2de vergadering: Bijzondere 
commissie Jeugdwelzijnsbeleid* 

Maandag 23 september 1985 
Aanvang 11.15 uur 

Voorzitter: Cornelissen 

Aanwezig zijn 8 leden der Kamer, te 
weten: 

Haas-Berger, Worrell, Mik, Willems, 
Lucassen-Stauttener, Evenhuis-van 
Essen, Van der Vlies en Cornelissen, 

en mevrouw Korte-van Hemel, 
staatssecretaris van Justitie, die 
vergezeld is van enige ambtenaren. 

Aan de orde is de behandeling van 
de vervolgnotitie Raad voor de 
Kinderbescherming (18122, nr. 
20). 

De Voorzitter: Graag heet ik 
welkom staatssecretaris Korte-van 
Hemel en haar medewerkers. 

Voor de fractie van de PvdA geldt 
een spreektijd van 30 minuten; voor 
het CDA 28 minuten; voor de VVD 
23 minuten; voor D'66 7 minuten; 
voor de PSP, de SGP, de CPN en de 
PPR ieder 4 minuten en voor de 
overige fracties ieder 3 minuten. 

Ik geef het woord aan mevrouw 
Evenhuis-van Essen, die het heeft 
gevraagd. 

Mevrouw Evenhuis-van Essen 

(CDA): Mevrouw de Voorzitter! Wij 
ontvingen het afgelopen weekend 
een brief van het ministerie van 
Justitie over een motie, ingediend 
door mij namens de CDA-fractie, 
over de verkorting van de bewaarter-
mijnen van de dossiers van de raden 
voor de kinderbescherming. Ik meen 
dat wij hiervan nog niet voldoende 
kennis hebben kunnen nemen. Ik stel 
u dan ook voor, deze brief vandaag 
niet te behandelen maar er een kort 
mondeling overleg aan te wijden, 
vast te stellen door de vaste commis-
sie voor Justitie. 

De Voorzitter: Deze brief zou ook 
bij de begroting kunnen worden 
behandeld. 

Mevrouw Lucassen-Stauttener 

(VVD): De genoemde brief heeft mij 
dit weekend helemaal niet bereikt. 

dus ik kan mij vinden in het voorstel 
van mevrouw Evenhuis. 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): Ook 
ik ondersteun het voorstel van 
mevrouw Evenhuis. 

De Voorzitter: Dan stel ik voor, het 
voorstel van mevrouw Evenhuis te 
volgen. 

Daartoe wordt besloten. 

De beraadslaging wordt geopend. 

D 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): 
Mevrouw de Voorzitter! Wij spreken 
vandaag over de evaluatie van de 
scheiding van de rechtstoepassing 
en de hulpverlening door de raden 
voor de kinderbescherming en over 
het voorkomen van knelpunten. 

Als wij de notitie mogen geloven, 
lijkt het wel of er geen knelpunten 
zijn. In dat opzicht lijkt deze notitie 
als twee druppels water op de notitie 
die wij eerder bespraken. De praktijk 
is helaas weerbarstiger dan de 
theorie. 

De raden voor de kinderbescher-
ming vormen een onderdeel van het 
netwerk voor jeugdhulpverlening, 
met een specifieke, op de wet 
gebaseerde taak. 

In de vervolgnotitie die wij nu 
bespreken wordt een aantal uitgangs-
punten opgesomd. Eén daarvan is 
van wezenlijk belang. Er kan sprake 
zijn van conflicten tussen ouders en 
kinderen. Er moeten dan maatregelen 
worden genomen. Bij de afweging 
daarvan dient het belang van de 
minderjarige voorop te staan. Dit 
uitgangspunt ondersteunen wij 
volledig. Het klinkt mooi, maar in de 
praktijk komt het voor dat de raden 
voor kinderbescherming geen 
onderzoek instellen, ook wanneer 
een vertrouwensarts, een onderwijzer 
of buren op de hoogte zijn van 
ernstige problemen, tot ernstige 
mishandeling van het kind toe. Voor 
een goed functioneren van de raden 
zou hieraan aandacht moeten 
worden besteed. Er zou in dergelijke 
gevallen in ieder geval een onderzoek 

dienen te worden ingesteld, in het 
belang van de minderjarige. 

Het andere uiterste komt ook nogal 
eens voor. Zoals wij hebben gelezen, 
heeft het openbaar ministerie in 
Rotterdam een onderzoek ingesteld 
met betrekking tot de ouders van een 
kind zonder dat de Raad voor de 
Kinderbescherming daarvan zelfs 
maar op de hoogte was. 

Ook daarbij is men voorbijgegaan 
aan het belang van de kinderen, 
terwijl hier wel degelijk sprake was 
van een opzet tot verandering in 
gezagsverhouding. 

Een ander punt is, dat de raden 
moeten verwijzen naar particuliere 
instellingen. Dit veronderstelt echter 
dat er voldoende mogelijkheden zijn. 
Helaas zijn die er lang niet altijd; dit 
wordt ook genoemd bij de knelpunten. 
Het veronderstelt voorts een bepaalde 
werkwijze van de particuliere 
instellingen, die niet altijd wordt 
gevolgd, te weten een actieve of een 
'out reaching' werkwijze. Gezien de 
mentaliteit en de aard van de 
opleiding zit dit er bij de particuliere 
instellingen vaak niet in. 

Het is en blijft echter een feit dat 
wanneer de raden in eerste instantie 
in contact komen met problemen ten 
aanzien van jeugdigen, de ouders 
niet altijd geneigd zullen zijn om zo 
vlug verder te gaan met de hulpverle-
ning. Een zekere actieve benadering 
vanuit de particuliere instellingen zal 
dan toch noodzakelijk zijn. 

Een ander uitgangspunt is dat er 
geen onderzoek zonder medeweten 
van de betrokkenen gestart zal 
worden, behoudens een uitzondering. 
Die uitzondering doet zich voor, als 
er sprake van levensgevaar is of van 
gevaar van psychische beschadiging. 
In die situatie zullen de betrokkenen 
in ieder geval op de hoogte moeten 
worden gesteld. In dit verband dient 
in de wet een recht op contra-exper-
tise te worden verankerd. Het komt 
namelijk vaak voor dat mensen 
zeggen, het er niet mee eens te 
kunnen zijn, en dat zij van mening 
zijn dat niet alles wat zij hebben 
gezegd, is meegenomen. Ik zou 

Bijzondere commissie 
Jeugdwelzijnsbeleid 

Vervolg notitie 

Raad voor de Kinderbescherming 

UVC2 

23 september 1985 2-1 


Haas-Berger 

derhalve de mogelijkheid tot contra-
expertise in de wet verankerd willen 
zien en ik verneem hierop graag de 
reactie van de staatssecretaris. 

Een ander knelpunt - het is niet 
genoemd - is dat de raden de 
betrokkenen, ouders en kinderen, 
goed op de hoogte moeten stellen, 
ook om teleurstellingen te voorkomen. 
Er is hiervoor echter geen uniforme 
regeling. We mogen met elkaar 
aannemen dat alle raden het naar eer 
en geweten doen, maar men kan het 
op allerlei wijzen invullen. Er moeten 
stringente regels zijn, die precies 
aangeven wat wel en wat niet aan 
voorlichting moet bestaan en wat de 
rechten van de betrokkenen zijn. 

Mevrouw de Voorzitter! Een 
uitgangspunt is ook het betrachten 
van terughoudendheid bij het treffen 
van justitiële maatregelen. Dit 
betekent twee dingen. Het betekent, 
dat er voldoende vrijwillige hulp moet 
zijn. Verder betekent het, dat er 
soepelheid betracht dient te worden 
bij de particuliere instellingen inzake 
de ouderbijdrage. Als deze vrijwillige 
hulpverlening niet gestart wordt, 
omdat er gesteggeld wordt over de 
ouderbijdrage, is er maar heel kort de 
mogelijkheid van deze vrijwillige 
hulpverlening en zullen de raden 
automatisch verplicht zijn toch een 
justitiële maatregel uit te lokken. 

Ik denk dat dit het paard achter de 
wagen spannen is. Deze discussie 
hebben wij vorige week gevoerd en 
deze discussie zal nog wel terugko-
men, gezien de voorliggende motie 
van mijn fractiegenoot. Maar hier 
moeten wij naar mijn mening heel 
duidelijk oppassen, dat wij niet door 
maatregelen die elders getroffen 
worden, het justitiële kinderbescher-
mingsbeleid, het jeugdwelzijnsbeleid, 
werkelijk illusoir maken. Dit zou toch 
echt jammer zijn, gezien de fraaie 
uitgangspunten. 

Mevrouw de Voorzitter! De 
staatssecretaris heeft in haar notitie 
gewag gemaakt van een aantal 
knelpunten. Dit is niet meer dan 
reëel, maar ik zou haar een vraag 
willen stellen. Knelpunten zoals 
voldoende vrijwillige hulpverlening, 
kunnen weggewerkt worden, waarbij 
zij haar hoop dan gevestigd heeft op 
de regionale netwerken. Ik citeer: 

' De raden zijn daardoor in toene-
mende mate belangrijke verwijzers 
naar de vrijwillige hulpverleners, 
zoals naar de RIAGG's en de uit de 
justitiële instellingen voortgekomen 
en daaraan veelal nog verbonden 
Adviesbureaus'. 

Er wordt hier dus heel duidelijk een 
beroep gedaan op de RIAGG's, in het 
kader van het samenhangend 
regionaal netwerk. 

Een tweede citaat luidt: 'Sam^nvat-
tend impliceert de realisering van dit 
uitgangspunt een goede samenwer-
king tussen de raden en de instellingen 
voor een vrijwillige jeugdhulpverle-
ning in het samenhangend netwerk 
van de secundaire jeugdhulpverle-
ning'. Ik vind dit een fantastisch 
verhaal, mevrouw de Voorzitter; ik 
ben er kapot van. Maar zou de 
staatssecretaris zo vriendelijk willen 
zijn dit te vertalen naar de huidige 
situatie? In het concept-voorontwerp 
van de wet op de jeugdhulpverlening 
zijn de RIAGG's immers uit het hele 
verhaal geschrapt? Graag krijg ik 
hierover duidelijkheid van de staats-
secretaris. 

Mijn volgende vraag betreft de 
Beginselenwet. Als wij spreken van 
een samenhangend jeugdwelzijnsbe-
leid waar alle instellingen in begrepen 
zijn, waarom is het dan niet mogelijk 
om de huidige Beginselenwet te 
vervangen door een wet waarin de 
algemene voorwaarden die gelden 
voor de speciale jeugdbeschermings-
instellingen die onder Justitie vallen, 
ook gelden voor alle andere instellin-
gen op het gebied van de jeugdwel-
zijnszorg? Wil de staatssecretaris 
hierop reageren? 

Uiteraard zitten er in de werkwijze 
van de raad hulpverleningselementen 
- het verhaal betreffende de intake is 
lichtelijk simplistisch; ik zou willen 
dat de praktijk inderdaad zo eenvoudig 
was - als de intake langer duurt. 
Wanneer de raad echt probeert, 
mensen te verwijzen dan zal hij soms 
langer met de betrokkene bezig 
moeten zijn. Als men wil voorkomen 
dat de mensen in een maatregel 
terecht komen dan bevat de advise-
rende taak die men ten aanzien van 
de rechter heeft, hulpverleningsele-
menten. Wij hebben vanwege de 
fuikwerking gezegd, dat de hulpverle-
ning uit de werkwijze van de raad 
gehaald moet worden. Er moet een 
scheiding komen tussen de rechtstoe-
passing en de hulpverlening. 

Mensen moeten niet de verkeerde 
indruk krijgen en denken dat ze in de 
gedwongen maatregel terecht komen 
terwijl ze voor de vrijwillige hulpver-
lening kwamen. Dat gevaar zit er nog 
steeds in. De staatssecretaris zegt 
dat dit niet zo is, maar dat de 
mensen het zo beleven. Dat is natuur-
lijk onzin. Dan moet de hulpverlener 
goede voorlichting geven en de 
mensen laten beleven wat ze moeten 

beleven. Die voorlichting moet 
optimaal zijn. De fuikwerking is bijna 
niet te voorkomen maar we moeten 
wel proberen het te voorkomen. 

Dat betekent dat er goede uniforme 
voorlichting moet worden gegeven; 
er moet een goede opleiding komen 
voor de hulpverleners zodat ze weten 
hoe ze dit probleem moeten hanteren. 
Er moeten mogelijkheden komen 
voor het bijwonen van bij voorbeeld 
symposia over specifieke onderwer-
pen. 

Mevrouw de Voorzitter! Er zijn 
voorstellen gedaan om meer taken 
uit het pakket van de raden van 
kinderbescherming te halen. De 
staatssecretaris wil dit niet doen 
omdat anders het pakket werkzaanv 
heden van de raden te klein wordt. Ik 
meen dat die benaderingswijze niet 
juist is. Immers, als er reden tot 
kritiek is, mag het takenpakket best 
veranderd worden. Op een goed 
moment zou men zelfs kunnen 
zeggen, dat de raden eruit kunnen. 

U hoort mij dit nu niet zeggen, 
maar als er reden tot kritiek is, moet 
dit mogelijk zijn. Bij Hermans is de 
fuikwerking het argument om de 
advisering elders te leggen. Ik meen 
echter dat wij, terwijl wij proberen de 
fuikwerking te voorkomen, een beleid 
moeten voeren waarbij wij de taken 
van de raden van kinderbescherming 
gericht op advisering van de rechter-
lijke macht ook bij voogdij en bij 
toewijzing na scheiding, bij de raden 
laten. 

Maar dan moeten wij dat wel 
onder een aantal voorwaarden doen 
en het mag geen hulpverlening 
worden. Dat moet zoveel mogelijk 
worden voorkomen, onder erkenning 
dat dit niet altijd is uit te bannen. De 
betrokkenen moeten zo goed 
mogelijk worden voorgelicht over de 
taken van de raad. 

In de tweede plaats is een goed 
beklagrecht nodig. Wij hebben 
daarover recentelijk een brief 
ontvangen, waarover wij zullen 
spreken als het onderzoek is afgerond. 
Eveneens is een goed inzagerecht 
nodig en moet correctierecht 
mogelijk zijn. Wij hebben daarover de 
vorige keer uitgebreid gesproken 
maar het is nog steeds niet goed 
geregeld in de circulaire. 

Het inzagerecht moet ook duidelijk 
zijn voor de jongeren, dat wil zeggen 
dat ook zij de kans moeten krijgen 
om de dossiers in te zien, dat ook zij 
niet pas op de hoogte raken als de 
zaak al ter advisering bij de rechter 
ligt en dat ook hun mening in het 
dossier wordt opgenomen. 

Bijzondere commissie 
Jeugdwelzijnsbeleid 

Vervolg notitie 

Raad voor de Kinderbescherming 

UVC2 

23 september 1985 2-2 




Haas-Berger 

Er moet ook de mogelijkheid van 
contra-expertise zijn, dat wil zeggen 
dat men de mogelijkheid krijgt om bij 
een bevoegd ander bureau een 
onderzoek te laten verrichten als men 
het niet eens is met de opmerkingen 
en het onderzoek van de raad. 

Mevrouw de Voorzitter! Andere 
voorwaarden zijn de anonieme 
registratie - over de bewaartermijnen 
van de dossiers zullen wij later 
spreken - en de versterking van de 
rechtspositie van jongeren. Het laatste 
is mijns inziens heel belangrijk, opdat 
ook jongeren als procespartij kunnen 
optreden. Willen wij deze taken bij de 
raden voor de kinderbescherming 
laten, dan moeten wij al deze voorwaar-
den regelen opdat de raden zo goed 
mogelijk kunnen functioneren, ook 
- en dat is toch het uitgangspunt - in 
het belang van de jongere. Er zullen 
waarborgen moeten zijn en een 
daarvan is, dat het optreden tegenover 
de cliënt altijd sjiek is. Een andere is 
een zorgvuldige besluitvorming in de 
individuele zaken en er moeten 
waarborgen zijn voor de kwaliteit en 
voor de persoonlijke levenssfeer. 

Mevrouw de Voorzitter! De staatsse-
cretaris heeft in haar notitie nog twee 
onderwerpen eraan toegevoegd. Het 
eerste is de vroeghulp aan in verzeke-
ring gestelde minderjarigen. Hierbij 
ligt het accent op de voorlichting en 
anderen zouden moeten worden 
ingeschakeld voor de hulpverlening. 
Maar het woord is helemaal niet goed; 
er is hier geen sprake van hulpverlening 
en het heeft er noch in de opzet noch 
in de praktijk iets mee te maken. In 
het voorstel van de staatssecretaris 
wordt het geheel teruggebracht tot de 
strafzaakenquête. 

Maar wat wordt er nu eigenlijk 
gedaan om echte hulpverlening, waar 
die nodig is, voor in verzekering 
gestelde minderjarigen op gang te 
brengen? In de notitie staat, dat 
werkafspraken zullen worden 
gemaakt. Mogen andere hulpverle-
ners, met wie men al in contact was 
getreden of die op dat moment 
noodzakelijk zijn, eigenlijk wel de in 
verzekering gestelde bezoeken? Het 
gebeurt wel eens dat dit niet mag. 
Naar mijn mening moeten ook die 
anderen toegang hebben tot de 
politiecellen als je inderdaad wil 
spreken van vroeghulp. 

Mevrouw de Voorzitter! Ook hier 
wordt weer verwezen naar een 
samenhangend netwerk en dat is nu 
net wat er niet is: er komt geen 
gemeenschappelijke financiering en 
er komt geen gezamenlijke planning. 

Ik ben bang dat daardoor Justitie 
toch teveel een apart circuit zal 
blijven en dat het idee van de 
vroeghulp - één onderdeeltje van het 
hele verhaal - wordt beperkt tot de 
strafzaakenquête, tot informatie en 
dat de reële hulp totaal niet van de 
grond zal komen. 

Die is nog niet van de grond 
gekomen, maar ik ben bang dat dit 
ook nooit zal gebeuren als wij het 
samenhangend jeugdwelzijnsbeleid 
geen gestalte geven. 

Ik kom aan mijn laatste onderwerp. 
Wij staan heel positief tegenover de 
alternatieve sancties. Dat hebben wij 
al meermalen in dit Huis gezegd. Als 
zodanig zijn wij er dan ook verschrik-
kelijk blij mee dat die uitbreiding er 
zal komen. Er zijn echter met name 
bij jeugdigen wel extra probleempjes. 
Het is moeilijk om plaatsen te vinden. 
Iedereen in dit Huis weet dat het al 
moeilijk genoeg is om stageplaatsen 
te vinden en om voldoende plaatsen 
voor leerovereenkomsten te vinden, 
maar hierbij zitten wij nog met een 
extra moeilijkheid. Gesteld al dat die 
plaatsen gevonden kunnen worden, 
dan zal, wil dit beleid kans van slagen 
hebben, niet alleen van tevoren met 
de minderjarige gesproken moeten 
worden om na te gaan of hij het wil 
of kan en of die alternatieve sanctie 
geëigend is voor zijn situatie; ook 
tijdens en na de procedure zal 
bekeken en geëvalueerd moeten 
worden en wellicht ook in discussies 
nagegaan moeten worden waarom 
deze alternatieve sanctie juist is 
geweest en wat het resultaat daarvan 
is geweest. 

Ik denk dat er hierbij sprake moet 
zijn van een grotere en extra begelei-
ding dan bij alternatieve sancties 
voor volwassenen. Met het uitgangs-
punt zijn wij het volstrekt eens. 
Alleen als een andere straf is 
opgelegd, is er sprake van een 
alternatieve sanctie. Een en ander 
moet door het openbaar ministerie 
afgestemd worden op de jeugdigen. 
De rechter beslist en tevens moet er 
een stuurgroep komen. Ik vraag mij 
echter wel af hoe het verder moet. 

Er wordt gesproken van een 
coördinatiepunt bij de raden die de 
initiërende werkzaamheden moeten 
verrichten. Dat lijkt verschrikkelijk 
logisch. De raad wordt dan bij het 
strafproces betrokken en kan overleg 
voeren met de jeugdigen. Mijn vraag 
is nu wie de begeleiding en hulpver-
lening verzorgt. De zorg daarvoor kan 
en mag niet liggen bij de raden, maar 
waar dan wel? De projectverschaffers, 
de mensen die het werk leveren, zijn 

door de bank genomen geen hulpver-
leningsinstellingen; daarvoor is men 
ook niet opgeleid. 

Hoe wil de staatssecretaris 
realiseren dat de evaluatie, de 
begeleiding en de hulpverlening 
tijdens en na die alternatieve sancties 
gestalte krijgen en dat die zaken 
dienstbaar zullen zijn aan het doel 
dat wij met z'n allen beogen, namelijk 
jongeren zo veel mogelijk behoeden 
voor het verder plegen van strafbare 
feiten? 

Concluderend merk ik nog het 
volgende op. Theoretisch is het eer, 
mooi verhaal: scheiding van rechts 
toepassing en hulp. In de praktijk 
zijn er nog wel wat vermengingen 
Het uitgangspunt dat er zo weinig 
mogelijk maatregelen moeten komen 
en dat er een verwijzingsbeleid moet 
worden bewerkstelligd, wordt 
gefrustreerd door het ontbreken van 
een samenhangend jeugdwelzijnsbe-
leid. 

D 

Mevrouw Evenhuis-van Essen 

(CDA): Mevrouw de Voorzitter! 
Namens de CDA-fractie dank ik de 
staatssecretaris voor de notitie die 
wij mochten ontvangen naar aanlei-
ding van mijn motie, in het geding 
tijdens de UCV van 28 mei 1984 van 
de bijzondere commissie jeugdwel-
zijnsbeleid. Met instemming nam ik 
kennis van de uitgangspunten ten 
aanzien van de plaats van de op de 
wet gebaseerde taak van de raad 
voor de kinderbescherming, te weten 
de scheiding van rechtstoepassing 
en hulpverlening; een op de wet 
gebaseerde rol in gezag en opvoe-
dingssituatie waarin de daadwerkelij-
ke toepassing van rechtsregels ten 
aanzien van minderjarigen aan de 
orde komen en daarbij gelegitimeerd 
en beperkt door op de wet gebaseerde 
taken en bevoegdheden beoordelen 
in hoeverre die rechtstoepassing in 
concrete gevallen inderdaad het 
welzijn van de betrokken minderjarige 
kan bevorderen. Ik herhaal dit deel 
met opzet omdat hierbij precies de 
rechten en beperkingen duidelijk 
gesteld worden. Helaas, ze worden 
niet altijd als zodanig geïnterpreteerd. 

Wij kunnen ons vinden in de 
punten: het verwijzen naar hulpverle-
ning, het nooit zonder medeweten 
van betrokkene onderzoek laten 
instellen, het recht hebben vanaf het 
begin te weten wat het doel van het 
onderzoek is, te weten dat de raad 
geen directe hulpverleningsinstantie 
is en het recht het rapport in te zien. 
De betrokkenen moeten echter ook 
van al deze zaken op de hoogte zijn 

Bijzondere commissie 
Jeugdwelzijnsbeleid 

Vervolg notitie 

Raad voor de Kinderbescherming 

UVC2 

23 september 1985 2-3 




Evenhuis-van Essen 

en vele betrokkenen verkeren soms 
in een onevenwichtige situatie 
waarbij onkunde, angst en onzeker-
heid een rol spelen. 

Het schriftelijk vastleggen van deze 
punten is daarom aan te bevelen. In 
noodgevallen kan nog herhaaldelijk 
mondeling op deze zaken worden 
gewezen. Het komt vaak voor dat de 
minderjarige in de gegeven situatie 
niet in staat is alle zaken die verband 
houden met haar of zijn probleem te 
overzien. 

Het belangrijkste is het voorkomen 
van gerechtelijk ingrijpen en het tijdig 
op gang brengen van de vrijwillige 
hulpverlening. Natuurlijk is soms in 
het belang van de minderjarige het 
bevorderen van een maatregel 
noodzakelijk, terwijl ook het advies 
aan de rechter niet aller instemming 
kan hebben. De belangrijkste taken 
zijn toch de rapportage, de toetsing 
en de controle. 

Met de conclusie dat hulpverlening 
dient te berusten bij gekwalificeerde 
particuliere organisaties kan ik 
instemmen, maar de term 'in 
beginsel' roept in verband hiermee 
toch enige vraagtekens op. Wat 
verstaat de staatssecretaris onder 'in 
beginsel'? In beginsel kan ook ik 
wellicht een leuke hulpverlener zijn, 
maar in werkelijkheid laat ik dat 
graag aan gekwalificeerde krachten 
over. 

