Donderdag 16juni 1994 

78ste vergadering 

Aanvang 10.15 uur 

Voorzitter: Deetman 

Tegenwoordig zijn 102 leden, te 
weten: 

Adelmund, Aiking-van Wageningen, 
Apostolou, Augusteijn-Esser, Bakker, 
Van den Berg, Biesheuvel, Bijleveld– 
Schouten, Blaauw, Boers-Wijnberg, 
Van den Bos, Brinkman, Van der 
Burg, Van de Camp, Cherribi, De 
Cloe, Cornielje, Dankers, Dees, 
Deetman, Van Dijke, Dijksma, 
Dijksman, Dijkstal, Dittrich, Doelman– 
Pel, Van Erp, Esselink, Essers, 
Fermina, Franssen, Van Gelder, 
Giskes, De Graaf, Groenman, Van 
Heemskerck Pillis-Duvekot, Van der 
Heijden, Hendriks, Hessing, Hirsch 
Baliin, Hoekema, Van der Hoeven, 
Van Hoof, Hoogervorst, De Jong, 
Jorritsma-Lebbink, Jorritsma-van 
Oosten, Kalsbeek-Jasperse, H.G.J. 
Kamp, M.M.H. Kamp, Koekkoek, 
Kohnstamm, De Koning, Korthals, 
Kosto, Lansink, Leerkes, Liemburg, 
Lilipaly, Marijnissen, Mateman, Van 
Middelkoop, Netelenbos, Nuis, 
Oedayraj Singh Varma, Oudkerk, Van 
Oven, Poppe, Rabbae, Reitsma, 
Remkes, Rijpstra, Rosenmöller, 
Rouvoet, Scheltema-de Nie, 
Schimmel, Schutte, Sipkes, Smits, 
Soutendijk-van Appeldoorn, Van der 
Stoel, E.G. Terpstra, G.H. Terpstra, 
Tommel, Van Traa, Verbugt, 
Verhagen, Verkerk, Versnel-Schmitz, 
Verspaget, Vliegenthart, Van der 
Vlies, M.B. Vos, Voüte-Droste, J.M. 
de Vries, Weisglas, Wolffensperger, 
Woltjer, Ybema, Van Zijl, Zijlstra en 
Zonneveld, 

en de heren Kosto, minister van 

Justitie, en Ritzen, minister van 

Onderwijs en Wetenschappen. 

D 

De voorzitter: Ik deel aan de Kamer 
mede, dat zijn ingekomen berichten 
van verhmdermg van de leden: 

Oudkerk en Van der Ploeg, wegens 
bezigheden elders alleen voor de 
ochtend– en middagvergadering; 

Crone en Zijlstra, alleen voor de 
middagvergadering; 

Buurmeijer, wegens verblijf 
buitenslands. 

Deze berichten worden voor 
kennisgeving aangenomen. 

Aan de orde is de behandeling van: 

- het wetsvoorstel Wet 
explosieven voor civiel gebruik 
(23643); 
- het wetsvoorstel Aanpassing 
van een aantal wetten in 
verband met de intrekking van 
de Wet bevolkings– en verblijf– 
registers en de invoering van de 
Wet gemeentelijke basis– 
administratie persoonsgegevens 
(21147). 
Deze wetsvoorstellen worden zonder 
beraadslaging en, na goedkeuring 
van de onderdelen, zonder stemming 
aangenomen. 

Aan de orde is de behandeling van: 

- het wetsvoorstel Herziening 
van de maatregel van ondertoe– 
zichtstelling van minderjarigen 
(artikelen 254 en volgende van 
Boek 1 van het Burgerlijk 
Wetboek) (23003). 
De algemene beraadslaging wordt 

geopend. 

D 

De heer Dijkstal (VVD): Voorzitter! 
Wij plegen in dit huis u toe te 
spreken met de woorden "mijnheer 
de voorzitter" en dan praten we 
tegen de regering. Maar nu wil ik 
ook iets tegen u zeggen, mijnheer de 
voorzitter, omdat dit huis af en toe 
spectaculaire momenten kent, zoals 
spannende debatten met stemmin– 
gen over moties met grote politieke 
ladingen, die net wel of net niet 
worden aangenomen. Eerlijk gezegd, 
hebben wij vandaag een even 
spectaculair moment, maar niet 
iedereen realiseert zich dat. 

De Kamer heeft een aantal jaren 
geleden, op grond van allerlei 
overwegingen, een subcommissie 
kinderbescherming ingesteld. Onder 
de goede en bezielende leiding van 
mevrouw Vliegenthart heeft die 
commissie een rapport geproduceerd 
onder de naam "Rechtzetten". In dat 
rapport zijn vele voorstellen gedaan 
om tot nogal fundamentele 
wijzigingen te komen in de kinderbe– 
scherming in brede zin. Veel 
voorstellen die zij heeft gedaan, zijn 
inmiddels gerealiseerd en een van de 
kroonstukken maken wij vandaag 
mee, want een rechtstreeks gevolg 
van een voorstel van die commissie 
ligt hier vast in het voorliggende 
wetsvoorstel. Dat is een compliment 
aan onszelf en dus aan u. 

De voorzitter Mevrouw Vliegent– 

hart wil zeggen: dank u wel! 

De heer Dijkstal (VVD): Maar, 

voorzitter, omdat ik het echt 

spectaculair vind, wil ik ook de 

andere kant een compliment geven. 

Ik heb zelf in de schriftelijke bijdrage 

aan het voorlopig verslag expliciet 

de grote waardering uitgesproken 

die de fractie van de VVD heeft voor 

16 juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK78 


Dijkstal 

het werk van de toenmalige 
staatssecretaris van Justitie die hier 
vandaag formeel niet maar materieel 
wel aanwezig is en dus ook aan zijn 
medewerkers. Ik vind namelijk dat 
het wetsvoorstel, de memorie van 
toelichting en later ook de memorie 
van antwoord van grote kwaliteit 
zijn. Er is zeer zorgvuldig beargu– 
menteerd waarom het moet zoals het 
in het wetsvoorstel stond. De 
mformatie was toereikend en op een 
goede manier geordend en de 
complexe materie was toegankelijk 
voor degenen die ermee moeten 
werken. Ik wil dan ook met grote 
nadruk dat compliment uitspreken 
tegenover de regering en haar 

medewerkers. 

Ik kom nu bij de inhoud zelf. Het 
rapport "Rechtzetten" is voortgeko– 
men uit veel klachten, maar het gaat 
verder dan alleen maar ophelderen 
waar die klachten op gebaseerd zijn 
en waartoe het moet leiden. In feite 
heeft het rapport "Rechtzetten" 
beoogd, een betere, sterkere 
rechtspositie te bewerkstelligen voor 
al diegenen die met het heel 
moeilijke werkterrein van de 
kinderbescherming en de jeugd– 
hulpverlening te maken hebben. Een 
hoofdgedachte daarbij is altijd 
geweest dat er aan de ene kant een 
onafhankelijke rechtspraak moet zijn 

- het hart van dit wetsvoorstel is dat 
rechtspraak en uitvoering gescheiden 
worden - en dat er aan de andere 
kant een sterkere positie van ouders 
en pleegouders moet zijn. Die 
laatsten krijgen juridische bijstand 
als dat nodig is - ik kom daar straks 
nog op terug - alsmede het recht op 
contra-expertise, wat gelukkig ook 
door ingnjpen van het parlement, 
maar dan via een amendement in 
een ander wetsvoorstel, tot stand is 
gebracht en een duidelijker visie over 
de positie van de raden voor de 
kinderbescherming in dat hele 
krachtenveld. Deze raden zijn wat mij 
betreft het publieke orgaan dat onder 
directe ministeriële verantwoordelijk– 
heid valt. 
Wij vinden het zeer essentieel om 
dit behoorlijk te regelen. Wij hebben 
daar bij het rapport, maar ook 
daarna bij allerlei nota's en 
wetgeving steeds op gewezen. In het 
veld moeten wij helaas werken met 
wetgeving die niet aan de eisen 
voldoet waaraan wetgeving moet 
voldoen. Het gaat om het ingrijpen 
van de overheid in het particuliere 
leven van mensen. De wetgever zou 
dan in de wet zelf expliciet moeten 

aangeven in welke situatie dat wel 
en in welke situatie dat niet moet. 
Dat zou expressis verbis in de wet 
moeten staan. Dat kan helaas niet, 
omdat de aantasting van de 
geestelijke en zedelijke belangen of 
de gezondheid van kinderen niet 
precies in de wet omschreven kan 
worden. Als dat niet kan, ontstaat 
per definitie voor alle betrokkenen 
rechtsonzekerheid. Dan weet je niet 
op voorhand of de rechter wel of niet 
zal ingrijpen. Omdat dat zo is en 
omdat dat ook niet anders kan, zul je 
veel zwaarder in de processuele kant 

- als ik het zo mag zeggen - moeten 
vastleggen wat de positie van alle 
betrokkenen is. Het zal straks, op een 
onderdeel van de wet waar ik het 
niet mee eens ben, opvallen dat ik 
dit als een zeer essentieel punt 
beschouw. Nogmaals, in het denken 
van de WD-fractie in de subcommis– 
sie en in alle discussies die wij 
daarna hebben gevoerd is dit het 
essentiële punt. 
De noodzaak om de zaken beter te 
regelen zit niet alleen hierin, maar 
ook in een iets minder concreet aan 
te geven, zeer zorglijke ontwikkeling, 
namelijk het groeiend aantal 
jongeren met problemen. Ik noem de 
rapporten van de inspecteur van de 
laatste vijf jaar. Jaar in jaar uit wordt 
daarin beschreven hoe zorglijk de 
ontwikkeling op dit terrein is. Ik 
noem het WODC-onderzoek van 
Mertens, die schrijft hoe het zit met 
jonge kinderen in de OTS-populatie. 
Ik noem het rapport van Montfrans 
over de jeugdcriminaliteit. Er is geen 
rapport dat niet beschrijft dat de 
ontwikkeling zorglijk is. Dat maakt 
het des te noodzakelijker, in het hele 
terrein van de jeugdhulpverlening, 
zowel aan de WVC– als aan de 
justitiekant, na te gaan of wij de zaak 
op orde hebben. Daar hoort zeker de 
doelmatigheidsvraag bij. Wat mij 
betreft zijn de behoorlijkheidsvraag, 
de zorgvuldigheidsvraag en de 
rechtmatigheidsvraag essentieel, 
juist in dit veld 

De intensivering van het beleid 
voor kinderen met moeilijkheden is 
zeer belangrijk. Het ligt een beetje 
buiten de strekking van dit wetsvoor– 
stel, maar ik wil het hier wel gemeld 
hebben, ook al omdat er ook in de 
stukken over wordt gesproken. Op 
bladzijde 39 van de memorie van 
antwoord wordt bijvoorbeeld iets 
gezegd over de capaciteitstekorten 
van de gesloten behandelingsin– 
richtingen. Daar ligt inderdaad een 
probleem. Zo zijn er vele andere. Ik 

heb er goede hoop op dat, welk 
kabinet er ook komt, een belangrijke 
prioriteit aan de jeugdproblematiek 
zal worden toegekend. 

Ik kom op het wetsvoorstel. Wat 
ons zeer aanspreekt is de voorge– 
stelde scheiding van de rechtspre– 
kende taak en de uitvoerende taak 
van de kinderrechter. Verder zijn wij 
tevreden met een aantal dingen die 
te maken hebben met een verster– 
king van rechtsposities. Ik noem de 
rechtspositie van ouders en 
pleegouders, die met dit wetsvoor– 
stel beter wordt. Ik noem een aantal 
verduidelijkingen in de wet zelf. Dat 
is ook nooit weg als het gaat om 
helderheid. Ik noem verbeteringen 
van de procedures. 

Wij hebben wel enige vragen over 
de rechtswaarborgen, allereerst 
inzake het hoger beroep. De 
mogelijkheid van hoger beroep 
bestaat wel bij een rechterlijke 
beslissing houdende een machtiging 
tot plaatsing, maar niet bij een 
rechterlijke beslissing over een 
verzoek tot beëindiging van de 
plaatsing. Ik verwijs naar de 
memorie van toelichting en de 
memorie van antwoord. Het college 
van advies voor de justitiële 
kinderbescherming en de WD-fractie 
vinden het onderscheid merkwaar– 
dig. Tot nu toe heeft zij echter weinig 
steun voor haar opvatting aangetrof– 
fen bij de andere partijen en de 
regering. Voor de zekerheid wilde ik 
de vraag hier nog eens gesteld 
hebben, omdat het antwoord van de 
regering voor ons niet geheel 
overtuigend is. Waarom dat 
onderscheid, en waar is het op 
gebaseerd? Is het nu werkelijk 
consequent om dat onderscheid te 
maken? 

De tweede vraag die ik heb over 
de rechtswaarborgen, gaat over de 
positie van minderjarigen. Het zou 
nu te ver gaan om heel uitgebreid in 
te gaan op de rechtspositie van 
minderjarigen, ook in dit traject, 
maar in de memorie van toelichting 
staat wèl dat ook de regering wil 
waarborgen dat minderjarigen, mits 
ze aan bepaalde leeftijdseisen en 
andere eisen voldoen, hun recht voor 
de rechter kunnen doen gelden. 
Maar dan is het wel de vraag, hoe 
het zit met de bijstand aan die 
minderjarigen. De rechtsbijstand 
bestaat dan uit öf de advocaat zeker 
in een duur traject - öf de 
kinderrechtswinkels. Ik zou het op 
prijs stellen als de minister nog iets 
wil zeggen over de steun die 

16 juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK78 


Dijkstal 

minderjarigen kunnen krijgen als zij 
hun recht willen doen gelden voor 
de kinderrechter. Ook materieel 
gesproken heeft dat wel wat 
consequenties. 

Als het gaat om de rapportage aan 
de kinderrechter steunen wij het 
standpunt van de regering, dat geen 
tussentijdse rapportage van 
gezinsvoogdij-instelling aan de 
kinderrechter noodzakelijk is. 
Integendeei, als je dat wel zou doen, 
zou je als het ware weer terug zijn 
op hei spoor naar de kinderrechter 
die zich met de uitvoerïng bemoeit. 
Wanneer moet de gezinsvoogdij dan 
wel rapporteren en aan wie? Aan de 
kinderrechter, op het moment dat die 
daarom verzoekt, en wat ons betreft 
aan de Raad voor de kinderbescher– 
ming bij afloop van een maatregel, 
bij de wens van de gezinsvoogdij tot 
beeindiging, verienging of wijziging 
van een maatregel, of op verzoek 
van de Raad voor de kinderbescher– 
ming. Wat ik nu net heb gezegd, 
hangt samen met een belangrijk 
amendement dat ik heb ingediend, 
waarop ik straks nog uitgebreider 
terugkom. Ik ben nog steeds bezig 
met een paar vragen over de 
rechtswaarborgen. 

Het volgende punt is de 
motiveringsvraag. Ik heb mij een 
beetje verbaasd over de manier 
waarop de discussie in de stukken is 
gevoerd, want het is toch een 
primaire eis van behoorlijkheid en 
zorgvuldigheid dat overheids– 
beslissingen worden gemotiveerd en 
dat rechterlijke beslissingen worden 
gemotiveerd? In het verleden heeft 
het ons zeer verbaasd- wij zijn daar 
in de subcommissie op gestuit - dat 
er kennelijk functionarissen zijn, 
zowel bij de uitvoerende als bij de 
rechtsprekende macht, die dat 
kennelijk niet noodzakelijk vinden. 
Dus laat dat voor iedereen in het 
veld helder zijn, ook van de kant van 
de WD-fractie: elke beslissing dient 
naar behoren gemotiveerd te 
worden. Dat geldt voor elk verzoek, 
van een gezinsvoogdij-instelling als 
het gaat om wijziging van maatrege– 
len of van een Raad voor de 
kinderbescherming, en voor elke 
beslissing van de kinderrechter zelf. 

Ten slotte in dit hoofdstukje over 
rechtswaarborgen nog iets over 
klachtrecht, toezicht en inspectie. Ik 
zal proberen, ook daarover zo helder 
mogelijk te zijn. Ik vind dat in de 
schnftelijke voorbereiding die 
begrippen iets te veel door elkaar 
heen lopen. Als bijvoorbeeld de 

suggestie van de WD komt om bij 
de gezinsvoogdij de uitvoering en 
het toezicht op de maatregel te 
scheiden, krijg ik als antwoord dat de 
inspecteur toch ook nog toezicht 
houdt. Dat heeft daar niets mee te 
maken. Het gaat om verschillende 
dingen. Het gaat aan de juridische 
kant om het vraagstuk of het, als de 
één moet uitvoeren, niet beter is dat 
een ander in juridische zin toezicht 
op die uitvoering houdt. Voor de 
kwaliteit van het werk is het nuttig 
dat er een inspectie is, die gelukkig 
vandaag de dag op de twee terreinen 
vrijwillig en justitieel werkt. Die 
inspectie beoordeelt de kwaliteit van 
het werk en de vraag, of men zich 
houdt aan de subsidievoorwaarden 
op grond waarvan men geld heeft 
gekregen. Los daarvan is er weer 
heel wat anders, namelijk het 
klachtrecht, dus de individuele 
burger die vindt dat hij niet goed 
wordt behandeld door een instelling, 
waarvoor er een traject is waarin je 
daarover kunt klagen, dat op de een 
of andere manier eindigt bij een 
onafhankelijk orgaan. We moeten die 
dingen niet door elkaar halen, want 
dan komen we op gevaarlijk terrein. 

Voorzitter! Ik kom tot het 
hoofdpunt, namelijk de scheiding 
van taken, die naar mijn oordeel niet 
consequent genoeg is doorgevoerd 
als het gaat om de relatie 
gezinsvoogdij/raden voor de 
kinderbescherming/kinderrechter. 
Zoals gezegd: voor de VVD-fractie 
zijn op dit terrein al heel lang 
zorgvuldigheid, behoorlijkheid en 
rechtmatigheid van groot belang. Als 
je vanuit die lijn doorredeneert, moet 
elke beperking van het ouderlijk 
gezag beschouwd worden als een 
zeer ingnjpende maatregel in het 
persoonlijk leven van mensen, wat 
de noodzaak om de verantwoorde– 
lijkheden en dus ook de bevoegdhe– 
den te scheiden, des te dringender 
maakt. Dat was de discussie over 
eenduidige criteria in de wet die er 
niet zijn, en waarvoor je dus iets 
anders moet verzinnen. 

Voor ons is cruciaal of het toezicht 
op de uitvoering van een zo 
belangrijke maatregel wordt 
overgelaten aan een publiek of aan 
een privaat orgaan. Het toezicht door 
een publiek orgaan geschiedt onder 
directe ministeriële verantwoordelijk– 
heid. In principe is de minister of de 
staatssecretaris dan direct aan te 
spreken op iedere beslissing. De 
instelling voor gezinsvoogdij is 
echter geen publiek orgaan. Ik weet 

dat het mogelijk is om niet-publieke 
organen te belasten met publieke 
taken. Dat gebeurt vaak genoeg. Dan 
volgt echter steeds een zeer lastige 
discussie over de mimsteriele 
verantwoordelijkheid. De minister is 
verantwoordelijk voor die ene 
publieke taak van het private orgaan, 
maar zijn invloed blijft zeer beperkt. 
De Kamer heeft zeer grote moeilijk– 
heden om daadwerkelijk in te grijpen 
als het misloopt bij private organisa– 
ties. Als staatssecretaris heeft de 
minister dergelijke gevallen eerder 
met de Kamer mogen bespreken. Ik 
noem in dit verband De Dreef, 
Rekken en Huize Alexandra. De 
minister heeft in die gevallen maar 
twee mogelijkheden. Of hij stopt de 
subsidie, of hij probeert via overleg 
een ander gedrag te bewerkstelligen. 
Daartussen bevindt zich niets. 

Voorzitter! Ik heb niet de illusie dat 
een essentiële publieke taak - zelfs 
geen gezagstaak - via de subsidie– 
voorwaarden door de minister 
aangestuurd kan worden. Ik geloof 
daar absoluut niet in. Ik vind dat dan 
ook een onwenselijk traject. Daarom 
is het in onze ogen noodzakelijk om 
de publieke gezagstaak weg te halen 
bij de instellingen voor gezinsvoogdij 
en die onder te brengen bij het enige 
orgaan dat daarvoor geschikt is - en 
waar ik ook veel vertrouwen in heb namelijk 
de raden voor de kinderbe– 
scherming. 

De heer Rabbae (GroenLinks): 
Voorzitter! Bij het IRT-debat hebben 
wij geconstateerd dat ook een 
duidelijke directe lijn van de minister 

naar de onder hem ressorterende 
organen niet het gewenste effect 
heeft. Ik heb echter wel begrip voor 
de wens van de heer Dijkstal. Welke 
bevoegdheid van de instellingen 
voor de gezinsvoogdij moet nu 
ondergebracht worden bij de raden 
voor de kinderbescherming? 

De heer Dijkstal (VVD): Dat zal ik 
uitleggen. Voor alle volledigheid 
merk ik op dat de WD-fractie altijd 
van mening is geweest dat de 
minister van Justitie een directe 
politieke aansturing van het OM tot 
taak heeft, behoudens het in 
individuele gevallen beoordelen of 
iemand vervolgd moet worden. Daar 
ligt ook de parallel met de raden 
voor de kinderbescherming. Wat ons 
betreft, is de minister of de 
staatssecretaris van Justitie volledig 
verantwoordelijk voor hetgeen daar 
gebeurt. De minister is natuurlijk niet 

16juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK78 


Dijkstal 

verantwoordelijk voor individuele 
gevallen. 

Wij praten over de maatregelen 
OTS en OTS-plus. De wijziging van 
de OTS - verlenging, verkorting of 
uithuisplaatsing - is een rekestre– 
rende taak die zo belangrijk is, dat zij 
thuishoort bij de raden voor de 
kinderbescherming. Een dergelijke 
wijziging is net zo ingrijpend als de 
hoofduitspraak van de rechter. In de 
praktijk betekent dit het volgende. De 
kinderrechter legt een OTS op en die 
wordt uitgevoerd door de 
gezinsvoogdij-instelling. Gedurende 
de uitvoering van de OTS ontstaat er 
behoefte aan wijziging daarvan. De 
instelling voor gezinsvoogdij moet 
dat uiteraard rapporteren. Het is de 
plicht van deze instelling om 
bijvoorbeeld te zeggen: het lijkt ons 
wenselijk dat in dit geval de 
maatregel wordt verlengd. In 
juridische, formele zin behoort de 
rekestrerende bevoegdheid op dat 
punt bij de Raad voor de kinderbe– 
scherming te liggen. De raad 
controleert op die manier de 
uitvoering van die maatregel. Als de 
raad vervolgens tot de conclusie 
komt dat inderdaad een wijziging 
gewenst is, rekestreert hij bij de 
kinderrechter. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Voorzitter! De heer Dijkstal zegt dat 
de raad een controlerende taak heeft 
alvorens gerekestreerd wordt. In de 
door hem geschetste constructie zit 
echter een probleem. In het verhaal 
van de heer Dijkstal wordt de fase na 
behandeling bij de rechter gecontro– 
leerd door de voorfase. Er is sprake 
van een ondergeschiktheid van de 
gezinsvoogdij-instellingen aan de 
Raad voor de kinderbescherming, 
want de raad controleert voordat hij 
rekestreert en naar de rechter gaat. Ik 
vind dat de heer Dijkstal met zijn 
constructie een steen onder het 
bouwwerk van de eigen verantwoor– 
delijkheid van de gezinsvoogdij– 
instellingen weghaalt. 

De heer Dijkstal (VVD): Ik ben het 
ten zeerste oneens met mevrouw 
Versnel op dit punt, om twee 
redenen. In de eerste plaats maakt 
mevrouw Versnel een onderscheid 
tussen de OTS-maatregel, waarbij de 
raad rekestreert en de kinderrechter 
een uitspraak doet, en een wijziging 
van die maatregel. Ik vind de 
wijziging van de maatregel even 
essentieel als de maatregel zelf. Ik zie 
niet in waarom er wat dat betreft in 

juridisch formele zin een onderscheid 
gemaakt moet worden. Als je vindt 
dat de rekestrerende taak bij de 
raden ligt als het gaat om het 
aanvragen van een OTS, dan hoort 
ook de wijziging van die OTS bij de 
raden en niet bij de gezinsvoogdij– 
instelüngen. In de tweede plaats 
maakt mevrouw Versnel een 
gedachtenfout door te spreken van 
een ondergeschikte positie. De 
discussie gaat er niet over wie in 
ondergeschiktheid aan de ander 
opereert. Het gaat erom dat volstrekt 

helder in de wet staat wat de 
bevoegdheden en de verantwoorde– 
lijkheden van de verschillende 

instituten zijn. Mijn zwaarste 
argument daarvoor is dat dit in 
juridisch formele zin van groot 

belang is. Het kan daarnaast ook in 

uitvoerende zin van belang zijn. Het 

is dus zeer essentieel, vee! essentië– 

ler dan mevrouw Versnel het doet 
voorkomen. 

Dit doet overigens niets af aan de 
taak van de gezinsvoogdij– 
instellingen, namelijk het op grond 
van een uitspraak van de rechter zo 
goed mogelijk de voogdij laten 
uitoefenen over kinderen. De inhoud 
van het werk wordt absoluut niet 
aangetast. Dus ik begrijp de 
weerstand van mevrouw Versnel 
eerlijk gezegd niet, tenzij zij met een 
andere agenda bezig is. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 

Nee, ik ben niet met een andere 

agenda bezig. Dat kan ik eerder van 

de heer Dijkstal zeggen. 

De heer Dijkstal (VVD): Nee, dat kan 
niet. Ik heb dit al jarenlang, ook in de 
subcommissie, zeer stelselmatig naar 
voren gebracht. Dat verwijt kunt u 
mij niet maken. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 

Goed, dat trek ik terug. Het gaat mij 

erom dat de heer Dijkstal het woord 

"controleren" heeft gebruikt, 

waardoor hij een onderschikking 

neerzet. Daar maak ik fundamenteel 

bezwaar tegen. 

De heer Dijkstal (VVD): Ik neem het 

woord "controleren" terug. 

Misschien heb ik mevrouw Versnel 

daarmee op het verkeerde been 

gezet. Het gaat mij erom dat er ten 

aanzien van de rekestrerende 

bevoegdheid maar sprake kan zijn 

van twee partijen. De ene is de Raad 

voor de kinderbescherming en de 

andere wordt gevormd door de 

ouders, pleegouders of belangheb– 
benden in die sector. Het gaat mij 
niet om de controle, maar om de 
formele juridische bevoegdheid, de 
ministeriële verantwoordelijkheid en 
alles wat daaraan annex is. 

Ik heb het gevoel dat er in de 
stukken wat dat betreft al te 
gemakkelijk op mijn voorstellen is 
gereageerd, zowel in het voorlopig 
verslag als in het eindverslag. 
Bijvoorbeeld in de nota naar 
aanleiding van het eindverslag op 
bladzijde 6 staat dat er enige sturing 
door de bij AMvB gestelde kwaliteits– 
regels en taken is. Dat is natuurlijk 
zo, maar dat heeft absoluut niets te 
maken met de vraag die ik naar 
voren bracht. Dus dat is waarschijn– 
lijk het bij gebrek aan betere 
argumenten zoeken naar zwakke 
argumenten. Welnu, de minister is 
erin geslaagd de zwakke argumenten 
te vinden, maar nog niet de sterke. 

Ik kan hier nog verder over 
uitweiden, maar ik meen dat mijn 
positie op dit vraagstuk volstrekt 
duidelijk is. Ik heb gemeend, mede 
om de te voeren discussie te 
vergemakkelijken, een aantal 
amendementen te moeten indienen. 
Het zijn er uiteindelijk vijf geworden 
om de zaak in juridische zin goed 
rond te breien. Overigens heb ik dit 
met hulp van ambtenaren van het 
ministerie moeten doen, want ik 
kwam er absoluut niet uit. Gelukkig 
heeft mevrouw Vliegenthart zich bij 
mij aangesloten. Samen staan wij 
sterker. 

Voorzitter! Ik stap over naar de 
taak van het OM. Ik moet eerlijk 
zeggen dat ik de discussies heb 
gevolgd tussen PvdA en de regering 
en met name tussen D66 en de 
regering als het gaat over de relatie 
tussen de raden voor de kinderbe– 
scherming en het OM. Vooral de 
fractie van D66 ging een kant op die 
ik totaal niet heb begrepen. Zij wil de 
raden opheffen en het openbaar 
ministerie de taken laten overnemen. 
De argumenten die door de fractie 
van D66 zijn aangevoerd, vond ik 
absoluut niet steekhoudend. 
Natuurlijk weten wij dat het 
openbaar ministerie zich in een enkel 
geval bemoeit met de 
kinderbeschermingsmaatregel, terwijl 
meestal de raden dat doen. Ik begrijp 
dat mevrouw Versnel dit ter 
discussie stelt, maar dan is het niet 
logisch om alle rekestrerende taken 
van de raden over te dragen aan het 
openbaar ministerie. De andere weg 
is dan veel logischer: wij zouden het 

16juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK78 


Dijkstal 

openbaar ministerie kunnen 
ontlasten door die paar gevallen die 
het behandelt, naar de raden over te 
hevelen. 

Mevrouw Versnel Schmitz (D66): 
Voorzitter! Ik heb niet gezegd dat het 
OM de taken van de raden voor de 
kinderbescherming moet overnemen. 
Ik heb gesproken over de positione– 
ring van de raden en gezegd dat zij 
binnen het OM nog wel degelijk hun 
eigen, specifieke functie hebben en 
houden. Dat had te maken met het 
voorkomen van de situatie van de 
wolf in schaapskleren. Er zou dus 
minder sprake moeten zijn van het 
aspect van maatschappelijk werk en 
meer van het juridische aspect. 

De heer Dijkstal (WD): Ik geef toe 
dat het zo was. Hoe het ook zij, naar 
de mening van mevrouw Versnel 
worden de raden voor de kinderbe– 
scherming ondergebracht bij het 
openbaar ministerie, waar zij echter 
wel als zelfstandige afdeling blijven 
bestaan. Ik vind dit, vooral voor D66, 
zeer wonderlijk, want dit betekent 
een juridificering van de kinderbe– 
scherming. Het brengt het allemaal 
veel te veel in de richting van het 

strafrecht, waar het juist vandaan 

moet. Bovendien heeft het openbaar 

ministerie bij mij nooit de indruk 
gewekt dat het specifieke kennis 

bezit over problemen die met 

kinderen kunnen ontstaan. 

Mijn voorstel is dan ook om het 
precies andersom te doen. Laten wij 
het OM ontlasten van die rekestre– 
rende bevoegdheid en deze 
onderbrengen bij de raden voor de 
kinderbescherming. Een amende– 
ment ter zake is door mevrouw 
Vliegenthart ingediend en ik heb dat 
met vreugde medeondertekend. Ik 
zal hier maar meteen aan toevoegen 
dat ook spoedeisende gevallen op 
deze manier zeer ordentelijk en snel 
afgehandeld kunnen worden. 

Voorzitter! Ik kom nu bij de 
gezinsvoogdij zelf. Ik ben blij dat de 
gezinsvoogdij met dit wetsvoorstel 
een nog sterkere en belangrijkere 
positie krijgt in de uitvoering van de 
jeugdhulpverlening. Het is ook 
terecht dat zowel door de regering 
als door de gezinsvoogdij is gewezen 
op het belang van additionele 
middelen waarmee dit werk naar 
behoren gedaan kan worden. Dit is 
een noodzakelijke verbetering van de 
kwaliteit en de deskundigheid, zeker 
in het kader van dit wetsvoorstel. Ik 
neem overigens aan dat het nog 

steeds de bedoeling van de minister 
is om dit per 1 januari 1995 te laten 
ingaan. 

Wij kunnen hier kort over zijn, 
want niemand heeft ontkend wat ik 
nu ga zeggen: hiervoor is 5 mln. 
nodig. Misschien niet het gehele 
bedrag op dit moment, want 
waarschijnlijk kan het gefaseerd 
worden. Die fasering kan ik niet 
helemaal overzien, maar ik heb 
begrepen dat er nu 1,5 mln. op tafel 
moet komen en later in het traject 
het restant. Die 5 mln. moet er 
gewoon komen. Alle partijen in de 
Kamer hebben dit uitgesproken en 
de minister heeft dit niet ontkend. Hij 
heeft zich alleen afgevraagd waar hij 
dat bedrag vandaan moet halen, en 
die vraag begrijp ik. Ik doe hem nu 
het zeer dringende verzoek om te 
proberen, het op de volgende manier 
te regelen. 

Ik ga ervan uit dat, welke regering 
er ook komt, zij in alle gevallen deze 
5 mln. onder het geweld van al die 
miljarden moet kunnen vinden en 
ook wil vinden. Dus die 5 mln. komt 
er, zeg ik nu. Dan is er sprake van 
een tussentijdse vraag, namelijk of 
de minister in staat is om nu uit 
onderuitputting of uit post X of Y, 
voor mijn part tijdelijk, geld te 
vinden, zodat die 1,5 mln. op tafel 
gelegd kan worden om de gezins– 
voogdij in staat te stellen, zich voor 
te bereiden op de taak die zij per 1 
januari heeft. Dit dringende verzoek 
zal de minister misschien met een 
andere minister moeten bespreken, 
maar dat hoor ik allemaal nog wel. 
Het is echter van groot belang dat 
wij wel dit traject opgaan, want 
anders verliezen wij na 1 januari tijd 
omdat iemand de taak niet aan kan 
waarvan de wetgever zegt dat hij 
haar moet uitvoeren. 

Voorzitter! Ik kom op de kwaliteit 
van de gezinsvoogdij. Ik ga er 
gewoon van uit dat wij, zeker gezien 
de nieuwe rol van de inspectie ter 
zake en de nieuwe AMvB over de 
kwaliteitseisen, op dit traject verder 
de goede kant opgaan. Verder ga ik 
ervan uit dat wij beschikken over de 
bescheiden, maar wel aanwezige 
bijsturingsmogelijkheden via de 
subsidievoorwaarden en de formele 
controle achteraf. 

In de eerste ronde van de 
schriftelijke stukken ben ik nogal diep 
ingegaan op de relatie tussen de 
gezinsvoogd en de gezinsvoogdij– 
instelling. De regering heeft hierop 
op een naar mijn mening bevredi– 
gende manier gereageerd. Het 

belangrijkste is dat de verantwoorde– 
lijkheid bij de instelling ligt. De vraag 
hoe die instelling daaraan verder 
uitvoering geeft - welke gezinsvoogd 
gaat waar naartoe en met welke 
bevoegdheden, bijvoorbeeld - is 
naar mijn mening een zaak die meer 
via de kwaliteitsregels en het beleid 
van de instellingen zelf wordt 
geregeld. Ik vind dan ook dat wij op 
deze manier gerust - en dat meen ik 
oprecht - verder kunnen gaan. 

Voorzitter! Bij de jeugd– 
hulpverlening is de waarborg voor 
de levensbeschouwelijke pluriformi– 
teit altijd een moeilijk punt. In artikel 
254, derde lid, is daarvoor een 
voorziening getroffen. De WD-fractie 
en anderen hebben daar navraag 
naar gedaan. Op welke wijze wordt 
de levensbeschouwelijke pluriformi– 
teit gewaarborgd? De regering 
schrijft in de memorïe van antwoord, 
op bladzijde 35, dat de kinderrechter 
bij aanwijzing van een gezinsvoogdij– 
instelling ruimte zal laten voor 
godsdienstige gezindheid of 
levensovertuiging. Daar ben ik het op 
zichzelf wel mee eens, maar de vraag 
is hoe dat wordt gewaarborgd. 
Misschien kom je dan toch bij een 
capaciteitsvraag terecht, dat kan ik 
niet geheel overzien. Ik vind dat wij 
elkaar open en eerlijk in de ogen 
moeten zien. Als wij dat willen 
waarborgen, moet dat ook materieel 
gewaarborgd kunnen worden. Op 
welke manier denkt de minister dat 
te doen? 

Over de positie van de pleeg– 
ouders zal ik kort zijn, omdat ik denk 
dat wij hierover in de nabije 
toekomst nog zullen praten. Zoals ik 
in het begin al heb gezegd, ben ik 
blij dat de pleegouders in dit 
wetsvoorstel, met name in artikel 
254, een sterkere juridische positie 
hebben gekregen dan voorheen. 
Daarmee zijn wij weer een stukje 
verder. Helaas is de pleegzorg om 
allerlei goede en minder goede 
redenen een beetje het stiefkind van 
de jeugdhulpverlening geworden, 
hoewel zij essentieel is en een 
belangrijke rol zou kunnen vervullen. 

Het is van groot belang dat wij 
ons in de toekomst bezinnen op de 
vraag hoe wij deze vorm van 
jeugdhulpverlening kunnen 
versterken. Dat heeft gedeeltelijk te 
maken met geld, maar die discussie 
ligt buiten het wetsvoorstel, dus die 
zal ik nu niet voeren. Voor een 
gedeelte heeft dat ook te maken met 
een verdere versterking van de 
juridische positie bij het blokkade– 

16 juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK78 78-5363 


Dijkstal 

recht en de maatregel van onthef– 
fing. Daarover staat het een en ander 
in de stukken. De minister heeft 
geantwoord dat hij daar graag mee 
bezig wil zijn, maar dat dit buiten het 
wetsvoorstel ligt, zodat er apart op 
teruggekomen zal worden. 

Hierover heb ik één praktische 
vraag, want ik zie ook dat de 
volgende regering er pas mee aan de 
gang kan. Ligt al het materiaal aan 
gegevens en ideeën klaar om dat 
snel te doen? Ik zou het erg jammer 
vinden, als een nieuwe regering 
weer een jaar nodig zou hebben om 
te begrijpen waar het allemaai over 
gaat. Dan verliezen wij te veel tijd. 

D 

De heer Rabbae (GroenLinks): 
Voorzitter! Ik ben korter dan de heer 
Dijkstal en mijn verhaal zal ook 
korter zijn dan het zijne. Zijn 
waardering voor het werk dat de 
Kamer heeft geleverd, geldt niet voor 
mij, want ik zat niet in dit respecta– 
bele huis, toen dit werk werd 
geleverd. Ik zal deze waardering 
overbrengen aan onze ex-collega de 
heer Lankhorst. Mijn waardering 
geldt ook voor de collega's die dit 
werk hebben geleverd, en voor de 
toenmalige staatssecretaris en 
huidige minister. Ik constateer dat hij 
aanzienlijk tegemoet is gekomen aan 
de wensen van de Kamer. Hij heeft in 
dit wetsvoorstel een aantal zeer 
belangrijke krenten neergelegd uit de 
verschillende pappen van de 
commissies van Wiarda, Gijsbers en 
Vliegenthart. Ik ben blij dat hij een 
positief wetsvoorstel heeft gedistil– 
leerd uit de discussie tot nu toe. 

Het cruciale punt is de opheffing 
van de dubbele petten van de 
kinderrechter. Dat is winst voor de 
rechtspraak, voor de rechtsstaat en 
voor de positie van de burger 
tegenover de Staat en de overheid. 
Van belang is ook dat het recht van 
contra-expertise bij het procesrecht 
inmiddeis in handen is gelegd van 
de ouders. Ook daarvoor heb ik grote 
waardering. 

De minister heeft na de discussie 

in de Tweede Kamer de mondigheid 

van de minderjarigen gehonoreerd. 

De minderjarige krijgt nu direct 

toegang tot de kinderrechter en is 

daarbij niet meer afhankelijk van 

ouders of vertegenwoordigers. Ik 

vind het in dit verband frappant dat 

de minister het recht op beroep van 

de minderjarige afwijst. De heer 

Dijkstal wees daar zoëven ook al op. 

De minister zegt dat de beslissing 
van de rechter altijd met waarborgen 
omkleed zal worden. Maar dat moet 
gelden voor iedere uitspraak van de 
rechter en voor alle sectoren van 
rechtspraak en wetgeving. Ik vind dat 
geen steekhoudend argument. Kan 
de minister deze afwijzing nader 
beargumenteren? Naar mijn mening 
dient de minderjarige volledig 
toegang te krijgen tot de rechter, ook 
in hoger beroep. 

Voorzitter! Wij juichen het toe dat 
de verschillende taken van de 
kinderrechter gescheiden worden. Dit 
heeft wel tot gevolg dat de positie 
van minderjarigen jonger dan 12 jaar 
verslechterd is ten opzichte van hun 
contacten met de rechter. Vroeger 
was er een spreekuur. De minderja– 
rige jonger dan 12 jaar had op die 
manier toegang tot de rechter. Dit is 
niet meer het geval. Deze categorie 
minderjarigen is nu verstoken van 
die mogelijkheid. Ik pleit niet voor 
herinvoering van het spreekuur. De 
scheiding van taken hebben wij zelf 
verdedigd. Ik pleit voor aansluiting 
bij de Algemene wet bestuursrecht. 
Daarin staat dat een minderjarige in 
een geding kan optreden wanneer hij 
in staat wordt geacht, zijn belangen 
redelijk te waarderen. Op die manier 
kan een opening worden gecreëerd 
voor deze categorie minderjarigen 
zodat zij hun problemen direct bij de 
rechter op tafel kunnen leggen. 

Bij de schriftelijke voorbereiding 
van dit wetsvoorstel heeft de 
WD-fractie gevraagd, de toegang 
van minderjarigen tot gefinancierde 
rechtsbijstand mogelijk te maken. Ik 
zie dat dit nog niet geregeld is. Kan 
de minister aangeven waarom hij dat 
niet heeft gedaan? 

