5de Vergadering 

Voorzitter: Thurlings 

Tegenwoordig zijn 68 leden, te weten: 
Thurlings, Eijsink, Kruisinga, De Jong, 
Van der Werff, Von Meijenfeldt, 
Groensmit-van der Kallen, Schinck, 
Van der Werf-Terpstra, Nagel, Steen-
kamp, Leyten-De Wijkerslooth de 
Weerdesteyn, Christiaanse, Van der 
Meer, Vermeer, Oudenhoven, Hen-
driks, Van Dalen, Kaland, Tjeerdsma, 
Buijsert, Uijen, Uijterwaal-Cox, Vrou-
wenvelder, Albeda, Achterstraat, 
Gooden, Russell, Maassen, Zouten-
dijk, Vleggeert, Tiesinga-Autsema, Bi-
schoff, Bukman, Abma, Van Soest-
Jansbeken, Oskamp, Ermen, Derks, 
Glastra van Loon, Smeets-Janssen, 
Veder-Smit, Maaskant, Zoon, Van 
Veldhuizen, Van de Zandschulp, Tum-
mers, Wiebenga, Vis, Steigenga-Kou-
we, Tonkes, Stam, Kloos, Vonhoff-Luij-
endijk. Simons, De Rijk, Van Tets, Hij-
mans, Heijne Makkreel, De Gaay Fort-
man, Ginjaar, Netjes, Veen, Mijnsber-
gen, korthals Altes, Mastik-Sonne-
veldt, Cnoop Koopmans en Van der 
Ploeg, 

en de heren Van Agt, Minister-Presi-
dent, Minister van Algemene Zaken, 
De Ruiter, Ministervan Justitie, Van 
der Stee, Minister van Financiën, Van 
Mierlo, Minister van Defensie, De Ko-
ning, Ministervan Landbouw en Visse-
rij, Den Uyl, Vice-Minister-President, 
Minister van Sociale Zaken en Werkge-
legenheid en mevrouw Gardeniers-Be-
rendsen. Minister van Volksgezond-
heid en Milieuhygiëne. 

De Voorzitter: Ik deel aan de Kamer 
mede, dat zijn ingekomen berichten 
van verhindering van de leden: Frans-
sen, wegens deelneming aan de 36e 
zitting van de Algemene Vergadering 
van de Verenigde Naties; 

Baarveld-Schlaman, Feij en Umkers; 

De Vries, wegens deelneming aan een 
begrafenis. 

Deze berichten worden voor kennisge-
ving aangenomen. 

De Voorzitter: Ik deel aan de Kamer 
mede, dat door mij zijn benoemd tot 
leden van de Commissie tot onderzoek 
van de geloofsbrieven van de be-

noemde leden der Kamer, mevrouw 
M. T. Mastik geboren Sonneveldt te 
Rotterdam en de heer A. J. Cnoop 
Koopmans te Amsterdam: de heren 
Von Meijenfeldt (voorzitter) en Ginjaar 
en mevrouw Bischoff. 

Verder deel ik aan de Kamer mede, dat 
zijn ingekomen: 

a. een missive van de Voorzitter van 
het Centraal Stembureau, houdende 
mededeling dat hij van mevrouw M. T. 
Mastik geboren Sonneveldt te Rotter-
dam, die bij zijn besluit van 12 septem-
ber 1981, nr. 3461, werd benoemd ver-
klaard tot lid van de Eerste Kamer der 
Staten-Generaal, bericht heeft ontvan-
gen, dat zij haar benoeming aan-
neemt; 

b. een misf :ve van alsvoren, houden-
de mededeling dat hij van de heer A. J. 
Cnoop Koopmans te Amsterdam, die 
bij zijn besluit van 14 september 1981, 
nr. 3460, werd benoemd verklaard tot 
lid van de Eerste Kamer der Staten-Ge-
neraal, bericht heeft ontvangen, dat hij 
zijn benoeming aanneemt; 

c. de geloofsbrieven van de benoenv 
de leden der Kamer, mevrouw M. T. 
Mastik geboren Sonneveldt te Rotter-
dam, en de heer A. J. Cnoop Koop-
manste Amsterdam. 

Deze stukken zijn inmiddels gesteld in 
handen van de Commissie tot onder-
zoek van de geloofsbrieven van de be-
noemde leden. 

Het is mij gebleken, dat de commis-
sie haar taak reeds heeft verricht. 

Ik geef derhalve het woord aan de 
heer Von Meijenfeldt, voorzitter der 
Commissie tot onderzoek van de ge-
loofsbrieven van mevrouw M. T. Mas-
tik geboren Sonneveldt en de heer A. 
J. Cnoop Koopmans tot het uitbrengen 
van het rapport. 

De heer Von Meijenfeldt, voorzitter 
der commissie: De commissie, welke 
de geloofsbrieven van de benoemde 
leden der Kamer de heer A. J. Cnoop 
Koopmans en mevrouw M. T. Mastik-
Sonneveldt heeft onderzocht, heeft de 
eer te rapporteren, dat de geloofsbrie-
ven en de daarbij ingevolge de Kies-
wet overgelegde bescheiden in orde 
zijn bevonden. 

Dinsdag 10 november 1981 
Aanvang 13.30 uur 

Het rapport der commissie is neder-
gelegd ter griffie, ter inzage voor de le-
den. 

De commissie adviseert de Kamer 
om de heer Cnoop Koopmans en me-
vrouw Mastik-Sonneveldt als leden 
der Kamer toe te laten. 

De Voorzitter: Ik dank de heer Von 
Meijenfeldt voor het uitbrengen van 
het rapport en de commissie voor het 
verrichten van haar taak. 

Ik stel aan de Kamer voor het advies 
van de commissie te volgen en het 
rapport in de Handelingen te doen op-
nemen. 

Daartoe wordt besloten. 

[Dit rapport is opgenomen aan het 
eind van deze editie.]1 

De Voorzitter: Mevrouw Mastik-Son-
neveldt en de heer Cnoop Koopmans 
tot wier toelating de Kamer zojuist 
heeft besloten, zijn in het gebouw der 
Kamer aanwezig. Ik verzoek de Griffier, 
hen binnen te leiden. 

Nadat mevrouw Mastik-Sonneveldt en 
de heer Cnoop Koopmans door de 
Griffier zijn binnengeleid, leggen zij in 
handen van de Voorzitter de bij de 
Grondwet en het Statuut voor het Ko-
ninkrijk der Nederlanden voorgeschre-
ven verklaring en beloften af. 

De Voorzitter: Ik wens mevrouw Mas-
tik-Sonneveldt en de heer Cnoop 
Koopmans geluk met hun benoeming 
tot lid van de Eerste Kamer der Sta-
ten-Generaal en verzoek hen in ons 
midden plaats te nemen. 

Ik deel aan de Kamer mede, dat de 
besluiten, welke in overleg met het 
College van Senioren zijn genomen, 
alsmede de lijst van ingekomen stuk-
ken met de door mij gedane voorstel-
len, voor de leden ter inzage liggen. De 
op het vorenstaande betrekking heb-
bende stukken zullen in de Handelin-
gen worden opgenomen. 

Ingevolge artikel 41 van het Regie-
ment van Orde liggen ook de notulen 
van de vorige vergadering voor de le-
den ter inzage. Tenzij enig lid hierte-
gen vóór het einde der vergadering 
bezwaar maakt, zal worden aangeno-

Eerste Kamer 

10 november 1981 

Ingekomen stukken 
Leden 

51 


Voorzitter 

men dat de Kamer akkoord gaat met 
de voorstellen en dat zij de notulen 
goedkeurt. 

Voorts deel ik de Kamer mede, dat ik 
bericht van verhindering tot bijwoning 
van de vergadering heb ontvangen 
van de Gevolmachtigde Ministervan 
de Nederlandse Antillen. 

Aan de orde is de behandeling van de 
voorstellen van de Commissie voor de 
Verzoekschriften omtrent de adressen 
van: 

a. H. D. C. Visser, te Amsterdam, met 
betrekking tot ontheffing van leerplicht 
(gedrukt stuk Eerste Kamer, zitting 
1981-1982, nr. II); 

b. mevrouw E. van Ommeren, te Apel-
doorn, met betrekking tot bedrijfsbe-
eindigingshulp (gedrukt stuk Eerste 
Kamer, zitting 1981-1982, nr. III); 

c. H. A. C. Jansen, te Roosendaal, met 
betrekking tot zijn belasting (gedrukt 
stuk Eerste Kamer, zitting 1981-1982, 
nr. IV); 

d. G. Theunisse, te Dinteloord, met 
betrekking tot een bergingsloon (ge-
drukt stuk Eerste Kamer, zitting 
19SJ-1982, nr. V); 

e. J. R. W. van Walbeeck de Saint Ma-
lo, te Amsterdam, met betrekking tot 
toelating tot Nederland van zijn moe-
der (gedrukt stuk Eerste Kamer, zitting 
1981-1982, nr. VI). 

Overeenkomstig de voorstellen van de 
Commissie voor de Verzoekschriften 
wordt besloten. 

Aan de orde is de behandeling van de 
ontwerpen van (rijks-)wet: 

Wijziging van de Uitleveringswet en 
goedkeuring van het Protocol tot aan-
vulling en wijziging van het Benelux-
Verdrag inzake uitlevering en rechts-
hulp in strafzaken (Trb. 1974,161), van 
het eerste en tweede Aanvullende 
Protocol bij het Europees Verdrag be-
treffende uitlevering en van het Aan-
vullende Protocol bij het Europees 
Verdrag aangaande de wederzijdse 
rechtshulp in strafzaken (Trb. 1917, 
119,120 en 121) (15965); 

Goedkeuring van het voornemen 
tot intrekking van de voorbehouden 
ingevolge de artikelen 13, derde lid en 
15 van het Verdrag van 's-Gravenhage 
van 5 oktober 1961, betreffende de be-
voegdheid der autoriteiten en de toe-
passelijke wet inzake de bescherming 
van minderjarigen (Trb.1968,101) 
(16 657. R1160); 
Eerste Kamer 
10 november 1981 

Aanvulling van het Wetboek van 
Burgerlijke Rechtsvordering in ver-
band met de intrekking van de voor-
behouden ingevolge de artikelen 13, 
derde lid en 15 van het Verdrag van 
's-Gravenhage van 5 oktober 1961, be-
treffende de bevoegdheid der autori-
teiten en de toepasselijke wet inzake 
de bescherming van minderjarigen 
(Trb 1968. 101) (16 658) 

Deze ontwerpen van (rijks-)wet wor-
den zonder beraadslaging en zonder 
stemming aangenomen. 

Aan de orde is de (voortzetting van de) 
behandeling van de voorstellen van 
wet: 

Voorstel van wet van de leden Roet-
hof en Haas-Berger tot aanvulling van 
artikel 280 van het Wetboek van Straf 
recht (Hulpverlening aan minderjari-
gen)(13 538); 

Voorstel van wet van de leden Roet-
hof en Haas-Berger tot aanvulling van 
artikel 280 van het Wetboek van Straf-
recht (Hulpverlening aan minderjari-
gen)(16 518). 

De Voorzitter: Ik stel voor, deze voor-
stellen van wet gezamenlijk te behan-
delen. 

Daartoe wordt besloten. 

De beraadslaging wordt hervat, res-
pectievelijk geopend. 

De Voorzitter: Ik herinner eraan, dat 
de Kamer ten aanzien van het voorstel 
van wet 13 538 reeds in eerste termijn 
van haar inzichten heeft doen blijken. 
Ik constateer, dat niemand in eerste 
termijn het woord wenst te voeren 
over het voorstel van wet 16 518. 

D 

De heer Roethof (PvdA): President! 
Mede namens mevrouw Haas-Berger 
acht ik het mijn taak, de leden der Ka-
merte danken voor hun bijdragen aan 
de discussie die wij ongeveer een jaar 
geleden in dit Huis hebben gevoerd. 

Ik kom daarop aanstonds nog terug, 
maar het leek mij goed, alvorens over 
te gaan tot de eigenlijke beantwoor-
ding van de opgeworpen vragen in de 
eerste termijn van de zijde van de Ka-
mer, nog een moment stil te staan bij 
de gevolgde procedure. 
Het gaat hier niet om een novelle in 
de strikte zin van het woord, aldus de 
fractie van de VVD in het voorlopig 
verslag, maar om een vervangend 
wetsontwerp. Wij, indieners, zijn het 
daarmee eens. Met dit wetsontwerpje, 
hoe eenvoudig van opzet ook, is, in de 
loop van verscheidene jaren, in feite 

Leden 

Verzoekschriften 
Strafzaken (internationaal) 
Minderjarigen 

alles gebeurd wat er maar met een 
wetsontwerp kan passeren. Ik zal u 
daarmee niet vermoeien. Het lijkt niet 
zo zinvol deze, uit staatsrechtelijk oog-
punt toch wel boeiende voorgeschie-
denis, hier nog eens stap voor stap na 
te lopen. Een halfjaar geleden heb ik 
dit voor een Utrechts studentenblad 
gedaan, maar dat was meer ter lering 
dan voor het vermaak. 

Het is in de eerste plaats de heer Heij-
ne Makkreel geweest die, bij de open-
bare behandeling in dit Hoge College, 
er de aandacht op vestigde dat een als 
gevolg van een amendement van de 
Tweede Kamer in de wetstekst opge-
nomen formule, voor dubbele uitleg 
vatbaar was. Bij die gelegenheid heb-
ben ook enkele andere sprekers, zoals 
mevrouw Van der Meer en de heer 
Glastra van Loon, verklaard moeite te 
hebben met de redactie, inhoudende 
dat onder 'zorgvuldige hulpverlening' 
mede moest worden verstaan: een 
melding aan de ouders dat hulp wordt 
verleend. 

Bij nader inzien hebben wij niet kun-
nen ontkennen dat de formule niet wa-
terdicht onze bedoelingen en - het-
geen nog veel belangrijker is - die van 
de Tweede Kamer weergaf. Om deze 
reden, mijnheer de President, hebben 
wij ons toen ijlings tot u gewend en 
een schorsing van de behandeling ge-
vraagd, ten einde ons te kunnen bezin-
nen op hetgeen ons te doen stond. 

Mede naar aanleiding van al het 
reeds verrichte werk - ik zeg dit heel 
eerlijk: het was langzamerhand een 
heel dossier geworden alleen al voor 
wat betreft de kamerstukken; ik laat 
dan nog buiten beschouwing alles wat 
er in die vijf jaar over gezegd en ge-
schreven is - leek het ons dwaasheid 
om ter wille van een vormfout (want 
zo beschouwden wij het) de gehele be-
handeling van het wetsontwerp als-
nog te laten stranden. Wij hebben ons 
gehaast de redactie van de tekst op het 
aangevochten punt aan te passen aan 
de ondubbelzinnige bedoeling van de 
Tweede Kamer. Na ingewonnen des-
kundig advies hebben wij voorts be-
sloten met een geheel nieuw wetsont-
werpje te komen, omdat zulks - gezien 
de eenvoudige structuur van ons wets-
ontwerp - het minst omslachtig zou 
zijn. 

Een voorwaarde was natuurlijk wel, 
dat de Tweede Kamer dan bereid zou 
blijken van een hernieuwde inhoudelij-
ke discussie over de tekst af te zien en 
dat de Eerste Kamer daarin zou vol-
gen. Wij zijn beide Hoge Colleges er-
kentelijk dat zij het, met ons, in die 
richting hebben willen leiden. Dienten-
gevolge is naar onze mening de proce-




Roethof 

dure thans zo geworden dat u de 
beschikking heeft over twee wetsont-
werpen, waarvan het eerste, wat ons 
betreft, alleen nog van belang is in ver-
band met alle daarbij behorende docu-
menten, verslagen en gewisselde stuk-
ken, terwijl het tweede de juiste tekst 
bevat van het wetsontwerp, maar niet 
verder treedt in een inhoudelijke ge-
dachtenwisseling. 

De meest elegante procedure lijkt ons 
nu dat de Kamer meewerkt aan de aan-
vaarding of verwerping - wat ons be-
treft uiteraard het liefst aanvaarding -
van het tweede wetsontwerp, waarna 
wij de Voorzitter van de Tweede Kamer 
zullen vragen de intrekking van het eer-
ste te willen bevorderen. Als alles loopt 
zoals het ons voor ogen staat, hebben 
wij dan op die manier de zaak toch nog 
tot een voorspoedig einde gebracht. 

Ik kom tot inhoudelijke opmerkin-
gen, in eerste termijn gemaakt. De 
heer De Gaay Fortman heeft de doel-
stelling van het wetsontwerp onder-
schreven. Hij achtte het door ons geko-
zen middel om die doelstellingen te 
bereiken ook het juiste. Hij vroeg zich 
wel af of de, in juridisch opzicht, meest 
correcte vorm was gekozen. Voor zo-
ver hij de bezwaren van de heer Heijne 
Makkreel meevoelde - ik kan dit niet 
precies opmaken uit zijn betoog - is in 
elk geval op dat punt, dunkt mij, aan 
zijn bezwaren tegemoet gekomen. 

Wel had hij nog enige moeite met 
het begrip 'zorgvuldige hulpverlening'. 
Daarover is langzamerhand zo veel ge-
zegd en geschreven dat het moeilijk 
wordt, er nog een nieuw ge-
zichtspunt aan toe te voegen. Het is de 
Hoge Raad geweest die op 3 juli 1972, 
in afwijking van eerdere uitspraken 
van de rechtbank in Den Haag en later 
van het hof in Den Haag, tot de conclu-
sie kwam dat de tekst van het bestaan-
de artikel 280 geen opening bood om 
de hulpverlener straffeloos te laten, 
zelfs niet indien deze zich er op beriep 
met een redelijk middel een redelijk 
doel te hebben nagestreefd. De procu-
reur-generaal, de heer Langemeijer, 
knoopte daaraan destijds de conclusie 
vast dat hier een taak lag voor de wet-
gever. 

Welnu, de mede-wetgever, in dit ge-
val enkele leden van de Tweede Kamer 
der Staten-Generaal, ging zich aller-
eerst wenden tot de Minister van Justi-
tie. Deze voelde echter niet voor wets-
wijzigingen op dit punt. Alle pogingen 
anderzijds om binnen de tekst van de 
wet het probleem te regelen via een 
netwerk van afspraken stuitten op 
enorme weerstand in hec veld en op 
bezwaren zoals tot uitdrukking ge-

bracht door de voormalige collega 
Geurtsen van de VVD, namelijk dat 
dergelijke pogingen in strijd moesten 
worden geacht met de wet. 

Zo werd ten slotte door collega Jur-
gens van de PPR en door mij een mo-
tie ingediend om een zodanige wets-
wijziging alsnog te doen bevorderen. 
Met steun van de VVD werd die motie 
aanvaard, maar niet uitgevoerd door 
de bewindsman. Dit nu -de heer Jur-
gens had de Kamer inmiddels verlaten 
- leidde tot de indiening van een initi-
atiefontwerp van mevrouw Haas-Ber-
ger en mij in de nazomer van 1975. 

Mijnheer de Voorzitter! Ik begrijp 
niet waarom het begrip 'zorgvuldige 
hulpverlening' problemen zou behoe-
ven te ontmoeten omdat het zo'n alge-
meen begrip zou zijn. De wet kent ver-
scheidene van dergelijke algemene 
begrippen, om niet te zeggen dat het 
ervan wemelt, zoals 'billijkheid'; 'alge-
meen belang'; 'openbare orde'; 'be-
lang van het kind'. Dit zijn allemaal be-
grippen met het hanteren waarvan de 
rechter hoegenaamd geen moeite 
heeft. Ook op dit punt, dat van de 
'zorgvuldige hulpverlening' zal zich ju-
risprudentie ontwikkelen indien het 
wetsontwerp mocht worden aanvaard. 
Dit zal des te minder bezwaar ontmoe-
ten gezien de uitvoerige discussie die 
wij aan de overzijde van het Binnenhof 
hebben gehad. 

Wij hebben destijds geconstateerd 
dat de kinderrechters bezwaren had-
den. Wij zijn uitvoerig in een beant-
woording van die bezwaren getreden. 

De kinderrechters hebben geen al-
ternatief aan de hand gedaan in hun 
conclusie anders dan dat het gehele 
jeugdrecht op de helling moet. Dat is 
naar mijn mening juist. Overigens 
voelden zij er weinig voor, zich over de 
formule van de zorgvuldige hulpverle-
ning te moeten buigen. Zij wilden 
geen meldpost zijn. Er werd namelijk 
telkens over melden gesproken. Ais er 
moest worden gemeld, moest dat be-
paald niet aan hun adres zijn maar 
eventueel aan de politie of de raden 
voor de kinderbescherming. Maar een 
echt alternatief deden zij niet aan de 
hand. 

In de tweede plaats heeft de uit-
spraak van het Hof in Den Bosch - wel-
ke uitspraak door de heer De Gaay 
Fortman in discussie is gebracht - in 
zo verre met de zaak te maken, dat 
daar- dat vonden wij als indieners in-
teressant - wel degelijk door een rech-
ter het begrip 'zorgvuldige hulpverle-
ning' is gehanteerd. Op die grond zou 
men derhalve met minder recht mo-
gen zeggen, dat de rechter niet met het 
begrip zou kunnen werken. Hij kan er 

verkeerd en onzorgvuldig mee wer-
ken, maar uit de uitspraak is gebleken, 
dat hij ermee werkt. Overigens is de 
uitspraak van het Hof naar mijn mening 
niet zo interessant, omdat er in de eer-
ste plaats geen cassatie is geweest 
waardoor de Hoge Raad een uitspraak 
moet doen en in de tweede plaats om-
dat het niet tot een veroordeling kwam 
vanwege het feit dat niet aan de om-
schrijving van het delict was voldaan. 
Er kwam een vrijspraak uit en geen 
ontslag van rechtsvervolging. Het feit 
werd dus niet bewezen geacht; de 
zorgvuldige hulpverlening was niet als 
rechtvaardigingsgrond gebruikt. Van 
vrijspraak kan men bovendien niet in 
cassatie gaan, dus daarmee was de 
kous af. 
Zoals de zaken er momenteel voor 
staan, leven wij nog steeds niet met 
het regime van het Hof in Den Bosch 
maar met het regime van de Hoge 
Raad van de jaren 1972-1973. Men kan 
dus ook niet zeggen dat na de uit-
spraak van het Bossche Hof geen nieu-
we strafrechtelijke vervolgingen te 
wachten staan. Dat is ook als argu-
ment aangevoerd. Sindsdien heeft 
zich namelijk al weer een zaak voorge-
daan voor de rechtbank van Breda, die 
grote beroering in de kring van de 
hulpverleners ten gevolge heeft ge-
had. Daaruit blijkt mijns inziens - an-
ders dan de heer De Gaay Fortman in 
eerste termijn stelde - dat niet alleen 
nieuwe vervolgingen te wachten 
staan, maar de officier sprak zelfs de 
verwachting uit dat het vervolgingsbe-
leid zou worden geactiveerd. Evenmin 
blijkt uit de Bredase zaak dat het regi-
me beheerst blijft door het arrest van 
het Bossche Hof. Ik zeg nogmaals dat 
het regime niet wordt beheerst door 
het Bossche Hof, maar door de dwang-
positie van de Hoge Raad sinds 1972. 
Er is niets opgelost sindsdien. 
Ik wil hier maar mee zeggen, dat 
men de zaak dus niet kan laten rusten 
en zeker niet, totdat van lieverlede de 
rechtspositie van de minderjarige op 
meer of minder bevredigende wijze zal 
worden geregeld. Dat de hulpverle-
ners nu bezwaren hebben, is waar en 
is op zichzelf voor mevrouw Haas-Ber-
ger en mij een trieste omstandigheid, 
omdat wij juist in de eerste plaats op 
hun alarmsignaal deze zaak hebben 
aangebonden en daarvoor steeds 
meer instemming hebben gevonden 
bij het veld. Dat zij nu een paar bezwa-
ren hebben, is jammer. Ik houd het er 
nog steeds op - wij hebben ook met ze 
gesproken - dat zij het slachtoffer zijn 
van een misverstand. 

Het amendement-Nijpels heeft 
mijns inziens meer verwarring ge-

Eerste Kamer 

10 november 1981 

Minderjarigen 

53 




Roethof 

bracht dan dat het tot verduidelijking 
leidde. Dat wij het hebben geaccep-
teerd, komt omdat wij van oordeel wa-
ren dat het overbodig was. Met de 
heer Heijne Makkreel zijn wij namelijk 
van mening dat de hulpverlener, die 
aan de eisen van dat amendement vol-
doet, vrijuit gaat. Zodra hij namelijk 
meldt aan de Raad voor de Kinderbe-
scherming is aan de delictsomschrij-
ving van het verbergen niet meer vol-
daan. Wie meldt, verbergt niet. Ik heb 
de indruk dat de hulpverleners ook te 
veel over het hoofd zien dat deze mel-
dingsplicht in ons wetsontwerp facul-
tatief is. Men behoeft geenszins te 
melden, maar men kan een beroep 
doen op het feit dat zorgvuldig hulp is 
verleend. 

Het doel van ons wetsontwerp - an-
ders hadden wij het niet kunnen ac-
cepteren - is dus volstrekt overeind 
gebleven, want men kan ook niet mei-
den. Tal van organisaties zullen de 
melding nalaten en een beroep doen 
op het feit dat zorgvuldig hulp is ver-
leend. 

