98ste vergadering: 
Bijzondere commissie 15317* 

Voorzitter: Cornelissen 

Aanwezig zijn 12 leden der Kamer, te 
weten: 

Haas-Berger, Cornelissen, Worrell, 
Mik, Leerling, Lankhorst, Van der 
Heijden, Lucassen-Stauttener, Laning-
Boersema, Evenhuis-van Essen, Van 
der Vlies en Van Es, en mevrouw 
Korte-van Hemel, staatssecretaris van 
Justitie, die vergezeld is van enige 
ambtenaren. 

Aan de orde is de behandeling van de 
notitie De Raad voor de Kinderbescher-
ming (18122). 

De Voorzitter: Ik heet de staatssecre-
taris van Justitie en haar medewerkers 
van harte welkom. Ik zou nu graag 
onmiddellijk willen beginnen, want 
het onderwerp is genoegzaam 
schriftelijk voorbereid. 

De beraadslaging wordt geopend. 

D 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): 
Mevrouw de Voorzitter! De notitie 
inzake de Raden voor de Kinderbe-
scherming heeft wat teleurstelling bij 
mij teweeggebracht en wel in twee 
opzichten. Aan de ene kant verhult de 
nota vrij veel. Ik meende dat deze 
nota, die tot stand is gekomen naar 
aanleiding van een motie van een lid 
van de CDA-fractie, juist duidelijkheid 
zou moeten scheppen over de taak en 
de positie van de Raden voor de 
Kinderbescherming. Men kan hieruit 
het volgende afleiden: óf het toenma-
lige lid van de CDA-fractie vond dat er 
niet echt duidelijkheid geschapen 
behoefde te worden, óf de huidige 
staatssecretaris heeft dat lid van de 
fractie niet serieus genomen. Dat 
horen we nog wel. 

Aan de andere kant moet ik consta-
teren dat er heel veel moeite is 
gedaan en ook gedaan moest worden, 
om reacties uit het veld te krijgen. 
Gezien het feit dat er zoveel kritiek is 
op de Raden, hadden wij juist gedacht 
dat een groot aantal organisaties uit 

zich zelf munitie zouden hebben 
geleverd, aangevende waar precies 
de kritiek lag. Dat het zo niet gegaan 
is, heeft mij ook teleurgesteld. Ik maak 
deze opmerking over het hoofd van 
de staatssecretaris heen. 

Mevrouw de Voorzitter! De notitie 
probeert duidelijkheid te scheppen 
over de plaats en de taken van de 
Raden voor de Kinderbescherming. 
Het is ons opgevallen dat de notitie 
vertelt, hoe het op dit moment is, en 
dat zij in die zin verhullend werkt dat 
de feilen die aan de huidige situatie 
kleven - ik verwijs ook naar de 
klachten die wij in de loop der jaren 
naar voren hebben gebracht -, in feite 
zijn weggeschreven en toegedekt in 
deze notitie. 

De staatssecretaris komt tot de 
conclusie dat zoals het nu is en zoals 
het kort geleden is veranderd in het 
Organisatiebesluit, het eigenlijk wel 
goed is. Een paar dingen zullen op 
termijn nog wel veranderd worden, 
maar voor het overige blijft het zoals' 
het is. 

De notitie bevat in feite weinig 
nieuw beleid. Mijn opmerkingen en 
verhalen over een periode van meer 
dan 10 jaar kan ik nog steeds op 
dezelfde wijze naar voren brengen. Ik 
zal het niet doen, maar ik had een 
betoog kunnen voorlezen dat ik in 
1973 heb gehouden betreffende de 
scheiding van recht en hulpverlening. 
Ik denk dat er ter zake van dit punt 
niets is veranderd sindsdien, omdat 
we ook nu nog steeds hebben te 
maken met de fuikwerking: cliënten 
komen bij de Raad om hulpverlening 
en krijgen vervolgens te maken met 
een maatregel. 

De Raad heeft een aantal taken die 
geënt zijn op de wet, maar komt ook 
met de hulpvraag in aanraking. Nog 
steeds zien we dat men niet duidelijk 
op de hoogte is met deze verstrenge-
ling van taken. Wij zijn van mening 
dat die fuikwerking voorkomen zou 
moeten worden en dat wat dit betreft 
de hulpverleningstaak bij de Raad zou 
moeten worden weggehaald. De 
Raden zouden alleen maar de taken 
moeten vervullen, zoals die in de wet 
zijn geformuleerd. 

Er zitten een spanning tussen de 
twee componenten, de hulpverlenings-
taak en de justitiële taken. Alhoewel 
het geen nieuw probleem is, loopt de 
staatssecretaris naar mijn mening 
veel te gemakkelijk voor deze spanning 
weg. Het uitgangspunt, het belang 
van de minderjarige, komt niet 
duidelijk genoeg naar voren, alhoewel 
het met zoveel woorden steeds weer 
in de nota terugkomt. Maar ik denk 
dat het belang juist door die verstren-
geling van taken toch te veel in de 
verdrukking kan komen. Daar moet 
duidelijkheid over komen. 

Er is een belangentegenstelling 
tussen de twee taken. Juist door de 
onduidelijkheid komen de mensen te 
gemakkelijk van de vraag om hulpver-
lening in de maatregel terecht. Ik denk 
dat er nog een ander probleem bij is. 
Wellicht kan de staatssecretaris 
hierover wat duidelijkheid geven. In 
de nota staat dat er aanwijzingen 
gegeven kunnen worden, opdat een 
zo eenduidig mogelijk beleid bij alle 
raden wordt gevoerd. 

Het vreemde is echter dat je toch 
herhaaldelijk ziet dat er situaties zijn 
waarin aan de ene kant sprake is van 
een hulpvraag naar de raden toe, 
waarna de mensen in een maatregel 
terechtkomen, maar dat er aan de 
andere kant situaties zijn waarin 
sprake is van een klacht - die hetzij bij 
de onderwijzers hetzij een of andere 
instelling binnenkomt - die echt tot 
een noodzakelijke maatregel zou 
kunnen leiden omdat de kinderen echt 
verwaarloosd worden, maar waarin 
dan helemaal niets gebeurt. In de ene 
situatie wel en in de andere situatie 
niet. 

Daarbij is sprake van een duidelijk 
verschil in beleid van de raden. De 
staatssecretaris heeft terecht opge-
merkt de individuele gevallen niet te 
kunnen beoordelen. Dat is ook zo, dat 
is niet aan de staatssecretaris. Maar 
dan nog zien wij een verschil van 
behandeling door de diverse raden. Ik 
vraag mij dan af welke mogelijkheden 
de staatssecretaris heeft om een meer 
eenduidig beleid te bewerkstelligen. 

Wij hebben gesteld dat er een 
scheiding moet komen tussen de 

Bijzondere commissie 15317 

Raad voor de Kinderbescherming 

UCV98 

28 mei 1984 98-1 


Haas-Berger 

justitiële taken die de raden opgelegd 
hebben gekregen en de hulpverlenings-
taak. Dit betekent natuurlijk wel dat 
er een oplossing gevonden moet 
worden voor de invulling van die 
hulpverleningstaak. Naar mijn oordeel 
moet er dan per regio, per arrondisse-
ment, een goed overleg zijn tussen 
alle hulpverleningsinstellingen, de 
reguliere instellingen maar ook de 
alternatieve instellingen, zo die er zijn. 
De hulpvraag moet in dat overleg 
terechtkomen en dan moet men daar 
kijken of de mogelijkheid bestaat om 
die hulpvraag te beantwoorden, op 
welke manier dan ook. Daar ligt de 
eerste aanzet tot de vrijwillige hulpver-
lening. 

Ik vind ook dat het bij deze indeling 
per arrondissement niet mag beteke-
nen dat de kinderen weggeschoven 
worden, wat nog wel eens gebeurt. 
Men is in gezamenlijk overleg verant-
woordelijk voor de oplossing die na 
ontvangst van de hulpvraag gezocht 
moet worden. Loopt dit alles niet, dan 
is de raad de instantie die zich op dat 
moment met de zaak moet gaan 
bezighouden, die moet bezien of een 
maatregel geëigend is en die de 
maatregel dan ook moet requesteren. 
Ik meen dat wij op deze manier 
moeten opereren om te voorkomen 
dat aan de ene kantte vlug maatrege-
len worden genomen en aan de 
andere kant mensen in een fuik 
belanden, doordat zij na het vragen 
van hulpverlening, toch in een 
maatregel terechtkomen. Ik meen dat 
dit de beste manier is om in te gaan 
op de hulpvragen. Men bekijkt dan 
namelijk met elkaar wat in een 
individueel geval de beste oplossing 
is. 

Mevrouw de Voorzitter! Ik wil een 
scheiding van de taken van de Raden 
voor de Kinderbescherming en vraag 
daartoe om een uitspraak van de 
Kamer. 

Motie 

De Voorzitter: Door het lid Haas-Berger 
wordt de volgende motie voorgesteld: 

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging; 

constaterende, dat de Raden voor de 
Kinderbescherming zowel niet op de 
wet gebaseerde hulpverleningstaken 
en wettelijke taken verrichten; 

overwegende, dat dit takenpakket 
onduidelijkheid jegens de cliënt 
schept; 

overwegende, dat de combinatie van 
die taken er in de praktijk toe leidt, dat 
een vrijwillige hulpvraag onverhoeds 
toch tot een juridische maatregel kan 
leiden; 

verzoekt de regering, te bevorderen 
dat een geïntegreerd hulpverlenings-
aanbod in de vrijwillige sfeer tot stand 
komt, waarnaar de Raden kunnen 
doorverwijzen; 

verzoekt de regering, ervoor te zorgen 
dat de Raden zich uitsluitend bezighou-
den met de op de wet gebaseerde 
taken, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

Deze motie krijgt nr. 6 (18122). 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): 
Mevrouw de Voorzitter! De raden 
hebben een aantal taken. Allereerst 
kunnen zij een maatregel uitlokken. Ik 
heb zojuist gezegd dat het beleid in 
het land niet overal gelijk is. Kan de 
staatssecretaris een meer eenduidig 
beleid realiseren? 

In de nota staat dat het bij het 
uitlokken van een maatregel gaat om 
de afweging van het belang van de 
ouders en het welzijn van de minder-
jarigen. Dat is mijns inziens onjuist. 
Evenals bij andere maatregelen, bij 
voorbeeld het omgangsrecht, gaat het 
om het welzijn van de minderjarigen. 
Het gaat niet om het belang van de 
ouders. Dat is een verkeerd uitgangs-
punt, dat wij mijns inziens niet 
kunnen hanteren. 

Wij spreken over kinderbescher-
mingsmaatregelen, hetgeen misschien 
een ouderwetse term is. Deze term 
geeft echter meer aan waarom het 
gaat dan de term in de nota, namelijk 
'afweging van de belangen'. De raden 
hebben ook een adviserende taak met 
betrekking tot het gezag. Allereerst 
dienen wij te benadrukken dat 
wanneer een raad advies geeft aan de 
rechter, dus wanneer er een uitspraak 
over het gezag moet komen, dat 
contra-expertise mogelijk moet zijn. 

Deze kan worden verzocht door de 
rechter of door de cliënt, omdat niet 
altijd duidelijk is dat inderdaad alle 
gegevens op tafel liggen. Het blijkt 
wel eens dat de rapporten en adviezen 
niet volledig zijn. Ook worden deze 
soms vanuit een bepaalde visie 
geschreven. Juist omdat te voorkomen 
moet er een mogelijkheid zijn tot 
contra-expertise. 

Wij zijn verheugd met de uitspraak 
van de Hoge Raad dat beide ouders 
het gezag over de kinderen kunnen 
houden. Wat gaat de staatssecretaris 
nu doen? Wordt er vaart gezet achter 
het wetsontwerp, waarin inderdaad 

de mogelijkheid wordt geregeld dat 
beide ouders het gezag kunnen 
handhaven over de kinderen? Geble-
ken is dat de raden tot nu toe niet 
hebben geadviseerd dat beide ouders 
gezag kunnen uitoefenen. 

Ik vind het jammer dat de Wet op 
het omgangsrecht door de regering is 
teruggetrokken toen deze al bij de 
Eerste Kamer lag. Het gaat duidelijk 
om een gezagsbepaling ten aanzien 
van de kinderen. De wet was door de 
Tweede Kamer aangenomen. Omdat 
er rumoer ontstond, is deze terugge-
trokken. Dat is een principieel onjuiste 
gang van zaken. De Eerste Kamer had 
zich daarover moeten uitspreken. De 
regering had het wetsvoorstel niet 
terug moeten trekken. Wat gaat er nu 
gebeuren? 

Welke regelen met betrekking tot 
het omgangsrecht zal de regering nu 
aan de Kamer voorleggen? Zal daarin 
ook - dit is mijns inziens een heel 
belangrijk aspect, zeker gelet op het 
welzijn en het belang van de jeugdi-
gen - de mogelijkheid naar voren 
komen dat de jeugdige zelf heel 
duidelijk mee kan spreken over wat er 
met betrekking tot het gezag met hem 
of haar gebeurt? In de wet op het 
omgangsrecht hadden wij wat dat 
betreft daarin een groot aantal 
verbeteringen aangebracht alhoewel 
dat naar mijn smaak niet genoeg was. 
Ik dring er toch bij de staatssecretaris 
op aan, dat punt inderdaad bij een 
nieuwe wettelijke omgangsregeling te 
betrekken. 

De raden hebben een adviserende 
taak in de richting van de rechterlijke 
macht. Nu hebben wij verschillende 
berichten over de werkwijze verno-
men. Wij hebben van rechtbanken 
gehoord, waarbij de raden in een zeer 
vroeg stadium betrokken zijn bij de 
gehele gang van zaken. Dat betreft 
dan kleine rechtbanken, waarbij de 
medewerkers van de raden in allereer-
ste instantie meespreken en de gehele 
problematiek kennen 

Wij kennen echter ook verhalen van 
rechtbanken waarbij de raden op het 
allerlaatste moment een advies 
kunnen komen overleggen. De raden 
kennen inhoudelijk dan weinig van de 
problematiek, waardoor het advies 
minder diepgang heeft dan wanneer 
men langer met een desbetreffende 
zaak bezig is. Ik vraag de staatssecre-
taris hoe zij ten aanzien van deze 
problematiek met oplossingen denkt 
te komen. Wellicht kan zij, wat betreft 
de werkwijze, eens te rade gaan in 
Leeuwarden, waar een en ander al 
aardig schijnt te lopen. 
Haas-Berger 

De raden hebben een taak ten 
aanzien van de strafmaatregelen. In 
de nota staat op een goed moment 
dat de functie van het recht, het 
welzijn van het kind is in dit geval. Dat 
is mij niet helemaal duidelijk. Wellicht 
kan de staatssecretaris daarover wat 
meer duidelijkheid scheppen. Alhoe-
wel er afspraken gemaakt zijn, 
gebeurt het wel dat kinderen worden 
verhoord zonder dat er een wettelijke 
vertegenwoordiger bij aanwezig is. 
Als die afspraken er zijn, moeten die 
ook gehanteerd worden. Ik vraag de 
staatssecretaris daarop toe te zien. 