Ik waardeer het dat de positie van 
minderjarigen is versterkt vergeleken 
met vroeger. Juist omdat het hierbij 
gaat om de zeer delicate situatie van 
kinderen, waarbij kinderen soms het 
slachtoffer kunnen zijn van omstan– 
digheden lijkt het mij van het 
grootste belang om te proberen de 
positie van deze minderjarigen gelijk 
te maken aan die van de ouders. Het 
gaat immers om de positie van die 
minderjarigen. Ik verwijs daarom 
nogmaals naar de mogelijkheden die 
de Algemene wet bestuursrecht biedt 
om deze kinderen dezelfde mogelijk– 
heden te verschaffen zodat ook zij 
toegang tot de kinderrechter hebben. 
Ik herhaal dat in deze wet duidelijk is 
gesteld dat als de minderjarige in 
staat wordt geacht, zijn belangen 
redelijk te knnnen waarderen, deze 

mogelijkheid geboden moet worden. 
Heeft de minister daar oog voor? Wil 
hij hierop reageren? 

Een ander belangrijk punt is de 
jeugdhulpverlening aan allochtonen. 
In mijn vorige werkkring heb ik het 
vaak meegemaakt dat allochtone 
ouders de grootst mogelijke 
problemen hadden en hebben met 
het ingrijpen door de overheid in 
privésituaties. Zelfs voor autochtone 
ouders is dit ingrijpen soms niet te 
begrijpen. Voor allochtone ouders is 
dit extra moeilijk omdat zij in hun 
oorspronkelijke cultuur een scheiding 
hebben tussen de wettelijke 
mogelijkheden van de overheid en 
de eigen privésituatie. Ik heb het zelf 
meegemaakt dat een uithuisplaatsing 
door de rechter via de kinderbescher– 
ming door ouders werd en wordt 
beleefd als een soort ontvoering van 
de eigen kinderen. Ik overdrijf niet! 
Uithuisplaatsing werd gezien als 
ontvoering van de eigen kinderen. 
Dit leidde tot dramatische situaties. 
Daarbij werden soms zelfs zelf– 
moordpogingen door moeders 
ondernomen, hopeloos als zij waren 
door de macht van de kinderbescher– 
ming en de ontvoering van hun 
eigen kinderen. Ik word nog steeds 
gebeld door een vader uit zuid– 
Nederland. Hij wordt door de 
hopeloze situatie als het ware 
gedreven tot het gebruik van geweld, 
desnoods in de richting van de 
rechter, om deze zaak tot een 
oplossing te brengen. Dat moeten 
wij zeker niet hebben. Ik heb zelf 
persoonlijk geprobeerd om deze 
zaken te sussen en te bemiddelen. 

Ik constateer dat het ontbreken 
van deskundige mensen bij de raden 
voor de kinderbescherming en het 
ontbreken van mensen uit de eigen 
cultuur bij de gezinsvoogdij– 
instellingen leidt tot grote proble– 
men. De culturele kloof tussen beide 
groepen van aan de ene kant de 
allochtone ouders en aan de andere 
kant de betrokken instellingen zou 
met behulp van adequaat 
geschoolde mensen kunnen worden 
overbrugd. Dat zijn bij voorkeur 
mensen met dezelfde culturele 
achtergrond. Ik leg dat heel duidelijk 
bij de minister op tafel. 

Is de minister bereid om, 
afhankelijk van zijn positie ten 
opzichte van de raden voor de 
kinderbescherming, een aanwijzing 
te geven? Als dat niet mogelijk is, is 
hij dan bereid om een duidelijk 
signaal af te geven in de richting van 
de raden voor de kinderbescherming 

16juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK78 


Rabbae 

en de gezinsvoogdij-instellingen? Dat 
signaal moet worden toegespitst op 
twee punten: het opnemen van 
mensen met aliochtone culturele 
achtergronden in de raden en in de 
besturen van gezinsvoogdij– 
instellingen als ook het opnemen van 
functionarissen in beide instellingen. 
Het lijkt mij goed als de minister 
probeert om een plannetje te 
ontwikkelen met deze msteilmgen en 
de hogescholen waar mensen uit 
allochtone milieus worden opgeleid 
tot maatschappelijk werkers. 

Het derde punt is actueel. In de 
Volkskrant van vandaag wordt 
geconstateerd dat de bezuinigingen 
op het terrein van de jeugd– 
hulpverlening in Rotterdam hebben 
geleid tot noodsituaties. Ik begrijp 
echter dat dit bijna een landelijk 
verschijnsel aan het worden is. 
Minderjarigen worden noodgedwon– 
gen opgesloten in politiecellen of 
krijgen huisarrest. Wij kunnen 
natuurlijk wel verwachten dat alles 
wordt opgelost als de vakanties 
aanbreken, maar dat is natuurlijk 
geen serieuze structurele aanpak van 
deze kwestie. langs welke weg denkt 
de minister een oplossing te vinden 
voor deze kwestie? 

D 

De heer Van den Berg (SGP): 
Mijnheer de voorzitter! Wij spreken 
vanmorgen over een belangrijk 
wetsvoorstel dat voor mijn fractie 
ook principieel bezien belangnjke 
aspecten bevat. Ik denk met name 
aan de juridische vormgeving van 
verhoudingen op het veld van 
ouders en kinderen, de inbreuk op 
ouderlijk gezag en wat dies meer zij. 
De minister is bekend dat dit voor 
onze fractie zeer aangelegen punten 
zijn. 

De voorgeschiedenis van dit 
wetsvoorstel is al even aangehaald 
door de heer Dijkstal. Mijn fractie 
heeft zich destijds in grote lijnen 
kunnen verenigen met het rapport 
"Rechtzetten". In de praktijk zijn er 
grote knelpunten op dit terrein 
gebleken die duidelijk juridische 
verbetering behoeven. 

Voordat ik nader op het wetsvoor– 
stel inga, wil ik een wat meer 
algemene opmerking maken. Wij 
hebben op dit moment te maken met 
tal van ontwikkelingen op het gebied 
van het familie– en jeugdrecht. Daar 
heeft ook dit wetsvoorstel zijn plaats 
in. Wij hebben op dat terrein toch 
zorgen. Misschien kan ik voor de 

discussie het beste aanhaken bij een 
aantal opmerkingen van prof. De 
Langen, een veterane in het familie– 
en jeugdrecht, in het kader van een 
lezing die zij vorig jaar aan de 
Universiteit van Utrecht heeft 
gehouden. Het moge bekend zijn dat 
de SGP-fractie het lang niet op alle 
punten met haar inhoudelijke 
opvattingen eens is. Zij maakte daar 
echter toch een aantal meer 
algemene behartigenswaardige 
opmerkingen. Zij merkte op dat de 
regering geen gemakkelijke taak 
heeft wanneer zij het tot haar 
opdracht rekent om op alle maat– 
schappelijk veranderingen met 
nieuwe wetgeving te reageren en op 
alle verzoeken van bepaalde 
categorieën burgers in te gaan. In 
het algemeen is het echter zaak voor 
de overheid, zo merkt zij op, om zich 
terughoudend op te stellen en zich af 
te vragen, of wetgeving wel 
noodzakelijk is en of bepaalde 
maatschappelijke vraagstukken zich 
niet op andere wijze laten reguleren. 
Dat geldt te meer, wanneer het om 
familieaangelegenheden gaat, dat wil 
zeggen waar het gezins– en 
privéleven van de burgers - zij 
hebben de eerste verantwoordelijk– 
heid - aan de orde zijn en waar de 
overheid slechts bij in eigen kring 
onoplosbare conflicten een taak 
heeft. De overheid kan er met 
wetgeving nu eenmaal niet voor 
zorgen, dat een gezin harmonieus 
functioneert, dat alle gezinsleden 
elkaar respecteren. Goede familie– 
relaties laten zich met de wet niet 
afdwingen. Terwijl voor de overheid 
juist op het terrein van het familie– 
en jeugdrecht een zeer bescheiden 
taak is weggelegd, is haar de laatste 
jaren bij voortduring gevraagd om 
zich met dit familieleven te bemoeien 
en tot regulering van familierelaties 
over te gaan. Vele categorieën 
personen eisen hun veronderstelde 
rechten op, individueel bij de rechter 
en meer algemeen bij de wetgever 
die hier weinig terughoudend op 
gereageerd heeft. Met de pretentie 
dat ook alles geregeld kan worden 
heeft men gemeend op vrijwel alle 
claims te moeten ingaan. Het lijkt, zo 
zegt mevrouw De Langen, dat noch 
de regering noch de Tweede Kamer 
er nog enig zicht op heeft, wat op dit 
terrein hun taak is, wat de zin is van 
verschillende wetsvoorstellen en hoe 
ze, eenmaal wet zijnde, in de praktijk 
zullen werken. Zij concludeert dat de 
wetgever met het idee, dat ook in het 
familie– en jeugdrecht alles geregeld 

kan en moet worden, de grenzen van 
zinvolle en acceptabele wetgeving 
zijn overschreden, wat gezien kan 
worden als een ongerechtvaardigde 
overheidsbemoeienis met het gezins– 
en privéleven van de burgers. 

Deze niet mis te verstane 
conclusie van deze deskundige op dit 
terrein moet toch ook de regering 
iets te zeggen hebben. Nogmaals, 
zonder ons te willen identificeren 
met alle overigens door mevrouw De 
Langen ingenomen standpunten, lijkt 
ons de behandeling van dit 
wetsvoorstel een goede gelegenheid 
voor een serieuze reactie van de 
regering op dit punt. Zij heeft zonder 
meer gelijk dat wij het zicht op alle 
voorstellen met betrekking tot 
minderjarigen, zowel op civiel als op 
strafrechtelijk terrein, die ons de 
laatste jaren zijn gepasseerd en die 
wij nog in behandeling hebben, 
dreigen kwijt te raken. Worden de 
noodzakelijkheid van en het 
onderlmg verband tussen al deze 
voorstellen nog wel met een 
voldoende kritisch oog beschouwd? 
Ik zou het zeer op prijs stellen 
wanneer de minister op deze 
vraagstukken in bredere zin zou 
willen ingaan. 

Wat het standpunt van mijn fractie 
betreft, moge duidelijk zijn, dat wij 
een beperkte maar wel een 
essentiële taak voor de wetgever zien 
weggelegd, waar het gaat om 
juridische structuren van gezins– en 
familieleven. Maar ook wij krijgen 
steeds sterker de indruk, dat de 
wetgever poogt aan de eisen en 
verlangens van allerlei groepen 
tegemoet te komen en weinig 
kritisch meedeint op de maatschap– 
pelijke golven zonder een vast 
kompas. 

Voorzitter! Wat het onderhavige 
wetsvoorstel betreft, wil ik opmer– 
ken, dat ook wij erkentelijk zijn voor 
de goede schriftelijke voorbereiding 
en de wijze waarop op de door ons 
gestelde vragen en gemaakte 
opmerkingen is ingegaan. Ik heb al 
aangeduid, dat mijn fractie over de 
wenselijkheid van herziening en 
verbetering op een aantal terreinen 
niet fundamenteel met de regering 
van mening verschilt. De kern ervan, 
het aanbrengen van de scheiding 
tussen rechtspraak en verantwoorde– 
lijkheid voor de uitvoering van de 
maatregel van ondertoezichtstelling 
heeft onze instemming. In feite wordt 
daarmee aansluiting gezocht bij het 
in onze staatsrechtelijke orde 
gangbare onderscheid tussen 

16 juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK78 78-5365 


Van den Berg 

rechtsprekende en uitvoerende 
macht. Daarbij moet overigens wel 
bedacht worden. dat binnen de 
gezinsvoogdij-instellingen de 
verantwoordelijkheid voor de 
uitvoering gepaard zal gaan met het 
uitdrukkelijk nemen van een aantal 
beslissingen. In de praktijk zal 
moeten blijken - wij zijn er niet 
helemaal gerust op - of deze 
instellingen personee! en materieel 
voldoende toegerust zijn om deze 
belangrijke taak te kunnen uitvoeren. 

De ondertoezichtstelling is een 
ingrijpende, hoewel nog niet de 
meest ingrijpende maatregel. Vanaf 
1922 kennen wij in onze wetgeving 
deze maatregel in het kader van de 
bescherming door de overheid van 
het kind tegen misbruik van 
ouderlijke macht of verwaarlozing 
van de plichten der ouders. De 
maatregel beoogt met behoud of 
met beperking van het ouderlijk 
gezag de ontwikkeling van het 
bedreigde kind positief te beïnvloe– 
den. Onze visie was en is, dat de 
opvoeding het beste kan plaatsvin– 
den in het gezin. Een reden voor de 
voorgestelde wetswijziging is onder 
meer de regelmatig terugkerende 
kritiek - die ook door ons in globale 
zin wordt onderschreven - op de 
kinderbescherming, waarbij impliciet 
het bevoegdhedencomplex van de 
kinderrechter bij de ondertoezicht– 
stelling onder vuur ligt. Het doel van 
het voorstel en van de maatregel van 
ondertoezichtstelling als zodanig 
moet in onze ogen zijn, dat de 
positie van de minderjarige en zijn 
relatie met de ouders wordt 
verbeterd. Daaraan dienen structu– 
rele en organisatorische wijzigingen 
in de sfeer van de kinderbescher– 
ming dienstbaar te zijn. Zou de 
minister nog eens in het kort 
duidelijk kunnen maken dat dit 
wetsvoorstel beter aan deze eis 
beantwoordt dan tot nu toe het geval 
was? In feite gaat het hier om de 
concretiserïng van de algemene toets 
die ik eerder aan de regering 
voorhield. 

Intussen signaleren wij het 
verontrustende gegeven dat in de 
afgelopen jaren het aantal onder 
toezicht gestelde minderjarigen sterk 
is toegenomen, namelijk van 8600 in 
1980 tot 12.000 in 1990. Deze stijging 
gaat nog altijd voort. Nog verontrus– 
tender is het feit dat in een toene– 
mend aantal gevallen niet kan 
worden volstaan met de aanwijzing 
van een gezinsvoogd maar dat 
tevens uithuisplaatsing van de 

minderjarige nodig blijkt te zijn. Daar 
komt nog bij dat 50% van de 
plaatsingen mislukt omdat de 
jongere wegloopt of wordt wegge– 
stuurd, hetgeen tot een onbekend 
aantal zwerfjongeren heeft geleid. 
Deze feiten onderstrepen nog eens 
de ernst van de situatie. Ik zou, in 
navolging van de heer Rabbae, mede 
naar aanleiding van recente 
persbeschouwingen de vraag willen 
stellen of de opvangcapaciteit 
inderdaad volledig verstopt is, 
hetgeen tot ernstige problemen kan 
leiden. Wat is hieraan op korte 
termijn te doen? 

Bij de schriftelijke voorbereiding 
hebben wij onder meer stilgestaan 
bij het feit dat zich al langere tijd het 
verschijnsel voordoet dat de 
gezinsvoogd formeel een instelling is 
en dat de vertegenwoordiger die 
contact onderhoudt met ouders en 
minderjarigen een werknemer van 
die instelling is. Het kan, gelet op de 
zojuist genoemde aantallen, 
misschien ook moeilijk anders. Ook 
de professionele of kwaliteitseisen 
die aan de gezinsvoogd worden 
gesteld, dwingen in deze richting. 
Toch zou ik nogmaals de aandacht 
van de minister wiilen vragen voor 
het risico van verzakelijking en zelfs 
bureaucratisering in de verhoudin– 
gen met het kind en de ouders. Dat 
is juist op dit terrein een zeer 
ongewenste zaak. Onderkent de 
minister dit bezwaar? 

Naarmate meer personen en meer 
disciplines zich met de jongere en de 
ouders bezig gaan houden, kan de 
situatie onoverzichtelijker worden, 
zeker voor de minderjarige. Uit de 
voorbereidende stukken komt naar 
voren dat diverse categorieën 
personen hun veronderstelde rechten 
opeisen waar het de gang van zaken 
rondom de ondertoezichtstelling 
betreft. Allerlei betrokkenen en 
belanghebbenden willen zich graag 
een gegarandeerde rechtspositie 
toegekend zien. Dit heeft geleid tot 
een gedetailleerde en complexe 
regeling waarvan wij maar moeten 
hopen dat zij het belang van de 
minderjarige en diens relatie tot zijn 
ouders ten goede zal komen. Uit de 
reactie van de regering op diverse 
wensen blijkt dat onmogelijk aan alle 
wensen tegemoet kan worden 
gekomen. Dat is maar goed ook. De 
minderjarige mag immers geen 
speelbal worden van de belangen 
van en de competentiestrijd tussen 
velen. Wij houden op dit punt onze 

zorgen die wij met nadruk aan de 
regering willen meegeven. 

Een zaak die onze fractie ook in 
ander verband indringend heeft 
beziggehouden - ik verwijs naar het 
wetsvoorstel betreffende de 
geneeskundige behandelings– 
overeenkomst dat in februari 1994 
door de Kamer werd afgehandeld betreft 
het aspect van de medische 
behandeling van de minderjarige. Ik 
noem hierbij in het bijzonder artikel 

264. Gelet op de uitvoerige discussie 
over wetsvoorstel 21561 wil ik hierop 
nu niet te diep ingaan. Bij die 
gelegenheid hebben wij reeds onze 
principiële bedenkingen doen blijken 
tegen de in die bepaling vervatte 
mogelijkheid om de gewetensbezwa– 
ren van ouders te passeren. Ik zou 
mij nu wilien distantiëren van de 
twijfel die in de nota naar aanleiding 
van het eindverslag is blijven 
bestaan waar het gaat om de vraag, 
of het met het oog op de inenting 
tegen polio mogelijk is om een 
ondertoezichtstelling uit te lokken. 
Wij vinden dat daarmee artikel 264 
zeer op oneigenlijke gronden zou 
worden aangewend. De minister 
weet dat wij tegen een dergelijke 
ontwikkeling zeer grote bezwaren 
zouden hebben. 
Meer in algemene zin is dit voor 
mij een aanleiding om in te gaan op 
het rekening houden met de 
godsdienstige gezindheid van de 
minderjarige en de ouders. Met de 
heer Dijkstal, zij het vanuit een wat 
andere achtergrond, vraag ik mij af 
hoe dit in de praktijk gestalte zal 
krijgen. Onze zorg is dat bij 
conflicten vaak niet de visie van de 
ouders maar die van het kind 
prevaleert in rechterlijke uitspraken. 
Is dat nu de bedoeling? Wij moeten 
toch zolang mogelijk en zoveel 
mogelijk het ouderlijk gezag tot zijn 
recht laten komen, ook wanneer 
ingegrepen moet worden in 
gezagsverhoudingen van ouders tot 
kinderen. De minister zal dat met ons 
eens zijn. Dat geldt zeker bij dit zeer 
aangelegen aspect van godsdienstige 
gezindheid. Ik vraag daarvoor nog 
eens nadrukkelijk de aandacht van de 
minister. 

Daarbij is ook een ander, voor ons 
evenzeer aangelegen punt aan de 
orde. Ook daarover zou ik nu, gezien 
alle discussies die wij hebben gehad, 
niet te veel willen zeggen. Dat is het 
aspect van de eigen rechtsingang 
van de minderjarige. Ten principale 
heeft de regering zich daarover 
uitgesproken in de notitie over de 

16juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK78 


Van den Berg 

rechtspositie van minderjarigen. Tot 
op zekere hoogte konden wij ons 
daarin wel vinden. Wij stellen echter 
vast dat hier en daar, bijvoorbeeld bij 
het omgangsrecht en zeker hier, toch 
rechtsingangen worden geschapen 
vanaf 12-jarige leeftijd. Die worden 
dan wel als informeel aangeduid. In 
dit voorstel wordt die rechtsingang 
ook geschapen met het argument dat 
de autonomie van het gezinsleven 
door de ondertoezichtstelling al is 
doorbroken. Ik vraag mij overigens af 
of de regering zelf wel consequent is 
in haar eigen voorstel. Zij onthoudt 
de minderjarige de mogelijkheid - ik 
zou daar niet voor zijn, maar ik 
signaleer het- om in hoger beroep 
geheel zelfstandig te procederen. 
Dan is de minderjarige dus weer 
aangewezen op vertegenwoordiging 
door ouder of voogd of bijzonder 
curator. Ik denk dat ons standpunt 
helder en consequent is, maar dat dit 
van deze lijn toch in mindere mate 
kan worden gezegd. Wij hebben dus 
duidelijke bezwaren tegen de 
voortgaande lijn van het ver– 
zelfstandigen van de eigen rechten 
van minderjarigen, ook tegenover 
hun ouders. Dat lijkt ons een 
nodeloze inbreuk op het ouderlijk 
gezag. 

Ik wil nog een punt noemen, waar 
ook de heer Dijkstal op heeft 
gewezen en waarvoor wij in de 
schriftelijke voorbereiding reeds 
aandacht hebben gevraagd. Dat 
betreft de vraag of wij bij de 
gezinsvoogdij-instellingen kunnen 
spreken over een publiek orgaan. 
Voor mijn fractie blijft dat een 
moeilijk punt. Wij proberen altijd 
veel oog te hebben voor heldere 
scheidingen tussen publiek– en 
privaatrecht. Nu weet ik dat op dit 
terrein die grenzen misschien niet zo 
duidelijk zijn aan te geven, maar ik 
vraag mij af of wij echt winst 
behalen door de gezinsvoogdij– 
instellingen als publiek orgaan aan te 
merken. Ik weet dat het toepassen 
van de Algemene wet bestuursrecht 
voordelen heeft vanwege de 
procedureregels. Gezien echter het 
eigen karakter van dit terrein, zou je 
geheel zelfstandig in deze wet eigen 
regels hebben kunnen vastleggen 
zonder de redenering te willen 
aangaan dat wij spreken over een 
publiek orgaan. Wij houden grote 
twijfels bij deze constructie. 

Ik kom tot een afronding. In het 
debat is terecht al eerder gesproken 
over de grote problematiek van de 
jeugd in deze tijd. Die is inderdaad 

ontzaglijk groot. Wij delen de zorg 
daarover. De problemen nemen zelfs 
hand over hand toe. En dan praat ik 
nog niet eens over verslaving van 
minderjarigen en alles wat daarmee 
te maken heeft. Heeft dit echter ook 
niet alles te maken met het verval 
van normen en waarden in onze 
samenleving, met name van Bijbelse 
normen en waarden, wat verwoes– 
tend doorwerkt in gezins– en 
familieverhoudingen? Met deze 
wetgeving is dat op zichzelf niet te 
verbeteren. Men probeert alleen 
procedureregels te geven. Wat wel 
verbetering zou brengen is meer 
zicht op de heilzaamheid van de 
Bijbelse normen en waarden, juist 
ook op dit zo essentiële terrein. Ik 
heb een aantal punten genoemd, 
waarop naar het oordeel van mijn 
fractie dit wetsvoorstel niet het juiste 
zicht verraadt. Hoewel mijn fractie 
erkent dat dit wetsvoorstel procedu– 
reel een aantal verbeteringen bevat, 
zijn wij niet op alle punten even blij 
met dit wetsvoorstel en kan het ons 
niet op alle punten volledig tevreden 
stellen. Wij vinden met name dat het 
ouderlljk gezag niet steeds vol– 
doende recht wordt toegekend. Het 
gaat erom, het juiste evenwicht te 
vinden tussen erkenning van het 
beginsel van het ouderlijk gezag en 
de noodzaak die in sommige 
situaties inderdaad aanwezig kan zijn 
om daarop inbreuk te plegen. De 
vraag is dan altijd weer of het juiste 
evenwicht gevonden is. 

Mijn fractie heeft ter zake een 
aantal vragen gesteld, waarop zij 
graag een uitvoerige reactie van de 
minister krijgt alvorens zij tot een 
eindoordee! komt. 

D 

Mevrouw Versnel-Schmitz (066): 
Voorzitter! Ik wil beginnen met zowel 
u als mevrouw Vliegenthart hartelijk 
te danken, dat ik even voor mag in 
verband met een mondeling overleg 
dat ik anders zou missen. De 
verdubbeling van de fractie is nog 
niet helemaal voldoende om de 
euvelen in de beginperiode, als je 
oude onderwerpen nog aan het 
afronden bent, te voorkomen. 

Voorzitter! De doelstelling van dit 
wetsvoorstel is om de maatregel van 
ondertoezichtstelling van kinderen 
meer helder te regelen, de recht– 
spraak en de verantwoordelijkheid 
voor de uitvoering te scheiden en de 
rechtswaarborgen te verbeteren. 

Het wetsvoorstel is helder in de 
verantwoordelijkheidstoedeling. De 
zogenaamde dubbele pet van de 
kinderrechter verdwijnt. De kinder– 
rechter beperkt zich tot de recht– 
spraak en tot het onder toezicht 
stellen of het verlenen van een 
machtiging tot uithuisplaatsing aan 
een gezinsvoogdij-instelling die 
verantwoordelijk is voor de verdere 
uitvoering van de maatregel. 

Tevens kan juist door het scheiden 
van de boedel de bemiddelende rol 
van de kinderrechter beter tot uiting 
komen. Hij staat duidelijk boven de 
partijen en hij zal ook meer zo 
ervaren worden door ouders, 
minderjarigen en pleegouders, juist 
ook omdat zij zich op eenvoudige 
wijze tot de kinderrechter kunnen 
wenden. 

De inhoud van de maatregelen is 
nauw omschreven. De rechtszeker– 
heid omtrent de duur van de 
maatregel wordt vergroot. Er wordt 
een duidelijk onderscheid gemaakt 
tussen een voorlopige OTS, een OTS 
en een machtiging tot uithuis– 
plaatsing. Het zijn aparte acties, 
gebonden aan eigen termijnen en 
voorwaarden. Bij het verzoek tot de 
zware ingreep van uithuisplaatsing 
moet vermeld worden voor welke 
voorziening de machtiging wordt 
gevraagd. En bij een voorlopige OTS, 
al dan niet met uithuisplaatsing, 
moet er sprake zijn van "dringend en 
onverwijld". Belanghebbenden 
moeten worden gehoord en als dat 
binnen veertien dagen niet is 
gebeurd, verliest de beslissing tot 
voorlopige OTS en/of de uithuis– 
plaatsing zijn kracht. Hoe dan ook, de 
voorlopige OTS kan maximaal drie 
maanden duren. 

Een nog zwaarder middel dan de 
plaatsing in een gesloten instelling is 
niet alleen gebonden aan een tweetal 
forse procedurele voorwaarden, 
namelijk in de eerste plaats een 
uitdrukkelijk daartoe strekkende 
machtiging van de kinderrechter en 
in de tweede plaats de toevoeging 
van een raadsman aan de minderja– 
rige, maar ook aan een inhoudelijke 
voorwaarde die in de wet omschre– 
ven is. De machtiging wordt immers 
slechts verleend, indien zij vereist is 
wegens ernstige gedragsproblemen 
van de minderjarige. 

Hoewel deze waarborgen in de 
schriftelijke behandeling al door de 
fractie van D66 zijn toegejuicht, 
noem ik ze nog maar eens luid en 
duidelijk. Ik doe dat juist omdat 
hiermee een einde komt aan de 

16 juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK78 


Versnel-Schmitz 

ondoorzichtigheid van het huidige 
stelsel, vooral aan de ondoorzichtige 
overgangen van voorlopige OTS, 
voorlopige uithuisplaatsing, OTS, 
voortgezette uithuisplaatsing, 
gesloten inrichting, waardoor de 
burger zich vermalen kon voelen. 
Immers, als naast het verdriet van 
ouders en kinderen bij de noodzaak 
van dergelijke maatregelen ook nog 
de volstrekte machteloosheid wordt 
gevoegd, omdat men geen zicht 
heeft op wat er gebeurt of wat er 
verder nog gebeuren kan en men het 
gevoel heeft, er geen enkele invloed 
op te kunnen uitoefenen, dan 
ontstaat er woede. Een woede die 
maar al te vaak in aan ons gerichte 
brieven kenmerkend is. Nu moeten 
we niet denken dat dit allemaal 
voorbij zal zijn na aanvaarding van 
dit wetsvoorstel want de inperking 
van het ouderlijk gezag valt nu 
eenmaal niet gemakkelijk te 
accepteren, hoe goed je de waarbor– 
gen ook maakt. 

Tamelijk op de valreep kregen we 
nog een aantal aanbevelingen ter 
verbetering van het wetsvoorstel, 
voortgekomen uit een vergelijkings– 
onderzoek met de Duitse en de 
Engelse wetgeving, uitgevoerd door 
mevrouw Van Unen van de VU. 
Zonder op alle onderdelen in te 
gaan, meen ik dat vooral de 
voorgestelde "interventie op maat" 
de rechter op voorhand te zeer aan 
banden legt en hem wederom 
betrekt bij de uitvoering, waar wij nu 
juist vanaf willen. Ik noem dit omdat 
er aan de andere kant een aantal 
aanbevelingen zijn die beter hun plek 
zouden kunnen vinden in de 
vernieuwing van het Besluit 
kwaliteitsregels en taken voor de 
gezinsvoogdij-instellingen. Je zou 
daarmee misschien op andere 
gedachten kunnen komen omdat je 
aitijd kunt leren van methoden of 
procedures die in het buitenland 
worden toegepast en die misschien 
zinvol kunnen zijn voor onze situatie. 
Wil de staatssecretaris bekijken in 
hoeverre of de voorstellen van 
mevrouw Van Unen bruikbaar zijn in 
de kwaliteitsregels... 

De heer Dijkstal (VVD): Voorzitter! Ik 
wil mevrouw Versnel erop wijzen dat 
wij helaas geen staatssecretaris meer 
hebben. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Het spijt mij, maar dat is nog een 
gewoonte. Ik moet eigenlijk een 
dubbel excuus aanbieden, niet aileen 

aan de heer Dijkstal maar ook aan de 
minister. 

De heer Dijkstal (VVD): Hij keek zo 
teleurgesteld. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Op zichzelf lijken sommige aanbeve– 
lingen heel zinnig, maar ik wil ze 
absoluut niet in de wet opnemen, 
want dan verstoor je de helderheid 
en de grote lijnen van de wet. Ik zou 
dat ten zeerste betreuren. 

Hoe dan ook, er zitten waarborgen 
in het wetsvoorstel. Er is een 
gemakkelijke toegang tot de rechter. 
Ouders, pleegouders en kinderen 
boven de 12 kunnen een verzoek 
doen, een OTS op te heffen. Tevens 
kunnen zij een betwiste aanwijzing of 
machtiging tot uithuisplaatsing aan 
de rechter voorleggen. Het feit dat de 
aanwijzing schriftelijk moet gebeuren 
en onderdeel is van het 
hulpverleningsplan geeft grote 
duidelijkheid aan betrokkenen, 
waardoor het verzoek aan de rechter 
tot vervallenverklaring van een 
aanwijzing ook beter te concretiseren 
is. Hoewel het woord "procedure" 
abstract klinkt, blijkt steeds dat 
burgers er in de praktijk zeer aan 
hechten dat de regels duidelijk zijn. 
Men wil graag weten wanneer men 
waar moet zijn om zijn mening 
kenbaar te maken of een verzoek te 
doen. 

Daarom is er ook zoveel kwaad– 
heid over het niet kunnen inzien van 
rapporten van externe bureaus en 
over het feit dat die rapporten soms 
door de Raad voor de kinderbescher– 
ming gewijzigd worden. Men vindt 
dat gewoon niet eerlijk en daar heeft 
men ook gelijk in. Ik zie nog af van 
de beroepscodes die doorbroken 
worden. Wij hebben hier vrijwel 
kamerbreed vragen over gesteld. Het 
is urgent dat de minister met 
geëigende maatregelen komt. 
Wanneer zal dat gebeuren? Ik verwijs 
naar de nota naar aanleiding van het 
eindverslag, waarin staat dat externe 
adviezen deel uitmaken van de 
bescheiden waarop de beslissing van 
de rechter tot stand komt en dat de 
belanghebbenden recht hebben op 
inzicht en afschrift. Het gaat er alleen 
om dat dit in de praktijk ook gebeurt. 
Ik wilde dit toch even kwijt. 

Ik kom op het tijdstip van 
invoering. In diverse rapporten, zoals 
dat van Wiarda en Gijsbers en 
"Rechtzetten", is de wenselijkheid 
van een wijziging in de door mij 
beschreven richting bepleit. Op 17 

juni 1991 heeft de Kamer zich reeds 
voor dergelijke wijzigingen uitge– 
sproken. Wij kunnen dus zuchten 
over de hoeveelheid tijd die het kost 
om iets te wijzigen waarover 
iedereen het eens is. De mededeling 
van de indiener in de nota naar 
aanleiding van het eindverslag dat 
de invoering pas medio 1995 
voorzien is, stelde mij echt teleur. 

Ik weet dat goede wetgeving tijd 
kost. Inderdaad, de kwaliteit van het 
wetsvoorstel is goed. Het is goed 
leesbaar, helder en begrijpelijk. Dat is 
een eis die aan alle wetgeving wordt 
gesteld, maar het lukt lang niet altijd. 
Die helderheid en begrijpelijkheid 
zijn des te belangrijker in een gebied 
met zoveel emotionele mijnenvelden 
als de kinderbescherming en de 
ondertoezichtstelling. Ook de Kamer 
heeft bijgedragen aan de gespen– 
deerde tijd. Zij heeft zich niet 
onbetuigd gelaten met een zeer 
uitvoerig voorlopig verslag, dat weer 
zeer zorgvuldig is beantwoord. Het 
heeft tot diverse wijzigingen in het 
wetsvoorstel geleid, waardoor de 
kwaliteit er verder op vooruitgegaan 
is. Ik ondersteun de complimenten 
die de heer Dijkstal gaf aan de 
opstellers van de teksten. 

De laatste wijziging van lid 4 van 
artikel 260 geeft glashelder de 
termijn weer waarbinnen de ouder of 
het kind een fictieve weigering van 
de gezinsvoogdij-instelling om een 
aanwijzing in te trekken, aan de 
rechter kan voorleggen. Het is 
belangrijk dat dit soort termijnen 
duidelijk is. 

Juist het belang dat de Kamer 
eraan hecht om dit wetsvoorstel zo 
snel mogelijk tot wet te doen 
verheffen, leidde tot de voorkeur 
voor behandeling voor het zomerre– 
ces. De fractie van D66 stelt voor, per 
1 januari 1995 tot invoering te 
komen. Dat zou moeten kunnen. In 
de nota naar aanleiding van het 
eindverslag schrijft de minister, die 
toen nog staatssecretaris was, dat 
per 1 januari 1995 de protocollen en 
kwaliteitsrichtlijnen gereed zullen 
zijn. Dat was een antwoord op een 
wat bezorgde vraag van de fractie 
van D66 of de noodzakelijke acties 
voor kwaliteitsverbetering van de 
gezinsvoogdij-instellingen niet te laat 
in gang waren gezet. Ik bedoelde iets 
meer dan de op zichzelf belangrijke 
protocollen en kwaliteitsrichtlijnen, 
namelijk de inhoudelijke wijziging 
van de organisatie, de sterk vergrote 
verantwoordelijkheid van de 
gezinsvoogdij-instellingen en de 

16juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK78 


Versnel-Schmitz 

bijscholing van het personeel. In de 
nota naar aanleiding van het 
eindverslag wordt dit echter niet als 
argument genoemd voor een later 
tijdstip van invoering. Slechts de 
tmancien worden genoemd. Dus öf 
de organisatorisch-inhoudelijke 
wijzigingen zijn geen reden tot 
uitstel, en deze kunnen gelijk 
oplopen met de protocollen en de 
kwaliteitsrichtlijnen - in dat geval is 
er niets wat de invoering per 1 
januari 1995 in de weg zal staan - öf 
het is wel degelijk een wezenlijk 
punt, en dan had de staatssecretaris 
daarop moeten zeggen dat het niet 
kan, omdat ze niet ver genoeg zijn. 
Daarop wil ik graag een reactie 
hebben van de minister. 

Voorzitter! De maatregel van 
ondertoezichtstelling is een middel, 
geen doel. Hoofddoel is de bedrei– 
ging van de zedelijke of geestelijke 
belangen, of de bedreiging van de 
gezondheid van een minderjarige af 
te wenden. Wij zullen deze zin echt 
moeten leren beheersen, want die is 
toch wat anders dan de vorige! 
Daarbij moet het duidelijk zijn, dat 
andere middelen, zoals de inzet van 
de ouders of van de vrijwillige 
jeugdhulpverlening, hebben gefaald 
of naar te voorzien is, zullen falen. 
Tot dusverre bestaat het beeld, dat in 
geval van een OTS het vrijwel 
onvermijdelijk is dat daarmee de 
hulpverlening wijzigt. Dat kan soms 
heel jammer zijn, omdat de lijn van 
de bestaande hulpverlening en het 
bestaande hulpverleningsplan op 
zichzelf zinnig kan zijn, zonder dat 
het vrijwillige kader voldoende zoden 
aan de dijk zet. Met de gedachte van 
de task force, of de praktijk in het 
Nijmeegse, is het zeer wel rnogelijk 
dat de feitelijke hulpverlening 
dezelfde blijft als bij de vrijwillige 
jeugdhulpverlening. Alleen functio– 
neert deze dan onder het gezag van 
de gezinsvoogdij-instelling en de 
gezinsvoogd/contactpersoon. Er is 
dan een extra stok achter de deur, 
waardoor ouders een aanwijzing 
moeten volgen, waartoe ze voordien 
geen bereidheid vertoonden. Het kan 
een groot voordeel zijn om een 
ingezette lijn niet te hoeven 
onderbreken, om weer een nieuwe 
hulpverlener van voren af aan te 
laten beginnen. Dat moeten we, als 
het effe kan, voorkomen. 

Je zou kunnen zeggen dat de 
plaatsende instantie en de case– 
manager binnen het Bureau 
jeugdzorg wijzigen, na het onderzoek 
en het rekest van de Raad voor de 

kinderbescherming en de uitspraak 
van de kinderrechter, en wel in de 
gezinsvoogdij-instelling met 
bijzondere bevoegdheden, zoals het 
geven van aanwijzingen. Soms zal 
dat leiden tot een geheel andere 
hulpverlener en een heel ander 
hulpverlenmgsplan, maar soms is 
het ook van waarde om datzelfde 
hulpverleningsplan met dezelfde 
hulpverlener binnen het kader van de 
OTS te kunnen laten functioneren. 
De fractie van D66 kijkt positief tegen 
die gedachte aan. Ik ben eigenlijk wel 
benieuwd naar de reactie van de 
minister. 

Voorzitter! Naast het hoofddoel, de 
bedreiging van de zedelijke of 
geestelijke belangen, of de bedrei– 
ging van de gezondheid van een 
minderjarige af te wenden, is er een 
tweede doel om dit door middel van 
hulp en steun aan het kind en de 
ouders voor elkaar te krijgen. 
Ondanks de beperking van het 
ouderlijk gezag is de maatregel van 
OTS en/of uithuisplaatsing er 
expliciet op gericht, de ouders de 
verantwoordelijkheid voor de 
verzorging en de opvoeding zoveel 
mogelijk te doen behouden. Ja, zelfs 
krijgt de gezinsvoogdij-instelling als 
uitvoerder van de maatregel de 
opdracht, de gezinsband te bevorde– 
ren, en dat is terecht. Want de 
bedoeling is toch meestal dat het 
kind terugkeert in het gezin, en als er 
niets aan het gezin is veranderd, valt 
alles weer terug in de oude situatie. 
Hoe je het ook wendt of keert, er 
blijft altijd die bijzondere band 
tussen ouders en kind bestaan, of je 
hem nu wilt of niet. Je moet er op de 
een of andere manier mee leren 
leven, zelfs als sprake is van een 
situatie ex artikel 257, lid 3, waarin 
het gaat over de vergroting van de 
zelfstandigheid van het kind, dus 
expliciet los van de ouders. Dan nog 
is het de moeite waard om, zij het op 
grotere afstand, de gezinsband 
zoveel mogelijk te herstellen. De 
volgorde van de leden van het artikel 
bevestigt mijns inziens deze 
opvatting. 

Interessant is tevens dat er een 
tendens is, een behandeling van 
problemen aan weerszijden gezeten 
van een bureau in een zakelijke 
omgeving, als minder zinvol te zien. 
Er is sprake van een terugkeer naar 
de leefomgeving van de client, 
omdat het probleem zich daar 
afspeelt en zich zal blijven afspelen. 
Het is te zien bij een aanpak als die 
van de families first, bij een 

videohometraining en bij het 
ouderwetse huisbezoek. Het is een 
terugkeer van de maatschappelijke 
structuurdiscussie naar het indivi– 
duele probleem binnen de samen– 
hang van de directe leefomgeving 
De teneur van dit wetsvoorstel past 
daarbij, hoewel dat misschien niet 
eens expliciet de bedoeling was. 

Voorzitter! In de nota naar 
aanleiding van het eindverslag 
krabbelt de staatssecretaris mijns 
inziens aanmerkelijk terug op een 
eerdere uitspraak van de november 
1992, over de taak van de Raad voor 
de kinderbescherming bij echtschei– 
ding. In de nota naar aanleiding van 
het eindverslag zegt hij dat "in het 
kader van de zogenaamde kerntaken– 
discussie is besloten, dat de Raad 
voor de kinderbescherming de taak 
behoudt om de rechteriijke macht 
voor te lichten en te adviseren inzake 
onder meer voogdijvoorziening, 
voorziening in het gezag na 
echtscheiding en vaststelling van een 
omgangsregeling". 