Punt 3 van de notitie, handelende 
over de knelpunten en over mogelijke 
oplossingen, gaat in op het zo 
mogelijk voorkomen van gerechtelijk 
ingrijpen en het op gang brengen van 
de hulpverlening. Ik had dit al eerder 
aan de orde gesteld. De conclusie is 
dat een goede samenwerking tussen 
de raden en de instellingen voor 
vrijwillige hulpverlening in een 
samenhangend netwerk van secun-
daire jeugdhulpverlening gerealiseerd 
moet worden. Het overleg met 
andere instellingen in de regio kan 
hiervoor effectief werken. 'Onvol-
doende verwijsmogelijkheden' 
kunnen niet alleen, maar moeten ook 
voorkomen worden. In uiterste nood 
is het weleens mogelijk dat de raad 
zich niet kan onttrekken aan zijn 
verantwoordelijkheden, wanneer 
namelijk voor de betrokkene geen 
directe oplossingen te vinden. 
Uitzonderingen moeten met redenen 
onderbouwd worden en mogen zeker 
geen regel zijn. 

Het is heel begrijpelijk dat een 
relatie van medewerkers of mede-
werksters van de raden met een 
betrokkene zich in die korte tijd 

intensief ontwikkelt en dat betrokkene 
dan ook een beroep doet op zo'n 
medewerker of medewerkster. Ook 
dan dient echter de verantwoordelijk-
heid overgedragen te worden aan 
gekwalificeerde hulpverleners. 

Dit brengt mij meteen op de 
hulpverleningselementen in de 
werkwijze van de raad. Hierin wordt 
duidelijk de zienswijze van de fractie 
van het CDA onderschreven, te 
weten: wel voorlichting en informatie, 
adviseren, verwijzen, bemiddelen, 
pleitbezorgen, vroegtijdige onderken-
ning, signalering, observeren en 
diagnose stellen, maar niet verzorgen, 
verplegen, opvoeden en vormen, 
ondersteunen, behandelen, begelei-
den, evalueren en crisisopvang. Dat 
in het geval van een onderzoek soms 
een uitzondering mogelijk is, die 
noodzakelijk is in het perspectief van 
een maatregel van de kinderbescher-
ming, is naar mijn mening dan in het 
belang van de betrokkene. Dit lijkt 
mij echter, nadat ik het bovenstaande 
heb vastgesteld, niet in tegenspraak 
met mijn eerdere stellingname: 
scheiding tussen rechtstoepassing en 
hulpverlening. 

Met de in de notitie vermelde 
werkwijze heb ik geen enkele moeite. 
Het geeft zowel geïnteresseerden als 
belanghebbenden een goed inzicht. 
Juist het feit dat in de onderzoeksfase 
wordt gesteld wat het doel van het 
onderzoek is en dat de raad geen 
hulpverlenende instantie is, schept 
duidelijkheid voor alle betrokkenen. 
Ook in ernstige gevallen, in het geval 
dat klachten van de betrokkene niet 
door de familie worden toegegeven, 
is het juist, in verband met de ernst 
van de situatie, dat iedereen weet dat 
de kans bestaat op het uiteindelijk 
bevorderen van een maatregel van 
de kinderbescherming. Daarom stem 
ik in met de zienswijze dat in de 
praktijkbegeleiding aandacht wordt 
gegeven aan het specifieke van de 
justitiële taakuitoefening en aan 
gerichte training op het werk bij de 
raad van de maatschappelijk werker 
of werkster. 

De fuikwerking, waarover ik sprak 
tijdens de UCV van 24 mei 1984, 
wordt in deze notitie aangeduid als 
een vermeende fuikwerking. 

Ik kan mij dit vanuit de zienswijze 
van de staatssecretaris wel voorstel-
len. Toch komt het bij betrokkenen 
vaak zo over. Bemoeiing van de raad 
kan leiden tot maatregelen. De raad 
vertegenwoordigt macht en de 
betrokkenen onmacht. Het is daarom 
juist, dat de laatste zin van de notitie 
onder 3.2.4 luidt: 'Dit laat onverlet, 

dat de raden voortdurend attent 
zullen blijven om alle cliënten zo 
duidelijk en begrijpelijk mogelijk voor 
te lichten over de aard van de 
raadsbemoeiing'. Ik denk, dat alle 
partijen, zoals de staatssecretaris, de 
raden, de cliënten en volksverte-
genwoordigers, de vinger, met 
betrekking tot deze ontwikkeling, aan 
de pols moeten houden. 

Wat zijn nog meer duidelijke taken 
van de raden? Ik noem de taak van 
de raad bij vroeghulp bij alternatieven 
sancties voor jeugdigen en vroeghulp 
aan in verzekering gestelde minderja-
rigen. Onze fractie stemt in met deze 
taken van de raad, omdat de raad als 
justitiële overheidsinstantie in 
strafzaken een voorlichtende taak 
heeft voor het OM en de rechterlijke 
macht en ook een taak bij voorlichting 
en eventueel praktische hulpverlening 
in verband met de korte duur, 
namelijk maximaal vier dagen, van de 
inverzekeringstelling van een 
minderjarige. In sommige individuele 
gevallen kan hierbij aan huisarrest 
gedacht worden. 

De conclusie van de staatssecreta-
ris naar aanleiding van de resultaten 
van een evaluatie is, dat de efficiëntie 
verbeterd kan worden. Wij hebben 
geen bezwaar tegen deze taak, 
integendeel. Vroeghulp staat altijd in 
relatie tot in verzekering gestelde 
minderjarigen. Zijn er echter voldoen-
de mogelijkheden en wordt bevor-
derd, dat wanneer hulpverlening al 
gegeven wordt, deze betrokken 
wordt door de raad? 

Moeite heeft de CDA-fractie met de 
soms onvermijdelijke oplossing om 
een minderjarige in een politiebureau 
te detineren in afwachting van een 
wel wettelijk aangewezen plaats van 
detentie. Ook voor de slachtoffers in 
de naaste omgeving geeft dit grote 
spanningen. Voor de jeugdige 
verdachte is het vaak ongebrijpelijk 
wanneer deze na een ernstig delict 
wegens plaatsgebrek naar huis wordt 
gestuurd. Goed overleg tussen rechter 
en de raden en goede informatie zijn 
hierbij noodzakelijk. 

Het mag niet zo zijn dat goede 
informatie afhangt van de inzet van 
bepaalde maatschappelijke werkers 
of werksters, maar het behoort door 
de raden goed uitgevoerd te worden. 
Vroeghulp is onmisbaar en een 
wezenlijke taak van de raad. Dat in 
het kader van de strafzakenenquête, 
toegelicht op blz. 14, scholing en/of 
bijscholing nodig is, lijkt mij in de 
rede liggen. Graag ondersteunen wij 
de staatssecretaris bij haar streven, 
op korte termijn invoering bij alle 
raden van deze vorm te bevorderen. 

Bijzondere commissie 
Jeugdwelzijnsbeleid 

Vervolg notitie 

Raad voor de Kinderbescherming 

UVC2 

23 september 1985 2-4 




Evenhuis-van Essen 

Zoals bekend verondersteld mag 
worden, staat de CDA-fractie positief 
tegenover alternatieven sancties, 
uitbreiding van mogelijkheden, 
voortvarende beslissingen en 
instemming met het onderbrengen 
van alternatieve sancties voor 
jeugdigen bij de raad. De voorwaarde 
bij een en ander is wel, dat de 
conclusie van de staatssecretaris 
gevolgd wordt, dat in het desbetref-
fende arrondissement een stuurgroep 
bestaande uit vertegenwoordigers 
van de bij de alternatieve sancties 
betrokken instanties goed functio-
neert en de begeleiding door 
anderen geschiedt. Wel vragen wij 
ons af, aan welke voorwaarden met 
betrekking tot regelgeving en op 
organisatorisch gebied moet worden 
voldaan. 

De staatssecretaris wil uitbreiding 
in 1985 naar andere arrondissemen-
ten. Daarin steunen wij haar graag. 
Ook zouden wij graag nadere 
informatie krijgen over de realisatie 
van het evaluatierapport van de 
werkgroep-Slagter. Evaluatie zou 
namelijk na twee jaar plaatsvinden, 
dus in maart 1985. Wanneer wordt 
het definitieve advies verwacht? Ik 
heb gelezen dat het binnenkort is te 
verwachten. Graag zouden wij het 
aan de Kamer toegezonden krijgen. 

Het tussentijdse advies van de 
werkgroep-Slagter kunnen wij zeker 
onderschrijven wat de wijze van 
functioneren van de stuurgroep en 
de noodzakelijke aanwezigheid van 
een coördinator per arrondissement 
betreft. De conclusie delen wij, zeker 
wat de taak van de raad als coördina-
tor betreft. Ik herhaal weer dat de 
hulpverlening dient te geschieden 
door anderen, dus advocaten of 
vrijwilligers, omdat anders de 
fuikgedachte weer om de hoek komt 
kijken. Ik vraag mij ook af, of de 
reclassering onder de particuliere 
instellingen is geplaatst. 

Overigens zou het interessant zijn, 
te vernemen in hoeverre landelijke, 
provinciale en gemeentelijke overhe-
den meewerken aan deze vorm van 
dienstverlening. 

De coördinatiecommissie weten-
schappelijk onderzoek kinderbescher-
ming stuurde ons informatie over 
allochtone jongeren. Wordt deze 
informatie voldoende gebruikt bij de 
raad? 

Mevrouw de Voorzitter! Wanneer 
kan de kamer de voorstellen over de 
mogelijke wijziging van de huidige 
beklagregeling verwachten? Ook de 
raad is feilbaar. Tijdens de UCV is 
hierover uitgebreid gesproken. 

Bijzondere commissie 
Jeugdwelzijnsbeleid 

Het laatste punt dat ik aan de orde 
wil stellen betreft de procedure met 
betrekking tot het weglopen van 
minderjarigen. In het jaarverslag I984 
van de raad voor de kinderbescher-
ming in Breda staat op blz. 18, dat de 
raad zich noch alleen op grond van 
de ontvangen melding ex artikel 280 
inhoudelijk met de zaak gaat bemoei-
en, noch uit eigen beweging de 
verblijfplaats van de minderjarige aan 
de politie doorgeeft. Bovendien blijkt, 
dat de hulpverleners veelal geen 
verblijfplaats willen noemen, zodat in 
die gevallen de waarde van de 
melding als strafuitsluitingsgrond 
ernstig moet worden betwijfeld. 
Hoewel de raad registreert, en naar 
ik mag verwachten de hulpverlener 
zal stimuleren contact met de ouders 
of de opvoeders op te nemen om te 
zamen naar oplossingen te zoeken, 
blijven bij deze gang van zaken 
vraagtekens staan. 

Namens de fractie van het CDA 
heb ik tijdens de behandeling van het 
toenmalige initiatiefwetsontwerp 
Roethof/Haas-Berger al mijn beden-
kingen geuit over deze vrijblijvende 
gang van zaken. Wil de staatssecre-
taris een circulaire laten uitgaan 
waarin nog eens wordt gewezen op 
de noodzaak van verantwoordelijkheid 
van de raad? Ik denk in dit verband 
aan tijdelijke problemen tussen 
ouders en kinderen, die opgelost 
kunnen worden en aan kindermishan-
deling en incest, problemen, die 
deskundige hulp behoeven. Het 
alleen registreren dat er weggelopen 
wordt, waarbij de hulpverlener 
weigert de verblijfplaats te melden 
en geen informatie geeft overt hoe en 
waarom, brengt deze problemen niet 
tot een oplossing. 

Wanneer geen deskundige 
hulpverlening wordt gegeven - ook ik 
zou hulp kunnen verlenen, maar ik wil 
mij geenszins deskundig verklaren -
wordt de duidelijke vrijblijvendheid in 
het geheel onderstreept. Hoe 
functioneert de hulpverlening aan de 
allochtone jongeren, bij wie ook nog 
culturele en godsdienstige achter-
gronden een rol spelen? Is er 
voldoende hulp met kennis van deze 
achtergronden aanwezig? 

Er is besloten over de brief dd. 1 9 
september 1985 van het ministerie 
van Justitie met als onderwerp 
bewaartermijnen dossiers raden van 
de Kinderbescherming te zijner tijd 
een mondeling overleg te houden 
met de vaste commissie voor 
Justitie. 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): Wat 
had mevrouw Evenhuis in gedachten, 

Vervolg notitie 

Raad voor de Kinderbescherming 

toen zij sprak over extra verantwoor-
delijkheid voor de raad voor de 
kinderbescherming, als het gaat om 
artikel 280? Als de hulpverlener het 
niet meldt, dan voldoet deze niet aan 
de strafuitsluitingsgrond. Er zal dan 
een proces volgen. In de afgelopen 
tijd hebben wij dit kun nen meemaken. 

Mevrouw Evenhuis- van Essen 

(CDA): In het verslag van de raad 
voor de kinderbescherming staat, dat 
de raad noch het een, noch het ander 
doet. Wanneer dit in een jaarverslag 
staat, is het naar mijn mening een 
verantwoordelijkheid van de staatsse-
cretaris erop te wijzen, dat de 
hulpverleners op morele gronden 
verplicht zijn de verblijfplaats te 
melden. Anders is er geen uitsluitings-
grond voor strafbaarstelling. 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): De 
hulpverlener is daartoe niet verplicht. 
Het is zijn eigen verantwoordelijkheid. 

Mevrouw Evenhuis-van Essen 

(CDA): In het jaarverslag wordt 
duidelijk gesteld, dat de raad niets 
doet. De hulpverlener moet op de 
gevolgen worden gewezen. 

Ik heb overigens nog niet vernomen 
dat er ontstellend veel processen zijn 
uitgelokt naar aanleiding van het feit 
dat hulpverleners verblijfplaatsen van 
jeugdigen verzwijgen. Vaak is hierbij 
de politie betrokken. Ik zal hierover 
graag nog eens met mevrouw 
Haas-Berger in een onderling gesprek 
van gedachten wisselen maar nu wil ik 
mij beperken tot de taak die naar mijn 
oordeel door de raad van de kinderbe 
scherming wellicht nog in onvoldoende 
mate wordt aangevat. 

D 

Mevrouw Lucassen-Stauttener 

(VVD). Mevrouw de Voorzitter! Ik 
meen dat ik mevrouw Haas en 
mevrouw Evenhuis begrijp, maar ik 
moet toch even ingaan op de 
opmerking van de laatste dat er door 
de rechter nog niet veel uitspraken 
zouden zijn gedaan in de gevallen, 
waarop zij doelde. Ik denk niet dat 
het juist is, te veronderstellen dat er 
nog niet veel zaken zijn gewonnen. In 
de afgelopen weken heb ik standaard-
bezwaarschriften op mijn bureau 
gekregen - en als ik die krijg, krijgt 
mevrouw Evenhuis ze ook - inzake 
rechtszaken op grond van het feit dat 
de raden niet melden dat het 
desbetreffende kind goed terecht is 
gekomen. 

Ik heb begrepen dat al vijf van die 
zaken zijn gewonnen. Ik kan mij wel 
voorstellen dat mevrouw Evenhuis de 
staatssecretaris zegt dat hieraan iets 
gedaan moet worden omdat het veel 

UVC2 

23 september 1985 2-5 




Lucassen-Stauttener 

geld kost wanneer dergelijke zaken 
voor de rechter komen. Anderzijds is 
er sprake van een taak voor de raden 
om de ouders ervan op de hoogte te 
stellen dat het kind terecht is. 

De fractie van de VVD heeft met 
belangstelling kennis genomen van 
de vervolgnotitie inzake de raad voor 
de kinderbescherming. Voordat wij 
hier nader op ingaan zouden wij het 
op prijsstellen indien de staatssecre~ 
taris in haar antwoorden aangeeft 
welke door de Kamer aangenomen 
moties, die zijn ingediend tijdens de 
UCV op 28 mei 1984, door de 
regering zijn uitgevoerd en op welke 
wijze dit is gebeurd. 

In de motie waarop deze notitie is 
gebaseerd, wordt nadrukkelijk 
gesteld dat de raden zich primair op 
rapportage, toetsing en controle 
dienen te richten. Het is niet toevallig 
dat rapportage als eerste wordt 
genoemd. Hulpverlening dient in 
beginsel bij particuliere organisaties 
te berusten. Mijn fractie leest hierin 
dat de hulpverlening wordt losge-
weekt van de raden. 

In de eerste conclusie op pagina 
vier sluit de staatssecretaris zich kort 
en krachtig aan bij de boodschap van 
de motie. Tot zover zou de fractie 
van de VVD gerustgesteld kunnen 
zijn en zouden wij de lange discussie 
in de UCV op 28 mei 1984 kunnen 
vergeten. Bij het verder lezen van de 
notitie houden wij toch het gevoel 
dat wij sinds de laatste UCV niet veel 
verder zijn gekomen immers, de 
staatssecretaris meent haar conclusie 
te kunnen baseren op de uitgangs-
punten van de vorige notitie, terwijl 
die juist het onderwerp van de 
discussie waren. Zij meent haar 
conclusie te kunnen staven met de 
uitvoerige weergave van het verloop 
van allerlei procedures in de praktijk, 
de knelpunten die zich daarbij 
voordoen en de oplossingen daarvoor. 
De intake-procedure geeft bij 
voorbeeld al aan dat hetgeen in 
praktijk gebeurt niet alleen met 
rapportage c.q. rechtstoepassing van 
doen heeft. Bij deze procedure 
komen ook elementen naar voren 
waarbij men zich in de zaak zelf 
begeeft of mengt. Juist dit laatste 
wordt zeker door de direct betrokke-
nen begrepen als soms wel en soms 
niet gewenste hulpverlening. 

De opmerking op bladzijde zes 
geeft bovendien glashelder aan dat 
de notitie niet heeft bereikt waar de 
Kamer op heeft willen aansturen: 

'Van verschillende zijden is erop 
aangedrongen dat de raad zich in de 
uitvoering van zijn taken zou beperken 
tot uitsluitend rechtstoepassing. 
Juist vanwege het feit dat de raad 
voor een legitieme en verantwoorde 
bemoeiing functies zoals diagnose 
stellen, verwijzen of informatie 
verstrekken nodig heeft, is een 
beperking van de bemoeiing tot 
uitsluitend rechtstoepassing onge-
wenst. De kwaliteit van de bemoeiing 
van de raad zou naar mijn mening 
onaanvaardbaar aangetast worden.' 

Bij ons blijft de indruk hangen dat 
in de notitie niet de argumenten en 
voorstellen worden meegewogen die 
in talloze publikaties naar voren zijn 
gebracht. Ik noem het als voorbeeld 
het artikel van mr. H. E. G. M. 
Hermans in het tijdschrift SJOW. Hij 
noemt hierin de contra-expertise in 
geval de ouders het eens zijn met de 
beslissing van de raad. 

Wij willen op een aantal punten 
specifiek ingaan. Ik noem allereerst 
de onvoldoende verwijsmogelijkhe-
den. 

Het knelpunt van die verwijsmoge-
lijkheden wordt uitvoerig omschreven, 
maar wij zouden het dan ook 
gewaardeerd hebben als uitvoerig 
werd aangegeven hoe dat knelpunt 
wordt opgelost. Wij verzoeken de 
staatssecretaris, dat alsnog te doen. 
Er zullen weliswaar structurele 
oplossingen in de regio bevorderd 
worden, maar daarvan zouden wij 
graag iets meer weten. Terzijde de 
vraag of het alleen aan de raad is 
voorbehouden, een oordeel te 
hebben over het gebrek aan mogelijk-
heden in de regio. 

In het blad 'Jeugdbescherming en 
onderzoek' van de coördinatiecom-
missie wetenschappelijk onderzoek 
kinderbescherming (de CWOK) 
hebben wij gelezen - maar wij 
hadden het al eerder gehoord - dat de 
stichting Opperdam, een RIAGG, een 
hulpverleningsinstelling is bestaande 
uit vier afdelingen: het jeugdbescher-
mingsbureau (voorheen Pro Juventute), 
het jongerenadviesbureau (voorheen 
Pro Juventute), de afdeling ouders en 
kinderen (voorheen het MOB) en de 
afdeling volwassenen (voorheen 
bureau voor levens- en gezinsvragen). 
Dit is eigenlijk de enige in Nederland 
met deze combinatie. 

Wij hadden de RIAGG wel uitgeno-
digd, maar door allerlei drukte is de 
commissie er toch niet helemaal 
achtergekomen hoe men daar werkt. 
Kan de staatssecretaris er misschien 
iets van vertellen? Heeft men op dat 
punt een voorbeeldfunctie? Is dat 

misschien een wat verstandiger 
oplossing? Ik ben er benieuwd naar 
of de staatssecretaris weet hoe men 
daar in die combinatie hulpverlening 
en rechtshulp werkt. 

Wat de hulpverleningselementen 
betreft, heb ik de staatssecretaris al 
geciteerd. Ik wil daar op terugkomen, 
omdat de notitie in onze ogen eerder 
een poging doet om de hulpverlening 
naar de raden toe te trekken dan 
tracht oplossingen te vinden om de 
hulpverlening ver weg te houden. 
Van de zes functies in de jeugdhulp-
verlening worden vier functies aan de 
raden toegekend. Bemiddelen, 
diagnose stellen, crisisopvang en 
behandelen worden tot de kwaliteits-
produkten van de raad gerekend. 
Hiermee constateren wij toch niet 
echt nieuw beleid of die duidelijke 
scheiding tussen recht en hulp. Wat 
functie 6 betreft, merken wij nog op 
dat uitzonderlijke onderzoekssituaties 
natuurlijk geen zeldzaamheid 
behoeven te zijn. 

Ik kom op het resultaat van de 
'intake'. Wat betreft de percentages 
die daarin worden genoemd, missen 
wij een toelichting op het restant van 
15%. Zou de staatssecretaris die 
alsnog willen geven? 

Aansluitend op die percentages 
willen wij vragen welke vormen van 
verslaglegging er zijn, waaruit de 
dossiers bestaan en wat daarmee 
verder gebeurt. Hoe zit het met die 
dossiers in 65% van de gevallen die 
in de formulering van de notitie niet 
door de raden worden behandeld, 
maar waarmee de raden zich naar 
onze mening toch intensief bezighou-
den? In dit verband willen wij de 
staatssecretaris ook uitdrukkelijk 
vragen welke maatregelen de 
regering heeft getroffen naar aanlei-
ding van de uitspraak van 13 juli 
1984 van de afdeling rechtspraak 
van de Raad van State inzake de 
vraag in hoeverre de Wet openbaar-
heid van bestuur op de raden van 
toepassing is. Hoeveel rapporten zijn 
nu in afschrift afgegeven op grond 
van die Wet openbaarheid van 
bestuur? 

Het betoog over de fuikwerking 
heeft mijn fractie niet kunnen 
overtuigen. Dat fuikwerking er alleen 
zou zijn in de beleving van de cliënt 
doet de zaak wel wat al te goedkoop 
af. Eigenlijk zou fuikwerking in 
theorie niet voor mogen komen en 
daarom blijft er in onze visie een 
belangrijke voorlichtingstaak bij de 
raden liggen. In de CWOK van 
augustus 1985, nr. 1 7 - dezelfde als 
die ik zoeven noemde - staat een 

Bijzondere commissie 
Jeugdwelzijnsbeleid 

Vervolg notitie 

Raad voor de Kinderbescherming 

UVC2 

23 september 1985 2-6 




Lucassen-Stauttener 

onderzoek naar de inhoud van de 
rapporten van de raad van de 
kinderbescherming met als titel: 
Rapportage een doolhof. Op grond 
van resultaten is vastgesteld dat 
rapporten op een aantal punten 
mankementen vertonen. 

Zo bleken de conclusie en het 
advies slecht te zijn, adviezen bleken 
vaak niet aan te sluiten op de 
conclusie. Een duidelijke formulering 
van het doel van het onderzoek 
ontbrak in alle rapporten. Ook 
ontbrak vaak de motivatie voor de 
uitspraken van de rapporteur. In alle 
rapporten kwamen uitspraken over 
de cliënt voor die overbodig en/of 
suggestief waren, zoals: de vader 
maakt een gesloten en eenzame 
indruk. 

Zou de staatssecretaris zo vriende-
lijk willen zijn, dit onderzoek eens te 
bekijken? Wat zijn de mogelijkheden 
voor de cliënt om zijn invloed te 
vergroten op het oplossen van zijn 
problematiek? Wij vragen dit mede in 
het licht van de beleving door 
diezelfde cliënt. 

Wij lezen dat de evaluatie van de 
vroeghulp onder meer oplevert dat 
de raden er niet in slagen, een 
bruikbare verslaglegging te produce-
ren. De EHBO-functie van de 
vroeghulp komt in de onderhavige 
notitie niet indrukwekkend over. Wij 
vragen ons af, of het strafrechtenquê-
tesysteem wel de figuur is om de 
EHBO-functie op te pakken. Wij 
denken dat het eerlijker is om vast te 
stellen dat het enquêteformulier 
vroeghulp voor de officier van Justitie 
is en niet voor de minderjarige cliënt. 
Wij hebben die vragenlijst opgevraagd 
en onder het kopje 'delict' staat 
onder andere: aantal mededaders, 
plaats, delict en frequentie daden tot 
aan ontdekking. Wij vragen ons af of 
dit niet meer een zaak voor de politie 
is. 

