Tweede Kamer der Staten-Generaal 

Vergaderjaar 1990-1991 

21980 

Nr. 2 

Justitiële jeugdbescherming 

NOTA 
Inhoudsopgave 

Hoofdstuk 1

1.1

1.21 3

1.4

Hoofdstuk 2

2.1

2.2

2.3

2.4

2.5

Hoofdstuk 3

3.1

3.2

3.3

3.4

3.5

3.6

Hoofdstuk 4

4.1

4.2

4.3

4.4

4.5

Hoofdstuk 5

Voorwoord 
Inleiding en kerntaken 
Justitiële jeugdbescherming in perspectief 
De kern van de justitiële jeugdbescherming 
Preventie 
Opbouw van de nota 10 

 Verbreden van het draagvlak van beslissingen 11 
Inleiding 11 
Interne deskundigen 11 
Externe deskundigen 12 
Functietraining en deskundigheidsbevordering 13 
Deskundigheid in relatie tot etnische minderheden 13 
Actiepunten hoofdstuk 2 15 

 Rechtswaarborgen 15 
Inleiding 15 
Grotere duidelijkheid omtrent procedures en beslissingen 16 
Tegenonderzoek 17 
Meer rechtswaarborgen met betrekking tot (voorlopige) 
beslissingen 17 
Voorlopige ondertoezichtstelling 17 
Waarborgen tegen het voortduren van andere voorlopige 
maatregelen 18 
Hulpverlening aan weggelopen minderjarigen 18 
Eigen rechtsingang van het kind 19 
Toezicht, klachtbehandeling en inspectie 19 
Inleiding 19 
Klachtbehandelmg 20 
Inspectie 21 
Maatschappelijke betrokkenheid 21 
Jaarlijkse ontmoetingsdag 22 
Actiepunten hoofdstuk 3 22 

 Positie van de kinderrechter en de instellingen 22 
Inleiding 22 
De positie en rol van de kinderrechter 23 
Gezinsvoogdij 23 
Meervoudige kamer 24 
De instellingen 24 
Pleegzorg 25 
Residentiële voorzieningen 26 
Actiepunten hoofdstuk4 27 


 Overige beleidsvoornemens 27 

56689 


111541F 

ISSN0921 7371 

SDU uitgeverij 's Gravenhage 1991 Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 980, nrs. 1-2 


5.1 Een nieuwe maatregel van hulp en steun 27 
Aanleiding 27 
De maatregel van huip en steun 28 

5.2 Jeugdstrafrecht 29 
Jeugdreclassering 29 
Alternatieve sancties 29 
Halt 30 

5.3 Financiële taken van de raden voor de kinderbescherming 30 

5.4 De positie van de colleges van de raden voor de 
kinderbescherming 31 

5.5 Interlandelijke adoptie 31 
Actiepunten hoofdstuk 5 32 

Hoofdstuk 6 Financiële en personele consequenties 33 
6 1 Financiële consequenties 33 

6.2 Personele consequenties 33 

Bijlage 1 Standpuntbepaling met betrekking tot de aanbevelingen van 
de commissie Taak en Functie Raden voor de 
Kinderbescherming (commissie Gijsbers) en de 
subcommissie Kinderbescherming (commissie Vliegenthart) 34 

Bijlage 2 Lijst van afkortingen 42 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 980, nrs. 1-2 


vergaderjaa^– fggö-fggi.^i sfs, nrs.T-2,"

p. 40.
Voorwoord 

De justitiële jeugdbescherming staat ter discussie. De Tweede Kamer 

heeft in de afgelopen jaren enkele malen aandacht hiervoor gevraagd, 

ouders hebben zich georganiseerd en klachten geformuleerd en de 

media hebben zich niet onbetuigd gelaten. 

In de maatschappelijke en politieke discussie staat de vraag centraal of 

de structuur en de organisatie van de jeugdbescherming nog wel voldoen 

aan de eisen van de tijd. In de afgelopen anderhalf jaar is de discussie in 

een stroomversnelling geraakt. In verband met klachten over de raden 

voor de kinderbescherming heb ik in januari 1990 de commissie Taak en 

Functie Raden voor de Kinderbescherming (commissie Gijsbers) 

ingesteld. In mei 1990 heeft de commissie rapport uitgebracht. 

Conclusie was dat op de structuur van de raden niet zoveel is af te 

dingen, maar dat een aantal kwalitatieve verbeteringen wel nodig is. Op 

het rapport is, behalve door instanties waaraan dit is gevraagd, vooral 

gereageerd door groeperingen van ouders. 

Voorts werd een onderzoek verricht door de subcommissie Kinderbe– 

scherming (commissie Vliegenthart), ingesteld door de Vaste Commissie 

voor Justitie en de Bijzondere Commissie Jeugdwelzijnsbeleid. Ook dit 

onderzoek vond plaats naar aanleiding van signalen en klachten over de 

kinderbescherming. In oktober 1990 heeft de commissie Vliegenthart 

verslag gedaan van haar onderzoek. 

De commissie Gijsbers heeft zich gericht op de raden voor de kinder– 

bescherming. Het onderzoek van de commissie Vliegenthart richtte zich 

op het bredere terrein van de justitiële jeugdbescherming. Deze 

commissie is van mening dat de structuur van de jeugdbescherming als 

geheel op een aantal punten voor verbetering vatbaar is. Het betreft met 

name de rechtswaarborgen voor de burger die met de jeugdbescherming 

in aanraking komt'. 

In de nota «Justitiële jeugdbescherming: met recht in beweging» 
neemt de regering op een aantal belangrijke onderdelen een standpunt 
met betrekking tot deze problematiek in. Op andere onderdelen wordt 
een richting aangegeven. Met de opmerkingen en reacties van de ouders 
heb ik zorgvuldig rekening gehouden. Het bieden van bescherming en 
hulp aan minderjarigen dient zodanig te geschieden, dat daarbij met 
gerechtvaardigde belangen van ouders op passende wijze rekening kan 
worden gehouden. Overigens hoeven belangen van ouders en belangen 
van minderjarigen niet altijd strijdig met elkaar te zijn. 

Zowel deze nota als de rapportages van de commissies Gijsbers en 
Vliegenthart vormen, naar ik hoop en verwacht, een vruchtbaar kader 
voor de gedachtenwisseling met de leden van de Tweede Kamer over de 
toekomst van de justitiële jeugdbescherming. 

De nota «Justitiële jeugdbescherming: met recht in beweging» is niet 
los te zien van het beleidsplan «Recht in bewegtng», dat de Minister van 
Justitie en ik op 27 september 1990 hebben gepresenteerd. In het 
beleidsplan wordt ingegaan op wat wij als de drie zwaartepunten in het 
justitiebeleid van de komende jaren zien, te weten: 

- geïntensiveerde uitvoering van de justitiële kerntaken met betrekking 
tot wetgeving, rechtshandhaving en rechtstoepassing; 
- netwerkvorming met andere bestuursorganen en een grotere betrok– 
kenheid van de maatschappij; 
- modernisering van organisatie en beheer. 
In «Recht in beweging» is de justitiële jeugdbescherming omschreven 
a's ®én van ^e kernactiviteiten van Justitie. In deze nota wordt die 
kerntaak nader uitgewerkt. Met de commissies Gijsbers en Vliegenthart 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 980, nrs. 1-2 


 «Recht in Beweging», Den Haag.
^s93

ben ik van mening dat op een aantal punten verbetering noodzakelijk is. 
Naast wetgeving en beleidsbepaling zullen ten behoeve van de uitvoering 
van de hierna te presenteren voornemens ook tijd en financiële middelen 
nodig zijn. Deze zijn voor de korte termijn voorhanden. Binnenkort zal 
worden bezien hoe door herschikking additionele middelen voor de 
langere termijn kunnen worden vrijgemaakt. 

1 Inleiding en kerntaken 

/. 1 Justitiële jeugdbescherming in perspectief 

Sedert de zestiger jaren heeft de Nederlandse samenleving een 
ontwikkeling doorgemaakt die van grote betekenis is geweest, onder 
andere voor de positie en het functioneren van het recht. Sleutelbe– 
grippen in die ontwikkeling zijn: sterk toenemende welvaart en 
mondigheid van de burger, individualisering, een grootschaliger en 
anoniemere maatschappij, ontzuiling en de opkomst van de verzorgings– 

2

staat. 

Ook minderjarigen in Nederland worden geconfronteerd met deze 
ontwikkelingen. Een gevolg is dat jeugdigen thans meer mogelijkheden 
hebben in hun groei naar zelfstandigheid, bijvoorbeeld in het kiezen van 
een opleiding, maar ook dat van hen in dit opzicht meer wordt gevraagd. 
Daarbij kunnen zowel jeugdigen als hun opvoeders met ernstige 
problemen worden geconfronteerd. Jeugdigen lopen risico's, bijvoor– 
beeld om verslaafd te raken aan drank, drugs en gokken. Verder richten 
sommige jongeren regelmatig vernielingen aan, plegen diefstallen of 
gebruiken geweld. Ook het voortijdig verlaten van school is een 
probleem. Veelal is er sprake van een cumulatie van problemen. 
Voortijdig schoolverlaten kan bijvoorbeeld leiden tot uitzichtloosheid, 
hetgeen weer kan leiden tot criminaliteit. De complexiteit van de proble– 
matiek bij jeugdigen lijkt toe te nemen. 

Allochtonen vormen zes procent van de groep van minderjarigen. 
Onder hen doen problemen zich frequenter en in sterkere mate voor dan 
onder autochtonen. 

Het merendeel van de jeugdigen slaagt erin om problemen die zich 
tijdens het opgroeien voordoen zelf of met behulp van anderen op te 
lossen. Indien dit niet lukt, kan er sprake zijn van bedreiging van de 
jongere met «zedelijke of lichamelijke ondergang». Justitieel optreden is 
dan geboden. 

De in 1905 ingevoerde kinderwetten maakten het mogelijk om het 
ernstig bedreigde kind te beschermen en te helpen en om, op bij hun 
leeftijd passende wijze, op te treden tegen jeugdigen die zich misdadig 
gedroegen. Nadien werd de wet– en regelgeving verder ontwikkeld en 
werden instanties en instellingen gecreëerd om hieraan uitvoering te 
geven. De voogdijraden, later de raden voor de kinderbescherming, 
werden ingesteld met de bevoegdheid om kinderbeschermingsmaatre– 
gelen te verzoeken. Kinderrechters, specialisten op het gebied van het 
zich ontwikkelende jeugdrecht en jeugdstrafrecht, werden benoemd om 
te oordelen over deze verzoeken en leiding te geven aan de uitvoering 
van de ondertoezichtstelling. Voogdij-instellingen en gezinsvoogdij– 
instellingen (ondertoezichtstelling) werden opgericht om uitvoering te 
geven aan de uitgesproken maatregelen. 

In de jaren zestig en zeventig werd gedrag dat voordien als afwijkend 
en ongewenst werd beschouwd in toenemende mate maatschappelijk 
getolereerd. Dit gedrag werd in hoofdzaak vertoond door jongeren, wier 

 aantal door de geboortegolf van na de oorlog relatief was toegenomen. 
Deze maatschappelijke accentverschuiving leidde tot terughoudendheid 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 980, nrs. 1-2 


om justitieel in te grijpen in het leven van kinderen en het gezin, tot 
uitdrukking komend in een afname van het aantal kinderen dat onder een 
maatregel van kinderbescherming werd gesteld. Zowel in de justitiële 
jeugdbescherming als de jeugdhulpverlening gold en geldt het 
uitgangspunt dat de aanpak van problematische opvoedingssituaties zo 
weinig ingrijpend van aard dient te zijn als maar mogelijk is en bij 
voorkeur dient te geschieden op vrijwillige basis. 

In de jaren tachtig treedt opnieuw een accentverschuiving op. Het 
inzicht groeit dat justitieel optreden in bepaalde gevallen noodzakelijk is, 
en dat niet optreden slechts verhulling van de ernst van de problematiek 
zou betekenen. Het uitgangspunt daarbij blijft onveranderlijk de 
bescherming van het kind. 

Vanaf het midden van de jaren tachtig neemt het totaal aantal kinderen 
dat onder toezicht is gesteld toe (zie figuur 1). De zwaarste ingreep van 
ontheffing/ontzetting wordt minder vaak toegepast. 

Fïguur 1: Ontwikkeling van het aantal kinderen tot 18 jaar bij instellingen naar soort 
maatregel in de jaren 1984—1989 (bron: ministerie van Justitie) 

X1000 

20 _ 

10 _ 

IË I

0 .II1uIjaar 
1984 1985 1986 1987 1988 1989 

• voogdij B OTS 0 totaal 
De justitiële jeugdbescherming heeft zowel een civielrechtelijk als een 
strafrechtelijk karakter. Daarbij moet overigens worden opgemerkt dat 
deze zich niet in alle gevallen duidelijk laten scheiden. Waar het oudere 
kinderen betreft kunnen vormen van lichte maar ook middelzware crimi– 
naliteit de kinderrechter aanleiding geven (ook) civielrechtelijk in te 
grijpen. 

Wat de klassieke kinderbeschermingsmaatregelen èn de advisering 
inzake voogdij en omgang bij echtscheiding betreft dient het 
uitgangspunt te zijn dat, indien de overheid zich mengt in het privéleven 
van mensen, dit dient te geschieden op basis van deskundigheid, duide– 
lijke procedures en voldoende rechtswaarborgen. Indien tenslotte tot 
ingrijpen wordt overgegaan, rust op de overheid de taak ervoor te zorgen 
dat èn ouders èn kind die hulp en bescherming die zij behoeven dan ook 
daadwerkelijk - en van optimale kwaliteit - krijgen. 

Er is geen reden te twijfelen aan de inzet en integriteit van de uitvoe– 
renden in de justitiële jeugdbescherming. Niettemin moet worden gecon– 
stateerd dat in deze tijd niet in voldoende mate kan worden voldaan aan 
de aan civielrechtelijke procedures te stellen eisen. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 980, nrs. 1-2 


Ook voor wat het strafrechtelijk deel betreft moet worden geconsta– 
teerd dat de situatie niet optimaal is. In de eerste plaats is het op dit 
moment niet mogelijk maatregelen en straffen - zowel in kwantitatief als 
in kwalitatief opzicht - op adequate wijze ten uitvoer te leggen. In de 
tweede plaats is het niet aanvaardbaar dat er wel een goed functio– 
nerend reclasseringsaanbod voor volwassenen is, maar de jeugdreclas– 
sering nog maar langzaam van de grond komt. Ook met betrekking tot 
alternatieve sancties zijn er achterstanden weg te werken. 

Sinds 1959 (Verklaring van de Rechten van het Kind) is het een inter– 
nationaal erkende norm dat kinderen als eersten recht hebben op hulp, 
dus prioriteit genieten boven volwassenen. Deze norm wordt door mij ten 
volle onderschreven. Daar waar vroeg kan worden ingegrepen is 
bovendien de kans op succes het grootst. Veel problemen kunnen dan 
worden voorkomen. 

Deze nota geeft - in aansluiting op de rapporten van de commissies 
Gijsbers en Vliegenthart - de richting aan waarin het huidige beleid zal 
worden bijgesteld. Het draagvlak van beslissingen wordt verbreed door 
het inschakelen van meer en andere disciplines. Voorts wordt meer 
openheid en duidelijkheid in procedures geschapen door betere 
voorlichting, klachtbehandeling, toezicht, inspectie en aangescherpte 
wet– en regelgeving. Daarnaast stel ik voor een duidelijker scheiding 
tussen rechtspraak en uitvoering aan te brengen door een verandering 
van de rol en positie van de kinderrechter en de instellingen voor gezins– 
voogdij. Tenslotte wordt zowel de kwantiteit als de kwaliteit van de 
uitvoering versterkt door de ontwikkeling van jeugdreclassering en alter– 
natieve strafafdoeningsmogelijkheden en door verbetering van de organi– 
satie van de instellingen voor gezinsvoogdij. 

Het is duidelijk dat de invoering van een dergelijk ambitieus 
programma tijd en financiële middelen vraagt. 

1.2 De kern van de justitiële jeugdbescherming 
In de justitiële jeugdbescherming staat bescherming van het kind dat 
ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd, centraal. Er zijn verschillende 
situaties te onderscheiden waarin zich ernstig bedreigende omstandig– 
heden voor de ontwikkeling van het kind kunnen voordoen. Daaruit zijn 
de kerntaken van de justitiële jeugdbescherming af te leiden. 

Zo is er de situatie waarin ouders, om welke redenen dan ook, niet of 
onvoldoende in staat of bereid zijn om de zorg en opvoeding van hun 
kind op adequate wijze vorm te geven. Het gaat dan onder andere om 
ernstige vormen van (seksuele) mishandeling en ernstige verwaarlozing. 
Het is de taak van de overheid om in dergelijke situaties op te treden 
door het toepassen van een maatregel van justitiële jeugdbescherming 
(ondertoezichtstelling en ontheffing/ontzetting). 