Het is mij evenmin als de heer De 
Gaay Fortman helemaal duidelijk wat 
de Raad voor de Kinderbescherming 
met die melding moet. Wij kunnen wel 
nalezen in artikel 238 en volgende van 
het Burgerlijk Wetboek wat de raad in 
theorie met zo'n melding kan doen. De 
raad kan contact zoeken met de hulp-
verleners. De raad kan de politie in-
schakelen. De raad kan een maatregel 
of een voorlopige maatregel uitlokken. 

De raad kan de zaak voor kennisge-
ving aannemen. Het was een sugge-
stie van de kinderrechters-in zoverre 
is hun advies dus wel degelijk opge-
volgd - die er niets voor voelden zelf 
als meidadres te gaan functioneren. Ik 
zeg nu dat het overigens van de Raden 
voor de Kinderbescherming afhangt, 
hoe zij, uiteraard op basis van de wet, 
die melding gaan invullen. Ook dat is 
niets bijzonders, want toen destijds bij 
de behandeling van de wet op de 
voorlopige hechtenis in 1971 een 
amendement van mij inzake de vroeg-
hulp van de reclassering werd aange-
nomen, moest die vroeghulp gaande-
weg door de reclassering van de 
grond worden opgebouwd en inge-
vuld. Ik vind dat het in elk geval niet op 
onze weg ligt voor die Raden voor de 
Kinderbescherming thans nadere 
voorschriften te gaan geven, zomin als 
wij dat destijds hebben gedaan bij die 
vroeghulp. 

Wij zijn erkentelijk voor de steun van 
mevrouw Van der Meer voor het wets-
ontwerp. Wij zijn met haar van me-
ning, dat er nog steeds een toestand 

van rechtsonzekerheid bestaat, door-
dat de problematiek van de weggelo-
pen minderjarigen nog in weinig plaat-
sen is geregeld en dan nog in verschil-
lende plaatsen verschillend geregeld. 
Dat brengt nodeloze onzekerheid mee 
voor de hulpverlener, voor de politie 
en voor de ouders. De hulpverlener 
moet in grote trekken weten, waaraan 
hij zich te houden heeft. De politie 
moet een jurisprudentie hebben, 
waaraan zij beter dan nu het opspo-
ringsbeleid kan vastknopen. De ouders 
moeten in elk geval weten dat het kind 
terecht is, dat hulp wordt verleend en 
dat, hoe naar het incident van het weg-
lopen op zichzelf al is, in elk geval geen 
ongeluk behoeft te worden gevreesd. 
Welnu, de nieuwe redactie van ons ar-
tikel voorziet hierin. De nieuwe redac-
tie heeft bovendien tot voordeel dat 
van de enigszins omstreden plaats die 
het amendement-Patijn had gekregen 
in artikel 90 quinquies, weer kan wor-
den afgestapt en dat het gestelde kan 
worden ondergebracht in het laatste 
lid van artikel 280 nieuw. Ook het pro-
bleempje dat mevrouw Van der Meer 
had met intitulé en considerans is 
daarmee tegelijkertijd tot een oplos-
sing gebracht. 

Met mevrouw Van der Meer wil ik,al-
lereerst ten behoeve van de heren 
Meuleman en Van der Jagt die daar-
over vragen hebben gesteld, onder-
strepen, dat ons wetsontwerp de ou-
derlijke macht als zodanig niet aantast. 
Het is hetzelfde misverstand dat Minis-
ter Van Agt destijds als Minister van 
Justitie had. De gezinsstructuur wordt 
door dit wetsontwerp niet aangetast 
en de ouderlijke macht blijft bestaan. 
Door het weglopen van de minderjarige 
ontstaat er wel gedurende een bepaal-
de periode een juridisch vacuüm. De 
ouderlijke macht is er wel maar het ou-
derlijk gezag kan niet, althans nietten 
volle, worden uitgeoefend. Het kan zelfs 
zo zijn dat er voor het gevoelen van het 
kind over de gehele linie zo'n ouderlijk 
gezag bestaat en dat het conflict er niet-
temin is doch zich bij voorbeeld slechts 
tot één voor het kind wezenlijk punt be-
perkt, zoals het zakgeld. 

Er is menigmaal alle aanleiding, te 
veronderstellen dat het kind na ver-
loop van enige tijd graag weer naar 
zijn ouders terug wil. Echter, men kan 
en mag dit niet forceren uit een oog-
punt van hulpverlening. Het wetsvoor-
stel beoogt een situatie te scheppen, 
waarbij de conflictsituatie kan afkoe-
len. Het mag niet wettelijk verplicht 
zijn het kind onmiddellijk, als was het 
een postpakketje, door de politie bij 
zijn ouders thuis te laten bezorgen. Dat 
is vragen om moeilijkheden en daar-
mee lost men geen enkele crisis op. 

Evenmin zou het alternatief mogen 
zijn, dat het kind onder toezicht van de 
kinderbescherming komt te staan. Dat 
zijn van die maatregelen die men al-
leen toepast als er werkelijk niets an-
ders meer opzit. 

Na beëindiging van de crisissituatie 
zal het kind in de praktijk dikwijls graag 
naar de ouders terug willen. Ik wijs er 
ten behoeve van de heer Van der Jagt 
echter op, dat dit niet de uitsluitende 
doelstelling van de hulpverlenende in-
stantie kan zijn. Die tracht immers in 
het belang van het kind en uiteindelijk 
in het belang van alle partijen een op-
lossing van het conflict aan de hand te 
doen. Een hulpverlener die het uitslui-
tend tot zijn taak zou rekenen het kind 
naar zijn ouders terug te praten, zou 
waarschijnlijk te kort schieten in zorg-
vuldigheid, althans naar mijn idee. 

Ik kom nu tot de beschouwing van 
de heer Diepenhorst, die inmiddels he-
laas deze Kamer heeft verlaten, maar 
ik begrijp dat mevrouw Leyten het van 
hem overneemt. Van zijn verhaal kan 
ik niet veel anders zeggen dan dat het 
op mij dezelfde sympathieke indruk 
heeft gemaakt als de beschouwing van 
mevrouw Evenhuis-van Essen in de 
Tweede Kamer. Zij zien het probleem 
wel evenals wij, echter blijven wij van 
mening verschillen op welke manier 
het tot een oplossing moet worden ge-
bracht. 

De heer Diepenhorst zei dat, als de 
minderjarige is weggelopen en bij 
hulpverleners aanklopt, hij of zij duide-
lijk, zoals de heer Diepenhorst dit zo 
beeldend uitdrukte, van kook of kalmte 
is en dat de wet dan als bedreigend 
wordt ervaren. Letterlijk zei de heer 
Diepenhorst: Wie zich over de desbe-
treffende minderjarige ontfermt en de-
ze verbergt, of althans diens verblijf-
plaats desgevraagd aan de politie niet 
noemt, is strafbaar. 
De heer Diepenhorst ziet die moei-
lijkheid dus wel degelijk. Hij hoopt al-
leen op een mildere jurisprudentie en 
hij ziet de uitspraak van het Bossche 
hof als een zwaluw die wellicht de len-
te aankondigt. Wij van onze kant heb-
ben nu juist van het begin af geconsta-
teerd, dat de jurisprudentie, zolang de 
wet niet wordt gewijzigd, die oplos-
sing niet bieden kan. Ook Minister Van 
Agt vestigde daarop nadrukkelijk de 
aandacht en hij heeft ten slotte de 
wenselijkheid en de onvermijdelijk-
heid van wetswijziging ingezien. Hij 
kwam zelfs met een voorontwerp, 
maar dat was zo ingewikkeld dat er 
eerder grotere rechtsonzekerheid zou 
zijn ontstaan dan kleinere rechtsonze-
kerheid, als het ooit tot wet zou zijn 
verheven. De kinderrechter zou de 
knoop hebben moeten doorhakken 
Eerste Kamer 

10 november 1981 

Minderjarigen 

54 




Roethof 

aan de hand van drie eisen. Ten eerste 
zou de kinderrechter moeten beoorde-
len, of hij de situatie die de hulpverlener 
heeft gecreëerd voor zijn verantwoor 
ding kan nemen. Ten tweede zou de 
kinderrechter in de eerste plaats de 
vraag moeten beantwoorden, of in het 
belang van het kind is gehandeld en 
ten derde zou de kinderrechter voor 
zich zelf bepaalde richtlijnen kunnen 
aanhouden, afhankelijk van plaatselij-
ke omstandigheden. Dit is een zeer 
verkorte versie van de drie meest es-
sentiële punten uit dat voorontwerp 
van Minister Van Agt. Vager en subjec-
tiever kan het niet; dan is ons voorstel 
een voorbeeld van precisie. 

Men heeft, aldus de heer Diepen-
horst, van de kant van het CDA, mei-
ding aan de Raad voor de Kinderbe-
scherming voorgesteld. Alleen wilde 
de Tweede Kamer die kant niet op. Het 
kan wellicht de heer Diepenhorst of 
thans mevrouw Leyten tot troost strek-
ken, dat die melding nu wel degelijk in 
het wetsvoorstel is opgenomen, zij het 
dat het een facultatieve mogelijkheid 
is. 

Ik ben eigenlijk al ingegaan op het 
betoog van de heer Heijne Makkreel 
die in deze discussie - ere wie ere toe-
komt" in feite de belangrijkste bijdra-
ge heeft weten te leveren. Hij heeft uit-
gelegd waarom de vorm waarin de 
tekst van artikel 280 ten slotte gegoten 
werd, op één onderdeel op te gebrek-
kige wijze was geformuleerd om de 
bedoeling van de indieners en van de 
Tweede Kamer nauwkeurig tot uit-
drukking te kunnen brengen. 

Ik moet heel eerlijk zeggen dat het 
voor mij gedurende enkele ogenblik-
ken een zekere teleurstelling was om 
hem te moeten aanhoren, want wij 
streven er per slot van rekening allen 
naar, ons werk zo goed mogelijk af te 
leveren. Wij zouden echter aan de an-
dere kant als indieners onder de maat 
gebleven zijn, als wij het daarbij had-
den laten zitten en dus hebben wij de 
weg gekozen van het repareren van de 
onvolkomenheid. 

De wijze waarop dit in de schrifte-
lijke voorbereiding van beide Kamers 
en in de openbare behandeling van de 
Tweede Kamer is verlopen, stemt ons 
alleen maar tot erkentelijkheid. 

D 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): Mijn-
heer de Voorzitter! Alvorens in te gaan 
op de vragen die gesteld zijn betreffen-
de de zorgvuldige hulpverlening, vra-
gen die onder andere nauw verweven 
zijn met andere vragen, zoals: wat zal 
de melding aan de Raad van Kinderbe-

scherming betekenen, wat is de positie 
van de verschillende hulpverleners, 
wil ik een aantal opmerkingen maken 
omdat sommige sprekers - onder an-
dere de heren Diepenhorst, Meuleman 
en Van der Jagt - eigenlijk het verwijt 
hebben uitgesproken dat wij het ou-
derlijk gezag willen ondermijnen. Ik wil 
ook ingaan op de opmerkingen van 
mevrouw Van der Meer, bij wier in-
breng ik mij in grote trekken aansluit. 

Het gaat hier om de wijziging van 
een artikel in het Wetboek van Straf-
recht, waarin degene die minderjari-
gen verbergt voor het wettig over hen 
gestelde gezag of onttrekt aan naspo-
ringen van justitie of politie, strafbaar 
wordt gesteld. In de praktijk nu is ge-
bleken dat dit artikel gehanteerd wordt 
- anders dan oorspronkelijk bedoeld — 
tegen diegenen, die minderjarigen die 
van huis zijn weggelopen, opvangen, 
hen proberen te begeleiden en een zo-
danige oplossing te vinden, dat het 
conflict tussen ouders en kind opge-
lost wordt. 

De wijziging die wij voorstaan is be-
doeld om voor deze hulpverleners in 
bepaalde omstandigheden een straf-
uitsluitingsgrond te scheppen. In die 
zin gaat het wetsontwerp over hulp-
verleners. Er wordt niets geregeld over 
ouderlijke .nacht, formeel juridisch 
niet. De heer Roethof heeft hierover 
ook gesproken. Wij stellen geen wijzi-
ging in het familierecht voor, dus er 
kan geen sprake zijn van een verande-
ring van het juridisch begrip ouderlijke 
macht. Verandering van de ouderlijke 
macht zal pas plaatsvinden, indien de 
ideeën van de commissie-Wiarda in 
wetgeving zullen worden vertaald. Er 
wordt geen zelfbeschikkingsrecht voor 
kinderen gecreëerd, zoals de heer 
Meuleman meende. 

De opvattingen omtrent mens en sa-
menleving zijn de laatste decennia in 
beweging geraakt, dit geldt voor vele 
terreinen van het maatschappelijk le-
ven, maar ook - en misschien met na-
me" wat betreft de relaties binnen een 
gezin. Relaties en verhoudingen zijn 
veranderd, onze wetgeving is daar niet 
altijd meer op toegesneden. Ook in het 
gezin, in de relatie tussen ouders en 
kinderen, is veel veranderd. De auto-
matische gezagsstructuur tussen ou-
ders en kinderen heeft plaats gemaakt 
voor een aantal afspraken, expliciet of 
op een subtiele wijze impliciet, over 
wat de kinderen wel mogen en moe-
ten, welke vrijheden en verplichtingen 
hun toegekend worden en waar de 
grens is. 

Ook in het rapport van de commis-
sie-Wiarda, waarop zou worden aan-
gesloten in de wetgeving, wordt ge-
sproken van een geleidelijk toekennen 
van rechten en plichten aan minderja-
rigen. Dit is echter geen begin van een 
maatschappelijke ontwikkeling, maar 
het onderkennen van een gegroeide 
realiteit. Zoals professor J. de Ruiter 
het destijds uitdrukte in de bundel 
'Jeugdrecht op een keerpunt' (1974): 
'Daarmee en met de erkenning van het 
volstrekt eigene van de verhouding 
van kinderen tot hun ouders en van 
het daaraan inherente ouderlijk gezag 
is een probleemstelling gegeven, die 
men elders in het recht niet vindt en 
die kan worden aangegeven met de 
volgende serie trefwoorden: bescher-
ming - mondigheid - gezag - gezin -
geschil.' 
Nu echter hoe langer hoe meer er-
kend wordt dat de minderjarige mon-
dig is - nogmaals, als resultante van 
een maatschappelijke ontwikkeling -
waarbij duidelijk is c.q. moet zijn dat 
het onzinnig is de minderjarige tot op 
de datum van zijn meerderjarigheid 
volstrekt onmondig te laten, is het hoe 
langer hoe meer onwenselijk, geschil-
len tussen ouders en kinderen te rege-
len door uitsluitend een beroep te 
doen op de ouderlijke macht. Er zijn 
spanningsvelden die vaak geschillen 
zullen opleveren, geschillen die in veel 
gevallen bespreekbaar zijn en na een 
fikse ruzie toch weer terugkomen op 
de relationale afspraken zoals die in 
het gezin gemaakt waren, zonder dat 
hulp van buitenaf of rechterlijke 
dwang nodig is. 

Als antwoord op de opmerkingen 
van de heren Diepenhorst en Meule-
man wil ik zeggen, dat wij helaas moe-
ten constateren dat in een aantal ge-
vallen de spanning tussen de eigen 
verantwoordelijkheid van het kind, het 
zoeken van een eigen weg en het zich 
onttrekken aan de alomtegenwoordige 
bescherming van de ouders in con-
frontatie met het gezag van de ouders, 
de macht de de bescherming, leiden 
tot meer ernstige conflicten. Wij kun-
nen er niet onderuit - wij willen en mo-
gen dit niet - deze kinderen hulp te ver-
lenen, evenals hun ouders. Beiden zit-
ten in een problematische conflictsitu-
atie. 

Het gezag zal in de loop der jaren 
veranderen naarmate de bescherming 
minder nodig en naarmate verant-
woordelijkheid van het kind groter 
wordt. Dit gezag - en ik doel hierbij op 
gezag in pedagogische en sociologi-
sche zin - kan niet in een juridisch be-
grip worden gevangen. 

Dit relaas onderstreept het feit dat 
het juridisch begrip ouderlijke macht 
op zichzelf geen garantie is voor de 
noodzakelijke bescherming en opvoe-

Eerste Kamer 

10 november 1981 

Minderjarigen 

55 




Haas-Berger 

ding door hen die door de wet met de 
macht bekleed zijn, maar bovendien 
dat de hulpverlening zo hard nodig 
kan zijn, juist ter bescherming van het 
kind. 

Uit de huidige stand van de jurispru-
dentie blijkt, dat die hulpverlening niet 
mogelijk is, indien het kind ter be-
scherming van zichzelf elders hulp in-
roept en de hulpverlener hem daarbij 
verbergt. Het getuigt van een gezond 
instinct tot zelfbehoud, indien de min-
derjarige niet lijdelijk afwacht tot ande-
ren - volwassenen - een maatregel 
uitlokken waardoor er ten aanzien van 
de ouders geen hulpverlening op gang 
komt en de relatie blijvend verstoord 
kan worden. 

Waar het hier, bij dit wetsontwerp, 
in feite om gaat is, dat in een aantal ge-
vallen de spanningen niet op een har-
monieuze wijze kunnen worden ontla-
den, maar uitlopen op een conflict dat 
aan kinderen noch ouders te wijten is 
en dat resulteert in het weglopen van 
het kind. Waar het om gaat, is, dat de-
ze kinderen in deze situatie hulp nodig 
hebben. 

Dat brengt mij op de inhoudelijke 
bespreking van de zorgvuldige hulp-
verlening, antwoord gevend aan me-
vrouw Van der Meer en de heren 
Heijne Makkreel en Meuleman. Ook wij 
zijn van mening dat hier een belangrij-
ke taak voor de rechter ligt om dit in te 
vullen. Er ligt echter al jurisprudentie, 
bij voorbeeld overwegingen van de 
rechtbank Leeuwarden terzake Julius 
v. d. Werf, waarbij men zich kan aan-
sluiten; bij de rechtsvinding is het bo-
vendien van belang wat in de schrifte-
lijke voorbereiding en de plenaire de-
batten is opgemerkt. 

Om het probleem duidelijk voor 
ogen te stellen: niet strafbaar is hij die 
een minderjarige verbergt in het kader 
van een zorgvuldige hulpverlening. 
Wij kunnen hierbij drie categorieën on-
derscheiden: 

1. de officiële maatschappelijk wer-
kers; 

2. de alternatieve hulpverlening; 

3. particulieren. 

Dus geen wettelijke status voor alle 
hulpverleners, zoals de heer Meule-
man vraagt. 

Het lijkt mij noodzakelijk deze groe-
pen te onderscheiden, omdat hierbij 
verschillende uitgangsstellingen en 
controlemogelijkheden in het geding 
zijn. Wij zijn ervan uitgegaan dat de 
hulpverleners zich controleerbaar 
moeten opstellen. Dit was niet zo maar 
uit onze duim gezogen: professor Van 
Veen in Proces, 1976, heeft dit met zo-
veel woorden genoemd, maar gezien 

de vragen, uit deze Kamer willen wij 
proberen in te vullen wat zorgvuldige 
hulpverlening inhoudt. 

In de memorie van toelichting en de 
memorie van antwoord hebben wij 
verwezen naar de Code voor het Maat-
schappelijk Werk; niet als enig criteri-
um, maar als richtlijn. 
Kijken wij nu naar de diverse soor-
ten hulpverleners en proberen wij in te 
vullen wat zorgvuldige hulpverlening 
is, dan blijven wij in eerste instantie bij 
ons eerder uitgesproken oordeel dat 
het begrip zorgvuldige hulpverlening 
moet worden ingevuld door de juris-
prudentie. De jurisprudentie heeft in-
derdaad enige duidelijkheid in deze 
materie geschapen en het begrip zorg-
vuldige hulpverlening enigszins inge-
vuld. 
Kijken we naar de eerstgenoemde 
categorie, de 'officiële' hulpverleners, 
de professionals, zij die een opleiding 
maatschappelijk werk hebben gehad. 
Dezen zullen zich veelal hebben aange-
sloten bij de Vereniging voor Maat-
schappelijk Werkers. Daarmee hebben 
zij zich akkoord verklaard met de Code 
voor Maatschappelijk Werkers. Ik heb 
het nu over de formele kant van de 
zaak; de inhoudelijke kant komt later 
aan de orde. 

Hoe men ook over tuchtrechtspraak 
moge denken, het blijft een feit dat 
men, althans intern met publikatie, 
een toetsing heeft geregeld. Ook dege-
nen die geen lid zijn kunnen voor het 
tuchtcollege worden gedaagd. Daar zij 
geen lid zijn staat het hun vrij te weige-
ren. Indien zij eventueel door de straf-
rechter getoetst zouden worden op de 
zorgvuldigheid van hun handelen, zal 
een dergelijke weigering reeds niet in 
hun voordeel werken. 

Dat wil niet zeggen dat de rechter de 
Code voor het Maatschappelijk Werk 
nu maar klakkeloos moet overnemen; 
de Code kan als richtsnoer gezien wor-
den. Ik zei reeds dat het begrip zorg-
vuldige hulpverlening verder ingevuld 
moet worden door de jurisprudentie. 

Indien we ons in ons wetsvoorstel 
zouden beperken tot de professionele 
hulpverlener, zou men hier wellicht 
verder geen problemen maken. Ech-
ter, laten we kijken waar we over pra-
ten. 

Ook de alternatieve hulpverlening 
wordt in conflictsituaties als de onder-
havigete hulp geroepen. Ook voor hen 
kan men de fundamentele eisen uit de 
Code als richtsnoer hanteren, met na-
me of de hulpverlening op gang komt 
en of de belangen van de cliënt en van 
diens omgeving in acht worden geno-
men. Juist de alternatieve hulpverle-
ning willen we er niet buiten laten om 

dat in een aantal gevallen de officiële 
hulpverlener als te hoogdrempelig 
wordt beschouwd, waardoor de kans 
bestaat dat de minderjarige helemaal 
niet bij enige vorm van hulpverle-
ning terechtkomt. Hierbij kan zich het 
gevaar voordoen dat de minderjarige 
het probleem voor zich zelf als nog gi-
gantischer beschouwt en dat hij nog 
moeilijker uit die massieve brok ellen-
de weet te komen. Dat is dan ook de 
reden dat wij ook de particuliere hulp-
verlening in principe niet willen uit-
schakelen. 

Kinderen lopen weg. Dat is geen ver-
schijnsel van de laatste tijd; zij hebben 
het altijd gedaan. Wel denk ik, dat het 
probleem de laatste decennia groter is 
geworden. 

Veel kinderen lopen weg, maar 
meestal slechts voor een korte tijd. 
Vaak lopen zij weg naar familieleden 
of bekenden. Soms zijn de ouders op 
de hoogte, vaak ook niet. Deze vorm 
van particuliere hulpverlening — dit uit-
huiladres - hebben wij bewust bij dit 
wetsvoorstel betrokken. Als deze hulp-
verlener weet aan te tonen dat de be-
langen van het kind bij haar of hem in 
goede handen waren, dan is er voor 
ons geen reden om haar of hem een 
principieel andere behandeling toe te 
kennen dan de professionele werker. 

Hoe moeten wij de zorgvuldige 
hulpverlening invullen? Het belang 
van de cliënt staat centraal bij de hulp-
verlening. Dat betekent dat de hulpver-
lener ervoor moet zorgen dat de hulp-
verlening inderdaad op gang komt. 
Hoe de hulpverlening zal verlopen, zal 
geheel van de situatie afhangen. 
Meestal betekent het dat het kind eerst 
tot rust moet worden gebracht. Daarna 
zal de hulpverlener er in een gesprek 
achter moeten komen wat het conflict 
is en met wie het in conflict is. Het kan 
voorkomen dat de hulpverlener van 
mening is dat de cliënt voorlopig niet 
terug naar huis kan, omdat op deze 
wijze - niet terug naar huis - de pro-
blemen het best uit de conflictsituatie 
kunnen worden gehaald. Dat houdt 
wel in dat er met collega's over ge-
sproken moet worden en dat de ver-
antwoordelijkheid moet worden ge-
deeld. Dit is de controleerbaarheid tij-
dens de hulpverlening. Ook in het ar-
rest van Julius v.d. Werf te Leeuwar-
den was dat een van de overwegin-
gen. Zowel bij de professionele als bij 
de alternatieve hulpverlening zal aan 
deze norm voldaan moeten worden. 

Bij de particulier ligt dat eigenlijk 
hetzelfde. Ook voor deze is het nodig 
dat hij of zij de zaken in eerste instantie 
bespreekt en ervoor zorg draagt dat de 
hulpverlening in gang wordt gezet. Dat 

Eerste Kamer 

10 november 1981 

Minderjarigen 56 




Haas-Berger 

gesprek kan bij voorbeeld worden ge-
houden met de huisarts van het kind, 
met de onderwijzer of met een ver-
trouwensarts. Het hangt ook af van de 
situatie waarin het kind verkeert; in 
wat voor toestand komt het kind aan 
en in wie heeft het vertrouwen? Wij 
moeten ons immers terdege realiseren 
dat een hulpverlener slechts in het al-
leruiterste geval iets mag doen zonder 
medeweten van de cliënt. Dat is een 
van de richtlijnen die gelden voor het 
maatschappelijk werk, vermeld in de 
Code. Wij moeten die richtlijnen wel 
degelijk hanteren. De algemene richt-
lijnen zullen moeten worden bekeken 
aan de hand van de ontstane situatie. 
Eén algemene regel, toegesneden op 
alle gevallen, is niet mogelijk. Wij spre-
ken over conflictsituaties, over relatie-
patronen waarin iets is misgegaan, 
over mensen die in zo'n situatie alle-
maal anders reageren. Eén bepaald 
optreden voorschrijven - hoe redelijk 
dit objectief ook mag lijken - kan in be-
paalde andere situaties de hulpverle-
ning voorgoed kapot maken. 

