

INHOUDELIJK JAARVERSLAG 2005 
Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam 

Kenmerk: Jaarverslag 2005 BJAA 
Datum: 25 april 2006 
Status: vastgesteld 
Opgesteld door: Bestuursondersteuning Nicola Offergelt 
Vastgesteld: 25 april 2006 

Inhoudsopgave

VOORWOORD.................................................................3 
1 BELANGRIJKE ONTWIKKELINGEN OP HET GEBIED VAN BELEID EN STRATEGIE........5 
1.1 Visie en Missie van BJAA..............................................5 
1.2 Kwaliteitszorg........................................................6 
1.3 Landelijke ontwikkelingen.............................................7 
1.4 Relatie met de zorgaanbieders.........................................9 
1.5 Samenwerking met de GGZ..............................................10 
1.6 De subsidiegevers van BJAA...........................................10 
1.7 Inspectie jeugdzorg..................................................11 
2 EINDRESULTATEN.........................................................13 
2.1 Het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK).....................13 
2.2 Jeugdhulpverlening...................................................14 
2.3 Wachttijden voor geïndiceerde hulp...................................15 
2.4 Jeugdbescherming en jeugdreclassering................................17 
2.5 Overige activiteiten.................................................17 
3 CLIËNTEN...............................................................23 
3.1 Cliëntentevredenheid.................................................23 
3.2 Cliëntenraad.........................................................23 
3.3 Klachtencommissie en - regeling......................................24 
3.4 Klachtbehandeling door de klachtencommissie..........................24 
3.5 Cliëntenvertrouwenspersoon...........................................25 
3.6 Bezwaarcommissie.....................................................26 
4 PRIMAIR PROCES.........................................................27 
4.1 Jeugdhulpverlening...................................................27 
4.2 Jeugdbescherming.....................................................28 
4.3 Jeugdreclassering....................................................29 
4.4 Aansluiting bij de vóórliggende voorzieningen........................30 
4.5 Straathoekwerk Zaanstreek/Waterland..................................33 
5 AGGLOMERATIEBREED AANBOD...............................................35 
5.1 Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK).........................35 
5.2 De Fiom..............................................................36 
5.3 Zorgbemiddeling......................................................38 
5.4 Crisisteam...........................................................39 
5.5 Servicebureau Opvoedondersteuning & Training (SO&T)..................39 
5.6 Vrijwilligersorganisatie.............................................42 
6 PERSONEEL..............................................................45 
6.1 Management van personeel.............................................45 
6.2 Formatie 2005........................................................45 
6.3 Verzuim en Falke & Verbaan...........................................46 
6.4 Arbodienst...........................................................47
6.5 Vertrouwenspersoon...................................................47 
6.6 Allocatie van personeel in het kader van de fusie....................47 
6.7 Personeelsbeleid en personele regelingen.............................47 
6.8 CAO Jeugdhulpverlening...............................................48 
7 INTERNE EN EXTERNE COMMUNICATIE........................................49 
7.1 Inleiding............................................................49 
7.2 Interne communicatie.................................................49 
7.3 Externe communicatie.................................................50 
8 BEDRIJFSVOERING........................................................53 
8.1 Financiën............................................................53 
8.2 Begroting............................................................53 
8.3 Projecten............................................................53 
8.4 Planning & Control...................................................54 
8.5 Informatisering en Automatisering....................................54 
8.6 Huisvesting..........................................................55 
9 AANSTURING.............................................................57 
10 JAARVERSLAG RAAD VAN TOEZICHT.........................................59 
10.1 Meerjarenvisie en Jaarplannen.......................................59 
10.2 Prestatie-indicatoren...............................................59 
10.3 De vergaderingen van de Raad van Toezicht...........................60 
11 JAARVERSLAG ONDERNEMINGSRAAD..........................................61 
BIJLAGEN BIJ HET INHOUDELIJK JAARVERSLAG 2005............................63 
BIJLAGE A: DE TIEN LOCATIES IN DE AGGLOMERATIE AMSTERDAM.................65 
BIJLAGE B: OVERZICHT HUISVESTING.........................................67 
BIJLAGE C: BESCHIKBAARHEID EN BEREIKBAARHEID.............................69 
BIJLAGE D: OVERZICHT VAN PROJECTEN IN 2005...............................71 
BIJLAGE E: SAMENSTELLING ORGANEN BJAA....................................75 
BIJLAGE F: STAND VAN ZAKEN ACTIEPUNTEN ROA...............................77 
BIJLAGE G: LIJST VAN AFKORTINGEN.........................................81 
BIJLAGE H: JAARVERSLAG ADVIES- EN MELDPUNT KINDERMISHANDELING............83 
BIJLAGE I: JAARVERSLAG 2005 VAN DE FIOM..................................91 


VOORWOORD 

Dit jaarverslag past nog in de traditie van BJAA om jaarlijks uitvoerig te berichten over alle belangrijke inhoudelijke ontwikkelingen. Aangezien BJAA een complexe organisatie is met een veelvoud aan primaire processen, externe contacten en innovaties, volgt hieruit dat een dergelijk jaarverslag al snel uitgroeit tot een lijvig boekwerk. 

Wanneer vervolgens door subsidiënten ook nog een afzonderlijk jaarverslag vereist wordt over afzonderlijke organisatieonderdelen zoals het AMK en FIOM wordt het jaarverslag een compleet naslagwerk. 

Eind 2005 produceerde BJAA een eerste jaarplan volgens een nieuwe opzet. Dit 
jaarplan 2006 is geschreven met het eerste doel om de organisatie te kunnen 
aansturen op de voornaamste gewenste prestaties. Het plan bevat afrekenbare 
doelen, waarop gestuurd kan worden en gestuurd wordt. 

Het ligt in de bedoeling om met ingang van volgend jaar ook het jaarverslag 2006 toe te spitsen op de verslaglegging van de behaalde resultaten. Het verslag zal dan aanmerkelijk korter kunnen uitvallen en het zal gemakkelijker zijn voor de organisatie om lering te trekken uit datgene wat de inspanningen hebben opgeleverd. 

Op dit moment worden jaarlijks de volgende, elkaar deels overlappende producten opgeleverd aan de diverse subsidiënten en overheden: 
• Het inhoudelijk jaarverslag 2005; 
• Het financieel jaarverslag 2005; 
• Het verslag van cliëntenverrichtingen conform een landelijk rapportageformat; 
• De jaarraportage aan ROA met specifieke cliënteninformatie (per stadsdeel/gemeente); 
• Diverse afzonderlijke jaarverslagen ten behoeve van afzonderlijke bedrijfsonderdelen. 

Het streven is om met ingang van het jaarverslag 2006 dit geheel te bundelen en de overlappingen eruit te halen. Het jaarverslag 2006 zal dan ook per bedrijfsonderdeel alle relevante cijfers bevatten en scherpere analyses naar aanleiding van die cijfers. 
De voorbereidingen om een dergelijk verslag te kunnen schrijven zijn gestart in het najaar 2005. Ze betekenen een omslag in de wijze van verzamelen, interpreteren en analyseren van resultaten, intern communiceren en bijsturen. 

Een jaarverslag is een stuurmiddel naar binnen én een verantwoording naar buiten 
over de resultaten van het werk. BJAA realiseert zich dat het daarnaast een 
belangrijke informatiebron is voor het waarnemen en analyseren van hulpvragen en 
cliëntstromen. De huidige diversiteit aan rapportages leidt tot een versnipperd beeld, waaruit slechts moeizaam de voornaamste trends kunnen worden afgeleid. Ook op dat gebied wil BJAA in 2006 een stap vooruit zetten. 

W. Janssen 
Voorzitter Raad van Bestuur 

1 BELANGRIJKE ONTWIKKELINGEN OP HET GEBIED VAN 
BELEID EN STRATEGIE 
1.1 Visie en Missie van BJAA

Visie 
Bureau Jeugdzorg staat voor het recht van kinderen op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling en uitgroei naar zelfstandigheid 

Kinderen zijn gebaat bij continuïteit en veiligheid, bij voorkeur in een gezinsverband. 
Hierbij is het van belang dat zij zo volwaardig als mogelijk deelnemen aan de 
maatschappij. 

Missie 
De missie van BJAA kan worden samengevat in de volgende twee kernopdrachten: 
1. Wij beschermen bedreigde kinderen en geven hen zo de kans om zo 
volwaardig mogelijk op te groeien. 
2. Wij organiseren zo snel als mogelijk de juiste hulp voor kinderen die worden 
belemmerd in hun ontwikkeling. 

Wij handelen na aanmelding door kinderen, ouders, derden of wanneer wij zelf 
(mogelijke) bedreigingen constateren. We onderzoeken, diagnosticeren en zorgen 
ervoor dat kinderen zo snel als mogelijk de juiste zorg krijgen. Om dit, aanvullend op 
datgene wat hun directe omgeving aan hulp en steun kan bieden, zo goed mogelijk uit te kunnen voeren, onderhoudt BJAA nauwe banden met de relevante structuren 
rondom het kind, zoals het gezin, het onderwijs en zorginstellingen. Wij zetten onze kunde, expertise, hart en organisatie in voor de belangen van het kind. 

Meerjarenvisie 
Vanaf 1998 hebben de Bureaus Jeugdzorg zich, in lijn met de toekomstige Wet op de Jeugdzorg, in Nederland ontwikkeld tot een brede toegang naar de hele jeugdzorg. 
BJAA heeft deze brede toegangsfunctie succesvol weten in te vullen. BJAA heeft zijn handen vol aan het verwerken van de cliëntenstroom, die in ernst van de 
problematiek steeds toeneemt, terwijl de beschikbaar gestelde middelen niet 
toenemen. 

Deze situatie vraagt om een scherpere positiebepaling van BJAA, waarbij de focus is gericht op de kernopdrachten van Bureau Jeugdzorg. Eind 2005 heeft BJAA een 
Meerjarenvisie vastgesteld. Hierin neemt BJAA zijn verantwoordelijkheid in het 
bepalen en aangeven van de mogelijkheden en de grenzen. De Meerjarenvisie 
verwoordt een heldere visie en een duidelijke koers, die de leidraad vormen bij de dagelijkse activiteiten. Naast een scherpere positiebepaling is ook bezinning op de wijze waarop BJAA te werk gaat en zijn organisatie inricht nodig. 

Het jaar 2005 kan beschouwd worden als eindsprint die nodig was om te kunnen 
voldoen aan de wettelijke vereisten. In deze periode is BJAA (tijdelijk) alle kanten op gegroeid. Dit leidde tot eilandjes, complexe communicatie, stapeling van veranderingen en soms een gevoel van isolement bij de uitvoerende werkers en direct leidinggevenden. BJAA kan nu de overstap maken naar consolidatie, verbetering van werk en een beter functionerende organisatie. 

1.2 Kwaliteitszorg 
Werkprocessen 
Per 1 januari 2005 zijn binnen BJAA nieuwe werkprocessen ingevoerd. Deze 
werkprocessen zijn gebaseerd op de nieuwe Wet op de Jeugdzorg en het landelijk 
ontwikkelde Referentie Werk Model. Gelijktijdig met de nieuwe werkprocessen werd 
ook een nieuwe versie van het registratieprogramma IJ geïntroduceerd. Voor de 
Jeugdhulpverlening ging het om alle werkprocessen en een compleet nieuwe versie 
van IJ. Voor de Jeugdbescherming ging het om de belangrijkste veranderingen uit de wet met enkele aanpassingen in IJ. 

Om de jeugdhulpverleners en jeugdbeschermers te ondersteunen werd een 
inhoudelijke helpdesk, om vragen over de werkprocessen te beantwoorden, en een 
technische helpdesk, om technische vragen te beantwoorden, geïnstalleerd. 

Vanaf de start bleek dat de nieuwe versie van IJ voor zeer veel technische knelpunten zorgde, waardoor onder andere het voor Bureau Jeugdzorg zo belangrijke indicatiebesluit niet goed uit te draaien was. Het oplossen van deze knelpunten heeft zeer veel energie van de organisatie gevraagd. 

Invoering Quick Step 
Om de taxatie van ‘ernst van de problematiek’ mogelijk te maken heeft NIZW Jeugd, in opdracht van de bestuurscommissie van het ROA, vanaf 2002 een instrument ontworpen: de Standaard Taxatie Ernst van de Problematiek (STEP). Het instrument is in de praktijk uitgeprobeerd en heeft een instrument opgeleverd dat geënt is op de praktijk van BJAA. BJAA heeft in het ontwikkeltraject sterk aangedrongen op de 
constructie van een zo kort mogelijke lijst, die weinig invultijd vraagt. Deze versie (quick-STEP) is in juni 2005 ingebouwd in het registratiesysteem IJ en per oktober 2005 operationeel. 

De quick-STEP bestaat uit één A-4tje met 15 vragen die de hulpverlener invult 
alvorens de zaak in te brengen in het MDO (muliti disciplinair overleg) of het MIO (multidisciplinair indicatie orgaan). Op dat A-4-tje staan vier schalen: 
• Functioneren Jeugdige (FJ, 6 vragen) 
• Kwaliteit Omgeving (KO, 5 vragen) 
• Zwaarte Zorg (ZZ, 3 vragen) 
• Urgentie Zorg (UZ, 1 vraag). 

Het invullen van de lijst heeft niet de ‘meerwaarde’ dat men compleet ‘nieuwe vragen’ aan de cliënt stelt, of op een geheel andere manier zijn wegingen maakt en zijn beslissingen neemt. Maar de indrukken die zich in het hoofd van iedere 
jeugdzorgmedewerker bevinden worden gesystematiseerd door ze weer te geven op 
een vijfpuntsschaal. Dát heeft een meerwaarde: hulpverleners maken hun 
inschattingen nu vanuit dezelfde elementen, hetgeen de kwaliteit van het diagnostisch proces zal verhogen en subjectieve inschattingen transparanter zal maken. 

Door als organisatie standaard en systematisch de ernstscores vast te leggen, kan cliëntinformatie in een gegevensbestand verzameld en geanalyseerd worden en een beeld opgebouwd worden van wat BJAA binnenstroomt, doorstroomt en uitstroomt. 
Dat zal voor velen interessant zijn: voor uitvoerders, voor staf, voor het management en voor de Raad van Bestuur en het zal zeker doorwerken naar onze communicatie, zowel intern als met de buitenwereld. 

Checklist veiligheid cliënten 
Naar aanleiding van de zaak Savanna en het inspectierapport dat daarop volgde is op meerdere plekken in de organisatie het gebruik van de ‘checklist veiligheid’ ingevoerd. 
In de jeugdbescherming wordt de lijst standaard gebruikt: bij elke bespreking van een cliënt in het MDO wordt de checklist ingevuld en besproken, zowel bij het vaststellen van het eerste plan van aanpak, als bij verlengingen en bij afwijkingen van de lijn. 

Bij de jeugdhulpverlening wordt het instrument ingezet wanneer de veiligheid van het kind mogelijk in geding is. De checklist veiligheid wordt daarom ingevuld als de beoordeling op vraag 7 van de quick-STEP 'zwaar' dan wel 'zeer zwaar' is. Bespreking van de resultaten van de checklist vindt altijd plaats in het MDO. 

De lijst is gebaseerd op het werk van een aantal onderzoekers, is getoetst aan de praktijk van BJAA en zodanig geconcretiseerd dat het mogelijk wordt op basis van de lijst te scoren op een driepuntsschaal: men kruist per criterium aan of er sprake is van een ‘goede’, ‘matige’ of ‘slechte’ situatie voor het kind. De schaal is niet genormeerd en men kan er dan ook géén score of gekwantificeerde indruk aan ontlenen in de trant van: 4x de score ‘slecht’ is veel verontrustender dan 2x de score ‘slecht’. De checklist is een gesystematiseerde wijze voor het inventariseren van de veiligheid in de thuissituatie van het kind. 

1.3 Landelijke ontwikkelingen 
Implementatie Wet op de jeugdzorg 
2005 was het eerste jaar dat BJAA haar werkzaamheden verrichtte in het kader van 
de nieuwe Wet op de jeugdzorg. Daarmee is een einde gekomen aan de situatie 
waarin BJAA voor haar wettelijke taken subsidie ontving van zowel het ROA als het Ministerie van Justitie. Vanaf 2005 is alleen het ROA de subsidiegever van BJAA voor al haar wettelijke taken. Zoals verwacht kon worden, leidde deze overdracht van subsidie tot een aantal problemen. 

Zo valt de verantwoordelijkheid voor de jeugdbescherming en jeugdreclassering in de Meerlanden onder de verantwoordelijkheid van het arrondissement Haarlem en 
werden de maatregelen in dit gebied tot 1 januari 2005 door Bureau Jeugdzorg Noord Holland uitgevoerd. In de eerste helft van 2005 zijn deze maatregelen in nauw overleg met BJZ NH overgedragen aan BJAA. Uitgangspunt is dat deze overdracht op een cliënt vriendelijke manier zou plaatsvinden en alleen in die gevallen waarin er nog langere tijd hulpverlening zou moeten worden geboden. 

Een veel groter probleem vormde de overdracht van de opvang en begeleiding van de zo genoemde ‘schipholkinderen’. ROA en BJAA waren niet bereid deze activiteit over te nemen zonder dat daar een passende financiering tegenover staat. De totale kosten werden door BJAA op € 400.000 geschat. 

Na moeizame onderhandelingen werd een oplossing gevonden door de opvang en 
begeleiding van de schipholkinderen bij het NIDOS onder te brengen. Zij ontvangen hiervoor rechtstreeks de middelen van het Ministerie van Justitie. 

Tenslotte bleek ook de financiering van de stijging van het aantal maatregelen 
jeugdbescherming en jeugdreclassering een probleem. Bij de jeugdbescherming bleek de peildatum (1 oktober 2004) waarop het Ministerie van Justitie het ROA wilde financieren voor de uitvoering van de maatregelen een tekort bij het ROA van ongeveer € 625.000 op te leveren. Een oplossing werd gevonden door het hanteren van een andere peildatum (1 oktober 2003) door het Ministerie van Justitie. Bij de jeugdreclassering bleek bij de definitieve vaststelling van de subsidie door het ROA eind 2005 een soortgelijk probleem te ontstaan. Dit probleem kon worden opgelost door een extra subsidie van het ROA van € 430.000. 

De Wet op de Jeugdzorg schrijft voor dat alle maatregelen jeugdbescherming en 
jeugdreclassering worden uitgevoerd door Bureau jeugdzorg. Dit betekent op termijn het verdwijnen van vier landelijk werkende instellingen (Stichting Gereformeerde Jeugdbescherming, Ambulante jeugdbescherming en jeugdhulpverlening Leger des Heils, William Schrikker Stichting en Joods Maatschappelijk Werk). Om te kunnen zorgen voor een zorgvuldige overdracht van de werkzaamheden en het personeel van deze stichtingen is met ingang van 1 januari 2005 door alle Bureaus jeugdzorg en deze instellingen een mandaatbesluit genomen en een uitvoeringsregeling getroffen. 

BJAA is het meest betrokken bij de decentralisatie en de inpassing in het 
jeugdzorgstelsel van de William Schrikker Stichting en het Joods Maatschappelijk 
Werk. In juni 2005 verscheen hierover een plan van aanpak van de William Schrikker Groep (WSG). In dit plan van aanpak wordt gesproken over een vooronderzoek naar een mogelijke fusie tussen het onderdeel jeugdbescherming en jeugdreclassering van de WSG en BJAA. In september bereikten WSG en BJAA overeenstemming over dit vooronderzoek en de uitvoering daarvan door Twynstra Gudde. In oktober 2005 ging deze met het vooronderzoek van start. Na korte tijd is het vooronderzoek door de WSG weer stopgezet. 

Operatie Jong 
In 2003 werd door de regering de Operatie Jong gestart. Met behulp van Steven van Eijck als commissaris jeugd- en jongerenbeleid willen de betrokken ministeries concrete knelpunten in het jeugdbeleid voor 2007 oplossen. In 2005 heeft de Gemeente Amsterdam de ‘Jong-overeenkomst’ getekend. Vanuit BJAA is een bijdrage geleverd aan de volgende activiteiten van de operatie Jong: 
• Het tot stand brengen van een samenhangende indicatiestelling voor speciaal 
onderwijs, jeugdzorg en AWBZ-zorg in Amsterdam. Doelstelling is een 
vereenvoudiging en verbetering van de afstemming en samenwerking van de 
indicatiestellende organen. BJAA sluit hierbij aan bij de acties die in de 
zorgstructuur van het (basis- en voortgezet) onderwijs worden ondernomen. 
• Een onderzoek naar de financiële geldstromen in de jeugdzorg. Door het Ministerie van Financiën werd hiervoor een casestudie bij BJAA uitgevoerd. Voor BJAA was een belangrijke conclusie uit het onderzoek dat de Bureaus jeugdzorg te maken hebben met een versnippering van geldstromen en sterk uiteenlopende 
verantwoordingstrajecten. Vanuit het Ministerie van Financiën wordt een systeem 
van “single information” en “single audit” bepleit. Het Ministerie van Financiën 
ontwikkelt hiervoor momenteel een model. Een vereenvoudiging van het 
verantwoordingstraject zou BJAA veel tijd, geld en menskracht besparen. 
• Een beknopt bedrijfskundig onderzoek naar cliëntroutes naar en in de jeugdzorg in de agglomeratie Amsterdam. Dit onderzoek leidde tot het rapport “Jeugdbescherming onder de Loep”. In dit rapport wordt gepleit voor een 
verkorting van de keten, die tot een jeugdbeschermingsmaatregel leidt. Deze 
aanbeveling is inmiddels door de Raad voor de Kinderbescherming en BJAA in het 
kader van het project Beter Beschermd opgepakt en in een pilot met een nieuwe 
gezamenlijke werkwijze vertaald. 

1.4 Relatie met de zorgaanbieders 

In de nieuwe Wet op de jeugdzorg vormt BJAA bijna de enige toegang tot de zorgaanbieders die door het ROA, het Ministerie van Justitie en de AWBZ worden 
gefinancierd. De toegang tot justitiële inrichtingen, de jeugd-GGZ en de zorg voor licht verstandelijk gehandicapten komt elders in dit jaarverslag aan de orde. In deze paragraaf beperken wij ons tot de ontwikkelingen in de relatie van BJAA tot de door het ROA gefinancierde zorgaanbieders. 

Inkoopadvies 
Met ingang van 2005 is BJAA begonnen met de uitvoering van een nieuwe taak, het 
geven van een advies aan de subsidiegever over de inkoop van geïndiceerde 
jeugdzorg voor 2006. Het geven van dit advies past in het stelsel van de Wet op de jeugdzorg, waarin het Bureau jeugdzorg een centrale plaats heeft in het in kaart brengen van de vraag naar jeugdzorg. Er bestond echter nog geen uitgewerkte methode voor het opstellen van een dergelijk advies. Het eerste advies was daarom bescheiden van opzet en vormt de opmaat voor de advisering in de komende jaren. 

In een relatief kort tijdsbestek hebben adviesbureau van Montfoort en BJAA de 
bestaande gegevens geanalyseerd en aan de zorgaanbieders en de GG&GD Amsterdam afdeling jeugdgezondheidszorg de mogelijkheid geboden hun adviezen, opmerkingen en nuanceringen aan de schrijvers van het inkoopadvies mee te geven. BJAA adviseerde om in 2006 geen hulpvormen in het bestaande aanbod te sluiten of te verminderen. Het eerste argument daarvoor is de grote benutting van het bestaande aanbod. Er is geen leegstand en voor veel hulpvormen zijn wachtlijsten. 
Het tweede argument is, dat een methode om afwegingen te maken nog ontbreekt. 
Het advies is het vertrekpunt voor de ontwikkeling van een dergelijke methode, die door BJAA in overleg met de zorgaanbieders in de komende periode zal worden 
uitgewerkt. 

Gegevensuitwisseling 
In 2005 is er een systeem van elektronische gegevensuitwisseling met drie grootste zorgaanbieders tot stand gekomen. Hierdoor worden gegevens over de cliënt en zijn indicatiebesluit rechtstreeks vanuit IJ via een beveiligde internetverbinding naar de betrokken zorgaanbieders verstuurd. Ook worden deze gegevens in een aparte database opgeslagen, waarbij de gegevens van zorgaanbieders in gezamenlijke overzichten van bezetting en wachttijden worden verwerkt. Het door BJAA toegekende cliëntnummer wordt nu ook door de zorgaanbieders in hun registratie opgenomen, zodat de hulpverleningscarrière van een cliënt kan worden gevolgd (hiermee kunnen o.a. herintreders in de zorg anoniem worden gedetecteerd). 

ROA Jeugdzorgoverleg 
Het ROA Jeugdzorgoverleg is in 2005 in haar reguliere samenstelling zeven keer bij elkaar gekomen. Belangrijke onderwerpen van gesprek waren (naast het bovenstaande): 
• Het regionaal uitvoeringsprogramma 2005 en de door het ROA van het stelsel 
verwachte acties; 
• De vormgeving van de samenwerkingsafspraken tussen de ROA-gefinancierde 
zorgaanbieders en BJAA (onder meer op het terrein van de inhoud van het 
indicatiebesluit, vervangende zorg en starthulp, zorgcoördinatie en wachtlijstbeheer); 
• Het stadscongres van de Gemeente Amsterdam; 
• De inspraakversie van het regionaal uitvoeringsprogramma 2006; 
• De inzet van de gemeentelijke middelen 2006 voor de jeugdzorg in Amsterdam; 
• De extra rijksmiddelen voor de jeugdzorg in 2006. 

De voor 2005 overeengekomen structuur van het overleg is eind 2005 geëvalueerd en bevalt goed. 

1.5 Samenwerking met de GGZ 

De samenwerking met de jeugd-ggz instellingen werd in 2005 sterk gekleurd door de plotselinge korting die de laatste week van 2004 door het CTG aan de jeugd-ggz werd opgelegd. De plannen die gemaakt waren om de kwaliteit van BJAA op het gebied van kinder- en jeugdpsychiatrie verder te versterken, moesten voor een belangrijk deel in de ijskast worden gelegd. 

Een belangrijk deel van de overgehevelde middelen werd in overleg met de betrokken veldpartijen, de ROA en de zorgkantoren besteed aan het compenseren van de opgelegde korting teneinde de daardoor dreigende wachtlijsten bij de jeugd-ggz zoveel mogelijk te voorkomen. 

1.6 De subsidiegevers van BJAA 
ROA
Het periodieke overleg met een ambtelijke vertegenwoordiging van het ROA is ook in 2005 voorgezet. In het overleg namen de ontwikkelingen binnen BJAA, de 
implementatie van de Wet op de jeugdzorg (met daarbij de decentralisatie van de 
jeugdbescherming en jeugdreclassering) en de behoefte van het ROA aan 
beleidsinformatie een belangrijke plaats in. In vergelijking met 2004 is het type en aantal gegevens waarover BJAA aan het ROA dient te rapporteren uitgebreid en volgens een landelijk format met bijbehorend gegevenswoordenboek 
gestandaardiseerd. 

In het regionaal beleidskader 2005 formuleert het ROA een groot aantal actiepunten voor de door het ROA gefinancierde zorgaanbieders en bureau jeugdzorg. Van deze actiepunten hebben er 24 (mede) betrekking op BJAA. In bijlage F vindt u een overzicht van de stand van zaken met betrekking tot deze actiepunten op 1 januari 2006. 

Het Ministerie van Justitie 
Het bezwaar dat BJAA heeft gemaakt tegen het niet toekennen van fusiekosten over 
de jaren 2002 en 2003 is door de bezwarencommissie van het Ministerie van Justitie afgewezen. Tegen deze afwijzing is BJAA inmiddels een beroepsprocedure gestart. In maart 2006 dient deze zaak voor de Rechtbank in Amsterdam. 

In 2005 was er geen directe subsidierelatie meer tussen het Ministerie van Justitie en BJAA. 

1.7 Inspectie jeugdzorg 

In 2005 is de inspectie jeugdzorg op de volgende terreinen bij het werk van BJAA 
betrokken geweest: 
Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK)
Bij alle AMK’s in Nederland is onderzoek gedaan naar de kwaliteit van het primaire proces vanaf het eerste telefoontje naar het AMK tot en met de start van de benodigde hulp. Bij het AMK van BJAA werd geconstateerd dat de inschatting van de aard en omvang van de kindermishandeling niet standaard in de dossiers werd opgenomen. De plannen van aanpak werden door de inspectie te summier gevonden en de verwijzingen naar de Raad niet altijd snel genoeg. 

Hoewel het onderzoek van de inspectie werd gehouden in een tijd dat het AMK met 
een sterke stijging van het aantal aanmeldingen te maken had, vond BJAA de 
constateringen van de inspectie van dien aard dat er een verbeterplan is opgesteld om de door de inspectie en BJAA gewenste verbeteringen te realiseren. Eind 2005 werd dit plan van aanpak geëvalueerd. Uit de evaluatie blijkt dat er op diverse terreinen een grote vooruitgang is geboekt. Zo zijn er interne controles ingevoerd op de bewaken van de termijnen, is er een format gemaakt voor de plannen van aanpak en is het overleg met de Raad geïntensiveerd. 

Crisisinterventie 
In 2005 heeft de inspectie een landelijk onderzoek gedaan naar het handelen van 
Bureaus jeugdzorg als cliënten zich melden met een crisis. Het onderzoek is 
uitgevoerd bij het Crisis Team Jeugd (CTJ) van BJAA. De inspectie oordeelt over de onderzoeksvraag ‘voldoet de zorg tijdens een acute crisis aan wat cliënten mogen verwachten?’ dat het handelen van BJAA ruim voldoende scoort. 

Casus onderzoek 
In oktober 2005 heeft BJAA de inspectie jeugdzorg gemeld dat eind september een 
baby van ruim een week oud in het AMC is opgenomen als gevolg van zeer ernstig 
letsel, vermoedelijk als gevolg van mishandeling. Korte tijd later is de baby overleden. 
Over haar halfzusje is vervolgens een VOTS uitgesproken. Overeenkomstig de in dit kader bestaande afspraken heeft de Raad van Bestuur van BJAA besloten tot het uitvoeren van een intern onderzoek. Dit onderzoek is begin 2006 afgerond. 