Een situatie, waarin zich voor het kind ernstig bedreigende omstandig– 
heden kunnen voordoen, is die waarin het kind in conflict is met zijn 
omgeving en zich onttrekt aan het ouderlijk gezag door bijvoorbeeld weg 
te lopen. Ik ben van mening dat in dergelijke situaties dient te worden 
getoetst of er sprake is van ernstig bedreigende omstandigheden, die tot 
een civielrechtelijke maatregel moeten leiden, dan wel van een accep– 
tabele, zij het vroege, vorm van groei naar zelfstandigheid. 

Een andere situatie betreft ernstige of herhaalde overtreding door de 
minderjarige van door de samenleving gestelde en in wetgeving vastge– 
legde strafrechtelijk gesanctioneerde normen. Zowel de belasting van de 
samenleving als de voorspelbare negatieve toekomstverwachting van de 
jeugdige rechtvaardigt in deze gevallen overheidsoptreden. 

De norm met betrekking tot hetgeen als «ernstige bedreiging» dient te 
worden aangemerkt wordt gesteld door de samenleving. De justitiële 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 980, nrs. 1-2


jeugdbescherming onderscheidt zich hierin van de vrijwillige hulpver– 
lening doordat in de vrijwillige hulpverlening de hulpvrager zelf de norm 
stelt over wat wenselijk is en zelf beoordeelt of de hulpverlener aan de 
gestelde verwachting met betrekking tot de hulpverlening voldoet. 

De commissie Gijsbers heeft in haar beschouwing aangegeven dat met 
name de ontwikkeling van de (rechts)positie van ouders en kinderen na 
het tijdperk van de verzuilde samenleving van grote invloed is geweest 
op wat onder «ernstige bedreiging» dient te worden verstaan. Terecht 
stelt de commissie de vraag welke maatstaven moeten worden 
aangelegd om opvoedingssituaties te beoordelen in een samenleving met 
een pluriform normen– en waardenpatroon. Waar de één spreekt van 
seksueel misbruik, zal de ander spreken van een vrije seksuele 
opvoeding. Bovendien veranderen de normen van de samenleving voort– 
durend onder invloed van zich wijzigende opvattingen. In een dergelijke 
situatie kunnen normen die wettelijk worden vastgelegd niet anders dan 
globaal zijn. De wettelijke norm «bedreiging met zedelijke en lichamelijke 
ondergang» brengt daarom noodzakelijkerwijs discretionaire bevoegd– 
heden met zich mee. In onze samenleving is de rechter aangewezen om 
aan de wettelijke norm te toetsen en te beoordelen of er (nog) sprake is 
van ernstige bedreiging. 

Zoals reeds in de voorgaande paragraaf vermeld zie ik een goed en 
samenhangend stelsel van rechtswaarborgen (voor ouders èn kinderen) 
enerzijds en een zorgvuldige uitvoering van straffen, maatregelen en 
hulpverlening anderzijds als de twee pijlers van de justitiële jeugdhulp– 
verlening, zowel civielrechtelijk als strafrechtelijk. In de volgende hoofd– 
stukken wordt hierop nader ingegaan. 

In de justitiële jeugdbescherming speelt een aantal instituten een 
belangrijke rol, waaronder de raden voor de kinderbescherming, de 
kinderrechters en de (gezins)voogdij-instellingen. Uiteraard wordt bij de 
uitvoering ook gebruik gemaakt van de voorzieningen voor jeugdhulpver– 
lening, zoals voorzieningen voor pleegzorg, inrichtingen en ambulante 
hulpverlening. 

De raden voor de kinderbescherming zijn belast met het onderzoek van 
problematische situaties en het vorderen van maatregelen van kinderbe– 
scherming en het adviseren van de rechter in diverse procedures, 
waaronder de regeling van voogdij en omgang in geval van 
echtscheiding. 

De kinderrechter houdt zich vooral bezig met rechtsprekende taken, 
maar geeft thans ook leiding aan de uitvoering van een van deze maatre– 
gelen, de ondertoezichtstelling (ots). Zoals aangegeven is het mijn 
bedoeling deze laatste taak - de verantwoordelijkheid voor de uitvoering 
van de ots over te brengen naar de gezinsvoogdij-instellingen. De 
(gezins)voogdij-instellingen hebben tot taak uitvoering te geven aan de 
maatregelen van voogdij en gezinsvoogdij. Zij nemen de verantwoorde– 
lijkheid voor de opvoeding van de jeugdige geheel (voogdij) of gedeel– 
telijk (ots) van de ouders over en verrichten daartoe al datgene dat voor 
een evenwichtige groei naar volwassenheid nodig is. 

Ook op de taken van deze actoren in de justitiële jeugdbescherming zal 
in de volgende hoofdstukken worden teruggekomen. 

1.3 Preventie 
Ik hecht eraan op te merken dat justitieel ingrijpen niet louter een 
repressief en curatief, maar ook een preventief karakter heeft. Preventief 
in die zin dat ingrijpen mede dient te zijn gericht op het voorkomen van 
het voortbestaan of verergeren van probleemsituaties. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 980, nrs. 1-2 


In algemene zin kan de justitiële jeugdbescherming bijdragen aan 
preventie door structureel te participeren in de regionale samenwerkings– 
verbanden jeugdhulpverlening. Systematische terugkoppeling van 
ervaringen naar de voorliggende voorzieningen binnen de samenwer– 
kingsverbanden dient te leiden tot betere afstemming en verhoogde 
effectiviteit. 

Het moge duidelijk zijn dat een effectief preventiebeleid niet een zaak 
van Justitie alleen is, integendeel. Een aantal andere rninisteries en 
maatschappelijk betrokkenen valt daarin een minstens zo belangrijke rol 
ten deel. 

Zoals in de jeugdhulpverlening gebruikelijk is, dient de justitiële jeugd– 
bescherming na te streven dat justitieel ingrijpen in de lichtst mogelijke 
en kortstdurende vorm plaatsvindt. Dit betekent dat allereerst wordt 
bezien of vrijwillige hulpverlening nog tot de mogelijkheden behoort. Pas 
daarna komen maatregelen in een meer gebonden kader aan de orde. De 
zwaarte van de maatregel neemt recht evenredig toe met beperking van 
vrijheden en bevoegdheden, al naar gelang de ernst van de situatie. Voor 
het jeugdstrafrecht geldt hetzelfde. Het justitieel optreden varieert van 
het politiestandje via alternatieve sanctie tot bijvoorbeeld vrijheidsbe– 
neming, afhankelijk van de ernst van het delict en de persoonlijkheid en 
omstandigheden van de jeugdige verdachte. 

Voor het tot gelding brengen van het recht behoeft Justitie de steun 
van de maatschappij in al haar geledingen. Het regeringsbeleid van 
maatschappelijke ontwikkeling door sociale vernieuwing en brede partici– 
patie schept daartoe een nieuw kader. Het recht moet en kan daarmee in 
de komende jaren weer meer complementair worden aan het zelfregule– 
rende vermogen van de maatschappij. Ook dit acht ik een vorm van 
preventie. In dit verband merk ik op dat de inzet van vrijwilligers in de 
jeugdbescherming van groot belang is, juist vanwege het scheppen van 
een breed maatschappelijk draagvlak. Een goed voorbeeld van vermaat– 
schappelijking in de jeugdbescherming is de pleegzorg. Indien uithuis– 
plaatsing van een jeugdige is geïndiceerd, geniet plaatsing in een pleeg– 
gezin voorkeur, omdat daar de gezinssituatie het dichtst wordt benaderd. 

1.4 Opbouw van de nota 
In hoofdstuk 1 is de kern van de justitiële jeugdbescherming 
behandeld: het bieden van bescherming en hulp aan de jeugdige die, 
door welke oorzaken of omstandigheden dan ook, ernstig in zijn ontwik– 
keling wordt bedreigd. 

Om bescherming en hulp te kunnen bieden kent de jeugdbescherming 
een aantal maatregelen. Deze worden uitgesproken door de 
(kinder)rechter en, veelal onder diens verantwoordelijkheid, uitgevoerd 
door de instellingen voor voogdij en gezinsvoogdij en de (justitiële) 
jeugdinrichtingen. 

Aan het uitspreken en uitvoeren van maatregelen gaat onderzoek 
vooraf. Daarover gaan de hoofdstukken 2 en 3. 
De positie en de rol van de kinderrechter en van de uitvoerende 
organen komen in hoofdstuk 4 aan de orde. 
In hoofdstuk 5 worden de overige beleidsvoornemens aangekondigd. 
Volledig nieuw is hier de maatregel van hulp en steun. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 980, nrs. 1-2


3 Rapport van de Commissie Taak en 
Functie Raden voor de Kinderbescherming, 
Den Haag, Ministerie van Justitie, mei 1990. 
4 Rapport van de Commissie Taak en 
Functie Raden voor de Kinderbescherming, 
aanbeveling 1, p. 24. 

2. Verbreden van het draagvlak van beslissingen 
2.1 Inleiding 
Het is de taak van de raad voor de kinderbescherming om, als daar 
aanleiding toe bestaat, situaties te onderzoeken waarin minderjarigen 
opgroeien. Als de conclusie van het onderzoek luidt dat er sprake is van 
voor het kind ernstig bedreigende omstandigheden, is justitieel optreden 
geboden. De raad heeft hiertoe de mogelijkheid door een maatregel te 
verzoeken of een advies uit te brengen aan de rechter. De raad zal geen 
gebruik maken van zijn bevoegdheden indien betrokken verzorgers bereid 
en in staat zijn om op basis van vrijwillige hulpverlening een bevredi– 
gende oplossing te realiseren voor ondervonden of geconstateerde 
problemen. De raad dient er echter geen twijfel over te laten bestaan dat 
hij, wanneer op redelijke termijn geen bevredigende oplossing wordt 
gevonden, van zijn bevoegdheden gebruik zal maken. 

Uitgangspunt van het beleid is dat, als van overheidswege wordt 
opgetreden, dit gebeurt op basis van een deskundig onderzoek en dat bij 
de beoordeling van de situatie uiterste zorgvuldigheid wordt betracht. 

Deskundigheid en zorgvuldigheid zijn centrale begrippen in de analyse 
en aanbevelingen van de commissie Gijsbers3. De commissie is tot de 
conclusie gekomen dat het aantal geuite klachten geen aanleiding geeft 
om te spreken van structurele tekortkomingen bij de raden. De 
commissie Gijsbers legt «structureel» uit als tekortkomingen die bij 
uitstek kunnen worden toegeschreven aan de structuur van de raden en 
die door een andere organisatiestructuur zouden kunnen worden 
verholpen. 

Ik heb, met de commissies Gijsbers en Vliegenthart, geen reden om te 
twijfelen aan de integriteit en inzet van de medewerkers in de justitiële 
jeugdbescherming. De aanbevelingen van beide commissies met 
betrekking tot deskundigheid, zorgvuldigheid en rechtswaarborgen 
kunnen evenwel tot wenselijke verbeteringen van de taakuitvoering van 
de organen van jeugdbescherming leiden. 

De inzet van interne en externe deskundigen kan het draagvlak van te 
nemen beslissingen verbreden. Daar wordt in dit hoofdstuk nader op 
ingegaan. Meer duidelijkheid omtrent procedures en beslissingen, meer 
mogelijkheden om (voorlopige) beslissingen ter discussie te stellen, 
verbetering van de rechtspositie van kinderen en ouders en verbeterd 
toezicht beogen de zorgvuldigheid te vergroten. Dit wordt in hoofdstuk 3 
uitgewerkt. 

2.2 Interne deskundigen 
De aanbeveling van de commissie Gijsbers om interne deskundigen bij 
de raden aan te stellen neem ik over4. Het aanstellen van interne deskun– 
digen maakt het mogelijk om kinderbeschermingszaken ook vanuit 
andere invalshoeken dan die van de maatschappelijk werk-discipline te 
bezien Door consultatie, het verrichten van deelonderzoek, deskundig– 
heidsbevordering van de maatschappelijk werkers en toetsing van het in 
voorbereiding zijnde advies of verzoekschrift draagt de interne 
deskundige bij aan het verbreden van het draagvlak van beslissingen. 
Diens inbreng bij de diagnostiek acht ik ook van groot belang. 

De interne deskundigen dienen gedragswetenschappers te zijn die 
beschikken over ruime kennis, vaardigheden en praktische ervaring in het 
werken met kinderen. 

Bij de raad Arnhem is inmiddels een experiment gestart met een 
interne deskundige. Er is een pedagoog aangetrokken die via consultatie 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 980, nrs. 1-2 


5 Rapport van de Commissie Taak en 
Functie Raden voor de Kinderbeschertning, 
aanbeveling 3, p. 25. 

en deelname aan intervisiegroepen en werkbesprekingen vanuit zijn 
deskundigheid een bijdrage levert aan het door de maatschappelijk 
werker uit te voeren onderzoek. De verwachting is dat dit interdisciplinair 
bespreken van casuïstiek een verdieping van de deskundigheid van de 
raadsmedewerker tot gevolg zal hebben, dan wel aangeeft welke 
aspecten specifieke aandacht behoeven binnen een deskundigheidsbe– 
vorderend programma. Daarnaast zal naar verwachting interdisciplinaire 
bespreking de behandeling van concrete gevallen ten goede komen. 

Ook bij de raad Alkmaar is een experiment gaande: naast consultatie 
verricht de interne deskundige, een kinderpsycholoog, zelf psychologisch 
onderzoek in aanvulling op het onderzoek door de maatschappelijk 
werker. 

Naar aanleiding van de evaluatie van beide experimenten zal in overleg 
met de raden voor de kinderbescherming nadere besluitvorming plaats– 
vinden over het aanstellen van interne deskundigen bij de raden. 

2.3 Externe deskundigen 
Overeenkomstig de aanbeveüng van de commissie Gijsbers zal ik de 
mogelijkheden van de raden om een beroep te doen op onafhankelijke 
externe deskundigen bevorderen5. Dit beroep is noodzakelijk wanneer 
sprake is van een zodanig complexe problematiek dat consultatie van de 
interne deskundige(n) niet voldoende zekerheid biedt met betrekking tot 
de te stellen diagnose en derhalve het uit te brengen advies of verzoek– 
schrift. 

Ook nu reeds hebben de raden de mogelijkheid om een beroep te 
doen op externe deskundigen zoals medewerkers van psychiatrische 
en/of psychologische en/of pedagogische adviesbureaus. De beschik– 
baarheid van externe deskundigen is echter afhankelijk van de contacten 
die een raad heeft in de regio. Ik ben van mening dat iedere raad in 
voorkomende gevallen op ruimere schaal een beroep moet kunnen doen 
op gekwalificeerde externe deskundigen. Deze deskundigen dienen snel 
en zonodig bij voorrang te reageren wanneer een beroep op hen wordt 
gedaan. Hiertoe moeten afspraken worden gemaakt met de deskundigen 
die zich voor extern raadsonderzoek beschikbaar stellen. In het verleden 
is gepoogd om tot adequate afspraken te komen met deskundigen, 
hetgeen niet in voldoende mate is gelukt. Nagegaan moet worden op 
welke wijze verder aan de door mij uitgesproken intentie daadwerkelijk 
inhoud kan worden gegeven. Het ligt voor de hand om in dezen 
aansluiting te zoeken bij de regionale samenwerkingsverbanden en 
jeugdhulpadviesteams. Om de mogelijkheden, vooral voor kleine raden, 
te vergroten zal voor de beschikbaarheid van externe deskundigen over 
de arrondissementsgrenzen heen moeten worden gekeken. Kinderpsy– 
chiaters zijn evenwel schaars, het zal daarom extra moeilijk zijn deze in 
voldoende mate in te schakelen. 

Zowel met betrekking tot de interne deskundige als met betrekking tot 
de externe deskundige zullen criteria worden ontwikkeld om te kunnen 
bepalen wanneer zij dienen te worden ingeschakeld. Bovendien worden 
criteria ontwikkeld met betrekking tot de gevallen waarin een bepaalde 
deskundigheid moet worden ingeschakeld. 

Overigens dient met betrekking tot de inzage in en afgifte van 
rapportage van externe deskundigen op dezelfde zorgvuldige wijze als 
met raadsbescheiden te worden gehandeld. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 980, nrs. 1-2 


6 Rapporl van de Commissie Taak en 
Functie Raden voor de Kinderbescherming, 
aanbeveling 2, p. 25. 
7 Onder «allochtonen» wordt hier verstaan 
minderjarigen van wie tenminste éèn der 
ouders buiten Nederland is geboren. 

2.4 Functietraining en deskundigheidsbevordering 
Met de commissie Gijsbers ben ik van mening dat de activiteiten op 
het terrein van deskundigheidsbevordering en functietraining van de 
raadsmedewerkers moeten worden geïntensiveerd6, enerzijds door het 
bevorderen van gerichte cursussen die door alle betrokken raadsmede– 
werkers worden gevolgd en anderzijds door middel van uitbreiding van 
de bestaande mogelijkheden voor meer individueel gerichte na– en 
bijscholing. Het budget voor deskundigheidsbevordering en functie– 
training zal hiertoe worden verhoogd. Gerichte deskundigheidsbevor– 
dering waartoe door de Coördinatiecommissie Vorming en Opleiding een 
gezamenlijke commissie van de raden voor de kinderbescherming en 
het ministerie van Justitie - wordt geadviseerd, geniet prioriteit. 

