderbouwing voor uw beslissing 
beter zijn. 

De heer Meulenbroek: Het rapport 
eindigt met een weergave van de 
bespreking van het concept-rapport. 
Voor mij is dit bij de behandeling het 
begin. Ik begin met: u hebt het 
rapport besproken. Meestal gebeurt 
dit enige tijd voorafgaand aan de 
zitting. Ik zeg dan: u hebt de 
volgende opmerkingen gemaakt. Zijn 
deze opmerkingen goed weergege– 
ven in het rapport of hebt u nog 
andere opmerkingen? Bij gewone 
nieuwe ondertoezichtstellingen kom 
ik nooit tegen dat ouders zeer kort 
voor de behandeling geconfronteerd 
zijn met het rapport. Ik neem de 
bezwaren van de mensen met hen 
door, terwijl ik zelf het rapport lees 
op de volgende manier. Wat staat er 
in? Hoe komt men eraan? Op de 
zitting vraag ik wat de ouders er zelf 
van vinden. Met name de vraag hoe 
men eraan komt is van belang. Dit is 
de inhoudelijke toetsing waarop de 
voorzitter zojuist doelde. In een 
aantal gevallen zal dit betekenen dat 
er veel gesprekken met ouders 
geweest moeten zijn. In een aantal 
andere gevallen waarin ouders zich 
hebben afgesloten van elk contact, 
moeten er dus vele betrouwbare 
informanten zijn geweest. Deze staan 
met naam en toenaam vermeld. Het 
verhaal moet kloppen en begrijpelijk 
zijn. Op die manier lees je kritisch. 
Wat zegt de raad, waarom zegt de 
raad dit, op grond waarvan zegt hij 

het, is het na te gaan en wat vindt 
men er vervolgens zelf van? Die 
volgorde houd je aan. Dan kom je 
aan een beslissing toe. U had het 
over voorgedrukte beslissingen. Dat 
klopt. Deze worden in een aantal 
gevallen nog gehanteerd. Maar voor 
mij is de zittlng zelf het belangrijkste 
en de bezwaren die zijn ingebracht 
tegen het verzoek van de raad. Deze 
behandel ik successievelijk. Zoals je 
in een strafzitting de verweren van de 
advocaat successievelijk mondeling 
behandelt, zo behandel je hier 
bezwaren die van de kant van de 
ouders naar voren zijn gebracht. Je 
zult hierbij aangeven waarom je 
uiteindelijk vindt dat er een ondertoe– 
zichtstelling moet komen. Ik vind het 
belangrijk om te motiveren waarom 
je tot die beslissing komt. Soms merk 
je in de loop van de zitting dat ouders 
zich er echt niet in kunnen vinden, los 
van alle uitleg en pogingen om tot 
overeenstemming te komen. Je moet 
als kinderrechter natuurlijk met het 
kind verder, maar ook met de ouders. 
Je probeert dus zoveel mogelijk een 
basis te scheppen waarop je in het 
verloop van de ondertoezichtstelling 
verder kunt. Het eindigt niet met de 
beslissing tot ondertoezichtstelling. 
Hier begint het hele verhaal voor 

jezelf pas. Daarom is de uitleg en het 
aanvaardbaar maken van de beslis– 
sing noodzakelijk. Uiteindelijk 
gebeurt het in alle gevallen ook zo. 
Je kunt mensen erop wijzen dat zij 
een advocaat kunnen inschakelen. 
Als je hier aanleiding toe ziet, dan 
doe je dat. Je zegt ook hoe zij aan 
een advocaat kunnen komen. 

De voorzitter: Is het standaard dat 
dit gezegd wordt? 

De heer Meulenbroek: Voor mij is 
dit niet standaard. Als er een grote 
mate van overeenstemming is, zie ik 
niet zoveel aanleiding om tegen 
iemand te zeggen dat hij naar een 
advocaat moet stappen. Ik zie de 
betrokkenen ook niet in alle gevallen 
zo nadrukkelijk als tegenover elkaar 
staande partijen. Ik ben er niet alleen 
om te zorgen voor de belangen van 
het kind, maar ook om te zorgen dat 
de belangen van ouders en andere 
betrokkenen tot hun recht komen. Ik 
ben er niet exclusief voor het kind, 
maar voor het kind als onderdeel van 
een gezin. Je kunt ook op de 
appelmogelijkheid wijzen, als 
duidelijk is dat er een diepgaand 
probleem is met de beslissing. Ik 
vind het heel voor de hand liggend 

om dan aan te geven dat zowel het 

een als het ander mogelijk is. 

De heer Van der Graaf: Als ik de 

eerste zitting van de procedure van 

ondertoezichtstelling vergelijk met de 

zitting van een civiel geschil, kom ik 

tot de conclusie dat er sprake is van 

volstrekt ongelijkwaardige procespar– 

tijen. Ik vraag me alleen af of de 

vergelijking juist is. Er zitten twee 

mensen, meestal vader en moeder, 

die doorgaans een dergelijk rapport 

niet even doorworstelen, aangeven 

wat niet klopt en bepaalde zaken 

weerleggen. Het zijn meestal niet de 

meest slimme, maar wel emotionele 

mensen. Zij hebben zich ook veelal 

niet voorzien van een advocaat. Men 

weet niet eens of dat kan. Aan de 

andere kant staat een Raad die een 

rapport heeft samengesteld met een 

aantal mensen. Dat rapport zit 

doorgaans redelijk doortimmerd en 

systematisch in elkaar. Deze raad is 

tevens procespartij. 

Een kinderrechter moet ervoor 
zorgen dat de ouders niet in de klem 
komen. Dat wil zeggen dat je, als het 
even kan, die mensen zover moet 
krijgen dat zij op een gegeven 
moment erachter komen wat hun 
rechten zijn en hoe zij zich van de 
nodige know-how kunnen voorzien. 
Je kunt bijvoorbeeld verwijzen naar 
het bureau voor rechtshulp, of een 
zitting aanhouden in afwachting van 
een mogelijke contra-expertise. Maar 
een contra-expertise doe ik ook 
alleen als er relevante en goede 
opmerkingen zijn gemaakt over 
bepaalde zaken die eventueel niet 
zouden kloppen. Dan pas moet je 
geld gaan uitgeven en niet alleen 
wanneer je maar wilt doen alsof de 
mensen hun zin kunnen krijgen, 
terwijl van tevoren duidelijk is dat zij 
blij gemaakt worden met een dode 
mus. 

Mevrouw Doelman-Pel (CDA): Uit 
de klachten is te concluderen dat er 
mensen zijn die ontevreden zijn met 
de rapportage. De heer Van der 

Graaf gaf ook aan dat deze kritisch 
bekeken wordt, waarna ook tot een 
andere beoordeling wordt gekomen. 
Ik kan mij dat goed voorstellen, 
hoewel ik mij ook afvraag of kinder– 
rechters, net als raden, soms een 
heel eigen werkwijze hebben. Eén 
van de klachten was bijvoorbeeld dat 
een motivering niet tot uitdrukking 
komt in de beschikking. Er wordt dan 
wel een OTS in uitgesproken, maar 
niet verwoord op basis waarvan dat 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


wordt gedaan. Er wordt dus geen 
nadere motivering gegeven, zodat 
het rapport van de raad een eigen 
leven blijft leiden. De beschikking 
geeft onvoldoende houvast. 

!k zie dat de heer Van der Graaf 
zijn hoofd schudt, maar ik geef 
alleen maar een voorbeeld van de 
klachten die wij horen. Dat doe ik om 
aan te geven hoe mensen hiermee 
kunnen worstelen. De raad gaat met 
het eigen rapport verder, advocaten 
zeggen dat zij een beschikking 
krijgen waarin verder geen 
motivering is opgenomen, terwijl er 
sprake kan zijn van een afwijkende 
motivering van de raad. Men kan dan 
met lege handen zitten. Het rapport 
blijft maar een eigen leven leiden en 
gaat het gehele hulpverleningscircuit 
in. Daarmee blijft de kritiek op de 
raden voortduren. Ik vraag mij af hoe 
kinderrechters met elkaar 
overleggen, zodat er eenheid kan 
ontstaan en er sprake zal zijn van 
een voor mensen herkenbaar beleid. 

De heer Rijken Wie moet tot 

eenheid komen? 

Mevrouw Doelman-Pel (CDA): Uit 

de klachten maken wij op dat niet 

alle kinderrechters bijvoorbeeld op 

dezelfde manier hun besluiten 

motiveren. 

De voorzitter: Er is sprake van dat 
er met voorgedrukte formulieren 
gewerkt zal worden, waarin bepaalde 
zaken gewoon aangekruist kunnen 
worden. Daardoor zal een nadere 
motivering ontbreken voor de 
verwijzing naar een toepasselijk 
wetsartikel. Voor een beroepszaak is 
dat ingewikkeld. 

De heer Rijken: Dat is niet 

ingewikkeld, want de ouders kunnen 
zelf niet in hoger beroep. Daar 

hebben zij altijd een advocaat voor 

nodig. In dat opzicht is er niks 

ingewikkeld aan. De advocaat weet 
ook wat hij daarmee moet. 

Het is natuurlijk maar de vraag of 
men verder gaat met het rapport van 
de raad. Het was het basisgegeven 
voor het uitspreken van de ondertoe– 
zichtstelling, naast de behandeling 
ter terechtzitting. Vervolgens wordt 
iemand anders, van een gezins– 
voogdij-instelling, benoemd tot 
gezinsvoogd. Die komt na enige tijd 
met de eigen visie en het behan– 
delplan. Dat is verder de basis voor 
de ondertoezichtstelling. Er zullen 
natuurlijk een aantal van dezelfde 
elementen in voorkomen als in het 

rapport van de raad. Dat zal wel, 
want anders is een van de twee niet 
helemaal goed. Het uiteindelijke 
behandelingsplan van de gezins– 
voogd vormt uiteindelijk de basis 
voor de ondertoezichtstelling. 

De heer Van der Graaf: Ik wil nog 
wel even reageren op de exacte 
vraag, namelijk waarom de beschik– 
kingen niet worden gemotiveerd. Ik 
kan alleen vertellen wat de praktijk 
bij de Haagse kinderrechters is. Als 
je op je klompen voelt aankomen dat 
het een hoger beroep kan worden, 
maak je een uitgebreide motivering: 
de een zegt dit, de ander zegt dat en 
er vindt een afweging plaats van alle 
argumenten contra en pro, voor 
zover ze niet te verwaarlozen zijn als 
onzinargumenten. 

Als je van alle beschikkingen wat 
wij noemen aan «warme-bakkerbe– 
schikking» zou moeten maken, zou 
dat werk geven voor 24 uur per dag. 
Dat is niet te redden. Als partijen ter 
zitting zeggen dat het allemaal prima 
is, komt uit de tekstverwerker van de 
kindergriffie, dat de voorwaarden 
van het desbetreffende artikel van 
het Burgerlijk Wetboek zijn vervuld 
en dat de ouders akkoord gaan. Dat 
wordt een OTS. Er wordt dan verder 
niets gemotiveerd, want dat kost te 
veel tijd. Is er echter tegenspraak 
tussen de partijen, dan wordt er wel 
gemotiveerd. 

De heer Dijkstal (VVD): Ik heb een 
afsluitende vraag, over de gelijk– 
waardigheid of ongelijkwaardigheid 
van al degenen die bij zo'n 
procedure betrokken zijn. Er is al 
gesproken over de ongelijkwaar– 
digheid. Vindt u dat er nadere 
maatregelen nodig zijn om een meer 
gelijkwaardige positie tot stand te 
brengen of meent u dat dit niet 
nodig is, omdat u daar in de praktijk 
op let, door de manier waarop u 
werkt? U hebt daar voorbeelden van 
gegeven. 

De heer Leerling (RPF): Ik heb nog 
een vraag die bij het clustertje hoort, 
over de kwaliteit van het rapport, 
voor u een belangrijke bouwsteen bij 
het nemen van uw beslissing, het 
toewijzen van hetgeen de raad 
probeert uit te lokken. Ik confronteer 
u met een citaat van prof. 
Hoefnagels en verzoek u daarop te 
reageren. Hij stelde in een toespraak 
van vorlg jaar juni in Haarlem: 

«Het is juridisch gezien niet 
moeilijk ieder kind in Nederland 
bedreigd te achten met zedelijke en 

lichamelijke ondergang en het op die 
grond zelfs uit huis te plaatsen. Het 
hangt er maar van af hoe je de 
relaties, vooral de gezinsrelaties, 
beschrijft.» 

Met andere woorden: het gaat om 
de beschrijving door de maatschap– 
pelijk werker van een bepaalde 
situatie in het gezin. Daar kun je alle 
kanten mee uit. Moeten wij dan niet 

veeleer naar een proces-verbaalsi– 
tuatie, waarin je nuchter de feiten op 
tafel krijgt en kunt zeggen dat het 
wel zo is of niet? 

De heer Van der Graaf: Dat is een 
geestige opmerking van de heer 
Hoefnagels. 

De heer Rijken: Ik wil eerst even 
ingaan op hetgeen de heer Dijkstal 
zei. In België is het anders. Als daar 
een maatregel van kinderbe– 
scherming moet worden genomen, 
moet daar snel over beslist worden 
door de desbetreffende kinder– 
rechter. leder kind krijgt op dat 
moment een eigen advocaat toege– 
voegd. De consequentie van wat u 
nu wilt is, dat de minister van Justitie 
in ieder geval dan een veelvoud van 
toevoegingsgelden die hij nu 
besteedt moet besteden. Het zou 
een goede zaak zijn als er ter zitting 
meer juridische bijstand voor ouders 
en kinderen zou zijn, maar dan op 
basis van de wet, waarin staat dat er 
toegevoegd moet worden. Of dat 
veel verschil zal maken in de uitein– 
delijke beslissing denk ik niet, omdat 
ik ervan overtuigd ben dat wij allen 
proberen daarin zo zorgvuldig 
mogelijk te werk te gaan. Dat is 
overigens ook de taak die je als 
rechter hebt. Het zou onzin zijn om 
te zeggen dan je dan ineens zorgvul– 
diger zou werken. Ik denk dat dit 
werkelijk niet het geval is en dat wij 
alleen proberen om iedereen zoveel 
mogelijk datgene te laten zeggen, 
wat men op het hart heeft. Meer 
rechtsbijstand zou in ieder geval 
prima zijn, maar dat heeft wel tot 
gevolg meer toevoegingen en 
bovendien meer kinderrechters en 
secretarissen, want het kost allemaal 
tijd. Dat is de consequentie ervan! 

De heer Dijkstal (VVD): De rechts– 
staat kost geld! 

De heer Lankhorst (Groen Links): 
Wij zouden kunnen uitspreken dat 
wij het ervoor over hebben! 

De heer Berg: De opmerking van 
prof. Hoefnagels in echt onzin. Er 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


wordt gezegd dat wij alles volgen wat 
de raden ons voorleggen. Voor een 
groot deel is dat wel waar, maar de 
raden leggen ons alleen die zaken 
voor waarvan ze vrijwel zeker zijn dat 
er ook inderdaad een ondertoezicht– 
stelling volgt. De raden weten in het 
algemeen vrij goed aan welke eisen 
zij moeten voldoen bij hun eigen 
kinderrechter en richten hun 
verzoeken ook daarop in. Als ze niet 
bijna zeker weten dat het verzoek 
wordt toegewezen, wordt het ook 
niet ingediend. Raden knutselen 
eindeloos aan allerlei zaken. Wij 
hebben het laatst weer in Zwolle 
meegemaakt waar de raad te lang 
met een zaak is doorgegaan en waar 
het betrokken kind is doodgegaan. 
De wereld is dan te klein en men 
roept dan waarom de raad niet 
eerder heeft ingegrepen. Dat komt 
omdat de raad een hele tijd met die 
zaak bezig is en vindt dat zij nog niet 
rijp is voor een ondertoezichtstelling. 
Zo werkt het in de praktijk gewoon. 
Dat is overigens ook de instructie die 
de raad heeft en wel om de zaak zo 
lang mogelijk in ieder geval buiten 
een gedwongen kader te houden. Dat 
betekent dat een kinderrechter met 
de verzoeken voor ondertoezichtstel– 
ling alleen maar het topje van de 
ijsberg krijgt aangeleverd en als je 
dat krijgt, dan volg je de meeste 
verzoeken toch wel, want daar zul je 
toch niet veel reden tot afwijzing in 
vinden. Dan gaat het veel meer om 
de berg die eronder zit, want zaten 
daar ook geen zaken bij waarbij het 
van belang was om een verzoek tot 
ondertoezichtstelling in te dienen? 

De voorzitter: Zo automatisch 
komen wij al op het tweede thema, 
de toepassing van gezagsmaatrege– 
len. 

De heer Berg: Ik wil nog even 
teruggaan naar het thema contra-ex– 
pertise, want ik heb de indruk dat dit 
voor u van erg veel belang is en ik 
heb het idee dat dit nog niet 
voldoende is uitgespit. 