De geachte afgevaardigde de heer B. 
De Gaaij Fortman heeft opgemerkt dat 
het begrip 'zorgvuldige hulpverlening' 
niet hanteerbaar is. Mijn collega Roet-
hof is hierop al ingaan, maar ik kan 
nog zeggen dat ik meen duidelijk te 
hebben gemaakt dat het in de praktijk 
wél mogelijk is. Dat is ook gebleken. 

De heer De Gaay Fortman noemde 
twee criteria. Wat het eerste betreft, te 
weten of het verbergen geschiedt in 
het kader van hulpverlening, is hij er-
van overtuigd dat het gaat om het be-
lang van de minderjarige. Dit valt naar 
ons oordeel ook onder het begrip 
'zorgvuldige hulpverlening'. Zijn twee-
de criteria heeft betrekking op de goe-
de bedoelingen. Het moet volgens 
hem aldus worden uitgelegd dat er 
sprake moet zijn van 'een ernstig stre-
ven, de minderjarige ertoe te brengen 
zich eigener beweging weer te plaat-
sen onder het gezag van diegene die 
het wettig bevoegde gezag over de 
minderjarige uitoefende.' 

Ik meen dat beide criteria tegenge-
steld zijn aan elkaar. Er kunnen zich si-
tuaties voordoen waarin het streven 
van het tweede criterium in strijd is 
met het belang van de minderjarige. 
Soms kan het uitlokken van een maat-
regel meer in het belang zijn van de 
minderjarige dan het streven hem in 
ieder geval weer naar zijn huis en ou-
ders toe te praten. 

De 'goede bedoelingen' waarvan de 
heer De Gaay Fortman sprak; de inten-
ties alleen zijn niet genoeg. Men moet 
zich controleerbaar opstellen, en door 

bepaalde gedragingen duidelijk ma-
ken dat daarvan sprake is. Juist in het 
belang van de minderjarige en van de 
ouders is de 'zuiverheid van het oog-
merk' zoals de geachte afgevaardigde 
het noemde niet genoeg. Ik verwacht 
dat hij dit eigenlijk met ons eens zal 
zijn, omdat ook hij de 'goede bedoelin-
gen' nader wil invullen met zijn twee-
de criterium. Alleen, met zijn interpre-
tatie daarvan ben ik het niet eens. 

Ik meen dat ik hiermee ook de heer 
Meuleman heb geantwoord op zijn 
vraag of de hulpverlening uitsluitend 
gericht zou moeten zijn op het herstel 
van de verbroken gezinsrelatie. Alge-
mene richtlijnen kunnen als richtsnoer 
worden gebruikt. Het kan echter nooit 
de bedoeling zijn, algemene richtlijnen 
tot absolute waarheden te verheffen, 
gezien het feit dat er zo veel verschil-
len tussen de ene en de andere situatie 
bestaan. 

Een ander aspect van de zaak is of 
de ouders moeten worden ingelicht. In 
antwoord op vragen van de heer De 
Gaay Fortman merk ik het volgende 
op. Hij meent dat de rechter wordt op-
gezadeld met een onbehoorlijke wet-
geving, doordat het melden aan de ou-
ders tot een bestanddeel van de 'zorg-
vuldige hulpverlening' is gemaakt. De 
melding aan de ouders is juist opgeno-
men om hen gerust te stellen. Het is in 
ons rechtssysteem niet vreemd, een 
element te noemen en de rechter te la-
ten uitmaken of daarvoor eventueel 
een rechtvaardigingsgrond bestaat. 
Volgens het Landelijk Overleg Alterna-
tieve Hulpverlening kan de verplichte 
melding problemen opleveren in het 
kader van de zorgvuldige hulpverle-
ning. 

Ik realiseer het mij heel goed dat dit 
gevaar zich in sommige gevallen zou 
kunnen voordoen, met name wanneer 
ouders zich niet neerleggen bij de situ-
atie. Het zou echter te gemakkelijk zijn, 
het wetsontwerp dan maarte verwer-
pen, zeker nu is gebleken dat er op dit 
moment geen eenduidige jurispruden-
tie bestaat maar, integendeel, één 
waarmee wij niet uit de voeten kun-
nen. Het zou evenmin recht doen aan 
al die kinderen in die situaties wie wel 
een goede hulpverlening zou kunnen 
worden geboden. 

Nu het amendement-Patijn is aange-
nomen en nu alle bezwaren van deze 
Kamer door het indienen van dit, nieu-
we, wetsontwerp hopelijk uit de weg 
zijn geruimd, wordt één element van 
de zorgvuldige hulpverlening expliciet 
genoemd. Zoals wij uitvoerig hebben 
betoogd in de Tweede Kamer en zoals 
wij ook hier nogmaals benadrukken, 
zal de zorgvuldige hulpverlening er in 

een groot aantal gevallen op gericht 
zijn, de relatie tussen de ouders en het 
weggelopen kind te herstellen. Een on-
derdeel van die hulpverlening is, dat 
de ouders gerustgesteld worden - dat 
zij weten dat het kind terecht is. 

Een opsomming van alle elementen 
van de zorgvuldige hulpverlening is 
niet mogelijk. Een aantal elementen 
wil ik nog samenvatten: 
1. De hulpverlener dient zo spoedig 
mogelijk contact op te nemen met ou-
ders of voogd. 
2. De ouders of voogd dienen in het 
hulpverleningsproces te worden be-
trokken. 

3. Bij langdurige hulpverlening 
moet worden nagegaan of een maat-
regel van kinderbescherming geboden 
is. 

4. De hulpverlener dient zich te hou-
den aan de code voor het maatschap-
pelijk werk. 

5. De hulpverlener moet zich con-
troleerbaar opstellen. 

Mijnheer de Voorzitter! De vraag is 
gesteld: Wie controleert dit dan wel? 
De controle, zoals deze door ons is 
voorgesteld, geschiedt achteraf door 
de strafrechter. De strafrechter geeft 
een toetsing achteraf, indien de ver-
volging tegen de hulpverlener in gang 
is gezet. 

Ik meen duidelijk te hebben gemaakt 
dat met name ook particulieren in de 
hulpverlening, juist waar het niet om 
zulke dramatische toestanden hoeftte 
gaan, veel goed werk doen. Maar ook 
zij moeten zich controleerbaar opstel-
len. 

Dit kan zijn - ik heb dit gezegd - dat 
zij anderen inlichten. Ook kan het zijn 
dat het kind - nadat het lekker is uitge-
huild - weer wordt teruggebracht. Het 
kan ook zijn dat men denkt: dit pro-
bleem gaat mijn krachten te boven, ik 
meld het aan bij een andere hulpverle-
ningsinstantie, ik meld het aan bij de 
politie, ik meld het bij de Raad voor de 
Kinderbescherming. Het is aan de 
strafrechter, óók bij de particuliere 
hulpverlener, om dit achteraf in te vul-
len. 

Het is juist dat men met deze proce-
dure niet kan bewerkstelligen dat men 
zijn kind weer naar huis kan terugvoe-
ren en dat het gehalte van de hulpver-
lening pas achteraf, door de strafrech-
ter, wordt onderzocht, als het kind is 
opgespoord. Echter, men kan altijd via 
een civielrechtelijke procedure probe-
ren zijn kind terug te krijgen. De op-
sporing staat geheel los van de straf-
rechtelijke toetsing. Die opsporing 
door de politie kan toch wel gebeuren 
en zal ook soms wel gebeuren, afhan-
kelijk van het feit of de ouders dan wel 

Eerste Kamer 

10 november 1981 

Minderjarigen 

57 




Haas-Berger 

de inrichting waaruit het kind is weg-
gelopen daarom verzoeken, afhanke-
lijk ook van de leeftijd en afhankelijk 
van de omstandigheden. Zo althans is 
het vaak in de praktijk, gezien de af-
spraken die gemaakt zijn. Als de politie 
weet dat het kind in een zorgvuldig 
hulpverleningssysteem zit, laat men 
het daar rustig zitten. 

Er zijn vele vragen gesteld over de 
positie van de Raad voor de Kinderbe-
scherming. Opgemerkt is dat de eis 
van de zorgvuldige hulpverlening niet 
wordt gesteld aan degene die de Raad 
verwittigt van de verblijfplaats van de 
minderjarige. Ook zijn hierover vragen 
gesteld door mevrouw Van der Meer 
en door de heer Diepenhorst. Ik wil 
niet verhelen, mijnheer de Voorzitter, 
dat het opnemen van de melding bij 
de Raad als strafuitsluitingsgrond niet 
onze voorkeur genoot. De heer Roet-
hof is er zoeven op ingegaan. Maar 
het kan ook geen kwaad. De melding is 
aanvaard door de Kamer, die daarme-
de een suggestie volgde van de heren 
Enschede en Van de Werk. Zij analy-
seerden de situatie en maakten onder-
scheid tussen een bestuursrechtelijk 
politieconflict en een strafrechtelijk 
justitieconflict. 

In de eerste situatie is de politie ge-
houden - als ouders daarom verzoe-
ken - het kind op te sporen. De politie 
heeft daarbij aanspraak op inlichtin-
gen, die de bonafide hulpverlener -
vaak om zorgvuldige hulpverlening 
niet te frustreren — kan weigeren te ge-
ven. Deze valt daardoor onder de de-
liktsomschrijving van artikel 280 Wet-
boek van Strafrecht. De politie zal 
doorgaan met het opsporen, hetgeen 
slecht is of kan zijn voor de hulpverle-
ning. 

Om nu een uitweg uit dit politiecon-
f liet te bieden, is de melding van de 
verblijfplaats van het weggelopen kind 
aan de Raad geïntroduceerd. De politie 
kan nagaan of de raad weet waar het 
kind zit. In dat geval kunnen de naspo-
ringen door de politie worden ge-
staakt. Omdat de strafbepaling niet 
meer van toepassing is, stopt ook de 
nasporing; tot een justitieconflict kan 
het niet meer komen. 

De zaak wordt daardoor uit de straf-
rechtelijke sfeer gehaald en in de ci-
vielrechtelijke sfeer geplaatst waar-
door hij controleerbaar wordt ge-
maakt. Mevrouw Van der Meer heeft 
gevraagd, wat de raden voor de kin-
derbescherming met de melding 
doen. Wat mijn antwoord betreft, kan 
ik mij aansluiten bij de algemene op-
merkingen die daarover door de heer 
Glastra van Loon zijn gemaakt. Wij 

kunnen slechts globaal zeggen, dat de 
raad voor de kinderbescherming de 
kaart van de in de regio werkzame in-
stellingen op het gebied van de hulp-
verlening kent. Hij kent daarnaast de 
plaatselijke situatie en kan dus worden 
geacht in staat te zijn te beoordelen of 
van bonafide hulpverlening sprake is. 
De hulpverlener zal zelf moeten beoor-
delen of hij de raad de verblijfplaats 
meedeelt. Doet hij dat niet - bij voor-
beeld als hij het vermoeden heeft dat 
de raad zal ingrijpen, omdat er een 
maatregel tegen het kind bestaat - dan 
zal hij het op een justitieconflict laten 
aankomen en alsnog zijn zorgvuldige 
hulpverlening kunnen aantonen. 

Ingaand op de concrete vragen van 
mevrouw Van der Meer wil ik opmerken 
dat ook bij de raad maatschappelijk 
werkers werken. Zij zullen en moeten 
eveneens volgens de code werken. Zij 
zullen heel goed weten welke hulpver-
leninginstanties 'gewone' en 'alterna-
tievere' zijn. Zij zullen ook weten of, en 
zo ja, welke werkafspraken er zijn met 
de politie. Indien er geen enkele reden 
is te twijfelen aan de hulpverlener, zal 
er voor de raad geen enkele aanleiding 
zijn om stappen te ondernemen. De 
raad zal de politie - indien deze vraagt 
of er gemeld is - op de hoogte stellen 
van de melding. 

Uiteraard zal de raad, indien het ver-
moeden bestaat dat het kind aan het 
over hem gestelde gezag is onttrokken 
- bij voorbeeld als hij valt onder de de-
lictomschrijving van artikel 279 - daar-
van melding doen aan de politie. Ook 
kan in malafide gevallen, ondanks de 
melding, een vermoeden van andere 
strafbare feiten aanwezig zijn. Ik heb 
hiermee ook geantwoord op de vragen 
van de heer De Gaay Fortman, die het 
Landelijk Overleg Alternatieve Hulp-
verlening citeert en zegt, dat de raden 
niet weten wat zij met de melding aan 
moeten. 

Ik heb er al de nadruk op gelegd, dat 
de raden werken in het kader van een 
zorgvuldige hulpverlening. Eén van de 
elementen daarvan is, dat de ouders 
op de hoogte worden gesteld van het 
feit dat het kind terecht is. Of kinderen 
die onder toezicht staan dan wel in kin-
dertehuizen verblijven door de raad 
worden teruggehaald, is natuurlijk op 
dit moment op geen enkele wijze te 
zeggen. Wèl wil ik hierbij enkele kant-
tekeningen maken. De politie heeft 
krachtens artikel 280, Wetboek van 
Strafrecht geen taak meer als bonafide 
hulpverleners in het geding zijn en als 
aan de raad is gemeld. Door de mei-
ding is het politieconflict opgelost. De 
wijze waarop de raaa of de door de 
rechter benoemde voogd dit kan doen, 

is via de civiele rechter, op dezelfde 
wijze als de ouders. 

Wij moeten er ons echter wel reken-
schap van geven, dat men er meer bij 
is gebaat - ook de raad voor de kinder-
bescherming en de directies van de 
kindertehuizen - dat het conflict wordt 
opgelost en dat de relatie weer wordt 
hersteld dan dat ruwweg een einde 
wordt gemaakt aan een hulpverle-
ningsproces, ook als er sprake is van 
een onder-toezichtstelling. De oplos-
sing van het conflict zou wel eens gele-
gen kunnen zijn in plaatsing in een an-
der tehuis of in een pleeggezin. Al die 
situaties kunnen zich voordoen. Gelet 
echter op de diversiteit van de situ-
aties is het onmogelijk nu hier aan te 
geven, hoe de raad zou moeten optre-
den. Ik wil wel duidelijk maken dat het 
voor de hulpverlener geen verschil 
maakt of de minderjarige uit het ou-
derlijk huis dan wel uit een inrichting is 
weggelopen. De hulpverlener zal op 
dezelfde wijze gehouden zijn zorgvul-
dig hulp te verlenen. 

In antwoord op de vraag van me-
vrouw Van der Meer, of de confronta-
tie van de ouders met de raad niet be-
dreigender is dan die met de politie 
moet ik zeggen, dat er een aantal ra-
den is dat een slechte naam heeft. In 
dit kader gaat het echter niet om een 
confrontatie met de raden. De bedoe-
ling is dat de hulpverlening op gang 
wordt gezet en dat de hulpverlener dit 
kan doen zonder met de strafwet be-
dreigd te worden. Een maatregel enkel 
en alleen omdat het kind is weggelo-
pen lijkt mij extreem en niette vrezen. 
Liep het kind echter terecht weg, bij 
voorbeeld omdat het werd mishan-
deld - dat kan gebeuren - dan kan een 
maatregel terecht zijn, maar in zo'n si-
tuatie zullen ook de hulpverlener, de 
politie en de raad tot de overtuiging 
kunnen komen dat een uithuisplaat-
sing juist in het belang van het kind 
noodzakelijk is. 
Mevrouw Van der Meer heeft een 
ander probleem aangesneden dat tot 
nu toe onderbelicht is gebleven, na-
melijk het probleem of, als een kind 
van gescheiden ouders naar de ouder 
loopt die niet met de voogdij is belast 
en daar om hulp vraagt, die ouder zich 
dan ook op zorgvuldige hulpverlening 
kan beroepen. Dat kan men inderdaad, 
maar- laten we reëel zijn -een van de 
elementen is dat men contact op-
neemt met de met de voogdij belaste 
andere ouder en een ander kan zijn het 
herstellen van de relatie, althans het 
oplossen van het conflict. Het is aan de 
rechter ter beoordeling, of dat het ge-
val is. Er hebben zich situaties voorge-
daan, waarin de niet met de voogdij 
Eerste Kamer 

10 november 1981 

Minderjarigen 

58 




Haas-Berger 

belaste ouder het kind heett meegeno-
men. Dan kan men ertoch moeilijk 
vanuit gaan, dat het doel daarvan is 
het oplossen van het conflict tussen 
het kind en de met de voogdij belaste 
ouder. De onttrekking moet geschie-
den in het kader van de zorgvuldige 
hulpverlening. Het is de vraag of dat 
altijd het geval is. De andere ouder, de 
onttrekker, kan natuurlijk ook de ver-
blijfplaats van het kind aan de Raad 
voorde Kinderbescherming melden. 
Het is dan aan de raad te bezien, hoe 
het civielrechtelijk vonnis van toewij-
zing aan de voogd moet worden geëf-
fectueerd. Gezien het feit dat de raad 
advies heeft uitgebracht aan de kinder-
rechter, zal ook die raad van de gezins-
situatie op de hoogte zijn. Wat er ver-
der moet gebeuren ligt in de civiel-
rechtelijke sfeer. Ik geef direct toe dat 
bij een echtscheiding meestal grote 
problemen ontstaan over de vraag, 
aan wie de kinderen moeten worden 
toegewezen, gevolgd door een voort-
durend touwtrekken om die kinderen. 
Tot nu toe is dat gelukkig nog niet ge-
volgd door een strafrechtelijke proce-
dure ex artikel 280 van het Wetboek 
van Strafrecht. Daarin ligt de oplos-
sing ook niet. Op dit stuk van het fami-
lierecht wordt een oplossing gezocht 
door middel van het bij de Kamer inge-
diende wetsontwerp betreffende het 
omgangsrecht. 

De heer Diepenhorst besloot zijn in-
breng in de eerste termijn met onder 
andere de opmerking dat er behoefte 
is aan een generale herziening van het 
jeugdrecht. 

Wij zijn dat volledig met hem eens. 
Echter, deze gehele materie is zo com-
plex, dat wij ook nu al wetsontwerpen 
hebben behandeld die een gedeelte 
van de rechtspositie van de minderja-
rigen regelen, onder andere het beklag 
recht en het hoorrecht. Eén wets-
ontwerp over deze hele materie is on-
doenlijk. Het is dan vrij logisch ook dit 
wetsvoorstel, dat de positie van de 
hulpverlener regelt en daarbij garan-
ties beoogt te scheppen voor de hulp-
verlening, afzonderlijk te behandelen 
en ik hoop aan te nemen. 

D 

De heer DeGaay Fortman (PPR): Mijn-
heer de Voorzitter! Ik dank de beide in-
dieners voor de uitvoerige beantwoor-
ding van de vragen die ik in eerste ter-
mijn heb gesteld. Ik maak gaarne ge-
bruik van de mogelijkheid daarop 
weer in te gaan. 

Allereerst wil ik iets zeggen over het 
wetsvoorstel als zodanig. Er is met het 
wetsvoorstel, aldus de heer Roethof, 

vrijwel alles gebeurd wat met een 
wetsontwerp kan gebeuren. De nadruk 
ligt op het woord 'vrijwel'. Er is geen 
hoorzitting over gehouden, iets waar 
onze Kamer ook al een zekere ervaring 
in begint op te doen. Die hoorzitting is 
niet gehouden, hoewel ons toch wel 
van buitenaf brieven over deze zaak 
hebben bereikt, brieven overigens van 
een zo grote helderheid dat wij die 
hoorzitting gelukkig konden missen. 

Na de eerste termijn hebben de heer 
Roethof en mevrouw Haas schorsing 
van de beraadslaging gevraagd hier 
en een geheel nieuw wetsontwerp in-
gediend aan de overzijde van het Bin-
nenhof. Ik zie nog niet geheel het ver-
schil met wat dan een novelle pleegt te 
heten. Ik weet wel dat het nu om een 
geheel nieuw wetsvoorstel gaat, maar 
ik zie het verschil niet vanuit het oog-
punt van de bezwaren die wij wel eens 
horen tegen het zogenaamde verkapte 
amendement van de Eerste Kamer. In 
beide gevallen komt het op precies 
hetzelfde neer: het is niet de Eerste Ka-
mer die amendeert, het is de Eerste 
Kamer die laat merken, hoe zij denkt 
over een wetsontwerp. Als een deel 
van de Eerste Kamer laat merken dat 
de onoverkomelijke bezwaren op een 
bepaald punt liggen, dan is het aan de 
indieners om daaruit de conclusie te 
trekken: wij laten het helemaal schie-
ten, dan wordt het hier verworpen of: 
wij gaan op dat punt komen tot een 
wijziging en dan zal het ook wel de Eer-
ste Kamer passeren. Dat is volstrekt 
aan de indieners om te beoordelen. In 
geen van beide gevallen, of men nu 
het wetsontwerp wijzigt of een geheel 
nieuw gewijzigd wetsontwerp indient, 
kan worden gesproken van een ver-
kapt recht van amendement, wel van 
een binnen ons staatsbestel volstrekt 
aanvaardbare novelle-procedure. 

Als men de weg wil gaan van een ver-
vangend wetsontwerp, dan is het be-
ter, het ontwerp dat er eerst ligt te la-
ten verwerpen. Dat vind ik een heldere 
procedure. Er ligt een ontwerp, men 
kiest voor de indiening van een heel 
nieuw ontwerp, laat het eerste dan 
hier in stemming komen. Dat had kun-
nen gebeuren. Als evenwel de indie-
ners schorsing van de beraadslaging 
vragen, ligt het in feite voor de hand, 
dat zij komen met een novelle op het 
reeds ingediende ontwerp. 

De heer Roethof (PvdA): De heer De 
Gaay Fortman spreekt over verkapt 
amendement en over amendements-
recht, maar ik heb dat niet ingevoerd. 

De heer De Gaay Fortman (PPR): Nee, 
maar de heer Roethof heeft problemen 
laten blijken met het teruggaan naar 

de Tweede Kamer en hij meent dat die 
problemen voor hem wat minder gel-
den a) omdat het slechts een vormfout 
betrof en b) omdat hij de procedure 
van een geheel nieuw wetsvoorstel 
heeft gekozen. Wat dit laatste betreft, 
meen ik dat er werkelijk geen verschil 
is tussen wat u hebt gedaan of het in-
dienen van een novelle of gewijzigd 
ontwerp. 
Ik kom tot het eerste, de vormfout. U 
vroeg mij hoe ik stond tegenover de 
bijdrage van de heer Heijne Makkreel. 
Intussen hebt u die zelf al de prijs voor 
de beste bijdrage aan de gedachten-
wisseling uitgereikt. Ik meen dat de 
heer Heijne Makkreel een heel duidelij-
ke, onweerlegbare, taalkundige inter-
pretatie van een artikel in het wets-
ontwerp heeft gegeven, maar zelfs dan 
ben ik niet van mening dat dit verplicht 
tot een wijziging. Als namelijk èn de in-
dieners èn de beide Kamers duidelijk 
maken hoe ZIJ een bepaald artikel in-
terpreteren, dan is het ondenkbaar dat 
de rechter zuiver taalkundig zal gaan 
interpreteren. Wat dat betreft, is het 
niet nodig, maar ik geef toe dat het er 
wel mooier op geworden is. 
Mijnheer de Voorzitter! Ik kom nu op 
de wat verdergaande inhoudelijke be-
zwaren, zoals die destijds niet alleen 
door mijn fractie, maar ook door de 
VVD-fractie naar voren zijn gebracht. 
Die bezwaren betreffen het begrip 
'zorgvuldige hulpverlening', het wer-
ken daarmee door de strafrechter, de 
meldingsplicht aan de ouders en de 
keuzemogelijkheid tussen twee wegen 
die mensen kunnen bewandelen bij 
wie zich weggelopen minderjarigen 
bevinden. 

Allereerst het begrip 'zorgvuldige 
hulpverlening'. Mijn bezwaar is niet 
dat dit een algemeen begrip is, al vind 
ik dat wij in het bijzonder in het straf-
• recht buitengewoon voorzichtig moe-
ten zijn met het introduceren van alge-
mene begrippen. In het strafrecht 
dwingt artikel 1 ons zo nauwkeurig 
mogelijk te zijn in de delictsomschrij-
ving en zo min mogelijk te vertrouwen 
op de jurisprudentie die wel zal ko-
men. 

De bezwaren zijn veeleer tweeërlei: 
in de eerste plaats is zorgvuldige hulp-
verlening een in het maatschappelijk 
verkeer toepasbaar begrip. Niemand 
onder ons zal zeggen dat aan minder-
jarigen die in buitengewoon explosie-
ve gevoelssituaties verkeren, geen 
hulp moet worden verleend. Natuurlijk 
moet dat zorgvuldig gebeuren. Het be-
zwaar is dat de strafrechter met de in-
vulling van dat begrip wordt opgeza-
deld. 