Een ander punt ten aanzien hiervan 
is de vroeghulp. De staatssecretaris 
zegt dat de desbetreffende taak 
eigenlijk bij de raden moet blijven, 
aangezien er aan de ene kant sprake 
is van een voorlichtingsfunctie en aan 
de andere kant van een hulpfunctie, te 
weten de EHBO. Op dit moment zien 
wij dat er genoeg particuliere instellin-
gen zijn die ervaring hebben met 
vroeghulp en die ook de voorlichting 
willen geven. 

Ik denk dat, mede gelet op hetgeen 
ik in het eerste deel heb opgemerkt, 
de hulpverlening wat dit betreft vanuit 
de raad niet juist. De staatssecretaris 
zegt die twee componenten ten 
aanzien van die vroeghulp niet te 
willen splitsen. Welnu, dan zou mijns 
inziens de taak van de vroeghulp niet 
bij de raden voor kinderbescherming 
moeten komen te liggen. 

Vervolgens merk ik iets op over de 
selectie van adoptief-gezinnen. Dat 
betreft ook een functie van de raden. 
Het is een formele taak. Zoals wij al 
eerder bij de bespreking van de 
adoptienota hebben betoogd, denken 
wij dat dat, mede gelet op de verant-
woordelijkheid ten opzichte van 
andere regeringen, een formele taak 
is die de raad toebehoort. In de nota 
staat echter dat de politiek zoveel druk 
op de raden uitoefent, dat bij die 
raden de prioriteit wordt gelegd bij de 
selectie van adoptief-gezinnen zodat 
zij aan andere taken niet toekomen. 

Ik denk niet dat het de politiek is die 
daarop zo'n grote druk legt. Het gaat 
om het grote aantal aanvragen dat bij 
de raden binnenkomt, waardoor de 
gezinnen geselecteerd moeten 
worden. Het probleem daarbij is dat 
het aanbod wat dit betreft te gering is. 
Ervan uitgaande dat de raden dit werk 
moeten doen, moet ook het andere 
werk van de raden niet in de knel 
komen. Het is van tweeën een: öf het 
is geen taak van de raden, öf het is 
wel een taak van de raden en dan 
geeft dat, gelet op het grote aanbod, 

een geweldig beslag op de werklast 
van de raden van de kinderbescher-
ming. 

Dit brengt mij op een ander punt en 
wel de financiering van de raden. Als 
wij zeggen dat de raden een aantal 
taken moeten verrichten - ik heb het 
dan niet over de hulpverlening - dan 
gaat het om taken die op grond van 
de wet aan de raden zijn opgelegd. 
Als dat zo is, dan moeten de raden 
ook financieel, wat het aantal forma-
tieplaatsen betreft, in staat zijn om 
dat werk te doen. 

Aangezien die taken door de wet 
zijn opgelegd, kun je namelijk niet 
zeggen dat een gedeelte van dat werk 
dan maar in de knel komt te zitten. 
Door het eens heel streng te bekijken, 
zou het misschien allemaal nog wel 
kunnen, maar op een goed moment 
houdt het op. Op een goed moment is 
er een eind aan het bezuinigen bij 
wettelijke taken. Dan moet je maar 
een aantal taken schrappen. Het is 
van tweeën één. 

Als wij echter over bezuinigingen 
en wettelijke taken spreken, dan zijn 
er natuurlijk een aantal voorwaarden 
die wij de laatste tijd gesteld hebben 
aan allerlei werksoorten. Hieronder 
valt bij voorbeeld het democratisch 
functioneren. De start die hiermee 
wordt gemaakt, mag mijns inziens 
niet in de knel komen. 

Op dit moment is er een openheid, 
die ook in het werk moet worden 
betracht. Er moeten ook meer overleg-
situaties zijn, hetgeen de laatste tijd 
volgens de nota schijnbaar op gang 
komt. De mensen spreken dan met 
elkaar en er wordt dus geen solistisch 
advies gegeven. Als die openheid en 
die overlegsituaties ook door de 
bezuinigingen zouden worden 
weggestreept, zou dat de klok terug-
draaien betekenen. 

Tot een van de taken van de raad 
behoort de wijziging van de naam. Ik 
vraag de staatssecretaris wanneer de 
richtlijnen worden veranderd. Deze 
zijn ouderwets en betuttelend. Als 
iemand bij voorbeeld vijf jaar alleen 
woont, dan kan heel moeilijk de naam 
van de moeder aan het kind worden 
gegeven. Als die persoon daarna met 
iemand gaat samenwonen, dan kan 
het nog niet. Het is nodig dat de 
staatssecretaris daar eens kritisch 
naar kijkt. 

Ik kom tot de toezichthoudende 
taken. De raden moeten een grondige 
kennis hebben van het functioneren 
van de instellingen waarin de kinderen 
zullen worden geplaatst. Als er 
toezicht gehouden moet worden, dan 
zijn in eerste instantie de voogdij-in-

stellingen verantwoordelijk voor het 
functioneren en het controleren of de 
kinderen goed zijn geplaatst. 

De voogdij-instellingen moeten in 
eerste instantie beoordelen of een 
plaatsing in een andere instelling 
geëigend zou zijn. Ik vraag mij af of de 
raad dan in die situatie de toezichthou-
der moet zijn en of niet eerder 
onafhankelijk van de raad door een 
inspectie bekeken moet worden of het 
functioneren van de instellingen wel 
optimaal is. Dat zal het immers wel 
moeten zijn, in het belang van de 
kinderen. 

Bij al deze taken komen de raden in 
aanraking met buitenlandse kinderen. 
Het is natuurlijk heel prettig dat de 
raden onder de verantwoordelijkheid 
van de staatssecretaris van Justitie 
vallen en ook dat dit voor de vreem-
delingendiensten geldt. Ik vind het 
echter een oneigenlijk middel indien 
de raden verplicht zouden zijn, bij de 
vreemdelingendiensten te vragen of 
die kinderen een geldige verblijfstitel 
hebben. 

Het is juist dat dit bekeken wordt, 
maar niet dat dit via dit kanaal 
gebeurt. De vreemdelingendiensten 
moeten dit autonoom doen. Het 
gebeurt mij de laatste tijd te vaak dat 
via de kinderen druk op de ouders 
wordt uitgeoefend en dat wordt 
bekeken of er wel een geldige verblijfs-
titel is. Ik vind dat dit niet kan. De 
raden mogen niet verplicht worden 
om daar bij de vreemdelingendiensten 
navraag naar te doen. 

De samenstelling van het college 
van de raden is ons nog niet geheel 
duidelijk. Wij vinden dat het ter wille 
van het werk en van de invloed van 
het beleid dat het college moet gaan 
voeren, nodig is dat de hulpverlenings-
instellingen, ook de alternatieve 
hulpverleningsinstellingen, vertegen-
woordigd zijn in het college. Dat 
gebeurt af en toe wel. Er zijn colleges 
waar inderdaad rekening wordt 
gehouden met de instellingen en 
waar geprobeerd wordt om de 
mensen erbij te betrekken. 

Wij moeten daar naar mijn mening 
een systeem voor maken, bij voorbeeld 
een systeem waarbij een derde van 
de leden deskundigen zijn, die door de 
minister worden benoemd en twee 
derde vertegenwoordigers van de 
instellingen, van alternatieve instellin-
gen en van belangengroepen. Bij de 
wet doelmatig democratisch functione-
ren moet hiernaar worden gekeken en 
moet hiervoor een juist voorstel voor 
worden gedaan. 

Volgens het nieuwe organisatiebe-
sluit houden de colleges zich alleen 

Bijzondere commissie 15317 

Raad voor de Kinderbescherming 

UCV98 

28 mei 1984 98-3 


Haas-Berger 

nog bezig met het algemene beleid en 
is de uitvoering van de individuele 
zaken gedelegeerd aan het bureau. 
Aangezien de staatssecretaris verant-
woordelijk blijft voor het werken van 
de raden van kinderbescherming, 
moet door de inspectie goed gekeken 
worden naar het functioneren van de 
raden. 

Er zijn nogal eens klachten. Dat 
betekent dat er in het algemeen moet 
worden gekeken naar het functioneren 
van de raden en of er wel de nodige 
prudentie in acht wordt genomen. Het 
gaat namelijk om zeer gevoelige 
gegevens. Er zijn klachten dat men 
niet altijd aardig is. De mensen 
worden wel eens voor het hoofd 
gestoten. Dat mag naar mijn mening 
niet gebeuren. De staatssecretaris 
moet daar inderdaad op toezien. De 
inspectie en de staatssecretaris 
moeten kijken of de rapportage 
voldoende is. 

Bovendien moet er een goed 
klachtrecht zijn. Op dit moment is er 
een klachtrecht bij het college. Dat is 
een interne zaak. In eerste instantie 
mag het klachtrecht best zo geregeld 
zijn dat eerst geprobeerd wordt de 
zaak intern op te lossen. Een aantal 
geschillen is namelijk met gesprekken 
op te lossen. Ik vind wel dat als dat 
niet werkt, als dezaak niet bevredigend 
kan worden geregeld, er een mogelijk-
heid moet zijn om extern een klacht te 
kunnen deponeren en dat een onafhan-
kelijk figuur daar dan een uitspraak 
over doet. Hopelijk zal dat voorkomend 
werken en zal het aantal klachten 
verminderen. Als dat niet zo is, dan 
blijkt pas recht duidelijk hoezeer het 
nodig is dat deze zaak wordt geregeld. 

Het is de bedoeling dat in de 
wet doelmatig democratisch functio-
neren ook een klachtenrecht wordt 
ingebouwd, waarbij ook gekeken 
wordt naar een externe mogelijkheid 
om klachten op te lossen. Vallen de 
raden daar ook onder? Wat dit betreft 
heeft het onze voorkeur dat de 
onafhankelijke instantie, waar men in 
tweede instantie naartoe kan gaan, 
een onafhankelijke rechter is, zoals 
dat ook bij de BOPZ is geregeld. 

Ik heb gezegd dat de raden met 
gevoelige materie krijgen te maken. 
Wij zijn van mening dat het inzage- en 
correctierecht en de vernietiging goed 
moeten worden geregeld. Op dit 
moment wordt het dossier 30 jaar na 
de aanleg gesloten. De staatssecretaris 
vindt dat al heel wat, want die periode 
is al teruggebracht van 70 jaar naar 30 
jaar. Ik vind dat dat niet kan. 

Als het nog even moet blijven 
liggen - waarom dat moet, is mij niet 
duidelijk - geldt toch dat de bewaar-
termijn van dertig jaar veel te lang is. 
Wij zijn van mening dat in ieder geval 
binnen vijf jaar na het bereiken van de 
meerderjarigheid het rapport en het 
dossier vernietigd moeten zijn. Dat 
betekent niet dat er na het bereiken 
van de meerderjarige leeftijd nog 
gebruik van kan worden gemaakt, 
maar in ieder geval moet de zaak dan 
vernietigd worden. 

In dit hele verhaal spreken wij ook 
over het inzagerecht. De staatssecre-
taris zegt dat dit inzagerecht er is, 
maar te vaak horen wij nog de klacht 
dat het niet gerealiseerd wordt. In dit 
verband spreken wij ook over het 
correctierecht. Het komt voor dat 
dingen worden neergeschreven over 
mensen, waar zij het heel duidelijk 
niet mee eens zijn. Het correctierecht 
is in de wet geregeld; men mag in 
ieder geval erbij voegen, waarover 
men het niet eens is. 

Nu kun je zeggen dat dit in bepaalde 
situaties niet kan, bij voorbeeld als het 
gaat over een ziektebeeld. Maar het is 
zo dat er conclusies getrokken kunnen 
worden, waar men het niet mee eens 
is. Men kan het er ook niet mee eens 
zijn, dat men door bepaalde mensen 
niet gehoord is. En dat moet dan heel 
duidelijk in het dossier te lezen zijn. 

De mensen moeten het correctie-
recht hebben, maar het mag niet zo 
zijn dat zo'n rapport even onder je 
neus gehouden wordt en dat je dan te 
horen krijgt: corrigeer het maar als je 
het er niet mee eens bent. Neen, deze 
mensen moeten even de tijd hebben 
om het op zich te laten inwerken en 
dan te zeggen: ik ben het met die 
punten niet eens; dat zou ik aan het 
dossier willen toevoegen. 

Ook hierover zou ik een uitspraak 
van de Kamer willen vragen, mevrouw 
de Voorzitter. 

Motie 

De Voorzitter: Door het lid Haas-Ber-
ger wordt de volgende motie voorge-
steld: 

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging; 

overwegende, dat het bestaande 
inzagerecht in de rapporten en de 
dossiers voor de cliënt betuttelend 
werkt; 

overwegende, dat zelfs dit inzagerecht 
in de praktijk niet altijd geëffectueerd 
kan worden door verschillende 
interpretaties van de regeling; 

verzoekt de regering, een duidelijke 
regeling voor het inzagerecht en correc-
tierecht op te stellen, waarbij minimaal 
aan de volgende voorwaarden zal 
moeten worden voldaan: 

1. de minderjarige cliënt kan zelf dit 
recht uitoefenen, eventueel - op eigen 
verzoek - bijgestaan door een verte-
genwoordiger; 

2. indien gewenst, heeft de cliënt 
recht op een afschrift; 

3. er moet voldoende tijd gelaten 
worden voor eventuele correctie; 

verzoekt de regering ervoor te zorgen 
dat de dossiers uiterlijk vijf jaar na het 
bereiken van de meerderjarigheid van 
de cliënt gesloten en vernietigd 
worden, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

Deze motie krijgt nr. 7 (18122). 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): 
Nóg één opmerking en één motie, 
mevrouw de Voorzitter. Wij hebben 
gewezen op de rechtspositie van de 
jeugdige. Onder de vorige minister 
van Justitie is gezegd: één overall-re-
geling inzake een verbeterde rechts-
positie van de jeugdige is een gigan-
tisch werk, dat is sysifusarbeid en dat 
komt nooit klaar. Maar, zo hebben wij 
toen ook gezegd: via diverse wetsont-
werpen zal de rechtspositie van de 
jeugdige op onderdelen worden 
verbeterd en geregeld. Aanzetten en 
voorstellen daartoe zijn gelegen in het 
rapport van de commissie-Wiarda. 
Voorzitter 

gehoord de beraadslaging; 

overwegende, dat aan de aanbevelin-
gen uit het rapport van de Commis-
sie-Wiarda nog steeds geen uitvoering 
is gegeven; 

overwegende, dat de rechtspositie 
van minderjarigen versterking 
behoeft; 

verzoekt de regering, met spoed 
uitvoering te geven aan de aanbeve-
lingen uit het rapport-Wiarda en 
voorstellen ter zake aan de Kamer 
voor te leggen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

Deze motie krijgt nr. 8 (18122). 