Op basis van de door BJAA verstrekte informatie is de inspectie van oordeel dat BJAA na melding van de baby overeenkomstig haar wettelijke taken heeft gehandeld. Ten aanzien van het halfzusje is de inspectie van oordeel dat BJAA geen dusdanige signalen heeft ontvangen dat zij had moeten oordelen dat er in het gezin van de moeder een risicovolle situatie zou zijn voor de baby. Er vindt nog nader ketenonderzoek plaats. 

2 EINDRESULTATEN 
Ten behoeve van haar subsidiegevers brengt BJAA elk jaar een aparte rapportage 
over haar belangrijkste cliëntgegevens uit. Hierin zijn ook de gegevens opgenomen die BJAA op grond van het landelijk afgesproken format levert. In dit hoofdstuk van het jaarverslag beperken wij ons tot een aantal hoofdlijnen. 

2.1 Het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) 
Hieronder volgen de belangrijkste resultaten van het AMK. Voor meer gedetailleerde gegevens wordt verwezen naar bijlage H. 

Tabel: Onderzoeken, adviezen en consulten naar maand en jaar 
Maand 
Onderzoek 
Advies 
Consult 

2004
2005 
verschil

2004
2005
verschil

2004 
2005 
verschil

Januari 
32
51 
59,38
135
102
-24,44
66 
58 
-12,12

Februari 
48
47 
-2,08
129
112
-13,18
80 
56 
-30,00

Maart 
54
67 
24,07
134
152
13,43
67 
71 
5,97

April 
51
46 
-9,80
113
131
15,93
61 
72 
18,03

Mei 
27
42 
55,56
93
92
-1,08
55 
45 
-18,18

Juni 
51
32 
-37,25
134
168
25,37
62 
28 
-54,84

Juli 
53
44 
-16,98
123
260
111,38
54 
29 
-46,30

Augustus 
40
42 
5,00
111
136
22,52
46 
49 
6,52

September 
49
42 
-14,29
118
134
13,56
68 
57 
-16,18

Oktober 
50
33 
-34,00
120
108
-10,00
61 
72 
18,03

November 
46
38 
-17,39
135
169
25,19
86 
72 
-16,28

December 
70
38 
-45,71
152
139
-8,55
83 
56 
-32,53

Totaal 

571
522 
-8,58
1497
1703
13,76
789 
665 
-15,72

Het aantal meldingen dat daadwerkelijk in behandeling werd genomen nam met zo’n 
8% af. Het totaal aantal contacten nam toe met een kleine 2%. In het kader van de wachtlijstaanpak is met tijdelijk extra inzet van collega’s van de jeugdhulpverlening en het crisisteam gewerkt met een specifiek telefoonteam. Hiermee werd bereikt dat vergeleken met 2004 20% meer lopende onderzoeken konden worden afgesloten. In deze periode werden 14 % meer adviezen gegeven, werd scherper afgewogen of een advies/consult voldoende is, of een zaak direct naar de jeugdhulpverlening kan etc. 
Dit verklaart de afname van het aantal meldingen dat in behandeling werd genomen. 
Halverwege het jaar zijn de nog niet in behandeling genomen meldingen van het Gooi overgedragen aan AMK Noord-Holland. 

Tabel: Wachtlijsten 
Per einde 
Aantal dossiers 
aantal dagen (gem.) 
1e kwartaal 
125
69

2e kwartaal 
111
98

3e kwartaal 
86
116

4e kwartaal 
61
97

2.2 Jeugdhulpverlening 
Tabel: productie toegangsfuncties 
Functies 
Productie 2004 
Prognose 2005 
Productie 2005 

Aanmelding 
10.799
8.950
9.914* 

Afgeronde screening 
6.207
6.700
7.016 

Diagnostiek 
1.562
1.900
1.766 

Indicaties (niet jb) 
2.004
1.750
2.701 

Plaatsing voordeur 
1.620
1.900
2.891 

Casemanagement 
2.004
1.900
2.891 

Licht ambulante zorg 
4.581
3.076**
3.200
2.135 

Herindicatie en beëindiging 
2.126
2.250
2.395 

Zorgtoewijzingen totaal 
4.675
2.610
4.790 
Totaal 

35.578
31.260
34.499 

* dit is het aantal aanmeldingen inclusief de verrichting ‘consult en advies’ (3306). 
** dit is het aantal verrichtingen licht ambulante zorg na aftrek van vervangende zorg, overbruggingshulp en zorgcoördinatie. 

In 2005 werd binnen BJAA volgens het Referentie Werk Model gewerkt. Het RWM 
werkt met een andere verrichtingensystematiek dan de bovenstaande. Dit heeft tot 
gevolg gehad dat de productie in sommige gevallen nogal sterk afwijkt van de 
prognose. 

Het aantal aanmeldingen ligt ongeveer 10% boven de prognose. 

Ook het aantal indicatiebesluiten (zonder de jeugdbescherming) is sterk toegenomen met ongeveer 35%. Dit zou kunnen worden verklaard door: 
• een toename van de ernst van de problemen bij de jeugdigen die met BJAA in 
aanraking komen; en 
• het zo genaamde Savanna effect: door de uitgebreid in de publiciteit gekomen 
Savanna zaak neemt BJAA eerder dan het verleden het besluit tot een 
uithuisplaatsing. Dit is een effect wat zich ook bij de andere bureaus jeugdzorg in Nederland voordoet. 

In deze indicatiebesluiten zijn de indicaties die BJAA stelt voor de geestelijke 
gezondheidszorg voor jeugdigen nog niet opgenomen. Op grond van de ons ter 
beschikking staande gegevens zal het om ongeveer 2100 indicaties gaan. Ten 
behoeve van de jeugdbescherming zijn 925 indicatiebesluiten genomen. Alles bij 
elkaar komt het aantal indicatiebesluiten daarmee op ruim 5700. 

De verrichtingen licht ambulante zorg zijn ten opzichte van de prognose met ongeveer een derde teruggelopen. Tot de invoering van de Wet in 2005 werd door de medewerkers van BJAA deze categorie mede gebruikt om vervangende zorg, 
overbruggingshulp en zorgcoördinatie te registreren. In 2005 is dit niet meer het geval geweest. Op grond daarvan was de prognose al bijgesteld tot 3200. Door de sterke stijging van het aantal indicatiestellingen heeft BJAA deze prognose niet kunnen halen. Door de schaarste aan middelen heeft BJAA prioriteit moeten geven aan het werk ten behoeve van de indicatiestellingen en het casemanagement. In de aanvankelijke opstelling voor de accountant was het aantal licht ambulante zorg 1388 verrichtingen hoger. Bij nader onderzoek bleek het hier echter om de afsluiting van trajecten uit 2004 te zijn, waarvoor in 2005 geen inhoudelijke werkzaamheden zijn verricht. Om die redenen zijn zij niet in de totaaltelling opgenomen. 

In tegenstelling tot de voorgaande jaren is het aantal zorgtoewijzingen in 2005 
nauwelijks verder gestegen. 

Tabel: het aantal zorgtoewijzingen in de periode 2001 - 2005 
Functie 
2001 
2002 
2003 
2004 
2005 

Zorgtoewijzing 
2793 
3.944 
4.137 
4.675 
4.790

Wanneer de normprijzen, zoals die voor de Bureaus jeugdzorg door het KPMG zijn 
ontwikkeld, op de gehele productie van BJAA in 2005 worden toegepast, zou BJAA 
aanspraak kunnen maken op een extra subsidie van € 2.771.000. 

2.3 Wachttijden voor geïndiceerde hulp 
Recent heeft de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), 
mevrouw Ross-van Dorp, in een brief aan de provincies en grootstedelijke regio’s 
aangegeven, dat zij wachttijden voor jeugdzorg van meer dan negen weken 
onaanvaardbaar vindt. Kinderen blijven hierdoor te lang in een onveilige situatie of verstoken van noodzakelijke hulp, met als gevolg dat de problemen kunnen verergeren. Zij heeft zich dan ook ten doel gesteld om te bewerkstelligen, dat kinderen in ieder geval eind 2006 binnen negen weken na een indicatiebesluit zorg ontvangen. De staatssecretaris is onder voorwaarden dan ook bereid om extra geld 
voor de jeugdzorg ter beschikking te stellen. Eén van deze voorwaarden was een goede analyse van de wachttijden voor geïndiceerde hulp op 31 december 2005. In dit jaarverslag wordt dan ook aansluiting gezocht bij de gegevens die binnen het ROA Jeugdzorg Overleg zijn verzameld om deze wachttijden in kaart te brengen. 

De totale bruto wachtlijst in het ROA-gebied op 31 december 2005 bedraagt 1020. Het aandeel jeugdhulp in de totale wachtlijst bedraagt 56%, het aandeel verblijf 44%. Bij deze wachtlijst van 1020 is geen rekening gehouden met: 
• Het aantal cliënten dat binnen de gestelde termijn van 9 weken kan instromen; 
• Het aantal cliënten dat zorg in de wachttijd ontvangt. Het gaat hier om zorg die 
als vervangend zou kunnen gelden. Voor jeugdhulp geldt elke vorm van zorg als 
vervangend. Voor partieel verblijf geldt jeugdhulp of partieel verblijf als 
vervangend. Voor 24-uurs verblijf geldt alleen 24-uurs verblijf als vervangend*. 
• Dubbelingen, bijv. cliënten die op de wachtlijst staan voor twee vormen van 
jeugdhulp. 

Wanneer hier wel rekening mee gehouden wordt, dan blijken er 491 wachtenden 
(48% van de totale wachtlijst) al langer dan 9 weken op de wachtlijst te staan en in de tussentijd geen passende vervangende zorg te ontvangen. Het aandeel jeugdhulp in de structurele geschoonde wachtlijst bedraagt 43%, het aandeel verblijf 56% en het aandeel observatiediagnostiek 1%. 

* Hierbij dient één kanttekening gemaakt te worden, namelijk dat verblijf in een crisisgroep voor jonge kinderen niet als vervangende zorg voor een TGV-plaatsing wordt aangemerkt. Alhoewel een deel van de wachtenden op een TGV-plaatsing in de tussentijd verblijf in een crisisgroep ontvangt, worden deze wachtenden toch tot de structureel wachtenden gerekend. 

Tabel: Geschoonde structurele wachtlijst op peildatum 31-12-2005 per aanspraak/zorgvorm 
Aanspraak / zorgvorm 
Aantal programma’s op wachtlijst
Structurele geschoonde wachtlijst 
Reeds voorziene uitbreidingen* 
Structurele geschoonde wachtlijst na uitbreiding 
Jeugdhulp accommodatie zorgaanbieder groepsgericht 
117
17
- 
17

Jeugdhulp outreachend 
20
18
- 
18

Jeugdhulp thuis 
431
177
46,4 (p) 
130,6
Totaal jeugdhulp 

568
212
46,4 
165,6

Observatiediagnostiek deeltijd 
3
3
- 
3
Totaal

observatiediagnostiek 
3
3
- 3

Verblijf accommodatie zorgaanbieder 24-uurs 
137
61
8 (c) 
53

Verblijf accommodatie zorgaanbieder deeltijd 
58
34
- 
34

Verblijf pleegouder 24-uurs 
176
106
66,5 (c) 
39,5
Totaal verblijf 

371
201
74,5 
126,5

Totaal Altra, MOC, Spirit 
942
416
120,9 
295,1

Verblijf acc. zorgaanbieder 24-uurs (niet beschikbaar in ROA-gebied) 
50
50
- 
50

Verblijf acc. zorgaanbieder 24-uurs (HVO Querido / BWA) 
3
-
- 
-

Verblijf pleegouder 24-uurs, TGV 
25
25
12 (c) 
19
Totaal ROA

1020
491
132,9 
364,1

* bij zorgtrajecten die langer dan een jaar duren, is de capaciteitsuitbreiding geteld. Bij zorgtrajecten die 
korter dan een jaar duren, zijn de producties geteld. 

2.4 Jeugdbescherming en jeugdreclassering 

Tabel: productiecijfers 2004 jeugdbescherming en jeugdreclassering 
Bestand 31-12-2004 
Bestand 31-12-2005 
Instroom 2005 
Uitstroom 2005 
OTS 
1.630
1.771
657 
505

Voorlopige voogdij 
7
6
27 
25

Voogdij 
416
402
59 
63

Reguliere jeugdreclass. 
877
880
1.313 
1.157

Samenloop civiel straf 
64
97
120 
97

Bij de jeugdreclassering ging het bij de Harde Kern om 288 begeleidingsmaanden en bij CRIEM om 908 begeleidingsmaanden. 

Zowel de jeugdbescherming als de jeugdreclassering laten in 2005 een groei zien. 

2.5 Overige activiteiten 
Hieronder volgen de productiegegevens van de overige activiteiten van BJAA. Ook de belangrijkste eindresultaten van de Fiom staan vermeld in dit hoofdstuk. Voor meer gedetailleerde productiegegevens van het Fiom wordt verwezen naar bijlage I. 

2.5.1 Kindertelefoon
Tabel: oproepen en contacten met de Kindertelefoon in 2005 
Prognose 2005
Resultaat 2005
Beantwoorde oproepen 
50.000
41.858

Serieuze gesprekken 
15.000
13.550

Test 
2.500
2.128

Stillen 
10.000
7.932

Niet serieus 
20.000
17.950

Chatcontacten 
300
261

Gastlessen 
30
3

Over deze cijfers kan het volgende worden opgemerkt: 
• Het lager aantal beantwoorde oproepen dan gepland is te verklaren doordat er 
sinds de zomer van 2005 een landelijke daling is van het aantal oproepen. Dit 
komt waarschijnlijk doordat de media-aandacht die er in 2004 was als gevolg 
van het 25-jarig bestaan afgenomen is. 
• De overdracht van het werkgebied het Gooi naar de Kindertelefoon Noord 
Holland is een half jaar eerder dan gepland gerealiseerd. Hierdoor valt het 
aantal oproepen lager uit. 
• Ten gevolge van een tekort aan vrijwilligers was de bezetting aan de 
telefoonlijnen lager dan gepland. 
• Door het gebrek aan vrijwilligers zijn er ook minder gastlessen gegeven dan 
was gepland. 

2.5.2 Kinder- en Jongeren Rechtswinkel 

Tabel: productiecijfers Kinder- en Jongeren Rechtswinkel 2005 
Prognose 2005
Resultaat 2005
Vragen minderjarigen 
450
359

Vragen volwassenen 
350
334

Folderaanvragen 
80
72

Vragen m.b.t. werkstukken 
80
40

Vragen JOC 
60
-

Vragen ’t Nieuwe Lloyd 
60
-

Voorlichting 
60
41 

Doorverwijzingen 
-
74

Voor de Kinder- en Jongerenrechtswinkel is de productie lager uitgevallen dan de 
prognose. De oorzaken hiervan zijn: 
• De ontwikkeling van het voorlichtingsprogramma voor het voortgezet onderwijs 
heeft vertraging opgelopen. 
• Een aantal activiteiten hebben relatief veel tijd gekost, zoals het lustrum, de opzet van de vrijwilligersafdeling als één organisatorische eenheid (kindertelefoon, aanvullende hulp en Kinder- en Jongerenrechtswinkel) en het inkrimpen van het aantal coördinatie-uren. 
• ’t Nieuwe Lloyd is gesloten, waardoor er geen spreekuren hebben plaatsgevonden. 
• De directeur van het JOC vond spreekuren niet noodzakelijk. 
• Het aantal doorverwijzingen is dit jaar apart geregistreerd. Voorheen werden deze bij de vragen van minderjarigen en volwassenen geteld. 

2.5.3 Aanvullende hulp 
Tabel: productie 2005 
Prognose 2005
Resultaat 2005
Gezinnen in zorg 
60
62

In 2005 ontving de Aanvullende Hulp 55 aanvragen. Hiervan konden er 27 gekoppeld 
worden aan een vrijwilliger. 11 aanvragen werden afgewezen, omdat deze niet door 
de inzet van een vrijwilliger konden worden beantwoord. 17 aanvragen werden 
teruggetrokken. 

2.5.4 Dak- en Thuisloze Jongeren 

• Productie 
Tabel: productie 
Man 
Vrouw 
totaal 

Cliënten 
131 
147 
278 

Unieke cliënten 
106 
136 
242 

Binnen Amsterdam zijn er naar schatting tussen de 350 en 600 dak- en thuisloze 
jongeren onder de 23 jaar. 

In 2005 is er voor 242 unieke cliënten geïndiceerd, t.o.v. 186 in 2004. Cliënten 
worden op een uniek nummer geregistreerd. Als er voor een cliënt vaker wordt 
geïndiceerd dan wordt dat vermeld bij indicaties en niet mij unieke cliënt. 

• Cliëntkenmerken 
Leeftijd: de piek ligt rond de 19,20 en 21 jaar. Toename van 19-jarigen is opvallend. 

De 23 jarigen dreigen buiten de boot te vallen. Ze vallen onder volwassenenzorg, 
maar de overgang sluit niet goed aan. De 18-jarigen kunnen geen beroep meer doen 
op jeugdzorg. Deze jongeren dreigen in een gat te vallen. 

Sekse: Er zijn meer aanmeldingen voor vrouwen (136) dan voor mannen (106). Er is 
een stijging in de aanmelding van jonge (a.s.) moeders (bijna de helft). 

Culturele achtergrond: De groep dak- en thuisloze jongeren wordt 
oververtegenwoordigd door jongeren met een Surinaamse (86), Marokkaanse (55) of 
Nederlandse (52) culturele achtergrond. Aandachtspunt zijn de jongeren met een 
Marokkaanse achtergrond. Zij hebben te maken met een verborgen thuisloosheid. De 
huidige opvang en benadering lijkt moeilijk aan te sluiten bij de vraag van deze 
jongeren. 

Zorgjongeren: Van de 242 jongeren is bij 21 een verstandelijke handicap vastgesteld en bij 22 is er een vermoeden. Een groot deel van de jongeren zit in het ‘grijze’ gebied. Bij 106 van de 242 jongeren is vastgesteld dat ambulant GGZ contact van belang is. En bij nog eens 10 jongeren is hier een vermoeden van. 

• Toegewezen Zorgaanbod 
Aantallen Zorgaanbod
2004 
2005

Ambulant geïndiceerd Spirit ROA jeugdhulp
98
97

ROA eigenkracht
 - 
3
O.jeugdhulp
 - 
1
O. zeer intensief
 - 
1
Altra Ambulant voor moeder en kind
6 
12
Jellinek 
4 
2

ResidentieelSpirit ROA jeugdhulp Poortgebouw
25 
28

Altra Residentieel voor moeder en kind
11 
30

HVO/Querido 
HVO/BWA individueel wonen
83 
95

HVO/BWA individueel wonen M+K2 

Wonen in een kleine wooneenheid
 - 
2

Alexandria voor zwerfmeiden
 - 
19

Alexandria voor jonge moeders
 - 
14

Leger des Heils 
KLIF wonen met begeleiding
21 
24

Westzijde wonen met begeleiding 
2 
5

Volksbond/BertholdOpvang en begeleiding
65 
74

Jongerenhuis Harreveld Aurora 1
 - 
1
totaal 
317 
408

• Wachttijden 
Door de toename van het aantal indicaties worden de wachtlijsten langer. Met name bij de start van de trajecten neemt de wachttijd ernstig toe. Gevolgen zijn uitval en gedemotiveerde jongeren en wanhopige werkers, die de jongeren geen plekken of hulpverlening kunnen bieden. De aansluiting van de verschillende onderdelen in het traject verloopt moeizaam. Dit komt doordat de wachttijden de doorstroom in de weg staan, maar ook is er nog te weinig overleg tussen de verschillende instellingen. 

2.5.5 Persoongebonden Budget (PGB) 
Vanaf januari 2005 moet BJAA de aanvragen voor Persoonsgebonden budget (PGB) 
en/of Zorg in Natura (ZiN) in behandeling nemen voor jeugdigen jonger dan 18 jaar met een verstandelijk niveau hoger dan 85 en een psychiatrische grondslag. 

Daadwerkelijk is hiermee in maart/april gestart. 

Tabel: afgeronde aanvragen 
Activiteit 
Aantal 
Besluit verstuurd naar zorgkantoor 216 
Aanvraag vervallen 
31 
Doorgestuurd naar Centrum Indicatiestelling Zorg 13 
Rectificaties 12 
Ambtshalve verlenging 9 
Totaal afgerond 281 

• Opmerkelijke resultaten: 
Het aantal aanvragen was veel hoger dan aanvankelijk voorspeld (294 t.o.v. 50). 

De gemiddelde doorlooptijd is in de loop van het jaar afgenomen van 120 dagen tot ongeveer 38 dagen. 

De meeste zorg wordt aangevraagd door jongens (88%) voor externaliserende 
problematiek, zoals gedragsproblemen die voortkomen uit stoornissen als ADHD en/of PDD-NOS. 

2.5.6 Straathoekwerk Zaanstreek/Waterland 

Hieronder volgen de belangrijkste resultaten uit 2005:
• Briefadressen 
Overgeschreven vanuit 2004: 28 
Nieuwe adressen: 57 
Beëindigd: 37 
Overgeschreven naar 2006: 48 
Gemiddelde inschrijftermijn: 8,5 maanden 

• Eenmalige contacten 
Eenmalige contacten: 110 
Nederlandse afkomst: 60% 
Surinaamse afkomst: 16% 
Al eerder contact gehad: 60% 
Leeftijd: 50% is tussen 17 en 20 jaar 
ort vraag: 40% ging over passende huisvesting 

• Individuele hulpverlening 
Aanmelding in 2005: 77 
Afgerond in 2005: 87 (inclusief 50 contacten uit vorige jaren) 
Overgeschreven naar 2006: 40 
Gemiddeld aantal contacten: 15 

2.5.7 De Fiom 

De prognose voor het aantal afgesloten aanmeldingen voor 2005 was 380. Het 
feitelijke aantal van 413 lag daarmee opnieuw boven het aantal van het jaar daarvoor. De laatste jaren is er sprake van een gestage stijging. 

Het aantal informatie, advies en consult ligt met 502 fors boven de prognose van 380. Het totaal aantal hulpvragers was inclusief de nog lopende cliënten met 1180 10% hoger dan het jaar daarvoor. 

Tabel: productie Fiom 
Product 
2003
2004
Prognose 2005 
Resultaat 2005 
Verschil t.o.v. prognose 
Advies, Informatie en consult 
376 
426 
380 
502 
132% 

Aanmelding 
379 
397 
380 
413 
108% 
Totaal 

755 
823 
760 
915 
120% 

Tabel: hulpverleningstrajecten Product 2003
2004
Prognose 
2005 
Resultaat 2005 
Verschil t.o.v. prognose 
Fiom Hulpverlening 
- 
- 
125 
212 
170% 

Fiom Hulpverlening + 
- 
- 
135 
96 
143* 
71% 

Afstandsbegeleiding 
- 
- 
10 
13 
130% 
Totaal 

- 
- 
276 
321 
116% 

* het gemiddelde van de lopende contacten in 2005, gemeten op iedere eerste dag van de maand 

Tabel: Overige resultaten* 
Product 2003 
2004 
Prognose 2005 
Resultaat 2005 
Verschil t.o.v. prognose 

Indicaties 
29=21
63+13
- 
82** 
- 

Plaatsing HOI 
18 
37 
- 
44 
- 

Plaatsing elders 
18 
22 
- 
25 
- 

Melding Raad voor de Kinderbescherming 
Niet geteld
Niet geteld
- 
9 *** 
- 

* deze verrichtingen worden niet meer apart verrekend, maar zijn onderdeel van een hulpverleningstraject 
** waarvan 47 via het indicatietraject DTJ zijn afgehandeld en 17 via het MIO Zuidoost 
*** exclusief de meldingen aan het OCT-team van de Raad rond afstand ter adoptie 

Opvallende resultaten
• Het totaal aantal afgesloten Fiomhulpverlening ligt ver boven de prognose; 
• Er is een toename van de vraag naar zwangerschapsbegeleiding; 
• Het aantal vragen naar hulpverlening bij besluitvorming abortus is de laatste jaren dalende; 
• Het aantal hulpvragen met betrekking tot afstand ter adoptie is gehalveerd. Het aantal hulpvragen met betrekking tot adoptienazorg/zoekacties is licht gestegen; 
• Ruim 30% van de cliënten komt op eigen initiatief. Dit is hoger dan andere jaren. 
• Streetcornerwork is de grootste verwijzer (10%) 
• 124 cliënten werden als multiproblem geregistreerd. Een toename van 63% t.o.v. 2004. 
• 58 cliënten waren bij aanmelding dak- en of thuisloos. Dit is een toename van 65,5%. 
• Er waren 114 hulpvragen met betrekking tot opvang, een toename van 39%. 
• Bijna de helft van de doelgroep (a.s.) moeders heeft een opvangvraag. 
• Leeftijd: 
9% minderjarig 
48,5% tussen 18 en 23 jaar 
42,5% > 23 jaar 
• Sekse: 90% vrouw 10% man 
• Achtergrond: 34 % Nederlands 
26,4% Surinaams 
6,9 % Marokkaans 
8,8% (anders) Afrikaans 
23,9 % anders 

3 CLIËNTEN 
3.1 Cliëntentevredenheid 

BJAA hanteert het cliëntentevredenheidsonderzoek om de kwaliteit van de afgesloten hulp en de waardering door de cliënten van die ontvangen hulp te meten. 

Het is daarbij voor BJAA belangrijk om de persoonlijke mening van de cliënten te 
weten te komen, zodat hun opmerkingen, kritieken, suggesties en aanbevelingen in 
verbeterpunten kunnen worden omgezet. Het cliëntentevredenheidsonderzoek over 
2004 richtte zich op 600 ex-cliënten van de sector Jeugdhulpverlening van BJAA in Amsterdam. De cliënten, bestaande uit volwassenen (ouders) en jongeren (ouder dan 12 jaar), werd een enquêteformulier toegezonden. In totaal werden er 124 bruikbare formulieren ontvangen, dat wil zeggen de respons was slechts 20%. Daarnaast bleek het gebruikte NIZW enquêteformulier problemen op te leveren bij de gegevensverwerking. Dit kwam door de inconsistentie in de vraagstelling en het gebruik van twee niet geheel identieke formulieren voor ouders en jongeren. De resultaten die uit deze enquête zijn verkregen, vinden wij dan ook niet betrouwbaar genoeg om hier te vermelden. 

Voor toekomstige tevredenheidsonderzoeken onder BJAA cliënten zal er voor een 
beter en consistent instrument gekozen moeten worden. 

3.2 Cliëntenraad 

In 2005 is de cliëntenraad een aantal keren bij elkaar gekomen. De vergaderingen 
worden bijgewoond door een lid van de Raad van Bestuur. De secretariële 
ondersteuning van de cliëntenraad wordt geboden vanuit het bestuurssecretariaat. 

Een aantal thema’s kwam in het verslagjaar aan de orde. De belangrijkste vraag had te maken met de positionering van de cliëntenraad. Door het grote aantal, vaak veelomvattende ontwikkelingen (o.a. de fusie en de daarmee samenhangende 
organisatieontwikkeling en de Wet op de Jeugdzorg) kwam de input de afgelopen 
jaren voornamelijk vanuit de Raad van Bestuur. Ook in het verslagjaar was dat de 
situatie. De cliëntenraad heeft zich daarom bezonnen op haar positie en hoe die er idealiter uit zou moeten zien (reactief of initiërend). 

De omvang van de cliëntenraad is nog steeds te beperkt (voor samenstelling zie 
bijlage E). Zoals bij veel cliëntenraden bij ambulante instellingen is het op peil krijgen en houden van het aantal leden een moeilijke zaak. Daarbij komt dan nog dat de populatie van BJAA, behalve die van de jeugdbescherming, sterk aan verandering onderhevig is. Wat nu een cliënt is, is dat na verloop van tijd niet of nauwelijks, zeker als er een zorg vanuit een zorgaanbieder wordt geboden dat substantiëler van aard en omvang is dan hetgeen BJAA na het indicatiebesluit kan bieden. 

De cliëntenraad heeft een aanzet gemaakt om een en ander in een eigen 
beleidsnotitie samen te vatten. Begin 2006 zal dat de leidraad gaan vormen voor de activiteiten de komende jaren. 

Tot slot kan nog vermeld worden dat de cliëntenraad een voordracht heeft gedaan 
voor de Raad van Toezicht. Hierdoor kon mevr. D. de Ruyter op 1 januari 2006 
benoemd worden tot lid van de Raad van Toezicht van BJAA. 

3.3 Klachtencommissie en - regeling 

Sinds de invoering van de Wet op de Jeugdzorg bestaat de klachtencommissie 
uitsluitend uit onafhankelijke leden (zie voor samenstelling bijlage E). 

De klachtenregeling heeft inhoudelijk geen grote wijzigingen ondergaan. De 
klachtenregeling wordt door middel van een folder onder de aandacht gebracht van 
cliënten bij één van de eerste gesprekken. In de folder wordt de cliënt erop gewezen dat een klacht ook door bemiddeling door de leidinggevende kan worden opgelost. 

Ook ná het indienen van een klacht bij de klachtencommissie blijft het oplossen van de klacht door middel van een bemiddelingsgesprek met de leidinggevende 
nadrukkelijk een optie. De klager wordt alsnog de keuze voorgelegd om zijn klacht door de leidinggevende te laten bemiddelen. Deze keuzemogelijkheid blijft achterwege indien blijkt dat klachtbemiddeling niet wenselijk is of een gepasseerd station is. Een aanzienlijk deel van de bij de klachtencommissie ingediende klachten blijken op deze manier alsnog op een minder formele manier te worden opgelost. 

Een cliënt ontvangt de klachtenregeling wanneer er schriftelijk een klacht ingediend is bij de commissie. De werkwijze van de commissie maakt onderdeel uit van de klachtenregeling, zodat de klager alle relevante informatie in één schriftelijk stuk gepresenteerd krijgt. 