Echter, in de UCV van 23 
november 1992 zei hij: "Dat 
optreden" - bedoeld wordt dat van 
de raden in echtscheidingszaken "
wordt niet als kerntaak genoemd, 
omdat ernaar wordt gestreefd om 
alleen bij echtscheidingszaken op te 
treden als het belang van de 
kinderen aan de orde is en dus 
sprake is van ernstige opvoedings– 
problemen." 

Er is nu een ambtelijke commissie 
ingesteld. Als die commissie echter 
hetgeen er in de nota naar aanlei– 
ding van het eindverslag staat als 
opdracht heeft meegekregen en niet 
hetgeen de staatssecretaris in 
november 1992 heeft gezegd, is dat 
vervelend. De uitspraak uit 1992 was 
niet echt een slip of the tongue, want 
hij vervolgde: "Er is geen mooier 
moment voor een staatssecretaris 
van Justitie, dan wanneer je een lid 
van de Kamer blij maakt. Ik smaak 
nu dat genoegen." Neemt de 
staatssecretarls dat genoegen van 
indertijd nog serieus? En niet alleen 
het genoegen, maar ook de reden 
daarvan, namelijk dat de raad 
uitsluitend optreedt in 
echtscheidingszaken indien er sprake 
is van ernstige opvoedings– 
problemen?. 

De heer Dijkstal heeft al gesproken 
over de aankruisformulieren. Ik 
onderschrijf zijn mening. Na Pasen 
heeft overleg plaatsgevonden met de 
Nederlandse vereniging voor 
rechtspraak, waarbij onder andere 

16juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK78 


Versnel-Schmitz 

het afschaffen van de aankruis– 
formulieten ter motivering van een 
beslissing door de rechter aan de 
orde zou komen. Wat is de uitkomst 
van de overleg? 

Voorzitter! De structuur die aan 
het wetsvoorstel ten grondslag ligt, 
ziet er ongeveer als volgt uit. In het 
midden bevindt zich de kinderrechter 
als degene die beslist. In het 
voortraject bevinden zich de raden 
voor de kinderbescherming die 
rekestreren en in het natraject de 
gezinsvoogdij-instellingen die 
uitvoeren. Als er in de uitvoering een 
extra juridisch instrument nodig is, 
verzoekt de uitvoerder de 
gezinsvoogdij-instelling om een 
machtiging, bijvoorbeeld tot 
uithuisplaatsing of tot plaatsing in 
een gesloten inrichting. Andersom, 
als de gezinsvoogdij-instelling geen 
reden ziet tot verlenging van de 
ondertoezichtstelling en daartoe dus 
geen verzoek aan de rechter doet, 
wordt de raad op de hoogte gesteld. 
Zo nodig kan de raad in actie komen 
en verlenging van de maatregel 
vragen. De rechter kan overigens de 
Raad voor de kinderbescherming 
altijd raadplegen. De gezinsvoogdij– 
instelling heeft echter de volle 
verantwoordelijkheid voor de 
uitvoering van de OTS en voor het 
hulpverleningsplan. De structuur is 
helder en logisch. Zij geeft ieder zijn 
deel en verantwoordelijkheid. 

De heer Dijkstal wil bij amende– 
ment de bevoegdheid van de 
gezinsvoogdij-instelling beperken als 
het gaat om de beëindiging van de 
uitvoering van de maatregel. Ik heb 
daar om de volgende redenen 
bezwaar tegen. De beoordeling van 
de feitelijke situatie kan het beste 
gedaan worden door degene die de 
situatie vanuit de praktijk kent. Er 
wordt al voorzien in een interne 
procedure die in acht genomen moet 
worden voordat men tot beëindiging 
overgaat. De grotere verantwoorde– 
lijkheid die de gezinsvoogdij– 
instellingen nu krijgen, wordt meteen 
beperkt door een ondergeschiktheid 
aan de raad. Halve verantwoordelijk– 
heid is geen verantwoordelijkheid. 
Hiermee worden ook het voor– en 
het natraject structureel met elkaar 
verbonden. Onzes inziens behoort de 
rechter zich tussen beide trajecten te 
bevinden. In artikel 256, lid 3, is dit 
ook omschreven. 

De raad wordt met zeer veel werk 
opgescheept, waarvan het nut zeer 
betwistbaar is. De tijd kan beter 
besteed worden aan het zorgvuldig 

onderzoek dat nodig is voor het 
rekest voor nieuwe gevallen. 

De heer Dijkstal (WD): Beschouwt u 
de instelling voor gezinsvoogdij als 
een publiek orgaan? 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Neen, maar wel als een orgaan met 
een wettelijke opdracht. 

De heer Dijkstal (WD): Moet de 
ministeriële verantwoordelijkheid 
voor kinderbeschermings– 
maatregelen - en dus ook voor de 
wijziging daarvan - volop tot gelding 
worden gebracht? 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Rekesten hebben betrekking op 
beperking van het ouderlijke gezag. 
Wij zijn het erover eens dat dit een 
"zware" ingreep is. Voor die primaire 
inzet in het proces is de minister 
direct verantwoordelijk. Daarna 
wordt er recht gesproken. Partijen 
worden gehoord en er vindt 
onderzoek plaats. Vervolgens moet 
de maatregel uitgevoerd worden. 
Gedurende het uitvoeringsproces kan 
blijken dat er een aantal andere 
maatregelen zinvol is. Die maatrege– 
len mag de gezinsvoogdij-instelling 
niet zomaar nemen. Zij mag wel 
aangeven dat zij bepaalde maatrege– 
len nodig acht om het 
hulpverleningsplan uit te kunnen 
voeren. Vervolgens legt de 
gezinsvoogdij-instelling dit voor aan 
de rechter. Dan hebben partijen ouders, 
kinderen, belanghebbenden 

- de mogelijkheid om hun mening te 
geven. Als de rechter aarzelt kan hij 
de Raad voor de kinderbescherming 
vragen, een onderzoek in te stellen. 
In het merendeel van de gevallen zal 
het echter niet nodig zijn om de 
Raad voor de kinderbescherming om 
advies te vragen. 
De heer Dijkstal (VVD): Mevrouw 
Versnel gaat nu voorbij aan mijn 
vraag. Zij heeft erkend dat de 
gezinsvoogdij-instelling geen publiek 
orgaan is en zij heeft ook erkend dat 
het rekest voor een OTS zo'n 
ingrijpende maatregel is, dat de raad 
dat moet registreren. Dat kan een 
gezinsvoogdij-instelling niet 
zelfstandig doen. Ik kan mij 
voorstellen dat er geen problemen 
zijn als er sprake is van een eerdere 
beëindiging van de OTS. Het gaat 
allemaal goed en iedereen is 
tevreden. Het is echter een andere 
kwestie als het gaat om een 

verlenging van de OTS. Als de OTS 
een ingrijpende maatregel is, is een 
verlenging van de OTS per definitie 
ook een ingrijpende maatregel. Mij 
ontgaat in de redenatie van 
mevrouw Versnel waarom het in het 
ene geval wel moet gaan om een 
publiek orgaan met ministeriële 
verantwoordelijkheid en in het 
andere geval niet. Dat is niet logisch. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Het gaat om een verlenging van een 
maatregel die docr de raad is 
aangevraagd, waarvoor de minister 
zijn verantwoordelijkheid heeft 
genomen en waarover de rechter 
een beslissing heeft genomen. De 
kwestie van de verlenging kan dan 
apart beoordeeld worden door de 
gezinsvoogdij-instelling. De raad 
vond dat er een maatregel nodig 
was. Over de vraag of er sprake 

moet zijn van een verlenging moet 

de rechter oordelen op basis van 

goed gemotiveerde argumenten die 

door de voogdij-instelling worden 

aangedragen. 

De heer Dijkstal (VVD): Ik kan 
mevrouw Versnel verzekeren dat de 
ouders al heel veel problemen 
hadden met de OTS, anders hadden 
zij wel vrijwillig ingestemd met de 
maatregel. Die ouders zullen 
evenveel problemen hebben met een 
verlenging van de OTS. Voor die 
ouders is een verlenging minstens zo 
ingrijpend als de OTS zelf. Daarom is 
er de noodzaak om deze kwestie 
formeel beter te regelen dan 
mevrouw Versnel voorstelt. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): Ik 
ben het daar niet mee eens. Ooit is 
besloten dat het nemen van een 
OTS-maatregel nodig was. De 
rechter was het daarmee eens en 
heeft tot uitvoering daarvan 
opgedragen. Het is uitermate 
moeilijk om te beoordelen hoe lang 
aan die opdracht uitvoering moet 
worden gegeven. Daarover kan het 
beste op basis van de praktijk een 
oordeel worden gegeven, bijvoor– 
beeld door de gezinsvoogdij– 
instelling. De rechter moet dan 
beslissen of hij gevolg geeft aan het 
voorstel dat de gezinsvoogdij– 
instelling hem heeft voorgelegd. De 
gezinsvoogdij-instelling kan het beste 
oordelen over de feitelijke situatie. 
Ouders kunnen hun bezwaren bij de 
rechter aanvoeren. Dat kunnen zij op 
verschillende momenten tijdens het 
proces doen, ook als het gaat om 

16 juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK78 


Versnel-Schmitz 

een verlenging of om een machti– 
ging. Naar mijn mening is het 

evenwicht wat dit betreft in het 
wetsvoorstel goed geregeld 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): 
Voorzitter! Is mevrouw Versnel het 
met mij eens dat bij de beslissing tot 
beëindiging of tot verlenging van de 
OTS in feite de vraag aan de orde is 
of de juridische grond voor de 
ondertoezichtstelling nog langer 
bestaat? 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
De rechter beslist over de vraag of 
een juridische maatregel wordt 
beëindigd. 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): Als 
het gaat over de vraag of de 
juridische grond voor een maatregel 
nog aanwezig is om bijvoorbeeld tot 
verlenging over te gaan, dan is de 
vraag van de heer Dijkstal relevant: 
waarom wordt het begin van een 
maatregel door de Raad voor de 
kinderbescherming uitgevoerd, 
terwijl bij een vervoigvraag de 
juridische toets, het advies van de 
Raad voor de kinderbescherming en 
het rekest niet meer relevant zijn. 
Waarom betreft het dan een 
uitvoeringskwestie? 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Omdat het eerste rekest van de raad 
er in principe ligt. Daar is een 
beslissing over genomen, uit de 
praktijk blijkt hoever men gevorderd 
is en of men meer maatregelen wil, 
of juist wil stoppen. Dat wordt 
inhoudelijk gemotiveerd en aan de 
rechter voorgelegd. Ik vind dat de 
rechter degene is die daarover de 
beslissing neemt. En als het te 
"drijfzand-achtig" onder zijn voeten 
is, vraagt hij een advies aan anderen, 
bijvoorbeeld aan de Raad voor de 
kinderbescherming. De raad is toch 
niet de enige die de juridische positie 
in dit gehele krachtenveld heeft? De 
rechter is toch het meest centraie 
punt en de raad een aandrager van 
situaties? 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): 
Mevrouw Versnel heeft er volkomen 
gelijk in dat uiteindelijk de rechter 
beslist. Maar de Raad voor de 
kinderbescherming beoordeelt de 
situatie vanuit de belangen van het 
kind en van daaruit beziet de raad of 
het noodzakelijk is om tot een 
juridische ingreep te komen. De raad 
heeft daarin een andere positie dan 

een gezinsvoogdij instelling die 

gewoon een opdracht uitvoert. De 
verantwoordelijkheden zijn verschil– 

lend en wij willen die graag 

gescheiden houden. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 

Graag. Gescheiden houden dus. 

De heer Rabbae (GroenLinks): 
Voorzitter! Ten principale hebben wij 
in dit verband te rnaken met de 
vraag of de staat mag ingrijpen in 
een privésituatie van gezinnen. Dat is 
de kardinale vraag bij dit wetsvoor– 
stel, dat ook een aantal waarborgen 
geeft. Bij het verlengen dan wel 
beëindigen van de OTS gaat het naar 
mijn mening om het ingrijpen van de 
overheid. Vindt mevrouw Versnel 
ook niet dat er juist daarom controle 
moet zijn op dat optreden, zowel 
mjnisteriële als parlementaire 
controle? Vindt zij niet dat de 
overheid juist op deze twee 
momenten aanwezig moet zijn, zodat 
zij gecorrigeerd dan wel bevestigd 
kan worden? 

Mevrouw Versnel Schmitz (D66): Ik 
kan niet anders dan herhalen dat het 
eerste rekest - het principerekest dat 
van de raad is. Deze geeft aan 
dat er een probleem is dat niet 
vrijwillig kan worden opgelost. 
Vervolgens stelt de raad de rechter 
voor, op grond van wat de raad 
aandraagt, de beslissing te nemen 
om op een niet-vrijwillige manier het 
probleem te helpen oplossen en de 
positie, ontwikkeling en gezondheid 
van het kind veilig te stellen. 
Wanneer de rechter een positieve 
beslissing neemt, geeft hij de 
voogdij-instelling aan dat tot 
uitvoering kan worden overgegaan. 

In deze wet hebben wij enkele 
waarborgen ingebouwd die er vóór 
die tijd niet waren - daarom zijn zij 
belangrijk - en die garanderen dat 
per jaar wordt bekeken of de 
maatregel wel of niet moet worden 
voortgezet. Tot nu toe ging dit 
allemaal in een soort brij achter 
elkaar door, waarin niemand meer 
zicht had op wat er feitelijk 
gebeurde. Conform dit wetsvoorstel 
wordt de basisuitspraak echter per 
jaar bekeken. En dat kan die rechter 
heus zelf, als hij maar een fatsoenlijk 
rapport met een fatsoenlijke 
beoordeling over de voortgang 
voorhanden heeft. Als hij dit zelf 
onvoldoende kan beoordelen en 
twijfels heeft - bijvoorbeeld vanwege 
ouders die van alles zeggen, of 

omdat hij nattigheid voelt - dan kan 
hij altijd om raad vragen aan wie dan 
ook, dus ook aan de Raad voor de 
kinderbescherming, die daarvoor de 
meest geschikte organisatie is. 
Volgens mij heb ik het nu zo duidelijk 
mogelijk gezegd en ik wil dat niet 
nog een keer doen. 

Voorzitter! Voordat ik werd 
gemterrumpeerd, was ik bezig met 
uitleggen waarom het allemaal zo 
nodig was. In een ander amende– 
ment van de heer Dijkstal is 
opgenomen dat hij, als dat amende– 
ment niet wordt aangenomen, wil 
dat de motivering van de 
gezinsvoogdij-instellingen om een 
maatregel niet meer te verlengen, 
ook naar de Raad voor de kinderbe– 
scherming gaat. Dan vraag ik mij af 
waarom wij zo moeten slepen met 
papier en weer een controlefunctie 
moeten neerzetten. Dat vind ik niet 
echt zinvol. 

Het amendement-Vliegenthart/ 
Dijkstal over het onttrekken van de 
bevoegdheid van het openbaar 
ministerie tot het doen van enige 
vordering bij de OTS oogt wel zinnig, 
omdat vastgesteld moet worden dat 
er weinig gebruik van wordt 
gemaakt. Ik heb echter een pro– 
bleem. In artikel 257, lid 3, gaat het 
om minderjarigen voor wie het 
ouderlijk gezag in de praktijk niet 
meer bestaat. De hulp en steun zijn 
gericht op de verzelfstandiging van 
de minderjarige. Veelal zal het gaan 
om zwerfkinderen of prostituées. 
Vaak zal er verband zijn met 
wetsovertreding, waardoor deze 
kinderen binnenkomen via het 
openbaar ministerie. Ik vraag mij af 
of het wel zinnig is om doorgeleiding 
naar de raad noodzakelijk te maken, 
voordat er iets gedaan kan worden, 
terwijl het OM reeds van de details 
op de hoogte is. Bovendien hoor ik 
uit kringen van kinderrechters 
geluiden dat deze bevoegdheid van 
het OM niet vaak, maar in enkele 
gevallen zeer veel nut heeft gehad. 
Graag hoor ik hierop een reactie van 
de indieners van het amendement en 
van de minister. 

Het amendement op artikel 265 
om de voordelen die de 
gezinsvoogdij-instellingen hebben, 
ook aan de raden voor de kinderbe– 
scherming te geven, lijkt mij heel 
reëel, tenzij het al ergens anders is 
geregeld, maar dat weet ik niet. 

Voorzitter! Er lijkt niet voorzien te 
zijn in financiën voor een vergrote 
capaciteit van de gezinsvoogdij– 
instellingen, noch voor inhoudelijke 

16juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK78 78-5371 


Versnel-Schmitz 

bijscholing. De heer Dijkstal noemde 
daarvoor een bedrag dat globaal 
oploopt tot 5 mln., maar de minister 
heeft andere cijfers. Deze cijfers zijn 
berekend door Berenschot. In 
hoeverre is ook hier te veel van de 
werkelijkheid geabstraheerd en van 
een te ideale situatie uitgegaan? Ik 
refereer hierbij aan de brief van de 
minister van Justitie van 20 mei 
1994. Is dit berekende geld inmiddels 
gevonden, of wordt het op het 
bordje van de kabinetsformatie 
gelegd? 

Ik sluit mij aan bij de vraag van de 
heer Dijkstal om in de tussentijd een 
zinnige oplossing te vinden, zodat de 
wet per 1 januari 1995 ingang kan 
vinden. Het is een belangrijke, 
heldere en mooie wet, en daar ben ik 
de minister zeer dankbaar voor. 

D 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): 
Voorzitter! Wij behandelen vandaag 
een wetsvoorstel waarvan de 
geschiedenis niet alleen teruggaat tot 
het rapport van de subcommissie 
kinderbescherming, maar eigenlijk 
tot het rapport "Jeugdbeschermings– 
recht" van de staatscommissie– 
Wiarda uit 1971. Wie dat rapport nu 
leest, merkt dat veel aanbevelingen 
nog steeds actueel zijn. Wiarda was 
zijn tijd vooruit. Het wetsvoorstel tot 
wijziging van de ondertoezichtstel– 
ling dat minister De Ruiter in 1979 op 
basis van dit rapport presenteerde, 
kon echter onvoldoende steun 
verwerven en werd ingetrokken. 

Vijftien jaar later, en bijna 

vijfentwintig jaar na Wiarda, is er wel 

ruime parlementaire steun om tot 

vernieuwing te komen. Het draagvlak 

voor die verandering is mede tot 

stand gekomen dankzij het werk van 

de subcommissie kinderbescher– 

ming. Het diepgaand bestuderen van 

het functioneren van het stelsel van 

jeugdbescherming bracht de 

onontkoombare conclusie met zich, 

dat de vermenging van de verant– 

woordelijkheden voor rechtspraak en 

uitvoering in de figuur van de 

kinderrechter in de huidige samenle– 

ving niet langer als adequaat gezien 

kan worden. De rechter spreekt in 

het huidige stelsel niet alleen recht, 

maar heeft ook het toezicht op de 

uitvoering van de maatregelen die hij 

beveelt. Vele beslissingen kan de 

kinderrechter ambtshalve nemen. 

Zelfs de meest ingrijpende, namelijk 

uithuisplaatsing, is op dit moment 

een ambtshalve bevoegdheid. 

Voor de burger die ermee te 
maken krijgt, is de rechter niet 
onafhankelijk, maar een verlengstuk 
van het staatsapparaat dat ingrijpt. 
Door zijn leidinggevende verant– 
woordelijkheid voor de uitvoering 
van kinderbeschermingsmaatregelen 
is hij bovendien niet in staat, 
onafhankelijk te oordelen over zaken 
die deze uitvoering betreffen. In 
vroeger jaren, toen de autoriteit van 
de rechter, de arts, de dominee en 
zelfs van de politicus nog vanzelf– 
sprekend was, kon dit stelsel 
functioneren. Vandaag de dag met 
mondige burgers wordt dit niet meer 
aanvaard. Daarmee is de legitimiteit 
van het stelsel in het geding. 

Voorzitter! De ondertoezichtstelling 
is een maatregel die het gezag van 
de ouders voor de verzorging en 
opvoeding van hun kinderen beperkt. 
Het Europees verdrag voor de 
rechteo van de mens bepaalt in 
artikel 6 dat een ieder recht heeft op 
behandeling van zijn zaak door een 
onafhankelijke en onpartijdige 
rechter bij het vaststellen van zijn 
burgerlijke rechten en verplichtingen. 
Daarmee is de huidige constructie in 
tegenspraak. Ook dat is een reden tot 
verandering. Scheiding van 
rechtspraak en uitvoering is dus het 
leidende beginsel van dit wetsvoor– 
stel dat, zo moge duidelijk zijn, op 
onze steun kan rekenen. 

Een tweede element van dit 

wetsvoorstel is dat de wettelijke 

grond voor de ondertoezichtstelling 

wordt aangescherpt. Ingrijpen in het 

ouderlijk gezag is alleen toegestaan 

indien sprake is van een bedreiging 

van de zedelijke en geestelijke 

belangen van de minderjarige en 

andere middelen ter afwending van 

deze bedreiging hebben gefaald of 

voorzienbaar zullen falen. Het beleid 

van de afgelopen jaren waarbij 

alleen maatregelen getroffen worden 

indien vrijwillige hulpverlening niet 

tot de mogelijkheden behoort omdat 

ouders bijvoorbeeld weigeren die 

hulp te aanvaarden, wordt hiermee 

wettelijk verankerd. Met deze 

toevoeging wordt niet alleen 

geformuleerd dat juridisch ingrijpen 

een ultimum remedium is, het geeft 

de overheid ook de opdracht om 

voorwaarden te scheppen om ouders 

te ondersteunen in hun verzorgende 

en opvoedende rol waardoor 

ingrijpen kan worden voorkomen. 

Overheidsinterventie in de vorm van 

een maatregel is alleen te rechtvaar– 

digen indien de overheid alles heeft 

gedaan om te voorkomen dat 

juridische interventie nodig is en 
alles gedaan heeft om het ouders 
mogelijk te maken hun verantwoor– 
delijkheid jegens hun kinderen na te 
komen zodat het recht van kinderen 
op een gezinsleven is gewaarborgd. 

Met name dit laatste punt, de 
verantwoordelijkheid van de 
overheid om jundisch ingrijpen te 
voorkomen, is belangrijk, omdat wij 
in de praktijk steeds meer horen van 
maatregelen om plaatsing in een 
voorziening af te dwingen. Er is 
sprake van oneigenlijke toepassing 
van het instrument van de ondertoe– 
zichtstelling, waartegen de aange– 
scherpte formulering een dam zal 
moeten opwerpen. Dat betekent ook 
dat de problemen die daaraan ten 
grondslag liggen, opgelost moeten 
worden. Er is gebrek aan plaatsen 
voor de jeugdhulpverlening. Na alle 
discussie die wij daarover gehad 
hebben, dient de capaciteit te 
worden uitgebreid. Dat probleem 
dient opgelost te worden. 

Voorzitter! Als het gaat om de 
vraag wie maatregelen uitlokt, is in 
de schriftelijke voorbereiding de 
vraag aan de orde geweest of er nog 
behoefte bestaat aan een vorderings– 
bevoegdheid van het openbaar 
ministerie. Voor de eenduidigheid en 
de kwaliteit van de verantwoordelijk– 
heid van de overheid zijn wij er 
voorstander van dat deze bevoegd– 
heid van het OM komt te vervallen. 
In de praktijk wordt er bijna nooit 
gebruik van gemaakt. Mevrouw 
Versnel heeft dat zoëven ook al 
gezegd. Volgens onze informatie 
draagt het OM de zaak altijd over 
aan de Raad voor de kinderbescher– 
ming, omdat het OM ervan overtuigd 
is dat de raad over de meeste 
expertise beschikt. In de praktijk 
functioneert deze overdracht goed. 
Wij stellen daarom voor deze 
gegroeide praktijk te formaliseren. 
Wij hebben daartoe een amende– 
ment ingediend. 

Mevrouw Versnel heeft hierover 

een vraag gesteld en een relatie 

gelegd met artikel 257, derde lid, 

betreffende de maatregelen voor 

zwerfjongeren, omdat in die situatie 

het ouderlijk gezag niet functioneert. 

Ik zie die relatie niet echt. Wij zijn 

van mening dat in alle gevallen de 

Raad voor de kinderbescherming de 

bevoegdheid moet hebben, het 

rekest te doen uitgaan. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 

Dat wil mevrouw Vliegenthart. De 

vraag is echter of het zinvol is. Ik 

16juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK78 


Versnel-Schmitz 

hoor van de kinderrechter dat het 
soms een enorm voordeel is om via 
het OM te functioneren en niet eerst 
naar de Raad voor de kinderbescher– 
ming te moeten gaan, omdat de raad 
soms hele andere opvattingen heeft. 
De bevoegdheid van het OM vind ik 
dus heel zinvol. 

Mij ging het vooral om het 
binnenkomen. Dit verloopt vaak via 
het OM. Moet je dan weer eerst naar 
de raad? Moet die weer helemaal 
opnieuw beginnen? Is dat verstan– 
dig? 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): De 
Raad voor de kinderbescherming 
hoeft niet helemaal opnieuw te 
beginnen. Daar gaat het met om. In 
de praktijk draagt het openbaar 
ministerie de zaak al over aan de 
Raad voor de kinderbescherming. 
Het OM zegt zelf al die expertise niet 
te hebben. Het is niet even deskun– 
dig op het terrein van de jeugd– 
problematiek en weet niet wat er 
allemaal mogelijk is aan hulpverle– 
ning voor die jongere. Die expertise 
zit wel bij de raad. Het is dus logisch 
dat die zaak dan wordt overgedra– 
gen. Dat vindt men bij het OM zelf 
ook. 

Het gaat er gewoon om dat er in 
de praktijk, ook in de door mevrouw 
Versnel aangehaalde situaties, 
adequaat wordt opgetreden. De 
hulpverlening die in die situaties 
nodig is, moet worden gerealiseerd. 
Daarvoor hebben wij de Raad voor 
de kinderbescherming. Wij zeggen: 
laten wij die gegroeide praktijk 
gewoon formaliseren. 

Voorzitter! Waar een ondertoe– 
zichtstelling een ingrijpende 
maatregel is, is gedwongen 
uithuisplaatsing van een kind voor 
kind en ouders het meest ingrijpende 
dat hen in het kader van een 
kinderbeschermingsmaatregel kan 
overkomen. Dat met dit wetsvoorstel 
uithuisplaatsing niet meer een 
ambtshalve beslissing zal zijn van de 
kinderrechter maar een met de 
noodzakehjke rechtswaarborgen 
omgeven beslissing is een zeer 
belangrijke verbetering. 

Maar toch blijft het de vraag 
waarom de uithuisplaatsing als een 
aspect van de uitvoering wordt 
beschouwd en niet als een maatregel 
op zichzelf, zoals de subcommissie 
had voorgesteld. De regering vindt 
dat de gezinsvoogdij-instelling die 
belast is met de uitvoering machti– 
ging aan de kinderrechter moet 

kunnen vragen voor een uithuis– 
plaatsing. 

Het blijft onze voorkeur houden als 
het niet de gezinsvoogdij-instelling is 
die dat verzoek doet, maar de Raad 
voor de kinderbescherming vanwege 
het feit dat het niet zomaar een 
uitvoeringskwestie is. Het is een van 
de meest wezenlijke ingrepen in het 
ouderlijk gezag c.q. het privéleven. 

Voorzitter! Ik heb in de stukken 
nadrukkelijk gesteld dat het nu 
voorliggende voorstel een aanzien– 
lijke verbetering vormt ten opzichte 
van de huidige situatie. Ik heb ook 
gezegd dat als de rechtswaarborgen 
verbeterd zouden worden door het 
introduceren van een contra– 
expertise, ook dat weer een 
aanzienlijke verbetering zou zijn. 
Maar daarmee heb ik niet gezegd dat 
met het regelen van de contra– 
expertise via het amendement-Van 
der Burg c.s. bij de herziening van 
het procesrecht, onze bezwaren weg 
zouden zijn. In de nota naar 
aanleiding van het eindverslag doet 
de minister alsof hij ons niet meer 
hoeft te overtuigen. Maar zo simpei 
ligt het niet. 

Rechtswaarborgen bestaan niet 
alleen uit contra-expertise, maar ook 
uit het scheiden van verantwoorde– 
lijkheden. De heer Dijkstal heeft daar 
ook uitvoerig over gesproken. Het 
gaat hierbij in essentie om het 
volledig doortrekken van de 
scheiding tussen rechtspraak en 
uitvoering. Ik wil daarom nog één 
poging doen om de regering en de 
collega's daarvan te overtuigen en 
steun te verwerven voor ons 
amendement. 

Wij kunnen het er allemaal 
eenvoudig over eens zijn dat het wel 
of niet uit huis plaatsen van een kind 
een zeer wezenlijk verschil uitmaakt. 
Als dat tegen de zin van betrokkenen 
gebeurt, is dat een ingrijpende 
kwestie. Uithuisplaatsing dient in die 
zin beschouwd te worden als een 
zelfstandige maatregel. De scheiding 
die wij als subcommissie hadden 
aanbevolen tussen OTS en OTS-plus, 
vinden wij nog steeds een zeer te 
verdedigen onderscheid. Wij kunnen 
het er ook allemaal over eens zijn dat 
de vraag of een maatregel nodig is 
en de vraag of een kind uit huis 
geplaatst dient te worden, zorgvuldig 
beantwoord moeten worden en dat 
uithuisplaatsing alleen overwogen 
kan worden indien hulpverlening 
binnen het gezin naar verwachting 
de bedreiging van de belangen van 
het kind niet zal kunnen afwenden. 

Er zal dus sprake dienen te zijn van 
een zorgvuldig gemotiveerd verzoek 
en een zorgvuldig gemotiveerde 
beslissing van de kinderrechter. 

in ongeveer de helft van het aantal 
gevallen wordt bij het verzoek tot 
ondertoezichtstelling door de Raad 
voor de kinderbescherming ook 
verzocht om uithuisplaatsing. Voor 
een ander deel van de gevallen blijkt 
pas na verloop van tijd en gedurende 
de OTS, dat de situatie niet verbetert 
en er wordt dan uithuisplaatsing 
overwogen. Er kan zich dan de 
situatie voordoen, bijvoorbeeld door 
een goed optreden van een 
gezinsvoogd, dat de ouders 
inmiddels mee wensen te werken 
aan de hulpverlening ten behoeve 
van hun kind en instemmen met 
uithuisplaatsing. In dat geval is naar 
ons oordeel geen machtiging van de 
kinderrechter voor de uithuis– 
plaatsing nodig, omdat er dan sprake 
is van vrijwilligheid. Men is 
overtuigd van het feit dat dat nodig 
is. 

Maar in de situatie dat er een 
conflict is tussen de gezinsvoogdij– 
instellingen en de ouders of 
misschien ook de minderjarige over 
de aard van de hulpverlening en de 
wenselijkheid van uithuisplaatsing, 
dient dat aan de rechter te worden 
voorgelegd. Omdat de gezinsvoogdij– 
instelling op dat moment partij is in 
het conflict en omdat wij de 
uithuisplaatsing als een maatregel op 
zichzelf beschouwen, vinden wij dat 
in dat geval de gezinsvoogdij– 
instelling moet rapporteren over de 
voortgang ten aanzien van de 
hulpverlening, maar dat de Raad 
voor de kinderbescherming de 
verzoekende partij moet zijn. De raad 
dient daarbij uit te gaan van de 
belangen van het kind. Datzelfde 
mechanisme zou moeten werken bij 
de beslissing tot verlenging van de 
OTS. Bij de beëindiging van de OTS 
vind ik de voorziening die nu in het 
wetsvoorstel is getroffen, namelijk 
melding aan de raad, adequaat. Met 
de amendementen die zijn ingediend 
beogen we een strikte scheiding aan 
te brengen tussen rechtspraak en 
uitvoering. De toetsing van de grond 
voor de maatregel of de verlenging 
behoort tot de rekestrerende taak 
van de Raad voor de kinderbescher– 
ming. 

De scheiding van rechtspraak en 
uitvoering leidt tot een veel 
zwaardere verantwoordelijkheid voor 
de gezinsvoogdij-instelling. 
Gedurende de schriftelijke behande– 

16 juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK78 


Vliegenthart 

ling van dit voorstel en in de 
overleggen die de afgelopen periode 
gevoerd zijn, zijn herhaaldelijk de 
toerusting en de kwaliteit aan de 
orde geweest. Er is op dat vlak veel 
gebeurd, ik wil dat bepaaid niet 
bagatelliseren, maar zoals al bleek 
tijdens het mondeling overleg dat we 
onlangs gevoerd hebben, zijn we van 
mening dat de kwaliteit en de 
toerusting van de gezinsvoogdij– 
instellingen echt goed geregeld 

moeten worden. De 5 mln. moet er 
dus komen. Ik sluit mij aan bij het 
voorstel van de heer Dijkstal om te 
bekijken of dat gefaseerd gereali– 
seerd kan worden. 

In de memorie van antwoord werd 
gesteld dat vanaf begin 1994 enige 
proefprojecten zouden gaan draaien. 
Wat is op dat vlak de stand van 
zaken? Als het gaat om de kwaliteit 
is bovendien van belang dat de 
gezinsvoogdij-instelling niet alleen 
een hulpverleningsplan opstelt, maar 
de voortgang van de hulp ook 
regelmatig bewaakt. De subcommis– 
sie ging daarbij uit van een 
driemaandelijkse rapportage aan de 
kinderrechter. Ik zou graag zien dat in 
het Besluit kwaliteitseisen opgeno– 
men wordt dat regelmatig de 
voortgang van de hulpverlening met 
de betrokkenen wordt besproken en 
dat daar een verslag van gemaakt 
wordt. Dat beschouw ik niet als 
nutteloos werk of bureaucratie, zoals 
de regering stelt in de stukken, maar 
als zorgvuldig handelen. Met name 
bij beslissingen tot beemdiging dan 
wel verlenging of een tussentijds 
verzoek tot uithuisplaatsing is dan 
evaluatie van de voorafgaande 
periode op basis van die verslagen 
mogelijk. In de nota naar aanleiding 
van het verslag is toegezegd dat een 
voor de gehele sector bindend 
protocol met betrekking tot de 
beëindiging van de OTS zal worden 
voorgesteld dat opgenomen zal 
worden in het Besluit kwaliteitseisen. 
Hoe staat het hiermee? Mevrouw 
Versnel wees al op een brief, die wij 
gisteren ontvingen van iemand van 
de VU in Amsterdam, met tal van 
suggesties voor verbetering van de 
kwaliteit. Ik ben het met haar eens, 
dat deze zaken niet in dit wetsvoor– 
stel geregeld behoeven te worden. Er 
zitten wel een aantal nuttige 
aanbevelingen in om in het Besluit 
kwaliteitseisen op te nemen. 

Voorzitter! De gezinsvoogdij– 
instelling functioneert letterlijk op het 
snijpunt van hulp «n recht, zij 
verbindt hulp en recht. In de 

discussies de afgelopen jaren over 
het functioneren van de jeugd– 
bescherming, met name van de 
raden, is altijd gepleit voor het 
scheiden van hulp en recht. Als het 
gaat om de verantwoordelijkheid van 
de raden, vind ik dat nog steeds 
terecht. Daarbij moet wel helder zijn 
dat het duidelijk onderscheiden van 
verantwoordelijkheden en functies 
niet mag betekenen dat samenhang 
ontbreekt. Waar samenhang 
ontbreekt, komt het volk om en 
helaas is dat nogal eens waar voor 
de jeugdhulpverlening en de 
jeugdbescherming. De Nationale 
raad voor de volksgezondheid en de 
task force hebben ons daar weer 
eens duidelijk op gewezen. Beide 
adviezen zijn waardevol om tot een 
meer effectieve en doelmatig 
georganiseerde jeugdzorg te komen. 

De PvdA meent dat het moment 
gekomen is dat politieke duideüjk– 
heid gegeven wordt over de richting 
waar het heen moet met de 
jeugdhulpverlening en de jeugd– 
bescherming. Nu is dit debat niet het 
moment om uitvoerig op dit 
vraagstuk in te gaan, maar een 
enkele opmerking over de positie 
van de jeugdbescherming en de 
uitvoering van de zaken die bij dit 
wetsvoorstel aan de orde zijn, wil ik 
wel maken. 

Wij hebben in februari tijdens een 
UCV al aangegeven dat wij ons 
kunnen vinden in het advies van de 
Nationale raad voor de volksgezond– 
heid, waarin deze pleit voor een 
procesmatige aanpak om te komen 
tot een samenhangend en gediffe– 
rentieerd aanbod van jeugdzorg. De 
voorstellen van de task force kunnen 
daarbij richtinggevend zijn. De 
totstandkoming van een onafhanke– 
lijk functionerend regionaal bureau 
dat verantwoordelijk is voor 
diagnose, plaatsing en case– 
management zal een belangrijke 
schakel worden om tot een 
doelmatiger en kwalitatief betere 
aansluiting tussen hulpvraag en 
hulpaanbod te komen. De noodzaak 
daarvan werd nog eens schrijnend 
geïllustreerd in het rapport "Mis– 
plaatst" dat wij uit Rotterdam 
ontvingen en vanochtend de 
voorpagina van de Volkskrant sierde. 
Ik ben er blij om dat uit de hierbij 
betrokken sectoren steeds meer naar 
voren komt dat er sprake is van 
vcldoende draagvlak voor een 
ontwikkeling in de richting van een 
versterkte samenwerking op 
regionaal niveau. De gezinsvoogdij– 

instellingen als belangrijke plaatsers 
zullen daarin een belangrijke rol 
kunnen vervullen, samen met de 
jeugdsectie van de RIAGG's die over 
de nodige hooggekwalificeerde 
deskundigheid beschikken, de BVA's 
en de vrijwillig plaatsende instellin 
gen. Het spreekt voor de Partij van 
de Arbeid vanzelf dat het juridische 
kader voor het functioneren van de 
gezinsvoogdij-instellingen blijvend 
wordt bepaald door het wetsvoorstel 
dat we vandaag behandelen en door 
het Besluit kwaliteitseisen op grond 
van de Wet op de jeugd– 
hulpverlening. Op dit moment wil ik 
hierover niet meer zeggen, omdat wij 
het standpunt van de regering op 
beide adviezen en mijn motie 
afwachten. 

Voorzitter! Bij de voorbereiding 
van de plenaire behandeling heb ik 
het rapport "Rechtzetten" er maar 
weer eens bij gepakt. Dit wetsvoor– 
stel is samen met het element van 
de contra-expertise een van de 
belangrijkste resultaten. Ik prijs me 
gelukkig dat we na vandaag een 
groot deel van onze aanbevelingen 
kunnen realiseren. Wij wachten nog 
op een wetsvoorstel over het 
klachtrecht en op de herziening van 
de voorlopige maatregelen. Hoe 
staat het met de voorbereiding 
daarvan? Al met al, voorzitter, zijn 
we in de afgelopen periode heel ver 
gekomen. Mevrouw Versnel 
verzuchtte dat het vier jaar heeft 
geduurd, maar ik vind die periode 
niet erg lang als ik naga wat 
gebruikelijk is op het terrein van het 
familie– en jeugdrecht. De behande– 
ling van sommige wetsvoorstellen 
op die terreinen vergt soms tien tot 
vijftien jaar. In elk geval wil ik de 
minister bedanken voor het vele 
werk dat is verricht en voor de 
resultaten die zijn bereikt. 

D 

De heer Schutte (GPV): Mijnheer de 

voorzitter! Sinds de commissie– 

Gijsbers en de subcommissie 

kinderbescherming hun rapporten 

hebben uitgebracht, is het een en 

ander ten goede veranderd in de 
jeugdbescherming; ik zeg het 

mevrouw Vliegenthart na. Ook het 

nu voor ons liggende wetsvoorstel 

levert een bijdrage aan een 

verbeterde positie van kinderen en 

ouders. Door deze formulering te 

kiezen, wil ik tegelijk de belangrijke 

èn de beperkte betekenis van het 

wetsvoorstel schetsen. Het is 

16 juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK78 


Schutte 

belangrijk met het oog op de positie 
van betrokkenen als er eenmaal 
sprake is van de noodzaak van een 
kinderbeschermmgsmaatregei. De 
betekenis van het wetsvoorstel is 
beperkt omdat een ondertoezichtstel– 
ling als zodanig de onderliggende 
problemen maar zeer ten dele kan 
oplossen; die problemen zijn niet 
gering. Cijfers en feiten wijzen 
bovendien in de richting van een 
toenemende ernst en omvang van de 
problemen die aanleiding geven tot 
een kinderbeschermingsmaatregel. 

Nu is het duidelijk dat de overheid 
in directe zin niet veel kan doen aan 
het voorkomen en oplossen van 
dergelijke problemen. Hier ligt een 
primaire verantwoordelijkheid van 
ouders en gezinsleden zelf, waar 
nodig met steun van de directe 
omgeving. Dit mag ons er echter niet 
van weerhouden, de aandacht te 
vragen voor de fundamentele 
betekenis van goed functionerende 
gezinnen. Zeker, elk individu is uniek 
en heeft een eigen waarde maar de 
mens is wel geschapen om samen te 
leven, primair in het gezin waarin hij 
geboren is. 