Welke opleiding moet de enquêteur 
hebben? Wij stellen deze vraag in 
verband met het kopje 'gezinsrelaties' 
op het formulier, immers, de enquê-
teur geeft advies en mede op grond 
daarvan wordt er een beslissing 
genomen. Hoe verhoudt het vragen-
formulier zich overigens tot een echt 
onderzoek door de raad? Is het te 
verwachten dat bij voorbeeld de 
vragen onder het kopje 'delict' door 
de betrokkene niet naar waarheid 
worden beantwoord, zodat die 
informatie via anderen moet worden 
verkregen? 

Wij vrezen dat met de vroeghulp, 
zoals die thans is beschreven, de 

raden weer een Janus-kop krijgen. Ik 
doel op de combinatie van hulp en 
recht. In dat opzicht kan de vroeghulp 
beter door andere worden verleend, 
zoals de advocatuur of de reclasse-
ring. Dit geldt zeker met het oog op 
de uitgangspunten die van toepassing 
zijn op het enquêteformulier. Daar 
staat namelijk: doel van het gebruik 
maken van een vragenlijst luidt kort 
en samengevat, enerzijds is het een 
voorlichtingsinstrument in de 
strafprocedure tegen in beginsel alle 
minderjarigen die worden verdacht 
van het plegen van een misdrijf en 
anderzijds is het een selectie-instru-
ment voor de raad om te beoordelen 
of hulp door anderen dan de raad 
dan wel nader onderzoek door de 
raad noodzakelijk is. 

De alternatieve sancties vormen 
ook een onderwerp waarover ik het 
wil hebben. De taken van de coördi-
nator, zoals die in de notitie zijn 
samengevat, zijn veelomvattend en 
zwaar. Daarbij gaat het niet alleen 
om coördinatie, maar ook om 
toezicht op de uitvoering van 
alternatieve sancties. Zonder verdere 
toelichting en gegevens wordt 
hiermee op de raden een zware 
wissel getrokken. 

De staatssecretaris wil vooralsnog 
al die taken bij de raden onderbren-
gen. Wij vragen de staatssecretaris, 
wat haar motieven zijn om het 
voorbehoud 'vooralsnog' te maken. 
Zij heeft namelijk eerder gezegd, dat 
de overwegingen van de commissie-
Slagter onderschreven worden. Wat 
zijn de alternatieven en wanneer 
wordt er een definitieve beslissing 
genomen? Kan de staatssecretaris 
thans reeds aangeven in welke 
richting er gedacht wordt? 

De regeling voor het klachtrecht 
van de rijksinrichtingen is april 1984 
in werking getreden. Op welke 
termijn treedt de regeling voor het 
particulier initiatief in werking? 

D 

De heer Mik (D'66): Mevrouw de 
Voorzitter! In de UCV van 28 mei 
1 984 over de raad voor de kinderbe-
scherming stelde mijn fractie zich 
nadrukkelijk achter het principe van 
volledige scheiding tussen hulp en 
recht. Daarnaast werd gesteld dat 
men dit wel kan zeggen, maar dat de 
praktijk harder is dan de leer en dat 
grensoverschrijdingen vaak niet zijn 
te vermijden. In deze vervolgnotitie 
komt de staatssecretaris tot de 
formulering van een aantal uitgangs-
punten in deze materie die wij gaarne 
tot de onze maken. 

De accentuering van het bevorderen 
van contacten met de particuliere 
hulpverlening, de helderheid over de 
voorlichting van de cliënt en de 
formulering dat zonder medeweten 
van betrokkene geen onderzoek 
wordt ingesteld hebben onze 
instemming. Met genoegen consta-
teert de fractie van D'66 dat de 
centrale doelstelling is 'de beoorde-
ling in hoeverre de rechtstoepassing 
in het concrete geval inderdaad het 
welzijn van de betrokken minderjarige 
kan bevorderen'. 

Met de staatssecretaris zijn wij van 
mening dat het de raad gemakkelijker 
zal vallen, de wezenlijke taken te 
vervullen naarmate de hulpverlening 
in de betrokken regio beter is 
geëquipeerd. In onze ogen wordt 
terecht gesteld dat deze hulpverlening 
niet passief, receptief vanuit de 
'spreekkamer' mag blijven functione-
ren, maar dat daarbij ook datgene 
moet worden gedaan waarvan bij 
ervaren medewerkers van de raad 
vaak sprake was of is. Ik doel op een 
niet vrijblijvend actief en 'outreaching' 
hulpaanbod. 

Helaas is dit niet overal voorhanden 
en dient een dergelijke attitude zeker 
bij pre-delinquenten in dissociale 
structuren te worden uitgebouwd. 

In de notitie wordt gesteld: 'De 
raden kunnen niet alleen beoordelen 
of er lacunes in het voorzieningenpak-
ket zijn, maar ook door middel van 
overleg en samenwerking met andere 
instellingen in een regio signalerend 
en stimulerend optreden.' Dit lijkt 
ons een goede zaak. Waarom wordt 
hier echter niet expressis verbis 
gesteld dat, indien men ontdekt dat 
in een bepaalde regio jeugdonwelzijn 
door maatschappelijke factoren 
wordt bevorderd, dit ook dient te 
worden gesignaleerd. 

Verder wordt gesteld dat bij acties 
van de raad voor de kinderbescher-
ming hulp niet altijd is te vermijden. 
Daarmee ben ik het van harte eens. 
De omvang en de duur ervan dienen 
echter te worden beperkt. De organi-
satie van de raden en de werkwijze 
dienen dit in de hand te werken. 
Uitsluitend rechtstoepassing kan 
niet, ook niet volgens de uitgangs-
punten dat het welzijn van het 
betrokken individu centraal staat. 

De staatssecretaris signaleert dit 
ook. Zij stelt dat die niet te vermijden 
hulp het karakter van een noodver-
band moet dragen. Wie houdt echter 
dat noodverband in de gaten? Wie 
kijkt of de wond niet gaat stinken en 
etteren, ondanks alle zachte heel-
meesters? Wie controleert de teams 
in dezen? 

Bijzondere commissie 
Jeugdwelzijnsbeleid 

Vervolg notitie 

Raad voor de Kinderbescherming 

UVC2 

23 september 1985 2-7 




Mik 

Wij vinden de gegeven voorbeelden 
verhelderend en representatief. Van 
alle aangemelde gevallen houdt de 
raad zich maar met 35% bezig. Van 
deze 35% wordt de helft door de raad 
zelf opgelost, hoe dan ook. Dit leidt 
ongetwijfeld tot een dubbelrol. Dit 
illustreert het tweede voorbeeld heel 
duidelijk Op zich wordt een goede 
methode gehanteerd, namelijk een 
systeembenadering waarbij het 
gehele gezin wordt betrokken. 

Dit loopt echter toch uit op een 
advisering van de rechtbank door de 
betrokken maatschappelijk werker, 
inclusief een eventuele positieve of 
negatieve beeldvorming ten aanzien 
van de betrokkenen op een bepaald 
arbitrair moment in het systeemge 
sprek, namelijk op het moment dat 
het systeemgesprek wordt afgebro 
ken. Dit gesprek verloopt procesma-
tig, met wisselende positiebepalingen. 
Het moment van de afsluiting bepaalt 
mede de uitgangsstelling voor de 
advisering. 

Waar is dan de objectiviteit? Mijns 
inziens illustreert dit geval zeer goed 
de voetangels en de klemmen. Het 
pleit voor een voortdurende bezinning 
op de noodzaak om hulp en recht 
zoveel mogelijk te scheiden. 

Aangezien het gegeven voorbeeld 
enerzijds een zeer toe te juichen 
benadering van problemen bij 
echtscheidingen presenteert, maar 
anderzijds een objectieve advisering 
kan belemmeren, zou ik toch deze 
taken van de raad willen afsplitsen 
c.q. willen delegeren, bij voorbeeld 
aan het particulier initiatief. Als de 
Raad zich zou beperken, in relatie tot 
de vroeghulp, tot de strafzakenenquê 
te en als onafhankelijk klachtenbureau 
zou kunnen functioneren, komen 
deze zaken duidelijker te liggen. 

Dit brengt mij tot de brief over mijn 
door de Kamer gesteunde motie over 
de klachtenregeling. Ik betreur het 
zeer dat de uitkomst van de gesprek 
ken met de raden en de klachtencom 
missies geen duidelijkheid heeft 
gegeven. Ik moet zeggen dat ik dat 
ook bepaald niet verwacht als het in 
wezen over hun functioneren gaat. 
Op welke termijn zal de ingestelde 
werkgroep adviseren? Wie zitten 
erin? Kan iets meer gezegd worden 
over de modellen waarmee gewerkt 
wordt? Overigens heb ik in de motie 
niet gevraagd om een meer onafhan-
kelijke regeling, maar om een 
onafhankelijke regeling. Inmiddels 
gaat de procedure door zoals zij was, 
behoudens dat de klachten minder 
snel niet ontvankelijk worden 

verklaard. Of zijn er nog meer zaken 
veranderd? Kan de staatssecretaris 
dit verduidelijken? 

Ik moet zeggen dat deze brief over 
de uitwerking van mijn motie mij veel 
onbehagen heeft bereid. Dit kan ook 
gezegd worden over de opmerking 
over de vroeghulp en de partiële 
weergave over de evaluatiegegevens 
dienaangaande. Wat Argus ons 
hierover mededeelt, geeft zeer te 
denken. De vroeghulp zou vaak 
betekenen het brengen van een 
eenmalig bezoek aan de gedetineerde 
na twee of drie dagen, met een duur 
van 20 minuten. Is het dan nog 
verbazingwekkend dat de vroeghulp 
verslagen als te vaag en te summier 
worden omschreven? Als men dan 
ook nog durft te concluderen dat 
ernstige problemen zelden worden 
aangegeven en dat vragen om 
kleding op de voorgrond staan, dan 
vraag ik mij af waarmee wij bezig 
zijn. 

Mijn eerste vraag luidt of deze 
gegevens van Argus kloppen. Zo ja, 
hoe durft u dan zulke verregaande 
conclusies te trekken? De ervaringen 
van Argus, RBS 38 en talloze 
hulpverleners, inclusief ondergete 
kende, zijn totaal anders. Het gaat 
om een grote maatschappelijke en 
individuele problematiek bij vrijwel alle 
jeugdigen die recidiverend met de 
politie in contact komen. 

Ik zou zeggen: realiseer met spoed 
over het gehele land vroeghulpprojec-
ten a la RBS 38. Dan kan de raad 
zich bezighouden met voorlichting, 
strafzakenenquête, coördinatie van 
alternatieve straffen, signalering van 
witte plekken, de hulpverlening en 
maatschappelijke factoren die 
jeugdonwelzijn bevorderen. 

Dan wordt de scheiding tussen 
hulp en rechtshulp zoveel mogelijk 
bevorderd en kunnen de raad en de 
hulpverleningsnetwerken vrijer 
participeren, op basis van een goede 
jeugdhulpverleningswet? Ik hoop nog 
steeds dat de laatste wet er komt. 

Ten slotte pleit ik ook nu weer voor 
de mogelijkheid om bij rapportage en 
advisering zoveel mogelijk gedrags-
deskundigen in te schakelen. Vooral 
moet aan betrokkene de mogelijkheid 
van contra-expertise worden gebo-
den. Indien men hiertoe financieel 
niet in staat is, moet deze worden 
vergoed. Wat is de mening van de 
staatssecretaris hierover? 

Hierbij overhandig ik u, mevrouw 
de Voorzitter, een motie over de 
vroeghulp. 

Motie 

De Voorzitter: Door het lid Mik 
wordt de volgende motie voorgesteld: 

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging; 

overwegende, dat de vroeghulp aan 
in verzekering gestelde minderjarigen 
door de raden voor de kinderbescher-
ming blijkens de evaluatie niet 
bijzonder succesvol is geweest; 

constaterende, dat de regering 
voornemens is de raden voor de 
kinderbescherming de vroeghulp te 
laten verrichten in het kader van een 
strafzakenenquête, wat een beperking 
van de hulp impliceert; 

van mening, dat een meer uitgebreide 
vroeghulpverlening niet in het 
takenpakket van de raden voor de 
kinderbescherming past; 

verzoekt de regering, te onderzoeken 
of vroeghulp, zoals RBS 38 Groningen 
die verleent, of hulpverlening van 
overeenkomstige aard in het gehele 
land is te realiseren en de Kamer 
hierover zo spoedig mogelijk te 
informeren, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

Deze motie krijgt nr. 23 (18 122). 

D 

De heer Willems (PSP): Voorzitter! 
Bij de behandeling van de notitie 
over taken en functies van de raad 
voor de kinderbescherming op 28 ' 
mei 1984 heeft mijn fractiegenote 
Andrée van Es al verwoord hoe 
beperkt wij de invalshoek vonden die 
door de staatssecretaris werd 
gekozen, ook in de kwestie van de 
scheiding van hulp en recht in de 
jeugdhulpverlening. Andreé van Es 
stelde toen - en dat doe ik nu ook -
dat een goede regeling alleen tot 
stand kan komen als er een wezenlijke 
verbetering van de rechtspositie van 
de minderjarige plaatsvindt. 

Wij onderschrijven in het geheel 
niet de luchthartigheid waarmee de 
staatssecretaris de nu bestaande 
knelpunten afdoet en bagatelliseert. 
Mevrouw Haas-Berger plaatste daar 
zojuist een aantal zeer relevante 
kanttekeningen bij, die ik onderschrijf. 

De belangrijkste inconsistentie in 
de vervolgnotitie is het bij de raden 
onderbrengen van de vroeghulp. De 
staatssecretaris omschrijft deze 
hulpverlening bij de inverzekeringstel-
ling als een soort EHBO, maar juist 
die eerste hulpcontacten kunnen van 

Bijzondere commissie 
Jeugdwelzijnsbeleid 

Vervolg notitie 

Raad voor de Kinderbescherming 

UVC2 

23 september 1985 2-8 




Willems 

beslissende betekenis zijn voor het 
verdere verloop van het hulpverle-
ningsproces. Het ontgaat mij waarom 
er praktische bezwaren zijn tegen het 
leggen van deze taak bij de particuliere 
hulpverleningsinstellingen. 

De raad voor de kinderbescherming 
kan zich wat dit betreft beter beperken 
tot een coördinerende taak, zoals ook 
bij de andere onderdelen gebeurt, en 
onmiddellijk na de kennisname van 
een inverzekeringstelling een 
hulpverlener inschakelen. Daar hoeft 
geen dag en zelfs geen uur mee 
verloren te gaan. Bij meerderjarigen 
zijn die bezwaren trouwens ook nooit 
een argument of een belemmering 
geweest om de zogenaamde vroeg-
hulp door de particuliere reclassering 
te laten gebeuren en niet door de 
reclasseringsraad. Het is volledig in 
strijd met de gewenste scheiding van 
hulp en recht om de vroeghulp 
onderdeel te laten uitmaken van de 
strafzakenenquête. Het dreigt zelfs 
de inschakeling van hulpverlening in 
een vroeg stadium in de weg te 
staan. 

Ik maak twee essentiële kantteke-
ningen bij de coördinerende rol van 
de raad voor de kinderbescherming 
ten aanzien van alternatieve sancties. 
Ligt het niet voor de hand om een 
optimale afstemming en samenwer-
king te bevorderen tussen de raad 
voor de kinderbescherming aan de 
ene kant en de reclassering als 
coördinator voor de dienstverlening 
voor meerderjarigen aan de andere 
kant? De leeftijdsgrens is om verschil 
lende redenen ongelukkig en 
willekeurig gekozen. Projectenwer-
ving, begeleiding, voorlichting en 
dergelijke, dreigen nu voor meerder-
jarigen en minderjarigen uit elkaar te 
lopen en wellicht zelfs tegen elkaar in 
te lopen. 

De aanbeveling van de staatssecre-
taris in de notitie dat de raad voor de 
kinderbescherming 'voeling' moet 
houden met de reclassering, miskent 
dat aan de afstemming op elkaar veel 
meer aandacht moet worden 
besteed. Dezelfde opmerking geldt 
voor de naast elkaar werkende 
stuurgroepen voor alternatieve 
sancties. Het zou ten minste goed zijn 
als er bij voorbeeld in de personele 
sfeer een overlapping zou bestaan, 
omdat veel knelpunten die bij 
voorbeeld ontstaan wanneer iemand 
een uitkering heeft, voor mensen van 
boven en onder de 18 jaar niet veel 
verschillen. Zo kan het bestaan van 
twee volledig gescheiden circuits 
worden voorkomen. 

Ik heb begrepen dat de beklagre-
geling, het inzagerecht en de 
toepassing van artikel 280 vandaag 
niet uitdrukkelijk aan de orde zijn. 
Hopelijk mag ik nog wel een vraag 
stellen over de positie van de raad 
voor de kinderbescherming ten 
aanzien van buitenlandse minderjari-
gen in ons land. Is de staatssecretaris 
bereid om de raden voor de kinder-
bescherming actiever te laten 
optreden inzake ontvoeringen en 
dreigende ontvoeringen van in het 
bijzonder meisjes uit de tweede 
generatie buitenlanders? 

In juli 1983 antwoordde de 
staatssecretaris, op vragen van mijn 
fractiegenote André van Es, dat de 
internationale verdragen voor een 
dergelijk optreden van de kinderbe-
scherming geen belemmering 
vormen. Toch merken wij er wenig 
van dat de kinderbescherming iets 
onderneemt tegen dergelijke 
ontvoeringen, terwijl daarbij toch wel 
degelijk sprake is van misbruik van 
de ouderlijke macht, ten koste van de 
minderjarige. Een beleid op dit punt 
vindt mijn fractie hoogst urgent. 

Ten slotte verneem ik graag van de 
staatssecretaris hoe het staat met de 
uitvoering van de motie Van Es op 
stuk 18.122 nr. 16, ingediend tijdens 
de vorige UCV en vervolgens 
aangenomen, waarin wordt gevraagd 
om nader onderzoek naar de verschil-
len in behandeling van jongens en 
meisjes in de kinderbescherming. Dit 
onderzoek blijft van groot belang, 
mede gelet op de constatering van 
de staatssecretaris in haar notitie dat 
bij de meeste kinderbeschermingsta-
ken ook aspecten van hulpverlening 
in het geding zijn. Een explicitering 
van de opvattingen die leven bij de 
kinderbescherming blijft dan ook 
belangrijk. Ik ben benieuwd naar de 
voortgang van het gevraagde 
onderzoek. 

D 

De heer Van der Vlies (SGP): 
Mevrouw de Voorzitter! Het hoofdthe-
ma van de vervolgnotitie over de 
Raad voor de Kinderbescherming die 
wij vandaag bespreken, is de 
scheiding, respectievelijk op onderde 
len de onderscheiding, van hulpverle-
ning en rechtstoepassing in de 
kinderbescherming. Deze scheiding 
van hulpverlening en rechtstoepas-
sing is theoretisch een goede 
invalshoek, die dan ook de steun van 
mijn fractie genoot en geniet. 

Eén en ander staat of valt echter 
met de mate van concretisering van 
een samenhangend jeugdhulpverle 
ningscircuit. Dat is er helaas nog 
niet, zoals duidelijk blijkt uit de 

constatering dat niet voldoende 
adequate verwijsmogelijkheden 
voorhanden zijn. Daaraan zou hard 
moeten worden gewerkt. Welke 
perspectieven zijn er op dit punt? Of 
hangen wij dit alles op aan de ietwat 
stagnerende discussie over het 
regeringsstandpunt omtrent de 
IWRV en de IWAPV-rapporteren? 

De uitgangspunten van deze notitie 
zijn wel goed: een zo open mogelijke 
situatie tegenover de betrokkene; zo 
lang mogelijk ruimte voor vrijwillige 
keuzes en vrijwillige medewerking; 
het voorkomen van gerechtelijk 
laakbare handelingen door minderja-
rigen; het zo lang mogelijk voorkomen 
van gerechtelijke maatregelen. 

Bij dit alles redeneert en handelt 
mijn fractie zo lang mogelijk vanuit 
het bevoegde ouderlijke gezag en het 
primaat van het thuismilieu, ingeka-
derd en afgebakend door nationale 
wet en regelgeving, uiteraard met 
de spijtige vaststelling dat situaties 
van ontwrichting zich helaas voor-
doen, waarschijnlijk zelfs in toene 
mende mate. Verleden week sprak ik 
in dit verband van 'dweilen met de 
kraan open'. 

Maar nu de praktijk van de 
scheiding tussen hulpverlening en 
rechtstoepassing, die 'geen water 
dichte scheiding' blijkt te zijn, zo lees 
ik. 'Dat past niet in een optimale 
taakopvatting ten aanzien van 
aangemelde gevallen', aldus de 
staatssecretaris in haar notitie. Kan 
op dit punt, in de erkenning dat in de 
oriënteringsfase één en ander niet 
rigoreus uit elkaar kan worden 
gehouden, niet toch consequenter 
met gescheiden en gescheiden 
blijvende dossiers worden gewerkt? 
Worden trouwens voor alle gevallen 
dossiers gemaakt en opgelegd? 

Hierbij doel ik vooral op gevallen 
waarin direct wordt verwezen, c.q. 
waarin de raad niet tot behandeling 
overgaat. Ik vraag dit ook al om de 
ervaringen van de betrokkenen met 
de zogenaamde - helaas nog altijd 
reëel aanwezige en dus te kritiseren -
fuikwerking tot een minimum te 
beperken. Een open procedure en 
een heldere, intensieve voorlichting 
zijn daarbij natuurlijk essentieel, zoals 
ook wordt opgemerkt in de notitie. 

Wij zijn het er ook volstrekt mee 
eens dat zo snel mogelijk wordt 
verwezen naar en/of een beroep 
wordt gedaan op particuliere 
instellingen, hetgeen de staatssecre 
taris beoogt. 

Wel vragen wij het ons af of dit 
niet consequenter zal dienen te 
geschieden wanneer het gaat om de 

Bijzondere commissie 
Jeugdwelzijnsbeleid 

Vervolg notitie 

Raad voor de Kinderbescherming 

UVC2 

23 september 1985 2-9 




Van der Vlies 

vroeghulp, na het afronden van in 
gang zijnde experimenten, die naar ik 
heb begrepen voor de eerstkomende 
twee jaar een andere indicatie 
krijgen. Graag krijg ik hierop een 
reactie van de staatssecretaris. 

In het samenspel tussen recht en 
hulp zal in ieder geval sprake moeten 
zijn van voldoende kennis van, en zal 
er voldoende rekening moeten 
worden gehouden met godsdienstige 
en culturele achtergronden van 
bepaalde bevolkingsgroepen. 

Hoe is het daarmee gesteld? 
Sprekers vóór mij vroegen daar ook 
naar. Ik ben er niet gerust op dat 
men voldoende, van binnenuit, 
kennis draagt van bepaalde godsdien-
stige en etnisch-culturele opvattingen. 

Mevrouw de Voorzitter! Vele 
conflicten, respectievelijk frustraties, 
ontstaan in de praktijk vanwege het 
feit dat vermeend of kennelijk - wat 
moet ik eigenlijk zeggen? - weggelo-
pen jongeren zich vrij vlot via 
hulpverleningsinstellingen een 
uitkering kunnen verschaffen en 
daarmee een voorlopig financieel 
onafhankelijke positie, op een wijze 
en een niveau die een maximaal 
vlotte harmoniëring van de verhoudin-
gen met het thuismilieu zouden 
hinderen. Je vraagt je dan af, welke 
richtlijnen en praktijken er eigenlijk 
op dit punt zijn. Is het waar dat hier 
divergentie bestaat? Indien dit het 
geval is, is de volgende vraag, wat 
daaraan moet worden gedaan. 

Ten aanzien van de alternatieve 
sancties bepleiten wij een uiterst 
zorgvuldige, maar wel positieve 
aanpak. Op dit punt worden voorwaar-
den ingebouwd. Ik doel hierbij op de 
stuurgroep per arrondissement. 
Daaromtrent komen ook nadere 
richtlijnen wat betreft samenstelling 
en werkwijze. Op welke termijn 
komen deze richtlijnen en zullen zij 
ook de Kamer passeren, ter kennis-
neming en met het oog op een 
eventuele positieve kruisbestuiving? 

De vergadering wordt van 12.27 uur 
tot 13.15 uur geschorst. 