3.4 Klachtbehandeling door de klachtencommissie 

Klachtenoverzicht 
Aantal klachtbrieven 
2004 
2005 
.. Bij klachtencommissie binnengekomen (schriftelijk) 
21 
41
.. Restant uit vorig jaar 
8 
1 
Totaal 
29 
42 

Met de binnengekomen klachten is het volgende gebeurd 
2004 
2005
.. Niet in behandeling genomen omdat klachten ter kennisname 
aan de commissie waren gestuurd en niet ter behandeling 
1
0
.. Klachten die na (geslaagde) bemiddeling zijn ingetrokken 
2 
9
.. Afgehandeld (waaronder niet ontvankelijk verklaard) 
24 
25
.. Buiten behandeling omdat er geen contact met de klager te 
krijgen was 
0 
3
.. Klachten van twee klagers zijn behandeld als één klacht, 
omdat het dezelfde klachten betrof 
1 
0
.. Nog in behandeling 
1 
5
Totaal 
29 
42

Samenvatting van de klachten 
Het is opvallend dat er t.o.v. 2004 veel meer klachten zijn binnengekomen. Het is niet helemaal duidelijk waar dit aan ligt, maar zeker is wel dat leidinggevenden vorig jaar aandacht hebben besteed aan de nieuwe klachtenregeling. Ook is het verheugend te zien dat meer klachten dan voorheen door middel van bemiddeling worden afgehandeld. 

Net als afgelopen jaren heeft het overgrote deel (32) van de schriftelijk 
binnengekomen klachtbrieven (telefonische klachten worden niet in behandeling 
genomen) betrekking op de jeugdbescherming. Van de overige klachten hebben er 2 
betrekking op het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling, 1 op de 
indicatiecommissie en 6 op de vrijwillige jeugdhulpverlening. Van 1 klacht kon niet achterhaald worden op welke sector deze betrekking had. Omdat er geen contact gelegd kon worden met de klager is deze laatste klacht buiten behandeling gesteld. 

Sommige klagers sturen in één jaar meerdere klachtbrieven. Dit was vorig jaar bij twee klagers het geval. 

De ondersteuning van klagers door professionals, zoals het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg, laten een drastische daling zien t.o.v. 2004. In 2004 kregen 12 klagers professionele ondersteuning, in 2005 waren dat er maar 3. 

Veel van de klachten hebben betrekking op de communicatie tussen cliënt en 
hulpverlener. De klager voelt zich niet serieus genomen of vindt dat hij te weinig betrokken wordt bij de beslissingen die door BJAA genomen worden. 

Ook wordt er nogal eens geklaagd over traagheid en bureaucratie. Het duurt naar de mening van klagers vaak (te) lang voordat een beslissing wordt genomen of voordat de (gewenste) hulpverlening wordt gerealiseerd. 

In alle zaken waarin de commissie een uitspraak heeft gedaan, heeft de Raad van 
Bestuur de uitspraak en de aanbevelingen overgenomen. 

Voor een volledig overzicht van de klachten wordt verwezen naar het jaarverslag 2005 van de klachtencommissie. 

3.5 Cliëntenvertrouwenspersoon 

Op grond van afspraken tussen het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ) en het ROA wordt deze functie voor BJAA uitgevoerd door het AKJ. Het AKJ heeft voor de uitvoering van deze functie bij BJAA in het totaal 32 uur beschikbaar. In de loop van 2005 zijn er door het AKJ en BJAA afspraken gemaakt over de wijze waarop het AKJ deze functie binnen BJAA zal gaan uitvoeren. Deze afspraken zijn in een samenwerkingsovereenkomst vastgelegd. De belangrijkste onderdelen uit de samenwerkingsovereenkomst zijn: 
• BJAA zorgt voor de faciliteiten, die het de cliëntenvertrouwenspersoon mogelijk maken zijn functie uit te oefenen; 
• Het AKJ zorgt ook bij afwezigheid van de cliëntenvertrouwenspersoon voor 
continuering van de functie; 
• Het AKJ zorgt voor een verantwoording van de werkzaamheden van de 
cliëntenvertrouwenspersoon, die per kwartaal met BJAA zal worden besproken. 

Over zaken die in de media (dreigen te) komen, vindt vooraf mededeling aan BJAA 
plaats. 

De cliëntenvertrouwenspersoon werkt volgens een door het AKJ vastgestelde 
gedragscode, die bij BJAA bekend is. 

3.6 Bezwaarcommissie 

De bezwaarcommissie heeft in 2005 acht bezwaarschriften ontvangen. Bij zeven 
daarvan betrof het een AWBZ indicatie voor ondersteunende en activerende 
begeleiding, een zgn. PGB indicatie. (Persoonsgebonden budget, waarbij de cliënt de vrijheid heeft om zelf de zorgverlener te kiezen). 

Het achtste bezwaar, dat tevens het eerst binnengekomen bezwaar was, betrof een 
indicatie plaatsing in een Justitiële Jeugdinrichting voor een jongere die onder voogdij staat van de jeugdbescherming van het Leger des Heils. Dit bezwaarschrift is niet ontvankelijk verklaard omdat er voor de plaatsing in een JJI een machtiging van de kinderrechter noodzakelijk is en er dus een andere rechtsgang is om het indicatiebesluit te beoordelen. 

De overige zeven bezwaren waren ontvankelijk. Vier ervan zijn in 2005 afgerond. De commissie heeft deze als volgt beoordeeld:
• Bezwaar 1: de cliënt had het indicatiebesluit niet goed begrepen: zij had wel 
degelijk gekregen waarom zij had gevraagd. Het bezwaar is op verzoek van de 
bezwaarcommissie ingetrokken. 
• Bezwaar 2: is ongegrond verklaard omdat de cliënt om een indicatie voor 
begeleiding op school vroeg en Bureau Jeugdzorg deze indicatie niet kan stellen. 
• Bezwaar 3: de indicatiesteller had aangegeven dat op grond van de (nieuwe) 
informatie, die met het bezwaarschrift was meegestuurd, er een nieuw 
indicatiebesluit genomen kon worden. De cliënt was tevreden met dit nieuwe 
indicatiebesluit, waarmee de bezwaarprocedure was afgerond. 
• Bezwaar 4: Het bezwaar dat op de hoorzitting besproken is, is gedeeltelijk 
gegrond verklaard. De bezwaarcommissie heeft een nieuw indicatiebesluit 
genomen. 

Eind 2005 waren er nog 3 bezwaren in behandeling. 

Het afronden van de bezwaarprocedure door de bezwaarcommissie binnen de door de 
wet gestelde termijn bleek bij twee van de vijf in 2005 afgehandelde bezwaarschriften niet haalbaar. 

4 PRIMAIR PROCES 
4.1 Jeugdhulpverlening 
4.1.1 Werkprocessen 

Met de invoering van de nieuwe werkprocessen in de Jeugdhulpverlening is tevens 
van de gelegenheid gebruikt gemaakt om de werkprocessen van alle tien de locaties van Bureau Jeugdzorg in het ROA-gebied te harmoniseren en zoveel mogelijk van onnodige bureaucratie te ontdoen. In de praktijk bleek de nieuwe wet bij Bureau Jeugdzorg en bij onze ketenpartners nog veel onduidelijkheid op te roepen en leidde in een aantal gevallen tot een duidelijke toename van de bureaucratie. In samenwerking met onze ketenpartners hebben we in de loop van 2005 afspraken gemaakt om de overbodige bureaucratie zoveel mogelijk te voorkomen. 

In de loop van 2005 zijn alle interne en externe vragen en knelpunten uit de praktijk gebruikt om de inhoudelijke werkprocessen te verbeteren. Ook is veel aandacht uitgegaan naar een aanpassing van het registratieprogramma. De aangepaste werkprocessen en het verbeterde registratieprogramma worden in 2006 
geïmplementeerd. 

4.1.2 Samenwerking met de GGZ 

In de regio AMZW werd de bestaande samenwerking rond de aanmelding en de 
diagnostische centra gecontinueerd. In Amstelland en de Meerlanden werd bovendien de spreekuurstructuur van BJAA versterkt door inzet van ggz-deskundigen. 

In Amsterdam is eind 2005 op basis van de resultaten van enkele werkgroepen met 
Mentrum en de Bascule een pilot van start gegaan om een (met de ggz) geïntegreerde aanmelding te ontwikkelen, vergelijkbaar met de regio AMZW. Naast de technische en de logistieke vragen die een dergelijke pilot oproepen, zal de pilot ook een meer uniforme aanmeldingsprocedure en een uitvraagprotocol moeten opleveren. Ook zal de deskundigheidsbevordering van de betrokken BJAA medewerkers op het gebied van psychiatrische problematiek de nodige aandacht krijgen. BJAA participeerde in de ontwikkeling van een vragenlijst (Spsy) door het Trimbos instituut om psychiatrische problematiek bij jeugdigen te signaleren. 

4.1.3 Licht Verstandelijk Gehandicapte jeugdigen 

In 2004 hebben BJAA en MEE praktische afspraken gemaakt om de samenwerking te 
verbeteren en ervoor te zorgen dat cliënten met een lichtverstandelijke handicap goed terecht komen. Het uitgangspunt is een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de cliënt. Wanneer er sprake is van overdracht moet deze zo soepel mogelijk verlopen om voor de cliënt zoveel mogelijk continuïteit te waarborgen. De volgende afspraken zijn in de notitie ‘Twee weten meer dan één’ vastgelegd: 
• In de aanmeldfase wordt de cliënt direct doorverwezen; 
• In de intake/analysefase wordt er altijd contact opgenomen en overlegd of de 
cliënt tot de doelgroep van de andere instelling behoort. Bij overdracht wordt pas afgesloten als de klant een eerste gesprek bij de andere instelling heeft gehad; 
• Tijdens de begeleiding wordt niet meer overgedragen. Wel kan er consultatie 
gevraagd worden aan de contactpersoon bij de andere instelling; 
• Tijdens een crisis wordt een cliënt nooit overgedragen. De contactpersoon van de andere instelling kan wel om intensieve consultatie gevraagd worden. Beide 
instellingen hebben gezamenlijke verantwoording voor het vinden van oplossingen 
binnen de crisis. 

De notitie biedt verder houvast bij het nemen van beslissingen in moeilijke gevallen en het geven van consultatie bij indicatiestellingen. 

In 2005 is de notitie in alle teams Jeugdhulpverlening besproken en zijn er acties ondernomen om de nieuwe samenwerkingsafspraken te kunnen uitvoeren. Zo zijn er contactpersonen aangewezen die het overleg met de contactpersonen van MEE voeren en zijn de banden met MEE aangetrokken. Er is, naast het overleg van de contactpersonen over cliënten, ook regelmatig overleg op managersniveau. De 
frequentie hiervan verschilt van één keer per zes weken tot drie keer per jaar. De verschillen per regio zijn groot. De ene regio verwijst meer cliënten naar MEE, in een andere regio is het net andersom. Over het algemeen is er sprake van een aarzelend begin van de nieuwe vorm van samenwerking. Dit zal zeker in 2006 uitgebouwd worden. 

4.2 Jeugdbescherming 

Als er in een gezin ernstige opvoedingsproblemen zijn en één of meer kinderen 
dreigen daarvan het slachtoffer te worden, wordt de jeugdzorg ingeschakeld. In 
eerste instantie wordt overwogen of hulpverlening in een vrijwillig kader een 
oplossing kan bieden. Indien zij onvoldoende kunnen doen aan het wegnemen van de 
dreiging, wordt aan de Raad voor de Kinderbescherming gevraagd om onderzoek te 
doen. Wanneer het onderzoek daartoe aanleiding geeft, vraagt de Raad aan de 
kinderrechter om een Onder Toezichtstelling (OTS) uit te spreken, waarbij de 
minderjarige onder toezicht wordt gesteld van BJAA. De gezinsvoogd heeft bij de 
begeleiding van het gezin bijzondere bevoegdheden. Als het belang van het kind dat 
vraagt, kan de gezinsvoogd besluiten van de ouders terugdraaien of andere besluiten 
nemen tegen de wens van de ouders in. 

BJAA begeleidt ook kinderen in het kader van een voogdij-maatregel. Is hiervan 
sprake, dan is Bureau Jeugdzorg belast met het gezag in de vorm van voogdij. 

4.2.1 Beter Beschermd 

In april 2005 is het rapport ‘Jeugdbescherming onder de loep’ aangeboden aan het 
ROA en het Ministerie van Justitie. Het rapport omvat een casestudie naar 
mogelijkheden tot verbetering in de civiele keten van Bureau Jeugdzorg, AMK, Raad 
voor de Kinderbescherming, Kinderrechter en Gezinsvoogdij. Uit het rapport blijkt dat 
de behoefte bestaat om de doorlooptijden in de keten te bekorten, de 
onderzoekswijzen af te stemmen en de informatieoverdracht te verbeteren. Deze 
resultaten zijn meegenomen in het landelijk voorbereidingstraject van ‘Beter 
Beschermd’. Door deelname van de Raad van Bestuur van BJAA in de landelijke 
stuurgroep is ook de verbinding met het AMK gemaakt. 

Inmiddels is bekend geworden dat Amsterdam, op de locatie Zuidoost, vanaf april 
2006 pilot regio zal worden. 

4.2.2 Deltaplan 

Uitvoering van het Deltaplan ‘kwaliteitsverbetering Gezinsvoogdij’’ moet ervoor gaan 
zorgen dat: 
• Jeugdbeschermers hun werk uitvoeren op basis van de methodiek uit ‘Leiding 
geven aan verandering’; 
• Jeugdbeschermers substantieel minder administratieve en procedurele taken 
hebben; en 
• Jeugdbeschermers aanzienlijk meer tijd kunnen besteden aan direct contact 
met cliënten. 

Eind 2005 is er een voorlichtingsmiddag geweest voor het middenkader van BJAA. 

Inmiddels is bekend dat de financiering voor de uitvoering van het Deltaplan 
gefaseerd ter beschikking zal komen. Dit betekent dat in 2006 onder landelijke 
regie een start gemaakt zal worden met een gedeeltelijke invoering bij de Bureaus 
Jeugdzorg en dat het Deltaplan in 2008 voor iedereen ingevoerd zal zijn. 

4.2.3 De Link 

Pilotproject ‘De Link’ is een samenwerkingsproject van De Bascule en BJAA. Vanuit de 
veronderstelling dat de jeugdbescherming van BJAA te maken heeft met een groep 
problematische gezinnen en minderjarigen met eventueel psychiatrische stoornissen, 
is een project opgezet om deze problematiek zo vroeg mogelijk te onderkennen. Doel 
van dit project is te komen tot een betere herkenning, diagnostiek en behandeling van 
jeugdigen met gedragsproblemen en psychiatrische stoornissen binnen de 
jeugdbescherming. De Link is in 2005 gestart op één locatie. In 2006 wordt deze pilot 
afgerond. 

4.2.4 De Koppeling 

De afgelopen jaren is het aantal civielrechtelijke plaatsingen van minderjarigen met 
een ondertoezichtstelling in de gesloten opvang van een Justitiële Jeugdinrichting 
(JJI) sterk gestegen. Voor de meeste jongeren is deze setting niet wenselijk. Zij 
hebben, gezien de veelheid aan problemen, vanaf de eerste dag diagnostiek, 
begeleiding en behandeling nodig en de organisaties die deelnemen aan het project 
‘de Koppeling’ streven ernaar dit voor deze groep te realiseren. In de koppeling 
worden verbindingen gemaakt tussen hulp aan deze jongeren vanuit de 
zorgaanbieders, de JJI, de GGZ, het speciaal onderwijs, de LVG en Bureau Jeugdzorg. 
Inmiddels is in beeld om hoeveel kinderen het ongeveer gaat. 

In 2005 is de behandelmethode beschreven en op dit moment wordt het gebouw 
waarin het project kan starten verbouwd. De feitelijke start van het project wordt eind 
2006 / begin 2007 verwacht. In de tussentijd is er in het JOC een aparte OTS unit 
geopend. 

4.3 Jeugdreclassering 

De jeugdreclassering heeft tot taak jongeren die in aanraking komen met politie en 
justitie te begeleiden op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming, de Officier 
van Justitie, de Kinderrechter of de Rechter-Commissaris. Doel van deze begeleiding 
is het voorkomen of terugdringen van een criminele carrière bij de jeugdige. De 
intensiviteit van de begeleiding kan wisselen. Naast de traditionele jeugdreclassering 
zijn er twee intensieve varianten: ITB CRIEM voor allochtone jongeren en ITB harde 
kern. De jeugdreclasseerder maakt samen met de cliënt een begeleidingsplan waarin 
vermeld staat welke punten gerealiseerd moeten worden tijdens de begeleiding en op 
welke wijze dit georganiseerd wordt. 

Speerpunten 2005
In 2005 heeft het Ministerie van Justitie in het kader van Jeugd Terecht de 
erkenningcommissie geïnstalleerd. Deze commissie heeft een tiental criteria opgesteld 
waaraan het zorgaanbod voor (jeugdige) criminelen dient te voldoen. Voldoet een 
traject aan de criteria dan bestaat er zekerheid over de zogenaamde blijvende 
recidive-verminderende effectiviteit. 

Ook de jeugdreclassering dient te zijner tijd aan deze criteria te voldoen. De MOgroep 
heeft onlangs een handboek jeugdreclassering aan de erkenningcommissie voorgelegd 
ter goedkeuring.

In het licht van de voorwaarden van de erkenningcommissie hebben de volgende 
ontwikkelingen plaatsgevonden: 
• Er is een start gemaakt met de introductie van een recidive taxatie instrument. In 
2006 dient besloten te worden welke organisaties in het ROA gebied hetzelfde 
instrument gaan hanteren. 
• Er is een servicepunt jeugdreclassering in de rechtbank geopend om direct na de 
eerste voorgeleiding bij de kinderrechter een plan ter voorkoming van recidive op 
te stellen. 
• In de afgelopen jaren is in Amsterdam gestart met de introductie van de FFT 
(Functional Family Therapy) door de Bascule en de MST (Multi Systemic Therapy) 
door De Waag. Beide modellen van gezinsgerichte therapie voor gezinnen van 
jeugdige criminelen zijn ‘evidence based’ in de Verenigde Staten. Wetenschappelijk 
onderzoek vindt momenteel plaats naar de effectiviteit in Nederland. Omdat 
verreweg het grootste gedeelte van de jongeren die één van deze vormen van 
therapie ontvangt bekend is bij BJAA, participeert BJAA in beide onderzoeken. 
• In 2005 is binnen BJAA de FFPS (Functional Family Parole Services) 
geïntroduceerd. FFPS is een wijze van begeleiding door de jeugdreclassering 
gebaseerd op de principes van de FFT. In 2006 start de eerste training voor 4 
medewerkers en in 2007 start een onderzoek naar de effectiviteit van deze 
methodiek. Uiteindelijk zullen alle jeugdreclasseerders getraind moeten worden. 

4.4 Aansluiting bij de vóórliggende voorzieningen 
4.4.1 Onderwijs 

• Primair Onderwijs 
Op de Amsterdamse locaties heeft BJAA in 2005 de Jeugdzorg Advies Teams (JAT) en 
de Voordeurteams samengebracht in teams 12-. Deze teams dragen zorg voor een 
goede aansluiting op het primair onderwijs. Er is één werkproces voor de teams 12- 
vastgelegd. Bij het aanmeldbesluit is een orthopedagoog betrokken. In overleg met 
het onderwijs wordt besproken of een outreachende werkwijze ingezet zal worden. De 
jeugdarts van de GGD en de algemeen maatschappelijk werker, beide gefinancierd 
door de stadsdelen, maken onderdeel uit van de teams 12- en dragen bij aan een 
multidisciplinaire oordeelsvorming. Het schoolgericht werken is door de vorming van 
de teams 12- breed geïmplementeerd in de organisatie. 

Op basis van een Amsterdamse subsidie van € 500.000 heeft BJAA 300 leerlingen die 
verwezen werden vanuit het primair onderwijs zonder wachttijden geholpen. 

In de stedelijke stuurgroep onderwijs–zorg zijn afspraken gemaakt over de wijze 
waarop de afstemming tussen het onderwijs en BJAA gevolgd wordt. Als uitwerking 
van het plan ‘continuüm van zorg’, dat voor de participanten van stedelijke stuurgroep 
de leidraad van handelen vormt, is bijgedragen aan de uitwerking van de papieren 
verwijsroute, de route voor de geïntegreerde indicatiestelling onderwijs-zorg en de 
positionering van het schoolmaatschappelijk werk. 

In het kader van de Proeftuin West werden afspraken gemaakt over de bijdrage van 
BJAA: beperkte deelname aan de zorgoverleggen, aanstellen van een contactpersoon 
voor de scholen en het organiseren van deskundigheidsbijeenkomsten. 

Het Landelijk Centrum Onderwijs Jeugdzorg voert onderzoek uit naar de resultaten die 
behaald worden met de cliëntengroep van de voormalige Jatteams. Met het LCOJ zijn 
tevens afspraken gemaakt om de schoolgerichte werkwijze per regio in kaart te 
brengen ter ontwikkeling van deskundigheidsmodules binnen het opleidingsbeleid van 
BJAA. 

Met de samenwerkingsverbanden WSNS in de regio AMWZ heeft BJAA gesprekken 
gevoerd om te komen tot een betere afstemming tussen jeugdzorg en onderwijs: 
verbeteren van de Zorg om en in de School; hoe kan er meer outreachend gewerkt 
worden; komen tot een continuüm van zorg en integrale indicatiestelling. 

In een aantal samenwerkingsverbanden voert BJAA schoolmaatschappelijk werk uit, 
gefinancierd door de lokale overheid. 

In Zaanstad participeert BJAA in een project onder de naam Breed Onderwijs 
Zorgaanbod (bOZ). Doel is om te komen tot een integraal aanbod op het terrein van 
onderwijs-welzijn-BJZ-zorgaanbieders en het vastleggen hiervan in een handelingsplan 
per leerling. 

In Zaanstad is BJAA verder betrokken bij het platform brede school. 

In de regio Waterland participeert BJAA in een project van het samenwerkingsverband 
WSNS om te komen tot een goede samenwerking en overdracht tussen primair 
onderwijs, voortgezet onderwijs, Bureau Jeugdzorg en REC. 

• Voortgezet onderwijs 
BJAA heeft binnen het project ‘Zorg op Maat’ actief deelgenomen om de 
samenwerking tussen onderwijs en zorg verder te versterken. 

BJAA neemt deel aan het Transferium (voor niet op school handhaafbare jongeren) en 
het Onderwijs Schakel Loket (OSL) waar de meest problematische leerlingen in een 
(onderwijs–zorg) traject wordt geboden. Afspraken werden gemaakt met Transferium 
en OSL over het zorgdragen voor onderwijs na detentie of een internaatplaatsing. 

Deelgenomen wordt aan het project behandeling en onderzoek naar ggz-problematiek 
bij VMBO-leerlingen met de Bascule als trekker. 

Op voorstel van BJAA heeft Spirit enkele NPP-trajecten (Nieuwe Perspectieven 
Preventief = lichte zorg) verbonden aan twee schoollocaties. Ervaring kan zo 
opgedaan worden met het koppelen van ambulante begeleidingstrajecten aan school 
en thuis. 

In Amstelland-De Meerlanden participeert BJAA in het overleg van het 
samenwerkingsverband voortgezet onderwijs (VO) / speciaal voortgezet onderwijs 
(SVO) waar verder RMC, GGD-jgz, Spirit, Altra, REC-4, ROC en een vertegenwoordiger 
vanuit de vijf gemeenten aan deelnemen. Doel is te komen tot een goede relatie 
tussen onderwijs-jeugdzorg-arbeidstoeleiding en een bovenschoolse zorgstructuur. 

Met het samenwerkingsverband VO/SVO in de regio Waterland wordt gesproken over 
de invulling van een reboundvoorziening (een voorziening waar jongeren die tijdelijk 
op school niet te handhaven zijn een programma aangeboden krijgen) en de 
samenwerking rond de invulling van het schoolmaatschappelijk werk vanuit het 
Orthopedagogisch Didactisch Centrum (OPDC). 

In de regio AMZW wordt gestart met het project Zorg op Maat. 

• ROC’s 
Op basis van een aanvullende financiering vanuit het ROA nemen 
onderwijshulpverleners voor 1 schooljaar deel aan zorgoverleggen op 14 ROC-locaties 
binnen het ROA-gebied. 

• Speciaal onderwijs 
onder verantwoordelijkheid van BJAA zijn op de REC4 scholen medewerkers van de 
Bascule aangesteld. De taken zijn gericht op advies, consult en waar nodig verwijzing 
en indicatiestelling voor jeugdzorg en ggz-programma’s. Hiermee is een eerste stap 
gezet om zicht te krijgen welke en hoeveel specifieke zorgprogramma’s voor deze 
doelgroep nodig zijn. 

Deelgenomen wordt aan de stuurgroep van de Kingmaschool (REC3) met het oog op 
de verantwoordelijkheid die BJAA per 1 januari 2007 krijgt voor indicatiestelling voor 
LVG-jongeren. De inzet van BJAA is ook hier gericht op het in beeld brengen van de 
benodigde zorg. 

4.4.2 Politie en Justitie 

• Ketenunits 
De Amsterdamse ketenpartners die verantwoordelijk zijn voor het zorgaanbod en de 
aanpak van jongeren die strafbare feiten plegen hebben de krachten gebundeld in de 
vorm van ‘ketenunits’. De ontwikkeling van de ketenunits leidt ertoe dat bij alle 
jongeren met een politie/justitie verleden tevens beoordeeld kan worden of inzet van 
vrijwillige jeugdzorg mogelijk is dan wel een maatregel opgelegd dient te worden. 
Kenmerkend voor de werkwijze van de units is dat zij zorg zullen dragen voor snelle, 
consequente en efficiënte behandeling van jeugdzaken door meer samenhang te 
bieden in de aanpak. De deelnemende organisaties hebben binnen de ketenunit één 
werkproces waarbij straf en zorg zijn geïntegreerd. 

De ketenunit heeft zich inmiddels ontwikkeld als spin in het web bij het voorbereiden 
en realiseren van strafgerelateerde beslissingen. De bewaking op de nazorg kent één 
groot knelpunt: de verschillende justitiële inrichtingen melden niet of onvoldoende 
wanneer een jongere de inrichting verlaat, de terugkoppeling naar de ketenunit is nog 
niet goed geregeld. 

In de ketenunit worden veel beslissingen genomen ten aanzien van strafafdoening en 
veel minder over de afdoening naar zorg. Deze verantwoordelijkheid ligt bij de 
jeugdbeschermers en jeugdreclasseerders van BJAA. De ketenunit heeft afgelopen 
jaar een groot aantal scenario’s ten behoeve van parket en rechtbank opgesteld. 

• Pilot Vangnet Jeugd 
In 2005 werd de pilot met Vangnet Jeugd en Altra en Spirit afgerond. De pilot richtte 
zich op cliënten (ouders met kinderen) die via een melding overlast en/of 
politiecontact werden aangemeld bij Vangnet Jeugd. Zij werden op een aanhoudende 
outreachende wijze benaderd door Vangnet Jeugd. 

Op initiatief van BJAA locatie Oost werd onder haar verantwoordelijkheid een 
gezamenlijk casuïstiekoverleg opgericht om de door Vangnet Jeugd aangebrachte 
casuïstiek samen met de zorgaanbieders te kunnen bespreken. Deze werkwijze werd 
zeer positief geëvalueerd op punten als: snelheid, passende hulp kunnen bieden, 
continuïteit van zorg voor de cliënt, optimale afstemming tussen organisaties. Gezien 
de doelgroep, laag gemotiveerd en multi-problem, mag dat als een belangrijke 
prestatie van de partners genoemd worden. 

De werkwijze van Vangnet Jeugd is in de loop van 2005 verbreed naar de hele stad. 
De evaluatie in Oost heeft bijgedragen aan de uitwerking van een werkwijze voor de 
gehele stad. Deze is gevonden in een inhoudelijke voorbereiding door Vangnet Jeugd 
waarbij Bureau Jeugdzorg aansluitend zorgdraagt voor ondersteuning en afhandeling 
van indicaties en voor de bemiddeling naar de diverse zorgprogramma’s. 

4.5 Straathoekwerk Zaanstreek/Waterland 

In de stad Amsterdam wordt het Straathoekwerk uitgevoerd door de Stichting 
Streetcornerwork, dat los staat van Bureau Jeugdzorg. In de regio 
Zaanstreek/Waterland maakt het Straathoekwerk (historisch) deel uit van Bureau 
Jeugdzorg. 

Speerpunten 2005 
• Jeugdregisseurs in het wijkwerk door Stichting Welsaen 

In het afgelopen jaar is een structurele verandering doorgevoerd in het wijkwerk; het 
straathoekwerk is hierin een tweedelijns voorziening geworden. 

Als gevolg van bezuinigingen en een heroriëntatie op het werk, heeft Stichting 
Welsaen gewerkt aan een andere inzet van het jongerenwerk. Het jongerenwerk zou 
ambulant moeten worden ingezet in buurten en wijken en daarmee ‘verdwijnen’ uit de 
jongerencentra. De term ‘jeugdregisseur’ deed zijn intrede voor die gewijzigde functie 
van het jongerenwerk. Een dergelijke verandering van werkwijze diende te worden 
afgestemd met het straathoekwerk, dat al jaren ambulant in buurten en wijken 
werkzaam is. In het voorjaar werd overeenstemming over toekomstige werkwijzen 
bereikt. De jeugdregisseurs nemen de functies signalering en contactlegging met 
jongeren in de wijken over van het straathoekwerk. Het straathoekwerk wordt alleen 
nog ingezet op verzoek van de jeugdregisseurs en zal in eerste instantie zelf geen 
initiatieven meer ontwikkelen. 

• Een eigen registratiesysteem en beleidsgestuurde contractfinanciering 
Het straathoekwerk registreerde in 2005 nog in pre-Jhvis. Dit registratieprogramma is 
onvoldoende geënt op de werkpraktijk en ook de gemeente Zaanstad vond dat er een 
ander registratiepakket diende te komen, met het oog op de invoering van 
beleidsgestuurde contractfinanciering. Eind 2005 kon de gemeente een verzoek 
honoreren om een registratiesysteem te ontwikkelen en inmiddels lijkt het erop dat 
een aanvaardbaar alternatief is gevonden. 

