D1 
VASTE COMMISSIE VOOR JUSTITIE 

ISTEVERGADERING 
VERGADERING VAN MAANDAG 19 JUNI 1972 

(Bijeenroepingsuur 11.00) 
Voorzitter: de heer Vondeling. 

Tegenwoordig zijn 14 leden der Kamer, te weten: 

de heer Wiebenga, mejuffrouw Goudsmit, de heer Van der 
Sanden, mevrouw Haas-Berger, mejuffrouw Kappeyne van de 
Coppello, de heer Stoffelen en mejuffrouw Cornelissen, leden 
der vaste commissie, 

de heer Abma, mevrouw Gardeniers-Berendsen, de heren 
Voogd en Heijmans, plaatsvervangende leden der vaste commis-
sie, 

mejuffrouw Van Leeuwen, de heren Vondeling en Jongeling, 

en de heer Grosheide, Staatssecretaris van Justitie, die verge-
zeld is van enige ambtenaren. 

De Voorzitter: Ik deel aan de commissie mede, dat bericht is 
ingekomen van mevrouw Padt-Jansen, dat zij verhinderd is deze 
vergadering bij te wonen. 

Dit bericht wordt voor kennisgeving aangenomen. 

Aan de orde is de behandeling van: 

Nota Wiersma 'Jeugdbescherming en Justitie. Schets voor orga-
nisatie en structuur' - Brief van de Staatssecretaris van Justitie 
d.d. 12 april 1972 (11 257).1) 

De Voorzitter: Ik geef het woord aan de tweede voorzitter van 
de vaste Commissie voor Justitie die het mij heeft gevraagd over 
de orde. 

Mejuffrouw Goudsmit (D'66): Mijnheer de Voorzitter! In de 
vaste Commissie voor Justitie is afgesproken, de behandeling 
van het aan de orde zijnde onderwerp niet helemaal te doen 
plaatsvinden zoals in een openbare commissievergadering ge-
bruikelijk is, met name wat betreft de verdeling van de beraad-
slaging over onderdelen. De agenda weerspiegelt dat ook. Er 
staan twee punten op de agenda die nauwelijks separaat kunnen 
worden behandeld. 

De voorzitter van de commissie heeft met de Staatssecretaris 
overleg gepleegd en hem van onze voornemens op de hoogte ge-
steld. Ik neem aan, dat de Staatssecretaris het daarmee eens is. 

Wij hebben afgesproken, dat wij deze openbare commissiever-
gadering als een openbaar debat zouden beschouwen, met ande-
re woorden, dat wij niet per onderwerp vragen zouden stellen, 
maar dat wij een betoog zouden houden, waarbij uiteraard inter-
rupties mogelijk zijn. Wij willen praten zoals dat in de plenaire 
debatten gebeurt. Wij hopen dat de Staatssecretaris dan ook in 
een betoog reageert. Ik verzoek u, mijnheer de Voorzitter, deze 
vergadering op de door mij aangegeven wijze te doen verlopen. 

Mejuffrouw Van Leeuwen (A.R.P.): Mijnheer de Voorzitter! 
Ik heb geconstateerd, dat de nu te volgen werkwijze is vastge-
steld in de vaste Commissie voor Justitie. Wanneer een commis-
sie zoiets heeft besloten, moet men daarop slechts bij wijze van 
hoge uitzondering nog terugkomen. Ik ben zelf lid noch plaats-
vervangend van deze commissie en volsta dan ook met te zeg-
gen. dat ik deze wijze van behandeling in een openbare commis-
sievergadering bijzonder betreur. Ik meen, dat deze procedure in 

') Zie agenda: 11 257, nr. 1. 

Zitting 1971-1972 

strijd is met het karakter van een openbare commissievergade-
ring. Daarvan is immers de bedoeling, dat korte en flitsende vra-
gen worden gesteld, hier en daar in het kader van een klein ver-
haal. Nu is het blijkbaar de bedoeling achterelkaar verhalen van 
een half uur of daaromtrent af te draaien, hetgeen vooral voor 
degenen, die deze vergadering als toehoorders bijwonen, zeer 
vermoeiend zal zijn. De toehoorders zien vaak alleen maar de 
rug van de spreker of spreekster. 

Het is nu eenmaal zo besloten in de commissie, maar ik vraag 
om de aantekening, dat ik nooit voor een dergelijke gang van za-
ken zou hebben gestemd. Misschien - en dat maakt mij enigszins 
bescheiden; ik heb dat niet kunnen verifiëren - hebben mijn frac-
tiegenoten in deze commissievergadering we! voor deze opzet 
gestemd. 

De Voorzitter: Niets verzet zich, meen ik, tegen een behande-
lingswijze, zoals nu door de commissie is vastgesteld. Er is een 
zekere gewenning ontstaan aan een bepaalde vorm van openbare 
commissievergadering, maar op de nu voorgestelde wijze is het 
ook mogelijk, lijkt mij. Ik laat in het midden welke vorm van ver-
gaderen de beste is. Als Voorzitter heb ik daarover nog geen oor-
deel. Het Reglement van Orde verzet zich in ieder geval niet te-
gen de nu voorgestelde procedure. Wellicht kunnen wij naafloop 
het best beoordelen of deze procedure efficiënt is. Dit staat ech-
ter in de eerste plaats ter beoordeling van de vaste Commissie 
voor Justitie. 

Mejuffrouw Van Leeuwen (A.R.P.): Mijnheer de Voorzitter! 
Wanneer het alleen maar een kwestie van vorm is, dan wil ik nog 
een ordevoorstel doen. Als het werkelijk de bedoeling is, de vol-
ledige verhalen achter elkaar af te draaien, is het dan niet raad-
zaam - omdat het ten slotte om een openbare vergadering gaat -
die verhalen vanaf het spreekgestoelte af te steken? 

De Voorzitter: Ik wil de commissie een dergelijke gang van za-
ken afraden. Als voorzitter mag ik in dezen wellicht het recht in 
eigen hand nemen en bepalen, dat wij op de gebruikelijke wijze 
vergaderen. In openbare commissievergaderingen wordt door de 
sprekers zittend gesproken, aldus het Reglement van Orde. 

De beraadslaging wordt geopend. 

Mejuffrouw Goudsmit (D'66): Mijnheer de Voorzitter! Ik 
waardeer het, dat wij op deze wijze mogen vergaderen. Er was 
immers geen gelegenheid meer voor een plenair debat. Ik meen, 
dat de nu gekozen indeling de juiste is. 

Wij spreken nu over de nota-Wiersma en bij alle kritiek, die er 
op deze nota is geweest en zal komen, is het juist, te stellen, dat 
het zeer nuttig is geweest - zowel inhoudelijk als procedureel -
dat deze nota is opgesteld. 

Bij de laatste hearing in deze zaal is naar voren gekomen hoe-
zeer het particulier initiatief met zichzelf in de knoop ligt en hoe-
zeer behoefte bestond aan een visie met grote lijnen. Men komt 
er blijkbaar niet uit zonder dat de overheid de knopen tracht door 
te hakken. De vorige Staatssecretaris heeft getracht, dit te doen. 
Hoewel ik meen, mijnheer de Voorzitter, dat hij met het opstel-
len van deze nota er niet in is geslaagd, het op een gelukkige 
wijze te doen, kan in ieder geval worden geconstateerd, dat voor 
het verschijnen van de nota in de eerste plaats daarop door ons -
ik identificeer mij daarbij even met de werkers in het veld - kon 
worden aangedrongen op het doen verschijnen ervan en in de 
tweede plaats kon worden gezegd, dat het een slechte nota was. 

Ik meen dat dit zeer goed heeft gewerkt voor de organisatie als 
geheel, het op gang brengen van de discussie wat er ten slotte toe 
heeft geleid dat er verschillende visies zijn verschenen die tegen 
elkaar kunnen worden afgewogen. Met andere woorden, ik meen 
dat men van de nota-Wiersma zo ongeveer hetzelfde kan zeggen 
als van de politie, namelijk: ,,Goed, dat die er is", al was het dan 
maar alleen om er kritiek op te hebben. 

De meest samenhangende reactie die de nota heeft uitgelokt, 

TWEEDE KAMER 


D2 

lste vergadering - 19 juni 1972 

Vaste Commissie voor Justitie 

welke ik tegenover de nota-Wiersma wil stellen, is die van de ac-
tiegroep ,.De Langste Dag". Ik meen dat het voor het debat zin-
nig is, deze twee stukken naast elkaar te leggen, te vergelijken en 
daarop mijn standpunt te bepalen. 

Het grootste verschil in opzet tussen de nota-Wiersma en de 
nota van de De Langste Dag is, dat de nota-Wiersma zegt dat de 
organisatie van de kinderbescherming op dit moment slecht, in-
efficiënt en daardoor duur is, en dat de makers van deze nota 
zich hebben afgevraagd, hoe een betere, meer efficiënte en dus 
minder dure organisatie te krijgen, die de justitiële kinderbe-
scherming tot haar taak zou kunnen rekenen. De nota van De 
Langste Dag is van een geheel ander uitgangspunt uitgegaan en 
vraagt: Hoe kunnen wij in deze tijd de problemen van jeugdigen 
en hun ouderen, gezinnen, ouders, ouderen met wie zij te maken 
hebben in het algemeen, zo goed mogelijk opvangen; de huidige 
opvang, traditioneel genaamd de kinderbescherming, is niet erg 
efficiënt, lukt niet erg, zoals men ziet aan alle alternatieven die 
eruit komen, en hoe kunnen wij een betexe hulpverlening mo-
gelijk maken? 

De nota-Wiersma heel officieel: „Jeugdbescherming en Justi-
tie. Schets voor Organisatiestructuur". De nota van De Langste 
Dag heet officieel: „Welzijn voorde jeugd, Visie en beleid". Ik 
meen dat beide titels goed zijn gekozen, dat wil zeggen hun in-
houd in redelijke mate dekken, dat de nota-Wiersma meer orga-
nisatorisch denkt en de nota van De Langste Dag meer kinderbe-
schermingachtig, meer weizijnsachtig is. De werkgroep De 
Langste Dag wil hulpverlening aan jeugd en ouders. De eerste 
stelling van haar manifest luidt dat: „hun situatie" - die van 
jeugd en ouders - „het uitgangspunt van de hulp dient te zijn, 
waarbij een justitiële maatregel een van de voorwaardenschep-
pende middelen kan zijn". De nota-Wiersma daartegenover wil 
een justitiële kinderbescherming houden en daarvoor een aparte 
organisatie opbouwen. Naar mijn mening is het uitgangspunt van 
De Langste Dag - het zal u niet verbazen, mijnheer de Voorzitter 
- juister dan dat vin de nota-Wiersma. Het merkwaardige is, dat 
de nota-Wiersma eigenlijk ook ziet dat haar visie te kort schiet, 
maar dat zij daaruit niet de consequenties trekt. In het voor-
woord bij voorbeeld van de nota-Wiersma staat: 

„De in de nota beschreven organisatievormen voor exter-
ne en interne jeugdbescherming zullen, zo nodig, dan ook 
dienstbaar moeten worden gemaakt aan de samenwerking 
met organen of organisaties van bijzondere jeugdzorg. Voor 
het opstellen van een alomvattend structuurplan voor de 
bijzondere jeugdzorg ontbreken echter de nodige gegevens. 
Bovendien zou een dergelijk plan nog veel studie en overleg 
vergen. Hierop kan een herstructurering van de justitiële 
jeugdbescherming niet meer wachten. Een schets hiervoor 
wordt aangeboden in het volle bewustzijn dat wij leven in 
een tijd van snelle veranderingen en dat zij mogelijk slechts 
dienst zal doen als een brug naar een volgende structuur van 
bijzondere jeugdzorg, maar ook bruggen hebben hun eigen 
en onmisbare functie.". 

Op blz. 31 van diezelfde nota staat: 

„Het lijkt gewenst, ook in de toekomst de jeugdbescher-
mingsinste'ling gelegenheid te geven tot dienstverlening in 
de preventieve sector, dus buiten het directe kader van een 
maatregel.". 

P>en verderop staat: 

„Voorkomen moet worden, dat de zo nodige hulpverle-
ning aan de moeilijke justitiegevallen in het gedrang zou ko-
men door een te sterke voorkeur voor de dikwijls meer per-
spectief biedende vrije gevallen. Enige beperking bij het 
aannemen van vrije gevallen zal daarom wenselijk kunnen 
zijn. Aan dit facet zal de nodige aandacht moeten worden 
geschonken.". 

Ik meen dat uit deze citaten blijkt dat ook de vervaardigers van 
de nota-Wiersma hebben gezien dat het justitiële jeugdwerk vol-
strekt open moet zijn en niet een aparte organisatie, maar dat 
misschien door het feit dat de mensen die deze nota hebben ge-
maakt, toch erg in het justitiële, departementale kader zitten -
dat ziet ook de nota van De Langste Dag -, de openingen wel als 
noodzakelijk worden genoemd, maar niet in de organisatie wor-
den ingebouwd. 
Een paar dagen geleden zijn schriftelijke vragen gesteld door 
mevrouw Haas-Berger en mevrouw Padt-Jansen, naar ik meen, 
welke de reactie van CRM was, waarover Staatssecretaris Von-
hoff het heeft gehad. Misschien kan de Staatssecretaris die vra-
gen vandaag mondeling beantwoorden, uiteraard als de vragen-
stelsters daartegen geen bezwaar zouden hebben. 

Het schriftelijke antwoord van de Staatssecretaris in zijn brief 
op de bezwaren tegen het gebrek aan openheid naar andere 
jeugdstructuren is naar mijn gevoel onvoldoende. In de brief van 
de Staatssecretaris staat dat het uitgesloten was, binnen de be-
schikbare termijn een praktisch uitvoerbare schets vooreen dui-
delijk open structuur te ontwerpen. 

Uit de nota van De Langste Dag blijkt dat deze stellig onjuist 
is. Die nota is immers binnen de beschikbare termijn verschenen 
en bevat een redelijk uitgewerkte „open" structuur. 

In de brief van de Staatssecretaris wordt voortdurend gespro-
ken over de voordelen van integratie, dus van een niet aparte 
justitiële kinderbescherming, maar, zegt hij. men noemt die voor-
delen niet. Men noemt die voordelen met name voor de kinder-
bescherming niet. Ik geloof, dat het daarom niet gaat. Het gaat 
erom, of er voordelen zijn voor de cliënten, voor de kinderen en 
de ouderen. Ik geloof, dat in het systeem van de werkgroep De 
Langste Dag - het is niet voor het eerst, dat een dergelijke struc-
tuur wordt bepleit -, waarin een sociale supermarkt wordt ge-
creëerd, een aanloopcentrum voor iedereen, die problemen heeft 
met de jeugd, wel die openheid is voor de cliënten en dat de 
voordelen voor de kinderbescherming niet zo essentieel zijn, 
maar de voordelen voor het kind wel. 

Ik geloof, dat, wanneer men beide structuren naast elkaar zet 
- die van de nota-Wiersma en die van De Langste Dag - de struc-
tuur van De Langste Dag veel consistenter in elkaar zit. Men 
werkt met vier lagen, vier niveaus - echelons, is het moderne 
woord daarvoor - en dan is het eerste echelon het aanloopcen-
trum, de sociale supermarkt, waar iedereen kan binnenlopen, die 
problemen heeft. Als die problemen moeilijk zijn, als het eerste 
echelon ze niet kan wegwerken, wordt men door consulenten 
naar het tweede echelon verwezen, waar dan zetelt de instelling 
voor jeugdbescherming. Ik geloof, dat nieuwe termen, zoals 
jeugdbescherming voor kinderbescherming en jeugdrechter voor 
kinderrechter op zich geen kwaad kunnen. Misschien is het wel 
goed, maar wij moeten niet in de valstrik lopen, dat wij, omdat 
bij voorbeeld de Raad voor de Kinderbescherming nu Raad voor 
de Jeugdbescherming heet, denken, dat die daardoor al beter is 
geworden. Wat dat betreft, moeten wij niet te verheugd zijn over 
de nieuwe termen. Wij moeten ons meer met de inhoud bezig-
houden. Dit even ter zijde. 

De instelling voor jeugdbescherming op het tweede echelon, 
volgens het idee van De Langste Dag, zal 400 000 tot 700 000 
mensen in haar gebied hebben. Dat zou, zoals zij noemen, een re-
gio zijn en in die instelling zouden twee grote lijnen zitten: Aan 
de ene kant de maatschappelijke werklijn, consulenten, die met 
de mensen contact hebben, aan de andere kant, het andere uit-
voerend orgaan, de residentiële gemeenschap, die zou beschik-
ken over een aantal inrichtingen, die in zo'n leefgemeenschap 
van zoveel mensen nodig zijn en waar de nodige huizen, niet al-
leen huizen, waar men gedurende lange tijd is, maar ook dag-
verblijven. partiële huizen, waar men een deel van de dag of van 
de week is, zouden zijn. Daar zouden dan alle mogelijke op-
vangcentrazijn. 

Daarnaast zouden er nog andere diensten bij deze residentiële 
gemeenschap zijn. o.a. de dienst intern beroep, waarmede ik zelf 
nogal wat moeite heb. Ik kom daarop nog terug. Daarboven, in 
de meer gespecialiseerde huizen (derde en vierde echalon) zou-
den dan de zeer moeilijke kinderen moeten worden opgevangen. 

Zitting 1971-1972 

TWEEDE KAMER 




Vaste Commissie voor Justitie 

lste vergadering ¦ 19 juni 1972 D 3 

Dat is een vrij consistente structuur, zoals ik al zei, waartegen-
over de nota-Wiersma alleen zet: Er moet een aantal instellingen 
komen; er moet een aantal inrichtingen komen; die hebben uit-
drukkelijk geen verband met elkaar. De nota-Wiersma wil de 
mogelijkheid dat een instelling ook inrichtingen exploiteert split-
sen. Daarnaast, los daarvan, staan de districtsbureaus, plaat-
singsbureaus, die de pupillen moeten verspreiden over de ver-
schillende instellingen, die een plaatsingsplicht kunnen opleggen 
aan inrichtingen en die gecoördineerd moeten worden door het 
nationaal verbond, dat overigens weer compareert in het idee 
van ,,De langste dag". 

Ik geloof, dat de structuur in de nota-Wiersma minder hecht 
is, omdat men minder lijnen over en weer heeft. Die lijnen moe-
ten dan worden ingevuld in de nota-Wiersma door de Raad voor 
de Jeugdbescherming. Dat is een apart te beschouwen probleem; 
het is natuurlijk geen probleem apart, omdat het zeer essentieel 
is voor de jeugdbescherming in het algemeen, welke functie die 
raad moet hebben. De nota-Wiersma zegt, dat de Raad voor de 
Jeugdbescherming hulpverlenend moet zijn, dat hij onderzoek 
moet verrichten, ,.intake orgaan" moet zijn en dat hij zo nodig 
ambtelijke procespartij moet zijn, als de rechter moet worden ge-
adviseerd. Ik geloof, dat dit een onjuiste visie is, omdat de raad 
zo in een rolconflict wordt gedrongen. Dat is nu ook al het geval 
en daarop wordt soms terecht kritiek geuit. Ik meen dat de raad 
simpelweg niet tegelijk hulpverlener en onderzoeker aan de ene 
kant en procespartij aan de andere kant kan zijn. Het is niet ge-
loofwaardig voor een cliënt, als gezegd wordt: ,,Ga maar naar de 
raad, daar kunt u hulp en steun ontvangen; dan zullen wij zien 
wat wij voor u kunnen doen", en als dan diezelfde instelling, 
misschien zelfs dezelfde persoon, bij een conflict met de ouders 
of met het kind zegt: ,,Als je niet doet wat ik zeg, gaan wij naar 
de rechter en aangezien ik de rechter adviseer, heb je dan toch 
een grote kans dat de rechter mij gelijk zal geven." Ik geloof dat 
dit niet te combineren is en dat daarom de visie van ,,De langste 
dag", die zegt dat de raad zich moet beperken tot het adviseren 
van de rechter, niet hulpverlenend moet zijn en in dat kader dan 
ook niet onderzoekend moet zijn, alleen voor zover hij moet ad-
viseren, een betere, zuiverder structuur is. 

Staatssecretaris Grosheide: Ik begrijp dat niet helemaal van de 
geachte afgevaardigde. Is het dan wel consistent om in één orga-
nisatie van hulpverlening de gehouden hulpverlening en de 
vrijwillige hulpverlening bij elkaar te hebben? Dat is dan toch 
even inconsistent? 

Mejuffrouw Goudsmit (D'66): Ik weet, mijnheer de Voorzit-
ter, dat dit in de brief van de Staatssecretaris als bezwaar tegen 
een open structuur van het jeugdwerk wordt aangevoerd. Men 
zou kunnen zeggen, dat dit hetzelfde bezwaar is als wat ik tegen 
de raad aanvoer. Ik geloof dat het verschil is, dat bij het idee van 
bij voorbeeld ,,De langste dag" de mensen in zo'n aanloopcen-
trum binnenlopen en dan in de eerste plaats hulp en niet speciaal 
- waarschijnlijk pas in de laatste plaats - justitiële hulp vragen. 
Als op een gegeven moment die bniten-justitiële hulp niet kan 
worden verleend, zal, naar ik aanneem, de consulent, de maat-
schappelijk werker of hoe men die functionaris ook wil noemen, 
zeggen: „Wij komen er zo niet; het zal nodig zijn een justitiële 
maatregel te nemen. Bent u het daarmede eens? Zo niet, dan 
moet de rechter het uitmaken." Als de rechter het dan moet uit-
maken, moet de Raad voor de Jeugdbescherming in het geweer 
komen en adviseren met betrekking tot de vraag, of de instelling 
dan wel de ouders gelijk hebben. Dan is het dus duidelijk een an-
dere instantie dan degene, die tot nu toe hulp heeft verleend, die 
de rechter adviseert. Ik geloof dat dit een zuiverder opstelling is. 

Het kan zijn, dat de ouders het uit zich zelf eens zijn mei de 
justitiële hulpverlening. Dan is het natuurlijk niet nodig, maar 
juist bij een conflict, als de rechter een derde partij is, hoort er 
ook een ander adviserend orgaan te zijn. In verband met de 
adoptie kom ik straks nog even op de positie van de Raad terug. 

Ik geloof dat de nota-Wiersma ook niet onderkent het feit dat 
er op het ogenblik al - gelukkig! - in sommige steden en regio's 
een open structuur is. Er is op het ogenblik al een tamelijk groot 

aantal JAC's, Bureaus voor Kind en Gezin en andere alternatie-
ve bureaus, die samenwerken met de ,,estab!ishment-organisa-
ties". Die samenwerking verloopt in tal van plaatsen goed, al-
thans redelijk. Als de nota-Wiersma doorging, zou dit betekenen 
dat die open samenwerking onmogelijk wordt. Men gaat immers 
niet naar een JAC of een Bureau voor Kind en Gezin of een 
MOB toe met de bedoeling ,,in de klauwen" van de justitie te 
vallen. Als dit toch gebeurt, moet dit zo min mogelijk stigmatise-
rend werken, doordat dit één soepel geheel is, waarin het één 
eventjes gebeurt en waarin men vanuit de justitiële sfeer weer 
gemakkelijk kan terugvallen op overige organisaties. 

Ik ben het eens met de Staatssecretaris, dat het stigmatiseren-
de niet komt door de organisaties, maar door het effect, dat de 
mensen erin leggen, maar het is nu eenmaal zo en wij moeten er 
zo rnin mogelijk voedsel aan geven, er dus geen aparte structuur 
van maken. 

Het laatste en niet het minste bezwaar tegen de jeugdbescher-
mingsnota van de vorige Staatssecretaris is - of dat terecht of ten 
onrechte is, laat ik even in het midden - dat zij niet wordt aan-
vaard door de mensen die ermee te maken hebben, door het par-
ticulier initiatief. Ik geloof dat in een veld als het kinderbescher-
mingswerk, waar het particulier initiatief zo essentieel is - zowel 
de Staatssecretaris, als de nota ,,De langste dag" als ik willen dit 
particulier initiatief laten bestaan; niemand denkt erover de kin-
derbescherming te nationaliseren - één van de meest belangrijke 
voorwaarden voor het realiseren van een nieuwe structuur is, dat 
het particulier initiatief meewerkt. Bij de jongste hearing verle-
den maand is terecht gezegd dat het vrij uniek is, dat het particu-
lier initiatief het nu in grote lijnen eens is over de nota ,,De lang-
ste dag" en dat men dan niet moet proberen daar doorheen een 
volstrekt andere conceptie op te leggen, die - ik zeg het nog-
maals - niet wordt aanvaard. 

Ik zou de Staatssecretaris willen vragen, of hij over dit alles, 
over de nota ,,De langste dag" en over alle bezwaren die zijn 
geuit, nog eens zeer grondig wil nadenken, met name over het 
bezwaar, dat de nota-Wiersma niet wordt aanvaard. 
In hel manifest van ..De langste dag" wordt de volksvertegen-
woordiging gevraagd scherpe moties in te dienen. Wij zijn daar in 
het algemeen niet zo afkerig van, maar ik heb na lang nadenken 
gemeend, dat ik dit eigenlijk vandaag nog niet wilde doen. Ik doe 
dit niet, zowel omdat er vandaag toch niet over gestemd kan 
worden, zodat er eigenlijk weinig eer aan te behalen valt, als om-
dat ik veel liever zou wilien dat het particulier initiatief en de 
overheid deze kwestie nog eens bespraken. Het is maar - ik be-
doel hier niets onaardigs mee - ..toevallig" deze Staatssecreta-
ris. De overheid en het particulier initiatief moeten echter nog ja-
renlang met elkaar samenwerken, zoals ze dat in redelijke ver-
standhouding hebben gedaan en, naar ik hoop, zullen blijven 
doen. Ik zou het betreuren als door middel van een soort con-
flictmodel op dit moment een standpuntbepaling naar de ene of 
de andere kant zou moeten worden opgelegd. 
Het enige wat ik de Staatssecretaris op dit moment zou willen 
vragen is om niet te zeggen, dat de nota ,,De langste dag" onaan-
vaardbaar is en dat hij voorgoed blijft bij de nota-Wiersma. Als 
hij dit zei, zou dit het vragen van uitspraken van de Kamer on-
vermijdelijk maken. Als de Staatssecretaris er werkelijk nog 
eens over wilde denken en er bij voorbeeld in de memorie van 
toelichting op de begroting van Justitie nog eens op zou terugko-
men, zou ik op dit moment willen zeggen: ik heb nog geen be-
hoefte aan een scherpe motie, zoals het manifest vraagt, en ik 
wacht nog eens af, of de Staatssecretaris niet met een visie wil 
komen die meer lijkt op die van ,,De langste dag". 

Mijnheer de Voorzitter! Wie moet de reorganisatie uitvoeren? 
De Staatssecretaris zegt: een interdepartementale stuurgroep. 
Het is niet geheel duidelijk, of ook anderen dan ambtenaren hier-
van deel zouden moeten uitmaken. 

De nationale federatie heeft op de hearing gezegd, de voor-
keur aan de Staatscommissie te geven, die aan een aantal eisen 
moet voldoen. 

De werkgroep ,.Langste dag" kiest voor een regeringsconv 
missaris, terwijl ook het jeugdwelzijnsberaad - als ik het goed 

Zitting 1971-1972 

TWEEDE KAMER 




D 4 lste vergadering ¦ 19 juni 1972 

Vaste Commissie voor Justitie 

heb begrepen - hiervoor kiest, met als second best een staats-
commissie. 

Het is niet zo heel belangrijk, hoe men het reorganisatieli-
chaam noemt, als het maar doet wat er moet worden gedaan. Ik 
meen, dat een regeringscommissaris het beste aan dit werk zou 
kunnen beginnen. Het kan mijns inziens het snelst en het meest 
efficiënt werken. Hij kan ook het beste overleggen met allerlei 
organen van het particulier initiatief, terwijl hij veel minder zal 
worden belemmerd door bureaucratische tendensen dan een 
stuurgroep en zelfs ook een staatscommissie. 

De staatscommissie zou - zegt de federatie - klein moeten 
zijn. Ik vraag mij af, hoe in een land als Nederland, met zoveel 
zuilen en instellingen, ooit een kleine staatscommissie tot stand 
zou kunnen komen, want iedereen wil er lid van zijn, met name -
terecht - de organen van het particulier initiatief. Alleen al door 
haar omvang zal zij los zijn en slechts langzaam kunnen werken. 
Wij hebben bovendien ervaring met staatscommissies op het ge-
bied van de kinderbescherming. De commissie-Wiarda heeft ze-
ven jaar gewerkt. Voorts zijn er de commissie-Enschedé en de 
commissie-Helders, die wat in het duister werken en waarvan 
men niet veel hoort, dus waarmee men niet zoveel te maken 
heeft. Met andere woorden: misschien zou het lukken met de 
staatscommissie maar ik denk, dat een regeringscommissaris be-
ter zou zijn. 

Voor het geval de Staatssecretaris meent, dat dit niet haalbaar 
is, zou ik mij willen aansluiten bij de eisen van de nationale fe-
deratie: zoveel mogelijk in het openbaar werken, het particulier 
initiatief erbij betrekken, de interimrapporten zo snel mogelijk 
openbaar maken en überhaupt op een zo kort mogelijke termijn 
werken. Zij zou bovendien een nogal sterke secretaris moeten 
hebben, die als een soort regeringscommissaris zou kunnen wer-
ken. 

De adoptie, mijnheer de Voorzitter! Dit is een probleem apart. 
De nota-Wiersma zegt - de bewindsman herhaalt dit - dat adop-
tie door de raden voor de kinderbescherming moet geschieden. 
Ik vraag mij af, of dit juist is. Ik vind de genoemde bezwaren 
voor een deel uit de historie te verklaren. Als een onderzoek 
naar een bepaald geval wordt verricht, vind ik het niet zo belang-
rijk, wie het doet, als maar geen vermenging met justitiële arbeid 
plaatsvindt, hetgeen er bij deze raden min of meer ingebakken 
zit. Het bezwaar, dat adoptie geen jeugdbescherming is, maar 
vanuit een andere motivatie geschiedt, is reëel. Ik meen ook, dat 
het plan van de FIOM om tot regionale bureaus te komen wat 
lichtvaardig is verworpen. Dit vloeit wellicht mede voort uit de 
situatie, dat men het zelf heeft ingetrokken. Het zou echter juist 
zijn, in ieder geval organen die emotioneel los staan van de raden 
van kinderbescherming te scheppen, waarin in ieder geval de 
ongehuwde-moederzorg, zoals deze tot nu toe heeft gefunc-
tioneerd, inbreng heeft. Deze organen zouden de adoptie, buiten 
het justitiële kader om, wat het onderzoek betreft, moeten voor-
bereiden. Hoe denkt de bewindsman overigens over de rol van 
de centrale adoptieraad? Zou deze wellicht een soort tussenrol 
kunnen vervullen, zodat de raden minder worden ingeschakeld 
dan thans het plan is en wellicht toch een centrale eenheid in de 
normen wordt verkregen? 

De commissie-Wiarda beveelt afschaffing van de centrale 
adoptieraad aan, maar dit is nog gedacht in de oude structuur. 

Mijnheer de Voorzitter! De commissie-Wiarda heeft geadvi-
seerd over de leeftijd van meerderjarig worden. Is in de gedach-
tevorming op het departement al enige voortgang gemaakt? Kan 
de Staatssecretaris mededelen, of wij daarover iets te verwach-
ten hebben? 

Ik geloof, dat ik inderdaad de ergste vrees van mejuffrouw 
Van Leeuwen heb bewaarheid door zeer lang te spreken. Ik kom 
nu dan ook tot mijn slot. Ik hoop, dat het mogelijk is vandaag en 
in de naaste toekomst het eens te worden over een reorganisatie. 
Ik geloof, dat dit heel nodig is. Ik geloof niet, dat de kinderbe-
scherming op dit moment, per geval bekeken, zo vreselijk 
slecht werkt, dat wil zeggen dat ik geloof, dat evaluatie van kin-
derbescherming heel moeilijk is en dat wij niet kunnen zeggen, 
dat met welke organisaties dan ook minder kinderen tussen wal 
en schip raken dan nu het geval is. Ik geloof niettemin, dat een 

reorganisatie heel belangrijk is, omdat, zelfs afgezien van finan-
ciële problemen, de organisatie op het ogenblik bepaald niet opti-
maal is. Wij kunnen alleen hopen, dat bij een betere organisatie 
betere resultaten worden bereikt. 

Als men het rapport leest van Pro Juventute Zwolle, waarin 
wetenschappelijk wordt benaderd hoe de huidige hulpverlening 
werkt, dan is het naar mijn mening nogal ontstellend, hoeveel tijd 
er wordt vermorst en hoeveel heel goede moeite wordt gedaan 
met zo weinig resultaat. Hetzelfde nogal ontstellende resultaat 
ziet men in het rapport van P. J. Amsterdam ,,Gezinsvoogdijhulp 
of fictie"? Ik geloof, dat wij er met zijn allen naar moeten streven 
om alle moeite die wordt gedaan beter rendabel te maken. Dat is 
niet het profijtbeginsel in de zin van de financiën, maar misschien 
het profijtbeginsel in de zin van de bestede moeite en het resultaat 
per jeugdige. 
Mejuffrouw Corneiissen (K.V.P.): Mijnheer de Voorzitter! Ik 
kan u mededelen dat ik mede namens de fractie van C.H.U. van-
daag hier het woord zal voeren. 
Op 15 april 1971, precies één jaar nadat de initiatiefgroep Ex-
terne Kinderbescherming telegrafisch de Staatssecretaris van 
Justitie mr. K. Wiersma van harte welkom had geheten en haar 
verwachtingen ten aanzien van deze Staatssecretaris om te ko-
men tot een opheffing van de lasten van de erfenis uit het verle-
den, waarmee de kinderbescherming kampte, kenbaar had ge-
maakt, verscheen een goed verzorgde, vooral ook typografisch, 
en gemakkelijk leesbare discussienota welke als titel droeg 
„Jeugdbescherming en Justitie", een schets voor organisatie en 
structuur. Deze nota was vergezeld van een portvrije retouren-
veloppe met de uitnodiging „Wilt u kritisch zijn?" Een belofte-
volle uitdaging. Wel, die kritiek is gekomen; hiervan getuigen de 
vele binnengekomen reacties en wat eveneens belangrijk was, 
was, dat het voorheen wat traag en statistisch aandoende veld 
van de kinderbescherming vanuit een latente onrust in beweging 
kwam. 

De uitgebrachte nota was te zien als een snelle reactie van 
Staatssecretaris Wiersma op datgene waar het veld om vroeg, 
namelijk de kinderbeschermingswereld te veranderen en aan te 
passen aan de veranderende opvattingen binnen de maatschappij 
en in het kader van de hulpverlening. Daarnaast was nodig een 
beleidsconceptie op de toekomstige doelstellingen en structuren 
binnen de kinderbescherming, die evenwel niet los zou kunnen 
staan van de andere ontwikkelingen op het terrein van het jeugd-
welzijn. 

Zou de, op zichzelf zeer te waarderen, snelheid van de Staats-
secretaris, zo vroegen wij ons af, er mede debet aan zijn geweest 
dat de inhoud nogal wat teleurstelling bracht of zouden er toch 
andere oorzaken zijn aan te wijzen? 

De vraag vanuit de kinderbeschermingswereld was om verlost 
te worden van de last van de erfenis uit het verleden en één van 
die zware lasten was het al te justitiële karakter en de justitiële 
dominantie binnen de kinderbescherming. De naamgeving van 
de nota gaf de indruk dat het allereerst zou gaan om de jeugdbe-
scherming waarbij aan het einde eventueel de justitie zou moeten 
staan. Alhoewel op onderdelen zeker verbeteringen zijn aan te 
wijzen, waarop wij straks nog terugkomen, ademt deze nota toch 
te veel een benadering vanuit de huidige situatie. Men doet wel 
pogingen om de zorg voor het kind en zijn ouders in breder ver-
band te zien, maar daar blijft het toch te veel bij. De interdepen-
dentie tussen jeugdbeschermingsactiviteiten enerzijds en andere 
jeugd- en welzijnszorgactiviteiten anderzijds zijn gedurende de 
laatste jaren zo manifest geworden, dat het niet verantwoord 
lijkt nog langer te denken in of te werken met structuurschetsen, 
waarin geen of nauwelijks aandacht wordt geschonken aan hun 
nauwe interrelatie, anders dan in de vorm van algemene en 
vrijblijvende uitspraken en zonder hieraan de nodige consequen-
ties te verbinden. 

Concreet uitgedrukt zien wij dat zich in ons land een zeer on-
overzichtelijk conglomeraat van instituten heeft ontwikkeld die 
zich bezig houden met wat ik gemakshalve zou willen aanduiden 
als „bijzondere jeugdzorg", alhoewel noch het woord „bijzon-
der" noch het woord „jeugdzorg" de juiste terminologie is 

Zitting 1971-1972 

TWEEDE KAMER 




Vaste Commissie voor Justitie 

lste vergadering - 19 juni 1972 D 5 

waarmee ik de jeugdige mens anno 1972 zou willen omgeven. 
Wij zien dan instellingen als de vele en gedifferentieerde vormen 
van jeugd- en jongerenwerk, zowel georganiseerd als min of 
meer ongeorganiseerd, de interne en externe vormingscentra 
voor de jeugdige, de schoolpsychologische diensten, de medisch 
opvoedkundige bureaus, de jeugdpsychiatrische diensten, de bu-
reaus voor alcohol- en druggebruikers, de adviesbureaus voor 
kinderen en ouders, scholen voor zeer moeilijk opvoedbare kin-
deren, voor kinderen met leef- en opvoedingsmoeilijkheden, in-
stellingen voor sociaal-pedagogische zorg, bureaus voor levens-
en gezinsmoeilijkheden, bureaus voor de niet-gehuwde moeder 
en haar kind, het bijzonder jeugdwerk in internaatsverband, de 
tehuizen voor de justitiële kinderbescherming en de tehuizen 
voor de niet-justitiële jeugdigen, de instellingen voor algemeen-
maatschappelijk werk, het opbouwwerk in bijzondere situaties, 
de jeugdadviescentra etc, waarbij ik mij wel realiseer dat deze 
opsomming zeker nog niet volledig zal zijn, maar het geeft wel 
een beeld van de zeer onoverzichtelijke conglomeratie. 

We zijn er van overtuigd dat, met een betere organisatie-vorm, 
met meer overleg en samenhang in intentie en doelstellingen van 
de vele instellingen, er voor de jeugd in het algemeen en voorde 
jeugd in crisissituaties in het bijzonder veel meer te bereiken zou 
zijn. In de geschiedenis van de hulpverlening aan het kind, of dit 
nu individueel of in collectief verband gebeurt, is de ondeelbaar-
heid van het kind de facto steeds toch te veel miskend, vooral op 
organisatorische gronden. Uiteraard is dit wel historisch ver-
klaarbaar, maar het wordt de hoogste tijd dat wij het kind. de 
jeugdige en de jongvolwassene in zijn totaliteit bezien binnen 
zijn milieu in onmiddellijk en middellijk verband. Nog al te veel 
wordt het in de nota Wiersma als motto aangegeven „als ieder 
zijn vloer keert, dan is 't in alle huizen schoon" hierbij toege-
past. 

Wij zouden hier willen aanhalen de reactie die de Nationale 
Kaad voor Maatschappelijk Welzijn, de Nationale Federatie 
voor Geestelijke Volksgezondheid en de Nederlandse Jeugdge-
meenschap op deze nota geeft en die als motto draagt een variant 
op het bovenvermelde motto van de nota-Wiersma namelijk: 
„Ieder veegt zijn eigen straatje schoon". Helaas, zo lezen wij in 
dit commentaar, dreigt dit laatste motto tot de vaste folklore te 
gaan behoren van die departementen die zich bezig houden met 
jeugdzorg" en welzijnsactiviteiten, ondanks de interdepartemen-
tale stuurgroep Jeugdvragen, waarvan het secretariaat is geves-
tigd op het Ministerie van CRM en ondanks een breder perspec-
tief, de onderraad voor welzijnszaken van het kabinet. 

Wij zijn ons ervan bewust dat dit scherp klinkt, maar wij moe-
ten ons wel realiseren, dat het zo door het volk ervaren wordt. 
Wij zullen hieraan moeten werken, maar wij komen hierop nog 
terug. 

Het verschijnen van de nota-Wiersma op zich, hoeveel kritiek 
ook wij hebben op de inhoud, verdient anderzijds onze waarde-
ring, temeer daar de vele organen op het terrein van de jeugdbe-
scherming verenigd in groeps- en landelijke verbonden en fede-
raties, gezamenlijk niet kwamen met een visie, conceptie, model 
of plan voor een toekomstig beleid in of structuur van de jeugd-
bescherming zoals we dit wel zagen van de Nationale Raad voor 
Maatschappelijk Welzijn. In de presentatie van de nota ,,Struc-
tureel Perspectief" en de nota „Ambulante Dienstverlening" 
van de Nationale Federatie Geestelijke Volksgezondheid, terwijl 
ook de Blauwdruk-discussienota Jeugdbeleid op nationaal ni-
veau van een gemengde werkgroep van CRM, de Raad voor 
Jeugdvorming en de Nederlandse Jeugdgemeenschap, zij het 
vanuit een andere gezichtshoek dan de hiervoor genoemde no-
ta's, duidelijke aanzetten geeft voor een andere aanpak van het 
jeugdwelzijnsbeleid op nationaal niveau. 