D 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Mevrouw de Voorzitter! Ik zou de 
leden van de commissie willen 
bedanken voor de wijze waarop zij 
hebben gereageerd op de vervolgno-
titie. Ik wil nu niet ingaan op de 
positieve reacties hunnerzijds waarin 
zij de uitgangspunten van het beleid 
van de raad hebben onderschreven 
en stelden dat de raad zijn functie op 
een aantal plaatsen dient te blijven 

vervullen. Maar ik wil het ook niet 
mooier maken dan het is. 

Ik meen dat mevrouw Haas 
volkomen terecht heeft gezegd dat 
de praktijk helaas weerbarstiger is 
dan de theorie. Ik heb dit ook voor 
mijzelf geconstateerd. Dit betekent 
echter niet dat je kunt stellen dat er 
slechts een mooi verhaal is gepresen-
teerd. De waarheid ligt in het 
midden. Ook in de vervolgnotitie heb 
ik getracht om in alle openheid en 
eerlijkheid aan te geven hoe de raad 
functioneert, welke knelpunten 
daarbij naar voren komen en op 
welke wijze getracht wordt, met het 
groeiend inzicht, hieraan het hoofd te 
bieden. Mevrouw Haas en anderen 
stelden dat een aantal voorwaarden 
noodzakelijk zijn voor het goed 
functioneren van de raden. Graag wil 
ik hierop nader ingaan. 

Vandaag is duidelijk door alle leden 
van de commissie bevestigd, 
hetgeen ook nadrukkelijk in de 
vervolgnotitie staat, dat de raden zich 
niet met hulpverlening moeten 
bezighouden. Dat was ook het 
uitgangspunt bij de eerste notitie. Ik 
meen ook dat uit de notitie goed is 
gebleken dat de raden hierop thans 
in hun werkwijze gericht zijn. Menig 
commissielid heeft dit ook onder-
schreven. Mevrouw Haas en anderen 
hebben zich in grote lijnen daarbij 
aangesloten, ieder in eigen bewoor-
dingen. 

Door de commissie is gesteld, dat 
er een goede beklagregeling moet 
komen. Zoals de commissie bekend 
is, buigt zich op het ogenblik een 
werkgroep overeen nieuwe beklagre-
geling. De bedoeling van de werk-
groep is, dat er een aantal modellen 
ontwikkeld wordt en dat door 
discussie, ook met betrokkenen, een 
zo bevredigend mogelijke regeling 
wordt gevonden. 

Ik meen dat het aan de ene kant 
van belang is dat de ruimte voor 
bemiddeling bij en oplossing van 
problemen blijft, want dikwijls blijkt 
dat veel klachten berusten op 
misverstanden. Wanneer die misver-
standen door een goed en helder 
gesprek uiteen worden gezet dan is 
gelukkig in een aantal gevallen de 
lucht weer geklaard. Aan de andere 
kant moet de schijn van onderhandse 
behandeling die daarvan het gevolg 
zou kunnen zijn, worden vermeden. 

Als derde voorwaarde heeft 
mevrouw Haas een goed inzagerecht 
genoemd. Dit is op het ogenblik 
eveneens een onderwerp dat bij de 
raden besproken wordt. Ik mag het 
als bekend veronderstellen dat de 

inzage thans per circulaire wordt 
geregeld. Naast kritiek ontmoet deze 
regeling ook waardering. 

Een aantal punten blijkt echter nog 
te moeten worden geregeld, zoals 
een herhaalde inzage, een inzage in 
oude dossiers en een inzage door 
jongeren. Naar mijn mening bedoelt 
ook mevrouw Haas dat met betrekking 
tot de inzage door jongeren rekening 
mag worden gehouden met de 
verschillende leeftijden. Door de 
commissie is er terecht op aangedron-
gen dat inzage de mogelijkheid tot 
correctie moet hebben. Inzage 
zonder deze mogelijkheid is weinig 
zinvol. Deze mogelijkheid bestaat in 
ruime mate maar uiteindelijk blijft de 
raad verantwoordelijk voor de 
rapportage. De cliënt kan echter zijn 
mening toevoegen ten behoeve van 
degene die op grond van deze 
rapportage een beslissing moet 
nemen. 

De heer Mik (D'66): Mevrouw de 
Voorzitter! De staatssecretaris heeft 
gezegd, dat bij de inzage door 
kinderen rekening moet worden 
gehouden met de leeftijd. Betekent 
dit, da^zij inzage krijgen zodra zij 
kunnen lezen? Kan de staatssecretaris 
een indicatie geven van de leeftijd? 

Staatssecretaris Korte - van 
Hemel: Ik denk in dit verband aan 
een leeftijd vanaf 12 jaar. Vanaf dat 
moment kan de mogelijkheid tot 
inzage kritisch worden bekeken. Het 
is natuurlijk de vraag of ieder kind 
van 12 jaar stukken moet lezen 
waarin over de achtergronden van de 
gezinssituatie wordt geschreven. Met 
het klimmen der jaren van de 
jeugdigden moet er voor hen in 
toenemende mate de mogelijkheid 
zijn om kennis te nemen van de 
inhoud van de rapporten. 

Mevrouw Lucassen-Stauttener 

(VVD): De staatssecretaris spreekt 
over een inzage met de mogelijkheid 
van correctie. Mag ik daaruit begrij-
pen, dat het een recht is voor 
cliënten om te corrigeren of wordt 
dat door de raad bepaald? 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Neen. De inhoud van het rapport 
wordt met de betrokkenen besproken, 
waarna de betrokkenen de gelegen-
heid krijgen op- en aanmerkingen te 
maken en te stellen het met bepaalde 
conclusies niet eens te zijn. Mijns 
inziens wordt een rechter vollediger 
geïnformeerd wanneer hij de zuivere 
opvatting heeft van de maatschappe-
lijk werker met daarnaast de tegen-
werpingen van de betrokkenen. 

Bijzondere commissie 
Jeugdwelzijnsbeleid 

Vervolg notitie 

Raad voor de Kinderbescherming 

UVC2 

23 september 1985 2-10 




Korte-van Hemel 

Mevrouw Lucassen-Stauttener 

(VVD): En die mening en die tegen-
werpingen worden de rechter 
voorgelegd? 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Uiteraard! U veronderstelt toch niet, 
dat het anders is? 

Mevrouw Lucassen-Stauttener 

(VVD): In tweede termijn kan ik nog 
een paar voorbeelden noemen, dus 
helemaal onterecht vraag ik die 
bevestiging niet. 

De heer Van der Vlies (SGP): De 
staatssecretaris noemde een 
leeftijdsgrens vanaf 12 jaar. Ik heb de 
indruk, dat het om een individuele 
beoordeling gaat, want een expliciete 
duiding van categorieën is er nog 
niet. Wat is dan uiteindelijk doorslag-
gevend voor de beoordelaar of de 
inzage al dan niet wordt toegekend? 
Is de spankracht van de jongere 
bepalend, de ernst van de problema-
tiekin het thuismilieu of de combinatie 
van beide? Is het dan inderdaad 
individueel te beoordelen? 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

In de eerste notitie van het vorige 
jaar is als algemene benadering van 
de raad gekozen voor het belang van 
het kind. Dat is natuurlijk in iedere 
situatie anders. Uiteraard kunnen de 
verschillenelementen bepalend zijn 
voor de vraag of het in het belang 
van het kind is of het zelf inzage 
krijgt van het rapport. 

Een contra-expertise is in beginsel 
mogelijk. Mevrouw Haas heeft 
gezegd dat een dergelijke mogelijk-
heid in de wet verankerd moet zijn. 
De praktijk van nu geeft aan dat er 
betrekkelijk weinig wordt gevraagd 
om een contra-expertise. Wanneer 
na het onderzoek van de raad een 
deskundigenonderzoek moet 
plaatsvinden, kan met de betrokkenen 
overleg gepleegd worden over de 
deskundige die zal worden ingescha-
keld. Er kan op enigerlei moment 
gevraagd worden naar een andere 
onderzoeker. Betrokkenen kunnen 
daarover overleggen. Een verankering 
in de wet zou betekenen dat er een 
financiële onderbouwing moet 
komen. 

Op het ogenblik heb ik daarvoor 
geen middelen. Mijn tweede argu-
ment voor mijn negatieve reageren 
op een dergelijke verankering is, dat 
dan, wanneer betrokkenen het niet 
eens zijn met de uitkomst van het 
deskundigenrapport dat aan de 
rechter wordt voorgelegd, er vaak 
om een contra-expertise zal worden 

Bijzondere commissie 
Jeugdwelzijnsbeleid 

gevraagd. In een aantal gevallen zou 
dat een aanmerkelijke vertraging 
kunnen opleveren in de besluitvor-
ming door de rechter, hetgeen ik niet 
in het belang van de desbetreffende 
kinderen acht. 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): Ik 
vind het verhaal van de staatssecre-
taris een beetje inconsistent. 

Zij zegt dat een contra-expertise 
betrekkelijk weinig wordt gevraagd. 
Daarmee suggereert zij dat de 
mensen best content zijn en dat er 
geen behoefte aan is. Tegelijkertijd 
zegt zij dat een dergelijke mogelijkheid 
niet in de wet verankerd kan worden 
omdat er dan kans is dat er wel veel 
naar een contra-expertise wordt 
gevraagd. Wat is het nu? Wordt een 
verzoek daartoe nu belemmerd of 
afgewezen zodat het resultaat 
daarvan is dat geconstateerd wordt 
dat er weinig om wordt gevraagd? De 
staatssecretaris zegt echter dat 
wanneer er een verankering in de wet 
plaatsvindt er veel wordt gevraagd 
om zo'n onderzoek. Duidt dat er dan 
niet op dat er wel behoefte aan is en 
dat er dus onvrede is wat betreft het 
onderzoek dat door de raad is 
verricht? Zo ja,wat is de oorzaak 
daarvan? 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Over het algemeen is men het eens 
met de rapportage van de raden, 
zeker wanneer het deskundigenrap-
port zo mogelijk wordt opgesteld 
door iemand waarin de betrokkenen 
bij voorbaat vertrouwen hebben. Dat 
behoeft dan nog niet te betekenen 
dat men het eens is met de uitkomst; 
men heeft dan wel vertrouwen in de 
deskundige die het onderzoek 
verricht. In feite is er in een beperkt 
aantal gevallen duidelijk behoefte aan 
om er nog een andere opvatting 
naast te leggen. 

Mevrouw Haas zegt dat ik bij een 
verankering in de wet bang ben dat 
er te veel gebruik zal worden 
gemaakt van een contra-expertise. 
Het zou misschien ook een bevesti-
ging kunnen zijn dat men er in ieder 
geval tegenin kan gaan, wanneer 
men zich er niet bij neer kan leggen. 
Naar mijn gevoel ga je dan juist op 
dit terrein zaken onnodig in de 
juridische sfeer brengen door dat 
recht te verankeren. Dat is mijns 
inziens niet goed. Zoals het op het 
ogenblik gaat, is het naar mijn gevoel 
goed: proberen vertrouwen te 
wekken bij de betrokkenen en zo veel 
mogelijk op basis daarvan via het 
deskundigenrapport tot hulpverlening 
door de rechter te komen. 

Vervolg notitie 

Raad voor de Kinderbescherming 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): Het 
gaat er toch om dat het in de 
juridische sfeer zit. Een taak van de 
raden is het toepassen van rechten 
en niet hulp verlenen. De raden 
moeten adviseren ter voorbereiding 
van een uitspraak van de rechter. Het 
gaat niet om geringe beslissingen. 
Wij praten er nu wel zo sec over; het 
gaat in een groot aantal gevallen 
echter om een beslissing door de 
rechter, wie het kind krijgt toegewezen 

Uit de brieven blijkt dat dat niet 
altijd even eenvoudig wordt geaccep-
teerd. In die situatie kun je niet 
zeggen: laten wij het toch niet in de 
juridische sfeer trekken. Dan moet 
zo'n onderzoek, zo'n hele procedure 
toch juist met juridische waarborgen 
omgeven zijn, opdat men het gevoel 
heeft dat de zaak aan alle kanten 
zorgvuldig is behandeld. De voorbe-
reidingen, het onderzoek en het 
onderzoeken moeten dan toch 
zodanig zijn dat de rechter inderdaad 
zo goed mogelijk zo'n ingrijpende 
beslissing kan nemen. Daarom meen 
ik dat je het juist wel in de juridische 
sfeer moet trekken, opdat alle 
waarborgen er zijn. Laten wij eerlijk 
zijn, waarom hebben wij wetten? Wij 
hebben wetten ter bescherming van 
de zwakken in de maatschappij. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Met dat laatste ben ik het volstrekt 
eens. Iets anders is het, of dan ook 
alle zaken in de wet geregeld moeten 
worden. In de geschetste situatie, 
waarin wordt getracht zoveel 
mogelijk in overeenstemming met de 
betrokkenen te komen tot een 
rapportage aan de kinderrechter, 
bestaat toch altijd de mogelijkheid 
dat ter zitting de betrokkenen alle 
gelegenheid hebben en krijgen, hun 
bezwaren tegen de wijze waarop het 
deskundigenrapport tot stand is 
gekomen, dan wel tegen de inhoud 
daarvan, te laten blijken. U allen en ik 
ook hebben immers zeer veel 
vertrouwen in onze kinderrechters. 
De kinderrechter heeft dan toch altijd 
de mogelijkheid, dit uitvoerig met de 
betrokkenen te bespreken. Wanneer 
hij meent dat de zaak aan een nadere 
beoordeling, een nader onderzoek 
dient te worden onderworpen, heeft 
hij ook de mogelijkheid, alsnog 
verder te voorzien in de behoefte van 
de betrokkkenen. 

Mevrouw Lucassen-Stauttener 

(VVD): Hoe bepaalt de staatssecreta-
ris dat er weinig behoefte is aan een 
contra-indicatie? Geluiden die wij 
ontvangen geven een andere indruk. 

UVC2 

23 september 1985 2-11 




Korte-van Hemel 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

De raden voor de kinderbescherming 
en hun werkzaamheden zijn en 
blijven niet onbekend. Enerzijds zijn 
er de uitvoerige jaarverslagen en 
anderzijds de contacten van onze 
kant met zowel de secretarissen als 
de voorzitters van de raden. Ook 
ikzelf heb regelmatig contact met 
hen. Er is voor ons dus voldoende 
mogelijkheid, ons daarvan op de 
hoogte te stellen. In dit verband moet 
ik zeggen dat het mij spijt dat de 
commissie als zodanig niet in de 
gelegenheid is geweest sinds het 
verschijnen van deze vervolg-notitie 
een bezoekje te brengen aan een 
raad. Ik weet dat individuele leden 
van de commissie dat wel hebben 
gedaan. Dit soort feitelijke vragen 
hadden dan juist gesteld kunnen 
worden aan de werkers in het veld en 
die zouden ze heel graag hebben 
beantwoord, nog vollediger dan ik 
hier doe. 

Mevrouw Lucassen-Stauttener 

(VVD): De staatssecretaris weet toch 
dat de commissie de raden uitgeno-
digd heeft en dat zij met ons alleen 
maar achter gesloten deuren over dit 
soort zaken wilden praten. Ik heb 
gevraagd hoe de staatssecretaris 
bepaalt dat er weinig behoefte is. Is 
er een actieve toetsing bij de 
formulieren? Wordt er na afloop 
gevraagd of er nog behoefte is aan 
een contra-expertise? De geluiden 
die wij vernemen zijn namelijk geheel 
anders. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Als men de vraag stelt: is er behoefte 
aan een contra-expertise, dan gaat 
men er niet vanuit dat de rapportage 
tot stand is gekomen op een basis 
van overeenstemming, maar dat zo'n 
rapportage over en zonder de 
betrokkenen tot stand is gekomen. 
Daar verzet ik mij tegen. 

De heer Mik (D'66): Ik ben het met 
de staatssecretaris eens dat een 
vertraagde rechtsgang niet in het 
belang is van het welzijn van het 
kind, maar vindt zij ook niet dat een 
gefrustreerde ouder, die een contra-
expertise zou wensen, maar die niet 
kan betalen of daartoe niet in de 
gelegenheid wordt gesteld, nog veel 
slechter is voor de ontwikkeling van 
het kind? 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Mevrouw de Voorzitter! Ik heb zojuist 
gezegd dat de rechter, indien deze 
van mening is dat de betrokkenen in 
hun belangen worden geschaad, alle 

mogelijkheden heeft, daaraan 
tegemoet te komen en alsnog op de 
verlangens van betrokkenen in te 
gaan. De huidige rechtsgang bevat 
dus voldoende waarborgen. 

De heer Willems (PSP): Mevrouw 
de Voorzitter! Ik wil nog even 
terugkomen op een eerdere opmer-
king van de staatssecretaris. Ik hoor 
nu wel veel bla, bla over het verbreken 
van een vertrouwensrelatie met een 
contraexpertise, maar we zijn het 
erover eens dat het een recht moet 
zijn. De vraag is alleen of dat recht 
wettelijk moet worden verankerd. We 
kunnen er nu wel allerlei mooie 
verhalen over houden, maar de 
staatssecretaris gaf als belangrijkste 
argument dat zij er op dit moment 
geen financiële onderbouwing van 
kan geven. Dat vind ik een buitenge-
woon kwalijk argument. 

Laten we het er dan over hebben 
hoe we er middelen voor vrij kunnen 
maken. Gaat het dan om veel of 
weinig gevallen waarin we iets 
moeten betalen? Ik vind, dat de 
staatssecretaris dit argument van 
haar absoluut niet heeft onderbouwd. 
Als er maar in weinig gevallen 
behoefte aan is - de praktijk zal het 
uitwijzen - dan moet dat financiële 
argument in ieder geval voor haar 
geen bezwaar zijn. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Het financiële argument komt er voor 
mij bij. Het is iets waarvoor ik 
verantwoording moet afleggen en dat 
ik niet onvermeld mag laten. 

Mevrouw Lucassen wil ik nog 
antwoorden, dat de vereniging van 
secretarissen niet heeft gesteld, dat 
zij alleen achter gesloten deuren 
gehoord wil worden. Het moet dus 
een misverstand zijn. 

Mevrouw Lucassen-Stauttener 

(VVD): Het is echt waar, wat ik heb 
gezegd. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Ik zal er zo nodig in tweede termijn 
nog op terugkomen. 

Over de bewaartermijnen van de 
rapportage heb ik reeds in een brief 
aan de Kamer gesproken. Mevrouw 
Evenhuis heeft gevraagd, deze brief 
in een vergadering van de vaste 
commissie voor Justitie te behande-
len. Nu wil ik wel zeggen, dat aan de 
wens tot verkorting van de bewaar-
termijnen tegemoet zal worden 
gekomen. Het uitgangspuntvan de 
hele benadering is, dat deze gevoelige 
materie met zoveel mogelijk zorgvul-
digheid moet worden behandeld. 

De heer Van der Vlies heeft 
gevraagd of door de raad altijd, ook 

bij verwijzing, een dossier wordt 
aangelegd. Dat is niet het geval. Er 
wordt alleen een dossier aangelegd 
van zaken die inhoudelijk in behande-
ling worden genomen. Alleen die 
zaken komen in de registratie voor. 
Een verslag van een gesprek dat niet 
tot behandeling leidt, wordt wanneer 
er kans op verdere bemoeienis 
bestaat, bewaard en na vijf jaar 
vernietigd. Er is dan dus geen 
verdere registratie meer. 

Mevrouw Lucassen vroeg, wat ik 
heb gedaan met de verleden jaar 
aangenomen moties. De motie van 
mevrouw Haas op stuk nr. 6 over de 
op de wet gebaseerde taken en de 
motie van mevrouw Evenhuis op stuk 
nr. 9 over de taken van de raden als 
gevolg van de dubbele functie zijn 
beide uitgewerkt in de notitie die we 
vandaag bespreken. 

In de motie van mevrouw Haas 
wordt gevraagd naar de rechtspositie 
van de minderjarige. Ik zou willen 
verwijzen naar de antwoorden die de 
minister van Justitie op 9 juli 1985 
aan de voorzitter van de Tweede 
Kamer heeft doen toekomen. 

De vragen zijn gesteld door 
mevrouw Haas en de heren Lankhorst, 
Willems en Ernsting. Een van de 
vragen betrof het maken van een 
inventarisatie. Er wordt naar ge-
streefd, het gevraagde onderzoek 
spoedig te voltooien. In de nota die 
in dat kader wordt voorbereid, zullen 
ook onderwerpen worden opgenomen 
die geen budgettaire gevolgen voor 
de werklast van de rechter behqeven 
te hebben. De gevraagde toezegging, 
dat het onderzoek nog in 1 985 zal 
worden voltooid, kan, gelet op de 
gecompliceerdheid van de materie, 
niet worden gedaan. 

Op deelterreinen - patiëntenrech-
ten - wordt bij de interdepartementale 
voorbereiding van de regeling reeds 
bezien, op welke wijze voor de 
minderjarigen een rechtspositie kan 
worden ingeruimd. Voor zover blijkt, 
dat de rechtspositie van minderjarigen 
versterking behoeft op andere 
terreinen, waarvoor andere bewinds-
personen de verantwoordelijkheid 
dragen, zullen wij met hen in overleg 
treden. 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): Het 
lijkt wel of de staatssecretaris voor 
het eerst van het probleem hoort. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Neen. Naarname ik er meer van hoor 
en zie, raak ik dieper overtuigd van 
de complexiteit van de materie. 

Aan de motie van mevrouw 
Evenhuis op stuk nr. 11 over het 

Bijzondere commissie 
Jeugdwelzijnsbeleid 

Vervolg notitie 

Raad voor de Kinderbescherming 

UVC2 

23 september 1985 2-12 


Korte-van Hemel 

verzamelen van noodzakelijke 
gegevens over het gezag over 
minderjarigen van vreemde nationali-
teit is uitvoering gegeven. Een 
circulaire met een in de motie 
gevraagde strekking is op 30 juli 1984 
aan de raden toegestuurd. 

Wat de motie van de heer Mik op 
stuk nr. 14 over een onafhankelijke 
klachtenregeling betreft, merk ik op 
dat de werkgroep is ingesteld. Zij 
gaat na, hoe een meer onafhankelijke 
klachtenregeling vorm kan worden 
gegeven. 

De heer Mik (D'66): Aan de hand 
van welke criteria is de werkgroep 
samengesteld en welke personen 
maken er deel van uit? 

Mevrouw Lucassen-Stauttener 

(VVD): En wanneer is die werkgroep 
klaar? 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Het is de bedoeling, dat verschillende 
modellen worden uitgewerkt. De 
gebruikers zullen erbij worden 
betrokken. Ik denk dan aan de 
welzijnsinstellingen en het AKK. Het 
AKK heeft gevraagd erbij te worden 
betrokken. Het AKK is niet in de 
werkgroep vertegenwoordigd. Er 
zitten in ieder geval vertegenwoordi-
gers van de raden voor de kinderbe-
scherming in. Ik ben niet volledig op 
dit punt. 

De Voorzitter: Wellicht kan de 
staatssecretaris dat in tweede 
termijn zijn. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Ja. De werkgroep zal in contact 
treden met degenen die in de praktijk 
met de klachtenregeling te maken 
hebben. Ik ben ervan overtuigd dat in 
overleg met hen een voorkeur voor 
een bepaald model zal worden 
uitgesproken. 

De heer Mik (D'66): Ik begrijp nu, 
dat die werkgroep nog niet is 
ingesteld. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Dat is wel het geval, maar ik beschik 
thans niet over de samenstelling van 
deze groep. Ik zal trachten, die 
concrete informatie in tweede 
termijn te verstrekken. 

De Voorzitter: Het is heel gebruikelijk 
dat plotseling opkomende feitelijke 
vragen in tweede instantie worden 
beantwoord. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Mevrouw de Voorzitter. De laatste 
motie, voorkomend op stuk nr. 16, 
heeft betrekking op nader onderzoek 

op het terrein van de selectie- en 
uithuisplaatsingscriteria voor jongens 
en meisjes. Dit onderwerp is inder-
daad aan de coördinatiecommissie 
wetenschappelijk onderzoek kinder-
bescherming (CWOK) voorgelegd. 
Voor 1985 gold echter dat er geen 
financiële ruimte was om dit onder-
zoek te verrichten. In oktober zal de 
commissie zich opnieuw beraden op 
de mogelijkheid, het onderzoek in 
1986 uit te voeren. Ik heb er bij de 
CWOK schriftelijk op aangedrongen 
dat deze zaak voor 1 986 op het 
programma wordt geplaatst. 