D 

Mevrouw Evenhuis-van Essen (CDA): 
Mevrouw de Voorzitter! De nota die 
wij vandaag bespreken, en die voortge-
komen is uit de motie op stuk nr. 14 
(15317) met als eerste ondertekenaar 
Korte-van Hemel, probeert ons enig 
inzicht te geven in de wijze waarop de 
Raden voor de Kinderbescherming 
zouden behoren te functioneren. 
Gelukkig wordt in de inleiding van 
deze nota al vastgesteld dat de 
diversiteit van de taken en de verstren-
geling van soms met elkaar conflicte-
rende hoedanigheden bijdragen tot 
de behoefte aan duidelijkheid. Dit is 
vooral het geval als het gaat om het 
vragen van maatregelen van kinderbe-
scherming enerzijds en het verlenen 
van hulp anderzijds. Dan is er sprake 
van de zogenaamde fuikwerking: men 
vraagt om hulp en wordt dan gevangen 
in het net van de maatregel. Dat is 
een duidelijke constatering. 

Op blz. 5 staat: 'dat de raad een 
taak heeft in verband met het verwe-
zenlijken van de rechtsregels, die 
betrekking hebben op minderjarigen.' 
'Ook de rechtstoepassing heeft 
immers dit doel: kenmerk van het 
jeugdbeschermingsrecht is het 
welzijnsbevorderende karakter ervan. 

Hulpverlening en rechtstoepassing 
zijn, aldus de nota, een schijnbare 
tegenstelling. Wanneer die tegenstel-
ling er dus in werkelijkheid niet is, hoe 
komt het dan dat tijdens hoorzittingen 
belangenorganisaties zeer kritische 
geluiden lieten horen, terwijl wij ook 
vanuit de burgerij veel brieven 
ontvingen met vaak schrijnende 
voorbeelden? 

In tegenstelling tot hulp op basis 
van vrijwilligheid is het aan het rech't 
eigen dat gestelde regels worden 
toegepast, ook indien de betrokkenen 
daartoe zelf niet bereid zijn. Er staat 
onomwonden in de nota dat, wanneer 
op redelijke termijn geen oplossing 

wordt gevonden, de Raad van zijn 
rekwestrerende of adviserende 
bevoegdheden gebruik kan maken. 
Wanneer de wet door een jeugdige 
wordt overtreden en de rechterlijke 
macht wordt deskundig voorgelicht, 
dan kan de fractie van het CDA zich 
daarin vinden. Helaas wordt ons 
vanuit de praktijk gemeld dat de Raad 
zelfs de justitiële taak niet altijd 
voldoende vervult. 

Het is, bij voorbeeld, in Amsterdam 
niet mogelijk gebleken een unit voor 
strafzaken op te richten, waardoor de 
verantwoordelijkheid voor de activitei-
ten in het kader van een strafzaak is 
verdeeld over de verschillende 
unithoofden naar de normale letterver-
deling. De unithoofden zijn niet 
ingespeeld op strafzaken, hebben 
onvoldoende inzicht in de strafproce-
dure en geven deze kennelijk onvol-
doende prioriteit. 

De kinderrechters krijgen lang niet 
altijd tijdig een reactie op hun verzoek 
tot verdere voorlichting en nader 
onderzoek, terwijl juist in strafzaken 
de behandeling aan termijnen is 
gebonden. Zelfs wanneer de Raad 
over onvoldoende menskracht 
beschikt om op de strafzitting een 
vaste vertegenwoordiger (ster) te 
laten adviseren, dan is het minste 
toch dat van te voren de kinderrechter 
het gevraagde advies tijdig beschik-
baar heeft. Een strafzaak is toch een 
signaal en een goede opvang moet 
zorgen dat verdere aanraking met het 
strafrecht wordt voorkomen. 

De Raad is een justitieel overheids-
orgaan. Juist daarom en omdat het 
door de burgerij ook als zodanig 
wordt ervaren, komt de Raad zo 
bedreigend over wanneer men ermee 
in aanraking komt als er geen wettelijke 
overtreding is begaan, bij voorbeeld 
bij een conflict binnen het gezin met 
ouders en/of opvoeders of bij een 
toewijzing van de voogdij aan één van 
de ouders tijdens een echtscheidings-
procedure. 

In vraag 25 werd gevraagd naar de 
resultaten van de werkwijze van de 
Raad te Assen in echtscheidingszaken. 
Uit het antwoord blijkt dat daarbij ook 
de Raden van Alkmaar en Den Haag 
betrokken zijn. Dit heeft onze aandacht. 
Graag zien wij te zijner tijd het 
resultaat van de evaluatie. De uitspraak 
van de Hoge Raad over het na 
scheiding samen voor het kind zorgen 
laat ik daarbij nog even buiten 
beschouwing, totdat er een officieel 
commentaar komt van de belangheb-
benden. 

Tijdens de UCV van 31 oktober jl., 
toen collega Cornelissen zo vriendelijk 
was mijn bijdrage voor te lezen, 

omdat ik zelf door ziekte verhinderd 
was, haalde zij een artikel uit de 
Volkskrant van 13 oktober aan, dat 
aldus begon: 'U kunt afscheid nemen 
van uw zoon bij de kinderpolitie, zei 
de kinderrechter tot de 45-jarige 
ongehuwde moeder. Zij had enkele 
maanden daarvoor hulp ingeroepen 
en tijdens de rechtszitting werd haar 
zoon weggehaald door de Raad voor 
de Kinderbescherming.' 

Tijdens die UCV zei de staatssecre-
taris ook, dat bij kinderen die weglopen 
de Raad pas in het laatste stadium 
wordt betrokken bij de zaak en, na 
kennisneming van de opvatting van 
de ouders en het kind, een beslissing 
neemt in het belang van het kind. Dat 
is dus een andere situatie dan die 
welke ik net schetste. Natuurlijk staan 
de belangen van het kind centraal, 
maar 'belang' is een subjectief gege-
ven. Wij worden regelmatig benaderd 
door ouders, waarvan de kinderen 
weglopen, welke via de hulpverle-
ningsinstellingen met medewerking 
van de Raad in het 'niet' verdwijnen. 
Wel wordt van de ouders dan een 
bijdrage in de kosten verwacht. 

Voor de belangen van het kind 
kiezen, betekent toch niet automatisch 
kiezen tegen ouders en opvoeders? 
Beschikken de maatschappelijk 
werkers van de Raden en de hulpver-
leningsinstellingen in het algemeen 
over voldoende ervaring om spannin-
gen, die er ongetwijfeld kunnen zijn 
tussen ouders/opvoeders en kinderen, 
in beider belang op te lossen? Wat is 
eigenlijk de gemiddelde leeftijd van 
de werkers? Juist het kunnen dreigen 
met een maatregel brengt ouders in 
een ongelijke positie ten opzichte van 
de Raad. 'Zorgvuldige hulpverlening' 
blijkt altijd nog op vele manieren te 
kunnen worden geïnterpreteerd. 

Mevrouwde Voorzitter. DeCDA-frac-
tie is van mening dat de taken van de 
Raden, ondanks hetgeen in de nota 
staat, nog eens duidelijk aan de orde 
moeten worden gesteld, waarbij ook 
de taken van de gekwalificeerde 
hulpverlening een uiterst belangrijke 
rol spelen. 

Er bestaan knelpunten, die om een 
oplossing vragen. Ik neem aan dat de 
kop boven een artikel in Trouw van 
hedenmorgen, luidende: 'Korte neemt 
kritiek op Kinderbescherming niet 
over. Zowel dwang als hulp in belang 
minderjarige' - blijkbaar een taak van 
de kinderbescherming - niet juist is. 
Deze geeft in ieder geval niet de visie 
weer van de CDA-fractie. Er moet juist 
veel bij de Raad veranderen. 

Zoals gezegd, mevrouw de Voorzit-
ter, bestaan er knelpunten, die om 
een oplossing vragen. In dit verband 

Bijzondere commissie 15317 
Evenhuis-van Essen 

wil ik u een motie aanbieden. Ik 
constateer, dat de motie, die ter zake 
door mevrouw Haas-Berger is 
ingediend, vrijwel identiek aan deze 
CDA-motie is. 

Motie 

De Voorzitter: Door de leden Evenhuis-
van Essen, Cornelissen en Laning-
Boersema wordt de volgende motie 
voorgesteld: 

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging; 

van mening, dat er onduidelijkheid 
bestaat inzake de taken van de Raden 
voor de Kinderbescherming als 
gevolg van de dubbele functie van 
rapportage en hulpverlening; 

van mening, dat het gewenst is dat er 
een duidelijke scheiding dient te zijn 
tussen beide functies; 

van mening, dat in beginsel de Raden 
zich primair dienen te richten op 
rapportage, toetsing en controle; 

van mening, dat in beginsel de 
hulpverlening primair dientte berusten 
bij gekwalificeerde particuliere 
organisaties; 

verzoekt de regering, binnen zes 
maanden de Kamer een notitie voor 
te leggen, uitgaande van de beoogde 
scheiding en de mogelijkheden die 
aanwezig zijn om de knelpunten, die 
zich daarbij voordoen, op te lossen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

Deze motie krijgt nr. 9 (18122). 

Mevrouw Evenhuis- van Essen (CDA): 
Mevrouw de Voorzitter. Bij de beant-
woording van de vragen heeft de 
staatssecretaris ons voorlichtingsma-
teriaal doen toekomen, materiaal 
waarvan ik met instemming kennis 
heb genomen. Is zij ervan overtuigd, 
dat dit voorlichtingsmateriaal aan elke 
cliënt en belanghebbende wordt 
verstrekt? Dit moet duidelijk merkbaar 
zijn aan de oplage. Ik wil hierover 
graag wat meer horen. 

Het antwoord op vragen met 
betrekking tot een voorlopige toever-
trouwing, waarin gesteld wordt dat 
toevertrouwingstijd wordt beschouwd 
als een kort durende onderzoeksituatie, 
klopt niet met onze informatie, 
waaruit de indruk ontstaat dat een 
'onbeperktheid' kleeft aan de voorlo-
pige toevertrouwing. Kan de staatsse-
cretaris hierover haar licht doen 
schijnen? 

De opleiding, die het meest voor de 
hand ligt, is die van maatschappelijk 
werker (werkster), aldus de staatsse-
cretaris. Wordt in die opleiding of 
tijdens het werken bij de Raden via 
bijscholing voldoende aandacht 
besteed aan de relatie tussen kinderen 
en ouders/opvoeders? Is die opleiding 
de enige of komen binnen het justitiële 
kader van de Raden ook anders 
opgeleiden in aanmerking? Waarom 
zouden wij bij de deskundigheidsbe-
vordering niet de particuliere hulpver-
lening betrekken? 

Mevrouw de Voorzitter! Helaas is 
onze samenleving minder aardig dan 
wij zouden willen. Wanneer een 
jeugdige met de Raad voor de 
Kinderbescherming in aanraking is 
geweest, blijkt betrokkene voor het 
verdere leven een brandmerk te 
hebben, het brandmerk van 'met 
Justitie in aanraking geweest'. 
Oorzaak hiervan is onder andere dat 
in de'Bepalingen, uitsluitend geldende 
voor de Rijksinrichtingen voor 
Kinderbescherming' staat, dat 
pupillendossiers worden vernietigd 
na 20 jaar of eerder bij overlijden en 
bovendien dat, wanneer de betrokken 
minderjarige (of meer dan één 
minderjarige uit hetzelfde gezin) bij 
een onderzoek - al of niet uitgemond 
in een maatregel - is betrokken 
geweest, de desbetreffende beschei-
den (gezinsdossiers) pas kunnen 
worden vernietigd dertig jaar nadat zij 
zijn aangelegd, mits de jongste 
hunner, die bij enige bemoeienis van 
de Raad betrokken is geweest, de 
meerderjarigheid heeft bereikt. 

Het antwoord op vraag 40 die 
hierover handelt en onzerzijds is 
gesteld, is naar de mening van de 
fractie van het CDA niet overtuigend. 
Het feit dat in I980 de bewaartermijn 
van 70 tot 30 jaar is teruggebracht 
- het is nog steeds 30 jaar - is voor de 
fractie van het CDA niet acceptabel. 
Een dergelijk dossier blijft druk 
uitoefenen op de betrokkene. De 
fractie van het CDA is van mening dat 
een bekorting van de bewaartermijn 
tot het tijdstip van meerderjarigheid va 
de betrokkene beter is. Juist bij de 
meerderjarigheidsgrens kan de 
koppeling van bewaartermijn en 
eigen verantwoordelijkheid nauwer 
aansluiten bij het beoordelingsvermo-
gen van degenen, op wie de dossiers 
betrekking hebben. 

Mevrouw de Voorzitter! Over dit 
belangrijke punt wil ik u namens de 
fractie van het CDA een motie aanbie-
den. 

Motie 

De Voorzitter: Door de leden 
Evenhuis-van Essen, Cornelissen en 
Laning-Boersema wordt de volgende 
motie voorgesteld: 

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging; 

van oordeel, dat een bewaartermijn 
van 30 jaar voor dossiers van de 
Raden voor de Kinderbescherming 
schade kan berokkenen aan de 
belangen van hen over wie gerappor-
teerd wordt; 

van oordeel, dat een koppeling van 
bewaartermijn aan meerderjarigheids-
grens nauwer kan aansluiten bij de 
eigen verantwoordelijkheid en het 
beoordelingsvermogen van hen op 
wie de dossiers betrekking hebben; 
Evenhuis-van Essen 

rie van Justitie niet voortvloeit uit de 
eigen verantwoordelijkheid van de 
raden. De regering behoort aan de 
raden over te laten, op welke wijze zij 
de noodzakelijke gegevens verzame-
len. 

Mevrouw de Voorzitter! Ook over 
deze kwestie wil ik u namens mijn 
fractie een motie aanbieden. 

Motie 

De Voorzitter: Door de leden Evenhuis-
van Essen, Cornelissen en Laning-
Boersema wordt de volgende motie 
voorgesteld: 

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging; 

van mening, dat het optreden van de 
Raden voor de Kinderbescherming 
ten opzichte van niet-Nederlandse 
minderjarigen wordt bepaald door de 
in de wet aan de Raden opgedragen 
taken; 

van mening, dat het de eigen verant-
woordelijkheid van de Raden is om 
zich zo goed mogelijk te informeren 
over de verblijfsstatus van de minder-
jarige, ten einde de rechter daarover 
te kunnen inlichten, zodat geen 
onjuiste verwachtingen worden 
gewekt over het effect van een 
eventuele maatregel of gezagsvoorzie-
ning; 

van mening, dat een verplicht overleg 
met het ministerie van Justitie in alle 
gevallen waarin een maatregel wordt 
voorbereid, niet voortvloeit uit de 
eigen verantwoordelijkheid van de 
Raden; 

verzoekt de regering, aan de Raden 
over te laten op welke wijze deze voor 
de uitoefening van hun taak noodza-
kelijke gegevens verzamelen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

Deze motie krijgt nr. 11 (18122). 