Individuele hulp-en dienstverlening 
Tijdens het open spreekuur kunnen jongeren binnenlopen. Er is een straathoekwerker 
beschikbaar voor vragen, advies of om een afspraak te maken voor een uitgebreider 
gesprek. Ook halen jongeren die bij het Straathoekwerk een briefadres hebben, hun 
post op. 

Jongeren kunnen gebruik maken van faciliteiten, zoals fax, telefoon, computer en 
internet, waar zij zelf de beschikking niet (meer) over hebben. Gemiddeld 10 jongeren 
per spreekuur maken gebruik hiervan. 

Soms komen jongeren ook met gerichte vragen om informatie en advies. In 2005 zijn 
er 110 eenmalige contacten geregistreerd. 

Daarnaast meldden in 2005 77 jongeren zich voor individuele hulpverlening. Na een 
uitgebreid intakegesprek worden er werkdoelen gesteld. Het aantal contacten per 
jongere verschilt, maar gemiddeld waren er 15 contacten per hulpverleningstraject. 

Sportactiviteiten 
Sportactiviteiten zijn een belangrijk middel voor het straathoekwerk om contacten op 
te bouwen met jongeren en signalen op te vangen. Daarnaast vervullen de activiteiten 
een uitstekende functie in het tegengaan van verveling en in het verminderen van 
overlast. 

Het straathoekwerk probeert zoveel mogelijk activiteiten aan te bieden in de eigen 
leefomgeving. Het extra geld dat vanuit het Ministerie van Binnenlandse zaken vanaf 
2002 beschikbaar was gesteld ten behoeve van preventie jeugdcriminaliteit is vanaf 
juli 2005 opgenomen in de gemeentelijke subsidie van het straathoekwerk. Hierdoor 
blijft het mogelijk om naast de wekelijkse sportinstuiven, andere sportactiviteiten te 
organiseren en uit te voeren. 

Projecten 
Het straathoekwerk ontwikkelt projecten en levert een bijdrage aan projecten die 
onder verantwoordelijkheid van andere instellingen of organisaties vallen. 

De volgende projecten lopen door in 2006: 
Allochtoon meidenwerk, Jeugdzorg in de wijken, Integrale zorg en preventie, 
Zwerfjongeren, Jong en moeder, Short Stay Facility. 

De volgende projecten zijn in 2005 afgerond: 
Loverboys, A-8erna, Diversiteit jongerenactiviteiten. 


5 AGGLOMERATIEBREED AANBOD 

BJAA heeft het Agglomeratie-breed aanbod (ABA) geclusterd. Hieronder vallen: 
• Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK); 
• De Fiom; 
• Zorgbemiddeling; 
• Crisisteam; 
• Servicebureau Opvoedondersteuning en Trainingen (SO&T); 
• Vrijwilligersorganisatie, waaronder valt: 
.. Kindertelefoon 
.. Kinder- en Jongeren Rechtswinkel 
.. Aanvullende hulp 

5.1 Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) 

Hieronder volgt een korte samenvatting van de speerpunten uit het jaarverslag van 
het AMK. Voor het uitgebreide jaarverslag wordt verwezen naar bijlage H. 

Speerpunten 2005 
• Overdracht naar het Gooi 
Het AMK Amsterdam heeft haar werkzaamheden voor de regio Gooi en Vechtstreek 
per 1 september 2005 overgedragen aan AMK Noord-Holland. 

• Samenwerking met de jeugdhulpverlening van BJAA 
Om een betere samenwerking te realiseren met de jeugdhulpverlening (jhv) en de 
werkprocessen beter op elkaar af te stemmen is er een intern werkdocument 
opgesteld. Het werkdocument bevat criteria over wanneer een derde naar de 
jeugdhulpverlening moet bellen, en wanneer naar het AMK. Daarnaast zijn er 
afspraken gemaakt rond interne doorgeleiding en samenwerking indien de 
hulpverlening of het onderzoek is gestart. Ook staan er afspraken in over interne en 
externe overdracht. 

• Samenwerking met de Raad voor de Kinderbescherming 
Met de Raad is afgesproken dat ernstige zaken, waarbij het gaat om kinderen onder 
de leeftijdsgrens van vijf jaar, direct overgedragen kunnen worden aan de Raad, 
zonder volledig onderzoek door het AMK. 

• Huiselijk geweld 
Het AMK is betrokken geweest bij een aantal acties in het kader van ‘Stop Huiselijk 
Geweld’: 
.. Het evalueren van het eerste Advies- en Steunpunt Huiselijk Geweld; 
.. Het vastleggen van samenwerkingsafspraken en meldroutes voor een 
geïntegreerde aanpak van zorg bij kindermishandeling (Kindspoor Amsterdam); 
.. Het opstellen van het Amsterdams Protocol Kindermishandeling. 

• RAAK proefregio’s 
Amsterdam Noord en Zaanstreek/Waterland zijn proefregio’s geweest voor het RAAK 
project. Dit (landelijk) project beoogt een sluitende aanpak kindermishandeling te 
realiseren. 

• Casuïstiekoverleg 
De vertrouwensartsen nemen deel aan de casuïstiekoverleggen met de twee 
Academische Ziekenhuizen. Daarnaast is overleg gestart met het Boven IJ ziekenhuis. 
Een maatschappelijk werker neemt deel aan het zogenaamde Twee- of Meersporen 
Team, waarin casuïstiek besproken wordt waarbij sprake is van (vermoedens van) 
seksueel misbruik. 

• Inspectieonderzoek 
De Inspectie heeft onderzoek gedaan naar de kwaliteit van het primaire proces, bij 
alle AMK’s. Naar aanleiding van de aanbevelingen in het rapport is een verbeterplan 
opgesteld. De verbeterpunten hebben onder andere betrekking op meer eenduidigheid 
in de manier van werken, het inschatten van risico’s en de verslaglegging. 

• Wachttijden 
Het jaar 2005 heeft in het teken gestaan van het terugdringen van de wachtlijst. In 
de loop van 2005 liepen doorlooptijden en wachtlijst verder op. In juni was de 
wachtlijst toegenomen tot meer dan 120 zaken. Verschillende acties en extra 
middelen hebben er toe geleid dat de wachtlijst op 1 januari 2006 was teruggebracht 
tot 45 zaken. De toegezegde extra medewerker van het Leger des Heils kon in plaats 
van per 1 november 2005 pas op 1 januari 2006 gedeeltelijk (24 in plaats van 36 uur) 
worden ingezet. 

5.2 De Fiom 

Hieronder volgt een korte samenvatting van de speerpunten uit het jaarverslag van de 
Fiom. Voor het uitgebreide jaarverslag wordt verwezen naar bijlage I. 

Speerpunten 2005 
• Werkbeschrijvingen 
In 2005 is er voor het eerst gewerkt met nieuwe op de Fiomhulpverlening 
toegesneden werkbeschrijvingen die, gekoppeld aan een kostprijs (P*Q), als basis 
dienen voor subsidieverrekening met DMO (Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling). 

• Registratiesysteem 
Het registratiesysteem is aangepast aan de nieuwe werkbeschrijvingen. Implementatie 
in het team vergde aandacht, met als nevendoel het verminderen van de bestaande 
onderregistratie. Inspelen op verdere verschuiving van de doelgroep richting 
multiproblem gezinnen. 

• Casemanagement Dak- en thuisloze jongeren 
De zorgbemiddeling Dak- en Thuisloze jongeren van BJAA verwijst cliënten richting de 
Fiom ten behoeve van het casemanagement van een uitgezet traject. Via het dak- en 
thuislozen traject is er een makkelijke toegang tot de SPV-er van De Meren ten 
behoeve van GGZ-problematiek. 

• Samenwerking met andere instellingen 
Na de invoering van de Wet op de jeugdzorg is de samenwerking met Altra 
geïntensiveerd. De Fiom is nu een van de belangrijkste verwijzers voor Altra. 

Ook wordt veel samengewerkt met de Vrouwenopvang, het zwerfcircuit (waaronder 
m.n. Streetcornerwork) en de vrijwilligersopvang. 

De structurele contacten met de Raad voor de Kinderbescherming hebben ook in 2005 
plaatsgehad. Daarnaast heeft de Fiom structureel overleg met de overige Fiombureaus 
in het land. 

• PR
Hoewel PR in het jaarplan 2005 wel als speerpunt was benoemd is hier te weinig 
aandacht aan besteed. Desondanks is er wel een nieuwe Fiomfolder gekomen, er is 
voorlichting gegeven aan de Kinder- en Jongeren Rechtswinkel en heeft er een 
workshop plaatsgevonden in het kader van de Stadconferentie Jeugdzorg. 

• Tekort aan opvangmogelijkheden 
Helaas is er een groot gebrek aan opvangmogelijkheden voor de doelgroep van de 
Fiom, terwijl de nood hoog is. Altra heeft eind 2005 de Moeder- en Kindopvang 
Helmersstraat gesloten en de opening van vrouwenopvang Alexandria (HVO-Querido) 
heeft grote vertraging opgelopen. 

Knelpunten 
• Toegenomen hulpvraag 
De hoeveelheid werk is flink toegenomen. Dit heeft een aantal oorzaken: 
.. toename van het aantal hulpvragers; 
.. toegenomen ernst van de problematiek; 
.. ontbreken van goede hulpverleningsmogelijkheden; 
.. toegenomen bureaucratie. 

De verhouding werk-capaciteit hulpverlening is uit balans, maar vanwege de aard van 
de problematiek (crisis rond zwangerschap, pasgeboren baby’s, abortus), is het 
instellen van een wachtlijst niet denkbaar. Daarom kan niet met cijfers duidelijk 
gemaakt worden dat de nood hoog is. In 2006 zal, in overleg met de subsidiegever, 
naar meer structurele oplossingen gezocht moeten worden. 

• Toename opvangvraag 
In bijna de helft van de aanmeldingen rond (a.s.) moederschap was sprake van een 
opvangvraag, terwijl de mogelijkheden zeer beperkt zijn. Steeds vaker komen 
Fiomcliënten, soms hoogzwanger of met een pasgeboren baby, in de noodopvang van 
het zwerverscircuit terecht. 

• Leeftijdsgrens 
In verband met de capaciteitsproblemen, moet de Fiom vasthouden aan de 
leeftijdsgrens van 1 jaar bij de baby’s. dit geeft met name bij het uitvoeren van 
casemanagement ten behoeve van de Dak- en Thuisloze doelgroep problemen. 
Wanneer moeders van 18 jaar en ouder geen hulpvraag hebben met betrekking tot de 
opvoeding kunnen zij niet bij de Voordeur terecht, terwijl er toch veel zorgen zijn over 
hun leefwijze en de gevolgen daarvan voor het kind. Deze moeders willen, gezien 
vroegere ervaringen, vaak niets met de jeugdzorg te maken hebben, maar nog wel 
met de Fiom. 

5.3 Zorgbemiddeling 

Speerpunten 2005 
• Optimaliseren werkprocessen in het kader van de Wet op de Jeugdzorg 
Door de Wet op de Jeugdzorg veranderde er veel op het gebied van de 
indicatiestellingen. Dit leidde voor de Zorgbemiddeling tot het overgaan van het 
registratiesysteem Care4 naar IJ. Daarnaast moesten werkafspraken met zowel 
zorgaanbieders als BJAA intern worden aangepast. Binnen de afdeling 
Zorgbemiddeling zorgde dit onder meer tot een verdere verschuiving van 
werkzaamheden naar het secretariaat. 

• Realiseren zorg voor cliënten 
De afdeling Zorgbemiddeling werd in 2005 regelmatig geconfronteerd met situaties 
dat plaatsingen van kinderen als gevolg van capaciteitstekort zeer moeizaam bleken. 
Door de inzet van een zogenaamd calamiteitenfonds vanuit het ROA kon in deze 
situaties zorg worden ingekocht bij met name de Hoenderloo-groep. Daarnaast werd 
er regelmatig overlegd met de zorgaanbieders uit zowel de sector jeugdhulpverlening, 
LVG als GGZ, rondom individuele casuïstiek en verbeteringen in de onderlinge 
samenwerking. 

• Persoonsgebonden Budget (PGB) en Zorg in Natura (ZiN) 
Vanaf 1 januari 2005 heeft BJAA tot taak om een gedeelte van de aanvragen voor 
Persoonsgebonden budget (PGB) en/of Zorg in Natura (ZiN) in behandeling te nemen. 
Het zorgkantoor beslist erover of de zorg in natura gegeven wordt of als een PGB. 
BJAA geeft indicaties af op grond van de AWBZ op basis van psychiatrische 
problemen, gedragsproblemen, psychische en/of psycho-sociale problematiek. In de 
praktijk is BJAA pas in maart/april daadwerkelijk gestart met de afhandeling van deze 
aanvragen. In de eerste maanden zijn veel aanvragen nog bij het Centrum 
Indicatiestelling Zorg (CIZ) binnengekomen, omdat het bij cliënten en instellingen 
vaak niet bekend was dat ze hun aanvraag bij BJAA moesten indienen. 

BJAA heeft specialistische kennis ingehuurd en een gecentraliseerde PGB-ZIN 
commissie ingesteld, die onder de afdeling Zorgbemiddeling is gepositioneerd. 

In totaal zijn er 294 aanvragen bij BJAA binnengekomen, waarvan er 281 zijn 
afgehandeld. Dit aantal is veel hoger dan het aantal waarvan werd uitgegaan op basis 
van prognoses van het RIO (50). 

• Vraagsturing 
Om de taken op het gebied van vraagsturing beter op te pakken, zijn 
zorgbemiddelaars in 2005 deel gaan nemen aan de regionale overleggen tussen BJAA 
en Zorgaanbieders. De verschillen per regio, wat betreft de aanwezigheid en 
doelstelling van deze overleggen is groot. 

Desondanks heeft de zorgbemiddeling binnen zowel de zorgregionale overleggen als 
afstemmingsoverleggen per regio haar expertise ingezet. 

5.4 Crisisteam 

Speerpunten 2005 
• Integratie Coördinatiepunt Crisisinterventie en Crisisteam 
Een groot deel van 2005 is gewerkt aan de integratie van het Coördinatiepunt 
Crisisinterventie en het Crisisteam. Dit was zowel op het gebied van personeel en als 
op het gebied van de inhoudelijke werkprocessen een arbeidsintensief traject. 

• Coördinatie gesloten (crisis) plaatsingen. 
De coördinatie hiervan werd door het Crisisteam overgenomen van de afdeling 
Zorgbemiddeling. Dit leidde, mede door allerlei nieuwe richtlijnen vanuit justitie, tot 
een forse werkverzwaring. Er is veel gedaan aan voorlichting binnen BJAA omtrent de 
afhandeling van indicatiebesluiten na crises. 

• Samenwerking met zorgaanbieders 
De samenwerking met de zorgaanbieders heeft geleid tot een gezamenlijke evaluatie 
van de crisisinstroom. Hier kwamen de volgende punten uit naar voren: 
.. Positief rondom kwaliteit aanmeldingen maar grote verschillen per regio en 
werkers; 
.. Een aantal gegevens worden door de zorgaanbieders gemist op het 
crisisaanspraakformulier: BJAA zal dit aanpassen; 
.. Twee maal per jaar wordt een expertisebijeenkomst tussen zorgaanbieders en 
BJAA georganiseerd, rondom het thema crisis 

Er zijn ook samenwerkingsafspraken gemaakt met zorgaanbieders vanuit de LVG 
sector. Er zijn vaste contactpersonen bij het instroompunt LVG crisis en er zijn 
duidelijke routes voor aanmelding bij crisis afgesproken. 

• Kwaliteitsbewaking outreachende crisisinterventie 
Een kerntaak van het crisisteam blijft het bieden van outreachende ambulante 
crisiszorg. Ook in 2005 is door middel van studie-ochtenden, intercollegiale toetsing, 
intervisie en bespreking van iedere aangenomen zaak door een in de GGZ-werkzame 
gz-psycholoog hierover overleg gevoerd. 

5.5 Servicebureau Opvoedondersteuning & Training (SO&T) 

Het Servicebureau Opvoedondersteuning en Training (SO&T) heeft als doel 
instellingen en overheden die zich in Amsterdam bezighouden met opgroeien en 
opvoeden in de breedste zin te ondersteunen zodat een optimale ontwikkeling van 
kinderen wordt bevorderd. In 2005 bediende het Servicebureau alleen de stad 
Amsterdam. In de regio AMZW functioneerden de steunpunten opvoeding nog. Deze 
zijn vanaf januari 2006 samengevoegd in één afdeling SO&T. 

De afdeling kenmerkt zich door een grote diversiteit aan activiteiten. Er bestaat een 
basisaanbod dat wordt gefinancierd vanuit het zogenaamde aansluitingsbudget en er 
worden werkzaamheden uitgevoerd op basis van inkoop. 

SO&T bestaat uit een vast team van 10 medewerkers. Daarnaast werken in de 
verschillende stadsdelen uitvoerende krachten die in dienst zijn bij BJAA. Zij werken in 
projecten of worden op basis van een structurele subsidie van een stadsdeel ingezet 
in het veld of bij een instelling. 

Activiteiten in het kader van het aansluitingsbudget 
Er zijn 5 regioconsulenten werkzaam binnen de afdeling SO&T. Iedere regioconsulent 
voert in de stadsdelen werkzaamheden uit in het kader van het aansluitingsbudget. 
Voor deze werkzaamheden geldt dat er in het verleden een verdeling van uren voor 
de verschillende stadsdelen is gemaakt op basis van een risicomaat. Zo kreeg ieder 
stadsdeel een aantal uren toebedeeld. Na overleg met ondermeer het stadsdeel is 
bepaald welke activiteiten in het kader van het aansluitingsbudget ontplooid zouden 
worden. Deze activiteiten hebben in ieder geval betrekking op het ondersteunen en 
het bevorderen van de deskundigheid van de voorliggende voorzieningen. Een 
belangrijke taak in 2005 was de ontwikkeling van de OKC’s (Ouder-en Kind Centra) in 
de stadsdelen. De vijf regioconsulenten namen in stadsdelen deel aan onder meer de 
implementatiewerkgroepen en/of werkgroepen opvoeden en opgroeien om een 
bijdrage te leveren om tot een passend en sluitend aanbod opvoed- en 
opgroeiondersteuning te komen. 

Naast de activiteiten voor de stadsdelen vervullen de consulenten ook stedelijke taken 
in het kader van het aansluitingsbudget. Deze taken zijn verdeeld over de 
regioconsulenten op basis van aandachtsgebieden. Zo zijn er de aandachtspunten 
‘Opvoedsteunpunten en pedagogisch adviseren’, ‘buurtnetwerken’, ‘stedelijk 
trainingsaanbod en de oudercursussen’. De consulenten verzorgen ook het stedelijk 
trainingsaanbod voor beroepskrachten die oudercursussen verzorgen. 

Een van de belangrijkste taken van de regioconsulenten is om tijdens voorkomende 
werkzaamheden of overleggen ontwikkelingen en vragen te signaleren en hier op in te 
spelen. Zo werd via deze contacten, de behoefte onderkend naar de mogelijkheden 
van HOME-start voor de stadsdelen. Na een oriëntatie binnen de stadsdelen, 
belanghebbenden bij elkaar gebracht te hebben en overleg te initiëren, zijn er nu 
vergevorderde plannen om HOME-start in drie - en mogelijk meer - stadsdelen te 
starten. Waarschijnlijk gaat SO&T hierbij een ondersteunende rol vervullen en 
zorgdragen voor de implementatie. Ook de vraag naar de training ‘stap voor stap’ 
voor de verpleegkundigen van de Jeugd-GGZ is door regioconsulenten opgepikt en 
uitgewerkt in een aanbod voor 2006. 

Binnen Bureau Jeugdzorg hebben de afgelopen jaren per jaar circa zestien 
Competentie Trainingen plaatsgevonden vanuit de zes stedelijke voordeuren van 
BJAA. Het doel van deze trainingen is het versterken van competenties van kinderen 
zoals het vergroten van gedragsalternatieven en het ontwikkelen van inzicht en 
zelfredzaamheid. De inhoudelijke begeleiding van de deze trainingen wordt door de 
coördinator Competentie Trainingen, vanuit de afdeling SO&T, verzorgd. 

Naast de begeleiding worden door de coördinator in toenemende mate contacten met 
voorliggende voorzieningen opgebouwd om deze training op basis van inkoop aan het 
voorveld aan te bieden. Voor de HALT-sector is SO&T gevraagd een training te 
ontwikkelen voor minderjarigen die een HALT-waardig delict hebben gepleegd en 
waarbij een taakstraf geen effectief middel is, om hun criminele carrière te 
beëindigen. Tevens heeft de coördinator inhoudelijk sturing gegeven aan het 
aanpassen van de JR-SoVa (sociale vaardigheid) trainingen. 

De mediatheek is een voorziening die de voorwaarden schept voor groepsgerichte 
opvoedingsondersteuning, meestal eenmalige ouderbijeenkomsten 
(themabijeenkomsten). Het doel is organisaties (scholen, kinderdagverblijven) te 
stimuleren in hun eigen voorziening met ouders over opvoeding te praten. De 
mediatheek leent themamateriaal uit aan organisaties voor deze bijeenkomsten en kan 
op hun verzoek bemiddelen bij een gastdocent uit de gastdocentenpoel, levert 
infomateriaal, ondersteunt de organisatie van bijeenkomsten, ondersteunt 
gastdocenten en evalueert themabijeenkomsten. 

Daarnaast wordt het stedelijk aanbod van trainingen voor beroepskrachten, die een 
open inschrijving kennen, beheerd. 

De medewerker bemant eenmaal per week een dagdeel de landelijke opvoedtelefoon. 
Deze voorziening is eind 2005 opgeheven. 

Werkzaamheden in het kader van inkoopactiviteiten 
Naast de werkzaamheden in het kader van het aansluitingsbudget, voeren 
regioconsulenten op basis van inkoop activiteiten uit op verzoek van partners, zoals 
de Jeugd-GGZ, de stadsdelen en OKC maar ook scholen. Het gaat voornamelijk om 
trainingen of het geven van gastcolleges. Voor een overzicht van projecten wordt 
verwezen naar bijlage D, hier wordt volstaan met een samenvatting. 

• Trainingen 
De trainingen die zich op kinderen en jongeren richten waardoor de competenties van 
deze jeugdigen verbeteren zijn op basis- en middelbare scholen en voor de HALT-
sector dit jaar in vele varianten uitgevoerd. Zo kunnen er op verzoek van scholen 
trainingen aan jongeren worden gegeven waarbij eventueel eigen medewerkers van 
de school ‘on the job’ kunnen worden opgeleid. Deze trainingen beperken zich niet tot 
de ‘originele’ Competentie Trainingen maar kennen vele variabelen van het thema 
‘pesten/normen en waarden’ tot een variant met technieken uit de training ‘Rots en 
Water’. 

Daarnaast zijn de volgende trainingen uitgevoerd: 
.. ‘Kinderen die opvallen’; 
.. Marietje Kessels Project; 
.. ‘Girl Power’. 

• Projecten 
Binnen SO&T worden verschillende projecten uitgevoerd of er wordt in geparticipeerd. 
De projecten worden gefinancierd uit extra middelen (meestal door stadsdelen). 
Het gaat hier om de volgende projecten: 
.. ‘Spel aan huis’; 
.. Buurnetwerken (stadsdeel Noord); 
.. JIP op drie middelbare scholen in Amsterdam-Oost; 
.. Goal! 
.. Het Centrum Opvoedondersteuning Oost Watergraafsmeer (COOW). De 
coördinatie van het centrum ligt bij de stichting Welzijn Oost en SO&T is 
budgethouder. In dienst bij BJAA zijn drie pedagogisch adviseurs. 
.. Detachering van drie medewerkers in Bos en Lommer: coördinator van het 
opvoedsteunpunt, coördinator oudercomponent en pedagogisch adviseur. 

5.6 Vrijwilligersorganisatie 

De inzet van vrijwilligers levert een belangrijke dienst aan kinderen en jongeren, die 
anders niet mogelijk zou zijn. Daarnaast versterkt BJAA haar banden met de 
samenleving door het werken met vrijwilligers. Tevens is gebleken dat vrijwilligers 
regelmatig doorstromen naar betaalde functies binnen BJAA. Zowel de medewerkers 
van BJAA als de cliënten zelf waarderen de inzet van de vrijwilligers zeer. 

Speerpunten 2005 
• Één vrijwilligersorganisatie 
De huidige vrijwilligersorganisatie is ontstaan uit het in één organisatorische eenheid 
onderbrengen van de afdelingen Kindertelefoon, Kinder- en Jongerenrechtswinkel 
(KJRW) en Aanvullende hulp. Hierdoor ontstaat één herkenbare, zichtbare en 
slagvaardige vrijwilligersorganisatie die duurzaam geborgd in BJAA uitvoering geeft 
aan maatschappelijk gewaardeerde hulp, informatie, advies en ondersteuning aan 
kinderen. Ten opzichte van drie afzonderlijke afdelingen zal de kwaliteit en 
effectiviteit toenemen. De aanloop naar deze samenvoeging speelde een groot deel 
van het jaar, zowel inhoudelijk als organisatorisch, een rol en zal komend jaar verder 
zijn beslag krijgen. De fysieke verhuizing vond medio november plaats. 

• Overdracht van werkgebied ‘Het Gooi’ aan de Kindertelefoon Noord-Holland 
In januari 2005 zijn oproepen uit het Gooi overgedragen aan de Kindertelefoon Noord 
Holland. Dit heeft tot gevolg gehad dat de subsidie-inkomsten met circa € 46.000 
verminderden, terwijl de omvang van de Kindertelefoon niet kon krimpen. Tot het 
voorjaar bleef het onduidelijk of deze nieuwe situatie kon worden vertaald naar een 
nieuwe kostenverdeling tussen ROA en Flevoland. Het resultaat is dat de provincie 
Flevoland de subsidie heeft verhoogd met € 25.000. 

Bij de aanvraag voor 2006 is wederom een verhoging gevraagd. 
• Financiën Kinder- en Jongerenrechtswinkel en Aanvullende Hulp 
De financiering van de KJRW en de Aanvullende Hulp zijn als gevolg van de Wet op de 
Jeugdzorg onder druk komen te staan. Beide voorzieningen zijn namelijk niet in de 
wet opgenomen. 

In 2005 werd de subsidie vanuit het Ministerie van Justitie aan de KJRW verder 
afgebouwd. De exploitatie van KJRW en de Aanvullende Hulp werd in 2005 mogelijk 
gemaakt door een projectondersteuning van de Stichting Tot Steun van Pro Juventute. 
In december is toegezegd dat de Stichting de komende twee jaar het werk van de 
KJRW en de Aanvullende Hulp nog blijft ondersteunen (met een aflopende subsidie 
van 1/3 per jaar). 

Ten behoeve van de KJRW zijn verder actieve stappen ondernomen om derden te 
interesseren voor het (deel)financieren van de juridische hulpfunctie. 

Personeel
De vrijwilligersorganisatie beschikt over een aantal betaalde krachten. Sinds juli 2005 
wordt de afdeling aangestuurd door de leidinggevende van de kindertelefoon. 
Daarnaast is er een secretariaatsmedewerker in dienst en vijf coördinatoren (in 
deeltijd). 

De organisatie draait met een groot aantal vrijwilligers. In 2005 is bij de 
Kindertelefoon fors ingezet op het vergroten van het team vrijwilligers. Hiervoor zijn 
er een aantal werving- en selectierondes gehouden en zijn er trainingsrondes 
georganiseerd voor de reguliere basistraining. Daarnaast werden er landelijk 5 
chatmedewerkers geworven en opgeleid. Dit alles heeft geresulteerd in een toename 
van 15 vrijwilligers bij de Kindertelefoon tot een aantal van 66. 

Bij de KJRW is het aantal vrijwilligers (overwegend rechtenstudenten) redelijk stabiel. 
Op 31 december 2005 waren er 29 vrijwilligers aan de slag. Op 1 januari 2005 waren 
dat er 33. 

Bij de afdeling Aanvullende Hulp zijn 46 vrijwilligers aan het werk. Zij zijn één dagdeel 
per week beschikbaar om een kind leuke woensdagmiddagen te bezorgen, of te 
zorgen dat een ‘omgangsregeling’ tussen kind en ouder(s) goed en veilig verloopt. 

Markt en Omgeving 

De aandacht voor de positionering en de legitimering van de vrijwilligersdiensten is 
toegenomen. Door de samenvoeging is een belangrijke stap gezet in de versterking 
van de door de vrijwilligers geleverde diensten. Voor de Kindertelefoon heeft dit 
geleid tot (nadere) contacten met de provincie Flevoland en het Bureau Jeugdzorg 
Flevoland. Ook landelijk is het de bedoeling dat de Kindertelefoon en de Kinder- en 
Jongerenrechtswinkel inhoudelijk meer gaan samenwerken. 

6 PERSONEEL 
6.1 Management van personeel 

Het werken in het primaire proces vereist een grote mate van flexibiliteit van 
medewerkers. De werkbelasting is door alle ontwikkelingen zeer groot. Dat maakt ook 
de taak van de manager tot een complexe. 

In 2005 is ingezet op extra aandacht voor de managers. De wijze van ondersteuning 
van P&O aan de lijnfunctionarissen verandert: van een meer beheersmatige rol wordt 
gewerkt naar een adviserende rol. Het daarbij behorende verstrekken van meer en 
kwalitatief goede managementinformatie heeft meer vorm gekregen. Overigens heeft 
de samenwerking met de afdeling Financiën en Planning en Control daartoe 
bijgedragen. 

Een ander voorbeeld van de organisatiebrede, adviserende inzet van P&O is het 
verzuimtraject. De uitgebreide aanpak met behulp van een extern bureau (zie 6.3) is 
door P&O geregisseerd. 

Voorts is aangevangen met de voorbereidingen van alle wetswijzigingen in 2006, 
wijzigingen die alle medewerkers betreffen, maar ook interne procedurele en 
beleidsmatige gevolgen hebben. Het informeren van de medewerkers over de 
levensloopregeling, zorgverzekering, wet Walvis en WIA en de keuzes van BJAA hierbij 
zal doorlopen tot medio 2006. 