De heer Willems (PSP): Wat zal er 
gebeuren als de CWOK hierop niet 
ingaat? Ik herinner eraan dat het om 
een kamerbreed aanvaarde motie 
gaat. Ook door u is het belang van 
deze motie onderstreept. Welnu, dan 
zal toch ook werk hiervan gemaakt 
moeten worden. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Mede naar aanleiding van wat 
hierover vanmiddag naar voren is 
gebracht, zal ik deze zaak opnieuw 
onder de aandacht van de CWOK 
brengen. Uiteraard wordt deze motie 
uitgevoerd; ik zie geen enkele 
aanleiding- en ik heb er ook geen 
behoefte aan - dit niet te doen. Het 
probleem is dat hiervoor de nodige 
financiële middelen moeten worden 
gevonden. Ik hoop dat hiervoor zo 
spoedig mogelijk ruimte zal worden 
gevonden op het programma. 
Mogelijk zullen andere door de 
CWOK en de regering noodzakelijk 
geachte onderzoeken moeten 
worden uitgesteld. Ik hoop dat de 
CWOK overtuigd is van het belang 
dat niet alleen ik maar ook de Kamer 
hecht aan een spoedige uitvoering 
van deze motie. 

De heer Willems (PSP): Mevrouw 
de Voorzitter! Kunnen wij met de 
staatssecretaris afspreken dat wij in 
de loop van dit najaar bericht krijgen 
over de afloop van dit overleg? 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Ik zal dit graag op mij nemen. 

Mevrouw de Voorzitter! Dit betoog 
was eigenlijk een reactie op de vraag 
van mevrouw Lucassen naar de 
uitvoering van de aangenomen 
moties die bij de behandeling van de 
eerste notitie zijn ingediend. 

Een aantal leden is op de vermeende 
of op de bestaande fuikwerking 
ingegaan. Ik meen dat in de vervolg-
notitie zo duidelijk mogelijk is 
aangegeven op welke wijze de raad 
werkt. Dit betreft geen woordspelletje 
of een onderwaardering van mijn 
kant van de opmerkingen die ter zake 

zijn gemaakt. Er is mij verzekerd dat 
bij alle contacten met hulpzoekenden 
of andere betrokkenen altijd de 
folder over de plaats en de taak van 
de raden voor de kinderbescherming 
wordt meegegeven. Tevens is de 
folder over de rechten van de 
betrokkenen altijd beschikbaar. 

Ik meen dat er voldoende en op 
verantwoorde wijze aan de schriftelij-
ke voorlichting over de functie van de 
raden wordt gewerkt. Ik ben het 
met mevrouw Evenhuis eens dat 
mensen in een gesprek niet alles 
direct kunnen oppakken wat voor hen 
van belang is. Daarom is het goed 
dat men dit nog eens rustig kan 
nalezen. 

Het is mij ook bekend dat er bij 
voortduring door de bureaus bij de 
maatschappelijk werkenden in het 
veld op wordt aangedrongen om bij 
het geven van voorlichting zo 
duidelijk mogelijk te zijn. Zij moeten 
hierin eventueel ook erg aanhoudend 
zijn. Dat is erg belangrijk. Het is ook 
van belang dat in de opleiding van de 
maatschappelijk werkenden voldoen-
de aandacht wordt besteed aan het 
geven van voorlichting. Juist wanneer 
men bij een raad voor de kinderbe-
scherming werkt, is het noodzakelijk 
dat aan degenen met wie men in 
aanraking komt goede voorlichting 
wordt gegeven. De betrokkenen 
moeten een duidelijk beeld hebben 
van de instelling waar men mee te 
maken heeft. 

Ik meen dat dezerzijds alles wordt 
gedaan om de fuikwerking, of liever 
gezegd de consequentie van het in 
aanraking komen met raden voor de 
kinderbescherming, zoveel mogelijk 
in het juiste perspectief te stellen. 

Mevrouw Lucassen-Stauttener 

(VVD): Mevrouw de Voorzitter! Ik heb 
alle begrip voor hetgeen de staatsse-
cretaris zoeven zei, maar in de vorige 
UCV van mei 1 984 hield zij ook zo'n 
betoog. Ik heb gekregen een brief 
van de raad voor de kinderbescher-
ming dd. 19 november 1984, dus 
enkele maanden later, waarin staat 
dat er een ondertoezichtstelling voor 
het kind zal worden gevraagd, omdat 
de vader WVC niet wil vragen om de 
betaling aan het gezin te hervatten. 
Ik noem dat toch een fuikwerking, 
want in de wet staat immers dat er 
alleen een ondertoezichtstelling 
plaats zal vinden als het kind met 
zedelijke ondergang wordt bedreigd. 
Dit nu is de praktijk. 

Mijn vraag is hoe dit soort zaken 
kan worden voorkomen. Het gaat nu 
niet om één geval, want ik heb er een 
hele stapel van. Ik heb slechts een 

Bijzondere commissie 
Jeugdwelzijnsbeleid 

Vervolg notitie 

Raad voorde Kinderbescherming 

UVC2 
Korte-van Hemel 

voorbeeld willen geven. Wat kunnen 
cliënten of ouders dan doen? Men 
kan naar een advocaat stappen, maar 
dat kost veel geld. Men wint de 
procedure dan wel, zoals ook in mijn 
voorbeeld is gebleken. Als de 
staatssecretaris het weet, dan weten 
ik en de cliënt het ook! 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Mevrouw de Voorzitter! Uiteraard 
kan ik niet op een concreet geval 
ingaan. 

Mevrouw Lucassen-Stauttener 

(VVD): Zal ik er u meer geven? 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Het lijkt mij ook niet juist om een 
casus te beoordelen op basis van één 
brief. Ik ken de context ervan niet. 
Wellicht is de brief de neerslag van 
een gesprek, maar het kan ook een 
op zichzelf staande brief zijn. Ik weet 
daar niets van af en ik laat mij er dan 
ook volstrekt niet over uit. De gang 
van zaken is zoals ik heb geschetst. 

Als betrokkenen zich niet in iets 
kunnen vinden, dan zijn er juridische 
mogelijkheden. Ik vind het volstrekt 
onjuist om te zeggen 'u kunt wel 
mooie verhalen houden, maar de 
fuikwerking is er, kijk maar naar deze 
brief', met name gelet op het vele 
werk van de raden en de vele 
momenten waarop zij uiterst 
verantwoord te werk gaan. Uiteraard, 
de raad is geen robot, er werken 
mensen die werken met mensen in 
moeilijke situaties. Natuurlijk kan dan 
op enig moment ongenoegen 
ontstaan of kan er een verkeerde 
inschatting zijn, maarde medewerkers 
van de raad maken die inschattingen 
zo goed mogelijk. Het zijn en blijven 
mensen. 

Als men het er niet mee eens is, 
dan zijn er voldoende mogelijkheden; 
ik denk maar even aan de beklagre-
geling, het eventueel inschakelen 
van een advocaat, enz. Nogmaals, 
om op basis van een brief - ik heb 
die niet en ik weet ook niet of de 
leden van de commissie hem 
hebben - te zeggen 'uw verhaal over 
de fuik gaat niet op en u doet er niets 
aan', gaat mij te ver. 

Mevrouw Lucassen-Stauttener 

(VVD): Ik heb dat ook niet gezegd. Ik 
heb er alleen op gewezen dat er in de 
notitie staat dat de fuikwerking er 
alleen zou zijn in de beleving van de 
cliënt. Ik had daar moeite mee, want 
dat blijkt in de praktijk niet zo te zijn. 
In de tweede plaats vroeg ik hoe een 
en ander dan voorkomen kan 
worden. Wij kunnen nog wel vijf jaar 

blijven zeggen dat de raad met 
mensen werkt en het toch wel goed 
doet, maar daar schieten de mensen 
niets mee op als ze geconfronteerd 
worden met zaken zoals die staan in 
de brief die ik zoeven heb aangehaald. 

Als dergelijke brieven mij bereiken, 
zullen ze ook naar andere partijen zijn 
gestuurd. De staatssecretaris moet 
niet gaan zeggen dat ze de brief niet 
heeft en er daarom niets van weet. Ik 
heb begrepen dat de raden voor de 
kinderbescherming onder de verant-
woordelijkheid van Justitie vallen, 
dus de staatssecretaris mag de brief 
van mij best hebben. Ik heb er nog 
wel enkele voor haar. Het is bovendien 
mijn goed recht om een dergelijke 
brief hier aan de orde te stellen. 

Nogmaals, de staatssecretaris mag 
die brief van mij hebben. Ik heb er 
nog een paar voor haar. Bovendien is 
het mijn goed recht, zo'n brief aan de 
orde te stellen. 

Mevrouw Evenhuis-van Essen 

(CDA): Wij kunnen hier eindeloos 
over individuele gevallen praten en 
over brieven waarvan de andere 
leden van de commissie, althans mijn 
fractie noch ik, geen weet hebben. 
Dat is zeer onduidelijk. Wel kunnen 
er ter zake schriftelijke vragen 
worden gesteld, opdat de zaken 
worden uitgezocht en op de bestemde 
plaatsen aan de orde komen. Hier 
kunnen niet allerlei gevallen naar 
voren worden gebracht, want dat 
kost tijd en moeite. Het heeft 
bovendien weinig effect, omdat het 
uitdraait op een 'welles en nietes'. 
Dit past niet in het algemene beeld 
dat nu aan de orde is, over de al dan 
niet vermeende fuikwerking. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Hierop behoef ik niet te antwoorden. 

De heer Willems (PSP): Ik heb 
echter begrepen dat ook de stichting 
ombudsman zich over deze kwestie 
tot de minister van Justitie heeft 
gewend. Ik weet niet of die post ook 
automatisch bij de staatssecretaris 
terechtkomt. Het feit dat de staatsse-
cretaris zegt dat zij hiervan niets 
afweet, vind ik in dat licht vreemd. 
Wellicht heeft de stichting ombuds-
man over een aantal van deze zaken 
bij haar gerapporteerd. Kan zij 
daarover iets zeggen? 

De Voorzitter: Ik maak er bezwaar 
tegen dat hier incidentele gevallen 
aan de orde komen die niet met 
name worden genoemd. Andere 
kanalen zijn daarvoor noodzakelijk en 
gebruikelijk in plaats van deze 
commissie. De beroepsmogelijkhe-

den zijn bekend. Ik kan mij voorstellen 
dat de staatssecretaris, gesteld dat 
de ombudsman informatie aan haar 
heeft gevraagd, daarop niet kan 
ingaan. De beroepsregels worden 
gehanteerd. Nogmaals, dit is niet de 
plaats om op die incidentele zaken in 
te gaan. 

De heer Willems (PSP): Ik wil een 
misverstand wegnemen. De stichting 
ombudsman heeft juist een algemene 
brief geformuleerd, dus niet over 
incidentele of persoonlijke gevallen. 
Naar aanleiding van een aantal 
klachten heeft die stichting dus meer 
de algemene tendens in een brief 
verwoord. Op die brief heb ik 
gewezen. Het gaat dus niet over 
persoonlijke gevallen. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

De algemene brief die de ombudsman 
over deze onderwerpen aan mij zou 
hebben geschreven, is ons niet 
bekend. Zoals de Voorzitter erop 
heeft gewezen, bereiken ons wel over 
individuele gevallen brieven, net 
zoals andere departementen, van de 
ombudsman. Daarin wordt ons om 
nadere informatie gevraagd. Daarna 
spreekt de ombudsman zijn oordeel 
uit. Dat is de gewone gang van 
zaken. De brief waarop zojuist is 
gedoeld, is bij mij echter niet bekend. 

De Voorzitter: Wij moeten toch 
eens nagaan, of die brief niet alleen 
aan de Kamer is gestuurd. In dat 
geval moeten wij de ombudsman 
adviseren, zijn klachten daar te 
deponeren waar zij ook kunnen 
worden opgelost. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

De afgelopen week hebben wij 
gediscussieerd over het concept-voor-
ontwerp voor de wet over de 
jeugdhulpverlening en het samenhan-
gend jeugdbeleid. Mevrouw Haas 
heeft in dat verband gewezen op de 
beginselenwet en de raden voor de 
kinderbescherming. Ik mag als 
bekend veronderstellen, dat de 
gehele werkwijze, de structuur en de 
taken van de raden voor de kinderbe-
scherming niet gebaseerd zijn op de 
beginselenwet kinderbescherming, 
maar een uitvloeisel zijn van de 
verschillende artikelen in het BW. 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): Dat 
heb ik helemaal niet gesuggereerd. Ik 
heb het gehad over de instellingen. 
De beginselenwet bevat een aantal 
voorwaarden voor onder andere het 
democratische gehalte in de 'kinder-
beschermingsinstellingen', als ik dat 
woord nog mag gebruiken. Ik heb 
gezegd: trek die beginselenwet in en 

Bijzondere commissie 
Jeugdwelzijnsbeleid 

Vervolg notitie 

Raad voor de Kinderbescherming 

UVC2 

23 september 1985 2-14 




Korte-van Hemel 

verklaar dezelfde voorwaarden van 
toepassing op alle jeugdbescher-
mingsinstellingen en onder andere 
de jeugdafdelingen van de RIAGG's. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Verleden week heb ik in een langdu-
rige discussie de beoogde samenhang 
en de beoogde planning voor de 
jeugdhulpverlening mogen verdedi-
gen. Daarbij gaat men juist uit van 
het stellen van een aantal voorwaar-
den om de beoogde samenhang te 
bewerkstelligen. Waarschijnlijk 
doelde de heer Mik daarop toen hij 
de hoop uitsprak dat er een goede 
jeugdwet zou komen. Die samenhang 
van en samenwerking tussen de 
verschillende onderdelen van de 
jeugdhulpverlening, zoals de ambu~ 
lante, residentiële en semi-residentië-
le, is zeer belangrijk. Dat geldt ook 
voor de departementen die erbij 
betrokken zijn. 

Mevrouw Haas vindt dat deze 
zaken ook ten aanzien van de positie 
van de raden voor de kinderbescher-
ming moeten worden geregeld. Deze 
zaken worden op dit moment 
geregeld in het concept-ontwerp van 
wet voor de jeugdhulpverlening. Haar 
opvatting is dus opgenomen in het 
concept-ontwerp van wet. 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): Er 
komt nog een UCV. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Inderdaad. Als nu wordt gesteld dat 
die discussie niet aan de orde komt 
vanwege de wet die in aantocht is, 
omdat bepaalde middelen nu anders 
worden geregeld dan eerst was 
beoogd, wil ik voor alle duidelijkheid 
zeggen dat die middelen het beoogde 
doel, namelijk de samenhang en de 
samenwerking, onverlet laten. Het 
gaat dus ook om de samenwerking. 
In de vervolgnotitie wordt ook 
verschillende malen juist in het kader 
van de hulpverlening verwezen naar 
die andere hulpverleningsinstanties. 
De mogelijkheid en opdracht tot 
samenwerking zijn dus opgenomen 
in het wetsontwerp. 

Ik ben tot nu toe ingegaan op de 
plaats en de taak van de raad. Ik zou 
nu graag iets willen zeggen over de 
vroeghulp. 

Mevrouw Lucassen-Stauttener 

(VVD): Welke structurele oplossingen 
ziet de staatssecretaris dan als er in 
de regio gebrek aan verwijsmogelijk-
heden is? 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Mevrouw Lucassen zal niet verwach-

ten dat de raden daarvoor zorgen, 
want zij mogen geen hulp verlenen. 
De raden moeten betrokken zijn bij 
de samenwerking in de regio. Als zij 
signaleren dat bepaalde verwijsmoge-
lijkheden ontbreken, zullen zij binnen 
dat regionale samenwerkingsverband 
oplossingen moeten zoeken. Dit 
proces moet niet tot stand komen 
door middel van een nieuwe wet. Dit 
proces is al lang in gang gezet. Het 
gaat ook door. Op basis van de 
rapporten van de IWRV en de IWAPV 
zijn wij daar ook druk mee bezig. In 
het voorontwerp van wet wordt nu 
vastgelegd wat zich zo aan het 
ontwikkelen is. Dat gebeurt met 
ieders grote instemming. 

De meeste sprekers hebben de 
vroeghulp aan de orde gesteld. Ik 
constateer met genoegen dat men 
instemt met de landelijke invoering 
van de strafzakenenquête. Mevrouw 
Haas heeft gelijk als zij zegt dat 
hetgeen er staat in het algemeen iets 
is waarmee ik kan doorgaan. Zij vond 
alleen dat de naam niet klopte. Zij 
heeft daarin gelijk. In plaats van 
vroeghulp zou je het mischien 
vroegbezoek kunnen noemen. Het is 
namelijk niet de bedoeling om hulp te 
verlenen. Het is de bedoeling om een 
aantal gegevens te verzamelen ten 
behoeve van de voorlichting aan de 
kinderrechters en officieren van 
justitie. Daarnaast bestaat er dan de 
mogelijkheid om te beoordelen of er 
behoefte is aan hulpverlening. In dat 
geval kan in een vroeg stadium 
verwezen worden naar de meest 
geëigende hulpverlening. 

Bij de vroeghulp-oude-stijl is 
namelijk gebleken dat het van belang 
is, naast de informatie aan betrokkene 
over de strafprocedure, snel voorlich-
ting te verstrekken aan de magistra-
tuur. Voorts is hierbij gebleken dat 
een snelle signalering van de 
eventuele behoefte aan hulpverlening 
van belang is, zodat de hulpverlening 
zo snel mogelijk kan worden begon-
nen. Ik ben van mening dat de 
constateringen van de coördinatie-
commissie wetenschappelijk onder-
zoek kinderbescherming zeer 
belangrijk zijn geweest. De bezwaren 
tegen de bestaande uitvoering van 
de vroeghulp betroffen juist ook 
genoemde aspecten. 

In een aantal arrondissementen is 
er naast de bestaande vroeghulp, die 
niet altijd voldeed - ik heb wat dat 
betreft een aantal elementen ge-
noemd in de vervolgnotitie - ook 
gewerkt met het enquêtesysteem. 
Daarbij is gebleken dat dit wèl kan 
voldoen aan de geformuleerde 

doelstellingen. De hierbij gebruikte 
vragenlijst zal enigszins worden 
aangepast. De enquête moet bij de 
inverzekeringstelling van de minder-
jarige zo mogelijk op de dag van de 
inverzekeringstelling worden afgeno-
men. Overigens is het de bedoeling 
dat bij alle minderjarigen die in 
aanraking zijn gekomen met de 
politie, snel de strafzakenenquête 
wordt afgenomen. Bij 'snel' denken 
wij dat het binnen veertien dagen 
moet gebeuren. Alle voorrang 
hebben echter degenen die in 
verzekering zijn gesteld. 

Ik ben nog bezig met de vraag, of 
deze enquête altijd door maatschap-
pelijk werkenden moet worden 
gehouden. In brieven van onder 
andere de Vereniging van Recht-
spraak wordt uitgesproken dat men 
blijft hechten aan het feit dat 
maatschappelijk werkenden hierbij 
zijn betrokken. Hierover zal ik mij 
nader beraden. 

De heer Mik (D'66): Kan de staats-
secretaris zeggen welke andere 
disciplines zij in gedachten heeft? 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Mevrouw de Voorzitter, er bestaat 
een goede MBO-opleiding voor 
sociaal werkenden. Bekeken wordt of 
en in hoeverre gediplomeerden van 
deze opleiding deze enquête kunnen 
afnemen. Jongeren beneden de 25 
jaar mogen hier in ieder geval niet bij 
worden betrokken. Het gaat dus om 
mensen met een gerichte beroepsop-
leiding en bovendien met levens- en 
werkervaring op dit terrein. 

De heer Mik (D'66): Ik suggereer om 
zoveel mogelijk te streven naar 
inschakeling van mensen die zo 
adequaat mogelijk opgeleid zijn in 
dezen. Er wordt nogal wat gevraagd. 

Er wordt onder andere gevraagd 
naar de relatie met de vader of met 
de stiefvader, of de opvoeding wel of 
niet streng is geweest en dergelijke. 
Het lijkt mij heel moeilijk om dit in 
een kort gesprek te evalueren. Als 
men dit doet, moet er een zekere 
volmaaktheid worden nagestreefd, 
die alleen bereikt kan worden als er 
een behoorlijke scholing en ervaring 
achter zit. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Scholing en ervaring zijn beide 
inderdaad belangrijk. Ik zal beide 
elementen bij de besluitvorming mee 
laten spelen. 

In dit verband wil ik nog ingaan op 
de motie die de heer Mik heeft 
ingediend. In de motie wordt 
overwogen dat de vroeghulp blijkens 

Bijzondere commissie 
Jeugdwelzijnsbeleid 

Vervolg notitie 

Raad voor de Kinderbescherming 

UVC2 

23 september 1985 2-15 




Korte-van Hemel 

de evaluatie niet bijzonder succesvol 
is geweest. Daarbij wordt uitgegaan 
van de vroeghulp-oude-stijl, zoals die 
nu nog wordt verleend. De coördina-
tiecommissie heeft hierop terecht de 
vinger gelegd bij de evaluatie. 

Ook ik vind het significant dat 
degenen die de vroeghulp verleenden, 
niet erg te spreken waren over de 
wijze waarop dit gebeurde. De vele 
vroeghulpverleners menen dat 'de 
tijdsinvestering niet in verhouding 
staat tot het resultaat van de vroeg-
hulp'. Dit zijn signalen die aangeven 
dat een en ander op een betere 
manier moet worden aangepakt. 

De heer Mik constateert in zijn 
motie 'dat de regering voornemens is 
de raden voor de kinderbescherming 
de vroeghulp te laten verrichten in 
het kader van een strafzakenenquête, 
wat een beperking van de hulp 
impliceert'. Ik ben niet van plan, de 
vroeghulp op deze wijze te vertalen. 
De hulp wordt verleend door hulpver-
leningsinstanties. De raden verlenen 
geen hulp. Zij signaleren slechts en 
bezien of er hulp nodig is. Ik kan mij 
dan ook niet vinden in deze constate-
ring. 

Ten slotte vraagt de heer Mik in 
zijn motie, te bezien of de aanpak van 
RBS 38 in Groningen niet ook in de 
rest van het land navolging kan 
vinden. Een onderzoek daarnaar zou 
zeer uitgebreid van opzet moeten 
zijn. Ik voel me daartoe niet zo 
aangetrokken. De situatie in Gronin-
gen is zeer specifiek. De aanpak in 
Groningen heeft verder weinig 
weerklank gevonden in de rest van 
het land. 

De heer Mik (D'66): Is dat wel 
geprobeerd? 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Wij besteden altijd aandacht aan 
signalen als die uit Groningen. 

Het zou niet juist zijn dat wij de 
Groningse aanpak zouden opleggen 
aan particuliere instellingen. Ik vind 
het opmerkelijk dat men in Groningen 
een combinatie toepast die men niet 
wenselijk acht bij de raden voor de 
kinderbescherming, namelijk voorlich-
ting, rapportage en hulpverlening. 
Ook de heer Mik heeft de gedachte 
onderschreven dat voorlichting en 
hulpverlening van elkaar moeten 
worden gescheiden. Dat is een 
argument om de Groningse aanpak 
niet aan andere hulpverlenende 
instanties voor te houden. 

De heer Mik (D'66): Nou breekt mijn 
klomp! Het gaat hierbij om een 
private vorm van hulpverlening 

waarbij men deze zaken zo veel 
mogelijk op pragmatische wijze 
tracht te benaderen. Het Groningse 
project is één van de weinige 
succesvolle projecten van de 
Werkgroep GIWJ; het is tien jaar 
geleden afgerond. Het project heeft 
alom lof gekregen vanwege de alerte, 
juridisch-sociale en psychische 
vroeghulp. In de Groningse aanpak is 
er sprake van overleg tussen de 
kinderrechter en de officier van 
justitie. Bovendien worden vele 
jongeren door dit project uit de 
justitiële molen gehouden, hetgeen 
in het belang van deze jongeren is 
maar ook enorm kostenbesparend 
werkt. Ik begrijp natuurlijk best dat 
de staatssecretaris deze aanpak niet 
kan opleggen aan private instellingen 
in het land. Daarom vraag ik in mijn 
motie dan ook niet. Ik vraag of 
onderzocht kan worden of dit model 
verder kan worden gestimuleerd. Als 
een raad voor de kinderbescherming 
al iets kan stimuleren in deze zin, kan 
de landelijke overheid dat zeker. Ik 
begrijp dan ook niet waarom u zo 
afhoudend bent. 

U zegt dat de situatie in Groningen 
heel specifiek is. Groningers zijn 
inderdaad bijzondere mensen. 
Misschien kunt u toch expliciteren 
wat het bijzondere van Groningen is. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Om te beginnen spreek ik mijn 
waardering uit voor de gang van 
zaken in Groningen. Ik heb absoluut 
niet bedoeld enigerlei kritiek te 
leveren op de werkwijze in Groningen. 
Integendeel, men heeft elkaar in het 
Groningse zo weten te vinden, en 
men weet over en weer bij het werk 
betrokken te blijven. Dat lijkt mij het 
specifieke van de situatie in Gronin-
gen. 