Maar gelukkig, het veld van de jeugdbescherming heeft zich in 
beweging gezet en het is verheugend te constateren dat zovele 
organisaties en instellingen op het terrein van de jeugdbescher-
ming en daarmee verwant, zich gesteld hebben achter de stellin-
gen van de veldnota „Welzijn voor de Jeugd" van de actieve 
werkgroep ,,De langste dag". Ook onze fracties willen graag de 
stellingen, genoemd in hoofdstuk II van de veldnota als uitgangs-
punten voor een toekomstig beleid in grote lijnen on-

derschrijven, waarbij wij wel de aandacht erop vestigen, dat wij 
mogelijk eerst moeten kijken naar het jeugdwelzijnsbeleid, als 
onderdeel van het totale welzijnsbeleid. Verder realiseren wij 
ons wel, dat hoeveel bereidheid er ook allerwegen aanwezig is 
om te coördineren, om samen te werken, om duidelijkheid te 
creëren en overzichtelijkheid, gepaard gaande aan een gemak-
kelijke bereikbaarheid van de hulpverlening, de fasering als ge-
noemd in de veldnota iets meer tijd zal vragen dan in de nota 
staat aangegeven. De werkgroep mag haar arbeid als bijzonder 
waardevol beschouwen, nu uit een communiqué van 5 mei 1972, 
uitgegeven door de vier landelijke organisaties op het terrein van 
de maatschappelijke dienstverlening, de geestelijke gezond-
heidszorg, het jeugdwerk en de nationale Federatie van Kinder-
bescherming blijkt dat deze organen met elkaar gesproken heb-
ben over het streven naar een geïntegreerde welzijnszorg, waar-
van de jeugdwelzijnszorg, waaronder de jeugdbescherming, deel 
dient uit te maken en waarbij men gezamenlijk uitvoering wil ge-
ven aan de experimenten van supermarkt-welzijnscentra als ge-
noemd in de veldnota van de werkgroep. Wij vragen de Staats-
secretaris ertoe te willen bijdragen, dat experimenten op dit ge-
bied gerealiseerd kunnen worden, zowel vanuit financieel als 
vanuit organisatorisch-bestuurlijk opzicht. 

Graag herinner ik hierbij aan de toelichting door prof. Van 
Beugen gegeven op de hoorzitting van de werkgroep .,de langste 
dag" op 20 april jl„ waarbij hij duidelijk stelde dat met geïnte-
greerde hulpverlening niet bedoeld worden alle mogelijke fusies 
en eventuele eenheidsorganisaties etc. Daarbij moet vooral ge-
dacht worden aan de eerste lijn van hulpverlening, het z.g. eerste 
echelon, dat drempelloos en schakelloos zou moeten zijn. Het 
huidige verwijzingssysteem is ineffectief. 

Wij komen nu op de nota-Grosheide. Graag willen wij getuigen 
van onze waardering voor het feit dat hij een aantal uit het veld 
gekomen reacties op de nota-Wiersma heeft willen overnemen. 
Wij zijn hem er bijzonder erkentelijk voor dat hij de z.g. districts-
bureaus heeft willen laten vallen. Anderzijds betreuren wij het, 
dat de Staatssecretaris, nadat hij een uitvoerige analyse heeft ge-
geven van de binnengekomen reacties over de integratie van de 
jeugdbescherming, niet het begin van een visie op de gewenste 
ontwikkeling op dit terrein heeft willen geven, maar zich min of 
meer verschuilt achter een in te stellen gezamenlijke stuurgroep 
van de departementen van Justitie, CRM en Volksgezondheid en 
Milieuhygiëne, die zal worden belast met het formuleren van de 
uitgangspunten en doelstellingen van de hulpverlening en van 
een daarop afgestemd samenhangend jeugdwelzijnsbeleid, 
terwijl deze stuurgroep daarnaast zal worden belast met het for-
muleren van de criteria waaraan de experimenten moeten vol-
doen. Wij komen aan het einde van mijn betoog nog terug op de-
ze stuurgroep. 

Met betrekking tot de nota-Wiarda wordt in de nota-Wiersma 
gesteld: „waar de daarin opgenomen voorstellen de inhoud van 
deze nota raken, kon daarop worden aangesloten". Wij vragen 
ons toch wel met zorg af, of de meer fundamentele zaken die in 
de nota-Wiarda behandeld worden, waarbij onder andere te den-
ken valt aan de verlaging van de meerderjarigheidsgrens en de 
directe gevolgen voor de voogdij- en gezinsvoogdij "instellingen, 
ons niet noodzaken, de nota-Wiarda zo snel mogelijk (e behande-
len, opdat de structurele verbeteringen als voorgesteld in de no-
ta-Wiersma en die vaak jaren vergen, alsdan nog niet achter-
haald zijn. 
Kan de Staatssecretaris enige mededeling doen over de reac-
ties op de nota-Wiersma, die voor 1 april binnen moesten zijn? 
Wanneer kan het standpunt van de Staatssecretaris over deze 
nota tegemoet worden gezien en wanneer zal deze nota in deze 
Kamer behandeld kunnen worden? 
Kijkend naar de hulpverlening zoals deze momenteel binnen 
het terrein van de jeugdbescherming wordt gerealiseerd, zouden 
wij willen pleiten vooreen overgangsbeleid, waarin geen structu-
ren worden gefixeerd welke een belemmering zouden kunnen 
vormen voor de gewenste ontwikkeling. Enerzijds zouden ineen 
overgangsstadium experimenten kunnen worden geëntameerd, 
bij voorbeeld in de zin dat aan een of meer instellingen voor 
maatschappelijk welzijn de uitvoering van justitiële maatregelen 

Zitting 1971-1972 

TWEEDE KAMER 




D 6 'ste vergadering - 19 juni 1972 

Vaste Commissie voor Justitie 

wordt opgedragen. Anders zouden bepaald zich aftekenende 
vernieuwingen in het voorzieningenpakket voor jeugdigen moe-
ten worden ondersteund, bij voorbeeld adviesbureaus, dag-
verblijven, crisiscentra en jeugdpensions. 

Na deze min of meer algemene beschouwingen, mijnheer de 
Voorzitter, kom ik nu meer tot de bespreking van de in de nota-
Wiersma genoemde knelpunten en de eventuele reacties hierop 
in de nota-Grosheide. De nota-Wiersma begint weliswaar met 
het stellen van een aantal knelpunten in de jeugdbescherming, 
maar nergens wordt enig cijfermateriaal gegeven om deze uit-
gangspunten te adstrueren. Helaas ontbreekt ook in de binnenge-
komen reacties het cijfermateriaal. Verder wordt inde nota geen 
aandacht besteed aan enkele knelpunten die van wezenlijk be-
lang zijn, waarbij we dan denken aan de hele financieringspro-
blematiek, de problematiek van de democratiseringen de vragen 
rond de verschillende werkmethodieken. 

Waar de nota als eerste kernprobleem noemt de discontinuïteit 
in de hulpverlening, zouden wij erop willen wijzen dat een zeke-
re discontinuïteit inherent zal blijven aan het werk, maar dat an-
derzijds onnodige en schadelijke discontinuïteit in de hulpverle-
ning het meest voorkomen kan worden door te bevorderen dat 
de continuïteit in het beleid van de hulpverlening wordt gereali-
seerd. 

Het tweede kernprobleem, namelijk de willekeurige wijze 
waarop de instellingen over het land verspreid zijn, gaat niet op 
voor alle sectoren op dit terrein. De nota zegt verder dat ,,Te 
groot is het aantal instellingen, die elk voor zich te klein zijn". 
Wij kunnen dit gegeven wel onderschrijven, maar wij zien toch 
ook hier dat het veld in beweging is. De nota vermeldt namelijk 
dat er per 1 januari 1970 aanwezig waren 57 gezinsvoogdij-instel-
lingen en 108 voogdij-instellingen. Per 1 januari 1971 bedroegen 
deze aantallen respectievelijk 46 en 83 met daarnaast 8gecombi-
neerde instellingen voor gezinsvoogdij en voogdij. Een vermin-
dering in één jaar van 28 instellingen op een totaal van 165. 

Dat neemt niet weg, dat wij onderschrijven de noodzaak om te 
komen tot samenvoeging van instellingen, maar dan niet volgens 
het eenvoudige rationele model van de nota, maar op basis van 
beleidslijnen, welke voor soortgelijke schaalvergrotingsproble-
matiek zijn aangegeven door de toenmalige staatssecretaris van 
het Ministerie van CRM in de op 26 april 1971 gepubliceerde cir-
culaire, waarbij als gelijkwaardige uitgangspunten worden ge-
noemd interfunctionele, territoriale en interlevensbeschou-
welijke schaalvergrotingen of combinaties daarvan. Graag zou-
den wij zien dat het mogelijk is om flexibele modellen te hante-
ren en willen wij wijzen op de eventuele aansluiting op de be-
stuurlijke vormen van schaalvergroting, namelijk het gewest. De 
bestaande subsidie-regelingen bevorderen het schaalvergrotings-
proces niet en daarom verzoeken wij de Staatssecretaris deze zo-
danig te wijzigen dat de schaalvergroting daardoor wel bevor-
derd wordt, zoals we dit ook zien op de andere terreinen van 
hulpverlening. Mogen wij hierover het oordeel van de Staats-
secretaris vernemen? 

Als derde knelpunt wordt genoemd het feit dat er jeugdigen 
zijn en wel degenen die het meeste hulp behoeven, die niet of on-
voldoende geholpen worden vanwege de beslissingsstructuur 
van de instellingen en de inrichtingen. Het ontbreken van vol-
doende en gedifferentieerde hulpverleningsmogelijkheden, ook 
buiten het directe terrein van de huidige justitiële jeugdbescher-
ming, is hieraan ook debet. Daarnaast zal hoe noodzakelijk het 
ook is om te komen tot het saneren van de inrichtingen er an-
derzijds aandacht moeten zijn om het aantal meer specialistische 
instellingen met gedifferentieerde hulpverleningsmogelijkheden 
te bevorderen. 

De overcapaciteit van de inrichtingen wordt genoemd als vier-
de knelpunt in de nota. Dank zij het ons op 12 juni jl. door de 
Staatssecretaris toegezonden verslag van de beleids- en werk-
groep Planmatige Sanering Kinderbeschermingstehuizen, heb-
ben wij kennis kunnen nemen van het saneringsplan en hebben 
wij geconstateerd dat getracht wordt, deze sanering volgens het 
harmonie-model te laten verlopen, waarmee wij graag onze in-
stemming willen betuigen. Wel willen wij vragen, om ook samen 
met de werkers in het veld een planning op lange termijn te reali-

seren, waarbij wij refereren aan het zo juist door mij genoemde 
punt van gedifferentieerde hulpmogelijkheden. Aan deze plan-
ning op lange termijn moet voorafgaan een goed opgezet onder-
zoek naar behoefte en middelen, waarbij de criteria van kwaliteit 
en categorale indeling en het vigerende subsidiestelsel, die tot nu 
toe niet gehanteerd werden, wel betrokken worden. Uiteindelijk 
zullen wij toe moeten naar een totaal vestigingsbeleid op het ter-
rein van de intramurale opvoedingszorg omdat èn het erkennin-
genbeleid van Justitie onvoldoende is - de Minister kan wel een 
inrichting erkennen, maar heeft niet de mogelijkheid, om die er-
kenning in te trekken - èn omdat het niet alle sectoren van tehui-
zen omvat. Mogelijk is de Staatssecretaris al in staat om medede-
lingen te doen over het overleg wat hij hierover met zijn medebe-
windslieden zou voeren? Bij de beschouwingen over de begro-
ting van Justitie 1972 in oktober jl. heeft de Staatssecretaris op 
vragen van mejuffrouw Haars toegezegd dat hij erop vertrouwde 
dat per 1 januari 1973 een nieuw subsidiesysteem voor inrichtin-
gen zou gelden. Kan de Staatssecretaris hieromtrent nog nadere 
mededelingen doen? 

Wij komen nu aan het vijfde knelpunt van de nota-Wiersma, 
namelijk de uithuisplaatsingen. We zien een gelukkige ontwikke-
ling optreden op het terrein van de jeugdbescherming, namelijk 
dat het aantal justitiële uithuisplaatsingen aan het verminderen 
is. Wij zouden de Staatssecretaris er met nadruk op willen wijzen 
dat hij door de versterking van hulpmogelijkheden van voordij-
maar vooral van gezinsvoogdij-instellingen, deze trend van afne-
mende uithuisplaatsingen kan versterken. Met name denken wij 
hierbij aan de adviesbureaus voor ouders en kinderen, de dag-
verblijven, de crisescentra en de versterking van de man-power 
van deze instellingen. Kan de Staatssecretaris zijn mening geven 
over het in april 1971 uitgebrachte rapport van de commissie on-
der voorzitterschap van voorheen prof. Hoefnagels en daarna 
prof. Helders wat als titel draagt: „Maatschappelijk werk in de 
particuliere kinderbescherming"? Kan de Staatssecretaris de 
mening delen dat versterking van de hulpmogelijkheden van de 
gezinsvoogdij-instellingen de uithuisplaatsingen doet verminde-
ren? Is de Staatssecretaris bereid, een onderzoek te doen instel-
ien naar de resultaten van de reeds opgedane ervaringen op dit 
terrein? 

Daarnaast is het noodzakelijk dat vanuit de jeugdbescherming 
meer wordt samengewerkt met de andere hulpverlenende instel-
lingen. Een onderwerp wat niet in de nota-Wiersma wordt ge-
noemd, maar wat door Staatssecretaris Grosheide wel wordt 
aangehaald is de verblijfsduur van niet op grond van een justitië-
le maatregel in inrichtingen geplaatste kinderen. Het verheugt 
ons dat hij over deze aangelegenheid het overleg met de mede 
betrokken bewindslieden zal aangaan en wij vertrouwen erop dat 
de resultaten van dit beraad aan ons zullen worden medegedeeld. 
Als zesde en laatste knelpunt noemt de nota-Wiersma de orga-
nisatie van de justitiële jeugdbescherming. Wij hebben hierover 
al iets gezegd, maar wij willen voor alle duidelijkheid de eisen, 
waaraan de hulpverlening moet voldoen en de uitgangspunten 
voor de organisatie daarvan nog eens nadrukkelijk noemen. 
Als eerste geldt de bereikbaarheid, waarbij we denken aan de 
echelonnering zoals omschreven in de nota „Ambulante dienst-
verlening" van de Nationale Federatie voor Geestelijke Volks-
gezondheid. Vervolgens denken wij aan de doorzichtigheid. In-
tegratie van de hulpverleningsinstellingen zou voor de cliënten 
de overzichtelijkheid bevorderen, maar daarnaast zal ook de 
voorlichting weer aandacht moeten krijgen. 

Juist in deze tijd is het noodzakelijk, ook de doelmatigheid een 
hoge prioriteit in de hulpverlening te geven. Er zal gestreefd 
moeten worden naar een efficiënte opzet, toegerust met polyva-
lente deskundigheid. Er zullen daarnaast ook rechtswaarborgen 
noodzakelijk zijn, waarbij wij met name stellen dat de jeugdrech-
ter duidelijk een conflictrechter c.q. beroepsinstantie dient te 
zijn en niet meer degene die zich bezig houdt met uitvoerings-
aspecten van de hulpverlening. Ook zullen er waarborgen moe-
ten zijn t.a.v. de levensbeschouwelijke dimensie, omdat de le-
vensbeschouwing een des te grotere rol speelt naarmate de direc-
te pedagogische relatie meer in het geding is. Dat ten slotte het 
subsidiariteitsbeginsel moet worden gehandhaafd en de overheid 

Zitting 1971-1972 

TWEEDE KAMER 




Vaste Commissie voor Justitie 

lste vergadering - 19 juni 1972 Q 7 

een zodanig beleid moet voeren dat het de particuliere organen 
mogelijk wordt hun taken goed te vervullen, lijkt bijna vanzelf-
sprekend te zijn. 

Wij komen nu tot enkele afzonderlijke punten uit de nota en 
wel de adoptie en de taken van de Raad voor de Jeugdbescher-
ming. 

Allereerst willen wij dan bespreken de taak van deze raad. In-
gevolge artikel I; 242 Burgerlijk Wetboek wordt aan de raad de 
taak gegeven zich op de hoogte te stellen van de gevallen waarin 
maatregelen met betrekking tot het gezag over minderjarigen 
overwogen dienen te worden. Graag willen wij instemmen met 
wat mr. J. Nota in het ,.Nederlands Juristenblad" van 8 januari 
1972 hierover schreef, namelijk dat de raad niet de toegangs-
poort voor de hulpverlening is, vaak zal moeten verwijzen, maar 
wel een duidelijke taak overhoudt op het terrein van voorlichting 
geven aan de rechter over de omstandigheden van het kind wan-
neer dit - ondanks hulp - wordt bedreigd of de hulp die dringend 
nodig is op vrijwillige wijze niet op gang kan komen. Wij zien dat 
de huidige taak van de Raad een bi-polair karakter draagt, want 
men kan hulpverlening niet onderbrengen in hetzelfde instituut 
dat tevens belast is met de controle en de procesvoorbereiding. 
In de nota-Grosheide wordt hetzelfde gesteld ten aanzien van de 
particuliere organen van jeugdbescherming, althans in vragende 
vorm. 

Het commentaar uit het veld van de jeugdbescherming geeft 
op velerlei wijzen uiting aan de onduidelijke rol, die de raad ver-
vult. Desondanks gaat de nota-Grosheide hieraan praktisch 
voorbij. De Raad voor de Jeugdbescherming heeft onzes inziens 
tot taak om in die gevallen waarin de ouderlijke macht ten dele 
ontbreekt, óf als een nieuwe ouderlijke macht gecreëerd moet 
worden óf als de ouderlijke macht disfunctioneert, de jeugdrech-
ter van sociale advisering te voorzien, waardoor de oordeelsvor-
ming zo verantwoord mogelijk wordt. 

In de ouderlijke macht zien we dat de beide ouders vervullen 
de pedagogische, de oordeels- en solidariteitsrol. Dat is een na-
tuurlijk gegeven dat door elkaar kan lopen. Wanneer de na-
tuurlijke ouderlijke macht ontbreekt, krijgt men een kunstmatige 
situatie en dit vereist altijd extra zorg. De oordeelsrol wordt ver-
vuld door de jeugdrechter en dat straalt af op de Raden voor de 
Jeugdbescherming. De pedagogische rol wordt vervuld door de 
instellingen voor de jeugdbescherming en hierin moet de solida-
riteitsrol ook vervuld worden. Dit laatste geeft nogal eens pro-
blemen in de leiding bij de jeugdbeschermingsinstellingen, zoals 
terecht in het uitgebrachte rapport door het Onderzoeksinstituut 
Intagon „Problemen in de inrichtingen in de justitiële kinderbe-
scherming" naar voren komt! 

De Amsterdamse kinderrechter mr. S. Slagter omschrijft in 
zijn boek „Vijftig jaar kinderrechter en ondertoezichtstelling, 
een kritische bezinning" de Raad voor de Kinderbescherming 
als een ambtelijke justitiële instelling die de functie van voorlich-
ter aan de rechter combineert met een actieve bemoeienis in veel 
gevallen, terwijl de Raad procespartij is. Deze combinatie, aldus 
mr. Slagter van voorlichting en partij-zijn ontmoet de laatste tijd 
veel kritiek en ook hij bepleit, vanuit justitiële zijde gezien om te 
komen tot een eigen consultatie-staf voor de kinderrechter. Ook 
de ontwikkelingen op het terrein van de organisatieleer maken 
ons duidelijk dat de functie van controle, procesvoorbereiding of 
voorlichting aan de kinderrechter en een taak op het terrein van 
de hulpverlening in dezelfde sector niet te combineren zijn, zon-
der rolconflicten voor de werker enerzijds en onduidelijkheid en 
wantrouwen bij de cliënt anderzijds. Daarom zouden wij de 
Staatssecretaris dringend willen vragen om zijn visie op de raad 
dringend te herzien, te meer daar bij het nu volgende te bespre-
ken onderwerp, namelijk de adoptie, en van de zijde van de 
Staatssecretaris het voornemen bestaat de taken van de Raad 
voor de Jeugdbescherming uit te breiden. 

Sprekend over het indringende en belangrijke onderwerp 
adoptie moeten wij constateren dat het noodzakelijk is, dat op dit 
terrein tot enige ordening wordt overgegaan, omdat nu te veel in-
stellingen zich hiermede bezig houden en dit vergroot de ondui-
delijkheid en de rechtsonzekerheid bij de aspirant-adoptiefou-
ders. Zowel in de nota-Wiersma als in de nota-Grosheide wordt 

gesteld dat de adoptievoorbereiding het best kan geschieden 
door de Raden voor de Jeugdbescherming. Hierdoor gaat men 
toch wel voorbij aan een aantal fundamentele zaken, namelijk 
dat het particulier initiatief niet wordt erkend, maar zelfs een 
taak wordt ontnomen, die het tot op heden in 6 van de 19 arron-
dissementen goed tot zeer goed vervulde, althans nimmer wer-
den hierover klachten van de zijde van de overheid vernomen. 
Bovendien wordt aan de Raad voor de Jeugdbescherming een 
taak toevertrouwd die voor een groot gedeelte ligt op het terrein 
van de hulpverlening en de bezwaren hiertegen hebben wij reeds 
duidelijk aangegeven. Als we nu weten, dat een groot aantal ver-
tegenwoordigers van nagenoeg alle instellingen op het terrein 
van de jeugdbescherming onder leiding van de FIOM na enige 
studie tot de bevindingen zijn gekomen, als neergelegd in de bro-
chure ,,Adoptie-voorbereiding, uniform beleid en uitvoering" 
waarin we als een van de conclusies mogen zien dat er in 5 regi-
o's aansluiting op de ressorten van de gerechtshoven zogenaam-
de Regionale Instellingen voor Adoptie-voorbereiding zouden 
moeten komen, waarin alle verzoeken gebundeld worden, dan 
zien wij dat in de nota-Grosheide wel de 5 regio's worden over-
genomen, maar dat de totale voorbereiding zou moeten berusten 
bij 5 Raden voor de Jeugdbescherming zonodig in 5 speciale sec-
ties verbonden aan deze raden. 

Mijnheer de Voorzitter! Wij moeten tegen dit voornemen van 
de Staatssecretaris een zeer ernstig protest laten horen. Hoe is 
de huidige situatie met betrekking tot de aanvragen voor een 
adoptief ouderschap? Per 1 januari 1972 bedroeg het aantal aspi-
rant-adoptiefouders 3077. Hiervan hadden 320 echtparen zich bij 
twee instellingen laten inschrijven, 319 echtparen bij drie instel-
lingen en 35 echtparen bij vier instellingen. In totaal hadden 674 
zich nog bij meerdere instellingen laten inschrijven die aange-
merkt kunnen worden als neveninschrijvingen en dus geen ver-
andering brengen in het totaal aantal aspirant-adoptiefouders. 
Van de 3077 aspirant-adoptiefouders waren er 1154 ingeschreven 
bij de particuliere organen de FIKA en de FIOM dus 37 pet. en 
63 pet. bij de Raden voor Jeugdbescherming. 

Van deze 3077 aspirant-adoptiefouders, aangemeld in de jaren 
vóór 1967 tot eind december 1971, waren er per 31 december 
1971 nog een aantal van 1266 niet in onderzoek genomen. Dit 
werkt zeer frustrerend voor de aspirant-adoptiefouders. Wij zou-
den bij de adoptie een onderscheid willen maken in de adoptie-
voorbereiding, die juist door niet-justitiële organen moet gebeu-
ren, te meer omdat hieraan zoveel aspecten van hulpverlening 
zijn verbonden, terwijl de adoptieprocedure door de Raden voor 
Jeugdbescherming zou kunnen gebeuren. In deze situatie zou de 
raad als beroepsinstantie kunnen fungeren, waar afgewezen as-
pirant-adoptiefouders in beroep zouden kunnen komen. 
Waar in Nederland reeds 5 pleeggezinnencentrales bestaan, die 
het hele land bestrijken, zou het aanbeveling verdienen, deze 
centrales om te vormen tot de regionale instituten, zoals in de 
nota van de FIOM werden aangeduid. Immers de selectie van 
pleeggezinnen heeft veel elementen in zich van de adoptie-gezin-
nen. Het overkoepelende landelijke orgaan zou zich dan kunnen 
belasten met de toewijzing van kinderen, getoetst aan landelijke 
criteria hiervoor. Als de nota-Grosheide in dit verband zegt, dat 
voor de verdeling van schaarse middelen (en in ons land zijn de 
adoptiefkinderen erg schaars) de overheid de eerst aangewezene 
is, dan zijn wij het daarmee niet eens. 
Wij zouden de Staatssecretaris zeer dringend willen vragen om 
nu niet tot uitvoering van zijn beleidsvoornemens over te gaan. 
Nu de nota-Wiersma zegt dat de discussie moet blijven en nu zo-
velen uit de jeugdbeschermingswereld hun protest hebben laten 
horen tegen dit beleidsvoornemen - behalve de Centrale Adop-
tieraad, maar die kan ook niet gerekend worden tot de echte 
hulpverleningsinstituten op het terrein van de jeugdbescherming 
- zouden wij de Staatssecretaris dringend willen vragen om met 
de Nederlandse Federatie van Kinderbescherming, de FIOM, de 
Vereniging van Interlandelijke Adoptie-kinderen „Wereldwijd", 
het ISS overleg te willen plegen om zodoende te komen tot de 
meest gewenste organisatie voor de adoptie. 

Tot slot willen wij nog een enkele opmerking maken met be-
trekking tot de voorgestelde stuurgroep, waarover wij in het be-

Zitting 1971-1972 

TWEEDE KAMER 




D 8 

,ste

 vergadering - 19 juni 1972 

Vaste Commissie voor Justitie 

gin reeds even spraken. Wij zouden willen voorstellen dat deze 
stuurgroep zich zal bezighouden, overigens wel met een aange-
geven tijdslimiet, met de coördinatie en de harmonisatie van de 
subsidie-regelingen voor de verscheidene instellingen op het ter-
rein van het jeugdwelzijnsbeleid en het aangeven van criteria 
voor en het begeleiden van experimenten. 

Daarnaast zouden wij willen pleiten voor de instelling van een 
staatscommissie, waarin vertegenwoordigers uit de verschillen-
de sectoren van het jeugdwelzijnswerk en uit de verschillende 
ministeries gezamenlijk zouden moeten werken aan de uitgangs-
punten en doelstellingen voor een geïntegreerd jeugdwelzijnsbe-
leid. Deze commissie zou opdracht moeten krijgen om deze taak 
binnen een bepaalde termijn af te ronden. 

Wanneer wij ten slotte de Staatssecretaris dringend verzoeken 
om meer onderzoek te laten verrichten naar het rendement van 
de jeugdbescherming, dan vragen wij dit omdat de jeugdbescher-
ming ons zodanig ter harte gaat dat wij steeds naar het beste re-
sultaat moeten streven. 

Mevrouw Haas-Berger (P.v.d.A.): Mijnheer de Voorzitter! A1-
lereerst, mede namens de P.P.R. sprekend, wil ik globaal de be-
langrijkste punten naar voren brengen. Het uitgangspunt is -het 
is vandaag al vaker gezegd - dat wij moeten naar een geïnte-
greerd jeugdwelzijnsbeleid, dat niet alleen een zaak is van één 
departement, maar slechts kan ontstaan door samenwerking tus-
sen de departementen van CRM. Justitie en Volksgezondheid en 
Milieuhygiëne. 

Om die doelstelling te bereiken zal een kleine groep mensen 
nodig zijn. die op korte termijn een blauwdruk voor dit jeugd-
welzijnsbeleid op tafel kan leggen. Dat moet in volledige open-
baarheid geschieden. Daarenboven is het van groot belang, dat 
de experimenten, die op dit moment reeds pogen een geïnte-
greerd jeugdwelzijnsbeleid in de samenleving te scheppen, vol-
doende worden gefinancierd. In die toekomstige jeugd-
welzijnszorg zal slechts een kleine plaats zijn voor de justitiële 
maatregel, die moet worden voorkomen door een adequate hulp-
verlening. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de 
maatregel blijft bij het Departement van Justitie. 

De mogelijkheid voor de jeugdbeschermingsinstelling zal moe-
ten worden geschapen een stuk vrijwillige hulpverlening, zowel 
voor- als nazorg, op zich te nemen, waarbij men door een geva-
rieerde deskundigheid direct met de hulpverlening kan beginnen. 

De directe hulpverlening en de continuïteit in de hulpverlening 
zijn een voorwaarde voor een goed welzijnsbeleid. Stelt men 
daarnaast dat geen beleidsbeslissingen genomen mogen worden, 
die de uiteindelijke doelstelling in de weg staan, dan komen wij 
tot de conclusie dat de raden van jeugdbescherming: 

a. geen intake-orgaan mogen zijn voor de algemene hulpverle-
ning; 
b. niet als enige belast behoren te zijn met de voorbereiding 
van de adoptie. 
De waarborgen voor de cliënt dienen zo groot mogelijk te zijn, 
wat voor de pupil inhoudt, dat hij recht heeft op een behandeling 
indien dit voor hem nodig is. Een opnameplicht in tweede instan-
tie is de aangewezen weg. Voor de ouder betekent het, dat men 
recht heeft op een ander onderzoek door een andere instelling als 
men meent ten onrechte te zijn afgewezen als pleeggezin of niet 
in aanmerking komt voor plaatsing bij adoptie. 

Mijnheer de Voorzitter! De nota-Wiersma heeft een stroom-
versnelling teweeggebracht in het denken over de justitiële 
jeugdbescherming en het totale jeugdwelzijnsbeleid. De gevoe-
lens van onvrede, die in het veld leefden en nog leven zijn geeon-
cretiseerd en gekanaliseerd. Wij zijn dan ook bijzonder verheugd 
over het feit, dat de nota is verschenen en hebben er veel waar-
dering voor dat dit in een zo korte tijd gerealiseerd kon worden. 

Uiteraard is er erg veel kritiek geleverd op de nota, wat ook de 
bedoeling was. Er is hier immers sprake van een discussiestuk. 
De kritiek valt grofweg uiteen in twee delen, enerzijds die op be-
paalde voorstellen in de nota en anderzijds de meer algemene 
kritiek, dat de nota te veel uitgaat van ce justitiële jeugdbescher-
ming en geen voorstellen doet om te komen tot een integratie tus-
sen jeugdbescherming en andere vormen van jeugdwelzijnszorg. 

In het kort: dat niet de hulpverlening centraal staat maar de 
maatregel. 

Deze kritiek is volkomen terecht, maar is in feite een kritiek 
tegen de maatschappij, die faalt in het scheppen van een voorzie-
ningenpakket op het gebied van het jeugdwelzijnsbeleid. Een 
blauwdruk hiervoor op te stellen is zeker niet een taak van Justi-
tie alleen, maar zal door verscheidene departementen in geza-
menlijk overleg moeten worden gemaakt. 

In dit verband zou ik toch nog mijn spijt willen uitdrukken dat 
de verantwoordelijke bewindslieden van CRM en van Volksge-
zondheid en Milieuhygiëne ondanks ons aandringen, hier niet aan-
wezig zijn. Het gaat hier alleen om justitiële kinderbescherming. 
Wij hadden echter ook graag de visie van CRM en van Volksge-
zondheid vernomen over de nota-Wiersma en de marge, die de 
justitiële jeugdbescherming voorbehouden blijft in het geïnte-
greerd jeugdwelzijnsbeleid. Dit verzoek is niet buiten de orde. Bij 
het begrotingsdebat heeft Staatssecretaris Vonhoff verklaard dat 
hij gaandeweg tot een eigen standpuntbepaling ten aanzien van de 
nota-Wiersma en de beweging die daarop in het veld is ontstaan, 
is gekomen. Zijn commentaar, dat uit zou gaan van een totaalbe-
nadering van het kind als zodanig en als deel van zijn gezin en de 
gehele samenleving, zou „een dezer dagen" naar Staatssecreta-
ris Grosheide worden gezonden. (Handelingen 10 november 
1971, blz. 972, rechterkolom). 

Aangezien wij ook op schriftelijke vragen - mejuffrouw 
Goudsmit doelde er ook reeds op; het zijn vragen geweest van de 
heer Meijer, mevrouw Padt-Jansen en mij aan Staatssecretaris 
Vonhoff om zijn commentaar per omgaande bekend te maken -
geen reactie hebben vernomen, hadden wij het prettig gevonden, 
als wij de mondelinge uiteenzetting hadden gehoord. Misschien 
kunnen wij alsnog de brief van Staatssecretaris Vonhoff en de 
eventuele reactie van de Staatssecretaris van Justitie daarop ont-
vangen. 

De Voorzitter: De Staatssecretaris fluistert mij in dat er vrijdag 
jl. een antwoord gekomen schijnt te zijn. Wij zullen proberen, 
dat te achterhalen. 

Mevrouw Haas-Berger (P.v.d.A.): Ik heb het niet bij de post 
ontdekt, mijnheer de Voorzitter, maar als dat stuk aanwezig is, 
zouden wij het dan wellicht nu nog kunnen krijgen, zodat wij er 
eventueel vanmiddag op kunnen ingaan? 

Staatssecretaris Grosheide: Ik zeg niet dat ik alleen maar goe-
de influisteringen krijg, maar het is mij wel in de loop van dit 
weekend meegedeeld. 

Mevrouw Haas-Berger (P.v.d.A.): Als wij het stuk nog mogen 
ontvangen, kunnen wij het wellicht vanmiddag nog in de bespre-
kingen betrekken. 

Het is duidelijk, dat in de praktijk nagegaan moet worden, hoe 
de samenwerking in de welzijnszorg gerealiseerd kan worden. 
Hiertoe zullen experimenten nodig zijn. Is de Staatssecretaris 
bereid, zodanige experimenten te financieren, als daartoe voor-
stellen zijn gedaan vanuit het veld, met name zoals die zijn neer-
gelegd in de veldnota van de werkgroep ,,De langste dag" en die 
door het hele veld grotendeels zijn onderschreven? Op de voor-
stellen van de veldnota zal ik verder niet ingaan. Mejuffrouw 
Goudsmit heeft die uitgebreid beschreven. Zullen de ideeën van 
de maatschappelijke werkers, verenigd in de startbijeenkomst 
van het jeugdwelzijnsberaad ook in beschouwing worden geno-
men bij het opstellen van de criteria, waaraan de experimenten 
moeten voldoen? Is het mogelijk om samen met CRM en Volks-
gezondheid een experimentenpot af te zonderen? De kritiek van-
uit het veld is voor een groot deel opbouwend geweest, wat niet 
alleen blijkt uit de vele modellen die voor een integratie op tafel 
zijn gelegd, maar ook uit het feit, dat op vele plaatsen het alge-
meen maatschappelijk werk en verenigingen van jeugd-
welzijnszorg gaan samenwerken, zonder dat hiervoor een extra 
financiële steun wordt gegeven. Is de Staatssecretaris bereid, 
ook deze reeds bestaande experimenten,'zoals die bij voorbeeld 
welke in den Haag. Zaandam, Roermond en nog vele andere 

Zitting 1971-1972 

TWEEDE KAMER 




Vaste Commissie voor Justitie 

lste vergadering - 19 juni 1972 D 9 

plaatsen te subsidiëren? Naast deze experimenten is een totale 
visie nodig. Centraal zullen hierbij gesteld moeten worden de ge-
makkelijke bereikbaarheid en de hulpverlening. 

Wij zijn van mening, dat er altijd een stuk zuiver justitiële 
jeugdbescherming nodig zal blijven. Fr zal altijd een kleine cate-
gorie overblijven, waarvoor strafmaatregelen nodig blijven om 
de rechten van het kind te waarborgen, in het geval dat er zich 
een conflict voordoet tussen ouders, kinderen en instellingen of 
inrichtingen, en als waarborgscheppende voorwaarde voor een 
hulpverlening of behandeling, indien vrijwillig hiertoe geen mo-
gelijkheden worden gevonden. Anders dan de Nationale Fede-
ratie zijn wij van mening dat de tenuitvoerlegging van een maat-
regel, aangezien het hier gaat om een wijziging in de gezagsver-
houding onder verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie 
dient te blijven. Het is duidelijk dat slechts overgegaan mag wor-
den tot een maatregel, indien geen andere vormen van vrijwillige 
hulpverlening meer voorhanden zijn. Om te bereiken dat men zo 
vroeg en gemakkelijk mogelijk hulp zal inroepen, moeten er 
wijkcentra worden gecreëerd, waar men in en uit kan lopen. Hier 
kan worden bekeken, welke vorm van hulp het meest geïndi-
ceerd is, in samenspel met andere vormen van jeugdwelzijnsbe-
leid. Er zal in dit stadium meer gespecialiseerde hulp nodig zijn, 
opdat reeds direct in een beginstadium met daadwerkelijke en 
gerichte hulpverlening kan worden begonnen, waardoor het ne-
men van een justitiële maatregel achterwege kan blijven. 

In deze opzet moeten wij een horizontale structuur voorstaan 
De andere vorm van jeugdwelzijnszorg moet niet als preven-
tieve zorg worden gezien, zodat men bij het falen vat; deze ten 
siotte in de fuik van de justitiële jeugdbescherming terecht komt. 
Het moet worden bekeken als verschillende soorten van hulp-
verlening, die voor elk individueel geval afzonderlijk anders zul-
len liggen en waarbij - helaas - in bepaalde gevallen een verande-
ring in de gezagsverhouding noodzakelijk is. Een duidelijk uit-
gangspunt en doelstelling van de hulpverlening zullen geformu-
leerd moeten worden en er zal een totale visie op het jeugd-
welzijnsbeleid moeten komen. 

Er is vanmorgen reeds enkele malen gevraagd, of die totaie vi-
sie op tafel zal moeten worden gelegd door een regeringscom-
missaris of een staatscommissie. Ik meen, dat de naam als zoda-
nig niet van zo'n groot belang is, maar wel is de samenstelling 
van bijzonder groot belang. Als wij de naam stuurgroep aanhou-
den, is het duidelijk, dat die van beperkte omvang moet zijn, een 
groep mensen, die vlug kan werken, zodat die op een korte 
termijn - ik denk aan een periode van één, anderhalf, hoogstens 
twee jaar - een blauwdruk van het jeugdwelzijnsbeleid en de 
maatregelen, die nodig zijn om zover te komen, op tafel kan leg-
gen. Het zal ook nodig zijn, dat de leden van de stuurgroep 
vrijgesteld worden van hun dagelijkse arbeid, daar dit anders niet 
in een zo korte tijd is te realiseren. Hoewel het voor de werk-
zaamheid van de stuurgroep wellicht beter is, geen mensen met 
een mandaat van de organisaties op te nemen, is het wel nodig, 
dat de stuurgroep zich op de hoogte stelt van de ideeën, die in het 
veld leven, de ontwikkelingen bijhoudt en de bestaande experi-
menten volgt en haar werkzaamheden zo vlug en zoveel mogelijk 
in de openbaarheid brengt. 

De positie en de taken van de raden van jeugdbescherming wa-
ren en zijn nog steeds een omstreden zaak. Dit is reeds vanmor-
gen gezegd. Dit is geen nieuws. Twee bevoegdheden van de ra-
den zijn wettelijk geregeld, met name de verplichting voer de 
rechter de raden te horen voor het nemen van maatregelen en de 
bevoegdheid, maatregelen uit te lokken. 

Naast deze wettelijke bevoegdheden van ambtelijke proces-
partij en adviesorgaan van de rechter worden dan aan de raad de 
taak van intake-orgaan en onderzoekorgaan toebedeeld. Hoe 
ziet de Staatssecretaris de functie als intake-orgaan? Blijkens de 
nota als een algemene intake voor de hulpverlening, aangezien 
de raad terug kan verwijzen naar hulpverlening buiten de jeugd-
bescherming. Kan de raad dan ook terugverwijzen naar de hulp-
vei lening van een jeugdbeschermingsinstelling zonder een maat-
regel? Gaan we uit van inloopbureaus voor de hulpverlening, dan 
ligt daar de taak van de intake in het algemeen en hoort deze 
taak niet bij de raad te liggen. Zowel ter wille van de continuïteit, 

als ter wille van een logisch opgebouwde structuur, kan men niet 
stellen, dat de ingang van de hulpverlening berust bij een justi-
tieel apparaat. Wel is het noodzakelijk, dat er voldoende mo-
gelijkheden tot hulpverlening zijn en dat men niet uit financiële 
overwegingen overgaat tot het nemen van een maatregel omdat 
de hulpverlening op vrijwillige basis anders niet betaald zou wor-
den. 

Ter wille van de continuïteit, namelijk dal slechts een jeugdbe-
schermingsinstelling betrokken is bij de hulpverlening en met het 
gezag wordt bekleed is in de nota-Wiersma uitgegaan van de ge-
dachte dat de uitvoering van de voorlopige toevertrouwing en de 
voorlopige ondertoezichtstelling in handen gelegd wordt van de 
jeugdbeschermingsinstelling. Staatssecretaris Grosheide komt 
hier in zijn brief op terug en wil de keuze, of de toevertrouwing 
door de raden op de jeugdbeschermingsinstelling uitgevoerd zal 
worden, leggen bij de rechter. De argumentatie is, dat er nu een 
minder strakke structurering voorgesteld wordt. Het lijkt mij 
geen juist argument om hier nu weer het oorspronkelijk verlaten 
standpunt, namelijk dat de raden met de toevertrouwing kunnen 
worden belast, aan te hangen. Zijn er wellicht nog andere over-
wegingen die tot die keuze hebben geleid? Kan de Staatssecreta-
ris die mededelen? Is hij in het algemeen niet van mening, dat de 
taak van de raad zoveel mogelijk beperkt dient te blijven tot ad-
viesorgaan, ambtelijke procespartij en onderzoekorgaan in con-
flictsituaties? 