De vraag is natuurlijk wat je een 
contra-expertise noemt. Is dat een 
gewone procedure tussen twee 
partijen waarbij je deskundigen kunt 
halen? In die zin werken wij ook wel 
met meer deskundigen. De Raden 
voor de kinderbescherming zijn als 
maatschappelijk werker redelijk 
deskundig, maar niet vreselijk 
gespecialiseerd. Als er dus meer 
informatie nodig is, komt er een 
rapport van het RIAGG bij. Als blijkt 

dat de ouders het met het rapport 
helemaal niet eens zijn, dan bestaat 
wel degelijk de mogelijkheid voor een 
contra-expertise. Als ze voldoende 
twijfels zaaien over het voorliggende 
rapport, ben ik best bereid om 
iemand anders in te schakelen. Het 
probleem vormt natuurlijk dikwijls de 
kosten. Alleen de RIAGG's zijn bereid 
om gratis te adviseren, maar als je 
naar een vrij gevestigde psychiater 
wil, dan kost dat veel geld. Dat geeft 
meer problemen, maar daar is 
dikwijls ook wel een mouw aan te 
passen, want je kunt ook unlversi– 
teitsklinieken inschakelen. Het 
vervelende is wel dat je ondertussen 
wel zes maanden verder bent voordat 
je eindelijk een beslissing kunt 
nemen. Als het gaat om echt 
vastgelopen kinderen is elke maand 
er toch een. Het wordt steeds 
moeilijker om dan de problematiek 
van dat kind aan te pakken. In die zin 
zijn wij dus niet zo vreselijk enthousi– 
ast over contra-expertise, maar het 
kan wel, het behoort tot de mogelijk– 
heden. 

De voorzitter Maar in feite doet u 
dat alleen op het moment dat er naar 
uw gevoel voldoende twijfel gezaaid 
is over het rapport van de raad? 

De heer Rijken: In het rapport van 
de commissie Gijsbers leest u ook 
dat een van de aanbevelingen is om 
meer externe deskundigen in te 
schakelen als dat nodig is. Ik denk 
dat die aanbeveling terecht is. In de 
praktijk gebeurt het ook dat door 
andere onderzoekers werk wordt 
verricht, maar dat kost natuurlijk tijd, 
terwijl je er op dat moment niets mee 
kunt doen. 

Eén ding moet mij wel van het hart. 
Ouders hebben recht op een 
contra-expertise, maar het hangt 
ervan af in welk stadium dit wordt 
bedoeld. Is het bedoeld om tot de 
ondertoezichtstelling te komen, dan 
moeten wij constateren dat er in die 
situatie vaak grote eenduidigheid 
tussen partijen is dat er iets moet 
gebeuren. De raad moet dan geen 
onderzoek laten plaatsvinden naar 
wat er moet gebeuren; die beslissing 
moet in de ondertoezichtstelling 
worden genomen. Dan valt de raad 
er echter weer buiten, want als een 
ondertoezichtstelling eenmaal is 
uitgesproken, is hij uitgespeeld. Gaat 
het om een advies, dan is het 
natuurlijk een heel ander verhaal 
maar daar gaat het nu niet om. 

Thema 2: de toepassing van 
gezagsmaatregelen en van 
uithuisplaatsing (waaronder: de 
wettelijke gronden voor maatre– 
gelen, de duur van voorlopige 
toevertrouwingen en voorlopige 
ondertoezichtstellingen). 

De voorzitter: Oorspronkelijk was 

de OTS bedoeld om via een gezags– 

maatregel een hulpverleningsproces 

binnen een gezin op gang te 

brengen, dit ter ondersteuning van 

de opvoedingssituatie. In de praktijk 

kwam daar een tweede doelstelling 

bij, te weten de grond voor uithuis– 

plaatsing, waarbij soms het herstel 

van gezinsbanden als doel van de 

maatregel op de achtergrond raakt. 

Er lijkt nu een derde doelstelling aan 

toegevoegd te worden, te weten het 

veiligstellen van de financiering van 

een uithuisplaatsing, bijvoorbeeld 

indien de ouders de ouderbijdrage 

niet meer zouden willen betalen. 

De heer Rijken: WVC, dus. 

De voorzitter: Precies. Algemeen 
erkend uitgangspunt ten aanzien van 
de kinderbescherming is, dat ernaar 
wordt gestreefd om rechterlijk 
ingrijpen te voorkomen. Vrijwillige 
oplossingen genieten de voorkeur. 
Wordt in de praktijk door u getoetst 
of aan dat uitgangspunt is voldaan, 
of de vrijwillige mogelijkheden 
inderdaad zijn uitgeput? De wettelijke 
gronden voor het ingrijpen in de 
ouderlijke macht zijn tamelijk 
algemeen geformuleerd. Het gaat om 
bedreiging met zedelijke en lichame– 
lijke ondergang. Biedt die formule– 
ring u in de praktijk voldoende 
houvast om uw beslissing te 
motiveren? Zijn er in de praktijk 
impliciet dan wel expliciet normen en 
criteria te geven op grond waarvan u 
kunt vaststellen of er daadwerkelijk 
sprake is van zo'n situatie? De heer 
Leerling duidde daar zoëven al op 
met zijn vraag. Welke ontwikkeling 
signaleert u, met name ten aanzien 
van de financiële OTS? 

Dan ga ik nog even kort in op de 
voorlopige maatregelen. De rechter 
is bevoegd om in spoedeisende 
gevallen een voorlopige maatregel te 
treffen. Tegen zo'n maatregel is geen 
beroep mogelijk. Er vindt geen 
verhoor plaats. De wettelijke grond 
voor een dergelijke maatregel kan 
onduidelijkheden opleveren. Het is 
nog vager dan bij een definitieve 
OTS. Er gelden geen harde termijnen 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


waarbinnen beslissingen moeten 

worden genomen. Er moet wel 

binnen een afzienbare termijn een 

beslissing worden genomen, maar 

naar wij vernemen is er tamelijk vaak 

sprake van het steeds weer verlen– 

gen van voorlopige maatregelen, 

waarbij een definitieve beslissing 

uitblijft. 

De heer Berg: Ze kunnen niet 

worden verlengd; ze lopen gewoon 

door. 

De voorzitter Het effect daarvan is 
natuurlijk gelijk. Bij zo'n voorlopige 
maatregel zijn er wel minder 
waarborgen ten aanzien van de 
zorgvuldigheid van de procedure. 
Eigenlijk is er sprake van een 
vergaande inbreuk in de gezins– of de 
privésituatie, waarbij de kinderbe– 
scherming heel sterk naar voren 
komt en de rechtsbescherming van 
de burger veel minder aan de orde is, 
althans in de beleving van de 
mensen. Hoe kijkt u daar tegenaan? 

De heer Rijken: Mevrouw de 
voorzitter! Ik heb de afgelopen 
maand een aantal financiële onder– 
toezichtstellingen, die de Hoge Raad 
verbiedt, moeten uitspreken om de 
doodeenvoudige reden dat er een 
noodsituatie was. De vader had het 
departement van WVC een briefje 
geschreven dat hij niet langer bereid 
was, de bijdrage te betalen. En op 
dat moment valt de bijl en stopt de 
financiering van de hulpverlening, 
terwijl iedereen die erbij betrokken is, 
het erover eens is dat de wijze 
waarop zij nu bezig zijn, zeer zinvol is 
en uitzicht biedt op herstel en 
dergelijke. Je kunt dat niet frustreren, 
als de bijl van de financiering valt, 
door ineens het roer om te gooien. Ik 
ben dan gedwongen een ondertoe– 
zichtstelling uit te spreken. Als ik dat 
niet doe, maak ik dingen kapot, 
waarvan ik misschien een dag ervoor 
niet wist dat zij bestonden. Daarom 
voel ik mij toch gedwongen zo'n 
ondertoezichtstelling uit te spreken. 
Het is een heel, heel slechte zaak. En 
het ministerie is daar keihard in. Dat 
is heel vervelend. 

De heer Lankhorst (Groen Links): 
Geldt dat voor uw collega's evenzo? 

De heer Van der Graaf: In zo'n 
geval wordt naar mijn stellige 
overtuiging voldaan aan de criteria 
die de wet zelf stelt. 

De voorzitter: Voor een ondertoe– 
zichtstelling? 

De heer Van der Graaf: Ja. 

De heer Berg: De consequentie is 
namelijk dat het kind uit zo'n tehuis 
wordt gezet, want dat kan het zich 
niet permitteren kinderen in huis te 
hebben waarvoor niet wordt betaald. 
Dan eindigt dus de plaatsing. En dat 
is slecht. Dus is toch voldaan aan de 
criteria. Eigenlijk zou het zo niet 
moeten. 

De heer Meulenbroek: Mevrouw de 
voorzitter! Wat betreft die onduide– 
lijkheid bij die voorlopige maatregel 
klonk het, zoals ik het u hoorde 
samenvatten, als een ander land. En 
in elk geval als een ander arrondisse– 
ment dan het mijne. Een voorlopige 
ondertoezichtstelling is er tegen– 
woordig zelden sec. Het gaat meestal 
om een voorlopige ondertoezichtstel– 
ling met een uithuisplaatsing. Als dit 
zich aandient, zeg ik tegen de 
raadsmaatschappelijk werker die met 
zo'n voornemen komt, dat hij aan de 
ouders kan zeggen dat zij op dezelfde 
dag gehoord kunnen worden, voordat 
de beslissmg tot uithuisplaatsing 
wordt genomen. Als dat niet kan om 
redenen van veiligheid voor de 
kinderen, worden zij in ieder geval 
ook op dezelfde dag gehoord door 
mij of, als het de ouders niet schikt, 
op een ander tijdstip de dag daarop 
of enkele dagen later. Het kan ook 
dat de ouders niet wensen te komen 
of dat één van de ouders niet wil 
komen. Er zijn ook situaties waarin de 
ouders volstrekt tegenstrijdige 
standpunten en belangen hebben, en 
niet alleen bij scheiding. Dan volgt 
dus een oproep, binnen een dag of 
vijf na de uithuisplaatsing, om 
gehoord te worden. Daarbij vraag ik 
de raad hoe lang het duurt voordat 
het rapport klaar is. Als het een 
volstrekt nieuwe zaak voor de raad is, 
dan zal er een termijn van twee of 
drie maanden mee gemoeid zijn. 
Vaak is het een zaak waarin de raad 
al wel gekend was, maar waarin zich 
een escalatie voordeed. Dan kan het 
rapport eerder klaar zijn en dan komt 
er op eerdere termijn een zitting. De 
plaatsingsbeschikking wordt dan 
aangepast aan die periode. Gezien 
deze gang van zaken zult u zich 
kunnen voorstellen dat uw samenvat– 
ting mij niet aansprak. Op deze 
manier werken impliceert dat je als 
kinderrechter ook vaak bereikbaar 
bent, om op allerlei momenten 

verhoren te kunnen inlassen. Ik zit in 
een klein arrondissement. Daardoor 
is de onderlinge afstemming 
misschien wat gemakkelijker. Het is 
te doen. In de praktijk blijkt het ook 
heel goed te werken op die manier. 
Het gebeurt in een zo vroeg mogelijk 
stadium, opdat de ouders niet het 
gevoel krijgen dat alles geregeld is en 
dat alles en iedereen maar beslist, 
voordat zij zelf überhaupt ook maar 
iets hebben kunnen zeggen. Die 
werkwijze — het horen van de ouders 
op het allervroegste moment bij een 
uithuisplaatsing, liefst voor de 
plaatsing, maar als het niet anders 
kan dan in elk geval onmiddellijk 
daarop volgend — vind ik van groot 
belang. Bij mij duren de voorlopige 
ondertoezichtstellingen ook niet lang. 
Ik wil geen lange voorlopige onder– 
toezichtstellingen. Ikwilvan 
voorlopige ondertoezichtstellingen 
af. Ik wil snel de behandeling van de 
definitieve ondertoezichtstelling. 

De voorzitter: Dat begrijp ik. Het is 

ook heel logisch dat u dat vindt. 

De heer Meulenbroek Maar omdat 

ik dat vind, gebeurt het ook. 

De voorzitter Jawel, maar voor ons 
is het wel relevant, te weten in 
hoeverre de kritiek terecht is dat dit 
soort dingen gebeuren. Als wij de 
wet erop naslaan, zien wij dat er in 
de wet niet is geregeld dat er 
gehoord moet worden. Dat u dat 
doet, is prima. Dat u dat zorgvuldig 
doet, is uitstekend. Maar een aantal 
zorgvuldigheidscriteria die aan de 
procedure gesteld zouden kunnen 
worden en die bij tal van andere 
zaken wèl geregeld zijn, zijn in dezen 
helemaal niet geregeld. Wij zijn 
daarin afhankelijk van de goede wil 
en de mogelijkheden van de desbe– 
treffende kinderrechter. 

De heer Meulenbroek: Het hangt 
ook een beetje af van de jurïspruden– 
tie en de veranderende inzichten, 
mede onder invloed van de Europese 
jurisprudentie. Het is geen statisch 
gegeven dat je als kinderrechter 
zegt: zo doe ik het en over een jaar of 
dertig, dus tegen mijn pensioen, doe 
ik het nog steeds zo. Zo werkt dat 
natuurlijk niet. Je past je aan aan 
veranderende inzichten en je houdt 
rekening met nieuwe ontwikkelingen. 
Ik denk dat je vandaag de dag meer 
oog moet hebben voor rechtspositio– 
nele punten dan bijvoorbeeld twintig 
jaar geleden. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


De heer Van der Graaf: Er is ook 
een wetswijziging in de maak, zoals u 
weet. 

De voorzitter: Het Europees verdrag 
stelt ook eisen aan onze systematiek. 

De heer Van der Graaf: Ik wil het 

nog even aanvullen. Het beleid in 

Den Haag is hetzelfde als in een 

kleiner arrondissement. Binnen 24 

uur moeten de ouders worden 

gehoord, anders gaat het feest niet 

door. Overigens, in het nieuwe 

wetsvoorstel wordt het voorstel 

gedaan om de mogelijkheid om een 
voorlopige OTS- meestal in 

combinatie met een uithuisplaatsing 

- uit te spreken te beperken tot na 
het moment waarop de ouders zijn 
gehoord. Via de Vereniging voor 
rechtspraak is op dat punt aan de 
noodrem getrokken, omdat zo'n 
instrument als thans bestaat bepaald 
wel nodig is. Je krijgt bijvoorbeeld 
vanavond om acht uur een telefoon– 
tje van het Juliana Kinderziekenhuis 
dat een drugsverslaafde moeder en 
een criminele vader hun zwaar 
verwaarloosde kind uit het ziekenhuis 
wlllen halen, terwijl het kind daar 
echt verzorgd moet worden. Op zo'n 
moment moet er direct een maatre– 
gel worden genomen. Als je moet 
zeggen "laat ze maar eventjes hier 
komen", dan is de vogel gevlogen, 
met kind en al. 
De voorzitter: Hoe extremer de 
situatie, hoe makkelijker de afweging 
is. Er zijn ook twijfelgevallen. 

De discussie over incest en 
kindermishandeling is op dit moment 
een hot item. Wij hebben de 
Bolderkar-affaire gehad. Er vinden 
meldmgen plaats die lang niet altijd 
op waarheid berusten. Vaak doen 
geruchten de ronde. Vindt u het 
zinvol om bij dergelijke zaken een 
soort protocol van afspraken met de 
vertrouwensarts en de raad te 
hanteren? Dat betreft dan een aantal 
stappen die gezet moeten worden, 
alvorens u tot een voorlopige 
maatregel besluit. 

De heer Van der Graaf: Nou en of. 
Ik kan alleen maar vanuit de Haagse 
situatie praten. Ik ben op een 
gegeven moment geconfronteerd 
met incestaffaires. Elke zaak is weer 
anders. Ze zitten allemaal buitenge– 
woon ingewikkeld in elkaar. Naar 
aanleiding daarvan heb ik een 
inventarisatie gemaakt van hetgeen 
in den lande zoal geregeld is bij dit 

onderwerp. Het komt erop neer dat 

er in een aantal arrondissementen 

een heel goede regeling is. Onder 

andere in Roermond is dat het geval. 

Ik kan u die gegevens wel verschaf– 

fen, als u dat wilt. 

De voorzitter: Graag. 

De heer Van der Graaf: In Den 
Haag zijn wij bezig om een organisa– 
tie op te zetten met een zogenaamde 
case manager, die professioneel 
wordt aangesteld. Het is een centraal 
iemand die een beleid kan bepalen bij 
incestmeldingen. 

De voorzitter: Zou het geen 

aanbeveling verdienen om dat soort 

zaken wat meer te stroomlijnen? 

De heer Van der Graaf: Het zou 

buitengewoon aardig zijn om beleid 

centraal te coördineren en om 

gemeenten zo gek te krijgen om er 

ook wat geld in te stoppen. Dat is 
vaak het probleem. 

De heer Leerling (RPF): Voor alle 

duidelijkheid wil ik nog even iets 
vragen over de kwestie van de 
voorlopig ondertoezichtstelling en 

het horen van ouders. Moet ik uit uw 
woorden concluderen dat de 

Bolderkar-affaire een typisch 
voorbeeld is van iets dat nooit meer 

moet gebeuren? 

De heer Van der Graaf: Dat zou u 

aan de kinderrechters in Rotterdam 

moeten vragen. 

De heer Meulenbroek: Dat heeft 
zich niet in mijn arrondissement 
afgespeeld. 

De heer Leerling (RPF): Maar het is 
duidelijk dat daar de ouders niet zijn 
gehoord voordat de kinderen uit huis 
zijn geplaatst. 