Naast het aanstellen van interne deskundigen acht ik het van belang 
het aantal disciplines op uitvoerend niveau te vergroten. Dit betekent dat 
de mogelijkheid ontstaat om vanuit andere disciplines dan die van het 
maatschappelijk werk onderzoek te verrichten. Hierbij kan bijvoorbeeld 
worden gedacht aan medewerkers met een opleiding Hoger Beroeps 
Onderwijs-Jeugdwelzijn (HBO-J), vooral gericht op het werken met het 
jonge kind. HBO-J'ers hebben reeds op beperkte schaal hun intrede 
gedaan binnen de raden. Voorts vindt met het Nederlands Instituut voor 
Zorg en Welzijn (NIZW) overleg plaats over de mogelijkheid om binnen 
de HBO-opleiding maatschappelijk werk een richting te ontwikkelen die 
beter aansluit op de praktijk van de justitiële jeugdbescherming. De 
ontwikkeling van een dergelijke studierichting is van belang nu de 
opleiding HBO-J wordt beëindigd. 

Om de functie die wordt bekleed bij de raad te onderstrepen en aan te 
duiden dat niet langer sprake is van mono-disciplinair onderzoek, zal in 
het vervolg worden gesproken van raadsonderzoeker in plaats van 
maatschappelijk werker. 

2.5 Deskundigheid in relatie tot etnische minderheden 
Vooralsnog behoren onevenredig veel allochtonen tot de cliënten van 
de justitiële jeugdbescherming (zie figuur 2)7. Ik acht specifiek beleid ten 
aanzien van hen dan ook noodzakelijk. Dit beleid moet zijn gericht op 
drie aspecten, te weten deskundigheidsbevordering, de inschakeling van 
allochtone werkers en specifieke projecten gericht op werkontwikkeling 
en beleidsvernieuwing. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 980, nrs. 1-2 


Figuur 2: Aantal 0— 18-jarigen onder voogdij en OTS (per 31/12) verbijzonderd naar 
allochtonen en totaal in de jaren 1982-1989 (bron: ministerie van Justitie) 

X1000 

20 

10 

jaar 

I I I I I I I I 

82 83 84 85 86 87 88 89 

Lj autochtonen 

• allochtonen 
Om de kwaliteit van de werkuitvoering ten aanzien van allochtonen te 
waarborgen blijft het noodzakelijk om extra aandacht te besteden aan 
deskundigheidsbevordering. Naast gerichte scholing van raadsmede– 
werkers is daarvoor de mogelijkheid van consultatie van deskundigen en 
het ontwikkelen van methodieken van belang. Bij de bespreking van het 
«Plan van aanpak deskundigheidsbevordering jeugdige minderheden», 
van de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (WVC) en mij, 
heeft de Tweede Kamer ingestemd met een aantal maatregelen, 
waaronder de oprichting van een landelijk ondersteuningspunt deskun– 
digheidsbevordering jeugdige minderheden. Momenteel wordt de opzet 
van dit ondersteuningspunt, dat ook ten behoeve van Justitie zal werken, 
nader uitgewerkt. 

Voorts wordt in het kader van het genoemde plan van aanpak een 
maatregel uitgewerkt om de instroom van allochtone werkers te bevor– 
deren. Hiertoe wordt een project opgezet waarin opleidingsplaatsen 
worden aangeboden aan allochtonen. 

Naast deskundigheidsbevordering en instroom van allochtone werkers 
zijn, zowel bij instellingen voor voogdij en gezinsvoogdij als bij de justi– 
tiële jeugdinrichtingen, specifieke projecten nodig, gericht op een op de 
doelgroep toegesneden hulpverleningsaanbod. Met name Marokkaanse 
jongeren die met de justitiële jeugdbescherming in aanraking komen 
vormen een bijzondere doelgroep. In een aantal gemeenten met concen– 
traties allochtonen lopen dergelijke projecten. Daarnaast heb ik het 
voornemen om bij wijze van experiment binnen een algemene justitiële 
voorziening in Amsterdam 16 plaatsen te creëren voor residentiële 
behandeling van Marokkaanse jongeren. 

Het huidige beleid en de aanzetten tot beleidsvernieuwing in acht 
nemende is nader onderzoek, zoals door de commissie Gijsbers is aanbe– 
volen, naar mijn oordeel vooralsnog niet nodig. Wel deel ik de veront– 
rusting van de commissie over het grote aantal allochtone jongeren in de 
justitiële jeugdbescherming. De zorg voor allochtonen in de justitiële 
jeugdbescherming heeft dan ook nadrukkelijk mijn aandacht. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 980, nrs. 1-2


8 Rapport van de Commissie Taak en 
Functie Raden voor de Kinderbescherming, 

p. 4-6. 
9 «Rechtzetten», p. 40. 
Actiepunten hoofdstuk 2 

- Aanstellen van gedragswetenschappelijke deskundigen bij de raden 
ten behoeve van verdieping van de diagnostiek, verbreding van de 
besluitvorming en deskundigheidsbevordering van de raadsonderzoekers. 
- Bevorderen van ruimere beschikbaarheid van externe deskundigen 
op wie de raden tijdig en bij voorrang een beroep kunnen doen. 
- Aanstellen van werkers uit andere disciplines dan maatschappelijk 
werk op uitvoerend niveau. 
- Uitbreiding van deskundigheidsbevordering en functietraining voor 
alle raadsmedewerkers. 
- Meer mogelijkheden voor individuele na– en bijscholing van raads– 
medewerkers. 
- Specifiek allochtonenbeleid, gericht op deskundigheidsbevordering, 
inschakeling van allochtone medewerkers en op de totstandkoming van 
bijzondere projecten, ambulant en residentieel. 
3. Rechtswaarborgen 
3.1 Inleiding 
De commissie Gijsbers acht de ontwikkeling van de (rechts)positie van 
ouders en kinderen en het einde van de verzuiling factoren die van grote 
invloed zijn geweest op wat onder «het belang van het kind» dient te 
worden verstaan8. Terecht stelt de commissie de vraag welke maatstaven 
er moeten worden aarigelegd om opvoedingssituaties te beoordelen in 
een samenleving met een pluriform normen– en waardenpatroon. Uit 
kritiek van belangengroeperingen van ouders blijkt dat men niet altijd 
zonder meer de invulling van de raad of rechter van «het belang van het 
kind» accepteert, vooral wanneer gehanteerde normen niet expliciet zijn. 
De behoefte om beslissingen ter discussie te stellen is als gevolg hiervan 
wellicht toegenomen. De commissie Vliegenthart stelt met betrekking tot 
de eis van rechtmatigheid en de eisen van behoorlijkheid waaraan 
overheidsoptreden dient te voldoen9, terecht dat justitieel optreden in dit 
opzicht voor verbetering vatbaar is. 

Beide commissies hebben waardevolle aanbevelingen gedaan, gericht 
op het waarborgen en vergroten van de zorgvuldigheid van onderzoek en 
besluitvorming: meer «checks and balances». Op enkele aspecten 
daarvan zal ik nader ingaan. 

Meer in het algemeen merk ik op, dat de wetgeving op het terrein van 
het personen– en familierecht zodanig moet zijn ingericht, dat zij niet 
onnodig het ontstaan van conflicten tussen ouders onderling of tussen 
ouders en kind bevordert. Dit heeft zijn gevolgen bijvoorbeeld voor het 
ouderlijk gezag in geval van scheiding. Indien gezamenlijke uitoefening 
van het ouderlijk gezag niet mogelijk is, zal de andere ouder wel 
zodanige bevoegdheden dienen te hebben dat zijn ouderschap daarmee 
wordt bevestigd. In deze redenering past ook recente wetgeving 
waardoor het omgangsrecht slechts op stringente gronden aan een 
ouder kan worden ontzegd, en wellicht voorts dat een ouder die na 
scheiding alleen het gezag heeft, over de belangrijkste beslissingen 
inzake het kind de mening van de ander vraagt (zelf of via derden). Te 
denken valt daarbij bijvoorbeeld aan de schoolkeuze. Maar ook zal ik 
onderzoeken of en hoe nog op andere wijze dan door adequate regel– 
geving kan worden voorkomen dat echtscheidingen onnodig conflictueus 
worden afgewikkeld. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 980, nrs. 1-2 


10 Rapport van de Commissie Taak en 

Functie Raden voor de Kinderbescherming, 
aanbeveling 10, p. 34. 

11 «Rechtzetten». 

12 Rapport van de Commissie Taak en 

Functie Raden voor de Kinderbescherming, 
aanbeveling 11, p. 34 
13 «Rechtzetten», p.47-48. 
14 Rapport van de Commissie Taak en 
Functie Raden voor de Kinderbescherming, 
aanbeveling 12, p. 35. 
" «Rechtzetten», p. 42-43. 

3.2 Grotere duidelijkheid omtrent procedures en beslissingen 
Ik zal systematisch aandacht schenken aan de verbetering van zowel 
publieksvoorlichting als voorlichting aan direct-betrokkenen over de 
functie, procedures en taken van de raad voor de kinderbescherming10 en 
van de instellingen voor voogdij en gezinsvoogdij'1. Voorlichting is een 
belangrijk instrument om (pleeg)ouders en kinderen duidelijkheid te 
verschaffen over de bedoeling van de contacten met de jeugdbe– 
scherming en de mogelijke juridische implicaties ervan. Het vertrouwen 
in de justitiële jeugdbescherming kan hierdoor worden vergroot. 

In concrete, vaak moeilijke, situaties hebben de raadsonderzoekers 
veelal onvoldoende tijd om adequate voorlichting te geven aan direct– 
betrokkenen. De in de afgelopen jaren doorgevoerde bezuinigingen 
spelen hierbij een belangrijke rol. Ik heb derhalve besloten om met het 
oog op een ruimere beschikbaarheid van de raadsonderzoeker voor 
individuele voorlichting, de voorüchting als activiteit in de berekening van 
de caseload-normering van de raadsonderzoeker op te nemen. Daarnaast 
is een begin gemaakt met de herziening en verbetering van het 
bestaande foldermateriaal. In 1991 worden alle folders herzien. Voorts 
wordt gewerkt aan een nieuwe serie die specifiek is geschreven voor 
minderjarigen vanaf 10 jaar. Al het materiaal wordt in meer talen uitge– 
bracht en krijgt een brede verspreiding. Voor allochtonen en autochtonen 
worden videofilms ontwikkeld waarin wordt uitgelegd waarom de Neder– 
landse overheid soms ingrijpt in gezinslevens en hoe ondertoezicht– 
stelling verloopt. 

Het toezenden van een afschrift van het verzoekschrift binnen een 
redelijke termijn voor de zitting zal in het vervolg regel zijn12. Verder zal 
actie worden ondernomen om het beeld te veranderen als zouden raad 
en rechter onvoldoende onafhankelijk opereren. Naast het tijdig 
toezenden van het verzoekschrift noemt de commissie Vliegenthart een 
aantal andere aspecten die hiertoe kunnen bijdragen13. 

Het rapport waarin de uitgangspunten met betrekking tot de werkwijze 
van de raad staan beschreven (het Normen-ll rapport), wordt in een 
vlotter leesbare versie uitgebracht. Deze handleiding voor de raadsonder– 
zoeker krijgt een vaste plaats in de functietraining. De hoofdlijnen van 
het Normen-ll rapport worden opgenomen in het Organisatiebesluit 
raden voor de kinderbescherming 1982. 

Voorts wordt per afzonderlijke vorm van onderzoek voor betrokkenen 
een verkorte versie van het Normen-ll rapport vervaardigd waarin 
nauwkeurig zal staan omschreven welke rechten en plichten men heeft 
bij het onderzoek14. Daarin zal bijvoorbeeld duidelijk tot uitdrukking 
komen volgens welk «stappenplan» het onderzoek plaatsvindt en welke 
mogelijkheden van beklag er zijn. 

Tenslotte zullen richtlijnen worden ontwikkeld voor de totstandkoming, 
de inhoud en de vormgeving van de rapporten van de raden en de 
verslagen van de instellingen die ten behoeve van de rechtspleging 
worden opgesteld15. 

Met betrekking tot de aanpassing van het Organisatiebesluit merk ik 
overigens op dat de voorstellen van de commissie Vliegenthart, vervat in 
aanbeveling 11, mij aanspreken, met uitzondering van die omtrent artikel 
27, lid 3 onder b, van de Wet op de jeugdhulpverlening. Ik zie niet in 
waarom de raad voor de kinderbescherming geen plaatsingstaak zou 
behoren te hebben als het gaat om een zogenoemde «onderzoeks– 
plaatsing». Voor overdracht van de taak die de raden in het kader van 
een voorlopige toevertrouwing hebben aan de instellingen voor voogdij 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 980, nrs. 1-2 


zie ik evenmin een goede reden. In de praktijk wordt deze taak naar 
behoren uitgeoefend en is van bezwaren niet gebleken. 

Omtrent de gedachten die de commissie Vliegenthart inzake 
wetsvoorstel 20 695 (facultatief horen van de raad voor de kinderbe– 
scherming) ontvouwt, wacht ik nadere beschouwingen van de vaste 
commissie voor justitie af. De verhouding tussen raadsbeleid en 
rechterswerk is volgens het wetsvoorstel dat de raad alleen dan advies 
uitbrengt, indien hij dit in het belang van het kind nodig acht, of indien 
de rechter om dezelfde reden daarom verzoekt. Vanzelfsprekend zal ook 
volgens bedoeld wetsvoorstel bij maatregelzaken de raad als regel wèl 
adviseren. 

3.3 Tegenonderzoek 
In hoofdstuk 2 gaf ik een aantal maatregelen aan, waardoor deskundig 
en zorgvuldig onderzoek door of vanwege de raad nog meer kan worden 
gewaarborgd. Ik verwacht hiervan dat de behoefte van ouders aan een 
eigen deskundige in de fase van het raadsonderzoek evenredig zal 
afnemen, maar zal ook dit aspect nauwlettend volgen. 

Desalniettemin bepleiten zowel de commissie Gijsbers als de 
commissie Vliegenhart versterking van de mogelijkheden voor ouders 
van tegenonderzoek ook in de fase van behandeling van de zaak door de 
rechter. Ik wijs op het volgende. 

De ouders en de procureur hebben in de procedure de mogelijkheid 
hun kant van de zaak te belichten. Indien de rechter ondanks hun 
uitdrukkelijk verzoek geen tegenonderzoek beveelt, acht hij zich derhalve 
voldoende voorgelicht om te beslissen wat het belang van het kind in 
concreto eist. De beslissing omtrent de vraag of in het belang van de 
minderjarige tegenonderzoek wenselijk is (commissie Vliegenthart) heeft 
de rechter daarmee tevens genomen. 

Afhankelijkheid van partijen van het beleid van de rechter is inherent 
aan de rechtspraak, juist waar het diens eigen oordeelsvorming betreft. 
Dat geldt ook voor andere burgerrechtelijke procedures. Waar (ook) op 
verzoeken als deze door de rechter met redenen omkleed moet worden 
beslist, en een hogere rechter eventueel de zaak (inclusief het gewei– 
gerde tegenonderzoek) nog eens op haar merites kan bezien, zie ik geen 
reden een wetswijziging te bevorderen waardoor verzoeken om tegenon– 
derzoek in de regel voor inwilliging vatbaar worden. 

3.4 Meer rechtswaarborgen met betrekking tot (voorlopige) beslissingen 
Voorlopige ondertoezichtstelling 

De beslissing tot voorlopige ondertoezichtstelling kan thans zonder 
verhoor van de ouders (en het kind) worden genomen. Hoger beroep 
daartegen is niet mogelijk. Doordat het gerechtelijk onderzoek nog niet is 
afgerond, kan de voorlopige ondertoezichtstelling geruime tijd (soms wel 
een jaar) duren. Deze situatie kan bezwaarlijk in overeenstemming met 
de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de 
Mens (EVRM) worden geacht. 

Wijziging van de wetgeving wordt dan ook voorbereid. Zo zal het 
slechts inlichten van de ouders achteraf omtrent de getroffen maatregel 
alleen in voor het kind extreem bedreigende situaties mogelijk zijn. In het 
wetsvoorstel zal de voorlopige ondertoezichtstelling aan een tijdsduur 
van ten hoogste zes maanden worden gebonden. De maatregel vervalt 
indien de rechter niet binnen die termijn een definitieve beslissing heeft 
genomen. 

Ik sta ook positief tegenover de opneming in artikel 257 van Boek 1 
van het Burgerlijk Wetboek (BW) van een inhoudelijk criterium, waaraan 
de beschikking van de rechter dient te voldoen. De in artikel 241, tweede 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 980, nrs. 1-2


16 «Rechtzetten», p. 46. 