Gelukkig wordt dit in het 
wetsvoorstel ook impliciet erkend, 
onder meer door de bepalmg dat de 
gezinsvoogdij-instelling de gezins– 
band tussen de met gezag belaste 
ouder en de minderjarige bevordert. 
Ik hoop ook dat een nieuw te vormen 
kabinet, van welke politieke kleur 
ook, dit zal beseffen en zijn kracht 
niet zal zoeken in het negeren van 
maatschappelijke verbanden en 
verantwoordelijkheden. Geen 
overheidsoptreden kan immers deze 
verantwoordelijkheden volwaardig 
vervangen. 

Alvorens te komen tot enkele 

concrete punten uit het wetsvoorstel 

wil ik daarom nog kort aandacht 

vragen voor de context ervan. Een 

goede regeling van de ondertoezicht– 

stelling is belangrijk, maar nog 

belangrijker is de vraag hoe 

voorkomen kan worden dat een 

ondertoezichtstelling nodig is. Hoe 

kan tijdig worden onderkend, dat er 

in gezinnen problemen ontstaan? 

Wordt tijdig hulp geboden als zich 

signalen voordoen? Als er hulp 

geboden wordt, is deze dan 

adequaat? Dit heeft alles te maken 

met ook de financiële ruimte welke 

de vrijwillige hulpverlening ter 

beschikking staat, maar ook met de 

vraag of de gezinsvoogdij 

mstellingen wel in staat zijn 

daadwerkelijk zorg te dragen voor 

begeleiding van hun pupillen. Is dit 
werkelijk vol te houden als een 
gemiddelde gezinsvoogd zo'n 30 
minderjarigen en hun gezinnen moet 
begeleiden? Dit soort vragen zal 
positief beantwoord moeten kunnen 
worden, wil de legitimiteit van een 
maatregel als ondertoezichtstelling 
niet ter discussie komen te staan. 
Garanties dat kinderen zullen worden 
behoed tegen aantasting van hun 
zedelijke of geestelijke belangen kan 
geen mens, ook geen overheid, 
bieden. De overheid, die een inbreuk 
op ouderlijke rechten mogelijk 
maakt, zal echter al het mogelijke 
moeten doen om te laten zien dat 
deze inbreuk gerechtvaardigd is. 

De grootste verandering die in het 
wetsvoorstel wordt voorgesteld, is 
wel de scheiding van rechtspraak en 
verantwoordelijkheid voor de 
uitvoering van de 
ondertoezichtstellingsmaatregel. 
Daarmee verdwijnt de dubbelrol van 
de kinderrechter. Tegelijkertijd zal de 
betekenis van de gezinsvoogdij– 
instelling aanzienlijk toenemen. Dat 
ligt mijns inziens ook voor de hand: 
de vertrouwenspersoon die als 
gezinsvoogd optrad, is geleidelijk 
vervangen door de meer professio– 
neel geschoolde maatschappelijk 
werker die onder toezicht van de 
gezinsvoogdij-instelling functioneert. 
De uitvoerende rol van de kinder– 
rechter was niet altijd meer nodig en 
schiep nogal eens twijfels over zijn 
onpartijdigheid en onafhankelijkheid. 
Daarom vind ik het ook een goede 
zaak dat het ambtshalve verlengen 
van de ondertoezichtstellings– 
maatregel tot het verleden zal gaan 
behoren. 

Desalniettemin dient het uitgangs– 
punt te blijven dat de kinderrechter 
als onafhankelijke instantie de 
uiteindelijke beslissing tot ondertoe– 
zichtstelling zal nemen. De overheid 
mag alleen in uitzonderlijke 
noodsituaties ingrijpen, namelijk als 
is gebleken dat het kind in ernstige 
mate wordt bedreigd in zijn of haar 
zedelijke, geestelijke of lichamelijke 
belangen en de ouders hun 
opvoedingsverantwoordelijkheid niet 
kunnen waarmaken. Het wetsvoorstel 
past mijns inziens binnen dit 
uitgangspunt. De meest wezenlijke 
maatregelen die in het kader van een 
ondertoezichtstelling mogelijk zijn, 
zijn immers gebonden aan een 
rechterlijke beslissing. 

Wel is het zo dat de gezinsvoogdij– 

instelling beslissingen kan gaan 

nemen gericht op enig rechtsgevolg, 

namelijk het inperken van het 
ouderlijk gezag. Dit is echter een 
beslissing met een publiekrechtelijk 
karakter door een particuliere 
instelling. Het gaat er dan niet zozeer 
om dat de instelling een stukje 
ouderlijke macht van de ouder 
overneemt of afpakt, als wel dat zij 
de vrijheid van de ouder om zijn 
gezag uit te oefenen aan banden 
legt. Het gezag over het kind blijft in 
beginsel bij de ouders berusten. Dat 
blijkt ook wel uit de wettekst, waarin 
heel nadrukkelijk gezegd wordt dat 
de OTS-maatregel gericht is op 
herstel van de ouder– 
verantwoordelijkheid. 

De intentie van het wetsvoorstel 
zou ik daarom zonder meer positief 
willen noemen. Ik heb er wel 
behoefte aan nog een aantal 
kanttekeningen te plaatsen. In de 
eerste plaats betreft dat de reeds in 
de schriftelijke voorbereiding 
opgeworpen vraag of de 
gezinsvoogdij-instelling over 
voldoende gezag en kwaliteit 
beschikt om de zwaardere verant– 
woordelijkheid te kunnen dragen. Het 
is dan van groot belang dat de 
kwaliteitsverbetering bij de instellin– 
gen zo spoedig mogelijk concreet 
gestalte krijgt en er geen financiële 
gaten dreigen te vallen als gevolg 
van de grotere werklast. Daarmee 
staat of valt ook het slagen van dit 
wetsvoorstel. De instelling zal voor 
ouders en kinderen goed toegankelijk 
moeten zijn, waarbij men moet 
weten bij wie men terecht kan als 
hulp noodzakelijk is. Bovendien mag 
het niet zo zijn dat het in het 
verleden gehoorde verwijt van 
partijdigheid van de kinderrechter 
zich in de toekomst zal laten horen 
aan het adres van de gezinsvoogdij– 
instellingen. 

In dit verband wil ik ook wijzen op 
de verhouding tussen gezinsvoogd 
en gezinsvoogdij-instelling. De 
gezinsvoogd kan nu ook al bindende 
aanwijzingen geven, maar maakt 
daar nauwelijks gebruik van. Dit 
heeft onder andere te maken met de 
taakopvatting: men heeft geen hoge 
pet op van hulpverlening onder 
dwang of drang. Ik kan mij ook 
voorstellen dat het middel van de 
aanwijzing dat de instelling nu zo 
nadrukkelijk krijgt toebedeeld, ook in 
de toekomst maar sporadisch zal 
worden toegepast. De gezinsvoogd 
zal namelijk een belangrijke rol 
blijven vervullen, ook al wordt de 
instelling formeel verantwoordelijk. 
Kan de minister hierop ingaan? 

16 juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK78 78-5375 


Schutte 

Meer in het algemeen zou ik de 
vraag willen stellen of een instelling 
de publiekrechtelijk toegewezen 
verantwoordelijkheid wel voldoende 
kan waarmaken als een belangrijke 
tussenpersoon, namelijk de 
gezinsvoogd, sterk persoonlijk 
betrokken raakt bij een bepaald 
gezin. Is de instelling dan niet te 
sterk aangewezen op de informatie 
van de gezinsvoogd? Zo ja, hoe kan 
dan een onafhankelijk oordeel over 
die specifieke probleemsituatie 
worden gegeven? Is de garantie 
aanwezig dat de gezinsvoogdij– 
instelling ook altijd alle betrokkenen 
zal horen, zoals de kinderrechter dat 
tot nu toe ook deed? 

Een andere vraag hierbij is of de 
kinderrechter voldoende ruimte blijft 
behouden om te bemiddelen. De 
regering wil deze bemiddelings– 
functie handhaven. Ik ben er alleen 
niet zeker van dat dit zal lukken. 
Immers, zijn bemiddeling lijkt zich te 
gaan beperken tot een toetsing aan 
de Algemene wet bestuursrecht. Zal 
de kinderrechter zijn bemiddeling 
dan niet beperken tot de vraag of de 
gezinsvoogdij-instelling haar 
besluiten en aanwijzingen zorgvuidig 
heeft genomen, waarbij alle 
betrokkenen zijn gehoord? Dat ligt 
toch voor de hand, omdat een 
inhoudelijke beoordeling al gauw 
weer spanning oproept met de 
artikelen 6 en 8 van het Europees 
verdrag voor de rechten van de 
mens. 

Aan de andere kant zal de 
kinderrechter toch nauwelijks aan 
een meer inhoudelijke toetsing van 
de uitvoering kunnen ontkomen, wil 
ur bemiddeling enigszins vorm 
krijgen. Hoe kan bijvoorbeeld anders 
door de kinderrechter een genuan– 
ceerde omgangsregeling worden 
voorgesteld? 

Dit dilemma lijkt zich vooral af te 
spelen bij de uithuisplaatsing. Het is 
een goede zaak dat er nu een 
machtiging van de kinderrechter 
nodig zal zijn om het kind uit huis te 
plaatsen. Het betreft immers een zeer 
ingrijpende inperking van de 
ouderlijke macht met grote conse– 
quenties voor ouders en kind. Een 
dergelijk besiuit moet aan de rechter 
worden overgelaten. In de schrifte– 
lijke voorbereiding werd mij echter 
niet duidelijk of de kinderrechter nu 
duidelijke grenzen zal stellen als de 
gezinsvoogdij-instelling om 
uithuisplaatsing verzoekt. Hoe zal de 
afweging van de kinderrechter 
plaatsvinden en wat komt er allemaal 

in de machtiging te staan? Of is die 
machtiging een blanco machtiging 
voor de instelling? Hoever gaat 
bijvoorbeeld de bevoegdheid van de 
instelling om het contact met de 
ouders tijdens de uithuisplaatsings 
tijd te beperken? 

Ten slotte heb ik nog een 
opmerking over artikel 257. De 
ondertoezichtstellingsmaatregel is 
erop gericht, de met gezag belaste 
ouder de verantwoordelijkheid voor 
de verzorging en opvoeding zoveel 
mogelijk te laten behouden. Het 
derde lid van het artikel maakt het in 
uitzonderingsgevallen mogelijk, dat 
de hulp primair gericht wordt op het 
vergroten van de zelfstandigheid van 
de minderjarige. Hierbij moet onder 
andere aan zwerfjongeren worden 
gedacht. Dat is te begrijpen, omdat 
bij deze jongeren het ouderlijk gezag 
veelal niet meer functioneert. Maar ik 
ben er nog niet van overtuigd dat 
voor deze specifieke problematiek 
een dergelijke algemeen geldende 
bepaling moet worden opgenomen. 
Het conflicteert op zichzelf met het 
vierde lid waarin het bevorderen van 
de gezinsband centraal staat en het 
is mijns inziens ook niet echt nodig, 
omdat het eerste lid voldoende 
ruimte lijkt te bieden om aan de 
categorie zwerfjongeren hulp te 
bieden. Ik zou het dan ook op prijs 
stellen wanneer de minister de 
formulering van het derde lid nog 
eens wil overwegen en eventueel wil 
aanscherpen. Zoals de tekst nu luidt, 
kan de bepaiing gemakkelijk een 
eigen leven gaan leiden. 

Voorzitter! Ouders en kinderen 
hebben recht op helderheid en 
toegankelijkheid van procedures en 
adequate hulpverlening. Het 
wetsvoorstel beschouw ik daarom 
als een noodzakelijke poging om het 
formele jeugdbeschermingsrecht 
verder op orde te brengen. Ik neem 
aan dat de minister mijn overgeble– 
ven vragen naar tevredenheid zal 
kunnen beantwoorden. Nog meer 
hoop ik dat we er als samenleving in 
zullen slagen, het geheel van de 
jeugdbescherming beter dienstbaar 
te maken aan het goed functioneren 
van ook de probleemjongeren in hun 
gezinnen. 

D 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): Mijnheer de voorzitter! 
De CDA-fractie is gelukkig en stemt 
dus in met de grondgedachte van 
het voorliggende voorstel. De 

grondgedachte van dat voorstel zien 
wij in het realiseren van het 
uitgangspunt, te weten de scheiding 
tussen hulp, uitvoering en recht– 
spraak. Deze instemming is niet zo 
verwonderlijk nu aan dit voorstel 
ingrijpende ontwikkelingen in onze 
samenleving ten grondslag liggen, 
zoals de toegenomen mondigheid 
van de burgers, de toenemende 
opvoedingsproblemen en de 
professionalisering van de hulp. Die 
ontwikkelingen in de samenleving 
hebben geleid tot het ontstaan van 
problemen met de huidige regelin– 
gen en ze hebben aangezet tot 
jarenlang denkwerk door verschil– 
lende commissies, zoals de 
commissie-Wiarda in 1971, de 
commissie-Gijsbers in 1990 en de 
commissie-Vliegenthart in 1990. Ik 
sluit mij graag aan bij allen die 
waardering hebben uitgesproken 
voor het werk en de suggesties die 
met name de commissie-Vliegenthart 
heeft gedaan. 

Uit alle werkzaamheden van die 
vele commissies zijn vele nuttige 
ideeën en voorstellen naar voren 
gekomen, waarvan dit wetsvoorstel 
een niet onbelangrijk onderdeel, met 
een zekere voortvarendheid, tot 
uitvoering brengt. Wij verwachten 
dat deze scheiding van uitvoering en 
recht de rechtsbescherming van 
ouders en kinderen ten goede zal 
komen, dat de kwaliteit van de 
hulpverlening zal verbeteren en dat 
geschillen over de uitvoering van de 
ondertoezichtstelling sneller tot een 
oplossing kunnen worden gebracht. 
De uitspraak van een kinderrechter 
die niet langer geïdentificeerd wordt 
met de gezinsvoogd zal naar 
verwachting meer gezag hebben dan 
thans. 

Teneinde dit positieve effect te 
bereiken, is wel vereist dat aan een 
aantal voorwaarden wordt voldaan. 
Het louter schrappen van de 
toezichthoudende taak van de 
kinderrechter is daarvoor niet 
voldoende. De structuur van de 
nieuwe bevoegdheidsverdeling, de 
nieuwe verantwoordelijkheden en de 
kwaliteit van de hulpverlening 
moeten in dit wetsvoorstel op een 
verantwoorde en harmonieuze wijze 
met elkaar verbonden worden. 

Voor de CDA-fractie is een eerste 
vereiste voor het succes van dit 
wetsvoorstel, het aanscherpen van 
de deskundigheid van de 
gezinsvoogdij-instellingen, teneinde 
hun in staat te stellen de verzwaarde 
taak die uit dit wetsvoorstel 

16juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK78 


Soutendijk-van Appeldoorn 

voortvloeit, naar behoren uit te 
voeren. Ook de Nederlandse 
vereniging voor rechtspraak spreekt 
van een noodzaak voor een 
ingrijpende gedragswijziging bij de 
gezinsvoogdij-instellingen. Ook 
Vedivo schijnt met die opvatting 
hartgrondig in te stemmen. De 
minister lijkt het eens met de 
noodzaak tot deskundigheids– 
verbetering, maar lijkt wat terughou– 
dend om een verband te leggen met 
dit wetsvoorstel. Hij stelt zich op het 
standpunt dat de wetswijziging op 
zichzelf, dus de scheiding van recht 
en uitvoering, die kwaliteits– 
verbetering al tot stand brengt. Aan 
de ene kant is dit waar, maar aan de 
andere kant willen en kunnen wij niet 
om het feit heen dat ook de kwaliteit 
van de gezinsvoogdij-instellingen 
omhoog moet. Dat de minister daar 
oren naar heeft, blijkt uit het feit dat 
hij aanzetten heeft gegeven tot 
kwaliteitsverbetering door onder 
andere ruimte te creëren voor het 
aantrekken van stafmedewerkers en 
te komen tot een verbreding van 
opleidingscategoneen en een 
aanpassing van de belonings– 

structuur. 

Het geid dat daarvoor nodig is, 
moet worden gevonden via het 
project dat ik kortheidshalve aanduid 
als "heroriëntering". Voor zover ik 
het kan opmaken uit de schriftelijk 
informatie is er nog een gering tekort 
van ruim 5 mln. De vraag die zich 
dus aandient, is hoe de minister dat 
gaatje gaat dekken. Voor dit jaar 
wordt het geld gezocht in een aantal 
posten met onderbesteding. Naar ik 
begrijp is de kabinetsformatie al 
zodanig ver gevorderd, dat het 
bedrag van 5 mln. voor dit doel 
gegarandeerd wordt. Ik denk dat dat 
onze instemming kan hebben. 

Voor de CDA-fractie is doorvoering 
van die kwaliteitsverbetering 
cruciaal. Het is als het ware een 
voorwaarde zonder welke de wet niet 
in werking kan treden. Het is daarom 
zaak dat de daarop gerichte 
financieringsoperatie met succes en 
op tijd is afgerond. 

De minister stelt zich ten doel 
tijdig te komen tot "een systeem van 
kwaliteitseisen en protocollen", die 
op 1 januari 1995 operationeel 
moeten zijn. Daarmee lijkt voldaan 
aan onze eerste eis. De vraag is nog 
wel of men met de werkzaamheden 
rond het tot stand brengen van de 
eisen op schema ligt en of het op 1 
januari 1995 operationeel zijn ook 
inhoudt dat men dan in de 

gezinsvoogdij-instellingen aan de 
geformuleerde eisen voldoet. Graag 
hoor ik een actualisering van de 
informatie. 

Een tweede vereiste voor de 
CDA-fractie is dat er ter vervanging 
van de toezichthoudende roi van de 
kinderrechter voldoende controle– 
mechanismen op de kwaliteit, de 
voortgang, de verlenging en de 
beëindiging van de ondertoezichtstel– 
ling en de uithuisplaatsing worden 
ingebouwd. Het gaat hier immers om 
privaatrechtelijke instanties die met 
een vorm van publiek gezag zijn 
bekleed. Het is voor de CDA-fractie 
na de uitgebreide gedachtenwisse– 
ling daarover de vraag gebleven of 
in het voorstel die controle– en 
toezichthoudende mechanismen 
voldoende en staatsrechtelijk juist 
zijn ingebouwd. 

De minister is van mening dat een 
juist evenwicht wordt gevonden in 
het recht van ouders en minderjari– 
gen om essentiële beslissingen aan 
de kinderrechter voor te leggen. Wij 
delen die mening, maar het is geen 
compleet beeld van de situatie. Voor 
ons blijft het de vraag of er niet ook 
na en naast de rechterlijke machti– 
ging en de rechterlijke beslissingen 
een overheidsinstantie moet zijn die 
toezicht houdt op de uitvoering. De 
minister vindt die waarborgen in de 
interne regelingen van de instellin– 
gen. Bij ons blijft echter de indruk 
bestaan dat ergens in het nieuwe 
systeem een gat blijft zitten. 

De minister is ons een stap 
tegemoet gekomen door de eis te 
introduceren dat de gezinsvoogdij– 
instelling mededeling moet doen aan 
de Raad voor de kinderbescherming 
in alle gevallen waarin zij afziet van 
een verzoek tot verlenging van de 
ondertoezichtstelling. Hij wil echter 
niet aan een zeer vergaande 
toezichthoudende taak van de raad, 
zoals de WD-fractie heeft bepleit. De 
stelling van de minister dat de 
kinderrechter de algehele controle op 
de uitvoering heeft, is volgens ons 
niet toereikend. De kinderrechter stelt 
onder toezicht, machtigt tot 
uithuisplaatsing, maar staat voorts 
op afstand. Hij is dus afhankelijk van 
acties van anderen. Het overlaten 
van die acties alleen aan de ouders, 
de minderjarigen en de 
gezinsvoogdij-instellingen is onzes 
inziens te beperkt. Het inschakelen 
van de raad is in onze ogen dan ook 
juist en noodzakelijk en dan is een 
mededelingsplicht, zoals geïntrodu– 
ceerd bij nota van wijziging, te 

beperkt om de raad met enig inzicht 
die rol te laten vervullen. 

Een periodieke rapportageplicht 
van de gezinsvoogdij-instelling, zoals 
bepleit door de Nederlandse 
vereniging voor rechtspraak, zou 
daaraan in onze ogen een heel eind 
tegemoet komen. Wij zijn wel 
overtuigd geraakt door de argumen 
ten van de regering dat een 
rapportageplicht aan de kinderrech– 
ter niet past in het voorgestane 
stelsel van scheiding van hulp, 
uitvoering en rechtspraak, maar de 
argumenten tegen een structurele 
rapportageplicht aan de raad 
overtuigen ons nog steeds niet. Het 
argument dat toezicht op de OTS 
niet behoort tot de kerntaak van de 
raden en dat de raad te veel op 
afstand staat om een goed oordeel te 
geven, wordt minder overtuigend nu 
de raad krachtens het voorstel wel 
de bevoegdheid heeft, om een OTS 
te verzoeken, betrokken kan zijn bij 
de beëindiging en mededeling 
ontvangt van een besluit tot 
niet-verlenging. Dat duidt toch niet 
op een kennelijk te grote afstand? 
Wij blijven daarom pleiten voor een 
intensievere betrokkenheid van de 
raad, en voor een periodieke 
rapportageplicht van de 
gezinsvoogdij-instellmgen aan de 
raad. Dat heeft het voordeel dat de 
raad, als overheidsinstantie, op de 
hoogte blijft van de stand van zaken 
van de maatregel en daardoor dus 
juist niet op afstand staat. 

Een ander voordeel vinden wij dat 
er een structureel zicht blijft op het 
verloop van de maatregel en niet 
alleen indien er problemen rijzen. 
Een rapportage alleen bij problemen 
heeft namelijk het nadeel dat die dan 
vaak door betrokkenen niet meer als 
objectief wordt gezien. Wij verzoeken 
de minister nog eens serieus ons 
voorstel te heroverwegen. Het 
argument dat een structurele 
rapportage niet in een juiste 
verhouding staat met de te verwach– 
ten problemen, valt onzes inziens in 
het niet bij de noodzaak tot een 
staatsrechtelijk zuiver en kwalitatief 
hoogwaardig systeem van hulpverle– 
ning en rechtsbescherming. Het 
element uit het amendement van de 
heer Dijkstal en mevrouw Vliegent– 
hart om de rekestrerende taak van de 
raad uit te breiden, zou in onze visie 
dus goed passen. Maar ik twijfel of 
het verstandig is, zoals het amende– 
ment doet, om als keerzijde daarvan 
de gezinsvoogdij-instelling volledig 
uit te sluiten, want ik vraag mij dan 

16juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK78 


Soutendijk-van Appeldoorn 

af welke situatie ontstaat indien 
bijvoorbeeld het rapport van de 
gezinsvoogdij-instelling de Raad voor 
de kinderbescherming niet tot een 
rekest brengt. Het is dan in onze 
ogen nodig dat zo'n patstelling kan 
worden doorbroken door de zaak ter 
beslissing aan de kinderrechter voor 
te leggen. Door de structuur van het 
amendement wordt, zo vrees ik, wat 
de indieners beogen, namelijk het 
tegen het licht houden van de 
juridische grondslag, onmogelijk 
gemaakt in die situatie waarin de 
raad niet ingaat op het verzoek van 
de gezinsvoogdij-instelling om de 
zaak voor de kinderrechter te 
brengen. Dat is in de kern mijn 
bezwaar tegen het amendement 
zoals het er ligt. Kort samengevat 
komt het erop neer dat het gevaar 
van de staatsrechtelijke zuiverheid, 
zoals tot stand wordt gebracht door 
het amendement, in sommige 
gevallen wel eens zo kan uitwerken 
dat het belang van het kind daarmee 
niet wordt gediend. Het grote 
bezwaar is ook dat je het oordeel 
over de juridische grondslag aan die 
instantie die we het nu juist in 
handen willen geven, namelijk de 
rechter, onthoudt, omdat de raad op 
een gegeven moment de zaak kan 
blokkeren. Ik pleit ervoor om naast 
de inderdaad noodzakelijke 
vergroting van de rekestrerende 
bevoegdheden van de raad, toch 
ergens een zekerheid in te bouwen, 
zodanig dat ook de gezinsvoogdij– 
instellingen bij een patstelling de 
juridische grondslag door de rechter 
tegen het licht kunnen laten houden. 

Mijnheer de voorzitter! Hoewel 
ondertoezichtstelling een lichter 
instrument is dan bijvoorbeeld 
ontheffing en ontzetting, is het toch 
een ingreep in de bevoegdheden van 
ouders. Het is daarom zaak zo 
nauwkeurig mogelijk aan te geven, 
wanneer een dergelijke ingreep 
gerechtvaardigd is. In de wet wordt 
terecht gekozen voor de formulering 
"ernstige bedreiging van de zedelijke 
dan wel geestelijke belangen van het 
kind of diens gezondheid". Deze 
grondslag "ernstige bedreiging" 
biedt voldoende ruimte voor een 
noodzakelijke ingreep aan de ene 
kant en bescherming tegen 
overbodige ingrepen aan de andere 
kant. Wij hebben begrip voor 
diegenen die pleiten voor een 
verdere verduidelijking van het 
criterium, maar wij zien in dat dat 
moeilijk is in verband met de zeer 
uiteenlopende situaties die zich 

voordoen. Concretisering van dit 
criterium is alleen mogelijk op basis 
van de feiten en de omstandigheden 
van het geval. 

Daarbij doet zich steeds weer de 
vraag voor hoe hard de feiten die 
bedreiging vormen, moeten worden 
gemaakt alvorens tot een ingreep 
kan worden besloten. De CDA-fractie 
heeft zich in een eerdere discussies 
hierover op het standpunt gesteld 
dat het eisen van een vorm van 
strafrechtelijk bewijs of zelfs 
aangescherpt bewijs niet verant– 
woord is, omdat een ingreep die in 
het belang van het kind nodig is dan 
zou kurinen stranden op het niet 
kunnen voldoen aan de verzwaarde 
zware bewijslast. Het belang van het 
kind moet voor ons voorop blijven 
staan. Duidelijk moet evenwel zijn 
dat niet op basis van louter 
vermoedens of omstreden onder– 
zoeksmeihoden - denk aan de 
poppenmethode - tot een ingreep 
kan en mag worden besloten. Dat dit 
nog altijd een probleem is, bleek mij 
vanmorgen weer toen ik daarover 
werd gebeld. De rol en de kwaliteit 
van de onderzoekers die het 
materiaal voor het vermoeden van 
die ernstige bedreiging aandragen, 
zijn van groot belang. Als middel tot 
controle op en eventueel verbetering 
van de deskundigheid van die 
onderzoekers die deel uit maken van 
particuliere onderzoeksbureaus, zoals 
het PAR, hebben wij destijds de 
suggestie gedaan, deze deskundigen 
onder de zogenaamde Wet BIG te 
brengen. Een idee waarmee de 
toenmalige staatssecretaris, nu 
minister, en de rest van de Kamer 
instemden. Ik vraag de minister hoe 
het met de realisering van dat 
voornemen staat. 

In dit verband is het ook van 
belang aandacht te vestigen op de 
rol van de motiveringsplicht van de 
verzoekende instantie en van de 
rechter. Heldere motiveringen geven 
alle betrokkenen inzicht in de 
gronden voor de ondertoezichtstel– 
ling, zoals waarom lichtere vrijwillige 
- hulpverlening niet past 
en waarom via deze maatregel de 
dreiging kan worden afgewend. Dat 
geeft een beter zicht op het doel dat 
men met de hulpverlening beoogt te 
bereiken. Tevens draagt dat bij tot 
een betere aanvaarding van de 
beslissing tot het nemen van de 
maatregel. Het is te simpel om, zoals 
de minister doet, te stellen dat er een 
motiveringsplicht voortvloeit uit de 
wet; zeker als men weet dat die 

motiveringen vaak leiden tot 
standaardformules. 

Standaardmotiveringen, die in dit 
soort zaken nogal eens voorkomen, 
bewerkstelligen vaak het tegenover– 
gestelde. Zij komen op betrokkenen 
over als een waarom-daarom– 
redenering en dus als onbegrijpelijk 
en daarom onaanvaardbaar. Vandaar 
dat wij hier nogmaals een pleidooi 
houden voor inzichtelijke motiverin– 
gen. De staatssecretaris heeft 
toegezegd, dit punt aan de orde te 
stellen in een komend overleg met 
de NWR. Ik word graag geïnfor– 
meerd over de stand van zaken met 
betrekking tot dit overleg. 

Bij de onderbouwing van de grond 
tot ondertoezichtstelling dan wel tot 
uithuisplaatsing speelt ook een 
cruciale rol het overleggen en het ter 
inzage geven van stukken. Ik denk ik 
dan aan de onderzoeksrapporten. De 
minister gaat in zijn antwoorden tot 
nu toe te makkelijk over dit probleem 
heen door te verwijzen naar de 
wettelijke regeling van artikel 811 en 
volgende Wetboek van Burgerlijke 
Rechtsvordering inzake de te 
overleggen en de in te ziene stukken. 
Maar nog altijd doet zich hierbij het 
probleem voor van het door 
belanghebbenden niet ter inzage 
krijgen van een door externe 
deskundigen opgemaakt onderzoeks– 
rapport. 

Het is dus niet zo dat, zoals de 
minister stelt, deze externe adviezen 
altijd deel gaan uitmaken van de 
overgelegde stukken en daarom ter 
inzage liggen. Het komt voor dat 
slechts onderdelen uit de externe 
adviezen worden overgenomen en 
aldus deel gaan uitmaken van het 
rapport dat wordt overgelegd. Dat is 
een probleem omdat bijvoorbeeld 
het raadsrapport voortbouwt op zo'n 
rapport en kennis van het onderlig– 
gende onderzoek is dan relevant 
voor een goed begrip van het 
raadsonderzoek en –advies, alleen al 
voor het opstellen van het verweer. 

Bovendien blijkt de raads– 
onderzoeker nogal eens de gegevens 
uit het onderliggende rapport te 
herschikken. Nog even daargelaten 
of deze handelwijze aanvaardbaar is 

- herschikken wellicht nog wel, maar 
selectief winkelen zeker niet duidelijk 
is in ieder geval wel dat 
zonder inzage in het onderliggende 
rapport een en ander voor betrokke– 
nen een onbegrijpelijk deskundigen– 
rapport pleegt op te leveren. Het is 
zeer moeilijk om verweer te voeren 
tegen een onbegrepen stelling. Het 
16juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK78 


Soutendijk-van Appeldoorn 

nog niet zo lang geleden gecreeerde 
contra-expertiserecht zal hierin 
wellicht verbetering brengen, maar 
ook dan is het nuttig en noodzakelijk 
dat een volledig inzagerecht van de 
onderliggende onderzoeksrapporten 
wordt aanvaard. Ik stel met grote 
teleurstelling vast dat eerdere 
vragen, aanmerkingen, toezeggingen 
en nog niet zo lang geleden 
kamerbreed gestelde vragen nog 
altijd geen verbetering hebben 
gebracht op dit punt. Ik dring 
daarom aan op een goede regeling: 
een "volledig" inzagerecht bij de 
inwerkingtreding van deze wet. 

Mijnheer de voorzitter! De 
regering volgt niet de suggestie van 
de commissie-Vliegenthart om ten 
behoeve van de problematiek van de 
zwerfjongeren, de verslaafden en de 
in de prostitutie geraakte wegloop– 
jongeren een speciale zogenoemde 
OTS-plus te creëren. In plaats 
daarvan komt er een aan leeftijd en 
ontwikkelingsniveau aangepaste 
OTS-mogelijkheid, zoals geformu– 
leerd in artikel 257, derde lid. De 
hulp van de gezinsvoogd kan zich in 
deze gevallen meer richten op het 
vergroten van de zelfstandigheid van 
de minderjarige dan op de onder– 
steuning van de mogelijkheden van 
de ouders om hun kind te verzorgen 
en op te voeden. Op zich is er iets te 
zeggen voor het materiële criterium 
waarvoor de regering heeft gekozen. 
Het criterium "leeftijds– en ontwikke– 
lingsniveau van de minderjarige" 
geeft meer mogelijkheden dan een 
gefixeerde leeftijdsgrens. Ik wijs erop 
dat toepassing alleen mogelijk moet 
zijn indien het ouderlijk gezag niet 
meer kan worden uitgeoefend en ook 
duidelijk is dat het niet meer kan 
worden hersteld. 

Uitgaande van deze door ons 
wenselijk geachte beperkte interpre– 
tatie van het derde lid van artikel 257 
houden wij enige zorg over de 
toepassing van deze regel. Er wordt 
mee beoogd, zoals in de stukken 
staat, onomstotelijk vast te stellen 
dat de gezinsvoogdij-instelling de 
bevoegdheid heeft, de hulp primair 
te richten op het vergroten van de 
zelfstandigheid van de minderjarige. 
Wie dit bepaalt en het tijdstip 
waarop dit gebeurt, wordt overgela– 
ten aan de gezinsvoogdij-instelling. 
De opnieuw geformuleerde tekst is 
een verbetering. Toch blijft het de 
vraag, nu het om een interne 
gedragsregel voor de gezinsvoogdij– 
instellingen gaat, op welke wijze het 
toepassingsbereik getoetst kan 

worden en beperkt kan worden 
gehouden. Het moet namelijk niet zo 
zijn dat een ontoelaatbare indruk op 
het ouderlijk gezag wordt gemaakt 
en dat de mogelijkheid ontstaat tot 
een zeer vroegtijdig - dus op zeer 
jeugdige leeftijd - toepassen van 
hulp die gericht is op het vergroten 
van de zelfstandigheid of dat men 
overgaat tot deze vorm van 
hulpverlening indien de ouders niet 
zover zijn dat zij hun ouderlijke 
verantwoordelijkheid niet meer waar 
kunnen maken. 

Onze zorg betreft ook de te 
verwachten inzet van de hulpverlener 
bij toepassing van deze maatregel tot 
herstel en normalisatie van de 
gezinsband. Op welke wijze kan die 
opdracht worden gecontroleerd? Zal 
die inzet, gelet op de formulering 
van de wettelijke grond, niet 
mjnimaal zo niet afwezig zijn? Dat 
lijkt ons in ieder geval in strijd met 
het ouderlijk gezag en geen goede 
zaak. Daar moet deze regeling geen 
ruimte voor bieden. 

De gelimiteerde regeling voor de 
voorlopige voorzieningen, alleen bij 
dringende en onverwijlde noodzaak, 
is een verbetering en heeft dus onze 
instemming. Voorlopige maatregelen 
hebben vaak een niet te onderschat– 
ten prejudiciërende werking en 
moeten daarom alleen onder 
stringente limieten kunnen worden 
toegepast Daar voldoet het voorstel 
aan, zowel wat het criterium als wat 
de tijdlimiet betreft. 

Mijnheer de voorzitter! Ook 
stemmen wij in met het systeem van 
uithuisplaatsing, dat ervan uitgaat 
dat alleen op grond van een 
rechterlijke machtiging een kind uit 
huis kan worden geplaatst. Een zo 
verstrekkende beslissmg behoort niet 
in handen te liggen van de uitvoe– 
rende gezinsvoogdij-instantie. De 
keuze voor rechterlijke machtiging is 
in onze ogen daarom juist. Ook is het 
juist dat die machtiging een beperkte 
geldigheidsduur heeft en dus niet 
oneindig als stok achter de deur kan 
worden gehanteerd door de 
gezinsvoogdij-instelling. Een aparte 
regeling wordt gecreëerd voor 
plaatsing in een gesloten inrichting. 
Deze is nodig op grond van 
verdragsverplichting, maar ook met 
het oog op de ernst van dit soort 
plaatsingen op zichzelf. Dat is alleen 
mogelijk indien er sprake is van 
"ernstige gedragsproblemen". Wat 
daaronder wordt verstaan, verdient 
nog enige verheldering. Voor een 
dergelijk zware maatregel zullen de 

gedragsproblemen op z'n minst toch 
ook gevoeld moeten worden door de 
omgeving, naast het opgevoerde 
gevaar voor de jongere zelf en de 
wegloopproblematiek. Wij waarschu– 
wen dus tegen een lichtvaardige 
plaatsing van een jongere in een 
gesloten inrichting. Bovendien zal 
apart worden bepaald welke 
voorzieningen als gesloten zullen 
worden aangemerkt. Dan rijst de 
vraag of met de opsommmg die in 
de memorie van antwoord wordt 
gegeven, wordt volstaan of dat er 
nog een aanvulling komt, omdat 
duidelijk en bekend is dat dit aanbod 
op dit moment lang niet toereikend 
is. 

De problematiek van de krapte van 
het aanbod is overigens ook een 
knelpunt bij de uitvoering van de 
wettelijke opdracht aan de hulpverle– 
ner om bij de plaatsing rekening te 
houden met de godsdienstige en 
levensbeschouwelijke overtuiging 
van de minderjarige. De CDA-fractie 
juicht deze bepaling op zichzelf toe zij 
vindt het min of meer vanzelfspre– 
kend dat deze in de wet is opgeno– 
men - maar heeft toch enige zorg 
over de toepassingsmogelijkheid van 
deze regeling. Het proces van 
schaalvergroting, maar ook de krapte 
in de capaciteit, maken deze 
wettelijke opdracht tot nu toe steeds 
moeilijker hanteerbaar. Wij vragen de 
minister op welke wijze hij kan 
garanderen dat deze letter geen dode 
letter wordt. 

Mijnheer de voorzitter! Ik kom op 
de aparte regeling die is opgenomen 
voor het geval dat ouders weigeren, 
toestemming te verlenen voor een 
medische behandeling. De 
gezinsvoogdij-instelling kan de 
rechter dan om vervangende 
toestemming verzoeken. Dit is een 
regeling die voor de CDA-fractie 
acceptabel is, mits de ernst van de 
situatie dit ingrijpen vereist. Ik 
begrijp toch goed - uit de inbreng 
van collega Van den Berg begrijp ik 
dat hij het nog niet goed begrijpt en 
dat er wellicht onduidelijkheid 
bestaat - dat de toepassing van 
artikel 264 gaat om gevallen waarin 
al een ondertoezichtstelling is 
opgelegd? Uit de stukken begrijp ik 
dat het niet meewerken aan een 
medische behandeling - bijvoorbeeld 
het laten inenten tegen polio - op 
zichzelf geen grond zou zijn voor een 
ondertoezichtstelling. Hoewel wij dus 
in principe met deze regel instem– 
men, is het wel zaak om alles helder 
op een rijtje te hebben en verduide– 

16juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK78 78-5379 


Soutendijk-van Appeldoorn 

lijking te krijgen over het 
toepassingsbereik. 

De heer Van den Berg (SGP): 
Voorzitter! Ik heb dat best begrepen, 
maar mijn probleem is juist dat ik 
ook in die situatie de toepassing van 
dit instrument oneigenlijk vind. 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): Maar ik begreep dat op 
grond van artikel 264 niet de 
mogelijkheid bestond om een 
minderjarige onder toezicht te 
plaatsen in verband met het feit dat 
geen toestemming wordt verleend 
voor een bepaalde medische 
behandeling. Ik dacht dat de heer 
Van den Berg er nog aan twijfelde of 
de mogelijkheid van die grondslag 
op de wet kon worden gebaseerd. 
Daarover bestaat onduidelijkheid; er 
moet helderheid over komen. 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): 
Mevrouw Soutendijk heeft gelijk met 
haar interpretatie van artikel 264, 
hetgeen echter niet wegneemt dat de 
rechter op verzoek van de Raad voor 
de kinderbescherming op basis van 
artikel 254 natuurlijk wel een 
ondertoezichtstelling zou kunnen 
uitspreken. 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 

doorn (CDA): Mits wordt voldaan 

aan de eis van ernstige bedreiging 

van de gezondheid, en dat is dus de 

vraag bij de polioprik. 

De heer Van den Berg (SGP): Het 

probleem is juist dat de regering 

naar aanleiding van vragen 

onzerzijds ook in de nota naar 

aanleiding van het eindverslag die 

onduidelijkheid heeft laten bestaan. 

Mijn inbreng was erop gericht, 

daarover nu helderheid te krijgen. 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 

doorn (CDA): Mijn inbreng is daar 

ook op gericht. Ik ga er dus van uit 

dat wij die duidelijkheid vandaag 

krijgen. 

Ten slotte nog een enkel woord 

over het amendement van mevrouw 

Vliegenthart en de heer Dijkstal om 

de rekestrerende taak van de officier 

van justitie te schrappen. De 

CDA-fractie is van dit amendement, 

zoals het is toegelicht en het hier ligt, 

geen voorstander. Wij vinden het 

namelijk van belang dat het artikel 

dat de mogelijkheid geeft tot het 

bieden van hulp in een zo licht 

mogelijke variant - dus niet de 

strafrechtelijke, maar privaatrechte– 
lijke weg - als mogelijkheid 
behouden blijft. Het feit dat er weinig 
gebruik van wordt gemaakt, is 
weliswaar relevant maar niet 
doorslaggevend. Het kunnen 
hanteren door de officier van justitie 
van deze bevoegdheid als een 
legitimatie om af te zien van 
strafrechtelijk optreden, biedt immers 
wel degelijk de mogelijkheden ook al 
worden die nu door de Raad voor de 
kinderbescherming benut. Ik vrees 
dan ook dat er, als de officier van 
justitie die bevoegdheid wordt 
ontnomen - dus de mogelijkheid om 
in een procedure af te zien van een 
strafrechtelijke variant - minder 
mogelijkheden ontstaan om de 
civielrechtelijke variant toe te passen. 
Daarom sluit ik aan bij de positieve 
geluiden, onder andere van 
mevrouw Versnel, over deze 
mogelijkheid. Op grond van het 
voorgaande ben ik op voorhand 
geen voorstander van het schrappen 
van de desbetreffende taak van de 
officier van justitie. 