Mijnheer de Voorzitter! De adoptievoorbereiding is zowel in 
de nota-Wiersma als in de brief van Staatssecretaris Grosheide 
bij de raden gebleven. Vanuit het veld is hier sterk protest tegen 
aangetekend. Voordat men een standpunt hierover inneemt, 
moeten er enige voorwaarden worden gesteld, die in ieder geval 
noodzakelijk zijn voor een goede adoptievoorbereiding. Het 
werkterrein van de instantie, die de voorbereiding verricht, mag 
een niet te klein gebied omvatten, maar zich ook niet uitstrekken 
over het gehele land. In de praktijk blijkt dat immers niet best te 
werken. De voorbereiding moet per regio centraal geschieden, 
waarbij de instantie over voldoende personeel kan beschikken, 
zowel maatschappelijk werkers als administratieve krachten. Is 
de Staatssecretaris bereid hiervoor voldoende financiën beschik-
baar te stellen? De uiteindelijke adoptie heeft een blijvende ver-
andering in de gezagsverhouding ten gevolge. Ook de maatregel 
heeft een - zij het tijdelijke - verandering in de gezagsverhouding 
tot gevolg. De voorbereiding en het onderzoek tot beide veran-
deringen kan men op één lijn stellen. Dat na de gezagsverande-
ring bij de maatregel Justitie nog wel verantwoordelijk is en bij 
adoptie niet, komt voort uit het karakter van beide. De maatregel 
is onvrijwillig, door de rechter opgelegd als voorwaarde-
scheppend middel tot hulpverlening of als straf, de adoptie is een 
vrijwillige overgang naar een nieuwe normaie situatie. In deze 
conceptie - het gelijkstellen van de voorbereiding en het onder-
zoek bij de maatregel en bij de adoptie - past het niet, dat de 
voorbereiding bij de raden komt te berusten. 

Indien de voorbereiding bij de raden ligt, is bovendien de uit-
voering en het toezicht in één hand. te weten diezelfde raad. Be-
rust de voorbereiding bij de jeugdbeschermingsinstellingen, dan 
kunnen de raden hierop toezicht uitoefenen. Op grond van deze 
overwegingen moet men tot de principiële beslissing komen, dat 
de adoptievoorbereiding door de jeugdbeschermingsinstellingen 
dient te geschieden. Er komt nog bij, dat de aspirant-adoptief ou-
ders vaak een afkeer hebben van een justitieel apparaat, bij een 
zaak die voor hen vrijwillig is. De vraag is, of men van de ene 
dag op de andere de jeugdbeschermingsinstellingen alle adoptie-
voorbereiding kan laten verrichten, maar dit geidt in dezelfde 
mate voor de raden die dat nu nog niet doen. Het lijkt niet ver-
standig nu reeds beleidsbeslissingen te nemen, die in zouden 
kunnen gaan tegen een nieuwe structuur. Daarom willen wij de 
Staatssecretaris verzoeken - ik sluit mij aan bij wat mejuffrouw 
Cornelissen hierover heeft gezegd - vooralsnog de adoptievoor-
bereiding niet aan de instellingen te onttrekken en zich nogmaals 
over deze zaak te beraden. Weliswaar kan men in hoger beroep 
gaan, indien de rechtbank het verzoek tot adoptie heeft afgewe-
zen, maar wil de Staatssecretaris ook mogelijkheden scheppen 
waardoor men indien men niet eens aan een adoptieverzoek toe-
Zitting 1971-1972 TWEEDE KAMER 




D 10 lste vergadering - 19 juni 1972 

Vaste Commissie voor Justitie 

komt, een onderzoek door een andere instelling kan krijgen, in-
dien op grond van een eerder onderzoek geen plaatsing heeft 
plaatsgevonden? Dit geldt natuurlijk ook voor toekomstige 
pleeggezinnen die niet voor de plaatsing van een kind in aanmer-
king komen volgens het onderzoek. 

Mijnheer de Voorzitter! Nog één opmerking ten aanzien van 
de raden. Zou het geen aanbeveling verdienen de raden te zien 
zoals ze werkelijk zijn, namelijk justitiële apparaten, waarvan de 
taken in de wet vastgelegd zijn? Is het dan niet eerlijker te bepa-
len. dat de raden niet meer moeten bestaan uit vertegen woordi-
gers van bepaalde groeperingen uit de maatschappij, maar daar-
entegen moeten bestaan uit een aantal werkelijke deskundigen, 
die op grond van hun wetenschappelijke kennis de verantwoor-
delijke beslissingen nemen? 

Bij de instellingen staat de Staatssecretaris minder rigide eon-
structie voor ogen dan in de nota-Wiersma. Wij zijn van mening, 
dat de opzet van één instelling, ontstaan uit voogdij- en gezins-
voogdij-instellingen en de raden van advies voor ouders en jon-
geren, werkzaam in een niet te groot gebied, beter is dan één in-
stelling in een arrondissement. Dit sluit ook beter aan bij het na-
tuurlijk proces, zoals dit zich reeds bij de instellingen aan het 
voltrekken is; het aantal is de laatste jaren reeds beduidend te-
ruggelopen. De Staatssecretaris wil in overleg met de Nationale 
Federatie komen tot een schaalvergroting, waarbij de doelstel-
ling moet zijn instellingen te creëren die de beschikking kunnen 
krijgen over een staf- en personeelsbezetting met voldoende des-
kundigheid. Denkt de Staatssecretaris hierbij ook aan de mo-
gelijkheid dat de instelling in ruime mate kan voldoen aan de aan-
vragen om hulp in de preventieve sector en als nazorg? Als con-
sequent gevolg van de continuïteitsgedachte zijn beide mo-
gelijkheden uitdrukkelijk in de nota genoemd. Jammer genoeg 
wordt dit weer teruggenomen door de opmerking, dat niet te veel 
vrije gevallen mogen worden opgenomen, al komt dit voort uit de 
bezorgdheid om de moeilijker justitiegevallen. Mejuffrouw 
Goudsmit heeft hierop ook uitdrukkelijk gewezen. 

In de toekomst zullen de gevallen van vrijwillige hulpverlening 
toenemen. De ingang tot de hulpverlening zal eenvoudiger wor-
den. Door de directe hulpverlening zal een aantal maatregelen 
voorkomen kunnen worden. Het aantal kinderen, dat nazorg be-
hoeft, zal in de toekomst groter worden, vooral - en dit is een 
grote zorg - wanneer de leeftijd, waarop men meerderjarig 
wordt, tot achttien jaar zal worden verlaagd. 

Indien men werkelijk meent, dat de continuïteit in de hulpver-
lening van wezensbelang is, moet de personeelsbezetting van 
dien aard zijn, dat het voor de jeugdbeschermingsinstelling mo-
gelijk is deze vrijwillige hulpverlening op zich te nemen. Van-
zelf sprekend zijn wij eveneens van mening, dat de moeilijke ju-
stitiegevallen niet in het gedrang mogen komen. Hier rust een 
enorme verantwoordelijkheid op de jeugdbeschermingsinstel-
ling, die men alleen op zich kan nemen indien er een grotere ,,be-
staffing" komt met gevarieerde deskundigheid bij de jeugdbe-
schermingsinstellingen. 

De financiële consequenties zijn wellicht minder groot dan 
men zou menen. Door directe en, indien nodig, gespecialiseerde 
hulp in een zo vroeg mogelijk stadium zullen plaatsingen in in-
richtingen voorkomen kunnen worden. Twee inrichtingsplaatsen 
kosten per jaar net zoveel als één maatschappelijk werker. 

Is de Staatssecretaris bereid de jeugdbeschermingsinstellingen 
die hebben meegewerkt aan de schaalvergroting zodanig te sub-
sidiëren, dat zij door middel van een voldoende personeelsbezet-
ting een adequate hulpverlening kunnen bieden, eventueel na 
overleg met andere departementen over een verdeelsleutel? 

Nu de Staatssecretaris voorstelt de schaalvergroting door mid-
del van „harde" maatregelen te effectueren, namelijk door het 
stellen van subsidievoorwaarden, zullen wij hier nog een eis aan 
toevoegen, te weten dat, indien de instelling c.q. de inrichting te 
klein is voor een ondernemingsraad, een overlegstructuur wordt 
gecreëerd, zodat ook het personeel het beleid mee kan bepalen. 

De instelling van een mentor, die vanuit de jeugdbescher-
mingsinstelling de pupil blijft begeleiden en zo zorgdraagt voor 
de continuïteit in de persoon en verantwoordelijk blijft voor zijn 
pupil, kunnen wij volledig ondersteunen. Ook de consequentie. 

die de nota-Wiersma noemt, namelijk dat de mentor vrij moet 
staan tegenover de inrichting en dat derhalve de instellingen geen 
inrichtingen mogen exploiteren, onderschrijven wij. 
Is de Staatssecretaris bereid ook andere consequenties te trek-
ken, namelijk dat de uitkeringen voor apparaatskosten voor een 
pupil die in een inrichting is geplaatst, even hoog worden als 
voor een pupil die in een pleeggezin is geplaatst? 
De nota loopt vooruit op de aanbevelingen van de commissie-
Wiarda, in dier voege, dat niet meer de rechter met de uitvoering 
van de ondertoezichtstelling is belast, maar de jeugdbescher-
mingsinstelling. De rechter treedt slechts op als rechter. In deze 
opzet past niet, dat belangrijke voorzieningen ten aanzien van 
een jeugdige, op wie een maatregel van toepassing is, door de in-
stelling ter bekrachtiging of ter beslissing aan de jeugdrechter 
worden voorgelegd. 

Wat wordt bedoeld met de zinsnede: „Ook is het denkbaar dat 
de jeugdrechter naar aanleiding van een concreet geval op nog 
andere wijze bij het beleid van een jeugdbeschermingsinstelling 
wordt betrokken?" Is hier uitsluitend bedoeld: In zijn functie als 
rechter, naar aanleiding van een conflict of beroep, of moet 
hierbij ook aan andere gevallen worden gedacht? Zo ja, dan lijkt 
ons dit niet juist. 

Mijnheer de Voorzitter! Op bepaalde punten loopt de nota-
Wiersma vooruit op voorstellen van de commissie-Wiarda. Zul-
len de zaken die dit betreffen vroeger ter hand worden genomen 
of zullen zij op de totale herstructurering moeten wachten? Hoe-
lang zal het voorts duren, voordat de betreffende voorstellen 
voor ons zullen liggen? 

De inrichtingen zijn de laatste tijd een punt van discussie, 
mijnheer de Voorzitter! In zijn brief merkt de Staatssecretaris 
op, dat de maatregel, maar vooral het hierop volgende verblijf in 
een inrichting, stigmatiserend werkt. 

Ten einde het aantal plaatsingen in inrichtingen zoveel mo-
gelijk te vermijden, in die gevallen, waarin toch een uithuisplaat-
sing nodig is, is het noodzakelijk, dat het aantal pleeggezinnen 
groter wordt, naast de door mejuffrouw Cornelissen genoemde 
mogelijkheden. Is de Staatssecretaris bereid, door de werving 
van pleeggezinnen extra financiën te voteren? 

De sanering van de inrichtingen heeft een grote onrust teweeg-
gebracht, zowel onder de jeugdigen en hun ouders als onder het-
personeel. Uiteraard zal een sanering nodig zijn, vooral nu men, 
gelukkig, het plaatsen in inrichtingen, indien niet noodzakelijk, 
zoveel mogelijk vermijdt. Enkele vraagtekens moeten nog bij de 
sanering worden geplaatst. Houdt men voldoende rekening met 
het feit, dat de jeugdigen zoveel mogelijk in hun eigen regio wor-
den geplaatst? Ik sluit wat dit betreft aan bij de vorige week door 
mij gestelde schriftelijke vragen ten aanzien van de ,,Helperha-
ven". Wordt voldoende rekening gehouden met de belangen van 
de pupillen, zodat zij niet plotseling voor het feit staan, dat zij 
naar een andere inrichting moeten? 

Uit de lijst van recentelijk gesloten en nog te sluiten inrichtin-
gen blijkt, dat het bijna alle - behalve in Den Haag - kleine in-
richtingen zijn die moeten verdwijnen. Wordt rekening gehouden 
met een goede pedagogische en educatieve begeleiding? Bestaat 
niet het gevaar, dat uit financiële overwegingen alleen de mam-
moetinrichtingen overblijven? Wellicht is er een gegronde reden, 
te overwegen, nu het aantal inrichtingsplaatsen zal afnemen en 
er relatief meer moeilijke gevallen worden geplaatst, een grotere 
staf met meer gevarieerde deskundigheid aan de inrichtingen toe 
te voegen? Ook zou de groepsgrootte kleiner kunnen worden, 
zodat men meer de gezinssituatie kan benaderen. 

Een inrichting zal vaak in crisissituaties genoodzaakt zijn, pu-
pillen op te nemen; een aantal lege bedden zal dan ook nodig 
zijn, wil de inrichting haar taak en aandeel in de totale jeugd-
welzijnszorg naar behoren kunnen vervullen. Mej. Cornelissen 
heeft in dit verband gevraagd, of de verandering in subsidiesy-
steem binnenkort komt. Ik verbind hieraan de vraag, of in het 
nieuwe systeem ook zal worden uitgegaan van een andere bena-
dering in deze zin, dat de begroting van de inrichting voorop 
staat en dat de behandeling in een inrichting, welke noodzakelijk 
is, mede bepalend zal zijn voor de subsidie. Hiervoor zal een 
aantal deskundigen nodig zijn. 

Zitting 1971-1972 

TWEEDE KAMER 




Vaste Commissie voor Justitie 

lste vergadering • 19 juni 1972 D 11 

Mijnheer de Voorzitter! Een zo goed mogelijke begeleiding 
van de pupillen in de inrichtingen hangt ook af van de groepslei-
ders. Veelal krijgen zij hun opleiding in de inrichting, wat als een 
ernstige belemmering wordt gevoeld. De behoefte aan een goede 
opleiding heeft ertoe geleid, dat in Amsterdam, zonder subsidie, 
een dagopleiding is gestart. Een subsidieaanvraag bij Onderwijs 
en Wetenschappen heeft niet meer resultaat gehad dan dat wordt 
bekeken, of de dagopleiding voor groepsopvoeders in de kinder-
bescherming, uitgaande van de Stichting regionale organisatie 
jeugdbelangen Amsterdam, in het scholenplan 1973/1975 opge-
nomen kan worden. 

Is de Staatssecretaris bereid bij de Minister van Onderwijs en 
Wetenschappen te bemiddelen, opdat de opleiding in 1972 niet in 
gevaar komt en men wel in augustus 1972 met nieuwe cursisten 
kan beginnen? 

Door heftig verzet vanuit het veld zijn de districtsbureaus en 
de opnameplicht uit de nota-Wiersma verdwenen. Dat de dis-
trictsbureaus niet meer opgenomen zijn, kunnen wij toejuichen. 
Toch willen wij nog op een aspect van de zaak wijzen, en dat is 
de registratie van de open plaatsen en de aanvragen. Het is zon-
der meer duidelijk, dat men een inzicht moet hebben in de inrich-
tingsplaatsen, die op een bepaald moment beschikbaar zijn, wil 
men een optimale hulpverlening voor de pupil verkrijgen. Het 
particulier initiatief heeft een bijzonder zware verantwoor-
delijkheid op zich genomen en mag dan niet dralen de organisatie 
zodanig te reorganiseren, dat hieraan voldaan kan worden. 

Evenzo zijn de plaatsingsteams en de opnameplicht verdwe-
nen. Een jeugdbeschermingsinstelling, die over voldoende des-
kundigen kan beschikken en die een nauwe samenwerking on-
derhoudt met andere hulpverleningsinstellingen, bij voorbeeld 
schooladvies- en begeleidingsdiensten, jeugdpsychologische 
dienst en dergelijke zal zeer wel kunnen uitmaken in welke in-
richting de pupil het beste geplaatst kan worden. Daarbij hoort 
de verantwoordelijkheid voor en de zorg om de jeugdige voorop 
te staan. 

In het verleden en ook nu nog wel komt het helaas nog voor, 
dat een jeugdige niet geplaatst kan worden, dat het kind van de 
ene naar de andere inrichting geschoven wordt, of dat men 
slechts bereid is een kind kort op te nemen. In deze gevallen is 
heel duidelijk het kind letterlijk het kind van de rekening gewor-
den. Om deze trieste gevallen te vermijden zou een opname-
plicht een belangrijke bijdrage kunnen leveren. Wij moeten het 
vanuit deze visie dan ook betreuren, dat de opnameplicht verval-
len is. De gezamenlijke inrichtingen in een gebied moeten dan 
ook, samen met de jeugdbeschermingsinstellingen, de verant-
woording voor de jeugdige op zich nemen. Hoe staat de Staats-
secretaris tegenover de gedachte dat, indien het particulier initia-
tief er niet slaagt binnen korte termijn een noodzakelijk geachte 
plaatsing te realiseren, er in tweede instantie toch nog een opna-
meplicht zal moeten komen? In bepaalde gevallen zal men pas na 
een onderzoek in een observatiehuis kunnen weten, welk tehuis 
voor de pupil het meest geëigend is. In sommige gevallen zal 
blijken dat de behandeling, die voor een kind nodig is, niet gege-
ven kan worden in een tehuis, dat onder justitie ressorteert, 
maar gezocht moet worden in bijvoorbeeld een psychiatrische 
inrichting. Herhaaldelijk hebben wij moeten constateren, dat de 
sociaal-psychologische dienst geen verantwoordelijkheid voor 
kinderen, op wie een maatregel van toepassing is, op zich wil ne-
men en weigerachtig is hulp te verlenen. Is de Staatssecretaris 
bereid hierover met de verantwoordelijke bewindsman van 
Volksgezondheid te spreken? Zonder een daadwerkelijke sa-
menwerking is het streven naar een geïntegreerd welzijnsbeleid 
illusoir. 

De nota gaat ervan uit, dat regelmatig de vraag aan de rechter 
wordt voorgelegd of een inrichtingsplaatsing nog nodig is. Kan 
de Staatssecretaris hierop nader ingaan? Wordt deze materie 
wettelijk geregeld en wanneer? Wie kunnen de vragen aan de 
rechter voorleggen en kan de rechter ook zelf het initiatief daar-
toe nemen, indien hij de indruk krijgt, dat een pupil erg lang in 
een tehuis verblijft? 

Een verhaal over dagtehuizen is door mejuffrouw Goudsmit 

gehouden. Ik zal daarop verder niet ingaan. Ik sluit mij volledig 
bij haar betoog aan. 

Voor ons is het heel eenvoudig ons op dit moment te onttrek-
ken aan de problemen van de jeugdbescherming. Wij houden ge-
woon op met praten. Niet gemakkelijk is het echter voor de kin-
deren, waar het in feite om gaat. Weliswaar geldt voor de straf-
maatregelen de Wet op de justitiële documentatie voor wat be-
treft het strafbare feit, maar het feit, dat een maatregel is uitge-
sproken en de rapporten over het kind blijven geboekstaafd. 

Is de Staatssecretaris bereid om te bevorderen, dat analoog 
aan de justitiële documentatie enige tijd nadat een maatregel niet 
meer van kracht is of nadat de pupil meerderjarig is geworden, 
deze gegevens vernietigd worden, opdat ook voor hen een 
voorbije periode voorgoed afgesloten kan worden? 
De Voorzitter: Mevrouw Haas-Berger heeft er zojuist aan her-
innerd, dat zij onlangs samen met mevrouw Padt-Jansen en de 
heer Meijer de Staatssecretaris van CRM, de heer Vonhoff, een 
schriftelijke vraag heeft gesteld. Het antwoord is inderdaad 
vrijdag jl. binnengekomen; het ligt op het ogenblik bij de druk-
ker. Het lijkt mij goed, vraag en antwoord even voor te lezen: 
De vraag, ingezonden 12 juni 1972, luidt: 

'Is de Staatssecretaris bereid, om omgaand het commentaar 
dat het Ministerie van CRM heeft uitgebracht inzake de nota-
Wiersma 'Jeugdbescherming en Justitie' openbaar te maken? 

Toelichting 

Tijdens de behandeling van de begroting van CRM in novem-
ber 1971 heeft de Staatssecretaris een voorlopige mededeling ge-
daan over het standpunt van het Ministerie van CRM, inzake de 
nota-Wiersma. Voor zover bekend is het definitieve commentaar 
niet voor publikatie vrijgegeven.' 

De Staatssecretaris heeft hierop geantwoord: 

'Mijn commentaar is vervat in een brief aan Staatssecretaris 
Grosheide van 16 november 1971. Het karakter van die brief is 
die van een intern en persoonlijk stuk, dat zich niet voor publika-
tie leent.'. 

Mevrouw Haas-Berger (P.v.d.A.): Mag ik hieruit concluderen, 
mijnheer de Voorzitter, dat de samenwerking tussen Justitie en 
CRM toch niet van dien aard is, dat men op een gemeenschappe-
lijke noemer kan verder werken? 

Staatssecretaris Grosheide: Dat mag u hieruit niet conclude-
ren. Ik kom daarop straks nog terug. 

Mejuffrouw Kappeyne van de Coppello (V.V.D.): Mijnheer de 
Voorzitter! De grote verdienste van de zogenaamde nota-Wier-
sma is, althans in mijn ogen, dat zij heeft gefungeerd als een 
knuppel in het hoenderhok. Er is een zeer levendige discussie op 
gang gekomen, die waarschijnlijk nog wel geruime tijd zal voort-
duren, totdat een meer fundamentele vernieuwing van het jeugd-
beschermingsrecht en van het jeugdbeschermingswerk heeft 
plaatsgevonden. Ik beschouw de nota-Wiersma dan ook als een 
eerste aanzet tot een analyse van de problemen op het gebied 
van de organisatie van de justitiële jeugdbeschermingen een po-
ging, daarin op korte termijn verbetering te brengen. Ik kan daar-
in allerminst een allesomvattend plan op lange termijn zien. 
Eerlijk gezegd had ik ook niet verwacht dat het voor deze Staats-
secretaris mogelijk zou zijn om naar aanleiding van de nota-
Wiersma en de daarop gekomen reacties nu al met een allesom-
vattend plan te komen. Ik zou dus niet zover willen gaan als me-
juffrouwCornelissen,. . . 

Mejuffrouw Cornelissen (K. V.P.): Ik heb slechts om een begin 
van een visie gevraagd. 

Mejuffrouw Kappeyne van de Coppello (V.V.D.): . . . die 
heeft gezegd dat de Staatssecretaris zich wat verschuilt. 
De vele bezwaren die tegen een aantal concrete voorstellen van 

Zitting 1971-1972 

TWEEDE KAMER 




D 12 lste vergadering" 19 juni 1972 

Vaste Commissie voor Justitie 

de nota zijn geuit zouden op het eerste gezicht de conclusie kun-
nen wettigen, dat er uit dit verzet een geest van eensgezindheid 
naar voren komt die goede hoop geeft op het realiseren van een 
organisatorische bundeling in de praktijk. De onderling verschil-
lende suggesties over een nieuwe structuur doen echter vermoe-
den dat er nog veel overleg zal moeten plaatshebben voordat een 
redelijke mate van overeenstemming kan worden bereikt. Ik ge-
loof dat dit toch wel een van de zeer positieve punten is, die uit 
deze discussie naar voren is gekomen, namelijk dat men als over-
heid niet kan volstaan met een fraaie structuur uit te denken en 
die vervolgens van bovenaf op te leggen, maar dat men wel de-
gelijk rekening moet houden met de opvattingen die aan de basis 
leven: bij de belanghebbenden, de instellingen, de organisaties 
en de werkers in het veld. Iets van een dergelijke grotere ontvan-
kelijkheid is al te bespeuren bij deze Staatssecretaris, waar hij de 
nota-Wiersma op een aantal punten ombuigt tot een minder 
strakke herstructurering. Naar mijn mening is dat een tegemoet-
koming aan de daartegen gerezen bezwaren. 

Ik kan dezelfde ontvankelijkheid, die open benadering, niet 
duidelijk terugvinden in de werkwijze die de Staatssecretaris 
voorstelt met betrekking tot de gemeenschappelijke aanpak van 
de integratiegedachten. Ik gebruik met opzet het meervoud. Aan 
vele zijden is een behoefte gesignaleerd aan integratie van de 
jeugdbescherming met andere organen van hulpverlening tot een 
samenhangende jeugdwelzijnssector. Hoe dat zou kunnen of 
moeten gebeuren is onderwerp van zeer uiteenlopende beschou-
wingen. Ik moet bekennen, dat ik niet kan pretenderen daarvoor 
op dit moment een bevredigende oplossing te kennen. 

Wel ben ik het met de Staatssecretaris eens, dat men het ge-
bruik van justitiële maatregelen als voorwaarden scheppend 
middel tot hulpverlening nooit geheel kan missen. Wanneer een 
maatregel moet worden getroffen die een beperking van het ge-
zag van de ouders of voogd inhoudt, lijkt mij ten slotte toch de 
minste kans op willekeur aanwezig bij een rechterlijke beslissing. 

Er is feitelijk sprake van een afnemend aantal jeugdbescher-
mingsmaatregebn. Dat is op zichzelf een verheugende ontwik-
keling. Ze leidt mijns inziens echter niet onvermijdelijk tot de 
conclusie dat alles wat naar justitie riekt nu maar rigoureus aan 
de kant moet worden gezet. Hoezeer dergelijke suggesties ook 
uit op zichzelf te waarderen idealistische motieven worden ge-
daan, ik geloof niet dat zij, althans in dit stadium, voor realise-
ring vatbaar zijn. Het justitiële stempel verwisselen voor een 
maatschappelijk stempel of een volksgezondheidsstempel bete-
kent niet, dat de gebreken van stigmatisering en isolement plot-
seling zouden zijn verdwenen. 

Bovendien is het nog steeds een open vraag welke hulpverle-
nende organen de jeugdbescherming zouden moeten overnemen. 
Zolang die vraag niet duidelijk wordt beantwoord, lijkt de kans 
op grotere doorzichtigheid, die thans organisatorisch al een 
vraagpunt is, nog veel geringer. Ik acht hel daarom dan ook van 
groot belang, dat de Staatssecretaris het streven naar een samen-
hangend geheel van welzijnsactiviteiten mede gaat bevorderen. 

Hij zegt in zijn nota dat er enerzijds een gezamenlijk beraad zal 
zijn tussen overheid en particulier initiatief en anderzijds neemt 
hij zich voor met de Ministers van CRM en van Volksgezondheid 
en Milieuhygiëne een stuurgroep in te stellen. De taken van die 
stuurgroep zijn hier al verschillende malen aangehaald. Ik zal het 
dus maar niet doen. Het is mij niet duidelijk, in hoeverre ercon-
tact zou zijn tussen de stuurgroep, die naar ik meen uit ambtena-
ren zal bestaan, en het particulier initiatief, waarmee de Staats-
secretaris zegt beraad te gaan voeren. 

Ik wil met name graag van de Staatssecretaris weten hoe hij de 
inbreng van belanghebbenden in het welzijnswerk denkt in de 
werkzaamheden van de stuurgroep. Ik zou het natuurlijk ook 
bijzonder interessant vinden als hij zou ingaan op de vragen die 
reeds door andere leden zijn gesteld met betrekking tot het in-
stellen van een staatscommissie of het eventueel te werk stellen 
van een regeringscommissaris. Ik denk niet dat de Staatssecreta-
ris ze alledrie tegelijk wil hebben. 

Wat de stellen op kortere termijn betreft: daarmee kan mijn 
fractie zich grotendeels verenigen. Ik heb de indruk dat de 
Staatssecretaris terecht met een zekere behoedzaamheid te werk 

is gegaan en geen organisatorische ingrepen wil doen die op de 
uitslag van de fundamentele discussie over de jeugdbescherming 
vooruitlopen. Ik zal heel kort op enkele punten ingaan. 

Het samenvloeien van gezinsvoogdij" en voogdij-instellingen 
is een wenselijke ontwikkeling, die door de Staatssecretaris met 
alle kracht moet worden gestimuleerd. Daarbij is natuurlijk es-
sentieel op welke wijze die stimulans zijn beslag krijgt in gunstige 
subsidievoorwaarden. De Staatssecretaris zegt, dat hij de ge-
wenste schaalvergroting na overleg met de Nationale Federatie 
tot stand wil brengen via het stellen van subsidievoorwaarden. 
Heeft de Staatssecretaris daaromtrent op dit moment al wat 
meer omlijnde ideeën? Heeft hij al een inzicht in de raming van 
de daarmede gemoeide bedragen? Ik kan mij overigens voorstel-
len, dat deze Staatssecretaris niet zo voelt voor een strakke ge-
ografisch bepaalde structuur zoals de nota-Wiersma die sugge-
reerde. Ik kan het wel met hem eens zijn, dat voorlopig een zeke-
re differentiatie van de instellingen gewenst blijft. 
Ik zet wat zijn opmerkingen over de voorlopige toevertrou-
wing betreft in het bijzonder een vraagteken bij de keuzemo-
gelijkheid tussen de Raden voor Jeugdbescherming en de instel-
lingen. Ik ben namelijk bang, dat bij voorlopige toevertrouwing 
aan de raden te zeer het gevaar bestaat, dat die raden de jeugdi-
gen te lang onder zich willen houden. Mijn voorkeur gaat dan 
ook uit naar het zoveel mogelijk hiermede belasten van de jeugd-
instellingen, zoals in de nota-Wiersma wordt gesuggereerd. 
De Raden voor de Jeugdbescherming worden, ook in de visie 
van de Staatssecretaris, beschouwd als overheidsorganen waarin 
een inbreng uit verschillende sectoren van het maatschappelijk 
leven plaatsheeft. De Staatssecretaris zegt onder meer, dat ter 
zake waar dit nodig is rechtstreeks verantwoording kan worden 
afgelegd aan het parlement over de activiteiten van de Raden 
voor de Jeugdbescherming. Ik vind dat natuurlijk een zeer nobel 
streven, maar weet niet of het in de praktijk wel altijd zal lukken. 
Ik betwijfel namelijk - deze opvatting is in voorgaande jaren ook 
al door andere leden van mijn fractie verkondigd - of de Staats-
secretaris een greep heeft op wat feitelijk in die raden gebeurt. 

Immers, in de praktijk wordt op de beslissingen van de raden 
meestal zeer grote invloed uitgeoefend door de secretaris die te-
vens directeur is van het ambtelijk apparaat. Die invloed van de 
secretaris-directeur neemt toe naarmate het aantal beslissingen, 
dat de raad moet nemen, groeit. Mijn fractie heeft het gevoel, dat 
die secretaris zich tegenover de leden van de raad enigermate 
achter zijn directeursfunctie kan verschuilen en dat hij tegenover 
het departement zich kan verschuilen achter de leden van de 
raad wier beslissingen hij als secretaris uitvoert. Dit verstopper-
tje-spelen - ik vraag bij voorbaat excuus voor dit enigszins on-
vriendelijke beeld - is toch een factor waarmede men rekening 
moet houden, wanneer aan de taak van de raden uitbreiding 
wordt gegeven, zoals wordt beoogd met betrekking tot de adop-
tievoorbereiding. Zou het geen aanbeveling verdienen de beslis-
singsbevoegdheid formeel aan de raad te ontnemen en deze in 
handen te leggen van de secretaris, die tevens directeur is van 
het ambtelijk apparaat, waarbij het apparaat met de directeur on-
der meer directe verantwoordelijkheid komt van de Minister, 
terwijl de leden van de Raad voor de Jeugdbescherming zich 
meer zouden beperken tot een soort van controlerend toezicht 
op de handelingen van het ambtelijk apparaat. 

Ik kan mij wel verenigen met de principiële gedachte, dat de 
adoptievoorbereiding moet plaatsvinden in handen van een over-
heidsorgaan, in dit geval de Raden voor de Jeugdbescherming, 
maar dan moet er wel in de praktijk een waarborg zijn, dat er bij 
die raden voldoende deskundig personeel is om de voorbereiding 
over te nemen. Ik heb de indruk gekregen, dat niet overal waar 
die overheveling heeft plaatsgevonden voldoende deskundig per-
soneel aanwezig is. Dit is o.a. niet het geval geweest in Amster-
dam. Mocht blijken, dat er moeilijkheden bestaan bij het opvan-
gen door het personeel, dan wil ik de Staatssecretaris in overwe-
ging geven het particulier initiatief bij die adoptievoorbereiding 
in die gebieden, waar het een knelpunt is, in te schakelen. 

Het aanbod van adoptiefkinderen is nog steeds kleiner dan de 
vraag, zo schrijft de Staatssecretaris in zijn brief. Hij merkt er 
dan zeer summier bij op: Ten slotte speelt bij menige adoptie het 

Zitting 1971-1972 

TWEEDE KAMER 




Vaste Commissie voor Justitie 

lste vergadering - 19 juni 1972 D 13 

beleid van de overheid inzake de toelating van vreemdelingen 
een belangrijke rol. Ik zou graag een reactie van de Staatssecre-
taris willen hebben op de gedachte, of het niet zinvol is de mo-
gelijkheid van adoptie van buitenlandse kinderen uit te breiden. 

Ik verwacht allerlei effecten van de geleidelijke sanering van 
de inrichting, waartoe een eerste aanzet is gedaan. Daarbij bena-
druk ik hetgeen mevrouw Haas heeft gezegd, wat erop neer-
komt, dat het overleg met de inrichtingen vanzelfsprekend van 
het grootste belang is om de rechtszekerheid van de belangheb-
benden, zowel de pupillen als het personeel, te waarborgen. Er is 
op dat punt in de laatste tijd nogal wat verwarring gewekt. 

Ik heb er begrip voor, dat de Staatssecretaris er voorshands 
van afziet een plaatsingsteam in te stellen en een opnameplicht in 
te voeren. Hij zegt bereid te zijn de ontwikkeling ter zake kri-
tisch af te wachten. Daaraan voegt hij dan wat dreigend toe: 
Waar ik echter een in het belang van het kind optimaal plaat-
singsbeleid een zaak van primordiaal belang acht, zal ik mid-
derwijl mijn aandacht blijven schenken aan mogelijke andere op-
lossingen. Ik zou graag concreet willen weten, wat dat beduidt. 

De heer Wiebenga (P.S.P.): Mijnheer de Voorzitter! Onze 
fractie stelt zich voor, vóór de komende begrotingsbehandeling 
van Justitie in een nota nader aan te geven, wat onze totale visie 
is. In het kader van dit debat wil ik daarom slechts een aantal re-
latief incidentele opmerkingen maken. 

De eerste betreft de integratiekwestie. De nota-Wiersma gaat 
naar onze overtuiging nog veel te veel uit van het justitiële ge-
zichtspunt. De Staatssecretaris heeft in zijn commentaar gezegd, 
dat men dat niet aan die nota mag verwijten, omdat bij het opstel-
len van die nota haast een rol speelde en omdat in feite de proble-
matiek, waar die kinderbescherming moet worden onderge-
bracht, in die nota nog niet aan de orde kon worden gesteld. Ik 
vind dat niet een geheel overtuigend argument. De nota-Wiersma 
stelt nogal apodictisch, dat de justitiële jeugdbescherming moet 
worden gezien als een speciale vorm van bijzondere jeugdzorg, 
maar de nota erkent ook, dat onvrijwilligheid en aanvullend ka-
rakter niet specifiek zijn voor de justitiële jeugdbescherming. De 
nota geeft als daarvoor in de plaats komend argument aan, dat het 
gaat om wettelijke bevoegdheden en wijziging in rechtsverhou-
dingen. 

Dat rechtvaardigt mijns inziens geenszins een afzonderlijke 
positie. Het zijn toch altijd nog aspecten van het voor de jeugd-
zorg eventueel vereiste instrumentarium. Ook waar in de nota 
wordt gesproken over het mogelijk en waar maken van rechtsbe-
schermingsregelen als taak, wordt toch onvoldoende onderkend, 
dat het pedagogisch juiste gebeuren doel moet blijven, waarbij 
de juridische beslissingen moeten worden gezien als daartoe 
voorwaarden scheppend. De woordkeus „voorwaarden schep-
pend" kom ik ook tegen in de nota van Staatssecretaris Groshei-
de, maar de consequenties worden daaruit toch te weinig getrok-
ken. Ik zou het, zonder er ook maar iets persoonlijks mee te be-
doelen, als volgt willen vragen. Waarom moet de Minister van 
Economische Zaken verstand hebben van economische zaken en 
waarom moet de Minister van Financiën verstand hebben van fi-
nanciën, maar waarom is het wel degelijk denkbaar, dat een voor 
het jeugdbeleid verantwoordelijk bewindsman een pedagogische 
nul kan zijn? Van die situatie - als mogelijkheid - moeten wij 
zeer nadrukkelijk af. 

Staatssecretaris Grosheide: Al jaren lang zit Nederland met de 
brokken. 

De heer Wiebenga (P.S.P.): Mijnheer de Voorzitter! Dit wat 
betreft het punt van de integratie. Wij zijn nadrukkelijk van me-
ning, dat wij toe moeten naar een beheer van het jeugdbeleid on-
der één noemer van één departement, speciaal belast met deze 
zaken. 

Mijnheer de Voorzitter! Ik wil thans enkele opmerkingen ma-
ken over de regionale indeling en de gedachte van één of meer in-
stellingen voor externe jeugdbescherming. In de eerste plaats wil 
ik een enkele vraag stellen over de besturen van die instellingen. 
Wij zouden graag willen weten, of de huidige Staatssecretaris de 

mening deelt, dat in die besturen zeggenschap moet komen van 
de overheid, de medewerkers, de ouders en van de pupillen. Dit 
zou in belangrijke mate de vaak te autoritaire machtssituatie van 
levensbeschouwelijke of anderszins gemotiveerde organisaties 
moeten doorbreken. 
Wij waren nogal verheugd over de voorstellen van de heer 
Wiersma ten aanzien van die ene regionale instelling, in zoverre, 
dat dit een bijdrage kon leveren tot continuïteit, duidelijkheid en 
tot efficiency. Deze factoren kunnen bepaald niet alleen worden 
gezien als technische gegevens; zij zijn wel degelijk van het 
grootste belang voor een juiste bejegening van de jeugdigen. De 
mogelijkheid bij voorbeeld dat dezelfde instantie zich zal bezig-
houden met voorlopige en definitieve uitvoering van maatrege-
len, is van de allergrootste betekenis. 
Mijnheer de Voorzitter! Wanneer wij echter naar zulke regio-
nale instellingen toe zouden gaan, dan houdt zulks wel in, dat er 
een geweldig stuk machtsconcentratie plaatsvindt. Hierbij rijst 
voor ons altijd onmiddellijk de vraag, of die macht niet moet 
worden gecontroleerd. Macht vraagt immers om controle. De 
beantwoording van de vraag inzake de controle vind ik in de no-
ta-Wiersma eigenlijk nauwelijks terug. Die controle zou wel de-
gelijk intensief aanwezig moeten zijn. Er zal ook nadrukkelijk 
een beroepsmogelijkheid moeten worden gecreëerd ten aanzien 
van beslissingen. In dit verband wil ik.toch wel opmerken, dat 
wij moeten erkennen, dat de jeugdrechter feitelijk in belangrijke 
mate - niet theoretisch, maar praktisch - lijdelijk optreedt. Hij 
werkt met adviezen van de Raden voor de Kinderbescherming 
en hij heeft nauwelijks een eigen apparaat om zich daarin een ei-
gen inzicht te kunnen verwerven. Dat betekent, dat de rechter 
beleidsbeslissingen neemt, die nogal discutabel kunnen zijn. Er 
ligt naar onze mening zelfs een stukje aantasting in van de onaf-
hankelijkheid van de rechter. De democratische controle op be-
leidsbeslissingen wordt hierdoor toch wel in belangrijke mate 
aangetast. Vandaar, dat wij pleiten voor een beroepsmo-
gelijkheid bij een zelfstandig geëquipeerd orgaan. Zowel ten aan-
zien van beslissingen van de Raad voor de Kinderbescherming 
als ten aanzien van beslissingen van de instellingen moet een be-
roepsmogelijkheid worden geopend. 

Mijnheer de Voorzitter! De indeling, die in de nota-Wiersma 
wordt aangehouden, namelijk naar arrondissementen, lijkt ons 
wel erg juridisch gedacht. Is het niet een juister criterium, zo zou 
ik willen vragen, om te zoeken naar een redelijke taak voor zo'n 
instelling, naar omvang genomen. Men zou in dit verband de 
term ,,case-load" kunnen gebruiken. Die taak zou moeten wor-
den opgebouwd op statistisch materiaal. Tussen haakjes wil ik 
wel opmerken, dat het een van de bedroevende werkelijkheden 
is, dat wij op vele gebieden van de jeugdbescherming veel te wei-
nig feitelijk statistisch materiaal beschikbaar hebben. Dat zou 
een taak op zich zelf kunnen worden. Als wij het criterium van 
een redelijke taak zouden kiezen, dan zouden wij aan een logisch 
criterium werken. Wij moeten ons niet binden aan een indeling 
naar arrondissementen. 

Vervolgens een opmerking over de mentorconstructie, ver-
meld in de nota. De gedachtengang ter zake wordt door ons be-
paald gesteund, zeker waar het gaat om de stelling, dat de men-
tor niet aan de inrichting moet zijn verbonden om zijn onafhan-
kelijkheid te garanderen. 

Wij voegen hieraan nog de vraag toe, of het niet min of meer 
vergelijkbaar zou kunnen worden gesteld, in deze zin, dat ook de 
instelling niet het instituut moet zijn, waaraan deze mentor zou 
moeten zijn verbonden. Immers, wij kunnen stellen, dat de fou-
ten van de inrichting in zekere zin zijn toe te rekenen aan de in-
stelling. Een volstrekte onafhankelijkheid geniet naar ons oor-
deel de voorkeur. 

Voorts nog wat commentaar op de stellingname. dat de instel-
ling ook moet helpen waar geen maatregelen van kracht zijn. Wij 
zijn het daarmee uiteraard eens, mijnheer de Voorzitter, maar in 
dit verband wordt in de nota de waarschuwing gegeven, niet te 
veel vrije gevallen te entameren, omdat daarbij de onvrije in de 
knel zouden raken. Een argument hiervoor is, dat onvrije geval-
len natuurlijk vaak een geringere kans op succes bieden. Wij 
moeten echter op dit terrein niet denken in termen van óf of. 

Zitting 1971-1972 

TWEEDE KAMER 




Q 14 1ste vergadering - 19 juni 1972 

Vaste Commissie voor Justitie 

maar in termen van èn èn. De nazorg moet nadrukkelijk niet wor-
den geremd, maar verder worden uitgebouwd. 

Met betrekking tot de interne jeugdbescherming kan voorop 
worden gesteld, dat in de nota eindelijk een poging wordt gedaan 
- ik meen, dat de nota door verschillende groepen wat al te kri-
tisch wordt besproken - om te geraken tot een centraal overzicht 
in plaats van een voortgezette gedecentraliseerde chaos. 