" Rapport van de Commissie Taak en 
Functie Raden voor de Kinderbescherming, 
aanbeveling 5, p 26-29 

lid, Boek 1 BW genoemde grond («indien dit ter voorkoming van de 

zedelijke of lichamelijke ondergang van de minderjarige dringend en 

onverwijld noodzakelijk is») acht ik voor de voorlopige ondertoezicht– 

stelling passender dan die welke de commissie Vliegenthart aanbeveelt. 

Waarborgen tegen het voortduren van andere voorlopige maatregelen 

De aanbeveling van de commissie Vliegenthart om van de zes-weken 
termijn bij de «officierstoevertrouwing», bedoeld in art. 241, tweede en 
derde lid, Boek 1 BW een vervaltermijn te maken, neem ik over16. 

Aangezien herroeping door de rechtbank van de schorsing van een 
ouder in de uitoefening van de ouderlijke macht of de voogdij gedurende 
het geding tot ontheffing of ontzetting, mogelijk is vóórdat bedoelde 
eindbeslissing is genomen (artt. 271, lid 5, en 331, lid 3 Boek 1 BW) 
acht ik de door de commissie Vliegenthart voorgestelde mogelijkheid van 
hoger beroep tegen de beslissing tot schorsing niet nodig. 

De mogelijkheid tot schorsing van een ouder in de uitoefening van de 
ouderlijke macht gedurende het scheidmgsgeding - waarvan, gelukkig, 
slechts zelden gebruik behoeft te worden gemaakt - kan worden gehand– 
haafd. De veel verder gaande maatregel van ontheffing of ontzetting 
gedurende het scheidingsgeding, die de commissie Vliegenthart in plaats 
daarvan aanbeveelt, ligt niet voor de hand. In leder geval niet wegens 
mogelijke verwarring met de beschikkingen bedoeld in de artt. 825b, 
onder b en 827k, onder b, Rv, waarbij het kind voor de duur van de 
scheidingsprocedure aan de zorg van één der ouders wordt toever– 
trouwd. 

Hulpverlening aan weggelopen minderjarigen 

De commissies Gijsbers en Vliegenthart behandelen met betrekking tot 
de wegloopproblematiek zowel de taak en werkwijze van de raad in het 
kader van art. 280 Sr, als de financieringsregeling van hulpverlening aan 
weglopers17. Beide commissies pleiten voor aanvullende rechtswaar– 
borgen met betrekking tot een zorgvuldige hulpverlening en waarborgen 
om te voorkomen dat ouders onnodig lang in onzekerheid verkeren 
omtrent de verblijfplaats van hun kind. 

Ook de termijn gedurende welke vrijwillige hulpverlening kan worden 
gefinancierd bij weigering door de ouders om een ouderbijdrage te 
betalen heeft problemen opgeleverd. De termijn van zes weken bleek in 
de praktijk te kort te zijn om de raad een onderzoek te laten verrichten 
naar de noodzaak van het treffen van een maatregel. Dientengevolge 
was de raad soms genoodzaakt de rechter te vragen een ondertoezicht– 
stelling uit te spreken om de (financiering van de) hulpverlening te garan– 
deren, de zogenaamde financiële ondertoezichtstelling. Het tijdelijk 
besluit Bekostiging jeugdhulpverlening (Stb. 1990, 564) is inmiddels 
zodanig aangepast, dat gedurende een periode van tenminste drie 
maanden hulpverlening zal worden gesubsidieerd indien (en nadat) de 
raad de zaak in onderzoek heeft genomen. Gedurende die periode is een 
ouder die met die hulpverlening niet kan instemmen, niet tot een finan– 
ciële bijdrage verplicht. Een binnenkort bij de Tweede Kamer in te dienen 
wetsvoorstel omtrent de bijdragen terzake van jeugdhulpverlening, zal 
een uniforme regeling bevatten voor de bijdrage in de vrijwillige en de 
justitiële jeugdhulpverlening. Mede omdat daarbij in het geval van onder– 
toezichtstelling geen uitzondering op de bijdrageplicht zal worden 
voorgesteld, zal een ouder er geen belang meer bij kunnen hebben op 
financiële gronden bezwaar te hebben tegen niet-justitiële hulpverlening. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 980, nrs. 1-2 


1B Prof.mr. J de Ruiter: «Een vat vol tegen– 
strijdigheden», oratie, Utrecht, oktober 

Er zal nog worden nagegaan in hoeverre alle voorkomende problemen 
hiermee zijn opgelost. Zonodig zal ik met de Ministers van WVC en van 
Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SoZaWe) in overleg treden over de 
vraag op welke wijze eventueel resterende problemen zijn op te lossen. 

Zowel de commissie Gijsbers als de commissie Vliegenthart bepleiten 
met het oog op de onzekere positie van ouders (en minderjarigen) extra 
waarborgen voor een zorgvuldige hulpverlening, en waarborgen om te 
voorkomen dat de ouders van een weggelopen minderjarige in 
onzekerheid verkeren. Ik bezie of en hoe een nadere omschrijving van 
«zorgvuldige hulpverlening» in dezen een oplossing kan bieden, dan wel 
of hiertoe andere wegen moeten worden bewandeld. Daarnaast 
overweeg ik de mogelijkheid van toetsing door de raad van de noodzaak 
tot hulpverlening. Daarbij is de vaststelling door de raad dat hulpver– 
lening geschiedt door een erkende instelling weliswaar een belangrijke, 
maar wellicht niet in alle gevallen een doorslaggevende reden voor de 
raad om niet tot eigen actie te besluiten. 

Dat de melding aan de ouders van het feit dat hulp wordt verleend zo 
spoedig mogelijk dient plaats te vinden, is voor mij uitgangspunt, juist 
vanwege de machteloosheid die ouders ervaren als hun kind wegloopt en 
omdat het kind, naar zij het beleven, «verdwijnt» in de hulpverlening. Ook 
overigens spreken de voorstellen van de beide commissies - bijvoorbeeld 
die omtrent de taak van de raad volgens de Pleegkinderenwet - mij aan. 

Eigen rechtsingang van het kind 

Dit onderwerp komt eerst en vooral aan de orde in de notitie «Rechts– 
positie van minderjarigen» (Kamerstukken II, vergaderjaar 1989-1990, 
21 309, nrs. 1-4). In de beantwoording van de vragen opperde ik forma– 
lisering van de mogelijkheid van inschakeling van een bijzondere curator 
op de voet van artikel 250 Boek 1 BW, óók in het geval de belangente– 
genstelling tussen ouders of voogd en kind niet het beheer van diens 
geld en goed, maar immateriële aangelegenheden betreft. 

Prof. mr. J. de Ruiter doet de suggestie de informele rechtsingang die 
sinds kort bij het omgangsrecht bestaat uit te breiden tot andere 
terreinen van het personen– en familierecht18. Hij denkt daarbij aan die 
situaties waarbij de rechter reeds een (gezags)beslissing of een 
maatregel van justitiële jeugdbescherming heeft getroffen. 

Mijn beleidsvoornemens zijn gericht op versterking van het klachtrecht 
van jeugdigen. Verwacht mag worden dat daardoor als regel meningsver– 
schillen met de jeugdige tot een oplossing kunnen worden gebracht. Een 
kenmerkend verschil tussen de situatie van een maatregel en het 
omgangsrecht is overigens dat in het laatste geval geen klachtrecht 
bestaat. Het verdient de voorkeur de ervaringen met de informele rechts– 
ingang bij het omgangsrecht eerst te bezien, ook al omdat daardoor een 
indruk kan worden verkregen omtrent de beheersbaarheid van dit 
instituut, mede uit een oogpunt van werklast van de rechter en advise– 
rende instanties als de raad voor de kinderbescherming en voorts 
eventuele kosten in verband met rechtshulp. Omtrent die ervaringen zal 
ik voor de zomer van 1992 aan de Tweede Kamer verslag doen. Ook 
neem ik in aanmerking dat in situaties waarin toepassing van het klacht– 
recht niet tot een oplossing heeft geleid, de raad voor de kinderbe– 
scherming het op zijn weg kan vinden een beslissing van de rechter uit te 
lokken. 

3.5 Toezicht, klachtbehandeling en inspectie 
Inleiding 

Gezien de ingrijpende gevolgen die een maatregel van justitiële jeugd– 
bescherming heeft voor ouders en kinderen heeft de overheid een 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 980, nrs. 1-2 


nadrukkelijke verantwoordelijkheid voor de kwaliteit en zorgvuldigheid 
van de uitvoering van de wettelijke taken. De verantwoordelijkheid voor 
het toezicht op het functioneren en de kwaliteit van de instellingen voor 
voogdij en gezinsvoogdij en de justitiële inrichtingen is in de Wet op de 
jeugdhulpverlening aan de Minister van Justitie opgedragen. Meer in het 
algemeen kan deze verantwoordelijkheid op verschillende wijzen gestalte 
krijgen. 

In de eerste plaats is er het rechtstreekse toezicht vanuit het depar– 
tement. Dit is gericht op doelmatige en rechtmatige besteding van 
gemeenschapsgelden, alsmede op het bevorderen van een kwalitatief 
goede uitvoering. 

Vervolgens is er de taak van de kinderrechter. In de huidige situatie 
geeft de kinderrechter leiding aan de uitvoering van de ondertoezicht– 
stelling; daarmee is hij voor alle betrokkenen aanspreekbaar. Met het 
wijzigen van de rol van de kinderrechter (hoofdstuk 4.2) zal deze vooral 
een rol krijgen in de beslechting van conflicten. 

Tenslotte zijn er de mogelijkheden tot klachtbehandeling en de 
inspectie. Op beide zal ik hieronder nader ingaan. Het spreekt vanzelf dat 
er bij de verdere uitwerking van de verschillende onderdelen op zal 
worden gelet dat de verschillende taken en functies goed op elkaar 
aansluiten. 

Klachtbehandeling 

Zoals bovenvermeld zie ik klachtbehandeling als één van de vormen 
van toezicht op de uitvoering van beleid en de bejegening van betrok– 
kenen. 

Met betrekking tot de raden is klachtbehandeling sinds 1 februari 1990 
sterk verbeterd. Ten eerste is de reikwijdte van de klachtenregeling 
vergroot. Naast de mogelijkheid om te klagen over het optreden van een 
medewerker van het bureau van de raad, bestaat er nu ook de 
mogelijkheid om te klagen over de wijze waarop door die medewerker is 
vormgegeven aan het beleid van de raad in de betreffende aangele– 
genheid. 

In de tweede plaats is de onafhankelijkheid van de klachtencommissie 
gewaarborgd door de bepaling dat de leden van de commissies geen 
deel mogen uitmaken van een raad voor de kinderbescherming. 

Tenslotte is het hanteren van het criterium van de termijn waarop een 
klacht behoort te worden ingediend versoepeld. Hierdoor zijn ook 
diegenen die niet lopende het raadsonderzoek al klagen, uit angst dat 
hun zaak daardoor negatief wordt beïnvloed, in de gelegenheid om 
daarna een klacht in te dienen. 

In de jeugdhulpverlening en justitiële jeugdbescherming bestaan thans 
verschillende klachtregelingen (rijksinrichtingen, particuliere inrichtingen, 
instellingen voor voogdij en gezinsvoogdij, jeugdhulpverlening en raden). 
In overleg met de Minister van WVC worden, voor zover het opstellen 
van procedures voor klachtbehandeling aan de voorzieningen is overge– 
laten, criteria ontwikkeld waaraan hun klachtenreglementen in ieder 
geval dienen te voldoen. Daarbij bieden de criteria die de commissie 
Vliegenthart heeft geformuleerd een goed aanknopingspunt. 

Mijn uitgangspunt is dat de regelingen van de procedures voor klacht– 
behandeling alleen daar verschillen zullen mogen vertonen waar dat 
gerechtvaardigd is. Dat geldt in het bijzonder voor de vraag wie op klach– 
tenprocedures een beroep kunnen doen. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 980, nrs. 1-2


Inspectie 

~a öu. • D '• ^—;

«Recht in Bewegmg», Den Haagseptember 1990

Een belangrijk instrument van toezicht kan een aparte - zelfstandige inspectie 
zijn. Zowel de commissie Gijsbers als de commissie 
Vliegenthart hebben hiervoor aandacht gevraagd. 

Het komt de Minister van WVC en mij voor dat een dergelijke inspectie 
vooral een taak zou kunnen hebben bij de toetsing aan kwaliteitsnormen 
bij de uitvoering van het beleid in concrete gevallen, zonder dat zulks 
overigens het doen van aanbevelingen van meer algemene strekking 
uitsluit. Dit vereist wel dat een dergelijke interdepartementale inspectie, 
in afwijking van de huidige inspectie Jeugdhulpverlening, een aan deze 
opdracht aangepaste taakomschrijving, organisatorische vormgeving en 
toerusting krijgt. Uiteraard zal ook deze inspectie functioneren onder de 
uiteindelijke politieke verantwoordelijkheid van de bewindslieden van 
WVC en Justitie waar het de onder de Wet op de jeugdhulpverlening 
vallende niet-justitiële voorzieningen betreft, en de verantwoordelijkheid 
van de Minister van Justitie waar het de justitiële organisaties onder de 
wet betreft 

De eerder geldende bezwaren om, naast de kinderrechter, bij het 
toezicht op het functioneren van de instellingen voor voogdij en gezins– 
voogdij, ook een interdepartementale inspectie een rol te geven, komen 
in het licht van de in hoofdstuk 4.2 te beschrijven voorstellen over de 
aanpassing van de taak van de kinderrechter te vervalien. 

Wat betreft de commissies van toezicht bij de rijksinrichtingen ben ik 
van mening dat niet alleen aan hun functie als klachtencommissie, maar 
ook aan hun, dicht bij de dagelijkse praktijk staande, toezichthoudende 
en signalerende functie zoals bepaald in de artikelen 36 en volgende van 
het Besluit regels inrichtingen van justitiële kinderbescherming behoefte 
blijft bestaan. Dit vanwege het specifieke karakter van de justitiële jeugd– 
inrichtingen. Hun taak wordt niet door een verder afstaande inspectie 
overbodig gemaakt. Ik acht, mede in het kader van harmonisatie van 
klachtenregelingen, instelling van dergelijke commissies ook bij de parti– 
culiere justitiële inrichtingen wenselijk. 

Ik zal met de Minister van WVC nader overleg voeren om te komen tot 
een nieuwe interdepartementale inspectie en over de noodzakelijke wijzi– 
gingen in regelgeving en organisatorische aanpassingen. 

3.6 Maatschappelijke betrokkenheid 
Betrokkenheid van de burger is één van de pijlers van het beleid van 
de bewindslieden van Justitie in de komende jaren19. In het inleidende 
hoofdstuk is al opgemerkt dat de justitiële jeugdbescherming de steun 
behoeft van de maatschappij in al haar geledingen teneinde haar functie 
en taken optimaal tot gelding te brengen. Daartoe dient de jeugdbe– 
scherming duidelijk te zijn over haar functie en taken èn open te staan 
voor kritiek en advies uit de werkomgeving. Er is, naast het al eerder 
genoemde vrijwilligersbeleid, een aantal andere mogelijkheden om 
maatschappelijke participatie vorm te geven. 

In het Rijksplan Jeugdhulpverlening 1991 wordt het voornemen van de 
Minister van WVC en mij verwoord om medezeggenschap van burgers in 
de justitiële jeugdbescherming en jeugdhulpverlening te bevorderen. In 
dit plan is tevens aangekondigd dat cliëntenorganisaties zullen worden 
gestimuleerd. Naar onze mening betekent het kritisch volgen van beleid 
en praktijk een prikkel tot kwaliteitsverbetering. De Minister van WVC en 
ik bezien tevens in hoeverre de Wet op de jeugdhulpverlening regels 
dient te geven inzake de medezeggenschap van cliënten in de jeugdhulp– 
verlening. Daarbii moet eerst en vooral aan het instituut cliëntenraad 

, , 
worden gedacht. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 980, nrs. 1-2


Jaarlijkse ontmoetingsdag 

Ik acht het van evident belang om meer aandacht te besteden aan de 
positie van ouders en kinderen in de justitiéle jeugdbescherming. Ik 
realiseer mij dat ingrijpen in het ouderlijk gezag voor zowel ouders als 
kinderen een diepgaande en schokkende ervaring kan zijn. Ik vind het 
dan ook zinvol dat ouders en kinderen regelmatig de gelegenheid krijgen 
om zich te uiten over hun ervaringen met de jeugdbescherming. Het 
contact met ouders en kinderen biedt mij en mijn ambtenaren de 
mogelijkheid van nabij te volgen wat met betrekking tot de justitiële 
jeugdbescherming in de samenleving leeft. Om vorm te geven aan het 
structurele contact zal ik een ontmoetingsdag met ouders en kinderen 
organiseren, bij voorkeur jaarlijks op een vaste plaats en dag te houden. 