Mijnheer de voorzitter! De 
CDA-fractie kan, indien een 
bevredigend antwoord wordt 
gegeven op de gestelde vragen, 
instemmen met deze regeling. Wij 
menen dat hiermee een belangrijke 
stap wordt gezet op weg naar 
uitvoering van de aanbevelingen van 
het rapport "Rechtzetten". Evenals 
dit wetsvoorstel heeft dit rapport de 
verbetering van de kwaliteit van de 
jeugdbescherming op het oog. Naar 
onze stellige verwachting zal deze 
verbetering hiermee ook worden 
bewerkstelligd. 

D 

De heer Rouvoet (RPF): Voorzitter! 
Het voorliggende wetsvoorstel strekt 
tot canonisering van een aantal 
aanbevelingen over de ondertoe– 
zichtstelling van onder andere de 
commissie-Vliegenthart, zoals 
vanmiddag een– en andermaal is 
gezegd. Van die commissie maakte 
mijn voorganger Meindert Leerling 
deel uit. Enkele collega's hebben 
vanmorgen hun dank naar voren 
gebracht aan de leden van die 
commissie, en die zal ik zeker aan 
hem overbrengen. Ik realiseer mij 
overigens dat mijn beide fractiegeno– 
ten met evenveel recht van hun 
voorganger kunnen spreken. Ik heb 
het niet nagekeken, maar het zou mij 
niet verbazen als de heer Leerling 
het enige kamerlid is in de parlemen– 

taire geschiedenis, dat kan bogen op 
drie opvolgers. 

In het wetsvoorstel staat in mijn 
ogen centraal de beëindiging van de 
bemoeienis van de kinderrechter met 
de uitvoering van de OTS-maatregel. 
Dat zou ertoe kunnen leiden, dat de 
betrokkenen veel minder dan thans 
het gevoel hebben dat de verschil– 
lende kinderbeschermingsinstanties 
uiteindelijk allemaal handen op één 
buik zijn. De strekking van het 
wetsvoorstel wordt wat dit betreft 
door ons gesteund, maar er zijn 
natuurlijk vragen te stellen en 
verbeteringen denkbaar. Ik wil 
daartoe vanmiddag een poging 
wagen. 

Het is terecht dat de kinderrechter 
volgens dit voorstel op cruciale 
momenten in beeld en in actie blijft 
komen als publieke instantie. Het 
ingrijpen in een gezinsverband en 
het beperken van de ouderlijke 
macht vergen nu eenmaal een 
dergelijke vorm van publieke 
legitimatie. Vooralsnog zie ik niet 
goed in wat de amendementen van 
de heer Dijkstal en mevrouw 
Vliegenthart toevoegen aan deze 
publieke legitimatie, terwijl zij 
tegelijkertijd nieuwe vragen 
oproepen. Is het zinvol om de raden 
voor de kinderbescherming als extra 
instantie tijdens de maatregel in te 
schuiven? Mijns inziens zou de 
kinderrechter als publieke instantie 
voldoende kunnen zijn. 

Tegelijkertijd roept de verschuiving 
van het accent van de kinderrechter 
naar de gezinsvoogdij-instelling als 
private instantie vragen op over een 
aantal punten. Er zal onmiskenbaar 
sprake zijn van een veranderende 
positie van de gezinsvoogdij– 
instellingen bij het uitoefenen van 
gezag, het nemen van initiatief tot 
uithuisplaatsing en de feitelijke 
uithuisplaatsing. Hiermee hangt de 
vraag samen of ook het karakter van 
de gezinsvoogdij-instelling verandert; 
ik bedoel de discussie over "bekle– 
ding van de instellingen met 
openbaar gezag". Hierover is 
uitvoerig gediscussieerd in de 
stukken. Zonder aan te nemen dat de 
gezinsvoogdij-instellingen hiermee in 
de publieke sfeer komen en dus met 
openbaar gezag worden bekleed, heb 
ik de indruk dat er wel degelijk 
sprake is van een toename van de 
openbare sfeer, als je die gradatie 
zou kunnen aanbrengen. De 
discussie speelt zich wat mij betreft 
in die sfeer af. Ik hecht eraan, te 
stellen dat het van het grootste 

16juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK78 


Rouvoet 

belang is om het karakter van het 
particulier initiatief hoe dan ook te 

behouden. 

Het is van belang dat de levensbe– 
schouwelijke pluriformiteit eveneens 
behouden blijft. Ik zeg dit mede met 
het oog op de bepaling in het 
wetsvoorste! inzake het aansluiten op 
en het rekening houden met de 
godsdienstige overtuiging van de 
minderjarige en van het gezin 
waartoe hij behoort. Het lijkt mij dat 
het proces van schaalvergroting 
hiermee niet direct in lijn ligt. Ik sluit 
mij aan bij de vraag die de heer 
Dijkstal over de materiële ondersteu– 
ning van het particulier initiatief 
heeft gesteld. Hoe kan gewaarborgd 
worden dat de levensbeschouwelijke 
pluriformiteit gehandhaafd blijft? Ik 
dank de minister, toen nog staatsse– 
cretaris, voor het opvolgen van de 
suggestie van de RPF-fractie om de 
bepaling over de godsdienstige 
overtuiging ook op te nemen in 
artikel 261. 

Een volgend punt waarover in 
verband met de accentverschuiving 
van kinderrechter naar 
gezinsvoogdij-instellingen vragen te 
stellen zijn, betreft de kwaliteitseisen 
voor deze instellingen en het toezicht 
erop. 

Als laatste punt noem ik de 
rechtsbescherming van betrokkene. 
Op het moment dat er een accentver– 
schuiving plaatsvindt, komt dit punt 
natuurlijk naar voren. 

Ik wil in dit verband twee korte 
vragen stellen. Zou het niet dienstig 
zijn dat hoger beroep in meer 
gevallen dan thans is voorzien, 
rnogelijk wordt gemaakt? Ik denk 
hierbij met name aan artikel 263, 
beëindiging van de uithuisplaatsing. 
En hoe staat het verder met de 
wettelijke regeling van het klacht– 
recht? 

Mijnheer de voorzitter! Ik heb 
reeds enkele malen het woord 
"toezicht" gebruikt. Het lijkt mij, als 
gevolg van de extra belasting van de 
gezinsvoogdij-instellingen, gewenst 
om dit toezicht - althans voorlopig op 
landelijk niveau te houden en 
hiermee voorlopig een streep te 
zetten onder discussies over 
decentralisatie waar dan ook naar 
toe, provincies of gerechtshoven. Het 
lijkt mij van belang dat er een 
eenduidig toezicht is en dat dit op 
landelijk niveau blijft. 

Ik kom vervolgens bij de inspectie. 
Hoe staat het feitelijk met de 
aanbevelingen uit het rapport 
"Rechtzetten" om te komen tot een 

interdepartementale inspectie op de 
jeugdhulpverlening, waarbij 
integratie van de inspecties van WVC 
en Justitie zou plaatsvinden? 

Voorzitter! Ik wil nog een 
opmerking maken over de externe 
onderzoeksbureaus. Ik verwijs naar 
de brief van 11 maart jl. Hoe staat 
het met de voortgang van het 
onderzoek van de werkgroep naar de 
normen die moeten worden 
gehanteerd als externe deskundigen 
worden ingeschakeld? Ik verwijs ook 
naar de vragen die eerder zijn 
gesteld met betrekking tot de externe 
onderzoeksbureaus. Ik ben benieuwd 
of er van de kant van de minister al 
enige voortgang te melden is. 

Voorzitter! Ik kom bij de maatregel 
zelf. De commissie-Vliegenthart heeft 
gesproken over de OTS en de 
OTS-plus. Om het kort te zeggen: om 
het meest ingrijpende middel zo lang 
mogelijk uit te stellen. In mijn ogen 
komt de constructie die nu in artikel 
261 gekozen is, op hoofdlijnen 
nagenoeg volledig overeen met de 
OTS-plus, al heeft de staatssecretaris 
dit in de stukken bestreden. Het gaat 
uiteindelijk om de directe rechterlijke 
tussenkomst bij het treffen van een 
zware maatregel als de uithuis– 
plaatsing. Ik stel tegelijk vast dat de 
constructie van artikel 261 niet in alle 
opzichten bevredigend is. De 
rechterlijke tussenkomst is gelukkig 
verzekerd. Dat is goed, maar het 
risico blijft dat er te snel machtigin– 
gen worden verstrekt, die vervolgens 
drie maanden boven de ''markt 
kunnen blijven hangen". Hierdoor 
kunnen situaties ontstaan waarin er 
op grond van de al verleende 
machtiging, gedreigd gaat worden 
met een feitelijke uithuisplaatsing. In 
mijn visie zou de machtiging na 
verlening ervan zo snel mogelijk 
gebruikt moeten worden. Het is ook 
in het belang van de betrokkene dat 
er niet gedurende drie maanden 
onduidelijkheid blijft bestaan of de 
machtiging inderdaad geëffectueerd 
zal worden. Ik heb daarom bij 
amendement voorgesteld om in 
ieder geval de termijn in te korten 
van drie maanden naar een maand. 
Dat zou al flink helpen. 

Ik wil graag nog een enkele 
opmerking maken over de 
zelfstandigheids-OTS, artikel 257, 
derde lid. De regeling is na de nota 
van wijziging beter geworden dan zij 
was. Ik heb echter toch nog enkele 
aarzelingen. Om te beginnen is de 
afdwingbaarheidsgraad laag. De 
vraag rijst of er op deze wijze geen 

sprake is van het half overnemen 
van een verantwoordelijkheid. Graag 
hoor ik de mening van de minister 
op dit punt. 

Een volgende opmerking betreft 
de relatie met het vierde lid, waar 
het gaat om het "herstel van de 
gezinsband". Ik heb het gevoel dat 
de relatie tussen de zelfstandigheids– 
OTS en het vierde lid buitengewoon 
vaag is. Het gevaar is niet irreëel dat 
er sprake zal blijken te zijn van een 
wassen neus als het gaat om de 
betrekking die ik net noemde. Graag 
zou ik van de minister horen hoe dit 
in zijn visie werkelijk inhoud zal 
kunnen krijgen. 

Een laatste opmerking betreft het 
gevaar dat een gewone OTS zonder 
meer wordt vervangen door een 
zelfstandigheids-OTS. Dit zou in onze 
ogen niet mogelijk moeten zijn 
zonder hiervan de ouders medede– 
ling te doen en langs deze weg een 
voor beroep vatbare beslissing te 
creëren, analoog aan de artikelen 259 
en 260. Kortom, ik heb bij de OTS 
het onbehaaglijke gevoel dat wij op 
het punt staan rechtskracht te geven 
aan een min of meer lege huls. Kan 
de minister toezeggen dat hij bij deze 
enigszins experimentele maatregel 
de vinger aan de pols houdt? Kan hij 
op termijn de Kamer een evaluatie 
aanbieden over de praktijk van de 
zelfstandigheids-OTS? 

Over de uithuisplaatsing wil ik 
twee opmerkingen maken. Het gaat 
mij in de eerste plaats om het 
criterium van de uithuisplaatsing. 
Kan de minister toelichten hoe het zit 
met het criterium van de uithuis– 
plaatsing ten opzichte van het 
criterium voor de ondertoezichtstel– 
ling? Wat is nog meer nodig voor het 
zwaardere middel van de uithuis– 
plaatsing als ook een OTS denkbaar 
is? Kan de minister mij daarin de 
weg wijzen? 

Mijn tweede opmerking over de 
uithuisplaatsing betreft de 
verantwoordelijkheidsverdeling met 
betrekking tot de persoon van de 
minderjarige. Ik heb het gevoel dat 
daarover nog onduidelijkheid 
bestaat. Hoe is de gezagspositie van 
de gezinsvoogd op het moment dat 
de uithuisplaatsing een feit is? Hoe 
werkt dat in de praktijk van de 
uithuisplaatsing? Kan de minister 
daarover ook nog eens zijn licht laten 
schijnen? 

Voorzitter! Tot slot wil ik twee 
korte opmerkingen maken over tijd 
en geld. Ik sluit mij aan bij de vragen 
die gesteld zijn over de financiële 

16juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK78 78-5381 


Rouvoet 

mogelijkheden om het welslagen van 
de herziening van de OTS-maatregel 
mogelijk te maken. Ik wacht het 
antwoord graag af. Is de minister 
van mening dat de termijn tot 1 
januari voldoende is voor het veld in 
verband met een up-grade van de 
deskundigheid en de aanpassing van 
de organisatie van de gezinsvoogdij– 
instellingen? 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Voorzitter! De heer Rouvoet heeft 
een amendement ingediend. Ik heb 
dat gezocht, maar niet gevonden. 

De heer Rouvoet (RPF): Het is mij 
opgevallen dat het niet op de tafel 
lag. Het amendement is gisteren 
ingediend en inmiddels rondgedeeid. 
Ik heb het zelf wel aangereikt 
gekregen. Ook anderen heb ik ermee 
gezien. Waarom u het niet hebt, weet 
ik niet. 

De voorzitter: Ik ga ervan uit dat het 
amendement is rondgedeeld. 

De algemene beraadslaging wordt 

geschorst. 

D 

De voorzitter: Na de lunchpauze 

behandelen wij eerst wetsvoorstel 

23169. Daarna gaan wij verder met 

wetsvoorstel 23003. Ik weet niet of 

het zal lukken, dit vandaag geheel af 

te handelen, want de Kamer 

vergadert tot uiterlijk 18.30 uur. Zo 

nodig zal de behandeüng volgende 

week worden voortgezet. 

De vergadering wordt van 13.00 uur 

tot 14.00 uur geschorst. 

De voorzitter: De ingekomen 
stukken staan op een lijst, die op de 
tafel van de griffier ter inzage ligt. Op 
die lijst heb ik voorstellen gedaan 
over de wijze van behandelmg. Als 
aan het einde van de vergadering 
daartegen geen bezwaren zijn 
ingekomen, neem ik aan, dat de 
kamer zich met de voorstellen heeft 
verenigd. 

Regeling van werkzaamheden 

De voorzitter: Ik stel voor, overeen– 
komstig het verzoek van de vaste 
commissie voor Justitie en de 
algemene commissie voor Europese 
Zaken de wens uit te spreken dat de 
ontwerp-besluiten Uitvoerend Comité 

Schengen, aangeboden bij brief 
19326, nr. 88, de uitdrukkelijke 
instemming van de Staten Generaal 
behoeven. 

Daartoe wordt besloten. 

De voorzitter: Ik stel voor, toe te 
voegen aan de agenda voor de 
volgende week respectievelijk de 
week daarop: 

- het wetsvoorstel Goedkeuring van 
het op 20 november 1989 te New 
York tot stand gekomen Verdrag 
inzake de rechten van het kind 
(22855, R1451); 
- het wetsvoorstel Wijziging van 
onder meer de Wet op de studie– 
financiering tot onder meer invoering 
van ouderinkomenonafhankelijk 
lenen, enkele andere vereenvoudigin– 
gen alsmede tot verlaging van de 
basisbeurs (student op eigen benen) 
(23634) (indien de voorbereiding zal 
zijn voltooid); 
- het wetsvoorstel Goedkeuring van 
de op, respectievelijk, 1 februari en 8 
maart 1993 te Brussel tot stand 
gekomen Europa-overeenkomsten 
waarbij een associatie tot stand 
wordt gebracht tussen de Europese 
Gemeenschappen en hun Lid-Staten, 
enerzijds, en, respectievelijk, 
Roemenië en de Republiek Bulgarije, 
anderzijds, met Bijlagen en Protocol– 
len (23559); 
-het wetsvoorstel Wijziging van de 
Wet op het hoger onderwijs en 
wetenschappelijk onderzoek in 
verband met decentralisatie van 
regelgeving op arbeidsvoorwaarde– 
lijk terrein (23218); 
- het wetsvoorstel Wijziging van de 
Wet op de studiefinanciering in 
verband met aanpassing van de 
OV-studentenkaart (23614); 
- het wetsvoorstel Wijziging van de 
Destructiewet (herziening van de rol 
van de gemeenten bij destructie, 
afschaffing van de financiering door 
het Rijk van voorcentralisatie van 
dode dieren en invoering van nieuwe 
regels betreffende financiering) 
(22951); 
- het wetsvoorstel Wijziging van de 
Destructiewet en de Vleeskeurings– 
wet (in verband met EG-richtlijn 
inzake destructie) (22952); 
- het wetsvoorstel Goedkeuring van 
de op 16 november 1989 te 
Straatsburg tot stand gekomen 
Overeenkomst ter bestrijding van 
doping (22671, R1442). 
Ik stel voor, te behandelen in de 
vergaderingen van 28, 29 en 30 juni: 

- het wetsvoorstel Wijziging van 
enige bepalingen van de 
Grondwaterwet in verband met de 
opheffing van de Technische 
Commissie Grondwaterbeheer 
(23550); 
- het wetsvoorstel Wijziging van de 
Algemene wet bestuursrecht in 
verband met opneming van regels 
betreffende het gebruik van de taal 
in het bestuurlijk verkeer (23543); 
- de Voorjaarsnota 1994 (23733), met 
maximumspreektijden van 15 
minuten voor de fracties van PvdA, 
CDA en WD, van 12 minuten voor 
de fractie van D66, van 7 minuten 
voor de fracties van GroenLinks en 
AOV en van 5 minuten voor de 
overige fracties. 
Ik stel voor, ook in die week alle 
suppletore begrotingen naar 
aanleiding van de Voorjaarsnota te 
behandelen, te weten: 

- Wijziging van hoofdstuk IV (Kabinet 
voor Nederlands-Antilliaanse en 
Arubaanse Zaken) van de begroting 
van de uitgaven en de ontvangsten 
voor het jaar 1994 (wijziging 
samenhangende met de Voorjaars– 
nota) (23734); 
- Wijziging van hoofdstuk V 
(Ministerie van Buitenlandse Zaken) 
van de begroting van de uitgaven en 
de ontvangsten voor het jaar 1994 
(wijziging samenhangende met de 
Voorjaarsnota) (23735); 
- Wijziging van hoofdstuk IXA 
(Nationale Schuld) van de begroting 
van de uitgaven en de ontvangsten 
voor het jaar 1994 (wijziging 
samenhangende met de Voorjaars– 
nota) (23736); 
- Wijziging van hoofdstuk IXB 
(Ministerie van Financiën) van de 
begroting van de uitgaven en de 
ontvangsten voor het jaar 1994 
(wijziging samenhangende met de 
Voorjaarsnota) (23737); 
- Wijziging van hoofdstuk X 
(Ministerie van Defensie) van de 
begroting van de uitgaven en de 
ontvangsten voor het jaar 1994 
(wijziging samenhangende met de 
Voorjaarsnota) (23738); 
- Wijziging van hoofdstuk XI 
(Ministerie van Volkshuisvesting, 
Ruimtelijke Ordening en Milieube– 
heer) van de begroting van de 
uitgaven en de ontvangsten voor het 
jaar 1994 (wijziging samenhangende 
met de Voorjaarsnota) (23739); 
- Wijziging van de begroting van de 
uitgaven en de ontvangsten van het 
Gemeentefonds voor het jaar 1994 
(wijziging samenhangende met de 
16 juni 1994 
Tweede Kamer Regeling van werkzaamheden TK78 


voorzitter 

Voorjaarsnota) (23740); 

- Wijziging van de begroting van de 
uitgaven en de ontvangsten van het 
Fonds Economische Structuur– 
versterking voor het jaar 1994 
(wijziging samenhangende met de 
Voorjaarsnota) (23741); 
- Wijziging van hoofdstuk XII 
(Ministerie van Verkeer en Water– 
staat) van de begroting van de 
uitgaven en de ontvangsten voor het 
jaar 1994 (wijziging samenhangende 
met de Voorjaarsnota) (23742); 
- Wijziging van hoofdstuk XIII 
(Ministerie van Economische Zaken) 
van de begroting van de uitgaven en 
de ontvangsten voor het jaar 1994 
(wijziging samenhangende met de 
Voorjaarsnota) (23743); 
- Wijziging van de begroting van de 
uitgaven en de ontvangsten van het 
Infrastructuurfonds voor het jaar 
1994 (wijziging samenhangende met 
de Voorjaarsnota) (23744); 
- Wijziging van de begroting van de 
uitgaven en de ontvangsten van het 
Provinciefonds voor het jaar 1994 
(wijziging samenhangende met de 
Voorjaarsnota) (23745); 
- Wijziging van de begroting van de 
uitgaven en de ontvangsten van het 
Fonds Investeringsrekening voor het 
jaar 1994 (wijziging samenhangende 
met de Voorjaarsnota) (23746); 
- Wijziging van hoofdstuk III 
(Ministerie van Algemene Zaken) van 
de begroting van de uitgaven en de 
ontvangsten voor het jaar 1994 
(wijziging samenhangende met de 
Voorjaarsnota) (23747); 
- Wijziging van hoofdstuk XIV 
(Ministerie van Landbouw, Natuur– 
beheer en Visserij) van de begroting 
van de uitgaven en de ontvangsten 
voor het jaar 1994 (wijziging 
samenhangende met de Voorjaars– 
nota) (23748); 
- Wijziging van hoofdstuk XV 
(Ministerie van Sociale Zaken en 
Werkgelegenheid) van de begroting 
van de uitgaven en de ontvangsten 
voor het jaar 1994 (wijziging 
samenhangende met de Voorjaars– 
nota) (23749); 
- Wijziging van de begroting van de 
uitgaven en de ontvangsten van het 
Landbouw-Egalisatiefonds, Afdeling 
A, voor het jaar 1994 (wijziging 
samenhangende met de Voorjaars– 
nota) (23750); 
- Wijziging van hoofdstuk II (Hoge 
Colleges van Staat en Kabinet der 
Koningin) van de begroting van de 
uitgaven en de ontvangsten voor het 
jaar 1994 (wijziging samenhangende 
met de Voorjaarsnota) (23753); 
- Wijziging van hoofdstuk VI 
(Ministerie van Justitie) van de 
begroting van de uitgaven en de 
ontvangsten voor het jaar 1994 
(wijziging samenhangende met de 
Voorjaarsnota) (23754); 
- Wijziging van hoofdstuk VII 
(Ministerie van Binnenlandse Zaken) 
van de begroting van de uitgaven en 
de ontvangsten voor het jaar 1994 
(wijziging samenhangende met de 
Voorjaarsnota) (23755); 
- Wijziging van hoofdstuk XVI 
(Ministerie van Welzijn, Volksgezond– 
heid en Cultuur) van de begroting 
van de uitgaven en de ontvangsten 
voor het jaar 1994 (wijziging 
samenhangende met de Voorjaars– 
nota) (23756); 
- Wijziging van hoofdstuk VIII 
(Ministerie van Onderwijs en 
Wetenschappen) van de begroting 
van de uitgaven en de ontvangsten 
voor het jaar 1994 (wijziging 
samenhangende met de Voorjaars– 
nota) (23767). 
Overeenkomstig de voorstellen van 
de voorzitter wordt besloten. 

De voorzitter: Op verzoek van de 
commissie bepaal ik nader dat het 
nota-overleg van de vaste commissie 
voor Welzijn, Volksgezondheid en 
Cultuur over het preventiebeleid 
gezondheidszorg zal plaatsvinden op 
maandag 27 juni van 15.00 uur tot 

18.30 uur. 
Ik stel voor, het komende vergader– 
jaar de volgende recessen vast te 
stellen: 

- het kerstreces van 22 december 
1994 t/m 23 januari 1995; 
- het paasreces van 7 t/m 24 april 
1995; 
-het zomerreces van 30 juni 1995 
t/m 28 augustus 1995. 
Daartoe wordt besloten. 

De voorzitter: Tevens zal de Kamer 
niet vergaderen op dinsdag 28 
februari (carnaval) en woensdag 8 
maart (statenverkiezingen). Er zullen 
geen avondvergaderingen plaatsvin– 
den op woensdag 1 maart, donder– 
dag 2 maart en dinsdag 7 maart. 

Ik stel voor, de door de commissies 
te houden wetgevings– en gesteno– 
grafeerde nota-overleggen te doen 
plaatsvinden op de maandagen 
tussen 11.15 uur en 18.30 uur en op 
de woensdagochtend tussen 10.15 

uur en 12.45 uur, indien de Kamer 
dan niet plenair vergadert. 

Daartoe wordt besloten. 

De voorzitter: Op verzoek van de 
RPF-fractie benoem ik in: 

- de vaste commissie voor Defensie 
het lid Stellingwerf tot plv. lid in 
plaats van het lid Rouvoet; 
- de algemene commissie voor de 
Rijksuitgaven het lid Van Dijke tot 
plv. lid in plaats van het lid Rouvoet. 
Ik stel voor, de stukken 12449, nr. 
108, 12872, nr. 51, 13969, nr. 156, 
14391, 16320, 16641, 16701, 17050, 
nr. 187, 17408, nrs. 61, 62, 74 en 75, 
17741, nr. 8, 17890, nrs. 12, 15 en 22, 
18106, nrs. 34, 35, 36, 37, 38, 39, 40, 
49 en 51, 18225, nr. 44, 18678, 18986, 
nr. 9, 19631, nr. 22, 19744, nrs. 4, 11 
en 13, 19882, nrs. 28, 29, 34, 36 en 
37, 20298, nr. 17, 20317, 20366, nrs. 
15, 22 en 27, 20389, nr. 33, 20497, 
nrs. 16 en 18, 20935, 20963, 20997, 
21043, 21058, nr. 17, 21160, 21250, 
nrs. 24 en 26, 21300-XII, nr. 72, 
21308, 21415, 21449, 21457, nr. 3, 
21461, nr. 53, 21502, nr. 17, 21656, nr. 
14, 21677, nrs. 18 en 19, 21693, 
21800-XIV, nrs. 45 en 47, 21800-XII, 
nrs. 57, 59 en 61, 21808, 21835, nr. 
17, 21843, 21866, 21841, 21869, 
21896, 21898, nr. 11, 21964, 21970, 
21990, 21994, 22004, nr. 6, 22019, 
22072, nrs. 4, 5 en 6, 22100, nrs. 4, 
13, 14, 16 en 18, 22101, nr. 2, 22174, 
22232, nr. 6, 22300-XII, nrs. 43, 44, 
45, 46, 49, 51, 56, 63, 64, 66, 67, 68, 
72, 73 en 75, 22309, 22494, nr. 10, 
22512, nr. 6, 22524, 22561, 22605, nr. 
35, 22625, 22800-XI, nr. 65, 22800-XII, 
nrs. 7, 28, 29, 32, 34, 36, 38, 39, 41, 
42, 43, 49, 51, 52, 54, 55 en 56, 
22800-XIV, nrs. 43 en 44, 22817, 
22861, 22867, 22913, nrs. 13 en 15, 
22963, nr. 4, 22993, 23013, 23030, nr. 
9, 23098, nr. 4, 23150, 23151, 23152, 
23198, 23204, 23239, 23242, 23244, 
23297, nr. 2, 23310, 23400-V, nrs. 67, 
68 en 69, 23400-VIII, nrs. 68 en 70, 
23400-IXB, nr. 14, 23400-X, nrs. 56, 
58 en 60, 23400-XI, nrs. 35 en 61, 
23400-XII, nrs. 36, 37, 38, 41, 45, 46, 
55, 56 en 57, 23400-XIV, nrs. 25, 26, 
27, 28 en 33, 23400-XV, nrs. 39 en 40, 
23400-XVI, nr. 93, 23403, 23433, 
23466, 23467, 23475, 23711 en 23723 
voor kennisgeving aan te nemen. 

Daartoe wordt besloten. 

16juni 1994 
Tweede Kamer Regeling van werkzaamheden TK78 


De heer Cherribi (VVD) 

Aan de orde is de behandeling van: 

- het wetsvoorstel Regels 
inzake een algemeen stelsel van 
erkenning van beroeps– 
opleidingen in de Europese 
Gemeenschappen (Algemene wet 
erkenning 
EG-beroepsopleidingen) (23169). 
De algemene beraadslaging wordt 
geopend. 

D 

De heer Cherribi (VVD): Mijnheer de 
voorzitter! In Nederland weten wij 
vrij nauwkeurig, met welk diploma je 
welk beroep kunt uitoefenen. Hoewel 
een diploma geen recht geeft, is het 
een betrouwbare voorwaarde voor 
een baan. Het onderhavige wetsvoor– 
stel betreft de wederzijdse erkenning 
van diploma's in EG-verband. Het 
gaat over diploma's met betrekking 
tot kort hoger onderwijs en 
diploma's ter afsluiting van 
beroepsopleidingen korter dan drie 
jaar. 

Mijn fractie staat positief 
tegenover dit voorstel. Het is een 
logische voortzetting van een 
vroeger wetsvoorstel aangaande de 
erkenning van diploma's op het 
hoger-onderwijsniveau. Alle lof voor 
de voortvarendheid waarmee de 
minister het wetsvoorstel heeft 
ingediend. Een flexibele wederzijdse 

erkenning van diploma's kan een 
belangrijke bijdrage leveren aan de 
arbeidsmobiliteit in de EG. Dit is van 
belang voor Nederland. Wij zijn een 
klein land en worden nog te vaak 
over het hoofd gezien. Erkenning van 
Nederlandse diploma's in het 
buitenland kan bijdragen aan onze 
internationale uitstraling. Veel 
Nederlandse diploma's worden niet 
erkend in het buitenland. Een 
voorbeeld daarvan is het schemer– 
gebied tussen MBO/KMBO en 
leerlingwezen. Ik zou de minister met 
klem willen verzoeken over de 
erkenning van deze en andere 
diploma's vasthoudend te onderhan– 
delen. Wij hebben hier veel te 
winnen. Kan de minister al iets 
meedelen over de voortgang op dit 
punt? 

Het wetsvoorstel bevat enerzijds 
een aspect van vertrouwen en 
flexibiliteit bij de wederzijdse 
erkenning van diploma's, anderzijds 
wordt de bevoegde autoriteiten 
ruimte gegeven voor het stellen van 
aanvullende eisen bij wezenlijke 
verschillen tussen de opleidingen. 
Het is misschien nodig om de 
kwaliteit van de beroepsopleidingen 
te waarborgen. Het kan er echter toe 
leiden, dat door de uitvoering van de 
richtlijnen nieuwe barrières worden 
opgeworpen. Het is dus van groot 
belang, dat wij de uitvoering van de 
wet bewaken. Zo is de inschaling van 
het niveau van Nederlandse 

opleidingen nog onderwerp van 
onderhandelingen op EG-niveau. De 
praktijk van erkenning van diploma's 
is doorgaans zeer taai en onderhevig 
aan mdividuele beslissingen van 
beoordelaars. Het lijkt belangrijk, de 
regionale loketten die als aanspreek– 
punt dienen voor aanvragers, en de 
expertisecentra, zoals NUFFIC, COLO 
en de Informatiseringsbank, goed 
voor hun taken toe te rusten. 

Een kandidaat moet volgens dit 
voorstel tegen inschaling in beroep 
kunnen gaan. Kan de minister 
aangeven hoe dit dient te gebeuren 
en ziet hij hiertoe mogelijkheden? 

Voorzitter! Zoals ik al heb gezegd, 
vinden wij dit wetsvoorstel een 
belangrijke stap in de goede richting. 
Het heft een aantal barrières op voor 
gekwalificeerde Nederlanders die in 
andere EG-landen hun vak wensen 
uit te oefenen en voor vakmensen uit 
andere EG-landen, die in Nederland 
leemten in de arbeidsmarkt willen 
opvullen. Juist omdat wij positief 
tegenover dit wetsvoorstel staan, 
heb ik nog een aantal vragen te 
stellen. 

De inschaling van het niveau van 
Nederlandse opleidingen is nog 
onderwerp van onderhandeling op 
EG-niveau. Deze onderhandelingen 
zijn zeer ingewikkeld als gevolg van 
de onderlinge verschillen in 
onderwijssystemen. Onlangs ontving 
ik een brief van de ambassade van 
Frankrijk waarin werd gesteld dat het 
Franse onderwijssysteem aanzienlijk 
verschilde van het Nederlandse. Met 
betrekking tot de erkenning van 
diploma's moet in veel gevallen 
contact worden opgenomen met de 
desbetreffende ministeries, dossiers 
worden gevormd, vakkenpakketten 
worden vergeleken enz. Graag 
zouden wij op de hoogte worden 
gesteld van de resultaten van de 
onderhandelingen in het kader van 
de vergelijking van diploma's. 

In het licht van de bewaking van 
de uitvoering van dit wetsvoorstel 
verzoek ik de minister, de Tweede 
Kamer jaarlijks verslag te doen over 
die uitvoering. Ons verzoek is gericht 
op informatie over toekenningen, de 
mate waarin gebruik wordt gemaakt 
van beroepsprocedures, het 
opleggen van aanvullende eisen en 
het afwijzen van aanvragen om 
EG-verklaringen. Wij doelen hierbij 
op de uitvoering in Nederland en in 
de overige EG-landen. Ook vragen 
wij de minister, de Kamer een 
inschatting te geven van de te 
verwachten effecten van het 

16 juni 1994 
Tweede Kamer EG-beroepsopleidingen TK78 


Cherribi 

wetsvoorstel op de arbeidsmobiliteit 
binnen het EG-gebied. Heeft het 
wetsvoorstel hierop een positief 
effect of zijn er nog andere belem– 
meringen, bijvoorbeeld in de vorm 
van verschillende belasting– en 
sociale zekerheidsstelsels? Het is 
overigens de bedoeling van de 
fractie van de WD dat een en ander 
budgettair neutraal verloopt. 

Voorzitter! Graag sluit ik mijn 
verhaal af met een vergelijking. 
Onder welke omstandigheden kan 
een bloem uit Nederland in andere 
EG-landen groeien? Men moet eerst 
naar de grond kijken. Is die kalkrijk? 
Gaat het om een zure of om een 
humusgrond? Men moet nagaan 
welke temperatuur er heerst, om 
welk aantal zon-uren het gaat en wat 
de situering ten opzichte van de zon 
is. Het zijn allemaal voorwaarden 
voor het goed laten gedijen van een 
bloem. Welnu, hetzelfde geldt voor 
Nederlandse diploma's in andere 
lidstaten. Wil men de arbeids– 
mobiliteit van Nederlanders werkelijk 
stimuleren, dan moeten zij ook een 
goede start krijgen op de 
EG-arbeidsmarkt. Dat vereist een 
stevige erkenning van Nederlandse 
diploma's in het buitenland. 

De voorzitter: Collega Cherribi, ik 
wens u van harte geluk met uw 

maidenspeech. 

De vergadering wordt enkele 

ogenblikken geschorst. 

D 

Mevrouw Van der Hoeven (CDA): 
Mijnheer de voorzitter! Nederlandse 
diploma's worden met veel dingen 
vergeleken, maar de vergelijking met 
bloemen trof mij des te meer, omdat 
het beide kwalitatief goede produk– 
ten zijn waar wij trots op mogen zijn. 
Het komt niet zo vaak voor dat een 
dergelijk internationaal getint 
wetsvoorstel ook behandeld wordt 
door iemand met zo'n internationale 
achtergrond als de heer Cherribi. Ik 
denk dat wij nog heel veel van hem 
kunnen leren op dit punt en ik wens 
hem proficiat met zijn maidenspeech. 
Ik wens hem ook namens de 
CDA-fractie heel veel succes toe. 

Dit wetsvoorstel lijkt een nogal 
technisch wetsvoorstel. Het is een 
implementatie van de tweede 
EG-richtlijn op het terrein van de 
erkenning van diploma's, maar zij 
bepaalt wel mede de arbeidsmarkt– 
positie in Nederland en in de overige 

lidstaten van mensen met een - voor 
Nederland - MBO-opleiding of 
opleiding in het leerlingstelsel. Over 
dat niveau van beroepsopleidingen 
van minder dan drie jaar handelt de 
richtlijn. 

Wij kennen nauwelijks geregle– 
menteerde beroepen. Wij kennen wel 
gereglementeerde opleidingen. Ik 
vind het belang van deze richtlijn dat 
dit element van die gereglemen– 
teerde opleidingen ook daadwerkelijk 
erkend wordt en ingebracht is. Dat 
heeft ook twee belangrijke effecten. 

Het eerste belangrijke effect is dat 
aan toekomstige werknemers uit 
andere lidstaten eisen kunnen 
worden gesteld, eisen die voort– 
vloeien en vergelijkbaar zijn met de 
eisen die wij stellen aan Nederlandse 
mensen die een beroep op MBO– of 
leerlingstelselniveau gaan uitoefe– 
nen. Dat betekent dus wel dat de 
vrije beroepsuitoefening kan 
plaatsvinden onder dezelfde 
voorwaarden als Nederlandse 
beroepsbeoefenaars dat kunnen. Dat 
betekent dus ook dat eventueel een 
aanvullende opleiding of stage 
mogelijk is. 

Het tweede belangrijke effect is 
dat Nederlandse beroepsbeoefenaars 
bij het toetreden tot werk in een 
gereglementeerd beroep in een van 
de lidstaten de mogelijkheid hebben 
om een beroep te doen op de 
richtlijn. Niet helemaal duidelijk is de 
positie van Nederlanders die een 
opleiding hebben gevolgd in een van 
de lidstaten. Wat telt dan het 
zwaarst, dat men Nederlander is of 
dat men een wellicht afwijkende 
opleiding of diploma heeft en dus 
kans heeft om die aanvullende 
opleiding of stage te doen? 

Samen met de WD is ook de 
CDA-fractie er een voorstander van 
dat dit soort maatregelen worden 
genomen en dat het vrije verkeer van 
personen de vrije beroepsuitoefening 
in de lidstaten van de Europese Unie 
bevordert. De implementatie van 
deze richtlijn moest plaatsvinden 
voor 18 juni 1994. Dat betekent dat 
Nederland deze keer net op tijd is. 
Dat is wel eens anders geweest als 
het om een onderwijsrichtlijn ging. 

Ik heb nog een paar vragen. 
Evenals bij de vorige richtlijn is ook 
bij deze richtlijn gekozen voor 
onderlinge erkenning van diploma's 
en opleidingen, zonder dat de 
daaraan voorafgaande inhoudelijke 
vergelijking tussen de opleidingen 
plaatsvindt. Dat wordt doorgescho– 
ven. Hoe met die kwalitatieve 

verschillen wordt omgegaan, blijft 
een competentie van de lidstaten. De 
tot nu toe niet beantwoorde vraag, 
ook niet in de schriftelijke voorberei– 
ding, is hoe die implementatie 
geschiedt in de overige lidstaten en 
wat daar de consequenties van zijn 
voor Nederlandse burgers die een 
beroep doen op de regeling. Heeft de 
minister daar inmiddeïs wel zicht op? 

Ook de heer Cherribi heeft 
aangegeven dat de bijlagen C en D ik 
neem aan dat hij daarop doelde van 
groot belang zijn voor de positie 
van de Nederlanders in de overige 
EU-lidstaten. Het vermelden van de 
opleidingen die in bijlage D staan, 
opleidingen die in het desbetreffende 
land onder het begrip "gereglemen– 
teerde opleiding" vailen en dus 
onder de richtlijn, is voor Nederland 
heel belangrijk. Die bijlagen C en D 
moeten geaccordeerd worden door 
de lidstaten. Daarover wordt 
onderhandeld en die onderhandelin– 
gen vinden weer plaats op basis van 
onderlinge vergelijking van inhoud 
en niveau. Hoever zijn die onderhan– 
delingen inmiddels? Het is natuurlijk 
zo dat het accepteren van onze 
voorstellen door de andere lidstaten 
ook moet inhouden dat wij hun 
voorstellen accepteren. Het is 
tenslotte een acceptatie over en 
weer. Misschien kan de minister 
aangeven hoe het daarmee staat. 

Een ander belangrijk punt in de 
richtlijn is de zogeheten passerelle, 
die de mogelijkheid biedt om 
niveauverschillen in de inschaling 
van opleidingen tussen de lidstaten 
te overbruggen. We kennen nogal 
wat van die problemen waardoor de 
kwalificaties van mensen met een 
Nederlandse opleiding in het 
buitenland anders en vaak lager 
beoordeeld worden dan de in dat 
land opgeleiden. Het gevolg daarvan 
is dat de Nederlanders hun eigen 
beroep niet of alleen maar op een 
lager niveau mogen uitoefenen. We 
hebben dat probleem bij de 
A-verpleegkundigen, de fysiothera– 
peuten, de verloskundigen, enzo– 
voorts. Kan dit soort problemen met 
behulp van die passerelle nu echt 
worden opgelost? Dit probleem 
speelt natuurlijk vooral in relatie met 
de directe buurlanden. Samen met 
de heer Cherribi van de WD doen 
wij een dringend beroep op de 
minister en zijn betrokken collega's 
om heel alert te zijn op de imple– 
mentatie en uitvoering van de 
richtlijn in de andere lidstaten omdat 
daar immers de positie van de 

16juni 1994 
Tweede Kamer EG-beroepsopleidingen TK78 


Van der Hoeven 

Nederlandse burgers in het geding 
is. 