Mevrouw Evenhuis-van Essen (CDA): 
Mevrouw de Voorzitter! Het is ook 
voor kamerleden een moeilijke taak 
zoveel kritische opmerkingen te 
maken naar aanleiding van een nota, 
die ook veel verduidelijkt. Het is 
natuurlijk niet allemaal kommer en 
kwel; er wordt hard gewerkt binnen 
de raden en de hulpverlening, maar 
de aansluiting bij de maatschappelijke 
veranderingen in de samenleving 
kunnen wel eens worden gemist. 
Het woord 'macht' mag in een 
situatie van spanningen en ontsporin-
gen van jeugdigen, ook in relatie tot 

ouders en opvoeders, niet worden 
gebruikt. Toch komt zowel het woord 
'macht' als het woord 'machtsmis-
bruik' steeds weer ter sprake. Overleg, 
inspraak, geduld en inzicht in de 
problemen zullen het imago van de 
raad moeten versterken. Evenwicht 
bestaat er, wanneer twee partijen de 
gelegenheid krijgen hun zienswijze te 
toetsen. Dit gevoel van evenwicht 
krijg ik niet, als ik het antwoord op de 
vragen 11b en 12b lees, zo iets van: 
bij de duivel te biecht gaan. 

Klachten worden namelijk voorge-
legd aan de directeur van de raad en 
zelfs al is die directeur of directrice 
een wonder van objectiviteit, dan nog 
lijkt het mij normaal dat de belangheb-
benden twijfelen aan die objectiviteit, 
zowel in de informele als in de 
formele fase. Bovendien dient men 
zijn klachten te beperken tot de 
persoonlijke bejegening. Het beleid 
van de raad kan echter niet in het 
geding zijn en daarom gaat het soms 
juist. 

Waar kunnen burgers, jong en oud, 
dan hun beklag doen over het beleid? 
Zitten er in de raden alleen onfeilbare 
mensen, die als leden van de klachten-
commissie in staat zijn, objectief te 
oordelen? Uit de antwoorden blijkt 
duidelijk, dat de klachtmogelijkheden 
bij de raden niet voldoen aan de eisen 
die mogen worden gesteld aan een 
onafhankelijke beklagprocedure. 

Worden bovendien alle*belangheb-
benden wel op de mogelijkheden tot 
beklag gewezen, niet alleen in de 
aanwezige folders, maar ook monde-
ling? Ik stel mij voor, eerst het 
antwoord van de staatssecretaris 
hierop af te wachten. Een vierde 
motie lijkt mij op dit ogenblik niet zo 
de orde. Ik stel de indiening daarvan 
graag uit, eventueel tot de tweede 
termijn. 

Mevrouw de Voorzitter! Het 
Werkverband Integratie Jeugdwelzijns-
werk Nederland, beter bekend als het 
WIJN, gaf een idee van de ideale 
kwaliteiten van de leden van het 
college en de raden. Het noemde: 
kennis, invoelingsvermogen op het 
terrein van jeugdverlening en moge-
lijkheden voor jongeren en ouders. Ik 
teken daarbij aan dat kennis en 
uitvoering in onze optiek duidelijk 
verschillend zijn, terwijl hulpverlening 
gekwalificeerde hulpverlening behoort 
zijn, zoals wij al eerder opmerkten. 

Andere eigenschappen die het 
WIJN noemde waren: weet hebben 
van wat het betekent cliënt te zijn, op 
de hoogte zijn van de positie van 
jongeren in de samenleving en van 
consequenties van maatschappelijke 

ontwikkelingen daarvoor, bestuurlijk, 
juridisch-organisatorisch, inzicht, 
creatief vermogen ten aanzien van het 
bevorderen van nieuwe ontwikkelingen. 
Voorts zouden de leden uit verschillen-
de levensbeschouwelijke of maat-
schappelijke groeperingen afkomstig 
moeten zijn en ook groeperingen met 
een niet-Nederlandse culturele 
achtergrond moeten vertegenwoordi-
gen. 
'Ach, waren alle mensen wijs 
En deden daarbij wel 
De aarde was een paradijs! ' 
De laatste regel onthoud ik de 
staatssecretaris, omdat het CDA 
gewend is vanuit een positieve 
grondhouding te spreken en vanuit 
die houding graag het antwoord van 
de staatssecretaris afwacht. 

D 

Mevrouw Lucassen-Stauttener (VVD): 
Mevrouw de Voorzitter! Precies vijf 
jaar geleden diende het kamerlid 
mevrouw Korte-van Hemel een motie in 
met het verzoek aan de regering, een 
definitief oordeel uit te spreken over 
de plaats en taak van de raden voor 
de kinderbescherming, met als 
vertrekpunt de bij de wet aan de 
raden opgedragen taken. De aanlei-
ding voor die motie was de kritiek op 
de raad voor de kinderbescherming. 
Ik citeer het toenmalige kamerlid 
Korte-van Hemel tijdens de UCV over 
jeugelzijnsbeleid, op 28 mei 1979: 

'De Raad voor de kinderbescherming 
ondervindt veel kritiek. Soms heeft dit 
ook gevolgen, in die zin dat men de 
raad onzekerheid in handelen en 
optreden verwijt. Er is veel interne en 
externe discussie. Als publiek orgaan 
heeft de raad drie duidelijk te onder-
scheiden taken. De raad moet maatre-
gelen uitlokken - requestreren - en 
optreden als procespartij. 

Volgens ons treedt dan al de 
verwarring voor de cliënt op, namelijk 
wanneer hij of zij, vertegeoordigd 
door een advocaat, bij een rechank of 
een Hof verschijnt en ziet dat de raad 
dit zelf doet en geen vertegenwoor-
diger heeft. De tweede, langzamerhand 
toenemende taak, is gelegen in de 
hulpverlening. De derde taak is het 
optreden als incassobureau.' 
Lucassen-Stauttener 

cliënt optreedt en de raad nog steeds 
als proces-partij opereert. 

Het blijkt dat daardoor de raden 
voor de kinderbescherming nog steeds 
negatieve gevoelens opwekken bij veel 
betrokkenen. De meest gehoorde 
klachten die bij ons binnenkomen 
betreffen de fuikwerking, de omgangs-
regeling, de ondertoezichtstelling, 
weggelopen minderjarigen en de 
relatie met de ouders, de lange 
bewaartermijn - 30 jaar -, het inzage-
recht, geen correctierecht van de 
dossiers, de kwaliteit van de rapporta-
ge, de lange procedures en het 
ontbreken van een behoorlijke 
klachtenregeling. 

Vijfjaar heeft het regeringsoordeel 
kunnen rijpen. Met belangstelling 
heeft de VVD-fractie kennis genomen 
van de notitie waarin de staatssecre-
taris zelf het antwoord mocht geven 
op haar eigen vraag. 

Met de Raad voor het Jeugdbeleid 
moet de VVD-fractie constateren dat 
de nota een beschrijvend en consoli-
derend karakter heeft. En, om de Raad 
voor het Jeugdbeleid, verder te 
citeren: 'De algemene teneur is dat er 
weinig te veranderen valt'. Met het 
nieuwe organisatiebesluit zou er 
weinig aanleiding zijn voor een 
nieuwe aanpak en de notitie houdt 
ons krachtig voor dat er geen behoefte 
bestaat aan inhoudelijke wijzigingen. 

Nog in een ander opzicht worden 
de verwachtingen niet gehonoreerd. 
In de aanbiedingsbrief aan de Kamer 
schrijft de staatssecretaris dat de 
uitgangspunten voor de jaren '85 en 
'86 nog onzeker zijn. Kan de staatsse-
cretaris dit nog eens uitleggen? 
Bedoelt zij dat de notitie per 31 
december 1984 naar het archief 
verdwijnt? Praten wij nu dan over 
uitgangspunten die volgend jaar al 
weer uit de roulatie genomen kunnen 
worden? Wat zijn dan de effecten van 
de inbreng van de Kamer als een 
projectgroep inmiddels aan het werk 
is gegaan en de Kamer te zijner tijd 
het een en ander zal vernemen? 

Voorzitter, dan kom ik op het advies 
van het College van advies voor de 
kinderbescherming, dat op een aantal 
inhoudelijke punten niet onverdeeld 
positief te noemen is. Ik noem enkele 
voorbeelden: 

- de concept-notitie kwam onvol-
doende tegemoet aan het verzoek van 
de motie; 

- niet alleen zouden de raden bij de 
advisering tot afwegingen komen die 
zijn voorbehouden aan de rechter die 
de beslissing nog moet nemen, maar 
bovendien werd gewezen op een 

kritische heroverweging van de vraag 
of de rapporterende adviserende taak 
zich wel verdraagt met de opstelling 
van de raad als procespartij; 

- gewezen werd op de klachten 
over de werkwijze van de raad die niet 
onder de klachtenregeling van het 
organisatiebesluit zouden vallen. 

Toch hangen de bezuinigingen als 
een zwaard van Damocles boven de 
kinderbescherming. Dan lijkt heter 
een beetje op dat de notitie een 
maatkostuum is geworden voor een 
kind in de groei. De notitie nodigt ook 
niet zo uit tot constructief meedenken 
over beleidsontwikkelingen en dit 
staat haaks op de negatieve gevolgen 
van de publieke opinie over de raden 
voor de kinderbescherming. 

Het mes van die publieke opinie 
snijdt scherp omdat de raden functio-
neren op het meest gevoelige terrein 
van onze samenleving, de verhouding 
binnen het gezin, tussen echtgenoten 
onderling en - juist vooral - tussen 
ouders en kinderen. Het mes snijdt 
ook - en niet altijd terecht - diep, 
omdat de raden na de reorganisatie 
van 1956 huntakenpakketaanmerkelijk 
zagen uitgebreid. 

Mogelijk kunnen bepaalde punten 
van kritiek afzonderlijk weerlegd of 
afgezwakt worden, maar juist omdat 
toch algemeen erkend wordt dat de 
raden hun bestaansrecht hebben 
bewezen, kunnen wij er niet helemaal 
in berusten dat de negatieve publieke 
opinie op de koop toegenomen moet 
worden en dat wij eigenlijk geen 
uitnodiging hebben gehad om 
constructief mee te denken, met name 
met het oog op de toekomst. 

Om nog andere redenen behoort de 
positie van de raden hecht gefundeerd 
te worden en zal verder uitstel 
daarvan de kinderbescherming geen 
goed doen. Niet alleen staan de raden 
midden in het spanningsveld tussen 
recht en hulp, ze hebben bovendien te 
maken met ingrijpende ontwikkelingen 
in het recht en in de hulpverlening 
zelf. Behalve een aantal concrete 
knelpunten, zoals de klachtenregeling, 
moet het samengaan van rechtstoe-
passing en hulpverlening als het 
centrale knelpunt worden aangewe-
zen: 'Het schip met de twee kapiteins'! 

De verschillende commentaren en 
publikaties van de laatste tijd wijzen 
naar de opvatting dat de hulpverlening 
geen taak is voor de raden als rechts-
instelling. De VVD-fractie acht dit een 
juist uitgangspunt. 

Op dit punt meen ik er toch goed 
aan te doen de reactie van het 
Adviesbureau kinderbeschermings-

conflicten te herhalen naar aanleiding 
van de opmerking in de notitie dat de 
tegenstelling tussen hulpverlening en 
rechtstoepassing slechts schijnbaar 
zou zijn. Ik citeer uit die reactie: 

'Het is wel een erg simpele oplossing 
om als overbrugging van detegenstel-
ling hulp-recht 'het welzijn van de 
minderjarige' of 'het belang van het 
kind' te gebruiken, terwijl het kernpro-
bleem uit de kinderbescherming juist 
gevormd wordt door ieders onvermo-
gen, ooit met zekerheid te bepalen 
waar dit 'belang van het kind' uit 
bestaat. 

Overigens is de discussie niet 
nieuw. Zo kwamen enkele auteurs in 
1977 in het boekje 'De kortste weg 
van jeugdbescherming naar jeugdwel-
zijnswerk' van Van Bergen, Doek, Van 
Sijs en Winkler tot een scherpere 
onderscheiding en daarmee tot een 
andere verdeling van taken. In ieder 
geval heeft men in de loop der jaren 
uit de feiten en de ontwikkelingen de 
consequenties getrokken die de 
notitie daarentegen enigszins heeft 
laten liggen. 

Veel punten van kritiek komen langs 
een eigen weg samen op het terrein 
van de kinderbescherming: rapporta-
ge, dossiers, inzagerecht, deskundi-
gen, vertrouwenspersonen, weggelo-
pen minderjarigen, rechtspositie van 
minderjarigen, enzovoorts, leder punt 
bestaat weer uit tal van afzonderlijke 
problemen. Zij zijn bekend, maar niet 
opgelost. 

Er is de klachtenregeling van het 
organisatiebesluit 1982, klachten over 
het optreden, niet de werkwijze (! ), 
van medewerkers van het bureau van 
de raden. Er is de klachtenregeling 
per 1 april van dit jaar voor minderja-
rigen over beslissingen van de 
directeur in rijksinrichtingen, die de 
minderjarige persoonlijk raken. Voor 
kinderen in particuliere tehuizen is 
echter geen klachtrecht ingevoerd. 
Wanneer komt dat? 

Onder meer het College van Advies 
voor de Kinderbescherming wijst in 
het advies bij de concept-notitie op 
het feit dat, indien een klacht niet valt 
onder de termen van artikel 35 van 
het organisatiebesluit, de klager zich 
dan toch tot de minister c.q. de 
staatssecretaris moet kunnen wenden. 
De staatssecretaris acht dat echter 
niet gewenst. 

Er komt dan een nieuwe variant, 
een term die wij de laatste tijd vaker 
horen: de minister geeft een algemene 
aanwijzing naar aanleiding van een 
individuele zaak. Bij klachten over het 
optreden van een medewerker van de 
raad is er nog een (derde) instantie: 

Bijzondere commissie 15317 
Lucassen-Stauttener 

de nationale ombudsman. Deze 
lappendeken acht de VVD-fractie niet 
in overeenstemming met de bijzondere 
kenmerken van de kinderbescherming. 
Kan de staatssecretaris een behoorlij-
ke, onafhankelijke klachtenregeling 
toezeggen? 

Uit de commentaren, de maatschap-
pelijke ontwikkelingen en de weten-
schap zou men het volgende beeld 
kunnen samenstellen: 

- een ontwikkeling die leidt tot een 
geïntegreerde hulpverleningsstruc-
tuur, misschien wel gedecentraliseerd, 
met als uitgangspunt dat voorlichting 
en hulpverlening in principe en in 
eerste aanleg door het particulier 
initiatief zullen geschieden om de 
continuïteit in de hulpverlening zeker 
te stellen; 

- een onafhankelijke toetsing van 
rapportage en advies; 

- een onafhankelijke klachtenrege-
Nng; 

- bovendien zou de rechter de 
mogelijkheid moeten hebben om op 
verzoek van een van de betrokkenen 
een aanvullend onderzoek of contra-
expertise te laten instellen; 

- een rechtsingang voor minderja-
rigen, waarbij onderscheid gemaakt 
kan worden tussen rechtsingang en 
rechtsbijstand; 

- circulaires die door de verschillen-
de raden anders geïnterpreteerd 
worden; 

- een democratische samenstelling 
van de raden. 