Eerste Kamer 

10 november 1981 

Minderjarigen 

59 




De Gaay-Fortman 

Er mag hier wel verwezen worden 
naar een code voor het maatschappe-
lijk werk, maar uiteindelijk blijft ook 
mevrouw Haas keer op keer zeggen: 
het zal moeten worden ingevuld door 
jurisprudentie. En dat is jurisprudentie 
van de strafrechter. De strafrechter is 
niet de eerst aangewezene om zich te 
gaan buigen over de vraag wat is zorg-
vuldigheid in de hulpverlening? Hoe 
werken die zaken in de praktijk? Er ko-
men richtlijnen. Het is niet in de eerste 
plaats de strafrechter die zoiets gaat 
doen; het openbaar ministerie gaat 
zich erin verdiepen; Officieren van 
Justitie. 

In Breda is dit nu precies gebeurd. Ik 
denk dat de indieners ook wel een 
schrijven hebben gekregen van de 
Vereniging Landelijk Overleg Alterna-
tieve Hulpverlening. Hieraan is toege-
voegd een afschrift van een brief van 
het arrondissementsparket te Breda, 
aan het Jongerenadviescentrum te 
Breda. Daarin staat dat nu reeds - dus 
voordat de Eerste Kamer een eindoor-
deel heeft gegeven - het openbaar mi-
nisterie vindt dat het onder meer moet 
worden nagegaan of hulpverlening zorg-
vuldig is geweest. Het komt immers op 
een optreden van de politie aan. Men 
heeft dan graag heel exacte definities. 
Er worden dan twee overwegingen ge-
noemd. 

In de eerste plaats zegt het parket in 
Breda, dat de hulpverlening aan min-
derjarigen die uit een inrichting zijn 
weggelopen een verhoogd risico van 
ingrijpen door politie en justitie met 
zich brengt, omdat aan deze categorie 
minderjarigen reeds professionele 
hulp wordt verleend. Hierbij wordt de 
invulling van het criterium voor 'zorg-
vuldige hulpverlening' dus toegespitst 
op de vraag waar die minderjarigen 
vandaan komen. 

In de tweede plaats is er de vraag 
waar zij naartoe gaan. De neiging be-
staat daar om de opvangadressen in 
kaart te brengen en die te 'screnen'. 
Van te voren wordt bekeken van welke 
adressen kan worden aangenomen, 
dat de hulpverlening daar wel zorgvul-
dig geschiedt. 

Op zo'n manier gaat het parket wer-
ken met het begrip 'zorgvuldige hulp-
verlening'. Dit gebeurt voordat de 
strafrechter hieraan te pas is gekomen. 
Natuurlijk zal de strafrechter dit alles 
moeten sanctioneren. Wij moeten ons 
evenwel geen illusies maken ten aan-
zien van de vraag, of de strafrechter 
dan wel het openbaar ministerie goed 
geëquipeerd is om het begrip 'zorgvul-
dige hulpverlening' inhoud te geven. 

Ik heb hier gezegd, dat het bij het heel 
simpele doel van het wetsontwerpje 
eigenlijk om slechts twee dingen gaat: 

a. wordt er hulp verleend en 

b. gebeurt dat bonafide? 

Ook de kinderrechters spreken in 
hun advies uit, dat het uitermate moei-
lijk zal zijn om het begrip 'zorgvuldige 
hulpverlening' inhoud te geven in de 
rechtspraak. Zij zeggen echter: waarop 
het aankomt, is: was er sprake van 
'goede bedoelingen'? 

Mevrouw Haas heeft het criterium 
dat ik heb genoemd in twijfel getrok-
ken. Dat criterium is afkomstig uit het 
arrest van het Hof in Den Bosch. Het is 
misschien goed voor de discussie van 
vandaag, dat arrest nauwkeurig te be-
zien. Het gaat om een meisje dat uit 
een inrichting is weggelopen. Zij komt 
op een adres terecht, dat men verbor-
gen weet te houden voor de directie 
van het tehuis en voor de kinderrech-
ter. Vervolgens spreekt het Hof over 
artikel 280 van het Wetboek van Straf-
recht. 

In dat artikel gaat het er volgens het 
Hof om, dat die 'verbergers' de opzet 
hebben, een minderjarige aan het wet-
tige over die persoon gestelde gezag 
te onttrekken. Vervolgens gaat het Hof 
na, of hiervan sprake is geweest in het 
onderhavige geval. Ik zal de overwe-
ging van het Hof citeren. Ik bied bij 
voorbaat mijn verontschuldigingen 
aan voor de dubbele participium-con-
structie. Onze arresten worden name-
lijk nog niet in gelukkig Nederlands ge-
formuleerd. Het Hof zegt, dat die ver-
dachten 'hun handelen omgevende 
met waarborgen voor het welzijn van 
de betrokken minderjarige en op zorg-
vuldige wijze de belangen van deze 
minderjarige enerzijds en het gewicht 
van de ook op die belangen gerichte 
bevoegdheid van de overheid ander-
zijds tegen elkaar afwegende, er ern-
stig naar hebben gestreefd, deze min-
derjarige ertoe te brengen, dat zij zich 
eigener beweging wederom onder het 
gezag zou plaatsen van degene die het 
wettige gezag bevoegd over haar uit-
oefende.' 

Met andere woorden: de verdachten 
waren gericht op het welzijn van de 
minderjarige; zij beseften dat er niet 
alleen de minderjarige was, maar ook 
de relatie met degenen die hun gezag 
daarover uitoefenden; zij hebben die 
belangen zorgvuldig afgewogen. Dat 
heeft hen in dit geval ertoe gebracht, 
ernstig te streven naar het herstel van 
die betrekking. Overigens is dit later 
mislukt. 
Mevrouw Haas heeft gezegd, dat 
men niet altijd ernstig behoeft te stre-
ven naar herstel van de relatie. Wat ik 
haar gaarne nageef, is, dat er situaties 
zijn, waarin men daaraan inderdaad 
niet zal beginnen. Als een kind is weg-
gelopen uit een situatie die niet anders 
kan worden gekenschetst dan als kin-
dermishandeling, begint men niet met-
een te trachten, de relatie te herstel-
len. 

De hulpverlener zal dan veeleer, zo-
als mevrouw Haas-Berger ook zegt, uit 
zijn op het uitlokken van een maatre-
gel. Het arrest spreekt echter in feite 
over een nieuwe relatie van een min-
derjarige met een bepaald gezag, zoals 
dit er volgens de huidige wettelijke re-
geling steeds moet zijn. Met andere 
woorden: het is een streven naar een 
nieuwe ordening van de betrekkingen. 
Als mevrouw Haas-Berger dan spreekt 
van het uitlokken van een maatregel, 
dan gaat het om een streven naar nieuwe 
ordening van de betrekkingen. Dat valt 
dus onder de criteria. 

Dan kom ik nu terecht bij de opmer-
kingen die de heer Roethof maakte 
over dit arrest van het Hof van 's-Her-
togenbosch. Ik betreur het met hem 
dat de vraag niet aan de Hoge Raad is 
voorgelegd. Naar mijn mening gaat er 
echter wel degelijk rechtsvormende 
werking van het arrest uit. Al conclu-
deert het uiteindelijk tot vrijspraak, het 
zegt dat het moet gaan om een opzet-
telijk verbergen. Als nu mensen ge-
richt op het belang van de minderjari-
gen, ook afwegende de belangen van 
het gezag, wat hen er zelfs nog toe 
brengt een poging te doen tot een 
nieuwe ordening van de betrekkin-
gen, optreden, dan ontbreekt de gehe-
le opzet uit artikel 280 van de Strafwet. 
Dan is dus het gestelde in de dagvaar-
ding, de opzet, niet door de feiten on-
dersteund. Dan concludeert het hof tot 
vrijspraak. Er is daarna een zaak ge-
weest in Breda. Dat was echter geen 
zaak bij het Hof. Ik zie nog niet in waar-
om wij het arrest van het Hof verder 
helemaal moet vergeten. 

Het Hof spreekt overigens niet van 
zorgvuldige hulpverlening. De heer 
Roethof zei dit zojuist. Het Hof werkt 
met het criterium dat men de belangen 
op zorgvuldige wijze tegen elkaar 
moet afwegen. Dat is heel iets anders. 
Dat kan men zich voorstellen. In het ka-
der van de vraag of iemand strafbaar 
is of niet, kan men zich een dergelijke 
belangenafweging bij de strafrechter 
voorstellen. Dat is iets anders dan de 
eis van een zorgvuldige hulpverlening. 

Er zijn in de Tweede Kamer twee 
amendementen ingediend. Dat is aller-
eerst het amendement van de heer Pa-
tijn, waarin de meldingsplicht aan de 
ouders wordt opgelegd. Uit een oog-
punt van juridische constructie heb ik 

Eerste Kamer 

10 november 1981 

Minderjarigen 

60 




De Gaay Fortman 

daar bezwaren tegen. Ik vind het on-
gelukkig dat wij een op zich zelf vaag 
en algemeen begrip hanteren, maar 
dat niet consequent doen en het par-
tieel gaan definiëren. Het is nu duide-
lijk niet volledig gedefinieerd. Dat was 
het bezwaar van de heer Heijne Mak-
kreel. In het nieuwe wetsontwerp is 
het partieel gedefinieerd. Ik vind dit ju-
ridisch een ongelukkige constructie. 
Als er voorbeelden zijn waar meer met 
deze ongelukkige constructie is ge-
werkt, hoor ik dat graag. Ik kan mij ech-
ter niet voorstellen dat dit verder ook 
het geval is. 

Inhoudelijk betekent het amende-
ment-Patijn dat men absoluut ver-
plicht is de ouders in te lichten. Laat 
men dat zich voorstellen in een situatie 
van uitgesproken kindermishandeling. 
Men gaat dan de vader opbellen om te 
melden dat aan zijn zoon, die hij zo-
juist in elkaar heeft geslagen, hulp 
wordt verleend. Dan vraagt men toch 
om een nieuwe explosie. Die man kan 
dan ik weet niet wat gaan doen. Er zijn 
duidelijk situaties denkbaar waarin de 
meldingsplicht niet goed werkt. En 
toch is die meldingsplicht wettelijk 
voorgeschreven. Ik vind dat een 
belangrijk bezwaar tegen het ontwerp. 

Het tweede amendement dat is inge-
diend in de Tweede Kamer is het 
amendement-Nijpels. Daarin worden 
twee wegen opengelaten. Als wij er ze-
ker van willen zijn dat wij niet straf-
rechtelijk vervolgd worden wanneer 
zich bij ons een weggelopen minderja-
rige bevindt, dan kunnen wij twee din-
gen doen. Wij kunnen zorgvuldig hulp 
gaan verlenen of wij kunnen de Raad 
voor de Kinderbescherming inlichten. 
Juridisch-theoretisch hebben de heren 
Heijne Makkreel en Glastra van Loon 
volstrekt gelijk als zij zeggen dat er 
geen sprake meer kan zijn van opzette-
lijke verberging als tot inlichting wordt 
overgegaan. 

D 

Daarmee is echter de vraag naar de 
praktijk niet weg. Wanneer bij iemand 
een weggelopen minderjarige komt 
binnenvallen, dan snapt deze wel dat 
er iets strafbaars kan gebeuren. Als hij 
dan zijn advocaat belt met de vraag 
wat hij moet doen, dan zegt die advo-
caat meteen dat de zaak moet worden 
gemeld aan de kinderbescherming. Bij 
zorgvuldige hulpverlening komt im-
mers heel wat kijken. De gemakkelijk-
ste weg is het melden bij de Raad voor 
de Kinderbescherming. Het is de 
vraag, of de minderjarige er het meest 
mee geholpen is dat die weg wordt ge-
kozen. 

Ik vind het ook een uiterst moeizame 
constructie bij het door mevrouw Van 
der Meer vermelde geval van de ande-
re ouder. Wanneer een kind wegloopt 
bij de ouder die de voogdij heeft, dan 
is het voor de andere ouder natuurlijk 
de aangewezen weg om onmiddellijk 
de Raad voor de Kinderbescherming 
in te lichten. Men krijgt dan alleen nog 
maar met civiele procedures te maken. 
Ik vind dat geen gelukkige constructie. 
Ik ben van mening dat het wel degelijk 
kwaad kan. Met de heer Voute - die dit 
in de stukkenwisseling uitvoerig heeft 
uiteengezet - vind ik dat wij bij het 
stellen van eisen van zorgvuldige 
hulpverlening, deze eisen ook moeten 
stellen aan mensen die de Raad voor 
de Kinderbescherming hebben inge-
licht. 

Nu is er sprake van twee wegen 
waaruit men mag kiezen' namelijk 
enerzijds de zorgvuldige hulpverle-
ning en anderzijds het inlichten van de 
Raad voor de Kinderbescherming. Dat 
is een uiterst ongelukkige constructie. 
De heer Roethof sprak van een amen-
dement dat verwarring heeft gewekt, 
maar ik vind het een amendement dat 
zijn wetsontwerp heeft verknoeid! 

Ten slotte kom ik tot het alternatief. 
Sprekende over de kinderrechters, zei 
de heer Roethof dat deze niet zijn ge-
komen met een alternatief. Zo lang 
niet is gebleken dat het arrest van het 
Hof van Den Bosch in de praktijk niet 
kan functioneren, dus zo lang dat niet 
is gestuit op een andere zienswijze van 
de Hoge Raad, kunnen wij leven met 
de huidige situatie. Het komt er dan op 
aan dat wij snel de rechtspositie van 
de minderjarige gaan regelen. Dat lijkt 
mij beter dan aanvaarding van dit 
wetsontwerp. Door aanvaarding van 
het wetsontwerp gaat immers meteen 
een impuls uit naar een nieuw vervol-
gingsbeleid ex het nieuwe artikel 280 
van het Wetboek van Strafrecht, waar-
bij in eerste instantie het Openbaar Mi-
nisterie gaat vertellen wat zorgvuldige 
hulpverlening allemaal moet inhou-
den. 

D 

Mevrouw Van der Meer (PvdA): Mijn-
heer de Voorzitter! Ook ik dank de in-
dieners van de initiatief-voorstellen 
hartelijk voor de zeer uitvoerige beant-
woording. 

De heer De Gaay Fortman lokte mij 
uit, iets te zeggen over de novelle. Ik 
ga nu niet in op de staatsrechtelijke me 
rites daarvan. Ik ben het inhoudelijk 
eens met de heer Roethof dat hier 
geen sprake is van een novelle, maar 
van een heel nieuw wetsontwerp. Het 
was wellicht beter geweest, wanneer 

men in deze zaak de procedure had ge-
volgd die in 1956 door beide Kamers is 
gevolgd met betrekking tot een initia-
tief-voorstel inzake eenwijziging van 
de Grondwet. Dan was er iets anders 
uit de bus gekomen en dan zou bij de 
stemmingen waarschijnlijk niet zijn 
gebleken dat de CDA-fractie in de 
Tweede Kamer tegen het ene ontwerp 
stemde en - blijkens de aantekening -
vóór het andere. 
De vragen die ik heb gesteld, zijn 
door de initiatiefnemers zodanig be-
antwoord dat mij weinig rest om thans 
nog aan de orde te stellen. 
Ik hoor graag van de heer Roethof 
wat hij eigenlijk bedoelt met de invul-
ling door de Raden voor de Kinderbe-
scherming bij de meldingen. Hij ver-
wees daarbij naar de wijze van invul-
ling van de vroeghulp door reclasse-
ring. Wanner hij dat bedoelt, dan heb 
ik mijn twijfels over de effectiviteit 
daarvan. Immers, die vroeghulp van 
de reclassering bleek in de eerste peri-
ode helemaal niet zo geweldig goed te 
werken. 

Mijn opmerkingen in de eerste ter-
mijn over het intitulé en de considerans 
kan ik laten voor wat zij zijn. De proble-
men die op dit punt bestonden, zijn 
vervallen nu er sprake is van een ge-
heel nieuw wetsontwerp, met een 
daarbij aangepaste considerans. Het 
intitulé behoefde niet te worden aan-
gepast, zoals de voorzitter zoeven te-
recht zei. 

Over het 'juridisch vacuüm' dat ik in 
de eerste termijn constateerde, zijn bij 
mij enige vragen gerezen. De heer 
Roethof heeft een dergelijk vacuüm 
niet ontkend, maar evenmin heeft hij 
antwoord gegeven op mijn vragen er-
over. Zo vroeg ik wie nu in die periode 
de kosten van levensonderhoud be-
taalt, en hoe het in die periode gaat 
tussen degene die het gezag heeft 
over het kind en het kind zelf ten aan-
zien van dergelijke vragen. 

Over de kwestie van gescheiden ou-
ders merkte mevrouw Haas-Berger op 
dat de Raad voor de Kinderbescher-
ming hierover al advies heeft uitge-
bracht bij de omgangsregeling. Ik 
meen dat dit niet helemaal juist zou 
behoeven te zijn. Immers, waar geen 
aperte meningsverschillen bestaan be-
hoeft het advies van deze Raad niet te 
worden gevraagd. Ik meen wel dat de 
drempel voor gescheiden ouders naar 
de Raad voor de Kinderbescherming 
iets lager zal zijn dan voor andere ou-
ders. Immers, zij kunnen bij de echt-
scheiding reeds met deze Raad te ma-
ken hebben gehad. 

Enige twijfel heeft mevrouw Haas-
Berger zelf ook - zo concludeerde ik uit 
haar woorden - over de vraag of de 

Eerste Kamer 

10 november 1981 

Minderjarigen 

61 




Van der Meer 

ouder die niet de voogdij heeft over 
het kind nu de meest aangewezene is 
om contact op te nemen met de ande-
re ouder. Immers, zij wees op de mo-
gelijkheid van melding bij de Raad 
voor de Kinderbescherming. 

Verder is opgemerkt dat het conflict 
over de toewijzing van de kinderen 
eventueel in het omgangsrecht zou 
kunnen worden geregeld. Dit is een 
aardig uitlokkertje, maar de discussie 
daarover zullen wij bewaren tot de be-
handeling van het wetsontwerp over 
het omgangsrecht. 

Mevrouw Haas-Berger heeft voor 
een deel mijn standpunt onderschre-
ven dat de confrontatie met de Raad 
voor de Kinderbescherming bedrei-
gender kan zijn voor ouders dan die 
met de politie, omdat men van de poii-
tie niet meer verwacht dan alleen op-
sporing. Naar haar oordeel kan hier-
voor echter niet iets anders in de 
plaats komen, omdat anders voor de 
hulpverlener geen beroep mogelijk 
zou zijn op de strafuitsluitingsgrond. 

D 

Mevrouw Leyten-de Wijkerslooth de 
Weerdesteyn (CDA): Mijnheer de 
Voorzitter! Ook ik dank de indieners, 
die tijdens de lange geschiedenis van 
het wetsontwerp geregeld ook nog 
met nieuwe woordvoerders werden 
geconfronteerd, voor de uitvoerige be-
antwoording aan professor Diepen-
horst. Het spijt ook ons dat hij deze be-
handeling niet zelf heeft kunnen afma-
ken. 

Mijn fractie heeft overigens weinig 
toe te voegen aan hetgeen in eerste in-
stantie in deze Kamer namens haar is 
gezegd. Wij onderschrijven nog steeds 
het uitgangspunt van de woordvoerd-
ster van het CDA in de Tweede Kamer, 
namelijk dat nieuwe wetgeving op het 
terrein van hulpverlening aan wegge-
lopen minderjarigen op evenwichtige 
wijze de rechten en belangen van de 
betrokken minderjarige, de ouders en 
de hulpverleners tegen elkaar dient af 
te wegen. 

Door in het onderhavige wets-
ontwerp slechts de positie van de 
hulpverleners te verbeteren - hetgeen 
overigens ook naar ons oordeel dien-
de te gebeuren - is de positie van de 
ouders volkomen onduidelijk gewor-
den. Zulks zou nog te aanvaarden zijn 
als vaststond dat het belang van de 
minderjarige daarmee werd gediend. 
Dat staat voor ons echter niet vast. 
Daarvoor zou immers, naarde mening 
van mijn fractie, een onafhankelijke 
derde nodig zijn die, na het horen van 
de opvatting van de ouders enerzijds 
en die van de minderjarige anderzijds, 

kan beoordelen of de hulp die de min-
derjarige wordt geboden de meest ge-
schikte is om de benarde situatie waar-
in het minderjarig kind zich bevindt tot 
een oplossing te brengen. 

Daarbij komt nog dat de juridische 
bezwaren die aan het wetsontwerp 
kleven ook naar de mening van mijn 
fractie groot zijn. Er is hier al gespro-
ken over het feit dat de strafrechter pas 
achteraf zal kunnen beoordelen of van 
zorgvuldige hulpverlening sprake is 
geweest. 

Ik hoor mevrouw Haas steeds praten 
over het feit dat het als strafuitslui-
tingsgrond is geformuleerd. Zelf denk 
ik dat het als rechtvaardigingsgrond is 
geformuleerd. Er staat niet: 'Niet straf-

baar is hij, die ', maar er staat: 'niet 

van toepassing is'. Ik denk dat dit duidt 
op een rechtvaardigingsgrond. Dit is 
echter een technische discussie, die 
misschien toch niet zo belangrijk is. 
Mij gaat het erom dat die beoordeling 
achteraf natuurlijk impliceert dat pas 
nadat de hulpverlening enige tijd aan 
de gang is geweest, eventueel het ver-
moeden van een strafbaar feit kan ont-
staan, waarna een onderzoek door het 
openbaar ministerie kan volgen en een 
eventuele vervolging. Maar stel nu dat 
dit tot de conclusie leidt, dat die hulp-
verlening niet zorgvuldig is geweest, 
dan is de minderjarige wel gedurende 
enige tijd aan die niet zorgvuldige 
hulpverlening onderworpen geweest. 
Wij kunnen niet zien, hoe dit in het be-
lang van minderjarigen is. 
Ons tweede probleem betreft de wij-
ze waarop de melding aan de ouders 
dat hulp wordt verleend, in het wets-
ontwerp een element van zorgvuldige 
hulpverlening wordt. Op zichzelf geno-
men staan wij positief tegenover deze 
gedachte, maar zolang die melding 
ongestructureerd is en in theorie - het 
is door de indieners ook herhaaldelijk 
gezegd - zelfs een anoniem telefoontje 
kan zijn, verwachten wij van die mei-
ding ook weinig heil. 
Juist omdat wij een ernstige poging 
tot herstel van de relatie met de ou-
ders van groot belang achten in het ka-
der van zorgvuldige hulpverlening, 
zien wij de melding als een eerste stap 
om contact te leggen met de ouders. 
Maar ook daarvoor geldt dat de juris-
prudentie nog heel veel zal moeten 
invullen, wil de in het ontwerp ge-
noemde melding werkelijk als zodanig 
gaan functioneren. 

Ons derde juridische probleem blijft 
het feit dat de enkele mededeling van 
de verblijfplaats van de minderjarige 
aan de Raad voor de Kinderbescher-
ming eveneens een rechtvaardigings-
grond voor het delict van artikel 280 

Wetboek van Strafrecht oplevert. De 
heer Roethof heeft daarover gezegd dat 
hij hoopt dat het professor Diepenhorst 
zal troosten dat dit is opgenomen. Ik 
kan uiteraard niet beoordelen of dit 
hem zal troosten. Mij troost het weinig, 
in de eerste plaats omdat het natuurlijk 
een facultatieve melding is. Er is hier al 
op gewezen dat die melding voor kinde-
ren die onder toezicht van de Kinderbe-
scherming staan waarschijnlijk niet zal 
worden gebruikt. Ook in andere geval-
len helpt het naar onze mening echter 
onvoldoende. 

Het is namelijk volstrekt onduidelijk 
wat de Raa~d voor de Kinderbescher-
ming met die melding zal gaan doen. 
Als wij deze mededeling van de ver-
blijfplaats afzetten tegen de mogelijk-
heid om de ouders bij de voortzetting 
van het hulpverleningsproces te be-
trekken, dan had daarbij minstens dui-
delijk moeten worden - dit is ook de 
reden, dat wij in de Tweede Kamer 
hebben bepleit dat er een algemene 
maatregel van bestuur moest komen 
om dit in te vullen - dat de ouders ge-
raadpleegd moeten worden, voordat 
de Raad voor de Kinderbescherming 
iets gaat doen met die gegevens. An-
ders zou het best eens kunnen zijn dat 
èn de minderjarige èn de ouders 
steeds verder van huis raken met deze 
mededeling. 

Mijnheer de Voorzitter! De tekstwij-
ziging in het nieuwe wetsontwerp -
die formeel misschien niet een novelle 
is, maar dit naar onze mening materieel 
wel is - lost deze problemen van de 
CDA-fractie niet op. Op zichzelf is het 
taalkundig en qua systematiek een 
verbetering, maar voor ons is het geen 
principiële verbetering, vergeleken 
met het wetsontwerp dat hier op 18 
november 1980 werd besproken. 