Ik kan mij wat dit betreft in belangrijke mate aansluiten bij het 
commentaar van mejuffrouw Goudsmit naar aanleiding van de 
verhouding tussen de standpunten van de nota en die van ,,De 
langste dag". Naar mijn oordeel is echter de tegenstelling tussen 
deze twee denkpatronen door haar - en misschien ook door „De 
langste dag" - wat absoluter geschetst dan in werkelijkheid het 
geval is. Er is meer overeenstemming in gerichtheid en aanpak 
dan uit de woordkeuze van mejuffrouw Goudsmit is gebleken. 

Als wij tot de regionalisatie naar gerechtshoven-gebieden ko-
men, biedt dit goede mogelijkheden, die ik niet nu behoef te noe-
men. Als de Staatssecretaris in dit verband aan grensovergangen 
denkt - ik heb daartegen geen bezwaar; ik erken de noodzaak er-
van - is hij dan van mening, dat het mogelijk zal zijn om iedere 
institutionalisering of ghetto-vorming van bepaalde inrichtingen 
tot paria-tehuizen te vermijden'? Wij moeten de betekenis van 
stigmatisering als inrichtingskind niet miskennen; de Staatsse-
cretaris doet dit ook niet, maar onderschat die betekenis naar mijn 
mening wel. Als het begrip „landelijk specialisme" zou kunnen 
inhouden, dat bepaalde instituten worden beschouwd als plaat-
sen waar men de kinderen brengt, die helemaal nergens anders 
meer zijn onder te brengen, dan zou ik dit heel gevaarlijk vinden. 

Met verbazing en ergernis heb ik de passage gelezen, dat het 
voor ongehuwde moeders wenselijk zou zijn, hen ver van het ei-
gen milieu onder te brengen. Ik hoop dat de huidige Staatssecre-
taris met mij van mening is, dat dit een denkpatroon is, dat meer 
thuishoort in een voltooid verleden. 

Zeer verbaasd ben ik over het feit, dat de Staatssecretaris de 
gedachte van het plaatsingsteam in feite geheel overboord zet. 
Zijn argumentatie hiervoor is nauwelijks uit de verf gekomen en 
misschien kan hij in dezen een verdere toelichting geven. In de 
nota-Wiersma zijn bepaald wel argumenten aangeboden om tot 
een dergelijk team te komen. Ik wil niet zeggen, dat het plaat-
singsteam het laatste woord van waarheid is, maar ik wijs er wel 
op, dat dit was gekoppeld aan het vereiste van het bereiken van 
een opnameplicht. Het elimineren van de opnameplicht houdt 
naar mijn mening een voortzetting in van het bestaan van een 
aantal foutieve situaties. Ik behoef dit niet nader toe te lichten. 
Wij moeten daar juist nodig van af. 

Mijnheer de Voorzitter! Ik zal een aantal andere zaken in het 
kort aanduiden. 

Wat de observatie betreft, heb ik de indruk gekregen, dat men 
de klinische observatie toch nog te zeer als een niet zo erg 
af wijsbare mogelijkheid ziet. Gaarne verneem ik de mening van 
de Staatssecretaris hierover. Klinische observatie moet naar 
mijn mening niet plaatsvinden, anders dan in gevallen van extre-
me noodzakelijkheid. 

Met betrekking tot het preventieve beleid sluit ik mij aan bij de 
gedachte, dat een eerste benadering van de jeugdbeschermings-
problematiek in de wijk moet plaatsvinden. Ik onderstreep na-
drukkelijk de gedachte van de sociale supermarkten. Ik zie al-
leen niet in, dat die gedachte niet in te bouwen zou zijn - dit is 
een deel van mijn kritiek op mejuffrouw Goudsmit - in de ge-
dachtengangen van de nota-Wiersma. Waarom zouden die twee 
denkpatronen niet een goede koppeling kunnen opleveren? Dat 
er daarnaast in de vorm van het stimuleren van dagverblijven, 
kindercrèches, huiswerkinstituten, enz. mogelijkheden zijn om 
veel preventief werk te doen, staat voor mij vast. Overweegt de 
huidige Staatssecretaris nog, over te gaan tot het tot uitvoering 
brengen van het plan-Hoefnagels, waarmede wij met name de 
continuïteit in de behandeling op korte termijn aanmerkelijk zou-
den kunnen verbeteren'? 

Met het oog op de tijd wil ik de rest van mijn betoog achterwe-
ge laten. Dat komt wel in de nota, die wij in september hopen te 
publiceren. 
De heer Jongeling (G.P. V.): Mijnheer de Voorzitter! Over drie 
punten wil ik in het kort iets zeggen: in de eerste plaats over de 
integratie van de jeugdwelzijnszorg, in de tweede plaats over de 
positie van de confessionele instellingen van kinderbescherming 
en ten derde over de adoptievoorbereiding. 
Wat betreft punt 1, de integratie, betreur ik het dat de Staats-
secretaris nogal afwijzend staat tegenover de gedachte, de 
vrijwillige en de justitiële hulpverlening aan jeugd-in-moeilijkhe-
den in één hand te brengen. Twee argumenten staan hier tegen-
over elkaar. De continuïteit in de hulpverlening doet pleiten voor 
integratie. De dan ontstane dubbelrol van de maatschappelijke 
werker geldt als argument daartegen. De bewindsman laat, dunkt 
mij, het laatste de doorslag geven. 

Nu ontken ik niet dat de dubbelrol in sommige gevallen 
moeilijkheden kan opleveren. In vele andere situaties zal zij, 
mits er een open en eerlijke vertrouwensrelatie is opgebouwd, in 
volkomen harmonie worden gerealiseerd. Het streven zal er dan 
op gericht moeten zijn, dat de hulpverlener en de cliënt in onder-
ling overleg tot de conclusie komen, dat het wenselijk is, de vrije 
relatie om te zetten in een maatregel van kinderbescherming. 
Vanuit een instelling waar de integratie al gerealiseerd is, is mij 
meegedeeld dat dit in de overgrote meerderheid van de gevallen 
mogelijk blijkt. Het volle gewicht komt dan te liggen op het voor-
deel van de continuïteit in de hulpverlening. 

De discontinuïteit heeft, afgezien van het nadeel van het ver-
breken en opnieuw moeten opbouwen van de vertrouwensrela-
tie, ook de schaduwzijde dat de vrije hulpverlening zich kan ont-
wikkelen tot een, die dikwijls negatief tegenover overheids-
ingrijpen staat. Ik denk hier bij voorbeeld aan organisaties als 
Release. Dit bevordert bij de betrokkene niet het begrip voor een 
maatregel als die noodzakelijk wordt en bemoeilijkt daardoor het 
opbouwen van het nieuwe vertrouwen. 

Ook in het belang van de justitiële kinderbescherming pleit ik 
ervoor, dat de bewindsman zich toch wat positiever zal opstellen 
tegenover de integratiegedachte. 

Vervolgens wil ik enkele opmerkingen maken over de positie 
van de confessionele instellingen. Ik ben er verheugd over, dat 
de Staatssecretaris de discussienota van zijn voorganger Wier-
sma op het punt van de schaalvergroting van de instellingen in zo-
verre heeft gecorrigeerd, dat hij voor instellingen die zich richten 
op de begeleiding van minderjarigen van een klein kerkgenoot-
schap een uitzondering op de regel open laat. Dat verheugt mij. 

Op grond van de doop staat voor mij vast dat in deze zaken, in-
dien het gezin faalt, de kerkelijke gemeenschap voorrang be-
hoort te hebben boven de Staat. Dat leek door de plannen tot 
schaalvergroting in het gedrang te zullen komen. Juist voor de 
hierbovenbedoelde instellingen kan de integratie van vrijwillige 
en onvrijwillige hulpverlening een mogelijkheid zijn voor een 
verantwoorde schaalvergroting, maar dan functioneel. In dit ver-
band wil ik er de aandacht van de bewindsman voor vragen, dat 
de rechterlijke instanties er bij het verwijzen van kinderen naar 
voogdij-instellingen niet altijd voldoende rekening mee houden, 
dat er een voogdij-instelling bestaat voor de confessionele kring 
waaruit deze kinderen voortkomen. Naar mij ter ore kwam, be-
staat deze klacht in vrijgemaakt gereformeerde, christelijk gere-
formeerde en Leger des Heilskring. Ik veronderstel dat de 
verwijzende instantie in zulke gevallen de wenselijkheid van 
technisch gespecialiseerde behandeling zwaarder laat wegen dan 
het confessionele milieu. Ik acht dat een omkering van de priori-
teiten. Ik vraag de bewindsman, of hij hieraan iets kan doen. 

Ten slotte wil ik nog een paar opmerkingen over de adoptie-
voorbereiding maken. Ik ben niet gelukkig met de plannen om de 
adoptievoorbereiding te concentreren bij de raden voor de kin-
derbescherming. Ik meen niet dat de bestaande praktijk reden tot 
klachten geeft. De voogdij-instelling die rapporteert, heeft veelal 
reeds lang contact met het kind. Dat is een pluspunt. Een amb-
telijk college als de Raad voor de Kinderbescherming zal veel on-
persoonlijker aandoen. Ik wil er dan ook op aandringen, hier 
geen taken aan het particulier initiatief te ontnemen. 

Mejuffrouw Van Leeuwen (A.R.P.): Mijnheer de Voorzitter! 

Zitting 1971-1972 

TWEEDE KAMER 




Vaste Commissie voor Justitie 

lste vergadering - 19 juni 1972 D 15 

Gezien het reeds gevorderde uur, zal ik proberen, mij zoveel mo-
gelijk te bekorten. Wanneer men als laatste spreker het woord 
voert, heeft men het voordeel dat al een aantal vorige sprekers 
even waardevolle opmerkingen hebben gemaakt, als men zelf 
zou hebben kunnen maken. Wat mijzelf betreft, hoop ik dat ten-
minste. Daarom zal ik trachten zo kort mogelijk te zijn. 

Het is wel duidelijk dat wij leven in een tijd van bijzonder snel-
Ie veranderingen. Het blijkt ook met name uit het feit dat de re-
acties op de nota-Wiersma op dit moment wel heel wat verschil-
len van die van een jaar geleden. Geen wonder, er is een stroom-
versnelling in aller denken en handelen gekomen, en dat juichen 
ook wij toe. Het moet echter wel gezegd dat toen - ruim een jaar 
geleden - het accent bij de beoordeling van de nota-Wiersma 
vooral lag op de moed en voortvarendheid, waarmede de voor-
ganger van deze Staatssecretaris, prof. Wiersma, een aantal hei-
lige koeien op het terrein van de kinderbescherming bij de horens 
had gepakt. De primaire verdienste van de nota is dat er een sti-
mulans van de overheid uitging voor de allerwegen als noodza-
kelijk ervaren sanering van de structuur van de kinderbescher-
ming. Prof. Hoefnagels kwam dan ook op 17 april 1971 aan het 
einde van zijn artikel in ,.De Volkskrant" tot deze conclusie: ,,De 
nota is een gelukkig teken van veranderingen". 

Ik wil mij graag aansluiten bij deze lof en waardering aan het 
adres van de voorganger van deze Staatssecretaris. Natuurlijk, 
er is sedertdien veel kritiek gekomen, maar daarom was ook ge-
vraagd. Kritiek met name hierop, dat in de nota onbeantwoord is 
gebleven, zowel principieel als praktisch, de vraag: Waar moet 
het nu met de totale kinderbescherming naar toe? Men is immers 
met een boog heengegaan om de zo noodzakelijke integratie van 
het terrein van de kinderbescherming met de algemene 
welzijnszorg - ik wil dan voorlopig nog wel zeggen: jeugd-
welzijnszorg; als wij dat alvast maar bereikt hadden! Bij de kin-
derbescherming - verder jeugdbescherming te noemen - zal 
moeten worden uitgegaan van de gemanifesteerde behoefte aan 
hulp in het veld, behoefte aan die hulp die op het ogenblik reeds 
op het brede terrein van de jeugdwelzijnszorg op velerlei wijze 
wordt gehonoreerd. Mejuffrouw Cornelissen heeft daarvan een 
vrijwel uitputtende opsomming gegeven, waarbij ik mij graag 
aansluit. Ik meen, dat wij in die geest zouden moeten werken 
naar een integratie op dit totale terrein. Toch wil ik erop wijzen -
ik wil nu zelf ook enige kritische opmerkingen maken -, dat wij 
de kritiek in de juiste context moeten plaatsen. Ik wil nogmaals 
prof. Hoefnagels citeren, toen hij stelde: 

„Deze nota verdient kritiek; verdient, want het is ver-
dienstelijk. als een Staatssecretaris, die met kennis van erf-
recht de onverdeelde boedel van 65 jaar justitiële kinderbe-
scherming op zijn excellente vloermat krijgt uitgestort, na 
een jaar bewind reeds een aanzet tot veranderingen op tafel 
legt, waarin de Nationale Federatie in 20 jaar niet is ge-
slaagd.". 

Deze laatste opmerking laat ik voor zijn rekening. Ik wil alleen 
maar constateren, dat dit op het moment, dat de nota werd gepu-
bliceerd metterdaad zo was, maar dat sedertdien het gehele veld 
in beweging is gekomen, en dat niet alleen uit de kringen van de 
Nationale Federatie, maar ook door de afzonderlijke instellingen 
een veelheid van voorstellen en modellen op tafel zijn gelegd, die 
alleszins het overwegen waard zijn. 

Alleen meen ik, dat wij in onze kritiek op de voor ons liggende 
nota en de brief van de huidige Staatssecretaris in zoverre be-
scheiden moeten zijn, dat ik nog niet wil stellen, dat ik zo gemak -
kelijk uit alle voor ons liggende modellen wel tot de oplossing 
voor geïntegreerd jeugdwelzijnsbeleid kan komen. 

In dit verband sluit ik mij aan bij hetgeen mevrouw Haas heeft 
gezegd. Zij heeft nadrukkelijk onderlijnd, dat er altijd een aantal 
gevallen van jeugdigen terecht zal komen bij of in aanraking zal 
moeten komen met het justitiële element van de jeugd-

welzijnsz.org

. Dat betekent ook de noodzaak om daarmede reke-
ning te houden bij hetgeen men aan organisatorische en be-
stuurlijke modellen op tafel legt. In dit verband meen ik, dat het 
misschien goed is, dat wij ook proberen een einde te maken aan 

enige spraakverwarring, want nog betrekkelijk veel wordt uit de 
nota-Wiersma en ook uit de brief van Staatssecretaris Grosheide 
afgeleid, dat er verschil van visie is met betrekking tot de margi-
nale positie van jeugdbescherming in het totaal van de jeugd-
welzijnszorg. Ik wil vragen, of de Staatssecretaris in dit verband 
zou kunnen ingaan op de zinsnede uit het rapport van de werk-
groep ,,De langste dag", namelijkdeze: 
„Niet de jeugdbescherming dient marginaal te zijn ten op-
zichte van de welzijnszorg, maar het justitiële element dient 
marginaal te zijn in de jeugdwelzijnszorg.". 
Ik heb het gevoel, dat hier de standpunten veel dichter bij el-
kaar liggen dan uit dit spel met woorden zou kunnen worden af-
geleid. Vanuit deze benadering zal ik ook mijn verwachtingspa-
troon voor de discussie van vandaag duidelijk stellen. Ik ver-
wacht in dit debat niet, dat de Staatssecretaris van Justitie nu een 
blauwdruk op tafel legt van deze structuur op de door ons be-
pleite wijze. 

Terecht wijst de Staatssecretaris in zijn brief erop, dat er nogal 
wat onderscheid in de reacties ook vanuit het veld, te constate-
ren valt. Hij schetst de vier grote lijnen, waarop ik kortheidshal-
ve nu maar niet inga. De kritieken worden ook niet alle gecon-
cretiseerd en ik weet ook niet, of zij altijd vanuit het veld geho-
noreerd zouden kunnen en mogen worden. Ik denk als voorbeeld 
bij die totale integratie - vanuit de code voor het maatschappelijk 
werk - met name aan de positie van de maatschappelijk werker, 
wanneer op een gegeven moment een onvrijwillige maatregel 
moet worden ingebouwd in de te nemen hulpverleningsmaatre-
gelen. De bedoeling van het debat van vandaag is voor mij, dat 
duidelijk wordt dat de Staatssecretaris bereid is - en dat van har-
te - mee te werken aan een doorbreken van de huidige kaders in 
de door ons gewenste fundamentele zin, namelijk dat er op den 
duur sprake zal kunnen zijn van een geïntegreerd jeugd-
welzijnszorgbeleid, zonder daarbij de juridische waarborgen 
voor het individu en voor het gezin te verwaarlozen. 

In dit kader wil ik nu een paar concrete toezeggingen vragen. 
Ik heb namelijk begrepen, dat de Staatssecretaris wel openstaat 
voor het aanpakken van deze fundamentele problematiek, maar 
dat hij die aan de orde wil stellen in de interdepartementale 
stuurgroep. Ik deel de visie van de federatie, dat dan deze stuur-
groep een duidelijk omlijnde taak zal moeten hebben en ook ge-
bonden zal moeten worden aan een bepaalde tijdsduur, kortom, 
dat wij binnen één of anderhalf jaar weten, waaraan wij toe zijn 
met de voorstellen, die binnen de stuurgroep worden uitgewerkt. 

Het idee van een staatscommissie wijs ik van de hand. Naar 
mijn overtuiging - het spijt mij; ik verschil daarin van mening 
met mijn K. V.P.- en C.H.U.-vrienden - zou dit alleen maar meer 
tijd vergen en zeker geen soelaas bieden voor een snelle en doel-
matige herstructurering. Ik meen namelijk, dat men, wanneer 
men een totale visie heeft - en anders dan de Nationale Federatie 
wil ik daarbij niet pragmatisch, maar fundamenteel te werk gaan 
- wel stap voor stap de noodzakelijke maatregelen kan gaan uit-
voeren. 

Mijnheer de Voorzitter! Het is wel duidelijk, dat alles wat ik 
nu ga zeggen over de nota-Wiersma door mij wordt gezien als het 
aangeven van een aantal wensen die passen in het kader van een 
overgangsbeleid. Bij een overgangsbeleid past, dat men nergens 
de structuren zo maakt, dat er nadien, wanneer wij met elkaar de 
fundamentele aanpak bespreken, niet gemakkelijk meer wijzigin-
gen kunnen worden aangebracht. In dat opzicht deel ik weer vol-
ledig de door mejuffrouw Cornelissen naar voren gebrachte vi-
sie. 

Ik zal in dit verband op een aantal punten ingaan. Het is mij 
wel opgevallen, dat in het eerste hoofdstuk van de nota-Wiersma 
zonder nadere argumentatie een aantal kernproblemen in de or-
ganisatie van de justitiële kinderbescherming wordt weergege-
ven. Ik meen dat de nota ontegenzeggelijk aan kracht zou heb-
ben gewonnen, kracht om ook bepaalde maatregelen in de over-
gangsfase door te zetten, wanneer deze kernproblemen niet al-
leen waren beschreven, maar met feiten hard waren gemaakt. Ik 
vind dat dit onvoldoende is gebeurd. Ook anderen hebben al ge-

Zitting 1971-1972 

TWEEDE KAMER 




D 16 lste vergadering - 19 juni 1972 

Vaste Commissie voor Justitie 

zegd, dat dit had moeten gebeuren. Ik wil het op één punt even 
adstrueren. 

Dat de hulpverlening in moeilijke gevallen onvoldoende van de 
grond komt, hangt samen met de weigering om dit soort gevallen 
op te nemen. Men moet dan echter wel bedenken, waaruit een 
dergelijke weigering voortkomt. Houdt die niet verband met het 
op dat moment niet beschikken over voldoende gekwalificeerd 
personeel en is het dan ook niet terecht dat een dergelijke weige-
ring plaatsvindt? Zo zou ik op meer van dergelijke punten kun-
nen ingaan, maar anderen hebben dat al vóór mij gedaan. 

Wel wil ik van mijn kant nog op een ander aspect wijzen. Ik 
meen dat in de nota-Wiersma ontbreekt een aanduiding - als 
kernprobleem - van de gehele financieringsproblematiek, die na-
tuurlijk een aantal van de andere problemen sterk mede heeft be-
paald. Misschien krijgen wij in dat opzicht straks nog wat dui-
delijkheid met betrekking tot de vraag, hoe op korte termijn de 
koers voor de toekomst zal worden gewijzigd. Ik denk onder an-
dere aan de toch noodzakelijke herziening van de subsidierege-
ling voor de inrichtingen. Komt die er nu op zeer korte termijn, 
zodat zij per 1 januari 1973 in werking kan treden, of komt die er 
niet? 

Dan kom ik nog even terug op de uitgangspunten voor de voor-
gestelde organisatorische wijzigingen. De heer Jongeling heeft 
een aantal kanttekeningen geplaatst bij de schaalvergroting en 
heeft zijn waardering erover uitgesproken, dat het mogelijk zal 
zijn, doordat Staatssecretaris Grosheide de visie van zijn voor-
ganger wat heeft gecorrigeerd, dat een klein kerkgenootschap 
ook in de toekomst toch zinvol zou kunnen fungeren. Dit viel mij 
wat tegen van de heer Jongeling. Ik neem aan, dat hij het niet zo 
bedoeld heeft. Ik denk dat hij mèt mij het kunnen honoreren, ook 
op dit terrein, van de levensbeschouwing zo waardevol en zoei-
gen aan onze geestelijke vrijheid vindt, dat hij het niet alleen 
voor een klein kerkgenootschap zou willen zien gereserveerd. 
Hij maakte enigszins die indruk. 

De heer Jongeling (G.V.P.): De grotere kerkgenootschappen 
hebben vanzelf al wel kansen. 

Mejuffrouw Van Leeuwen (A.R.P.): Neen, ik dacht nu juist, 
dat dit wat te weinig naar voren kwam. Men zou kunnen zeggen, 
dat de Staatssecretaris met deze toezegging een opening heeft 
gegeven. Die opening is mij echter nog iets te beperkt. Voor mij 
is het noodzakelijk dat de overheid inderdaad eisen stelt met be-
trekking tot de doelmatigheid. Dit mag voor elke instelling die 
gesubsidieerd wordt. De wijze evenwel, waarop instellingen tot 
schaalvergroting willen komen, vind ik vóór alles een keuze van 
die instellingen zelf. Daarbij vind ik het belangrijk - mejuffrouw 
Cornelissen heeft er ook al op gewezen - dat meer wordt uitge-
gaan van de verschillende mogelijkheden zoals die welke blijken 
uit de bekende circulaire van 26 april 1971, waarbij aan alle mo-
gelijke vormen van schaalvergroting wordt gedacht, zoals deze 
ook op het terrein van bij voorbeeld het maatschappelijk werk 
worden gerealiseerd. Deze zienswijze zou ik ook op dit gebied 
graag willen zien gehanteerd. 

Overigens zou ik er nog wel eens op willen wijzen dat wij in 
deze tijd bijzonder voorzichtig moeten zijn met al te gemakkelijk 
via de overheid schaalvergrotingspatronen op te leggen of te sti-
muleren. Dit zou wel eens kunnen inhouden dat in de achterban 
de financiële verantwoordelijkheid niet meer op die wijze wordt 
genomen, zoals wij deze in deze periode zo nadrukkelijk moeten 
afwegen van onze financiële mogelijkheden, wel zeer hard nodig 
zouden kunnen blijken te hebben. 

Over de voorgestelde regionalisatie wil ik slechts opmerken 
dat de Staatssecretaris in antwoord op de nota-Wiersma en op 
datgene wat uit het veld is aangedragen constateert, dat een 
strakke, geografisch bepaalde structuur geen aanbeveling ver-
dient. Ik neem aan, dat hij hiermee voor de externe kinderbe-
scherming de arrondissementen en voor de interne kinderbe-
scherming de gerechtshoven van de hand wijst. Ik zou het ook 
onjuist hebben gevonden als dat zou worden doorgezet. Het is 
mij veel te weinig flexibel. Juist gezien uit de invalshoek van een 
geïntegreerde jeugdwelzijnszorg zou ik willen vragen, of de 

Staatssecretaris hierbij nu eerder denkt aan aanpassing van de 
regionalisatie aan datgene wat wij op de andere terreinen van de 
jeugdwelzijnszorg al zien. Ik denk aan de geestelijke volksge-
zondheid, het maatschappelijk werk enz.; met het model dat mij 
voor ogen staat, wordt het dan wat gemakkelijker. 

Verder heb ik in het antwoord van de Staatssecretaris gemist 
de noodzakelijke aanvulling op schaalvergroting; wanneer men 
spreekt over schaalvergroting, moet men op andere wijze komen 
tot schaalverkleining. Het moet mij van het hart, dat een aantal 
ideeën hierover van de werkgroep ,,De langste dag" mij bijzon-
der aanspreken. Ik denk bij voorbeeld aan een opzet te werken 
vanuit het eerste echelon naar de andere echelons toe. Dit bete-
kent echter dat men schaalvergroting gepaard moet doen gaan 
met een stuk schaalverkleining. 
Mijnheer de Voorzitter! Ik zie dat mijn betoog wat uitloopt. De 
enkele minuten die mij nog resten van de door mij opgegeven tijd 
zal ik gebruiken om nog enkele hoofdzaken te behandelen. Ik 
hoop dat ik bij de replieken nog wat meer gelegenheid heb om op 
onderdelen in te gaan. 
Dan wil ik nog even ingaan op de taken van de Raden voor de 
Jeugdbescherming. Het zou mij een lief ding waard zijn, als de 
Staatssecretaris wil ingaan op de allerwegen gehoorde kritiek op 
de uitoefening van de diverse functies door de huidige leden op 
dit moment. Aan de hand van de mij ten dienste staande gege-
vens zou ik mijnerzijds vooralsnog willen zeggen dat ook ik er 
niet voor ben, dat de Raad voor de Jeugdbescherming als 
,,intake"-orgaan gaat functioneren. 

Uiteraard wil ik ook nog iets zeggen over het zo belangrijke 
vraagstuk van de adoptie. Ik wil hierover kort zijn, want ik heb 
er nog geen definitief standpunt over. Ik meen, dat wij ervan 
moeten uitgaan - ik sluit mij te dezen weer aan bij mevrouw 
Haas - dat er een goede adoptievoorbereiding moet zijn. Een 
goede adoptievoorbereiding hangt echter nauw samen met de 
aanwezigheid van de hiervoor gekwalificeerde krachten. Naar 
mijn mening heeft de Staatssecretaris een paar bijzonder sterke 
argumenten aangedragen om de adoptievoorbereiding te leggen 
bij de Raden van de Jeugdbescherming. De situatie is eigenlijk al 
zo; wij moeten de zaak ook niet overdrijven, want op het ogen-
blik is de verhouding 13:6. . . Braden. . . 

Staatssecretaris Grosheide: Er zijn 15 raden. 

Mejuffrouw Van Leeuwen (A.R.P.): Dit is meer dan ik dacht. 
Op het ogenblik wordt dus niet overal de adoptievoorbereiding 
door de particuliere instellingen verzorgd. 

Mejuffrouw Goudsmit (D'66): De getallen zijn heel anders dan 
de verhouding van de raden. In grote arrondissementen is het 
vooral heel anders. 

Mejuffrouw Van Leeuwen (A.R.P.): Ik wilde nu juist zeggen, 
dat men dit uiteraard ook moet relateren aan het aantal gevallen. 
De Staatssecretaris heeft zoals gezegd, enkele sterke argumen-
ten voor verwijzing naar de raden. Aan de andere kant vind ik, 
dat de hulpverlening en de adoptievoorbereiding als zodanig een 
taak vormen die zich moeilijk laat verdragen met de beeldvor-
ming, welke er op het ogenblik bestaat ten aanzien van de taak 
van de raden voor de kinderbescherming. Ik zeg niet, dat dit niet 
anders kan worden, maar ik zou graag nog eens alle argumenten 
voor en tegen op een rijtje gezet willen zien, waarbij ik als mijn 
voorlopige mening geef, dat ik voel voor het standpunt van de 
centrale adoptieraad. 

Dan wil ik op dit moment niet uitvoerig ingaan op het door de 
werkgroep Planmatige Sanering Tehuizenbestand voorgestelde 
plan tot sluiting van een aantal inrichtingen. Ik zou aileen nog 
eens zeer nauwkeurig willen weten, hoe in de voorbereiding van 
deze sanering de positie is geweest van de samenwerkende vak-
bonden van overheidspersoneel. Naar mijn stellige overtuiging-
het gaat naast de geplaatste jeugdigen om vele werkers op dit ter-
rein, die vertegenwoordigd worden door hun vakorganisaties -
heeft het personeel te weinig kunnen meespreken. Ik kan mij 
echter vergissen. 

Zitting 1971-1972 

TWEEDE KAMER 




Vaste Commissie voor Justitie 

lste vergadering - 19juni 1972 Q 17 

De Voorzitter: Ik geef de leden van de commissie in overwe-
ging - ik heb hierover overleg gepleegd met de Staatssecretaris -
bij de eventuele replieken te trachten, bepaalde onderwerpen te-
gelijk te behandelen. Het lijkt mij mogelijk, de zaken onder te 
brengen in zes of zeven onderwerpen. Dit zou de doelmatigheid 
ten goede kunnen komen. De Staatssecretaris heeft mij gezegd, 
dat hij zal proberen, in zijn antwoord zo systematisch te werk te 
gaan dat dit gemakkelijk mogelijk is. 

De vergadering wordt te 13.40 uur geschorst en te 14.30 uur 
hervat. 

Staatssecretaris Grosheide: Mijnheer de Voorzitter! Met een 
zekere argeloosheid heb ik mij vanmorgen gaarne bereid ver-
klaard mij te onderwerpen aan de orde, die deze commissie voor 
haar vergadering zou vaststellen. Ik heb in de middagpauze wel 
geweten wat dat voor consequenties met zich bracht. Ik wil 
graag mijn best doen in een zo kort mogelijk tijdsbestek zo goed 
mogelijk in te gaan op alle opmerkingen, die vanmorgen zijn ge-
maakt. Ik moet er wel direct aan toevoegen, dat, aangezien door 
vele geachte afgevaardigden zulke belangwekkende beschou-
wingen zijn gehouden en vaak ook van zulk een vérgaande im-
portantie. het niet zo gemakkelijk is om in een korte spanne tijds 
daarop een even adequaat antwoord te geven. 

Ik geloof, dat het goed is mijn beschouwingen te beginnen met 
mij aan te sluiten bij de naar ik meen door bijna alle sprekers 
geuite waardering aan het adres van de heer Wiersma voor het 
uitbrengen van de nota. Er is terecht aan herinnerd, dat een jaar 
geleden, toen de nota net was verschenen, door velen in het land 
werd gezegd, dat dit een gedurfd stuk was, waarin vele heilige 
koeien bij de horens werden gevat. De meningen veranderen 
kennelijk snel, want nu zijn er van tal van zijden kritische gelui-
den te beluisteren. Dat is, dacht ik, ook voor een belangrijk ge-
deelte - dat is vanmorgen ook opgemerkt - een verdienste van de 
nota geweest, dat zij al die discussies heeft losgemaakt. 

De problemen van de kinderbescherming wat betreft de orga-
nisatie ervan en met name de samenhang van de jeugdbescher-
ming met andere terreinen van welzijnszorg, hebben vanmorgen 
nee! veel aandacht gekregen. Zij hebben in het afgelopen jaar -
dat is wel gebleken uit de vele reacties op de nota-Wiersma, ook 
buiten de Kamer - van heel vee! kanten de aandacht gekregen. 
Het is belangrijk, dat de mensen, die het dichtst bij het werk zelf 
staan, ook heel enthousiast en heel diepgaand met de problemen 
zijn bezig geweest. De kinderbeschermers hebben het zich in die 
periode van nadenken over de meest gewenste structuren ook 
niet gemakkelijk gemaakt. Zij hebben hun eigen werk en hun ei-
gen organisatievormen heel kritisch ter discussie gesteld. Ik heb 
soms wel eens de indruk, dat zij daar in die zin voor gestraft wor-
den, dat nu hun eigen discussie over de vraag wat we! en wat niet 
goed is in de kinderbescherming beloond wordt door nogal nega-
tieve uitlatingen over hetgeen de kinderbescherming doet. Dat is 
voor een belangrijk gedeelte losgemaakt door de eigen gedach-
tenwisseling in de kring van de kinderbescherming. 

Of dit een adequate beloning is voor deze inspanning, voor de-
ze gedachtenvorming in eigen kring, kan men zich af en toe wel 
afvragen, te meer omdat het bij de oordeelvorming over de kin-
derbescherming van buitenaf soms wel eens lijkt, of de goede 
justitiële regel - het woord ,.justitieel" is wat belast, heb ik be-
grepen - dat ook de andere partij moet worden gehoord, wel 
eens uit het oog wordt verloren. Dat punt stemt toch wel eens tot 
nadenken. 

Bij het spreken over de jeugdbescherming rijzen tal van mis-
verstanden, die voor een deel samenhangen met terminologische 
verwikkelingen. Er zijn veelgebruikte woorden op het gebied 
van de jeugdbescherming: hulpverlening, justitieel kader, inte-
gratie, om er maar drie te noemen, die ook vanmorgen veelvuldig 
zijn gebruikt, die bijna door iedereen, die ze in de mond neemt, 
een andere betekenis en een andere kleur krijgen. Dat kan er ge-
makkelijk toe leiden, dat mensen denken, dat zij fel tegenover 
elkaar staan, terwijl de gedachten in werkelijkheid niet zo sterk 
uiteenlopen. Ik geloof, dat de heer Wiebenga er terecht op heeft 
gewezen, dat bij voorbeeld de nota-Wiersma en de veldnota van 

de werkgroep ,,De langste dag" in het geheel niet zo ver uit el-
kaar liggen als bij eerste lezing misschien op grond van de ge-
bruikte terminologie zou lijken. Ik heb de indruk dat dit ook 
geldt voor bij voorbeeld het begrip ,,hulpverlening in justitieel 
kader". 

Over enkele zaken zijn bijna allen, die hebben nagedacht over 
de problemen van de jeugdbescherming, het eens: 1. er zijn 
hervormingen nodig; 2. deze hervormingen kunnen niet los 
worden gezien van wat er op andere terreinen van de welzijns-
zorg in het algemeen - misschien moeten wij wat bescheidener 
zijn en voorlopig nog maar spreken van de jeugdwelzijnszorg in 
het algemeen - aan de gang is en zou moeten resp. zou kunnen 
gebeuren. Dit is op zichzelf een belangrijk gegeven als uitgangs-
punt voorde discussie. 

Bij het denken over een nieuwe opzet zijn er twee dingen no-
dig: 1. een vrij grote dosis idealisme betreffende hulpverlening 
aan ouderen en jongeren die hulp behoeven; 2. een vrij grote 
dosis realisme betreffende de werkelijkheid van vandaag en de 
mogelijkheid, die werkelijkheid om te buigen in de opgrond van 
de idealen bepaalde gewenste zin. Dat kost tijd. Wanneer men 
dat over het hoofd ziet, kan idealisme gauw tot illusionisme wor-
den. en dan is er bijzonder weinig voor de jeugdbescherming en 
voor de welzijnszorg in het algemeen gedaan. 
Ik zou nog een algemene opmerking willen maken, mijnheer 
de Voorzitter! Als wij in dit parlementaire kader spreken over de 
kinderbescherming en de relatie daarvan tot de jeugdwelzijns-
zorg in het algemeen, spreken wij over de kaders, de structuren. 
Dat kan ook moeilijk anders. De feitelijke hulpverlening zelf 
onttrekt zich aan de bemoeienis van de overheid en onttrekt zich 
in algemene zin ook aan een beoordeling in dit verband. 
Dit betekent dat wij ons er in de eerste plaats van bewust moe-
ten zijn dat onze discussies, die gaan over structureren en insti-
tutionele opzetten, geen absolute doch een relatieve betekenis 
hebben. Structuren zijn er immers voor de hulpverlening; de 
hulpverlening is er niet voor de structuren. 

In de tweede plaats moeten wij bedenken dat de institutionele 
opzet belangrijk is; zonder structuren verzandt de hulpverlening. 
Ik meen dat de klachten die in de afgelopen jaren in toenemende 
mate over de situatie in de kinderbescherming zijn geuit, een ge-
volg zijn van het feit, dat men zo weinig structuur ziet en een zo 
versnipperde toestand aantreft, dat men niet goed meer weet 
waar de mogelijkheden liggen en waar oplossingen kunnen wor-
den geboden. 

In de derde plaats is het belangrijk, ons te realiseren dat het bij 
het spreken over en het ontwerpen van nieuwe institutionele op-
zetten van hulpverlening altijd van belang is, dat waarborgen 
worden ingebouwd, opdat enerzijds de hulpverlening voor ieder-
een bereikbaar is en anderzijds de geboden hulpverlening onder 
een zekere controle staat in die zin. dat niet iedereen zich op 
grond van het enkele feit dat hij zich hulpverlener noemt alles 
kan veroorloven wat naar zijn mening nodig en nuttig is. 

Mijnheer de Voorzitter! Hiermede ben ik aangeland bij de be-
spreking van een eerste heel belangrijk punt dat in de discussie 
van vanmorgen van bijna alle zijden de aandacht heeft gekregen, 
namelijk de diagnose van de problemen in de huidige structuren 
in de kinderbescherming aan de ene kant en de nodige integratie 
van de justiële jeugdbescherming in de jeugdwelzijnszorg in het 
algemeen aan de andere kant. 

De diagnose van de problemen zoals die in de nota-Wiersma is 
gesteld, is op zich zelf eigenlijk niet aangevochten. Door mejuf-
frouw Van Leeuwen is gezegd, dat al te gemakkelijk over de fi-
nanciële problemen is heengegleden. De financiën zijn inderdaad 
een probleem op zich zelf. Die problemen raken echter niet zo-
zeer - daarom konden zij mijns inziens in de nota ook buiten be-
schouwing blijven - de institutionele opzet als wel de vraag of. 
gegeven de institutionele opzet die wij hebben gekozen, hei 
voorzieningenpeil voldoende is dan wel moet worden verbeterd. 

De diagnose van de kernproblemen is niet zozeer aangevoch-
ten maar er is wel gezegd - mejuffrouw Goudsmit heeft dat het 
pregnantst gedaan door de nota-Wiersma en de veldnota van de 
werkgroep ..De langste dag" tegenover elkaar te stellen - dat er 
weinig visie op de hulpverlening als zodanig is ontwikkeld. Men 

Zitting 1971-1972 

TWEEDE KAMER 




[) 18 lste vergadering - 19 juni 1972 

Vaste Commissie voor Justitie 

heeft gezegd, dat is gedacht vanuit de organisatorische opzet en 
niet vanuit de hulpbehoevende mens. 

Ten aanzien van een visie op de hulpverlening als zodanig 
moet de overheid mijns inziens uitermate grote voorzichtigheid 
in acht nemen. Ik vind het een beetje ongelukkig dat er juist op 
dit punt kritiek is geoefend. Mijns inziens is in de nota terecht 
niet diep ingegaan op de hulpverlening als zodanig en de metho-
dieken die daarbij wel en niet goed zijn. Dat is bij uitstek een 
zaak waarop in eerste instantie door de mensen die de hulp moe-
ten verlenen een visie moet worden gegeven. Dat is niet bij uit-
stek een terrein waarbij de overheid voorop dient te lopen. 

Een volgend punt is de vraag of in de nota geen visie had moe-
ten worden gegeven op de samenhang tussen de justitiële jeugd-
bescherming en de welzijnszorg in het algemeen, dus niet zozeer 
vanuit de feitelijke hulpverlening als wel vanuit de institutionele 
samenhang. Het is goed erop te wijzen, dat met de nota steeds is 
beoogd, op korte termijn, na jarenlange aandrang vanuit het par-
lement, op een aantal punten voorzieningen te treffen, omdat 
men, terecht of ten onrechte, meende dat het particulier initiatief 
in gebreke bleef een aantal voorzieningen en verbeteringen in de 
organisatorische opzet van de kinderbescherming te bewerkstel-
ligen 

Daarnaast is in de nota uitdrukkelijk de samenhang met de 
welzijnszorg in ruimere zin aangestipt. Ook is de brugfunctie aan 
de orde gekomen. Men kan niet zeggen, dat dit punt in de nota 
niet aan de orde is gesteld. De nota is niet opgezet met het oog-
merk Justitie een visie te laten geven op geïntegreerde jeugdwel-
zijnszorg. Hoe zou Justitie die pretentie ook in zijn eentje kun-
nen hebben? De nota is geproduceerd om tegemoet te komen aan 
de aandrang die regelmatig op de bewindslieden van Justitie is 
uitgeoefend iets te doen. In de nota is, met erkenning van de ver-
bindingslijnen die er met de buitenwereld moeten zijn, in eerste 
instantie aandacht geschonken aan een aantal interne proble-
men. Dat neemt niet weg dat de samenhang tussen justitiële kin-
derbescherming en jeugdwelzijnszorg alle aandacht verdient. Ik 
ben er in mijn nota, mede naar aanleiding van de van verschillen-
de kanten begrijpelijkerwijs naar voren gebrachte bezwaren te-
gen de oorspronkelijke nota, op ingegaan. Ik meen dat twee/der-
de deel van de brief die naar de Kamei is gestuurd aan het punt 
van de integratie is gewijd. 

Hierbij doet zich een van de terminologische problemen voor, 
die het spreken met elkaar niet gemakkelijker maakt. Wanneer 
men leest en hoort wat over integratie wordt geschreven en ge-
zegd, is het duidelijk dat daarover uiteenlopende meningen be-
staan. Sommige opvattineen pleiten voor een grote institutionele 
samenvattende welzijnszorg of in ieder geval jeugdwelzijnszorg. 
Andere, meer bescheiden, opvattingen pleiten voor goed op el-
kaar afgestemde, onderling goed samenwerkende losse diensten 
en hulpverleningsorganen. Mejuffrouw Kappeyne van de Cop-
pello heeft er hedenmorgen al op gewezen, dat er niet één inte-
gratiegedachte is, maar dat er verscheidene integratiegedachten 
zijn. Het verdient aanbeveling zorgvuldig te analyseren wat pre-
cies met de verschillende opvattingen wordt bedoeld en of deze 
onderling wel zo sterk uiteenlopen als men op het eerste gezicht 
zou denken, voordat men tot een keuze komt. 