Wanneer aan bovenstaande punten 
en aan de uitvoering van de desbetref-
fende motie van het kamerlid Korte-
van Hemel tegemoetgekomen zou 
zijn, waren veel bezwaren van mijn 
fractie en van de publieke opinie 
weggenomen. Hierover wil ik graag 
een kameruitspraak vragen. 

Motie 

De Voorzitter: Door het lid Lucassen-
Stauttener wordt de volgende motie 
voorgesteld: 

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging; 

overwegende, dat de voorstellen van 
de regering onvoldoende inspelen op 
de huidige ontwikkelingen binnen en 
buiten de kinderbescherming; 

overwegende, dat de knelpunten en 
kritiek ten aanzien van de Raden voor 
de Kinderbescherming zijn blijven 
bestaan; 

constaterende, dat ook de huidige 
voorstellen van de regering daarvoor 
geen oplossingen bieden; 

overwegende, dat een wet betreffende 
de taken en bevoegdheden van de 
Raden de vóórkeur geniet; 

nodigt de regering uit, om voorafgaan-
de aan het begrotingsjaar 1985 met 
nadere voorstellen te komen waarbij 
rekening gehouden wordt met de 
huidige ontwikkelingen op het terrein 
van de kinderbescherming die leiden 
tot: 

- een scheiding van recht en hulp; 

- een toetsende en toezichthouden-
de taak van de Raden of Inspectie; 

- een onafhankelijk klachtrecht; 

- een contra-expertise door de 
rechter op verzoek van betrokkenen; 

- een democratische samenstelling 
van de Raden, 
Lucassen-Stauttener 

gastvader bij voorbeeld op een 
spijkerbed ligt of alcoholist is en dat 
de kinderen wéér wegvluchten. 

In hoeverre is voorts artikel 6 van 
de Algemene Bijstandswet van 
toepassing op minderjarigen in die 
gastgezinnen? Ik heb daar verschillen-
de lezingen van gehoord, maar 
misschien kan de staatssecretaris in 
dezen enige duidelijkheid scheppen. 

Vervolgens hebben wij geconsta-
teerd dat volgens het Besluit Voogdij-
registers (Besluit van 26 november 
1969) aantekening wordt gehouden 
van zeer persoonlijke gegevens, zoals 
bedoeld in de artikelen 1 en 2: 

a. alle rechterlijke beslissingen, 
waarbij in het over minderjarigen uit 
te oefenen gezag - met inbegrip van 
de toeziende voogdij - hetzij blijvend, 
hetzij tijdelijk wordt voorzien; 

b. de onder-toezicht-stelling; 
c t/m g (vermeld in art. 2). 

In artikel 10, lid 1, is evenwel 
bepaald dat de griffier verplicht is, 
aan een ieder desverlangd een 
uittreksel uit het registerte verstrekken. 
De VVD-fractie vindt dat deze bepaling 
inbreuk maakt op de privacy en de 
belangen van betrokkenen. Kan de 
staatssecretaris deze ruim omschreven 
bepaling schrappen of haar zo 
veranderen dat er sprake is van een 
beperkte inzage? Ik kan mij voorstellen 
dat het niet leuk voor iemand is, dat 
80 jaar lang een ieder kan nakijken of 
betrokkene vroeger onder toezicht is 
gesteld of een kinderbeschermings-
kind is geweest. 

Tot slot merk ik op dat wij hebben 
vernomen dat vakdiploma's die 
behaald zijn op vakinternaten een 
nadelige invloed kunnen hebben bij 
sollicitaties. Kan de staatssecretaris 
mededelen of op deze vakdiploma's 
werkelijk de naam van de instelling 
staat. Zo ja, zouden deze diploma's 
desgewenst vervangen kunnen 
worden door neutrale staatsdiplo-
ma's? Ik meen dat deze diploma's 
soms staatsdiploma's zijn. 

D 

De heer Mik (D'66): Mevrouw de 
Voorzitter! Als wij ons realiseren 
welke warme gevoelens meestal 
worden opgeroepen door de begrip-
pen 'kind' en 'bescherming', dan is 
het op het eerste gezicht merkwaardig 
dat dit met de combinatie van de twee 
woorden minder het geval is. Zeker 
als wij letten op de teneur van de 
binnengekomen reacties is het wel 
duidelijk, dat niet alom positief wordt 
gedacht over de Raad voor de 
Kinderbescherming. Dit valt te 

betreuren, doch is tegelijkertijd 
onvermijdelijk. 

De Raad voorde Kinderbescherming 
heeft te maken met het nemen van 
maatregelen, dus ook met dwang, en 
met de toewijzing van kinderen bij 
voorbeeld na een scheiding waarbij 
de ouders er zelf niet uitkomen. Dit 
betekent in de meeste gevallen 50% 
ontevredenheid. Het is duidelijk dat 
het gaat om een gebied met voetangels 
en klemmen en om een gebied dat 
gemarkeerd wordt door het optreden 
van intense, menselijke emoties. Een 
moeilijk terrein voor de werkers en 
ook voor de overheid, in haar taak 
gunstige randvoorwaarden te ontwik-
kelen, zodat deze gecompliceerde 
materie zo goed mogelijk kan worden 
uitgevoerd. 

Het valt daarom te betreuren dat de 
nota voornamelijk beschrijvend en 
bevestigend van karakter is en weinig 
of niet ingaat op de huidige ontwikke-
lingen binnen en buiten de kinderbe-
scherming. 

Een van de centrale problemen is 
het al dan niet scheiden van hulp en 
recht, al jarenlang onderwerp van 
discussie. Theoretisch en methodisch 
wordt al jarenlang gepleit voor 
volledige scheiding. Dit was en is ook 
nog wel mijn uitgangspunt, maar de 
praktijk leerde mij ook wel dat dit in 
absolute zin niet mogelijk is. Er blijft 
altijd een hulpfacet aanwezig, ook bij 
beperking tot de wettelijke taken. Bij 
al die redeneringen over het scheiden 
van hulp en recht mag niet vergeten 
worden dat hulpverlening in een 
gedwongen kader bepaald niet 
uitgesloten is. Het is echter wel 
bijzonder moeilijk. 

Het vraagt veel ervaring en kennis 
van de methodiek van de echte 
hulpverlening om de eigen grenzen te 
leren trekken. Personen die jarenlang 
in dezen op het scherp van de snede 
hebben gewerkt, zijn naar mijn 
overtuiging ook voor de jeugdhulpver-
lening van uitzonderlijk belang. Vaak 
heb ik gewenst dat binnen de meer 
hiertoe bestemde officiële hulpverle-
ning een dergelijke volhoudend 
tolerante benadering meer algemeen 
zou voorkomen. 

Als men door goede deskundig-
heidsbevordering en veel ervaring 
met dergelijke maatschappelijk 
werkenden te maken heeft, is het ook 
niet meer noodzakelijk om hen van de 
titel 'rapporteur' te voorzien, wat de 
alternatieve hulpverlening suggereert. 
De betrokkenen kennen dan hun 
grenzen. Een titel kan dit vaak niet 
garanderen. Maar dit vraagt wel een 
intensieve begeleiding en deskundig-

heidsbevordering van de jonge 
medewerkers door ervaren krachten 
en dat roept om een goede bezetting. 

Alom neemt men de klacht waar dat 
verwijzers de indruk hebben dat de 
raden nieuwe gevallen afhouden en 
dat bij acceptatie de zaken zeer traag 
op gang komen. Dit kan op overbelas-
ting wijzen of op verkeerde organisatie. 
Maar uit de kring van de raden zelf 
bleek mij hoezeer de intensieve 
werkwijze en overbelasting een rol 
spelen. Vanuit deze achtergronden is 
het dan ook onbegrijpelijk dat ook dit 
werk onder druk komt te staan door 
personeelsbeperking. 

In het netwerk van de jeugdhulpver-
lening mag de Raad voor de Kinder-
bescherming dan wel niet de centrale 
plaats innemen die men haar aanvan-
kelijk toedacht, zij neemt wel een zeer 
wezenlijke plaats in. Het goede werk 
van de raad is van groot belang voor 
kinderen die anders tussen wal en 
schip dreigen te vallen. Ik zou willen 
zeggen: hier is bezuinigen verboden. 

Ik zou nu iets willen zeggen over de 
uitvoering van het werk zelf. In de 
antwoorden op de vragen wordt 
gesteld, dat het afgaan op het oordeel 
van één medewerker - inclusief alle 
mogelijke vooroordelen, blinde 
vlekken en methodische beperkingen 
- wordt voorkomen doordat de 
maatschappelijk werker geregeld 
praktijkbegeleiding krijgt en op 
beslissende momenten overleg 
plaatsvindt met het unit-hoofd. Wij 
krijgen dus de volgende personen te 
zien: de maatschappelijk werker, de 
supervisor en het unit-hoofd. 

De laatste is als regel een jurist of 
een juriste met ervaring in het 
betrokken werkgebied. Aangezien ik 
enigszins op de hoogte ben van de 
functies, lijkt het mij duidelijk dat de 
supervisor in dezen een centrale rol 
kan spelen. Voor de maatschappelijk 
werker geldt het gesuperviseerd 
worden, voor het unit-hoofd het niet 
gedragsdeskundig zijn. Verschillen 
van mening die aan de directeur of 
aan het college moeten worden 
voorgelegd, liggen dus niet zo voor 
de hand. Daar het vaak om zeer 
gevoelig liggende en gecompliceerde 
kwesties gaat, zou ik ook uit dien 
hoofde en tevens om een mogelijke 
blikveldvernauwing te voorkomen, 
willen pleiten voor het invoeren van 
multidisciplinaire teams, al dan niet in 
deeltijdfuncties. Mijn gedachten gaan 
dan bij voorbeeld uit naar de kinder-
psychologie en eventueel de kinder-
psychiatrie. 

Naar ik meen, dacht de staatssecre-
taris hierover vroeger ook zo. Ik ben 

Bijzondere commissie 15317 

Raad voor de Kinderbescherming 

UCV98 
Mik 

erg benieuwd wat nu haar mening 
hierover is. Hetzelfde geldt mutatis 
mutandis voor het vragen van consult 
aan zelfstandig en individueel werken-
de psychologen en/of psychiaters. Het 
hangt er maar van af welke normen 
betrokkene hanteert, wat zijn of haar 
wereldbeschouwing is en tot welke 
school hij of zij behoort. Adviezen ten 
aanzien van de vaak levensrichting 
bepalende beslissingen kunnen van 
zo'n grote importantie zijn, dat dit 
naar onze mening onverantwoord is. 
Wij willen er met klem op aandringen 
dat advisering van buitenaf ook alleen 
via multidisciplinaire teams geschiedt. 

Ik had mij voorgenomen om in 
eerste termijn geen moties in te 
dienen, omdat ik erg gevoelig ben 
voor hetgeen de regering antwoordt. 
Andere partijen gingen mij echter 
voor. Ik wil daarom dezelfde weg 
volgen. 

De heer Leerling (RPF): Mevrouw de 
Voorzitter! Een slecht voorbeeld 
behoeft toch niet gevolgd te worden? 

De Voorzitter: Men ziet waartoe een 
slecht voorbeeld kan leiden. 

De heer Mik (D'66): Ik ben natuurlijk 
geen lid van een regeringspartij. Dat 
maakt een groot verschil uit. U ziet nu 
maar hoe de verleiding in onze levens 
een grote rol kan spelen. Dat was de 
heer Leerling echter bekend. 

Motie 

De Voorzitter: Door het lid Mik wordt 
de volgende motie voorgesteld: 

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging: 

van mening, dat ten aanzien van de 
advisering en rapportage omtrent 
minderjarigen door de Raden voor de 
Kinderbescherming de grootst 
mogelijke objectiviteit en zorgvuldig-
heid dient te worden betracht; 

overwegende, dat de huidige regeling 
van bedoelde activiteiten deze 
objectiviteit en zorgvuldigheid niet 
garandeert; 

verzoekt de regering, te bevorderen 
dat binnen de Raden voor de Kinder-
bescherming zoveel mogelijk multidis-
ciplinaire teams van gedragsdeskundi-
gen met bedoelde taken worden 
belast, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

Deze motie krijgt nr. 13 (18 122). 

De heer Mik (D'66): Voorts zou ik 
gaarne de mening van de staatssecre-

taris vernemen op de wel gesuggereer-
de noodzaak om teleurgestelde cliënten 
de mogelijkheid te bieden om contra-
expertise te vragen. Hierover is 
vanmorgen reeds eerder gesproken. 
Voor mindervermogenden dient dat 
uiteraard tegen een lagere eigen 
bijdrage, c.q. kosteloos te zijn. 

Ik weet dat ik 'kostenverhogend' 
redeneer. Het is in deze sector echter 
uiterst belangrijk om de vinger goed 
aan de pols te houden. Als men weet 
dat alles bekeken is, dat de beoorde-
lingen divers en genuanceerd zijn en 
dat de eigen achtergronden en 
meningen voldoende aan bod zijn 
gekomen, zal dit de fricties tussen de 
ouders beperken en zal een en ander 
strekken tot heil van de betrokken 
kinderen. Het zal voorkómen dat 
nieuwe consulten dienen te worden 
gevraagd en zal dus in de toekomst 
kostenbesparend werken. Voorts is 
het mijns inziens uit bezuinigingsover-
wegingen op langere termijn alleszins 
het overwegen waard. 

Bepaald ontevreden zijn wij over de 
klachtenregeling. Allereerst mogen de 
klachten slechts het persoonlijk 
optreden van de medewerker betreffen 
en niet gaan over de werkwijze of het 
beleid. De klacht moet binnen twee 
maanden na hetfeit worden ingediend, 
als het proces meestal nog gaande is 
en vrezen over eventuele 'terugpakkin-
gen' in volle omvang aanwezig 
kunnen zijn. 

De klacht komt dan terecht bij de 
directeur en uiteindelijk eventueel bij 
een klachtencommissie, die is samen-
gesteld uit drie colleges van raden 
van de kinderbescherming. Wij zijn 
van mening dat dit niet kan. De 
afhandeling van klachten blijft dan 
geheel binnen het beraad van het 
kinderbeschermingscircuit en zal 
derhalve nooit de klager bevredigen 
als hij/zij geen gelijk krijgt. 

Ook deze processen verstoren zeer 
de stabiliteit van de betrokken ouders. 
Wij zouden de staatssecretaris 
daarom dringend willen vragen 
hiervoor een andere regeling te 
treffen. Er moet minstens een externe 
onafhankelijke klachtencommissie 
voor alle klachten per regio zijn. Ik 
heb hiervoor ook een motie voorbe-
reid, maar mevrouw Lucassen diende 
reeds een heel uitvoerige motie in, 
waarin dit een onderdeel was. 
Aangezien ik toch liever één vogel in 
de hand heb, dan, zoals in dit geval, 
vijf in de lucht, overhandig ik u, 
mevrouw de Voorzitter, de volgende 
motie. 