Uit zijn langdurige verleden op dit 
terrein zal het de heer Mik ook niet 
onbekend zijn dat er zaken zijn die op 
de rails worden gezet terwijl zij soms 
heel sterk hangen aan één persoon 
of aan een groep mensen, die in de 
loop der jaren een ander karakter 
krijgt. Ik acht het bijzonder belangrijk 
dat men in Groningen op deze wijze 
kan blijven werken. Dat blijkt al uit de 
subsidiëring. 

Niettegenstaande alle waardering 
die ik ervoor heb, kan ik niet onder de 
conclusie uit dat daar juist wel die 
niet gewilde - de heer Mik sprak van 
'fuikwerking' - elementen aanwezig 
zijn. Het betreft dan de voorlichting , 
de contacten met de justitiële 
vertegenwoordigers én de hulpverle-
ning. Ik vind het prima dat het daar 
goed functioneert. Dit doet mij 

echter alleen maar aarzelen om 
gevolg te geven aan de motie van de 
heer Mik en te zeggen dat we zullen 
nagaan of we het ergens anders ook 
kunnen doen. 

De heer Mik (D'66): Mevrouw de 
Voorzitter! Dit betrof een project in 
het kader van de gemengde interde-
partementale werkgroep jeugdwel-
zijnsbeleid, waarin de regering ook 
participeert. Dat experiment is 
geslaagd. Het is geëvalueerd en van 
alle kanten goedbevonden. Ik vind 
het dan een hoogst merkwaardige 
gang van zaken, als de regering zegt 
dat dit goedbevonden experiment 
niet kan worden gegeneraliseerd. 
Ook al kan de regering dit niet 
rechtstreeks doen, zij kan toch de 
voorwaarden scheppen, opdat dit 
experiment zijn weg vindt in het land. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Mevrouw de Voorzitter! Omdat het 
goed bleek te werken, is er veel 
contact geweest met de medewerkers 
van RBS 38. Het is ons in gesprekken 
gebleken dat de RBS-mensen zelf 
niet zo goed weten, hoe zij hun wijze 
van werken zouden moeten overbren-
gen naar de regio's. Voorts moet 
bedacht worden dat, omdat het een 
experiment was, het buitengewoon 
veel mogelijkheden heeft gekregen 
om het zo goed mogelijk te doen 
slagen. Welaan, daaraan is mede te 
danken dat het is geslaagd. 

Het feit dat het experiment 
geslaagd is doordat er bijzonder veel 
kosten voor gemaakt zijn, kan en , 
mag op zich zelf nog geen aanleiding 
zijn om als zodanig na te gaan of het 
aldus in het gehele land kan worden 
ingevoerd. Gegeven de omstandig-
heid dat nu een model wordt 
aangeboden, via de strafzakenenquê-
te, dat een voldoende en, in mijn 
ogen, ook verantwoorde regeling kan 
bieden om op snelle en adequate 
wijze jongeren die met de politie in 
aanraking zijn gekomen, op weg te 
helpen, meen ik dat deze strafzaken-
enquête een zeer redelijk alternatief 
is voor datgene wat de heer Mik in 
zijn motie vraagt. Ik zou deze motie 
derhalve willen ontraden. 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): Ik 
zou hierop graag nog even ingaan. 
Allereerst is een strafzakenenquête 
geen vroeghulp. Wij hebben allen 
onderkend, dat in bepaalde situaties 
aan jongeren hulp verleend moet 
worden, niet alleen als ze in verzeke-
ring gesteld zijn, maar ook - dat was 
juist het mooie van RBS 38 - als zij 
nog niet in een dergelijke situatie zijn 
geraakt, ter voorkoming van een 
aantal feiten. 

Bijzondere commissie 
Jeugdwelzijnsbeleid 

Vervolg notitie 

Raad voor de Kinderbescherming 

UVC2 

23 september 1985 2-16 




Korte-van Hemel 

De staatssecretaris zal zich zeker 
nog herinneren, dat wij een aantal 
jaren geleden gevraagd hebben om 
het experiment RBS 38 door te 
zetten. Toen werd geantwoord dat dit 
helemaal niet kon, omdat het te zeer 
samenhing met degene die het in 
eerste instantie had opgezet. Nu 
blijkt dat dit niet het geval is. Nu 
blijkt dat dit project ook los daarvan 
een kans van slagen heeft. 

Wat is nu feitelijk een experiment? 
Een experiment wil zeggen, dat men 
een bepaald model heeft, dat naar 
verschillende kanten kan worden 
uitgewerkt, maar waarmee men kan 
stoppen, wanneer het een flop blijkt 
te worden. Dat is juist het fijne van 
een experiment. Wij laboreren er 
nogal eens aan in dit land, dat wij, als 
wij eenmaal iets doen, dit ook door 
moeten zetten, terwijl het ook 
opgedoekt kan worden. 

Aan de andere kant is het natuurlijk 
waanzin om experimenten op te 
zetten en dan te zeggen, dat deze 
hartstikke goed geslaagd zijn en 
prima gewerkt hebben, om ze daarna 
weg te gooien en er niets meer mee 
te doen. Het karakter van een 
experiment is juist dat men kijkt of 
men er iets mee kan doen of niet. 
Wellicht kan men het niet onmiddellijk 

- dat vraagt collega Mik ook niet -
over het hele land verspreid toepas-
sen. 

Wel kun je natuurlijk kijken bij een 
geslaagd experiment of je met dit 
model of een enigszins ander model, 
aangepast aan de omstandigheden in 
een andere plaats, ergens anders een 
proef kunt nemen. Op die manier zou 
het dan mogelijk kunnen zijn dat wij 
met elkaar onze doelstellingen 

- voorkoming van maatregelen, 
voorkoming van strafzaken - door 
een goede hulpverlening kunnen 
bereiken. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Om misverstand te voorkomen, wil ik 
hierop het volgende zeggen. Wat 
daar gebeurt, is niet als experiment 
opgezet. Er werd in een bepaalde 
ongestructureerde setting gewerkt. 
Daarvoor waren niet allerlei regels 
vastgesteld. De basis van het project 
werd toen bekeken en men kreeg 
middelen om op die basis verder te 
gaan. Het was dus niet een voorop-
gezet experiment. Er was iets dat 
goed werkte en het werkt nog steeds 
goed. 

Maar ik heb zoeven al gezegd, dat 
de medewerkers van de RBS 
verklaard hebben dat zij niet goed 
weten hoe zij dit model, dat niet in 

Bijzondere commissie 
Jeugdwelzijnsbeleid 

een structuur vastzit, aan anderen 
kunnen overdragen. Het lijkt mij dan 
ook niet logisch om te proberen om 
iets dat geen structuur heeft ergens 
anders van de grond te krijgen. 
Logisch is wel om datgene wat 
specifiek in die situatie met die 
bepaalde mensen nu zo goed werkt, 
te laten functioneren zoals het nu 
functioneert. 

De heer Van der Vlies (SGP): De 
staatssecretaris heeft bij de beoorde-
ling van de motie gezegd dat de 
Groningse situatie specifiek is en dat 
er elders weinig weerklank is. Moet ik 
hieruit concluderen dat er elders niet 
de drang bestaat om naar een andere 
structurering dan wel naar een 
ontmanteling van structureren te 
komen om de positieve effecten te 
verkrijgen die kennelijk in het 
Groningse project aanwezig zijn, 
eventueel met bijstellingen op 
onderdelen om de bezwaren die de 
staatssecretaris ook formuleerde te 
retireren? 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Dat lijkt mij een erg moeilijk onder-
zoek. Men moet dan van instellingen 
die binnen een bepaalde structuur 
hulpverlening bieden, vragen hun 
structuur weg te doen en toch door 
te gaan met werken. Immers de 
structuur waarbinnen men werkt en 
hulp verleent, blijkt geen hinderpaal 
te zijn. Het model in Groningen, dat 
precies andersom is - daar is de 
hulpverlening tot stand gekomen 
zonder dat er een structuur was -
blijkt echter niet gemakkelijk over te 
kunnen worden gebracht naar 
instellingen waar wel structuren zijn. 

De heer Mik (D'66): En Argus dan? 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Ik zou Argus via mijn antwoord aan 
de heer Mik het volgende advies 
willen geven. In het beleidsplan 
samenleving en criminaliteit zijn 
gelden uitgetrokken om lokale 
initiatieven via de lokale overheid 
voor te dragen voor subsidiëring. 
Aangezien hier preventieve elementen 
in voorkomen, zou datgene wat 
Argus moveert door de gemeente 
Utrecht - als de gemeente Utrecht 
hiertoe zou kunnen komen - kunnen 
worden voorgedragen voor een 
subsidiëring of honorering vanuit de 
specifieke middelen die hiervoor zijn 
aangetrokken. Argus is nog niet zo 
lang bekend op het ministerie van 
Justitie, maar ik weet wel dat de 
voorliggende aanvraag voor subsidie 
op het ogenblik beoordeeld wordt in 
de gemeenschappelijke bestedings-
commissie tussen het ministerie van 

Vervolg notitie 

Raad voor de Kinderbescherming 

WVC en Justitie. Dat onderzoek is 
nog niet afgerond. 

De heer Mik (D'66): Tussen Gronin-
gen en Utrecht zijn dan toch verban-
den mogelijk? 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Dat weet ik niet. Men heeft mij wel 
geïnformeerd dat Argus op een heel 
andere basis werkt. Ik heb ook 
gezien wat hun doelgroep is, en dat 
is een andere dan die van RBS-Gro-
ningen. Ik meen dan ook dat elk 
plaatselijk initiatief op zijn eigen 
merites moet worden bekeken. 

Mevrouw de Voorzitter! Het derde 
onderdeel van de vervolgnotitie werd 
gevormd door de alternatieve 
sancties, waarop mevrouw Haas-Ber-
ger en anderen zijn ingegaan. Het 
essentiële punt van een alternatieve 
sanctie voor jeugdigen in vergelijking 
met de dienstverlening voor volwas-
senen is enerzijds gelegen in vooral 
het pedagogische en anderzijds het 
strafkarakter. De coördinerende 
functie van de raden bestaat uit de 
initiërende, de organiserende en de 
toezichthoudende taken. Het toezicht 
op de alternatieve sanctie wordt op 
de projectplaats in eerste instantie 
uitgevoerd door de medewerking van 
de projectplaats. 

Verschillende leden zijn daarop 
ingegaan en hebben gevraagd - wat 
hoogstwaarschijnlijk slaat op 
hetgeen op pagina 1 6 van de 
vervolgnotitie staat - wie die anderen 
zijn, die de begeleidende activiteiten 
ten opzichte van de jeugdigen 
moeten uitvoeren. Het toezicht en de 
begeleiding moeten inderdaad 
worden uitgevoerd met medewerking 
van de projectplaats. 

De heer Willems (PSP): De staats-
secretaris besteedde één zin, min of 
meer als inleiding, aan het specifieke 
karakter van de dienstverlening aan 
jeugdigen. Wordt dit niet verder 
uitgewerkt? De staatssecretaris gaat 
nu weer over naar punten die 
identiek zijn voor jeugdigen en 
meerderjarigen. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Mevrouw de Voorzitter! Ik kan dat 
wel helemaal uitwerken, maar nu is 
uitsluitend de coördinatie van de 
alternatieve sancties voor jeugdigen 
aan de orde. Een inhoudelijke 
discussie over de alternatieve 
sancties, de waarde ervan, de 
waarderegeling en de organisatie lijkt 
mij veel meer op haar plaats wanneer 
wij de eindrapportage van de 
commissie-Slagter behandelen. Er is 
nu een interim-rapportage, waarbij ik 
mij in grote lijnen heb aangesloten. 

UVC2 

23 september 1985 2-17 




Korte-van Hemel 

Op dit moment lijkt mij een intensieve 
discussie over de plaats en taak van 
de alternatieve sancties niet op haar 
plaats, tenzij de commissie daarom 
vraagt. 

De heer Willems (PSP): Ik vraag 
daar helemaal niet om! Ik heb het 
niet over het eindrapport van de 
commissie-Slagter, maar over het 
tussentijdse rapport en over de 
beslissing die de staatssecretaris op 
basis daarvan neemt. 

Het tussentijdse rapport kiest voor 
duidelijk gescheiden circuits. Ik heb 
gevraagd naar de motivering daarvoor 
en dat deed de staatssecretaris af 
met één zin, terwijl ik juist heb 
gewezen op allerlei overeenkomsten, 
waardoor een coördinatie moet 
plaatsvinden. De staatssecretaris kan 
toch niet zeggen, dat dit niet hier ter 
discussie staat! Het is juist het enige 
wat vandaag ter discussie staat, 
althans wat betreft de alternatieve 
sancties! Wat houdt de coördinerende 
taak in en hoe verhoudt zich die tot 
taken van anderen? 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

De dienstverlening is tot de dag van 
vandaag nog niet geregeld als een 
sanctie. De alternatieve dienstverle-
ning is iets dat in de plaats komt van 
een opgelegde onvoorwaardelijke 
gevangenisstraf. Hier hebben wij 
heel nadrukkelijk wel met een sanctie 
te maken, opgelegd als zodanig. Het 
kenmerkende van de dienstverlening 
is, dat de rechter genoegen neemt 
met een verleende dienstverlening en 
dan geen sanctie oplegt. Dat is een 
kardinaal verschil tussen de dienstver-
lening en de alternatieve sanctie voor 
jeugdigen. 

Juist omdat het de tenuitvoerleg-
ging van een straf is - op dit moment 
weliswaar nog niet in de wet geregeld, 
maar dat is mogelijk omdat het om 
een experiment gaat - is er een 
plaats nodig waar de straf kan 
worden begeleid en waar ervoor kan 
worden gezorgd dat deze straf wordt 
voltooid. 

De heer Willems (PSP): Ja maar 
Voorzitter, ik heb deze punten 
waarmee ik geen problemen heb 
helemaal niet bestreden. Ik heb 
alleen gevraagd wat nu het specifieke 
is van de sancties voor jeugdigen ten 
opzichte van de dienstverlening aan 
meerderjarigen en of geen overleg 
moet plaatsvinden, bij voorbeeld over 
de werving van projecten, begeleiding 
en dergelijke. Bovendien verschillen 
de groepen delinquenten - jongeren 

en ouderen - niet zo wezenlijk van 
elkaar als zij 17 jaar zijn of 19. 

Daarom heb ik gevraagd daar-
van een nadere motivering te geven. 
De commissie-Slagter komt alleen 
naar voren met aanbevelingen ten 
aanzien van jongeren, omdat die 
commissie daarvoor is ingesteld. 
Wellicht - dat is nu de politieke vraag 
die aan de orde is - heeft die te 
weinig over de grenzen van haar 
eigen opdracht heen behoeven of 
moeten kijken. Maar dan zullen wij er 
toch naar moeten kijken? 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

De heer Willems spreekt nu over de 
taakopdracht, de wijze waarop de 
commissie-Slagter in haar eindrap-
portage verantwoording aflegt over 
de opdracht en het al dan niet over 
haar grenzen heen kijken. Ik kan 
daarover op dit ogenblik geen 
oordeel hebben omdat de eindrappor-
tage nog niet binnen is. Die zullen wij 
dus eerst moeten afwachten. 

De heer Willems (PSP): Het gaat 
niet om een oordeel over de eindrap-
portage van de commissie-Slagter. 
De taakstelling van de commissie is 
beperkt geweest. Dat is gewoon een 
feit. Dat brengt met zich dat wij in de 
politiek moeten beoordelen wat wij 
met de conclusies doen. Dat staat ter 
discussie. 

De Voorzitter: Wij spreken nu over 
het interim-rapport, meer nog over 
hetgeen in de notitie is vermeld. Er 
komt nog een definitief rapport van 
de commissie-Slagter. Ik zou die 
discussie graag tot dan willen 
uitstellen. Ik kijk naar de klok; ik had 
graag gezien dat er nog een tweede 
termijn kan komen. Ik heb gemerkt 
dat enkele grote fracties daaraan nog 
behoefte hebben. Ze hebben daarvoor 
ook nog spreektijd. Ik wil de discussie 
op het ogenblik dus wat beperken. 

Mevrouw Evenhuis-van Essen 

(CDA): Ik raak toch wat in verwarring 
door de opmerking van collega 
Willems. Op bladzijde 1 6 van de 
vervolgnotitie staat onder andere: 
'Voorts wordt gewezen op het belang 
om bij het verwezenlijken van de 
coördinatie bij de raad voeling te 
houden met de coördinatie van de 
dienstverlening voor volwassenen, 
gezien de bestaande raakvlakken.' 
Het is dus wel degelijk opgenomen in 
het totaal. Ik verwacht ook dat wij 
wat dat betreft een verduidelijking 
krijgen in het eindrapport van de 
commissie-Slagter. 

De heer Willems (PSP): Ik heb dit 
geciteerd in mijn eerste termijn. 

Daarbij heb ik gezegd dat er blijkbaar 
wel aandacht aan dit punt wordt 
besteed, maar dat dat naar mijn idee 
volstrekt te weinig onderbouwd is en 
met te weinig belang is aangegeven. 
Ik vind 'het voeling houden' iets 
anders als het 'zorgen voor het 
coördineren van de verschillende 
processen'. Dat vraagt een veel 
actievere opstelling en vraagt ook 
bepaalde maatregelen. Daarvoor heb 
ik enkele suggesties gedaan. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Ik zal de woorden van de heer 
Willems op hun merites beoordelen 
en zal nagaan in hoeverre het 
'gedacht wordt aan' onderbouwd 
wordt in het gehele interim-rapport. 
Ik zal daaraan extra aandacht 
besteden wanneer ik een conclusie 
moet trekken over het eindrapport. 

Mevrouw de Voorzitter! Er is 
gevraagd of er wel voldoende 
werkplekken en mogelijkheden zijn 
om de alternatieve sancties te 
effectueren. In alle arrondissementen 
kunnen op dit ogenblik alternatieve 
sancties worden opgelegd; de 
experimenten kunnen doorgaan. Tot 
nu toe is niet gebleken dat er 
problemen zijn met het vinden van 
mogelijkheden om de alternatieve 
sanctie ten uitvoer te laten leggen. 
De organisatorische opzet in de 
andere arrondissementen is overeen-
komstig het interim-advies van de 
commissie-Slagter. Dat blijkt ook uit 
de reacties in eerste termijn. In grote 
lijnen kan men zich vinden in deze 
opzet. In de loop van dit jaar zijn er' 
inmiddels in 17 arrondissementen 
coördinatoren aangesteld. 

Er is op het ogenblik in verschillende 
arrondissementen een redelijke 
ervaring met alternatieve sancties 
opgedaan, terwijl in andere weer een 
opzet van een nieuw begin is 
gemaakt. Ik vind het erg belangrijk de 
ontwikkelingen nauwgezet te blijven 
volgen. Juist bij de opzet in nieuwe 
arrondissementen lijkt het mij van 
belang - ik ga nu nog even in op de 
opmerking van de heer Willems - of 
en zo ja hoe er iets tot stand komt 
van een samenwerking tussen het 
minderjarigen- en meerderjarigencir-
cuit. 

Mevrouw Evenhuis heeft haar zorg 
uitgesproken over het verblijf van 
jongeren op politiebureaus. Ik deel 
die zorg. Bij de UCV over het beleids-
plan samenleving en criminaliteit is 
dit ook aan de orde geweest. Daarin 
is ook melding gemaakt van de 
bezorgdheid van de minister en mij 
over dit punt. Het is de laatste jaren 
wel verminderd. Ik hoop echter dat 

Bijzondere commissie 
Jeugdwelzijnsbeleid 

Vervolg notitie 

Raad voor de Kinderbescherming 

UVC2 

23 september 1985 2-18 




Korte-van Hemel 

wij maatregelen kunnen treffen zodat 
wij, afgezien van in noodgevallen, 
niet meer op politiebureaus behoeven 
te plaatsen. Het behoudt sterk mijn 
aandacht. 

De heer Mik heeft erop gewezen 
dat de raden, die in de regio's gaan 
samenwerken, niet alleen de zwakke 
plekken in de hulpverlening moeten 
signaleren. Hij vroeg zich af of het 
ook niet een taak voor de raden is, 
attent te zijn op de maatschappelijke 
achtergronden in een bepaalde regio 
die aanleiding of mede oorzaak 
zouden kunnen zijn voor bepaalde 
negatieve aspecten. Ik heb de raden 
gevraagd, in hun jaarverslagen 
hieraan aandacht te besteden. 

De heer Mik heeft verder nog 
gevraagd wat er gebeurt met zaken 
die wel in behandeling worden 
genomen, maar die niet leiden tot 
een onderzoek van een maatschappe-
lijk werker. Over het algemeen gaat 
het daarbij om eenvoudige zaken, die 
in gesprekken op het bureau kunnen 
worden afgedaan. Als regel leiden 
die tot een advies, bij voorbeeld aan 
de kantonrechter. Men komt ook bij 
de raad voor administratiefrechtelijke 
zaken, zoals naamswijziging. Die 
zaken behoeven niet veel verdere 
bemoeiing van de raad. 

Mevrouw Lucassen heeft nog 
gesproken over het toepassen van de 
WOB op het beschikbaar stellen van 
de rapporten van de raden, als er 
geen bijzondere inzageregeling geldt. 
De verzoeken om afgifte van rapporten 
van de raden worden getoetst aan de 
daarvoor geldende regelingen. 
Betreft het rapporten die in procedu-
res aan de rechter worden overgelegd, 
dan geldt de bijzondere regeling van 
artikel 908a en 908b van het 
Wetboek van rechtsvordering. Die 
geeft slechts recht op inzage en niet 
op afschrift. 

Bij de overige rapporten vindt 
toetsing aan de WOB plaats. Op dit 
moment wordt nagegaan, op welke 
wijze aan verzoeken om openbaarheid 
kan worden voldaan. Hierover wordt 
de mening gevraagd van de raden 
voor de kinderbescherming zelf, welke 
voordelen en welke bezwaren zij zien. 
Wij stellen het oordeel van de 
medewerkers van de raden hierbij 
zeer op prijs. 

Mevrouw Lucassen-Stauttener 

(VVD): Ik begrijp uit het betoog van 
de staatssecretaris, dat er op grond 
van de WOB nog geen enkel afschrift 
is afgegeven en dat de raden wordt 
gevraagd, wat zij ervan vinden. Ik 

dacht dat er gewoon een uitspraak 
lag. Anders moet eenieder gaan 
procederen. Ik heb ook begrepen dat 
dat gaat gebeuren. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Er kunnen tussen de WOB en het 
Wetboek van Rechtsvordering 
spanningen ontstaan over wat al of 
niet ter inzage mag worden gegeven 
of mag worden afgegeven. Er liggen 
wat dat betreft ook stukken bij de 
Raad van State, waarover moet 
worden beslist. Dat is dus als het 
ware onder de rechter. 

Mevrouw Lucassen-Stauttener 

(VVD): Dat is toch al geregeld? 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Ja, maar als in een bepaald geval 
verschil van mening over de toepas-
sing van de WOB tussen ons en 
betrokkenen bestaat, dan is het juist 
dat de administratieve rechter wordt 
ingeschakeld om een eindoordeel te 
vellen. Wat dat betreft ligt de zaak nu 
bij de rechter. Wel worden thans 
andere gegevens dan de raadsrappor-
ten zelf afgegeven, als men daarom 
vraagt. De kwestie van de raadsrap-
porten zelf ligt dus bij de rechter en 
bovendien ligt bij de Raad van State 
de vraag of er sprake is van botsing 
met het Wetboek van Rechtsvorde-
ring. Ook ligt een wetsontwerp 
klachtrecht particuliere sector, 
waarin dit mede aan de orde komt, 
voor advies bij de Raad van State. Op 
verschillende terreinen wordt dus 
gewerkt aan de oplossing van het 
probleem. 

De heer Van der Vlies merkte op 
dat weglopers wel erg gemakkelijk 
hulp en een uitkering kunnen krijgen. 
Waarschijnlijk doelde hij op de 
TSMD-vergoeding, waarover 
verleden week in een UCV door de 
heer Van der Reijden is gesproken. 
Als de ouders er bezwaar tegen 
hebben, wordt de TSMD-vergoeding 
gestopt en dan kan een onderzoek 
van de raad aan de orde komen, 
maar dat is niet nodig. Ik meen, dat 
ik hiermee op dezelfde lijn zit als de 
heer Van der Vlies. 