Mijn eigen standpunt wil ik als volgt formuleren. Op het ogen-
blik zijn de verschillende vormen van hulpverlening nog geschei-
den. Als uitgangspunt voor de integratie hiervan dient de hulp-
verlening in de diverse sectoren goed op elkaar afgestemd te 
zijn. hetgeen kan leiden tot institutionele samenwerking maar dit 
niet bij voorbaat hoeft te doen. Nagegaan dient te worden, of in-
stitutioneie integratie nodig is. Bij de bepaling van de eventuele 
noodzaak hiertoe zijn experimenten van bijzonder groot belang. 

Wanneer men nagaat hoe een geheel van aanbod van hulpver-
iening afgestemd op de vraag ernaar tot stand kan komen, dient 
men in de eerste plaats op te sporen waar in het huidige raam van 
de hulpverleningsmogelijkheden lacunes of doublures zijn. De 
vraag om en het aanbod van hulp zullen zorgvuldig moeten wor-
den geanalyseerd. Op basis van die analyse moeten wij komen 
tot de noodzakelijke hulpverleningsmogelijkheden. 

Voorts is van belang, dat niet financiële overwegingen bij de 
hulpverlening in een bepaalde richting wijzen, dus dat de finan-

ciële overwegingen zoveel mogelijk neutraal zijn en dat de mate-
riële overwegingen per geval beslissend zijn voor de kant die 
men uitgaat. Men raakt hiermede het punt van de subsidierege-
ling. Men moet zich daarbij realiseren, dat het gaat om een niet 
kinderachtig probleem. Het maakt een geweldig verschil of een 
vereniging, instelling of inrichting voor 100 pet. door het Rijk 
wordt gesubsidieerd of dat zij voor 40 pet. door het Rijk, voor 40 
pet. door de gemeente en voor 20 pet. door het particulier initia-
tief wordt gesubsidieerd of dat een andere subsidiesleutel wordt 
toegepast. Met andere woorden: Het is gemakkelijker uitgespro-
ken, dat financiële overwegingen neutraal moeten werken, dan 
het te realiseren, want dat is een geweldige opgave, die op zich-
zelf al een heel zorgvuldige analyse van wat er nu aan regelingen 
bestaat vraagt en een heel ingrijpende herverkaveling te weeg 
kan brengen tussen wat het Rijk doet, wat de gemeenten doen en 
wat anderen doen. 

Mejuffrouw Goudsmit (D'66): Mag ik op nog een complicatie 
wijzen? Het maakt op het ogenblik niet alleen verschil, of een in-
stelling door het Rijk, door de gemeenten of door het particulier 
initiatief wordt gesubsidieerd, maar het maakt ook verschil, of 
een instelling door Justitie, CRM of Sociale Zaken wordt gesub-
sidieerd. Dat is juist een reden voor integratie, opdat althans op 
dat punt het beleid hetzelfde kan zijn. 
Staatssecretaris Grosheide: Mijnheer de Voorzitter! Ik meen, 
dat de geachte afgevaardigde er weinig baat bij heeft het pro-
bleem nog ingewikkelder te maken dan het al is. Ik wil best aan 
de al geschetste moeilijkheden er nog een paar toevoegen. Inder-
daad, de subsidieregelingen van de verschillende departementen 
verschillen, maar dat hangt voor een belangrijk deel hiermee sa-
men, dat het ene departement niet en het andere wel rekening 
houdt met subsidiëring door gemeenten, respectievelijk particu-
lieren. 
Mejuffrouw Goudsmit (D'66): Het is toch een uiterst vreemde 
zaak, als een instelling, die in twee gebieden exact hetzelfde 
werk doet, in het ene gebied meer geld krijgt dan in het andere 
voor precies hetzelfde werk, precies dezelfde hulp en precies de-
zelfde organisatie. Dat is een van de redenen, waarom ,,De 
langste dag" zo op die integratie aandringt. 

Staatssecretaris Grosheide: Mijnheer de Voorzitter! Er is een 
misverstand in het spel. Het is niet waar, dat voor exact hetzelf-
de werk de subsidies per departement zo verschillend zijn. 

Een heel ander punt is - dan zou het nuttig zijn in deze discus-
sie bij voorbeeld ook te betrekken de leden van deze Kamer, die 
zich bezighouden met de gemeentefinanciën en de gemeentelij-
ke autonomie - hoe ten aanzien van tal van subsidieregelingen de 
verhouding tussen wat het Rijk doet en wat de gemeenten doen 
is. 

Mejuffrouw Goudsmit (D'66): Mijnheer de Voorzitter! Er zijn 
mij bekend kindertehuizen, die onder Justitie vielen en die zon-
der verandering van beleid ervoor gekozen hebben onder de 
AWBZ, dus onder Sociale Zaken, te vallen, uitsluitend uit subsi-
dietechnische overwegingen. Een van de medewerkers van de 
Staatssecretaris zal ongetwijfeld weten, waarop ik doel. Het is 
toch een ongezonde zaak, al is het voor die instelling niet onaan-
genaam. 

Staatssecretaris Grosheide: Het heeft toch weinig met subsi-
dieregelingen te maken. 

Mejuffrouw Van Leeuwen (A.R.P.): Ik wil het iets verdui-
delijken. Het was toch in het kader van de AWBZ een vaste af-
spraak, dat alle instellingen eronder zouden vallen en dat er al-
leen een technische verrekening zou plaatsvinden tussen Justitie 
en de AWBZ. Dit is voor mij een nieuw gegeven. Dat is dan geen 
juiste uitvoering van de AWBZ. 

Zitting 1971-1972 

TWEEDE KAMER 




Vaste Commissie voor Justitie 

lste vergadering - 19 juni 1972 D 19 

Mejuffrouw Goudsmit (D'66): Mijnheer de Voorzitter! Het is 
een volstrekt juiste uitvoering van de AWBZ, maar een wellicht 
onjuiste uitvoering van Justitie. Het gaat erom, dat er kinderte-
huizen zijn, waar kinderen langdurig worden verpleegd, maar 
toch met pedagogische bedoelingen en die krachtens bestaande 
wetten en verordeningen als ze onder de AWBZ vallen, waar ze 
juist onder moeten vallen, meer krijgen dan wanneer ze onder 
Justitie vallen. 

Staatssecretaris Grosheide: Mijnheer de Voorzitter! Dat laat-
ste is een misverstand. Als een inrichting voldoet aan de criteria 
om onder de AWBZ te vallen, dan valt zij er ook onder. Voldoet 
ze niet aan die criteria, dan valt ze er niet onder. Men kan niet 
kiezen, wat het voordeligste is. 

Mejuffrouw Goudsmit (D'66): Toch is dat in het verleden zo 
nu en dan mogelijk gebleken. 

Staatssecretaris Grosheide: Per inlichting wordt nagegaan, of 
aan de criteria voor het onder de toepassing van de AWBZ vallen 
is voldaan. Het kan best zijn, dat een inrichting eronder wilde 
vallen, dat het niet lukte en dat men dat jammer vond. Dan vol-
deed men niet aan de objectieve criteria van de AWBZ. 

Mejuffrouw Goudsmit (D'66): Het omgekeerde is het geval. 
Het is prettig voor die instelling maar raar, dat een instelling zon-
der ook maar iets aan het beleid en het werk te veranderen, in-
eens meer geld krijgt als ze zich onder de AWBZ plaatst. 

Staatssecretaris Grosheide: Dat is helemaal niet raar. Had de 
geachte afgevaardigde dan de AWBZ niet willen invoeren? 

Mejuffrouw Goudsmit (D'66): Wel degelijk. Ik zou een integra-
tie willen opdat tehuizen, vallend onder Justitie, evenveel geld 
krijgen als tehuizen, vallend onder de AWBZ. Daar begon ik 
mijn interrupties mee en daarmee wil ik eindigen. 

De Voorzitter: Ik verzoek de leden thans de Staatssecretaris 
aan het woord te laten en dit punt eventueel bij de replieken aan 
de orde te stellen. 

Staatssecretaris Grosheide: Naast de analyse van vraag en 
aanbod van hulp en de financiële regelingen vind ik van belang 
dat de mensen weten, bij welke organisatie zij terecht kunnen; 
bovendien moeten zij weten, wat elke organisatie doet. Er mag 
geen organisatie als een fuik werken, in die zin, dat men eenmaal 
bij een bepaalde organisatie beland zijnde, in een geheel ander 
kader terecht komt dan men zich oorspronkelijk voor ogen. had 
gesteld. 

Ook de gemakkelijke bereikbaarheid acht ik van groot belang. 
De gedachte van de inloopbureaus, de wijkcentra - of hoe men 
deze ook wil noemen - spreekt mij wel aan, hoewel ik eraan wil 
toevoegen, dat ik niet zeker weet, of bij de nadere analyse van de 
vraag naar hulp het uitgangspunt naar voren zal komen, dat ie-
dereen zo graag door zijn eigen buurtbureau geholpen wil wor-
den. Ik kan mij zeer wel indenken, dat er nogal wat mensen zijn, 
die om allerlei redenen in hun speciale geval de hulpverlening 
wat verder weg willen zoeken. Er kunnen tal van voorbeelden op 
dit punt worden genoemd. 
In dit verband wil ik de opmerking van de heer Wiebenga over 
de ongehuwde-moederzorg beantwoorden. Het is denkbaar, dat 
de ongehuwde moeder het plezierig vindt om niet al te dicht in ei-
gen kring maar wat verder weg, te worden geholpen. 
Er zijn nog meer verschillen. De een wil liever een officiële 
hulpinstantie, de ander geeft de voorkeur aan een wat meer alter-
natief getinte hulpverleningsorganisatie. Deze zaak moet worden 
betrokken bij het overwegen van de voorstellen om te komen tot 
nieuwe organisatievormen voor de hulpverlening. 

Er is mij vanmorgen gevraagd, of ik voor of tegen integratie in 
de jeugdwelzijnssector ben. Ik kan daarop niet goed een ant-
woord geven op dit moment. Alvorens op die vraag te kunnen 
antwoorden, zou ik graag willen weten, wat men precies onder 

welzijn en onder integratie verstaat. Wat zijn de voor- en nadelen 
van integratie? Ik teken hierbij aan dat elke integratie in een be-
paald kader desintegratie ten aanzien van andere opzetten met 
zich kan brengen. Ik wil een voorbeeld noemen. Wanneer men 
naar levensbeschouwing integreert, dan houdt dat een desinte-
gratie naar de regio in. Omgekeerd: Wanneer men integreert naar 
de regio's, dan betekent dat een desintegratie naar levensbe-
schouwing. Als men integreert naar jeugdwelzijn, dan integreert 
men niet uit een gezichtspunt van volksgezondheid; als men inte-
greert naar een gezichtspunt van volksgezondheid, dan inte-
greert men niet meer naar een gezichtspunt van jeugdwelzijn. 
Men moet zich wel bewust zijn van de vraag, in welke richting 
desintegrerende factoren een rol gaan spelen, als men vanuit een 
bepaald kader gaat integreren. 

Mede naar aanleiding van de verwijzing van de geachte afge-
vaardigde de heer Wiebenga naar mijn verleden wil ik nog de vol-
gende opmerking maken. Ik heb in de afgelopen jaren veel te ma-
ken gehad met het probleem van de organisatie van de on-
derwijsbegeleidingsdiensten. Daar deed zich hetzelfde probleem 
voor. Als men ter zake van de onderwijsbegeleiding integreert en 
men daarbij de schoolgezondheidszorg, de schoolpedagogische 
zorg en de schoolpsychologische zorg betrekt, dan desintegreert 
men bij voorbeeld ten aanzien van de gezondheidszorg uit een 
oogpunt van de totale volksgezondheid. Zo is het steeds; als men 
integreert vanuit een bepaald gezichtspunt, desintegreert men 
vanuit andere gezichtspunten. Ik meen, dat men bij de keuze van 
integratiemodellen zorgvuldig het voor en het tegen van integra-
tie en desintegratie moet afwegen. 

Als men met integratie een maximale coördinatie in het beleid 
bedoelt, gericht op optimalisering van de hulpverlening, ben ik 
daarvan een voorstander. Als men iets anders op het oog heeft, 
ben ik daar misschien ook wel voor, maar verneem ik graag een 
nadere analyse van de vraag. 

Graag wil ik aan de hand van experimenten en evaluatie van de 
resultaten, verbeteringen in de hulpverlening tot stand brengen. 
Ik voeg hieraan nog toe. dat ik een denken vanuit één bepaald 
departement daarbij volstrekt secundair vind. 

Om het probleem van de integratie nader aan te vatten, 
mijnheer de Voorzitter, is in de brief, die ik de Kamer heb ge-
schreven, de gedachte geopperd om een stuurgroep in te stellen 
door de bewindslieden van Cultuur, Recreatie en Maatschap-
pelijk Werk, van Volksgezondheid en Milieuhygiëne en van Jus-
titie. Het streven is, uitgangspunten voor een samenhangende 
jeugdwelzijnszorg te ontwerpen en experimenten ter zake voor te 
bereiden en te begeleiden. 

In dit verband kan ik even terugkomen op de vraag van me-
vrouw Haas over het antwoord van collega Vonhoff. Zij vroeg 
zich af, of het overleg tussen CRM en Justitie mogelijk zo stroef 
verliep, dat men elkaar per brief zijn standpunt deed weten maar 
niet tot reële samenspraak kwam. Mijnheer de Voorzitter! Ik kan 
haar geruststellen; de brief, die ik de Kamer heb gezonden is met 
de volle medewerking en instemming van de andere bewindslie-
den tot stand gekomen. In deze zin is ook het standpunt, dat een 
tijdje geleden door CRM ten aanzien van de nota werd geformu-
leerd, inmiddels door nadere ontwikkelingen achterhaald. 

Als taken voor de stuurgroep zie ik de verkenning van het ter-
rein, de inventarisatie van de gedachten, de formulering van uit-
gangspunlen en de bevordering van experimenten en het begelei-
den daarvan. Ik vind het stellig van belang, dat de drie hierbij be-
trokken departementen ervoor zorgen, dat de experimenten fi-
nancieel mogelijk worden gemaakt. Wij zitten weliswaar niet in 
een periode, waarin gemakkelijk toezeggingen worden gedaan 
omtrent het honoreren van financiële wensen, maar het mogelijk 
maken van experimenten is zeer belangrijk. Ik wil hiervoor dan 
ook graag mijn best doen. 

Mevrouw Haas-Berger (P.v.d.A.): Wordt hiermee gedoeld op 
experimenten, die worden georganiseerd door de stuurgroep, 
waarvan de criteria ook zullen worden geformuleerd door de 
stuurgroep, of denkt de Staatssecretaris in dit verband ook aan 
de experimenten, die op dit moment al in het veld bestaan? Ik 
noem als voorbeelden de experimenten in Zaandam, Roermond, 

Zitting 1971-1972 

TWEEDE KAMER 




D 20 Iste vergadering - 19 juni 1972 

Vaste Commissie voor Justitie 

Den Haag en Zwolle, waar men door het financieren van een ex-
tra vrijgestelde kracht of andere kosten nagaat, of deze manier 
van integreren van de welzijnszorg - ook al weet de Staatssecre-
taris niet precies wat dit wel mag zijn - in de praktijk werkt. In 
die gevallen wordt niet gewacht op wat de stuurgroep formu-
leert; men is reeds aan de gang. 

Staatssecretaris Grosheide: In principe denk ik aan beide mo-
gelijkheden, mijnheer de Voorzitter! 

Wij stellen ons een stuurgroep voor als een college, dat uit ze-
ven personen zal bestaan. Drie daarvan zullen worden aangewe-
zen door de hierbij betrokken departementen, drie zullen worden 
aangewezen door de gezamenlijke ,, werk velden"; de zevende 
persoon zal de voorzitter zijn, die een niet te benijden taak zal 
krijgen. Wij hopen dat de stuurgroep snel kan werken. Wij kun-
nen in dit stadium verschrikkelijk moeilijk een termijn fixeren en 
zeggen dat het werk binnen een bepaalde tijd gereed moet zijn. 
Ik meen dat het niet alleen en zelfs niet in de eerste plaats van 
belang is, dat wij weer een mooie structuurschets ter tafel 
krijgen. Ik meen dat het vooral van belang is, dat wij in de 
praktijk leren zien welke mogelijkheden er zijn om bepaalde mo-
gelijkheden integratiegedachten te realiseren. Dat vraagt tijd 
voor een grondige voorbereiding. Een overhaast experiment kan 
echter heel veel waardevolle informatie opleveren. Ik durf er op 
dit moment nog niet veel van te zeggen, doch ik zal er samen met 
de andere betrokkenen op toezien - ik verwacht dat de uit het 
particulier initiatief afkomstige leden dat ook ongetwijfeld zullen 
doen - dat er geen tijd wordt vermorst, maar dat er niet te lang 
wordt gestudeerd en dat er naar resultaten wordt gestreefd. 

De vraag is gesteld waarom er een stuurgroep en geen staats-
commissie of regeringscommissaris komt. Dit zijn andere mo-
gelijkheden die in de gedachtenwisseling in en buiten het parle-
ment over de onderhavige materie zijn geopperd. 

Van een staatscommissie verwacht ik geen speciale voorde-
len, maar wel aanmerkelijke nadelen in het kader van de proble-
mer, waarmee wij nu bezig zijn. Ter voorkoming van misverstan-
den merk ik op, dat een staatscommissie zich sinds de Tweede 
Wereldoorlog in niet zo gek veel anders meer van een gewone, 
door een of meer bewindslieden ingestelde commissie onder-
scheidt dan dat zij bij Koninklijk besluit wordt ingesteld. Staats-
commissies hebben de neiging, in het leven te worden geroepen 
voor heel ingewikkelde problemen. Wat dat betreft: er is hier 
stellig een heel ingewikkeld probleem aan de orde. Gezien de in-
gewikkeldheid van de materie hebben zij ook de neiging, daar 
lang op te studeren. Zij zijn in hoge mate onafhankelijk van het 
beleid en ook niet voor enigerlei vorm van beïnvloeding via de 
betrokken bewindslieden vatbaar. Ik meen nu juist dat indien wij 
haast willen maken, niet alleen met het formuleren van uitgangs-
punten, maar ook met het realiseren van experimenten, wij een 
instantie moeten hebben die tot de orde kan worden geroepen en 
regelmatig de teugel van de betrokken bewindslieden, het parle-
ment of van wie dan ook voelt. 

Wat de regeringscommissaris betreft, kan men zich afvragen 
of het op zichzelf al een gelukkige gedachte is, één man in een 
veld waarop zoveel beweging is een schets te laten ontwerpen. 
Ik vind dat op zichzelf al twijfelachtig. Bovendien functioneert 
een regeringscommissaris in de regel in het kader van de voorbe-
reiding van wetsontwerpen en ter assistering van de betrokken 
bewindslieden bij de behandeling in het parlement. Van wetsont-
werpen is hier voorlopig nog helemaal geen sprake. In het geval 
van een regeringscommissaris zie ik met betrekking tot het on-
derhavige probleem alle nadelen van het feit. dat er een eenling 
van bovenaf een schema op tafel legt. Ik zie hier geen extra 
voordeel in de zin van inspraak van het veld. 

Ik kom tot een volgende rubriek met punien, die de maatrege-
!en betreffen die op korte termijn zouden kunnen worden geno-
men. hangende de exploratie van de mogelijkheden om tot een 
betere integratie van de welzijnszorg te komen. Ik wil dan eerst 
een aantal opmerkingen maken over de instellingen, voorts over 
de inrichtingen, verder over de raden en ten slotte over de adop-
tievoorbereiding. 

Wat de instellingen betreft, heeft mejuffrouw Cornelissen 
vanmorgen terecht gezegd dat de getallen zich wijzigen. Dat is 
juist. Dat wil niet zeggen dat die ontwikkeling op zichzelf reeds 
van dien aard is, dat er helemaal niets meer zou behoeven te ge-
beuren en dat wij met zijn allen met de armen over elkaar zouden 
kunnen afwachten, hoe nu over een aantal jaren het veld van die 
instellingen er uitziet. Ik meen dat de cijfers wel uitwijzen dat er 
nog heel wat instellingen zijn, die toch eigenlijk te klein zijn om 
te kunnen voldoen aan redelijke eisen die men op het ogenblik 
mag stellen. Dat betekent dan meteen dat er zeer moeilijk sprake 
zal kunnen zijn van het verbinden van speciale deskundigen aan 
die instellingen en dergelijke dingen meer. Ik meen dus dat het 
schaalvergrotingsproces van de instellingen nog duidelijk verder 
zal moeten voortgaan. Ik meen dat wij dat proces ook geza-
menlijk als overheid en organisaties moeten doen en dat het zaak 
zal zijn, te komen tot zoveel mogelijk afspraken over een goed 
plan voor de instellingen in het land. 

Nog een algemeen probleem moet ik in dit verband wel signa-
leren. Verscheidene geachte afgevaardigden hebben vanmorgen 
hun instemming, soms zelfs hun warme instemming, betuigd met 
de veldnota en de daarin ontvouwde gedachten. Dat is 
begrijpelijk, maar wanneer men dat doet, kan men naar mijn idee 
niet tegelijkertijd pleiten voor een schaalvergroting op basis van 
een confessie. Het is volstrekt duidelijk dat de veldnota een ver 
doorgevoerde regionalisering van de instellingen beoogt. Het 
lijkt mij wel erg moeilijk om aan de ene kant de gedachte van de 
veldnota te onderschrijven en aan de andere kant te pleiten voor 
een schaalvergroting op basis van levensbeschouwing. Ik meen 
dat er, wat dat betreft, echt gekozen moet worden tussen beide 
en dat men niet allebei tegelijk kan aanvaarden. Dat geldt dus 
ook, naar ik meen, voor hetgeen mejuffrouw Cornelissen heeft 
gezegd: schaalvergroting volgens de veldnota aan de ene kant en 
verwijzen naar de mogelijkheden die Staatssecretaris Van de 
Poel heeft aangegeven aan de andere kant. Ook daarin zijn ver-
schillende varianten voor schaalvergroting genoemd, die zich 
volstrekt niet verdragen met de gedachte van de veldnota die op 
zeer consequente regionalisering aanstuurt. Ik meen dat men 
zich moet realiseren dat men dan moet kiezen en niet kan zeg-
gen: ik neem de veldnota, daarmee ben ik het eens, en te-
gelijkertijd zeggen: maar ik wil toch voor een schaalvergroting de 
mogelijkheid open laten, die in het memorandum van Staatsse-
cretaris Vande Poel indertijd zijn geuit. 

Mejuffrouw Cornelissen (K.V.P.): Mijnheer de Voorzitter! Ik 
wil toch de Staatssecretaris erop wijzen dat schaalvergroting en 
het onderschrijven van de uitgangspunten van de veldnota op 
zich niet tegenovergesteld behoeven te zijn. In mijn eerste be-
toog heb ik reeds gezegd, wat wij onder integratie zouden mogen 
verstaan. Ik verkeer daarbij in het goede gezelschap van profes-
sor Van Beugen, de voorzitter van deze actiegroep, die duidelijk 
stelt dat hij onder integratie per se niet verstaat een samenvoe-
ging of fusering, zeg maar, niet op een gemeenschappelijke noe-
mer. Wanneer wij die uitgangspunten onderschrijven - ik heb dat 
ook nadrukkelijk betoogd -, dan willen wij in dit opzicht duidelijk 
uitgaan van de echelonnering bij het bieden van hulpverlening. 
Ik meen dat wij in dit opzicht hulpverlening en bestuurlijke ka-
ders toch nog naast elkaar moeten gaan bezien. 
Mejuffrouw Van Leeuwen (A.R.P.): Mijnheer de Voorzitter! 
Misschien mag ik mij daarbij even aansluiten. Ik begrijp namelijk 
de Staatssecretaris ook niet. Ik meen namelijk dat de elementen 
van de veldnota zich zeer goed verdragen met het toch ook open 
houden van de mogelijkheden van gewenste schaalvergroting 
vanuit het levensbeschouwelijke kader. Inderdaad, wanneer 
men, zoals mejuffrouw Cornelissen zegt, van de echelongedach-
te uitgaat, kan het betekenen, dat dit, wanneer men het goed 
doet, een optimale vrijheid voor de achterban betekent en kan 
het tevens recht doen aan het brengen van de hulpverlening zo 
dicht mogelijk bij de cliënt. 
Staatssecretaris Grosheide: Ik heb vanmorgen niet gezegd, dat 
ik het in alle opzichten met de veldnota eens was. Verschillende 

Zitting 1971-1972 

TWEEDE KAMER 




Vaste Commissie voor Justitie 

1ste vergadering ¦ 19 juni 1972 D 21 

geachte afgevaardigden hebben gezegd, dat zij het met die veld-
nota eens zijn. Het is duidelijk, dat die uitgaat van een conse-
quent doorgevoerde regionalisering en dan een echelonsgewijze 
verder opgebouwd systeem van hulpverlening. Wat ik betoog, is, 
dat men niet aan de ene kant kan zeggen: Wij zijn het met de 
veldnota eens, en aan de andere kant zegt: Wij willen toch een 
andere vorm van schaalvergroting. Dat is echt niet te combine-
ren. 

Mejuffrouw Goudsmit (D'66): De nota-Wiersma heeft dezelf-
de regionalisering. Dat is een van de punten, waar niet zoveel 
verschil over is. 

Staatssecretaris Grosheide: Ik weet niet, of de geachte afge-
vaardigde de brief heeft gelezen, die ik aan de Kamer heb ge-
schreven, maar op dit punt ben ik dan ook afgeweken van de no-
ta-Wiersma. 

Mejuffrouw Goudsmit (D'66): Dat begrijp ik, maar diezelfde 
afwijking, die mejuffrouw Van Leeuwen en mejuffrouw Corne-
lissen bepleiten, zou ook in de veldnota kunnen worden inge-
bracht. Bij kleine kerkgenootschappen, zo staat er geloof ik, in 
uw brief, bij kleine levensbeschouwelijke genootschappen, als 
die bestaan en bij grote, zoals mejuffrouw Van Leeuwen zegt, 
zou men er ook een oplossing voor kunnen vinden, zoals profes-
sor Van Beugen doet. Ik begrijp niet, dat u dat zo speciaal op de 
veldnota toespitst. 

Mejuffrouw Comelissen (K.V.P.): De twee zijn beslist niet te-
genovergesteld aan elkaar, mits men uitgaat van de hulpverle-
ning. 

Staatssecretaris Grosheide: Dat laatste weet ik niet. De veld-
nota bepleit een sociale supermarkt. Dat is duidelijk. Zij geeft 
dan zeer consequent een schema, hoe men zich dit opgebouwd 
kan denken. Aan de ene kant geeft zij horizontaal aan welk pak-
ket van hulpverleningsmogelijkheden er moet zijn en aan de an-
dere kant echelonsgewijze het niveau, de intensiteit van behan-
deling of hoe men het noemen wil. Ik zie niet, hoe men dat sy-
steem van de sociale supermarkt, duidelijk regionaal gedacht, 
beginnend met een inloopbureau per wijk en zo vervolgens, kan 
combineren met een systeem van organisatie naar confessie. 

Mejuffrouw Cornelissen (K.V.P.): Mijnheer de Voorzitter! Ik 
wijs erop, dat in een supermarkt niet alleen eenheidsspullen zijn 
te verkrijgen, maar dat daar diverse merken aanwezig zijn. Ik 
meen, dat wij op deze gedachte moeten voortborduren, als wij 
naarde sociale supermarkt kijken. 

Staatssecretaris Grosheide: Hoe denkt de geachte afgevaardig-
de zich dan het bestuur van de sociale supermarkt? Wie is er dan 
verantwoordelijk? 

Mejuffrouw Van Leeuwen (A.R.P.): Mijnheer de Voorzitter! 
Dat is ook helemaal niet noodzakelijk. Als het gaat om het zo 
dicht mogelijk brengen van de hulp bij degenen, die de hulp no-
dig hebben via de sociale supermarkt, dan kan iedereen zijn ei-
gen deur hebben. Iedereen kan in vrijheid kiezen bij wie hij te-
recht wil komen. Dat is de geestelijke vrijheid, die ik ook bij dit 
werk, waarbij het gaat om opvoedingsmoeilijkheden, zo nauw 
betrokken wil zien. Wanneer het nodig is, verwijst men door 
naar het tweede echelon van de eigen groepering. 

Staatssecretaris Grosheide: Ik ben in een wat vreemde positie, 
want ik heb vanmorgen niet gesteld, dat ik de veldnota in alle op-
zichten onderschrijf. Ik behoef haar dus ook niet te verdedigen. 
Als ik de nota goed begrepen heb - misschien heb ik het niet 
goed begrepen -, zijn de gedachten moeilijk combineerbaar met 
wat hier is bepleit. Ik wil alleen nog de volgende opmerking ma-
ken. 
De gedachte, dat het gaat om hulpverlening en niet om organi-
satie. berust toch op een misverstand. Natuurlijk gaat het om de 
hulpverlening, maar laten wij wèl zijn. Waarover zitten wij te 
praten? Dat is over de vraag, hoe men die hulpverlening het best 
kan organiseren. Dat doet ook de veldnota. Ook de veldnota 
spreekt in wezen over een structuur en over organisatie. Het is 
dus het creëren van een onnodige tegenstelling. Ik geloof dat er 
vanmorgen terecht op is gewezen, dat de verschillen op dat punt 
lang zo groot niet zijn als soms lijkt. Natuurlijk komt men bij or-
ganisatieproblemen terecht, als men zich afvraagt hoe iedereen 
in Nederland zogoed mogelijk kan worden geholpen. Het gaat er 
dan om, hoe men die hulpverlening organiseert. 

Mijnheer de Voorzitter! Nu zitten wij in de situatie, dat de oor-
spronkelijke gedachte, die in de nota-Wiersma was neergelegd, 
van één jeugdbeschermingsinstelling per regio - of dat nu een ar-
rondissement is of een andere, regionaal bepaalde eenheid, is op 
zich zelf een punt waarover zinnig te spreken valt en dat met na-
me moet worden bezien aan de hand van indelingen op alle mo-
gelijke verwante terreinen van overheidszorg en particuliere 
zorg - met vrij grote eenstemmigheid door bijna iedereen, die ge-
adviseerd heeft over de nota, is verworpen. Ik heb daarom, ge-
volg gevende aan een gedachte die hier vanmorgen is geuit, dat 
je niet moet proberen door te zetten wat kennelijk in het land niet 
aanvaardbaar wordt geacht, die gedachte van de ene instelling la-
ten varen, ook al omdat ik die op een enkel onderdeel, met name 
het punt van de garantie op het gebied van de mogelijkheid van 
organisatie naar levensbeschouwing, niet toereikend vond, maar 
ook op grond van het feit dat er kennelijk tegen die ene instelling 
veel bezwaren bestonden. 

Een logisch gevolg van die ene instelling per regio was de aan-
vaardingsplicht. Er was maar één instelling en dan kon men ook 
altijd bij die ene instelling terecht en dan moest die ene instelling 
ook de pupil aanvaarden. Nu het in mijn gedachtengang mogelijk 
wordt dat er meer instellingen op hetzelfde gebied werkzaam 
zijn, is het met die aanvaardingsplicht dus ook wat ingewikkelder 
en is op dat gebied een nadere uitwerking nodig, met name om te 
verzekeren dat een kind niet tussen de wal en het schip valt. Er 
zal toch altijd een garantie moeten zijn, dat er zo snel mogelijk 
een instelling wordt gevonden, die bereid en in staat is de hulp te 
verlenen, die aan het kind moet worden geboden. 

Ik kom hiermede eigenlijk al bij een punt, dat daarmede nauw 
samenhangt, namelijk de kwestie van de voorlopige toevertrou-
wing aan de raden. In de mota-Wiersma lag de logica besloten: 
als er één instelling is, weet de kinderrechter precies bij wie hij 
moet zijn als er een kind in nood is; er volgt dus altijd toewijzing 
aan die instelling en er vindt dus geen voorlopige toevertrouwing 
aan de raad meer plaats. Dat werkt niet meer zo gemakkelijk, als 
er meer instellingen per regio zijn, als er meer overleg nodig is en 
als de instelling ook niet verplicht is, een aangeboden kind te ac-
cepteren. Ik kom op die kwestie van de raden straks nog wel 
even terug. Eerst wil ik nog graag een enkele vraag beantwoor-
den over de instellingen zelf. 

Mevrouw Cornelissen heeft gevraagd, of het mogelijk is in het 
kader van de schaalvergroting van voogdij- en gezinsvoogdij-in-
stellingen, de subsidieregeling zodanig te wijzigen, dat de schaal-
vergroting wordt bevorderd. Ik vind het nuttig om op te merken 
dat de huidige subsidieregelingen al zodanig zijn dat aan de grote 
instellingen ongeveer 25 pet. meer subsidie wordt gegeven dan 
aan de kleine. Bij de grote instellingen immers bestaan afzon-
derlijke subsidiemogelijkheden voorde salarissen van directie en 
praktijkleiders. Dit is bij de kleinere instellingen niet het geval. 

Mevrouw Haas heeft gevraagd, of ik bereid zou zijn de ver-
goeding voor de apparaatskosten dezelfde te laten zijn bij de 
plaatsing van een kind in een inrichting als bij plaatsing van een 
kind in een pleeggezin. Naar mijn mening heeft het thans be-
staande verschil in apparaatskostenvergoeding toch wel zin. Bij 
plaatsing in een pleeggezin is de instelling behalve met de bege-
leiding van het gezin ook belast met de algehele financiële afwik-
keling: het vergoeden aan pleegouders van de bijzondere kosten 
enz. Bij plaatsing in een inrichting vallen die aspecten in be-
langrijke mate weg. doordat de inrichting dan rechtstreeks door 
het departement wordt betaald en dus een stuk van de admini-
stratie van de instelling wegvalt. 

Ik kom thans bij de vragen over de inrichtingen, in de eerste 

Zitting 1971-1972 

TWEEDE KAMER 




D 22 1ste vergadering - 19 juni 1972 

Vaste Commissie voor Justitie 

plaats bij een heel principieel punt: de kwestie van de opname-
plicht. Er is vanmorgen verschillend over het laten vervallen van 
de opnameplicht gesproken. Sommigen hebben gezegd: dat is 
juist; je moet niet tegen de wil van een inrichting in een kind in 
een internaat plaatsen. Anderen hebben het jammer gevonden 
omdat het gevaar dreigt, dat op deze manier niet die hulp aan een 
kind kan worden geboden die nodig zou zijn. 

Ik heb ook op dit punt zwaar laten wegen de bezwaren uit het 
veld. Gezien hun eigen aard, gezien hun eigen behandelingspa-
tronen en pupillenbestand hebben de inrichtingen overwegende 
bezwaren tegen de opnameplicht. Men heeft daarbij medege-
deeld, dat dit toch niet behoefde te leiden tot een gebrek aan 
plaatsingsmogelijkheden voor kinderen, omdat men met elkaar 
wel een oplossing zou weten te vinden. 

De garantie dat dit inderdaad lukt, is uiteraard niet op deze 
manier voor 100 pet. gegeven. Ik vind dus dat dit heel zorgvuldig 
in de gaten moet worden gehouden. Indien zou blijken dat dit sy-
steem met de mogelijkheid een kind niet op te nemen zou leiden 
tot het heen en weer schuiven van kinderen of het ten slotte maar 
opnemen van een kind in een inrichting waar het eigenlijk minder 
op zijn plaats is, meen ik dat opnieuw moet worden gezocht naar 
een mogelijkheid eventueel te kunnen afdwingen dat een kind zo 
spoedig mogelijk terechtkomt in de inrichting waarin het thuis-
hoort. Ik vind dus dat het laten vervallen van de opnameplicht 
een vrij zware wissel trekt op de bereidheid van de inrichtingen 
om kinderen te accepteren, indien ze worden aangeboden. Ge-
zien de adviezen die mij hebben bereikt, vertrouw ik erop dat 
men het ook inderdaad wil doen. Men heeft bij de afwijzing van 
de opnameplicht immers uitdrukkelijk verklaard, dat dit toch 
niet tot bezwaren behoefte te leiden, omdat men bereid zou zijn 
toch een sluitend geheel van regelingen te ontwerpen. Als zou 
blijken dat er lekken in het systeem zitten, zullen wij er toch iets 
op moeten verzinnen. 

Mejuffrouw Cornelissen (K.V.P.): De Staatssecretaris zegt, 
dat het laten vervallen van de opnameplicht een vrij zware wissel 
trekt op de bereidheid van de inrichtingen. Ik ben dit met hem 
eens en ik meen dat het in het algemeen bij de inrichtingen niet 
aan goede wil of aan deze bereidheid ontbreekt. Wel zou ik nog 
eens de nadruk op het volgende willen vestigen. De directie van 
een inrichting heeft te realiseren de doelstellingen die men be-
oogt met datgene wat in het tehuis plaatsvindt. Een aantal huizen 
is naar mijn mening niet voldoende geëquipeerd voor de opvang 
van kinderen met grote moeilijkheden. Ik vraag mij af, of men in-
derdaad van deze inrichtingen mag blijven verlangen dat zij deze 
kinderen opnemen. Ik wil best een wissel op de bereidheid van 
de inrichtingen trekken, maar een zware wissel moet ook reëel 
zijn. De directies moeten de doelstellingen van het tehuis kunnen 
realiseren. Dank zij de grotere mogelijkheid, die de toepassing 
van de menswetenschappen biedt, moet het m.i. goed mogelijk 
zijn dat de kinderen terechtkomen waar zij het beste geholpen 
kunnen worden. Het moet niet zo zijn, dat met de opname van 
één kind moeilijkheden worden veroorzaakt voor andere kinde-
ren of voor de sfeer in het tehuis. 

Staatssecretaris Grosheide; Ik begrijp de opmerking, mijnheer 
de Voorzitter, maar wil er toch iets tegenover stellen, mijn erva-
ringen in het verleden bij het onderwijs hebben mij geleerd, dat 
er evenveel kinderen zijn als differentiatiemogelijkheden die 
men maakt. Als er een nieuw schooltype kwam, was er ook een 
nieuw type kinderen en ik heb het idee. dat het bij die justitiële 
kinderbescherming exact hetzelfde is: Als men een nieuw type 
inrichting maakt, is er een nieuw type kinderen. Daarom 
betwijfel ik, of wij al te gemakkelijk moeten toegeven aan de nei-
ging van inrichtingen, te zeggen dat een bepaald kind moeilijk is 
c.q. te afwijkend gezien de doelstellingen en dat het ergens an-
ders heen moet. Op hetzelfde moment dat men differentieert, is 
er een nieuw species kind geschapen. Dit gaat net zolang door als 
er differentiaties zijn. Zo gaat dit nu eenmaal. Dit is de keerzijde 
van het te minutieus bezien, of een bepaald kind in een bepaald 
patroon past en het niet opnemen ervan als men het idee heeft, 
dat de doelstelling net iets anders is. 

Mijnheer de Voorzitter! Het is nooit de bedoeling van de no-
ta-Wiersma geweest, voor ieder kind - voorafgaande aan plaat -
sing in een inrichting - een inrichtingsobservatie te doen plaats-
vinden, in deze zin, dat per se, ongeacht hetgeen men van het 
kind wist en hoe duidelijk de diagnoses al waren, een 
verblijfsduur van een aantal weken of maanden in een inrichting 
nodig is voordat het tot definitieve plaatsing in een tehuis kan 
worden gekomen. De gedachte is altijd geweest, dat hetgeen aan 
diagnose nodig was zoveel mogelijk ambulant zou geschieden en 
dat alleen in die gevallen, waarin men op grond van het voor han-
den zijnde materiaal of op grond van de ambulante observatiege-
gevens onvoldoende aanknopingspunten had voor een zinnig be-
handelingsadvies, een observatie in een observatietehuis zou 
plaatsvinden om te komen tot een betere diagnose, een beter be-
handelingsplan en een betere plaatsing. Ik wil daarom vasthou-
den aan de gedachte: Geen enkele inrichtingsobservatie als dit 
niet strikt nodig is. 

Mijnheer de Voorzitter! Hoe zal het gaan met de invoering van 
een nieuw subsidiesysteem voor de inrichtingen en de inrich-
tingsverpleging? De werkgroep waarin particuliere kinderbe-
scherming en overheid zijn vertegenwoordigd, is nog bezig en er 
is nog geen concreet, afgerond plan. Zal per 1 januari a.s. reeds 
iets hiervan terecht kunnen komen of zal uitstel noodzakelijk 
zijn? 

Het hangt er een beetje van af, hoe de definitieve plannen er 
uit komen te zien. Dat laat zich ook wel begrijpen. Wij zijn op het 
ogenblik bezig met de begrotingsvoorbereiding voor het komen-
de jaar. Als over een aantal maanden zou blijken, dat een nieuw 
subsidiesysteem wel uitvoerbaar is, maar dat er dan een aantal 
miljoenen voor beschikbaar moeten komen, die wij op dit mo-
ment niet in de begroting zouden kunnen opnemen, dan zou dat 
betekenen, dat de invoering van een nieuw subsidiesysteem, al-
thans onverkort, niet mogelijk zou zijn volgens de voorstellen. 
Omdat het een heel belangrijke zaak is en omdat er heel gerecht-
vaardigde wensen zijn, wil ik wel graag beloven, dat ik er heel 
zorgvuldig naar zal kijken en ik niet zal wegschuiven van: Nou 
ja, dat hoeft ook niet; het is niet zo urgent en het komt later wel. 