De heer Rijken: Nee dat klopt. Ik 
denk ook dat er verschillen in 
behandeling in den lande bestaan. 
Het ene arrondissement lost het op 
door binnen 24 uur te horen. Het 
andere arrondissement doet er wat 
langer over. Maar in de meeste 
arrondissementen wordt er toch 
betrekkelijk snel gehoord. Je kunt je 
afvragen wat snel is maar het is in 
ieder geval de bedoeling dat de 
mensen ten laatste binnen een paar 
weken daarop gehoord zijn. leder vult 
dat zelf in en die handelwijze is nu 
eenmaal verschillend omdat dit, zoals 

de voorzitter al zei, niet in de wet 
geregeld is. Aan de andere kant is 
men bij een voorlopige ondertoe– 
zichtstelling niet rechteloos, in die 
zin dat weliswaar tegen de voorlopige 
ondertoezichtstelling als zodanig 
geen hoger-beroepmogelijkheid 
bestaat maar tegen de beschikking 
tot plaatsing wel. Er is dus wel enig 
rechtsmiddel. Maar ook bij de 
Bossche kinderrechters, waartoe ik 
behoor, is het gebruik om zo snel 
mogelijk een zittingsdag te bepalen 
waarop met de ouders of de ouder 
wordt gesproken over de uithuis– 
plaatsing. Vervolgens is er een 
afspraak met de raad dat zij geen 
lange voorlopige ondertoezichtstel– 
lingen vragen, want dat is een 
ongezonde maatregel, een spoed– 
maatregel, een ordemaatregel. Als 
het nodig is moet het gebeuren maar 
als er termen voor zijn, moet die zo 
spoedig mogelijk worden omgezet in 
een gewone ondertoezichtstelling. 
Dat gebeurt dan ook. Dat is een 
afspraak die goed loopt. 

De heer Leerling (RPF): Vindt u dan 

een termijn van zes weken redelijk? 

De heer Rijken In de ene zaak is het 

haalbaar en in een andere zaak is het 

moeilijk om met ouders te spreken 
over de plaatsing. Je hebt natuurlijk 
ook te maken met oproeptermijnen 
voor zittingen. Maar ik spreek altijd 

binnen een maand met ouders over 
plaatsingen. Dat is voor mij de 
langste termijn. Als er een request 
tot ondertoezichtstelling komt als 
vervolg op de voorlopige ondertoe– 
zichtstelling dan gebeurt dat eigenlijk 
altijd binnen drie, vier maanden. 
Binnen drie of vier maanden zijn wij 
dan weer op de zitting om over de 
ondertoezichtstelling te spreken. In 
die drie of vier maanden hebben de 
ouders, dus in het geval van een 
voorlopige ondertoezichtstelling, 
ten minste twee keer bij de kinder– 
rechter hun zegje kunnen doen en 
dat gebeurt niet bij een gewone 
ondertoezichtstelling. Maareen 
gewone ondertoezichtstelling is weer 
veel beter voorbereid, want daar 
heeft weer meer voorbereidend werk 
door de raad plaatsgevonden. 

De heer Lankhorst (Groen Links): 
Het kan ook wel eens langer duren 
dan drie of vier maanden? 

De heer Rijken: Als ik zou zeggen 
dat dit niet gebeurt, is dat niet waar. 
Misschien gebeurt dit wel in een 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


enkel geval, ook in mijn praktijk, maar 
als je op uitzonderïngen de regel 
moet gaan veranderen, ben je 
verkeerd bezig. Ik denk het uitgangs– 
punt is, dat dit binnen korte termijnen 
gebeurt. Daar houden wij ons ook 
aan; dat is de regel. 

De heer Lankhorst (Groen Links): 

Maar het is natuurlijk een beetje de 

vraag hoe vaak die uitzonderingen 

voorkomen. 

De heer Rijken: Ik weet dat niet 

precies. Misschien in 1 % of 2% van 

de gevallen. Ik heb het niet nageteld 

en zeker niet voor vandaag. U moet 

echter met dergehjke heel lage 

percentages rekenen. 

De heer Berg: Dat zijn zaken die je 

bewaakt. Ik heb een stapel voorlopi– 

ge ondertoezichtstellingen in mijn 

kast liggen en die loop ik een keer 

per maand door. Als het te lang 

duurt, bel ik de raad en vraag ik waar 

het rapport blijft. 

Ik wil eigenlijk in het algemeen iets 
zeggen over stroomlijnen en 
protocollen en dergelijke. Je moet 
ervoor oppassen om naar aanleiding 
van allerlei incidenten regelingen te 
willen treffen. Je kunt niet in deze 
heel emotionele materie waar dikwijls 
op heel korte termijn ingegrepen 
moet worden, alles vastleggen in 
regels. Je kunt er alleen voor zorgen 
dat de mensen die met de materie te 
maken hebben, goed opgeleid en 
geëquipeerd zijn. Dat is echter uw 
verantwoordelijkheid. U moet ervoor 
zorgen dat de raden voldoende 
mensen hebben, dat die voldoende 
deskundigheid in huis hebben en dat 
dus de mensen voldoende opgeleid 
zijn. Hetzelfde geldt voor de rechter– 
lijke macht. Als u zorgt voor een 
goed opgeleide en goed geëquipeer– 
de rechterlijke macht, kunt u daarin 
vertrouwen hebben. Bovendien loopt 
een zaak over een aantal schijven. 
Het is in dit soort zaken nooit zo dat 
één persoon beslist. Eerst geeft de 
raad een oordeel. Hij krijgt de zaak 
aangemeld vanuit bijvoorbeeld een 
ziekenhuis. En in een ziekenhuis 
werken nu ook niet bepaald mensen 
van wie je direct mag verwachten dat 
zij heel domme dingen doen. 
Vervolgens toetst de raad en 
uiteindelijke komt de zaak bij ons. Het 
is ons werk om kritisch te oordelen. 
Wij doen niets anders. Nu kun je 
overal wel regels voor stellen, maar 
dat maakt de zaak niet simpeler. Dat 
zeer algemene criterium van artikel 

263 van zedelijke en lichamelijke 
ondergang is een onmogelijk 
criterium. Veel mensen hebben al 
geprobeerd iets beters te bedenken. 
De belangrijke commissie-Wiarda 
heeft aan dit criterium ook zeer veel 
aandacht besteed. Tot nu toe heeft 
echter niemand een betere oplossing 
kunnen vinden. Wij kunnen met dit 
criterium heel goed uit de voeten. 

De heer Dijkstal (VVD): Ik wil niet 
op de behandeling van andere 
thema's vooruitlopen. De opmerking 
van de heer Berg vind ik wel zeer 
cruciaal. Natuurlijk hebben bestuur– 
ders of overheden bij problemen de 

neiging, direct regels te stellen. Dat 

helpt niet altijd. In die zin is de 
waarschuwing van de heer Berg zeer 
terecht. 

Ik wil hierover echter nog een 
vraag stellen en ik wil proberen die 
zo neutraal mogelijk te formuleren. Is 
het mogelijk, dat een aantal maat– 
schappelijke ontwikkelingen, die te 
maken hebben met discussies over 
normen en waarden, kind-gezin 
enzovoorts, ertoe leiden dat er op zijn 
minst een zeer grote diversiteit in het 
beleid, uitspraken enzovoorts 
ontstaat? Is er daardoor meer ruimte 
voor subjectiviteit van betrokkenen? 
Die betrokkenen kunnen mensen uit 
het ziekenhuis zijn, maar ik denk ook 
aan de dokter, de kinderrechter, de 
maatschappelijk werker enzovoorts. 
Daarbij is misschien sprake van een 
vacuüm waarbij er in procedurele zin 
behoefte aan Is om iedereen die bij 
deze zaken betrokken is, een iets 
stevigere positie te geven, opdat die 
voor zijn of haar "vermeende" 
belangen op kan komen. Heb ik de 
kwestie zo goed aangegeven? 

De voorzitter Mijnheer Van der 
Graaf, ik zag u knikken. 

De heer Van der Graaf: Dat vond u 
waarschijnlijk wel aardig! 

Misschien doelt de heer Dijkstal op 
de gevallen van incest. Naar mijn 
mening moet bij die gevallen in 
organisatorisch opzicht een hoop 
gebeuren. Wilt u dat ik dat toelicht? 

De heer Dijkstal (VVD): Neen, want 
u hebt daarover zojuist ook al iets 
gezegd. Dit is echter één aspect, 
maar er zijn meer maatschappelijke 
ontwikkelingen waarbij normen en 
waarden, het gezin enzovoorts in het 
geding zijn. 

De heer Rijken Het criterium 

"bedreiging met zedelijke of 
lichamelijke ondergang" is in 1922 in 
de wet gekomen. In de afgelopen 
bijna 70 jaar heeft zich een ontwikke– 
ling voorgedaan. Destijds dacht men 
anders over dit criterium dan nu. Nu 
is er heel wat meer nodig om tot de 
beoordeling te komen dat van 
bedreiging met zedelijke en lichame– 
lijke ondergang sprake is. Er is als het 
ware sprake van een golfbeweging. 
Zoiets moet men niet in regels willen 
vastleggen. Het gaat hierbij namelijk 
om de ideeën in de maatschappij. 
Die bepalen een beoordeling. Die is 
dus onderhevig aan maatschappelijke 
stromingen, die zich in golfbewegin– 
gen voordoen. 

De voorzitter: U spreekt over de 
normen die van toepassing zijn en de 
beoordeling van situaties. Daarbij 
gaat het om de bepaling of er al dan 
niet sprake is van genoemde 
bedreiging. Misschien hebt u met uw 
opmerking in deze gelijk, want het is 
ontzettend moeilijk, de beoordeling in 
woorden te vatten en regels te 
stellen voor wat wel en wat niet mag. 

Ik denk in dit verband echter ook 
aan een andere enorme ontwikkeling. 
De burger is veel mondiger gewor– 
den. Het jeugdrecht en het familie– 
recht hebben die ontwikkeling in feite 
niet gevolgd. De verhouding tussen 
staat, rechter en burger was voor de 
bedoelde situaties misschien in de 
jaren twintig wel juist, maar is in de 
jaren negentig enigszins verouderd. 

De heer Rijken: U hebt misschien 

het stukje van de heer Vlaardinger– 

broek in het Nederlands Juristen 

Blad van 1987 (NJB 1987 p. 1318) 
gelezen. Dat stukje is geschreven ter 
gelegenheid van het 65-jarige 
bestaan van de OTS. De vraag was of 
er sprake moest zijn van "pensione– 
ring" dan wel van handhaving van 
die mogelijkheid. Dat was een aardig 
stukje, omdat de schrijver erin liet 
zien, dat het criterium als het ware 
met de golfbeweging was meege– 
gaan en in die zin nog zeer levendig 
was. Er was in 1922 echter een 
invulling aan gegeven die paste bij de 
tijdgeest van dat jaar. Nu vindt een 
invulling plaats die past bij de 
tijdgeest van 1990. 

De heer Dijkstal (VVD): Ik hoop 
even dat er geen misverstand zal 
ontstaan. Ik wil die golfbeweging niet 
in regels vastleggen. Waar het om 
gaat, is het volgende. Er zijn golfbe– 
wegingen; dat weet u nog veel beter 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 154 


dan wij. Maken die de noodzaak dan 
niet dringender om er aan de 
procedurele kant voor te zorgen, dat 
iedereen voor zijn belang kan 
opkomen? De positie van een ieder in 
het veld zou dus gelijkwaardig 
gemaakt moeten worden. 

De heer Meulenbroek Artikel 6 van 
het Europees Verdrag geeft die 
verplichting al, maar zij is niet 
uitgewerkt. Die norm is er en die 
wordt gaandeweg op meer terreinen 
in de Europese jurisprudentie nader 
ingevuld. Je hebt er vanzelfsprekend 
rekening mee te houden dat dit type 
gevallen, ook als zij niet rechtstreeks 
van toepassing zijn, meespelen in de 
manier waarop je het werk aanpakt. 
Als op een gegeven moment blijkt 
dat de totale wetgeving een tikkeltje 
achtergebleven is bij de jurispruden– 
tie, de praktijk en de maatschappelij– 
ke ontwikkeling, dan kan het geen 
kwaad om de wetgeving aan te 
passen, ook al weet je dat zij, 
wanneer zij in werking treedt, weer 
achterhaald is. Het werk dat de Hoge 

Raad heeft moeten doen, had 
volgens sommigen de wetgever 
moeten doen. Als je ziet hoe lastig 
het blijkt te zijn om op het terrein van 
het familierecht tot nieuwe wetge– 
ving te komen, dan is het niet zo 
verwonderlijk dat degenen die het 
familierecht uiteindelijk moeten 
toepassen, zelf hun weg kiezen om, 
gelet op de tijd, op een juiste manier 
met de verschillende belangen om te 
gaan. Het zou heel mooi zijn, als er 
voortdurend aan de tijd aangepaste 
wetgeving was. Ik zou daar een groot 
voorstander van zijn. Maar dat gaat 
de laatste jaren niet zo hard. 

De heer Dijkstal (VVD): Het is 
natuurlijk ons werk om te kijken of wij 
op dit terrein tot aanbevelingen 
moeten komen. Daarom is het voor 
ons zo belangrijk wat u daarvan vindt. 

De heer Berg: Ik heb het gevoel dat 
u bij uw mening blijft dat er, wat de 
rechtsbescherming betreft, toch erg 
over de mensen heen gewalst wordt. 
Ik weet niet of dat gevoel terecht is. 
Zij kunnen immers tegenwoordig op 
iedere straathoek rechtshulpverle– 
ning krijgen als zij dat willen. Er zijn 
bureaus voor rechtshulp en er zijn 
advocaten. Zij weten donders goed 
wat zij moeten doen als het om de 
centjes gaat; dan zijn zij direct bij de 
advocaat. Dat klinkt misschien wat 
flauw, maar geld is voor veel mensen 
toch een reden om allerlei acties te 

ondernemen. Bij een uithuisplaatsing 
moet ook gepraat worden over de 
bijdrage van de ouders in de kosten 
die het Rijk maakt voor die uithuis– 
plaatsing. Daar wordt soms meer en 
luidruchtiger tegen geprotesteerd 
dan tegen de uithuisplaatsing zelf, 
maar dit zeg ik even ter zijde. Het 
gaat mij erom dat de mensen die 
werkelijk behoefte hebben aan 
rechtshulp, die ook kunnen krijgen. 

De voorzitter: De complexiteit van 

het systeem en alles wat daarop van 
toepassing is, is natuurlijk zo 
gigantisch dat de kenbaarheid 
daarvan voor de burger minimaal is. 

De heer Berg: De mensen komen 
eerst bij de raad. De raad zegt ook 
dat als zij het met een en ander niet 
eens zijn, zij naar het maatschappelijk 
werk, de rechtswinkel of de plaatse– 
lijke ombudsman kunnen gaan. Zij 
worden dus voortdurend naar een 
instantie verwezen. Als mensen bij 
ons komen en zij laten maar even 
merken dat zij tegensputteren, dan 
zeggen wij dat zij in hoger beroep 
kunnen gaan, waarvoor zij echter wel 
een advocaat nodig hebben. Zij 
krijgen dus steeds een aanwijzing 
voor de richting waarin zij kunnen 
gaan. De mensen zijn zo veel 
mondiger geworden en je moet ze 
dan ook niet voor elke stap die zij 
moeten zetten ook weer een 
verplichte advocaat geven want dat 
lost de zaak ook niet op. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Daarom heb ik zojuist niet voor niets 
van fuikwerking gesproken. 

De heer Berg: Die fuikwerking is een 
achterhaalde zaak. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Zojuist heeft iemand met veel 
enthousiasme het rapport-Gijsbers 
aangehaald. Daarin staat dit wel 
degelijk als een van de punten. Als u 
zegt dat dit achterhaald is, is dat 
misschien in uw buurt, maar wij 
hebben die ervaring niet. Die mensen 
hebben dus niet door hoe een en 
ander start. 

De heer Berg: Zijn uw klachten 
dezelfde als de 141 klachten die 
uiteindelijk ook door de heer Gijsbers 
zijn opgespit? 

De heer Dijkstal (VVD): Voordat 
hier een misverstand over zal 
ontstaan, wil ik het volgende 

opmerken. Wij zijn van een aantal 
kiachten uitgegaan, maar er is 
natuurlijk meer. De meeste mensen 
van deze kamercommissie behande– 
len al een aantal jaren het hele 
onderwerp inzake de jeugdhulpverle– 
ning en de kinderbescherming. Bij 
ons denken over deze materie speelt 
in ons achterhoofd al datgene wat wij 
in al die jaren in mondelinge 
overleggen, UCV's en plenair met de 
regering hebben besproken. De zaak 
is dus toch aanzienlijk complexer. 
Het gaat om meer dan een handjevol 
mensen dat emotioneel gezien 
ontevreden is en een brief stuurt. 
Daarmee is nog niet gezegd, dat er 
fundamenteel dingen fout zijn en dat 
de wereld op zijn kop moet worden 
gegooid. Voor die vraag staan wij, 
namelijk of dat wel of niet moet 
gebeuren. 

De heer Van der Graaf: Mijnheer 
Dijkstal, u reageert in feite op mijn 
opmerking over mijn eigen ervaring 
dat, in tegenstelling tot bij civiele 
procedures, de procespartijen — als 
je ze als procespartijen zou kunnen 
zien en als je deze zaken überhaupt 
zou kunnen vergelijken, want ik 
plaats daar een vraagteken bij — niet 
gelijkwaardig zijn. Dat is geen 
bezwaar, zo lang de mensen er zelf 
geen problemen mee hebben. Het 
wordt een bezwaar, als de mensen er 
wel problemen mee hebben. De 
vraag is vervolgens - die vraag 
stelde de heer Dijkstal — of je daar 
iets aan moet doen. In de gevallen 
waarbij het problemen oplevert, moet 
er uiteraard iets aan worden gedaan. 
De kinderrechter kan er via zijn beleid 
wat aan doen, voor zover hij daartoe 
de ruimte heeft. Daarnaast zou je de 
mensen van te voren een pamflet 
kunnen geven, waarop staat dat ze 
naar een advocaat kunnen gaan. 