Resumerende, kom ik tot de volgen-
de conclusie. De wens, ook van de 
CDA-fractie, om bonafide hulpverle-
ners te decriminaliseren is in de recht-
spraak, naar onze mening, wel reeds 
vervuld. Het is ongetwijfeld mede aan 
het initiatiefwetsontwerp te danken 
dat de jurisprudentie ter zake van arti-
kel 280 voor bonafide hulpverleners 
een behoorlijke rechtszekerheid aan 
het creëren is. Met name het arrest van 
het gerechtshof te 's-Hertogenbosch -
dat hier vanmiddag al verschillende 
keren aan de orde is geweest - geeft 
duidelijk aan aan welke criteria moet 
worden voldaan om het opzetkarakter 
aan het delict van artikel 280 te ontne-
men. Kortheidshalve sluit ik mij graag 
aan bij het betoog dat de heer De Gaay 
Fortman hierover in eerste en tweede 
termijn heeft gehouden. Ik wil er nog 
bij zeggen dat de overweging in het 

Eerste Kamer 

10 november 1981 

Minderjarigen 

62 




Leyten-de Wijkerslooth de Weerdesteyn 

genoemde arrest, namelijk dat hulp-
verlening gegrond moet zijn op een 
ernstig streven de weggelopen min-
derjarige ertoe te brengen zich eigener 
beweging wederom onder het gezag 
te plaatsen van degenen die het 
wettig gezag over hem uitoefenen, 
mijn fractie zeer aanspreekt. 

Dit wil niet zeggen, dat wij geen be-
hoefte hebben aan nieuwe wetgeving 
inzake het probleem van de weggelo-
pen minderjarige. Die nieuwe wetge-
ving moet dan echter wel tegelijk met 
een versterking van de positie van de 
hulpverlener de positie van de ouders 
en van de minderjarige op evenwichti-
ge wijze met elkaar in relatie brengen. 

Dat gebeurt in het voorliggende 
wetsontwerp naar onze mening onvol-
doende, hetgeen voor een belangrijk 
deel waarschijnlijk is veroorzaakt door 
het feit dat is gepoogd zulks via het 
Wetboek van Strafrecht te doen. Het 
Wetboek van Strafrecht leent zich ech-
ter niet voor een regeling, die betrek-
king moet hebben op familie- en jeugd-
recht en criteria voor zorgvuldige 
hulpverlening. Mijn fractie zal daarom, 
met veel spijt voor de indieners na al-
les wat zij hebben beleefd, haar stem 
niet aan het wetsontwerp kunnen ge-
ven. 

D 

De heer Heijne Makkreel (VVD): Mijn-
heer de Voorzitter! Ook ik spreek graag 
mijn erkentelijkheid uit voor de ant-
woorden die beide indieners op zeer 
uitvoerige wijze, zij het 355 dagen na 
dato, op onze beschouwingen in eer-
ste termijn hebben gegeven. Zoals al 
in de stukken is gebleken, wil ik mijn 
erkentelijkheid voor de wijze waarop 
zij tegemoet zijn gekomen aan de be-
zwaren die ik in eerste termijn tegen 
het wetsontwerp heb ingebracht, hier-
aan verbinden. 

Ik heb in eerste termijn ook al uitvoe-
rig uiteengezet waarom ik in principe 
groot belang hecht aan het wet wor-
den van dit ontwerp. Ik zou hiermee 
kunnen volstaan, ware het niet dat 
met name de interventie van de heer 
De Gaay Fortman zoeven mij toch aan-
leiding geeft een paai opmerkingen te 
maken. Toch wil ik nog één kantteke-
ning maken bij hetgeen de heer Roet-
hof heeft gezegd. Hij zei dat in eerste 
instantie het oorspronkelijke ontwerp 
voor tweeërlei uitleg vatbaar was. 
Daarbij zet ik een vraagteken. Mijn gro-
te bezwaar was namelijk dat het naar 
mijn mening maar voor één uitleg vat-
baar was en wel de verkeerde. Ware 
het werkelijk voor tweeërlei uitleg vat-
baar geweest, dan was het argument 

van de heer De Gaay Fortman in wer-
king getreden, namelijk dat wanneer 
men één goede en één absurde uitleg 
heeft, men het rustig aan de rechter 
kan overlaten de goede te kiezen. 

Er ligt nu een goede tekst voor en wij 
kunnen ons daarbij houden. Ik heb nog 
een opmerking naar aanleiding van 
hetgeen de heer De Gaay Fortman 
heeft gezegd over de bezwaren die 
destijds door de VVD-fractie naar vo-
ren zijn gebracht over het hanteren 
van de norm 'zorgvuldige hulpverle-
ning'. 

Ik ben destijds mijn eerste termijn 
begonnen met te wijzen op de wijzi-
ging van de 'personele bezetting' van 
de behandeling van dit wetsontwerp 
in onze fractie, oorspronkelijk door de 
heer Voute en na diens helaas uit deze 
Kamer verdwijnen door ondergeteken-
de overgenomen. Ik heb erbij gezegd, 
dat dit misschien wel enige nuance-
ring zou brengen in de naar voren ge-
brachte bezwaren. Dit is dan een voor-
beeld hiervan. Mijn bezwaren tegen 
het hanteren van die norm zijn be-
paald niet zo zwaar en ik zou mij in 
hoofdlijnen ook willen aansluiten bij 
hetgeen de heer Roethof daarover zoë-
ven heeft gezegd. De heer De Gaay 
Fortman merkte op dat men in het 
strafrecht een scherpe delictomschrij-
ving behoort te hebben. Dat is zo, 
maar daarover valt toch nog iets op te 
merken. 

Een scherpe omschrijving zonder 
meer, zodat men uit de wet exact kan 
halen wat er onder valt en wat niet, is 
bij iedere wettelijke bepaling altijd een 
iliusie; ook in het strafrecht. Als men 
zich afvraagt wat onder een wettelijke 
bepaling al dan niet is te vangen, blijft 
er altijd een overgangsgebied. De be-
tekenis van de eis van een scherpe de-
lictomschrijving in het strafrecht moet 
mijns inziens daarin worden gezien, 
dat de scherpe grens aan de buiten-
kant van het overgangsgebied ligt. Wij 
hebben een overgangsgebied en dat 
houdt op een gegeven moment op. 
Wat erbuiten ligt, valt in ieder geval 
niet meer onder de delictsomschrij-
ving. 

De gevallen die er onder vallen kun-
nen zeer wel aan de binnenkant van 
dat overgangsgebied wat meer diffuus 
begrensd zijn. Het gaat hier om een 
norm, die wordt ingevoerd en waar-
van de invulling aan de rechter wordt 
overgelaten en die dient als inperking 
van wat allemaal onder het delict valt. 
In dat geval lijkt mij er geen bezwaar 
tegen te bestaan, dat deze norm niet 
volledig scherp in de wet is vastge-
legd. Het karakter van de strafwet ver-
zet zich daartegen zeker niet. 

De heer De Gaay Fortman (PPR): 
Wat vindt u van zorgvuldige hulpverle-
ning als een begrip dat van de straf-
rechter inhoud krijgt? 
De heer Heijne Makkreel (VVD): Ik 
dacht niet dat dat enige wijziging 
brengt in de inhoud van mijn betoog. In 
de wet staat dat de delictsomschrij-
ving in ieder geval niet is vervuld als er 
sprake is van zorgvuldige hulpverle-
ning. De rechter zal het begrip zorgvul-
dige hulpverlening moeten invullen. 
Dat brengt wellicht een zekere mate 
van onvoorspelbaarheid met zich mee, 
maar dat is een onvoorspelbaarheid 
aan de binnenkant van het grensge-
bied, niet aan de buitenkant. 
De heer De Gaay Fortman (PPR): Die 
rechter is de strafrechter die moet 
gaan uitmaken, welke de criteria zijn 
voor zorgvuldige hulpverlening. Mijn 
betoog spitste zich niet toe op het al-
gemene begrip, wel op een partieel 
gedefinieerd algemeen begrip. Dat 
vind ik lelijk maar dat is overkomelijk. 
Het spitste zich toe op het feit dat het 
de strafrechter is die inhoud moet 
gaan geven aan een begrip als zorg-
vuldige hulpverlening, een begrip dat 
ligt op een heel ander terrein van 
rechtsverkeer. 

De heer Heijne Makkreel (VVD): Dat 
kan wel zo zijn, maar het neemt niet 
weg, dat de strafrechter er zijn inhoud 
aan kan geven. Er doen zich wel meer 
gevallen voor, waarin begrippen van 
dezelfde naam op diverse rechtsterrei-
nen worden gehanteerd, ook door de 
rechter, en soms ook op diverse rechts-
terreinen niet helemaal dezelfde in-
houd hebben. Ik zie er geen bezwaar 
tegen. 

Nog een opmerking wil ik maken 
over de melding aan de Raad voor de 
Kinderbescherming. De heer De Gaay 
Fortman heeft de vrees uitgesproken 
dat die melding als de gemakkelijkste 
weg wordt beschouwd en dat hulpver-
leners er daardoor toe gebracht zou-
den kunnen worden, die melding maar 
te kiezen, ook in gevallen waarin het 
niet zo'n geweldig goede oplossing 
zou zijn. Bij het uitgangspunt van zijn 
redenering, namelijk dat de melding de 
gemakkelijkste weg is, wil ik een vraag-
teken zetten, want de allergemakkelijk-
ste weg is: niets doen, niet helpen. Wij 
zitten nu in een situatie waari,, de ge-
makkelijke tussenweg niet eens be-
staat en waarin men alleen maar de 
keus heeft tussen niet helpen of zijn 
nek uitsteken voor de volle honderd 
procent. Het blijkt dat er een genoeg-
zaam aantal lieden is die in de huidige 
situatie bereid zijn hun nek uit te ste-
ken. Ik zie niet in waarom zij niet bereid 

Eerste Kamer 

10 november 1981 

Minderjarigen 

63 




Heijne Makkreel 

zijn, als dat de meest aangewezen op-
lossing is, dat ook te doen in de voor 
hen verlichte situatie, waarin de zorg-
vuldige hulpverlening een voldoende 
grond is om niette vervolgen respec-
tievelijk als er toch vervolgd wordt niet 
te straffen. Dat bezwaar weegt voor 
mij dus niet zo sterk. 

De heer De Gaay Fortman wil dezelf-
de eisen van zorgvuldige hulpverle-
ning ook stellen aan wie de Raad voor 
de Kinderbescherming heeft ingelicht. 
Materieel ben ik het daarmee volko-
men eens. Formeel wil ik er op wijzen, 
dat wij niets te eisen hebben, want wie 
de Raad voor de Kinderbescherming 
heeft ingelicht, is eenvoudig op dat 
punt op artikel 280 niet te grijpen. 

De heer De Gaay Fortman (PPR): Mijn-
heer de Voorzitter! Ik wil de eis van 
zorgvuldige hulpverlening niet stellen. 
De eisen die ik wil stellen voor de de-
criminalisering ex artikel 280 van het 
Wetboek van Strafrecht, zou ik in alle 
gevallen gesteld willen zien. 

Deze eisen zijn: er moet hulp worden 
verleend en dat moet bonafide gebeu-
ren volgens de criteria van het arrest 
van het Bossche hof. De constructie 
waarbij die eisen wegvallen bij een 
simpele mededeling aan de Raad voor 
de Kinderbescherming vind ik uiterst 
ongelukkig, met de heer Voute, die 
daarop overigens als eerste met veel 
klem in het voorlopig verslag heeft ge-
wezen. 

De heer Heijne Makkreel (VVD): Mate-
rieel ben ik het volkomen met de heer 
De Gaay Fortman eens, maar het pro-
bleem ligt helemaal buiten ons bereik. 
Degene die de melding heeft gedaan, 
is op grond van artikel 280 niet grijp-
baar, zodat wij niet kunnen zeggen, dat 
die aan verschillende eisen moet vol-
doen, willen wij hem op grond van ar-
tikel 280 niet voor de rechter dagen. Ik 
blijf dus bij mijn mening, dat de invoe-
ring van de melding aan de Raad voor 
de Kinderbescherming overbodig is 
geweest. 

De vergadering wordt van 15.42 uur 
tot 15.55 uur geschorst. 

D 

De heer Roethof (PvdA): Mijnheer de 
Voorzitter! Ik zal trachten in te gaan op 
de gemaakte opmerkingen. In de eer-
ste plaats kom ik op de gevolgde pro-
cedure. Wij hebben al in de schrifte-
lijke stukken - in dit verband is wat het 
tweede wetsontwerp betreft nauwe-
lijks meer sprake van schriftelijke stuk-
ken - geconstateerd dat wij meenden 
de meest elegante oplossing te kiezen. 

Of men nu zegt dat het voor tweeërlei 
uitleg vatbaar is of voor één uitleg vat-
baar, namelijk voor de verkeerde, het 
is toch elegant zo duidelijk mogelijk de 
bedoeling in de wet weer te geven. 
Aangezien dit op dat ene punt niet het 
geval bleek, meenden wij verplicht te 
zijn - in ieder geval aan onszelf en aan 
deze Kamer - met een reparatie van 
die formule te moeten komen. Wij 
hebben dus deze weg gekozen, mede 
op advies van het departement van 
Justitie, omdat dit in dit geval verre-
weg de meest aanbevelenswaardige 
leek om allerlei redenen die ik in eerste 
instantie uiteen heb gezet. 

Ten slotte komt men op de procedu-
re van de stemming, waar wij nu bijna 
toe zijn geraakt. Ik wil haast ironisch 
zeggen: enigszins tot mijn verbazing 
na zes jaar; maar het is bijna zo ver. 
Men staat of stond - de Kamer en de 
indieners - voor de keuze tussen twee 
wegen, die wat mij betreft betrekkelijk 
onverschillig zijn. Wij kunnen de Voor-
zitter van de Tweede Kamer verzoeken 
om het wetsontwerp in te trekken of u 
kunt het verwerpen. 

In 1956, mevrouw Van der Meer 
heeft die kwestie aangeroerd, is door 
een stemming in dit gebouw bij een ini-
tiatief-wetsontwerp Oud een vraag 
beslist- ik weet niet of die voor eeu-
wig is beslist, een precedent kan altijd 
bij een volgende gelegenheid een an-
dere uitkomst hebben, omdat niet alle 
gelegenheden dezelfde zijn - dat, on-
danks artikel 125 van de Grondwet 
waarin staat dat de Koning wetsont-
werpen kan terugnemen, zolang ze 
nog niet bij de Eerste Kamer in stem-
ming zijn geweest, ook de Tweede Ka-
mer dat recht heeft, om voor de eind-
stemming - ondanks het feit dat de 
Grondwet daarover op zichzelf zwijgt -
een wetsontwerp terug te nemen. 

Wij hebben dat van onze kant voor-
gesteld omdat ook wij dat de meest 
elegante weg vinden. Als u het wilt 
verwerpen, voordat het andere zal zijn 
aanvaard, zal dat misschien een tik-
keltje minder aardig voor ons zijn, om-
dat wij er dan zo nadrukkelijk aan her-
innerd worden, dat wij hier broddel-
werk zouden hebben ingeleverd, dat 
het wetsontwerp voor u om die reden 
onacceptabel is. Aangezien wij aanbie-
den, het in te trekken, zal ons dat wei-
licht bespaard kunnen blijven. Nog-
maals: ik vind het een kwestie van de 
weg die men wil kiezen. Uiteindelijk 
wil ik hierin, als gast in uw gezelschap, 
niet verder treden, omdat het naar 
mijn idee twee bewandelbare wegen 
zijn. 
Afgezien van wat mevrouw Haas 
nog te berde zal brengen, ben ik nog 
verplicht enkele kanttekeningen te ma-
ken bij wat van uw zijde is opgemerkt. 
Ik kom bij de heer De Gaay Fortman en 
mevrouw Leyten waar het gaat om de 
kwestie van de zorgvuldige hulpverle-
ning. De heer De Gaay Fortman heeft 
gevraagd of het wel meer voorkomt 
dat er partiële definities worden gege-
ven. Ik heb dit in die vijf minuten be-
denktijd niet zo snel kunnen nagaan. In 
de Tweede Kamer ligt nog op tafel een 
wetsontwerp tot herziening van de be-
palingen in het Wetboek van Strafvor-
dering omtrent het beklag over het 
niet of niet verder vervolgen van straf-
bare feiten, wetsontwerp 15 831. 

In het gewijzigde artikel 12 daarvan 
wordt als ontvankelijk verklaard voor 
het indienen van beklag de recht-
streeks belanghebbende van wie de 
Regering zelf verklaart in de memorie 
van toelichting, hem niet geheel en 
concreet te kunnen omschrijven. De 
Regering zegt: het moet worden opge-
bouwd door jurisprudentie. Op blz. 17 
van de memorie van toelichting staat 
met zoveel woorden: 'de richting 
waarin de rechtspraak zich beweegt, 
maakt het niet nodig de term 'recht-
streeks belanghebbende' in de wet zelf 
zodanig te omschrijven, dat ook collec-
tiviteiten van personen nadrukkelijk 
als belanghebbenden worden ge-
noemd; met de thans gekozen term 
wordt de rechter voldoende ruimte ge-
laten, aansluiting te zoeken bij de 
maatschappelijke werkelijkheid en de 
daarin heersende overtuigingen.' 

Mevrouw Leyten heeft gezegd, dat, 
voordat de rechter daaraan toekomt 
en hij dat heeft ingevuld, alles al is ge-
beurd. Dit is heel vaak het geval met 
betrekking tot een strafrechter. De 
rechter beoordeelt ook de moord he-
laas altijd achteraf. Het gaat echter om 
wat wij in dezen hebben willen rege-
len. De heer De Gaay Fortman heeft 
gezegd, dat deze regeling nog steeds 
niet in alle opzichten volmaakt is. Men 
kan zich althans afvragen, of die beter 
is dan de huidige situatie. Ik hoop nog 
steeds dit punt bij de heer De Gaay 
Fortman in het reine te brengen. Men 
was namelijk in brede kringen onge-
lukkig met die situatie. 

Ik noem de Raden voor de Kinderbe-
scherming. Zij waren wél gelukkig met 
ons wetsontwerp. De traditionele 
hulpverlening was ook ongelukkig met 
die situatie. Ik noem voorts de alterna-
tieve hulpverlening en de politie. Er 
zijn zelfs vier hoofdcommissarissen 
van politie van de grote steden ge-
weest die op de moeilijkheid hebben 
gewezen, waarvoor zij zich geplaatst 
zagen. Die moeilijkheid was namelijk 

Eerste Kamer 

10 november 1981 

Minderjarigen 

64 




Roethof 

ontstaan naar aanleiding van procedu-
res van de Sosjale Joenit, achtereen-
volgens voor de rechtbank in Den 
Haag, het Gerechtshof in Den Haag, de 
Hoge Raad in eerste instantie, vervol-
gens het Gerechtshof in Amsterdam 
en ten slotte de Hoge Raad in laatste 
instantie. 

De Sosjale Joenit had een minderja-
rig kind opgevangen. Dat leek in strijd 
met de wet. De politie moest dus op-
treden. Toen besliste de Haagse recht-
bank, dat er een strafuitsluitingsgrond 
was. Er was namelijk een redelijk doel 
nagestreefd met een redelijk middel. 
Vervolgens is die zaak voor het Hof in 
Den Haag gekomen. Dat Hof meende 
niet zo ver te kunnen gaan. Dit kwam 
toch ook wel tot ontslag van rechtsver-
volging. Dat Hof zei, dat er weliswaar 
een onredelijk middel was gebruikt, 
maar dat er sprake was van een rede-
lijk doel. Op grond daarvan werd de 
desbetreffende hulpverlener van de 
Sosjale Joenit ontslagen van rechts-
vervolging. 

Toen is er een moeilijkheid gerezen 
met de Hoge Raad. 

Die zei namelijk: dat kan zo niet; de 
wet laat dat niet toe; die hulpverlener 
is per definitie strafbaar. De heer Lan-
gemeijer heeft daarop een conclusie 
getrokken en er de aandacht op geves-
tigd, dat dit zijns inziens niette regelen 
is met een buitenwettelijk afspraken-
systeem. De Regering toonde zich 
daartoe geneigd. Langemeijer heeft 
daarentegen gezegd, dat er in dezen 
een wetswijziging moet komen en dat 
de wetgever die ruimte moet bieden 
om in het geval van zorgvuldige hulp-
verlening de desbetreffende hulpver-
lener te ontslaan van rechtsvervol-
ging. Dat is inderdaad een uitspraak 
achteraf. Deze uitspraak brengt de in-
stanties die met de opsporing zijn be-
last echter wel in een andere positie. 

De hoofdcommissarissen van politie 
in de vier grote steden hebben hiervan 
een punt gemaakt, hoewel dit ook voor 
andere plaatsen geldt. De moeilijkheid 
was namelijk, dat zij een kind als het 
ware als een postpakketje bij de ou-
ders moesten terugbezorgen in een 
crisisinterventie-situatie waarin dat 
helemaal niet gewenst was. Die vier 
hoofdcommissarissen uit de vier grote 
steden hebben toen onder andere let-
terlijk gezegd: ouders zijn er niet bij 
gebaat, wanneer door een overhaast 
tegemoet komen aan hun verlangens, 
namelijk dat het kind teruggebracht 
wordt of de verblijfplaats bekend 
wordt, de kreet van de minderjarige, te 
weten het signaal dat hij door het weg-
lopen uitzendt, in de kiem wordt ge-
smoord. Dat is precies het bezwaar. 

Als wij dus nu die strafuitsluitings-
grond hebben gecreëerd, kan de poli-
tie beoordelen of inderdaad die zorg-
vuldige hulpverlening kan worden ver-
wacht of dat zich helemaal niet een 
dergelijke situatie voordoet. Zij be-
hoeft dan niet achter elk geval aan te 
hollen. Dat gebeurt nu ook niet. Zij zou 
het verplicht zijn, maar wel overbelast 
raken. In de praktijk werkt het niet. Als 
het wetsontwerp is aangenomen, zal 
de politie inderdaad dat zeer selectieve 
opsporingsbeleid kunnen volgen. In 
eerste instantie zal dan het openbaar 
ministerie moeten invullen wat zorg-
vuldige hulpverlening is. 

Nu zegt de heer De Gaaij Fortman 
naar aanleiding van de Bredase zaak 
dat het openbaar ministerie ermee be-
zig is..Bij een vorige gelegenheid heeft 
hij gezegd dat nieuwe moeilijkheden 
niet zijn te verwachten na een uit-
spraak van het Bossche Hof. Die uit-
spraak van het Bossche Hof heeft geen 
betrekking tot het regime dat wij voor-
staan. Er is namelijk een vrijspraak ge-
geven op grond van het feit dat niet 
onttrokken was. Er is een vrijspraak 
gegeven op grond van het feit dat niet 
verborgen was. Er was dus helemaal 
geen sprake van een voldoen aan de 
delictsomschrijving. Daarom is het Hof 
van Den Bosch niet aan de problema-
tiek toegekomen die wij hier bespre-
ken. 

De heer De Gaay Fortman (PPR): De 

nieuwe moeilijkheden zijn nu gerezen 
doordat daar, vooruitlopend op aan-
vaarding van dit wetsontwerp en 
plaatsing in het staatsblad, inhoud 
wordt gegeven aan het begrip zorgvul-
dige hulpverlening. 

De vrijspraak volgde omdat geen 
sprake was van opzettelijk verbergen. 
In het inhoud geven door het Hof van 
Den Bosch aan de vraag wat opzette-
lijk verbergen betekent, zijn een aantal 
criteria ontwikkeld, zoals gerichtheid 
op het welzijn van de minderjarige, 
zorgvuldige afweging van alle belan-
gen die in het geding zijn en een stre-
ven naar normalisering van de betrek-
kingen. Dat zijn een aantal criteria 
waarmee in de praktijk valt te werken. 
Er is dus een nieuwe situatie ontstaan 
bij een niet wet worden van dit wets-
ontwerp. 

Daar komt nog bij dat het landelijk 
overleg alternatieve hulpverlening in 
een brief aan deze Kamer heeft gezegd 
dat wij wel moeten weten wat wij doen 
als wij dit wetsontwerp aanvaarden. 
Daarvan hebben wij al een voorproefje 
gekregen in Breda. Dan gaat het parket 
op zijn manier het begrip zorgvuldig-
heid uitwerken. 

De heer Roethof (PvdA): Het laatste is 
een misverstand, misschien ook van 
de heer De Gaay Fortman, maar in elk 
geval van de landelijke organisatie al-
ternatieve hulpverlening. Wat het Hof 
van Den Bosch betreft staat er met zo-
veel woorden dat van onttrekking 
geen sprake is geweest, omdat het 
kind zich al onttrokken had, en dat van 
verbergen evenmin sprake is geweest. 
Er is dus noch aan het primair noch 
aan het subsidiair gestelde voldaan. Er 
is dan ook vrijspraak van het ten laste 
gelegde geweest. Ik kan het ook niet 
helpen. Ik kan echter werkelijk niet in-
zien hoe het arrest op onze situatie be-
trekking heeft. 
Wat het openbaar ministerie in de 
zaak-Breda en het opstellen van de cri-
teria voor zorgvuldige hulpverlening 
betreft moet men zich goed voorstel-
len dat ons wetsontwerp nog geen 
rechtskracht heeft gekregen. Het 
Openbaar Ministerie kan dan wel het 
begrip zorgvuldige hulpverlening in-
vullen, maar uiteindelijk is de Minister 
van Justitie verantwoordelijk voor het 
beleid van het Openbaar Ministerie. 
De Staten-Generaal kan, controleren-
de het beleid van de Minister van Jus-
titie, hem op zijn beurt ter verantwoor-
ding roepen voor het beleid van het 
Openbaar Ministerie. Nu kunnen wij 
natuurlijk een Minister van Justitie, 
gesteld dat het nodig zou zijn, moeilijk 
ter verantwoording roepen voor een 
beleid dat gebaseerd is op een begrip 
dat wij niet hebben geregeld. 