De heer Van der Vlies (SGP): Mijn 
vraag werd mede ingegeven door het 
bericht dat mij bereikte, namelijk dat 
er divergentie bestaat tussen de 
mogelijkheden en moeilijkheden om 
een bestaansmogelijkheid te arrange-
ren in het ene en in het andere 
district. Er zouden sociale diensten 
zijn die een wat ruimhartiger beleid 
voeren dan van justitiële zijde 
gewenst en bruikbaar wordt geacht, 
bruikbaar omdat het gaat om 

harmoniëring van de relatie tussen 
jongeren en thuismilieu. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

De uitvoering van de TSMD en, in 
andere gevallen, van de ABW ligt in 
handen van de lokale overheid. De 
zozeer beoogde decentralisatie van 
bevoegdheden, kan op dit terrein op 
verschillende manieren uitkomst 
bieden. Bij het al of niet verlenen van 
een uitkering kan bij de Raad van 
State in beroep worden gegaan, 
zodat zich hieromtrent wel enige 
jurisprudentie vormt, maar de basis 
van het geheel wordt toch gevormd 
door gemeentelijk beleid. Er bestaan 
wel algemene richtlijnen voor het 
verschaffen van middelen aan 
weggelopen jongeren, maar het is 
verder beleidsterrein van de lokale 
overheid. 

De heer Van der Vlies (SGP): Met 
andere woorden, u ziet geen moge-
lijkheden c.q. noodzaak om de 
richtlijnen op dit punt te verduidelijken 
c.q. aan te scherpen? 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Als het gaat om niet-justitiële 
jongeren, is er geen taak voor de 
staatssecretaris van Justitie. De 
lokale overheid moet het benaderen 
via het kanaal van de vrijwillige 
hulpverlening. Het zou ook slecht 
zijn, als van de kant van Justitie een 
signaal op dit punt naar de lokale 
overheid zou uitgaan. 

Mevrouw de Voorzitter! Verschillen-
de leden hebben zich bezorgd 
uitgelaten over de positie van 
allochtone jongeren. Is er genoeg 
kennis bij de maatschappelijk 
werkenden aanwezig en zijn er 
genoeg mogelijkheden om de 
problemen van de jongeren naar 
voren te laten komen? Ik weet dat de 
raden voor de kinderbescherming erg 
alert zijn ter zake van de problematiek. 
De maatschappelijk werkenden 
worden in de gelegenheid gesteld 
om zich te scholen. In het algemeen 
hebben de raden geen speciale taak 
voor allochtone jongeren. 

Bij overschrijding van de landsgren-
zen - kidnapping van Nederlandse 
kinderen naar het buitenland of van 
hier verblijvende buitenlandse 
kinderen naar het land van herkomst 

- houdt de bevoegdheid van de raad 
op. Voor een dergelijke situatie 
moeten de anti-kidnapverdragen 

- waarvan de ratificatie thans wordt 
voorbereid - een oplossing bieden. 

Mevrouw de Voorzitter! Inmiddels 
heeft mij de samenstelling van de 
werkgroep herziening beklagregelin 
gen raden voor de kinderbescherming 
bereikt: 

Bijzondere commissie 
Jeugd welzijnsbeleid 

Vervolg notitie 

Raad voor de Kinderbescherming 

UVC2 

23 september 1985 2-19 




Korte-van Hemel 

de heer Hendriks, voorzitter van de 
raad in Den Bosch, de heer Kappeijne 
van de Capello, voorzitter van de 
commissie II, mevrouw Blom, lid van 
het college van advies voor de 
kinderbescherming en vice-president 
van de rechtbank te Haarlem, de heer 
Patijn, raadsadviseur bij de stafafde-
ling wetgeving publiekrecht, de heer 
Baars, secretaris van de raad in 
Amsterdam, de heer Doesburg, 
hoofd van administratie raad Gronin-
gen, de heer Mondria, unithoofd raad 
Maastricht, mevrouw Van Dongen-
Van Kempen, plaatsvervangend 
unithoofd raad Dordrecht, mevrouw 
Van der Werf, maatschappelijk 
werkster raad Arnhem, de heer Ten 
Siethoff, stafbureau juridische zaken, 
directie kinderbescherming en 
mevrouw Van Koetsveld, afdeling 
raden voor de kinderbescherming. 

De Voorzitter: Thans is de tweede 
termijn aan de orde. Voor de PvdA 
resteren nog 9 minuten, voor het 
CDA: 13 en voor de VVD: 11. D'66 
heeft geen tijd meer en de PSP en de 
SGP staan op 1. Ik stel voor, de heer 
Mik 2 minuten te geven en de heren 
Willems en Van der Vlies één minuut, 
en echt niet meer. Ik zal nu streng zijn 

D 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): 
Mevrouw de Voorzitter! Ik zou graag 
willen weten, wanneer de beklagrege-
ling er komt. Dezelfde vraag geldt 
voor uitwijking van het inzagerecht. 
Op dit punt moeten nog een aantal 
zaken worden geregeld. De zaak is 
vandaag niet voor het eerst in 
discussie. 

Wat betreft de mogelijkheid van 
correctie geeft de staatssecretaris 
aan, dat het verhaal van betrokkene 
gevoegd mag worden bij het advies 
van de raad. Dit kan heel juist zijn. 
Als de mening en overtuiging van de 
maatschappelijk werker neergelegd 
zijn, zal de mening van betrokkene 
daarnaast moeten worden gesteld 
opdat de rechter de zaken kan 
afwegen. Echter, gaat het om feiten 
en aantoonbare fouten dan moet 
correctie mogelijk zijn. Deze mogelijk 
heid moeten wij openhouden. 

Sprekend over de contra-expertise 
geeft de staatssecretaris aan dat er 
mogelijkheden zijn. Dit aspect kan 
met de kinderrechter worden 
besproken en dan vindt contra-exper-
tise wel eens plaats. 

Mevrouw de Voorzitter, ik meen 
dat een en ander niet afhankelijk mag 

Bijzondere commissie 
Jeugdwelzijnsbeleid 

worden gesteld van het oordeel van 
iemand die in een latere fase over 
dezelfde zaak een beslissing moet 
nemen. De kinderrechter mag niet in 
de positie worden gebracht, waarbij 
hij het verhaal van de raad voldoende 
acht en contra-expertise afwijst 
terwijl hij later over hetzelfde geval 
een beslissing moet nemen, waarbij 
er eventueel brokken kunnen worden 
gemaakt. 

Dit recht op contra-expertise moet 
in de wet worden neergelegd opdat 
betrokkene weet dat op verzoek die 
mogelijkheid altijd kan worden benut, 
zodat het onderzoek van een ander 
bij de oordeelsvorming door de 
rechter kan worden betrokken. 

Het is niet juist dat de uiteindelijke 
beslissing en de beslissing welke 
informatie aan hem zal worden 
voorgelegd door dezelfde persoon 
genomen wordt. Ik meen, mevrouw 
de Voorzitter, dat het duidelijk is dat 
het recht op contra-expertise in de 
wet neergelegd moet worden. 

Wij spreken vandaag ook niet voor 
het eerst over de fuikwerking. Vanaf 
het moment dat ik in dit huis aanwezig 
ben, zijn wij hierover bezig. De 
staatssecretaris weet net zo goed als 
ik dat een van de redenen waarom de 
raden voor de kinderbescherming zo 
verschrikkelijk lang in een kwaad 
daglicht hebben gestaan is dat men 
om hulp vroeg en in een maatregel 
terechtkwam. De staatssecretaris 
suggeert een beetje dat de betrokke-
nen dit zo beleven. Wij proberen dit 
te ondervangen door het verstrekken 
van folders, het geven van mondelinge 
voorlichting en het verbeteren van de 
opleiding op dit punt. 

Ik heb in mijn eerste termijn al 
gesteld dat wij het hiermee volstrekt 
eens zijn. Dit moet ook gebeuren. 
Folders, mondelinge voorlichting en 
verbetering van de opleiding zijn heel 
hard nodig. Hieraan zal inderdaad 
extra aandacht moeten worden 
besteed. Wij zullen meer gebruik 
moeten maken van de opleiding die 
vroeger aan maatschappelijk werkers 
die in dienst van Justitie waren, werd 
gegeven. 

Echter, nu wij eindelijk - in alle 
oprechtheid mag ik dit toch wel 
zeggen - een deel van de kritiek op 
de raden hebben ondervangen, ben 
ik bang dat de raden weer gedwongen 
zullen worden op een wijze te 
functioneren die de fuikwerking weer 
in de hand werkt. Op dit moment 
zien wij de effecten van de bezuini-
gingen op het tot stand komen van 
een samenhangend jeugdwelzijnsbe-
leid. Uit het laatste jaarverslag van 

Vervolg notitie 

Raad voor de Kinderbescherming 

de kinderrechters blijkt dat er geen 
plaats is voor kinderen tussen 1 5 en 
22 jaar. 

Er is gebrek aan plaatsen, maar er 
is ook een gebrek aan vrijwillige 
hulpverlening. Er zijn moeilijkheden 
tussen Justitie en WVC over de 
ouderbijdrage. Mensen gaan naar de 
raden om vrijwillige hulpverlening 
maar de mogelijkheden voor het 
verlenen van die hulp blijken er niet 
te zijn. De raden zullen welhaast 
gedwongen zijn om maatregelen te 
nemen. 

Ik denk dan ook dat samenhangend 
beleid, ook wat betreft de ouderbijdra-
ge en de mogelijkheden van hulpver-
lening, gerealiseerd moet worden. 

De staatssecretaris sprak over de 
vroeghulp. Het gaat om twee dingen: 
laten wij elkaar niets wijsmaken! In 
de eerste plaats gaat het om de 
informatie, Je kunt dat strafzakenen-
quête noemen. Je moet er dan wel 
voor zorgen dat de informatie aan de 
jeugdigen zo gegeven wordt dat ze 
op de hoogte zijn van de consequen-
ties, dat ze weten wat er gaat 
gebeuren en hoe een en ander 
verloopt. In de tweede plaats gaat 
het erom dat, alhoewel de staatsse-
cretaris zegt dat er geen echte 
hulpvraag naar voren komt, er 
hooggekwalificeerde mensen moeten 
zijn die die latente hulpvraag - die is 
er zeker, maar zo gemakkelijk kan 
men er niet mee naar voren komen, 
want men zit nu eenmaal niet in zo'n 
prettige situatie - wél naar voren 
kunnen halen. Ik ben dat met Mik 
eens. Worden andere hulpverleners, 
dus niet jusitiële, dan ook in de 
politiecellen toegelaten, opdat de 
benodigde hulp metterdaad kan 
worden gegeven? Het gaat dus én 
om de informatie - duidelijke 
informatie aan de jeugdigen - én om 
een reële hulpverlening. Die mag niet 
achterwege blijven doordat wij ons 
nu maar verstoppen achter de 
strafzakenenquête. 

Eenzelfde vraag heb ik wat betreft 
de alternatieve sanctie. Ik kom 
eigenlijk steeds weer met dezelfde 
vragen. De staatssecretaris begon te 
spreken over het pedagogische 
karakter en over de straf, twee 
elementen van de alternatieve 
sanctie. Akkoord. In mijn eerste 
termijn heb ik ook gesproken van 
begeleiding en hulpverlening opdat 
de jeugdige weet wat hij heeft 
gedaan en wat dat voor hem betekent. 

De staatssecretaris zei vervolgens 
dat de raden drie taken hebben; 
initiërend, organiserend en toezicht-
houdend. Toezichthoudend op het 
ten uitvoer leggen van de sanctie. 

UVC2 

23 september 1985 2-20 




Haas-Berger 

Akkoord, dat moet gebeuren door 
een justitiële instelling. Maar waar 
blijft dan het pedagogisch karakter? 
Waar blijft de hulpverlening, waar 
blijft de evaluatie, wie helpt de 
jeugdige daarmee, wie haalt boven 
water het goede voor de jeugdige 
zelf? Dat element ben ik ineens kwijt! 

Hulpverlening, niet aan de raad, 
dat mag en zal ook niet gebeuren, 
maar wie doet het dan wel, welke 
mogelijkheden zijn er? De projectaan-
bieder? Dat is zijn taak niet en hij kan 
het ook niet. Hij moet mede toezicht 
houden op de tenuitvoerlegging van 
de alternatieve sanctie, maar heeft 
geen enkele taak als het gaat om dat 
pedagogische karakter. Ik ben bang 
dat de staatssecretaris dat in haar 
hele verhaal te veel wegveegt. 

Het gaat wel om de positie van de 
raden, maar met de alternatieve 
sancties zullen wij toch wel degelijk 
rekening moeten houden in de 
organisatie, want daar praten wij nu 
over. Wie bemoeit zich met dat 
pedagogische karakter? Zit de 
reclassering erbij? Zijn er wellicht 
anderen bij betrokken? Hoe wordt dat 
opgezet, want ik heb daar nog niets 
van vernomen. Kortom, hoe wordt nu 
in feite het justitiële beleid - de 
raden hebben daar een belangrijke 
say in - 'gezwaluwstaart' met de 
hulpverlening? 

D 

Mevrouw Evenhuis-van Essen 

(CDA): Mevrouw de Voorzitter! In 
aansluiting op de laatste opmerking 
•<«•;) mevrouw Haas-Berger wijs ik 
erop dat op blz. 16 staat: 

'Verder heeft de raad een toezicht 
houdende taak ten aanzien van de 
wijze waarop door particuliere 
instellingen hulp en steun wordt 
verleend ter vervulling van de 
bijzondere voorwaarden'. 

Ik heb gevraagd of met die 
particuliere instellingen ook reclasse-
ring e.d. wordt bedoeld. 

Als het kind op het politiebureau 
zit, wordt de raad voor de kinderbe-
scherming dan erbij betrokken als het 
kind al van de hulpverlening van de 
raad gebruik maakt? 

Is dat niet een eenzame zaak van 
het kind en een onbekend iemand 
van de raad voor de kinderbescher-
ming? 

Wij houden deze UCV omdat wij 
meenden bepaalde kritiek te hebben 
op het functioneren van de raden 
voor de kinderbescherming. 

Deze notitie geeft ons een duidelijk 
inzicht in de werkelijke situatie. Ik 

ben dan ook blij dat ik in de gelegen-
heid gesteld ben om een bezoek te 
brengen aan raden voor de kinderbe-
scherming. Daarbij heb ik alle 
medewerking gehad; ook heb ik 
informatie gekregen. Ik waardeer het 
bijzonder dat ik de knelpunten die ik 
daarbij heb vernomen, terugvind in 
de notitie. 

Ik heb nog gesproken over de 
wijziging van artikel 280: dat de raad 
zich noch alleen op grond van de 
ontvangen melding ex artikel 280 
inhoudelijk met de zaak gaat bemoei-
en, noch uit eigen beweging de 
verblijfplaats van de minderjarige aan 
de politie doorgeeft. Overigens is het 
opvallend, zoals ook in het jaarverslag 
staat, dat de hulpverleners bij de 
meldingen veelal geen verblijfplaats 
willen noemen, zodat, zo vervolgde ik 
mijn betoog, in die gevallen de 
waarde van de melding als strafuits-
luitingsgrond ernstig moet worden 
betwijfeld. 

Voorts heb ik gezegd, dat de 
hulpverlener in het kader van de 
melding door de raad - en nu komt 
het - zo nodig wordt gestimuleerd 
om contact op te nemen met de 
ouders en om de nodige aandacht te 
geven aan de oplossing van proble-
men in samenwerking met de ouders. 
Ik heb gevraagd, of het niet alleen de 
taak van de raad is om zo nodig te 
stimuleren, maar ook van de staats-
secretaris om een tussenvorm te 
vinden waarin het verplicht kan 
worden gesteld. Kan dit geen 
zwaarder argument zijn? 

Ik heb niet alleen gesproken over 
de bedreiging van het kind in een 
moeilijke periode met de ouders, 
maar ook over incest, kindermishan-
deling en dergelijke. Ik heb mijzelf 
daarbij weliswaar als hulpverlener 
opgeworpen, maar ik hoop niet dat 
men dit serieus heeft genomen, 
immers, daartoe ben ik niet geëqui-
peerd en niet opgeleid. Ik wil wel 
graag enige zekerheden hebben over 
de hulpverleners zelf. 

Er wordt gesproken over 'een 
hulpverlener' en die is niet nader 
omschreven. Dat kan een tante of 
een oom zijn dan wel een ieder die 
zich daarvoor opwerpt. Dit geeft mij 
geen zekerheid dat er inderdaad in 
het belang van het kind wordt 
gehandeld. De raad heeft daarin een 
taak en daarbij moet worden voldaan 
aan de eisen die ik zojuist heb 
verwoord. 

D 

Mevrouw Lucassen-Stauttener 

(VVD): Voorzitter! Ik dank de staats-
secretaris voor haar antwoorden op 

bijna al mijn vragen op één na, 
namelijk of de staatssecretaris zicht 
kan geven op wat er met de percen-
tages gebeurt, waarbij ik met name 
het oog had op het percentage van 
1 5 dat in de notitie staat en waarvan 
verder niets is aangegeven. 

Ik weet niet of de staatssecretaris 
het kent, maar ik heb hier een 
verhelderend artikel over de WOB 
voor mij liggen van de hand van mr. 
Hermans, uit het advocatenblad. De 
staatssecretaris heeft er drie kwesties 
bijgehaald. Uit dit artikel en uit de 
uitspraak van de Raad van State ter 
zake begrijp ik evenwel dat van alle 
rapporten die niet voor een procedure 
zijn opgesteld, kan worden gesteld 
dat zij in de toekomst onder de 
werkingssfeer van de WOB vallen; op 
grond daarvan heeft de cliënt recht 
op inzage en afschrift. 

Hierbij kan in het bijzonder worden 
gedacht aan rapporten naar aanlei-
ding van bij voorbeeld onderzoeken 
in verband met naamswijziging, 
pleegouders, enzovoorts. Dit recht 
op inzage en afschrift vloeit voort uit 
de beperkte strekking die volgens de 
Raad van State aan artikel 908A en 
908B moet worden toegekend. 

Door de zaak-Burgman is 
dan nog een verdere strekking 
gekomen. Nu begrijp ik van de 
staatssecretaris dat nog aan de raden 
voor de kinderbescherming wordt 
gevraagd wat zij van de uitspraak van 
de Raad van State vinden. Kan de 
staatssecretaris dit verduidelijken. Als 
er een uitspraak is en als je daarop je 
beleid niet richt, volgen er allerlei 
procedures bij een rechter omdat een 
raad zich niet houdt aan de uitspraak 
van de Raad van State. Ik begrijp 
verder dat die twee andere punten 
nog onderzocht zullen worden. 

Ik hoop dat de staatssecretaris 
gelijk krijgt met haar opmerking dat 
veel klachten van ouders op misver 
standen berusten. Ik hoop inderdaad 
dat dit probleem in een goed gesprek 
met de raden zal worden opgelost. Ik 
hoop, als de staatssecretaris op de 
hoogte wordt gebracht van knelpun-
ten, dat zij daaraan iets doet. 

Naar mijn mening is er niet echt 
een correctierecht. Ik begrijp dat 
cliënten, als zij het met een bepaalde 
rapportage niet eens zijn, kunnen 
zeggen waarmee zij het niet eens 
zijn. Dit kan dan gevoegd worden bij 
het advies. Dit is op zichzelf geen 
correctierecht. Ik zou graag van de 
staatssecretaris vernemen of er 
actief gecorrigeerd wordt of dat er 
een bijlage bij het advies komt. Wij 
spreken dan namelijk over twee 

Bijzondere commissie 
Jeugdwelzijnsbeleid 

Vervolg notitie 

Raad voor de Kinderbescherming 

UVC2 

23 september 1985 2-21 




Lucassen Stauttener 

verschillende processtukken in 
hetzelfde proces. 

Ik zou verder graag horen wanneer 
de werkgroep ongeveer klaar is met 
de klachtenregeling. De kwestie van 
het samenwerkend netwerk in de 
regio hangt natuurlijk samen met de 
nog op stapel staande wetgeving. 
Daarover zullen wij vanmiddag echter 
nog uitgebreid spreken. 

Ik heb ten slotte nog een vraag 
over het RIAGG Opperdam waarin 
justitie is geïncorporeerd. Als zij 
daarvan niets weet, is het ook goed. 
Het is mij echter opgevallen dat in 
een RIAGG een onderdeel van justitie 
is geïntegreerd. Voor zover mij 
bekend is dat uniek in Nederland. 
Misschien krijg ik de reden daarvoor 
nog te horen. 

D 

De heer Mik (D'66): Mevrouw de 
Voorzitter! Ik dank de staatssecretaris 
voor haar antwoord. Ik heb begrepen 
dat de contra-expertise afhangt van 
het invoelend vermogen van de 
kinderrechter. Dit lijkt mij, met alle 
respect voor de dames en heren, 
onvoldoende. Een wettelijke regeling 
lijkt mij gewenst. Het lijkt mij dus ook 
een noodzaak om hiervoor middelen 
te reserveren. 

Ik wil nog eens de urgentie 
onderstrepen om met spoed een 
klachtenregeling te realiseren. Welke 
criteria zijn gehanteerd bij het 
instellen van de werkgroep ter zake? 
De staatssecretaris heeft een aantal 
namen en functies genoemd. Ik 
kreeg de indruk dat deze mensen 
allen in het circuit zaten. Het gaat mij 
ook om de betrokkenen, om de stem 
des velds of de stem des volks. 

De staatssecretaris sprak over de 
AKK. Is dit een voornemen of wil zij 
er werkelijk in participeren? Het lijkt 
mij noodzakelijk, wil deze werkgroep 
tot een goed resultaat komen, dat 
deze sectoren erbij worden betrokken. 
Heeft de commissie overigens al 
vergaderd? 

Ik ben er verder van overtuigd dat 
een strafzakenenquête geen afscha-
duwing kan zijn van iets wat RBS 38 
of Argus kan bieden. Het gaat 
namelijk om de invulling van een lijst 
met persoonsgegevens en financiële 
zaken. De meest indringende items 
hebben bij voorbeeld betrekking op 
de vraag hoe de vader of hoe de 
moeder opvoedt of hoe het contact 
met de niet-inwonende ouder is. Dit 
kan toch niet als vroeghulp worden 
gekwalificeerd? Het kan hoogstens 
een wegwijzer in die richting zijn. De 

invulling ervan vraagt overigens wel 
voldoende deskundigheid, opdat niet 
de verkeerde weg wordt gewezen. Ik 
heb dat in een interruptie ook al 
opgemerkt. 

Ten slotte kom ik tot mijn motie. 
Wat de vroeghulp betreft vraag ik 
niet om exact de modellen van 
Groningen of Utrecht. In de motie 
staat namelijk: '... of hulpverlening 
van overeenkomstige aard'. Ik vraag 
bovendien slechts om een onderzoek 
daarnaar of een beschouwing 
daarover, opdat de Kamer er met de 
staatssecretaris over kan discussië-
ren. De staatssecretaris kan dan altijd 
nog zeggen dat het niet kan of dat 
het beter op een andere manier kan 
gebeuren. Vandaar dat ik niet begrijp 
dat de staatssecretaris aanvaarding 
van mijn motie heeft ontraden. 

D 

De heer Willems (PSP): Mevrouw 
de Voorzitter! Dank zij uw gulle 
medewerking bij mijn interrupties, 
kan ik mijn tweede termijn tot één 
minuut beperken. 

De Voorzitter: Wacht maar, er komt 
nog een UCV vandaag! 

De heer Willems (PSP): Inderdaad, 
we zijn nog niet klaar vandaag. 

Ik dank de staatssecretaris voor 
enkele toezeggingen die zij heeft 
gedaan. Zij heeft onder andere een 
toezegging gedaan over het zwaluw-
staarten van dienstverlening van 
jongeren en van meerderjarigen en 
de uitvoering van onze motie op stuk 
18122 nr. 16. 

Ik zal nog één punt bespreken. Dat 
betreft het kidnappen, zoals de 
staatssecretaris het noemde. Ik 
noemde het: ontvoering of dreigende 
ontvoering. Ik vind dat de staatssecre-
taris er zich wat dit betreft wat 
gemakkelijk van af heeft gemaakt. In 
antwoord op vragen van Andrée van 
Es in 1983 gaf de staatssecretaris 
nadrukkelijk aan dat er voor de Raad 
voor de kinderbescherming wel 
degelijk mogelijkheden zijn om 
ontvoeringen te voorkomen, en wel 
door actief ingrijpen. Ik vind dat de 
staatssecretaris daar nu overheen 
walst. Dat is in strijd met haar eerder 
gevoerde beleid. Ik zou dat graag 
gecorrigeerd zien. 

D 

De heer Van der Vlies (SGP): 
Mevrouw de Voorzitter, ik wil de 
staatssecretaris ook graag dankzeg-
gen voor de beantwoording. Wij 
spreken hier over zaken die zich vaak 
in een emotionele sfeer voltrekken. 