6.2 Formatie 2005 

Per 31 december 2005 bestond de personeelsformatie van BJAA uit 781 medewerkers. 
Dit zijn 81 personen meer dan in 2004 (bijna 11,5%). Dit aantal is exclusief stagiaires 
en uitzendkrachten. Het aantal begrote fte’s was 501,12 (excl. projecten en 
detacheringen). 

Van het totaal aantal medewerkers werkten er 257 fulltime (23%) en 524 parttime 
(67%). Het aantal vrouwen bedroeg op de peildatum 594 (76%) en het aantal 
mannen 187 (24%). 

Naast betaalde medewerkers werken er bij BJAA vrijwilligers bij de Kindertelefoon, 
Kinder- en Jongerenrechtswinkel en de aanvullende hulp. Het totaal aantal 
vrijwilligers ligt op ongeveer140 personen. 

Het percentage allochtone werknemers is ten opzichte van 2004 iets gestegen, 
namelijk tot 26,6%. Hoewel de Wet Samen vanaf 1 januari 2004 niet meer van kracht 
is, vindt BJAA het belangrijk om haar personeelsbestand een afspiegeling van de 
samenleving te laten zijn. Daarom wordt blijvend een aparte registratie gevoerd, 
zodat er op dit onderdeel van diversiteitsbeleid gestuurd kan blijven worden. 

Al enkele jaren heeft BJAA zich tot doel gesteld om het personeelsverloop terug te 
brengen. Van 18% in 2003 naar 17% in 2004. In 2005 is het verloopcijfer 11,8%. Het 
cijfer betreft het natuurlijk verloop (op eigen verzoek). Wanneer het percentage 
verloop door afloop tijdelijke contracten vanwege ziekte- en zwangerschapsvervanging 
en de ontbindingsprocedures ook meegeteld wordt, dan is het cijfer 17,9%. Van de 
ontbindingsprocedures kwam nog 25% voort uit de fusie (zie 6.6). 

6.3 Verzuim en Falke & Verbaan 

Het terugdringen van het verzuim is eind 2004 tot speerpunt voor 2005 benoemd. Met 
instemming van de OR is samen met het Bureau Falke & Verbaan een Integraal 
verzuimmanagement Traject gestart. Een Quick-Scan en een workshop 
Consensusvorming voor de Raad van Bestuur, Managementteam, voorzitter OR en 
bedrijfsarts vormden de start van het traject. Er is een nieuwe visie op verzuim 
geformuleerd en er zijn verzuimtargets voor 2005 vastgesteld op organisatie-, 
districts- en afdelingsniveau. 

In de zomer van 2005 is de nieuwe visie onder alle medewerkers bekend gemaakt, in 
het najaar gevolgd door een training verzuimmanagement voor alle leidinggevenden 
en P&O-adviseurs. 

Voor geheel BJAA was het verzuim in 2004 8,1%. De target van het voortschrijdend 
gemiddelde voor het jaar 2005 was vastgesteld op 7,4%. 

In 2005 hebben alle inspanningen er toe geleid dat het verzuim zelfs nog iets verder 
is gedaald dan de target van 7,4% die was afgesproken. Het verzuimpercentage over 
2005 bedroeg gemiddeld 6,9%. 

In 2006 zullen de activiteiten in het kader van het Integraal Verzuimmanagement 
Traject worden voortgezet. De target op organisatieniveau is voor 2006 vastgesteld 
op 6,1%. 

6.4 Arbodienst 

In 2005 werd net als in 2004 gebruik gemaakt van de Arbo-dienst Maetis. De 
bedrijfsarts werd nauw betrokken bij de nieuwe visie op verzuim van BJAA, omdat 
deze gewijzigde visie ook van de bedrijfsarts een andere rol vroeg. 

Tijdens het Sociaal Medisch Team, dat 4 x werd georganiseerd in 2005, werden 
individuele medewerkers en hun reïntegratie besproken, maar was ook steeds meer 
aandacht voor hoe verzuim kan worden voorkomen en welke preventieve maatregelen 
er kunnen worden genomen. 

6.5 Vertrouwenspersoon 

In 2005 hebben 5 medewerkers zich gemeld bij de vertrouwenspersoon. Vier van deze 
vijf meldingen vonden in het 1e half jaar plaats. 

In 2006 wordt een aangepast en toegankelijker beleid Ongewenste Omgangsvormen 
geformuleerd en zullen alle medewerkers opnieuw worden geïnformeerd over wie de 
vertrouwenspersoon is en waar deze te bereiken is. 

6.6 Allocatie van personeel in het kader van de fusie 

In 2005 zijn de herplaatsingen afgerond. Er zijn geen nieuwe bezwaarprocedures 
gestart. 

Met 5 medewerkers zijn in goed overleg afspraken gemaakt om te komen tot 
beëindiging van het dienstverband, omdat definitieve herplaatsing in een passende 
functie niet realiseerbaar bleek. 

6.7 Personeelsbeleid en personele regelingen 

Eindejaarsuitkering 
Deze uitkering conform de CAO bestaat uit een vast deel en een resultaatafhankelijk 
deel. De werkgever dient voor het resultaatafhankelijke deel doelen vast te stellen 
met instemming van de ondernemingsraad. BJAA kende in 2005 twee doelen. 
• Daling van het verlofstuwmeer: het saldo niet opgenomen verlof diende eind 2005 
€ 100.000 (ongeveer 7.400 uur) lager te zijn dan in 2004. Het doel is behaald. 
• Verzuimtarget 7,4. Zoals onder het kopje ‘verzuim’ gemeld is dit doel ruimschoots 
gehaald. 

E-mail- en internetprotocol 
Dit protocol voorziet in gedrags- en gebruiksregels bij het gebruik van internet en e-
mail. Overwegingen, rechten, privacybescherming, controle en sancties komen in het 
protocol aan de orde. De ondernemingsraad heeft in mei haar instemming verleend 
aan het protocol 

Protocol seksueel misbruik van cliënt door medewerker 
BJAA heeft met instemming van de ondernemingsraad een protocol vastgesteld voor 
situaties waarbij sprake is van (vermeend) seksueel misbruik van cliënten. 

6.8 CAO Jeugdhulpverlening 

Medio december 2005 is het onderhandelaarsakkoord vastgesteld voor de CAO 
Jeugdhulpverlening 2006. De looptijd van de CAO is van 1 januari 2006 tot en met 30 
april 2007 (16 maanden). 

Ook is voor de sector een collectief contract gesloten met een ziektekosten-
verzekeraar. 

In de CAO is daarbij een werkgeversbijdrage van € 10 afgesproken indien werknemers 
gaan deelnemen aan deze collectieve ziektekostenverzekering en een aanvullende 
verzekering afsluiten. 

In het kader van de Levensloopregeling per 1 januari 2006 is door CAO-partijen 
afgesproken dat de werkgever 0,5% stort voor de levensloop (of indien men niet 
deelneemt: bij het salaris). Hiertegenover staat het inleveren van één verlofdag (i.c. 
bonusdag voor leeftijd). 

7 INTERNE EN EXTERNE COMMUNICATIE 
7.1 Inleiding 

De activiteiten van afdeling Communicatie van BJAA zijn in 2005 zowel uitgebreid als 
deels van richting veranderd. Dit heeft onder meer te maken met veranderd inzicht 
van het bestuur. In een notendop is dit inzicht als volgt te kenschetsen: 

De communicatie tussen een bestuur en haar medewerkers staat bekend als ‘interne’ 
communicatie. Bij BJAA vormt de communicatie van onze medewerkers met de 
buitenwereld het leeuwendeel van onze externe communicatie. Interne en externe 
communicatie zijn in BJAA dus nauw met elkaar verbonden en worden in deze visie op 
communicatie als twee delen van één geheel gepositioneerd. Het is dan ook zaak dat 
ze nauwkeurig op elkaar afgestemd en ingespeeld zijn. In BJAA, waar bijna 
negenhonderd medewerkers direct aan verbonden zijn (incl. vrijwilligers), zijn 
allereerst en vooral onze medewerkers dus de ambassadeurs van de organisatie. 

7.2 Interne communicatie 

Deze optiek had belangrijke gevolgen. Lag in 2004 en begin 2005 de 
communicatiefocus van BJAA op het aan de buitenwereld uitleggen wie wij zijn, wat 
wij doen en waarom (externe communicatie), sinds de tweede helft van 2005 zijn de 
communicatieactiviteiten allereerst gericht op het in kort tijdsbestek verbeteren van 
de interne communicatie. 

Van de medewerkers van BJAA wordt professionaliteit, zelfstandig optreden en 
persoonlijk leiderschap verwacht. En dat in een situatie waarin BJAA kortgeleden is 
gefuseerd (en daarom enorm groeide) en door wetgeving steeds weer anders moet 
werken. 

In zo’n situatie zijn up-to-date kennis over de organisatie, betrokkenheid bij en van je 
collega’s en de mogelijkheid om mee te denken over beleid eerste vereisten om 
kwaliteit te kunnen leveren, samen prettig te werken en dit in de buitenwereld uit te 
stralen. 

Nieuwe producten van interne communicatie 
De focus op interne communicatie is inmiddels praktisch zichtbaar door een pakket 
van op elkaar afgestemde ‘communicatieproducten’, die ieder op strategische wijze en 
momenten in de organisatie zijn (en ook in 2006 worden) gebracht. 
• Als start werd in juli 2005 de concept-Meerjarenvisie 2005-2008 naar iedere 
medewerker gemaild. Daarbij werd de medewerker in een schrijven van de Raad 
van Bestuur gevraagd hierop te reageren. Daarna kwam de Raad van Bestuur in 
een brief aan alle medewerkers terug op de door hen ontvangen reacties. 
• Vervolgens ontving iedere medewerker maandelijks van de voorzitter van de Raad 
van Bestuur een e-mail waarin hij de medewerker iets ‘vertelde’ over een paar 
voor hem belangrijke onderwerpen, eindigend met de vraag om hierop naar 
behoefte te reageren. 
• Sinds december ontvangt iedere medewerker het nieuwe medium ‘de 
Kantinekrant’. Deze verschijnt tweewekelijks op A3 formaat en bevat vooral intern 
maar soms ook extern nieuws. De informatie varieert van nieuwe werkwijzen die 
afdelingen in BJAA hebben ontwikkeld tot veranderde wetgeving, en van een 
aankondiging van open dagen en prijsvragen in de sector tot 
personeelswijzigingen. Iedere lezer kan reageren op artikelen en zelf kopij 
inbrengen via een hiertoe bestemd emailadres. Vervolginformatie kan men 
opzoeken op ANNA, het intranet van BJAA. 
• Tegelijk met het verschijnen van de Kantinekrant is ervoor gekozen om het 
intranet om te bouwen tot een medium dat beter toegesneden is op de diverse 
groepen gebruikers. Dit kan doordat groepen alléén de informatie gaan ontvangen 
die voor hen relevant is. In voorbereiding op deze tijdrovende ombouw (in 2006) 
is ANNA alvast overzichtelijker gemaakt door weglating van minder belangrijke 
informatie. 
• Het kerstgeschenk 2005 voor medewerkers bevatte een cadeautje dat ook als doel 
had de interne communicatie te dienen. Het is een boekje waarin een journaliste 
van de Volkskrant in 25 afzonderlijke tekstjes een beeld schetst van het werk van 
de jeugdbeschermer van BJAA. De journaliste liep in augustus/september mee 
met diverse jeugdbeschermers; in die maanden werden de stukjes ook dagelijks in 
de Volkskrant geplaatst. Het boekje is in december ook extern als relatiegeschenk 
verstuurd. 

7.3 Externe communicatie 
Was in 2004 het hoofddoel van externe communicatie het uitleggen van ons werk in 
de media en folderteksten en werd daarnaast een start gemaakt met het, gevraagd en 
ongevraagd, uitleggen van de standpunten en visie van BJAA naar burger en politiek, 
nu heeft het laatste doel een hoofdrol in de externe communicatie. 

Nog steeds is het zo dat bij gruwelijke incidenten rond kinderen en jongeren eerst 
wordt gekeken naar de rol van het Bureau Jeugdzorg in het gezin. BJAA heeft het 
standpunt dat zij media, zoals radio- en tv-programma’s, kranten, week/maandbladen 
etc. altijd te woord wil staan in dergelijke situaties, behalve als zij van mening is dat 
daardoor het belang van de cliënt wordt geschaad. BJAA wil echter niet 
verantwoordelijk gesteld worden voor álles wat er met kinderen en jongeren mis gaat, 
óók als het gezin in kwestie begeleid wordt door een Bureau Jeugdzorg. Dit is een 
belangrijke houdingsverandering die het uitleggen van ons werk in de media direct en 
grondig beïnvloedt. 

Omdat BJAA per januari 2005 is gaan werken volgens de nieuwe Wet op de 
Jeugdzorg, die onder meer een taakversmalling inhoudt, is het nodig dat BJAA uitlegt 
aan de burger wat dit in de praktijk betekent, n.l. dat Bureau Jeugdzorg vooral 
indicaties stelt. De feitelijke hulp daarna moet in de meeste gevallen komen van de 
zorgaanbieders. 

Feit is echter dat in 2005 het gebrek aan plaatsen in deze hulpinstellingen een 
overheersend probleem is in de jeugdzorg in Nederland, en in het ROA gebied 
bovengemiddeld. BJAA heeft dan ook veel energie gestoken in het aandacht vragen 
aan media, verantwoordelijke bestuurders, landelijke politiek en burger voor dit 
probleem. Zij was hierin koploper binnen de gehele jeugdzorg. 

BJAA heeft in 2005 diverse onderwerpen actief en bij herhaling aan de orde gesteld in 
de media, onder andere: 
• Wachtlijsten bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling door geldgebrek; 
• De te grote werkbelasting van jeugdbeschermers. Nodig: structurele 
caseloadverlaging; 
• Afwezigheid van besloten residentiele behandelplekken in Amsterdam e.o; 
• Gebrek aan woonplekken/behandelplekken bij Amsterdamse zorgaanbieders; 
• Voorlichting met betrekking tot ‘Het werk van de jeugdbeschermer’; 
• De aanwezigheid van Bureau Jeugdzorg op school. 

7.3.1 Voorlichting aan personen en groepen 

De voorlichting die vooral bewindslieden in 2004 en begin 2005 ontvingen, is in de 
loop van dit jaar uitgebreid naar voorlichting aan regionale spelers in de politieke 
arena en naar groepen personen waar wij intensief mee (willen) samenwerken. 

Zo kwam in de zomer wethouder Ahmed Aboutaleb met zijn medewerkers langs voor 
een uitleg over onze werkwijze in de hoofdsectoren. Kort daarna ontving BJAA de 
gemeentesecretaris van Amsterdam met zijn voltallige staf en werden na de 
voorlichting plannen gemaakt om meer van elkaars aanpak te leren. Eind van het jaar 
werd voor alle schooldirecteuren in het voortgezet onderwijs een voorlichting 
georganiseerd waarin ook het verband met de andere Amsterdamse hulporganisaties 
werd gelegd. Ook vervangend directeur van de Inspectie Jeugdzorg, mevrouw Albers, 
kwam als geïnteresseerde langs om meer te horen over de taken en werkwijze van 
onze jeugdbeschermers. 

7.3.2 Website Bureaus Jeugdzorg 

In 2005 is één centrale website gestart van de vijftien Bureaus Jeugdzorg tezamen 
(www.bureaujeugdzorg.info). Hierop wordt algemene uitleg gegeven over het hoe, 
waarom en waartoe van de Bureaus Jeugdzorg. Ook kan worden doorgelinkt naar de 
individuele websites. 

In 2005 is besloten om de website van BJAA te moderniseren. 

7.3.3 Jong aan de Amstel 
Voor het vierde jaar is het nieuwsblad voor de jeugdzorg in Amsterdam e.o. ‘Jong aan 
de Amstel’ verschenen. Het blad is een gezamenlijke uitgave van vier 
jeugdzorgorganisaties in agglomeratie Amsterdam o.l.v. een onafhankelijke 
hoofdredacteur. Naast BJAA zijn de deelnemende organisaties: Altra, Spirit, MOC Het 
Kabouterhuis. Met ingang van 2006 zullen ook de Bascule en HVO-Querido meedoen. 
In elk nummer van Jong aan de Amstel staat een thema centraal. 

7.3.4 Folders 
In 2005 is veel aandacht besteed aan het produceren van pr-instrumenten van de 
afdeling Steunpunt Opvoedondersteuning en Training. Zo zijn er folders verschenen 
en is een website gebouwd. Ook voor de Fiom zijn een folder en eigen website 
gemaakt. Ook verschenen andere folders, zoals de folders Klachtenregeling en 
Privacy. De folders Cliëntenraad, Indicatiebesluit, Bureau Jeugdzorg in het 
basisonderwijs en een aantal vernieuwde folders staan op het punt om geproduceerd 
te worden. 

8 BEDRIJFSVOERING 
8.1 Financiën 

Het jaar 2005 was ook het eerste jaar dat BJAA haar werkzaamheden verrichtte in het 
kader van de nieuwe Wet op de Jeugdzorg, waarmee een einde kwam aan de situatie 
waarin BJAA voor haar wettelijke taken subsidie ontving van zowel het ROA als het 
Ministerie van Justitie. Vanaf 2005 is alleen het ROA de subsidiegever van BJAA voor 
al haar wettelijke taken. 

De door het Ministerie van Justitie gehanteerde peildatum (1 oktober 2004), die de 
grondslag vormt voor de financiering aan het ROA zou hebben geleid tot een tekort 
van € 625.000. Een oplossing werd gevonden doordat het Ministerie van Justitie 
bereid bleek voor de doeluitkering aan het ROA een andere peildatum (1 oktober 
2003) te hanteren. Bij de Jeugdreclassering bleek bij de definitieve vaststelling van de 
subsidie door het ROA eind 2005 een soortgelijk probleem te ontstaan. Om dit 
probleem op te lossen is een verzoek bij de ROA ingediend voor compensatie voor 
deze overproductie ter grootte van € 430.000. Inmiddels heeft het ROA een subsidie 
voor dit bedrag toegezegd. 

Het resultaat uit de gewone bedrijfsvoering bedroeg door de toegenomen 
cliëntenstroom en het niet in de pas lopen van de financiering € 418.100 negatief. 
Door incidentele baten van € 823.600 kon toch een positief resultaat behaald worden 
van € 405.500. Hiermee is het eigen vermogen gestegen tot € 0,96 miljoen, wat nog 
ontoereikend is voor het gewenste weerstandsvermogen van 7% van de 
subsidiebaten. 

De incidentele baten bestonden uit extra toegekende subsidie over de jaren 2003 en 
2004 ad € 396.000, een teruggave van de WAO-premie (rea-gelden) over de jaren 
vanaf 1998 ad € 270.000 en vrijval van diverse verplichtingen. 

8.2 Begroting 

Voor de begroting 2005 is een opzet van de begroting gemaakt volgens het activity 
based costing principe. Deze opzet diende tevens als basis voor de begroting van 
2006. Echter, de veranderende districtsindeling per 1 januari 2006 heeft er toe geleid 
dat veel moest worden omgezet in opbouw van de begroting. Dit heeft ondermeer tot 
vertragingen geleid bij de opmaak van de begroting 2006. Technisch is de begroting 
dusdanig opgezet dat wijzigingen (o.a. in de organisatie) moeilijk zijn door te voeren 
en zeer tijdrovend zijn. Dit zal voor de opmaak van de begroting 2007 anders moeten. 

8.3 Projecten 

In het jaar 2005 is aantal projecten waarbij BJAA betrokken is, dan wel de 
verantwoording voor draagt, flink in aantal en omvang toegenomen (zie voor een 
overzicht bijlage D). Daar komt bij dat de subsidiegevers inzake de projecten (o.a. 
(deel)gemeenten) steeds hogere eisen stellen aan de financiële verantwoording van 
projecten. Met name wordt steeds meer een accountantscontrole verlangd. Het 
verzenden van de jaarrekening van BJAA voldoet niet, omdat de projecten een 
onderdeel van de bijlage zijn, waarop geen specifieke controle heeft plaats gevonden. 

8.4 Planning & Control 

In 2005 is voor de afdeling Planning & Control (P&C) een nieuwe koers uitgezet door 
de manager van het Bedrijfsbureau. Mede door enkele personeelswisselingen was 
halverwege het jaar een vernieuwde afdeling operationeel. 

Een van de belangrijkste doelstellingen van afgelopen jaar was het maandelijks 
aanleveren van integrale cijfers aan het Managementteam en het middenkader. 
Resultaat is dat er sinds augustus maandelijkse rapportages verschijnen waarin naast 
gegevens over de productie, ook financiële en personeelsgegevens zijn verwerkt. Deze 
maandrapportages zijn voor alle leidinggevenden een belangrijke informatiebron en 
vormen een onmisbaar sturingsinstrument. 

Het maandelijks aanbieden van deze cijfers heeft ertoe geleid dat een begin is 
gemaakt met het Management Informatie Systeem (MIS). Via dit centrale systeem 
kunnen alle managers de stuurinformatie zelf opvragen. Het MIS is vergelijkbaar met 
Intranet en groeit steeds aan inhoud. Het MIS vormt de basis voor de nog op te 
zetten informatie architectuur. Hier zal in 2006 verder aan gewerkt worden en hangt 
mede samen met de invoering van een PxQ afrekensysteem. 

8.5 Informatisering en Automatisering 

Techniek 
Een belangrijke doelstelling in 2005 was de invoering van ‘Server Based Computing’ 
(Citrix). Eind juli waren alle locaties overgezet op Citrix. Hierdoor werken alle 
medewerkers op een centrale server en kunnen computerproblemen sneller opgelost 
worden. 

Ter voorbereiding op de invoering van telewerken is in juni een test gestart om 
toegang vanaf thuis te realiseren. Vanaf december zijn twee telewerkopties 
operationeel geworden. 

Vanaf september wordt toegang tot internet aangeboden aan iedere BJAA-
medewerker. Deze toegang is streng beveiligd en wordt gecontroleerd conform het 
vastgestelde internet- en e-mailprotocol. 

Intensief overleg over een mailkoppeling BJAA met Justitie-/Politienet is in september 
gestart. Realisatie wordt in april/mei 2006 verwacht. Uiteindelijk moeten ook 
interactieve sessies met behulp van Citrix via deze koppeling mogelijk worden. 

Registratieprogramma IJ 
Registratie van de processen vond in 2004 nog in verschillenden applicaties plaats. Er 
is zeer hard gewerkt aan het beleidsmatig gekozen uitgangspunt om zoveel mogelijk 
processen te gaan registreren in IJ, maar door een veelheid aan problemen is dit niet 
overal gelukt. Zo is veel tijd en energie gestoken in de automatische conversie van 
cliëntgegevens van de Zorgbemiddeling vanuit Care4 naar IJ. Dit is niet gelukt en 
uiteindelijk is de conversie handmatig uitgevoerd door werkstudenten. 

De invoering van diverse verbeteringen in IJ, in het kader van het Optimy-project, 
heeft het tweede halfjaar in beslag genomen. 

Elk kwartaal zijn testen uitgevoerd met het Rapportageformat, veelal resulterend in 
aanpassingen in de queries. 

Samenwerking met P&O heeft onder andere gestalte gekregen door de registratie van 
personeel in PION (registratiepakket) en IJ op elkaar af te stemmen. 

8.6 Huisvesting 

In 2005 is een voorstel geformuleerd ten aanzien van de huisvesting. Uitgangspunt 
van dit voorstel was reductie van het aantal locaties in Amsterdam. Dit voorstel is 
besproken en aangenomen door het MT. Aan een verdere uitwerking van dit plan 
wordt in 2006 gestalte gegeven. 

Voor de regio Noord werd al langer gezocht naar vervangende huisvesting in verband 
met het aflopen van het bestaande huurcontract. Aanvankelijk lukte het niet om 
passende huisvesting in Amsterdam Noord te vinden. Derhalve is gezocht naar een 
geschikte locatie aan de zuidkant van het IJ, waarbij in het kader van de vermindering 
van het aantal locaties, de mogelijkheid is bekeken de locatie Noord te clusteren met 
de locatie Helmholtzstraat. 

Inmiddels waren er echter berichten van het stadsdeel Amsterdam Noord dat 
verhuizen van de locatie Noord naar de zuidkant van het IJ niet de voorkeur van het 
stadsdeel had. 

In een laat stadium is er toch een zelfstandig kantoorpand in Amsterdam Noord 
gevonden (Strekkerweg) en in augustus 2006 kan locatie Noord verhuizen naar het 
nieuwe pand. 

In bijlage B treft u een overzicht van alle locaties aan van BJAA. 
 
9 AANSTURING 

In het jaar 2005 kwamen een aantal knelpunten aan het licht met betrekking tot de 
aansturing van de organisatie. De, tijdens de fusie gevormde, organisatiestructuur 
bleek te omslachtig en te traag. 

De districtmanagers konden in deze structuur hun positie niet voldoende innemen en 
werden ervaren als een ‘extra’ laag tussen de Raad van Bestuur en de direct 
leidinggevenden. De communicatie verliep traag en op indirecte wijze. De 
ondersteunende diensten vertoonden gebreken en kenden te weinig samenhang. 
Aangezien de lijnorganisatie onvoldoende was toegerust voor integrale sturing (ook op 
inhoud), waren er een aantal aanvullende structuren ontstaan, die op hun beurt voor 
de nodige verwarring en beleidsdrukte zorgden. Bovendien ontbrak het aan een 
duidelijk omschreven meerjarenvisie. 

In de loop van het jaar trad één van de drie bestuurders terug naar de positie van 
adviseur van de Raad van Bestuur. De tweehoofdige Raad van Bestuur vergaderde 
voortaan samen met de districtmanagers en managers ondersteunende diensten (het 
managementeam), uiteraard met behoud van de eigen bestuurlijke 
eindverantwoordelijkheid. Binnen de Raad van Bestuur werd de verantwoordelijkheid 
voor de eigen prestaties van ‘het bedrijf’ nadrukkelijker bij één persoon (de voorzitter 
van de Raad van Bestuur) ondergebracht. 

De core business van BJAA (jeugdhulp, jeugdbescherming, jeugdreclassering), werd 
met ingang van 2006 ondergebracht in twee grote districten (voorheen drie). De 
positie van de districtmanager werd opgewaardeerd naar ‘directievoerend manager’, 
waarbij het de bedoeling is dat deze functie zich ontwikkelt naar de functie van 
regiodirecteur. De ratio hierachter is dat er op die manier twee groepen ontstaan van 
elk ongeveer 9 lijnmanagers, die verzameld zijn in twee regionale MT’s onder leiding 
van een directeur, die integraal verantwoordelijk is voor de prestaties in zijn regio. De 
betreffende regiodirecteur hoeft slechts met één collega af te stemmen, indien 
harmonisatie binnen BJAA vereist is. Op die manier werd het aantal managementlagen 
teruggebracht naar twee. 

In de loop van het jaar werd het programmamanagement (het managen van de 
instellingsbrede veranderingen in het primaire proces) niet langer ondergebracht bij 
een afzonderlijke manager en overgenomen door de districtsmanager ABA, die ook de 
aansturing van de afdeling Organisatie en Advies (staf) overnam. 

Eind 2005 werd de meerjarenvisie van BJAA vastgesteld en werd het jaarplan 2006 
zodanig opgesteld dat er sprake is van afrekenbare doelen per organisatie onderdeel. 

In 2005 werd begonnen met kwartaalbijeenkomsten van Raad van Bestuur met 
Districtmanagers en alle operationeel leidinggevenden, gewijd aan de centrale thema’s 
die binnen de organisatie spelen. Een belangrijk item hierbij is de ontwikkeling van 
een gemeenschappelijke cultuur op het gebied van communicatie en aansturing. 

10 JAARVERSLAG RAAD VAN TOEZICHT 

Het functioneren als Raad van Toezicht heeft de laatste jaren veel maatschappelijke 
aandacht gekregen. Op professionalisering van dit toezicht – ook in de zorg - werd 
door vele partijen aangedrongen. Ook de Raad van Toezicht BJAA heeft zich bezig 
gehouden met het professionaliseren van het toezicht op BJAA. 

Het leek ons de moeite waard u nader te informeren over de vorderingen die intussen 
zijn gemaakt. 

Het jaar 2005 is benut om een Profiel van de Raad van Toezicht op te stellen. Ook het 
Reglement en de beoordelingsprocedure (betreffende de Raad van Bestuur) zijn 
wederom onder de loep genomen en opnieuw vastgesteld. 

Een aantal leden van de Raad van Toezicht heeft zich bezig gehouden met het 
preciezer opstellen van indicatoren aan de hand waarvan het toezicht een 
systematische invulling krijgt. De andere rollen van de Raad van Toezicht (de 
adviserende rol en de rol van werkgever van de Raad van Bestuur) spreken voor zich. 
Het baseren van het toezicht op deze indicatoren laat onverlet dat de Raad van 
Toezicht taken heeft die in de statuten (artikel 7) expliciet aan de Raad van Toezicht 
zijn opgedragen. Vanzelfsprekend is het zo dat deze werkwijze op dit moment nog 
niet in z’n geheel kan worden doorgevoerd. Het geeft daarentegen duidelijk aan in 
welke richting de Raad van Toezicht het toezicht in de komende tijd wenst in te 
richten. 

10.1 Meerjarenvisie en Jaarplannen 

Meerjarenvisie en Jaarplan zijn centrale elementen in het toezicht. In principe is de 
werkprocedure als volgt. De Raad van Bestuur stelt jaarlijks voor de komende 4 jaar 
een meerjarenvisie op die door de Raad van Toezicht in juni moet worden 
goedgekeurd. Op basis van de meerjarenvisie wordt vervolgens een Jaarplan 
opgesteld door de Raad van Bestuur, die in de septembervergadering aan de Raad 
van Toezicht ter goedkeuring wordt voorgelegd. In het Jaarplan worden de 
strategische doelen op een systematische wijze uitgewerkt tot concrete doelstellingen 
voor het komende jaar. 

Zoals bekend heeft de Raad van Toezicht de Meerjarenvisie goedgekeurd in de 
vergadering van 6 december 2005. Hetzelfde geldt voor het Jaarplan 2006 dat begin 
2006 werd vastgesteld. 

In de Meerjarenvisie zijn de doelstellingen voor de komende vier jaar zo concreet 
mogelijk geformuleerd, inclusief de resultaten die aan het eind van deze periode 
bereikt zullen zijn. 