Wij hebben zowel in deze Kamer als 
aan de overzijde van het Binnenhof 
zeer breedvoerig gepraat over het be-
grip 'zorgvuldige hulpverlening'. Me-
vrouw Haas heeft het hedenmiddag 
ook nog zeer uitvoerig gedaan. Zodra 
dit ontwerp rechtskracht heeft gekre-
gen, wordt het wel degelijk mogelijk, 
daarover de Minister van Justitie aan 
te schieten. Alle bestaande mogelijk-
heden staan dan voor ons open. 

Ik kom tot de kwestie van beide 
amendementen, dus tot de melding 
dat het kind terecht is. Ik kan mij inder-
daad gevallen voorstellen - wij kun-
nen dan zo langzamerhand we! van 
een overmachtsituatie spreken - waar-
in zelfs de melding aan de ouders dat 
het kind terecht is, in een verkeerd 
keelgat kan schieten. Onder zeer extre-
me, uitzonderlijke omstandigheden 
kan dit gebeuren. Ik ben dat dus eens 
met de heer De Gaay Fortman, maar 
wij zitten dan wel in een overmachtsi-
tuatie. Wanneer een kind weg is en 
wanneer daarover paniek ontstaat bij 
de ouders, dan is het echter een ele-
ment van zorgvuldige hulpverlening 
om de ouders te laten weten - langs 
welke weg dan ook - dat het kind te-
recht is en dat dus niet voor een onge-
luk of anderszins behoeft te worden 
gevreesd. 

Eerste Kamer 

10 november 1981 

Minderjarigen 

65 




Roethof 

Het andere amendement is het 
amendement van de heer Nijpels. 
Naar aanleiding van de opmerking van 
de heer De Gaay Fortman heb ik inder-
daad gesteld dat het nogal verwarrend 
heeft gewerkt. Ik heb dat geconsta-
teerd, omdat het aanleiding heeft ge-
geven tot mijns inziens verwarde dis-
cussies. Het betreft een facultatieve 
mogelijkheid, want het is niet nodig 
om tot de melding over te gaan. Het 
kan dan ook verder geen kwaad, wan-
neer wij de wat verwarde discussies 
achter de rug hebben. 

Mevrouw Van der Meer is nog even 
teruggekomen op de Raad voor de 
Kinderbescherming en op hetgeen die 
raad kan doen. De Raad voor de Kin-
derbescherming staat een heel scala 
van instrumenten ten dienste. Ik heb 
die mogelijkheden formeel opgesomd 
- het waren er een stuk of vijf — aan de 
hand van art. 238 van het nieuwe Bur-
gerlijk Wetboek. Mevrouw Haas-Ber-
ger is daarop nog verder ingegaan en 
wellicht plaatst zij er dadelijk nog en-
kele kanttekeningen bij. 

Ik ben het natuurlijk met iedereen 
eens dat de rechtspositie van minder-
jarigen snel moet worden geregeld. 
Toen ik in 1969 lid van de Tweede Ka-
mer werd hoorde ik dat al constateren 
en ik sluit mij daar nog steeds van har-
te bij aanl 

D 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): Mijn-
heer de Voorzitter! Na de uitvoerige 
beantwoording door collega Roethof 
kan ik vrij kort zijn. 

De heer De Gaay Fortman blijft pro-
blemen houden met de zorgvuldige 
hulpverlening. Hoewel ik van mening 
ben dat wij hierop al zeer zorgvuldig 
zijn ingegaan, zal ik er toch nog een 
paar opmerkingen over maken. Het 
begrip is niet strikt gedefinieerd, het is 
te vaag. De heer Heijne Makkreel heeft 
daar al het nodige over gezegd. Ik 
voeg eraan toe dat mijn geëerde leer-
meester, professor Langemeijer, ons 
dit handvat heeft geboden. Wie ben ik 
om te zeggen dat daarmee niet kan 
worden gewerkt? De ervaring van pro-
fessor Langemeijer is immers gewel-
dig groot. 

De heer De Gaay Fortman (PPR): De 
kinderrechters zeggen het! 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): Ja, ak-
koord, maar deze bepaling slaat niet 
op de kinderrechters. Het gaat toeval-
lig over de strafrechter die ermee gaat 
werken. Dat was het eerste punt. 

Bovendien staat het begrip 'zorgvul-
dige hulpverlening' niet in de om-

schrijving van het delict van artikel 1, 
waarin staat dat het strafbare feit moet 
zijn aangegeven omdat het anders niet 
kan worden bestraft. Dit begrip staat 
wel in de uitzondering van de recht-
vaardigingsgrond. 

Mijnheer de Voorzitter! De heer De 
Gaay Fortman stelt dat het probleem 
zou zijn dat er nu richtlijnen worden 
uitgebracht. Ik meen dat deze richtlij-
nen er juist zijn gekomen omdat de si-
tuatie nog niet helder was; omdat dit 
wetsontwerp nog niet bestond. Wij 
hebben heel duidelijk uitgesproken dat 
het voor de zaak die wij nu behandelen 
niet veel verschil maakt of men nu van 
huis dan wel uit een inrichting weg-
loopt. De hulpverlening in die inrich-
ting wordt niet getoetst; dat gebeurt 
pas achteraf, nadat het kind is wegge-
lopen. Op dit punt zijn de twee situa-
ties identiek. Het feit dat er niettemin 
tegengestelde richtlijnen bestaan op 
dit punt, heeft te maken met het feit 
dat men op dit moment met de juris-
prudentie van de Hoge Raad niet uit 
de voeten kan en omdat op grond van 
de jurisprudentie die sindsdien is ver-
schenen geen eenduidig beleid te voe-
ren valt. 

De alternatieve hulpverleners heb-
ben gezegd dat de adressen worden 
gescreend. Daarbij is het van belang 
wat er, normaal gesproken, in de prak-
tijk gebeurt. De politie kent de adres-
sen waar de betrokkenen heen gaan. Ik 
vind het onjuist dat degenen die hen 
opvangen te voren zouden moeten 
worden getoetst. Ons wetsontwerp 
gaat nu juist uit van een toetsing ach-
teraf. 
De heer De Gaay Fortman heeft ge-
zegd dat het criterium van het hof van 
Den Bosch zo prima geregeld zou zijn. 
Hij heeft zelf dan ook het streven naar 
herstel van de relatie als criterium ge-
nomen. Dat kan niet. Men kan niet één 
vast element kiezen waarnaar men zou 
moeten streven. Immers, juist bij een 
zorgvuldige hulpverlening is elke situ-
atie anders. In elke situatie moet, ter 
beoordeling van de hulpverlening, in 
het belang van het kind en met toet-
sing achteraf door de strafrechter, 
worden bezien wat er moet gebeuren. 
Daarbij staat één element vast, name-
lijk de melding aan de ouders, die af en 
toe wel problemen kan oproepen zoals 
de heer De Gaay Fortman zei maar die 
verder niet is gestructureerd zoals me-
vrouw Leyten opmerkte. Hierbij kan 
het dan ook blijven bij een melding dat 
het kind niet zoek is. Wat dit betreft, is 
er dan ook geen probleem; men be-
hoeft dan bij voorbeeld niet te vrezen 
voor geweld in het geval dat de ouders 
overspannen zijn. Men kan dan tegen 
de ouders zeggen dat zij zich niet on-
gerust behoeven te maken, zonder dat 
men verder behoeft te zeggen waar 
het kind zich bevindt of wie de hulp-
verlener is. Ik meen dat de zaak wat dit 
betreft volstrekt duidelijk, is. 

Over het melden aan de ouders be-
stond een grote mate van overeen-
stemming in de Tweede Kamer. Een 
dergelijke melding werd bepleit door 
ook die fracties die uiteindelijk toch te-
gen het wetsontwerp stemden. Het 
was niet onze eerste voorkeur. 

Mevrouw Leyten heeft gezegd dat 
haar fractie eigenlijk wel voor een ver-
betering van de positie van de hulp-
verleners is, maarzij heeft daaraan 
toegevoegd dat die zou moeten wor-
den gezien in een totaal kader, in rela-
tie met de positie van de ouders en die 
van de kinderen. Pas dan zouden wij 
naar haar oordeel een regeling op dit 
punt kunnen treffen. Ik vind dat een 
schitterend verhaal. Jammer genoeg 
klopt het echter niet. 

Ook al wordt de rechtspositie van de 
kinderen geregeld in een totaal - wets-
ontwerp- hetgeen we allemaal willen: 
meer rechten voor de kinderen èn 
daarbij een aantasting van de ouderlij-
ke macht, dit moet men niet vergeten -
ook dan zal, als men iets wil, dit artikel 
280 moeten worden veranderd, omdat 
anders (wat voor fraais men dan ook 
maakt en wat men dan ook zegt ten 
aanzien van de positie van de minder-
jarigen, zoals het kunnen kiezen van 
een eigen woonplaats als zij 16 zijn en 
het zelf verantwoordelijk zijn op grond 
van artikel 1401) op de leeftijd bene-
den 16 jaar de huidige bepaling van ar-
tikel 280 in uw voorstelling van kracht 
blijft. Dan zal ook artikel 280 veranderd 
moeten worden, omdat anders de po-
sitie van de ouders en van de kinderen 
wel wordt veranderd, maar de hulp-
verlener dan nog steeds strafbaar is op 
grond van artikel 280. 

Mevrouw Leyten-de Wijkerslooth de 
Weerdesteyn (CDA): Ik heb helemaal 
niet ontkend dat artikel 280 veranderd 
moet worden. Onzerzijds is bepleit dat 
op het moment dat je de positie van de 
hulpverleners versterkt, je tegelijker-
tijd oog moet hebben voor de ellende 
van de ouders (ofschoon onze eerste 
zorg natuurlijk naar de kinderen uit-
gaat). Aan de positie van de ouders 
wordt nu niets gedaan. Daarom heeft 
de CDA-fractie in de Tweede Kamer 
steeds bepleit dat onafhankelijke in-
stanties (kinderrechters, de Raad voor 
de Kinderbescherming) het adres vor-
men waar de ouders naartoe zouden 
kunnen en dat die ook voldoende in-
formatie zullen krijgen om de gehele 
zaak te beoordelen. Ik heb niet gesug-

Eerste Kamer 

10 november 1981 

Minderjarigen 

66 




Haas-Berger 

gereerd dat met een wijziging van het 
jeugdrecht, zonder wijziging van arti-
kel 280 (ik zou het slecht vinden als ar-
tikel 280 dan niet werd gewijzigd), het 
probleem zou zijn opgelost. 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): Mijn-
heer de Voorzitter! Artikel 280 moet 
worden gewijzigd. Maar niet alleen ar-
tikel 280, zegt mevrouw Leyten. Ik heb 
zoeven betoogd dat gedeelten van de 
gehele regeling vooruit zijn gehaald 
door de Minister, want alles in een to-
taal-wetsontwerp regelen is een zo gi-
gantische opdracht, dat de Minister dit 
niet ineens voor elkaar krijgt, laat 
staan de indieners uit de Tweede Ka-
mer. In dit wetsontwerp wordt de ou-
derlijke macht echter niet aangetast. 

Hier wordt de positie van de hulp-
verlener zodanig gemaakt, dat deze 
niet meer, gegeven een aantal voor-
waarden, onder het Wetboek van 
Strafrecht valt. De ouderlijke macht 
blijft bestaan. Maar denkt u werkelijk 
dat in de situatie dat kinderen weglopen 
en de hulpverlener strafbaar blijft of 
in de situatie dat de hulpverlener niet 
strafbaar is, er enig verschil is in de fei-
telijke uitoefening van de ouderlijke 
macht? Neen, de ouderlijke macht be-
staat als een juridisch begrip. 

De ouder kan alles beslissen over 
het kind, alleen kan hij die ouderlijke 
macht niet effectueren. Daar gaat het 
om. De ouderlijke macht is aan de ene 
kant een juridisch begrip en aan de an-
dere kant een sociologisch begrip: de 
afspraken die in een huis leven en 
waaruit conflicten komen. Die ouderlij-
ke macht, dat ouderlijk gezag, is tegen-
woordig niet meer door dwang te ef-
fectueren — hoe vervelend sommigen 
dit ook vinden. Dat is een gegeven, dat 
we in de huidige situatie kunnen waar-
nemen. Het ouderlijk gezag kan men 
niet effectueren. Het kan misschien 
wel hersteld worden, als de relatie her-
steld wordt door een goede hulpverle-
ning. 

Daarom zeggen wij: de ouderlijke 
macht wordt door dit wetsontwerp 
niet aangetast. Door het feit dat er 
moet worden gemeld, worden de ou-
ders gerustgesteld. Dat is een goede 
zaak. Waar het echter om gaat, is dat 
het ouderlijk gezag als sociologisch 
begrip - de relatie tussen ouders en 
kind - weer goed gaat functioneren. 
Vandaar dat wij het wetsontwerp ook 
hebben genoemd 'Hulpverlening aan 
minderjarigen'. Men kan ook zeggen: 
'Hulpverlening aan minderjarigen en 
ouders'. Het gaat erom dat de zaken 
weer goed lopen. 

Mijnheer de Voorzitter! Ik meen dui-
delijk te hebben gemaakt, dat het niet 

gaat om een aantasting van de ouder-
lijke macht. Ik begrijp dat de spreektijd 
vrij beperkt is, daarom zou ik het hier-
bij willen laten. 

Mevrouw Leyten-de Wijkerslooth de 
Weerdesteyn (CDA): Mijnheer de 
Voorzitter! Ik heb het woord 'ouderlij-
ke macht' niet eens in de mond geno-
men! Mevrouw Haas bestrijdt een 
beer, die niet eens door deze Kamer 
loopt. Ik neem genoegen met het ver-
weer, dat is wat anders. Ik heb niet be-
streden dat de ouderlijke macht niet 
wordt aangetast. Misschien had dit 
juist wel dienen te geschieden. 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): Het is 
in de eerste termijn van de kant van 
uw fractie wel degelijk gezegd, me-
vrouw Leyten, dat het gezag van de 
ouders wordt ondermijnd! 

De beraadslaging wordt gesloten. 

De Voorzitter: Naar ik heb begrepen, 
wordt een hoofdelijke stemming ver-
langd over het voorstel van wet 
16 518. Deze stemming zal plaatsvin-
den aan het begin van de eerstkomen-
de openbare vergadering. 

Daarna kan een besluit worden geno-
men over de vraag, wat met het voor-
stel van wet nr. 13 538 zal gebeuren. 
De heer De Rijk (PvdA): Ik vraag u ver-
lof vooreen persoonlijk feit. 
De Voorzitter: Artikel 33 van ons 
Reglement van Orde opent daartoe de 
mogelijkheid. 

De vergadering wordt enkele minuten 
geschorst. 

Jubileum Voorzitter 

De Voorzitter: Ik geef het woord aan 
de heer De Rijk, die het heeft ge-
vraagd. 

• 

De heer De Rijk (PvdA): Mijnheer de 
Voorzitter! Het is een zeer bijzonder 
woordvoeren voor een persoonlijk feit, 
want het persoonlijk feit betreft in dit 
geval niet de spreker zelf maar één van 
onze geachte medeleden, namelijk de 
heer Thurlings. Deze was de afgelopen 
vrijdag 25 jaar lid van deze Kamer. De 
huishoudelijke commissie heeft una-
niem besloten dit jubileum niet onop-
gemerkt zou mogen voorbijgaan. 
Maar er waséén moeilijkheid: de heer 
Thurlings zelf meende, dat dit op een 
uiterst eenvoudige wijze zou moeten 
geschieden in de hal, zonder sprekers, 
althans zonder woordvoerders. 

Daar zaten wij mee. Gelukkig had hij 
buiten de voorzitter gerekend. Deze 

De heer Thurlings is 25 jaar lid van de Eerste 
Kamer 

heeft ons er immers menigmaal op at-
tent gemaakt - wie zal het zich niet 
herinneren - dat zó veelvuldig 
wisselingen in de Eerste Kamer plaats-
vinden dat de continuïteit gevaar 
loopt. Welnu, als er dan eindelijk één 
lid is dat storeloos de 25 jaar volmaakt 
en onwrikbaar op zijn plaats blijft, 
moet toch ook de heer Thurlings inzien 
- hij zag het ook in - dat althans enig 
feestgedruis niet langer te vermijden 
was. 

U begrijpt, geachte aanwezigen, dat 
wij de bescheiden Thurlings tegen de 
Senaatbewuste voorzitter hebben uit-
gespeeld. Dat heeft geleid tot deze bij-
eenkomst, en in deze vorm. 

Waarde Thurlings, u bent nu 25 jaar 
lid van deze Kamer. Men zou heel filo-
sofisch kunnen zeggen: dat is een lan-
ge tijd. Doordenkers als wij in de Eer-
ste Kamer nu eenmaal zijn zullen wij 
echter dat motief niet aangrijpen. Het 
is immers duidelijk dat wanneer de 
lengte van het verblijf in deze Kamer 
aanleiding is voor feest, er tegelijker-
tijd alle reden is het feest uit te stellen, 
om aldus de periode nog verder te ver-
lengen en dus nog meer reden te heb-
ben voor feest. Wat wij doen is iets au-
thentiekers: wij gaan de taakvervulling 
en de omstandigheden waaronder na-
der beschouwen. 

De taakvulling ving aan in 1956. 
Naar dat jaartal moeten wij terug. Nu 
zal men wellicht denken dat ik in den 
brede ga uithalen en ga uiteenzetten 
hoe anders de tijd in 1956 was. Men 
kan tevreden zijn: dat ga ik ook doen. 

November 1956 - velen van ons zul-
len het zich herinneren - gaf in politiek 
opzicht ingrijpende gebeurtenissen te 
Eerste Kamer 

10 november 1981 

Minderjarigen 
Toespraken 

67 




De Rijk 

beleven. De Suez-crisis van eind okto 
ber bracht niet alleen Engeland en 
Frankrijk, maar de gehele westelijke 
wereld in een andere relatie met het 
Midden-Oosten. Op zondag 4 novem-
ber, twee dagen voor de eerste verga-
dering van de Kamer in nieuwe sa-
menstelling, vielen de Russen Honga-
rije binnen. Vooral die gebeurtenis leg-
de een loodzware doem op de eerste 
vergaderdag van de nieuwe Kamers. 

Ook de micro-verhoudingen van die 
tijd verdienen enige vermelding. 25 
nieuwe leden 'onder wie de 39-jarige 
Thurlings' voegden zich bij een gezel-
schap van 50 veteranen 'onder wie de 
39-jarige Diepenhorst'. Zij allen legden 
niet die onversneden hartelijkheid aan 
de dag die wij tegenover nieuwkomers 
plegen te tonen. Men zal het zich her-
inneren: in 1952 had deze Kamer de 
uitbreiding der Staten-Generaal afge-
wezen. De stemming was inderdaad 
tegen. Ik beperk mij tot één voorbeeld. 
De heer Pollena, voorzitter van de 
CHU-fractie, sprak aldus: 'Vijf en twin-
tig leden meer, mijnheer de Voorzitter, 
zijn ook vijf en twintig sprekers meer, 
wat ongetwijfeld uw taak niet zou ver-
gemakkelijken, terwijl het ook voor u 
een ere-ambt is, dat bijzondere inspan-
ning vergt, physiek zowel als psy-
chisch. Maar, mijnheer de Voorzitter, 
wie jarenlang lid is van dit college, 
leert, dat ook een der deugden, die een 
lid der Eerste Kamer sieren, ongetwij-
feld is, dat hij weinig spreekt en 
meestal zwijgt, en juist omdat men het 
zwijgen moet leren, zie ik de komst 
dier vijf en twintig nieuwelingen met 
enige zorg tegemoet.' 

Ook de griffier wordt in de argumen-
tatie betrokken. 'Niemand onzer kan 
meer lof en waardering hebben voor 
onze heer griffier en zijn personeel dan 
ik; ik ben met dankbaarheid vervuld 
voor de wijze, waarop zij allen zich 
steeds beijveren ieder onzer f ractiele-
den niet alleen met de meest mogelij-
ke welwillendheid tegemoet te treden, 
maar ook van inlichtingen en gepaste 
raad te dienen. Hun taak echter zou tot 
het onmogelijke worden verzwaard, 
indien wij tot een getal van vijf en ze-
ventig aangroeiden. Stel een ogenblik, 
dat ieder van die 75 leden de griffier 
een ogenblik zou willen spreken! Nu 
kan dat nog, maar wanneer er 75 leden 
zijn, lopen wij met de eenvoudigste 
dingen vast.' 

Hoe destijds griffier De Block het be-
zoek van slechts 50 leden tegelijk heeft 
weten te verwerken, staat nergens ver-
meld. 

De nieuwkomers bedreigden ook de 
historische sfeer, want, zo ging Polle-

ma voort: 'Zie, wij moeten uitermate 
voorzichtig zijn met het verstoren van 
de historische sfeer, welke deze Kamer 
kenmerkt. Dat klinkt nu wel wat con-
servatief en weinig progressief, maar 
het klinkt goed uit de mond van een 
CH-man, die tot principe heeft, dat de 
bekoring van het nieuwe onmiddelijk 
verdwijnt, dat de glans daarvan ver-
doft, zodra dit nieuwe dagelijkse ge-
woonte is gewoorden. Eerst dan blijkt 
juist de waarde van het oude en beseft 
men een slechte ruil te hebben gedaan, 
dat oude te hebben ingewisseld voor 
het nieuwe.' 

Zelfs het innerlijk gehalte van de 
nieuwelingen wordt niet buiten 
beschouwing gelaten: 'Niet in de 
talrijkheid der leden, mijnheer de 
Voorzitter, maar in de karakters der af-
gevaardigden schuilt de kracht van 
een vergadering als de onze; en het 
grootste compliment, dat ik deze Ka-
mer kan maken, is wel dit, dat mijn 
langdurige ervaring mij heeft geleerd, 
dat juist haar betrekkelijk klein getal 
karaktervormend en karakterverster-

kend werkt Nu vreest mijn fractie 

juist, dat uitbreiding van het getal met 
50 pet. duurzaam deze zo heilzame 
sfeer zal verstoren.' Nu zult u mis-
schien zeggen: Dit is geen geschied-
schrijving; waren er dan geen vóór-
standers? Ik noem er u één. Die heeft 
gepleit vóór uitbreiding van de Kamer 
opdat er dan meer absentie mogelijk 
zou zijn. Ik moet toegeven, hij (of zij) is 
anoniem. 

In augustus 1956 kwam de uitbrei-
ding ertoch door, maar niemand gaf 
zijn stem jubelend, vol blijde verwach-
ting. 

Die gevoelens van krachtig getem-
perde welwillendheid tegenover de 
nieuwkomers gingen, zoals het de Eer-
ste Kamer nu eenmaal betaamt, door 
alle fracties heen. Wat waren echter al-
le fracties? De PSP en de PPR beston-
den nog niet. D'66 bestond nog niet, 
per definitie. Ook het CDA bestond 
nog niet, hetgeen toch voor een aantal 
onzer een weerzinwekkende gedachte 
moet zijn. 

Ik hoop ons allen voldoende in ver-
warring te hebben gebracht om een 
helder inzicht te krijgen in hoe anders 
de tijd was, toen de heer Thurlings de 
Kamer betrad. Onmiddellijk heeft hij 
deelgenomen aan alle werkzaam-
heden. Zeer bijzonder heeft hij zich on-
derscheiden in een zeer moeilijke ma-
terie, de rijksfinanciën, ook toen al 
moeilijk. Wij weten het wel, een olijke 
losbol met een gat in de hand is Thur-
lings niet. Hij deed zich kennen als de 
weloverwegende, zuinige huisvader 
waarvan de Schrift spreekt. 
Het gerucht gaat, dat hij eens is ge-
vraagd, wellicht wel vaker, als Minister 
van Financiën, maar dat hij na een kor-
te bedenktijd heeft geweigerd in ver-
band met de deplorabele toestand van 
's lands financiën. Hij moet met Burger 
gedacht hebben: Regeren graag, maar 
er moet wel iets te regeren zijn. 
Zonder twijfel kwam de kroon op 
Thurlings' carrière in het parlement 
met zijn benoeming tot Voorzitter in 
1973. Dat voorzitterschap begon direct 
al in een nieuwe tijd, met volstrekt 
nieuwe politieke verhoudingen alsook 
een ander politiek werkklimaat. De bij-
na permanente gehaastheid van het 
politieke bedrijf als geheel en de com-
plexiteit van de materie, die dunkt 
mij, voor een belangrijk deel de 
oorzaak is van al dat gejakker, maken 
ook het voorzitterschap van de Eerste 
Kamer menigmaal tot een werkelijke 
taak. 