Het is niet alle mensen gegeven om 
in die sfeer genunanceerde all-in-af-
wegingen te maken. Met andere 
woorden: wij moeten er als wetgever 
voor waken dat een maximale 
tegemoetkoming van het rechtsgevoel 
ook in individuele gevallen plaatsvindt. 
Daarbij is objectiviteit en onafhan-
kelijkheid bij de toetsing belangrijk. 
Materiële argumenten vanuit 
statistische benaderingen kunnen 
hierbij niet goed een rol spelen. 
Daarom pleit ook ik voor meer 
aandacht voor de contra-expertise, 
of deze nu wel of niet in een wettelijk 
kader moet worden gevat. Kan de 
staatssecretaris ten minste toezeg-
gen, daarover onderzoek te doen en 
hierover aan de Kamer te rapporteren? 

D 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Ik dank de leden voor hun opmerkin-
gen in tweede termijn. Ik was 
inderdaad vergeten een aantal 
belangrijke vragen te beantwoorden. 

Mevrouw Haas-Berger begon haar 
tweede termijn met opmerkingen 
over de correctie van de rapporten 
en het recht op contra-expertise, 
nadat zij eerst vragen had gesteld 
over de termijnen. Het rapport met 
de modellen voor de beklagregeling 
zal begin 1986 klaar zijn. De commis-
sie heeft vooral opdracht gekregen 
om te bezien of er betere modellen 
hanteerbaar zouden zijn, uitgaande 
van de oude regeling die kritiek 
opriep. 

Vervolgens zullen de raden en 
andere geïnteresseerden in het land 
erover discussiëren welk model 
beklagcommissie het best gehanteerd 
kan worden in het kader van de 
kinderbescherming. Op basis van de 
discussies en de standpuntbepalingen 
zullen vervolgens conclusies worden 
geformuleerd. Daarna zal ik de 
Kamer zo spoedig mogelijk van de 
beslissing op de hoogte stellen. Het 
is dus de bedoeling om aan de hand 
van de modellen de discussie met de 
betrokkenen aan te gaan. 

De raad voor de kinderbescherming 
corrigeert zelf fouten in de rapporten. 
Ik zal er bij de raden nadrukkelijk 
aandacht voor vragen om er goed op 
te letten dat fouten gecorrigeerd 
worden. Wanneer het gaat om 
verschillende visies, zal de afwijkende 
visie aan het rapport moeten worden 
toegevoegd. Dat is natuurlijk een 
andere zaak. Men kan die visie 
natuurlijk uit eigen beweging 
toevoegen. Het gebeurt regelmatig 
dat ik afschriften van brieven krijg 
waarin staat dat men het niet eens is 

Bijzondere commissie 
Jeugdwelzijnsbeleid 

Vervolg notitie 

Raad voor de Kinderbescherming 

UVC2 

23 september 1985 2-22 




Korte-van Hemel 

met het gestelde in een rapport. Die 
visie heeft men dan ook aan de raad 
voor de kinderbescherming meege 
deeld. 

Wanneer er tijdens het onderzoek 
behoefte bestaat aan de visie van een 
deskundige, kan deze gezamenlijk 
worden gekozen, nog voordat men 
zich tot de rechter heeft gewend. 
Hierbij gaat het om de eerste 
opvatting van de raad en om die van 
de betrokkene. Vervolgens krijgt de 
rechter deze informatie voorgelegd. 
Ik meen dat hij op grond daarvan 
verantwoord kan oordelen. Hij kan 
eventueel ook om een nadere 
rapportage door de raad vragen. 

Ik heb er bezwaar tegen, ervan uit 
te gaan dat de rapportage van de 
raad aan de rechter, waarbij men 
tracht uiterst zorgvuldig en nauwgezet 
om te springen met de belangen van 
de betrokkene, juist omdat het kan 
gaan om belangrijke beslissingen 
voor diens toekomst, bij voorbaat 
twijfelachtig is. Ik houd dan ook vast 
aan de huidige situatie. De discussie 
die hier vanmiddag is gevoerd zal ik 
met nadruk onder de aandacht van 
de raden brengen, waarbij ik de 
bezorgdheid van de commissie zal 
beklemtonen. Ik zal de raden verzoe 
ken, mij zo nodig te informeren over 
discussies naar aanleiding daarvan. 

Mevrouw Lucassen-Stauttener 

(VVD): Betekent dit dat de staatsse-
cretaris het onderzoek uit de notitie 
'Rapportage in een doolhof' in dit 
kader nog eens extra aandacht zal 
geven? Daarin worden heel concreet 
knelpunten aangegeven. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Het rapport 'Rapportage een doolhof' 
is niet een nieuw onderzoeksverslag. 
Het staat mij bij dat daarover ook al 
opmerkingen zijn gemaakt in de UCV 
van 24 mei 1 984. Wij hebben toen 
gezegd dat het AKK dit rapport had 
geschreven op basis van de rapporten 
van een aantal cliënten die daar 
terechtgekomen waren. Het is de 
neerslag van het onderzoek van een 
beperkt aantal rapporten door één 
bepaalde instelling. Natuurlijk nemen 
wij de daarin vervatte kritiek ter 
harte. Ik heb er echter geen behoefte 
aan, dit rapport opnieuw te bezien. 
Het is ook aan de raden bekend. 

Mevrouw Lucassen-Stauttener 

(VVD): O, dus al die knelpunten zijn 
inmiddels meegenomen, begrijp ik? 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Aandacht vragen voor knelpunten wil 
nog niet zeggen dat in de praktijk ook 

alle knelpunten of vermeende 
knelpunten worden opgelost. 
Uiteraard betekent het wel dat de 
betrokkenen nog eens wordt gewezen 
op mogelijke knelpunten. Was het 
maar zo dat wij alle knelpunten 
zouden kunnen oplossen door erover 
te praten! Binnenkort zullen wij wel 
een gesprek hebben met het AKK. 

Ik deel de mening van mevrouw 
Haas dat de kritiek op de raad voor 
de kinderbescherming eindelijk 
verstomt. Ik heb zelf altijd heel 
positief tegenover de raad gestaan. 

Ik constateer met vreugde dat 
mevrouw Haas heeft opgemerkt dat 
het samenhangend beleid moet 
worden geconcretiseerd. Ook op dat 
punt ben ik het volstrekt met haar 
eens. Ik zal hieraan graag naar 
vermogen bijdragen. 

Mevrouw Haas is nog ingegaan op 
de strafzakenenquête. Zij wilde 
weten hoe het nu zit met de moge-
lijkheid van informatie aan de 
jeugdigen. Ik acht deze informatie 
ook erg belangrijk. De enquêteur 
geeft altijd een folder 'je wordt van 
een strafbaar feit verdacht'. Boven-
dien informeert hij of er nog andere 
vragen zijn. 

Hij geeft zelf geen hulp, maar 
signaleert de hulpbehoefte. Ik 
onderstreep de opmerking van de 
heer Mik, dat hier 'skill' ofte wel 
vakmanschap aanwezig moet zijn, 
om deze hulpverleningsvraag te 
kunnen signaleren en te kunnen 
doorgeven. Ik ben mij daarvan 
bewust en het zal ook meespelen bij 
de eindconclusie op dit terrein. 

Mevrouw Evenhuis en ook mevrouw 
Haas stellen de vraag, hoe het gaat 
als er al hulp aanwezig is. Ten 
aanzien van de inverzekeringstelling 
merk ik op, dat deze doorgaans 
korter is dan vier dagen. Soms is er 
nauwelijks hulp; de niet-justitiële 
hulpverlening kan soms alsnog in de 
cel worden gegeven of op de plaats 
waar de betrokkene is. Is er reeds 
sprake van een hulpverleningssituatie 
- iets wat toch ook vaak voorkomt -, 
dan wordt zo spoedig mogelijk 
contact gezocht met de hulpverlenen-
de instantie. In enkele gevallen komt 
het ook voor dat van meet af aan de 
situatie wordt overgedragen aan de 
hulpverleners. 

De lijn naar de niet-justitiële 
hulpverlening is derhalve zoveel 
mogelijk aanwezig en dit geldt ook 
voor het doorgaan van een eventueel 
aanwezige hulpverleningssituatie. 
Deze zaken worden ook sterk 
benadrukt. 

Mevrouw Evenhuis vroeg of het 
ook anderen kunnen zijn die hier tot 
de hulpverleners gerekend kunnen 
worden en wie dit dan zijn. Ik zou 
hier een simpele oplossing willen 
bieden door te zeggen dat iedere 
hulpverlenende instantie met 
uitzondering van de raad voor de 
kinderbescherming deze hulp kan 
verlenen. In een gegeven situatie kan 
het ook de reclassering zijn. 

Mevrouw Haas is in tweede 
instantie terecht ingegaan op de 
pedagogische situatie en op de vraag 
wie de jongeren dan helpt, juist 
omdat ik stelde dat bij de alternatieve 
sanctie voor jeugdigen er enerzijds 
sprake is van het strafeffect en 
anderzijds van de pedagogische 
situatie. Dat er een begeleider van 
het project is, betekent dat op zich al 
sprake is van een pedagogische 
situatie. Ook hier ben ik echter van 
mening dat hulpverlenende instanties 
deze pedagogische hulpverlening 
zouden dienen te geven. 

In een aantal gevallen gebeurt dit 
ook, juist omdat het hierbij vaak gaat 
om jongeren die al te maken hebben 
met voogdij of gezinsvoogdij. Dan 
gaat vanzelfsprekend de pedagogi-
sche benadering van die zijde 
onverminderd door. De hulpverlenen-
de instanties dienen daarbij, in mijn 
optiek, betrokken te zijn. Ik meen dat 
in het kader van de eindbeoordeling 
van het rapport van de werkgroep-
Slagter verantwoording zal dienen te 
worden afgelegd van de wijze 
waarop dit moet gebeuren. 

Mevrouw de Voorzitter! Het spijt 
mij dat ik mevrouw Evenhuis niet in 
eerste instantie heb beantwoord. Zij 
twijfelt aan de waarde van de 
melding volgens artikel 280 Wetboek 
van Strafrecht, waardoor een grond 
tot strafuitsluiting mogelijk is. Wil 
hier een strafuitsluitingsgrond 
aanwezig zijn, dan dient deze 
melding uiteraard volledig te zijn en 
ook de verblijfplaats te bevatten. Of 
deze melding voldoende is, zal 
uiteindelijk door de rechter beoor-
deeld dienen te worden. Dit staat 
niet ter beoordeling aan de raad voor 
de kinderbescherming. 

Het lijkt mij ook niet juist, dat de 
bemoeiing van de raad afhankelijk is 
van die melding. De raad heeft een 
eigen invalshoek en beoordeelt 
onafhankelijk of tot een maatregel 
moet worden overgegaan. Daarbij 
kan het feit dat er een melding is 
gedaan over de plaats van het kind, 
uiteraard meespelen bij de eigen 
verantwoordelijkheid van de raad ten 
opzichte van een eventuele civiel-
rechterlijke maatregel. 

Bijzondere commissie 
Jeugdwelzijnsbeleid 

Vervolg notitie 

Raad voor de Kinderbescherming 

UVC2 

23 september 1985 2-23 




Korte-van Hemel 

Samenvattend is de taak van de 
raad voor de kinderbescherming bij 
een melding als volgt. In zo'n situatie 
is de eigen invalshoek van de raad 
voor de kinderbescherming belangrijk. 
Als de raad voor de kinderbescher-
ming meent dat een civielrechtelijke 
maatregel moet worden uitgelokt, 
kan de vraag welke hulpverlener 
melding heeft gemaakt van welke 
feiten meespelen. Wanneer wordt 
uitgegaan van een verplichting naar 
aanleiding van de melding van 
toetsing van de verblijfsplaats gaat 
de raad zich op gevaarlijk terrein 
begeven omdat de Kamer en ik van 
oordeel zijn dat de raad geen hulp 
moet verlenen. 

Ik kan mij voorstellen dat men zich 
dan afvraagt wat de raad eigenlijk 
doet met de melding. Het is evenwel 
niet de functie van de raad om de 
hulpverlener te helpen bij zijn 
strafuitsluitingsgrond. De raad heeft 
de functie om in het belang van het 
kind eventuele maatregelen uit te 
lokken en niet verder te gaan in een 
hulpverleningssituatie. 

Mevrouw Evenhuis-van Essen 

(CDA): Mevrouw de Voorzitter, mag 
ik hierop reageren want het wordt mij 
nu wat onduidelijk. Kan men stellen 
dat de hulpverlener naar de raad toe 
gaat om te melden dat het kind 
ergens is? Ik meen echter uit het 
jaarverslag op te maken dat de raad 
zonodig stimuleert om contact op te 
nemen. Ik meen ook dat de raad niet 
alleen zonodig stimuleert, maar dat 
de raad de hulpverlener opmerkzaam 
maakt op de gevolgen wanneer de 
hulpverlener niet de verblijfplaats 
meldt. Dat is een andere invalshoek. 
Terwijl het beroep van hulpverlener 
niet beschermd is, kan de vorm van 
hulpverlening toch zo belangrijk zijn 
dat de raad het wel degelijk als een 
plicht moet zien om in het belang van 
de minderjarige naar informatie te 
vragen om mogelijkerwijs een 
maatregel uit te lokken. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Terecht stelt mevrouw Evenhuis dat 
de raad zich in sommige gevallen op 
dat pad zal gaan begeven. Dit 
gebeurt dan uitsluitend vanuit de 
invalshoek van het belang van het 
kind. Dat is iets anders dan wanneer 
de raad voor de kinderbescherming 
in alle situaties, ongeacht of het 
belang van het kind specifiek 
aanwezig is, meent zo te moeten 
optreden. Ik mag veronderstellen dat 
de raad binnen zijn eigen arrondisse-
ment weet, uitgaande van zijn eigen 

invalshoek en zijn eigen verplichting 
en zijn eigen inkadering in de 
hulpverlening, waar en op welk 
moment dat signaal dient over te 
gaan. Maar het zou de competentie 
van de raad verre te buiten gaan 
wanneer de raad zich zonder meer 
op dit terrein gaat begeven, aangezien 
het gaat om een eventueel strafbaar 
feit. 

Mevrouw Evenhuis-van Essen 

(CDA): Natuurlijk is dit voor een deel 
waar. Als de hulpverlener bij de raad 
komt en het is een bekende hulpver-
lener en het terrein is ook bekend, 
dan lijkt het mij toch sterk dat de 
raad bij voorbaat al een bepaald 
vertrouwen schenkt. Ik wil hem dat 
zeker niet ontzeggen, maar wij 
moeten uitgaan van het feit dat het 
belang van het kind in zo'n geval een 
objectief gegeven behoort te zijn 
voor de raad. Het is onmogelijk dat 
men na de melding van de hulpverle-
ner, de hele zaak duidelijk voor ogen 
heeft en men volledig het belang van 
de minderjarige kan beoordelen. Het 
is dan ook mijn bedoeling dat de raad 
nog eens op deze verantwoordelijk-
heid wordt gewezen. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Mevrouw de Voorzitter! Ook hier heb 
ik geen enkel probleem om de raden 
voor de kinderbescherming te wijzen 
op hun verantwoordelijkheden in 
dezen en hen op de hoogte te 
brengen van de bezorgdheid van 
mevrouw Evenhuis. 

Mevrouw Lucassen heeft gesproken 
over de openbaarheid van bestuur en 
de inzage van de stukken van de raad 
voor de kinderbescherming. Kort 
samengevat komt het erop neer, dat 
de Raad van State heeft uitgesproken 
dat de raad voor de kinderbescher-
ming onder de Wet openbaarheid 
van bestuur valt. Echter - en daarvoor 
moet nog een oplossing worden 
gevonden - de Raad van State heeft 
zich niet uitgesproken over de vraag 
of daarmee ook afgifte nodig is. De 
WOB vraagt namelijk openbaarheid 
en niet per se afgifte. 

Op dit punt ligt op het ogenblik 
een aantal principiële zaken ter 
beoordeling bij de Afdeling Recht-
spraak van de Raad van State en 
getoetst moet worden of afgifte al 
dan niet automatisch is. Die beslissing 
moet worden afgewacht en daarna 
zal het beleid worden bepaald. Het is 
mijns inziens niet juist om vooruit te 
lopen op de inhoud van de beslissing 
van de Raad van State, maar de 
tussenliggende tijd wordt wel 
gebruikt. 

Wij zullen in contact treden met de 
raden voor de kinderbescherming om 
ons te beraden op de situatie waarin 
de administratieve rechter uitspreekt 
dat ingevolge de WOB de rapporten 
ook dienen te worden afgegeven. Het 
lijkt mij niet meer dan een goede 
gang van zaken, dat de medewerkers 
van de raden voor de kinderbescher-
ming tijdig op de hoogte worden 
gesteld van mogelijke veranderingen. 

Mevrouw Lucassen-Stauttener 

(VVD): Ik begrijp, dat bepaalde zaken 
wel onder de WOB vallen maar dat 
het gaat om de vraag of er al dan niet 
een afschrift moet komen. Hoe zit het 
dan bij allerlei andere zaken, bij 
voorbeeld op het gebied van Econo-
mische Zaken? Moet daar deze 
discussie ook nog worden gevoerd? 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Mevrouw de Voorzitter! Door het 
Wetboek van rechtsvordering is er nu 
eenmaal wetgeving op dit terrein. Ik 
kan op dit moment niet overzien of er 
ergens in wetgeving van enig 
departement een conflict kan rijzen 
tussen de uitvoering van de WOB en 
bestaande wetgeving. Wij worden 
geconfronteerd met de artikelen van 
het Wetboek van rechtsvordering, 
waarin wel de inzage wordt bepaald. 
Het probleem zit hem in de afgifte. 

Mevrouw Lucassen-Stauttener 

(VVD): Is er enig zicht op een 
termijn? Duurt het 2 jaar of nog 10 
jaar? 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Mevrouw de Voorzitter! Dat ligt 
opgeslagen in de boezem van de 
Raad van State. 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): En 
dat is iets als het orakel van Delphi! 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Mevrouw de Voorzitter! De heer 
Willems heeft opgemerkt, dat mijn 
woorden in tegenspraak zijn met 
hetgeen over de kidnapping van 
allochtone jeugdigen is gezegd. Als 
er signalen zijn dat zoiets zal gebeu-
ren, het kind nog in het land is en de 
raad tot de conclusie komt dat er 
sprake is van lichamelijke of zedelijke 
bedreiging, dan heeft de raad de 
mogelijkheid om op te treden. De 
mogelijkheden houden echter op bij 
de landsgrenzen. Er kan dus op dit 
moment eigenlijk alleen maar 
preventief iets worden gedaan. 

De heer Willems (PSP): Daarom had 
ik het ook over 'dreigende' ontvoering! 
Bij ontvoeringen treden de verdragen 
in werking, maar bij dreigende 
ontvoeringen ligt een actieve taak 

Bijzondere commissie 
Jeugdwelzijnsbeleid 

Vervolg notitie 

Raad voor de Kinderbescherming 

UVC2 

23 september 1985 2-24 




Korte-van Hemel 

van de raad voor de kinderbescher 
ming voor de hand. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Mevrouw de Voorzitter! Voor zover 
de signalen er zijn, is de raad ook 
actief. De raad is afhankelijk van de 
signalen die hem bereiken om op te 
kunnen treden. Ik heb in eerste 
instantie melding gemaakt van de 
gevoeligheid voor deze problematiek 
die groeiende is bij de raden, zeker 
bij de raden in de grote steden. Ik 
heb geen reden om aan te nemen dat 
de signalen die binnenkomen niet 
worden 'opgepakt'. Ik denk dat de 
heer Willems mijn opvatting deelt dat 
het hierbij om een heel moeilijk 
terrein gaat, gelet ook op de opvat-
tingen over de gezagsverhoudingen 
in het gezin binnen de samenleving 
in Nederland. 

Mevrouw Lucassen vroeg mij nog 
iets over de overige 1 5% zaken. Zij is 
tot dat percentage gekomen op 
grond van de resultaten van de 
intake, die is weergegeven in mijn 
brief van 24 december 1984. Zij 
komt tot de optelling van 40%, 25% 
en 35% en vervolgens mist zij dan 
wat. Ik kom allereerst tot 100%; 
tweederde van alle op het spreekuur 
aangemelde zaken leidt tot onderzoek 
door een maatschappelijk werker. De 
rest heeft dan alleen maar betrekking 
op een gesprek op het spreekuur. 

Alhoewel mevrouw Lucassen mij 
de vrijheid gegeven heeft om niet te 
reageren op de situatie rond Opper-
dam, wil ik toch het volgende 
daarover opmerken. Bij Opperdam 
gaat het om een combinatie van vier 
werksoorten: adviesbureau, volwas-
senen-RIAGG, jeugdzorg-RIAGG en 
voogdij en gezinsvoogdij. Bij Opper-
dam gaat het specifiek om beide 
laatste werksoorten. Er is daar sprake 
van een vrij unieke situatie, die 
mogelijk is geworden door het 
samengaan van participanten in één 
organisatie. Ook dat is het kenmerk 
van een vrijwillige situatie. 

De Voorzitter: Het is mij gebleken, 
dat er behoefte is aan een derde 
termijn. Ik stel voor, hiertoe gelegen-
heid te geven. 

Daartoe wordt besloten. 

D 

De heer Mik (D'66): Mevrouw de 
Voorzitter! Ik heb begrepen dat een 
bijzin in de constatering van mijn 
motie op stuk nr. 23 wordt ervaren 
als een waardeoordeel, c.q. niet de 
werkelijkheid representeert. Daar 

deze bijzin in feite overbodig is en de 
haalbaarheid van de motie, indien de 
bijzin wordt weggehaald, stijgt, 
verzoek ik u 

de woorden 'wat een beperking 
van de hulp impliceert', uit de 
constatering te verwijderen. 

Motie 

De Voorzitter: De motie-Mik 

(18 122, nr. 23) is in die zin gewijzigd, 

dat de constatering thans luidt: 

constaterende, dat de regering 
voornemens is de raden voor de 
kinderbescherming de vroeghulp te 
laten verrichten in het kader van een 
strafzakenenquête; 

Deze gewijzigde motie krijgt nr. 24 
(18122). 

D 

Mevrouw Lucassen-Stauttener 

(VVD): Mevrouw de Voorzitter! Ik 
kom nog even op de WOB terug. Ik 
zie nu een beetje het misverstand 
tussen de staatssecretaris en mij. In 
de uitspraak van de Raad van State 
staat onder andere: 'vernietigt het 
besluit van de minister van Justitie 
van 6 juni 1983 nr. 274 783, voor 
zover hierbij is overwogen, dat de 
Wet openbaarheid van bestuur op 
het verzoek van appellant hem een 
afschrift te verstrekken' enz. 

In het ene geval moet het afschrift 
verstrekt worden. Ik begrijp best dat 
je aan één geval niet alles kunt 
ophangen. Maar er is dus een 
jurisprudentie. Omdat die er is, kan 
iedereen een proces beginnen. 
Daarom heb ik gevraagd welke 
stappen zijn ondernomen om dit te 
voorkomen. 

D 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Mevrouw de Voorzitter! De wijziging 
in de constatering van de motie van 
de heer Mik maakt de motie voor mij 
nog niet aanvaardbaar. Ik blijf de 
Kamer de aanvaarding van deze 
motie ontraden. Ik meen dat ik 
voldoende heb uitgelegd wat het 
specifieke is van de Groningse 
situatie, met alle waardering en alle 
lof die wij daarvoor hebben. Ik heb 
ook gesteld dat een model als dat 
van Argus in Utrecht op een anders-
soortige wijze zijn weg dient te 
vinden. 

Het lijkt mij geen werkzame gang 
van zaken op dit moment een 
onderzoek te laten instellen naar de 
manier waarop dat overal op dezelfde 
manier of weer een beetje anders 

kan. De wijze die nu wordt voorgesteld 
in de vervolgnotitie en onze verwijzing 
naar zoiets als Argus lijkt mij de wijze 
van werken die vanuit het particulier 
initiatief, als men daaraan behoefte 
heeft, kan worden opgepakt. 

Mevrouw Lucassen wijs ik erop dat 
die uitspraak van de Raad van State 
een procedurele uitspraak was. 
Daarbij is niet gesteld dat in het 
algemeen tot afgifte moet worden 
overgegaan. Vandaar dat er ook in 
andere gevallen waarin afgifte werd 
gevraagd is gezegd dat voor elk 
concreet geval een principe-uitspraak 
van de Raad van State moet worden 
afgewacht. 

De beraadslaging wordt gesloten. 

De Voorzitter: Ik dank de staatsse-
cretaris voor de verstrekte informatie. 

Sluiting 15.44 uur 

Bijzondere commissie 
Jeugdwelzijnsbeleid 

Vervolg notitie 

Raad voor de Kinderbescherming 

UVC2 

23 september 1985 2-25 