Ik zat er zojuist over na te denken 
hoe je dit probleem zou kunnen 
oplossen. Ik weet het echter niet. Je 
zou datgene moeten aandragen, met 
behulp waarvan zij zichzelf kunnen 
versterken, want daar heeft de 
kinderrechter zelf ook belang bij. 

De heer Rijken Bovendien is het 
ook van belang, dat kwesties als de 
wijze waarop mensen worden 
uitgenodigd voor zittingen en de 
mededelingen die zij krijgen naar 
aanleiding van die zittingen, allemaal 
zijn geregeld in het Wetboek van 
Burgerlijke Rechtsvordering. Het lijkt 
erop, alsof kinderrechters gewoon 
maar wat doen, maar zo is het 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


natuurlijk niet. Wij motiveren 
beschikkingen. Als het Hof die niet 
goed vindt, zullen wij het voortaan 
anders moeten doen. Dat is de ene 
kant. 

Aan de andere kant zijn de 
medelingen die de griffier uitstuurt, 
op de wet gebaseerd. Of het dan 
zinvol is dat de griffier, net als de 
officier van Justitie, er een heel 
inlegvel bij doet met wat voor 
mededelingen dan ook, weet ik niet. 
Dan komt het verhaal van de 
gefinancierde rechtshulp weer naar 
boven. 

De heer Lankhorst (Groen Links): 
Daar zouden wij dan eventueel over 
moeten praten. Het verschil is 
natuurlijk wel, dat dit voor de 
kinderrechters dagelijks werk is. Zij 
weten precies hoe die wetboeken in 
elkaar steken, maar de mensen die 
met hen in contact komen, weten dat 
natuurlijk niet. Ook al worden die 
mensen vaak mondig genoemd, er 
loopt natuurlijk ook een aantal tussen 
dat wat minder mondig is. 

Ik heb echter nog een heel andere 
vraag en die gaat over de golfbewe– 
ging en de mate waarin de rechter 
daarop mee deint. De heer Meulen– 
broek vindt, dat de wetgever wel wat 
meer activiteiten aan de dag mag 
leggen. Zegt hij dat, omdat hij de 
indruk heeft dat de verschillende 
kinderrechters zeer verschillende 
uitspraken doen? Wil hij daar meer 
eenheid in krijgen en ligt er wat dat 
betreft ook een schone taak voor de 
wetgever? Of wil hij zijn eigen 
speelveld een beetje inperken? 

De heer Meulenbroek: Voor de 
wetgever is sowieso een schone taak 
weggelegd. Het zou echter goed zijn, 
wanneer de mondige burger in het 
wetboek zou kunnen lezen hoe deze 
dingen zo ongeveer in elkaar steken. 
Dat zou mooi zijn, maar dit ideaal 
wordt maar op weinig terreinen 
bereikt. In ieder geval kun je 
vaststellen, dat er op Boek 1 een hele 
vracht jurisprudentie is gekomen. Er 
worden nu beslissingen genomen, 
met name door de Hoge Raad, die 
wij een jaar of zes, zeven geleden, 
niet voor mogelijk zouden hebben 
gehouden. Als de tekst van de wet — 
ik denk hierbij meer aan Boek 1, dan 
aan het Wetboek van Burgerlijke 
Rechtsvordering — zo afwijkt van 
hetgeen in de jurisprudentie van de 
Hoge Raad en in de Europese 
jurisprudentie tot uitdrukking is 
gekomen, dan wordt het mijns 

inziens wel eens tijd om een en ander 
aan te passen. De kinderrechters 
vinden dat naar mijn mening stuk 
voor stuk wenselijk en niet zozeer, 
omdat er daardoor meer eenheid van 
beleid ontstaat. Het is namelijk nu al 
zo, dat van de verschillende soorten 
rechters die er in dit land zijn, de 
kinderrechters het meest intensief 
met elkaar overleggen en op 
verschillende terreinen tot een zekere 
afstemming proberen te komen, 
onverlet ieders eigen onafhankelijk– 
heid en verantwoordelijkheid voor de 
eigen zaken. Het is vooral voor de 
mensen die ermee te maken krijgen 
van belang dat de wet zo duidelijk 
mogelijk is. Kinderrechters zijn daar 
de hele tijd mee bezig. Die hebben 
niet alleen die wet binnen handbe– 
reik, maar ook de vracht jurispruden– 
tie die daar bovenop is gekomen. 
Advocaten die maar een enkele keer 
met dit type zaken worden gecon– 
fronteerd, zouden echter gemakkelij– 
ker hun weg moeten kunnen vinden. 
Dat is voor hen van belang. Op dit 
moment zie ik persoonlijk niet zo gek 
veel aanleiding om het speelveld van 
de kinderrechter in te perken. In 

nummer 2 van 1990 van Justitiële 
verkenningen van het WODC wordt 
heel aardig de jeugdbescherming 
besproken. Oud-collega Von Brucken 
Fock en collega Van Teeffelen doen 
dat allebei. Ik kan mij goed vinden in 
de manier waarop de heer Van 
Teeffelen schrijft over de ruimte voor 
de kinderrechter. Ondertussen heeft 
Von Brucken Fock in zijn verhaal ook 
compleet gelijk. 

Thema 3: de doorwerking van 
het recht op eerbiediging van 
gezinsleven (waaronder: de 
positie van ouders, van de 
ouder-toeziende voogd, van 
pleegouders) 

De voorzitter: Het recht op 
gezinsleven vloeit voort uit het 
Europees verdrag. De rechtspraak op 
dit terrein is hevig in ontwikkeling. 
De jurisprudentie stapelt zich op. 
Velen beroepen zich op dat Europees 
verdrag en vragen aan ons als 
wetgever om dat neer te leggen in de 
Nederlandse nationale wetgeving. 
Het gaat in feite om een aantal 
zaken, zoals de toegang tot de 
rechter - wie heeft er toegang? — 
de mogelijkheid voor pleegouders om 
bijvoorbeeld voogdij te krijgen en het 
verkrijgen van omgangsrecht door 
verschillende categorieën personen 

die in familierechtelijke betrekking tot 
de minderjarigen staan. Het dilemma 
is: wie heeft wel en wie heeft 
geen toegang tot de rechter. Verder 
gaat het om de vraag of het niet tijd 
is om de jurisprudentie om te zetten 
in wetgeving. Hoe kijkt u daar 
tegenaan? 

De heer Van der Graaf: Er is een 
wetsvoorstel over dit onderwerp in 
voorbereiding. Daar is een commen– 
taar van de Vereniging voor recht– 
spraak op gekomen. 

De voorzitter: Het wetsvoorstel 
bevindt zich nog in de adviesronde. 

De heer Van der Graaf: Ik wil u wel 
een kopietje geven van het commen– 
taar. 

De voorzitter: Heel graag. U vindt 
echter dat het voorontwerp van wet... 

De heer Van der Graaf: Het is al 
twee of drie keer veranderd, zo heb 
ik begrepen. 

De voorzitter: Het verandert 

inderdaad voortdurend. 

De heer Van der Graaf: De 
Vereniging voor rechtspraak heeft in 
eerste instantie wat betreft het recht 
om te procederen, de toegang tot de 
rechter en het omgangsrecht van de 
melkboer ten opzichte van de 
kleindochter van zijn overbuurvrouw, 
van wie hij de zwager wellicht van 
melk voorziet, gezegd dat men niet te 
ver moet gaan. Ik stel het nu wat 
overdreven voor, maar dat was de 
eerste opzet. Er is nu een tweede of 
derde opzet. Ik kan u echter een 
kopietje verschaffen van het 
commentaar. 

De voorzitter: Graag! 

De heer Berg: Ik denk dat het 
probleem is dat deze zaak nog 
helemaal niet is uitgekristalliseerd en 
dat nog niemand precies weet waar 
wij uit komen. De Hoge Raad 
worstelt er vreselijk mee en doet de 
ene uitspraak na de andere. Ik zou 
het niet durven, iets zinnigs te 
zeggen over hetgeen nu wenselijk is. 
Daar zijn wij nog helemaal niet uit. 

De heer Lankhorst (Groen Links): 
Maar in uw uitspraken moet u daar 
natuurlijk wel iedere dag een mening 
over hebben. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


De heer Rijken: Dan gaat het echter 

om concrete zaken. Dat is nu juist 

het verschil tussen uw taak en de 

onze. U heeft te maken met hoe het 

in de toekomst zou moeten zijn, 

terwijl de rechter heeft maken met 

concrete zaken. Hij moet beoordelen 

of het in dat concrete geval tot een 

toewijzing, dan wel een afwijzing 

moet komen. Dat is iets heel anders. 

De heer Lankhorst (Groen Links): Ik 

wilde dan ook vragen in welke mate 

bij zo iets uw eigen normen en 

waarden een zekere rol spelen. Er is 

gezegd dat er nu een jurisprudentie 

is die wij vier tot zes jaar geleden niet 

voor mogelijk hadden gehouden. Ik 

kan mij best voorstellen dat er wel 

eens dingen zijn, die min of meer in 

strijd zijn met uw eigen normen en 

waarden. 

De heer Berg: Dat heeft met normen 
en waarden niets te maken. De uitleg 
van het Europees verdrag door de 
Hoge Raad gaat soms dwars in tegen 
onze nationale wetgeving. Volgens 
onze wetgeving kunnen bepaalde 
dingen niet, die volgens het 
Europees verdrag wel kunnen. De 
Hoge Raad volgt het Europees 
verdrag. Dat heeft niets met normen 
en waarden te maken. Wij groeien 
langzaam in de Europese regelgeving. 

De heer Lankhorst zei dat wij hier 
dagelijks mee worstelen, maar dat 
valt wel mee. Wij zijn uiteindelijk 
maar kruideniers in ons vak en wij 
hebben voortdurend te maken met 
min of meer op elkaar lijkende zaken. 
Zo af en toe krijg je een principiële 
zaak, waarin je moet beslissen of het 
verzoek ontvankelijk is. Wij redden 
ons daar altijd vrij gemakkelijk uit 
door te zeggen dat het verzoek wel 
ontvankelijk is, maar dat het niet in 
het belang is van kind en dat wij het 
daarom afwijzen. Dan kan erverder 
geprocedeerd worden. Wij zijn de 
kruideniers en het hogere recht 
wordt bij het hof of bij de Hoge Raad 
gemaakt. 

De heer Lankhorst (Groen Links): Ik 
zou u nooit zo durven aanduiden. Ik 
ben blij dat u dat zelf zegt. 

De voorzitter: Vanuit uw positie is 
die redenering heel logisch. U heeft 
daar dagelijks mee te maken. U kent 
de criteria en u volgt de jurispruden– 
tie. U probeert die zo goed mogelijk 
toe te passen. Voor ons is ook de 
positie van de burger die ermee te 
maken heeft relevant. De burger 

moet zijn recht kunnen kennen. Als 
hij dat recht kent, kan hij ook iets 
doen om zijn recht te halen. Maar het 
kan zijn dat het systeem niet meer 
herkenbaar is. Dat is het geval als de 
nationale wet niet meer aansluit op 
Europese juridisprudentie of als een 
uitspraak van de Hoge Raad haaks 
staat op de wet. Dan weet men niet 
meer waar men nu recht op heeft. 
Vanuit de burger gezien, is dat een 
onwenselijke situatie. 

De heer Berg: Op op dit moment kan 
de burger nog allerlei dingen 
proberen die, als er straks een wet is, 
wellicht niet meer mogelijk zijn. Wij 
weten nog helemaal niet welke 
rechten wij bijvoorbeeld de biologi– 
sche vader moeten geven. Dat geldt 
ook voor de donor. Daar zijn wij nog 
helemaal niet uit. Als je deze kwestie 
nu vastlegt, sluit je een aantal wegen 
af, die wij straks wellicht toch graag 
willen bewandelen. 

De voorzitter Er zijn toch kwesties 

die wel uitgekristalliseerd zijn? 

De heer Berg: Dat hangt wel 
allemaal samen. Je kunt niet 
voortdurend nieuwe wetten maken. 
Als het om de ingang naar de rechter 
gaat, is vooral de kwestie van het 
omgangsrecht van belang. Wie 
mogen er rechter hierover nu wel de 
benaderen en wie niet? Wij weten 
bijvoorbeeld niet of donoren dat 
mogen. 

De heer Van der Graaf: De heer 
Lankhorst bedoelt dat de lagere 
rechters, zoals de kinderrechter, zich 
moeten houden aan hetgeen de 
Hoge Raad zegt. Die is de bewaker 
van de eenheid van rechtstoepas– 
sing. Dat wil niet zeggen, dat een 
rechter in een bepaalde rechtsont– 
wikkeling geen mooie kapstok kan 
zien om een bepaalde beslissing aan 
op te hangen. Het kan best zijn dat 
de Hoge Raad die "kapstok" zal 
volgen. Dit zal niet zo gek vaak 
voorkomen, maar ik doe het wel 
eens. 

De heer Meulenbroek: Het is niet 
zo eenvoudig de Hoge Raad voor te 
zijn op dit moment. 

De heer Van der Graaf: Het komt 
ook uit de lagere regionen. Daar kun 
je een initiatief nemen. 

De heer Leerling (RPF): Wij hebben 
het bij dit punt over de eerbiediging 

van het gezinsleven. Artikel 8 van het 
Europees verdrag van de rechten van 
mens gaat daar met nadruk over. Wij 
hebben ook onze eigen wetgeving op 
dit punt. In dit geheel is de positie 
van de ouders ten opzichte van de 
minderjarige heel belangrijk. En hier 
zit spanning, ook vanwege allerlei 
maatschappelijke ontwikkelingen. Wij 
hebben het tegenwoordig over de 
mondigheid van de minderjarige. U 
wordt met twee partijen geconfron– 
teerd: de minderjarige en de ouders. 
Welke waarde hecht u aan dat begrip 
"eerbiediging van het gezinsleven", 
waar de minderjarige in past? Ik wijs 
erop dat de minderjarige volgens de 
wet eerbiediging en ontzag verschul– 
digd is aan zijn ouders. 

De heer Berg: Is dat een tegenstel 

ling? 

De heer Leerling (RPF): Ik denk dat 
het een tegenstelling is. Het wordt 
ons vaak voorgehouden dat minder– 
jarigen om futiliteiten van het 
ouderlijk huis weglopen en dan door 
de kinderrechter via een OTS 
buitenshuis worden geplaatst, met 
alle emotionele problemen voor de 
ouders van dien. Daarom haalde ik 
zojuist de uitspraak van de heer 
Hoefnagels aan. Je kunt dit wat 
lacherig van tafel vegen, maar er zit 
een kern van waarheid in als je naar 
de praktijk kijkt. Daarom wil ik graag 
horen wat u in uw praktijk doet met 
wettehjk bepaalde zaken als eerbiedi– 
ging van het gezinsleven en de 
positie van de ouders als gezagdra– 
gers ten opzichte van de minderjari– 

De heer Berg: Kinderen lopen 

natuurlijk niet vanwege futiliteiten 
weg. Kinderen gaan wel eens 
vanwege futiliteiten een middag 
zwerven en worden dan door de 
politie ergens gevonden en weer naar 

huis teruggebracht. Maar als 
kinderen echt weglopen en zeggen 
dat zij niets meer met het ouderlijk 
huis te maken willen hebben, dan is 
er een heleboel aan de hand. Dat 
leert de ervaring. Je moet dit als 
signaal ook zeer serieus nemen. Om 
te beginnen moet je dan kijken of het 
mogelijk is om die kinderen weer 
terug te manoeuvreren naar huis en 
wat je hiervoor moet doen. Maar je 
moet de zaak niet bagatelliseren. 
Weglopen is een zeer serieus signaal. 
Voor ouders is het heel schokkend 
als kinderen weglopen en heel 
moeilijk te verteren. Zij hebben in hun 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


gevoel hee! erg hun best gedaan om 
hun kinderen op te voeden en 
desondanks is er iets gebeurd 
waardoor een kind de band met het 
ouderlijk huis wil verbreken. Als je de 
verhalen van de kinderen hoort, kun 
je je voorstellen dat er voor die 
kinderen reden was om weg te lopen. 
Soms waren het heel goed bedoelen– 
de ouders, die toch op een manier 
met hun kinderen omgingen die voor 
de kinderen moeilijk te verdragen 
was. 

In dat spanningsveld moet je 
afwegen wat de rechten van de 
ouders zijn en wat het belang van het 
kind is. Het uitgangspunt van de 
kinderrechter bij de OTS is toch in de 
eerste plaats te bezien of het mogelijk 
is om de kinderen in gezinsverband 
verder te laten opgroeien. Daar ben je 
voortdurend mee bezig. Dat heb je 
voortdurend in je achterhoofd. Dat is 
het karakter van de OTS. Dit is niet 
altijd haalbaar, vooral niet wanneer 
het gaat om oudere kinderen. Maar 
bij kleinere kinderen kijk je voortdu– 
rend of zij weer naar huis kunnen. 
Van daaruit bouw je je beleid verder 
op. Wij zeggen niet dat het zo 
aantrekkelijk is om kinderen in een 
pleeggezin onder te brengen of in 
een tehuis te stoppen. Wij weten 
heel goed wat het belang van het 
gezin is. 