10.2
In de meerjarenvisie en het jaarplan worden doelstellingen vertaald in prestatie-
indicatoren. Het totaal van de indicatoren vormt als het ware de thermometer van de 
organisatie. De kwartaalrapportages van BJAA dienen in de toekomst dan ook in 
belangrijke mate te worden opgehangen aan deze indicatoren. Door de jaren heen 
vormen (een deel van) de indicatoren dan de kengetallen voor de organisatie. De 
rapportage over de prestatie-indicatoren dient in de toekomst bij voorkeur 
automatisch uit de bedrijfsgegevens worden afgeleid. Dat dit nu nog niet het geval is, 
is duidelijk. 

In de toekomst worden de volgende indicatoren gehanteerd: 
A. Financieel perspectief 
1. Solvabiliteit 
2. Weerstandsvermogen 
3. Liquiditeitsprognose 
4. Exploitatieresultaat 
5. Meerjarenperspectief (exploitatie en investeringen) 

B. Cliëntperspectief 
6. Toegangstijd (wachttijd) 
7. Doorlooptijd 
8. Contacttijd 
9. Aantal (formele) klachten van cliënten 
10. Cliënt tevredenheid score 

C. Cliëntresultaten organisatie 
11. Aantallen cliënten 
12. Cliënten per medewerker 
13. Gemiddelde bestede tijd per cliënt 
14. Percentage uitval in verhouding tot afgesloten trajecten 
15. Tevredenheid score ketenpartners 

D. Personele organisatie 
16. Percentage medewerkers in directe zorg 
17. Ziekteverzuim 
18. Vertrekkende medewerkers (in percentage van totaal) 
19. Percentage exploitatiebudget voor ontwikkeling en training personeel 
20. Werknemers tevredenheid score 

10.3 De vergaderingen van de Raad van Toezicht 
De Raad van Toezicht is in totaal 6 keer in vergadering bijeen geweest. Een 
werkbijeenkomst is door omstandigheden niet doorgegaan, maar heeft begin 2006 
plaatsgevonden. Zoals gebruikelijk, heeft ook in 2005 een tweetal leden van de Raad 
van Toezicht een overleg van de Ondernemingsraad met de bestuurder bijgewoond. 

De Raad van Toezicht is voornemens om in 2006 een tweetal thema-bijeenkomsten te 
organiseren. 

In de bijlage E treft u de samenstelling aan van de Raad van Toezicht. 

Dit jaarverslag is door de Raad van toezicht vastgesteld in de vergadering van april 
2006. 

11 JAARVERSLAG ONDERNEMINGSRAAD 

De Ondernemingsraad (OR) van BJAA heeft in 2005 acht maal met de bestuurder 
overlegd. Daarnaast hebben er ook twee beleidsoverleggen plaatsgevonden. Bij één 
van deze overleggen zijn leden van de Raad van Toezicht aanwezig geweest. 

De OR heeft ook 2 achterbanvergaderingen gehouden. In deze bijeenkomsten wordt 
uitgewisseld met welke onderwerpen de OR zich bezig houdt en welke zaken vanuit de 
achterban de aandacht verdienen. 

Één van de belangrijke onderwerpen in 2005 was ‘werkoverleg in de maatschappen’. 
In feite was dit nog een nasleep van de fusie, aangezien het onderwerp 
‘professionalisering en communicatiestructuur’ al sinds 2003 onderwerp van gesprek 
is. Gedeelten van de overlegstructuur waren al eerder vastgesteld, andere delen zijn 
doorvertaald bij de invoering van het Referentie Werk Model, maar over de kaders 
voor het werkoverleg van de maatschappen kon de OR het met de bestuurder niet 
eens worden. Omdat in 2005 het verschil tussen praktijk en theorie erg groot werd 
zodat de onduidelijkheid alleen maar toenam, heeft de OR besloten om de kaders 
zoals ze er lagen te accepteren en aan te dringen op een gedegen evaluatie. De 
praktijk zou bij deze evaluatie het uitgangspunt dienen te zijn. 

Het tweede grote onderwerp van afgelopen jaar was het verzuimbeleid. Het 
percentage verzuim is al jaren veel te hoog. De Raad van Bestuur heeft een 
adviesbureau in de arm genomen om hiermee aan de slag te gaan. De RVE-managers 
hebben een training gehad en de verzuimcijfers zijn inderdaad gedaald. De OR pleit 
ervoor, dat ook medewerkers worden opgeleid in de nieuwe benadering, maar ook dat 
bestaand beleid wordt uitgevoerd en dat er voldoende middelen zijn om ook op 
langere termijn het verzuimcijfer laag te houden. 

Parallel hieraan verliepen de besprekingen over de uitkering van het 
resultaatgerelateerde deel van de eindejaarsuitkering. De MOgroep en de vakbonden 
hebben richtlijnen gegeven, waaraan moet worden voldaan. Een van de richtlijnen is 
dat werknemers individueel invloed moeten kunnen uitoefenen op het resultaat. 
Hoewel dit laatste naar de mening van de OR onvoldoende is gerealiseerd, zijn de 
doelen die gesteld waren wel gerealiseerd: verlaging van het verzuimcijfer en het 
wegwerken van het overschot aan vakantiedagen. Hierdoor is de eindejaarsuitkering 
in zijn geheel uitgekeerd. 

Andere zaken die op de agenda hebben gestaan zijn de veranderingen voor 
verschillende organisatieonderdelen van BJAA, zoals de samenvoeging van de JAT's 
met de maatschappen 12- jeugdhulpverlening, de ombouw van het Coördinatie 
Crisispunt en het Crisisteam Jeugd en het opgaan van de steunpunten opvoeding in de 
AMZW regio in het Servicebureau Organisatie en Trainingen (SO&T). 

Daarnaast zijn gangbare zaken als financiën en personele regelingen en de gang van 
zaken binnen de OR besproken. Door het wegvallen van de OR secretaresse heeft het 
Dagelijks Bestuur veel extra taken op zijn schouders gekregen. Toch zijn praktische 
zaken als een eigen OR-kamer, een computer en archiefkasten gerealiseerd. Inmiddels 
beschikt de OR gelukkig ook weer over secretariële ondersteuning. 

BIJLAGEN BIJ HET INHOUDELIJK JAARVERSLAG 2005 BUREAU JEUGDZORG AGGLOMERATIE AMSTERDAM 

BIJLAGE A: DE TIEN LOCATIES IN DE AGGLOMERATIE AMSTERDAM 

Zorgregio 
Gemeenten/stadsdelen 

District 1 

Amsterdam Noord 
Stadsdeel Noord 
Amsterdam Zuidoost (incl. Diemen) 
Stadsdeel Zuidoost 

Gemeente Diemen 
Amsterdam Oost 
Stadsdelen: 
• Zeeburg 
• Oost Watergraafsmeer 

Zaanstreek 
Gemeenten: 
• Oostzaan 
• Zaanstad 

Waterland 
Gemeenten: 
• Beemster 
• Edam/Volendam 
• Landsmeer 
• Purmerend 
• Waterland 
• Wormerland 
• Zeevang 

District 2 
Amsterdam Centrum/Oud West 
Stadsdelen: 
• Binnenstad 
• Westerpark 
• Oud West 
• Bos en Lommer 
• De Baarsjes 

Amsterdam Nieuw West 
Stadsdelen: 
• Geuzenveld-Slotermeer 
• Osdorp 
• Slotervaart-Overtoomse Veld 

Amsterdam Zuid 
Stadsdelen: 
• Oud Zuid 
• Zuider-Amstel 

Amstelland 
Gemeenten: 
• Amstelveen 
• Ouder Amstel 
• Uithoorn 

Meerlanden 
Gemeenten: 
• Aalsmeer 
• Hoofddorp 

BIJLAGE B: OVERZICHT HUISVESTING 

De opgave hieronder betreft de situatie per 1 januari 2006 en is ook te vinden op de 
website van BJAA: www.bjaa.nl 

Vestiging Diensten 

Centraal Bureau 
Jan Luijkenstraat 76 
1071 CT Amsterdam 
Tel. 020 3059359 

• Raad van Bestuur en Staffuncties
• Personeel en Organisatie 
• Bedrijfsbureau 


Eigendom 
Vestiging Diensten 

Vestiging Oost 
Helmholtzstraat 61 
1098 LE Amsterdam 
Tel. 020 5608080 

Jeugdhulpverlening Oost 
Jeugdbescherming Oost 

Huur 

Vestiging Diensten 

Vestiging Centrum/ Oud West 
Overtoom 16 
1054 HJ Amsterdam 
Tel. 020 5158000 

Jeugdhulpverlening 
Jeugdbescherming 
Mediatheek 
Servicebureau Opvoedings- 
ondersteuning en Trainingen (SO&T)

Huur 
Vestiging Diensten 

Vestiging Wildenborch 
Wildenborch 9 
1112 XB Diemen 
Tel. 020 5694569 (receptie) 
Tel. 020 5694570 (Fiom) 
Tel. 020 3141714 (AMK) 
Tel. 020 3058877 (ZBM) 
Tel. 020 3058866 (CTJ) 

Districtkantoor ABA 
Jeugdhulpverlening 
Jeugdbescherming 
Jeugdreclassering 
Fiom Amsterdam 
AMK 
Zorgbemiddeling 
Crisisteam 
Automatisering 

Huur 

Vestiging Diensten 

Vestiging Noord 
Buikslotermeerplein 260 
1025 GB Amsterdam 
Tel. 020 6304444 
Jeugdhulpverlening 
Jeugdreclassering 
ITB/Criem 

Huur 
Vestiging Diensten 

Vestiging Nieuw-West 
Overschiestraat 17 
1062 HN Amsterdam 
Tel. 020 4878222 

Districtkantoor district 2 
Jeugdhulpverlening 
Jugdbescherming 
Jeugdreclassering 
ITB/Criem 
Huur 

Vestiging Diensten 
Vestiging Zuid 
IJsbaanpad 9 
1076 CV Amsterdam 
Tel. 020 5711911 

Jeugdhulpverlening 
Jeugdbescherming 

Huur 
Vestiging Diensten 

Vestiging Zaandam 
Westzijde 33-37 
1506 EB Zaandam 
Tel. Receptie: 075 6555222 

Districtskantoor district 1 
Jeugdhulpverlening 
onderwijshulpverlening 
Jeugdbescherming / jeugdreclassering (Opperdan) 

Zorgbemiddeling 
Steunpunt Opvoeding 
Opvoedwinkel 

Huur 

Vestiging Diensten 

Vestiging Purmerend 
Waterlandlaan 51 
1441 RS Purmerend 
Tel. 0299 405270 

Jeugdhulpverlening 
Onderwijshulpverlening 
Opvoedingsondersteuning 

Huur 
Vestiging Diensten 

Vestiging Amstelveen 
Mr.P.J.M. Aalberselaan 4 
1181 XJ Amstelveen 
Tel. 020 5435300 

Jeugdhulpverlening 
Onderwijshulpverlening 
Opvoedingsondersteuning 

Huur 
Vestiging Diensten

Vestiging Hoofddorp 
Binnenweg 2-18 
2132 CT Hoofddorp 
Tel. 023 5698130 

Jeugdhulpverlening 
Onderwijshulpverlening 
Zorgbemiddeling 
Opvoedingsondersteuning 
Jeugdbescherming 
Jeugdreclassering 

Huur 

Vestiging Diensten 
• Kindertelefoon 
• Kinder- en Jongeren 
Rechtswinkel 
• Aanvullende Hulp 
geheim adres 
Tel. 020 6722411 

Alle medewerkers 
Huur 
Vestiging Diensten 

Straathoekwerk 
Vinkenstraat 58a 
1506 CN Zaandam 
Tel. 075 6531980 
Straathoekwerk 
Huur 

BIJLAGE C: BESCHIKBAARHEID EN BEREIKBAARHEID 

Jeugdhulpverlening vestigingen BJAA 
BJAA is bereikbaar via een centraal aanmeldnummer: 0900 200 300 4 

Cliënten en verwijzers die dit centrale nummer bellen worden automatisch 
doorgeschakeld naar die vestiging van BJAA dat voor hun gebied werkzaam is. In de 
jeugdhulpverlening participeert de Jeugd-GGZ. 

De spreekuurtijden voor aanmeldingen zijn op alle locaties in Amsterdam van 10.00 
tot 12.00 uur en van 14.00 tot 16.00 uur. In Zaanstreek / Waterland is dat van 10.00 
tot 11.00 uur en in Amstelland /de Meerlanden van 13.30 tot 14.30 uur. De verschillen 
hebben te maken met de afstemming met de ambulante Jeugd-GGZ. Cliënten die 
buiten de spreekuurtijden bellen, worden dezelfde dag teruggebeld met uitzondering 
van de cliënten die na 16.00 uur bellen. Die worden de volgende dag gebeld. 

Bereikbaarheid jeugdhulpverlening bij crises 

Het Crisis Team Jeugd is werkzaam voor alle crises die bij de jeugdhulpverleningteams 
in de ROA regio aangemeld worden binnen kantooruren. Dit kan op tel. nr. 020 
3467740, b.g.g. 020 3058866 . 

Buiten kantooruren wordt de bereikbaarheid van de jeugdhulpverleningteams verzorgd 
door het Mobiel Crisis Team (MCT). Zij zijn te bereiken via 020 3058866 . De beller 
kan een bandje inspreken, waarna hij/zij binnen 10 minuten wordt teruggebeld. In 
crisissituaties bestaat de mogelijkheid dat iemand van het MCT ter plaatse komt. Ook 
kan er een noodbed geregeld worden. 

Fiom 
De Fiom is bereikbaar via telefoonnummer 020 5694570 en heeft van maandag tot en 
met vrijdag telefonische spreekuren van 10.00 uur tot 12.00 uur. De Fiom heeft ook 
een eigen website: www.fiomamsterdam.nl. 

Jeugdbescherming 
Alle ingeschreven cliënten van de jeugdbescherming krijgen het telefoonnummer 
waarop zij hun hulpverlener kunnen bereiken. 

Daarnaast heeft de voogdij/gezinsvoogdij een eigen piketdienst voor het opvangen 
van voorlopige kinderbeschermingsmaatregelen. De voogdij/gezinsvoogdij en de 
jeugdreclassering zijn 24 uur per dag bereikbaar via een 06-nummer inclusief een 
achterwacht. Dit nummer is in te spreken waarna teruggebeld wordt door de 
medewerker die bereikbaarheidsdienst heeft. 

Advies- en Meldpunt Kindermishandeling 
Het AMK is op alle werkdagen telefonisch bereikbaar tussen 09.00 en 17.00 uur via 
telefoonnummer 020 3141714. Landelijk is er ook een 0900 nummer opengesteld: 

0900 1231230. Indien dit nummer gedraaid wordt, wordt men automatisch 
doorgeschakeld naar het AMK dat voor het betreffende gebied werkzaam is. Afspraken 
kunnen telefonisch gemaakt worden. Het AMK Amsterdam heeft (samen met het AMK 
Utrecht en de rest van Noord Holland) voor de vertrouwensartsen de bereikbaarheid 
buiten kantooruren geregeld via de centrale doktersdienst. 

Kindertelefoon 
De kindertelefoon is elke dag voor kinderen bereikbaar van 14.00 tot 20.00 uur, ook 
in het weekend en op feestdagen. Het gratis nummer is 0800 0432. Met een mobiele 
telefoon moet het volgende nummer gebeld worden: 0900 0132 (niet gratis). 

Kinder- en Jongerenrechtswinkel 
De Kinder- en Jongerenrechtswinkel is geopend op maandag, woensdag en zaterdag 
van 14.00 tot 17.00 uur. Telefonisch zijn zij te bereiken op telefoonnummer 020 
6260067 en via de e-mail op info@krwa.demon.nl


BIJLAGE D: OVERZICHT VAN PROJECTEN IN 2005 

Project Gemeente/Stadsdeel 
Opvoedingsondersteuning Bos en Lommer 
Projecten inz. Opvoedingsondersteuning, 
ouderparticipatie, netwerkondersteuning en 
buitenschoolsaanbod voor de leeftijdsgroep 0-18 jaar

Stadsdeel Bos en Lommer 
Spel aan huis 
Wekelijkse spelbegeleiding en 
opvoedingsondersteuning, gedurende een 
schooljaar, in de thuissituatie voor ouders met 
kinderen met een spel-, taal- en 
ontwikkelingsachterstand, waarvan tenminste 1 kind 
in het gezin 4 jaar of jonger is. 

In 2005 namen 46 gezinnen deel en waren 111 
kinderen betrokken. 

Stadsdeel Noord 
Opvoedsteunpunt 
Het houden van spreekuren voor ouders ter 
advisering bij alledaagse opvoedingsvragen en lichte 
opvoedingsproblemen. 

Stadsdelen: 
• Geuzenveld/Slotermeer 
• Oost/Watergraafsmeer 
• Slotervaart / Overtoomseveld 

Opvoedingsondersteuning Ouders en sova-trainingen aan kinderen 
Deze activiteiten worden verricht op het Regio College te Purmerend. 

Gemeente Purmerend 
Trajectbegeleiding en netwerkcoördinatie Netwerk 12+ 
Deze projecten zijn gericht op verbetering van 
samenwerking tussen instellingen, vroegtijdige 
signalering van overlast en problemen bij jongeren, 
realisatie van een sluitend aanbod en directe 
ondersteuning/hulpverlening aan betrokken 
jongeren. 

Stadsdelen: 
• Westerpark 
• Centrum Oud-West 
• Bos en Lommer 

Jongeren Opvang Team Nieuw/West/Oost 
Het JOT is een samenwerkingsverband van de 
politie, het OM, de Raad voor de Kinder-bescherming 
en BJAA. Medewerkers van de verschillende partners 
zien alle “first offenders” en hun ouders. Doel 
hiervan is een efficiënte screening, adequate 
doorverwijzing en afstemming voor de jongeren 
waarvoor zorg of een strafrechterlijke aanpak nodig 
is. 

Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling (DMO) 
Justitie in de Buurt 
In samenwerking met partners als het OM, de Raad 
voor de Kinderbescherming, Bureau Halt, 
Slachtofferhulp, de Jellinek en de Reclassering 
Nederland werkt BJAA aan de objectieve veiligheid 
en veiligheidsbeleving in problematische buurten. Dit 
wordt bereikt door een inloopfunctie, snelheid van 
optreden, innovatief gebruik van justitiële 

Ministerie van Justitie 

mogelijkheden en zichtbare aanwezigheid voor 
burgers en partners. 

De taken van BJAA in het JIB bestaan uit het geven 
van voorlichting, het bieden van een snelle instroom 
en het mede oprichten van en participeren in het 
casuïstiekoverleg. 

Functionele gezinstherapie 
Samenwerkingsverband met de Bascule (afdeling 
forensische jeugdpsychiatrie De Derde Oever) en 
gemeente Amsterdam (Directie Openbare Orde en 
Veiligheid). Het doel is terugdringen en voorkomen 
van delicten d.m.v. therapieën aan gezinnen met 
kinderen en jongeren tot 18 jaar die geregeld 
delicten plegen en daardoor in aanraking komen met 
het strafrecht en opgroeien in een gezinssituatie, bij 
wie een opeenstapeling van risicofactoren voor het 
plegen van delicten door jeugdigen manifesteert. 

Gemeente Amsterdam 
Jeugdzorg in de Wijken 
Met het project wil BJAA de hulpverlening dichter bij 
de omgeving van de mensen en voorzieningen 
organiseren en een integraal aanbod presenteren. 

Gemeente Zaanstad 
Steunpunt Opvoeding Zaandam 
Exploitatie van een Opvoedwinkel aan de Westzijde 
te Zaandam. 

Gemeente Zaanstad 
Ondersteuning Basisonderwijs Purmerend 
Verbetering en versterking van de zorgstructuur op 
schoolniveau, alsmede het vergroten van 
opvoedingsvaardigheden van ouders en het 
verbeteren van sociale vaardigheden van kinderen. 

Gemeente Purmerend 
RAAK 
Landelijk project om een sluitende aanpak 
kindermishandeling te realiseren. 

Ministerie van VWS 
Schoolmaatschappelijk werk 
De uitvoering van het schoolmaatschappelijk werk is 
inhoudelijk ondergebracht bij de Zorgplatforms die 
onderdeel uitmaken van de 
Samenwerkingsverbanden Weer Samen Naar School. 
Met het onderbrengen van de functie binnen de 
Zorgplatforms is er op bovenschoolsniveau een 
centraal punt waar scholen terechtkunnen met 
vragen ten aanzien van leerlingen waar zij zich 
zorgen over maken en wordt er vanuit een 
multidisciplinaire invalshoek bekeken welk 
hulpaanbod noodzakelijk is. 

Gemeente: 
• Zaanstad 
• Purmerend 

Jongeren Informatie Punt (JIP) Oost 
De doelstelling is het bevorderen van de 
maatschappelijke zelfstandigheid van jongeren van 
12 tot 18 jaar, het scheppen van voorwaarden opdat 
kinderen en jongeren voor zichzelf op kunnen komen 

Stadsdeel Oost / Watergraafsmeer 
en volwaardig kunnen functioneren in onze 
samenleving. De spreekuren worden gehouden op 
het Montessori College Oost, College de Meer en het 
Wellant College. 

Straathoekwerk Oostzaan en Wormerland 
Straathoekwerk is er voor jongeren tussen de 12 en 
25 jaar en helpt bij (het voorkomen van) problemen 
waarmee jongeren te maken krijgen. Omdat niet alle 
jongeren even gemakkelijk bij een instelling 
binnenlopen met hun vragen is het Straathoekwerk 
op straat te vinden, of op andere plekken waar 
jongeren zijn. 

Gemeente Oostzaan 
Gemeente Wormerland 
Allochtoon meidenwerk 
Uitgevoerd door het Straathoekwerk Zaanstad. 
Het doel is het organiseren van 
activiteiten/cursussen, in samenwerking met 
onderwijs en andere betrokken organisaties, ten 
behoeve van allochtone meisjes van 12-20 jaar, 
alsmede het geven van voorlichting aan de 
doelgroep en hun ouders. 

Gemeente Zaanstad (preventiegelden jeugdcriminaliteit)
Integrale Zorg en Preventie 
Preventief project gericht op jongeren met 
risicogedrag of jongeren die dreigen richting 
criminaliteit te gaan. Na een signaal maakt dit team 
afspraken met het gezin. 

Gemeente Zaanstad (preventiegelden jeugdcriminaliteit) 
Loverboys 
Voorlichtingsproject voor VMBO-scholieren en hun 
ouders, uitgevoerd door het straathoekwerk 

Gemeente Zaanstad (preventiegelden jeugdcriminaliteit) 
Opvang Zwerfjongeren 
Coördinatie door straathoekwerk van ketenaanpak 
m.b.t. dak- en thuisloze jongeren 

Gemeente Zaanstad 
Laagdrempelige sportactiviteiten: 
Middels het organiseren van en werven voor 
laagdrempelige sportactiviteiten, tracht het 
Straathoekwerk zo goed mogelijk bekend te blijven 
met en bij de doelgroep. 

Gemeente Zaanstad (preventiegelden jeugdcriminaliteit) 
Schoolmaatschappelijk werk in het Regio College 
Het schoolmaatschappelijk werk richt zich op 
leerlingen in de leeftijd van 16-20 jaar, alsmede ter 
ondersteuning van mentoren en docenten. 

Gemeente Zaanstad (preventiegelden jeugdcriminaliteit) 
Project Goal 
Het opzetten van mentoraten ten behoeve van 
risicojongeren in de stad. De mentor, vrijwilliger, 
praat wekelijks met de jongere en kan een positief 
rolmodel vervullen. 

Dienst Maatschappelijke 
Ontwikkeling (DMO) 

Buurtnetwerken 
In stadsdeel noord worden 7 buurtnetwerken en 
vanuit SO&T gecoördineerd. Een BNW is een 
samenwerkingsverband tussen uitvoerende 
beroepskrachten werkzaam in voorliggende 
voorzieningen. Ze bespreken kinderen waar zij zich 
zorgen over maken en maken werkafspraken om 
daar iets aan te doen. 

Stadsdeel Noord 
Kinderen die opvallen 
In dit jaar is, in het kader van de 
deskundigheidsbevordering van 
peuterspeelzaalleidsters en leidsters van de 
voorschool, de training ‘kinderen die opvallen’ 12 
maal uitgevoerd. Het is een training die 
beroepskrachten beter toerust om problemen bij 
kinderen te signaleren, deze met ouders te 
bespreken en te verwijzen naar de juiste steun of 
hulp. Er is een variant ontwikkeld waarin extra 
aandacht wordt besteedt aan kindermishandeling. 

Stedelijk projectteam OKC/stadsdelen 
Marietje Kessel Project 
Dit jaar is voor het eerst vanuit SO&T het Marietje 
Kessels Project (MKP) uitgevoerd. Het is een 
preventieproject om kinderen zowel mentaal als 
fysiek weerbaarder te maken. Het is seksespecifiek 
van opzet: de jongens en de meisjes krijgen 
gescheiden les, omdat dit het beste aansluit bij de 
belevingswereld van kinderen. Het programma is er 
allereerst op gericht slachtofferschap te voorkomen, 
en in mindere mate ook daderschap. 

Stadsdeel Zuideramstel 
Dak- en thuisloze jongeren 
Inzet van Bureau Jeugdzorg taken ten behoeve van 
dak- en thuisloze jongeren 

Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling 
Jeugdinterventieteams 

Preventieprojecten voor vroegtijdige signalering en 
integrale aanpak van en trajectbegeleiding voor 
risicojongeren door middel van het vervull 
en van een netwerkfunctie 
Gemeente Haarlemmermeer 
en diverse gemeenten in de 
regio Amstelland 

BIJLAGE E: SAMENSTELLING ORGANEN BJAA 

Raad van Toezicht per 1-1-2006 
• Dhr. J. van der Aa (voorzitter) 
• Mevrouw Y. Baune (vanaf 19 mei 2005: vice-voorzitter) 
• De heer A.S. Kok (lid) 
• Mevrouw W.J.C. Swildens-Rozendaal (lid) 
• Mevrouw D.J. de Ruyter (lid) 

Per 14 februari 2006 zijn benoemd: 
• Mevrouw E.H.C. Salomons (lid) 
• Dhr. R.A. Hira Sing 

In 2005 zijn afgetreden: 
• Mevrouw D.H. van der Vorm (lid ) 
• De heer J. Verschoor (lid) 

Raad van Bestuur per 1-1-2006 
• De heer W.A. Janssen (voorzitter) 
• Mevr. A.J.J. Buwalda (lid) 

In 2005 is afgetreden: 
• De heer G.J. Matthaei (lid) 

Cliëntenraad per 1-1-2006 
• Dhr. O. Seegers (voorzitter) 
• Mevr. S. Goossens (lid) 
• Dhr. F. van Oldenmark (lid) 

Ondernemingsraad per 1-1-2006 
• Mevr. G. van Zadelhoff, jeugdbescherming Zaandam (voorzitter) 
• Mevr. M. van der Aar, jeugdreclassering/Criem Noord (vice-voorzitter) 
• Dhr. C. Lampe, jeugdhulpverlening Centrum Oud West (1e secretaris) 
• Dhr. J. Schuit, JOT medewerker 
• Dhr. B. Kaygun, jeugdbescherming Centrum Oud West 
• Mevr. C. Kuiper, projectmedewerkster 
• Mevr. F. Tjoe-Awie, medewerkster I&A 
• Dhr. P. Ignatius, jeugdhulpverlening Purmerend 
• Dhr. J. van Drongelen, jeugdhulpverlening Zaandstad 
• Dhr. H. Opten, jeugdbescherming Zuidoost 
• Mevr. E. Bakker, jeugdhulpverlening Purmerend 
• Dhr. K. Ulrich, coördinator aanvullende hulp 
• Mevr. S. Kraak, zorgbemiddeling 

Klachtencommissie per 1-1-2006 
• Dhr. B.R.A. Maassen (voorzitter) 
• Mevr. Mr. E.S.M. Weterings-Zeegers (plv. voorzitter) 
• Mevr. H.J.G. Enserink (lid) 
• Mevr. Mr. G.Bosch-Nienhuis (lid) 
• Dhr. P. Spaans (lid) 

BIJLAGE F: STAND VAN ZAKEN ACTIEPUNTEN ROA 

Actiepunten voor Bureau Jeugdzorg 
Agglomeratie Amsterdam 
Stand van zaken op 31 december 2005 

8. Bureau Jeugdzorg geeft door middel 
van een representatieve steekproef 
inzicht in het onderscheid tussen de 
duur van de hulpverlening bij uitstroom 
en de duur van de hulpverlening bij 
doorstroom. Het Bureau beperkt zich 
hierbij tot de ROA gefinancierde zorg. 
Vanaf 2005 levert het Bureau een 
doorlopende rapportage. 

8. Dit punt is in 2005 verschillende malen 
onderwerp van overleg geweest tussen ROA en 
BJAA. Uitkomst is dat van het trekken van een 
steekproef zal worden afgezien. 

9. Bureau Jeugdzorg neemt het op zich 
met medewerking van het ROA het 
meet-instrument ‘ernst van de 
problematiek’ aan te vullen met het 
meetinstrument “aard van de 
problematiek”. 

9. De Quick STEP (een meetinstrument voor de 
ernst van de problematiek) is in 2005 binnen 
BJAA ingevoerd. De ontwikkeling van een 
meetinstrument voor de aard van de 
problematiek is een landelijke aangelegenheid. 

10. In de periode 2004-2006 wordt 
gewerkt aan het doel om in de 
leeftijdsgroepen 6-12 en 13-17 het 
grootste percentage geaccepteerde 
aanmeldingen bij Bureau Jeugdzorg 
binnen te krijgen via de 
samenwerkingsverbanden met het 
onderwijs. 