Daarbij komt natuurlijk nog de posi-
tie van de Eerste Kamer, ik bedoel niet 
in staatsrechtelijke zin, maar in de da-
gelijkse politieke praktijk. Eigenlijk 
kunnen wij de politieke partijen in Ne-
derland op dit punt in tweeën delen. Er 
zijn een aantal partijen waarvan de le-
den in de Eerste Kamer moeite hebben 
met hun eigen principiële afwijzing 
van de Eerste Kamer. De andere partij-
en zijn die partijen waarvan de fracties 
in de Tweede Kamer moeite hebben 
met hun principiële strijd voor het be-
houd van de Eerste Kamer. Niet altijd 
is De Kwaadsteniet de kwaadste niet. 

Waarde Thurlings. De Kamer hecht 
eraan nu, zonder dat ervan enige wee-
moed om welk afscheid dan ook 
sprake kan zijn, haar waardering uitte 
spreken voor uw lidmaatschap, en 
vooral voor uw voorzitterschap. U 
komt uit het zuiden van het land. Wel-
nu, op het eerste gezicht is uw optre-
den niet van een sprankelende Bour-
gondische overdaad. Maar wat betekent 
nu in een Kamer van revisie ' op het 
eerste gezicht'? Op het tweede en op 
het derde gezicht blijkt u vol gniffelen-
de humor te zitten, vooral op momen-
ten waarop er net iets verkeerd gaat in 
de Kamer, ook wanneer u er misschien 
zelf enige aanleiding toe hebt gege-
ven. Wat erger is, u geniet ervan. 

Naar buiten bent u een waakzaam 
strijder voor de rechten van de Eerste 
Kamer, soms op een moment dat een 
ander de vijand nog niet ontwaart. 
Naar binnen toont u een souplesse die 
- dat weet u goed - niet traditioneel is 
in deze Kamer. In ieder geval kunnen 
wij ons de overigens voortreffelijke 
voorzitter Jonkman herinneren. In die 
tijd was de sfeer in deze Kamer van 
wat grotere rigiditeit. In zijn eigen frac-

Eerste Kamer 

10 november 1981 

Toespraken 

68 




De Rijk 

tie sprak hij wel, ook over zich zelf, 
maar altijd in de derde persoon. Toen 
eens bij een stemming een van onze 
medeleden een klank uitstiet die net 
iets meer leer op 'teugen' dan op 'te-
gen', behoefde de voorzitter hem al-
leen maar aan te kijken. U weet hoe hij 
dat deed. Hij zat op zijn stoel als de 
strikt Rechtvaardige, zoals men het al-
tijd zei. Hij kéék alleen, en daarmee 
was de zaak opgelost. U hebt een gro-
tere souplesse, die ook beter bij deze 
tijd past. 

Mijnheer de Voorzitter, waarde 
Thurlings, woorden vervliegen en wij 
gaan u daarom iets aanbieden, wat 
minder vluchtig is. Ik heb, behalve eni-
ge flessen wijn, twee fraaie glazen bij 
mij, met inscriptie. Regeringsontwer-
pen en initiatief-ontwerpen van de an-
dere Kamer houden wij graag kritisch 
tegen het licht. Hier heb ik een eigen 
initiatief van de Kamer en een eigen 
ontwerp, zodat revisie niet nodig is. Zo 
vaak als u dit glas zult heffen, zult u, 
fijnproever als u bent, dit glas tegen 
het licht houden en dan lezen - althans 
bij het eerste glas: Eerste Kamer der 
Staten-Generaal, 1956-1981. U zult dan 
beseffen, mèt de gevers, dat het toch 
een afscheid is, maar dan alleen een 
afscheid van uw eerste 25 jaar. En dat 
is tegelijk ónze wens. (Applaus.) 

D 

Minister Van Agt: Mijnheer de Voorzit-
ter! Het moet wel een heel markant 
persoonlijk feit zijn, dat zoveel leden 
van de Ministerraad in een situatie als 
waarin wij ons zelf hebben gebracht, 
ervan weerhoudt om door te werken 
aan de regeringsverklaring. Toch heb-
ben wij zonder een ogenblik van aarze-
ling onze noeste en nu volstrekt een 
drachtig geworden arbeid onderbro-
ken om u te huldigen. Het enige wat 
aan dit woord van lof en hulde zal ont-
breken is het glas, mijnheer de Voorzit-
ter, maar dat maken wij straks met el-
kaar in orde. 

Mijnheer de Voorzitter, goede Thur-
lings, gij zijt politicus, gij zijt weten-
schapper. Wij vroegen uit de bibli-
otheek van uw Kamer, hoe de voor-
raad boekwerken van Theo Thurlings 
aldaar is samengesteld. 

Dan treffen wij een aantal titels aan -
de heer De Rijk heeft er even op ge-
doeld - dat van een opmerkelijke rele-
vantie blijkt, ook nog heden ten dage. 
Daarbij gaat het waarachtig niet alleen 
om de studie over overheidsfinanciën uit 
1974. Het moet gezegd: ook mij is in 
het heel nabije verleden, het verhaal 
ter ore gekomen dat u in tijden waarin 
kabinetsformaties nog geheimzinniger 
verliepen dan anno 1981, in de nabij-

heid bent gesignaleerd van 's lands 
schatkist om daar een zeer kritische 
blik in te werpen. Nadat u gewaar was 
geworden wat daarin te zien was - en 
dat was niets - hebt u zich hoofs, doch 
beslist van dat oord verwijderd. Ik 
moet er niet aan denken hoe u, bij zulk 
een robuuste instelling, gereageerd 
zoudt hebben, hadde het feit zich voor-
gedaan dat u anno 1981 zoudt zijn ge-
roepen, het beheer te gaan voeren 
over 's Rijks schatkist, thans leger dat 
ooit! 

Mijnheer de Voorzitter! U zoudt zich 
niet meer voorzichtig en behoedzaam, 
zoals het uw aard is, hebben afge-
wend; u zoudt zich met misbaar luid 
geraas en zevenmijlslaarzen uit de 
voeten hebben gemaakt! 

U schreef over loonpolitiek. Collega 
Den Uyl en ik namen ons onlangs 
voor, dat werk uit 1952 aan de voor-
avond van het overleg in de Stichting 
van de Arbeid weer eens op te slaan. 

U schreef over schadeloosstelling 
bij onteigening van landbouwgron-
den, lang voor 1977. Welnu, gezien 
wat er nadien met die landbouwgron-
den en die schadeloosstelling in de po-
litiek gebeurde, in 1977, vinden collega 
Den Uyl en ik het wijs om, meer dan in 
het verleden is geschied, kennis te ne-
men van uw wetenschappelijk werk. 

Mijnheer de Voorzitter! Een van de 
meest intrigerende werken die uw 
geest heeft voortgebracht, mag ik wel 
noemen uw dies-rede voor de Land-
bouwhogeschool te Wageningen in 
1966, het economisch gebeuren, fa-
tum of officium? Ik vertaal dat Latijn 
voor u niet, dat doen wij in de Tweede 
Kamer! (applaus) 

Het komt mij voor dat u het politieke 
bestel van ons land wellicht geen 
duurzamer dienst kunt bewijzen dan 
door ook nog eens een werk te conci-
piëren en te doen verschijnen over het 
politieke gebeuren, fatum of officium? 
Er zijn er die het niet begrijpen, maar 
hun getal is gering. 
Mijnheer de Voorzitter! Alle goede 
woorden die De Rijk over u gesproken 
heeft, hadden ook zij kunnen spreken, 
wij onderschrijven die. Mag ik uit de 
kwalificaties die hij heeft gebezigd, er 
één opdiepen? Hij heeft gezegd: Thur-
lings is - een niet al te vrije weergave-
een monument van continuïteit. 
Mijnheer de Voorzitter! In de be-
scheidenheid die deze bewindslieden 
hier en nu past, zeg ik u: wij zullen met 
name een voorbeeld nemen aan uw 
continuïteit! 

Proficiat namens alle bewindslieden 
met dit zeer bijzondere jubilee! Het is 
heel goed dat er een Eerste Kamer is; 
het is ook prima dat er Voorzitter Thur-
lings is! (Applaus.) 

D 

De Voorzitter: Geachte medeleden, 
dames en heren! U zult mij wel veroor-
loven, een kort wederwoord te spre-
ken. Ik ben beduusd van alles wat hier 
over mij is gekomen. In deze Kamer 
gebeurt echter weinig onvoorbereid. Ik 
had dus al van tevoren een weder-
woord op papier gezet, niet wetende 
wat mij hier allemaal te wachten zou 
staan. 

Allereerst wil ik u allen mijn dank 
betuigen voor de belangstelling die u 
toont bij het naar mijn overtuiging op 
zichzelf toch weinig belangrijke feit, 
dat ik een kwart eeuw onafgebroken 
lid van deze Kamer ben geweest. Meer 
in het bijzonder ben ik dankbaar - en ik 
spreek hier mede de gevoelens van 
mijn vrouw uit, die al die jaren mij ter 
zijde heeft gestaan en de lasten van 
het ambt mee heeft gedragen - voor 
de waarderende woorden die namens 
de Kamer door de heer De Rijk en na-
mens de Regering door de Minister-
President aan mijn adres zijn uitge-
sproken. Ook dank ik een ieder die 
heeft bijgedragen aan de geschenken 
die mij zo onverdiend zijn geworden. 

Een kwart eeuw lijkt een hele tijd, 
maar ieders ervaring is, dat met het 
klimmen van de jaren de dagen sneller 
verstrijken. Achteraf blijkt een kwart 
eeuw toch niet zo erg lang te zijn ge-
weest. Het jaar 1956, het jaar waarin 
de Kamer werd uitgebreid, was inter-
nationaal - dit is terecht gememoreerd 
- een zeer bewogen jaar. Het was ook 
in nationaal opzicht een moeilijk jaar, 
economisch en politiek. 

Dit was in economisch opzicht het 
geval, omdat er zich een ernstige over-
besteding had ontwikkeld en in poli-
tiek opzicht, omdat het na de verkiezin-
gen bijzonder moeilijk bleek, een 
nieuw kabinet te vormen. De Troonre-
de die H.M. de Koningin op 18 septem-
ber 1956 uitsprak, begon met de woor-
den: 'Ofschoon meer dan drie maan-
den zijn verlopen sinds de verkiezin-
gen van de Tweede Kamer is het nog 
niet mogelijk gebleken te komen tot de 
vorming van een nieuw kabinet.' Mis-
schien zegt men wel: dat was de goe-
de oude tijd. Het zou nog tot 13okto-
ber van dat jaar duren, alvorens het 
nieuwe kabinet (Drees/Struyken) op-
trad. 

De Troonrede maakte er ook gewag 
van dat het de laatste maal zou zijn dat 
de Staten-Generaal in Verenigde Ver-
gadering in de oude sterkte te zamen 
kwamen, 150 leden, de getalssterkte 
die sinds 1887 had gegolden. Op 6 no-
vember 1956 vergaderden de Kamers 
voor het eerst in de nieuwe samenstel-
ling en getalssterkte. De vergaderzalen 
van de Eerste en de Tweede Kamer 

Eerste Kamer 

10 november 1981 

Toespraken 

69 




De Voorzitter 

hadden er een nieuwe inrichting voor 
gekregen. De prachtige banken waarin 
u is gezeten, dateren uit die periode. 

Het zou overdreven zijn - de heer De 
Rijk heeft dit reeds terecht gememo-
reerd-te zeggen dat de nieuwelingen 
door de oude garde met open armen 
werden ontvangen. De Eerste Kamer 
had in 1952 bij de behandeling van de 
Grondwetswijziging in eerste lezing 
haar eigen uitbreiding verworpen, ter-
wijl bij de tweede lezing het wets-
ontwerp dat in de uitbreiding van de 
Tweede Kamer voorzag, de vereiste 
tweederde meerderheid niet had ge-
haald. Zoals men in een artikel van mr. 
B. C. L. Waanders in de NRC van zater-
dag 31 oktober jl. kon lezen, stemden 
van de 44 aanwezige leden er 17 tegen 
dit wetsontwerp. Het stemgedrag van 
deze Heren Zeventien verwekte nogal 
wat rumoer, en bleek bij een her-
nieuwde poging van regeringszijde in 
1956 niet voor herhaling vatbaar. 

Hoe dit alles ook zij, de uitbreiding 
van de Kamer werd in 1956 een feit, 
maar men zat niet reikhalzend naar 
ons uitte zien. Wel hadden de onder-
scheiden fracties, eventueel met be-
hulp van hun partijbesturen, zich be-
ijverd om personen aan te trekken die 
een of ander specialisme bezaten 
waaraan de fracties behoefte hadden. 
Desondanks werd van de nieuwelin-
gen verwacht dat zij zich aan de oude 
mores zouden houden - ik neem aan 
dat dat Latijnse woord niet te moeilijk 
is - en niet in de Openbare Vergadering 
het woord zouden voeren, voordat een 
ruime periode van kennismaking was 
verstreken. 

De gedachte ooit lid van deze Kamer 
te worden was nooit bij mij opgeko-
men. Ik moet dat bekennen. Weliswaar 
was ik actief in het bestuur van het aan 
de KVP gelieerde Centrum voor Staat-
kundige Vorming, maar het lidmaat-
schap van de SER en meer in het bij-
zonder het voorzitterschap van de 
Commissie Vestigingsregelingen, die 
toen moest adviseren over de algehele 
herziening van de reeks van vesti-
gingsbesluiten op het terrein van mid-
den- en kleinbedrijf, bevredigde mijn 
behoefte om ook buiten mijn universi-
teit actief te zijn. 

Van deze Kamer werd ik lid omdat er 
grote druk op mij werd uitgeoefend. Ik 
had in den beginne nogal moeite om 
te wennen aan de wijze van werken: 
lange voorlopige verslagen en dito 
memories van antwoord en daarna nog 
eens langdurige openbare vergade-
ringen die nogal eens zich schuldig 
maakten aan het herhalen van het 
reeds herhaalde. Ik moet daartegen-

over stellen dat er ook debatten waren 
tussen bewindslieden en vooraan-
staande leden van deze Kamer, die 
mij zeer boeiden. 

Gaandeweg werd de werkwijze van 
de Kamer doelmatiger, de begrotings-
behandeling werd beknopter, de ver-
togen bondiger. Het verwijt 'chambre 
de répétition' te zijn werd minder vaak 
vernomen; de kwalificatie van 'cham-
bre de reflection' kwam allengs beter 
tot haar recht. In het Parool van 25fe-
bruari 1981 kwalificeerde de heer H.A. 
Wijnen de Eerste Kamer als 'Een over-
bodige maar prettige club'. Dat de ver-
standhouding tussen de leden en met 
de medewerkers van deze Kamer van 
uitnemende hoedanigheid is, kan nie-
mand betwisten en met dat deel van 
Wijnen's kwalificatie ben ik het dan 
ook graag eens. Het andere deel echter 
wijs ik van de hand. 

De Eerste Kamer is allerminst een 
overbodige club. Als de pers inder-
daad niet meer luistert - Wijnen 
schreef dat en ik laat deze woorden ge-
heel voor zijn verantwoording - dan 
schiet de pers tekort. Niet alleen vormt 
de aanwezigheid van de Eerste Kamer 
een prikkel te meer voor de leden van 
de Tweede Kamer om niet te verslap-
pen in hun overigens zeer prijzens-
waardige toewijding en ijver maar ook 
rechtstreeks vervult de Eerste Kamer 
een belangrijke taak in het staatkundi-
ge proces. 

Wetsontwerpen kunnen in de Twee-
de Kamer door amendering uit hun 
voegen raken, en dan is het goed dat 
er een Eerste Kamer is. Ook leveren de 
debatten in de Eerste Kamer, door de 
heer Wijnen als 'veelal zinnig en ook 
belangwekkend' genoemd soms een 
voor latere jurisprudentie zeer waarde-
volle verheldering van de werkelijke 
bedoeling van de wetgever. 

Tenslotte wil ik wijzen op het feit dat 
de publieke opinie soms pas ten volle 
gealarmeerd raakt nadat de behande-
ling in de Tweede Kamer het 'point of 
no return' is gepasseerd en het publiek 
richt zich dan met kracht tot de Eerste 
Kamer om het komende onheil te ver-
hoeden. Het in deze Kamer in voorbe-
reiding verkerende wetsontwerp Her-
ziening Scheidingsrecht en Omgangs-
recht vormt er een sprekend voorbeeld 
van. 

Het zal zijn opgevallen dat ik uitslui-
tend sprak over de behandeling van 
wetsontwerpen. Dat was geen toeval. 
Het is mijn overtuiging, in een reeks 
van jaren gerijpt, dat de Kamer als 
voornaamste taak moet zien een ui-
terst kritische doorlichting van wets-
ontwerpen, die de Tweede Kamer zijn 
gepasseerd. Dit is des te meer haar 

taak omdat in Nederland niet, zoals in 
sommige andere landen, de Hoge 
Raad wetten aan de Grondwet mag 
toetsen. 
Om die taak naar behoren te vervul-
len moet de Kamer ook een geëigende 
samenstelling naar deskundigheid be-
zitten. Aangetekend moge worden dat 
de ontwikkeling van de laatste decen-
nia waarin het zwaartepunt bij de kan-
didaatstelling naar de basis verschoof, 
de samenstelling van de fracties op dit 
punt meer dan ooit te voren tot een 
toeval maakte. 
De Kamer moet haar budgetrecht 
niet prijs geven, al zal zij zich wel tien 
maal bedenken voordat zij door een 
begroting te verwerpen een regering 
naar huis stuurt. In de debatten echter 
zal zij zich grote beperking moeten op-
leggen en ik moet zeggen dat de leden 
dat in het algemeen zeer wel begrij-
pen. 

Ik wil u niet langer vermoeien met 
mijn overpeinzingen. De vijfentwintig 
jaren van mijn lidmaatschap heb ik, na 
een aanvankelijke aarzeling, met toe-
nemende vreugde vervuld. Dat geldt 
in het bijzonder voor de periode na 
september 1973, toen ik geroepen 
werd uw Voorzitter te zijn. Met dank-
baarheid memoreer ik uw welwillende 
opstelling tegenover mij, en de pretti-
ge samenwerking in het College van 
Senioren en in de Huishoudelijke 
Commissie. Voorts en niet in het minst 
wil ik mijn oprechte dank betuigen aan 
de griffiers en alle verdere medewer-
kers van deze Kamer die mij steeds op 
voortreffelijke wijze hebben bijgestaan 
en op wier vriendschap ik mag reke-
nen. Ik dank u allen zeer voor de harte-
lijkheid die u mij en mijn vrouw hebt 
betoond. 

Ten slotte nodig ik u allen uit, in de 
foyer een glas met ons te ledigen. 

Sluiting 16.59 uur. 

Lijst van besluiten 

De Voorzitter heeft na overleg met het 
College van Senioren besloten om: 
a. openbare behandeling van de vol-
gende wetsontwerpen te houden op 
10 november 1981: 

Wijziging van de Uitleveringswet en 
goedkeuring van het Protocol tot aan-
vulling en wijziging van het Benelux-
Verdrag inzake uitlevering en rechts-
hulpin strafzaken (Trb. 1974,161), van 
het eerste en tweede Aanvullende Pro-
tocol bij het Europees Verdrag betref-
fende uitlevering en van het Aanvul-
lende Protocol bij het Europees Ver-
drag aangaande de wederzijdse 
rechtshulp in strafzaken (Trb. 1979, 
119,120 en 121) (15965); 

Eerste Kamer 

10 november 1981 

Toespraken 

Regeling van werkzaamheden 

70 




Goedkeuring van het voornemen tot 
intrekking van de voorbehouden inge-
volge de artikelen 13, derde lid, en 15 
van het Verdrag van 's-Gravenhage 
van 5 oktober 1961, betreffende de be-
voegdheid der autoriteiten en de toe-
passelijke wet inzake de bescherming 
van minderjarigen (Trb. 1968,101) 
(16657, R 1160); 

Aanvulling van het Wetboek van 
Burgerlijke Rechtsvordering in ver-
band met de intrekking van de voorbe-
houden ingevolge de artikelen 13, der-
de lid en 15 van het Verdrag van 
's-Gravenhage van 5 oktober 1961, be-
treffende de bevoegdheid der autori-
teiten en de toepasselijke wet inzake 
de bescherming van minderjarigen 
(Trb. 1968, 101X16658). 

b. de openbare behandeling van de 
volgende wetsontwerpen te houden 
op 1 december 1981: 

Basisbepalingen omtrent de mede-
zeggenschap van het personeel, de 
ouders en de leerlingen binnen de 
scholen voor kleuter-, lager en voort-
gezet onderwijs (16 606); 

Bestendiging van de regeling inzake 
verdeling over opvolgende jaren van 
bedrijfslasten die verband houden met 
toekomstige wijzigingen in lonen of 
prijzen (16525). 

c. het voorbereidend onderzoek door 
het College van Senioren alsmede de 
openbare behandeling van de volgen-
de wetsontwerpen te houden op 1 de-
cember 1981: 

Wijziging van hoofdstuk XV (Depar-
tement van Sociale Zaken) van de be-
groting van uitgaven van het Rijk voor 
het jaar 1980 (verzamelontwerp; twee-
de wijzigingsvoorstel) (16 943); 

Wijziging van de Postwet 1954 (Stb. 
592) (16785); 

Verbetering van een misstelling in 
artikel 5, derde lid, van de Wet van 11 
december 1980, Stb. 653, houdende 
uitvoering van het op 18 maart 1970 te 
's-Gravenhage tot stand gekomen Ver-
drag inzake de verkrijging van bewijs 
in het buitenland in burgerlijke en in 
handelszaken (Trb. 1979, 38) (17 108). 

d. het voorbereidend onderzoek van 
de volgende wetsontwerpen te doen 
plaatsvinden door de vaste Commissie 
voor Sociale Zaken op 1 december 
1981: 

Nadere wijziging van de Algemene 
Kinderbijslagwet (kinderbijslag aan de 
verzorgende ouder, alsmede enige 
wijzigingen van technische aard) 
(16632); 

Wijziging van de Algemene Kinder-
bijslagwet (invoering recht op kinder-
bijslag over een beperkte oeriode voor 
werkloze schoolverlaters en voor daar-
meegelijkgestelden) (17 029). 

Lijst van ingekomen stukken met de 
door de Voorzitter ter zake gedane 
voorstellen: 
1°. de volgende door de Tweede Ka-
mer der Staten-Generaal aangenomen 
ontwerpen van wet: 
Nadere wijziging van de Algemene 
Kinderbijslagwet (kinderbijslag aan de 
verzorgende ouder, alsmede enige 
wijzigingen van technische aard) 
(16632); 

Wijziging van de Postwet 1954 (Stb. 
592X16 785); 

Wijziging van hoofdstuk XV (Depar-
tement van Sociale Zaken) van de be-
groting van uitgaven van het Rijk voor 
het jaar 1980 (verzamelontwerp; twee-
de wijzigingsvoorstel) (16 943); 

Wijziging van de Algemene Kinder-
bijslagwet (invoering recht op kinder-
bijslag over een beperkte periode voor 
werkloze schoolverlaters en voor daar-
meegelijkgestelden) (17029); 

Verbetering van een misstelling in 
artikel 15, derde lid van de Wet van 11 
december 1980, Stb. 653, houdende 
uitvoering van het op 18 maart 1980te 
's-Gravenhage tot stand gekomen Ver-
drag inzake de verkrijging van bewijs 
in het buitenland in burgerlijke en in 
handelszaken (Trb. 1979, 38) (17 108). 