Een volgend onderwerp, waarover vanmorgen veel gesproken 
is en dat stellig van veel belang is, betreft de positie van de raden 
voor de jeugdbescherming. Ik zou vooraf willen opmerken, dat 
het een enkele keer de schijn heeft, alsof alle kwaad dat op het 
gebied van de kinderbescherming aan te treffen valt, maar het 
beste in de schoenen van de raden kan worden geschoven. Dat is 
een overheidsorgaan en de overheid heeft een brede rug. Boven-
dien is de positie van de raden zodanig, dat men dan misschien 
ook het minst op zere tenen gaat staan als men al het kwaad maar 
aan die raden toeschuift. Dat zou toch wat ondankbaar zijn, om-
dat deze raden veel werk en goed werk doen en - ik wil dat met 
nadruk stellen - heel veel werk doen, dat ligt buiten het vlak van 
het treffen van maatregelen van kinderbescherming. Zij geven 
allerlei adviezen over zaken, waarin de overheid beslissingen 
moet nemen. Als bij voorbeeld voor een meisje of een jongen, 
die nog niet de huwelijksleeftijd heeft bereikt, een dispensatie-
verzoek wordt ingediend, kan er ook een advies van de raden ko-
men. Zo doen die raden tal van dingen op het gebied van de advi-
sering en ook op dat van de kortstondige hulpverlening, waarop 
ik straks nog nader zal terugkomen mede naar aanleiding van de 
opmerkingen van mejuffrouw Cornelissen. 

De raden hebben een adviserende taak, een controlerende 
taak, zij zijn procespartij. Daarover zijn wij het allen eens. 
Er is een misverstand in de discussie geslopen, dat wellicht te 
wijten is aan een ook wat misleidend woordgebruik. Ergens in de 
stukken wordt over de raad als intake-orgaan gesproken. Ik ge-
loof terecht. Vanmorgen is gevraagd: Moet alles wel naar de 
raad toe? 
Het is nooit de bedoeling geweest, ook niet van de zin van de 
nota, dat de raden nu voor alle bemoeienis met de jeugd de orga-
nen zouden zijn, die de eerste opvang zouden moeten verzorgen 
en verder de jeugdigen of hun ouders zouden distribueren en 
doorverwijzen naar de instellingen, waar zij het beste thuis ho-
ren. De bedoeling is intake-orgaan uitsluitend voor dat terrein, 
waar maatregelen nodig zijn en niet daarbuiten. Dus geen alge-

Zitting 1971-1972 

TWEEDE KAMER 




Vaste Commissie voor Justitie 

lste vergadering - 19 juni 1972 D 23 

meen intake-orgaan voor jeugdwelzijnszorg. Dat is nooit de be-
doeling geweest. 

Mejuffrouw Goudsmit (D'66): Hoe weet iemand dat van tevo-
ren? Als een jeugdige om hulp vraagt, dan weet noch de raad, 
noch iemand anders of er een maatregel nodig zou zijn en zo ja, 
welke. Dat is het probleem als de raad ermee begint. 

Mejuffrouw Cornelissen (K. V.P.): Wat wordt dan bedoeld met 
het gestelde in de nota-Wiersma, dat men bij de raden van jeugd-
bescherming denkt aan zogenaamde inloopbureaus? Dat doet mij 
toch meer denken aan een stuk realisering van jeugdwelzijn dan 
aan een instantie, die aan het begin van een maatregel staat. 

Mevrouw Haas-Berger (P.v.d.A.): In de nota-Wiersma staat: 
Voor het geven van inlichtingen én adviezen of het verwijzen 
naar andere instanties staat de raad open voor allen die zich tot 
hem wenden. Hieruit blijkt toch, dat de raad een instelling is 
waar men naar toe kan gaan, als men hulp nodig heeft of als men 
in moeilijkheden zit Hierdoor wordt de indruk gewekt - als de 
Staatssecretaris dit krachtig kan ontkennen, zijn wij daar heel 
blij mee -, dat het gaat om een algemeen intake-orgaan. 

Staatssecretaris Grosheide: Neen, mijnheer de Voorzitter, 
maar ik zou de feitelijke situatie willen schetsen aan de hand van 
een voorbeeld dat ik recentelijk meemaakte. Een directrice van 
een school werd het beu, dat de ruiten van die school systema-
tisch werden ingegooid door in de buurt vertoevende jeugd. Zo 
iemand belt óf de kinderpolitie of de raad op om te vragen of er 
iets tegen te doen is. De raad verwijst in zo'n geval naar de 
adressen waar men hulp kan verlenen aan kinderen. Het kan ook 
zijn dat de raad op grond van allerlei berichten die hem bereiken 
meent, dat het nodig is te onderzoeken of in een bepaald geval 
toch niet tot het uitlokken van een maatregel moet worden over-
gegaan. Er bereiken de raden tal van klachten van mensen die 
zeggen, dat er dingen gebeuren die niet door de beugel kunnen en 
dat de overheid moet ingrijpen. Door de raad in onderzoek ge-
nomen zaken leiden in de helft van de gevailen tot het uitlokken 
van een maatregel. Dit zijn dan alleen nog maar de officiële 
klachten. Verder doet de raad van alles op het adviserende vlak. 
Vaststaat dat er mensen zijn die zich tot de raad wenden. Dat 
zal altijd zo blijven. Evenzeer staat vast, dat het nooit de bedoe-
ling kan zijn, van de raad het centrale intake-orgaan voor het 
jeugdwelzijnsbeleid te maken. Het is eenvoudigweg reëel om te 
veronderstellen dat, zolang er raden voor de jeugdbescherming 
zijn, er mensen zullen zijn die daar aanbellen of opbellen om in-
formatie in te winnen. In heel veel gevallen zal de raad dan zeg-
gen: U moet bij mij niet zijn. Dat voorkomt men niet door op de 
deur te zetten: Ik ben geen intake-orgaan. 

Mejuffrouw Van Leeuwen (A.R.P.): Ik ben het met de Staats-
secretaris eens, dat men dit niet kan voorkomen. Men kan het 
echter wel heel goed regelen door te bepalen, dat de raad meteen 
verwijst naar een van de andere instituties. Dan merkt de raad in 
een later stadium wel, of er toch voor hem een taak was wegge-
legd. De fout is mijns inziens - maar ik geef toe dat het in de 
praktijk gegroeid is -, dat de raad dergelijke klachten vaak zelf 
meteen in onderzoek neemt en daarmede waarschijnlijk op het 
terrein van een van de andere instellingen bezig is. 

Staatssecretaris Grosheide: Dat hangt van de aard van de 
klacht af. Als de aard van de klacht ertoe leidt dat men van me-
ning is, dat een maatregel moet worden uitgelokt, stelt de raad 
terecht een onderzoek in. 

Mejuffrouw Goudsmit (D'66): Het probleem is, dat men dit 
niet tevoren kan weten. Zodra dit gebeurt, is de raad een partij 
en niet meer een objectieve onderzoeker. Dat is een van de bron-
nen van kritiek op de raad. Ik geloof niet dat men dit aan de raad 
kan verwijten, want het is nu eenmaal zo gegroeid. Het moet 
juist weggenomen worden uit de organisatie. Dat is althans mijn 
voorlopige mening 

Mejuffrouw Cornelissen (K.V.P.): Mijnheer de Voorzitter! Ik 
zou erop willen wijzen dat mr. Nota in het NJB van januari jl. 
een duidelijk onderscheid maakte. Zodra men aan intake en 
voorts aan onderzoek gaat doen, is er in de terminologie van het 
case-work sprake van social study. Het is een stuk hulpverle-
ning. Ik kan mij voorstellen - ik verwijt het de raden voor de kin-
derbescherming niet - dat ouders of kinderen die in moeilijkhe-
den zitten denken bij een raad voor jeugdbescherming, waarvan 
zij toevallig het adres of het telefoonnummer kennen, onmid-
dellijk hulp te kunnen krijgen. De gedachte uit de nota-Wiersma 
is dat de raden voor jeugdbescherming het toegangspunt, het in-
take-orgaan, voor de jeugdbescherming zijn. De Staatssecretaris 
staat daar kennelijk niet geheel achter. Volgens de nota-Wiersma 
is de intake echter het eerste begin van de hulpverlening. 

Mevrouw Haas-Berger (P.v.d.A.): Ik heb in eerste termijn ge-
vraagd of de raad kan terugverwijzen naar de jeugdbescher-
mingsinstelling voor hulpverlening zonder een maatregel. Doet 
de raad dat meteen, dan zijn wij mijns inziens onmiddellijk uit 
het probleem. In dat geval verwijst de raad de mensen die zich 
bij hem melden, zonder na te gaan of een maatregel nodig is, te-
rug naar de hulpinstantie, met name de jeugdbeschermingsinstel-
ling. Van daaruit komen de hulpverlening en het onderzoek op 
gang. 
Staatssecretaris Grosheide: Het is naar ik meen een geval van 
spraakverwarring. De raad is intake-orgaan voor de justitiële 
jeugdbescherming, het stukje jeugdbescherming dat plaatsvindt 
in het kader van een maatregel van kinderbescherming. De raad 
is geen intake-orgaan voor jeugdwelzijnszorg. Daarover spreekt 
de nota-Wiersma niet. 
Nu constateren wij - dat kan men al of niet betreuren - dat een 
aantal mensen, los van de vraag of een maatregel nodig is, op een 
gegeven moment bij de raad aanklopt om welke reden dan ook, 
bij voorbeeld omdat zij geen ander adres weten. De raad zal dan 
als regel verwijzen, wellicht naar een bureau voor levens- en ge-
zinsmoeilijkheden. De situatie kan zich voordoen, dat mensen in 
zodanige nood verkeren, dat het niet verantwoord is, hen naar 
een ander adres te sturen. De maatschappelijk werker van de 
raad verleent dan een zekere, kortstondige hulp. Dat kan men 
niet verbieden. 

Mejuffrouw Cornelissen (K.V.P.): Zijn gegevens bekend over 
hel aantal gevallen waarin door de raden voor jeugdbescherming 
wordt verwezen, het aantal gevallen waarin wordt geseponeerd 
enz.? 

Staatssecretaris Grosheide: Mijn adviseur legt mij de cijfers zo 
maar voor. In 1970 heeft de raad 43 pet. en in 1971 48 pet. van de 
onderzochte klachten verwezen naar andere instanties. 

Mejuffrouw Cornelissen (K.V.P.): Dat is toch wel iets anders. 
Ik meen dat wij hier aan des Pudels Kern komen. Wellicht heeft 
hier toch een stuk hulpverlening plaatsgehad. 

Staatssecretaris Grosheide: Ik spreek over de gevallen waarin 
de raad verwijst. 

Mejuffrouw Cornelissen (K.V.P.): De adviseur van de Staats-
secretaris fluistert iets anders dan de Staatssecretaris zegt. 

Staatssecretaris Grosheide: Dat moet hij niet doen. 

Mejuffrouw Cornelissen (K.V.P.): De adviseur zegt: buiten de 
maatregel om. 

Staatssecretaris Grosheide: Meldt iemand zich en wordt bin-
nen twee minuten duidelijk, dat hei helemaal niets met maatrege-
len te maken behoeft te hebben, dan kan het toch in de aard van 
zo'n eerste contact liggen, dat, zeer kortstondig, de eerste hulp 
plaatsvindt. Vanmorgen is verwezen naar de gedachte van prof. 
Hoefnagels, dat de maatschappelijk werker met wie men het 

Zitting 1971-1972 

TWEEDE KAMER 




Q 24 lste vergadering - 19 juni 1972 

Vaste Commissie voor Justitie 

eerst contact krijgt altijd hulp moet blijven verlenen. Ik wil die 
opvatting niet in volle omvang verdedigen. Echter, vaak is de 
eerste tegen wie men toevallig aanloopt de maatschappelijk wer-
ker van de raad. Het is wel heel veel van die man gevraagd, wan-
neer hij alleen maar mag zeggen, dat de betrokkene niet bij hem 
moet zijn, terwijl hij constateert dat hij in een acuut noodgeval de 
verwijzing naar een andere hulpverleningsinstantie kan verzor-
gen. 

Mejuffrouw Goudsmit (D'66): Dat is de huidige situatie, 
mijnheer de Voorzitter, maar ziet de Staatssecretaris die ook als 
ideale of realistische situatie in de toekomst in het kader van de 
reorganisatie? Daarover praten wij nu. 

Ik ben het met hem eens, dat de situatie nu zodanig is, dat ie-
mand van de raad er niet onderuit kan en er ook niet onderuit wil 
- dat is een van de problemen op het ogenblik - om eerste hulp te 
verlenen. Wij spreken er nu juist over. of die eerstehulpverle-
ning in de toekomst niet door een ,,aanloopcentrum" los van de 
raad moet geschieden. De mensen zullen daar waarschijnlijk ook 
wel iets eerder heengaan. 

Staatssecretaris Grosheide: Ik heb in het begin van mijn betoog 
gezegd, wat ik onder integratie verstond en welke punten mijns 
inziens in dat verband de aandacht moesten krijgen. Ik heb ge-
zegd, dat daarbij een rol spelen de gemakkelijke bereikbaarheid 
en de doorzichtigheid. Ik sprak toen bepaald niet over de raden 
maar over instellingen voor jeugdwelzijnszorg. Ik dacht, dat 
daarmede het antwoord op deze vraag van mejuffrouw Goud-
smit was gegeven. 

Mejuffrouw Goudsmit (D'66): U vindt dus, dat het in de toe-
komst anders moet dan het op dit moment blijkens uw uiteenzet-
ting gaat? 

Staatssecretaris Grosheide: Ik zie - ik heb dit al een en ander-
maal gezegd - de raad niet als intake-orgaan voor hulpverlening 
in het algemeen. Ik constateer, dat nu in een aantal gevallen kort-
stondig als zodanig wordt opgetreden en veronderstel, dat het in 
de toekomst, als er een breder netwerk van hulpverlening op 
vrijwillige of preventieve basis bestaat, toch wel eens zal voor-
komen, dat iemand verdwaalt en bij de raad terechtkomt, die ik 
niet de aangewezen plaats vind om met die hulpverlening te be-
ginnen. 

Mede in verband met de vraag, of de secretarissen van de col-
leges van de Raden voor de Jeugdbescherming niet op dit mo-
ment te gemakkelijk verstoppertje kunnen spelen, wijs ik erop, 
dat er onlangs een commissie is ingesteld om de functie van de 
raad als college te bezien. In dat verband moet mijns inziens ook 
aan de orde komen de relatie tussen de raad als college enerzijds 
en het personeel, het bureau van de raad en maatschappelijk 
werkers aan de andere kant. Ik heb wel begrip voorde gemaakte 
opmerkingen, maar ik wil graag het rapport van de commissie af-
wachten alvorens mededelingen te doen over de vorm die de ra-
den precies zullen moeten hebben. 

Thans kom ik aan het probleem van de voorlopige toevertrou-
wing aan de raden en de vraag of, ook nu niet conform het voor-
stel-Wiersma één jeugdbeschermingsinstelling per regio is inge-
steld, het toch mogelijk is in alle gevallen de toevertrouwing niet 
aan de Raad voor de Jeugdbescherming maar aan jeugdbescher-
mingsinstiMingen te doen plaatsvinden. 

Ik stel voorop, dat ik ervan ben uitgegaan, dat, ook conform 
de plannen die door de commissie-Wiarda zijn ontvouwd, uitslui-
tend de rechter ten aanzien van de minderjarige de maatregel van 
voorlopige toevertrouwing kan nemen. Op het ogenblik is er nog 
een ander systeem, maar ik beschouw dat als een fase waar wij 
doorheen gaan. 

Waarom heb ik nu die voorlopige toevertrouwing aan de raden 
nog mogelijk gemaakt? Die voorlopige toevertrouwing zal in heel 
veel gevallen worden uitgesproken in een situatie, die een on-
middellijke voorziening vraagt. Dat betekent, dat in die gevallen 
de rechter onmiddellijk zonder onderzoek en zonder langdurig 
overleg moet weten bij welke instelling de minderjarige kan wor-
den ondergebracht en dat hij de garantie moet hebben, dat de in-
stelling de minderjarige accepteert. Nu de ene jeugdbescher-
mingsinstelling met de ingebouwde acceptatieplicht er niet meer 
is, zal de rechter in een aantal gevallen, omdat er meer instellin-
gen per regio zijn, moeten kiezen. Als er geen acceptatieplicht is, 
zullen die instellingen de mogelijkheid hebben te weigeren. Het 
is in dit systeem niet meer bij voorbaat zeker, dat de rechter in 
alle gevallen blindelings weet, welke instelling bereid is, de jeug-
dige te accepteren. In een situatie, waarin een onmiddellijke 
voorziening vereist is, moet de rechter toch een uitweg hebben. 
Voor die gevallen moet de uitwijk naar de raden mogelijk blijven. 
Daar komt bij, dat een rol speelt, dat de voorlopige toevertrou-
wing in verschillende situaties kan plaatsvinden. In sommige ge-
vallen gaat het om een heel kort lopende toevertrouwing, terwijl 
al van tevoren vaststaat, dat het kind daarna zonder meer bij een 
van de ouders terugkeert. In die gevallen lijkt het aannemelijk, 
dat de raad zich daarmee belast. Datzelfde geldt misschien ook 
wel voor toevertrouwingen, die soms plaatsvinden hangende een 
geding tot scheiding van tafel en bed of echtscheiding, want veel-
al zal na afloop van zo'n geding toch weer aan een van de ouders 
het gezag worden opgedragen. 
Voorlopige toevertrouwing in afwachting van verdergaande 
maatregelen van jeugdbescherming zou naar mijn mening weer 
veel beter kunnen plaatsvinden aan een jeugdbeschermingsin-
stelling en wel bij voorkeur bij die instelling, die ook nadat de 
maatregel is uitgesproken, verder met de zorg voorde minderja-
rigen zal worden belast. In die gevallen dient de voorlopige toe-
vertrouwing aan de instelling, die ook later de gezagsopdracht 
krijgt, bij uitstek de continuïteit in de hulpverlening en in de ge-
zagsuitoefening. 

Nogmaals, het betreft een heel globale indicatie van gevallen, 
waarin men kan denken aan de raad en van gevallen, waarin men 
kan denken aan de jeugdbeschermingsinstelling. Uiteindelijk zal 
de rechter moeten kiezen. Deze bepaalt, bij welke instelling de 
gezagsuitoefening terecht komt. Ik mag daar geen invloed op uit-
oefenen. Op de vraag van de heer Jongeling in dit verband kan ik 
dan ook niet antwoorden. Ik veronderstel, dat gaandeweg vrij 
snel de kinderrechter of de kamers van de rechtbanken een dui-
delijke lijn erin zullen brengen en dat dan vanzelf een patroon zal 
ontstaan, welke gevallen normaal naar de jeugdbeschermingsin-
stellingen gaan, in afwachting van verdergaande maatregelen en 
welke gevallen naar de raden gaan. Wij hebben wel gevallen ge-
had, waarin niet meer dan twee tot drie uren nodig waren, voor-
dat er een voorlopige toevertrouwing werd uitgesproken. 

Op het ogenblik is voor de rechter een voorlopige toevertrou-
wing aan een instelling niet zo aantrekkelijk, omdat niet bij voor-
baat vaststaat, dat de definitieve gezagsopdracht ook bij die in-
stelling terecht kan komen. Het integratieproces van voogdij en 
gezinsvoogdij-instellingen is van beiang voor de realisering van 
de mogelijkheid, voorlopige toevertrouwingen aan de instellin-
gen te doen geschieden. 

Mijnheer de Voorzitter! Ik kom thans tot het laatste punt, de 
kwestie van de adoptie voorbereiding. Alvorens op een aantal 
punten van praktische aard in te gaan, wil ik nog een algemene 
opmerking maken over de aard en het wezen van de adoptie in 
het Nederlandse recht. Dat zal een beter zicht geven op de best 
mogelijke procedure. 

In het verleden - op dit moment treft men dit nog aan in vele 
buitenlandse wetgevingen - is het instituut voor de adoptie er 
vaak op gericht geweest om de adoptief-ouders de mogelijkheid 
te geven om een nageslacht te krijgen. In Nederland is zeer be-
wust bij de introductie van het instituut van de adoptie met die 
gedachte gebroken en is uitgegaan van een geheel andere over-
weging, namelijk dat het bij uitstek gaat om het kind, dat wordt 
geadopteerd. Dat kind ziet zijn natuurlijke rechten tegenover zijn 
eigen ouders niet meer gewaarborgd. Het gaat er dan om. dat 
kind de zekerheid te bieden, dat het in een duurzame band met 
de adoptief-ouders verder kan leven. 

In andere landen overheerst nog de gedachte aan de overeen-
komst als basis voorde adoptie. In Nederland is dit uitgangspunt 
welbewust en principieel verworpen. Daaruit vloeit voort - wan-
neer men adoptie bij overeenkomst doelbewust uitsluit - dat de 

Zitting 1971-1972 

TWEEDE KAMER 




Vaste Commissie voor Justitie 

lste vergadering ¦ 19 juni 1972 D 25 

nieuwe gezagsrelatie tot stand komt door een uitspraak van de 
rechter. Aan de orde zijn dan immers rechten en plichten, die het 
kind tegenover zijn natuurlijke ouders kan doen gelden, en waar-
tegenover dan plichten van die ouders staan. De rechter zal dan 
bij de afweging van die vraag het hoofdaccent moeten leggen op 
het belang van het kind. Natuurlijk moeten ook de belangen van 
de ouders, de familieleden, de adoptief-ouders worden afgewo-
gen, maar het hoofdaccent zou toch gelegd moeten worden op de 
belangen van het kind. 

Het gaat om het tot stand brengen van een duurzame en gele-
galiseerde band tussen het kind en de adoptief-ouders. Nu is het 
duidelijk, dat die band niet primair van juridische aard is. Die 
band tussen kind en adoptief-ouders is er een van diep men-
selijke verbondenheid, die later, als de verzorgingstermijn is ver-
streken, in een juridische vorm zijn bevestiging kan vinden. In 
de gevallen van adoptie - het gaat vaak om zeer jonge kinderen -
is dit het kernpunt, waar het om gaat. Op het moment van de 
plaatsing van het kind in het gezin van de adoptief-ouders valt in 
wezen de beslissing, niet twee of drie jaar later, als de legalise-
ring van de feitelijke band aan de orde is. Het is dan ook niet 
meer dan een legalisering van de intermenselijke relatie, die al 
een paar jaar eerder tot stand werd gebracht en het wezen van de 
zaak uitmaakt. Op het moment van de plaatsing wordt de grond-
slag voor de verdere ontplooiing van het leven van het kind ge-
legd. Dat betekent, dat op het moment van de plaatsing voor de 
toekomst van het kind de nodige zekerheden, altijd men-
selijkerwijze, aanwezig moeten zijn. De juridische adoptie is ,,al-
leen maar" de bevestiging van de situatie die bij de plaatsing van 
het kind is geschapen. 

Aan de plaatsing gaan allerlei gebeurtenissen vooraf. In de 
eerste plaats is er het afstand doen door de ouders, meestal de 
niet-gehuwde moeder, van recht en plicht het kind op te voeden. 
Gesteld is, dat voor de moeder de wetenschap, dat de voorberei-
ding van een adoptieplaatsing verantwoord geschiedt, een be-
langrijke rol speelt bij de besluitvorming ten aanzien van het af-
stand doen. Mijnheer de Voorzitter! Dat wil ik niet ontkennen, 
maar mij ontgaat, hoe men daaruit kan concluderen, dat om die 
reden de verantwoordelijkheid voor de plaatsing bij uitstek bij de 
ongehuwde moederzorg moet liggen. Ik meen juist, dat men hier-
aan een andere conclusie moet verbinden. Juist in de gevallen 
van een mogelijk afstand doen door de moeder ontstaat vaak de 
noodzaak tot belangenafweging, waarbij de rechten en plichten 
van de moeder enerzijds en de rechten van het kind anderzijds 
moeten worden beschouwd. 

In deze situatie acht ik het bepaald ongewenst, dat dezelfde in-
stelling, die zich bezighoudt met het bezien van de positie van de 
moeder, zich óók belast met het beschouwen van de positie van 
het kind. Dit betekent: geen adoptievoorbereiding bij de onge-
huwde moederzorg. Ter zijde merk ik op, dat ik de voorstellen 
van de FIOM niet zo goed kan volgen. Nog niet zolang heeft de-
ze organisatie meegewerkt aan een rapport, dat inmiddels weer 
is achterhaald door nieuwe voorstellen op het terrein van de 
adoptievoorbereiding, waarin de gedachte naar voren kwam, dat 
adoptievoorbereiding door de ongehuwde moederzorg verwer-
pelijk was, omdat daarmee de genoemde dubbele belangenafwe-
ging in één hand werd gelegd. 

Wij wijzen bij adoptie de overeenkomstgedachte af. Het gaat 
om rechten en plichten van ouders, af te wegen tegen de rechten 
van het kind. Het accent ligt op de plaatsing, veel meer dan bij de 
legalisering van die plaatsing wanneer de termijn van de verzor-
ging is verstreken. In dit kader kan men niet staande houden, dat 
het van wie dan ook een vrijblijvende vrijwilligheid is; afstand 
doen van het gezag is niet een kwestie van vrijblijvende vrijwil-
ligheid, dit moet plaatsvinden in het kader van de belangen afwe-
ging. Ook het opnemen van het gezag kan geen zaak van vrijwil-
ligheidzijn. 

Ik heb daarom wat moeite met het aanvaarden van de stelling, 
dat de vrijwilligheid uitgangspunt zou moeten zijn voor de adop-
tievoorbereiding, waarbij men - in het verlengde hiervan - te-
recht zou komen bij het particulier initiatief als de normale in-
stantie voor de adoptievoorbereiding. Wij hebben juist de 
vrijwilligheid van de gezagsoverdracht in ons adoptierecht niet 

geaccepteerd en gekozen voor een geheel ander systeem, 
waarbij belangen van moeder en kind worden afgewogen. Ik 
vind de vrijwilligheid als uitgangspunt voorde adoptievoorberei-
ding niet juist. Daarom meen ik ook, dat de stelling, die hiervan 
het gevolg is, namelijk: het gaat op basis van vrijwilligheid en dus 
moet het particulier initiatief het doen, niet zo vanzelfsprekend 
is als vaak wordt gezegd. 

Ik merk nog op, dat in de wetgeving de mogelijkheid is inge-
bouwd dat, tegen de wil van de ouders in, adoptie - in het belang 
van het kind - kan plaatsvinden. Het is primair het belang van 
het kind, dat bepalen moet of en hoe de adoptie moet plaatsvin-
den. Dit aanvaard zijnde als principieel uitgangspunt voor een re-
geling komen er verder een aantal praktische punten aan de orde. 

In de eerste plaats is er het harde feit, dat er aanzienlijk meer 
vraag naar adoptiefkinderen is dan aanbod van kinderen. Het 
ziet ernaar uit dat dit niet een tijdelijk, maar een blijvend 
verschijnsel is, dat zelfs de neiging heeft in omvang toe te ne-
men. Het aantal geboorten in de sector waaruit vrij veel adop-
tiefkinderen voortkomen neemt af. Het lijkt voor de hand te lig-
gen, dat in Nederland het aanbod van adoptiefkinderen nog ver-
der zal dalen. Aan de vraagkant brengt dat het verschijnsel te-
weeg, dat er een toenemende belangstelling voor adoptie van 
buitenlandse pleegkinderen valt waar te nemen. Als ik het bij het 
rechte eind heb, betreft één derde van de gevallen van adoptie op 
het ogenblik reeds buitenlandse pleegkinderen. Indien het aan-
bod van Nederlandse adoptiefkinderen verder daalt, ligt het in 
de lijn, te verwachten dat de vraag naar buitenlandse pleegkinde-
ren verder zal toenemen. Wij signaleren op het ogenblik dat er 
heel duidelijk een vrij scherp stijgende vraag naar buitenlandse 
pleegkinderen is. 

Het is naar mijn mening volstrekt noodzakelijk, dat er dui-
delijkheid en overzichtelijkheid komt in het systeem van adoptie-
voorbereiding in ons land. 
Het is nodig - hierover is vanmorgen reeds gesproken - dat de 
adoptievoorbereiding plaatsvindt door deskundige, speciaal 
daarop voorbereide mensen. In dat verband vind ik het bijzonder 
jammer dat de deskundigen van de FIKA niet bereid zijn ge-
weest, in dienst van de raad te Amsterdam te treden. Dit had het 
door een der geachte afgevaardigden gesignaleerde probleem 
van gebrek aan deskundigheid bij de raad te Amsterdam, voor 
zover dat er al is, helemaal uit de wereld kunnen helpen. 
Ik vind dat het bij een adoptie niet gaat om een overeenkomst 
of een vrijwillige gezagsoverdracht. Het is wel degelijk ook een 
zaak van de overheid, toe te zien hoe en of het verantwoord ge-
schiedt. 

Ik meen dat wij duidelijk herkenbare eenheden, die zich met 
de adoptievoorbereiding bezighouden, nodig hebben met een 
deskundige staf voor alle gevallen van adoptie, binnenslands en 
buitenslands. Doublures bij het onderzoek in de gezinnen moeten 
worden voorkomen. Er moeten zo min mogelijk instanties in de 
gezinnen komen. Er moeten acceptabele mogelijkheden zijn tot 
contacten met het buitenland, vooral in die gevallen waarin bui-
tenlandse instanties waarborgen eisen, dat de gezagsoverdracht 
in Nederland ook wordt geaccepteerd. Anders worden er in ge-
vallen van adoptie van pleegkinderen uit het buitenland weer ex-
tra risico's gelopen. 

Dit betekent dat er in de huidige toestand, waarin een geweldi-
ge versnippering wat aantal en opzet betreft bestaat, een keuze 
moet worden gedaan. Ik vind nog steeds dat de beste keuze een 
beperkt aantal raden zou zijn. In de brief heb ik er vijf genoemd, 
maar men kan ook aan vier denken. Gelet op het totaal aantal 
adopties is dat misschien ook al voldoende. Hoe minder er zijn, 
hoe meer deskundigheid en uniformiteit er zijn en hoe beter en 
overzichtelijker de richtlijnen zijn. Ik vind dit op zich zelf nog 
steeds de meest verstandige oplossing. Ik bedenk daarbij, dat het 
uitvoerbaar lijkt, in het kader van de raad een speciale raadscom-
missie, waarin allerlei groeperingen die bijzonder zijn geïnteres-
seerd in de adoptie kunnen zijn vertegenwoordigd, in te stellen 
en die de adoptie te laten begeleiden. Op het ogenblik houden in 
feite 15 van de 19 raden zich met de adoptie bezig en vier nog 
niet. Van de grote raden is inmiddels ook de raad van Amster-
dam met de adoptie voorbereiding belast. 

Zitting 1971-1972 

TWEEDE KAMER 




O 26 1ste vergadering ¦ 19 juni 1972 

Vaste Commissie voor Justitie 

Ik begrijp dat het een gevoelig punt is. Ik heb, naar ik meen, op 
verschillende punten laten blijken in mijn brief en ook vandaag in 
mijn betoog dat ik er niet op uit ben om dingen overhaast en te-
gen de wil van iedereen door te drukken. Ik meen wel dat men 
zich moet realiseren dat een aantal essentiële wensen, overzich-
telijkheid, duidelijkheid en realisering van de verantwoor-
delijkheid van de overheid, vrijwel niet zijn te verwerkelijken als 
men de huidige toestand laat bestaan. Dat betekent dat men in ie-
der geval moet kiezen. Ik vind het in de huidige toestand wel vre-
selijk moeilijk om te zeggen: Nu bouwen wij dat bij die vijftien 
raden maar weer af en bouwen wij een aantal instellingen op. Nu 
kom ik eigenlijk bij een slotbezwaar, namelijk het volgende. 

Er is gesproken over het particulier initiatief dat bij uitstek de-
ze vorm van dienst-, hulpverlening of hoe men het noemen wil, 
zal moeten verrichten. Ik vind het toch wat twijfelachtig, of het 
hier nu gaat om particulier initiatief in de echte zin van het 
woord. Als men nu van bovenaf een aantal, vier, vijf landelijke 
instellingen in het leven roept, is dat nu nog wat men op het oog 
had. toen men in allerlei velden van welzijnszorg sprak over het 
particulier initiatief. Is dit nu nog wezenlijk particulier initiatief 
of is dit creëren van het Rijk uit van instellingen die een stuk-
je taak verzorgen en dat misschien best goed zullen doen, maar 
waarvan men zich toch moet afvragen, of dit nu nog het wezen 
van het particulier initiatief is. Ik heb er toch wel grote aarzelin-
gen over, of dit niet in wezen een stukje deconcentratie of de-
centralisatie voor mijn part van een stuk overheidsbemoeiing is 
veeleer dan realisering van uit het particulier initiatief ontspro-
ten, spontaan opgekomen gedachten over nieuwe organen die 
deze zorg aan zich zouden moeten trekken. 

De uitvoering van de plannen zal ik zeker niet - dit wil ik de 
geachte afgevaardigden die daarnaar hebben gevraagd, gaarne 
toezeggen - overhaast doen plaatsvinden. Ik wil daarover graag 
met alle betrokkenen nog nader spreken. 

Ik ben vrij sceptisch over de vraag, of daaruit een communis 
opinio komt. Ik heb daar mijn twijfels over, maar goed, dat valt 
bij het nader bespreken van de plannen af te wachten. 

Mijnheer de Voorzitter! Ik wil nog een enkele slotopmerking 
maken en dan ben ik aan het einde van mijn betoog. Door enkele 
geachte afgevaardigden is gevraagd, hoe het staat met het rap-
port van de commissie- Wiarda. Het is een zeer ingrijpend, zeer 
belangrijk advies dat de commissie heeft uitgebracht op een zeer 
moeilijk terrein van het burgerlijk recht. De realisering van de 
voorstellen van de commissie zou een wijziging van, ik schat, ten 
minste een derde van de artikelen van het net twee jaar geleden 
in werking getreden Eerste Boek van hel Burgerlijk Wetboek no-
dig maken. Dat is op zichzelf reeds een operatie die tot enige aar-
zeling stemt. De adviezen zijn nog niet binnen, niet allemaal ten-
minste; een aantal belangrijke adviezen wachten wij nog. Ik stel 
mij voor dat wij, nadat die adviezen binnen zijn. niet zullen ko-
men met één grote wet, waarin al die voorstellen tegelijkertijd 
zullen worden neergelegd, maar dat het zal gaan in de richting 
van een serie partiële herzieningen, waarbij ik voor mij de voor-
keur zou willen geven aan wijzigingen die nauw aansluiten bij de 
herzieningen op het gebied van de structuur en de organisatie 
van de jeugdbescherming, omdat juist die wijzigingen van groot 
belang zijn om ook op het gebied van de jeugdbescherming 
voortgang te maken. 

De Voorzitter: Ik stel mij voor de gedachtenwisseling verder te 
concentreren op vier groepen van onderwerpen en die achter-
eenvolgens aan de orde te stellen. Luisterende naar de discussie 
en na raadpleging van de waarnemend voorzitter van de vaste 
commissie, zouden dat kunnen zijn: 

als eerste groep van onderwerpen: de problemen van organisa-
tie, integratie, ook departementaal; de stuurgroep; 

als tweede groep van onderwerpen: schaalvergroting, de in-
stellingen, de inrichtingen, de raden, opnameplicht; 

als derde groep van onderwerpen, wanneer daaraan althans 
behoefte is: de problemen, die samenhangen met experimenten 
en subsidiëring: 

als vierde groep van onderwerpen: de voorlopige toevertrou-
wing en de adoptieregeling. 
Als er nog problemen zijn, die niet zijn genoemd, kunnen de 
leden die op de meest logische wijze inpassen. 
Naar mij blijkt, gaat men hiermede akkoord. 

De vergadering wordt te 16.20 uur geschorst en te 16.35 uur 
hervat. 

De Voorzitter: Ik stel thans allereerst aan de orde: de proble-
men van organisatie, integratie, ook departementaal; de stuur-
groep. 

Mevrouw Haas-Berger (P.v.d.A.): Mijnheer de Voorzitter! Ik 
wil graag nog ingaan op het allereerste begin van het verhaal van 
Staatssecretaris Grosheide. Hij heeft onder andere gesteld, dat 
hij niet precies wist wat welzijn was. Nu ben ik een beetje bang, 
dat hij daarover toch niet genoeg contact heeft gehad met het Mi-
nisterie van CRM. 

Staatssecretaris Grosheide: Ik heb het niet gezegd, mijnheer de 
Voorzitter! 

Mevrouw Haas-Berger (P.v.d.A.): De Staatssecretaris had er 
nogal twijfels over; hij kon het niet precies omschrijven. 

Ik wil nog een vraag stellen. In de brief, die de Staatssecretaris 
heeft geschreven, staat dat hij contacten heeft gehad met de Mi-
nisteries van CRM en van Sociale Zaken en Volksgezondheid. 
Kan de Staatssecretaris concreet aangeven, hoe regelmatig die 
contacten zijn geweest en of er inderdaad iets uit is gekomen? In 
hoeverre is in de visie van Staatssecretaris Vonhoff. die volgens 
zijn zeggen ook in die brief is verwerkt, met name de bijzondere 
jeugdzorg verwerkt en de verantwoordelijkheid, die CRM daar-
voor heeft? 

Gebleken is, dat de brief die Staatssecretaris Vonhoff heeft 
gestuurd, een persoonlijke brief was, die niet aan de Kamer is 
voorgelegd. Dan begrijp ik niet helemaal, sinds wanneer het ge-
bruikelijk is dat in een algemene begrotingsbehandeling aankon-
diging wordt gedaan van persoonlijke briefwisseling, aangezien 
Staatssecretaris Vonhoff duidelijk heeft gezegd, dat hij zijn com-
mentaar op de nota-Wiersma mede zou delen. 

Dit waren een paar vragen naar aanleiding van de samenwer-
king met CRM. Ik heb in eerste instantie al gezegd, dat ik er niet 
helemaal van overtuigd was, dat die samenwerking zo prettig 
verliep. 

Wat de stuurgroep betreft, heb ik nog een paar dingen nietge-
hoord. Ik heb met name gevraagd, of de mensen van deze stuur-
groep vrij zouden kunnen worden gesteld van hun dagelijkse ar-
beid. omdat ik bevreesd ben dat het anders niet mogelijk zal zijn, 
in de korte termijn die ook de Staatssecretaris nodig acht, klaar 
te komen op een zo geweldig complex werkterrein. 

Mejuffrouw Cornelissen (K.V.P.): Mijnheer de Voorzitter! Ik 
ben blij dat de Staatssecretaris heeft toegezegd, dat hij experi-
menten mogelijk wil maken, dat hij deze wil evalueren en wil 
toetsen. Ik kom hierop straks nog even terug. 

Ik kan in grote lijnen akkoord gaan met de vier aspecten, die 
zijn opgenoemd bij de nieuwe organisatievormen voor de jeugd-
welzijnssector. Ik heb wat meer moeite met het probleem van de 
integratie. Ik wil nog wel iets vragen over de stuurgroep. 

Alle argumenten die de Staatssecretaris heeft aangevoerd voor 
zijn standpunt geen voorstander te zijn van een staatscommissie, 
zouden argumenten zijn om het wèl te doen. Hij wijst er bij voor-
beeld op dat men de neiging heeft een staatscommissie in het le-
ven te roepen als het gaat om zeer ingewikkelde problemen. Is er 
nu een meer ingewikkeld probleem dan om op dit moment te ko-
men tot een geïntegreerd jeugdwelzijnsbeleid? 

De Staatssecretaris heeft zelf verschillende voorbeelden ge-
noemd. Hij wijst onder meer op het verschil in subsidiëring. Niet 
alleen deze materiële aspecten zijn van belang. Ook de verschil-
lende uitgangspunten zijn van belang. Waarom wordt een be-

Zitting 1971-1972 

TWEEDE KAMER 




Vaste Commissie voor Justitie 

lste vergadering - 19 juni 1972 D 27 

paalde werkvorm wel door de rijksoverheid volledig of ten dele 
gesubsidieerd en waarom zijn voor andere werkvormen gemeen-
ten en provincies ingeschakeld? Ik vind dit heel belangrijke za-
ken in ons staatsbestel. Ik zou dan ook graag zien, dat de Staats-
secretaris een staatscommissie voor dit belangrijke onderwerp 
instelde. 

Ik zou nog iets willen zeggen over de stuurgroep. Als de stuur-
groep gaat functioneren zoals de Staatssecretaris zich dit voor-
stelt, wie wordt dan voorzitter van die stuurgroep? Is dit in mate-
riële zin niet een regeringscommissaris, die aan het hoofd staat 
van drie mensen uit drie verschillende departementen en drie 
mensen uit drie verschillende werkvelden? 

Ik vind deze problematiek buitengewoon urgent. Ik denk daar-
om toch aan een stuurgroep die zich bezighoudt de coördinatie, 
de afstemming en de harmonisatie van de subsidieregelingen op 
korte termijn. Daarnaast zie ik dan graag een staatscommissie 
die dit belangrijke onderwerp van een geïntegreerd jeugd-
welzijnsbeleid in studie neemt. 

Mejuffrouw Kappeyne van de Coppello (V.V.D.): Mijnheer de 
Voorzitter! Ik meen in de discussie een nieuwe vorm van schaal-
vergroting te hebben kunnen waarnemen, nl. een soort van Ba-
bylonische schaalvergroting in de spraakverwarring. Ik vind dat 
de doorzichtigheid op dit moment al begint af te nemen. 

In dit verband ben ik benieuwd naar de werkwijze van de 
stuurgroep. Ik heb tot mijn genoegen vernomen dat drie leden uit 
de gezamenlijke werkvelden zullen voortkomen. De Staatssecre-
taris heeft gezegd, dat het voor een regeringscommissaris erg 
moeilijk is in zijn eentje allerlei dingen te bedenken die men bij 
anderen instemming moet doen vinden. Evenzeer zal het voor de 
drie leden uit de gezamenlijke werkvelden moeilijk zijn met 
denkbeelden te komen, die instemming vinden bij hun achter-
ban. Daarom zou ik graag willen weten, of de Staatssecretaris 
het ook mogelijk acht, dat er een regelmatig contact is, niet al-
leen informeel maaar ook enigszins geformaliseerd, met alle be-
langhebbenden en of die contacten op de een of andere manier in 
de openbaarheid zullen komen. 