• Primair onderwijs: 
De jeugdzorgadviesfunctie is geïntegreerd in de 
voordeur. De bereikbaarheid voor het onderwijs 
blijft gehandhaafd. Binnen de maatschappen 12- 
is een een orthopedagoog aangesteld om de 
inhoudelijke verbinding met het primair 
onderwijs te bewaken. Er worden afspraken 
gemaakt met alle instellingen voor 
schoolmaatschappelijk werk hoe zij cliënten naar 
ons kunnen verwijzen: door gebruik te maken 
van een standaardformulier onder 
verantwoordelijkheid van de school. Er wordt op 
dit moment overlegd met de zorgplatforms over 
verdere afstemming, mogelijk ook rondom 
gezamenlijke indicatiebesluitvorming (in context 
Operatie Jong). 

• Voortgezet onderwijs 
Bureau Jeugdzorg is vertegenwoordigd op elke 
locatie voor VO. Er is een stedelijk convenant 
gesloten tussen OSVO, 
samenwerkingsverbanden, DMO, ROA, BJAA en 
Altra waarin verdere afstemming van de zorg 
wordt geregeld. Hier worden ook Spirit, 
leerplicht en de GGD bij betrokken. Samen met 
de Bascule en de convenantpartners is een 
voorstel voor een pilot uitgewerkt om GGz-zorg 
aan te bieden op een VMBO-locatie en een 
ROCopMaat-locatie. 

• Speciaal onderwijs 
Bureau Jeugdzorg zal vanaf het schooljaar 2005-
2006 een onderwijshulpverlener/spv-er 
verbinden aan de REC4-locaties. In 
samenwerking met de samenwerkingsverbanden 
po en REC 2,3 en 4 wordt aan nadere 
afstemming gewerkt. Dit wordt door het nieuwe 
bestuurlijk overleg onderwijs-zorg gevolgd. 
Vertegenwoordigers hierbinnen zijn: stadsdelen, 
schoolbesturen po, REC4, GGenGD, BJAA. 

• ROC 
Bureau Jeugdzorg gaat met ingang van het 
schooljaar 2006-2007 op een 14-tal ROC-locaties 
deelnemen aan de zorgteamoverleggen. 

11. Met als initiatiefnemer Bureau 
Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam 
(BJAA) starten de partijen in het 
jeugdzorgstelsel in 2005 met de 
ontwikkeling van een werkwijze die het 
mogelijk maakt in een zo vroeg mogelijk 
stadium vast te stellen of gezien de 
mogelijkheden van opvoeders overname 
van de opvoeding via ontheffing 
vanwege het belang van het kind 
wenselijk is. 

11. In de inspraakreactie van 14 oktober 2004 
(kenmerk: OJA-ag-041-04-nh) heeft het ROA-
jeugdzorgoverleg aangegeven dat het besluit 
over de inzet van een jeugdbeschermings-
maatregel gebaseerd is op een advies van de 
Raad voor de Kinderbescherming en een 
uitspraak van de rechtelijke macht. De werkwijze 
van BJAA en de betrokken partijen in het stelsel 
is hierbij van secundair belang. Het ROA-
jeugdzorgoverleg heeft in een brief, d.d. 26 april 
2005, nogmaals haar standpunt herhaald dat dit 
actiepunt om initiatieven op landelijk niveau 
vraagt en niet zo zeer om initiatieven van de 
stelselpartijen. Op de brief van 26 april jl. is 
geen reactie van het ROA ontvangen. 


12. BJAA kwantificeert over 2005 het 
gebruik van de Eigen Kracht conferentie 
als onderdeel van het indicatieproces 
binnen BJAA of als geïndiceerd 
zorgaanbod. 

12. Het ROA-jeugdzorgoverleg heeft in een brief, 
d.d. 26 april 2005, een alternatieve formulering 
voor dit actiepunt voorgesteld, namelijk: ‘Het 
ROA-jeugdzorgoverleg doet in 2005 een voorstel 
over de positionering van de Eigen Kracht 
Conferentie (EKC) binnen het stelsel’. In een 
brief d.d. 22 december ’05 liet het ROA-
jeugdzorgoverleg weten dat per 1 januari ’06 de 
EKC binnen BJAA gepositioneerd wordt. Hiertoe 
dient een geoormerkt bedrag voor uitvoering van 
dit programma aan het budget van BJAA 
toegevoegd te worden. De EKC wordt ingezet ter 
ondersteuning bij het opstellen van een 
indicatiebesluit. Daarnaast is de afspraak 
gemaakt dat een klein deel van de EKC’s in 
bijzondere situaties ingezet moet kunnen worden 
tijdens de uitvoering van de geïndiceerde zorg. 
Spirit en BJAA dragen onderling zorg voor 
overdracht van een afdelingsmanager / 
gedragswetenschapper die belast is met het 
regelen van de conferenties. 

13. Vanuit zijn rol als zorgmakelaar voor 
de cliënt rapporteert BJAA over 2005 
over het percentage opgevolgde 

13. BJAA heeft dit beleidsvoornemen in 
uitvoering en komt er in de jaarrapportage 2005 
op terug. 

respectievelijk niet-opgevolgde 
zorgadviezen. 

14. Bureau Jeugdzorg brengt jaarlijks op 
1 juli advies uit aan het Regionaal 
Orgaan Amsterdam over de in te kopen 
zorg voor het daaropvolgend jaar, op 
basis van de gevraagde en verstrekte 
zorg van juli van het voorafgaande jaar 
tot juli van het lopende jaar. Tot 
invoering van de omschrijving in de 
landelijk vastgestelde zorgeenheden zal 
Bureau Jeugdzorg naast de specificatie 
in uren observatiediagnostiek, jeugdhulp 
en verblijf het inkoopadvies ook 
formuleren in termen van de huidige 
productieafspraken. Tevens geeft het 
Bureau aan waar specifieke inkoop 
gewenst is, bijvoorbeeld een volume 
buitenprovinciale plaatsingen. 

14. Het inkoopadvies is 1 juli 2005 uitgebracht 
15. BJAA maakt 
samenwerkingsafspraken met de 
relevante ketenpartners (waaronder het 
OM) over de toepassing van ITB-criem, 
opdat er in 2005 een adequate 
afstemming ontstaat tussen vraag en 
aanbod bij planning en uitvoering van 
ITB-trajecten. 
15. Afspraken gemaakt in de P&C-werkgroep van 
het AJB. 

In afdelingsoverleg Ketenunits worden ITB 
trajecten expliciet als modaliteit ingezet. 

16. BJAA stelt een afstemmingsprotocol 
met de volwassenenreclassering vast. 

16. Het protocol is vastgesteld. 
17. BJAA maakt een uitvoeringsplan dat 
erin voorziet dat uiterlijk per 1-1-2006 
de door de jeugdreclassering 
uitgevoerde strafrechtelijke en volgens 
de toetsingscriteria beschreven 
interventies ter toetsing aan de 
erkenningscommissie worden 
voorgelegd. 
17. Op basis van de landelijke richtlijnen, nader 
toegelicht in de Justitie-brief van 25-7-2005, 
wordt dit in uitvoering genomen. Realisatie zal 
eerst in 2006 plaatsvinden. 

BIJLAGE G: LIJST VAN AFKORTINGEN 
ABA - Agglomeratie Breed Aanbod 
AKJ - Advies- en Klachtenbureau jeugdzorg 
AMK - Advies- en Meldpunt Kindermishandeling 
AMZW - Amstelland/Meerlanden/Zaanstreek/Waterland 
AMW - Algemeen Maatschappelijk Werk 
BJAA - Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam 
BJZ - Bureau Jeugdzorg 
BOZ - Breed Onderwijs Zorgaanbod 
CIZ - Centrum Indicatiestelling Zorg 
CRIEM - CrIminaliteit in Relatie tot Etnische Minderheden 
CTG - Centraal orgaan Tarieven Gezondheidszorg 
DMO - Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling 
DTJ - Dak- en Thuisloze Jongeren 
FFPS - Functional Family Parole Services 
FFT - Functional Family Therapy 
GGZ - Geestelijke Gezondheids Zorg 
GVI - Gezins Voogdij Instelling 
ITB - Intensieve Traject Begeleiding 
JAT - Jeugdzorg Advies Teams 
JHV - JeugdHulpVerlening 
JIP - Jongeren Informatie Punt 
JJI - Justitiële JeugdInrichting 
KJRW - Kinder- en JongerenRechtsWinkel 
LCOJ - Landelijk Centrum Onderwijs Jeugdhulpverlening 
LVG - Licht Verstandelijk Gehandicapten 
MKD - Medisch Kinder Dagverbijf 
MOgroep - Maatschappelijk Ondernemers Groep 
MST - Multi Systemic Therapy 
NIZW - Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn 
OKC - Ouder- en Kind Centrum 
OPDC - OrthoPedagogisch Didactisch Centrum 
OSL - Onderwijs Schakel Loket 
OTS - Onder Toezicht Stelling 
OR - Ondernemingsraad 
P&C - Planning & Control 
PCL - Permanente Commissie Leerlingenzorg 
PGB - PersoonsGebonden Budget 
REC - Regionaal Expertise Centrum 
RIO - Regionaal Indicatie Orgaan 
ROA - Regionaal Orgaan Amsterdam 
ROC - Regionaal Opleiding Centrum 
RWM - Referentie Werk Model 
SMW - School Maatschappelijk Werk 
SO&T - Servicebureau Opvoedondersteuning en Trainingen 
SOVA - Sociale Vaardigheidstraining 
SVO - Speciaal Voortgezet Onderwijs 
VTO - VroegTijdige Onderkenning Ontwikkelingsstoornissen 
VO - Voortgezet Onderwijs 
VOTS - Voorlopige Onder ToezichtStelling 
WSNS - Weer Samen Naar School 
IJ - Registratiesysteem van de Bureaus Jeugdzorg 
ZiN - Zorg In Natura 

BIJLAGE H: JAARVERSLAG ADVIES- EN MELDPUNT 
KINDERMISHANDELING 

1. Speerpunten in 2005 
• Overdracht naar Gooi 
Het AMK Amsterdam heeft haar werkzaamheden voor de regio Gooi en Vechtstreek 
per 1 september 2005 overgedragen aan AMK Noord-Holland. 

• Samenwerking met de jeugdhulpverlening van BJAA 
Eind 2005 is er een intern werkdocument ‘Gezamenlijke Werkafspraken 
Jeugdhulpverlening - AMK’ opgesteld met als doel betere samenwerking en 
afstemming van de werkprocessen waar jeugdhulpverlening en AMK met elkaar te 
maken krijgen in het primaire proces rondom de cliënt. Het werkdocument bevat 
criteria over wanneer een derde naar de jeugdhulpverlening moet bellen, en wanneer 
naar het AMK. Daarnaast zijn er afspraken gemaakt rond interne doorgeleiding en 
samenwerking indien de hulpverlening of het onderzoek is gestart. Ook staan er 
afspraken in over interne en externe overdracht. 

De afspraken uit dit werkdocument worden in 2006 ingevoerd en verder ontwikkeld. 

• Samenwerking Raad voor de Kinderbescherming 
Met de Raad voor de Kinderbescherming Amsterdam heeft regulier overleg 
plaatsgevonden. Oude afspraken zijn aangescherpt en er zijn nieuwe afspraken 
gemaakt. Ernstige zaken waarbij het gaat om kinderen onder de leeftijdsgrens van vijf 
jaar, kunnen direct overgedragen worden aan de Raad zonder volledig onderzoek door 
het AMK. Met de Raad Haarlem is het reguliere gezamenlijke overleg met AMK en 
Raad Amsterdam weer opgepakt. 

• Huiselijk Geweld 
In het kader van het project Stop Huiselijk Geweld in Amsterdam is het AMK 
betrokken geweest bij een aantal acties die in 2005 op het programma stonden: 
.. het evalueren van het eerste Advies- en Steunpunt Huiselijk Geweld in Nieuw-
West (rapportage Verwey-Jonker); 
.. het vastleggen van samenwerkingsafspraken en meldroutes voor een 
geïntegreerde aanpak van zorg bij kindermishandeling (Kindspoor Amsterdam); 
.. het opstellen van het Amsterdams Protocol Kindermishandeling. Het protocol 
met bijbehorende routekaart is aan ruim 2000 instellingen verstuurd. Nog eens 
1000 organisaties hebben de routekaart apart ontvangen. De vragen van 
instellingen naar ondersteuning bij de implementatie van het protocol, naar 
voorlichting en training die hieruit voortkomen, zullen in 2006 worden 
opgepakt door de afdeling Voorlichting en Training. 
.. Er zijn samenwerkingsafspraken gemaakt met het Advies- en Steunpunt 
Huiselijk Geweld Zaanstreek/Waterland, dat in januari 2006 officieel van start 
gaat. 

• RAAK proefregio’s in Amsterdam-Noord en Zaanstreek-Waterland 
AMK heeft in beide regio’s op verschillende manieren een bijdrage geleverd aan de 
Raak projecten; deelname aan overleggen, deskundigheidsbevordering. In Noord zijn 
in het kader van RAAK 1500 professionals en vrijwilligers voorgelicht en getraind in 
het signaleren en aanpakken van kindermishandeling. In Zaanstreek/Waterland zullen 
in 2006 beroepskrachten van scholen en kinderdagverblijven geschoold worden 

• Casuïstiekoverleg 
Naast deelname door de vertrouwensartsen aan de casuïstiekoverleggen van de twee 
academische ziekenhuizen is er een overleg gestart met het Boven IJ ziekenhuis. 

Een maatschappelijk werker nam deel aan het Tijdelijk Meersporen Team (TMT), waar 
casuïstiek besproken wordt waarbij sprake is van (vermoedens van) seksueel 
misbruik. Het TMT is na evaluatie een regulier overleg geworden en heet nu Twee- of 
Meersporen Team. 

• Inspectieonderzoek AMK 
Eind 2004/begin 2005 heeft de Inspectie Jeugdzorg bij alle AMK’s in Nederland 
onderzoek gedaan naar de kwaliteit van het primaire proces. Het vastgestelde rapport 
voor het AMK Amsterdam (als onderdeel van het landelijk onderzoek), is in juli 2005 
ontvangen. Naar aanleiding van de aanbevelingen in het rapport is een verbeterplan 
met planning van de verbeteracties gemaakt. De verbeterpunten hebben onder andere 
betrekking op meer eenduidigheid in de manier van werken, het inschatten van 
risico’s en de verslaglegging. 

2. Personeel 
• Personeelsamenstelling 
Er is een nieuwe RVE manager AMK intern geworven; zij is op 1 mei 2005 aan het 
werk gegaan. De praktijkleider heeft besloten per 1 januari 2006 gebruik te maken 
van de prepensioenregeling. De nieuw geworven praktijkleider is op 1 december 2005 
gestart. 

Eind 2005 bestond het team AMK uit: een manager, een praktijkleider, drie 
medewerkers voorlichting en training, drie secretariaatsmedewerkers, 4 
vertrouwensartsen (waarvan één tijdelijk), veertien maatschappelijk werkers (waarvan 
twee op detacheringsbasis en één tijdelijk). 

• Verzuim 
Het afgelopen jaar waren twee medewerkers langdurig ziek (niet werkgerelateerd). 
Het gemiddelde verzuimcijfer was 7.7. 

• Deskundigheidsbevordering 
De maatschappelijk werkers hebben in twee groepen intervisie gehad. De 
vertrouwensartsen hadden intervisie met hun collega’s van Alkmaar en Utrecht. 

Eenmaal in de twee maanden is er een inhoudelijke bijeenkomst geweest. Het 
afgelopen jaar is het door de landelijke AMK’s in samenwerking met NIZW opgestelde 
Protocol van Handelen onder de loep genomen en zijn onderwerpen risicotaxatie en 
verslaglegging aan de orde geweest. 

3. Middelen 
Het AMK volgt de begrotingssystematiek van BJAA. In de eerste week van elke 
volgende maand levert het AMK kengetallen aan afdeling P&C van het bedrijfsbureau 
aan. 

4. Resultaten 
• Normering van productie 
Het AMK werkte met historische productiecijfers. In 2005 zou er landelijk een norm 
ontwikkeld worden, waarbij alle AMK’s betrokken zouden worden. Het 
normprijsonderzoek, dat Deloitte in opdracht van VWS gaat doen, is voorbereid en zal 
naar verwachting in 2006 uitgevoerd worden. 

• Wachttijden 
Het jaar 2005 heeft in het teken gestaan van het terugdringen van de wachtlijst. In 
de loop van 2005 liepen doorlooptijden en wachtlijst verder op. In juni was de 
wachtlijst toegenomen tot meer dan 120 zaken. Verschillende acties en extra 
middelen hebben er toe geleid dat de wachtlijst op 1 januari 2006 was teruggebracht 
tot 45 zaken (55 cliënten). De toegezegde extra medewerker van het Leger des Heils 
kon in plaats van per 1 november 2005 pas op 1 januari 2006 gedeeltelijk (24 in 
plaats van 36 uur) worden ingezet. 

• Productiecijfers 
In onderstaande tabellen staan cijfers over de productie: het aantal contacten, de 
karakteristieken van melders, soort mishandeling en culturele achtergrond van de 
gemelde gezinnen. 

Tabel: Contacten met het AMK naar soort vraag 
Aantallen 
Percentage van totaal 
Adviezen 
1.703
58%

Consulten 
665
23%

Onderzoeken 
522
19%
Totaal 2.890 100%

Tabel: Wachtlijsten 
Per einde 
Aantal dossiers 
aantal dagen (gem.) 
1e kwartaal 
125
69

2e kwartaal 
111
98

3e kwartaal 
86
116

4e kwartaal 
61
97

Tabel: Meldingen naar soort melders 
Aantal meldingen 
In procenten 
Ouders/ vrienden /familie, publiek 
239
45%

Geestelijke gezondheidszorg 
14
3%

Onderwijs inclusief schoolarts 
33
6%

Jeugdhulpverlening 
25
5%

Politie & Justitie 
35
8%

GG en GD 
37
7%

Ziekenhuis 
69
13%

overige melders 
70
13%
Totaal 
522
100%

Tabel: Meldingen naar soort mishandeling 
Aantal meldingen 
In procenten
Lichamelijke mishandeling 
248
14%

Affectieve verwaarlozing 
554
30%

Lichamelijke verwaarlozing 
302
17%

Psychisch geweld 
241
13%

Seksueel misbruik 
77
4%

Anders 
175
9%

Onbekend 
27
2%

Geweld binnen gezin 
208
11%

Geen 
1
0%
Totaal 100%

Tabel: Onderzoeken naar etnische culturele achtergrond van de gezinnen 
Aantal onderzoeken
In procenten
Nederland 
271
52%

Suriname 
63
12%

Marokko 
37
7%

Turkije 
24
5%

Antillen /Aruba 
10
2%

Ghana 
6
1%

Dominicaanse republiek 
4
1%

Indonesië 
6
1%

Overig Europa 
6
1%

Overig buiten Europa 
69
13%

Onbekend 
26
5%
Totaal 

522
100%

Tabel: Onderzoeken, adviezen en consulten naar maand en jaar 
Maand 
Melding 
Advies 
Consult 

2004 
2005

2004
2005

2004 
2005 

Jan. 
32 
51 
59,38
135
102
-24,44
66 
58 
-12,12

Feb. 
48 
47 
-2,08
129
112
-13,18
80 
56 
-30,00

Mrt. 
54 
67 
24,07
134
152
13,43
67 
71 
5,97

Apr. 
51 
46 
-9,80
113
131
15,93
61 
72 
18,03

Mei 
27 
42 
55,56
93
92
-1,08
55 
45 
-18,18

Juni 
51 
32 
-37,25
134
168
25,37
62 
28 
-54,84

Juli 
53 
44 
-16,98
123
260
111,38
54 
29 
-46,30

Aug. 
40 
42 
5,00
111
136
22,52
46 
49 
6,52

Sept. 
49 
42 
-14,29
118
134
13,56
68 
57 
-16,18

Okt. 
50 
33 
-34,00
120
108
-10,00
61 
72 
18,03

Nov. 
46 
38 
-17,39
135
169
26,19
56 
72 
-16,28

Dec. 
70 
38 
-45,71
152
139
-8,55
83 
56 
-32,53
Totaal 

571 
522 
-8,58
1497
1703
13,76
789 
665 
-15,72

Het aantal meldingen dat daadwerkelijk in behandeling werd genomen nam met zo’n 
8% af. Het totaal aantal contacten nam toe met een kleine 2%. In het kader van de 
wachtlijstaanpak is met tijdelijk extra inzet van collega’s van de jeugdhulpverlening en 
het crisisteam gewerkt met een specifiek telefoonteam. Hiermee werd bereikt dat 
vergeleken met 2004 20% meer lopende onderzoeken konden worden afgesloten. In 
deze periode werden 14 % meer adviezen gegeven, werd scherper afgewogen of een 
advies/consult voldoende is, of een zaak direct naar de jeugdhulpverlening kan etc. 
Dit verklaart de afname van het aantal meldingen dat in behandeling werd genomen. 
Halverwege het jaar zijn de nog niet in behandeling genomen meldingen van het Gooi 
overgedragen aan AMK Noord-Holland. 

• Kernindicatoren 
Het betreft de zogenaamde kernindicatoren AMK conform de NIZW definities. 

Kernindicator VII 
Voor hoeveel cliënten, voor wie reeds is besloten tot het doen van verder onderzoek, 
geldt dat zij op 01 juli 2005 vijf werkdagen of langer wachtten op de daadwerkelijke 
start van het onderzoek? 

.. Per 1 juli 2005: 109 cliënten. 
.. Per 1 januari 2006: 55 cliënten. 

Kernindicator IX: Doorlooptijd onderzoek AMK: 
a) Wat is de gemiddelde doorlooptijd van het onderzoek in werkdagen, berekend 
over alle cliënten voor wie een dergelijk onderzoek in het eerste en tweede 
kwartaal en het derde en vierde kwartaal van 2005 is afgerond, gebaseerd op de 
verstreken tijd tussen datum melding cliënt en datum afsluiting onderzoek? 
.. Gemiddelde doorlooptijd eerste half jaar 2005: 120 dagen. 
.. Tweede half jaar 2005: 113 dagen. 
b) Voor hoeveel cliënten voor wie het onderzoek in het eerste en tweede half jaar 
van 2005 werd afgerond, geldt dat hun doorlooptijd op of onder de 60 werkdagen 
is gebleven? 
.. Aantal cliënten in 1e half jaar van 2005 met doorlooptijd < 60 dagen is 137 
.. Aantal cliënten in 2e half jaar van 2005 met doorlooptijd < 60 dagen is 159 
c) Voor hoeveel cliënten voor wie het onderzoek in het eerste en tweede halfjaar van 
2005 werd afgerond, geldt dat hun doorlooptijd boven de 60 werkdagen is 
uitgekomen? 
.. Aantal cliënten in 1e half jaar van 2005 met doorlooptijd > de 60 dagen is 139 
.. Aantal cliënten in 2e half jaar van 2005 met doorlooptijd > de 60 dagen is 117 

• Doorlooptijden 
In vergelijking met 2004 zijn er duidelijk vorderingen gemaakt bij het afnemen van de 
doorlooptijden. Twee cijfers springen er uit. Het aantal cliënten dat vijf dagen of 
langer moest wachten op de daadwerkelijk start van het onderzoek daalde van 129 
cliënten op 1-1-2005 naar 58 cliënten op 1-1-2006. Daarnaast steeg het aantal 
cliënten voor wie het onderzoek minder dan 60 werkdagen duurde met meer dan 
50%. 

• Terugkoppeling van de resultaten naar het team 
In 2005 is een instrument ontwikkeld (de weekrapportage) om medewerkers op de 
hoogte te houden van de resultaten van het team en van iedere medewerker 
persoonlijk. De weekrapportage omvat cijfers over de instroom (het aantal 
adviezen/consulten/meldingen), de hoogte van de wachtlijst, de gemiddelde wachttijd, 
het aantal afgesloten zaken, het aantal lopende zaken enz. Voor de manager en de 
praktijkleider levert de weekrapportage sturingsinformatie op. De afwijkingen van de 
norm worden zo snel mogelijk op teamniveau en zo nodig individueel besproken om 
oplossingen te vinden en uit te voeren 

• Cijfers voorlichtingsactiviteiten 
De afdeling Voorlichting & Training (V&T) van het AMK richt haar activiteiten op het 
voorkomen van kindermishandeling en het vergroten van deskundigheid in het 
signaleren en het hanteren van (vermoedelijke) situaties van kindermishandeling (zie 
voor gedetailleerde cijfers het jaarverslag van de afdeling Voorlichting & Training). 

V&T heeft in 2005 in totaal 147 bijeenkomsten deskundigheidsbevordering verzorgd. 
Het aantal deelnemers aan deze bijeenkomsten is in 2005 met 18% gestegen ten 
opzichte van vorig jaar (n=2704) . 

Tabel: vormen van deskundigheidsbevordering V&T 
Activiteit 2005 
Voorlichting 68 
Training 34 
Les 38 
Workshop 6 
Presentatie 1 

Tabel: bereikte doelgroepen met aanbod deskundigheidsbevordering 
Doelgroep 
Aantal deelnemers 
percentage deelnemers
Artsen 
224
7

Basisonderwijs 
545
17

Buurtnetwerk 
26
0,8

Gezondheidszorg 
202
6,5

Hulpverlening 
685
21,5

Kerken 
30
1

Kinderopvang 
293
9

Kraamzorg 
47
1,5

Opleiding/studenten 
878
27,6

Particulier 
20
0,6

Voortgezet onderwijs 
156
5

Vrijwilligers 
34
1

Welzijn 
46
1,5
Totaal 

3186
100%


BIJLAGE I: JAARVERSLAG 2005 VAN DE FIOM 

De Fiom Amsterdam is een gespecialiseerd onderdeel van BJAA voor advies en hulp bij 
ongewenste of ongeplande zwangerschap, beginnend alleenstaand ouderschap, 
afstand ter adoptie (inclusief nazorg) en zoekacties. 

De Fiom hanteert geen leeftijdsgrens, dus ook boven de 18 jaar kan de doelgroep 
terecht. 

Het team wordt gesubsidieerd door de gemeente Amsterdam (Dienst Maatschappelijke 
Ontwikkeling, DMO), maar de Fiom werkt voor de gehele agglomeratie. Buiten 
Amsterdam zijn de mogelijkheden voor hulp beperkter, vanwege formatie en 
middelen. 

Voor toelichting van gehanteerde begrippen en basisinformatie zie het Fiom 
Activiteitenplan en/of www.fiomamsterdam.nl. 

1. Leiderschap 
De Fiom vormt met een aantal andere bovenregionale afdelingen van BJAA het 
zogenaamde ABA-district, dat staat voor Agglomeratiebreed Aanbod. Dit district wordt 
aangestuurd door de districtsmanager, tevens lid managementteam BJAA. 

De leidinggevende Fiom is verantwoordelijk voor het management en samen met de 
gz-psycholoog verantwoordelijk voor de inhoud van het werk. 

2. Strategie en beleid 
Hoofdlijnen van strategie en beleid in 2005 
.. Voor het eerst is dit jaar gewerkt met nieuwe op de Fiomhulpverlening 
toegesneden werkbeschrijvingen die, gekoppeld aan een kostprijs (P*Q), als basis 
dienen voor subsidieverrekening met DMO. 
.. Het registratiesysteem werd hieraan aangepast; implementatie in het team vergde 
aandacht met als nevendoel verminderen van de bestaande onderregistratie. 
.. Inspelen op verdere verschuiving van de doelgroep richting multiproblem. 
.. Casemanagement DTJ. 
.. Verbeteren Fiomindicatietraject. 
.. Het hoofd bieden aan de toegenomen hulpvragen en de verzwaring van de 
problematiek met dezelfde hoeveelheid menskracht. 
.. Meer aandacht voor de positie van de medewerkers. 
.. Intensivering samenwerking andere instellingen. 
.. PR was speerpunt, maar is vanwege werkdruk te weinig ontwikkeld. 
.. Signalering tekort aan opvangmogelijkheden doelgroep. 

3. Management van medewerkers 
• Uitbreiding uren van en betere inbedding in het team van de GZ-
psycholoog 

Tot 1 mei werd meer dan de helft van de weinige uren GZ-psycholoog besteed aan 
een detachering bij Mentrum ten behoeve van de groep alleenstaande ouders. De 
Fiompsycholoog werd na zijn pensionering per 1 juli voor de volledige formatie (7 uur) 
opgevolgd door de GZ-psycholoog die mede verbonden is aan het Dak- en Thuisloze 
Jongeren (DTJ) team. De samenwerking met de leidinggevende is nu beter 
gestructureerd en de GZ-psycholoog heeft een duidelijker en belangrijker plek in het 
team gekregen. Hierdoor worden de medewerkers beter ondersteund en is de 
deskundigheid met betrekking tot het indicatie- en plaatsingstraject vergroot. 

• Het team inclusief het secretariaat is op sterkte 
Met name het secretariaat had tot 2005 te maken met langdurige (kwalitatieve) 
onderbezetting. Er kon dit jaar een begin worden gemaakt met het verbeteren van de 
administratieve processen. 

• Aandacht voor de medewerkers 
Na jarenlange achterstand zijn er weer functioneringsgesprekken gehouden. De 
onderlinge communicatie is tot vast punt van aandacht gemaakt. Daarnaast is er een 
regeling tot stand gekomen voor compensatie van onregelmatige uren en 
bereikbaarheid / beschikbaarheid bij afstandszaken. De werkdruk was regelmatig te 
groot, wat leidde tot overbelasting van de hulpverleners. Hiervoor zijn nog geen echte 
oplossingen gevonden. 

• Verzuimbeleid en werktijdenregeling 
Binnen BJAA had het verzuimbeleid dit jaar een hoge prioriteit. De leidinggevende 
heeft deelgenomen aan trainingen voor managers vanwege het veranderde BJAA-
beleid rond ziekte en verzuim. Het verzuimcijfer van de Fiom gaf daar overigens geen 
aanleiding toe: dit was voor 2005 3.9 en ligt onder het BJAA gemiddelde. 

De werktijdenregeling werd BJAA-breed aangepakt: er zijn duidelijke algemene en 
individuele afspraken gemaakt over werktijden 

• Deskundigheidsbevordering maatschappelijk werk 
Interne deskundigheidsbevordering voor het hele team: 
.. voorlichting hulpverlening met betrekking tot baby’s (SO&T) 
.. invulling casemanagement DTJ; 
.. abortusnazorggesprekken; 
.. abortus na 22 weken. 