Deze ontwerpen van wet zullen wor-
den gesteld in handen van de desbe-
treffende commissies dan wel van het 
College van Senioren; 

2°. de volgende Regeringsmissives: 

een, van de Ministervan Buitenland-
se Zaken, betreffende een Tweede 
Aanvullend Protocol bij de Overeen-
komst van 26 juli 1957 tussen de Rege-
ringen der deelnemende Staten van de 
Europese Gemeenschap voor Kolen 
en Staal en de Hoge Autoriteit van de-
ze Gemeenschap enerzijds en de Oos-
tenrijkse Bondsregering anderzijds, in-
zake het invoeren van directe internati-
onale spoorwegtarieven voor door-
voer van kolen en staal over het grond-
gebied van Oostenrijk; 

een, van alsvoren, betreffende Aan-
vullende Protocollen bij de Overeen-
komst tussen de Lid-Staten van de Eu-
ropese Gemeenschap voor Kolen en 
Staal en Jordanië en bij de Samenwer-
kingsovereenkomst tussen de E.E.G. 
en Jordanië, in verband met de toetre-
ding van Griekenland tot de Gemeen-
schap; 

een, van alsvoren, betreffende een 
Wijziging van Bijlage I bij de Overeen-
komst inzake gezamenlijke financie-
ring van stations op de Noordelijke At-
lantische Oceaan; 

een, van de Minister van Justitie, ten 
geleide van het eindrapport van de 
Werkgroep openbaarheid richtlijnen 
O.M. 

een, van de Minister van Onderwijs 
en Wetenschappen, ten geleide van 
een Koninklijk besluit van 18 juli 1981, 
nr. 484, houdende toevoeging aan 
hoofdstuk VIII van de rijksbegroting 
1981 van bedragen, die voor 1980 on-
besteed zijn gebleven en waarvoor 
schriftelijke verplichtingen zijn aange-
gaan; 

een, van de Staatssecretaris van On-
derwijs en Wetenschappen, de heer 
Hermes, ten geleide van informatie 
over ontwikkelingsprojecten basis-
school; 
een, van de Minister van Financiën, 
betreffende wijziging van het Wissel-
koersbesluit 1979; 

een, van alsvoren, betreffende de 
overeenkomst met de N.V. Bank voor 
Nederlandsche Gemeenten inzake het 
monetaire-en bedrijfseconomische 
toezicht; 

een, van alsvoren, betreffende real-
ignment in het kader van het Europese 
Monetaire Stelsel; 

een, van alsvoren, betreffende aan-
passingen van de middenkoersen in 
het kader van het EMS; 

een, van de Minister van Volkshuis-
vesting en Ruimtelijke Ordening, ten 
geleide van het rapport 'Gevolgen 
overheidsbegroting huur- en koopwo-
ningen' en het advies inzake optiewo-
ningen van de Raad voor de Volkshuis-
vesting; 

een, van de Minister van Verkeer en 
Waterstaat, betreffende de waterkwali-
teit van de Maas; 

een, van de Staatssecretaris van 
Verkeer en Waterstaat, ten geleide van 
het eindrapport Kabeltelevisie-piraten; 

een, van de Minister van Economi-
sche Zaken ten geleide van rapportage 
betreffende de gas- en oliereserves; 

een, van alsvoren, ten geleide van 
het REO-advies over een meerjaren-
plan voor Energie-onderzoek; 

een, van alsvoren, ten geleide van 
een aantal exemplaren van het boekje 
'Kernenergie in Kernwoorden'; 

een, van alsvoren, ten geleide van 
de rapporten 'Industriële evaluatie van 
de CANDU' en 'Resultaat van een stu-
die naar de veiligheid van de Canade-
se zwaarwaterreactor CANDU', met 
aanbiedingsbrief van zijn ambtsvoor-
ganger; 
een, van de Minister-President, Mi-
nister van Algemene Zaken, houdende 
mededeling van de terbeschikkingstel-
ling van hun portefeuilles door de be-
windslieden; 

een, van de Minister van Buitenland-
se Zaken, betreffende een Tweede 
Aanvullend Protocol bij de Overeen-
komst van 28 juli 1956 inzake het in-
voeren van directe internationale 
spoorwegtarieven voor doorvoer van 
kolen en staal over Zwitsers grondge-
bied; 

een, van de Staatssecretaris van 
Verkeer en Waterstaat, betreffende 
een voorontwerp Besluit Vaarbewij-
zen; 

een, van de Minister van Economi-
sche Zaken, ten geleide van een staat 
van toevoegingen aan hoofdstuk XIII 
van de begroting voor 1981 ; 

een, van de Minister van Landbouw 
en Visserij, ten geleide van een Rap-
port taakstelling jachtopzieners; 

een, van de Minister van Buitenland-
se Zaken, ten geleide van het slotcom-
muniqué van de bijeenkomst van de 
Ministers van Buitenlandse Zaken van 
de EG- en ASEAN-landen; 

een, van de Minister voor Ontwikke-
lingssamenwerking, ten geleide van 
twee notities betreffende de bespre-
kingen op de jaarvergadering van We-
reldbank en IMF; 

een, van de Minister van Justitie, ten 
geleide van een rapport over de ont-
werp-EG-richtlijn over voorlichting 
aan een raadpleging van werknemers; 

een, van de Staatssecretaris van 
Justitie, ten geleide van 75 exempla-
ren van het jaarverslag directie gevan-
geniswezen 1980; 

een, van de Minister van Sociale Za-
ken en Werkgelegenheid, ten geleide 
van een afschrift van zijn antwoord op 
een vraag van het Tweede-Kamerlid 
De Korte inzake de eenmalige uitke-
ring aan zelfstandigen; 

een, van de Staatssecretaris van So-
ciale Zaken en Werkgelegenheid, me-
vrouw D'Ancona, ten geleide van het 
Jaarverslag Arbeidsinspectie 1980; 

een, van de Staatssecretaris van On-
derwijs en Wetenschappen, de heer 
Hermes, betreffende het Activiteiten-
plan buitengewoon onderwijs; 

een, van de Minister van Financiën, 
ten geleide van de communiqués van 
de vergadering van het Interim Com-
mittee en van de vergadering van het 
Development Committee van het IMF; 
een, van de Minister van Verkeer en 
Waterstaat, ten geleide van het Jaar-
verslag Staatsvissershavenbedrijf 
1980; 
een, van de Minister van Landbouw 
en Visserij, ten geleide van een notitie 

inzake de stand van de besprekingen 
over een EEG-richtlijn betreffende leg-
batterijen, en ten geleide van een door 
de Europese Commissie opgestelde 
samenvatting van haar richtsnoeren 
voor het Europese landbouwbeleid; 

van de Staatssecretaris van Cultuur, 
Recreatie en Maatschappelijk Werk, 
ten geleide van 35 exemplaren van 
drie adviezen van de Raad voor het 
Jeugdbeleid en van het jaarverslag 
1972-1980 van de Raad voor de 
Jeugdvorming; 

een, van de Minister van Buitenland-
se Zaken a.i., betreffende Administra-
tieve Akkoorden ter uitvoering van ar-
tikel III van de Overeenkomst tussen 
Nederland en Colombia inzake techni-
sche samenwerking; 

een, van de Minister van Verkeer en 
Waterstaat, betreffende het tracé van 
de Flevospoorlijn nabij de Oostvaar-
dersplassen. 

De Voorzitter stelt voor deze missives 
voor kennisgeving aan te nemen. De 
bijlagen zijn nedergelegd ter griffie ter 
inzage voor de leden; 

3°. de volgende missives van de Mi-
nistervan Buitenlandse Zaken: 

een, ter voldoening aan het bepaal-
de in het tweede lid van artikel 60 en 
onder verwijzing naar het derde lid 
van artikel 61 van de Grondwet, alsook 
naar het eerste lid van artikel 24 van 
het Statuut voor het Koninkrijk der Ne-
derlanden, en ten geleide van de Ne-
derlandse en de Engelse tekst van het 
op 12 juni 1981 te 's-Gravenhage tot 
stand gekomen Verdrag tussen het Ko-
ninkrijk der Nederlanden en de Ver-
enigde Staten van Amerika aangaande 
wederzijdse rechtshulp in strafzaken, 
met bijlage en briefwisseling (Trb. 
1981,188), alsmede een toelichtende 
nota bij deze Overeenkomst; 

een, ter voldoening aan het bepaal-
de in het tweede lid van artikel 60 en 
onder verwijzing naar het derde lid 
van artikel 61 van de Grondwet, alsook 
naar het eerste lid van artikel 24 van 
het Statuut voor het Koninkrijk der Ne-
derlanden, en ten geleide van de Ne-
derlandse en de Engelse tekst van het 
op 24 juni 1980 te 's-Gravenhage tot 
stand gekomen Uitleveringsverdrag 
tussen het Koninkrijk der Nederlanden 
en de Verenigde Staten van Amerika, 
met bijlage (Trb. 1980,111), alsmede 
een toelichtende nota bij deze Over-
eenkomst; 

een, ter voldoening aan het bepaal-
de in het tweede lid van artikel 60 en 
onder verwijzing naar het derde lid 
van artikel 61 van de Grondwet, en ten 
geleide van de Engelse tekst en de ver-
taling in het Nederlands van de op 25 

juni 1981 te's-Gravenhage tot stand 
gekomen Overeenkomst tussen het 
Koninkrijk der Nederlanden en de Re-
publiek Honduras betreffende de ont-
wikkeling van de Bajo Aguan-vallei 
(Trb. 1981, 204), alsmede een toelich-
tende nota bij deze Overeenkomst; 

een, ter voldoening aan het bepaal-
de in het tweede lid van artikel 60 en 
onder verwijzing naar het derde lid 
van artikel 61 van de Grondwet, en ten 
geleide van de Franse en de Engelse 
tekst van de op 14 juni 1978 te Kyoto 
aangenomen Bijlage B.3, behorende 
bij de Internationale Overeenkomst in-
zake de vereenvoudiging en harmoni-
satie van douaneprocedures (Trb. 
1981, 200), alsmede een toelichtende 
nota bij deze Overeenkomst; 

een, ter voldoening aan het bepaal-
de in het tweede lid van artikel 60 van 
de Grondwet, en ten geleide van de 
Engelse tekst van de respectievelijk op 
10 juli, 10/13 juli en 13 augustus 1981 
te 's-Gravenhage tot stand gekomen 
notawisseling tussen de Regering van 
het Koninkrijk der Nederlanden en de 
Regering van respectievelijk de Ver-
enigde Staten van Amerika, de Demo-
cratische Volksrepubliek Algerije en de 
Islamitische Republiek Iran, houdende 
een Overeenkomst betreffende een 
garantiefonds in verband met de be-
slechting van bepaalde geschillen tus-
sen de Verenigde Staten van Amerika 
en Iran, met bijlage (Trb. 1981,155, 
163 en 201); 
een, ter voldoening aan het bepaal-
de in het tweede lid van artikel 60 en 
onder verwijzing naar het derde lid 
van artikel 61 van de Grondwet, en ten 
geleide van de Franse tekst en de ver-
taling in het Nederlands van de op 13 
februari 1981 te Cotonou tot stand ge-
komen Overeenkomst tussen de Ne-
derlandse Regering en de Regering 
van de Volksrepubliek Benin op het ge-
bied van de volksgezondheid (Trb. 
1981,138), alsmede een toelichtende 
nota bij deze Overeenkomst; 

een, ter voldoening aan het bepaal-
de in het tweede lid van artikel 60, en 
onder verwijzing naar het derde lid 
van artikel 61 van de Grondwet, alsook 
naar het eerste lid van artikel 24 van 
het Statuut voor het Koninkrijk der Ne-
derlanden, en ten geleide van de En-
gelse tekst en de vertaling in het Ne-
derlands van de op 18 mei 1978 te Ge-
nève tot stand gekomen wijziging van 
artikel 74 van het Statuut van de We-
reldgezondheidsorganisatie (Trb. 197, 
54), alsmede een toelichtende nota bij 
deze Overeenkomst; 

een, ter voldoening aan het bepaal-
de in het tweede lid van artikel 60 en 
onder verwijzing naar het derde lid 

Eerste Kamer 

10 november 1981 

Ingekomen stukken 

72 




van artikel 61 van de Grondwet, en ten 
geleide van de Franse tekst en de ver-
taling in het Nederlands van het op 9 
mei 1980 te Bern tot stand gekomen 
Verdrag betreffende het internationale 
spoorwegvervoer (COTIF), met Proto-
col en bijlagen (Trb. 1980,160 en 1981, 
211), alsmede een toelichtende nota 
bij deze Overeenkomst. 

Deze missives zijn inmiddels gedrukt 
en aan de leden toegezonden. De trac-
tatenbladen zijn nedergelegd ter griffie 
ter inzage voor de leden; 

4°. de volgende gemeenschappelijke 
beschikkingen: 

een, van de Voorzitters van de beide 
Kamers der Staten-Generaal, houden-
de aanwijzing tot vertegenwoordigers 
in de Raadgevende Vergadering van 
de Raad van Europa van mevrouw Van 
der Werf-Terpstra en de heren Tum-
mers, Cornelissen, Scholten, Stoffe-
len, Van den Bergh en Van Eekelen, en 
tot plaatsvervangend vertegenwoordi-
gers in deze Vergadering van me-
vrouw Baarveld-Schlaman en de he-
ren Van der Werff, Eijsink, Mommer-
steeg, Worrell, Mertens en Blaauw; 

een, van de Voorzitters van de beide 
Kamers der Staten-Generaal, houden-
de aanwijzing tot leden van de Noord-
Atlantische Assemblee van de heren 
Gooden, Uijen, Ploeg, K. G. de Vries, 
Frinking, Couprie en Schaper, en tot 
plaatsvervangende leden van deze As-
semblee de heren K. de Vries, Van der 
Werff, Ter Beek, Patijn, De Boer en Van 
den Bergh. 

De Voorzitter stelt voor deze beschik-
kingen voor kennisgeving aan te ne-
men; 

5°. de volgende missives: 

tien, van de Directeur van het Kabi-
netder Koningin, houdende medede-
ling van de goedkeuring door H.M. de 
Koningin van een aantal ontwerpen 
van wet, aangenomen door de Eerste 
Kamer der Staten-Generaal op 30 juni, 
25 augustus en 15 september 1981; 

een, van de Bibliotheekraad, ten ge-
leide van de gedrukte versie van het 
advies over 'De organisatie van het 
leenverkeer'; 

een, van het Nederlands Instituut 
voor Vredesvraagstukken, ten geleide 
van zijn jaarverslag 1980; 

een, van Shell Nederland BV, ten ge-
leide van het 'Sociaal jaarverslag Shell 
South Africa (Pty) Limited; 

acht, van de Directeur van het Kabi-
net der Koningin, houdende medede-
ling van de goedkeuring door H.M. de 
Koningin van een aantal ontwerpen 
van (rijks)wet, aangenomen door de 
Eerste Kamer der Staten-Generaal op 
22 en 29 september en 6 oktober 1981; 

een, van gedeputeerde staten van 
Zeeland, betreffende decentralisatie 
van de maatschappelijke dienstverle-
ning; 
een, van de Stichting centrale raad 
voor gezinsverzorging, betreffende de 
ontwerp-programmeernota; 
een, van de heer F. G. van der Gun, 
houdende mededeling van het beëin-
digen van zijn lidmaatschap van het 
Europese Parlement; 

een, van het Havenschap Terneuzen, 
ten geleide van een aantal stukken 
vastgesteld in de vergadering van de 
raad van bestuur op 14oktober 1981; 

een, van het Havenschap Vlissingen, 
ten geleide van een aantal stukken 
vastgesteld in de vergadering van de 
raad van bestuur op 26 augustus 1981; 

een, van alsvoren, ten geleide van 
een verslag van de vergadering van de 
raad van bestuur op 26 augustus 1981 ; 

een, van de Federatie Landelijke Sa-
menwerking Bejaardentehuizen-orga-
nisaties, ten geleide van een discussie-
nota 'Contouren voor toekomstig be-
leid bejaardenzorg'; 

een, van de Directeur van het Kabi-
net der Koningin, houdende medede-
ling van de goedkeuring door H.M. de 
Koningin van een ontwerp van wet, 
aangenomen door de Eerste Kamer 
der Staten-Generaal op 6 oktober 
1981; 

een, van de Secretaris-Generaal van 
het Europese Parlement, ten geleide 
van een resolutie over de mogelijkhe-
den voor energiebesparing op het ge-
bied van vervoer; 

een, van alsvoren, ten geleide van 
een resolutie over maatregelen ter ver-
betering en liberalisering van het ex-
presvervoer van lichte luchtvracht in 
de Europese Gemeenschap; 

een, van alsvoren, ten geleide van 
een resolutie over de oprichting van 
een Europese effectenmarkt; 

een, van alsvoren, ten geleide van 
een resolutie over de voltooiing van de 
interne markt; 

een, van alsvoren, ten geleide van 
een resolutie over de verantwoorde-
lijkheid van het Hof van Justitie van de 
Europese Gemeenschappen voor de 
uniforme toepassing van het gemeen-
schapsrecht in de lid-staten; 

een, van de Directeur van het Kabi-
net der Koningin, houdende medede-
ling van de goedkeuring door H.M. de 
Koningin van een ontwerpvan rijks-
wet, aangenomen door de Eerste Ka-
mer der Staten-Generaal op 6 oktober 
1981; 

een, van de Voorzitter van de Twee-
de Kamer, houdende mededeling dat 
door 31 leden van die Kamer overeen-
komstig artikel 61 van de Grondwet bij 
schrijven van 5 oktober 1977 de wens 
te kennen is gegeven, dat het uitleve-
ringsverdrag tussen Nederland en de 
U.S.A. (17112, R 1193) en het verdrag 
tussen Nederland en de U.S.A. aan-
gaande wederzijdse rechtshulp in 
strafzaken (17 123, R 1194) aan de uit-
drukkelijke goedkeuring van de Sta-
ten-Generaal zullen worden onderwor-
pen; 

een, van de Secretaris-Generaal van 
de Noord-Atlantische Assemblee, ten 
geleide van de aanbevelingen en be-
sluiten aangenomen in de 27ste zitting 
van genoemde Assemblee; 

een, van het Havenschap Vlissingen, 
ten geleide van zijn begroting 1982; 

een, van het Havenschap Delfzijl/ 
Eemshaven, ten geleide van de notu-
len van de vergadering van zijn raad 
van bestuur dd. 3 september 1981. 

De Voorzitter stelt voor deze missives 
voor kennisgeving aan te nemen. De 
bijlagen zijn nedergelegd ter griffie ter 
inzage voor de leden; 
6°. de volgende geschriften: 

een, van A. B. Dull tot Backenhagen, 
te Leeuwarden, met betrekking tot de 
gemeentelijke herindeling van Fries-
land. 

Dit geschrift wordt van belang geacht 
voor de leden en plv. leden van de vas-
te Commissie voor Binnenlandse Za-
ken en de Hoge Colleges van Staat; 

een, van de gemeenschappelijke ou-
derraad Openbaar Onderwijs, te Am-
sterdam, betreffende het wetsontwerp 
Basisbepalingen omtrent de medezeg-
genschap van het personeel, de ou-
ders en de leerlingen binnen de scho-
len voor kleuter-, lager- en voortgezet 
onderwijs (16 606). 

Dit geschrift wordt van belang geacht 
voor de leden en plv. leden van de vas-
te Commissie voor Onderwijs en We-
tenschappen; 

een, van het Provinciaal Woonwagen-
beraad Noord-Brabant, betreffende 
het voorstel van wet van de heer Van 
Ooijen tot wijziging van de Woonwa-
genwet (16531). 

Dit geschrift wordt van belang geacht 
voor de leden en plv. leden van de vas-
te Commissie voor Volkshuisvesting 
en Ruimtelijke Ordening; 
Dit geschrift wordt van belang geacht 
voor de leden en plv. leden van de vas-
te Commissie voor Sociale Zaken en 
Werkgelegenheid; 

een, van mevrouw P. van de Klis, te 
Umuiden, betreffende de financiële 
positie van alleenstaande vrouwen 
met een minimum-inkomen. 

Dit geschrift wordt van belang geacht 
voor de leden en plv. leden van de vas-
te Commissie voor Sociale Zaken en 
Werkgelegenheid; 

een, van het college van burgemeester 
en wethouders van Zaanstad, betref-
fende de lastenverdeling tussen Rijk 
en gemeenten. 

Dit geschrift wordt van belang geacht 
voor de leden en plv. leden van de vas-
te Commissie voor Binnenlandse Za-
ken en de Hoge Colleges van Staat; 

een, van de Universiteitsraad van de 
Universiteit van Amsterdam, betref-
fende de kernbewapening in Europa. 

Dit geschrift wordt van belang geacht 
voor de leden en plv. leden van de vas-
te Commissie voor Defensie; 

een, van B. M. Peltenburg te Leiden, 
betreffende televisieuitzendingen van 
het I.K.O.N, op 30 september en 7 ok-
tober1981. 

Dit geschrift wordt van belang geacht 
voor de leden en plv. leden van de vas-
te Commissie voor Cultuur en Recre-
atie; 

een, van de raad der gemeente Pan-
nerden, betreffende de herindeling 
van de gemeenten Herwen en Aerdt 
en Pannerden. 

Dit geschrift wordt van belang geacht 
voor de leden en plv. leden van de vas-
te Commissie voor Binnenlandse Za-
ken en de Hoge Colleges van Staat; 

een, van het college van burgemeester 
en wethouders van Capelle aan den 
IJssel, betreffende contingentering 
van de woningbouw. 

Dit geschrift wordt van belang geacht 
voor de leden en plv. leden van de vas-
te Commissie voor Volkshuisvesting 
en Ruimtelijke Ordening; 
een, van het college van burgemeester 
en wethouders van Dordrecht, betref-
fende kernenergiecentrales. 
Dit geschrift wordt van belang geacht 
voor de leden en plv. leden van de vas-
te Commissies voor Economische Za-
ken en voor Volksgezondheid en Mi-
lieuhygiëne; 

een, van de Werkgroep Bolivia te Arn-
hem, betreffende levering van Fokker-
vliegtuigen aan Bolivia. 

Dit geschrift wordt van belang geacht 
voor de leden en plv. leden van de vas-
te Commissie voor Buitenlandse Za-
ken; 

een, van I. van Egten te Groningen, be-
treffende het ontwerp van wet Herzie-
ning van het scheidingsprocesrecht en 
het omgangsrecht in verband met 
scheiding (15 638). 

Dit geschrift wordt van belang geacht 
voor de leden en plv. leden van de vas-
te Commissie voor Justitie; 

een, van J. van Leeuwen te Roden, be-
treffende de kernbewapening. 

Dit geschrift wordt van belang geacht 
voor de leden en plv. leden van de vas-
te Commissie voor Defensie; 

een, van de Federatie Nederlandse 
Vakbeweging, afdeling Vlissingen, be-
treffende het onderhoud van de wo-
ningen van Fortress VII BV te Vlissin-
gen. 

Dit geschrift wordt van belang geacht 
voor de leden en plv. leden van de vas-
te Commissie voor Volkshuisvesting 
en Ruimtelijke Ordening. 

De Voorzitter stelt voor, deze geschrif-
ten voor kennisgeving aan te nemen. 

Eerste Kamer 

10 november 1981 

Ingekomen stukken 74 




Noten 

Nootl (zieblz. 51) 

Rapport van de commissie tot onder-
zoek van de geloofsbrieven van de be-
noemde leden der Kamer, de heer 
A. J. Cnoop Koopmans en mevrouw 
Drs. M. T. Mastik-sonneveldt. 

De Commissie, benoemd tot onder-
zoek van de geloofsbrieven van de 
heer mr. A. J. Cnoop Koopmans en 
mevrouw drs. M. T. Mastik-Sonne-
veldt, heeft de eer het volgende te rap-
porteren. 

In handen van de commissie zijn 
gesteld de volgende missives van de 
Voorzitter van het Centraal Stembu-
reau voor de verkiezing van de leden 
van de Eerste Kamer der Staten-Gene-
raal: 

a. één, ter voldoening aan het be-
paalde in artikel V 7, juncto artikel N 24 
der Kieswet, ten geleide van een foto-
kopie van zijn besluit van 12 septem-
ber 1981, nr. 3460, waarbij de heer A. 
J. Cnoop Koopmans te Amsterdam 
wordt benoemd verklaard tot lid van 
de Eerste Kamer der Staten-Generaal 
in de vacature, ontstaan door de be-
noeming van mevrouw H. d'Ancona 
tot Staatssecretaris; 

b. één, ter voldoening aan het be-
paalde in artikel U 2, tweede lid, der 
Kieswet, houdende mededeling dat hij 
van de heer A. J. Cnoop Koopmans, 
die bij zijn besluit van 12 september 
1981 nr. 3460, werd benoemd ver-
klaard tot lid van de Eerste Kamer der 
Staten-Generaal, bericht heeft ontvan-
gen dat hij zijn benoeming aanneemt; 

c. één, ter voldoening aan het be-
paalde in artikel V 7, juncto artikel N 24 
der Kieswet, ten geleide van een foto-
kopie van zijn besluit van 12 septem-
ber 1981, nr. 3461, waarbij mevrouw 
M.T.Mastik-Sonneveldt wordt be-
noemd verklaard tot lid van de Eerste 
Kamer der Staten-Generaal in de vaca-
ture, ontstaan door de benoeming van 
mevrouw S. J. Stuiveling tot Staats-
secretaris; 

d. één, ter voldoening aan het be-
paalde in artikel U 2, tweede lid, der 
Kieswet, houdende mededeling dat hij 
van mevrouw M. T. Mastik-Sonneveldt, 
die bij zijn besluit van 12 september 
1981, nr. 3461, werd benoemd ver-
klaard tot lid van de Eerste Kamer der 
Staten-Generaal, bericht heeft ontvan-
gen dat zij haar benoeming aanneemt. 

De benoemde leden hebben overge-
legd: 

1. de kennisgeving van de Voorzit-
tervan het Centraal Stembureau, dat 
zij zijn benoemd; 

2. een uittreksel uit het bevolkings-
registerc.q. uiteen akte van de burger-
lijke stand; 

3. een verklaring vermeldende de 
openbare betrekkingen welke zij bekle-
den. 
Uit deze stukken blijkt, dat de be-
noemde leden de bij de wet gevorder-
de leeftijd hebben bereikt en dat zij 
geen betrekkingen bekleden, welke 
onverenigbaar zijn met het lidmaat-
schap der Staten-Generaal. 
De commissie heeft derhalve de eer 
voor te stellen de heer CNOOP KOOP-
MANS en mevrouw MASTIK-SONNE-
VELDT als leden der Kamer toe te la-
ten, nadat zij de bij de Grondwet en het 
Statuut voor het Koninkrijk der Neder-
landen voorgeschreven eden/verkla-
ring en beloften zullen hebben afge-
legd. 

De commissie: 

Drs. F.H. von Meijenfeldt (voorzitter) 

Dr. L.Ginjaar 

Mevrouw S.C.Bischoff 

Eerste Kamer 

10 november 1981 

Noten 