Het Verdrag van Maastricht heeft 
de bevoegdheid van Europa ten 
aanzien van onderwijs nogal 
verruimd. Wij vinden dat terug in de 
artikelen 126 en 127 waarin ook is 
aangegeven welke procedures 
gevolgd moeten worden. Artikel 127 
gaat vooral over beroepsopleidingen. 
Het interessante in dat artikel en in 
de procedure die gevolgd moet 
worden, is dat het in een aantal 
gevallen een vetorecht geeft aan de 
individuele ministers omdat met 
eenparigheid van stemmen moet 
worden besloten. Dat betekent dat 
nog meer dan vroeger het belang 
zich voordoet van het bespreken van 
de agenda's van de vergaderingen 
van de Onderwijsraad met de Kamer, 
zodat de Kamer niet alleen goed 
geïnformeerd is over hetgeen er 
speelt maar zij ook in voorkomende 
gevallen wellicht de minister kan 
overreden om gebruik te maken van 
dat vetorecht. 

Voorzitter! Al deze zaken leiden tot 
twee andere vragen. De eerste vraag 
heeft te maken met de eindprofielen 
van het MBO en het leerlingstelsel in 
Nederland. Die eindprofielen worden 
mede bepaald door de sociale 
partners. Dat willen we ook zo 
houden. Dit vereist een zekere 
flexibiliteit in het systeem. De 
richtlijn moet dat niet gaan belem– 
meren. Ter vergelijking wijs ik naar 
Duitsland, waar het enorm moeilijk is 
om iets te veranderen in de wettelijk 
vastgelegde eindtermen. Die weg 
willen wij beslist niet op. De tweede 
vraag luidt als volgt. In hoeverre leidt 
de voorgenomen curriculum– 
vergelijking tot wederzijdse 
aanpassingen van de opleidingen? Ik 
kan mij er iets bij voorstellen als die 
aanpassingen vanuit de marktsector 
worden voorgesteld en ik kan mij 
ook iets voorstellen bij een samen– 
werking tussen opleidingsinstituten 
om die aanpassingen vorm te geven. 
Zeker als het gaat om de Euregio's 
waarbij ieder zijn eigen identiteit 
behoudt en de Euregionale compo– 
nent een meerwaarde vormt. Maar ik 
kan mij niet voorstellen dat het de 
bedoeling is, die voorgenomen 
curriculumvergelijking vanuit de 
overheden te leiden in de richting 
van aanpassing van de opleidingen. 
We zitten dan haaks op datgene van 
wat we in het kader van de artikelen 
126 en 127 met elkaar hebben 
afgesproken. 

Voorzitter! Ik wil nog even kort 
ingaan op de Euregio's, want vooral 
binnen die Euregio's merk je dat 
mensen van heel dichtbij geconfron– 
teerd worden met het falen en het 
slagen van de Europese Unie. 
Natuurlijk is het van belang dat er 
richtlijnen en verordeningen zijn 
waarover wij nu spreken. Die vormen 
een wettelijk kader. Maar als die 
richtlijnen en verordeningen in de 
praktijk van alledag, dus ook binnen 
de Euregio, niet functioneren, 
moeten wij ook de praktische 
problemen met elkaar kunnen 
oplossen. Ik denk bijvoorbeeld aan 
oplossingen als grens– 
overschrijdende stages, studie– en 
beroepskeuzevoorlichting, gezamen– 
lijke opleidingselementen op basis 
van de arbeidsmarkt in de Euregio. Ik 
weet ook dat er initiatieven op dit 
punt zijn en ik zou graag van de 
minister horen hoe het daarmee 
staat en ook hoe het staat met de 
financiële of andere betrokkenheid 
daarbij van het ministerie van 
Onderwijs. 

Voorzitter! Tot slot. Wat verwacht 
het CDA van de minister naast de al 
eerder aangegeven alerte houding 
op een aantal punten: in de eerste 
plaats een evaluatie in 1995 van het 
functioneren van de richtlijn in al die 
genoemde aspecten, ook van de 
knelpunten en de mogelijke 
oplossingen. Het gaat er dan niet 
alleen om hoe het hier functioneert 
voor mensen uit overige lidstaten, 
maar ook hoe het in andere lidstaten 
functioneert voor Nederlandse 
burgers. De tweede verwachting die 
wij hebben, is dat wij jaarlijks op de 
hoogte zullen worden gehouden van 
de stand van zaken van de bijlagen C 
en D. In feite gaat het daarbij om de 
acceptatie van de Nederlandse 
opleidingen door de overige 
lidstaten. 

Uiteraard moet regelmatig overleg 
plaatsvinden over internationale 
aspecten van het onderwijs. Dit is al 
eerder toegezegd en een dergelijk 
overleg heeft ook al eens plaatsge– 
vonden. De ontwikkelingen in het 
kader van Europa noodzaken ons 
ertoe om blijvend alert te zijn. 

D 

Minister Ritzen: Mijnheer de 
voorzitter! Ik dank de geachte 
afgevaardigden voor hun inbreng. Ik 
complimenteer de heer Cherribi van 

harte met de inhoud en voordracht 
van zijn maidenspeech. Er sprak een 

grote betrokkenheid uit bij onderwer– 
pen van internationale aard. Ik sluit 
mij graag aan bij mevrouw Van der 
Hoeven als ik zeg dat ik grote 
verwachtingen heb van de inbreng 
van de heer Cherribi in de toekomst. 
Dat is zeker het geval bij degenen die 
in het verleden reeds kennis met 
hem hebben mogen maken. 

Mijnheer de voorzitter! Wij 
spreken op een wat merkwaardig 
moment over dit voorstel. Afgaand 
op de belangstelling voor het 
Europees Parlement bij de verkiezin– 
gen lijkt het alsof Nederland Europa 
een beetje moe is. Toch spreken wij 
over verdere ontwikkeiing van de 
Europese Gemeenschap. Deze twee 
gegevens liggen in elkaars ver– 
lengde. De les van de geringe 
opkomst bij de verkiezingen moet 
naar mijn mening zijn, dat op de 
politiek meer dan ooit de verplichting 
rust om de verdiensten van de 
Europese Gemeenschap zichtbaar te 
maken. 

Hoe kunnen die zichtbaar worden 
gemaakt? Veel mogelijkheden zijn al 
gebruikt. De invloed van de Europese 
Gemeenschap op de ontwikkeling 
van onze welvaart mag niet worden 
onderschat. Dat wordt ook voortdu– 
rend beklemtoond. De economische 
groei in Nederland en in andere 
Europese landen zou aanzienlijk veel 
lager zijn geweest zonder de 
Europese Gemeenschap. In analyses 
is dat voortdurend naar voren 
gebracht, maar dat spreekt de 
burgers wat minder aan dan de 
concrete mogelijkheden die Europa 
biedt, ook voor de mobiliteit. Ik ben 
het hierover eens met mevrouw Van 
der Hoeven en ik wil het nog wat 
scherper formuleren. Door de 
verdere versterking van de staten in 
de afgelopen twintig, dertig jaar is de 
openheid van die staten eerder af– 
dan toegenomen. Dat is heel sterk 
voelbaar geweest in regio's. 
Toevallig kwam ik vanochtend in de 
kast een boek tegen over het 
grensverkeer tussen Noordrijn– 
Westfalen, Drenthe en Groningen. 
Daaruit blijkt dat de mobiliteit in de 
afgelopen veertig, vijftig jaar niet is 
toegenomen maar is afgenomen. Dat 
heeft er natuurlijk mee te maken dat 
de afzonderlijke staten zich sterk 
hebben ontwikkeld. De staat heeft 
een groter bereik gekregen. 

Dit kan ik uit eigen ervaring 
bevestigen. Toen ik in het voortgezet 
onderwijs eindexamen deed, waren 
de mogelijkheden om in het 
buitenland te studeren aanzienlijk 

16 juni 1994 
Tweede Kamer EG-beroepsopleidingen TK78 78-5386 


Ritzen 

veel groter dan tot voor kort. Mede 
op grond van deze ervaring zijn de 
mogelijkheden daartoe inmiddels 
verruimd In die tijd was het in het 
zuiden van Limburg een reële optie 
om in Aken te gaan studeren. Die 
optie is geleidelijkaan verminderd. 
Nederland ontwikkelde zijn eigen 
stelsel van studiefinanciering verder. 
Duitsland deed dat op een eigen 
wijze ook. In beide landen was 
studiefinanciering alleen beschikbaar 
binnen de eigen grenzen. 

De mobiliteit heeft veel negatieve 
ontwikkelingen te zien gegeven. Het 
is van het allergrootste belang dat de 
politiek de verantwoordelijkheid 
neemt om de mogelijkheden van 
mobiliteit te vergroten. Dat is niet 
alleen belangrijk vanwege de 
welvaart maar ook vanwege het 
welzijn. Ik noem het wegnemen van 
vooroordelen, het bevorderen van 
een Europa van de burgers. In mijn 
ogen heeft vooral Jacques Delors 
daarin steeds een grote rol gespeeld. 
Dan komen we op het punt - ik denk 
dat ik dat met vrij veel gemak kan 
zeggen zonder dat er direct een 
duidelijke statistische onderbouwing 
voor is - dat in de afgelopen jaren 
het aantal beschermde beroepen 
sterk is toegenomen, wederom door 
de verdere ontwikkeling en de 
grotere complexiteit van de 
welvaartsstaten. Dat geldt althans 
voor een aantal Europese landen. 
Wat is een gereglementeerd beroep? 
Dat is een beroep, waartoe je alleen 
maar toegang hebt als je een 
bepaald diploma hebt. Vanzelfspre– 
kend is een verbinding gelegd met 
een diploma, behaald in de 
desbetreffende land. 

Dat heeft de Nederlandse regering 
ertoe gebracht op twee punten heel 
scherp te letten. De ontwikkeling van 
de Europese richtlijnen met 
betrekking tot het algemeen stelsel 
van erkenning van beroeps– 
opleidingen heeft in feite twee 
componenten. De eerste is dat ook 
mensen die in andere landen een 
diploma hebben gehaald, toegang 
hebben tot het gereglementeerde 
beroep in een land waar die 
reglementering tot nu toe voorziet in 
een diploma uit het desbetreffende 
land. Dan heb ik meteen de vraag 
van mevrouw Van der Hoeven te 
pakken: het was tot voor kort 
noodzakelijk dat, als je in Duitsland 
in een gereglementeerd beroep wilde 
werken, je het daarvoor geldende 
Duitse diploma haalde. Dat diploma 
was dus allesbepalend. Dat is nu met 

de bijlage C al gladgestreken voor de 
gereglementeerde beroepen die 
daarin zijn opgenomen. Dan kom ik 
toe aan een ander punt, waarbij 
onevenwichtigheid bestaat tussen de 
verschillende landen in termen van 
hun reglementering. Het is overigens 
in Nederland ook voortdurend een 
punt van debat. De Nederlandse 
regering heeft via collega Andriessen 
regelmatig naar voren gebracht dat 
zij de neiging heeft, reglementering 
tot een minimum terug te dringen, 
en wel tegen de achtergrond dat 
reglementering eigenlijk niet moeten 
worden gezien in zijn uitwaaiering 
naar de onderwijssector toe - dat is 
een interessant punt - maar dat het 
kwaliteitskenmerk op zichzelf 
gegeven zou moeten worden. Je 
kunt bij wijze van spreken een 
schoenmaker hebben die uitstekend 
schoenen kan maken conform zijn 
diploma, en toch geen goede 
schoenmaker is. Hij is wel geregle– 
menteerd, want hij heeft het goede 
diplorna, en toch is het werk niet 
goed. Je moet dus die erkenning als 
zodanig apart geven. We hebben een 
debat gehad over de schoonheids– 
specialistes en dergelijke, en daarin 
is de beslissing genomen om een 
andere richting uit te gaan. We 

hebben in Nederland dus in dat 
opzicht relatief weinig reglementerin– 
gen, ofschoon wel juist in sectoren 
zoals in het onderwijs, waar iemand 
alleen maar onderwijs kan geven als 

hij het diploma heeft, althans in het 

basisonderwijs. We kennen dat ook 

in de gezondheidszorg. Daarbij is het 
diploma een quasi kwaliteitskenmerk. 

Maar nogmaals, vergelijkenderwijs 
zijn er relatief weinig gereglemen– 
teerde beroepen. 

De creativiteit van het Nederlandse 
voorzitterschap leidde er natuurlijk 
toe - ik kan dat rustig en in alle 
bescheidenheid zeggen, want deze 
keer kwam het niet, zoals vaak wel 
het geval is, uit de onderwijskoker dat 
er gesproken werd over 
gereglementeerde opleidingen, 
namelijk die opleidingen die toegang 
geven tot gereglementeerde 
beroepen elders. De schoenmaker is 
elders gereglementeerd, dan moet 
het ook zo zijn dat opleidingen op 
BBO– en MBO-niveau kunnen worden 
beschouwd, toegang te geven tot 
gereglementeerde beroepen elders. 

Ik kom dan op een heikel punt, 
namelijk dat van bijlage D. Bijlage C 
was er eerder dan bijlage D. Het was 
een lastige afweging, die met zoveel 
woorden in het kabinet aan de orde 

is geweest. Zouden we eigenlijk niet 
moeten zeggen: wachten met het 
totaal totdat ook bijlage D klaar is, 
want dan heb je een totaalbeeld? We 
hebben gekozen voor - ik gebruik dat 
beeld nu voor de derde dag in 
successie - de kleine stappen. Nu al 
geeft bijlage C een kleine stap in de 
goede richtmg, maar bijlage D is heel 
belangrijk. Er was wat meer druk 
geweest om bijlage D tot stand te 
brengen als we de richtlijn daarop 
hadden laten wachten, maar die 
keuze hebben we niet gemaakt. 

Vervolgens komt dan het punt van 
de diplomavergelijking tussen landen 
aan de orde, wat uiterst traag gaat. 
Wij hebben daar zelf terecht een 
groot probleem mee, omdat we op 
een aantal punten gevraagd worden 
om water bij de wijn te doen, waar 
we vinden dat die onversneden wijn 
toch eigenlijk veel beter smaakt. Ik 
zeg dat met enige trots, omdat het 
Nederlandse onderwijs in dat opzicht 
op heel veel punten heel goed 
functioneert en heel goed de toets 
der kritiek kan doorstaan. Neder– 
landse diploma's mogen we niet al 
te gemakkelijk vergelijkbaar maken 
met buitenlandse diploma's waar 
niet dezelfde kwaliteitseisen aan 
worden gesteld. Ik kan hier nog niet 
met een grote mate van zekerheid 
over spreken, maar ik verwacht dat 
er over een halfjaar op z'n minst een 
goede basis ligt voor bijlage D. Ik 
vraag mij overigens af of een en 
ander ook op die termijn afgerond 
kan worden. 

De heer Cherribi heeft over de 
beroepsmogelijkheden gesproken. In 
onze filosofie ten aanzien van het 
overheidshandelen nemen de 
beroepsmogelijkheden een belang– 
rijke plaats in. Dit geldt ook voor het 
overheidshandelen dat in breder 
Europees perspectief wordt 
geplaatst. Ik wijs erop dat de 
Europese rechter pas in beeld komt 
nadat de nationale rechter heeft 
geoordeeld. Wij zullen voorlichting 
moeten geven over de wijze waarop 
men informatie kan krijgen over de 
gereglementeerde beroepen en de 
toegang daartoe. Daarnaast zullen 
wij duidelijkheid moeten geven over 
de rechtsgang. Als men de indruk 
heeft dat men bijvoorbeeld in 
Duitsland ten onrechte niet tot een 
beroep wordt toegelaten, moet men 
zich eerst tot de Duitse rechter 
wenden. Een buitenlander in 
Nederland moet bij de Nederlandse 
rechter in beroep gaan. Dit is een 
ingewikkelde procedure. In de 

16juni 1994 
Tweede Kamer EG-beroepsopleidingen TK78 78-5387 


Ritzen 

evaluatie zal moeten worden bezien 
in hoeverre de procedures als 
zodanig belemmeringen vormen 
voor de mobiliteit. Als dat het geval 
is, zullen wij ervoor moeten zorgen 
dat er eenvoudige beroepsgangen 
tot stand worden gebracht. 

De heer Cherribi vroeg zich af of 
de huidige richtlijn een bijdrage 
levert aan de arbeidsmobiliteit. 
Voorzitter! Ik denk dat er sprake is 
van een positief effect. Belasting– 
systemen en stelsels van sociale 
zekerheid vormen een belemmering, 
zeker voor degenen met een 
Nederlands arbeidsverleden. Er zijn 
echter nog veel meer belemmerin– 
gen, afgezien van de taal. Ik wijs op 
de pensioenvoorzieningen. In 
Nederland zijn wij met een grote 
betrokkenheid bezig met de 
pensioenharmonisatie. Dit debat kan 
ook op Euregionaal niveau gevoerd 
worden. Arbeidsmobiliteit zal vooral 
voorkomen tussen buurlanden. Voor 
Nederland zijn Vlaanderen en 
Noordrijn-Westfalen van belang. Ons 
beleid is daar de afgelopen jaren ook 
op gericht geweest. 

Mevrouw Van der Hoeven heeft 

naar de financiële betrokkenheid 

gevraagd. Voorzitter! Juist in dat 

kader zijn de extra middelen 

beschikbaar gesteld. 

Mevrouw Van der Hoeven heeft 

vervolgens over de curriculum– 

vergelijking gesproken. Ik denk dat 

het van belang is dat de landen 

elkaars systemen waarderen, maar 

harmonisatie is niet noodzakelijk. Als 

er in Europa ergens behoefte aan is, 

dan is het aan het behoud van de 

variëteit. Men kan van elkaar leren, 

waardoor de kwaliteit van het eigen 

onderwijs verbeterd kan worden. Het 

is zeker niet de bedoeling om elkaars 

stelsels over te nemen. Er wordt niet 

gestreefd naar één stelsel van hoger 

onderwijs, van middelbaar onderwijs 

of van leerlingwezen. Wel dienen de 

mogelijkheden van bi-diplomering 

bevorderd te worden. In het 

Gent-ll-verdrag met Vlaanderen zijn 

al een aantal regelingen op dit punt 

opgenomen. Er vinden inmiddels ook 

experimenten plaats met Noordrijn– 

Westfalen. Een school voor hoger 

beroepsonderwijs tussen Mön– 

chengladbach en Venlo leidt op tot 

een dubbeldiploma, dus zowel tot 

een Nederlands als een Duits 

diploma. 

Mevrouw Van der Hoeven bracht 

de democratisering van de Europese 

Gemeenschap naar voren. Een 

belangrijk punt, waar ik graag met de 

grootste mate van sympathie over 
spreek. Het gaat hierbij om een 
democratisering langs twee lijnen: 
die van het Europees Parlement en 
die van het Nederlandse pariement. 
In beide opzichten is er veel te 
wensen. Op dinsdag 21 juni is er een 
vergadering van de Europese 
onderwijsraad. Gisteren heb ik een 
brief aan de Kamer doen uitgaan, 
waarin ik een beeld heb geschetst 
van wat er in die Raad aan de orde 
komt en wat de voorgenomen 
standpunten zijn van de Nederlandse 
regering. Ik vind het jammer dat ik 
die brief niet eerder kon sturen, 
zodat er een debat over had kunnen 
plaatsvinden. Het grote probleem bij 
de voorbereiding van dergelijke 
vergaderingen is dat de agenda pas 
kort voor de vergadering bekend is. 
Vaak wordt pas in de laatste dagen 
voor de vergadering bekend gemaakt 
wat door de Commissie of door het 
voorzitterschap wordt voorgesteld. 
De afronding van die voorbereiding 
is bovendien afhankelijk van de 
schatting, mede gedaan door 
ambtelijke medewerkers, van de 
haalbaarheid van de verschillende 
voorstellen. Die haalbaarheid is 
vervolgens van belang voor de 
standpunten die de Nederlandse 
regering en andere regeringen 
innemen. Voor de Europese Raad 
van aanstaande woensdag zal de 
ministerraad pas aanstaande vrijdag 
zijn standpunt bepalen. Ik geef de 
voorkeur aan een procedure waarin 
de Nederlandse regering een 
concept-standpunt naar voren brengt 
dat door het parlement beoordeeld 
kan worden. Ik wil echter tegelijker– 
tijd aangeven dat iets dergelijks 
kabinetsbreed moet gebeuren. Het is 

namelijk een systematiek die zich op 
alle fronten voordoet. Ik kan mij 
voorstellen dat er van de kant van 
het Nederlandse parlement grote 
druk wordt uitgeoefend om een 
andere procedure tot stand te 
brengen. Ik zal mij er graag in het 
kabinet sterk voor maken om tot die 
procedure te komen. Dit geldt echter 
niet uitsluitend voor de onderwijs– 
begroting, maar ook voor andere 
begrotingen. 

Daarnaast moet het Europees 
Parlement in de positie verkeren om 
haar standpunten beter kenbaar te 
maken. In de discussie voorafgaande 
aan de parlementsverkiezingen is 
naar voren gebracht dat het 
Europees Parlement aan de ene kant 
soms de mogelijkheden niet heeft 
om dat te doen, maar dat zij, als zij 

de mogelijkheden wel heeft, er aan 
de andere kant niet altijd behoefte 
aan lijkt te hebben om daar 
maximaal gebruik van te maken. 
Juist bij onderwijs is er sprake van 
codecisie. Het parlement kan dan 
samen met de Europese Raad de 
standpunten bepalen. 

Voorzitter! Naar aanleiding van de 
vraag van de heer Cherribi over 
aanvullende eisen, kan ik meedelen 
dat deze over het algemeen goed 
gedefinieerd zijn. Wanneer men 
bijvoorbeeld beroepservaring heeft 
opgedaan over een periode van vier 
jaar in hetzelfde beroep, heeft men 
ook toegang tot het gereglemen– 
teerde beroep. Aanvullende eisen 
moeten in overeenstemming zijn met 
het verschil tussen het in Nederland 
behaalde diploma en het elders 
behaalde diploma. 

Ik kom toe aan het laatste punt in 
mijn beantwoording: de evaluatie. 
Beide sprekers hadden een voorkeur 
voor het naar voren halen van de 
evaluatie. Er is een evaluatie beoogd 
op 18 juni 1996. Zowel de heer 
Cherribi als mevrouw Van der 
Hoeven zijn voorstander van een 
evaluatie op een eerder tijdstip, in 
het bijzonder op het punt van de 
Nederlander die toegang zoekt tot 
het buitenland. Ik wil mij daar graag 
sterk voor maken en ervoor zorgen 
dat de Nederlandse inbreng wordt 
versneld. Dit zou kunnen zijn in de 
vorm van een eerste evaluatie, een 
voorfase en eventueel zelfs een 
evaluatie met een grote analytische 
inhoud. Er is dan misschien nog niet 
zoveel ervaring opgedaan, maar we 
weten dan in elk geval precies welke 
vragen we moeten stellen. 

Het verzoek: "Ga maar eens even 

na, hoe dit gaat", lijkt in eerste 

instantie vrij eenvoudig, maar als ik 

er even over nadenk, lijkt het me 

toch niet zo gemakkelijk om een 

onderzoeksopzet uit te werken, 

waarmee je deze evaluatie tot stand 

brengt. 

Ik stel me voor dat we proberen 

om op zijn laatst aan het eind van 

het komende jaar de evaluatie 

gereed te hebben. Dit betekent dat ik 

rond april/mei een voorstel aan de 

Kamer zou willen voorleggen, waarin 

de hoofdlijnen voor de evaluatie zijn 

neergelegd, zodat de Kamer op alle 

fronten betrokken is bij de verdere 

uitwerking van de evaluatie. 

De algemene beraadslaging wordt 

gesloten. 

16 juni 1994 
Tweede Kamer EG-beroepsopleidingen TK78 


Ritzen 

Het wetsvoorstel wordt, na goedkeu– 
ring van de onderdelen, zonder 
stemming aangenomen 

De vergadering wordt van 14.45 uur 
tot 15.00 uur geschorst. 

Aan de orde is de voortzetting van 
de behandeling van: 

- het wetsvoorstel Herziening 
van de maatregel van ondertoe– 
zichtstelling van minderjarigen 
(artikelen 254 en volgende van 
Boek 1 van het Burgerlijk 
Wetboek) (23003). 
De algemene beraadslaging wordt 
hervat. 

D 

Minister Kosto Mijnheer de 
voorzitter! Ik ben erg gelukkig met 
het feit dat de belofte aan de heer 
Lankhorst dat wij nog zouden 
proberen om vóór de zomer dit 
wetsvoorstel te behandelen, gestalte 
kan worden gegeven, maar dan wel 
in zijn afwezigheid, en dat is jammer. 
Het zou nog mooier zijn geweest als 
dit in de oude Kamer had gekund. 
Wij missen nu ook de heer Leerling 
die "drievoudig is opgevolgd", zoals 
door de heer Rouvoet werd gezegd. 
Ook de heer Leerling was aitijd 
buitengewoon betrokken. 

De heer Dijkstal zei vanochtend 
dat het een heel bijzondere dag was. 
Hij begon met de Kamer te prijzen. 
Hij was zo genereus dat hij ook wat 
waardering richting regering stuurde 
en daar ben ik zeer erkentelijk voor. 
Onze gemeenschappelijke opdracht 
is natuurlijk, ervoor te zorgen dat het 
volk tevreden is. Ik denk dat dit 
misschien wel bereikt kan worden als 
dit wetsvoorstel is aanvaard. Daar 
hoop ik vurig op, maar ik zeg nu al 
dat ik - en ik hoop niet dat dit 
afbreuk doet aan de goede verstand– 
houding die de heer Dijkstal 
signaleerde - toch wel erg veel 
moeite heb met de amendementen 
die hij heeft ingediend. Ik zal met 
kracht van argumenten straks 
meedelen waarom dat zo is. Ik heb 
de goede hoop dat dan zal blijken 
dat onze intenties niet zo ver uiteen 
liggen, maar dat er werkelijk goede 
argumenten zijn om te zeggen: 
Kamer, alstublieft, zie af van dit 
amendement, en aanvaard het 
wetsvoorstel zoals het er ligt, want 
dat heeft een vergelijkbare intentie. 

Voorzitter! Ik dank de diverse 
geachte afgevaardigden voor hun 
inbreng en voor de woorden van 
waardering. Door verschillende leden 

- en ik zeg het ze na- werd gewezen 
op het belang van het wetsvoorstel. 
In 1992 werd het ingediend en 
inderdaad met voortvarendheid door 
deze Kamer behandeld Mevrouw 
Vliegenthart merkte op dat er kritiek 
zou zijn omdat dingen zo lang 
duurden. Zij evalueerde echter deze 
kabinetsperiode op het punt van de 
kinder– en jeugdbescherming en zei 
dat wat ter zake is bereikt, warempel 
toch wel een prestatie is. Ik sluit mij 
van harte en met enige erkentelijk– 
heid bij haar woorden aan. 
Voorzitter! Het wetsvoorstel 
beoogt rechtspraak en de verant– 
woordelijkheid voor de uitvoering 
van de ondertoezichtstelling te 
scheiden. Deze regeling is in 1922 
ingevoerd en was dus 70 jaar oud 
toen er nieuwe wetsvoorstellen 
werden ingediend. Mevrouw 
Vliegenthart wees er al op dat de 
wortels voor deze wetswijziging heel 
diep gaan: in 1971 was er de 
commissie-Wiarda. De Ruiter heeft 
het toen geprobeerd, maar de tijd 
bleek nog niet rijp en hij heeft zijn 
wetsvoorstellen moeten intrekken. 
Wij zijn echter verder gekomen. In 
1922 is door de wetgever bewust de 
keuze gedaan om de kinderrechter 
een centrale èn dubbele rol te geven. 
Hij - tegenwoordig zou ik, vaker nog, 
bijna zeggen "zij" - kreeg de taak om 
vast te stellen of de wettelijke grond 
voor de maatregel aanwezig is en 
om, als dat zo was, die maatregel uit 
te spreken en een gezinsvoogd te 
benoemen. Hij werd belast met de 
leiding over het toezicht dat door de 
gezinsvoogd werd uitgeoefend en 
diende recht te spreken in geschillen 
die rezen tussen de gezinsvoogd en 
de ouders. 

Verschillende maatschappelijke 
ontwikkelingen hebben ertoe geleid 
dat in de loop van de jaren kritiek is 
ontstaan op deze dubbelrol. Regering 
en parlement delen die kritiek in deze 
actuele situatie. Het onderhavige 
wetsvoorstel brengt, nadat het 
voorbereidend werk is verricht in 
veel rapporten en nota's, die 
scheiding tussen rechtspraak en 
uitvoering. Het is inderdaad een 
historisch moment. De kinderrechter 
verliest de uitvoerende en behoudt 
de zo belangrijke rechtsprekende 
taak. De verantwoordelijkheid voor 
de uitvoering wordt bij de 
gezinsvoogdij-instellingen gelegd. 

Daarnaast regelt het wetsvoorstel 
nog een paar andere onderwerpen. 
Zo wordt de voorlopige ondertoe– 
zichtstelling aan een wettelijk 
cnterium en een termijn gebonden 
en wordt de verwijzing door de 

kinderrechter naar een meervoudige 
kamer van de rechtbank mogelijk 
gemaakt. 

De heer Dijkstal heeft verschil– 
lende onderwerpen uit het wetsvoor– 
stel aan de orde gesteld. Zijn betoog 
mondde op een belangrijk punt uit in 
het amendement op stuk nr. 16, dat 
ook door mevrouw Vliegenthart is 
ondertekend. De kern van het betoog 
van de heer Dijkstal is dat de 
ondertoezichtstelling, als een inbreuk 
op het ouderlijk gezag, niet aan een 
privaatrechtelijke organisatie kan 
worden overgelaten. Ook bij de 
interrupties bleek steeds dat dit voor 
de heer Oijkstal een kernpunt was. 

Tot welke inbreuken wordt die 
instelling nu eigenlijk bevoegd? Tot 
het geven van aanwijzingen en tot 
het uitvoeren van een machtiging tot 
uithuisplaatsing. Die bevoegdheden 
wil de heer Dijkstal wel bij de 
gezinsvoogdij-instelling laten. Maar 
wat wil hij, en met hem mevrouw 
Vliegenthart, nu weghalen? Het doen 
van verzoeken, want er moet 
controle zijn. Maar die controle is er 
al. Een verzoek aan de rechter is 
geen beslissing. Het is de rechter die 
beslist. Ik vind dat dit zeer terecht 
door mevrouw Versnel is opgemerkt. 

De heer Dijkstal ziet een onder– 
scheid tussen het indienen van een 
verzoek en de uitvoering zelf. In de 
uitvoering zelf is de instelling echter 
veel vrijer bij een inbreuk in het 
gezinsleven dan bij het indienen van 
een verzoek. Wanneer de bemoeienis 
met het gezinsleven van de burger 
niet bij een privaatrechtelijke 
organisatie kan worden gelegd, is de 
huidige praktijk van de ondertoe– 
zichtstelling dan niet al in strijd met 
de opvattingen van de heer Dijkstal? 
Ook nu is het de gezinsvoogdij– 
insteiling die bij de kinderrechter 
aanzwengelt - of anders gezegd: 
verzoekt - dat de kinderrechter een 
bepaalde wijziging in de maatregel 
tot stand brengt. Ook hier is het de 
gezinsvoogdij-instelling die het 
initiatief neemt, en een ander die 
beslist. 

De heer Dijkstal (VVD): Voorzitter! 
Dat laatste kunnen wij natuurlijk 
meteen recht trekken. Een van de 
redenen waarom ik zo enthousiast 
heb meegewerkt aan het werk van 

16 juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK78 78-5389 


Dijkstal 

de subcommissie, is dat er vele 
dingen waren die mij niet bevielen. 
Zoals het nu is, is geen argument. 
Zoals het nu is, zijn er veel dingen 
niet goed, daarom moet het ook 
anders. 

Cruciaal is de opmerking over het 
verzoek van de gezinsvoogdij– 
instelling en de controle die de 
rechter heeft, doordat hij dat al of 
niet honoreert. Maar wij praten hier 
vandaag niet over het functioneren 
van de rechterlijke macht. Wij praten 
wat mij betreft vandaag over het 
functioneren van een van de andere 
machten van de trias politica, 
namelijk de uitvoerende macht ofte 
wel de overheid zelf. Als de wetgever 
meent te moeten ingrijpen, dan vind 
ik dat dit moet worden gedaan door 
een over heidsorgaan, dat daarop 
rechtstreeks kan worden aangespro– 
ken. Dat is de crux van de zaak. Het 
verhaal van mevrouw Versnel over 
de onafhankelijke rechter is irrelevant 
in deze discussie. 

Minister Kosto: Voorzitter! Dat ben 

ik niet met de heer Dijkstal eens. Dat 

is helemaal niet irrelevant. Die 

gezinsvoogdij instelling beslist niet. 

Ik zal mijn betoog voortzetten en 

straks gaarne op volgende interrup– 
ties ingaan. Geleidelijkaan lopen wij 

allen warmer, zo is de praktijk bij 

interrupties. 

De heer Dijkstal en mevrouw 
Vliegenthart hebben ook gevraagd 
waarom de Raad voor de kinderbe– 
scherming wel een eerste verzoek tot 
OTS indient, maar niet wordt 
betrokken bij een verzoek tot 
verlenging van de OTS. 

Het antwoord is in mijn ogen niet 
zo moeilijk. De Raad voor de 
kinderbescherming heeft de 
wettelijke taak om actief te onderzoe– 
ken of een kind in bepaalde situaties 
beschermd moet worden door 
middel van een maatregel. De 
situatie is helemaal open, dan 
gebeurt er iets en daar is de Raad 
voor de kinderbescherming. Maar 
dat impliceert geenszins dat een 
verlenging van een al bestaande OTS 
niet zou kunnen worden gevraagd 
door de instelling die zich inmiddels 
met de bescherming van dat kind 
bezighoudt, en die daar dus ook veel 
directer zicht op heeft. Het is juist, 
dat bij de verlenging moet worden 
beoordeeld of de rechtsgrond er nog 
is, maar dat behoeft niet ter 
beoordeling te worden voorgelegd 
aan de Raad voor de kinderbescher– 
ming. Dat moet door de onafhanke– 

lijke rechter worden vastgesteld. Ik 
kom niet om hem of haar heen! 

In het wetsvoorstel is het de 
rechter die beslist. De heer Dijkstal 
kan wel zeggen dat hij daar niets 
mee te maken heeft, omdat hij over 
de uitvoerende macht praat, maar 
daar heeft hij wel mee te maken. Er 
zit een samenhang in, want wij 
hebben het hier over een systeem. 
Dit hele wetsvoorstel gaat erover dat 
wij de rechterlijke taak en de 
uitvoerende taak uit elkaar halen, 
maar er is een samenhang. 

De gezinsvoogdij-instellingen 
dragen volgens de opzet van het 
wetsvoorstel de verantwoordelijkheid 
voor de uitvoering van de ondertoe– 
zichtstelling. Als de heer Dijkstal niet 
ingrijpt met zijn amendement, zijn zij 
volgens dit wetsvoorstel tevens met 
voldoende bevoegdheden toegerust 
om inhoud te geven aan die 
uitvoering. Daarmee zal ook de 
kwaliteit van hun werk een verbete– 
ring kunnen ondergaan. 

Het wetsvoorstel bevat een aantal 
bevoegdheden voor de kinderrechter 
die hij/zij kan uitoefenen indien de 
gezinsvoogdij-instelling daarom 
verzoekt. Meer dan verzoeken kan de 
instelling dus niet. Tevens staat vast 
dat het hierbij niet om ongecontro– 
leerde bevoegdheden gaat. De ratio 
van het amendement van de heer 
Dijkstal en mevrouw Vliegenthart, 
namelijk de wenselijkheid van 
controle op de bevoegdheden van de 
instellingen, is er niet. 

De heer Rabbae (GroenLinks): 
Voorzitter! Waarom mag in de ogen 
van de minister een gezinsvoogdij– 

instelling een verzoek richten tot de 

rechter bijvoorbeeld om verlenging 
en waarom mag een andere 
organisatie uit het maatschappelijk 
werk dat niet? Waar legt de minister 

de scheiding tussen beide? 

Minister Kosto: De wet wijst de 
Raad voor de kinderbescherming aan 
om op te treden als een kind wordt 
bedreigd met de lichamelijke dan wel 
zedelijke ondergang. De formule is 
bekend. Daar begint het. Dan wordt 
een verzoek ingediend. De rechter 
legt de ondertoezichtstelling op. Deze 
opdracht wordt uitgevoerd door een 
gezinsvoogdij-instelling. Deze 
instelling gaat ermee aan de gang. Al 
naar gelang de situatie zal de 
gezinsvoogdij-instelling tot beëindi– 
ging van de ÓTS kunnen conclude– 
ren of tot verlenging. De rechter 
beslist daarin. De wet wijst dat zo 

aan. Een betrekkelijk willekeurige 
instelling kan daar niet in treden. In 
de wet is het zo geregeld. Het gaat 
om een samenhang van de 
bevoegdheid van de overheid die als 
eerste gestalte krijgt in de Raad voor 
de kinderbescherming en in de 
gezinsvoogdij-instelling in het 
vervolgtraject. De rechter controleert 
alles en belegt dit met zijn of haar 
beslissingen. Dat is het systeem. 

De heer Rabbae (GroenLinks): Dat 
begrijp ik. De rechter controleert 
iedereen, dus ook de overheid. Ik 
denk dat door het toekennen van 
bevoegdheden aan de gezinsvoogdij– 
instelling een gat ontstaat in de 
staatsverantwoordelijkheid bij het 
ingrijpen in privésituaties van 
gezinnen. Dat wil ik voorkomen. Dat 
is ook de strekking van het amende– 
ment. Over de gehele linie dient de 
staatsverantwoordelijkheid behouden 
te blijven. Ik herhaal dat het hierbij 
gaat om de rol van de Staat. 

Minister Kosto: Met andere 
woorden: de gezinsvoogdij-instelling 
is zoals de heer Dijkstal zegt een 
particuliere instelling en geen 
overheidsinstelling en dan mag de 
bevoegdheid niet worden overgedra– 
gen. Ik ben dat niet met hem eens. 
De ministeriële verantwoordelijkheid 
voor het functioneren van de 
gezinsvoogdij-instellingen blijft 
onverkort bestaan. De maatregelen 
die men genomen zou willen zien en 
waarmee het overheidsgezag is 
gemoeid, worden bepaald door de 
rechter. 

Ik wil nog wat verder gaan. Ik zing 
mij nu wat los van mijn tekst. Dat 
houdt een zeker risico in, maar het 
debat wordt dan wel aardiger. De rol 
van de Raad voor de kinderbescher– 
ming houdt geenszins op. Als een 
rechter op een goed moment 
uitspraken doet, bijvoorbeeld een 
OTS verlengt, dan is bij de Raad 
voor de kinderbescherming bekend 
dat er een zitting is. De rechter kan 
uit zichzelf de Raad voor de 
kinderbescherming raadplegen 
voordat hij beslist. De Raad voor de 
kinderbescherming kan zichzelf 
melden als belanghebbende als het 
proces dient. Er is een meldings– 
plicht aan de Raad voor de kinderbe– 
scherming dat er op een goed 
moment zittingen zijn. 

Ik wijs op artikel 902a van de 
huidige wet. Dat zal straks artikel 810 
zijn. Daarmee is de Raad voor de 
kinderbescherming absoiuut 

16 juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK78 78-5390 


Kosto 

betrokken, a\s de rechter dat wil en 
ook als de Raad voor de kinderbe– 
scherming dat zelf wil. Dat maakt het 
absoluut niet nodig dat je de Raad 
voor de kinderbescherming de 
bevoegdheden geeft die de wet nu 
aan de gezinsvoogdij-instelüngen 
toedeelt. De verantwoordelijkheid 
van de Raad voor de kinderbescher– 
ming kan ieder mornent functioneren 
als de rechter of de raad dat zelf 
wenselijk of nodig vindt. Daarom 
vind ik dat de wet zo'n gedegen 
garantie biedt, onder andere in de 
wet die nu nog ter behandeling bij 
de Eerste Kamer ligt. Artikel 902a zal 
bij aanvaarding tot artikel 810 
worden omgebouwd met behoud 
van tekst. Ik zie daarom werkelijk niet 
in waarom de Raad voor de 
kinderbescherming die bevoegdhe– 
den zou moeten krijgen. 

Ik heb nog meer argumenten. Die 
argumenten zouden het hart moeten 
raken van iedereen die met het 
rapport "Rechtzetten" bezig is 
geweest. Wordt voor de oudeï nu 
niet op deze wijze dat bolwerk, waar 
men zo tegen te hoop liep, geïnstitu– 
tionaliseerd? Als de gezinsvoogdij– 
instelling niet rechtstreeks naar de 
rechter kan, maar eerst de Raad voor 
de kinderbescherming moet worden 
tussengeschoven, dan wordt dat 
ondoorzichtig en oncontroleerbaar. 
Het is niet nodig en - dan komt er 
een zeer plat argument dat de heer 
Dijkstal in zijn huidige staatsmans– 
functie zal aanspreken- het is ook 
duur. 

De heer Dijkstal (WD): Wij zijn hier 
aanbeland op een cruciaal moment 
in het debat. De posities lijken 
duidelijk te zijn, maar er zijn twee 
dingen die ik absoluut niet begrijp 
van de minister van Justitie, de 
voormalig staatssecretaris. 

Allereerst is de Raad voor de 
kinderbescherming geen belangheb– 
bende. Het begrip "belanghebbende" 
is zeer ongelukkig gekozen. De Raad 
voor de kinderbescherming is een 
overheidsorgaan. Als ouders het niet 
kunnen, is die raad de enige in de 
samenleving die het recht heeft om 
in te grijpen in gezagsverhoudingen. 
Daarmee is die raad geen belangheb– 
bende maar een heel essentiële 
overheidsfunctie. 