Deelname studiedagen: 
.. congres Zwerfjongeren.nl over tienermoeders; 
.. WAN-studiedag over adoptiehulpverlening (nature/nurture); 
.. ADOC over binnen- en buitenlandse geadopteerden; 
.. Landelijke studiedag Fiomhulpverlening n.a.v. 70 jaar Fiom. 

• Extra stagiaire 
Naast de reguliere begeleiding van stagiaires heeft de Fiom een aantal maanden een 
stagiaire pedagogiek begeleid bij de totstandkoming van haar scriptie over 
tienervaders. 

4. Management van middelen 
In overleg met DMO is de in 2004 ingezette afrekensystematiek, gebaseerd op een 
verrichtingen/kostprijs verhouding, ook voor 2005 als uitgangspunt genomen voor 
subsidiëring. 

Omdat er dit jaar voor het eerst sprake was van een aparte omschrijving van de 
Fiomhulpverleningstrajecten, is er tussendoor een evaluatieve bespreking geweest 
met DMO. Daarbij zijn de afspraken over de verrekeningsmethode bijgesteld. 

Met betrekking tot de registratie werkt de Fiom momenteel nog met het Jhvis-
programma als cliëntenvolgsysteem en met een Excel database ten behoeve van de 
management informatie. Dit voldoet, alhoewel één goedwerkend en op de Fiom 
toegesneden registratiesysteem beter zou zijn. Het project Fiom-registratiesysteem is 
binnen BJAA uitgesteld in verband met de vele complicaties die invoering van IJ met 
zich mee bracht. 

5. Management van processen 
• Werkdruk, wachtlijst en de gevolgen van het tekort aan opvangplaatsen 
voor de Fiomhulpverlening 

Door de toename van het aantal hulpvragers, de toegenomen ernst van de 
problematiek, het ontbreken van goede hulpverleningsmogelijkheden en de 
toegenomen bureaucratie is de hoeveelheid werk flink toegenomen. De verhouding 
werk – capaciteit hulpverlening is uit balans, maar vanwege de aard van de 
problematiek (crisis rond zwangerschap, pasgeboren baby’s, abortusbesluitvorming) is 
het instellen van een wachtlijst niet denkbaar. 

Om de werklast te beperken zijn de volgende maatregelen genomen: 
.. na eerste hulpverlening de minder schrijnende cliënten laten wachten op 
vervolghulp; 
.. de meest crisisachtige zaken voorrang geven; 
.. afhoudend beleid voeren ten aanzien van nieuwe aanmeldingen; 
.. verwijzers zoveel mogelijk zelf laten oppakken (wat niet altijd goed is voor de 
samenwerking); 
.. strenge toelatingsnormen hanteren (Fiom Amsterdam hanteert rond begeleiding 
adoptienazorg/zoekacties en abortusbesluitvorming veel striktere grenzen dan de 
overige Fiombureau’s in het land); 
.. niet ingaan op verzoeken tot voorlichting en PR-acties tot het minimum beperken. 

Ernstig is dat het tekort aan capaciteit ook ten koste gaat van de procesmatige hulp, 
de kerntaak van de Fiom. Men komt bijvoorbeeld onvoldoende toe aan begeleiding 
van a.s. moeders en hun systeem. Soms wordt de zorgaanbieder Altra-Ambulant 
ingezet terwijl de Fiommedewerker het werk zelf had kunnen doen als er meer tijd 
zou zijn. Dit is een paradoxale situatie. 

Omdat de Fiom niet met een wachtlijst wil werken, kan niet met cijfers worden 
duidelijk gemaakt dat de nood hoog is. In 2006 zal, in overleg met de subsidiegever, 
naar meer structurele oplossingen moeten worden gezocht. 

Behalve door de toename van cliënten en verzwaring van de problematiek wordt deze 
situatie veroorzaakt door het ontbreken van goede woon- en opvangplekken voor (a.s.) moeders en hun kinderen. Medewerkers zijn een groot deel van hun tijd kwijt 
met het zoeken naar alternatieven en het bezweren van crises die ontstaan bij gebrek 
aan passende opvang. 

Wanneer er via het indicatietraject opvang voor een cliënt is toegewezen, maar deze 
niet voorhanden is, blijft de verantwoordelijkheid voor het welzijn van de 
(hoog)zwangere of haar (pasgeboren) baby zwaar drukken op de betreffende 
maatschappelijk werker. In onacceptabel onveilige situaties moet dan een maatregel 
van kinderbescherming worden overwogen, terwijl de moeder in veel situaties wil 
meewerken aan een residentiële vorm van hulpverlening om een goede start met haar 
kind te kunnen maken. 

• Gebrek aan opvang 
Van de nieuwe aanmeldingen had 114 personen een opvangvraag (tegenover 82 in 
2004). Dat is bijna de helft van de aanmeldingen rond (a.s.) moederschap. Het gaat 
om verschillende soorten opvang: crisisopvang, observatie-opvang, lichtere en 
zwaardere vormen van woonbegeleiding voor moeder en kind en (begeleide) 
huisvesting. 

Voor bijna alle cliënten is er op korte termijn geen plek beschikbaar, terwijl de nood 
hoog is. Alle plekken hebben maandenlange wachtlijsten en vaak moet er dan naar 
andere oplossingen gezocht worden. In 2005 is de Rheinwardstraat geopend, maar 
helaas heeft Altra eind dit jaar de Moeder en Kindopvang Helmersstraat gesloten 
terwijl de opening van Alexandria grote vertraging heeft opgelopen. 

Steeds vaker komen Fiomcliënten, soms hoogzwanger of met een pasgeboren baby, in 
de noodopvang van het zwerverscircuit terecht. 

De Fiom signaleert deze tekorten waar mogelijk, is betrokken geweest bij de opzet 
van de Rheinwardstraat en onderhoudt contacten met Altra, de Vrouwenopvang en 
met de Zorgbemiddeling DTJ. 

• Zwerfmeiden, multiproblem en LVG 
.. Het samenwerkingsproject met Streetcornerwork-Centrum, zwangereninloop op 
maandagmiddag, is in 2005 voortgezet. 
.. Dat geldt ook voor het samenwerkingsproject met Thuiszorg Amsterdam: 
gymnastiek en bevallingsvoorbereiding voor jonge zwangeren. Een 
cliënttevredenheids-onderzoekje had als uitkomst dat de bezoeksters erg positief 
waren over dit aanbod. 
.. De Fiom neemt deel aan de opzet van een gezondheidsproject voor Dak- en 
Thuisloze Meiden, geïnitieerd door Bestek voor een Keten. 
.. Naar aanleiding van een artikel in de Volkskrant over zwervende Fiomcliënten 
heeft de Maasstichting contact met de Fiom gezocht en dankzij dit fonds konden 
kleine acute noden worden gelenigd. 
.. Het contact met Streetcornerwork Zuidoost is geïntensiveerd en er zijn goede 
werkafspraken. Het spreekuurproject bij Nos Por is nog niet echt van de grond 
gekomen (het is de vraag of het rendement in verhouding is tot de inzet en of er 
voldoende mensen bereikt zullen worden). 
.. Er is een goede samenwerking met een verloskundige praktijk in Zuid Oost waar 
veel illegalen/zwerfmeiden terecht kunnen. Er zijn verkennende gesprekken gestart om ook in Zuidoost in samenwerking met Thuiszorg Amsterdam een 
project zwangerschapsgymnastiek te starten. 
.. In 2005 is veel samengewerkt met de vrijwilligersorganisatie Don Bosco Jonathan 
(dag- en nacht opvang en dagactiviteiten). 
.. De Zorgbemiddeling DTJ verwijst cliënten richting Fiom ten behoeve van het 
casemanagement van een uitgezet traject. 
.. Via het DTJ-traject is er een makkelijke toegang tot de SPV-er van de Meren t.b.v. 
GGZ-problematiek. 
.. Er is regelmatig contact met de Vangnetafdelingen van de GGD (Jeugd en 
volwassenen). 
.. Er is een goede samenwerking met de Bascule, met het AMC en andere 
ziekenhuizen. 
.. De doelgroep psychiatrische moeders is extra lastig ‘onder de pannen’ te krijgen, 
zowel letterlijk als figuurlijk. Dit geldt ook voor de doelgroep LVG. Er is een 
teambijeenkomst geweest met Mee, gericht op samenwerking en 
deskundigheidsbevordering en er waren werkcontacten met de IJlanden 
(Cordaan). Er is gebruik gemaakt van het nieuwe aanbod van Philadelphia: 
begeleid wonen voor moeders en kinderen. 

• Zuid Oost 
Naast de al genoemde bilaterale contacten in Zuidoost heeft de Fiom deelgenomen 
aan de opnieuw gestarte werkgroep tienermoeders en medewerking verleend aan de 
totstandkoming van een nieuwe knelpuntennotitie over dit onderwerp van het 
Stadsdeel. 

• Samenwerking andere afdelingen BJAA 
.. Dit jaar werden er minder cliënten dan vorig jaar door BJAA-collega’s naar de 
Fiom verwezen. Het is nog onduidelijk waardoor dit komt, mogelijk heeft het 
gebrek aan interne bekendheid hiermee te maken; het voor 2005 geplande PR-
offensief richting Voordeur kon in verband met de werkdruk geen voortgang 
vinden. 
.. Als de baby van een Fiomcliënte 1 jaar is, er nog hulpverlening nodig is in de 
moeder-kind relatie én de cliënt zich laat verwijzen wordt de zaak overgedragen 
aan de Voordeur. Helaas is er meestal geen sprake van een vanzelfsprekende 
overgang naar de Voordeur (wachttijd) – dit is een knelpunt dat in 2006 wordt 
opgepakt. 
.. Voor individuele cliënten is incidenteel gebruik gemaakt van de hulp van 
vrijwilligers van de afdeling Aanvullende Hulp. Daarnaast hebben vrijwilligers de 
baby-opvang verzorgd tijdens de bijeenkomsten voor startende moeders. 

• Samenwerking Altra 
Zoals te voorzien was is de samenwerking met Altra na de invoering van de Wet op de 
Jeugdzorg geïntensiveerd. De Fiom is nu een van de belangrijkste verwijzers voor 
Altra. In 2005 is dan ook een structureel overleg in het leven geroepen om de 
samenwerking en knelpunten in de hulpverlening te bespreken. 

• Contact abortusklinieken en de VBOK 
Er lag een plan om gezamenlijk huisartsen te benaderen, maar de verschillen in visie 
bleken begin 2005 toch te groot om dit samen aan te pakken. Wel is er afgesproken 
om elkaar jaarlijks te blijven ontmoeten. 

Het Platform Seksuele Gezondheid i.o., waar de Fiom zich bij had aangesloten, heeft 
helaas niet de ZON-prijs gewonnen en het initiatief kon bij gebrek aan middelen niet 
worden voortgezet. 

Vanuit het Amsterdams Centrum voor Seksuologische Gezondheid is aan de Fiom de 
vraag voorgelegd of de Fiom alle abortus besluitvormingsgesprekken zou kunnen 
overnemen. Vanwege gebrek aan middelen beperkt de Fiom Amsterdam zich, als enige 
Fiombureau in het land, tot de besluitvorming ten behoeve van alleenstaande meisjes 
en vrouwen die zwanger zijn. 

• Contact landelijke Fiom 
Fiom Amsterdam nam ook in 2005 deel aan het overleg Fiom Nederland, waarbij alle 
Fiominstellingen zijn aangesloten. Op medewerkersniveau vond samenwerking plaats 
met betrekking tot begeleide zoekacties en er werd met het hele team deelgenomen 
aan het congres 70 jaar Fiom. 

• Contact Team Overige Civiele Taken van de Raad voor de 
Kinderbescherming 

Met deze afdeling vond ook in 2005 structureel overleg plaats met betrekking tot 
afstand / adoptie. Er waren dit jaar weinig nieuwe cliënten die afstand ter adoptie 
overwogen. 

• RWM - processen 
Waar nodig wordt voor wat betreft de Jeugdhulpverleningwerkprocessen (indicatie, 
plaatsing, Raadsmelding) gewerkt volgens het RWM. Voor het overige wordt gewerkt 
volgens bestaande Fiomprotocollen. 

Loverboys 
De werkzaamheden van de werkgroep waarin een Fiomwerker participeerde, mondden 
in 2005 uit in een werkconferentie. 

• Babymassage 
In 2005 heeft een gespecialiseerde deskundige bij wijze van experiment een cursus 
babymassage gegeven aan een groepje jonge moeders, cliënten van de Fiom. De 
bijeenkomsten waren gratis. Het was een succes en gaat herhaald worden in 2006. 

Probleem bij dit soort activiteiten is dat veel cliënten geen continuïteit in hun leven 
kennen en heel moeilijk langerdurende contacten kunnen volhouden. 

• Quick Step 
In 2005 is binnen BJAA op veel afdelingen de QuickStep ingevoerd; een snelle test die 
de ernst van de problematiek van de cliënten op eenvoudige wijze duidelijk maakt. 
Het is goed dat ook de ernst van de problematiek van de Fiomdoelgroep vanuit 
Jeugdzorgperspectief zichtbaar wordt, maar het vergt enige aanpassing (2006) om de 
test hiervoor bruikbaar te maken. 

• PR 
Door tijdgebrek is hier te weinig aandacht aan besteed. Zaken die wel tot stand 
kwamen: 
.. een nieuwe Fiomfolder; 
.. voorlichting aan de Kinderrechtswinkel 
.. de verzorging van een workshop in het kader van de Stadsconferentie Jeugdzorg. 

• Dilemma’s en opmerkingen t.a.v. processen 
.. Registratie neemt veel tijd die niet aan de inhoud kan worden besteed. 
.. Ketenhulpverlening geeft meer werk (veel samenwerking), maar ook ongewenste neveneffecten: 
.. afstemmen hulpverleners geeft tijdverlies (tijd die nodig is voor overleg, maar ook tijd die heengaat i.v.m. ziekte, vakantie en anderszins onbereikbaarheid); 
.. er zijn soms te veel hulpverleners rond één cliënt bezig; 
.. er is soms onduidelijkheid over wie wat doet en wie de verantwoordelijkheid heeft 
.. In veel gevallen loopt de Fiom tegen de beperking aan van de doelgroep baby’s tot 1 jaar. Dit geldt speciaal voor het casemanagement voor dak- en thuisloze 
meiden. Wanneer moeders van 18 jaar en ouder geen hulpvraag hebben met betrekking tot de opvoeding, kunnen zij niet bij de Voordeur terecht, terwijl er 
vaak wel veel zorgen zijn over hun leefsituatie en wat dat voor effect heeft voor hun kind op langere termijn. Het zijn vaak ook moeders die gezien vroegere 
ervaringen niets met de Jeugdzorg te maken willen hebben, wel nog met de Fiom, maar de Fiom loopt aan tegen de leeftijdsgrens van de kinderen. 

6. Waardering door cliënten 
Ook dit jaar waren er geen klachten. 

7. Waardering door medewerkers 

Het team werkt hard, de medewerkers zijn betrokken op hun werk en op elkaar. De 
werkdruk is echter een bron van zorg, ook met het oog op de gezondheid van 
mensen. Het verzuimcijfer bleef gelukkig redelijk laag – 3.9. 

8. Eindresultaten 
Instroom 
De prognose voor het aantal afgesloten aanmeldingen was 380, het feitelijke aantal 
413, lag daarmee opnieuw boven het aantal van het jaar ervoor. De laatste jaren is er 
sprake van een gestage stijging. 
Het aantal Informatie, advies en consult ligt met 502 fors boven de prognose van 380. 
Het totaal aantal hulpvragers (1180) lag dit jaar ruim 100 hoger dan vorig jaar, bijna 10%. 

Tabel: Aantal hulpvragers/cliënten 
Aantal 2004 
Aantal 2005 

Aantal gestarte nieuwe aanmeldingen 
398 
421 

Aantal advies/consulten 
426 
502 
Totaal 

823 
923 

Aantal cliënten nog in behandeling vanuit voorgaande jaar 
252 
257 
Totaal 2005 

1075 
1180 

• Productiecijfers 
In 2005 is voor het eerst gewerkt met aan de Fiom aangepaste omschrijvingen van de werkzaamheden in plaats van met begrippen uit de Jeugdhulpverlening. 

Deze producten worden gekoppeld aan een kostprijs en deze vormen de basis voor de afrekening met de subsidiegever (P x Q). 

Uitgangspunt zijn de afgeronde trajecten. Na de tussenevaluatie met DMO wordt voor de Fiomhulpverlening-plus echter een uitzondering gemaakt en wordt voor de 
verrekening uitgegaan van het maandgemiddelde. 

Omdat de werkzaamheden met betrekking tot de Fiomhulpverlening sinds dit jaar anders worden omschreven en geregistreerd, kunnen de meeste cijfers niet goed met die uit voorgaande jaren worden vergeleken, uitgezonderd de aantallen Advies, informatie en consult en de aantallen Aanmelding. Wel is duidelijk dat ook het totaal aantal afgesloten hulpverleningenstrajecten (321) ruim boven de prognose (276) is uitgekomen. 


Tabel: productie Fiom 
Product 
2003
2004

Prognose 2005 
Resultaat 2005 
Verschil t.o.v. prognose 
Advies, Informatie en consult 
376 
426 
380 
502 
132% 

Aanmelding 
379 
397 
380 
413 
108% 
Totaal 

755 
823 
760 
915 
120% 

Tabel: hulpverleningstrajecten 
Product 
2003
2004

Prognose 2005 

Resultaat 2005 
Verschil t.o.v. prognose 
Fiom Hulpverlening 
- 
- 
125 
212 
170% 

Fiom Hulpverlening + 
- 
- 
135 
96 
143* 
71% 

Afstandsbegeleiding 
- 
- 
10 
13 
130% 
Totaal 

- 
- 
276 
321 
116% 

* het gemiddelde van de lopende contacten in 2005, gemeten op iedere eerste dag van de maand 

Tabel: Overige resultaten* 
Product 
2003 
2004 

Prognose 2005 
Resultaat 2005 
Verschil t.o.v. prognose 
Indicaties 
29=21
63+13
- 
82** 
- 

Plaatsing HOI 
18 
37 
- 
44 
- 

Plaatsing elders 
18 
22 
- 
25 
- 
Melding Raad voor de Kinderbescherming 
Niet geteld
Niet geteld
- 
9 *** 
- 

* deze verrichtingen worden niet meer apart verrekend, maar zijn onderdeel van een hulpverleningstraject 
** waarvan 47 via het indicatietraject DTJ zijn afgehandeld en 17 via het MIO Zuidoost 
*** exclusief de meldingen aan het OCT-team van de Raad rond afstand ter adoptie 

Tabel: Aantal dak- en thuisloze zwangeren/jonge moeders 
2003 
2004 
2005 

Aantal nieuwe aanmeldingen 
44 
38 
58 

Aantal lopende contacten uit vorig jaar 
Onbekend 
19 
31 

Totaal aantal Dak- en Thuisloze zwangeren/jonge moeders 
44 
57 
89 

Tabel: Aantal multiproblem cliënten 
2003 
2004 
2005 

Aantal nieuwe aanmeldingen 
- 
76 
124 

Aantal lopende contacten uit vorig jaar 
- 
40 
83 

Totaal aantal multiproblem 
cliënten 
- 
116 
207 

Tabel: groepwerk 
Soort groep 
2003 
2004 
2005 

Zwangerengroep 
3 
2 
3 

groep voor beginnende moeders 
1 
2 
2 

doorlopende zoekersgroep januari/januari 
1 
1 
1 

groep zwerfzwangeren +SSCW 
0 
2 
2 
groep voor geadopteerden 1 
Totaal 5 

7 
9 

Vanwege de werkdruk moest de groep voor startende moeders die gepland stond in het najaar naar 2006 worden verschoven. 

• Karakteristieken met betrekking tot de nieuw ingeschreven cliënten. 

Tabel: hulptype 
Hulptype 
2003 % 
2004 
2005 % 

Besluitvorming abortus 83
22,6%
69
17,3% 
58
13,8%

Zwangerschapsbegeleiding 128
34,9%
161
40,3% 
178
42,3%

Hulp bij afstand ter adoptie 14
3,8%
15
3,8% 
7
1,7%

Hulp afstandsbaby's* 6
1,5% 
6
1,4%

Aparte hulp baby's* 8
1,9%

Hulp bij onbedoeld (a.s.) vaderschap* 7
1,7%

Abortusverwerking 8
2,2%
9
2,3% 
13
3,1%

Hulp bij alleenstaand ouderschap 40
10,9%
55
13,8% 
48
11,4%

Adoptienazorg/zoekacties 81
22,1%
81
20,3% 
96
22,8%

Onbekend 13
3,5%
4
1,0% 
Totaal 367

100,0%
400
100,0% 
421
100,0%
Subtotaal hulp rond zwangerschap** 

225
61,3%
245
61,3% 
248
58,9%
Subtotaal hulp rond zwangerschap en alleenstaand ouderschap 

26
72,2%
300
75,0% 
306
72,2%
Subtotaal afstand/adoptie/zoekacties 

95
25,9%
102
25,5% 
109
25,9%

*in eerdere jaren niet uitgesplitst 
**van de afstandszaken zijn er 2 waar de Fiom na de geboorte bij werd betrokken. 

.. Het aantal hulpvragen met betrekking tot zwangerschapsbegeleiding stijgt de laatste jaren, terwijl het aantal hulpverlening bij besluitvorming abortus daalt 
.. Het aantal hulpvragen met betrekking tot afstand ter adoptie is dit jaar gehalveerd ten opzichte van vorige jaren. 
.. Er zijn meer vragen met betrekking tot adoptienazorg/zoekacties, maar het percentage op de gehele hulpverlening is ongeveer hetzelfde gebleven. 

Tabel: categorie hulpvragers 
Categorie Totaal

(a.s.) vader 7
(afstands)baby 14
(alleenstaand) moeder 50
Adoptieouder 2
afstandsmoeder/vader 13
biologische ouders (niet afstandszaken) 2
Geadopteerde 42
vader/moederzoeker 21
Verwanten 16
vrouw met onverwerkte abortus 13
Zwanger 241
Totaal 421

Tabel: Leeftijd Leeftijd 

2003 
2004 
2005 

18- 
30 
8,2%
66
16,5%
38 
9,0%
18-23 
130 
35,4%
163
40,8%
204 
48,5%
23+ 
202 
55,0%
169
42,3%
179 
42,5%

Onbekend 
5 
1,4%
2
0,5%
Totaal 

367 
100%
400
100%
421 
100%

.. Het aantal minderjarigen is na een stijging in 2004 weer verminderd. Mogelijk hangt dit samen met het geringere aantal verwijzingen door BJAA-afdelingen. 
.. De leeftijdsgroep 18-23 jaar vormt inmiddels verreweg de grootste groep. 
Hieronder is te zien dat het in die leeftijdscategorie voor bijna drie kwart om zwangere jonge vrouwen gaat. 

Tabel: Leeftijd en zwanger gecombineerd 2005 
Leeftijd 
Aantal cliënten 
Aantal zwangeren
% zwanger per leeftijdscategorie
% van het totaal 

18- 
38 
20
52,60%
8,30% 
18-23 
204 
148
72,50%
61,40% 
23+ 
179 
73
41,00%
30,30% 
Totaal 

421 
241
57,30%
100%

2004 

Leeftijd 
Aantal cliënten 
Aantal zwangeren
% zwanger per leeftijdscategorie
% van het totaal 

18- 
66 
46
69,70%
18,80% 
18-23 
163 
118
72,40%
48,20% 
23+ 
169 
79
46,70%
32,20% 

onbekend 
2 
2
0,80% 
Totaal 

400 
245
61,30%
100% 

Tabel: Sekse 
2003 
2004 
2005 

Vrouw 
318
86,6% 
358
89,5%
378
89,9% 

Man 
49
13,4% 
42
10,5%
43
10,2% 
Totaal 

367
100,0% 
400
100,0%
421
100,0% 

Het percentage jongens/mannen schommelt al jaren rond de 10. 

Tabel: Woonplaats naar regio 
Woonplaats 
2003 
2004
2005 

Amsterdam 
272 
74,1%
333
83,3%
354 
84,1% 

Buiten Amsterdam 
98 
25,9%
64
16,0%
64 
15,2% 

Onbekend 
- 
- 
3
0,8%
3 
0,7% 

Totaal 

367 
100,0%
400
100,0%
421 
100,0% 

In principe worden mensen van buiten het ROA-gebied niet als cliënt toegelaten. Dit is wel eens lastig waar het Almere betreft, omdat de inwoners van Almere vaak erg op Amsterdam gericht zijn en het alternatief Fiom Leiden of Zwolle vaak problemen oplevert. 

Tabel: opvangvraag Tabel: illegaal 
ja 
114 
27,1%

Ja 
8
1,9% 

Nee 
273 
64,8%

Nee 
399
94,8% 

Onduidelijk 
34 
8,1%

Onduidelijk 
14
3,3% 
Totaal

421
100,0%
Totaal 

421
100,0%

Tabel: etniciteit 

Etniciteit 
2003
2004 
2005 

Nederlands
173 
47,1% 
137 
34,3% 
145 
34,4% 

Surinaams 
78 
21,3% 
90 
22,5% 
111 
26,4% 

Antiliaans/Arubaans 
15 
4,1% 
20 
5,0% 
22 
5,2% 

Overig Caribisch 
4 
1,1% 
6 
1,5% 
3 
0,7% 

Moluks 
1 
0,3% 
2 
0,5% 
2 
0,5% 

Marokkaans 
18 
4,9% 
22 
5,5% 
29 
6,9% 

Turks 
6 
1,6% 
14 
3,5% 
15 
3,6% 

Aziatisch 
8 
2,2% 
15 
3,8% 
21 
5,0% 

Europees 
16 
4,4% 
14 
3,5% 
8 
1,9% 

Ghanees 
5 
1,4% 
8 
2,0% 
6 
1,4% 

Overig Afrikaans 
13 
3,5% 
21 
5,3% 
31 
7,4% 

Overig Zuid-Amerikaans 
- 
- 
- 
- 
9 
2,1% 

Nederlands gemengd en andere mengvormen 
- 
- 
27 
6,8% 
21 
5,0% 

Anders 
12 
3,3% 
8 
2,0% 
2 
0,5% 

Onbekend 
18 
4,9% 
16 
4,0% 
21 
5,0% 
Totaal 

367 
100% 
400 
100% 
421 
100% 

Opvallend is de gestage toename van het aantal cliënten met een Surinaamse achtergrond. Dat geldt eveneens voor de groep cliënten met een Marokkaanse achtergrond. Uit onderzoek e.d. komt vaak naar voren dat Marokkaanse en Turkse meisjes weinig problemen geven. De ervaring van de Fiom is dat áls Marokkaanse cliënten buiten een huwelijk een kind krijgen, dit vaak zeer problematische zaken 
betreft. 

Er is ook een behoorlijke toename in de cliëntengroep afkomstig uit andere delen van 
Afrika. 


Tabel: verwijzers 

Verwijzer 
2005
2004

Eigen initiatief* 
128 
75 

SSCW 
42 
25 

BJAA 
28 
37 

Familie/vrienden 
26 
33 

Ziekenhuis 
24 
29 

Abortuskliniek 
18 
22 

Huisarts/gezondheidscentrum 
18 
20 

Fiom + ISS 
17 
23 

GGD 
15 
6 

AMW 
12 
11 

HOI en opvangcentra 
10 
15 

verloskundige (zelfstandig) 
10 
9 

CWI 
9 
2 

GGZ 
9 
6 

school/ROC 
6 
3 

Huisvestingsinstelling 

4 

3 

Jongerenloket 
4 
0 

LVG 
3 
2 

Gemeente Amsterdam 
3 
3 

Rutgersstichting/NVSH 
3 
2 

Spoorloos/tv 
3 
1 

Raad voor de Kinderbescherming 
1 
4 

Onbekend 
5 
24 

Overig 
23 
51 
Totaal 

421 
400
*via internet 

13 
7 

Opvallend is hier de toename van het aantal cliënten dat op eigen initiatief is gekomen. Er is een sterke toename aan verwijzingen door Streetcornerwerk, die 
inmiddels de grootste verwijzer is geworden. Ook de toename van het aantal verwijzingen van de GGD is opvallend. Evenals het minder worden van de 
verwijzingen door de Raad voor de Kinderbescherming. 

• Overige conclusies 
.. De toegenomen intensiteit en zwaarte van de hulpverlening heeft vooral te maken met de grote groep zwervende en multiproblem cliënten, met de soort hulpvraag en met het gebrek aan mogelijkheden voor hulpverlening en opvangplekken en de 
toegenomen bureaucratie. 
.. Ten opzichte van 2004 is er sprake van een toename van 63% van het aantal 
nieuwe multiproblem zaken en van een toename van 78% op het totaal van het 
cliëntenbestand. 
.. Ook was er een toename van dak- en thuisloze nieuwe cliënten (53%). 
.. Het aantal hulpvragen met betrekking tot opvang was 114, in 2004 was dit aantal 82. Een toename van 39%. 
.. Van het totaal aantal cliënten had ruim 27% een opvangvraag. Toegespitst op de doelgroep waarop deze vraag betrekking heeft – de (a.s.) moeders en hun 
kinderen - gaat het om 48%, bijna de helft dus. Het aantal indicaties en plaatsingen is dit jaar dan ook weer toegenomen. 

• Algemeen 
Wat vorig jaar over de cliëntenpopulatie werd opgemerkt geldt onverminderd: veel 
van de (a.s) alleenstaande moeders hebben een onveilige, verbrokkelde achtergrond, 
waarin verlating of verwaarlozing door ouders plaatsvond, seksueel geweld door 
familie en/óf bekenden, veel migratie etc. Een aantal van hen staan of stonden onder 
voogdij, hebben te maken (gehad) met de (jeugd-)reclassering, zijn verslaafd, licht 
verstandelijk gehandicapt of psychiatrisch. Zij roepen zorg op, ook omdat ze een baby 
krijgen of hebben, terwijl zij vaak niet of minder gemotiveerd zijn voor hulp. 

http://www.bja.nl/documents/Jaarverslag%20BJAA%202005.pdf