De heer Meulenbroek: Het streven 

naar herstel van de band tussen 
ouders en kinderen in de loop van de 

OTS staat voorop. Overigens is dit 
geen eenrichtingsverkeer. Zeer 

lastige ondertoezichtstellingen zijn 
die waarbij de ouders — of een ouder 

— niets meer van het kind willen 
weten. Het is binnen de OTS dan ook 
zaak om te proberen dat de betref– 
fende ouder weer een plaats wil 
innemen ten opzichte van het kind. 
Dat is niet het type geval dat de heer 
Leerling op het oog had met zijn 
vraag, maar het is wel een type geval 
dat zich ook voordoet. Dit is bepaald 
niet eenvoudig. Je moet een ouder 
dan niet vragen om zich op afstand 
te houden, maar integendeel om de 
afstand weer te overbruggen. Het 
hoort bij de doelstelling van de OTS 
om ervoor te zorgen dat het contact 
in ieder geval zover hersteld wordt, 
dat ouders en kinderen ten opzichte 
van elkaar een over en weer aan– 
vaardbare plaats innemen. Dat hoeft 
niet te betekenen dat koste wat kost 
het kind weer thuis moet wonen. 
Maar het betekent dat ouders en 
kinderen in elkaars leven een plaats 
hebben waarmee zij uit de voeten 
kunnen. Het klinkt ongetwijfeld vaag, 
maar preciezer valt het niet aan te 
geven. ledere OTS heeft een aantal 
verschillende ingrediënten. Ik haalde 
dit voorbeeld aan van de ouder die 
zichzelf op afstand zet en de 
moeilijkheden die hiermee gepaard 
gaan, omdat ik niet te veel van één 
gebroken gezinssituatie wil uitgaan. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Het gaat nu over de ondertoezicht– 
stellingen. Maar u houdt zich ook 
bezig met de sector van de scheidin– 
gen. Wij krijgen de indruk dat, als een 
van de ouders om welke reden dan 
ook het huis verlaat, de beslissing al 
sne! uitvalt ten gunste van degene 
die in het huis bij de kinderen blijft. 
De ander wordt daarmee in een 
aparte positie gezet. Het is een 
probleem dat die positie vaak 
slechter wordt als het gaat om het 
omgangsrecht in de praktijk. Mijn 
eerste vraag is of kinderrechters dit 
inderdaad zo doen. De volgende 
vraag is wat zij ervan zouden vinden 
als er een wettelijke regeling zou zijn 
voor bijvoorbeeld een omgangsrecht 
van ten minste twee dagen per 
veertien dagen, tenzij het kind 
daardoor in zijn lichamelijke en 
zedelijke omgang zou worden 
bedreigd en dergelijke. Ik wil ervan af 
wezen welke wijziging dit verder zou 
kunnen ondergaan. Is het omgaan 
met dit soort problemen — het 
verbreken van de omgang van de ene 
met de andere ouder en het geven 
van de voorkeur aan de een of de 
ander — typisch een taak voor de 
Raad voor de kinderbescherming die 
het rapport maakt dat bij de kinder– 
rechter terechtkomt? 

De heer Rijken: Als er sprake zal zijn 
van een bij wet vastgesteld om– 
gangsrecht, neemt de kinderrechter 
in een bepaalde situatie een positie 
in. Als mensen gaan scheiden en er 
moet over omgang gesproken 
worden, is het in eerste instantie de 
bedoeling dat men dit zelf overeen– 
komt. Als men zonodig bij de 
kinderrechter terechtkomt, is er dus 
iets mis, want dan kan men het niet 
eens worden. In die situatie zal 
bekeken moeten worden wat nu 
verstandig is voor een bepaald kind. 
Het scheelt natuurlijk aanzienlijk of 
een kind vier weken oud is, of dat het 
kind bijna 16 is. Een kind van 16 is nu 
eenmaal geen baaitje meel dat je 
kunt aangeven wat het moet doen, 
terwijl dit met een heel jong kind 

makkelijker te regelen is. Het gaat 
niet alleen om de wens van het kind, 
maar ook om de uitvoerbaarheid en 
om het belang dat het kind heeft bij 
de manier waarop een omgangsrege– 
ling eruit gaat zien. Er kan dus niet 
gezegd worden dat voor ieder kind, 
van welke leeftijd en in welke 
omstandigheid ook, altijd bijvoor– 
beeld twee dagen in de veertien 
dagen goed is. Zo eenvoudig ligt het 
niet. En naar mijn mening is dat ook 
niet goed. 

Wel moet geprobeerd worden, de 
mensen op één lijn te krijgen als het 
gaat om de noodzaak van het elkaar 
zien, wat soms lastig Is. Maar ook 
daarin schuift de Hoge Raad bijna 
wekelijks een eindje op. Bijna 
wekelijks verfijnt de Hoge Raad het 
beleid dat al bestond. De kinderrech– 
ters volgen dit allemaal zeer nauwlet– 
tend en zijn hier zeer druk mee bezig. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Ik wilde u eigenlijk wat minder werk 
geven. 

De heer Rijken Dat zou ik schitte– 
rend vinden. Als een omgang van 
twee dagen per veertien dagen 
vastgesteld zou worden, liet ik mij 
graag werk uit handen nemen, maar 
ik vrees dat wij dan met andere 
problemen te maken krijgen. 

De voorzitter In verband met de 
tijd lijkt het mij nodig, naar het 
volgende thema over te gaan. 

Thema 4: de externe controle op 
het functioneren van de organi– 
saties voor kinderbescherming 
(waaronder: de behandeling van 
klachten, de vertaling van 
klachten in eventuele beleidswij– 
zigingen, de taken van het 
ministeriële toezicht op de 
kinderbescherming) 

De voorzitter: In eerste instantie 
heeft de externe controle betrekking 
op de inspectie, dus dit is niet zo 
interessant om nu te bespreken. 

Interessanter is de kwestie van 
individuele situaties. Een cliënt heeft 
bijvoorbeeld te maken met een 
specifieke instelling, met de wijze 
waarop het beleid wordt uitgevoerd 
en dus met de bejegening. De cliënt 
kan een klacht hebben over de 
bejegening, over de wijze waarop het 
beleid wordt uitgevoerd, of over de 
wijze waarop een rapport tot stand 
komt bij de raad. Daarvoor bestaat 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


een klachtenprocedure, waarin 
mensen geen vertrouwen blijken te 
hebben. Men is namelijk heel vaak 
bang dat het uiten van een klacht een 
nadelige invloed heeft op de 
beslissing die de kinderrechter 
neemt. Dit zijn signalen die wij 
krijgen. Het achteraf klagen over de 
bejegening, of over de wijze waarop 
een rapport tot stand is gekomen, 
heeft ook weinig zin, want dan is de 
beslissing al genomen. De vraag is 
hoe het klachtrecht met betrekking 
tot de procedures die voorafgaan aan 
de beschikking van de kinderrechter 
zich verhoud tot de rechtspraak die 
daarna komt. 

De heer Rijken: Mag ik vragen 
waarom u deze vraag aan kinderrech– 
ters stelt, want dit is nu een vraag die 
in de discussie voorafgaand aan dit 
gesprek tussen de vereniging en de 
commissie uitgesloten is. Wat 
hebben de kinderrechters met dit 
stuk van de wetgeving van doen? 

Mevrouw Doelman-Pel (CDA): De 
Raad voor de kinderbescherming 
stuurt een klacht mee, bijvoorbeeld 
dat ouders geklaagd hebben over de 
handelwijze van de raad. Intussen is 
die klacht nog niet afgehandeld. Wij 
hebben wel gehoord van mensen die 
menen dat het feit dat zij geklaagd 
hebben een negatleve invloed had 
gehad op de beslissing, of zeggen 
dat zij daar bang voor zijn. 

De heer Berg: Op welke beslissing? 

Op de beslissing van de raad? 

De voorzitter Van de kinderrechter! 

De heer Rijken: Ik weet niet eens 

dat de mensen een klacht hebben 

ingediend. 

De voorzitter: Zij zeggen ook dat zij 
het niet doen, omdat het een 
negatieve invloed heeft als zij klagen. 
Dat is een veronderstelling waarvan 
je niet weet of zij terecht is. 

De heer Rijken Ik zou het graag 
weten als mensen een klacht 
hadden ingediend. 

De heer Lankhorst (Groen Links): U 
was een beetje verbaasd dat dit 
onderwerp aan de orde kwam. Als u 
het nooit hoort, is het toch goed dat 
wij het eens onder woorden brengen? 
Misschien moeten wij wel bekijken of 
dit moet veranderen. Wij willen 

nagaan of u het moet weten of niet 

als er een klacht wordt ingediend. 

Mevrouw Doeiman-Pel (CDA): 

Daarbij komt dat wij via de raden 

hebben gehoord, dat zij de klacht 

meesturen. 

De heer Rijken: Ik denk dat u weer 

een onderscheid moet maken tussen 

de ondertoezichtstelling en de 

adviestaak van de raad. Dat is altijd 

een wezenlijk verschil. 

Mevrouw Doelman Pel (CDA): Nu 

gaat het over ondertoezichtsteiling. 

De heer Rijken: Dan is aan de orde 
wat collega Meulenbroek aan het 
begin zei, namelijk dat betrokkenen 
het in grote lijnen altijd eens zijn hoe 
de feiten geduid moeten worden. Ik 
heb uw klachten niet gezien, en die 
van de commissie-Gijsbers ook niet. 
Als ik het rapport van de commissie 
lees, gaat het voornamelijk over de 
adviestaak van de raad en niet over 
de praktijkvan ondertoezichtstelling, 
want die verloopt nu eenmaal anders. 

De voorzitter: Aan de ene kant is er 
de taak van de raad, een overheids– 
taak die zorgvuldig uitgevoerd dient 
te worden. De mensen moeten 
kunnen klagen op het moment dat zij 
vinden dat zij onjuist behandeld zijn. 
Dat is hun recht, vastgelegd in 
een klachtenregeling. Of dat allemaal 
goed geregeld is is een andere 
discussie. Voor de cliënt is dit de 
voorfase. 

Vervolgens komt de rechtspraak, 
die in feite via de beschikking het 
rapport en het advies dat daaruit 
voortvloeit sanctioneert. U hebt 
gezegd dat bezwaren tegen de 
totstandkoming van het rapport 
worden besproken en dat dan 
bekeken wordt wat ermee wordt 
gedaan. Mijn vraag is nu hoe het 
klachtrecht zich zou moeten verhou– 
den tot de rechtspraak die daarna 
komt. 

De heer Berg: Het zijn twee los van 
elkaar staande zaken. Er wordt 
geklaagd over het optreden van 
raadsmaatschappelijk werkers. 

Mevrouw Doelman-Pel (CDA): En 
over het werk dat zij leveren! 

De heer Berg: Zolang die zaak niet 
bij ons is, staan wij daar volstrekt 
buiten. Wij kunnen er niets aan doen. 
Wij horen er niets van. Zodra de zaak 

bij ons ligt kunnen de mensen hun 

klacht bij ons deponeren. Zij kunnen 

natuurlijk niet bij ons klagen dat de 

maatschappelijk werker zo onhebbe– 

lijk was of dat hij zijn vuile voeten op 

hun schone kleed zette. Van dat 

soort klachten zeggen wij, dat die 

maar naar de directeur van de raad 

moeten. Daar hebben wij niets mee 

te maken. Wij praten uiteindelijk over 

inhoudelijke klachten. Die andere 

klachten zijn wel van belang, maar 

niet voor de beslissing in de procedu– 

re. 

Inhoudeiijke klachten kunnen bij 
ons op de zitting aan de orde komen. 
Als de klachten zo serieus zijn dat de 
mensen erover denken de hele 
klachtprocedure bij de raad in 
werking te stellen, wat een vrij 
ingewlkkelde poespas is, zijn zij ook 
wel in staat er een advocaat bij te 
betrekken en hun klachten op een 
zinnige manier op de zitting naar 
voren te brengen. 

De heer Van der Graaf: Het is 
natuurlijk wel een goede zaak dat 
inhoudelijke klachten over de tafel 
komen en niet achterblijven. Daar 
gaat het natuurlijk nu juist om op een 
zitting! 

De heer Berg: Dat gebeurt ook niet; 

op een zitting worden die klachten 

natuurlijk wel degelijk geuit. 

De heer Leerling (RPF): U als 
kinderrechter bent dus niet bevreesd, 
hetgeen ons werd gemeld uit het 
zuiden van het land, voor de 
instelling van een klachtencommis– 
sie, omdat die dan eigenlijk op uw 
stoel zou gaan zitten? 

De heer Rijken: Als er inhoudelijke 

klachten zijn over raadsrapporten die 

leiden tot een verzoek tot ondertoe– 
zichtstelling — daar hebben wij het 

nu alleen maar over — ben ik het 
volstrekt met collega Berg eens dat 
die thuishoren op de zitting. Als er 
eenmaal een ondertoezichtstelling is 
uitgesproken, dan moet er verder 
geen klachtencommissie meer aan te 
pas komen, want die heeft dan geen 
taak meer. Het gaat om de vraag hoe 
je hiermee verder aan de slag gaat 
binnen die ondertoezichtstelling. Is 
die niet uitgesproken, dan is er 
verder voor de kinderrechter geen 
taak meer. Als er dan een klachten– 
commissie aan het werk moet, dan zij 
dat zo! 

De heer Lankhorst (Groen Links): 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


Misschien is het wel onbeleefd, maar 
ik doe het toch maar om het helder 
te krijgen. Als u naar die ouders op 
het moment dat zij een inhoudelijke 
klacht over de Raad voor de kinder– 
bescherming willen indienen net zo 
kijkt als u zojuist naar ons keek zoiets 
van "waar hebben jullie het 
over?" — dan kan ik mij toch 
voorstellen dat het buitengewoon 
moeizaam is. Kunt u zich daarbij iets 
voorstellen? Toen de voorzitter met 
dit onderwerp begon, had u iets van: 
waar hebben wij het nu over, waar 
praten wij over? Ik kan mij voorstellen 
dat, als men u duidelijk wil maken dat 
men het inhoudelijk niet eens is met 
hetgeen In het rapport van de Raad 
voor de kinderbescherming staat, het 
heel veel uitmaakt hoe u daarop 
reageert, op welke wijze u daar 
ontvankelijk voor bent. Daar komen 
wij moeilijk achter. Daar kunnen wij 
natuurlijk ook geen protocollen voor 
maken, maar dit soort zaken zijn 
natuurlijk wel heel belangrijk! 

De heer Berg: Ouders zijn natuurlijk 
geen leden van de Tweede Kamer. 

De voorzitter: Die zijn soms wel 
ouders! 

De heer Berg: Wij zijn rechters en 
natuurlijk geschoold in het omgaan 
met mensen. De ene is daar natuur– 
lijk handiger in dan een ander en wij 
leren natuurlijk nog steeds, maarwij 
worden erin getraind om met 
mensen op een zitting om te gaan. 
Gezichten die wij misschien hier 
trekken, trekken wij natuurlijk niet op 
een zitting, want natuurlijk kennen wij 
de invloed van het nonverbale 
gedrag. 

De heer Van der Graaf: Wij zijn hier 
in het hol van de leeuw! 

De heer Lankhorst (Groen Links): 
Wij krijgen dus een andere behande– 
ling? 

De heer Berg: Natuurlijk! 

De heer Van der Graaf: Ik kan mij 
voorstellen dat er zuiver inhoudelijke 
vragen zijn en die moeten op de 
zitting ter sprake komen. Er zijn ook 
klachten, zoals: "de maatschappelijk 
werker van de raad heeft zijn voeten 
niet geveegd", en daar heeft een 
kinderrechter weinig aan. Er kunnen 
natuurlijk ook klachten zijn die beide 
aspecten betreffen, zoiets van: "hij 
begon onmiddellijk te schelden en ik 

had het lef niet om hem tegen te 
spreken en dan komt er zoiets in het 
rapport!" Je kunt dus op beide 
sporen zitten! De vraag is dan wel 
waar die klachten thuishoren, maar in 
ieder geval ook op de zitting. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Ik wil nog een vraag stellen over de 
dubbelfunctie die u hebt. Op uw 
uitspraak is beroep mogelijk, maar 
als u uw begeleiding van en toezicht 
op de OTS op een vervelende manier 
doet of mensen zijn het daarmee niet 
eens, dan is er eigenlijk niemand 
waarbij men kan klagen, niemand die 
u terecht kan wijzen. 

De heer Berg: Wij hebben inderdaad 
het oppertoezicht over de ondertoe– 
zichtstelling. Dat legt eenieder op zijn 
eigen manier uit, maar de praktijk is 
toch — vroeger was dat misschien 
wat anders — dat de maatschappelijk 
werker/gezinsvoogd, die altijd een 
beroepskracht is en geen vrijwilliger 
meer, het eigenlijke werk doet. De 
hele begeleiding, het plannen van 
wat er gebeurt in het kader van de 
OTS, wordt verzorgd door de 
maatschappelijk werker. Hij heeft 
hierover af en toe ruggespraak met 
de kinderrechter, maar hij zet de 
lijnen uit. Op het pedagogisch vlak is 
hij de deskundige en ik sluit mij dan 
ook zoveel mogelijk bij hem aan als 
het om dat terrein gaat. Ik houd 
speciaal de rechtsbescherming in de 
gaten, ofwel: zijn de ouders voldoen– 
de betrokken bij de plannenmakerij 
en wat vindt het kind ervan? Daar let 
ik veel meer op, dat is mijn taak. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 

Dat is echter niet geregeld, want het 

is gebleken dat andere rechters daar 
andere, veel directere opvattingen 
over hadden. Er is dan geen instantie 

meer waarbij men terecht kan. Hoe 
kijkt u overigens tegen die dubbele 
functie aan? 