Actiepunten hoofdstuk 3 

Meer duidelijkheid omtrent procedures en beslissingen 

- Verbeterde publieksvoorlichting. 
- Verbeterde voorlichting aan direct betrokkenen in een raadson– 
derzoek. 
- Automatische toezending van het verzoekschrift aan de ouder/ 
voogd. 
- Herschrijven en populariseren van de handleiding met uitgangs– 
punten die gelden voor een raadsonderzoek. 
- Richtlijnen voor rapportage van raad en instellingen voor voogdij en 
gezinsvoogdij. 
Meer rechtswaarborgen met betrekking tot (voorlopige) beslissingen 

- Toetsing van verzoekschrift of advies in de besluitvormingsfase door 
de interne deskundige. 
- Voorlopige maatregelen worden aan een termijn gebonden. 
- Toetsing van de noodzaak tot hulpverlening aan weggelopen minder– 
jarigen door de raad. Bezien of nadere omschrijving van «zorgvuldige 
hulpverlening» mogelijk is, dan wel of andere wegen moeten worden 
bewandeld. 
Toezicht, klachtbehandeling en inspectie 

- Door een onafhankelijke inspectie en verbeterd toezicht. 
- Met de Minister van WVC zal nader overleg worden gevoerd over de 
mogelijkheden van een nieuwe interdepartementale inspectie en over de 
noodzakelijke wijzigingen in regelgeving en organisatorische aanpas– 
singen. 
- Door onafhankelijke klachtbehandeling. 
- Beklagregelingen worden voor zover mogelijk geharmoniseerd, 
waartoe zoveel mogelijk uniforme criteria zullen worden opgesteld. 
Maatschappelijke participatie 

- Stimuleren van cliëntenorganisaties en cliëntenraden bij instellingen 
en inrichtingen. 
- Aandacht voor ouders en kinderen in de jeugdbescherming door een 
jaarlijks te organiseren ontmoetingsdag. 
4. Positie van de kinderrechter en de instellingen 
4.1 Inleiding 
In de twee voorgaande hoofdstukken heb ik mij vooral bepaald tot de 
fase van onderzoek. Deskundigheid en zorgvuldigheid, omkleed met 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 980, nrs. 1-2


20 «Rechtzetten», p. 49-51. 

21 Brucken-Fock, E.P. von: in: Justitiële 
Verkenningen, 1990, nr. 2, p. 67-100. 
22 Thomassen, W.M.E., De onpartijdigheid 

van de kinderrechter, in: Trema, 12e 
jaargang nr. 6/7, 1989, p 210-212 

rechtswaarborgen, waren sleutelbegrippen, die uiteraard ook gelden voor 
de fasen van het uitspreken van kinderbeschermingsmaatregelen en 
uitvoering daarvan. In de huidige situatie spreekt de rechter maatregelen 
uit. De voogdij-instellingen zijn belast met de verantwoordelijkheid voor 
de opvoeding van kinderen die onder voogdij staan. Onder verantwoor– 
delijkheid van de kinderrechter zijn de instellingen voor gezinsvoogdij 
belast met de uitvoering van de maatregel van ondertoezichtstelling. 
Daarbij zijn de instellingen mede aangewezen op het hulpaanbod van 
pleegzorg en van de voorzieningen voor hulpverlening, waaronder 
residentiële voorzieningen onder beheer van de Minister van WVC en de 
justitiële jeugdinrichtingen (4.5). 

De betrokkenheid van de kinderrechter bij de uitvoering van de 
maatregel van ondertoezichtstelling staat reeds lang ter discussie. Reeds 
in 1979 kwam de toenmalige Minister van Justitie met een concept– 
wetsvoorstel waarin werd voorgesteld om het uitspreken van een 
maatregel te scheiden van de verantwoordelijkheid voor de uitvoering. 
Destijds leidde dit niet tot wetgeving. Ik heb voldoende redenen om 
opnieuw te komen met voorstellen die een wijziging inhouden van de 
positie en rol van de kinderrechter, waardoor rechtspraak en verantwoor– 
delijkheid voor de uitvoering van de rechterlijke beslissing zullen worden 
gescheiden (4.2). Ook de commissie Vliegenthart beveelt een dergelijke 
wetswijziging aan20. Deze wijziging heeft ook consequenties voor de 
gezinsvoogdij-instellingen (4.4). 

4.2 De positie en rol van de kinderrechter 
Gezins voogdij 

In 1922 werd de ondertoezichtstelling als maatregel van kinderbe– 
scherming ingevoerd. Destijds bestond er nog geen uitgebreid netwerk 
van voorzieningen voor jeugdhulpverlening. De kinderrechter werd de 
aangewezen persoon om leiding te geven aan de uitvoering van de 
ondertoezichtstelling. De uitvoering zelf geschiedde door gezinsvoogden, 
vooral vrijwilligers. 

Onder invloed van de professionalisering van de hulpverlening is er 
sindsdien veel veranderd, waardoor de constructie uit de jaren twintig, 
ook voor kinderrechters, geen vanzelfsprekende zaak meer is. Thans 
worden aan de geprofessionaliseerde instellingen voor gezinsvoogdij 
zodanige kwaliteitseisen gesteld dat een deskundige en zorgvuldige 
uitvoering is gewaarborgd. Er is dan ook geen goede reden meer om 
deze instellingen een verdergaande verantwoordelijkheid voor de 
uitvoering van een maatregel te onthouden. In het geval van voogdij is de 
instelling voor voogdij verantwoordelijk voor de uitvoering en oefent deze 
zelfstandig het gezag over de jeugdige uit. Waar het (bijna) altijd instel– 
lingen voor voogdij én gezinsvoogdij betreft, valt niet in te zien waarom 
zij wel voldoende gekwalificeerd zouden zijn de voogdij uit te oefenen, 
maar niet om de uitvoering van de ondertoezichtstelling te verzorgen. 

Voorts is het samengaan van een rechtsprekende en een uitvoerende 
functie in de gerechtelijke organisatie slecht te verenigen met het 
uitgangspunt van rechterlijke onpartijdigheid. Dit heeft in toenemende 
mate tot kritiek geleid. 

In conflictsituaties ervaren ouders en kinderen de kinderrechter en de 
gezinsvoogd soms als één partij, tegenover welke men zich machteloos 
voelt. De mogelijkheid van hoger beroep doet daaraan niet af. In het licht 
van het EVRM is gewezen op de noodzaak van rechtspositionele 
waarborgen met betrekking tot de ondertoezichtstelling en de rol van de 
kinderrechter daarin21. Het scheiden van de rechtsprekende en uitvoe– 
rende functie doet recht aan art. 6 EVRM22. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 980, nrs. 1-2 


" Voorontwerp van wet betreffende 
herziening van de maatregel van ondertoe– 
zichtstelling (gezinsvoogdij). (Voorontwerp 
van wet 1979, art. 254, lid 1) 
Indien een kind zodanig opgroeit, dat voor 
zijn zedelijke of geestelijke belangen of voor 
zijn gezondheid ernstig gevaar is te 
duchten, en andere middelen of voorzie– 
ningen ter afwending van dit gevaar hebben 
gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen, 
kan de kinderrechter ten behoeve van het 
kind in een gezinsvoogdij voorzien 

Ik bereid een wetsvoorstel voor waarin de beslissing over het 
uitspreken van een ondertoezichtstelling wordt gescheiden van de 
verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de maatregel. De verant– 
woordelijkheid voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling wordt 
overgedragen aan de instellingen voor gezinsvoogdij. 

Scheiding van verantwoordelijkheden voor beslissing en uitvoering 
schept een kritische distantie bij de kinderrechter, die het beter mogelijk 
maakt om een onafhankelijk oordeel te vellen in conflictsituaties. 
Bovendien kan een meer onafhankelijke kinderrechter door conflictbe– 
middeling onnodige escalatie voorkomen. 

Voorshands ben ik niet overtuigd van de noodzaak om de wettelijke 
grond waarop een ondertoezichtstelling kan worden uitgesproken - het 
zodanig opgroeien van een kind, dat het met zedelijke of lichamelijke 
ondergang wordt bedreigd - nader te omschrijven. De grond is nodig 
gelet op de grote variëteit van problematische situaties waarvoor de 
maatregel een oplossing wil zijn. lets anders is of deze grond aanpassing 
zou behoeven; zie ook het eerder genoemde voorontwerp van wet uit 
197923. Verheldering van de ingreep in het gezag via de ondertoezicht– 
stelling naar de ouders dient in de eerste plaats te geschieden door de 
instantie die de maatregel uitlokt: de raad dient meer dan thans in zijn 
verzoekschrift inzichtelijk te maken waarom de ondertoezichtstelling 
geboden is. Voorts ligt hier - ook deze beschikking moet immers volgens 
de wet met redenen zijn omkleed - een taak voor de rechter. 

De suggestie om de maatregel te vervangen door twee voorzieningen: 
de ondertoezichtstelling sec en die gepaard gaande met uithuisplaatsing 
(«OTS-plus») spreekt mij niet aan; uithuisplaatsing is in beginsel een 
mogelijke vorm van uitvoering van de maatregel. Mij staat voor ogen dat 
uithuisplaatsing niet meer ambtshalve door de kinderrechter zal 
geschieden, maar door de gezinsvoogd(ij-instelling). De rechter beslist in 
de nieuwe opzet alleen over de uithuisplaatsing indien de meningen van 
de betrokkenen over de (aard van de) uithuisplaatsing verschillen (autori– 
satie). Voorts indien het plaatsing in een gesloten justitiële jeugdin– 
richting - immers vrijheidsbeneming - betreft en dus rechterlijke autori– 
satie eveneens nodig is. Overigens vormen de aanbevelingen van de 
commissies Vliegenthart omtrent de gezinsvoogdij en de rol van de 
kinderrechter in deze ook naar mijn mening goede aanknopingspunten 
voor de te herziene wetgeving. 

Het moge duidelijk zijn dat de aangekondigde veranderingen ingrijpend 
zijn. Zij vergen zorgvuldig overleg met betrokkenen over de nadere 
uitwerking en wijziging van wettelijke regelingen. 

Meervoudige kamer 

Tenslotte zal ik bevorderen dat zaken door de kinderrechter kunnen 
worden verwezen naar de meervoudige familiekamer van de rechtbank. 
Dit is van belang indien sprake is van zware, complexe problematiek, die 
het wenselijk maakt dat de kinderrechter zijn verantwoordelijkheden met 
mederechters kan delen. 

4.3 De instellingen 
De instellingen voor voogdij en gezinsvoogdij zijn belast met de 
uitvoering van maatregelen van kinderbescherming. Het is hun verant– 
woordelijkheid dat opvoeding en verzorging van de kinderen gestalte 
krijgen. 

In geval van voogdij wordt deze verantwoordelijkheid geheel gedragen 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 980, nrs. 1-2 


door de instelling, in geval van gezinsvoogdij wordt zij gedeeld met de 

ouders. 

Het gestalte geven aan opvoeding en verzorging, op de kwalitatief 
verantwoorde wijze die van «beroepsopvoeders» mag worden gevraagd, 
gebeurt waar mogelijk in overleg met de ouders. Dit laatste is in het 
bijzonder het geval bij de ondertoezichtstelling, maar mag ook bij 
voogdijzaken niet uit het oog worden verloren; ik doel daarbij op het 
beproeven in daartoe geëigende gevallen van de mogelijkheid van herstel 
in het ouderlijk gezag. Overigens zal in vrijwel alle gevallen tenminste 
enige maar veelal intensieve aandacht moeten worden gegeven aan het 
onderhouden en het herstellen van de relatie tussen het kind en zijn 
ouders. Uiteraard worden, indien de noodzaak tot hulpverlening daartoe 
aanleiding geeft, voorzieningen van jeugdhulpverlening ingeschakeld. 

Gezien de omvattende en nog groeiende opdracht voor de instellingen, 
moeten zij toegerust zijn met voldoende deskundigheid en menskracht. 
Omdat mij signalen bereiken die erop wijzen dat deze toerusting nog niet 
voldoende is, wil ik de komende jaren hierin verbetering brengen. Daarbij 
denk ik zowel aan het bevorderen van de aanstelling van stafmede– 
werkers uit relevante gedragswetenschappelijke disciplines, als aan 
verbreding van de opleidingscategorieën waaruit voogden en gezins– 
voogden worden gerecruteerd. De werkbelasting zal naar betere 
proporties kunnen worden gebracht door het verbeteren van het inzicht 
in het «bedrijfsproces» van de instellingen. Voor dat laatste is de ontwik– 
keling van het Gezinsvoogdij Informatie Systeem (GIS) ter hand 
genomen. In dat verband moet ook de financiering van het werk meer 
genuanceerd plaatsvinden: door uit te gaan van meer en minder tijd 
vragende taken. De registratie van beleids– en werkgegevens zal in dat 
verband duidelijk gestalte krijgen. 

Voorts is mijn beleid gericht op een aantal verbeteringen in organisatie 
en structuur van het geheel van instellingen. Zo is de omvang van de 
instellingen zeer divers: er zijn heel grote en heel kleine instellingen. De 
gemiddelde omvang bedraagt echter nog geen 12 voogden/gezins– 
voogden. Ik acht schaalvergroting dan ook een noodzakelijke voorwaarde 
om de benodigde kwaliteit van het werk te garanderen en waar mogelijk 
de efficiency te vergroten. In september 1990 is voor het initiëren van 
het proces van schaalvergroting een stuurgroep ingesteld waarin verte– 
genwoordigers van de instellingen en van het departement participeren. 
Hierbij zal aansluiting worden gezocht bij het proces van schaalver– 
groting dat voor de voorzieningen van jeugdhulpverlening wordt voorge– 
staan. 

Tenslotte zal het nodig zijn de beloningsstructuur opnieuw te bezien. 
Uitgangspunt is dat dit belangrijke en verantwoordelijke werk, teneinde 
de continuïteit ook op langere termijn te garanderen, passend dient te 
worden gehonoreerd. 

4.4 Pleegzorg 
Aan de Raad van State is een wetsvoorstel voorgelegd waarin de 
gezinsvoogdij-instellingen worden aangemerkt als voorzieningen voor 
pleegzorg. De pleegzorg neemt een belangrijke plaats in het hulpverle– 
ningsaanbod van de justitiële jeugdbescherming in. Indien er sprake is 
van uithuisplaatsing van een jeugdige, wordt plaatsing in een pleeggezin 
als eerste overwogen. Een dergelijke plaatsing is wenselijk, omdat die de 
gezinssituatie het dichtst benadert. 

De laatste jaren is gebleken dat plaatsing in pleeggezinnen niet altijd 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 980, nrs. 1-2


succesvol verloopt. Inmiddels is een tripartite werkgroep Pleegzorg 

ingesteld (rijk, lagere overheden en particulier initiatief). Rond de 
jaarwisseling komt deze commissie met een eerste rapport waarin 
voorstellen zullen worden gepresenteerd om de kwaliteit en toerusting 
van de voorzieningen voor pleegzorg te verbeteren. Daarnaast is dit jaar, 

met steun van WVC en Justitie, het STAP-project van start gegaan, 

gericht op een betere voorbereiding en begeleiding van pleegouders 

De therapeutische gezinsverpleging (TGV) is de afgelopen jaren door 
Justitie gestimuleerd en financieel ondersteund. Om in de toenemende 
vraag naar deze intensieve, jeugdpsychiatrische behandelvorm van 
pleegzorg te kunnen voorzien, wordt het aantal plaatsen uitgebreid. 
Tevens wordt een experiment gestart om de ervaring en de deskun– 
digheid van de TGV in te zetten ten behoeve van hulp aan gezinnen die 
problemen ondervinden bij de opvoeding van buitenlandse geadopteerde 
kinderen. Naar verwachting kan de TGV voorzien in een leemte in het 
aanbod van hulp aan deze gezinnen. De beleidsontwikkeling met 
betrekking tot de TGV's wordt waar nodig nader afgestemd op de 
ontwikkelingen in de pleegzorg in het algemeen. 

4.5 Residentiële voorzieningen 
Veel jeugdigen op wie een maatregel van justitiële kinderbescherming 
van toepassing is, zijn aangewezen op plaatsing en verzorging in een 
residentiële voorziening. Gezien de bijzondere verantwoordelijkheid van 
de overheid voor de uitvoering van maatregelen die door de rechter zijn 
uitgesproken, is het van belang dat voldoende, geschikte plaatsen 
beschikbaar zijn. In de Wet op de jeugdhulpverlening (art. 24) is met 
betrekkmg tot de niet-justitiële voorzieningen geregeld dat justitiepu– 
pillen daarin bij voorrang kunnen worden geplaatst. Dit geldt zowel voor 
de regionale voorzieningen, die vanaf 1992 onder de beleidsverantwoor– 
delijkheid van de provincies vallen, als voor de landelijke voorzieningen, 
die tot de verantwoordelijkheid van het rijk blijven behoren. 

Thans wordt onderzocht hoe via een Centraal Meldingspunt (CMP) het 
functioneren van de voorrangsregeling kan worden bevorderd. Er wordt 
een werkconferentie gehouden over het CMP. Binnenkort verwacht ik 
naar aanleiding daarvan een voorstel. Wanneer het advies positief is kan 
het CMP in het eerste kwartaal van 1991 starten. 