Motie 

De Voorzitter: Door het lid Mik wordt 
de volgende motie voorgesteld: 

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging; 
Motie 

De Voorzitter: Door het lid Mik wordt 
de volgende motie voorgesteld: 

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging; 

van mening, dat een samenhangend 
jeugdwelzijnsbeleid wordt belemmerd 
doordat de gebiedsindeling van de 
Raden voor de Kinderbescherming is 
gekoppeld aan de arrondissementen 
van de Rechtbank, welke indeling niet 
altijd overeenstemt met de regionale 
organisatie van andere vormen van 
dienstverlening binnen het jeugdwel-
zijnsbeleid; 

overwegende, dat het zeer gewenst is, 
dat instellingen werkzaam op verwante 
terreinen in de regio zoveel mogelijk 
volgens dezelfde gebiedsindelingscri-
teria worden georganiseerd; 

verzoekt de regering, ten aanzien van 
de Raden voor de Kinderbescherming 
vóór de indiening van de begroting in 
1986 met voorstellen te komen, 
waarbij de functionele gebiedsindeling 
van de Raden voor de Kinderbescher-
ming méér overeenstemt met die van 
de rest van de organisaties werkzaam 
in het veld van het jeugdwelzijnsbeleid, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

Deze motie krijgt nr. 15 (18 122). 

De heer Mik (D'66): Mevrouw de 
Voorzitter! Wij zijn verder van mening 
dat de raad genuanceerd, multildisci-
plinair en flexibel moet werken om zo 
haar taak ten aanzien van de meest 
kwetsbare minderjarigen waar te 
kunnen maken. De raad heeft taken 
waar het particulier initiatief het laat 
afweten, soms in uitvoerende zin, 
maar vooral signalerend, ook ten 
aanzien van factoren in de maatschap-
pij die het welzijn van jongeren 
bedreigen. 

Daarom ook verdient het aanbeve-
ling de raad op te nemen onder de 
regionale voorzieningen, met de 
nadruk op decentrale verbondenheid 
boven centrale sturing. Wat is de 
mening van de staatssecretaris 
dienaangaande? Wat vindt zij van de 
suggestie van het WIJN ten aanzien 
van de verplichting om in het jaarver-
slag aan te geven welke factoren 
mede ten grondslag lagen aan de 
problemen waarmee de raad werd 
geconfronteerd? 

Vervolgens wil ik de vraag aan de 
orde stellen of gezinsonderzoeken bij 
adoptie wel zo vanzelfspreken door de 
raad dienen te geschieden. Ik zet 

daarbij enkele vraagtekens. Is de raad 
hiertoe voldoende geëquipeerd? Kan 
een extramurale multi-disciplinaire 
instantie dit niet beter op zich nemen? 
Kwantitatief - de wachttijden zijn 
enorm - en kwalitatief: is een multi-dis-
ciplinair team niet noodzakelijk in 
deze gevallen al was het maar 
screening van de gevallen in werkbe-
sprekingen? 

De raden voor de kinderbescherming 
fungeren in een uiterst moeilijk 
gebied. Zij krijgen te maken met 
ouders in crisis-situaties en vaak met 
zeer bedreigde minderjarigen. De 
hulpverlenersrol in volle omvang kan 
en mag niet worden vervuld. Toch 
moeten de interventies goed anticipe-
ren op het eventueel komende 
hulpverleningsproces en steeds 
moeten grenzen ten aanzien van de 
eigen taak worden getrokken. Dat 
vraagt, grote ervaring en deskundig-
heid. 

Vroeger zei men dan: 'Love is not 
enough'. Dat geldt hierbij bepaald. 
Ook geldt echter in volle omvang: 
- nu zeg ik het The Beatles na - 'All 
you need is love'. Moge de overheid 
de randvoorwaarden dan in volle 
omvang willen blijven scheppen om 
deze noodzakelijkheden zoveel 
mogelijk ook de kans te bieden 
werkelijkheid te worden. 

D 

De heer Van der Vlies (SGP): Mevrouw 
de Voorzitter! In ons land hebben wij 
te maken met een verschuivend 
normbesef. Hier en daar wordt steeds 
uitdrukkelijker structureel gebrek aan 
normbesef gesignaleerd als voedings-
bodem voor allerlei ontwrichtingsver-
schijnselen. Ik denk hierbij aan de 
echtscheidingsproblematieken, de 
huwelijksmoeilijkheden en de invloe-
den daarvan op de sfeer van de 
thuissituatie. Zo legt een aan enkele 
kamerleden vrijdag jongstleden bij 
een werkbezoek te Heerlen aangebo-
den sociogram daarvan getuigenis af. 

Mijn fractie heeft daar altijd al de 
vinger bij gelegd. De effecten ervan in 
de samenleving nemen helaas toe. 
Wezenlijke waarden en normen 
kunnen niet ongestraft worden 
losgelaten. Terugkeer tot de heilzame 
onderhouding van Gods geboden is 
geboden en daaraan zal zegen 
verbonden zijn, onder andere omdat 
daardoor beter zicht zal ontstaan op 
en perspectief zal rijzen voor goede 
onderlinge verhoudingen tussen 
ouders en kinderen. Overigens 
erkennen wij dat er helaas ontsporin-
gen en conflicten zijn, zijn geweest en 

naar alle waarschijnlijkheid ook zullen 
blijven. 

Mijn fractie pleit ervoor dat zo lang 
mogelijk wordt gezocht naar een 
oplossing binnen het gezin. Dit is 
echter niet altijd mogelijk. Vanaf dat 
ogenblik moet een rechtsstructuur 
aantreden waarbinnen en met behulp 
waarvan de belangen van kinderen en 
ouders zo goed mogelijk worden 
afgewogen. De Raad voor de Kinder-
bescherming komt hierbij dus formeel 
in het beeld. 

Belangrijk is voor ons dan dat de 
raden en hun functionarissen voldoen-
de invoelingsvermogen hebben in de 
diverse geestelijke en maatschappelij-
ke stromingen in onze samenleving. 
Immers, bij de diverse beoordelingen 
zullen levensbeschouwelijke visies 
onmiskenbaar een rol spelen. Het is 
nu eenmaal zonneklaar dat er een 
grote divergentie op dit punt bestaat. 
Uitoefening en beoordeling van 
ouderlijk gezag en de onderlinge 
relaties worden door levensbeschou-
wing in hoge mate bepaald. 

Van enkele kanten wordt als 
negatief beoordeeld dat de colleges 
van de raden door coöptatie worden 
samengesteld. Zijn er voldoende 
garanties, dat er nauwlettend op 
wordt toegezien dat de samenstelling 
niet alleen nauw aansluit bij de 
aanwezige hoofdstromingen in een 
betreffende regio of betreffend 
arrondissement, maar dat daarin ook 
voldoende plaats is voor opvattingen 
van minderheden, bij voorbeeld 
allochtonen en de zogenaamde kleine 
geestelijke richtingen? Kan de staats-
secretaris zich hierover uiten? 

Kenmerken van het voorgestane 
beleid zijn decentralisatie en toesnij-
ding naar arrondissements- of 
regionale problematieken en omstan-
digheden. Toch vinden wij dat de 
rechtsbescherming uniform moet zijn 
gegarandeerd, tot in de jurisprudentie 
en de werkwijze toe. In het laatste 
geval vooral wat de hoofdpunten 
betreft. Kan de staatssecretaris dat 
toezeggen en, zo ja, welke ruimte ziet 
zij dan nog voor eigen beleid en 
invulling per regio? Hoe kan trouwens 
op korte termijn een effectief, samen-
hangend hulpverleningsbeleid 
worden bevorderd? 

Het centrale knelpunt is de samen-
werking c.q. de onderlinge afstemming 
van de rechtstoepassing enerzijds en de 
hulpverlening anderzijds. Recht heeft 
betrekking op bevoegdheden, verplich-
tingen en procedures. Hulp heeft 
betrekking op gevoelens, attitudes en 
interacties. Beide componenten 

Bijzondere commissie 15317 
Van der Vlies 

kunnen elkaar op de raakvlakken snel 
frustreren en doen dat hier en daar 
ook, naar ons wordt gezegd. Vandaar 
ons pleidooi voor duidelijke afbake-
ning van recht en hulp. 

In de eerste fasen ligt voor ons, 
gelet op de al gegeven uitgangsstel-
ling, de prioriteit bij de hulpverlening, 
met name vanuit het particulier 
initiatief, inclusief in voorkomende 
gevallen het pastoraat. Wanneer het 
takenpakket van de Raad voor de 
Kinderbescherming zal worden 
gezuiverd, bij voorbeeld ten aanzien 
van verschuivingen inzake vroeghulp, 
omgangsregeling, voorlopige toever-
trouwing en dergelijke - ik neem niet 
al deze suggesties over; dit zijn echter 
toch de suggesties die in de diverse 
betrokken organisaties worden 
gedaan - dient tegelijk via een 
voorwaardenscheppende rol van de 
overheid de hulpverleningsstructuur 
te worden versterkt. Welke overwegin-
gen heeft de staatssecretaris op dit 
punt? 

Is het voorts juist dat de Raden voor 
de Kinderbescherming de rechterlijke 
macht vanuit het eigenlijke werkterrein 
en de verantwoordelijkheden niet 
alleen informeren en voorlichten, 
maar ook adviseren? Welke voordelen 
ziet de staatssecretaris in handhaving 
van dit deel van het takenpakket, zoals 
dit nog bestaat? 

In het algemeen is mijn fractie het 
ermee eens dat de raden slechts 
overgaan tot het uitlokken van een 
maatregel, nadat is vastgesteld dat 
hulpverlening op vrijwillige basis niet 
mogelijk is en een maatregel wel 
perspectief lijkt te bieden. 

De drempel naar het rechtssysteem 
moet niet te laag zijn. Fuikwerking 
moet zo veel als mogelijk is, met 
behoud van die rechtsbescherming, 
worden voorkomen. Op dit punt, 
andere sprekers hebben dit ook al 
gezegd, bereiken ons nogal wat 
klachten. Eenmaal in het rechtssys-
teem kan men het wel vergeten. 
Ouders en kinderen ervaren het 
optreden van de raad dan als een te 
grote macht over hen. Ouders met 
goede bedoelingen of hernieuwd 
goede bedoelingen, lopen soms 
blijvend tegen muren. Als deze 
bedoelingen toetsbaar zijn, moet toch 
herijking kunnen plaatsvinden? 

De raden stellen het belang van het 
kind centraal. In voorkomende 
gevallen doen zij dat terecht. Mag 
mijn zorg zich daarnaast dan nog 
eens uitdrukkelijk uitstrekken tot de 
belangen van de ouders, die in geval 
van minderjarigheid toch in beginsel 

het bevoegde gezag zijn? Ik doel op 
toetsing van situaties van van huis 
weggelopen kinderen, het klachtrecht, 
inzage in dossiers - door de circulaire 
van februari jongstleden is daarover 
overigens meer duidelijkheid ont-
staan - en dergelijke. 

De bezuinigingstaakstelling staat 
helaas ook hier centraal. Het gaat 
evenwel om een overheidsverant-
woordelijkheid en activiteiten ten 
aanzien van crisissituaties. Afgezien 
van efficiencymaatregelen en dergelij-
ke, zou mijn fractie het betreuren als 
moet worden gevreesd, c.q. zou 
blijken dat de kwaliteit van eventuele 
toepassing van de rechtsstructuur en 
de hulpverlening zal inboeten. Kan de 
staatssecretaris deze vrees wegne-
men? 

In Assen loopt een experiment dat 
zal worden geëvalueerd. Eén factor 
daarin is een sterk appel op de eigen 
verantwoordelijkheid van de ouders. 
Mij daarbij aansluitend, besluit ik mijn 
korte betoog. 

D 

De heer Lankhorst (PPR): Mevrouw 
de Voorzitter! De moties zijn eigenlijk 
allemaal al ingediend. De motie van 
het CDA vraagt om een nieuwe nota 
over zes maanden, die van de VVD 
zelfs over drie a vier maanden. De 
moties zijn bovendien in de eerste 
termijn ingediend, dus ook de rege-
ringspartijen verwachten blijkbaar 
weinig van het antwoord van de 
staatssecretaris. 

Het is duidelijk dat alle fracties 
vinden dat de staatssecretaris een 
groot deel van het huiswerk moet 
overdoen. Eigenlijk kunnen wij wel 
over de moties stemmen en over zes 
maanden terugkomen. Omdat ik de 
staatssecretaris en mijzelf niet 
monddood wil maken, zal ik geen 
motie van orde indienen om dat te 
bewerkstelligen. 

De Voorzitter: U zou dat ook niet 
kunnen doen. Er is namelijk een 
fractie die er bezwaren tegen heeft 
om in een UCV te stemmen. Daarom 
kunnen wij dus niet stemmen in een 
UCV. 

De heer Lankhorst (PPR): Ik kan wel 
een motie indienen waarin voorgesteld 
wordt om de vergadering te schorsen. 
Het kost mij enige moeite om dat niet 
te doen. Maar de tweede termijn kan 
waarschijnlijk wel achterwege blijven. 

Na alle kritiek van de afgelopen 
jaren op de Raad voor de Kinderbe-
scherming is de nota inderdaad zeer 
berustend. De kritiek wordt afgedaan 
met de mededeling dat de negatieve 

beeldvorming onlosmakelijk voort-
vloeit uit het feit dat de raad tegen de 
wil van ouders ingrepen in het gezag 
kan bevorderen en adviezen uit kan 
brengen waarmee een van de conflic-
terende partijen zich niet kan verenigen. 

Er worden geen veranderingen 
aangekondigd in de nota, geen 
nieuwe taak en plaats en er worden 
geen nieuwe prioriteiten gesteld. Dat 
laatste betekent met de wel aangekon-
digde bezuinigingen, dat een daarvoor 
ingestelde projectgroep nu het 
eigenlijke werk kan gaan doen. Na de 
interessante beschrijving in de nota 
van de huidige stand van zaken zullen 
er namelijk onder de druk van de 
aangekondigde bezuinigingen toch 
keuzes worden gemaakt. 

Dat leidt tot een aantal vragen. Acht 
de staatssecretaris die bezuinigingen 
verantwoord, gezien alle ontwikkelin-
gen binnen de jeugdhulpverlening? In 
welke richting moeten de bezuinigin-
gen gaan? Het kan toch niet de 
bedoeling zijn, op alle werkzaamheden 
van de raad evenredig te bezuinigen? 