De heer Berg: Het is zo'n leuke 
functie. 

De heer Rijken Het is duidelijk dat 
die dubbelfunctie er is. Je moet van 
beslissing tot beslissing bezien hoe je 
die voor jezelf invult, als je de 
relativiteit ervan maar goed voor 
ogen houdt. Je moet er dus niet te 
veel gewicht aan hechten en je moet 
er ook voor zorgen dat andere 
mensen dat niet kunnen doen. Soms 
moet je echter beslissingen zo 
nemen. Van Brucken Fock heeft hier 

een aardig stuk over geschreven. De 
strekking daarvan is eigenlijk dat je 
vele beslissingen zou kunnen nemen, 
zonder ze specifiek op papier te 
zetten. Als je merkt dat ouders het er 
niet mee eens zijn, kun je daarom 
een schriftelijke beslissing nemen, 
maar het lijkt mij erg veel gevraagd 
om iedere beslissing binnen een OTS 
schriftelijk te geven. Dan wordt het 
echt vierentwintiguurs werk. 

De heer Berg: Dat behoeft inder– 
daad niet. In gevallen die daarvoor in 
aanmerking komen, neem je een 
schriftelijke beslissing, waartegen 
mensen in beroep kunnen gaan. 

De heer Rijken: Dat doe ik ook. Als 
advocaten of ouders laten blijken dat 
zij het niet met mij eens zijn, vraag ik 
of ze de beslissing op papier willen 
hebben of niet. 

De heer Leerling (RPF): Er is al eens 
een poging gedaan om een scheiding 
tussen de functies aan te brengen. 
Naar ik heb begrepen hebben de 
kinderrechters daartegen bij de 
toenmalige staatssecretaris Korte 
van Hemel ernstig bezwaar aangete– 
kend, terwijl een dergelijke combina– 
tie van rechterlijke en uitvoerende 
macht in onze rechtsordening geen 
algemene zaak is. U neemt dus een 
heel speciale positie in. Vindt u het 
gezond dat dit zo wordt gehandhaafd 
binnen onze rechtsstaat? 

Mevrouw Doelman-Pel (CDA): 
Vindt u dit ook geen probleem in 
verband met de herkenbaarheid voor 
de mensen waarmee u te maken 
hebt? Ze kunnen denken: het is een 
rechter, maar hij bemoeit zich verder 
ook met de rest van mijn gezin en 
mijn leven, terwijl hij er eigenlijk 
alleen maar is om recht te spreken. 

De heer Berg: In Engeland is het 
gesplitst. Daar neemt de rechter de 
beslissingen en de county council 
krijgt dan het gezag en gaat verder 
aan het werk. Zo'n situatie is 
denkbaar, maar ik weet niet of het 
voor de burger veel verandering zou 
betekenen. Het gaat erom dat er 
iemand is die zich met hun situatie 
blijft bemoeien en daarin ook 
bepaalde ingrepen mag plegen. Ons 
systeem werkt heel soepel. Omdat 
de rechter steeds de beslissingen 
neemt, kan er gemakkelijk worden 
bijgestuurd. Splits je de rechterlijke 
en de begeleidende functie dan moet 
je voor iedere wijziging terug naar de 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


rechter. Daar moet je dan een 
officiële rechtsgang van maken, met 
alle bezwaren van dien, ook voor de 
betrokkenen. ledere beslissing moet 
dan in een afzonderlijke zitting 
worden genomen. Nu vloeit het 
allemaal wat makkelijker in elkaar 
over. Overigens doet de rechter het 
niet alleen. De basis van het beleid 
wordt gelegd in de Gezinsvoogdijver– 
eniging. De maatschappelijk werker, 
de praktijkbegeleider en een 
unithoofd bespreken voortdurend 
allerlei zaken met elkaar. En aan de 
rand draaien wij mee. Wij zijn wel op 
de hoogte. Wij krijgen de rapportage, 
waardoor wij, als het moet, snel 
kunnen beslissen en ook snel kunnen 
ingaan op de klachten van de ouders, 
bijvoorbeeld als de ouders zeggen 
dat de gezinsvoogd zulke gekke 
dingen doet en vragen of geen 
andere gezinsvoogd benoemd kan 
worden. Het kan allemaal heel 
makkelijk en soepel Dat is het 
aantrekkelijke van het systeem. Wij 
zijn voor de burger een vrij makkelijk 
toegankelijk rechter. Het aantal 
mensen dat bij mij binnenloopt, is 
toch vrij groot. Misschien is het in de 
provincie wat gemakkelijker dan in de 
grote stad, maar het gebeurt toch. 

De voorzitter: U zei al dat de 
gezinsvoogdij aan u rapporteert over 
de stand van zaken in het gezin of bij 
een uithuisplaatsing in een pleegge– 
zin. Beoordeelt u om de zoveel tijd in 
hoeverre voortzetting van een 
maatregel noodzakelijk is? Doet u dat 
op grond van de rapportage van de 
instelling van gezinsvoogdij? Zijn daar 
procedure-afspraken voor of doet u 
dat op basis van uw gevoel? 

Oe heer Berg: Dat ligt exact vast in 
de wet. Wij kunnen niet langer dan 
één jaar verlengen. leder jaar staat 
zo'n uithuisplaatsing of ondertoe– 
zichtstelling ter toetsing. Dat is 
overigens het grote voordeel boven 
een voogdijvereniging, die wel het 
gezag heeft, maar op geen enkele 
manier getoetst wordt. Bij een 
ondertoezichtstelling wordt voortdu– 
rend getoetst. Tussendoor komt het 
ook voor dat je zegt dat je geen 
reden meer hebt om de ondertoe– 
zichtstelling of de uithuisplaatsing te 
laten voortduren. Die kan dan 
beëindigd worden. Minstens één keer 
per jaar, maar in het algemeen vaker, 
wordt gekeken of men op de goede 
weg zit. 

De voorzitter En dat doet u op 

advies van de gezinsvoogd of 

beoordeelt u dat zelf? 

De heer Rijken: Het kan ook naar 
aanleiding van brieven van ouders of 
van kinderen gebeuren. Ik krijg 
regelmatig brieven, die ik dan 
doorstuur naar de gezinsvoogd. Ik 
vraag hem dan mij te vertellen wat er 
aan de hand is. Wij hebben ook een 
vaste afspraak met de gezinsvoog– 
den dat zij eens in de zoveel tijd 
rapporteren. Het is dus niet zo dat je 
maar één keer per jaar iets hoort. Het 
komt wel voor, maar in een laag 
percentage. Dan gaat het om de 
gezinsvoogden die niet rapporteren, 
die je eeuwig achter de broek moet 
zitten. Maar dat komt overal voor, 
waarschijnlijk ook bij kamerleden of 
kinderrechters. Er zijn altijd broeders 
die zich niet helemaal aan de 
afspraken houden. 

De heer Van der Graaf: Nog een 
kleine aanvulling. Gezinsvoogden 
moeten hun rapport ook bespreken 
met de ouders en aangeven wat de 
ouders ervan vinden. Dan krijgt de 
kinderrechter een stuk waarin bij– 
voorbeeld staat dat de ouders ermee 
akkoord zijn. Als blijkt dat dit niet zo 
is, zit het fout. Maar dat heb ik nog 
niet meegemaakt. 

De voorzitter: Ik wil deze bijeen– 
komst beëindigen en u hartelijk 
danken voor uw komst. Het was voor 
ons een heel interessante bijeen– 
komst. Ik wil de heer Van der Graaf 
hartelijk danken. Hij heeft veel moeite 
gedaan om iedereen hier op dit 
moment aan tafel te krijgen en om 
ervoor te zorgen dat het mensen uit 
verschillende delen van het land zijn. 
Voor ons is het een zinvolle bijeen– 
komst geweest. Wij moeten nu aan 
het werk om onze conclusies te gaan 
trekken. Ik mag wel zeggen dat u een 
behoorlijke discussie heeft losge– 
maakt. Als wij klaar zijn met het 
rapport, zullen wij het toesturen. 
Binnenkort krijgt u ook het stenogra– 
fisch verslag, waarin u de noodzake– 
lijke correcties kunt aanbrengen. 

Ik wil thans nog gelegenheid geven 
tot de rondvraag. Als er dingen zijn 
die u dringend kwijt wilt, heeft u 
daarvoor de gelegenheid. 

Rondvraag 

De heer Berg: Er is een vraag 
gesteld over de voorlopige voorzie– 
ningen en de kinderen die altijd 

blijven bij de ouder die in het huis 
blijft. Daar wil ik graag nog iets over 
zeggen. Het is inderdaad juist dat de 
ouder die de kinderen vasthoudt, een 
voorsprong heeft. Die voorsprong 
komt niet zomaar uit de lucht vallen, 
want dat is de ouder die op dat 
moment de verzorgende taak heeft. 
Dat is in doorsnee het geval. Er zijn 
natuurlijk uitzonderingen. Het gaat 
dan tevens om de ouder die in de 
echtelijke woning zit. Wat wij zo min 
mogelijk doen bij het toewijzen van 
kinderen, is het schuiven in de 
situatie. Het verschuiven van 
kinderen naar een andere situatie is 
in het algemeen slecht. Je doet dat 
pas als je de zekerheid hebt dat het 
bij de andere ouder duidelijk beter is. 
Pas dan ga je schuiven. Tot die tijd 
laat je de kinderen zitten waar ze 
zitten. Dat heeft inderdaad tot gevolg 
dat de ouder die uit huis gaat, in een 
slechtere positie is - om het zo maar 
te zeggen - dan de ouder die met 
de kinderen in het huis blijft. 

Bij de echtscheidingen zijn in 
ongeveer 90% van de gevallen de 
ouders het helemaal eens over 
datgene wat er moet gebeuren. Er is 
maar een heel kleine groep die daar 
ruzie over maakt. Er is een nog 
kleinere groep die zoveel ruzie maakt 
dat de Raad voor de kinderbescher– 
ming eraan te pas moet komen. 

Ten slotte nog iets over de 
omgang. Zowel de voogdijrechters 
als de kinderrechters hebben te 
maken met omgangsregelingen. Het 
is nu eigenlljk zo uitgekristalliseerd 
dat wij allemaal zeggen: omgang 
moet. Bij elke voogdijbehandeling 
bepraat je met de ouders waar de 
kinderen heen gaan, wat er met de 
alimentatie gebeurt en hoe de 
omgang wordt geregeld. Bij elke 
behandeling komt dat vanzelf aan de 
orde. Wij proberen allemaal om 
omgangsregelingen van de grond te 
krijgen. Er blijft een kleine categorie 
over waarbij je om allerlei redenen 
moet zeggen: het is niet meer in het 
belang van de kinderen om in dit 
geval een omgangsregeling te 
forceren. Dat zeggen wij ook niet 
zomaar. Wij zeggen dat meestal 
nadat er allerlei pogingen zijn 
ondernomen om die omgangsrege– 
ling wèl van de grond te krijgen. 

Ik wil toe naar het volgende. Bij 
voorstellen voor nieuwe wetgeving 
zijn al diverse formuleringen de revue 
gepasseerd. Ook de ouders zijn het 
er allemaal over eens dat er eigenlijk 
contact moet zijn met de andere 
ouder. Maar soms kan dat niet. In die 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


enkele gevallen dat het niet kan, 
moet een buitenstaander beslissen, 
na allerlei pogingen om toch nog iets 
van de grond te krijgen. Je kunt in 
feite zeggen dat iedereen ervan 
uitgaat dat de omgang er moet zijn. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 

Ik vind dat u een zonnige kijk op de 

mensheid heeft. 

De heer Berg Je moet ervan uitgaan 
dat de mens in principe tot veel 
dingen bereid is. 

De heer Rijken Ik ben het helemaal 
eens met datgene wat collega Berg 
zegt. De rechtspraak van de Hoge 

Raad gaat ook in die richting. 

Wat nog niet aan de orde is 
geweest, maar wat ik had willen 
onderstrepen, is het volgende. Wij 
hebben het vandaag gehad over de 
raden voor de kinderbescherming en 
over datgene wat daar beter aan kan. 
Wij hebben het vandaag niet over het 
geld gehad. Ik denk toch dat het van 
belang is dat de raden de mogelijk– 
heid krijgen om intern of extern meer 
zaken te laten onderzoeken. Dat kost 
geld. Dat geld is niet in voldoende 
mate beschikbaar. Anderzijds, als de 
raden er niet toe in staat zijn, kunnen 
zij niet tot die kwalitatieve voorstellen 
op verzoeken komen die u en de 
kinderrechters van de raden ver– 
wachten. Dan zullen wij dezelfde 
onderzoeken later in het kader van 
ondertoezichtstelling moeten laten 
verrichten. Het lijkt mlj handiger om 
het in het voortraject te doen. Het 
betekent op dat punt domweg meer 
geld. De staatssecretaris heeft 
daarvoor inmiddels zo'n twee miljoen 
gulden ter beschikkmg gesteld Ik 
denk dat dit een aardige druppe! is 
om de mensen in het land stil te 
houden. Het is echter niet echt 
relevant voor de oplossing van het 
probleem. 

Mevrouw Doelman-Pel (CDA): Dat 
standpunt hebben wij nog niet 
ontvangen. 

De heer Rijken Ik heb begrepen dat 
er twee miljoen beschikbaar is. 

De voorzitter Ja, maar dat moet 
officieel nog aan de Kamer worden 
meegedeeld. Het standpunt over het 
rapport-Gijsbers is er nog niet. 

De heer Lankhorst (Groen Links): U 
zegt dus: wij zouden ons werk 
kwalitatief beter kunnen doen als de 

raad ook zijn werk kwalitatief beter 
zou kunnen doen. 

De heer Rijken: Nee, ik zeg: de raad 
kan zijn werk kwalitatief beter doen 

De heer Lankhorst (Groen Links): 
Dat zegt u, vanuit uw ervaring als 
rechter? 

De heer Rijken: Dat betekent dat wij 
een kwalitatief beter voorbereide 
zaak ter beoordeling krijgen en dat is 
altijd goed. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Maar het interessante is, dat ouders 
en kinderen zeggen dat zij dit niet 
willen. 

De heer Rijken Dat heb ik gelezen 
maar aan u is de politieke keuze om 
er iets mee te doen. 

De voorzitter: Die discussie zullen 
wij ongetwijfeld voeren. 
Ik dank u allen hartelijk en wel 
thuis. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2 


Bijlage B. Correspondentie met de Staatssecretaris van Justitie 

Aan de Staatssecretaris van Justitie 

De heer mr. A. Kosto 

's-Gravenhage, 8 mei 1990 

Zeer geachte heer Kosto, 

Op basis van artikel 17 van de Wet Persoonsregistraties (Staatsblad 
1988, 665) en de bijbehorende AMvB's (Staatsblad 1989, 238 en 569), 
konkludeert de subcommissie Kinderbescherming dat de Raden voor de 
Kinderbescherming, de voogdij– en gezinsvoogdij-instellingen alsook de 
JHAT's, plaatsende instellingen jeugdhulpverlening en de voorzieningen, 
genoemd in de bijlage bij de Wet op de Jeugdhulpverlening, onder de 
reikwijdte van de Wet Persoonsregistraties (WPR) vallen. 

Een verzameling dossiers is een persoonsregistratie in de zin van de 
WPR op het moment dat deze dossiers systematisch zijn aangelegd en 
doeltreffend raadpleegbaar zijn. 

De subcommissie gaat er van uit dat zowel de Raden voor de Kinder– 
bescherming als de voogdij– en gezinsvoogdij-instellingen op een syste– 
matische - al dan niet geautomatiseerde- wijze registreren voor een 
goede uitoefening van te vervullen taken. 

Op grond van bovenstaande legt de subcommissie u de navolgende 
vragen voor: 

1. Wanneer u de opvatting van de subcommissie t.a.v. de reikwijdte 
van de WPR deelt, wilt u dan aangeven welke implicaties dit heeft voor 
de regelgeving, te weten: 
- Organisatiebesluit Raden voor de Kinderbescherming; 
- Besluit kwaliteitsregels en taken voogdij– en gezinsvoogdij-instel– 
lingen; 
- Besluit regels inrichtingen voor justitiële kinderbescherming; 
- Besluit subsidiëring voogdij– en gezinsvoogdij-instellingen en inrich– 
tingen voor justitiële kinderbescherming en 
- de in ontwikkeling zijnde AMvB ex artikel 56 van de Wet op de 
Jeugdhulpverlening. 
2. Wanneer valt het bekend maken van de schriftelijk vastgelegde 
regels inzake privacybescherming voor justitiële kinderbescherming in de 
vorm van een reglement conform WPR artikel 20 lid 2 te verwachten (de 
WPR hanteert 1 juli 1990 als uiterste datum)? Op welke wijze zal de 
voorlichting hieromtrent aan de cliënten worden geregeld? 
3. Wanneer u de opvatting van de subcommissie niet deelt, welke 
argumenten kunt u hiervoor dan aandragen? 
In verband met een goede voortgang van haar werkzaamheden 
verzoekt de subcommissie u dringend, voormelde vragen zo spoedig 
mogelijk te beantwoorden. 