In de justitiële inrichtingen, die aile een landelijk werkingsgebied 
hebben en onder mijn directe verantwoordelijkheid vallen, worden 
uitsluitend justitiepupillen opgenomen. Justitie dient met het oog op de 
geloofwaardigheid van het rechtshandhavingssysteem zorg te dragen 
voor voldoende capaciteit van goede kwaliteit voor de tenuitvoerlegging 
van rechterlijke beslissingen. In de nota «Recht in beweging» is reeds 
aangekondigd dat het aantal plaatsen in de justitiële jeugdinrichtingen 
ingevolge JR– 120 met 100 zal worden uitgebreid. Hierdoor zal hun totale 
capaciteit, met inbegrip van de reeds eerder geplande uitbreiding, tot 
1994 met 167 plaatsen toenemen, van 712 naar 879 plaatsen. De 
kwaliteit van de zorg in de justitiële jeugdinrichtingen heeft onver– 
minderd mijn aandacht. De geslotenheid of beslotenheid van de insti– 
tuten en het (vrijheidsbenemend) kader van de plaatsing kunnen een 
verhoogde kwetsbaarheid voor de verhoudingen binnen de inrichting met 
zich brengen. Ik acht een goede rechtspositieregeling voor de 
opgenomen jeugdige, een goede klachtenregeling én een adequaat 
toezicht (zie hoofdstuk 3.5) daarom van groot belang. Daarnaast zal ik 
nagaan of instrumenten die binnen de gezondheidszorg in ontwikkeling 
zijn, zoals intercollegiale of interinstitutionele toetsing, ook binnen de 
sector van de justitiële jeugdinrichtingen toepasbaar zijn. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 980, nrs. 1-2


Tenslotte zij vermeld dat er een beleidskader voor de justitiële jeugdin– 
richtingen wordt ontwikkeld. Doel hiervan is het aanbrengen van een 
betere ordening tussen deze inrichtingen, mede gelet op de voorge– 
nomen uitbreidingen en bestemmingswijzigingen, alsmede hun 
afstemming ten opzichte van de niet-justitiële residentiële voorzieningen. 
In het najaar van 1991 wordt daarover een notitie aan de Tweede Kamer 
gepresenteerd. 

Actiepunten hoofdstuk 4 

Verandering van de positie en rol van de kinderrechter 

- De rechtsprekende en uitvoerende functies van de kinderrechter in 
geval van ondertoezichtstelling worden gescheiden. 
- De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van een ondertoezicht– 
stelling wordt overgedragen aan de gezinsvoogdij-instellingen. 
- De kinderrechter krijgt met betrekking tot de uitvoering van een 
maatregel een toetsende en conflictbeslechtende rol. 
- Er komt een mogelijkheid voor de kinderrechter om complexe zaken 
te verwijzen naar de meervoudige familiekamer van de rechtbank. 
De instellingen 

- Het management van de instellingen wordt beter toegerust. 
- Ten behoeve van een efficiënter bedrijfsvoering zal schaalvergroting 
worden bevorderd. 
- Er wordt een nieuw subsidiesysteem ingevoerd. 
- De toerusting en kwaliteit van de voorzieningen voor pleegzorg 
wordt verbeterd. 
- Het aantal plaatsen in de therapeutische gezinsverpleging wordt 
uitgebreid. 
- Er wordt een experiment gestart met therapeutische gezinsver– 
pleging voor te adopteren buitenlandse kinderen. 
Justitiële jeugdinrichtingen 

- Het aantal plaatsen in de inrichtingen wordt met 167 uitgebreid. 
- In het najaar van 1991 wordt een beleidskader voor de justitiële 
jeugdinrichtingen gepresenteerd. 
- Mogelijkheden tot intercollegiale of interinstitutionele toetsing in de 
justitiële jeugdinrichtingen worden nagegaan. 
5. Overige beleidsvoornemens 
5.1 Een nieuwe maatregel van hulp en steun 
Aanleiding 

Er zijn situaties waarbij jongeren in ernstige mate worden bedreigd 
met zedelijke of lichamelijke ondergang. Te denken valt aan jeugdigen 
die een zwervend bestaan leiden, verslaafd raken aan alcohol, drugs of 
gokken of die in de prostitutie belanden. Het betreft vooral oudere 
minderjarigen, die zich reeds vergaand van het ouderlijk gezag hebben 
losgemaakt. In zodanige gevallen is thans de ondertoezichtstelling de 
maatregel die in aanmerking komt. Gelet op de wettelijke taken van de 
gezinsvoogd - «persoonlijke aanraking zoeken niet alleen met het kind, 
maar ook met het gezin waartoe het behoort» - laat zich de vraag stellen 
of deze maatregel wel het geëigende kader is. Zulks geldt te meer indien 
bevordering of herstel van de band met het ouderiijk gezin geen reëel na 
te streven doel meer kan zijn, juist omdat de jongere zich van het 
ouderlijk gezag heeft losgemaakt en de ouders tegen die zelfstandigheid 
als zodanig geen bezwaren hebben. Daar komt bij dat de andere 
component van de ondertoezichtstelling - het geven van aanwijzingen 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 980, nrs. 1-2


aan de ouders bij de verzorging en opvoeding - in deze situaties evenmin 
een realiteit is. 

Eerst en vooral komt het dan aan op aandacht voor en hulpverlening 
aan de jeugdige zelf. Het vervolgtraject van de ondertoezichtstelling, de 
gedwongen ontheffing van de ouders van het gezag op de voet van 
artikel 268, tweede lid onder a, Boek 1 BW ligt niet voor de hand, vooral 
omdat dit een ingreep in het gezag zou betekenen, terwijl dat gezag in 
feite niet meer functioneert. Bovendien wordt die ingreep door ouders 
juist in die omstandigheden ook minder of in het geheel niet begrepen. 
De praktijk laat zien, dat de ondertoezichtstelling in die gevallen vaak 
wordt opgeheven wegens gebrek aan positieve effecten. 

Door de vrijwillige hulpverlening wordt reeds veel gedaan om de 
bedoelde jeugdigen passende hulp te bieden. Zo is in de grote steden, 
waar zwerfjongeren vooral hun toevlucht zoeken, een aantal initiatieven 
genomen betreffende hulp en opvang. Maar ook langs de weg van de 
vrijwillige hulpverlening worden niet alle bedreigde jongeren bereikt. 

De vraag laat zich dan ook stellen of de introductie van een civielrech– 
telijke maatregel, die primair of uitsluitend op de jeugdige is gericht, 
aanbeveling verdient. 

Zonder de illusie te hebben dat er een sluitende oplossing voor dit 
probleem te vinden is, onderzoek ik de mogelijkheden van een nieuwe 
maatregel van jeugdbescherming die speciaal op deze jeugdigen is 
toegesneden waarbij ik denk aan een maatregel van hulp en steun aan de 
jeugdige. 

De maatregel van hulp en steun 

In het navolgende wordt de maatregel in grote lijnen beschreven. Een 
en ander kan pas gedetailleerd worden uitgewerkt nadat hierover 
discussie heeft plaatsgevonden en gebleken is dat de maatregel een 
begaanbare weg is. Het overleg met de Minister van WVC over de 
nieuwe maatregel zal worden voortgezet. Relevante buitenlandse 
ervaringen bij de uitwerking zullen daarbij eveneens worden betrokken. 

In geval van een bedreigende situatie voor de jeugdige zou de raad 
voor de kinderbescherming kunnen worden ingeschakeld door de 
ouders/voogd, door derden of door de jeugdige zelf. De raad dient 
zonodig een onderzoek in te stellen, waarvan het resultaat kan zijn, dat 
hij de kinderrechter om de maatregel van hulp en steun verzoekt. 

De kinderrechter kan tot de maatregel van hulp en steun besluiten 
indien er in ernstige mate sprake is van bedreiging met zedelijke of licha– 
melijke ondergang en aannemelijk is gemaakt dat de jeugdige het 
ouderlijk gezag zodanig is ontgroeid en dit ook niet meer functioneert dat 
ondertoezichtstelling en de aanwijzing van een gezinsvoogd nog zinvol 
zijn. 

De kinderrechter benoemt tevens een persoon die belast wordt met de 
uitvoering van de maatregel. Daarbij kan worden gedacht aan een 
medewerker van een instelling voor gezinsvoogdij, omdat deze personen 
gewoon zijn te werken in het kader van gebonden hulpverlening. Ander– 
zijds zou de jeugdige ook zelf een persoon kunnen voordragen die met 
de hulp en steun wordt belast. In dit laatste geval mag immers op 
voorhand een basis voor samenwerking tussen de jongere en de hulp– en 
steunverlener worden verwacht. Bij de instellingen voor gezinsvoogdij 
moeten de werkers methodieken ontwikkelen voor de nieuwe doelgroep 
en met een aangepaste aanpak vertrouwd raken. 

Degene die met de hulp en steun is belast dient eerst en vooral met de 
jongere in contact te komen. Met de jeugdige wordt nagegaan wat er 
moet en kan gebeuren om zijn leefsituatie te verbeteren en de bedreiging 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 980, nrs. 1-2


24 Circulaire Jeugdreclassering, Minister van 
Justitie, nr 19.240 JR 90, 5 juni 1990. 
25 Laan, P.H. van der, en A.A.M. Essers: «De 

kwartaalcursus en recidive. Een onderzoek 
naar de effecten van het experiment 

Kwartaalcursus», Gouda, Quint, 1990. 

van zedelijke of lichamelijke ondergang af te wenden. Daartoe kan zoveel 
mogelijk gebruik worden gemaakt van bestaande voorzieningen in de 
samenleving. Hoewel de jeugdige in eerste instantie op zijn eigen verant– 
woordelijkheid zal worden aangesproken, zou de hulpverlener toch ook 
bindende aanwijzingen kunnen geven op diverse gebieden, zoals de 
woon– en gezondheidssituatie. Tevens dient hij behulpzaam te zijn bij de 
nakoming daarvan. 

Intussen zal de methodiekontwikkeling en deskundigheidsbevordering 
bij de gezinsvoogdij-instellingen ter hand worden genomen. Nagegaan 
zal worden of het zinvol - en mogelijk - is eerst op experimentele basis 
ervaring met deze nieuwe maatregel op te doen. 

5.2 Jeugdstrafrecht 
Jeugdreclasserlng 

Jeugdreclassering is het geheel van activiteiten, gericht op een 
adequaat aanbod van hulp en begeleiding aan minderjarigen die met 
politie/justitie in aanraking zijn gekomen. Ook voorlichting en advies aan 
de betrokken justitiële instanties vallen hieronder. Jeugdreclassering is 
gericht op het voorkomen dan wel het terugdringen van een criminele 
carrière. 

Om te komen tot goede afstemming en afspraken en om op die 
deelterreinen van jeugdreclassering waaraan nog geen adequate invulling 
is gegeven alsnog daartoe te komen, heb ik de betrokken insteilingen 
verzocht met elkaar in overleg te treden24. Vooralsnog wordt daarin 
uitgegaan van de wettelijk opgedragen taken aan de raden voor de 
kinderbescherming, instellingen voor voogdij en gezinsvoogdij en reclas– 
sering. 

Inmiddels wordt een aantal projecten op het terrein van jeugdreclas– 
sering uitgevoerd. Vijf projecten worden geëvalueerd door het Weten– 
schappelijk Onderzoek– en Documentatiecentrum van het departement 
van Justitie (WODC). Op grond van de resultaten van deze evaluaties zal 
ik beoordelen welke vorm van jeugdreclassering het meest doeltreffend 
is. 

Voor jeugdigen in opvanginrichtingen die niet onder toezicht zijn 
gesteld en die niet zullen doorstromen naar een behandelinrichting 
ontbreekt thans een passende vorm van reclasseringsbegeleiding. In 
oktober 1990 is een experiment in 't Nieuwe Lloyd, een justitiële opvang– 
inrichting, gestart teneinde een vorm van begeleiding te ontwikkelen die 
in deze lacune voorziet. Ook dit project wordt door het WODC 
geëvalueerd. 

Alternatieve sancties 

Het pedagogisch karakter van een straf of maatregel komt vooral tot 
uitdrukking in de uitvoering ervan. Dit geldt bij uitstek voor de alterna– 
tieve sancties. Mede vanwege het meer pedagogische karakter wordt de 
alternatieve sanctie in een aantal gevallen zinvoller geacht dan de tradi– 
tionele boete of vrijheidsstraf. Uit WODC-onderzoek blijkt namelijk dat 
alternatief gestraften minder recidiveren dan traditioneel gestraften25. Ik 
hecht er aan om de beleidsontwikkeling van alternatieve sancties voor 
jeugdigen te plaatsen in het brede kader van strafrechtelijke rechtshand– 
having, waardoor tevens alternatieve sancties voor jeugdigen en volwas– 
senen in onderlinge samenhang kunnen worden ontwikkeld. Ik heb de 
Overleg– en adviescommissie alternatieve sancties (OCAS) verzocht te 
adviseren over de vraag welke andere alternatieve afdoenings– en uitvoe– 
ringsmogelijkheden toepasbaar zijn in de verschillende fasen van de 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 980, nrs. 1-2 


26 Kruissink, drs M. en drs C. Verwers: 

«Halt: een alternatieve aanpak van vanda– 

lisnie Eindrapport van een 

evaluatie-onderzoek naar Halt-projecten», 

Gouda, Quint, 1989. 
27 Wijziging van het Wetboek van Straf– 
recht, het Wetboek van Strafvordering en 
andere wetten in verband met de herziening 
van het strafrecht voor jeugdigen (Tweede 
Kamer, vergaderjaar 1989-1990, 21 327, nr 
1-2, artikel 77e). 
!a Van Dien, Van der Torn, Deloitte en 
Buningh: «Eindrapportage onderzoek finan– 
ciële taken Raden voor de Kinderbe– 
scherming, 1989, p 34-36. 

strafrechtelijke rechtshandhaving. Voor het uitzetten van verdergaande 
beleidslijnen wacht ik dit advies, dat eind 1990 wordt verwacht, af. 

Halt 

Ik acht het van groot belang dat, wanneer jeugdigen bepaaide rechts– 
normen overschrijden, er een snelle reactie volgt waarbij zij worden 
geconfronteerd met de consequenties van hun daden. De 
Halt-afdoening, gericht op herstel van schade, is een alternatief voor de 
gangbare justitiële reacties op vandalisme en is daarmee vooral in de 
plaats gekomen van het politiesepot. 

Door de snelle reactie op de normoverschrijding kan de 
Halt-afdoening, zo is uit onderzoek gebleken, een wezenlijk betere 
bijdrage leveren aan het verminderen van recidive dan een gangbare 
strafrechtelijke afdoening26. 

Ik heb besloten om de tijdelijke financiële bijdrageregeling - zoals deze 
sedert 1988 geldt - met ingang van 1991 te vervangen en op de 
begroting structureel een bedrag te reserveren bestemd voor 
Halt-bureaus, primair met het oog op Halt-afdoeningen. De 
Halt-procedure zal wettelijk worden vastgelegd. Zie het voorstel van wet 
inzake herziening jeugdstrafrecht27. 

5.3 Financiële taken van de raden voor de kinderbescherming 
Een werkgroep vanuit de raden heeft enkele jaren geleden een 
verkenning gedaan naar de mogelijkheid van harmonisatie van de nogal 
uiteenlopende regelingen onderhoudsverplichtingen. Een rapport met 
concrete voorstellen werd in 1988 naar de toenmalige Staatssecretaris 
van Justitie verzonden. Ruim een jaar later stelde het kamerlid Worrell 
voor om de financiële taken van de raden af te stoten naar de gemeente– 
lijke sociale diensten. De formatieruimte die daardoor zou vrijkomen zou 
voor de sociale afdelingen kunnen worden ingezet. Mijn ambtsvoor– 
gangster nam deze gedachten in beraad, hetgeen leidde tot het inscha– 
kelen van een organisatie-adviesbureau. In oktober 1989 concludeerde 
dit bureau onder andere dat het afstoten van financiële taken naar de 
gemeentelijke sociale diensten geen besparing oplevert voor de rijks– 
overheid28. Het bureau deed de aanbeveling om in eerste instantie te 
komen tot forfaitaire berekening en vaststelling van onderhoudsverplich– 
tingen en harmonisatie van de verschillende regelingen inzake onder– 
houdsverplichtingen. Op de lange termijn zou een Centraal Orgaan 
Onderhoudsverplichtingen plaats kunnen bieden aan een geïntegreerde 
uitvoering van alle wettelijke regelingen terzake van onderhoudsbijdragen 
voor minderjarigen en jong-meerderjarigen. De oprichting van een 
centraal orgaan vereist ingrijpende politieke besluitvorming en heeft zeer 
vergaande consequenties, onder andere voor de schaalgrootte van vooral 
de kleinere raden. Een dergelijke doelstelling zou volgens het bureau 
alleen stapsgewijs kunnen worden bereikt. 