Als de raden eerder of later de 
directe hulpverlening staken die zij nu 
nog vervullen, zoals vroeghulp, 
omgangsregeling en voorlopige 
toevertrouwing, en overdragen aan de 
particuliere instellingen - dit is een 
wens van de Kamer - hoe moeten de 
bezuinigingen dan gehaald worden? 
Is er dan nog geld om de particuliere 
instellingen die taken naar behoren te 
laten vervullen? Ik vrees dat met deze 
bezuinigingen het werk van de raad 
wordt dichtgespijkerd en de noodzake-
lijke discussie wordt ontlopen. 

In de nota wordt een aantal malen 
gesteld dat de raden vooral de 
belangen beschermen van de meest 
bedreigde minderjarigen in de 
maatschappij. 

Nu worden een aantal van die 
minderjarigen bedreigd door de 
gehele of gedeeltelijke sluiting van 
instellingen en het onvoldoende 
aanwezig zijn van alternatieven. Hoe 
beoordelen de raden deze situatie? 
Worden zij in het leveren van kritiek 
overigens niet belemmerd door hun 
eigen afhankelijkheid van de rijksover-
heid? Maar wie verdedigt dan de 
belangen van deze kwetsbare groep? 

Hoe ziet de staatssecretaris de 
plaats van de raad ten opzichte van 
andere instellingen? Nu de minister 
en de staatssecretaris van Welzijn, 
Volksgezondheid en Cultuur van 
mening verschillen over de plaats van 
de jeugdhulpverlening - de minister 
ziet het in de welzijnssector, de 
staatssecretaris in de zorgsector - en 
de PvdA en het CDA blijkens een 

Bijzondere commissie 15317 

Raad voor de Kinderbescherming 
Lankhorst 

tijdens de UCV wetgeving WVC 
ingediende motie die plaats binnen 
een welzijnsraamwet zien, zou het 
interessant zijn vandaag te vernemen 
hoe de staatssecretaris van Justitie 
daartegen aankijkt. 

Een loutere verwijzing naar de 
eindrapporten van IWRV en IWAPV 
lijkt mij, gezien de stand van de 
besluitvorming in deze Kamer, niet 
erg wijs meer. Misschien mag ik het 
zo vragen: acht de staatssecretaris de 
belangen van de meest bedreigde 
minderjarigen niet meer beschermd 
binnen het systeem van de zorgwet 
dan binnen het systeem van een 
welzijnsraamwet? 

Met onder andere het WIJN en de 
Raad voor het jeugdbeleid deelt de 
PPR-fractie de mening dat de taken 
van de raden zoveel mogelijk uitgezui-
verd moeten worden en dat de 
hulpverlening een taak van het 
maatschappelijk initiatief is. De door 
de Raad voor het jeugdbeleid bepleite 
werkgroep die de consequenties zou 
moeten bekijken van de uitzuivering 
van taken, lijkt mij een goede gedachte. 

Zo'n werkgroep zou zich ook bezig 
moeten houden met de bijzondere 
problemen en belangen van de 
Turkse, Marokkaanse en Surinaamse 
jongeren. Om die problemen het 
hoofd te bieden, worden verschillende 
kinderbeschermingsmaatregelen 
aanbevolen. Het landelijk overleg 
alternatieve hulpverlening wijst op de 
mogelijkheid van een voorlopige 
toevertrouwing of een ondertoezicht-
stelling voor meisjes die weglopen, 
omdat zij uitgehuwelijkt dreigen te 
worden of voor jongens die weglopen 
omdat zij teruggestuurd worden. 

Een toezichthouder wordt ook 
bepleit door de heer M. Jansen, 
maatschappelijk werker bij de raad in 
Amsterdam, voor die jongeren die 
voortdurend in de fout gaan. Ik wil 
deze pleidooien niet meteen overne-
men, maar het vraagstuk ligt er en er 
moet wel binnen afzienbare tijd een 
antwoord op komen. In de nota heb ik 
dat helaas niet aangetroffen. 

De BM en het adviesbureau kinder-
beschermingsconflicten hebben weer 
gewezen op de conflicten rondom de 
rapportage en de dossiervorming. De 
bewaartermijn van dertig jaar blijft 
een terechte bron van ergernis. 
Waarom kan die termijn niet nog eens 
een keer drastisch bekort worden? Dat 
zou in elk geval het aantal conflicten 
kunnen verminderen. Ook daar zijn 
reeds moties over ingediend, mevrouw 
de Voorzitter, zodat ik alleen nog 
maar behoef te horen of de staatsse-
cretaris die moties ook wil uitvoeren. 

D 

De heer Leerling (RPF): Mevrouw de 
Voorzitter! In het begin van deze 
eeuw werden voogdijraden, later 
vervangen door de raden voor de 
kinderbescherming, ingesteld om 
kinderen te beschermen tegen 
ontaarde ouders. De RPF-fractie heeft 
de indruk dat de raden voor de 
kinderbescherming die taak tegen-
woordig wel wat breed opvatten, 
zodat ouders en opvoeders vrij 
gemakkelijk in het beklaagdenbankje 
kunnen komen en niet zelden het 
gevoel hebben, zo niet rechteloos dan 
toch wel machteloos te zijn. 

Dat leidt niet alleen tot negatieve 
beeldvorming, zoals in de voorliggen-
de nota wordt gesteld, maar ook 
menigmaal tot hartverscheurende 
situaties bij ouders die zich onrecht 
voelen aangedaan. Onderkent de 
staatssecretaris die ontwikkeling, die 
zich met name de laatste jaren 
voordoet, en is zij het met mij eens 
dat het begrip 'ouderlijke macht' 
waarover artikel 246 van het Burgerlijk 
Wetboek spreekt, nogal eens wordt 
gerelativeerd of gedevalueerd? 

De nota, waarvoor ik de bewinds-
vrouwe dankzeg, geeft veel informatie 
en een helder overzicht van alle 
aspecten van het raadswerk, maar 
loopt naar mijn opvatting om de echte 
pijnpunten heen. Er is echter een 
goede basis voor gesprek gelegd. Ik 
zou in de eerste plaats graag wat 
meer uitwerking willen horen van het 
begrip 'welzijn', als wordt gesproken 
van het feit dat de raden een zorgvul-
dige afweging moeten maken, waarbij 
uiteindeijk bepalend is welke hande!-
wijze het welzijn van de minderjarige 
het beste kan dienen. Welke criteria 
worden gebruikt ter toetsing? 

Een van de criteria moet naar mijn 
idee zijn het opgroeien in het eigen 
gezinsverband. Mij ontbreekt de tijd 
om uit te weiden, maar wij moeten 
eraan vasthouden dat huwelijk en 
gezin instellingen van God de Schep-
per zijn, in het belang van het welzijn 
van kinderen en ouders. Daarbij gaat 
het dan ook om de rechten en plichten 
van ouders en kinderen, waarbij ik 
ervan uitga dat de staatssecretaris 
artikel 245 van het Burgerlijk Wetboek 
en artikel 8, lid 1, van het Europees 
verdrag van de rechten van de mens 
volle geldingskracht wil laten behou-
den. Is zij het met mij eens dat juist 
om de rechten van ouders en kinderen 
tot hun rechtte laten komen, de raden 
het herstel van de gezinsrelatie 
primair moeten stellen? 

Hoe oordeelt zij daarbij over de 
steeds vaker gehoorde klacht- onlangs 

werd die weer eens geuit in een 
uitvoerig gedocumenteerd schrijven 
aan onze commissie - dat er nimmer 
aan herstel van gebroken relaties is 
gewerkt? Is de staatssecretaris de 
opvatting toegedaan dat de Europese 
Commissie van de Rechten van de 
Mens bij toepassing van het Europees 
Verdrag het gezinsleven boven het 
privéleven - ik neem aan ook de 
privéopvattingen - stelt en zo ja, 
welke consequenties verbindt zij 
hieraan? 

De Raad heeft verschillende 
toezichthoudende taken. Kunnen deze 
worden uitgebreid naar particuliere 
instellingen en tehuizen en in elk 
geval naar de ambulante hulpverle-
ning? Bij de ambulante hulpverlening 
denk ik in het bijzonder aan de 
alternatieve hulpverlening aan 
wegloopkinderen. Kan de staatssecre-
taris een reden geven waarom deze 
residentiële en ambulante voorzienin-
gen tot nu toe niet bij het toezicht zijn 
betrokken? Zou de uitbreiding van het 
toezicht zich trouwens niet uitstekend 
verdragen met de signalerende 
functie van de Raden? 

Over de klachtenregeling heeft mijn 
fractie enkele vragen. Waarom kan 
alleen geklaagd worden over het 
optreden van medewerkers en niet 
over de werkwijze of het niet-optreden? 
Hoe verdraagt zich dat met wat te 
lezen staat in de memorie van 
toelichting op de begroting van 
Justitie voor 1980? Waarom is er geen 
werkelijk onafhankelijke commissie 
ingesteld? Waarom zijn aan de 
uitspraak van de klachtencommissie 
geen rechtsgevolgen verbonden? 

Het antwoord op vraag 32 vind ik 
onbevredigend. Wil de staatssecretaris 
de vraag nog eens oppakken en erop 
terugkomen? Als haar antwoord 
bevestigend is, stemt zij dan in met 
deze mogelijkheid? In hoeverre? 

Bij de maatregelen van de kinderbe-
scherming wordt gesproken over de 
minder ernstige ondertoezichtstelling. 
Is het juist dat de ondertoezichtstelling 
plus uithuisplaatsing wordt aange-
vraagd door de Raad als vorm van 
conflictbeslechting bij oudere minder-
jarigen en hun gezagsdragers? Is dat 
geen oneigenlijk gebruik, in aanmer-
king nemend dat bij de ondertoezicht-
stelling herstel van de gezinsrelatie 
voorop staat? Zou trouwens in het 
kader van bezuinigingen een gezins-
vriendelijk beleid met daarop toege-
sneden preventieve maatregelen niet 
bijzonder effectief zijn? 

In de functie-taakomschrijving van 
de maatschappelijk werker bij de 
Raad wordt gesteld dat deze de cliënt 

Bijzondere commissie 15317 

Raad voor de Kinderbescherming 

UCV 98 

28 mei 1984 98-14 




Leerling 

moet wijzen op zijn rechten. Kan dat 
zo veranderd worden dat verplicht 
wordt de folder 'Uw rechten' te 
overhandigen? Dat kan veel geharre-
war voorkomen. Is het denkbaar dat 
er een wettelijke regeling komt waarin 
de kwaliteitseisen en garanties 
worden vastgelegd die de cliënt 
beschermen tegen willekeurig 
optreden? Hoe staat het met het 
nieuwe lesmateriaal voor de scholing 
voor kaderfuncties? 

De Raad rapporteert aan de rechter. 
De maatschappelijk werker bepaalt 
welke informatie wordt doorgegeven, 
leder handelt dan naar eigen inzicht. 
Wil de staatssecretaris in de vorm van 
een algemene maatregel van bestuur 
richtlijnen geven over vorm en inhoud 
van deze rapportage? 

De fractie van de RPF acht het 
onjuist dat allerlei werkwijzen van de 
Raad bekend worden gemaakt via 
circulaires. Dat staat op zijn minst op 
gespannen voet met artikel 238, lid 5, 
boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. 
Als de bewindsvrouwe dit onder-
schrijft, wil zij dan handelend optre-
den? 

Het college van de Raad wordt door 
coöptatie aangevuld. Is dat nu de 
meest wenselijke vorm? Is er dan ook 
een garantie dat het college een 
redelijke afspiegeling is van de 
maatschappelijke verhoudingen? 

D 

Mevrouw Van Es (PSP): Mevrouw de 
Voorzitter! Het was mij al langer 
duidelijk, maar tijdens de hoorzitting 
is weer eens duidelijk gebleken dat, 
hoe je het ook wendt of keert, de 
Raden voor de Kinderscherming 
macht hebben. Zij hebben de macht 
om het initiatief te nemen tot ingrijpen 
in gezinssituaties en leefsituaties van 
minderjarigen. Dat gebeurt, zo staat 
het in de notitie, natuurlijk met goede 
bedoelingen, met de beste bedoelin-
gen voor het kind. Dat heeft nu juist 
geleid tot die versluiering tussen recht 
en hulp. De combinatie van die twee 
maakt minderjarigen nog onmachti-
ger. Voor mij maakt dat een ingrijpende 
herbezinning op het jeugdrecht 
noodzakelijk. 

Helaas gebeurt dat nu niet. Het 
gezin blijft onaantastbaar, totdat het 
niet aan een aantal maatschappelijke 
normen voldoet. Dan kan ineens 
totaal worden ingegrepen. De Raden 
voor de Kinderbescherming zouden 
eigenlijk besproken moeten worden in 
het licht van de gewijzigde opvattingen 
over het gezin, de ouderlijke macht, 
de rechtspositie van minderjarigen en 

de wenselijke vernieuwde vormen 
van jeugdhulpverlening, die door de 
bezuinigingen veel te weinig kansen 
krijgen. 

Ik vind het jammer dat de invalshoek 
zo beperkt is. Daarom kan er niet 
goed sprake zijn van een scheiding 
tussen hulp en recht. Er is vandaag al 
heel veel over gezegd. Er zijn moties 
over ingediend. Mevrouw Lucassen 
heeft de adviezen van de Raad voor 
het Jeugdbeleid aangehaald. 

Ook ik zou graag een reactie van de 
staatssecretaris willen horen over die 
adviezen. Er zou een aanzet uit 
kunnen voortvloeien tot de zo noodza-
kelijke scheiding tussen hulp en recht. 

Ik wil verder nog iets zeggen over 
enkele onderdelen, die trouwens alles 
te maken hebben met de machtspositie 
^an de Raden voor de Kinderbescher-
ming. Ik wil het eerst hebben over het 
klachtrecht. Ik ben van oordeel dat de 
klachteninstanties onafhankelijk 
moeten zijn, los moeten staan van de 
Raden. Ik begrijp niet waarom er zo 
terughoudend over gedaan wordt. Bij 
andere onderdelen van overheidsingrij-
pen vinden wij het toch ook heel 
normaal dat er onafhankelijke klachten-
instanties zijn? Ik wijs op een pro-
bleem, verbonden aan de verwevenheid 
van de klachtencommissies met de 
Raden. 

Het wordt iemand moeilijk gemaakt, 
tijdens de procedure een klacht in te 
dienen. Als iemand dat doet, is de 
kans levensgroot dat hij of zij de 
verdere procedure, ook bij de Raad 
voor de Kinderbescherming, negatief 
beïnvloedt, omdat een negatief 
signaal wordt gegeven dat vervolgens 
wordt beoordeeld door mensen uit de 
kring van de Raden voor de Kinderbe-
scherming. Dit dwingt je er al bijna 
toe, te wachten tot het einde van de 
procedure, hetgeen niet beoogd 
wordt met het deponeren van een 
klacht. Ik wil dan ook een iets duidelij-
ker uitspraak van de staatssecretaris 
dan dat een en ander te zijner tijd 
wordt geëvalueerd. Acht zij het 
wenselijk, dat gestreefd wordt naar 
het creëren van onafhankelijke 
klachteninstanties? 