Daarnaast zegt de minister een 
beetje kort door de bocht dat wij 
toch ook zo'n probleem hadden met 
dat bolwerk van de Raad voor de 
kinderbescherming. Wij hadden 
problemen met het functioneren. 

Maar als de voormalig staatssecreta– 
ris dat afschildert als een bolwerk, 
dan zeg ik: het 'ts een zeer essentieel 
overheidsorgaan. Wat hij hier nu aan 
het doen is, is dat voortdurend te 
ontkennen en te zeggen: ik doe net 
alsof wij die raden niet hebben; ik 
zoek andere oplossingen waarbij de 
ene de gezinsvoogdij en de andere 
de rechter is. De minister heeft een 
eigen Raad voor de kinderbescher– 
ming en die moeten wij vooral in 
stand houden. 

Minister Kosto: Voorzitter! Ik hoor 
dit met enige verbazing aan, want ik 
heb een paar dingen niet zo gezegd. 
Als ik die wel gezegd heb, dan heb ik 
mij ongelukkig uitgedrukt toen ik het 
over "belanghebbenden" had. In het 
amendement wordt de Raad voor de 
kinderbescherming, die mij zeer lief 
is, eigenlijk een functie toegedacht 
waarvan ik zeg: dat is niet goed in de 
zin van de wet die wij hier met elkaar 
behandelen. Het is ook niet goed 
gezien de intentie die wij met de wet 
hebben. 

Als ik sprak over een bolwerk, dan 
sprak ik niet over de Raad voor de 
kinderbescherming. Ik heb mij, 
misschien ook weer met een 
ongelukkig woord, even verplaatst in 
het standpunt van de ouders en 
gekeken naar de overheid die zich 
daar dan manifesteert via de 
gezinsvoogdij-instelling, de Raad 
voor de kinderbescherming en de 
rechter. Zo ervaart die ouder dat. De 
klacht was toch altijd dat die ouder 
dat dan zag als een bolwerk. Onze 
reactie daarop is geweest: haal de 
bevoegdheden van de rechter uit 
elkaar in die zin dat de rechter nog 
recht spreekt en niet meer ten 
uitvoer legt. 

Het amendement zou ertoe leiden 
dat men zich inderdaad met een kind 
bezighoudt terwijl de OTS al is 
gevorderd door de Raad voor de 
kinderbescherming en is uitgespro– 
ken in dat vervolgtraject door èn de 
gezinsvoogdij-instelling èn de Raad 
voor de kinderbescherming èn nog 
weer een keertje de rechter. Dan 
verplaats ik mij in het standpunt van 
die ouder en zie ik ineens meer 
overheidsbolwerk dan noodzakelijk 
is. 

De heer Dijkstal ging in zijn 
interruptie niet in op het volgende. 
Naar mijn stellige overtuiging houdt 
de Raad voor de kinderbescherming 
zijn buitengewoon belangrijke functie 
ook in het vervolgtraject. De Raad 
voor de kinderbescherming is de 

overheid. In die gestalte treedt de 
overheid op als het misgaat met een 
kind. Er wordt een OTS gevorderd. 
Die wordt uitgesproken. De 
gezinsvoogdij-instelling voert haar 
uit. Die is daar direct mee bezig en 
draagt direct verantwoordelijkheid. 
Nogmaals, die kan dan rechtstreeks 
bij de rechter een aantal maatregelen 
vragen: beëindiging, verlenging, wat 
men wil. Dan is het de rechter die 
beslist en de gezinsvoogdij-instelling 
die vraagt. 

Staat dan de Raad voor de 
kinderbescherming geheel ter zijde? 
Dat is niet het geval. De rechter kan 
zeggen: ik wil nu rapport van de 
Raad voor de kinderbescherming. De 
Raad voor de kinderbescherming die 
weet dat de zaak dient, kan zeggen: 
ik wil mij stellen. Die raad is immers 
geheel op de hoogte. Hij blijft dus 
functioneren. 

Ik verzet mij tegen het volgende 
aspect van het amendement. Er moet 
een informatiestroom gaan naar de 
Raad voor de kinderbescherming en 
bovendien moet die raad dan bij 
uitstek weer ook in het vervolgtraject 
de requirerende taak doen. De heer 
Dijkstal wilde niet horen van het 
bezwaar van dat geld. Dat verbaast 
mij enigszins. Ik moet dat toch even 
kwijt, want dat hoort bij het verhaal. 
De gezinsvoogdij-instelling heeft dan 
haar werk gedaan maar mag dan 
inderdaad niet naar de rechter om 
een vordering in te dienen. Goed, dat 
moet naar de Raad voor de 
kinderbescherming. Daar moet 
iemand zich in die materie gaan 
inwerken en het allemaal grondig 
gaan bekijken. Dat kost simpelweg 
formatieplaatsen, hoe men het ook 
wendt of keert. Het is niet de 
principiële kant van het betoog, maar 
in deze barre tijd telt het mee. Ik heb 
laten uitrekenen, dat de minimum– 
variant 5,5 mln. bedraagt en de 
maximumvariant 20 mln., structureel 
op jaarbasis. Ik hecht ter afwijzing 
van de amendementen meer aan 
principiële argumenten, maar ik 
verzoek de heer Dijkstal dit toch te 
laten meewegen. Er hangt ook een 
budgettair plaatje aan. 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): De 
staatssecretaris zei net..., pardon de 
minister... 

Minister Kosto: In het meerdere is 
het mindere begrepen. 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): De 
minister zei net, dat de Raad voor de 

16juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK78 


Vliegenthart 

kinderbescherming op de hoogte is 
van bijvoorbeeld een verzoek van de 
gezinsvoogdij aan de kinderrechter 
inzake verlenging van de OTS. Hoe is 
de Raad voor de kinderbescherming 
daarvan op de hoogte? Het dossier is 
bij die raad niet bekend. 

Minister Kosto: Ik wijs op artikel 
902a, straks artikel 810. Het 
wetsvoorstel ligt thans bij de Eerste 
Kamer. De Raad voor de kinderbe– 
scherming krijgt melding van een 
zittmg, waarbij een pupii is betrok– 
ken. In het nieuwe wetsvoorstel ligt 
ook vast, dat ook de documenten in 
dat geval naar de Raad voor de 
kinderbescherming gaan. Ze worden 
door de griffie verzonden. Er zou een 
klein gat kunnen ontstaan op het 
moment, dat het wetsvoorstel dat 
thans bij de Eerste Kamer ligt, van 
kracht is. Dat is op te lossen door 
een gesprek met de Nederlandse 
vereniging van rechtspraak en de 
griffies om het tussentijds te doen. 
Als er een zitting dient, is de raad op 
de hoogte van het moment van de 
zitting, om wie het gaat en waarom 
het gaat. De rechter kan de Raad 
voor de kinderbescherming 
activeren. De Raad voor de kinderbe– 
scherming kan zichzelf ook activeren. 
Hij staat geenszins buitenspel. De 
amendementen dragen, met alle 
respect, elementen van overbodig– 
heid in zich. Het reilen en zeilen van 
de gezinsvoogdij-instellingen valt wel 
degelijk onder de politieke verant– 
woordelijkheid, die deze Kamer kan 
activeren. 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): Wat 

is dan de reden, waarom de minister 

in de schriftelijke voorbereiding van 

het wetsvoorstel bezwaar had tegen 

het feit, dat een gezinsvoogdij– 

instelling informatie zou moeten 

sturen over de voortgang van 

ondertoezichtstelling naar de Raad 

voor de kinderbescherming? Nu zegt 

de minister, dat de raad dit al weet. 

Minister Kosto Het is de papierwin– 
kel die rondgaat. Het is overbodig, 
omdat het er al is. Er is al een traject, 
dat loopt via de griffie van de 
rechtbank naar de Raad voor de 
kinderbescherming en niet recht– 
streeks van de gezinsvoogdij– 
instellingen naar de Raad voor de 
kinderbescherming. Stel, dat je dat 
zou doen. Dan zou je een doublure 
van een documentenstroom 
genereren. Dat moet je dus niet 
doen. 

De heer Rabbaa (GroenLinks): De 
minister zegt enerzijds, dat het 
inschakelen van de Raad voor de 
kinderbescherming geld kost en 
anderzijds, dat de Raad voor de 
kinderbescherming helemaal niet 
uitgeschakeld is. Deze kan altijd 
eigen initiatieven ontwikkelen. Maar 
dat kost ook geld. Is dit geen 
tegenstrijdigheid? 

Minister Kosto Nee. Als je in de wet 
vastlegt, dat het altijd de Raad voor 
de kinderbescherming moet zijn, die 
de rechter tegemoet treedt met het 
verzoek om bepaalde beslissingen te 
nemen, dan is de situatie dat de 
gezinsvoogdij-instellingen het 
dossier van een bepaalde pupil 
hebben bewerkt. Als de OTS 
verlengd moet worden, dan moet het 
dossier vervolgens worden overge– 
dragen aan de Raad voor de 
kinderbescherming. Daar gaat ook 
een raadsonderzoeker aan de gang 
om zijn eigen opinie daarover te 
vormen. Zijn conclusie gaat naar de 
rechter. Je hebt een dubbei traject en 
daarom kost het meer. Eerst moet de 
gezinsvoogdij-instelling tot die 
conclusie komen. In het wetsvoorstel 
kan die meteen naar de rechter. Als 
je zegt, dat het de Raad voor de 
kinderbescherming moet zijn, dan 
moet iemand bij die raad zich dat 
allemaal eigen gaan maken. Er is dan 
sprake van een doublure. Als dit 
wetsvoorstel kracht van wet krijgt en 
het familieprocesrecht, aanhangig bij 
de Eerste Kamer, in het Staatsblad 
komt, dan krijg je de situatie dat de 
raad altijd weet wanneer er een 
zitting is. De griffie is gehouden dat 
aan de raad mee te delen. In veel 
gevallen zal het gaan om routine– 
stukken: de ouders hebben geen 
bezwaar. Als het conflictueus is, kan 
de raad zich geïnspireerd voelen om 
zich voor de rechter te stellen. 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): De mmister geeft aan, 
voorzitter, dat er veel kan en er kan 
ook veel op basis van het wetsvoor– 
stel dat deze Kamer is gepasseerd. 
Echter, mijns inziens is er sprake van 
een onjuiste voorstelling van zaken 
wanneer wordt gezegd dat in de 
fase, waarin een procedure 
aanhangig wordt gemaakt in verband 
met een dergelijke zaak, de 
rapportage van de gezinsvoogdij– 
instelling wordt gevoegd bij de 
stukken die naar de Raad voor de 
kinderbescherming worden 
gezonden. Die raad is wel op de 

hoogte van het feit dat een zaak 
aanhangig is maar mijns inziens 
worden de stukken veel te laat 
overgelegd terwijl het dossier niet 
volledig is, aangezien de rapportage 
van de gezinsvoogdij-instelling ten 
grondslag ligt aan het verzoek. Al 
met al blijft bij mij de behoefte 
bestaan aan een instrument om de 
raad tussentijds op de hoogte te 
houden van de voortgang van de 
ondertoezichtstelling. 

Minister Kosto Als uw behoefte niet 
verder gaat, kunnen wij elkaar 
wellicht vinden. Als u dat amende– 
ment van Dijkstal maar niet steunt... 

Voorzitter! Mijn informatie geeft 
aan dat, als straks het familie– 
procesrecht in het Staatsblad staat, 
niet alleen het enkele feit dat er een 
zitting zal zijn bij de raad bekend 
wordt. Bij de raad wordt ten minste 
óók bekend dat het om een 
conflictueuze situatie gaat. Hierdoor 
gealarmeerd zal de raad een en 
ander niet als een routinezaak 
benaderen. 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): Er zijn situaties 

denkbaar... 

Minister Kosto: Er zijn allerlei 
situaties denkbaar die in de praktijk 
van belang zijn, maar wij moeten nu 
proberen om tot een stramien te 
komen. Later ziet men wel hoe een 
wet, die goed bedoeld werd, in de 
praktijk uitwerkt. Daarvan draagt u 
ook zelf veel kennis. Als u doelt op 
situaties waarin de gezinsvoogdij– 
instelling weet dat er geweldige 
tegenstand bestaat bij de ouders de 
heer Rabbae gaf daarvan 
voorbeelden, waaruit blijkt hoe ver 
dit kan gaan - moet ik zeggen dat de 
gezinsvoogdij-instellingen de raad 
ook uit eigen hoofde zou kunnen 
informeren. Mijns inziens dient niet 
standaard te gelden dat de raad in 
verband met èlke beslissing wordt 
geïnformeerd en dat die raad ook 
optreedt zoals dat wordt verlangd 
door mevrouw Vliegenthart en de 
heer Dijkstal. Naar mijn mening is 
het systeem van de wet, zoals het 
naar ik hoop in het Staatsblad zal 
verschijnen, voldoende. Echter, als u 
een extra verzekering verlangt voor 
de gevallen waarin de gezinsvoogdij– 
instelling weet dat het om een zeer 
moeilijke situatie gaat en dat er bij 
de ouders grote weerstanden leven in 
een dergelijke situatie zou een en 
ander moeten worden doorgegeven 

16 juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK78 


Kosto 

- kunnen wij zoeken naar een 
modus. Naar mijn gevoelen is dat 
dan een extra garantie die niet echt 
nodig is, maar als ik u daarmee 
tevreden kan stellen en kan afhouden 
van een bepaald stemgedrag, vind ik 
dat eerbaar. 
Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): U komt ons een eind 
tegemoet, maar het gaat mijn fractie 
erom dat niet alleen in de gevallen 
waarin de gezinsvoogdij-instelling als 
verzoekende instantie optreedt, de 
stukken worden voorgelegd aan de 
raad. De raad dient ook op de hoogte 
te zijn van de stukken en de 
voortgang als de gezinsvoogdij– 
instelling niet tot actie overgaat. Op 
grond van die informatie zou er voor 
de raad wèl een aanleiding kunnen 
zijn om tot actie over te gaan. Ik wil 
dus graag een stap verder gaan. 
Over het voorstel van de heer 
Dijkstal en mevrouw Vliegenthart 
heb ik al gezegd dat ik inzie dat het 
nuttig kan zijn dat de raad in alle 
gevallen de bevoegdheid heeft om 
een verzoek in te dienen, maar dat ik 
dit niet zou willen zien als een 
vervanging van de bevoegdheid van 
de gezinsvoogdij-instellingen. In mijn 
visie ontstaat er dan een "gat in een 
patstelling" en daar ben ik niet voor. 
Het amendement, zoals het er nu 
ligt, zal ik dan ook niet steunen. 

Minister Kosto: Daar ben ik u 
bijzonder erkentelijk voor. Dat meen 
ik oprecht omdat ik niet geloof dat 
het een goed amendement is. Ik 
voeg hieraan nog toe dat wij wat de 
intenties betreft helemaal niet zo ver 
van elkaar afstaan. Dat die 
gezinsvoogdij-instellingen particu– 
liere instanties zijn mag zo wezen, 
maar zij voeren een wettelijke taak 
uit zodat er sprake is van een 
ministeriële verantwoordelijkheid 
voor hun functioneren. Wat de 
individuele zaken betreft is inderdaad 
de rechterlijke tussenkomst van 
belang. Ik onderstreep nog eens dat 
daarin de Raad voor de kinderbe– 
scherming goed tot zijn recht komt. 
Hoewel ik in tweede termijn wil 
nagaan of dit werkelijk in voldoende 
mate gebeurt, denk ik dat dit wèl het 
geval is, mede gelet op de samen– 
hang met het wetsvoorstel dat nu bij 
de Eerste Kamer ligt. Op het moment 
dat de raad het weten moet, heeft hij 
ook werkelijk de gegevens die nodig 
zijn om tot een beslissing te komen. 
Ik wil nog wel nagaan of dat sluitend 
is, want ik wil de Kamer en zeker 

mevrouw Soutendijk op dit punt zeer 
behagen. 

Mevrouw Soutendijk-van Appal– 
doorn (CDA): U moet het onderzoek 
dus wel uitstrekken tot de situatie dat 
het niet de Raad voor de kinderbe– 
scherming is die zich voegt bij een 
verzoek van de gezinsvoogdij– 
instelling, maar ook tot de vraag of 
de rapportage aan de Raad voor de 
kinderbescherming toereikend is op 
het moment dat de raad zelfstandig 
een oordeel zou moeten vellen over 
het wel of niet indienen tot een 
verzoek tot beëindiging. 

Minister Kosto: Op die toegespitste 
vraag kom ik graag nog terug. De 
intentie van mevrouw Soutendijk is 
echter helder. De mijne is dat ook. 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): 
Voorzitter, ik wil nog één vraag 
stellen. 

De voorzitter: U heeft ook nog een 
tweede termijn. U mag uw vraag nu 
stellen, maar ik verzoek u toch om de 
orde te handhaven. Anders vervallen 
wij van de ene interruptie in de 
andere. Dan is het geen debat meer, 
maar een ondoorzichtig geheel. 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): Ik 
wil een vraag stellen om duidelijk– 
heid te scheppen. 

De voorzitter: Daarvoor heeft u ook 
een tweede termijn. 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): Het 
gaat ook om de interpretatie van wat 
de minister nu zegt. 

Ik wil van de minister weten of het 
verzoekschrift van de gezinsvoogdij– 
instellingen in het wetsvoorstel dat 
de minister verdedigt, een zelfde 
karakter heeft als het verzoekschrift 
dat de Raad voor de kinderbescher– 
ming indient als het gaat om een 
ondertoezichtstelling. Het gaat dan 
vooral om de beslissing over het al 
dan niet verlengen van een OTS. 

Minister Kosto: Mevrouw Vliegent– 
hart geeft het zelf al aan. In beide 
gevallen wordt een beslissing van de 
rechter uitgelokt. In het eerste geval 
gebeurt dat voor het eerst op basis 
van de inschatting van de toestand 
waarin een kind verkeert. In het 
tweede geval staat door de eerste 
OTS al vast dat er iets met het kind 
aan de hand is en wordt de 
verlenging daarop gebaseerd. Ook in 

dat geval lokt echter een instantie die 
daartoe de wettelijke bevoegdheid 
heeft, een beslissing van de rechter 
uit. 

Maar, mijnheer de voorzitter, u 
gebruikte zojuist de term "ondoor– 
zichtig". Dat stond ook in de tekst die 
ik wilde uitspreken. Ik wilde zeggen 
dat het moeilijk voor te stellen is dat 
door de gezinsvoogdij-instellingen 
werk van kwaliteit kan worden 
afgeleverd als zij geen bevoegdhe– 
den en geen verantwoordelijkheden 
hebben. Met een extra schijf in de 
vorm van de raden voor de 
kinderbescherming zou inderdaad 
het beeld kunnen ontstaan van de 
logge en ondoorzichtige organisatie, 
die ik net zo vrijmoedig met het 
woord "bolwerk" aanduidde. 
Daarmee bedoelde ik niet de raden 
voor de kinderbescherming, maar 
dat conglomeraat dat in de ogen van 
de burger zou ontstaan. 

De raden voor de kinderbescher– 
ming zouden er nieuwe taken bij 
krijgen. Zij zullen immers pas een 
verzoek bij de rechter kunnen 
indienen als zij de zaak onderzocht 
hebben. Ik geloof niet dat zo'n nader 
onderzoek door de raden voor de 
kinderbescherming op dat moment 
een meerwaarde heeft boven 
hetgeen er al ligt. Het betekent in elk 
geval dat met de voorbereiding van 
het verzoek meer tijd zal zijn 
gemoeid. Dat er ook nog geld mee 
gemoeid is, heb ik zojuist misschien 
wat overhaast onder de aandacht 
van de Kamer, met name van de 
heer Dijkstal, gebracht. 

Deze nieuwe taak voor de raden 
spoort ook niet met een wetswijzi– 
ging die al op 1 september 1992 in 
werking is getreden. De verplichting 
die de rechter had om in zaken die 
minderjarigen betreffen de raden 
voor de kinderbescherming op te 
roepen, is toen gewijzigd in een 
facultatieve bevoegdheid om de 
raden ter zake te horen. Dat is de wet 
tot wijziging van artikel 902a van het 
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvor– 
dering en in verband daarmee van 
enige artikelen van dit wetboek. Die 
wetswijziging is tot stand gebracht, 
omdat vele zaken voor de rechter 
dienen waarin een intensieve 
bemoeienis van de raden niet is 
vereist. Ik zei het al: de rechter kan 
oproepen en de raden kunnen 
zichzelf stellen. Het is dus facultatief. 
Daarom is het zinvoller als de rechter 
niet verplicht is om de raden voor de 
kinderbescherming op te roepen, 
maar de mogelijkheid heeft om dat 

16 juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK78 78-5393 


Kosto 

te doen als hij of zij dat nodig vindt. 
De raden voor de kinderbescherming 
worden aldus alleen ingeschakeld in 
gevallen waarin dat werkeiijk nodig 
is. Het is in strijd met de toen in 
gang gezette ontwikkelingen om de 
raden voor de kinderbescherming nu 
weer een centrale plaats te geven bij 
de ondertoezichtstelling. Dit zijn dus 
nog eens de argumenten, vanuit een 
andere invalshoek die ik zojuist al 
heb aangegeven. 

De heer Dijkstal (WD): Ik maak zeer 
ernstig bezwaar tegen deze exegese 
van de minister. Zo was het niet. Het 
ging in het wetsvoorstel om de vraag 
of het altijd en automatisch in alle 
gevallen zo moest. De Kamer althans 
mijn fractie en andere - heeft 
erkend dat een aantal zaken zo 
simpel zijn dat het niet nodig is. 
Maar er is nadrukkelijk aan de 
regering gevraagd, te waarborgen 
dat de Raad voor de kinderbescher– 
ming daar naar toe kan gaan op elk 
moment waarop hij dat zelf van 
belang vindt. De centrale positie van 
de raad is juist geaccentueerd in dat 
wetsvoorstel en niet verminderd. 

Minister Kosto: Voorzitter! Waar 
leidt de heer Dijkstal nu uit af dat het 
anders is dan hij nu zegt? 

De heer Dijkstal (VVD): Uit datgene 

wat u zojuist zei. 

Minister Kosto: Nee, we hebben 
zojuist die facultativiteit genoemd en 
ik heb al eerder, toen ik met u zo 
aangenaam aan het interrumperen 
was, gezegd dat de rechter facultatief 
de Raad voor de kinderbescherming 
kan oproepen. De raad kan, zich 
verplicht voelende vanuit zijn 
verantwoordelijkheid, desgewenst 
zichzelf stellen voor de rechter. Wat 
er tussenuit valt, zijn inderdaad de 
routinezaken waarbij noch de rechter, 
noch de raad het nodig vindt. Met 
die facultatieve stelling ga je eigenlijk 
wat zuiniger om met de Raad voor 
de kinderbescherming, maar de 
garantie ligt er dat iedere keer, 
wanneer dat nodig is, de raad er zal 
zijn. Daar vraagt de heer Dijkstal om. 
En er zijn twee instanties die dat 
beoordelen, hetzij de rechter, hetzij 
de raad zelf. Daarin ligt onze 
garantie. Nogmaals, voorzitter, de 
taden voor de kinderbescherming 
worden alleen ingeschakeld in 
gevallen waarin dat werkelijk nodig 
is. 

Als toelichting bij het amendement 
van de heer Dijkstal en mevrouw 
Vliegenthart is gegeven, dat een 
duidelijke scheiding tussen de 
uitvoering van de maatregel en de 
beslissingsbevoegdheid wenselijk is. 
Maar een goede uitvoering is alleen 
maar mogelijk als men ook beslissen 
kan en mag. Wanneer een organisa– 
tie niet mag beslissen, is zij een 
machteloze organisatie, Zo'n 
organisatie kan zijn werk niet goed 
doen. 

Wellicht speelt hier ook de vraag 
van de controle op de gezinsvoogdij– 
instellingen. In de opzet van het 
wetsvoorstel ligt die controle bij de 
rechter. Voor alle beslissingen die de 
uitvoering betreffen, is beroep op de 
rechter mogelijk. De rechter kan zich 
laten adviseren door de Raad voor 
de kinderbescherming. Ik kan mij 
heel goed voorstellen dat wanneer 
ouders bezwaar hebben tegen 
inwilliging van een verzoek van de 
gezinsvoogdij-instelling, de rechter 
het advies van de raad zal vragen. Ik 
zei dat zoëven ook al in de interrup– 
tie. 

Ik wil ook nog een opmerking 
maken over de kerken. Het amende– 
ment zal voor de gezinsvoogdij– 
instellingen niet of nauwelijks tot een 
besparing van kosten leiden. Voor de 
raden voor de kinderbescherming zal 
het tot een aanzienlijke taak– 
verzwaring aanleiding geven. 
Wanneer de raad de zorgvuldigheids– 
eisen, onder meer voortvloeiend uit 
de Algemene wet bestuursrecht, in 
acht neemt, dan bedragen de kosten 
voor de extra werkzaamheden 
minimaal 5,5 mln. en maximaal 20 
mln. Gelet op de aangehaalde 
tekorten in deze sector, lijkt mij dat 
zeer ongewenst en nou zie ik zelf niet 
wat die kerken hiermee te maken 
hebben. U moet zich voorstellen dat 
ik rechtstreeks uit een mondeling 
overleg naar deze vergadering ben 
gekomen en ik ben dan ook niet in 
de gelegenheid geweest om de tekst 
die hier voor mij ligt te kuisen. De 
kerken komen ongetwijfeld aan bod 
maar hier zijn ze enigszins misplaatst 
neergezet. 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): Voorzitter! Mag ik de 
minister toch vragen om nader 
uiteen te zetten hoe hij aan die 20 
mln. komt? In het amendement 
wordt op een aantal plaatsen de 
gezinsvoogdij-instelling ontheven 
van de verzoekende taak en eigenlijk 
wordt maar op één plaats de Raad 

voor de kinderbescherming extra 
ingevoegd ten opzichte van de 
bevoegdheden die hij al heeft. Waar 
dan die extra verzwaring van 20 mln. 
vandaan komt, weet ik niet. 

Minister Kosto: Ik kan er kort over 
zijn. Ik heb die berekening, die ik nu 
niet voor mij heb, helemaal gezien. 
In tweede termijn zal ik die bij me 

hebben. Ik kan haar ook aan u 
toesturen, indien u dat wilt, want zij 

ligt klaar. Ik kan u vertellen dat die 

berekening heel geloofwaardig is. 

De heer Dijkstal heeft een vraag 
gesteld over de tussentijdse 
rapportage van de gezinsvoogdij– 
instellingen. De gezinsvoogdij– 
instellingen dienen op grond van 
artikel 265, tweede lid, van het 
wetsvoorstel, bij elk verzoekschrift 
dat zij indienen tevens het 
hulpverleningsplan en het verslag 
van het verloop van de ondertoe– 
zichtstelling aan de kinderrechter te 
zenden. Ook wanneer de 
gezinsvocgdij-instellingen worden 
opgeroepen voor de zitting zonder 
dat zij zelf een verzoekschrift hebben 
ingediend, dienen zij onverwijld na 
de oproep het hulpverleningsplan en 
het verslag van het verloop van de 
ondertoezichtstelling toe te zenden. 
Dat betekent dat de gezinsvoogdij– 
instellingen zeer regelmatig aan de 
rechter zullen moeten rapporteren 
over het verloop van de ondertoe– 
zichtstelling. Dat is weer het 
controle-element. 

Zowel mevrouw Vliegenthart als 
de heer Dijksta! heeft waardering 
uitgesproken voor het wetsvoorstel. 
Ik denk dat zij zich er niet zo van 
bewust zijn dat hun amendement de 
bodem uit het wetsvoorstel haalt. 
Om die reden moet ik het sterk 
ontraden. Het maakt een organisatie 
zonder bevoegdheden en verant– 
woordelijkheden. Het doubleert. Het 
creëert voor de buitenwereld een 
bolwerk. Het heeft geen meerwaarde. 
Het kost meer. Het is werkelijk de 
essentie van het wetsvoorstel die 
hierdoor wordt geraakt. Ik kan het 
amendement niet anders dan met 
grote kracht ontraden. Ik doe een 
beroep op mevrouw Vliegenthart en 
de heer Dijkstal om in te zien dat wij 
in intentie niet van elkaar verschillen, 
maar dat dit veel verder gaat dan 
hun bedoeling is. 

De heer Dijkstal (VVD): Los van de 

argumenten die wij kunnen hebben 

om er voor of tegen te zijn, is het 

absoluut niet waar dat het amende– 

16juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK78 78-5394 


Dijkstal 

ment het hart uit het wetsvoorstel 
haalt. Het is eerder andersom. Het 
amendement brengt juist een 
volledig hart in het wetsvoorstel. 
Datgene wat nog ontbrak, wordt 
toegevoegd, zodat alles volstrekt 
consequent en helder is. Ik vind het 
echt onzin om te spreken in termen 
van een destructief amendement. 

Minister Kosto: Ik heb niet gespro– 
ken van het hart maar van de 
bodem, en dat meen ik. De heer 
Dijkstal zegt steeds dat wij het met 
elkaar oneens zijn. Ik vraag van de 
Kamer toch enige aandacht voor 
mijn argumenten. Ik vind ze zelf zo 
vreselijk overtuigend. 

De heer Dijkstal (WD): Ik niet, maar 
dat geeft niet. Natuurlijk heb ik 
aandacht voor uw argumenten. Ik zit 
erg op te letten. Daarom loop ik ook 
elke keer naar de interruptiemicro– 
foon. U mag het amendement 
ontraden om de redenen die u 
daarvoor heeft. Ik vind niet dat u 
kunt volhouden dat het hart of de 
bodem of wat dan ook uit het 
wetsvoorstel wordt genomen. 
Integendeel, dit is een zeer goed 
wetsvoorstel, het ontbreekt alleen 
aan een essentieel onderdeel en dat 
hebben wij gecorrigeerd. 

Minister Kosto: Voorzitter! Dat is 
onjuist. Ik respecteer de visie van de 
heer Dijkstal. Toch worden de 
gezinsvoogdij-instellingen beroofd 
van hun mogelijkheden om bij de 
rechter de voorzieningen te vorderen 
die zij nodig vinden om hun werk 
naar behoren te doen. Zij worden bij 
wijze van spreken onder curatele van 
de Raad voor de kinderbescherming 
gesteld. De Raad voor de kinderbe– 
scherming mag alles in gang zetten. 
Hij schat de toestand van een kind in 
en lokt de OTS uit. De rechter keurt 
dat goed. Dan wordt aan de mensen 
van de gezinsvoogdij-instellingen 
een verantwoordelijkheid opgedra– 
gen, maar de instrumenten om 
belangrijke delen van die verant– 
woordelijkheid te dragen worden hen 
vervolgens afgenomen. Die krijgt de 
Raad voor de kinderbescherming. 

Ik vraag de Kamer nogmaals daar 
eens met de ogen van de burger 
naar te kijken. De simpele lijn is dat 
de gezinsvoogdij-instelling naar de 
rechter gaat als zij vindt dat er meer 
moet gebeuren. De Raad voor de 
kinderbescherming staat niet 
buitenspel. Hij kan zich op eigen 
verantwoordelijkheid voegen. Ook 

kan hij door de rechter worden 
uitgelokt. Voor de burger is duidelijk 
hoe dat ligt. De verantwoordelijkheid 
van de raad wordt geactiveerd waar 
het nodig is. 

In tweede termijn zal ik specifice– 
ren dat er ook nog aanzienüjke 
bedragen mee gemoeid zijn. Die 
bedragen leveren geen meerwaarde 
op maar doen afbreuk aan de 
mogelijkheden van de gezinsvoogdij– 
instellingen om hun werk te doen. 
Daarom zeg ik dat het amendement 
de essentie raakt van een deel van 
het wetsvoorstel. Het andere deel is 
dat de rechter alleen nog maar 
rechtspreekt. Oe gedachte die aan 
het amendement ten grondslag ligt, 
neem ik volstrekt serieus, maar hier 
is sprake van een dwaling. Dat is 
mijn stelling. Onze bedoelingen 
ontlopen elkaar werkelijk niet zoveel, 
maar dit is niet de goede weg. Ik doe 
echt een dringend beroep op de 
indieners om het amendement bij 
nader inzien zelfs niet in stemming te 
brengen. Zozeer ben ik ervan 
overtuigd dat wij in dezelfde geest 
denken. Dat bleek toen de heer 
Dijkstal en mevrouw Vliegenthart 
zeiden: het is een goed wetsvoorstel, 
prachtig! prachtig! Bederf het niet! 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): 
Voorzitter! De minister mag het niet 
eens zijn met onze argumenten. Dat 
hij spreekt van een dwaling, doet 
afbreuk aan onze staatsrechtelijk 
juiste en formele benadering. 

Minister Kosto: Vult u maar een 
ander woord met dezelfde strekking 
in. Mijn werkelijk dringende oproep 
aan u blijft om het amendement in te 
trekken. Aan de Kamer als geheel 
doe ik een beroep om dit amende– 
ment niet te steunen. Ik ken ten 
minste één lid dat dit zeker niet zal 
doen. 

Naar aanleiding van de opmerkin– 
gsri van de heren Dijkstal en Van den 
Berg over de capaciteitsproblemen 
merk ik het volgende op. Ik heb 
natuurlijk ook weer met het nodige 
afgrijzen het artikel op de voorpagina 
van de Volkskrant gelezen. De 
belemmering van het gebrek aan 
plaatsen en voorzieningen die de 
uitvoering van de OTS nu al 
ondervindt, is mij pijnlijk bekend. Dit 
naar aanleiding van een opmerking 
van de heer Dijkstal. Deze problema– 
tiek komt onder meer aan de orde in 
het rapport van de bekende task 
force, onder voorzitterschap van 
mevrouw Ter Veld uitgebracht, en 

net ook even opgevoerd door 

mevrouw Vliegenthart. Een 

regeringsstandpunt waarin ik met 
voorstellen kom om deze problema– 
tiek op te lossen, zal de Kamer hoop 

ik de volgende maand, dus in juli, 

bereiken. 

Met betrekking tot de uitbreiding 
van de capaciteit van de justitiële 
jeugdinrichtingen, verwijs ik naar het 
uitbreidingsplan capaciteit 1996, een 
vervolg op de fameuze J0120 en 
JO120-plus. Dat zijn vaktermen, maar 
het zijn steeds weer plannen waarbij 
wij de detentiecapaciteit opvceren. 
Die plannen zijn uitgebreid met de 
Kamer besproken, en daarin vindt zij 
natuurlijk ook de jeugdcapaciteit 
terug. De heer Dijkstal benadrukte 
verder het belang van een goede 
motivering van beslissingen door de 
rechter. Ook mevrouw Versnel en 
mevrouw Soutendijk hebben hierop 
gewezen. Ik onderschrijf dat ten 
volle. Natuurlijk moeten beslissingen 
goed gemotiveerd worden. In dit 
verband kan ik over het gebruik van 
aankruisformulieren, waarop 
standaardmotiveringen voorkomen 
die betrekking hebben op de 
beslissingen tot ondertoezichtstel– 
ling, nog meedelen dat overleg 
gevoerd zal worden met de 
Nederlandse vereniging van 
rechtspraak. Dit overleg zal beginnen 
op 6 juli a.s., dus dat is nabij. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Misschien een beetje raar, maar ik 
dacht dat dat overleg allang gevoerd 
was. U heeft ons immers meege– 
deeld in de nota naar aanleiding van 
het eindverslag dat dat na Pasen zou 
gebeuren. Ik dacht dat dat uiterlijk 1 
mei zou zijn; dan besteedt u uw dag 
ook nog goed! Maar nu wordt het 6 
juli, en dat vind ik wel erg laat! 

Minister Kosto: U kunt niet 
ontkennen dat het na Pasen is. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Dat is waar; het is ook na Pinksteren, 
en na het begin van het zomerreces. 
Ik vind het echt jammer. 

Minister Kosto: Dat aanvaard ik. Ik 
kan niet precies nagaan, hoe het zo 
gekomen is. Maar ik kan u wel 
vertellen dat die datum vaststaat. Het 
is nu dus aanmerkelijk specifieker 
bepaald dan met "na Pasen". 

Over de vraag van de heer Dijkstal 
over een wettelijke regeling van de 
positie van de pleegouders het 
volgende. Eerst zal de behandeling 

16juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK78 78-5395 


Kosto 

van het wetsvoorstel over de 
ondertoezichtstelling moeten zijn 
afgerond, voordat een regeling van 
het onderwerp pleegouders tot stand 
kan worden gebracht. Maar zodra het 
wetsvoorstel dat we hier vandaag 
met elkaar bespreken wet is 
geworden, kan de voorbereiding van 
het wetsvoorstel inzake pleegouders 
ter hand worden genomen, en dan 
zal dat ook, naar ik mag aannemen, 
gebeuren. 

De heer Dijkstal en anderen 
stelden een vraag over het financieel 
tekort van 5 mln., waar we eerder 
over hebben gesproken. Uiteraard 
heeft het mijn instemming dat de 
claim van 5 mln. wordt neergelegd 
bij de informateurs. Ik ken de positie 
van de heer Dijkstal in die discussie; 
hij zei dat dat geld er komt, met een 
gebaar dat mij bepaald aansprak. Hij 
heeft dat gezegd ten aenschouwen 
van iedereen. Wij zullen hem er voor 
zijn deel aan houden. Dat geld komt 
er! 

Op de vraag of ik dit jaar nog een 
bedrag van 1,5 mln. kan vinden, 
moet ik het volgende zeggen. De 
justitiebegroting - dat is hier vaak 
besproken - staat onder een bijna 
onmenselijke druk. Zie onder meer 
de Voorjaarsnota. Maar gelet op de 
noodzaak dat de gezinsvoogdij– 
instellingen dit jaar al met voorberei– 
dende werkzaamheden moeten 
beginnen, zal ik een uiterste 
inspanning plegen om het bedrag 
van 1,5 mln. nog dit jaar vrij te 
maken. Als ik zeg "een uiterste 
inspanning", is dat letterlijk zo 
bedoeld, want eigenlijk is dat geld er 
helemaal niet. Ik denk dat er weer 
capriolen uitgehaald moeten worden, 
maar dat geld komt er wel. 

De vraag van de heer Dijkstal over 

de sturingsmogelijkheden van de 

gezinsvoogdij-instellingen kan ik als 

volgt beantwoorden. De sturing van 

de gezinsvoogdij-instellingen gebeurt 

door middel van een beoordeling bij 

het verzoek tot aanvaarding van de 

gezinsvoogdij-instelling. Het gaat 

erom te beoordelen of aan de bij de 

subsidieverlening gestelde voorwaar– 

den is voldaan door middel van de 

mogelijkheid tot intrekking van de 

aanvaarding door middel van 

tussentijdse intrekking of wijziging 

van de subsidie, en door middel van 

de beoordeling van werkplannen en 

wijzigingen van werkplannen. Verder 

geschiedt sturing via kwaliteitseisen, 

die nog verder zullen worden 

aangescherpt, en door protocollen. 

Voorzitter! Ik ga vervolgens in op 
de amendementen van de heer 
Dijkstal. Ik heb aanneming van het 
amendement op stuk nr. 16 al ten 
sterkste ontraden. Het eerste 
onderdeel van het amendement op 
stuk nr. 17 betreft de toevoeging van 
de vermelding als bedoeld in de 
artikelen 254, vierde lid, en 264. Dit is 
een gevolg van het amendement op 
stuk nr. 16. Het spreekt voor zich dat 
deze beperking - immers het 
voorschrift van artikel 265, tweede 
lid, geldt volgens het wetsvoorstel 
voor alle verzoeken van de 
gezinsvoogdij-instellingen - het lot 
van het amendement op stuk nr. 16 
volgt. Ik ontraad aanneming van dit 
amendement met dezelfde kracht. 

Het tweede onderdeel van het 
amendement op stuk nr. 17 luidt dat 
de gezinsvoogdij-instelling afschrift 
van de bij het verzoekschrift 
gevoegde bescheiden aan de raad 
moet sturen. Dit betreft dus slechts 
twee soorten verzoeken, namelijk die 
op grond van artikel 254, lid 4, en 
van artikel 264. Ook dit onderdeel 
volgt het lot van het amendement op 
stuk nr. 16. 

De strekking van het amendement 
op stuk nr. 18 is dat de instelling van 
alle verzoeken die zij indient, een 
afschrift moet zenden aan de Raad 
voor de kinderbescherming. Ik heb 
daar al over gesproken, maar ik vat 
mijn oordeel nogmaals kort samen. 
Het is niet nodig dat dit wordt 
voorgeschreven. Dit is al opgenomen 
in ontwerp-artikel 810, derde lid, 
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvor– 
dering, zoals omschreven in 
wetsvoorstel 22487 betreffende het 
procesrecht inzake personen– en 
familierecht. Dit wetsvoorste! bevat 
een voorschrift dat ertoe leidt dat de 
Raad voor de kinderbescherming op 
de hoogte is. Er is ook nog een meer 
praktische reden. De rechter licht de 
raad niet alleen in over het tijdstip 
van de terechtzitting - zoals hij nu al 
op grond van artikel 902a Wetboek 
van Burgerlijke Rechtsvordering 
moet doen - maar hij laat tevens een 
afschrift van het verzoekschrift 
bijvoegen. Het is wel zo praktisch dat 
men de stukken van één instantie 
ontvangt. Ik ben de dialoog met 
mevrouw Soutendijk op dit punt 
overigens niet vergeten. Ik zeg 
daarnaast graag toe dat ik, in 
afwachting van de inwerkingtreding 
van het genoemde wetsvoorstel, de 
rechterlijke colleges zal vragen om 
alvast conform te handelen als dat 
nodig is. Het wetsvoorstel inzake het 

familieprocesrecht is in behandeling 
bij de Eerste Kamer. Als daar spoed 
wordt betracht, is dat verzoek 
misschien minder nodig. 