Hoogachtend, 

A.M. Vliegenthart, 
voorzitter van de subcommissie Kinderbescherming 
Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2


Aan de voorzitter van de subcommissie kinderbescherming van de 
Tweede Kamer der Staten-Generaal 

's-Gravenhage, 7 juni 1990 

Vragen subcommissie kinderbescherming over consequenties WPR voor 
de wetgeving op de jeugdhulpverlening 

In antwoord op uw brief van 8 mei 1990, waarin u mij een aantal 
vragen voorlegt die reikwijdte en implementatie van de Wet persoonsre– 
gistraties aangaan, bericht ik u als voigt 

Uw eerste conclusie kan ik onderschrijven. Mede gelet op het 
bepaalde in het Besluit van 16 juni 1989 (Stb. 238) is de Wet Persoons– 
registraties (WPR) van toepassing op persoonsregistraties als gedefi– 
nieerd in artikel 1 van de wet, gehouden door de raden voor de kinderbe– 
scherming, de jeugdhulpadviesteams, de plaatsende instanties in de zin 
van de Wet op de jeugdhulpverlening (Stb. 1989, 360) en de voorzie– 
ningen voor jeugdhulpverlening bedoeld in de bijlage van die wet. Onder 
deze plaatsende instanties en voorzieningen zijn de voogdij-instellingen 
en gezinsvoogdij-instellingen mede begrepen. Op basis van artikel 17 
van de WPR en het Besluit van 19 december 1989 (Stb. 569) zijn de 
bedoelde diensten, instellingen en voorzieningen verplicht om specifieke 
maatregelen te treffen ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer, 
overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 5 van die wet. 

Ter vermijding van misverstanden waartoe de tweede alinea van uw 
brief aanleiding zou kunnen geven en voor goed begrip ten deze, diene 
het volgende. Zowel raden voor de kinderbescherming, als voogdij– en 
gezinsvoogdij-instellingen houden voor een goede uitoefening van te 
vervullen taken een aantal persoonsregistraties die onder de werking van 
de WPR vallen, waarvan sommige reeds van een privacyreglement zijn 
voorzien, andere voor 1 juli 1990 zodanige reglementering behoeven. 
Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de WPR betrekking heeft op persoons– 
registraties die aan de in artikel 1 van de wet bepaalde kenmerken 
voldoen. Het systematisch toegankelijk zijn is één van de kenmerken en 
de wet gaat er in artikel 1 van uit dat geautomatiseerde persoonsregis– 
traties in alle gevallen aan deze eis van systematische toegankelijkheid 
voldoen. Bij conventionele bestanden hangt dat af van de omstandig– 
heden. Bedoeld wordt dat een zodanige handmatig gevoerde gegevens– 
verzameling een vooraf bepaalde structuur moet kennen, wil van syste– 
matische toegankelijkheid in de zin van de WPR sprake zijn. Bij enkel– 
voudige dossiers en dossierverzamelingen bestaande uit documenten 
van velerlei aard is er in de regel geen sprake van systematische toegan– 
kelijkheid in de zin van de wet. 

Voor een en ander verwijs ik in het bijzonder naar Tweede Kamer, 
vergaderjaar 1986-1987, 19095, nr. 6, blz. 18-20. 

Een van de hoofddoelstellingen van de wet is, het voorzover mogelijk 
stellen van materiële normen ter bescherming van de persoonlijke 
levenssfeer die voor rechtstreekse toepassing vatbaar zijn. 

Bedoeling is dat de normen die de WPR stelt sectorgewijs, waar nodig, 
nadere uitwerking verkrijgen door zelfregulering bij wijze van regle– 
menten en gedragscodes en- indirect - door toepassing van de artikelen 
22 en 27, op basis waarvan het Besluit genormeerde vrijstelling (Stb. 
1990, 16) is vastgesteld. 

Blijkens de tekst van artikel 22 van dat besluit kan de houder ook 
uitdrukkelijk te kennen geven af te zien van vrijstelling en tot zelfregu– 
lering te willen overgaan. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2


In de behoefte aan nadere begrenzing met betrekking tot het opnemen 
van gevoelige gegevens in een persoonsregistratie wordt voorzien door 
de regeling, als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de WPR. Bij algemene 
maatregel van bestuur zullen nadere regels worden gesteld, die evenzeer 
voor rechtstreekse toepassing vatbaar zijn. Dat besluit is nog in voorbe– 
reiding. Binnen drie jaren na inwerkingtreding van dat besluit zal een 
voorstel van wet worden gedaan tot regeling van dit onderwerp. 

Het voorgaande brengt mee dat op het terrein van de kinderbe– 
scherming op zichzelf geen nadere wetgeving is vereist. Wel wordt bij de 
uitvoering van de bestaande regelgeving en bij de voorbereiding van 
regelgeving rekening gehouden met het bepaalde bij en krachtens de 
WPR. 

Overigens kan ik meer concreet het volgende opmerken. 

* In het bij en krachtens de WPR bepaalde heb ik aanleiding gevonden 
op basis van artikel 4 van het Organisatiebesluit raden voor de kinderbe– 
scherming 1982 reglementen voor te bereiden ter bescherming van de 
persoonlijke levenssfeer van degenen ten behoeve van wie de raden voor 
de kinderbescherming hun wettelijke taak uitoefenen. De met deze 
vaststelling gepaard gaande aanwijzingen kunnen tevens hun invloed 
doen gelden bij de uitvoering door de raden van hetgeen is bepaald in 
artikel 2 van het Organisatiebesluit. 
De reglementen richten zich in het bijzonder op de ingangskaart– en 
algemene zaaksregistratie, de geautomatiseerde alimentatie-admini– 
stratie die reeds door een reglement beheerst wordt, alsmede de 
comptabele administratie. Zij worden tijdig voor 1 juli 1990 ter kennis 
van de raden voor de kinderbescherming gebracht. Deze privacyregle– 
menten zullen in overeenstemming met het bepaalde in het Besluit van 
19 december 1989 (Stb. 568) worden bekend gemaakt in de Staats– 
courant en ter inzage liggen bij de raden voor de kinderbescherming en 
de afdeling pers– en publieksvoorlichting van het Ministerie van Justitie. 
De reglementen treden in werking met ingang van 1 juli 1990. Aan de 
raden wordt overgelaten in het verkeer met cliënten daaraan bekendheid 
te geven op de daarvoor meest geëigende wijze. 

* in de regeling die ingevolge het bepaalde in artikel 60, vierde lid, van 
de Wet op de jeugdhulpverlening kwaliteitseisen en taken van de 
voogdij– en gezinsvoogdij-instellingen zal beheersen, heeft in verband 
met de toezichthoudende taak van de Minister van Justitie, alsmede met 
het oog op het bij en krachtens de WPR bepaalde, de aandacht zich bij 
de voorbereiding in het bijzonder gericht op de bepalingen ter zake de 
eisen waaraan de inhoud van het werkplan en het hulpverleningsplan 
moet voldoen. 
In het Besluit regels inrichtingen voor de justitiële kinderbescherming 
(Stb. 1990, 112) is met name aan het werkplan gerede aandacht 
besteed, terwijl bij de redactie op dit punt zoveel mogelijk is aangesloten 
bij die van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 35 
van de Wet op de jeugdhulpverlening. 

De bedoelde bepalingen kunnen tot gevolg hebben dat er registraties 
worden gehouden waarop de WPR van toepassing is. In verband hiermee 
worden ook ten behoeve van deze sector privacyreglementen voorbereid, 
overeenkomstig het bepaalde in de WPR, die op 1 juli 1990 in werking 
zullen treden. Voor de particuliere jeugdhulpverlening heeft de Werkge– 
versvereniging Jeugdhulpverlening een model-reglement ontworpen dat 
zal kunnen worden gehanteerd en toegesneden op eigen bestanden. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2


Voor wat betreft de rijksinrichtingen geschiedt één en ander onder mijn 

verantwoordelijkheid. 

* Het (ontwerp)Besluit subsidiëring voogdij– en gezinsvoogdij-instel– 
lingen en inrichtingen voor justitiële kinderbescherming, ter uitvoering 
van artikel 61 van de Wet op de jeugdhulpverlening, voorziet in een 
financiële administratie betreffende jeugdigen van wie de hulpverlening 
door de Minister van Justitie wordt gesubsidieerd. In verband hiermede 
wordt bij ditzelfde besluit, het Besluit automatisering financiële pupillen– 
administratie (Stb. 1975, 79) ingetrokken. Het doel van deze admini– 
stratie is het vastleggen van gegevens, noodzakelijk voor het doen van 
betalingen als vorenbedoeld. Naar aanleiding van het nieuwe besluit zal 
worden voorzien in een reglement op grond van de WPR. 
* De op grond van artikel 56 van de Wet op de jeugdhulpverlening in 
voorbereiding zijnde regeling zal de verstrekking beheersen van 
gegevens die nodig zijn voor een goede uitvoering van die wet. 
Ingevolge het derde lid van artikel 56 heeft het voorziene gegevensbe– 
stand geen betrekking op tot individuele jeugdigen herleidbare gegevens. 
De Wet persoonsregistraties is derhalve op dit bestand en op de 
bedoelde gegevensverstrekking niet van toepassing. 

In de hoop u naar tevredenheid te hebben geïnformeerd. 

Hoogachtend, 

De Staatssecretaris van Justitie, 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2


Aan de Staatssecretaris van Justitie 

de heer mr. A. Kosto 

's-Gravenhage, 5 juli 1990 

Zeer geachte heer Kosto, 

In het kader van het onderzoek van de subcommissie Kinderbe– 
scherming verzoek ik u vriendelijk de subcommissie te informeren over: 

1. De wijze waarop momenteel uitvoering wordt gegeven aan artikel 
63 en 67 van de Wet op de jeugdhulpverlening: het toezicht op de 
voogdij–, gezinsvoogdij-instellingen en de inrichtingen voor justitiële 
kinderbescherming. 
2. De wijze waarop toezicht wordt uitgeoefend op de raden voor de 
kinderbescherming en rijksinrichtingen. 
Het gaat de subcommissie om een globale aanduiding van de onder– 
werpen waarover het toezicht zich uitstrekt, de organisatievorm van 
waaruit het toezicht plaatsvindt en de personele capaciteit die met het 
toezicht gemoeid is. 

In verband met een zo mogelijk spoedige afronding van de werkzaam– 
heden van de subcommissie, verzoek ik u, gestelde vragen zo spoedig 
mogelijk te beantwoorden. 

Hoogachtend, 

A.M. Vliegenthart, 
voorzitter van de subcommissie Kinderbescherming 
Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2


Aan de Voorzitter van de subcommissie Kinderbescherming, Tweede 
Kamer der Staten-Generaal 

's-Gravenhage, 25 juli 1990 

Uitvoering artikelen 63 en 67 van de Wet op de Jeugdhulpverlening 

Geachte mevrouw Vliegenthart, 

In antwoord op uw bovenaangehaalde brief bericht ik u als volgt. 

1. Het toezicht op de voogdij– en gezinsvoogdij-instellingen, respectie– 
velijk de inrichtingen voor justitiële kinderbescherming berust bij de 
Minister van Justitie en wordt primair uitgeoefend door de directie 
Jeugdbescherming en Reclassering voor wat betreft de instellingen en 
door de directie Delinkwentenzorg en Jeugdinrichtingen voor wat betreft 
de inrichtingen voor justitiële kinderbescherming; beide directies maken 
deel uit van het Directoraat-Generaal Jeugdbescherming en Delinkwen– 
tenzorg. 
Binnen de betreffende directies zijn respectievelijk het sector– 
management instellingen en het sector-management jeugdinrichtingen in 
eerste instantie het aanspreekpunt voor de instellingen en de jeugdin– 
richtingen. Zij oefenen de controlerende en toezichthoudende taken uit. 
In de toezichthoudende taken wordt het sector-management, dat voor de 
instellingen uit 4.5 full-time eenheden en voor de jeugdinrichtingen uit 5 
full-time eenheden bestaat, ondersteund door de overige afdelingen van 
de beide directies. Het gaat hier in het bijzonder om de afdelingen 
Beleidsontwikkeling, Beleidsinformatie, de Afdelingen Financieel– 
Economische Zaken, Gebouwen en Materieel en de Afdeling Juridische 
Zaken. Immers, de vraagstukken kunnen op uiteenlopend terrein liggen. 
Daarnaast dragen - in verder verband - afdelingen binnen het depar– 
tement, niet behorend tot het genoemde Directoraat-Generaal, zoals bij 
voorbeeld de wetgevingsafdelingen aan een richtige uitvoering van het 
toezicht bij. 

Dit toezicht bestaat uit: 

- jaarlijkse beoordeling van de begroting en het werkplan, jaarlijks 
door de instellingen en de inrichtingen in te dienen, onderscheidenlijk te 
bezien op mogelijke wijzigingen; 
- toetsing van de uitvoering van het werkplan tijdens bezoeken aan de 
instellingen en de inrichtingen; 
- beoordeling van het geheel in de vorm van het jaarverslag, dat in 
relatie wordt gebracht met de door de betreffende financiële afdeling 
beoordeelde jaarrekening. 
Bovendien worden informaties ingewonnen bij de instellingen en de 
inrichtingen - mondeling en/of schriftelijk - mede naar aanleiding van bij 
het departement ingediende klachten. 

Overigens zij opgemerkt dat de particuliere inrichtingen en de voogdij– 
en gezinsvoogdij-instellingen, blijkens de desbetreffende algemene 
maatregelen van bestuur (Stb. 1990, 112 en 354) in hun werkplan de 
wijze van behandeling van klachten moeten aangeven. 

Voor de rijksinrichtingen bestaan klachtencommissies, samengesteld 
uit de commissies van toezicht bij die inrichtingen, die tot taak hebben 
individuele klachten van pupillen te behandelen (ex. art. 70 Wet op de 
jeugdhulpverlening). Ook voor de particuliere inrichtingen zijn klachten– 
commissies voorgeschreven - in artikel 46 van de Wet op de Jeugdhulp– 
verlening. 

2. Het toezicht op de raden voor de kinderbescherming wordt uitge– 
Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2


oefend vanuit het bureau van de sector-manager raden voor de kinderbe– 
scherming. Dit bureau bestaat uit 4.5 full-time eenheden. Het bureau 
oefent het directe toezicht uit op de raden voor de kinderbescherming, 
onder de verantwoordelijkheid van het hoofd van de directie Jeugdbe– 
scherming en Reclassering. Het bureau verifieert de juistheid van de 
uitvoering van het beleid en beheer. Het toezicht wordt uitgeoefend door 
middel van bespreking en vaststelling van het jaar-activiteitenplan van 
iedere raad. In regelmatige bezoeken wordt de uitvoering van dit plan 
besproken. Onderwerp van toezicht zijn ook de doelmatigheid van de 
organisatie, de kwaliteit van het werk en de naleving van de landelijke 
beleidsuitgangspunten. 

In de bezoeken komen ook de aanbevelingen naar aanleiding van 
klachten bij bij voorbeeld de Nationale Ombudsman ter sprake en de 
uitspraken van de klachtencommissies, zoals voorzien in het - onlangs in 
dat verband gewijzigde - Organisatiebesluit raden voor de kinderbe– 
scherming (Stb. 1982, 16). 

Het bureau behandelt de brieven die op het Ministerie van Justitie 
binnenkomen en het werk van de raden betreffen. Zo nodig wordt 
contact gezocht met de betreffende raad voor informatie en, waar van 
toepassing, wordt het vastgestelde beleid beoordeeld. Het bureau 
ontvangt ondersteuning van de overige afdelingen van de directie Jeugd– 
bescherming en Reclassering. 

Volledigheidshalve voeg ik toe een afschrift van het Besluit tot 
wijziging van het organisatie-besluit van het Ministerie van Justitie, met 
betrekking tot de structuur van het Directoraat-Generaal Jeugdbe– 
scherming en Delinquentenzorg, met ingang van 1 september 1988, met 
bijbehorende bijlage. Tevens is bijgevoegd een overzicht van de formatie 
van het DGJD, per 1 september 1988. 

Ik vertrouw u met het vorenstaande naar voldoening te hebben 
geïnformeerd. 

De Minister van Justitie a.i. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2


Bijlage C. Enkele begrippen uit de Wet openbaarheid bestuur, de 
Wet persoonsregistraties en de Wet op de Jeugdhulpverlening 

In de kinderbescherming en in de vrijwillige jeugdhulpverlening worden 
begrippen gebruikt als dossier, rapport, hulpverleningsplan, inzage en 
afschrift, cliënt, belanghebbende, betrokkene, derde. 

De onderlinge afstemming van de begrippen en van de definities is 
onvolledig. Dit heeft onduidelijkheden tot gevolg ten aanzien van de 
rechten van diegenen die met de kinderbescherming of de vrijwillige 
jeugdhulpverlening in aanraking komen. 

Omdat zowel de Wet Openbaarheid Bestuur als de Wet Persoonsregis– 
traties als de Wet op de jeugdhulpverlening rechten toekennen aan de 
burger, wordt onderstaand een korte samenvatting gegeven van 
genoemde drie wetten met betrekking tot dossiervorming en rapportage. 

I. Wet Openbaarheid Bestuur (WOB) 
l.a Begrippen 
Informatie: 

gegevens neergelegd in documenten. 

Documententen: 

schriftelijke stukken en ander materiaal dat gegevens bevat, die 
berusten bij overheidsorganen en bij instellingen, diensten en bedrijven, 
die onder verantwoordelijkheid van deze organen werkzaam zijn. 