Ik denk bij voorbeeld aan het regelmatig verschijnen van inte-
rimrapporten. Dit was ook een vraag, die mevrouw Haas op de 
lippen brandde. Zij heeft nu de vraag aan mij overgedragen. De 
inpassing van de inbreng uit de werkvelden in de stuurgroep lijkt 
mij wel problemen op te leveren. 

Mejuffrouw Van Leeuwen (A.R.P.): Mijnheer de Voorzitter! 
Ik heb in het betoog van de Staatssecretaris een aantal elementen 
gehoord die mij zeer aanspreken. Ik heb ook opmerkingen ge-
hoord waarvan ik het gevoel had, dat wij op een verkeerd spoor 
zitten. Dit is nu juist een materie, waarover de stuurgroep zich 
moet buigen. Hiernaast zal de Staatssecretaris een duidelijke 
taakomschrijving voor de stuurgroep moeten geven. Worden 
ook wij hierover geïnformeerd en op welke termijn zal de stuur-
groep aan het werk kunnen gaan? 

De Staatssecretaris heeft terecht gezegd, dat het noemen van 
een tijdstip moeilijk is. Ik heb hierom gevraagd en zal zeggen 
waarom. Uit alle betogen van vandaag blijkt, dat sprake is van 
een soort Babylonische spraakverwarring ten aanzien van de 
materie waarover wij spreken. Hierover zal zo spoedig mogelijk 
duidelijkheid moeten komen. Naar mijn mening moet het mo-
gelijk zijn, de taakopdracht onder te verdelen in een aantal vel-
den van studie en onderzoek. Het zal eerst moeten gaan over de 
onderliggende filosofie; daarna zal het om een concrete vertaling 
moeten gaan. 

Ik blijf bezwaar houden tegen het eerst harmoniseren van sub-
sidieregelingen en het pas dan aangeven van de filosofie. Ik kan 
mij voorstellen, dat een geprogrammeerde taakopdracht wordt 
opgesteld en dat een voortschrijdingscontrole wordt ingebouwd, 
zich tevens uitende in het regelmatig uitbrengen van deelrappor-
ten, waarover dan ook telkens de Kamer zou moeten worden in-
gelicht. Ik meen dat dan binnen een jaar al heel wat mogelijk kan 
zijn. Dan kunnen wij het in ieder geval eens zijn over de algeme-
ne uitgangspunten. Daarna kan direct hierop worden aangesloten 
met het bijsturen , bijv. door allerlei maatregelen met betrekking 

tot de subsidieregelingen te nemen. Dan kan stap voor stap ver-
der worden gewerkt. 
Ik verneem graag, of de Staatssecretaris in deze richting wil 
meedenken en ons in deze geest op de hoogte wil houden van de 
vorderingen binnen de stuurgroep. 
De omvang van de stuurgroep, mijnheer de Voorzitter! Hier-
over kan zeer verschillend worden gedacht. Ik meen, dat een -
qua aantal leden - niet te grote stuurgroep althans de mo-
gelijkheid van een vlotte werkprocedure zou kunnen bevorde-
ren. Wanneer er ergens behoefte aan is, dan is het wel hieraan. 
Als er één ambtenaar per departement inkomt, zal hij alles wat in 
de stuurgroep plaatsvindt met de verschillende ambtenaren op 
dit departement kunnen doornemen. Zo zal men ook in het veld 
bereid moeten zijn, datgene wat in de stuurgroep speelt - deze 
openheid zou in deze tijd zeker mogelijk moeten zijn - met de 
achterban, door te spreken en dit te begeleiden. 

Mejuffrouw Goudsmit (D'66): Mijnheer de Voorzitter! De 
Staatssecretaris heeft gezegd, niet te weten, of hij voorstander 
zou zijn van één departement. Hij is wel voorstander van een 
maximale integratie van beleid ter verkrijging van optimale hulp-
verlening. Dit vind ik een verheugend uitgangspunt. Ik meen 
echter, dat dit alleen te verwezenlijken is - ik redeneer vanuit de 
praktijk - met één departement. Ik heb al gezegd, dat de aanpak-
ken van de verschillende ministeries op het ogenblik één consis-
tent beleid beletten. Er zijn instellingen - op verschillende vel-
den, welke echter volstrekt met elkaar in verband staan - die ge-
heel in elkaar overgaan en die met verschillende subsidieregelin-
gen moeten werken en moeten proberen, een zo voordelig mo-
gelijke regeling te verkrijgen, ook als dat ten nadele van één deel 
van hun werkveld is. 

Dit is onjuist. Ik vraag de bewindsman daarom nogmaals, of 
hij nog eens ernstig wil denken over de suggestie van de veldnota 
van „De langste dag", die ervan uitgaat, dat er in 1976 - wat mij 
betreft, mag het ook 1977 zijn, maar in ieder geval binnen afzien-
bare termijn - een departement voor welzijnszaken komt, waar 
naartoe wordt gewerkt in een overgangsstructuur, waarbij de 
verschillende subsidieregelingen zo één zijn, dat het voor het 
soort werk en de kwaliteit ervan die een instelling verricht, on-
verschillig is van welk ministerie men zijn geld krijgt. 

Wat de stuurgroep betreft van zes leden met een neutrale 
voorzitter, die nog niet een bron heeft waaruit hij voorkomt; ik 
moet daarbij onwillekeurig denken aan een arbitrale commissie, 
waar de ene partij een groepje arbiters benoemt en de andere 
partij een ander groepje, terwijl zij samen de voorzitter moeten 
benoemen dan wel - zo luidt het meestal bij overeenkomsten -
aan de president van de rechtbank de voorzitter moeten vragen. 
Ik denk niet, dat de Staatssecretaris dat bedoelt, maar het feit al-
leen al, dat dit die associatie bij mij wekte. Iaat wel begrijpen hoe 
moeilijk ik het zie daar een beetje eensluitend advies van te 
krijgen. 

Staatssecretarris Grosheide: Het gaat toch niet om het oplos-
sen van een conflict. 

Mejuffrouw Goudsmit (D'66): Ik hoop, dat er geen conflicten 
komen. 

Ik vind echter, dat de taak, die de Staatssecretaris aan de 
stuurgroep wil opdragen, namelijk het weer opstellen van een 
schets, wat sombermakend is. Wij hebben nu een nota-Wiersma, 
wij hebben een nota ,,De langste dag". Ik meen. dat wij nu voor-
lopig voldoende schetsen hebben. Ik geloof, dat de stuurgroep of 
de staatscommissie of de regeringscommissaris bij de praktijk 
moet beginnen, dat hij moet stimuleren door het geven van 
aanwijzingen en het mogelijk maken bij de departementen van 
subsidieregelingen, dat er zulke dingen als aanloopcentra of bu-
reaus of superwachten of wat dan ook komen. Ik geloof niet, dat 
er weer een schets moet worden gemaakt, maar ik geloof, dat de 
praktijk nu moet beginnen. Ik geloof nog steeds, dat een rege-
ringscommissaris dat het beste kan doen en dat hij het beste, 
uiteraard met inspraak van het veld, dergelijke directieven kan 
geven. 

Zitting 1971-1972 

TWEEDE KAMER 




Q 28 lste vergadering ¦ 19 juni 1972 

Vaste Commissie voor Justitie 

Als de voorzitter van de stuurgroep van de Staatssecretaris, 
zoals mejuffrouw Cornelissen suggeerde, toch een regerings-
commissaris wordt, dan zou dat nog te doen zijn, maar van een 
stuurgroep met de taakopdracht, zoals de Staatssecretaris nu 
schetste, verwacht ik niet zoveel heil. Ik zou de Staatssecretaris 
willen vragen daar nog eens zeer goed over te denken. Ik hoop 
dan, dat wij in de memorie van toelichting bij de begroting nog 
wat andere denkbeelden zullen aantreffen. 

Staatssecretaris Grosheide: Mijnheer de Voorzitter! Ik wil 
graag mevrouw Haas geruststellen op het gebied van de samen-
werking tussen CRM, Volksgezondheid en Justitie. Ik heb de 
aantallen contacten niet geteld, maar wij hebben afspraken ge-
maakt over de wijzen, waarop wij de voor een groot gedeelte ge-
meenschappelijke problematiek samen zullen aanpakken. Ik 
dacht, dat toch op z'n minst het voordeel van de twijfel aan de 
afspraken, die wij in dat kader hebben gemaakt, mag worden ge-
geven. . 

Wat mijn kritische opmerkingen over de betekenis van het 
welzijn betreft, heb ik mij kennelijk onbewust laten verleiden 
door een opmerking van de heer Damoiseaux in het laatste num-
mer van „Jeugdwerk nu", waarin hij zegt niet te weten, of aan 
CRM het concept welzijn ten grondslag ligt. „Hoewel het woord 
in de Nationale Raad voor Maatschappelijk Welzijn voorkomt, 
weet ik met het begrip „welzijn" niet goed raad," aldus de heer 
Damoiseaux. 

De beschikbare tijd is naar mijn mening een belangrijk punt. 
Wij zullen erop moeten toezien, dat de stuurgroep vlot en voort-
varend werkt. Of dat nu moet betekenen, dat de leden helemaal 
worden vrijgesteld en niets anders meer doen, weet ik niet, maar 
in ieder geval wil ik graag erop toezien, dat het niet een commis-
sie wordt, die eens in de twee maanden met moeite in de agenda 
een lege plek vindt om weer te vergaderen. 

Mevrouw Haas-Berger (P.v.d.A.): Ik vermoed dat een gezel-
schap dat eenmaal per week een hele dag bijeenkomt ook niet in 
één a anderhalf jaar klaar zal kunnen zijn. 

Ik heb in eerste instantie gevraagd naar de brief van Staatssec-
retaris Vonhoff. Graag had ik de reactie van deze Staatssecreta-
ris op die brief gehoord. Ik begrijp nog steeds niet waarom, als 
officieel bij een begrotingsbehandeling is aangekondigd dat er 
van de kant van één departement een visie zal worden gegeven 
die bij de samenspraak over deze gehele problematiek geweldig 
belangrijk is, die visie vanuit dit departement niet ter tafel komt. 
Het ware mogelijk dat die visie niet geheel overeenkomt met de 
visie van het departement van Justitie. Evengoed is het mogelijk 
dat de opvattingen van CRM over de verantwoordelijkheid voor 
het jeugdwelzijnsbeleid theoretisch en ook praktisch met deze 
visie in botsing komt. Daarom blijf ik het betreuren dat beide op-
vattingen niet voor ons liggen en dat de Staatssecretaris er ook 
niet op is ingegaan. Ik zie dit als een ernstig gebrek, ook al gaat 
het volgens de Staatssecretaris alleen om de justitiële jeugdbe-
scherming. Het is een zo complex geheel, dat de visie van CRM 
- die bij de Staatssecretaris op tafel ligt - voor ons heel belang-
rijk zou zijn geweest. 

Staatssecretaris Grosheide: Mijnheer de Voorzitter! Wij gaan 
er nog steeds vanuit dat departementen geen visies hebben. Die 
behoren zij ook niet te hebben; alleen bewindslieden hebben vi-
sies. Het is weliswaar op zich zelf een heel vreemde gedachte, 
maar zij is te recht in ons staatsrecht geaccepteerd. In die zin is 
het antwoord van collega Vonhoff mijns inziens juist. Het resul-
taat van ons gemeenschappelijk beraad over de vraag, wat er als 
vervolg op de nota van mijn voorganger zal moeten gebeuren, 
heeft men aangetroffen in de brief die ik aan de Kamer heb ge-
schreven. 

Mevrouw Haas-Berger (P.v.d.A.): Ik blijf het betreuren. 

Staatssecretaris Grosheide: Mejuffrouw Cornelissen zou het 
probleem in twee delen willen ontleden: enerzijds korte-termijn-
problemen, harmonisatie en coördinatie; anderzijds de structure-

ring op langere termijn. Zet voor het eerste een stuurgroep aan het 
werk en belast een staatscommissie met het laatste, zo merkte zij 
op. Ik sluit niet uit, dat het daar een keer van zal moeten komen, 
maar ik ben van mening dat het nu daar niet het goede moment 
voor is. Wij zitten nu met een aantal al heel lang bestaande prak-
tische problemen. Voorts zien wij in verschillende stukken die 
de laatste tijd zijn geproduceerd een aantal aanzetten voor oplos-
singen. Bovendien hebben wij er heel veel behoefte aan, op kor-
te termijn een aantal experimenten te entameren of reeds aan de 
gang zijnde experimenten beter te begeleiden, ten einde te bezien 
wat er op het gebied van de integratie en de samenhang mogelijk 
is. De vraag, in hoeverre dit moet leiden tot bij voorbeeld een de-
partementale herindeling, is een probleem van langere termijn, 
dat misschien over enige tijd wat duidelijker ter tafel zal liggen. 
Ik vind geen enkele departementale indeling sacrosanct; elke in-
deling heeft haar eigen voor- en nadelen. Ook daarvoor geldt dat 
elke integratie in het kader van één departement weer desinte-
gratie ten opzichte van andere activiteiten teweegbrengt. 
Voor mij is het de vraag, of nu reeds het moment is gekomen 
om een staatscommissie aan het werk te zetten en tegelijkertijd 
een stuurgroep in het leven te roepen, die eigenlijk al zou moeten 
uitvoeren wat die staatscommissie nog moet bedenken. Ik sluit 
niet uit dat als gevolg van het werk van de stuurgroep een aantal 
meer fundamentele vragen overblijven - ook betreffende de de-
partementale taakverdeling en de maatschappelijke taakverde-
ling -, die onderwerp van nadere studie zouden moeten zijn. 
Mejuffrouw Cornelissen (K.V.P.): Ik krijg het gevoel dat de 
Staatssecretaris en ik elkaar nu een beetje gaan begrijpen. Ik ben 
daar erg gelukkig mee. Mijns inziens kunnen de stuurgroep en de 
staatscommissie toch gelijktijdig werken. Kan de Staatssecreta-
ris toezeggen, dat de stuurgroep niet de opdracht krijgt, de plan-
ning op lange termijn te verzorgen? Kan de staatscommissie niet 
tegelijk met de stuurgroep aan het werk gaan of eventueel wat la-
ter, wanneer men wat zicht heeft op deze zaak? 

Staatssecretaris Grosheide: De stuurgroep kan en mag er mijns 
inziens niet aan ontkomen, voor zij overgaat tot het begeleiden, 
entameren en stimuleren van experimenten een aantal doelstel-
lingen te formuleren. Ik meen dat dit ook de teneur van de op-
merkingen van mejuffrouw Cornelissen is. Het lijkt mij ook wel 
logisch, dat men niet eeist experimenten op gang brengt en pas 
daarna de doelstellingen formuleert. Op basis van de laatste 
moet men experimenten doen. Het is mogelijk, dat de geachte af-
gevaardigde en ik toch vrij dicht bij elkaar staan. Ook hier liggen 
vele echelons boven elkaar. Op het ogenblik wordt in allerlei 
stukken, nota's en voorstellen gesproken over integratie, 
welzijnsbeleid, jeugdwelzijnsbeleid alsof het niets is en alsof het 
morgen al zou zijn te realiseren. 

Mijns inziens zullen wij naarmate wij de problemen systemati-
scher ter hand nemen meer te weten komen van de meer funda-
mentele problematiek. Daarop doelde ik ook toen ik zei, dat ik 
het niet uitsloot, dat er nog eens een staatscommissie zou moe-
ten komen. Ik meen dat men niet kan stellen, dat de stuurgroep 
zich moet onthouden van het spreken over beleidsuitgangspun-
ten en onmiddellijk moet overgaan tot het praktische werk. Dan 
weet zij niet waarop zij haar praktische werk moet richten. Mo-
geiijk praten mejuffrouw Cornelissen en ik echter nog langs el-
kaar. 

Ik kan op dit moment nog niet zeggen wie de voorzitter van de 
stuurgroep wordt. Er zijn wel gedachten over. Niet iedereen is er 
geschikt voor. Van degenen die wel geschikt zijn is niet iedereen 
bereid. 

Mejuffrouw Goudsmit (D'66): En van degenen die bereid zijn 
is niet iedereen geschikt! 

Staatssecretaris Grosheide: Dat is ook niet uitgesloten. Dege-
nen die bereid zijn hebben zich echter nog niet allen gemeld. De 
aanmelding staat nog open. 

Mejuffrouw Kappeyne van de Coppello heeft gevraagd naar 
het contact tussen de stuurgroep en de werkvelden Voorkomen 

Zitting 1971-1972 

TWEEDE KAMER 




Vaste Commissie voor Justitie 

lste vergadering ¦ 19 juni 1972 Q 29 

moet worden, dat het uitsluitend studeerkamerwerk wordt. De 
gedachten die leven in het veld moeten zogoed mogelijk worden 
gepeild en vertaald in uitgangspunten, doelstellingen en experi-
menten. 

Ik twijfel er niet aan, dat de leden van de stuurgroep wel eens 
spanningen kunnen krijgen met de achterban. Met dat probleem 
wordt elk lid van welk gezelschap ook geconfronteerd als hij aan 
de ene kant zijn eigen standpunt moet vertolken en aan de andere 
wordt geacht, de representant van een bepaalde groepering te 
zijn. Daaraan valt niet te ontkomen. 

Ik zeg mejuffrouw Van Leeuwen gaarne toe, dat ik ernaar zal 
streven, de opdracht van de commissie zodanig te maken, dat 
deze zo gefaseerd mogelijk kan werken, zodat zo snel mogelijk 
de eerste resultaten bekend kunnen worden, die eventueel on-
derwerp van een aparte discussie in deze Kamer zullen kunnen 
vormen. Ik zal met de voorzitter en de leden der commissie na-
tuurlijk moeten bespreken, welke tijdstippen dat zullen zijn. Als 
regel wordt bij dit soort van colleges de nauwkeurige taakop-
dracht in nauw overleg met de leden ervan geformeerd. Ik acht 
het ook het beste, hierbij een zekere wisselwerking te betrach-
ten. Deelrapporten lijken mij uiterst zinnig. Ik meen, dat wij erop 
moeten toezien, dat de Kamer telkens wordt gerapporteerd zo-
dra er weer een concreet werkstuk ter tafel ligt. 

Wat de vraag van mejuffrouw Goudsmit over het ene departe-
ment betreft, waarover ik zojuist al iets heb opgemerkt, wil ik 
nog zeggen, dat dit natuurlijk bij uitstek een zaak is die in het ka-
der van de opstelling van verkiezingsprogramma's en kabinets-
formaties aan de orde komt. Ik heb de indruk, maar ik kan mij 
natuurlijk vergissen, dat men alle activiteiten van de overheid 
praktisch kan onderbrengen onder de noemer welzijn. Aange-
zien dat uit de aard der zaak niet de bedoeling is, gaat het er dan 
toch weer om, binnen het kader van de behartiging van het 
welzijn waarmede alle departementen bezig zijn een bepaalde 
sector af te zonderen, die dan nog meer welzijn is dan het andere 
welzijn. Het is zoiets als: wij zijn allemaal gelijk, maar de een is 
meer gelijk dan de ander. Ik betwijfel wel eens, of dat uitvoer-
baar is en of men wel kan zeggen, dat bij voorbeeld het Ministe-
rie van Onderwijs en Wetenschappen, dat mij ook na aan het hart 
ligt, zoveel minder met welzijn heeft te maken dan de Ministeries 
van Justitie, van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening of 
van CRM. Het zou dus wel eens zo kunnen zijn, dat wij met de 
terminologie van het welzijn ten aanzien van één departement er 
toch niet helemaal uitkomen. Ik wil er echter graag nog eens over 
nadenken. 

De Voorzitter: Als tweede groep van onderwerpen stel ik aan 
de orde: schaalvergroting, de instellingen, de inrichtingen, de ra-
den, opnameplicht. 

Mejuffrouw Kappeyne van de Coppello (V.V.D.): Mijnheer de 
Voorzitter! Wat de subsidievoorwaarden betreft ten aanzien van 
de instellingen heeft de Staatssecretaris gezegd, dat nu al 25 pet. 
meer subsidie naar de grotere instellingen gaat. In zijn brief heeft 
hij evenwel gesteld van plan te zijn de gewenste schaalvergroting 
na overleg met de Nationale Federatie tot stand te brengen via 
het stellen van subsidievoorwaarden. Het staat mij niet helemaal 
duidelijk voor ogen wat hij daarmede bedoelt. Worden dan plot-
seling allerlei nieuwe voorwaarden gesteld voor subsidies die nu 
al worden gegeven of worden nieuwe voorwaarden gesteld ter 
verkrijging van een verhoogd subsidie? Ik dacht meer aan het 
laatste, vandaar dat ik in eerste termijn vroeg, of de Staatssecre-
taris daaromtrent meer concrete ideeën en een raming van de er-
mede gemoeide bedragen had. 

Wat de inrichtingen betreft, wil ik graag weten wat precies 
wordt bedoeld met de zeer zware wissel, die volgens de Staats-
secretaris - volgens mejuffrouw Cornelissen een zware wissel of 
alleen maar een wissel; daarvan wil ik af wezen - wordt getrok-
ken ten aanzien van de bereidheid van inrichtingen, pupillen op 
te nemen. Is de bedoeling van het gestelde, dat de Staatssecreta-
ris een stok achter de deur heeft om als het beleid zich niet in de 
door hem gewenste zin ontwikkelt toch de opnameplicht in te 
voeren? Of ziet hij nog andere mogelijkheden dan in de nota-

Wiersma worden genoemd? Ik haak hierbij in, op de zin die ik in 
eerste termijn trachtte te reciteren en waarin de Staatssecretaris 
stelde, dat hij middelerwijs zijn aandacht zou blijven schenken 
aan mogelijke andere oplossingen. 

De heer Wiebenga (P.S.P.): Mijnheer de Voorzitter! Allereerst 
wil ik de opmerking kwijt, dat ik bet geheel eens ben met de 
Staatssecretaris, dat de regionale opzet van de veldnota van De 
Langste Dag niet duidelijk combineerbaar is met een integratie 
op levensbeschouwelijke grondslag. Het debatje daarover heb ik 
met verbazing aangehoord. Als men het wel wil combineren, 
komt men mijns inziens niet terecht in een sociale supermarket 
maar in een sociale mammoetmarket. Ik kan mij niet goed voor-
stellen, dat die zal kunnen functioneren. 

Over de kwestie van opnameplicht en acceptatieplicht ben ik 
nog lang niet gerust. De beantwoording daarvan door de Staats-
secretaris heeft mij wel duidelijk gemaakt, dat hij wel zeer zwaar 
tilt aan het feit, dat hij de opnameplicht heeft losgelaten. Als hij 
zegt. dat het schuiven met kinderen of het niet juist plaatsen van 
kinderen moet worden vermeden, noemt hij precies datgene, 
waarmee wij tot nu toe te maken hebben gehad en waaruit de 
aandrang is voortgevloeid te komen tot opnameplicht. De vrij-
heid van inrichtingen voor hun eigen pedagogische beleid is na-
tuurlijk een zeer mooie zaak, maar zij moet niet ad adsurdum 
voeren. 
Dit punt wil ik in verband brengen met een door mij in eerste 
termijn gestelde vraag, waar de Staatssecretaris overigens niet 
op is ingegaan, namelijk inzake gettovorming. Wanneer er geen 
opnameplicht is, wordt de kans des te groter, dat als men langs 
dergelijke wat samenwerkingsachtige oplossingen uit de proble-
men moet komen, de instellingen tot een afspraak komen, waar-
door bepaalde inrichtingen als „vuilnisbak" gaan functioneren. 
Dat risico is bepaald niet los te koppelen van het probleem van 
de opnameplicht. Als de Staatssecretaris terugkomt op zijn wat 
moeizaam ingenomen standpunt, zal mij dat zeer verheugen. 
Ten slotte kom ik bij de kwestie van de samenstelling en de po-
sitie van de besturen van de instellingen. In eerste termijn heb ik 
een vraag gesteld over de ontwikkeling van de zeggenschap van 
ouders, pupillen, medewerkers en overheid. Tot nu toe wordt 
daar mijns inziens te weinig over gesproken en wordt te veel als 
vanzelfsprekend aangenomen, dat de levensbeschouwelijke or-
ganisaties daarin als het ware het laatste woord hebben, zonder 
deze zeggenschap daarin ingebouwd te zien. Ik zou daarover 
graag de mening van de Staatssecretaris horen. 

Mejuffrouw Van Leeuwen (A.R.P.): Mijnheer de Voorzitter! 
Niemand zal zich erover verwonderen, dat ik toch nog een enke-
le kanttekening plaats bij de schaalvergroting, vooral ook om alle 
mogelijke misverstanden uit te sluiten. De overheid mag bepaald 
schaalvergroting stimuleren. Het moet echter bij stimuleren blij-
ven. Dat mag nooit op een bepaalde wijze gedwongen worden in 
verband met de levensbeschouwelijke verscheidenheid, die ik 
een groot goed acht. Dat wil niet zeggen, dat er voor al die ver-
schillende levensbeschouwelijke instellingen niet de plicht be-
staat aan schaalvergroting mee te werken. Zij werken met ge-
meenschapsgelden, zodat zij ook duidelijk de plicht hebben, 
daarmee op de meest doelmatige wijze om te gaan. Ik zou ze 
echter in vrijheid voor de meest geëigende vorm willen laten kie-
zen. Waar ze op uit komen, behoort tot de vrijheid van het parti-
culier initiatief. Iedereen kent mijn voorkeur. Die heb ik al in het 
kader van het eerste echelon, zoals in de veldnota wordt uiteen-
gezet, even geadstrueerd. Ik heb zelf ook de stellige indruk, dat 
bij de opzet, de inhoud en de vormgeving van de veldnota niet 
aan mijn ideaal wordt gedacht. 

Wanneer mijn ideaal vanuit het levensbeschouwelijke gevari-
eerde veld niet meer zou worden gehonoreerd, dan ben ik van 
mening, dat het particulier initiatief die vrijheid heeft, al heb ik 
persoonlijk een andere voorkeur en hoop ik, dat bepaalde instel-
lingen, waarmede ik mij nauw verwant voel, toch naar een in dit 
opzicht herkenbare vorm van schaalvergroting zullen streven. In 
die context wil ik het zien; dan moeten er naar mijn mening ook 
mogelijkheden zijn om al datgene te verenigen, wat zij zo graag 

Zitting 1971-1972 

TWEEDE KAMER 




D 30 1ste vergadering - 19 juni 1972 

Vaste Commissie voor Justitie 

zouden willen, opdat tot een ordening op dit terrein - misschien 
ook wel op andere terreinen - wordt gekomen. Wij moeten daar-
over niet gering denken. Wij moeten niet denken, dat het veld uit 
niet zou kunnen opbrengen. Zoeven hebben wij een telegram 
ontvangen, dat mij ten zeerste heeft verheugd. De besturen van 
de Heldringstichtingen te Zetten, De Helperhaven te Groningen, 
de Rekkense inrichtingen te Rekken en de Groesbeekse tehuizen 
te Groesbeek zijn tot een bepaalde vorm van samenwerking ge-
komen. Nogmaals, ik vind dat de schaalvergroting niet van bo-
venaf op bepaalde wijze dwingend moet worden opgelegd. Dat is 
de vrijheid van het particulier initiatief, die ik voor mijzelf mis-
schien op een andere wijze zou vertalen maar waarbij ik de ge-
maakte keuze wel honoreer. 

De heer Wiebenga (P.S.P.): Het telegram houdt natuurlijk op 
zich zelf en verheugend bericht in, maar ziet de geachte afge-
vaardigde toch al niet een voorafschaduwing van het risico ter 
zake van het maken van afspraken in de zin van: Wij worden het 
wel eens, de allermoeilijkste gevallen gaan dan naar een afge-
sproken instituut. In latere jaren zal zich deze gang van zaken 
enorm op de kinderen wreken. 

Mejuffrouw Van Leeuwen (A.R.P.): Dat laatste kan ik nog niet 
overzien. Ik zie het gevaar wel. maar ik wil toch wel afwachten, 
hoe dit zich in de praktijk uitkristalliseert. Door een bepaalde or-
ganisatorische vormgeving kan men trachten dit te voorkomen. 
Het voert mij thans te ver, daarop in te gaan. 

Mijnheer de Voorzitter! Ik wil nog een opmerking maken over 
de taak van de Raden voor de Kinderbescherming thans en de 
Raden voor de Jeugdbescherming in de toekomst. Ik hoop, dat 
de Staatssecretaris gelijk heeft. Overigens vind ik. dat er in de 
nota-Wiersma alle aanleiding is voor alle kriteik, die uit het veld 
is geleverd. Op blz. 23 wordt nadrukkelijk gesteld, dat na onder-
zoek van de zaak afgewogen wordt, of in een bepaald geval de 
organen van de bijzondere jeugdzorg of andere instanties niet 
eerder geroepen zijn om hulp te verlenen. Iedereen valt natuur-
lijk over het woord ,,onderzoek". Als de Staatssecretaris het in-
derdaad wil begrenzen tot een eerste opvang van de klachten, 
dan is al een deel van mijn zorg weggenomen. Ik zou dit kunnen 
vergelijken met de taken van de dienst voor de sociale zaken; 
daar heeft men voor deze zaak een andere functionaris. De bij-
standsambtenaar doet de eerste „intake"; de voorzitter vond dit 
een zeer wonderlijk woord: het kan worden vertaald als de toe-
gangspoort tot de dienstverlening en hulpverlening, die moet ge-
schieden. Een deel van mijn bezwaren zou wegvallen, wanneer 
het zou gaan om een soort van een sociale bijstandsambtenaar, 
en de maatschappelijk werk-afdeling er niet aan te pas komt. 

Mejuffrouw Goudsmit (D'66): Mijnheer de Voorzitter! Ik wil 
een enkele opmerking over de regionalisering maken. Ik ben iet-
wat geschrokken van hetgeen de Staatssecretaris zei. Misschien 
heeft hij bedoeld - ik heb het niet uit de brief kunnen begrijpen -
dat er in feite in plaats van één instelling per regio meerdere in-
stellingen per regio mogelijk zijn. In de brief staat: 

,,Zal in het algemeen het werkgebied van een instelling 
geografisch niet te uitgebreid mogen zijn, voor een enkele 
instelling met een zeer gespecialiseerde deskundigheid, of 
zich richtend op de begeleiding van minderjarigen van een 
kleine kerkgenootschap c.q. levensbeschouwelijke groepe-
ring, zal het slechts mogelijk zijn zinvol te fungeren indien 
het werkterrein regionaal niet is beperkt.". 

Mijnheer de Voorzitter! Ik had daaruit begrepen, dat bij voor-
beeld een gereformeerd of een joods probleemkind dat prijs stelt 
op een speciale gereformeerde of joodse begeleiding, zulks moet 
kunnen krijgen, maar dat dit niet betekent, dat in elke regio weer 
verschillende instellingen komen. 

Nu heb ik begrepen, dat de Staatssecretaris deze mogelijkheid 
wel insluit. Ik vind dat bijzonder jammer. Ik geloof, dat dit niet 
nodig is. Ik ben het eens met mejuffrouw Cornelissen en Van 
Leeuwen. Bij één instelling per regio is het naar mijn mening heel 

goed mogelijk om één landelijke stichting van een bepaalde le-
vensbeschouwing of religie te hebben, die uitleenkrachten heeft 
gestationeerd bij de verschillende bureaus; zij kunnen desnoods 
heen en weer reizen. Ik meen, dat het mogelijk is, de twee uit-
gangspunten te combineren, maar ik zou het bijzonder onwen-
selijk vinden, indien toch weer per regio verschillende zuilen 
werden ingevoerd. 

Met betrekking tot de regionalisering heeft de Staatssecretaris 
de opnameplicht van inrichtingen èn instellingen laten vallen. Dit 
is terecht geschied, omdat het een gebrek aan realistisch vertrou-
wen in de instellingen is, wanneer men van een dergelijke plicht 
spreekt, zoals de heer Wiebenga heeft gedaan. Het is juister, de 
formulering te gebruiken, die door ,,de langste dag" is opgesteld 
en die men kan vinden op blz. 19 van de nota van deze organisa-
tie. Er wordt gesteld dat, wanneer eenmaal één instelling per re-
gio is gerealiseerd, die een afdeling consulenten en een afdeling 
residentiële gemeenschap kent, uiteraard bij de residentiële ge-
meenschap de verantwoordelijkheid bestaat om plaatsingen te 
realiseren. Ik meen dat tot nu toe geen sprake is geweest van een 
stelselmatig weigeren van moeilijke gevallen of iets dergelijks. 
Wanneer kinderen niet worden opgenomen, gaat het meestal om 
gevallen, waarin alle pedagogen en psychologen menen, dat op-
name niet helpt. Het is dan geen kwestie van weigeren, maar het 
gaat dan om een benadering, die in pedagogisch opzicht de minst 
slechte is. Ik meen, dat er geen plicht moet zijn in de zin, die de 
heer Wiebenga nog voorstaat en die de Staatssecretaris gelukkig 
heeft laten vallen. 
Wat betreft de raden ben ik het eens met mejuffrouw Van 
Leeuwen. De bedoeling van de nota-Wiersma en van de Staats-
secretaris is niet, dat de raad alleen een raad van advies voor de 
jeugdrechter is; dit zou mijns inziens wel in feite de taak moeten 
worden voor de Raad voor de Jeugdbescherming. Ik geloof, dat 
de andere taken, die de Staatssecretaris heeft genoemd, de raad 
moeten worden ontnomen of moeten worden afgebouwd. 
Mevrouw Haas-Berger (P.v.d.A.): Mijnheer de Voorzitter! Ik 
wil de Staatssecretaris nog even opmerkzaam maken op enkele 
vragen, die ik heb gesteld en waarop geen antwoord is gekomen. 
Omwille van de tijd is het wellicht beter, dat deze vragen later 
schriftelijk worden beantwoord. 

Het gaat om de vragen betreffende de justitiële documentatie, 
de opleiding van de groepsopvoeders van de kinderbescherming 
en de kwestie van het hoger beroep, wanneer geen plaatsing 
heeft plaatsgevonden op grond van het onderzoek van een in-
stelling. 

In het algemeen kan ik de woorden van mejuffrouw Goudsmit 
over de regionalisering onderschrijven. Ik heb - evenmin als de 
heer Wiebenga - geen antwoord gekregen op mijn vraag, of bij 
de instellingen een overlegstructuur kan worden gerealiseerd, 
waarbij het personeel invloed heeft op het beleid. 

Ik ben het niet geheel eens met de uitlatingen van mejuffrouw 
Goudsmit ten aanzien van de opnameplicht. Ik tendeer meer 
naar het verhaal van de beer Wiebenga. 

Geen antwoord heb ik gekregen op mijn vraag, hoe de Staats-
secretaris denkt over een wat grotere sanctie, wanneer het parti-
culiere initiatief, de jeugdbeschermingsinstellingen te zamen met 
inrichtingen, niet op zeer korte termijn een plaatsing kan realise-
ren. In dat geval zou een opnameplicht moeten gelden. 

Ook op mijn vraag betreffende de contacten tussen inrichtin-
gen met instellingen van Volksgezondheid - ik heb geconstateerd 
dat er op dat gebied nogal wat fricties bestaan; wellicht weet men 
op het departement beter waarover ik het heb wanneer ik herin-
ner aan de zaak van Jansje J. uit Groningen - heb ik geen ant-
woord gehad. Wanneer ten aanzien van kinderen bepaalde maat-
regelen gelden, wordt blijkbaar vaak door instellingen van volks-
gezondheid gesteld, dat het niet om hun zaak, maar om die van 
de kinderbescherming gaat. Men moet dan maar zien dat het in 
een kinderbeschermingsinrichting wordt geplaatst, terwijl het 
heel goed mogelijk is, dat de indicatie met betrekking tot het kind 
op een psychiatrische inrichting duidt. 

Mejuffrouw Cornelissen (K.V.P.): Mijnheer de Voorzitter! 

Zitting 1971-1972 

TWEEDE KAMER 




Vaste Commissie voor Justitie 

lste vergadering - 19 juni 1972 [) 31 

Mejuffrouw Goudsmit stelde zojuist dat wij voorstanders zou-
den zijn van één instelling per regio. Ik kan mij voorstellen dat 
dit in sommige regio's wel het geval zal zijn, maar in andere niet. 
Dat neemt niet weg, dat er natuurlijk nauw samengewerkt kan 
worden, ook indien de gedachten die mejuffrouw Goudsmit zo-
juist heeft geopperd worden uitgevoerd. 

Bij interruptie is er al iets opgemerkt over de differentiatie. 
Mejuffrouw Van Leeuwen verheugt zich over het telegram dat 
wij zojuist hebben ontvangen van de inrichtingen uit Setten, 
Rekken en Groesbeek. Juist de verruiming van de differentiatie-
mogelijkheden binnen deze instellingen doet mij zo bijzonder 
plezier. Het is ook een vorm van differentiatie die ik bijzonder 
wil aanbevelen. Gelukkig zien wij dat die in het veld al wordt ge-
realiseerd. 

De vergelijkingen met het onderwijs deel ik niet helemaal. Als 
wij op de huidige voet zouden moeten doorgaan, moest er mis-
schien worden gestopt met het uitbreiden van de gedifferentieer-
de vormen van onderwijs. Misschien moeten er dan zelfs vor-
men afvallen. Dat is echter een andere zaak. 

De Staatssecretaris is niet ingegaan op mijn verzoek op con-
trole of inspectie op het probleem van de plaatsing van niet-justi-
tiële kinderen in tehuizen. Daarover zou hij overleg plegen. Dat 
is ook in de nota aangehaald. 

Ik sluit mij bijzonder gaarne aan bij mevrouw Haas-Berger met 
betrekking tot de vernietiging van justitiële documentatie. Ik 
denk aan het boek ,,Honden zonder halsband" van Gilbert Cer-
bron, dat ik iedereen ter lezing aanbeveel, die er voorstander van 
zou zijn, dossiers erg lang te bewaren, zeker als het om kinderen 
gaat. 

De Staatssecretaris zei dat hetgeen er aan beraad bij de Kin-
derbescherming gebeurt naar de Raden voor de Kinderbescher-
ming wordt geschoven. Zouden wij niet in een goed onderzoek 
inzake de raden tot de ontdekking komen dat wij of de Minister, 
die mede namens de raden spreekt en voor hun functioneren op-
komt - hetgeen ik toejuich, begrijp en zelfs waardeer - dat de ra-
den zo'n marginale functie vervullen? Zou dat niet een van de 
oorzaken zijn dat alle kwaad naar hen toe wordt geschoven? 

Wil de Staatssecretaris ter wille van de duidelijkheid een meer 
stringente taakafbakening voor de Raden voor de Kinderbe-
scherming of voor de jeugdbescherming bevorderen? 

Is het niet mogelijk ons de gegevens van de Raden voor de 
Kinderbescherming, de seponeringen en de verwijzingen te doen 
toekomen? Kunnen de interpretaties daarbij worden gevoegd? 
Men zal begrijpen waarom ik dit vraag. De interpretatie van de 
gegevens kwam zojuist toch wat verschillend over. Ik meen dat 
het voor de duidelijkheid en de rechtszekerheid goed is dat dit 
schriftelijk en met de nodige toelichting gebeurt. 

Staatssecretaris Grosheide: Mijnheer de Voorzitter! Op vrien-
delijke wijze ben ik er enkele malen aan herinnerd, dat ik in eer-
ste termijn een aantal vragen niet heb beantwoord. Daarvoor 
bied ik gaarne mijn excuses aan. Ik zal proberen nu zoveel mo-
gelijk te beantwoorden. 

Wij moeten - dit in antwoord op vragen van mejuffrouw Kap-
peyne van de Coppello - naar mijn mening onderscheid maken 
tussen de voorwaarden waaraan een instelling moet voldoen om 
voor subsidie in aanmerking te komen en de regelen die. indien 
men eenmaal aan de subsidievoorwaarden voldoet, gelden voor 
de omvang van de subsidie. Op het ogenblik krijgen die grotere 
instellingen 25 pet. meer dan de kleinere in verband met het feit, 
dat er voor de directie e.d. bedragen in de subsidieregeling zijn 
ingebouwd, die voor de kleinere niet gelden. Daarnaast staat de 
vraag, of men. wanneer men doelbewust naar schaalvergroting 
toe wil, niet in het kader van de subsidievoorwaarden regels zou 
moeten opnemen ten aanzien van bij voorbeeld de omvang van 
de instelling. Ik meen dat ik daarmede deze onduidelijkheid heb 
weggenomen. 
Wat de inrichtingen en de opnameplicht betreft, waarover ook 
vele anderen hebben gesproken, ben ik het niet geheel met 
mijzelf eens, of ik nu een zware wissel op de inrichtingen trek bij 
die opnameplicht, dan wel of de inrichtingen een zware wissel op 
mij trekken. Ik geloof bij nadere overweging, dat dit laatste het 
geval is. Mij is niet duidelijk - en dat is de reden van mijn aarze-
ling - waarom de inrichtingen zo vreselijk aarzelen om een opna-
meplicht te accepteren en tegelijkertijd zeggen dat al de kinder-
tjes best goed onder dak komen. 

Mejuffrouw Cornelissen (K.V.P.): En sanering van inrichtin-
gen tegelijkertijd. 

Staatssecretaris Grosheide: Mijn aarzeling om die opname-
plicht te laten vallen, hield hiermede verband, dat ik niet hele-
maal begrijp waarom men er zoveel bezwaar tegen heeft, als men 
zelf zegt dat men het vrijwillig wel geheel zal regelen en dat wij 
geen enkel probleem krijgen. Omdat ik hier tussen een zekere 
spanning zie, meen ik dat er alle reden is om zorgvuldig na te 
gaan, of inderdaad uitkomt wat men ons toezegt, namelijk dat er 
geen kinderen tussen de wal en het schip vallen of alsmaar heen 
en weer worden geschoven of, nog erger, in een getto terechtko-
men, want dat zou heel afschuwelijk zijn. 