In afwachting van nadere besluitvorming met betrekking tot het al dan 
niet tot stand brengen van een centraal orgaan, acht ik het wenselijk te 
komen tot een systeem waardoor kinderalimentaties kunnen worden 
berekend en vastgesteld op de wijze waarop dit thans krachtens het 
Besluit bijdragen jeugdhulpverlening (Stb. 1990, 167) geschiedt, en 
straks voor alle jeugdhulpverlening (vrijwillig en justitieel) zal geschieden. 
Daarbij zal, voor op de voet van die regeling vast te stellen netto– 
inkomens, een daarbij passende bijdrage verschuldigd zijn; vaststelling 
van de kinderalimentatie zal kunnen geschieden door de raden met een 
mogelijkheid van beroep op de rechter op nader uit te werken gronden. 
Hiertoe wordt een wetsvoorstel voorbereid waarbij als vermeld het 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 980, nrs. 1-2 


29 Rapport van de Commissie Taak en 
Functie Raden voor de Kinderbescherming, 
aanbeveling 9, p 31 33 
30 «Rechtzetten», p. 51. 

systeem van de wettelijke regeling van de ouderbijdragen voor jeugd– 
hulpverlening tot uitgangspunt wordt genomen. Behalve uniformiteit in 
de berekening van kinderalimentatie, betekent deze wijze van berekening 
en vaststelling door de raden verlichting van de werkdruk van de rechter– 
lijke macht. In het kader van de grote efficiency operatie worden thans 
de inningstaken van de raden opnieuw in studie genomen. 

5.4 De positie van de colleges van de raden voor de kinderbescherming 
Ik ben met de commissies Gijsbers en Vliegenthart van mening dat de 
inbreng van burgers, ter voorkoming van beroepsblindheid en ter stimu– 
lering van betrokkenheici vanuit de samenleving op lokaal niveau, van 
invloed op het raadswerk moet zijn. De commissie Gijsbers pleit voor 
aanscherping van de taak en functie van het college door dit «bestuur– 
lijke bevoegdheden» toe te kennen29. Het college zou in deze gedachte 
moeten dienen als tegenhanger van de secretaris/directeur. De 
commissie Vliegenthart wijst er evenwel terecht op dat een beleidsbepa– 
lende rol voor de colleges de ministeriële verantwoordelijkheid voor de 
taakuitvoering door de bureaus verhult. Tevens staat een beleidsbe– 
palend college de gewenste uniformiteit van uitvoering en de rechtsze– 
kerheid voor de burger in de weg30. Overigens acht de commissie 
Vliegenthart een aan iedere raad verbonden «adviesgroep» zinvol. Ik 
onderschrijf dit standpunt. Voorts acht ik, gelet op de taak van de 
directie Jeugdbescherming en Reclassering van het ministerie van 
Justitie dat door middel van het bureau sectormanager raden voor de 
kinderbescherming toezicht houdt op besteding van middelen en 
kwaliteit van uitvoering, een aanscherping als bedoeld door de 
commissie Gijsbers noch noodzakelijk, noch wenselijk. 

Ik heb besloten opheffing van de colleges van de raden te bevorderen 
en zal dan in plaats daarvan bij iedere raad een adviescommissie 
instellen. Deze commissies zullen de functie krijgen om maatschappelijke 
ontwikkelingen te signaleren die van belang zijn voor de taakuitoefening 
van de raad. Verder zouden dergelijke commissies kunnen adviseren over 
zaken als de positie van de raad in het functioneren van netwerken en 
samenwerkingsverbanden, de keuze van beleidsprioriteiten en de public 
relations. Het gaat dus niet om beheers– en managementvraagstukken, 
noch om bemoeienis met casuïstiek. 

Aan de praktische uitwerking zal in overleg met betrokkenen gestalte 
worden gegeven. 

5.5 Interlandelijke adoptie 
In juli 1989 is de Wet opneming buitenlandse pleegkinderen (Stb. 
1988, 566) in werking getreden. Deze wet regelt de procedure bij 
opneming ter adoptie van buitenlandse pleegkinderen. Uitgangspunt van 
de wet is dat alle mogelijkheden tot opvang in het land van herkomst van 
het kind moeten zijn uitgeput. Interlandelijke adoptie is - ook interna– 
tionaal gezien - een ultimum remedium. De ervaringen met de nieuwe 
wet zijn gunstig. Desondanks acht ik de volgende verbeteringen 
wenselijk. 

Ik zal systematisch aangeven welke de «bijzondere omstandigheden» 
kunnen zijn op grond waarvan ik kan afwijken van de wet. Zo zal ik 
bijvoorbeeld de bijzondere omstandigheden specificeren op grond 
waarvan kan worden afgeweken van de leeftijd van 42 jaar, waarboven in 
het algemeen geen beginseltoestemming wordt verleend. Maar ook de 
andere «bijzondere omstandigheden» in de wet komen aan bod. Op die 
manier kan de kans dat ouders tevergeefs hun hoop stellen op een te 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 980, nrs. 1-2 


adopteren buitenlands kind worden verkleind en wordt de regelgeving 
voor de burger beter voorspelbaar. 

Voorts is gebleken dat een aspirant-pleegouder die tijdens het 
indienen van het verzoek 44 jaar of ouder is, herziening van het besluit 
tot afwijzing van zijn verzoek kan vragen, terwijl de noodzakelijkheid van 
die afwijzing zonder meer volgt uit artikel 5, vijfde lid, van de wet. De 
wet verplicht echter wel tot een zodanige herzieningsmogelijkheid. Ik zal, 
mede naar aanleiding van een recent advies van het College van Advies 
voor de Justitiële Kinderbescherming, wijziging van het desbetreffende 
wetsartikel bevorderen. 

Actiepunten hoofdstuk 5 

- Ik overweeg een nieuwe burgerrechtelijke maatregel van justitiële 
jeugdbescherming: de maatregel van hulp en steun. 
- Jeugdreclassering wordt vooralsnog gezamenlijk vorm gegeven door 
de raden, instellingen en reclassering. 
- Alternatieve santies voor jeugdigen (en volwassenen) worden uitge– 
breid. 
- De tijdelijke financiële bijdrageregeling voor Halt wordt structureel. 
- Wat de financiële taken van de raden betreft, wordt een 
wetsvoorstel voorbereid om te komen tot fortaitaire berekening en 
vaststelling van de kinderalimentatie door de raden. 
- Het huidige college van de raad wordt opgeheven. In plaats daarvan 
wordt overwogen bij iedere raad een adviesorgaan in te stellen, dat 
primair inbreng van burgers in het beleid wil bevorderen. 
- De Wet opneming buitenlandse pleegkinderen wordt verduidelijkt en 
gewijzigd, waardoor deze wet voor de burger beter voorspelbaar wordt. 
Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 980, nrs. 1-2


6 Financiële en personele consequenties 

6.1 Financiële consequenties 
Financiële consequenties 

Beleidsvoornemens financ. bron 1991 1992 1993 1994 1995 

Bedragen x f 1 ,0 miljoen 
Hoofdstuk 2: 
Verbreden van het draagvlak van 
beslissingen 

- Extra deskundigheid raden/meer 
aandacht ouders 
- Allochtonenbeleid 
B'91/Her. 
Her. 
3,0 
2,0 
3,0 
2,0 
3,0 
2,0 
3,0 
2,0 
3,0 
2,0 
Hoofdstuk 3: 
Rechtswaarborgen 
- Klachtenbehandeling/inspectie Her. 1,0 1,0 1,0 1,0 1,0 
Hoofdstuk 4: 
Positie van de kinderrechter en de 
instellingen 
- Pleegzorg 
- Verbetering kwaliteit mstellmgen- Uitbreiding + experiment TGV 
- Capaciteit jeugdinrichtingen" 
Her. 
Her 
Her. 
Reg.Akk 
1,8 
1,0 
3,7 
1,0 
1,9 
1,0 
10,1 
1,0 
1,9 
1,0 
18,2 
1,0 
1,9 
1,0 
17,4 
1,0 
1,9 
1,0 
17,4 
Hoofdstuk 5 
Overige beleidsvoornemens 
- Hulp en steun 
- Jeugdreclassering 
- Alternatieve sancties 
minderjarigen 
- Halt 
Reg.Akk. 
Reg.Akk. 
Kosto/Her. 
pm 
2,0 
0,4 
4,5 
pm 
3,5 
0,8 
4,5 
pm 
4,5 
1,1 
4,5 
pm 
6,0 
1,5 
4,5 
pm 
6,0 
1.5 
4,5 
Totaal 19,4 28,8 38,2 39,3 39,3 
Bedragen x f 1,0 miljoen 

Het ligt in de bedoelmg voor zover mogelijk het beleid zoals aangegeven na 1991 verder 
te intensiveren. 

Daarbij zal voorrang worden gegeven aan Halt (oplopend tot f 6,5 miljoen in 1994, 
conform RIB) en Pleegzorg (oplopend totf 4,0 miljoen). 
Realisatie hiervan is afhankelijk van: 

- de begrotingsvoorbereiding 1992 
- een te verwachten meeropbrengst (tenminste f 1,0 miljoen) als gevolg van het 
wetsvoorstel harmonisatie eigen bijdrage jeugdhulpverlening 
- reallocatie justitiebegroting 
Toelichting op financieringsbron (fin. bron): 
B'91 =begroting 1991 
Her. =Herschikking 
Reg.Akk. =Regeer Akkoord 1989 
Kosto =Kosto-gelden 

" Betreft exploitatiekosten Justitie, exclusief huisvestingskosten VROM. 

6.2 Personele consequenties 
Personele consequenties 

Formatieplaatsen (in fulltime 1991 1992 1993 1994 1995 
equivalenten) 

Raden voor de kinderbescherming 38 38 38 38 38 
Inspectie P.M. P M. P.M. P.M. P.M. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 980, nrs. 1-2


Bijlage 1 Standpuntbepaling met betrekking tot de aanbevelingen van de 
commissie Taak en Functie Raden voor de Kinderbescherming 
(commissie Gijsbers) en de subcommissie Kinderbescherming 
(commissie Vliegenthart) 

Inleiding 

In de voorgaande hoofdstukken zijn de beleidsvoornemens met 
betrekking tot de justitiële jeugdbescherming in hoofdlijnen geschetst. In 
een aantal van deze voornemens is min of meer expliciet een reactie 
opgenomen op één van de aanbevelingen van de commissies Gijsbers 
en/of Vliegenthart. Terwille van de overzichtelijkheid zal ik in deze bijlage 
per aanbeveling mijn standpunt beknopt weergeven. 

De aanbevelingen van de commissie Gijsbers 

Aanbeveling 1 

De commissie beveelt aan om bij het raadswerk één of meer interne 
deskundigen te betrekken die: 

- kunnen worden geconsulteerd met betrekking tot het bepalen van 
het af te leggen onderzoekstraject. 
- kunnen worden geconsulteerd voorafgaand aan of tijdens het 
onderzoek. 
- een vaste plaats hebben in de besluitvormingsprocedure in zaken 
waarin wordt gerekestreerd of geadviseerd, waarbij met name wordt 
gedacht aan advisering in civielrechtelijke zaken. 
Ik ben bereid om interne deskundigen bij de raden aan te stellen. De 
interne deskundige wordt ingeschakeld ter consultatie, voor het 
verrichten van (deel)onderzoek, deskundigheidsbevordering van de 
maatschappelijk werkers en toetsing van het uit te brengen advies of 
verzoek aan de (kinder)rechter. Inmiddels zijn bij twee raden experi– 
menten gestart met een interne deskundige. 

Aanbeveling 2 

Deskundigheidsbevordering en functietraining voor de maatschappelijk 
werkers dienen, gezien de complexe zaken waarmee de raad te maken 
krijgt en de hoge zorgvuldigheidseis die aan het raadswerk wordt 
gesteld, nog meer aandacht te krijgen. 

De activiteiten op het terrein van deskundigheidsbevordering en 
functietraining worden geïntensiveerd. Hiertoe wordt het budget 
verhoogd. 

Om onderzoek vanuit andere disciplines dan die van de maatschap– 
pelijk werk-discipline mogelijk te maken, wordt het aantal disciplines op 
uitvoerend niveau vergroot. 

Om de functie die bij de raad wordt bekleed te onderstrepen en om 
aan te duiden dat niet langer sprake is van mono-disciplinair onderzoek, 
zal in het vervolg worden gesproken van raadsonderzoeker. 

Ten aanzien van allochtonen zal het beleid specifiek zijn gericht op 
deskundigheidsbevordering, werkontwikkeling en beleidsvernieuwing. 
Om het aanstellen van allochtone werkers te bevorderen zal een project 
worden opgezet waarin opleidmgspiaatsen worden aangeboden. 

Daarnaast worden bij wijze van experiment binnen een algemene justi– 

tiële voorziening in Amsterdam 16 plaatsen gecreëerd voor residentiële 

behandeling van Marokkaanse jongeren. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 980, nrs. 1-2


Aanbeveling 3 

Indien extern deskundigenonderzoek is geïndiceerd, dient de raad een 
beroep te kunnen doen op een team van externe deskundigen dat qua 
samenstelling en deskundigheid dient te voldoen aan de gestelde eisen. 
Een beroep waarop snel en zonodig bij voorrang wordt gereageerd met 
het verrichten van het verlangde onderzoek. 

Ik zal bevorderen dat de mogelijkheden voor de raden om een beroep 
te doen op onafhankelijke externe deskundigen worden vergroot. Om 
snel en zonodig bij voorrang te kunnen beschikken over externe deskun– 
digen zullen met hen hierover afspraken worden gemaakt. Zo veel 
mogelijk wordt hierbij aansluiting gezocht bij de regionale samenwer– 
kingsverbanden en jeugdhulpadviesteams. 

Zowel met betrekking tot de interne deskundige als met betrekking tot 
de externe deskundige zullen criteria worden ontwikkeld om te kunnen 
bepalen wanneer zij dienen te worden ingeschakeld. Bovendien worden 
criteria ontwikkeld met betrekking tot de gevallen waarin een bepaalde 
deskundigheid moet worden ingeschakeld. 

Aanbeveling 4 

Zowel met betrekking tot raadsonderzoek als extern onderzoek dient 
het recht van de cliënt op contra-expertise te worden vastgelegd. 

Ik verwijs naar het standpunt dat ik heb ingenomen ten opzichte van 
aanbeveling 5 van de commissie Vliegenthart. 

Aanbeveling 5 

De commissie meent dat de departementen van WVC en Justitie in 
onderling overleg een zodanige financieringsregeling dienen te treffen 
dat een goede hulpverlening in wegloopgevallen niet wordt belemmerd. 

Verlenging van de vrijwillige hulpverlening na de 30-dagen financiering 
dient mogelijk te worden wanneer de raad daartoe adviseert op grond 
van een beoordeling van de kwaliteit van de verstrekte hulp. 

In dit kader dient ook aandacht te worden gegeven aan de situatie dat 
een ouderbijdrage wordt verlangd van ouders die wellicht nog volledig in 
onzekerheid zijn over de toestand van hun weggelopen kind, althans er 
nog allerminst aan toe zijn dat instanties hun kind bij hen weghouden. 
Deze situatie werkt niet bevorderend voor het zoeken naar goede oplos– 
singen tussen ouder en kind. 

Ik verwijs inzake deze aanbeveling naar mijn standpunt ten opzichte 
van aanbeveling 3 van de commissie Vliegenthart. 

Aanbeveling 6 

De commissie beveelt aan de taken van de raad op strafrechtelijk 
gebied onder te brengen bij de nader vorm te geven jeugdreclassering. 

Ik heb de raden, instellingen voor gezinsvoogdij en reclassering 
verzocht om gezamenlijk vorm te geven aan jeugdreclassering. 
Vooralsnog ga ik bij de ontwikkeling van jeugdreclassering uit van de 
wettelijk opgedragen taken aan de betrokken instellingen. Momenteel 
worden in de meeste arrondissementen projecten op het terrein van 
jeugdreclassering uitgevoerd. Een aantal projecten wordt geëvalueerd 
door het WODC. Op grond van de resultaten van deze evaluaties zal ik 
beoordelen welke vorm van jeugdreclassering het meest doeltreffend is. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 980, nrs. 1-2


Aanbeveling 7 

De toezichthoudende taken die de raad opgedragen heeft gekregen 
ten opzichte van de (gezins)voogdij-instellingen dienen te worden 
geschrapt. 

Toezichthoudende taken op strafrechtelijk terrein dienen conform 
aanbeveling 6 door de jeugdreclassering te worden uitgeoefend. 

Overige toezichthoudende taken dienen nader op uitoefening te 
worden onderzocht. Indien een taak niet wordt uitgeoefend dient te 
worden beoordeeld of deze bij de raad moet worden gehandhaafd, 
danwel elders kan worden ondergebracht. In dit verband kan tevens 
worden onderzocht of er behoefte is aan een onafhankelijke inspectie 
justitiële jeugdbescherming, al dan niet in het kader van de inspectie 
jeugdhulpverlening. 