Niet als document worden beschouwd: 

schriftelijke stukken en ander materiaal dat gegevens bevat, die 
bestemd zijn om te worden verzonden of reeds zijn verzonden, totdat 
mag worden aangenomen dat zij de geadresseerde(n) hebben bereikt. 
Concepten voor en kopieën van zulke stukken en zulk ander materiaal 
worden eveneens pas als documenten beschouwd als de stukken of het 
ander materiaal zelf de geadresseerde(n) hebben bereikt. 

Niet ter inzage zijn voorts: 

- documenten die gegevens bevatten die nog in bewerking zijn; 
- documenten die op zich zelf een vertekend en verkeerd beeld geven; 
- documenten die persoonlijke opvattingen weergeven van bewinds– 
personen, bestuurders of ambtenaren. 
l.b Rechten 
Recht op informatie: 

Een verzoek om informatie, gericht tot een overheidsorgaan (bijv. de 
raad voor de kinderbescherming) wordt ingewilligd tenzij daartegen 
bezwaar bestaat op een van de in art. 4 genoemde gronden. 

Er bestaat geen recht op informatie indien en voor zover dit: 

a. de veiligheid van de staat of «de eenheid van de Kroon» in gevaar 
zou brengen c.q. zou schaden; 
b. vertrouwelijk aan de overheid meegedeelde bedrijfsgegevens 
betreft; 
c. belang niet opweegt tegen het belang van: 
- de betrekkingen van Nederland met andere landen 
- de economische en financiële belangen van de staat en andere 
publiekrechtelijke lichamen; 
- de opsporing en vervolging van strafbare feiten; 
- inspectie, controle en toezicht door of vanwege een overheids– 
orgaan; 
- het recht van een ieder op eerbiediging van de persoonlijke levens– 
Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2


sfeer en de bescherming van medische en psychologische onderzoekre– 

sultaten, die individuele gevallen betreffen; 

- het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij 
de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan 
wel van derden. 
Tegen een beschikking tot weigering of slechts gedeeltelijk voldoen 
aan het verzoek om informatie, staat beroep open op de Afdeling recht– 
spraak van de Raad van State. 

l.c Wie heeft rechten 
Een ieder die kennis wil nemen van bepaalde schriftelijke informatie, 
kan een beroep doen op de WOB. 
De te verstrekken informatie is niet persoonsgebonden, noch wat 
betreft de verstrekking noch wat betreft het verzoek. 

II. Wet Persoonsregistraties (WPR) 
II.a Begrippen 
Persoonsgegeven: 

een gegeven dat herleidbaar is tot een individuele natuurlijke persoon. 

Persoonsregistratie: 

een samenhangende verzameling van op verschillende personen 
betrekking hebbende persoonsgegevens, die langs geautomatiseerde 
weg wordt gevoerd of met het oog op een doeltreffende raadpleging van 
die gegevens systematisch is aangelegd. 

Van een samenhangende verzameling van persoonsgegevens is sprake 
indien een groep van dergelijke gegevens op grond van een of meer 
kenmerken een onderlinge samenhang vertoont, een gemeenschappelijke 
bestemming heeft of in de praktijk als een geheel pleegt te worden 
beschouwd. 

Geautomatiseerde persoonsregistraties voldoen in alle gevallen aan de 
noodzakelijke systematische toegankelijkheid. 

Bij niet geautomatiseerde gegevensverzamelingen is echter van belang 
of zij met het oog op een doeltreffende raadpleging van de daarin 
opgenomen persoonsgegevens systematisch zijn aangelegd. 

In de staatscourant nr. 123 van 28 juni 1990 staan vier privacyregle– 
menten opgenomen als uitvloeisel van de WPR: 

1. Privacyreglement algemene zaaksregistratie raden voor de kinder– 
bescherming; deze registratie heeft ten doel het administreren van 
degenen die betrokken zijn bij de uitvoering van de wettelijke taken van 
de raad en het vastleggen van algemene gegevens over de door de raad 
behandelde zaken. 
2. Privacyreglement JUFAR raden voor de kinderbescherming; 
deze registratie heeft ten doel het vastleggen van handelingen t.b.v. 
het beheer van overheidsgelden en voorts van de bestemming en 
doorbetaling van gelden die ontvangen zijn t.b.v. minderjarigen en 
jong-minderjarigen. 

3. Privacyreglement alimentatie-administratie raden voor de kinderbe– 
scherming; deze geautomatiseerde alimentatieregistratie heeft ten doel 
een vereenvoudiging van de procedure tot inning en bestemming van 
gelden t.b.v. jeugdigen, voor zover een en ander geschiedt door de raad. 
4. Privacyreglement financiële pupillenadministratie; deze admini– 
stratie heeft ten doel het vastleggen van gegevens, noodzakelijk voor het 
doen van betalingen aan autoriteiten, diensten en instellingen ten 
Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2


behoeve van jeugdigen ten aanzien van wie de hulpverlening door de 
Minister van Justitie wordt gesubsidieerd. 

De WOB behoudt zijn werking voor zover de WPR geen afwijkende 
regeling bevat. Dit betekent dat een verzoek van iemand tot kennis– 
neming van hem betreffende informatie uit dossiers, niet zijnde 
persoonsregistraties, kan worden gebaseerd op de WOB. 

II.b Rechten 
Recht op mededeling van opname van gegevens in een persoonsregis– 
tratie alsmede van het doel van die registratie, tenzij gewichtige 
belangen van verzoeker dan wel anderen weigermg van mededeling 
rechtvaardigen. 

Recht op inzage tenzij gewichtige belangen van verzoeker dan wel 
anderen weigering van inzage rechtvaardigen. 

Recht op afschrift tenzij gewichtige belangen van verzoeker dan wel 
anderen weigering van afschrift rechtvaardigen. 

Recht op verbetering, aanvulling en verwijdering van gegevens. 

Recht op kennisname van gegevensverstrekking aan derden. 

Recht toestemming te verlenen t.a.v. verstrekken van gegevens aan 
derden. 

II.c Wie heeft rechten 
Geregistreerde personen vanaf 16 jaar. 

Aan derden mogen gegevens worden verstrekt 

- voor zover dit voortvloeit uit het doel van de registratie; 
- voor zover dit voortvloeit uit een wettelijk voorschrift; 
- voor zover dit geschiedt met toestemming van de geregistreerde; 
- geanonimiseerd ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek of 
statistiek; 

- op grond van dringende of gewichtige redenen. 

In beide laatste gevallen geldt dat gegevens slechts verstrekt mogen 

worden voor zover de belangen van de geregistreerde daardoor niet 
onevenredig worden geschaad 

III. Wet op de jeugdhulpverlening (WJHV) 
III.a Begrippen 
Jeugdige: 

Een persoon die: 

1. de meerderjarigheidsleeftijd nog niet heeft bereikt; 
2. de meerderjarigheidsleeftijd heeft bereikt en ten aanzien van wie 
recht is gedaan overeenkomstig de artikelen 77 f tot en met 77 K van het 
Wetboek van Strafrecht (bijv. tuchtschool), of 
3. de meerderjarigheidsleeftijd heeft bereikt, doch nog niet de leeftijd 
van drieëntwintig jaren, en voor wie voortzetting van uithuisplaatsing 
noodzakelijk is, of voor wie, na beëindiging van een uithuisplaatsing 
minder dan een half jaar tevoren, plaatsing in een voorziening van 
residentiële hulpverlening of in een pleeggezin noodzakelijk is. 
Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2


Hulpverleningsplan: 

De WJHV hanteert het begrip hulpverleningsplan. In het (Ontwerp) 
Besluit kwaliteitsregels jeugdhulpverlening, artikel 5, en in het (Ontwerp) 
Besluit kwaliteitsregels en taken voogdij– en gezmsvoogdij mstellingen, 
artikel 8, wordt een opsomming gegeven van de elementen in een 
hulpverleningsplan, dat afgestemd moet zijn op de problemen en stoor– 
nissen van de jeugdige: 

a. beschrijving van het voorgenomen hulpverleningsproces, korte en 
lange termijndoelen, in te schakelen deskundigen en evaluatiemomenten; 
b. vermelding van overleg met jeugdige, ouders c.q. wettelijke verte– 
genwoordigers en plaatsende instantie; 
c. overeenstemming met de kinderrechter indien BW boek I, art. 262 
of 263 wordt toegepast; 
d. vermelding hoe leden van het gezin van de jeugdige bij de hulpver– 
lening worden betrokken of argumentatie waarom dit niet geschiedt; 
e. vermelding van de hulpverlener die als contactpersoon voor het 
proces kan worden beschouwd; 
f. indien sprake is van pleegzorg, omschrijving van de rol van pleeg– 
ouders en de wijze waarop deze begeleid worden. 
Schriftelijke evaluatie: 

In artikel 29 lid 2 van de Wet op de jeugdhulpverlening wordt melding 
gemaakt van de noodzaak de jeugdige en degene die de ouderlijke 
macht of de voogdij uitoefent te betrekken bij onder meer de evaluatie 
van de hulpverlening (in een rapport schriftelijk te verantwoorden). De 
wet geeft niet aan in hoeverre dit artikel valt onder de werkingsfeer van 
de WOB en/of WPR. 

III.b Rechten 
Recht op inzage en afschrift van op de jeugdige betrekking hebbende 
bescheiden, die een uitvoerder of plaatser onder zich heeft. 

lll.c Wie heeft rechten 
De jeugdigen van 12 jaar en ouder. Artikel 43 lid 1 van de wet geeft 
aan dat aan «anderen» slechts met instemming van de jeugdige inzage 

c.q. afschrift van de bescheiden van de jeugdige mag verstrekt worden. 
Voor zover het jeugdigen jonger dan 16 jaar betreft, mag zonder 
toestemming van de jeugdige inzage en afschrift verleend/verstrekt 
worden aan de wettelijke vertegenwoordigers van de jeugdige. Ook 
mogen aan de wettelijke vertegenwoordigers gegevens verstrekt worden 
van jeugdigen, ouder dan 16 jaar, indien de jeugdige niet in staat is tot 
redelijke waardering van eigen belangen (artikel 43 lid 3). Onder 
«anderen» worden niet begrepen degenen die beroepshalve 
medewerking dienen te verlenen aan de hulpverlening en degene(n) die 
betrokken is/zijn bij de uitvoering of voorbereiding van een maatregel van 
kinderbescherming (artikel 43 lid 2). 
Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2


Bijlage D. Evaluatie van de werkwijze van de subcommissie 

Geschiedenis 

In het najaar van 1989 vroegen enkele leden van de bijzondere 
Commissie voor het Jeugdwelzijnsbeleid namens hun fracties aandacht 
voor de problemen in de kinderbescherming, naar aanleiding van de vele 
signalen die hen hierover in de afgelopen jaren hadden bereikt. 

In de bijzondere commissie bestond de behoefte aan een nadere 
analyse van de aard en de achtergronden van dit vraagstuk. 
In haar procedurevergadering van 22 november 1989 besloot de 
bijzondere commissie het verzoek in overweging te zullen nemen. 
Mede naar aanleiding van een brief van de staatssecretaris van Justitie 
dd. 21 november 1989 werd de besluitvorming uitgesteld. 

Deze brief behelsde een voorstel aan de bijzondere commissie om 
eventuele voornemens op dit vlak op te schorten ten einde de 
bewindsman in de gelegenheid te stellen tot het doen van een eigen 
onderzoek. 

Tijdens een overleg op 28 november 1989 stelden de fractiewoord– 
voerders echter vast dat de Kamer, vanuit haar eigen verantwoorde– 
lijkheid als volksvertegenwoordiging, gehouden was zelf een onderzoek 
te verrichten. 

Diezelfde dag besloot de bijzondere commissie dat de eerste fase van 
het onderzoek, het inventariseren en rubriceren van bij de Kamer en bij 
de Nationale ombudsman binnengekomen klachten gedurende de jaren 
1988 en 1989, van start kon gaan. 

Het resultaat hiervan werd vastgelegd in de Notitie over klachten 
inzake de kinderbescherming, die in januari 1990 gereed kwam en werd 
opgesteld door stafmedewerkers van de commissieburo's Welzijn en 
Bestuur. 

Naar aanleiding van deze notitie besloot de bijzondere Commissie voor 
het Jeugdwelzijnsbeleid op 24 januari 1990 uit haar midden een 
subcommissie in te stellen ex artikel 42 Reglement van Orde. 

Deze subcommissie, die zou bestaan uit 6 leden en 6 plaatsvervan– 
gende leden, kreeg de opdracht de bij de Kamer binnengekomen 
klachten te objectiveren en te analyseren. 

De subcommissie zou haar bevindingen rapporteren aan de bijzondere 
commissie. 

Bij brieven van 24 januari en 14 februari 1990 werden het Presidium 
respectievelijk de Kamer op de hoogte gebracht van de instelling van de 
subcommissie. 

Tevens werd op 24 januari een persbericht uitgegeven. 

Bij brief van 1 februari 1990 gaf de vaste Commissie voor Justitie de 
bijzondere commissie in overweging de subcommissie tezamen met haar 
in te stellen opdat «competentieproblemen in de toekomst voorkomen 
zouden kunnen worden». 

De bijzondere commissie besloot aan dit verzoek te voldoen. 
Na de verkiezing van een voorzitter op 21 februari jl. kon de subcom– 
missie van start gaan met de voorbereiding van het onderzoek. 

Aangezien dit onderzoek specifieke deskundigheid vroeg, met name op 
het terrein van het Personen–, Jeugd– en Familierecht, werd de Kamer 
verzocht op grond van artikel 46, derde en vierde lid, van het Reglement 
van Orde toestemming te verlenen voor het inschakelen van externe 
deskundigen (brief dd. 28 maart 1990). 

Het onderzoek vond voornamelijk plaats in de maanden april tot en 
met juni. 

Van juli tot medio augustus werd het rapport geschreven. 

In de laatste week van het zomerreces vonden de finale besprekingen 
plaats. 
In september werd de publicatie van het rapport voorbereid. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2


Procedure en werkwijze 

De subcommissie Kinderbescherming werd ingesteld op grond van 

artikel 42 Reglement van Orde. 

De instelling van een subcommissie is op zich geen nieuw fenomeen. 

Men denke bij voorbeeld aan de onderzoekscommissies inzake de 

sekten en de visquoteringsregelingen. 

Het verschil met voornoemde commissies is vooral hierin gelegen dat 
de subcommissie Kinderbescherming zich voor de duur van het 
onderzoek kon laten bijstaan door externe deskundigen, ingevolge artikel 
46, derde en vierde lid, Reglement van orde. 

Zonder externe deskundigen had de subcommissie in deze korte tijd 

niet het voorliggende resultaat kunnen realiseren. 

In het bijzonder is zij de Wetenschappelijke Raad voor het Regerings– 
beleid erkentelijk voor het beschikbaar stellen van een van zijn stafmede– 
werkers. 

Tevens constateert zij, dat de instelling van een subcommissie, bijge– 
staan door externe deskundigen, een waardevol instrument van parle– 
mentaire controle kan zijn. 

Als alternatief voor een subcommissie hebben de bijzondere 
Commissie voor het Jeugdwelzijnsbeleid en de vaste Commissie voor 
Justitie vanaf het begin voor de keuze gestaan de Kamer te verzoeken 
een enquêtecommissie in te stellen. 

De subcommissie heeft het ontbreken van enquêtebevoegheden, zoals 
het onder ede horen van personen, niet als een gemis ervaren. 

Zij heeft vanaf het begin op het standpunt gestaan dat een enquête 
geen meerwaarde zou opleveren boven de informatie die door middel 
van dit onderzoek is verkregen. 

De subcommissie wilde niet naar «schuldigen» zoeken, maar 
probeerde op basis van een analyse van de problemen oplossingen te 
vinden. 

Dit bood ruimte voor de zogenaamde ronde-tafelgesprekken in plaats 
van hoorzittingen. 

De subcommissie voerde twee ronde-tafelgesprekken over een vijftal 
thema's met vertegenwoordigers van belangenorganisaties van cliënten, 
en met beroepsbeoefenaars op het gebied van de kinderbescherming en 
kinderrechters. 

Deze gesprekken vonden in beslotenheid plaats en werden woordelijk 
verslagen door de Stenografische dienst. 

De gespreksverslagen zijn in bijlage A bij dit rapport opgenomen; 
hiervan waren de deelnemers aan de gesprekken vooraf op de hoogte 
gesteld. 

De definitieve tekst is ter goedkeuring aan betrokkenen voorgelegd. 

Omdat de werkzaamheden van de subcommissie in beslotenheid 
plaatsvonden, werd afgesproken dat de voorzitter gedurende het 
onderzoek de pers te woord zou staan over procedurele aspecten, voor 
zover daartoe aanleiding bestond. 

Tenslotte zij nog vermeld dat de status van de subcommissie met zich 
bracht, dat haar leden niet door hun fracties van andere werkzaamheden 
werden vrijgesteld. 

Desondanks heeft de subcommissie steeds in dezelfde samenstelling 
vergaderd. 

Het verdient aanbeveling dat in de toekomst Kamerleden door hun 
fracties in de gelegenheid worden gesteld prioriteit te geven aan de 
werkzaamheden van een onderzoekscommissie. 

Met een dergelijke werkwijze zou de voortgang van het onderzoek zijn 
gebaat. 
Tevens is de subcommissie van oordeel dat een adequate onder– 
steuning een noodzakelijke voorwaarde is. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2


Met het uitbrengen van dit onderzoeksverslag aan de bijzondere 
Commissie voor het Jeugdwelzijnsbeleid en de vaste Commissie voor 
Justitie acht de subcommissie haar opdracht voltooid. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 818, nrs. 1-2