Met het amendement op stuk nr. 
19 wordt beoogd de Raad voor de 
kinderbescherming kosteloos te laten 
procederen in zaken betreffende de 
OTS. Dit amendement is overbodig, 
aangezien de Raad voor de 
kinderbescherming op grond van 
artikel 243, lid 2, BW al in alle 
gevallen kosteloos kan procederen. 
Hier wordt iets aan de raad 
uitgedeeid wat hij al heeft. Dit is 
geen goed amendement. Op grond 
van het vierde lid van artikel 243 BW 
kan de raad zonder procureur in 
rechten optreden, ook in OTS-zaken. 
Immers, artikel 254 en volgende 
behoort tot de in lid 4 van artikel 243 
genoemde titel 14, Boek 1 BW. Dit 
amendement is echt niet nodig, want 
het staat er al. 

Mijn beoordeling van het 
amendement op stuk nr. 20. luidt als 
volgt. De aan de gezinsvoogdij– 
instelling toegekende bevoegdheid 
past in de opzet van het wetsvoorstel 
waarin de gezinsvoogdij-instelling 
belast is met de uitvoering van de 
ondertoezichtstelling. Soms zal het 
doel van de ondertoezichtstelling 
beter bereikt kunnen worden als een 
omgangsregeling wordt gewijzigd. 
De gezinsvoogdij-instelling is de 
organisatie die het best kan 
beoordelen of dat geval zich 
voordoet. De gezinsvoogdij-instelling 
houdt zich met de uitvoering van de 
ondertoezichtstelling bezig en niet de 
Raad voor de kinderbescherming. 
Daarom ligt het voor de hand dat de 
gezinsvoogdij-instelling ook bevoegd 
is, de kinderrechter zo nodig te 
verzoeken, een omgangsregeling te 
wijzigen. Artikel 263b sluit bovendien 
aan op artikel 263a, wat ook niet zo 
onlogisch is. De gezinsvoogdij– 
instelling krijgt door middel van een 
aanwijzing de bevoegdheid het 
contact tussen ouder en kind te 
beperken. Die bepaling wordt 
blijkbaar als juist gezien. Het is 
onpraktisch, de gezinsvoogdij– 
instelling dan niet de bevoegdheid te 
geven om wijziging van de 
omgangsregeling te verzoeken. Ook 
aanneming van dit amendement 
moet ik tot mijn spijt ontraden. 

Over het amendement op stuk nr. 

21 het volgende. Bij de bevoegdheid 

van de officier van justitie tot het 

vorderen van een ondertoezichtstel– 

ling gaat het erom dat de beslissing 

meteen kan worden genomen door 

16 juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK78 


Kosto 

de kinderrechter aan wie een kind 
wordt voorgeleid en de keuze 
voorligt tussen strafrechtelijk 
optreden en het opleggen van hulp 
in het kader van een ondertoezicht– 
stelling. Dit sluit natuurlijk niet uit 
dat de Raad voor de kinderbescher– 
ming vervolgens door de kinderrech– 
ter gevraagd wordt om advies. De 
raad legt dan vervolgens weer 
verdere contacten met het gezin. In 
de geschetste omstandigheden kan 
het echter niet zo zijn dat de Raad 
voor de kinderbescherming beslist 
dat er geen maatregel moet worden 
opgelegd. De kinderrechter dient in 
het kader van de strafzaak te bepalen 
of ondertoezichtstelling de voorkeur 
verdient. 

De heer Rabbae had een vraag 
over de toegang van de minderjarige 
tot de rechter. Nadere voorzieningen 
via de gefinancierde rechtshulp zijn 
niet nodig. De minderjarige heeft het 
is dan wel informeel - recht– 
streeks toegang tot de rechter, 
zonder tussenkomst. Daarom hoeven 
de criteria voor toevoeging van een 
advocaat aan een minderjarige geen 
wijziging te ondergaan. De minderja– 
rige kan zich trouwens ook door 
andere deskundigen dan advocaten 
terzijde laten staan bij het indienen 
van een verzoek. 

Naar aanleiding van de opmerking 
van de heer Rabbae over de positie 
van allochtonen bij de raden voor de 
kinderbescherming en de 
gezinsvoogdij-instellingen het 
volgende. De directie jeugd– 
bescherming en reclassering heeft 
onlangs voor de raden en instellin– 
gen haar allochtonenbeleid nader 
uiteengezet. De hoofdlijn is dat de 
afstemming op allochtone cliënten 
een vast aandachtspunt moet zijn bij 
de uitvoering. De instellingen is 
verzocht om in het jaar– en 
activiteitenplan 1995 expliciet aan te 
geven welk beleid op dit terrein 
wordt gevoerd. 

Met betrekking tot het aantrekken 
van allochtone medewerkers kan ik 
meedelen dat het streven is dat de 
raden en de instellingen een 
afspiegeling zijn van de gemeen– 
schap waarvoor zij werken. 
Aangezien bijvoorbeeld in de grote 
steden een zeer groot deel van de 
bevolking allochtoon is, betekent dit 
dat op den duur van een inter– 
culturele samenstelling van het 
personeel sprake moet zijn. 
Afhankelijk van de doorstroming van 
personeel bij de raden zullen de 
mensen nader kunnen intreden. Ik 

wil wat dit betreft teruggaan naar het 
begin van mijn ambtsperiode. Toen 
liep de discussie bij de raden voor de 
kinderbescherming over het 
binnenkomen van allochtone 
medewerkers. Mijn ambtsvoor– 
gangster had toen bevorderd dat het 
Werktheater een stuk ontwikkelde. 
Het thema was de vraag hoe de 
raden ermee om zouden gaan als er 
een allochtone medewerker in dienst 
werd genomen. Het was de 
bedoeling van mijn ambtsvoor– 
gangster - en dat is ook altijd mijn 
bedoeling geweest - dat de 
allochtone medewerkers een 
arbeidsplaats zouden krijgen. Dat 
project van het Werktheater, gevolgd 
door discussies, was toen mede 
bedoeld om het mogelijk te maken 
dat de allochtone medewerkers ook 
in een omgeving terecht zouden 
komen waar de acceptatie zo 
optimaal mogelijk is. Ik heb ook 
moeten vaststellen dat de wens om 
allochtone medewerkers in dienst te 
nemen bi] de raden vaak niet 
gehonoreerd werd door de markt. Er 
lag vaak een probleem over de juiste 
vaardigheden en deskundigheden. 
De wil was aanwezig, maar het gaf 
wel wat problemen. Ik kan de heer 
Rabbae meedelen dat waar ik de 
raden ontmoet - trouwens ook bij 
andere diensten waar ik verantwoor– 
delijk voor ben, bijvoorbeeld het 
gevangeniswezen - ik steeds weer 
vraag naar het aantal allochtonen en 
ik dring erop aan dat men toewerkt 
naar een afspiegeling van de 
maatschappij. 

De heer Rabbae had ook een 
vraag over de toegang van de 
minderjarige tot de rechter. Nadere 
voorzieningen via de gefinancierde 
hulp zijn, zoals ik al eerder heb 
gezegd, niet nodig. 

De heer Van den Berg heeft 
mevrouw De Langen geciteerd. Hij 
noemde haar terecht een autoriteit. 
Maar anders dan de heer Van den 
Berg - want wie citeert, doet dit 
meestal met instemming - en 
mevrouw De Langen, ben ik van 
mening dat de wetgever voldoende 
terughoudendheid betracht bij de 
toepassing van het instrument 
"wetgeving in het familierecht". Juist 
de aard van dit deel van het recht, 
het openbare-ordekarakter ervan 
maakt dat, als er verandering nodig 
is, dit bij de formele wet moet 
gebeuren. Ik beschouw het toch 
vooral ook als winst dat mijn 
ministerie telkens in staat is gebleken 
tijdig met wetgeving te komen. Het 

gaat telkens over noodzakelijke 
wetgeving. Denk aan ouderlijk gezag 
en medevoogdij. Kortom, de 
wetgever heeft wel degelijk zicht op 
de implicaties van de wetgeving en 
vaart hierbij ook op een vast 
kompas, dat voortdurend door deze 
Kamer wordt geijkt. 

Mijnheer de voorzitter! De heer 
Van den Berg sprak ook over artikel 
264 en de polio-inenting. Ik wil erop 
wijzen dat er ernstig gevaar voor de 
gezondheid moet zijn en dat de 
medische behandeling met het oog 
hierop noodzakelijk moet zijn. Pas 
dan kan de kinderrechter vervan– 
gende toestemming geven voor de 
medische behandeling. Ik meen dat 
hier in artikel 264 evenwichtig met 
het ouderlijk gezag rekening wordt 
gehouden. 

lets anders is of de medische 
behandeling of een polio-inenting als 
zodanig reden kan zijn voor een OTS. 
Het antwoord hierop is "neen". Zoals 
ook in de nota naar aanleiding van 
het eindverslag op bladzijde 13 is 
aangegeven, is het altijd nodig dat 
de grond voor OTS is vervuld. In 
dezelfde nota is ook verwezen naar 
het regeringsstandpunt over dit 
onderwerp. De heer Van den Berg 
merkt terecht op dat de 
gezinsvoogdij-instelling een 
privaatrechtelijke organisatie is met 
publiekrechtelijke bevoegdheden. 

De heer Van den Berg waarschuwt 
voor de formalisering en bureaucrati– 
sering van de relatie gezinsvoogdij– 
instelling, gezinsvoogd, ouder, kind. 
De bedoeling van het toedelen van 
de uitvoering van de OTS aan de 
gezinsvoogdij-instelling is juist de 
verantwoordelijkheid te centreren bij 
een organisatie. Doordat deze 
organisatie de verantwoordelijkheid 
voor de uitvoering van de OTS heeft, 
zal zij hieraan serieus aandacht 
besteden. In het Besluit kwaliteits– 
eisen zullen voorschriften worden 
opgenomen die ertoe zullen leiden 
dat de positie van de gezinsvoogdij– 
instellingen en de gezinsvoogd 
jegens de ouders en het kind 
volstrekt duidelijk is. Zo wordt het 
voorschrift opgenomen dat 
onmiddellijk na de bemoeienis van 
de gezinsvoogdij-instelling niet 
alleen een gezinsvoogd wordt 
aangewezen, maar dat van deze 
aanwijzing ook mededeling wordt 
gedaan aan de betrokken ouder en 
de minderjarige. In deze mededeling 
zal ook moeten worden opgegeven 
tot welke functionaris binnen de 
instelling men zich bij afwezigheid 

16 juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK78 78-5397 


Kosto 

van de gezinsvoogd kan wenden. 
Bovendien worden de ouders en het 
kind geïnformeerd over de wijze 
waarop zij moeten klagen over het 
optreden van de gezinsvoogd en bij 
wie zij moeten zijn, wanneer zij zich 
wiilen verzetten tegen een beslissing 
van de instelling. De gezinsvoogdij– 
instelling wijst een gezinsvoogd aan 
die feiteüjk uitvoering aan het 
hulpverleningsprogramma geeft. 

Doordat de ouder en het kind 
gedurende het gehele OTS-traject 
worden begeleid door een gezins– 
voogd, ontstaat tussen allen een 
vertrouwelijke band. Dit zal dus 
eerder leiden tot een persoonlijke 
dan tot een zakelijke band tussen 
gezinsvoogd en de ouder en het 

kind. 

Ik heb met vee! waardering 
geluisterd naar mevrouw Versnel die 
zich op haar beurt waarderend over 
het wetsvoorstel heeft uitgelaten. 
Mijn waardering ligt, zoals de Kamer 
begnjpt, in de steun die ik ervoer, 
voordat ik mijn eigen opvattingen 
kon geven over het amendement op 
stuk nr. 16. Ik was het in hoge mate 
eens met wat mevrouw Versnel zei. 

Mijnheer de voorzitter! De Raad 
voor de kinderbescherming heeft de 
wettelijke taak, de rechter des– 
gevraagd te adviseren over alle 
zaken waar kinderen bij zijn 
betrokken, of dit nu in 
echtscheidingssituaties is of niet. 
Ook in het kader van de OTS is deze 
adviestaak van groot belang. Op 
deze wijze is de Raad voor de 
kinderbescherming immers 
betrokken bij het proces van toezicht 
op de uitvoering van de ondertoe– 
zichtstelling door de gezinsvoogdij– 
instellingen. Wij hebben daar ampel 
over gesproken. 

Aan de voorzitter van de bijzon– 
dere commissie Jeugdwelzijnsbeleid 
is - dat was toen nog de heer 
Lankhorst - bij brief van 29 april 
1994 door de toenmalige staatssecre– 
taris van Justitie de taakopdracht 
meegedeeld: 

- inventarisatie en beschrijving van 
de bestaande feitelijke situatie ten 
aanzien van de adviestaken van de 
Raad voor de kinderbescherming bij 
rechterlijke beslissingen omtrent 
voogdij en omgangsregelingen in 
verband met echtscheidingszaken, 
met inbegrip van de wijze waarop 
thans door de raden uitvoering 
wordt gegeven aan de door de 
rechter opgelegde proefcontracten 
hangende de procedure in deze 
zaken; 
- inventarisatie van de knelpunten 
welke zich bij de huidige advisering 
voordoen, zowel aan de kant van de 
rechterlijke macht als aan de kant 
van de raden voor de kinderbescher– 
ming; 
- rekening houdend met deze 
knelpunten aanbevelingen doen 
omtrent de uitvoering van de 
hierboven omschreven adviestaken 
door de Raad voor de kinderbescher– 
ming; 
- inventarisatie en beschrijving van 
de bestaande procedures ten aanzien 
van het inschakelen van derde 
deskundigen door de rechter of de 
raden voor de kinderbeschermmg 
met betrekking tot de adviestaak in 
deze zaken; 
- aanbevelingen doen omtrent de 
wenselijke procedure ten aanzien van 
het inschakelen van derde deskundi– 
gen bij echtscheidingsadviestaken. 
Mevrouw Versnel vroeg verder 
wanneer het wetsvoorstel kan 
worden ingevoerd. Dit is een 
belangrijke vraag, die ook de heer 
Rouvoet aan de orde stelde. Zoals 
bekend, moet het wetsvoorstel, 
nadat het hier zou zijn aangenomen, 
nog in de Eerste Kamer worden 
behandeld, en daar zeg ik absoluut 
niets nieuws mee. Ik denk niet dat de 
behandeling in de Eerste Kamer vóór 
1 januari kan zijn afgerond. Ik ga er 
daarom van uit dat de inwerkingtre– 
ding pas medio 1995 kan plaatsvin– 
den. Dat is niet omdat ik dat leuk of 
aanbevelenswaard vind; het is een 
reële inschatting van de situatie die 
gegeven is. 

Mevrouw Vliegenthart heeft een 
belangrijk deel van haar zeer 
gewaardeerde bijdrage gewijd aan 
de amendementen. Daar ben ik al op 
ingegaan. Zij liet echter ook niet na, 
haar waardering uit te spreken voor 
het wetsvoorstel. 

Verder vroegen mevrouw 
Vliegenthart en andere leden naar de 
deskundigheidsbevordering van de 
gezinsvoogden. Ik merk op dat deze 
grondig wordt aangepakt. Al in 1993 
heb ik de instellingen extra financiële 
ruimte geboden om de deskundig– 
heid van de gezinsvoogden te 
verhogen. Er is inmiddels een 
Commissie vorming en opleiding 
mgesteld, die de diverse imtiatieven 
van de instellingen coordineert. Op 
basis van een scholingsprofiel zal de 
komende jaren de deskundigheids– 
bevordering een structureel karakter 
worden gegeven. In het najaar zal in 
het kader van de invoering van de 
protocollen een training van het 

middenkader plaatsvinden. De 
veranderingen zullen voor een 
belangrijk deel door het middenkader 
van de instellingen worden 
gedragen. 

Mevrouw Vliegenthart en anderen 
vroegen hoe het zit met het 
wetsvoorstel inzake klachtrecht en 
met het wetsvoorstel inzake 
voorlopige maatregelen. Ook 
mevrouw Versnel had daar belang– 
stelling voor. Beide wetsvoorstellen 
liggen nog bij de Raad van State en 
ontmoeten daar een heleboel andere 
wetsvoorstellen die daar ook liggen. 
Dat is dus even een probleem, want 
er is sprake van een evidente 
stuwing. 

De heer Schutte en andere leden 
stelden vragen over de protocollen 
en de voorziening inhoudelijke 
aanpassing van het Besluit kwaliteits– 
regels. De protocollen, die in een 
vergaande fase van ontwikkeling zijn, 
zal ik een wettelijke basis geven in 
het Besluit kwaliteitsregels en taken 
voogdij– en gezinsvoogdij– 
instellingen. Deze protocollen zijn 
overigens gebaseerd op het systeem 
van het huidige wetsvoorstel. De 
implementatie van deze protocollen 
zal dan na de zomer ter hand worden 
genomen, althans als deze Kamer 
met het wetsvoorstel kan instem– 
men. 

De inhoudelijke aanpassingen van 
het Besluit kwaliteitsregels worden 
momenteel geïnventariseerd. Het 
doel van deze aanpassing is het 
waarborgen van de kwaliteit van de 
gezinsvoogdij-instellingen. Ik zal 
graag de suggestie van mevrouw 
Vliegenthart en mevrouw Versnel 
overnemen om bij deze inventarisa– 
tie ook het onderzoek van de Vrije 
Universiteit te betrekken waarin 
suggesties voor kwaliteitsbevor– 
dering zijn gedaan. Als zoiets wordt 
aangereikt, moet het zeker gebruikt 
worden, en dat zal ik ook doen. Na 
de inventarisatie zullen de gewenste 
aanpassingen worden uitgewerkt in 
een ontwerp-AMvB. Dit concept zal 
tijdig gereed zijn, dat beloof ik de 
Kamer. Vanzelfsprekend zal de 
concept-AMvB op grond van artikel 5 
van de Wet op de jeugd– 
hulpverlening aan de Kamer worden 
voorgelegd. 

De heer Schutte maakte opmerkin– 
gen over de bemiddelende rol van 
de kinderrechter. De taak van de 
rechter bij de ondertoezichtstelling 
wordt niet alleen bepaald door de 
Algemene wet bestuursrecht, die 
eisen stelt aan de zorgvuldigheid van 

16 juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK78 


Mevrouw Soutendijk-van Appeldoorn (CDA) 

de beslissing van de gezinsvoogdij– 
instelling, maar daarnaast door de 
relevante bepalingen in het Burgerlijk 
Wetboek en de Wet op de jeugd– 
hulpverlening. Het belang van het 
kind is een belangrijk beoordelings– 
criterium voor de kinderrechter. Ik 
heb in de memorie van antwoord 
gewezen op de bemiddelende rol die 
de rechter in civiele zaken, in het 
bijzonder in zaken van familie– en 
jeugdrecht, vervult. 

Er is geen sprake van verschil– 
lende ondertoezichtstellingen in 
artikel 257, lid 3. Het woord 
"zelfstandigheidsondertoe– 
zichtstelling" zou ik dus niet willen 
gebruiken. Het gaat erom, duidelijk 
vast te stellen dat er bij oudere 
minderjarigen ook een ondertoezicht– 
stelling mogelijk is, ook al is er op 
het eerste gezicht geen vooruitzicht 
op terugkeer van het kind naar huis. 

De heer Schutte (GPV): Is dit het 
volledige antwoord op de opmerkin– 
gen die zijn gemaakt over artikel 257, 
Iid3? 

Minister Kosto: Ik meende van wel, 
maar u bent er kennelijk niet 
levreden over. 

De heer Schutte (GPV): Ik had vrij 
concreet gevraagd of de formulering 
van het derde lid niet zo algemeen is 
dat het een zelfstandig leven zou 

kunnen gaan leiden, verdergaand 

dan de doelstelling die de regering 
beoogt. 

Minister Kosto: Dat denk ik niet. De 
portee van artikel 257, lid 3, is dat 
het er duidelijk om gaat, vast te 
stellen dat ook bij oudere minderjari– 
gen ondertoezichtstelling mogelijk is, 
ook al is er op het eerste gezicht 
geen vooruitzicht op terugkeer van 
het kind naar huis. Ik denk niet dat 
dit een eigen leven kan gaan leiden. 

Dan kom ik op de bijdrage van 
mevrouw Soutendijk in eerste 
termijn. Zij mist het toezicht van een 
derde instantie op de uitvoering van 
de ondertoezichtstelling door de 
gezinsvoogdij-instelling. Zij merkt 
terecht op dat het voorstel van de 
heer Dijkstal en mevrouw Vliegent– 
hart niet altijd dit doel kan dienen. 
Daar hebben wij het al over gehad. 
De Raad voor de kinderbescherming 
kan afzien van het indienen van 
bijvoorbeeld een verzoek tot 
verlenging van de ondertoezichtstel– 
ling, terwijl de gezinsvoogdij– 
instelling dat wel had willen 
indienen. In dat geval heeft de 
rechter eerder minder dan meer 
rechterlijk toezicht op de uitvoering 
van de ondertoezichtstelling. 

Ik kan mij dus eerder vinden in het 
voorstel van mevrouw Soutendijk 
om enig toezicht op te dragen aan 
een derde instantie - een andere dan 
de rechter, die al toezicht heeft door 
een plicht tot rapportage van 

gezinsvoogdij-instelling aan de Raad 
voor de kinderbescherming. Ik maak 
het hiermee nog explicieter dan ik 
daarnet al deed. Zo acht ik het 
denkbaar dat alsnog een bepaling 
wordt aangenomen ter aanvulling 
van het bij nota van wijziging 
voorgestelde lid 3 van artikel 256. 
Deze bepaling luidt dat indien de 
gezinsvoogdij-instelling niet overgaat 
tot een verzoek tot verlenging van de 
ondertoezichtstelling, zij hiervan zo 
spoedig mogelijk mededeling doet 
aan de Raad voor de kinderbescher– 
ming. Hieraan zou kunnen worden 
toegevoegd dat de gezinsvoogdij– 
instelling tevens verslag moet doen 
aan de Raad voor de kinderbescher– 
ming van het verloop van de 
ondertoezichtstelling en van de 
redenen waarom de maatregel niet 
verlengd hoeft te worden. Ik denk dat 
dit volledig is wat mevrouw 
Soutendijk wilde. Als dit steun kan 
krijgen, kan het in de wet worden 
opgenomen. 

Ik ben het eens met mevrouw 
Soutendijk dat plaatsing in een 
gesloten inrichting alleen in extreme 
situaties mogelijk moet zijn. Gesloten 
plaatsing vindt al plaats doordat 
plaatsing in een tuchtschool mogelijk 
is. Nieuw zijn de rechtswaarborgen 
voor een dergelijke maatregel. 

De heer Rouvoet sloot zich aan bij 
de vraag van mevrouw Soutendijk 
over de stand van zaken bij de 
positie van de bureaus van externe 
deskundigen. En warempel, het was 
alsof de heer Leerling weer terug 
was, want dat komt mij zeer bekend 
voor. Dat noemen zij traditie. De 
door mij ingestelde werkgroep 
Externe deskundigen heeft als 
opdracht het formuleren van 
richtlijnen die leidraad dienen te zijn 
bij het doen van een extern 
onderzoek. De richtlijn dient ook een 
regeling te bevatten voor de 
mogelijkheid van inzage en afschrift. 
De werkgroep zal naar ik verwacht 
voor 1 september haar rapport 
uitbrengen. Er ligt dus wat, als de 
Kamer terugkomt van reces. Ik, of 
wie dan ook, zal daarna zo spoedig 
mogelijk bezien tot welke besluiten 
dit aanleiding geeft. 

Mevrouw Soutendijk pleit voor 
een volledig inzagerecht voor de 
belanghebbende in een procedure 
inzake ondertoezichtstelling. Zij wijst 
erop dat ouders geen inzage hebben 
in het gehele rapport van een extern 
onderzoeksbureau indien slechts een 
gedeelte van dit rapport voorkomt in 
de stukken die een raad voor de 

16juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK78 78-5399 


Kosto 

kinderbescherming overlegt. Ik wil 
erop wijzen dat op grond van artikel 
811 van het wetsvoorstel inzake 
familieprocesrecht de ouders inzage 
hebben in alle stukken die aan de 
rechter zijn voorgelegd Indien het 
rapport van een extern onderzoeks– 
bureau in zijn geheel aan de rechter 
bekend is, hebben ook de ouders 
inzage in dit rapport. Zij zijn dus 
volledig op de hoogte van de feiten, 
waarop de rechter zijn oordeel 
baseert, want zij beschikken over 
dezelfde gegevens als de rechter. 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): Dat is nu juist de crux 
van het probleem. Dat rapport over 
het onderzoek dat aan de rechter 
wordt voorgelegd, stoelt vaak op 
externe adviezen en rapporten die 
daariri niet zijn opgenomen. Vaak zijn 
dat slechts delen van een rapport of 
een conclusie. Daardoor wordt het 
rapport voor betrokkenen, omdat zij 
het onderliggende rapport niet 
kennen, onduidelijk en onbegrijpelijk. 
Wij hebben de minister zelfs 
schriftelijk vragen gesteld over een 
casus op dit gebied. Daarom dring ik 
erop aan dat er meer duidelijkheid 
komt over de verplichting van 
onderzoekers die een onderzoek 
doen dat gebruikt wordt in een 
rapport dat de rechter moet 
voorlichten, ook die onderliggende 
rapporten ter inzage te leggen 
alvorens in een procedure verweer 
moet worden gevoerd. Het verweer 
is anders onmogelijk. 

Minister Kosto: Nou, ik vraag mij 
dat af. Immers, wat de rechter weet, 
weet de ouder die inzage wi! hebben 
ook. De rechter weet niet meer. Hij 
heeft niet meer gegevens gekregen. 
Als er een volledig rapport ligt van 
een extern bureau, krijgt ook de 
ouder dat volledige rapport. Zijn aan 
de rechter evenwel alleen delen 
voorgelegd, dan kent de ouder ook 
alleen die delen. Wil hij meer weten, 
dan zal hij zich tot dat bureau 
moeten wenden. Ik vraag mij echter 
in gemoede af wat daarvan het 
belang is. Ik vraag dat in alle 
oprechtheid. Dat ouders over 
dezelfde informatie beschikken als 
een rechter die een oordeel moet 
vellen, kan ik mij voorstellen. Wat de 
rechter niet weet, moet die ouder dat 
ook weten? Ik kan daarmee leven. 
Als die ouders dat willen weten, 
moeten zij naar het bureau gaan en 
daarom vragen. Moeten wij die 

mogelijkheid afdwingen? Ik vraag dat 
in alle oprechtheid. 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): Het probleem is, dat 
als het onderliggende rapport niet 
bekend is en in het definitieve 
rapport aan de rechter gesproken 
wordt over een bepaalde gedraging 
of een bepaalde geschiktheid, dit niet 
begrepen kan worden. De ouder kan 
dan nooit weerleggen waarom hij 
wel geschikt is als hij niet weet 
waarom hij niet geschikt is. Dat 
onderliggende rapport geeft vaak 
aan waarom de ouder niet geschikt 
is voor een bepaalde opvoeding. 
Daarom is het wel degelijk van 
belang dat er een inzagerecht komt 
van de onderliggende onderzoeks– 
rapporten. De minister versimpelt de 
zaak als hij zegt dat de ouder maar 
naar het bureau moet gaan. Het 
bureau verschuilt zich achter de regel 
dat het geen inzageverplichting 

heeft. Dus komt de betrokkene van 
een koude kermis thuis. 

Minister Kosto: Ik ben niet uit op 
versimpeling. Ik probeer de 
contouren van het probleem te 
schetsen. Mevrouw Soutendijk zegt 
dat de ouders het zonder die inzage 
niet kunnen begrijpen. In die situatie 
kan de rechter het rapport ook niet 
begrijpen. Wat de rechter weet, weet 
ook de ouder. Als mevrouw 
Soutendijk zegt dat de ouder het niet 
kan begrijpen, dan zal ook de rechter 
zeggen: ik krijg fragmenten die mij 
niet tot het begrip brengen waarom 
enz., ik wil meer hebben. Op dat 
moment beschikken de ouders ook 
over die gegevens. Ik probeer het 
probleem via de weg van de logica 
op te lossen. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): Ik 
begrijp wel dat de minister daar 
problemen mee heeft. Als mevrouw 
Soutendijk zegt dat de ouder het niet 
begrijpt, dan bedoelt zij daarmee dat 
de personen zichzelf in het rapport 
moeten herkennen. Het ging om een 
onderzoek van een extern bureau. 
Uit dat onderzoek komt dan ineens 
iets heel anders dan zij menen 
gezegd te hebben. Het is ook bekend 
dat sommige uitspraken worden 
aangescherpt. Soms worden er door 
de raden scherpere conclusies 
getrokken dan in het onderliggende 
rapport. Als mensen zich daarin niet 
herkennen, dan vragen zij zich af wat 
zij met zo'n rapport aan moeten. Het 
rapport aan de rechter zal bij een 

objectieve buitenstaander een 
bepaalde indruk vestigen. Als de 
persoon zelf zich daarin helemaal 
niet herkent, dan houdt het op. 

Minister Kosto: Ik probeer een 
goede oplossing te vinden. Ik dacht 
deze te hebben omdat de rechter 
hetzelfde kennisniveau heeft op dat 
moment als de ouders. Mevrouw 
Soutendijk en mevrouw Versnel 
zeggen echter dat dit onvoldoende 
is. Ik kan op dit moment, gezien de 
stand van de wetgeving, niet anders 
zeggen dan dat men zich tot het 
bureau moet wenden. Als dat 
betekent dat ik de zaak versimpel 
omdat dit niet lukt, dan zal ik moeten 
bekijken af dit in de rapportage van 
de commissie met een advies belegd 
kan worden. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
De minister kan dat laatste wel 
regelen door tegen de raden te 
zeggen: als een dergelijk rapport bij 
jullie binnenkomt, dan mogen de 
betrokkenen dat rapport inzien. 

Minister Kosto Ik kom daar in 
tweede termijn nog even op terug. Ik 
moet daar nog even over nadenken. 
Ik dacht dat ik voor mevrouw Versnel 
een afdoend antwoord had, maar dat 
heb ik dus niet. Zij brengt mij op dat 
punt in verwarring. 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): Wij 

hebben over deze kwestie schrifte– 

lijke vragen gesteld. Misschien kan 
de minister bij de beantwoording 
daarvan gewoon wat nauwkeuriger 
op dit punt ingaan. Naar aanleiding 
daarvan kunnen wij het dan verder 

afhandelen. 

Minister Kosto: Zullen wij het dan zo 
maar meteen afdoen? Het is dus in 
behandeling en er komt een 
schriftelijk antwoord. Dan kom ik er 
nu ook niet meer op terug. Ik zie de 
instemming van mevrouw Versnel. Ik 
dank mevrouw Vliegenthart voor 
deze waardevolle aanreiking. 

Mijnheer de voorzitter! De heer 
Rouvoet vroeg naar de verhouding 
tussen de criteria van artikel 254 
inzake ondertoezichtstelling en die 
van artikel 261 inzake de uithuis– 
plaatsing. Voor het opleggen van een 
ondertoezichtstelling moet sprake 
zijn van ernstige bedreiging van het 
kind. Dan komt eerst aan de orde 
welk belang in het kader van de 
maatregel wordt geboden. Daarbij 
geeft artikel 257, lid 2, de instructie 

16juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK78 


Kosto 

dat de ouders daarbij zoveel mogelijk 
de verantwoordelijkheid voor de 
verzorging en de opvoeding zelf 
moeten behouden. Uithuisplaatsing 
komt dus pas aan de orde wanneer 
de bedreiging van het kind op deze 
wijze niet kan worden afgewend. Dan 
kan de noodzaak van uithuisplaatsing 
ingevolge artikel 261 aan de orde 
zijn. 

De heer Rouvoet (RPF): Ik dank de 
staatssecretaris voor de toelichting. 
In het eerste lid van artikel 261 wordt 
over een uithuisplaatsing gezegd dat 
het niet een zelfstandig criterium 
biedt voor de bepaling van het 
moment waarop een uithuisplaatsing 
kan plaatsvinderi. Ik leid eruit af dat 
het dus geen zelfstandig criterium is. 
Het is meer iets wat wordt gehan– 
teerd als het criterium van artikel 254 
in combinatie met het zojuist 
geciteerde uit artikel 257 geen 
soelaas biedt. 

Minister Kosto: Als het lichtere 
instrument niet werkt, treedt het 
volgende instrument pas in werking. 
Men kan het zien als ultimum 
remedium. 

Voorzitter! Over de verdeling van 
de verantwoording bij uithuis– 
plaatsing wil ik het volgende zeggen. 
In het geval van uithuisplaatsing zal 
samenwerking moeten plaatsvinden 
tussen de gezinsvoogdij-instelling en 
de voorziening waarin het kind is 
opgenomen. Wanneer een minderja– 
rige uit huis geplaatst is in een 
voorziening voor jeugdhulpverlening, 
rust op die voorziening de verplich– 
ting een hulpverleningsplan op te 
stellen. Voor zover het 
hulpverleningsplan van de voorzie– 
ning reeds voorziet in onderwerpen 
die verplicht moeten worden 
opgenomen in het hulpverlenings– 
plan van de gezinsvoogdij-instelling, 
behoeft laatstgenoemde instelling 
deze onderwerpen niet meer te 
behandelen in haar eigen 
hulpverleningsplan. Voor de overige 
onderdelen stelt de gezinsvoogdij– 
instelling uiteraard wel een 
hulpverleningsplan op. 

Verder dient over het 
hulpverleningsplan van de voorzie– 
ning overleg plaats te vinden tussen 
de gezinsvoogdij-instelling en de 
voorziening. Het hulpverleningsplan 
kan niet worden gewijzigd dan nadat 
daarover overeenstemming is bereikt 
met de gezinsvoogdij-instelling. De 
inbreng van de gezinsvoogdij– 
instelling in het hulpverleningsplan 

van de voorziening waarin de 

minderjarige is geplaatst, is van een 

sturend karakter. De instelling blijft 

immers verantwoordelijk voor de 

uitvoering van de ondertoezichtstel– 

ling. 

De heer Rouvoet vraagt naar de 
stand van zaken met betrekking tot 
de inspectie jeugdhulpveriening en 
jeugdbescherming. Op 4 mei jl. heeft 
in de Nieuwe kerk in Den Haag de 
integrale inspectie jeugd– 
hulpverlening en jeugdbescherming 
zich gepresenteerd aan een breder 
publiek. Daaronder bevond zich de 
staatssecretaris van Justitie. Deze 
inspectie heeft haar werkzaamheden 
al voortvarend aangevat. De formatie 
is nagenoeg op peil. 

Ten slotte wil ik iets zeggen over 
het amendement op stuk nr. 15 van 
de heer Rouvoet. Hij wil in artikel 
262, tweede lid, drie maanden door 
een maand vervangen. Eerlijk 
gezegd, is drie maanden al een 
beetje aan de krappe kant. Het is 
gewoon nodig om bijvoorbeeld een 
geschikte plaats te vinden. Eén 
maand is volstrekt te weinig. Wij 
streven vanzelfsprekend naar een 
termijn korter dan drie maanden, 
maar in de actuele situatie is dat een 
onmogelijkheid. Dat spijt mij genoeg, 
want ik zou veel liever hebben, dat er 
zo'n voorraad aan voorzieningen 
was, dat ik kon zeggen: maar 
natuurlijk. Maar dat is niet het geval. 

Voorzitter! Op de vraag van de 
heer Schutte over de case load van 
de gezinsvoogden nog het volgende. 
Bij de invoering van de zogenaamde 
GlS-kwaliteitsrichtlijnen zullen de 
case loads bij de uitvoering van de 
ondertoezichtstelling worden 
aangepast. Voor ondertoezichtstelling 
in het eerste jaar komt die case load 
op 20 per uitvoerend werker en voor 
de overige ondertoezichtstellingen 
op 27 per uitvoerend werker. Ik zou 
dat graag per 1 januari 1995 mogelijk 
willen maken. 

Voorzitter! Ten slotte wil ik nog 
enkele opmerkingen over de kerken 
maken naar aanleiding van opmer– 
kingen van verschillende fracties 
over de levensbeschouwelijke 
achtergrond. Het is mijn bedoeling, 
dat de huidige instellingen met een 
specifieke levensbeschouwelijke of 
godsdienstige achtergrond behouden 
blijven. Ik doel dan op de instellingen 
van christelijke signatuur en het 
Joods maatschappelijk werk. Bij het 
proces van schaalvergroting is om 
die reden dan ook afgezien van het 
opheffen dan wel onderbrengen van 

de levensbeschouwelijke 
gezinsvoogdij-instellingen bij andere 
gezinsvoogdij-instellingen. Door het 
in stand houden van deze levensbe– 
schouwelijke instellingen en gelet op 
het feit, dat deze instellingen een 
landelijke functie hebben meen ik 
oprecht voldoende waarborgen te 
hebben gecreëerd om in de praktijk 
daadwerkelijk tegemoet te kunnen 
komen aan de wensen van hulp– 
vragers op dit terrein. 

De voorzitter: Mij lijkt het het beste 
dat de behandeling volgende week 
wordt voortgezet, omdat de minister 
te kennen heeft gegeven zich over 
een aantal punten te willen beraden. 
Ik denk dat het wetsvoorstel vergt 
dat wij de tijd nemen. 

Naar mij blijkt, stemt de Kamer 
hiermee in. 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): Ik 
zou de minister willen vragen, ons 
ten behoeve van die tweede termijn 
de financiële onderbouwing van die 
5 mln. a 20 mln. te doen toekomen. 
Wij kunnen er dan op reageren. 

De voorzitter: Ik ga ervan uit, dat de 
minister vooral de wat technische 
punten, waarop hij zich nader wil 
beraden, zo mogelijk vóór de tweede 
termijn schriftelijk beantwoordt of 
nader van commentaar voorziet. Dat 
zal de tweede termijn efficiënter 
maken. 

Minister Kosto: Ik zal die wens 
graag vervullen. 

De algemene beraadslaging wordt 
geschorst. 

Sluiting 16.27 uur 

D 

Lijst van ingekomen stukken, 
met de door de voorzitter ter 
zake gedane voorstellen: 

1. het voorstel van wet Wijziging van 
hoofdstuk XVI (Ministerie van 
Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur) 
van de begroting van de uitgaven en 
de ontvangsten voor het jaar 1994 
(wijziging samenhangende met de 
Voorjaarsnota) (23756). 
Dit voorstel van wet is al gedrukt en 
rondgedeeld; 

2. de volgende brieven: 
16juni 1994 
Tweede Kamer Ingekomen stukken TK78 78-5401 


Lijst van ingekomen stukken 

een, van de minister voor 
Ontwikkelingssamenwerking, over 
het aanpassingsbeleid Suriname 
(20361, nr. 71); 

een, van de minister van 
Volkshuisvesting, Ruimtelijke 
Ordening en Milieubeheer, ten 
geleide van de agenda van de Raad 
van de Europese Unie (Milieu) van 8 
en 9 juni 1994 te Luxemburg 
(21501-08, nr. 41); 

een, van de minister van 
Economische Zaken, ten geleide van 
het verslag van de Energieraad van 
25 mei 1994 (21501-14, nr. 23); 

een, van de minister van Welzijn, 
Volksgezondheid en Cultuur en de 
staatssecretaris van Volkshuisvesting, 
Ruimtelijke Ordening en Milieube– 
heer, over de stand van zaken t.a.v. 
de huisvesting van statushouders en 
asielzoekers (19637, nr. 105). 

Deze brieven zijn al gedrukt en 

rondgedeeld; 

3. een brief van de minister voor 
Ontwikkelingssamenwerking, over 
leermiddelenproject. 
De voorzitter stelt voor, deze brief 

door te zenden aan de betrokken 

commissie ter vertrouwelijke 

kennisneming door de leden; 

4. de volgende brieven: 
een, van de minister van 

Buitenlandse Zaken, ten geleide van 

administratieve akkoorden met 

Honduras inzake technische 

samenwerking; 

een, van de minister van 

Volkshuisvesting, Ruimtelijke 

Ordening en Milieubeheer en de 

staatssecretaris van Financiën, ten 

geleide van een interne circulaire 

betreffende gedragslijnen bodemver– 

ontreiniging in staatseigendommen; 

een, van de staatssecretaris van 

Volkshuisvesting, Ruimtelijke 

Ordening en Milieubeheer, ten 

geleide van een afschrift van een 

brief aan de Stichting Experimenten 

Volkshuisvesting (SEV) waarin zijn 

standpunt is opgenomen m.b.t. het 

door de SEV uitgebrachte advies 

over een eventuele specifieke 

experimentele aanpak van uitzonder– 

lijke knelpunten op de woningmarkt 

van groeikernen; 

een, van de minister van 
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, 
ten geleide van het verslag van de 
activiteiten van de Voorlopige 
commissie ethische toetsing 

genetische modificatie van dieren 
betreffende 1993. 

De voorzitter stelt voor, deze brieven 
door te zenden aan de betrokken 
commissies ter afdoening en niet te 
drukken. 

16juni 1994 
Tweede Kamer Ingekomen stukken TK78 