De toezichthoudende taak van de raad ten opzichte van de instellingen 
voor voogdij en gezinsvoogdij zal worden geschrapt. In overleg met de 
Minister van WVC zal de opzet van een interdepartementale inspectie 
jeugdhulpverlening worden uitgewerkt. In deze uitwerking zullen de 
overige toezichthoudende taken van de raad worden betrokken. 

Aanbeveling 8 

De centrumfunctie van de raad kan, ook gezien de ontwikkelingen op 
het terrein van jeugdhulpverlening, niet gehandhaafd blijven. 

Ik onderschrijf de mening van de commissie in die zin, dat de raad in 
het licht van de Wet op de jeugdhulpverlening geen centrumfunctie 
vervult in de jeugdhulpverlening. Dit neemt niet weg dat ik een actieve 
deelname van de raden aan de regionale samenwerkingsverbanden 
stimuleer. Het door de commissie aangehaalde art. 238, derde lid B.W. 
wordt wat betreft bevordering van samenwerking tussen instanties door 
mij in deze zin uitgelegd. 

Aanbeveling 9 

De commissie beveelt aan om de bevoegdheden en verantwoordelijk– 
heden van het college nader te omschrijven en op te nemen in het 
Organisatiebesluit, in de lijn van de aanzet die hiertoe is gegeven. Deze 
aanscherping is nodig om de omschreven taken en functie van het 
college, die de commissie van wezenlijk belang acht, goed te kunnen 
vervullen. 

Voor mijn standpunt ten opzichte van deze aanbeveling verwijs ik naar 
mijn reactie op aanbeveling 10 van de commissie Vliegenthart. 

Aanbeveling 10 

De commissie beveelt aan dat de raden op systematische wijze een 
beleid ontwikkelen gericht op goede en heldere informatie over taak en 
functie van de Raden in het algemeen en in concrete situaties aan direct 
betrokkenen. 

Om de raadsonderzoeker meer tijd te geven voor individuele 
voorlichting wordt deze activiteit in de berekening van de caseloadnor– 
mering van de raadsonderzoeker opgenomen. 

Al het bestaande foldermateriaal wordt herschreven en in de loop van 
1991 in meer talen uitgebracht. Een nieuwe serie folders, gericht op 
voorlichting aan minderjarigen vanaf 10 jaar, wordt ontwikkeld. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 980, nrs. 1-2


Aanbeveling 11 

De commissie beveelt aan om ouders een afschrift van het ingediende 
rekest te zenden als zij voor de zitting worden opgeroepen waar dit 
rekest wordt behandeld. In het rekest dienen de gronden waarop de 
Raad een maatregel verzoekt te worden vermeld. 

Als regel zal een afschrift van een verzoekschrift binnen een redelijke 
termijn voor de zitting aan de ouders worden gezonden. Hierin zal onder 
meer de grond waarop een maatregel wordt verzocht worden vermeld. 

Aanbeveling 12 

De commissie beveelt aan om alle regels die voor cliënten gedurende 
het onderzoek van belang kunnen zijn schriftelijk vast te leggen. 

De regels die voor cliënten gelden worden met het herschrijven van 
het Normen-ll rapport in een vlotter leesbare en verkorte versie, 
vastgelegd en kenbaar gemaakt. Ik verwijs in deze naar mijn standpunt 
ten opzichte van aanbeveling 11 van de commissie Vliegenthart. 

De aanbevelingen van de commissie Vliegenthart 

Bestuur 

Aanbeveling 1 

Voor zover het opstellen van de procedures voor klachtenbehandeling 
aan de instellingen en inrichtingen zelf is overgelaten, worden door de 
Ministers van WVC en Justitie landelijk geldende criteria voor de klach– 
tenbehandeling ingevoerd. Beroep op een externe klachtencommissie 
dient mogelijk te zijn. 

In overleg met de Minister van WVC wordt gewerkt aan het ontwik– 
kelen van landelijk geldende criteria waaraan de klachtreglementen van 
de instellingen dienen te voldoen. De criteria die de commissie heeft 
geformuleerd bieden daarbij een goed aanknopingspunt. 

Aanbeveling 2 

Voor de totstandkoming, de inhoud en de vormgeving van de 
rapporten van de raden voor de kinderbescherming en de verslagen die 
door de gezinsvoogd aan de rechter worden uitgebracht, dient de 
Minister van Justitie richtlijnen op te nemen in het Organisatiebesluit 
raden voor de kinderbescherming en in het Uitvoeringsbesluit ondertoe– 
zichtstelling. 

Er worden richtlijnen ontwikkeld voor de totstandkoming, de inhoud en 
vormgeving van de rapporten van de raden en de verslagen van de instel– 
lingen. 

Aanbeveling 3 

In de wetgeving voor de hulpverlening aan minderjarigen volgend na 
crisisopvang, en voor het niet-strafbaar geheim houden van de verblijf– 
plaats van minderjarigen worden extra waarborgen opgenomen voor een 
zorgvuldige hulpverlening, en waarborgen om te voorkomen dat de 
ouders (of de voogd) in onzekerheid verkeren. 

Het tijdelijk besluit Bekostiging jeugdhulpverlening is inmiddels 
zodanig aangepast, dat gedurende een periode van tenminste drie 
maanden hulpverlening zal worden gesubsidieerd indien (en nadat) de 
raad de zaak in onderzoek heeft genomen. Gedurende die periode is een 
ouder die met die hulpverlening niet kan instemmen, niet tot een finan– 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 980, nrs. 1-2


ciële bijdrage verplicht. Een binnenkort bij de Tweede Kamer in te dienen 
wetsvoorstel omtrent de bijdragen terzake van jeugdhulpverlening, zal 
een uniforme regeling bevatten voor de bijdrage in de vrijwillige en de 
justitiële jeugdhulpverlening. 

Ook bezie ik of en hoe een nadere omschrijving van «zorgvuldige» 
hulpverlening in deze een oplossing kan bieden of dat hiervoor andere 
wegen zijn te bewandelen. Tot die zorgvuldigheid behoort in ieder geval 
het zo spoedig mogelijk inlichten van de ouders van de weggelopen 
minderjarige dat hulp wordt verleend. 

Aanbeveling 4 

In verband met de rechtszekerheid voor ouders en minderjarigen 
beveelt de subcommissie Kinderbescherming de Minister van Justitie 
aan nadere criteria in de wet op te nemen. Het gaat om die rechterlijke 
beslissingen waarover de wet nu te vaag is wat betreft de duur en de 
grond. 

Ik ben niet overtuigd van de noodzaak om de wettelijke grond waarop 
een ondertoezichtstelling kan worden uitgesproken nader te omschrijven. 
De grond «het zodanig opgroeien van een kind, dat het met zedelijke of 
lichamelijke ondergang wordt bedreigd» is nodig gelet op de grote 
variëteit van situaties waarop de maatregel van toepassing wil zijn. 
Verheldering van de grond dient in de eerste plaats te geschieden door 
de instantie die de maatregel uitlokt. De raad moet in zijn verzoekschrift 
meer dan nu het geval is inzichtelijk maken waarom een ondertoezicht– 
stelling is geboden. Voorts ligt hier een taak van de rechter, omdat ook 
deze beschikking volgens de wet met redenen moet zijn omkleed. 

Er wordt een wetsvoorstel voorbereid waarin de voorlopige ondertoe– 
zichtstelling aan een tijdsduur van ten hoogste zes maanden is 
gebonden. De voorlopige maatregel vervalt indien de rechter niet binnen 
die termijn een definitieve beslissing heeft genomen. Tevens wordt de in 
art. 241, tweede lid BW, genoemde grond als inhoudelijk criterium 
opgenomen. 

Met betrekking tot de voorlopige toevertrouwing door de officier van 
justitie wordt de zes wekentermijn een vervaltermijn. 

Aangezien herroeping door de rechtbank van de schorsing van een 
ouder in de uitoefening van de ouderlijke macht of de voogdij gedurende 
het geding tot ontheffing of ontzetting mogelijk is voordat bedoelde 
eindbeslissing is genomen, acht ik de mogelijkheid van hoger beroep 
tegen de beslissing tot schorsing niet nodig. 

De mogelijkheid van schorsing van een ouder in de uitoefening van de 
ouderlijke macht gedurende het scheidingsgeding dient te worden 
gehandhaafd. Een ontheffing of ontzetting gedurende het scheidings– 
geding, zoals de commissie Vliegenthart in plaats daarvan aanbeveelt, 
ligt niet voor de hand. 

Aanbeveling 5 

De mogelijkheden en garanties voor tegenonderzoek en getuigen– 
verhcor op verzoek van degene die tegen een verzoek of vordering 
verweer voert, dienen te worden uitgebreid. 

Afhankelijkheid van partijen van het beleid van de rechter is een 
inherent element van de rechtspraak, juist waar het diens eigen oordeels– 
vorming betreft. Op verzoeken om tegenonderzoek moet door de rechter 
met redenen omkleed worden beslist. Hieronder valt ook de beslissing 
over de vraag of in het belang van het kind tegenonderzoek wenselijk is. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 980, nrs. 1-2


Een hogere rechter kan eventueel de zaak, inclusief een geweigerd 
tegenonderzoek, opnieuw bezien. Ik zie geen reden een wetswijziging te 
bevorderen waardoor verzoeken om tegenonderzoek als regel voor inwil– 
liging vatbaar worden. 

Aanbeveling 6 

Door een zorgvuldige uitoefening van bevoegdheden kan worden 
voorkomen dat de burger de indruk krijgt dat hij sterk afhankelijk is van 
de wijze van bejegening, dat hij zich nauwelijks kan verweren, en dat 
rechter en de raad voor de kinderbescherming als het ware één blok 
zouden vormen. 

Ik zal actie ondernemen om het geschetste negatieve beeld te veran– 
deren. Behalve het tijdig toezenden van een verzoekschrift, zal ik reali– 
sering van de overige aanbevelingen die de commissie in dit opzicht 
noemt bevorderen. 

Aanbeveling 7 

De informatieverstrekking aan de burger die met de kinderbe– 
scherming te maken krijgt, schiet tekort. Het is een taak van de Minister 
van Justitie om zorg te dragen voor de verspreiding van actuele en 
duidelijke informatie. 

Ik zal zowel algemene publieksvoorlichting als voorlichting aan direct– 
betrokkenen over de functie, taken en procedures in de justitiële jeugd– 
bescherming verbeteren. Concrete maatregelen met betrekking tot 
voorlichting over de raden zijn geformuleerd in mijn standpunt ten 
opzichte van de aanbevelingen 10 en 12 van de commissie Gijsbers. 

Wetgeving 

Aanbeveling 8 

Er wordt een volledige scheiding aangebracht tussen de rechtspraak 
en de gezinsvoogdij. 

Tussen het uitspreken van een ondertoezichtstelling door de kinder– 
rechter en het dragen van verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de 
maatregel wordt een volledige scheiding aangebracht. De uitvoering 
wordt opgedragen aan de instellingen voor gezinsvoogdij. 

Met betrekking tot de uitvoering van de ondertoezichtstelling krijgt de 
kinderrechter een toetsende en conflictbeslechtende rol. 

Aanbeveling 9 

In plaats van de ambtshalve door de kinderrechter te nemen beslissing 
tot uithuisplaatsing gedurende een ondertoezichtstelling, wordt een 
afzonderlijke maatregel «ots-plus» ingevoerd: de ondertoezichtstelling 
met uithuisplaatsing. 

Met de scheiding tussen rechtspraak en gezinsvoogdij vervalt de 
ambtshalve door de kinderrechter te nemen beslissing tot uithuis– 
plaatsing; de beslissing daartoe komt bij de gezinsvoogdij-instelling. De 
rechter beslist alleen nog over uithuisplaatsing indien de meningen van 
de betrokkenen over de uithuisplaatsing verschillen (autorisatie) of 
wanneer het plaatsing in een gesloten inrichting voor justitiële jeugdbe– 
scherming betreft. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 980, nrs. 1-2


Aanbeveling 10 

De colleges bij raden voor de kinderbescherming dienen te verdwijnen; 
aan de bureaus voor kinderbescherming worden adviesgroepen 
verbonden. 

Met zowel de commissie Vliegenthart als de commissie Gijsbers ben ik 
van mening dat maatschappelijke betrokkenheid bij het werk van de 
raden van groot belang is. Tevens acht ik het van belang dat er duide– 
lijkheid komt over de taken en bevoegdheden van het huidige college. Ik 
kan mij echter niet vinden in de aanzet die de commissie Gijsbers hiertoe 
geeft. Een beleidsbepalend college verhult de ministeriële verantwoorde– 
lijkheid voor de taakuitvoering door de bureaus. Voorts staat een beleids 
bepalend college gewenste uniformiteit van uitvoeringsbeleid en de 
rechtszekerheid voor de burger in de weg, zoals de commissie 
Vliegenthart terecht stelt. 

Ik heb dan ook besloten de opheffing van de huidige colleges te bevor– 
deren. In plaats daarvan overweeg ik per raad een adviescommissie in te 
stellen met als functie het signaleren van maatschappelijke ontwikke– 
lingen die van belang zijn voor de taakuitoefening van de raad. De 
commissie zou kunnen adviseren over zaken als de positie van de raad in 
netwerken en samenwerkingsverbanden en over de public relations. De 
uitwerking van de taken en de samenstelling van de adviescommissie 
vindt in overleg met betrokkenen plaats. 

Aanbeveling 11 

De wijze van taakuitoefening van de bureaus van de raden voor de 
kinderbescherming dient nader bij of krachtens de wet te worden gespe– 
cificeerd. De toezichthoudende taken van de raden ten opzichte van 
andere organisaties voor kinderbescherming dienen te verdwijnen. 

Het rapport waarin de uitgangspunten met betrekking tot de werkwijze 
van de raad staan beschreven (Normen-ll rapport), wordt herschreven. 
Als handleiding voor de raadsonderzoeker krijgt het een vaste plaats in 
de functietraining. De hoofdlijnen van het Normen-ll rapport worden 
opgenomen in het Organisatiebesluit raden voor de kinderbescherming. 

Per afzonderlijke vorm van onderzoek wordt een verkorte versie 
vervaardigd voor betrokkenen in het raadsonderzoek. Hierin staan de 
rechten en plichten die men heeft binnen de proceduregang beschreven. 

Aanbeveling 12 

De wijze van effectuering van de rechten op omgang, informatie of 
bezoek, van minderjarigen, ouders en andere personen die tot een 
minderjarige staan in een als gezinsleven aan te merken betrekking, dient 
in de wet te worden aangegeven. 

Met betrekking tot deze aanbeveling wil ik verwijzen naar het 
wetsvoorstel ouderlijk gezag en omgang. 

Aanbeve/ing 13 

Nadat met de door de Minister van WVC en de Staatssecretaris van 
Justitie op te stellen landelijke criteria voor de klachtenreglementen van 
voorzieningen voor vrijwillige jeugdhulpverlening en kinderbescherming 
enige ervaring is opgedaan, dienen zij te worden opgenomen in het 
hoofdstuk Klachtrecht van de Wet op de jeugdhulpverlening. 

Na uitwerking van landelijk geldende criteria worden deze in overleg 
met de betrokken instellingen ingevoerd. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 980, nrs. 1-2


Aanbeveling 14 

De Wet op de jeugdhulpverlening, die nu voorziet in drie soorten 
toezicht, wordt zo gewijzigd dat één interdepartementale inspectie 
jeugdhulpverlening ontstaat. 

Ik zal met de Minister van WVC overleg voeren over de noodzakelijke 
wijzigingen in regelgeving en organisatorische aanpassingen die nodig 
zijn om een interdepartementale inspectie jeugdhulpverlening mogelijk te 
maken. De inspectie zal vooral gericht zijn op toetsing aan kwaliteits– 
normen bij de uitvoering van het beleid in concrete gevallen, zonder dat 
dit overigens het doen van aanbevelingen van meer algemene strekking 
uitsluit. 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 980, nrs. 1-2


Bijlage 2 Lijst van afkortingen 

art. artikel 
artt. artikelen 
BW Burgerlijk Wetboek 
CMP Centraal Meldingspunt 
EVRM Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens 
GIS Gezinsvoogdij Informatie Systeem 
Halt Het Alternatief 
HBO-J Hoger Beroeps Opleiding Jeugdwelzijnswerk 
J en R Jeugdbescherming en Reclassering 
NIZW Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn 
OCAS Overleg– en Adviescommissie Alternatieve Sancties 
OTS Ondertoezichtstelling 
Rv. Rechtsvordering 
SoZaWe Sociale Zaken en Werkgelegenheid 
Sr. Strafrecht 
STAP Samenwerking Teamgeest Aspirant-Pleegouders 
Stb. Staatsblad 
TGV Therapeutische Gezinsverpleging 
WODC Wetenschappelijk Onderzoek en –Documentatiecentrum (van 

het Ministerie van Justitie) 
WVC Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur 

Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 21 980, nrs. 1-2 