Als nu zou blijken, dat de inrichtingen het in de praktijk niet 
waarmaken dat alle kinderen geplaatst worden - en dan op de 
plaats waar ze horen en ook op een redelijke termijn - dan rijst 
de vraag of wij toch niet hetzij de opnameplicht alsnog moeten 
invoeren, hetzij een of ander sanctiesysteem moeten inbouwen. 
Ik moet eerlijk zeggen, dat ik op dit moment nog niet goed weet, 
wat men, behalve een complete opnameplicht, voor andere sanc-
tiemogelijkheden zou hebben. Daarover moeten wij nog nader 
denken. Ligt er nog iets tussen de opnameplicht aan de ene kant 
en de vrijheid aan de andere kant? Het liefst zou ik iets hier tus-
senin vinden, maar ik weet niet of dat lukt. Er is hier een reëel 
probleem en onder geen beding mogen de kinderen daarvan de 
dupe worden. Als de zaak niet bevredigend loopt, als er get-
to's komen of als kinderen niet geplaatst kunnen worden, mogen 
wij onder geen beding zeggen: ,,Dat is dan jammer, dan worden 
zij maar niet geplaatst." Het gaat hier niet om gevallen, waarin 
men soms kan zeggen: „Hier is hulpverlening toch niet mo-
gelijk". Het gaat vaak om kinderen, die op grond van uitspraken 
van de Strafrechter moeten worden verplaatst en waarvoor dus 
een zinnige verblijfplaats moet worden gevonden. Men kan zich 
daarvan niet afmaken door te zeggen: „Wij kunnen toch geen 
hulp verlenen." 

Mejuffrouw Goudsmit (D'66): Mij is niet bekend, dat een jeug-
dige door de strafrechter zou zijn veroordeeld tot jeugdgevange-
nisstraf of hechtenis en dat dit dan niet zou kunnen worden gere-
aliseerd. 

Staatssecretaris Grosheide: Neen, maar dat komt omdat wij 
dan een uitwijken naar de rijksinrichtingen hebben. Wij moeten 
er wel voor oppassen, dat wij daarmede niet terechtkomen in de 
gedachte, die de heer Wiebenga zojuist heeft geopperd, na-
melijk: „Die moeten dan maar opvangen, wat iedere andere in-
richting niet wil hebben." 

Dat is ook niet een redelijke verdeling van taken. 

De heer Wiebenga heeft gezegd, dat een supermarkt geen 
mammoetmarkt moet worden. Die beeldspraak spreekt mij 
bijzonder aan. Wat de besturen van de instellingen betreft, heeft 
ook mevrouw Haas een vraag gesteld. Ik zie niet goed hoe het 
mogelijk is, van overheidswege voorwaarden te stellen voor de 
samenstelling van de besturen. Ik vind het wel van belang dat 
men, als men besturen van particuliere instellingen formeert, 
zorgvuldig nagaat wat het doel van de instelling is, welke des-
kundigheid daarvoor nodig is en welke inspraak men geeft aan al 
degenen om wie het gaat. Of ik veel verder kan gaan dan het her-
haaldelijk uitspreken van deze welgemeende overtuiging weet ik 
niet goed. Ik zie er wat tegen op nu weer wettelijke regels te gaan 
formuleren voor de samenstelling van het bestuur. Het is echter 
wel een punt dat de aandacht vraagt. 

De heer Wiebenga (P.S.P.): Wellicht bestaat de mogelijkheid 
een bepaling in de subsidievoorwaarden op te nemen, waarin het 
departement zegt, dat op bepaalde punten aan redelijke normen 
moet worden voldaan. Dit kan in de praktijk uitgroeien aan de 

Zitting 1971-1972 

TWEEDE KAMER 




D 32 '

ste

 vergadering - 19 juni 1972 

hand van praktische ervaringen. Dat de Staatssecretaris geen 
mogelijkheden in die richting zou hebben, behalve een ten slotte 
weinig bindende sympathiebetuiging aan deze gedachte lijkt mij 
niet juist. 

Staatssecretaris Grosheide: Misschien mag ik zeggen, dat ik er 
nog eens ernstig over zal nadenken. Je kunt ook niet alles via de 
subsidievoorwaarden regelen. Het is geen elastiek, dat men net 
zo lang kan uitrekken als men zelf wil. 

Mejuffrouw Van Leeuwen heeft gesproken over de schaalver-
groting en vindt dat men via de subsidievoorwaarden niet een be-
paalde vorm van schaalvergroting moet afdwingen. Ik ben het 
hiermee tot op grote hoogte eens. Ik wil er echter aan toevoegen 
dat ik het toelaatbaar en wenselijk acht, dat de schaalvergroting 
plaatsvindt, niet alleen rekening houdend met de levensbeschou-
wing, maar ook met de regio, en wel in sterke mate. Ik acht het 
op zichzelf niet ontoelaatbaar om, voor zover die voorwaarden 
combineerbaar zijn, daarvan één voorwaarde te maken. Men 
moet nl. niet al te gemakkelijk onder de regionalisering uitkun-
nen. Ik vind dan ook dat de bewijslast - als ik die in dit debat wat 
belaste juridische term mag gebruiken - waarom het niet regi-
onaal kan en beslist anders moet bij de instelling ligt. Anders ver-
andert er natuurlijk in feite niet veel aan het organisatiepatroon 
en blijven alle bezwaren van onduidelijkheid en onoverzich-
telijkheid levensgroot bestaan. Ik geloof dat dit ook, behalve 
voor de in de brief genoemde instellingen, geen probleem be-
hoeft te zijn, als ik de regionale indeling van het land bezie. 

Wat de raden betreft, geloof ik dat wat ik in eerste instantie 
heb gezegd over de taak van de raden - met name dat ze beslist 
niet zijn bedoeld als „intake-orgaan" voor jeugdwelzijnsbeleid 
tout court - de ten deze bestaande ongerustheid heeft kunnen 
wegnemen. 

Mejuffrouw Goudsmit vindt het wel jammer, dat er toch weer 
meer dan één instelling per regio kan komen. Gezien uit de op-
tiek van de regionalisering is dit ook wel jammer. Ik heb aan de 
andere kant van mensen uit de wereld van de kinderbescherming 
zelf begrepen, dat zij er wel voordelen in zien als er niet overal 
per se één instelling behoeft te zijn, mits er maar wel een einde 
komt aan die wat ondoorzichtige situatie, dat niemand goed weet 
in welke arrondissementen of regio's een instelling werkzaam is. 
Er moet ook een duidelijke regionale afbakening van taken ont-
staan. Dit kan in een aantal gevallen leiden tot één instelling, met 
waarborgen voor de opvang van kinderen van diverse herkomst. 
In andere gevallen kan het leiden tot de werkzaamheid van meer 
dan één instelling op eenzelfde territoir. Als het niet al te versto-
rend werkt voor de duidelijkheid van de belanghebbenden, vind 
ik dit niet zo vreselijk. 

Het punt van de documentatie, mijnheer de Voorzitter! Wij 
hebben hierbij met verschillende knooppunten te maken. Ik wil 
gaarne nagaan, welke informatie er bij de raden en instellingen 
en bij de kinderrechters is, wat hiervan kan worden gemist. wel-
ke informatie schadelijk kan zijn voor meerderjarig geworden 
jeugdigen en hoe wij een eind hieraan kunnen maken. Ik vind het 
een te complex probleem om nu een antwoord hierop te geven. 

Het beroep betreft met name de gevallen, waarin een gezin 
niet in aanmerking is gekomen voor plaatsing. Voor gezinnen die 
vragen om plaatsing van een buitenlands pleegkind, hebben wij 
een beroepsmogelijkheid gecreëerd. De/e werkt nog maar kort. 
Wij moeten bezien, hoe dit werkt Aan de hand hiervan wil ik er 
graag een over nadenken, of de regeling tot andere categorieën 
zou kunnen worden uitgebreid. Het probleem is, dat er zo'n 
overvloedig aanbod van gezinnen is en zo'n schaarste aan kinde-
ren, zodat het de vraag is, wat het, materieel gezien, zal uithalen. 
Helaas kan aan lang niet alle vragen worden voldaan, hetgeen 
reeds een gecompliceerde factor is. 

Mevrouw Haas-Berger (P.v.d.A.): Uit het feit, dat u dit hebt 
ingesteld voor buitenlandse adoptief kinderen, leid ik af, dat u 
inziet, dat het nodig is. 

Staatssecretaris Grosheide: Voor de buitenlandse pleegkinde-
ren kan ik aan de vraag voldoen. Er zijn criteria voor de toelating 
Vaste Commissie voor Justitie 
van buitenlandse pleegkinderen. In discussie is, of de richtlijnen 
juist zijn. Een hiervan is die van een gezinsonderzoek - ik 
bemerk, dat ik het jargon al aardig leer, mijnheer de Voor-
zitter-.... 

Mejuffrouw Kappeyne van de Coppello (V.V.D.): Maar de ver-
warring duurt voort. 

Staatssecretaris Grosheide: Mijnheer de Voorzitter! Als het 
gezin aan de richtlijnen voldoet, maar onderzoek in het gezin 
heeft uitgewezen, dat het niet geschikt is, dan is een beroep zin-
vol, want als het slaagt, volgt de toewijzing van een plaatsing. 
Dit is niet het geval ten aanzien van die gezinnen, die vragen om 
plaatsing van een Nederlands pleegkind, want er zijn niet genoeg 
Nederlandse pleegkinderen. Dit is het verschil. 

Mijnheer de Voorzitter! Ik heb de indruk, dat in de door me-
vrouw Haas bedoelde gevallen bij Volksgezondheid niet zozeer 
een rol speelt, dat een kind, waarop de maatregel van toepassing 
is, per definitie niet voor hulpverlening of voor opneming in een 
inrichting in aanmerking kan komen. De beslissingen waarom 
het gaat zijn veel meer genomen ten aanzien van dat bepaalde 
kind, waarop - bij wijze van spreken - toevallig een maatregel 
van toepassing is en waarvoor men in de eigen inrichtingen niet 
goed plaats kon vinden. Ik wil graag nagaan, of dit inderdaad het 
geval is en zo nodig nader met Volksgezondheid contact hierover 
opnemen. 

Mevrouw Haas-Berger (P.v.d.A.): U zegt, dat het aantal pleeg-
kinderen niet groot genoeg is. Ik meen, dat het aantal pleegkin-
deren niet groot genoeg is. Ik sprak over het gehele complex: 
Pleegkinderen en adoptiefkinderen. 

Staatssecretaris Grosheide: Ik had het over de laatsten. Wij 
zijn het hierover eens. 

Mijnheer de Voorzitter! De controle op de plaatsing van kinde-
ren die in tehuizen komen langs een andere weg dan die van een 
maatregel van de kinderbescherming. Wij moeten hierover met 
andere departementen spreken, omdat zij vaak langs andere 
lijnen in de inrichtingen terecht komen. Een belangrijk punt is 
mijns inziens dat op het ogenblik de situatie kan ontstaan dat ten 
aanzien van het ene kind, dat via de kinderrechter in een inrich-
ting is geplaatst, regelmatig wordt afgewogen of het nog nodig is, 
terwijl ten aanzien van het andere kind, dat bij voorbeeld via de 
GGD of de sociale dienst is geplaatst, die garantie er niet is. Naar 
mijn oordeel moeten wij met de andere betrokken departemen-
ten bezien, of wij dit langs de weg van vrijwillige organisatie kun-
nen oplossen dan wel of wettelijke maatregelen nodig zijn. Op 
het ogenblik durf ik mij daarover nog niet uit te spreken. 

Verder sprak de geachte afgevaardigde over de marginale 
functie van de raden. Dat is inderdaad zo. Het uitgangspunt van 
de nota-Wiersma is geweest: Geen maatregelen dan in uiterst 
marginale gevallen. Als men de raden in heel sterke mate bij de 
maatregelen inschakelt, komen die raden ook heel sterk in dat 
marginale terrein terecht. 

Graag zal ik in de toelichting bij de begroting nadere gegevens 
verschaffen. Nu reeds kan ik zeggen dat 50 pet. van de zaken die 
op het ogenblik bij de raden worden aangebracht, ineens worden 
doorverwezen naar andere instanties, dat wil zeggen zonder dat 
de raad verder onderzoekt. De overige 50 pet. wordt gevormd 
door klachten die onderzoek nodig maken. Daarvan leidt 50 pet. 
tot een maatregel. Dit betekent dat een kwart van alle gevallen 
waarmee de raad in aanraking komt tot een maatregel leidt. In de 
helft van de gevallen verwijst de raad direct door. 

Mejuffrouw Corneiissen (K.V.P.): Zullen de gegevens die wij 
nog schriftelijk zullen ontvangen ook betrekking hebben op de 
aantallen bij de verschillende raden etc? Wij hebben nu weeran-
dere gegevens gekregen dan zoeven. In het kader van de verant-
woordingsplicht is het mijns inziens niet te veel gevraagd, wan-

Zitting 1971-1972 

TWEEDE KAMER 




Vaste Commissie voor Justitie 

lste vergadering - 19 juni 1972 D 33 

neer wij aandringen op toezending van de gegevens betreffende 
de verschillende raden. Mijns inziens is dit een belangrijke zaak. 

Staatssecretaris Grosheide: Ik zeg de geachte afgevaardigde 
gaarne toe, dat wij alle gegevens die wij op een redelijke termijn 
kunnen verzamelen zullen verstrekken. Waarschijnlijk zal dit ge-
beuren in de memorie van toelichting bij de begroting. Overigens 
kan ik nu nog niet zeggen, of ze dan al per raad kunnen zijn uitge-
splitst. 

De Voorzitter: Aan de orde zijn thans de problemen die samen-
hangen met experimenten en subsidiëring. 

Mejuffrouw Van Leeuwen (A.R.P.): Mijnheer de Voorzitter! 
Ik herinner aan mijn vraag over de inschakeling van de vakbon-
den bij de werkgroep planmatige sanering tehuizenbestand. De 
wijze waarop dit zich heeft voltrokken, vormt mijns inziens een 
heet hangijzer. 

Wat de experimenten betreft, sluit ik mij na overleg bij voor-
baat aan bij de woorden van mevrouw Haas. 

Mevrouw Haas-Berger (P.v.d.A.): Mijnheer de Voorzitter! Ik 
kan kort zijn, omdat ik met het antwoord van de Staatssecretaris 
bijzonder ingenomen ben. Ik heb gevraagd of de Staatssecretaris 
bereid is, ook de bestaande experimenten te subsidiëren. Hij 
heeft daarop geantwoord, dat het op financiële gronden niet ge-
makkelijk is toezeggingen te doen, maar dat de experimenten 
zeer belangrijk zijn en dat hij zijn best zal doen om ze te financie-
ren. Ik neem aan dat hij zich daar volledig voor zal inzetten. De 
gehele commissie is met dit antwoord bijzonder tevreden. 

Staatssecretaris Grosheide: Mijnheer de Voorzitter! Over de 
inschakeling van de vakbonden bij de sanering zou ik een heel 
verhaal moeten houden. 

Mejuffrouw Van Leeuwen (A.R.P.): U kunt de vraag ook 
schriftelijk beantwoorden. In ieder geval is het een zaak, waar 
zeer veel ontevredenheid over bestaat. 

Staatssecretaris Grosheide: Het lijkt mij het beste er later in 
ander verband op terug te komen en er thans twee algemene op-
merkingen over te maken. 

Het overleg speelt zich af op twee punten, in de eerste plaats 
in het kader van het landeiijk beraad in de beleidsgroep en werk-
groep van departement en Nationale Federatie over de vraag hoe 
groot het beddenbestand is en hoe groot het moet worden, dus 
ook over de vraag hoeveel bedden moeten worden afgestoten. 
Besluit een inrichting te sluiten of het beddenbestand te beper-
ken - dat is het tweede punt - dan rijst de vraag hoe het overleg 
met de vakbonden moet plaatsvinden. Dat zijn twee totaal ver-
schillende casusposities. 
Over het tweede kan ik weinig zeggen, omdat dit zich voltrekt 
in het overleg tussen inrichtingsbestuur, personeel van de inrich-
ting en vakbonden. Voor het eerste punt draagt het departement 
van Justitie medeverantwoordelijkheid. De vakbonden zijn be-
trokken bij het opstellen van de afvloeiingsregeling. Die is nu 
met hun instemming vastgesteld. De discussie gaat naar ik meen 
over de vraag - ik zal daarop in ander verband nader terugko-
men, omdat het een vrij lange geschiedenis is - of in het voorsta-
dium in de beleidsgroep de vakbonden mee hadden moeten spre-
ken. Op die vraag kan mijns inziens moeilijk zonder meer beves-
tigend worden geantwoord. De vraag of het aantal bedden al dan 
niet moet worden beperkt is een andere vraag dan de vraag hoe 
de personele consequenties van het afstoten van bedden moeten 
worden opgevangen. 
Mejuffrouw Van Leeuwen (A.R.P.): Mijnheer de Voorzitter! 
Men kan dat bedrijfssluiting noemen. In al die gevallen is het no-
dig reeds in het beginstadium de vertegenwoordigers van de wer-
kers in die bedrijven erbij te betrekken. 

Staatssecretaris Grosheide: Bedrijfssluiting is iets anders. 

Mejuffrouw Van Leeuwen (A.R.P.): Afstoting is gedeeltelijke 
bedrijfssluiting. Er wordt een deel van de taak afgestoten. 

Staatssecretaris Grosheide: Bedrijfssluiting is aan de orde als 
de inrichting zal worden gesloten of het aantal bedden zal wor-
den beperkt. De beleidsgroep heeft uitgerekend hoeveel bedden 
er zijn en hoeveel er zouden moeten zijn. Zij heeft zich ook bezig-
gehouden met de vraag hoe de inrichtingen het beddenbestand 
het beste kunnen aanpassen. De praktijk leert, dat de besturen 
van de inrichtingen op verschillende wijzen gevolg hebben gege-
ven aan de aanbevelingen. De verantwoordelijkheid voor het al 
of niet sluiten en beperken ligt niet bij de beleidsgroep maar bij 
de besturen van de inrichtingen. Dat moet zeer duidelijk vastlig-
gen. De federatie noch de nationale overheid draagt daarvoor 
enige verantwoordelijkheid. 

Mevrouw Haas bedank ik voor haar instemming met mijn ant-
woord in eerste termijn. 

De Voorzitter: Ik heb begrepen, dat enkele vragen nog niet zijn 
beantwoord en dat twee leden aan de Staatssecretaris hebben ge-
vraagd, er in een later stadium op terug te komen. Dat kan even-
tueel gebeuren in de vorm van een brief aan de Kamer. Dit is 
geen ongebruikelijke methode. Ik constateer, dat de Staatssecre-
taris hieraan graag medewerking wil verlenen. 

Thans is de laatste groep van onderwerpen aan de orde, na-
melijk de voorlopige toevertrouwing en de adoptieregeling. 

Mejuffrouw Kappeyne van de Coppello (V.V.D.): Mijnheer de 
Voorzitter! Ik za! proberen mijn vragen zo kort mogelijk te for-
muleren. 

Ik ben niet overtuigd door het betoog van de Staatssecretaris, 
dat met de voorlopige toevertrouwing toch nog wel de raden 
moeten worden belast. In de situatie waarin hij de opnemings-
plicht niet heeft ingevoerd, kan hij dus uitgaan van de situatie, 
dat instellingen redelijkerwijs wel tot opneming zullen overgaan. 
In dat geval zal er ook geen onzekerheid zijn voor de rechter wat 
betreft de vraag naar wie hij iemand moet verwijzen. Er is in dat 
geval helemaal geen behoefte aan een voorlopige toevertrouwing 
aan de raden. 

Mijnheer de Voorzitter! De Staatssecretaris heeft gezegd, dat 
hij een toeneming van de vraag naar buitenlandse pleegkinderen 
signaleerde. Ik mag misschien mijnerzijds signaleren, dat de 
Staatssecretaris op geen enkele wijze is ingegaan op mijn vraag 
in eerste termijn om een reactie ten aanzien van de vraag of het 
niet zinvol zou zijn de mogelijkheden van adoptie van buiten-
landse kinderen uit te breiden. Indien mogelijk, zou ik gaarne in 
deze termijn wel een reactie krijgen, ook al voorzie ik, dat daarin 
naar voren zal komen dat er ook op dit punt een commissie is die 
daarover eerst advies moet uitbrengen. 

Mejuffrouw Goudsmit (D'66): Mijnheer de Voorzitter! Nog 
een enkel woord over de adoptie en de rol die de raden daarbij 
zouden moeten spelen. 

De Staatssecretaris heeft terloops gezegd, dat hij het jammer 
vindt, dat de maatschappelijk werkers van de FIKA in Amster-
dam niet bereid waren, over te gaan naar de Raad voor de Jeugd-
bescherming. Ik begrijp wel. dat hij dit jammer vindt, maar het is 
toch wel een teken aan de wand en geeft aan, dat die overgang en 
de vraag, wie voor de adoptievoorbereiding moet zorgen, niet zo 
simpel zijn. 

De Staatssecretaris heeft de belangentegenstelling die er kan 
zijn tussen moeder en te adopteren kind naar voren gebracht om 
aan te geven, dat er twee instanties over moeten adviseren. Ik 
vind dat een nogal gezocht onderscheid. Ruw geschat is er in ne-
gen van de tien gevallen geen sprake van een belangentegenstel-
ling en gaat het om wat men in het vakjargon noemt - het spijt 
mij mijnheer de Voorzitter, dit jargon te moeten gebruiken !-af-
standbaby's, dus baby's waarover geen strijd is. Die belangente-
genstelling doet zich alleen bij wijze van uitzondering voor bij 

Zitting 1971-1972 

TWEEDE KAMER 




D 34 lste vergadering - 19 juni 1972 

Vaste Commissie voor Justitie 

pleegkinderen, die door de natuurlijke ouder(s) teruggeëist wor-
den. In dat geval is er iets te zeggen voor twee instanties, maar 
die zijn er dan altijd wel, omdat toch altijd een van de betrokken 
partijen naar de advocaat gaat, zodat de rechtbank er dan in 
wordt gemengd. Ik geloof, dat dit een onvoldoende argument er-
voor is, te stellen dat per se de Raden voor de Jeugdbescherming 
zich met adoptie moeten bemoeien. 

Het hoofdbezwaar in dit verband is trouwens, dat juist in de 
nieuwe opzet de Raad voor de Jeugdbescherming een apparaat 
wordt met een voornamelijk justitiële taak, terwijl adoptie al-
leen, zoals de Staatssecretaris terecht zei, in haar uitwerking jus-
titieel is maar niet in haar motivatie. Ik meen simpelweg, dat het 
een foutieve keuze is, een justitieel orgaan te betrekken bij iets, 
dat niet van oorsprong, van motivatie uit, justitieel is. Evenals 
mejuffrouw Cornelissen in eerste termijn deed, wil ik de Staats-
secretaris dringend vragen om ook op dit stuk zijn standpunt ter 
discussie te stellen. 

Mejuffrouw Van Leeuwen (A.R.P.): Mijnheer de Voorzitter! Ik 
heb vanmorgen al gezegd, dat ik in deze zaak nogal aarzel. Ik 
dacht, dat dit een van de eerste punten zou kunnen zijn, die voor 
een nader overleg in aanmerking kwamen. Evenals mevrouw 
Haas in eerste termijn zei, zou ik de feitelijke situatie van dit 
ogenblik gaarne bestendigd willen zien, zodat we gelegenheid 
hebben dieper op deze zaak in te gaan. Er zitten veel meer aspec-
ten aan vast dan ook in deze openbare commissievergadering uit-
puttend aan de orde worden gesteld. 

Mejuffrouw Goudsmit (D'66): Het vervelende is, dat de fei-
telijke situatie al niet meer bestendigd is, omdat het departement 
onder andere in Amsterdam op de gang van zaken vooruit is ge-
lopen. De feitelijke situatie bestendigen betekent nu dus al: door-
gaan met het vooruitlopen. 

Mejuffrouw Van Leeuwen (A.R.P.): Daar zou ik beslist tegen 
zijn, mijnheer de Voorzitter. De geachte afgevaardigde mejuf-
frouw Goudsmit weet heel goed, dat ik vind dat de overheid niet 
vooruit mag lopen op beslissingen die hier moeten vallen. 

Mejuffrouw Goudsmit (D'66): Dat is al gebeurd! 

Mejuffrouw Van Leeuwen (A.R.P.): Als dat het geval inderdaad 
zou zijn. dan zou ik dat fout vinden, maar ik neem vooralsnog 
niet aan dat dit het geval is. 

Mevrouw Haas-Berger (P.v.d.A.): Mijnheer de Voorzitter! De 
Staatssecretaris heeft opgemerkt, dat er sprake kan zijn van een 
kortlopende toevertrouwing waarbij het kind op korte termijn 
weer teruggaat naar de ouders en dat hetzelfde geval zich voor-
doet bij de echtscheiding.Voor deze gevallen heeft hij het beter 
geacht, dat de voorlopige toevertrouwing bij de raad blijft. Deze 
situatie heeft al eerder bestaan. Ondanks dat stond toch in de no-
ta-Wiersma, dat de voorlopige toevertrouwing niet bij de raden 
komt. Ik heb nog geen redelijke overwegingen gehoord om de 
voorlopige toevertrouwing toch naar de raden terug te brengen. 
Het lijkt mij niet helemaal juist. 

De rechter moet dus binnen zes weken een beslissing nemen. 
Zelfs een kortlopende toevertrouwing kan aardig wat langer du-
ren. Het gevaar, dat de raden langer de voorlopige toevertrou-
wing van die kinderen hebben, drie maanden, zes maanden, een 
jaar, vind ik te groot. Ik betreur het, dat die beslissing is geno-
men. 

Wal de adoptie betreft, de Staatssecretaris gaat ervan uit, dat 
deze geen overeenkomst is en geen vrijwillige afstand. Hierbij 
kan men aantekenen dat het rapport van de commissie-Wiarda 
wel uitgaat van een afstand doen van het kind, wat dan wordt 
geëffectueerd door een rechterlijke uitspraak. Afgezien daarvan 
is natuurlijk in het overgrote deel van de gevallen in feite sprake 
van een vrijwillige afstand. Het is dus niet juist te zeggen, dat het 
maar bij de raden moet. 
Er komt nog iets bij, waarop niet is ingegaan. Ik heb de vrijwil-
ligheid in mijn eerste verhaal niet genoemd, maar ik heb gespro-
ken over een gelijkschakeling met de maatregel, daar zowel bij 
de adoptie als bij de maatregel een verandering in de gezagsver-
houding voorligt. Als zodanig, zo was mijn betoog, is de voorbe-
reiding tot die verandering in gezagsverhouding gelijk te stellen 
en als zodanig is het niet juist in het ene geval bij die maatregel 
de voorbereiding, de hulpverlening, het opmaken van het rap-
port toe te denken aan de jeugdbeschermingsinstelling en in het 
andere geval aan een ander orgaan, met name aan de raden voor 
de kinderbescherming. 

Dan wil ik nog extra onderstrepen de opmerkingen van mejuf-
frouw Goudsmit, dat het gaat om een vrijwillige verandering in 
de gezagsverhouding, waarbij het voor de betrokkene bijzonder 
onplezierig is te maken te hebben met een in feite justitieel appa-
raat. 

Mejuffrouw Cornelissen (K.V.P.): Mijnheer de Voorzitter! 
Het verheugt mij zeer, dat zovelen in tweede instantie opnieuw 
over de adoptie hebben willen spreken. Het antwoord van de 
Staatssecretaris heeft mij erg teleurgesteld. Ik was voornemens 
een motie in te dienen, maar ik wil graag luisteren naar mensen 
met meer parlementaire ervaring - mejuffrouw Goudsmit is mij 
voorgegaan door vanmorgen te zeggen, dat wij in deze zaak niet 
met moties moeten zwaaien - en ik vertrouw erop, dat de Staats-
secretaris, deze discussie gehoord, voorlopig zijn beleidsvoorne-
mens niet zal uitvoeren dan nadat overleg is gevoerd, zoals me-
juffrouw Van Leeuwen dat zoeven vroeg, of nadat met een aan-
tal instellingen is overlegd over de beste oplossing. 

Ik zou opnieuw willen benadrukken, dat aan de selectie van 
adoptief ouders zoveel elementen van hulpverlening zitten. Ik 
noem alleen al het feit, dat zoveel ouders niet aangenomen wor-
den als adspirant adoptief ouders. Daarnaast is er de begeleiding 
bij het accepteren en het in huis krijgen en de veranderingen, die 
dit in het hele levenspatroon van de ouders teweeg kan brengen. 
Kortom, dit zijn allemaal elementen van hulpverlening, waarvan 
ik meen, dat zij behoren tot de normale intermenselijke verhou-
dingen. Die dienen voorop te staan. Justitie is er, zoals de Staats-
secretaris in zijn antwoord zei, om een formele afsluitende taak 
op dit terrein te hebben. 

Dat zijn mijn argumenten om nogmaals aan de Staatssecretaris 
te vragen minstens zijn beleidsvoornemens op te schorten en aan 
te sturen op nader overleg, in welke vorm dan ook. 

Staatssecretaris Grosheide: Mijnheer de Voorzitter! Ik wil en-
kele opmerkingen maken over het voorlopig toevertrouwen aan 
de raad. In een systeem waarbij er per regio meer dan een instel-
ling kan opereren, ontstaat automatisch de mogelijkheid van eni-
ge aarzeling over de vraag, bij welke instelling het kind - als de 
voorlopige toevertrouwing aan de orde is - voorlopig moet wor-
den ondergebracht. 

Mejuffrouw Kappeyne van de Coppello (V. V.D.): Maar niet als 
het gaat om de bereidwilligheid tot opneming. Dat is een geheel 
ander punt. 

Staatssecretaris Grosheide: In het systeem-Wiersma bestond, 
omdat er maar één instelling per regio was - impliciet een accep-
tatieplicht van de instelling. De instelling moest elk kind dat 
werd aangeboden aanvaarden. Dat is nu vervallen voor de instel-
ling. Dat betekent, dat een kinderrechter in sommige gevallen 
kan aarzelen. Ik denk in dit verband aan de spoedgevallen bij 
voorbeeld de rhesusbabies. Het komt voor, dat een bloedtransfu-
sie van de ene op de andere dag moet plaatsvinden, tegen de zin 
van de ouders in, omdat anders het kind niet meer kan blijven le-
ven. In die gevallen is het niet acceptabel, dat nagegaan moet 
worden, welke in de regio werkzame instellingen bereid zijn om 
in het kader van de voorlopige toevertrouwing de noodzakelijke 
behandeling van het kind te doen verzorgen. 

Mejuffrouw Kappeyne van de Coppello (V. V.D.): Het zijn toch 
twee verschillende zaken. Aan de ene kant spreekt u erover, dat 
de rechter aarzelt aan welke instelling zo'n kind toekomt. Een 
andere vraag is, of die instelling bereid is. het kind op te nemen. 

Zitting 1971-1972 

TWEEDE KAMER 




Vaste Commissie voor Justitie 

1ste vergadering - 19 juni 1972 D 35 

Aan die aarzeling kunt u geen argument ontlenen om te zeggen: 
Er zijn twee instellingen, de rechter weet niet, wat te doen en nu 
gaat men maar naar de Raad voor de jeugdbescherming. Ik vind 
die argumentatie niet overtuigend. 

Staatssecretaris Grosheide: Er zijn inderdaad twee onderschei-
dene zaken, maar zij hangen wel nauw samen. 

Mejuffrouw Kappeyne van de Coppello (V.V.D.): Dat hebt u in 
mijn ogen toch nog niet aangetoond. 

Staatssecretaris Grosheide: In het voorstel van de heer Wiers-
ma was het dubbel: één instelling per regio plus één acceptatie-
plicht. Mijn voorstel is: de mogelijkheid van meer dan één instel-
ling per regio en geen acceptatieplicht. Als men dit combineert, 
houdt men de mogelijkheid over, dat een kinderrechter in een si-
tuatie komt, waarin hij niet direct een instelling bereid vindt om 
het kind de gewenste onderhandeling te doen ondergaan terwijl 
toch de grootst mogelijke spoed - in verband met het leven van 
het kind - geboden is. Er moet dan via de Raad een uitweg wor-
den gevonden. 

Mejuffrouw Kappeyne van de Coppello (V.V.D.): U hebt aan-
vaard, dat die acceptatieplicht niet werd opgelegd, omdat u in de 
praktijk verwachtte, dat zulks niet noodzakelijk was. Als u dat 
vertrouwen schenkt aan de instellingen, dan begrijp ik het dilem-
ma niet. 

Staatssecretaris Grosheide: Dat gold voor de opnameplicht in 
de inrichtingen, in de tehuizen. Hier gaat het om de vraag, of een 
vereniging bereid is om tijdelijk het gezag op zich te nemen, zon-
der dat er een voorafgaand onderzoek vanwege die instelling 
heeft kunnen plaatsvinden. Het gaat dan inderdaad om spoedge-
vallen; het moet nu gebeuren of het hoeft niet meer. In de voor-
stellen van de heer Wiersma bestond daarvoor een aanvaardings-
plicht, maar er was ook maar sprake van één instelling. Nu is het 
denkbaar, dat er meerdere instellingen zijn; er is geen aanvaar-
dingsplicht en het is heel wel denkbaar, dat uit een combinatie van 
die twee feiten de kinderrechter afleidt, dat het veiliger is het kind 
onmiddellijk aan de Raad toe te vertrouwen. 

Mijnheer de Voorzitter! Ik kom thans tot de buitenlandse 
pleegkinderen. Er is inderdaad een commissie, die van advies 
dient over het beleid betreffende de toelating van buitenlandse 
pleegkinderen. Een aantal maanden geleden heb ik - in verband 
met vragen, die in het land en bij mijzelf zijn gerezen - deze com-
missie gevraagd, of zij de richtlijnen voor de toelating van deze 
pleegkinderen opnieuw wilde bezien. Ik heb begrepen, dat de 
commissie in augustus of daaromtrent een advies zal uitbrengen 
aan de hand waarvan de richtlijnen kunnen worden gewijzigd. 

Mejuffrouw Goudsmit heeft gesteld dat uit de gang van zaken 
rond de FIKA twee dingen blijken. Er wordt vooruitgelopen op 
de nieuwe structuur en het is allemaal niet zo vanzelfsprekend 
als wordt verondersteld. Mijnheer de Voorzitter! Wat het voor-
uitlopen betreft, de discussie met het gemeentebestuur van Am-
sterdam over de kosten van de adoptievoorbereiding is in 1969 
op verzoek van het gemeentebestuur gestart. Het gemeentebe-
stuur deed het Ministerie van Justitie weten, dat het om een typi-
sche taak voor de Raad voor de Kinderbescherming ging. Men 
verzocht beleefd. . . . 

Mejuffrouw Goudsmit (D'66): De historische situatie was an-
ders. De FIKA is in Amsterdam en omgeving ontstaan. Het is 
om die reden dat Amsterdam gedeeltelijk subsidieerde. Toen 
bleek, dat de FIKA landelijke onderzoeken deed, heeft Amster-
dam terecht tegen het Rijk gezegd: Zoudt gij ook niet willen sub-
sidiëren; de situatie is niet langer zoals deze in het verleden was. 

Staatssecretaris Grosheide: Als de geachte afgevaardigde mij 
had laten uitspreken, had zij waarschijnlijk haar interruptie niet 
geplaatst. 
Mejuffrouw Goudsmit (D'66): Ja, maar mijn hart als Amster-
damse en als kinderbeschermster kwam even in opstand. 
Staatssecretaris Grosheide: Ja, maar ten onrechte. 

Het gemeentebestuur van Amsterdam heeft ons over die 
kwestie benaderd. Voor alle duidelijkheid moet worden vermeld, 
dat de werkzaamheden weliswaar door de FIKA werden ver-
richt, maar dat de ambtenaren in dienst van de gemeente waren. 
Dit moet men wel goed bedenken wanneer men het heeft over 
particulier initiatief, dat op dit gebied zo essentieel is en dat de 
werkzaamheden verricht. 

Het gemeentebestuur heeft Minister Polak gevraagd, of het nu 
wel een juiste toestand was, dat Amsterdam betaalde voor werk-
zaamheden, die op het terrein van het Ministerie van Justitie la-
gen. Dit klemde te meer omdat het werk ook niet-Amsterdamse 
gezinnen en kinderen betrof. Het gemeentebestuur meende, dat 
deze zaken tot het terrein van de Raad voor de Kinderbescher-
ming behoorden. 

Nog lang voor er sprake was van een nota-Wiersma heeft Mi-
nister Polak al geantwoord, dat dit inderdaad een zaak was, die 
bestudering verdiende. Hij kon in principe het standpunt van de 
gemeente delen, dat het om een taak voor de Raad ging. Ik heb er 
beslist bezwaar tegen wanneer wordt gesteld, dat het overdragen 
van taken van de FIKA - dus van de ambtenaren van de gemeen-
te Amsterdam, die het werk in feite deden - naar de Raad kan 
worden beschouwd als een vooruitlopen op de nota-Wiersma. 
Men kan eerder stellen, dat deze nota heeft aangesloten op wat 
al tussen het Rijk en bij voorbeeld de gemeente Amsterdam in 
discussie was. 

Mejuffrouw Goudsmit (D'66): Als ik mij niet vergis, is die re-
organisatie eerst in april 1972 gerealiseerd. 

Staatssecretaris Grosheide: Er is inderdaad getracht, zoveel 
mogelijk met alle betrokkenen - gemeentebestuur, FIKA, mede-
werkers van de FIKA, Raad enz. - te spreken. Dit neemt echter 
niet weg, dat deze zaak in principe al. vóór de nota ook maar ter 
tafel lag, in discussie was tussen ministerie en gemeente. 

Mejuffrouw Goudsmit (D'66): Uitsluitend om subsidietechni-
sche overwegingen. 

Staatssecretaris Grosheide: Dat is niet waar, mijnheer de Voor-
zit tei! 

Mejuffrouw Goudsmit: (D'66): De gemeente had er geen geld 
meer voor. 

Staatssecretaris Grosheide: De gemeente deelde mee, dat het 
niet haar taak was en dat het behoorde tot het terrein van de 
Raad. 

Mejuffrouw Goudsmit (D'66): Ja. omdat zij hiervoor geen gel-
den meer beschikbaar kon stellen. Ik zie mejuffrouw Van Leeu-
wen denken, dat wij dit beter op een andere keer kunnen uitma-
ken. 

Mejuffrouw Van Leeuwen (A.R.P.): Mijnheer de Voorzitter! 
Ik meen inderdaad, dat deze zaak van een zó groot belang is, dat 
wij daaraan wellicht een uitvoerig mondeling overleg moeten be-
steden. Daarbij kunnen alle aspecten van de adoptievoorberei-
ding verder worden uitgediept. Ik heb het nu bij één vraag gela-
ten, maar ik meen, dat wij er nu op deze manier bepaald niet uit-
komen. Ik vind ook niet, dat nu reeds een beslissing kan vallen. 
Wij hebben werkelijk meer gegevens nodig en er zal een nader 
overleg met de Staatssecretaris moeten volgen. Ik zou het zeer 
op prijs stellen, indien mejuffrouw Goudsmit hiermede zou kun-
nen instemmen. Wat mij betreft, vindt dit overleg plaats op een 
korte termijn. In ieder geval dient het vóór of in het begin van 
september plaats te vinden Wij zullen dan in ieder geval kunnen 
weten, waarover wij bij de begrotingsbehandeling praten. 

Zitting 1971-1972 

TWEEDE KAMER 




D 36 lste vergadering - 19 juni 1972 

Vaste Commissie voor Justitie 

Staatssecretaris Grosheide: Mijnheer de Voorzitter! Ik voeg 
mij naar alle wensen van de commissie. Ik moet er echter be-
zwaar tegen maken indien men stelt dat er wordt vooruitgelopen 
op de nota en dan als voorbeeld de adoptievoorbereiding in Am-
sterdam aanhaalt. Dat is onjuist. Ik vind dat niet de mythe het 
land door moet gaan dat het wel het geval is. Ik meen er recht op 
te hebben, dat hier behoorlijk uit de doeken te kunnen doen. 

Voor het overige hebben de geachte afgevaardigden gelijk als 
ze zeggen dat ik mij niet in alle opzichten naar hun inzichten 
voeg. Ten aanzien van de adoptievoorbereiding denken wij niet 
allen indentiek. Als de commissie er in september een aparte dis-
cussie aan wil wijden, ben ik bereid er nu niets meer over te zeg-
gen. 

De Voorzitter: Ik meen, dat dit de instemming heeft van de 
aanwezige leden en wellicht ook van anderen. 

Mejuffrouw Cornelissen (K.V.P.): Ik neem aan, dat de be-
leidsvoornemens tot dan zeker niet worden uitgevoerd. 

Staatssecretaris Grosheide: Mijnheer de Voorzitter! Dat heb ik 
in eerste instantie al toegezegd. Wij gaan niet rauwelings na van-

daag over tot al hetgeen in de brief en de nota is aangekondigd, 
overigens in de hoop dat de discussie niet zo lang zal worden uit-
gesteld dat er een heel lange tijd niets zal gebeuren. Dat zou erg 
jammer zijn. Mijn bijdrage in tweede termijn eindigt hiermee wat 
abrupt. 

De beraadslaging wordt gesloten. 

De Voorzitter: Alvorens tot sluiting van de vergadering over te 
gaan, heb ik er behoefte aan, terug te komen op de procedure die 
de commissie heeft gemeend te moeten volgen. Alles aanhoren-
de zie ik geen goede reden voor een afwijking van de werkwijze 
die tot nu toe als regel werd gevolgd. Ik beveel dan ook aan, in 
het vervolg vraagpunten te formuleren. De gedachtenwisseling is 
dan directer, levendiger en naar mijn mening doelmatiger. De 
voorbereiding is ook gemakkelijker, in het bijzonder van de zijde 
van de Regering, lijkt mij. Alles bij elkaar genomen zijn het vol-
doende redenen, dunkt mij, om in het vervolg de tot nu toe ge-
volgde werkwijze aan te houden. 

De vergadering wordt te 18.20 uur gesloten. 

Zitting 1971-1972 > TWEEDE KAMER 