Ik kom tot het inzage- en correctie-
recht betreffende de rapporten - wat 
mij betreft, moet dat uitgebreid 
worden tot de dossiers - en de 
vernietiging van dossiers. Hierover is 
al veel gezegd. Ook ik ben van 
mening, dat de regelingen tot nu toe 
veel te beperkt zijn. Ik meen dat er een 
algemeen inzage- en correctierecht 
moet komen. De motie van mevrouw 
Haas-Berger ter zake gaat wat mij 
betreft een heel eind in de goede 

richting, met name als het gaat om 
een scherpere omschrijving van wat 
wel en wat niet kan. 

Ik wil in het bijzonder nog iets 
zeggen over de positie van meisjes in 
de kinderbescherming. De commissie 
heeft een brief gekregen van twee 
mensen, die in het kader van hun 
studie criminologie een onderzoek 
hebben gedaan naar de positie van 
meisjes. Op basis van heel schaars 
materiaal bleek dat aan meisjes in 
tegenstelling tot jongens voornamelijk 
op grond van niet-strafbare gedragin-
gen maatregelen worden opgelegd. 

Krachtens de Amerikaanse en Britse 
jeugdrechtsystemen zijn gedragingen 
als spijbelen, weglopen en ongewen-
ste contacten als zogenaamde 
'statusdelicten' in de wet opgenomen 
en dat is in ons land niet het geval. Op 
zich zelf is dat, vind ik, een goede 
zaak, maar gezien de verwevenheid 
van hulp en recht leidt het tot ondui-
delijkheid over normen, die kunnen 
leiden tot justitiële behandeling van 
meisjes. 

Het onderscheid komt vooral tot 
uiting volgens de onderzoekers bij 
seksuele gedragsproblematiek als 
indicatie voor opname in een tehuis. 
Uit verschillende, ook Nederlandse, 
onderzoeken blijkt dat die een van de 
belangrijkste opnameredenen is voor 
meisjes, terwijl het maar geldt voor 
2% van de jongens. Ik vind het 
onwenselijk dat wij geen inzicht 
hebben in de verschillende manieren, 
waarop door de Kinderbescherming 
daartegen aangekeken wordt en 
keuzes worden gemaakt ten aanzien 
van meisjes en jongens. Ik vind het 
ook onwenselijk dat er sprake is van 
oncontroleerbare criteria. Daarom wil 
ik de Kamer een motie voorleggen. 

Motie 

De Voorzitter: Door de leden Van Es, 
Haas-Berger, Evenhuis-van Essen, 
Lucassen-Stauttener, Lankhorst en 
Mik wordt de volgende motie voorge-
steld: 

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging; 

overwegende, dat beperkt onderzoek 
tot nu toe heeft uitgewezen dat in de 
kinderbescherming verschillende 
selectie- en uithuisplaatsingscriteria 
voor jongens en meisjes worden 
gehanteerd; 

overwegende, dat het regelmatig 
voorkomt dat bij voorbeeld 'seksuele 
gedragsproblematiek' indicatie is tot 
uithuisplaatsing van meisjes; 

Bijzondere commissie 15317 
Voorzitter 

overwegende, dat bij dergelijke 
problematiek, in tegenstelling tot bij 
voorbeeld strafbare gedragingen, 
formele toetsingscriteria ontbreken; 

van mening, dat daardoor onduidelijk 
is in hoeverre de persoonlijke moraal 
van de beoordelaar een rol speelt in 
de verschillende fasen van de proce-
dure; 

van oordeel dat, mede in het licht van 
het door de regering gevoerde 
emancipatiebeleid, nader onderzoek 
op dit terrein noodzakelijk is; 

verzoekt de regering, nader onderzoek 
te doen naar de verschillende behan-
deling van jongens en meisjes in de 
kinderbescherming, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

Deze motie krijgt nr. 16 (18122). 

De vergadering wordt van 13.15 uur 
tot 14.30 uur geschorst. 

D 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Mevrouw de Voorzitter! Ik wil de 
leden van de commissie danken voor 
de wijze waarop zij de notitie De Raad 
voor de Kinderbescherming hebben 
ontvangen. Het is vandaag exact vijf 
jaar geleden - het zal ook wel op een 
maandag zijn geweest - dat de eerste 
vergadering over het jeugdwelzijnsbe-
leid werd gehouden. Een onderdeel 
daarvan was: Raden voor de Kinder-
bescherming. Voor degenen die van 
geschiedenis houden is het interessant 
om de verschillende rollen na te gaan 
die de sprekers aan deze en gene zijde 
van de tafel toen vervulden en de 
rollen die men nu vervult. 

Ik kan niet verhelen - integendeel -
dat ik nog steeds van mening ben dat 
de toen door de hele Kamer een paar 
weken later aangenomen motie goed 
is geweest. Ik weet wie de initiatiefne-
mer was, maar ik meen te mogen 
zeggen dat, gelet op het belang en op 
hetgeen waarmee de Raad voor de 
Kinderbescherming bezig is, deze 
motie tot denken heeft gezet en in de 
tussentijd tot resultaten heeft geleid. 

Ik wijs op bij voorbeeld het organi-
satiebesluit dat in 1982 is ingevoerd, 
waarover met de Kamer is gesproken. 
In dit organisatiebesluit is grote 
duidelijkheid gebracht over de 
organisatie, de verhouding van bureau 
en raad. 

Ik heb er zeer veel behoefte aan, 
aan het begin van mijn beantwoording 
mijn respect en dankbaarheid te uiten 
ten opzichte van al degenen die 
binnen de raden werken. Ik trek 

enigszins een vergelijking met 
mensen die werkzaam zijn in een 
ander takengebied van mij, namelijk 
het gevangeniswezen. Ik weet dat er 
vanuit de hele Kamer en ook vanuit 
de vaste Commissie voor Justitie een 
groot begrip is alsmede een groot 
inlevingsvermogen in verband met 
degenen die een moeilijke taak 
verrichten binnen het gevangeniswe-
zen. 

Ik ben ervan overtuigd, dat een 
zelfde gevoel van medeleven aanwezig 
is voor degenen die in deze tijd 
binnen de Raad voor de Kinderbe-
scherming werken bij de bijzondere 
Commissie Jeugdwelzijn. Ik wil dit 
heel nadrukkelijk in deze moeilijke 
tijden voor raden en anderen die zijn 
betrokken bij de jeugdhulpverlening 
uitspreken. Ik ben ervan overtuigd dat 
de bijzondere commissie het hiermee 
eens is. 

Mevrouw Haas heeft in het begin 
van haar betoog gezegd, dat het haar 
bevreemdt dat er weinig reactie 
vanuit het veld is. Ik wil hier melding 
maken van een misverstand bij de 
Vereniging van secretarissen van de 
raden. Voor zover ik weet, zouden 
deze secretarissen heel graag op de 
hoorzitting van de commissie zijn 
verschenen. Aan hen is toen meege-
deeld, dat de hoorzitting niet doorging. 
Raden zouden het op prijs hebben 
gesteld, als zij eens waren bezocht 
door een afvaardiging van de bijzon-
dere commissie. Ik meen dat dit niet is 
gebeurd. 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): Ik heb 
niet gedoeld op enige club in het 
bijzonder. Ik heb erop gedoeld, dat wij 
weliswaar een oproep in de Staatscou-
rant hebben gezet, maar dat daarop 
vrij weinig reactie is gekomen. Daarna 
hebben wij besloten tot een hoorzit-
ting. Juist omdat de raden de afgelo-
pen jaren nogal wat beweging in het 
land hebben opgeroepen, hadden wij 
verwacht dat er veel meer commentaar 
zou zijn geweest. Ik heb niet gedoeld 
op enige club in het bijzonder. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: Ik 

geloof ook niet dat er enig verschil 
van inzicht is tussen mevrouw Haas 
en mij. Ik deel haar opvatting dat het 
opvallend is, dat er weinig commenta-
ren of kritieken op de problematiek 
zijn gekomen. Op deelgebieden 
reageert men vaak op dezelfde 
soorten problematiek. Over de grote 
lijnen van plaats en taken van de 
raden voor de kinderbescherming zijn 
weinig opmerkingen verschenen in 
die zin, dat men meent dat het roer 
om moet. 

De Voorzitter: Om de geschiedschrij-
ving geen geweld aan te doen, wil ik 
de staatssecretaris zeggen, dat de 
vereniging van secretarissen zich tot 
de commissie heeft gewend, met het 
verzoek om een informeel gesprek. 

Dat heeft de commissie geweigerd, 
omdat alles wat wij in de Kamer doen 
formeel en openbaar is. Wij zagen 
niet in dat de secretarissen van de 
raden voor de kinderbescherming 
daarop een uitzondering zouden 
moeten vormen. Zij hebben geen 
schriftelijk commentaar ingediend en 
worden dan ook niet gehoord. Wij 
zouden hen graag gehoord hebben. Ik 
hoop dat de staatssecretaris de 
achtergrond waartegen zij geen 
commentaar hebben ingediend nu 
eens wil betrekken in haar beleid. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: Als 

dergelijke gedachten over en weer 
aanwezig zijn, lijkt het mij alleen maar 
goed als zij worden uitgesproken. 

De notitie als zodanig heeft verschil-
lende kwalificaties gekregen. De heer 
Lankhorst noemt haar een interessant 
schrijven, waarvoor mijn dank. Ook 
van buitenaf zijn er commentaren 
gekomen. Voor zover die inhouden 
dat er niets nieuws onder de zon is en 
dat de inhoud van de notitie teleurstel-
lend is, meen ik dat daarin toch wordt 
voorbijgegaan aan de duidelijkheid 
die ik in de notitie heb geprobeerd te 
verschaffen. De notitie is tot stand 
gekomen naar aanleiding van een 
motie. 
Korte-van Hemel 

andere via IWRV en IWAPV wordt 
voorbereid. Ik kom daarop later terug. 
Het samenhangend beleid, dat nu al 
gedurende een aantal jaren wordt 
doorgezet via IWRV en IWAPV 
verhindert, dat op een aantal punten 
op dit moment exact kan worden 
aangegeven hoe van A tot Z de feiten 
liggen en hoe de ontwikkeling zal zijn. 
Wanneer men als overheid - en dus 
ook vanuit de raden - een dynamisch 
beleid wil voeren, is het niet mogelijk 
op ieder moment volstrekt uitgebalan-
ceerde gedachten in zo'n notitie neer 
te leggen. 

Er is echter één punt waarop ik heel 
nadrukkelijk wil wijzen, een punt dat 
ook vrij fundamenteel door de leden 
van de commissie is besproken, 
namelijk de problematiek van de 
scheiding tussen hulp en recht. Bijna 
alle leden willen hierin meer duidelijk^ 
heid hebben. Men ervaart het als iets 
waarop men helemaal geen greep 
heeft. Men ziet ook een onderscheid 
tussen hulp en recht, alsof via het 
recht geen hulp mogelijk zou zijn. 

Ik bestrijd de gedachte dat, wanneer 
ten slotte een maatregel tot stand 
komt, zulks per definitie geen hulp 
zou kunnen zijn of zou kunnen 
betekenen. Integendeel! Aansluitend 
bij woorden die de heer Mik gesproken 
heeft: ik denk zelfs dat op een gegeven 
moment de duidelijkheid die een 
maatregel biedt, een aanzet tot 
hulpverlening kan zijn, een kader 
waarin later een geslaagde hulpverle-
ning kan worden geëffectueerd. 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): Dan is 
de raad toch niet degene die de hulp 
uitvoert. Daar gaat het namelijk om. 
Hier heeft eenzelfde instelling twee 
verschillende soorten taken, namelijk 
hulpverlening aan de ene kant en de 
juridische taak aan de andere kant. 
Een maatregel die door de rechter 
wordt opgelegd, wordt gevorderd 
door de raad; dat is wel een kwestie 
van hulpverlening, maar niet door de 
raad. Dat is nu net het verschil. Die 
vermenging zit in de raad zelf. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: Ik 

denk dat het vaak een verschil in 
terminologie is, waardoor het lijkt 
alsof hulp en recht tegenover elkaar 
staan. Hulpverlening is weer een 
andere situatie. Ik heb dan ook heel 
nadrukkelijk in het antwoord op vraag 
9 gezegd dat ik er geen twijfel over wil 
laten bestaan dat de raad geen 
hulpverlenende instelling is en dat de 
hulpverlening bij andere instellingen 
thuishoort. Alle leden hebben onge-
twijfeld het commentaar gelezen van 
de Raad voor het jeugdbeleid. 

Ik zou de raden voor de kinderbe-
scherming toch niet helemaal terug 
willen dringen in het rechtssysteem; 
die gedachte wil ik verre van mij 
werpen. Ik ben van mening dat 
hulpverlening en rechtstoepassing 
beide het belang van de minderjarige 
dienen. Het WIJN is het met deze 
stelling eens. 

De raden moeten een rol spelen in 
de gezags- en opvoedingssituaties 
waarin de daadwerkelijke toepassing 
van rechtsregels ten aanzien van de 
minderjarige aan de orde kan komen. 
De raden moeten daarbij beoordelen 
in hoeverre de rechtstoepassing in het 
concrete geval inderdaad het welzijn 
van de minderjarige kan bevorderen, 
bij voorbeeld door een maatregel te 
vragen om hulpverlening op te 
leggen. Om die rol zo goed mogelijk 
te spelen, past de raad eerder op de 
door mij in de notitie aangegeven 
plaats op het kruispunt van hulpverle-
ning en rechtstoepassing dan uitslui-
tend op een plaats in het rechtssys-
teem. 

In die positie kan de raad namelijk 
enerzijds de rechterlijke macht 
voorlichten en adviseren en anderzijds 
op de hoogte zijn van de mogelijkhe-
den die hulpverlening door andere 
instellingen biedt. De raad zal over 
goede verwijsmogelijkheden dienen 
te beschikken. De rechtstoepassing zal 
aan kwaliteit winnen als ter voorko-
ming of, zo nodig, ter uitvoering van 
rechterlijke beslissingen voldoende 
vormen van hulpverlening beschikbaar 
zijn. 

Ik ben dan ook van mening dat de 
raad om deze redenen midden in de 
maatschappelijke werkelijkheid zal 
dienen te staan. Ik ben er niet voor, de 
raad zijn publieksfunctie te ontnemen, 
zoals sommigen in hun commentaar 
wel stellen. 

De heer Van der Vlies (SGP): De 
staatssecretaris lijkt dit onderwerp te 
gaan verlaten. Ik denk dat het conflict-
terrein, het spanningsveld tussen 
recht en hulp zich onder meer voltrekt 
waar een maatregel wordt gevraagd, 
die hulpverlening kan inhouden. De 
uitvoering daarvan wordt overgedra-
gen aan de hulpverlening. Over de 
redenering naar de andere kant echter 
heb ik de staatssecretaris niet horen 
spreken. Er wordt een probleem 
gesignaleerd. Ik veronderstel dat wij 
allemaal vinden dat dit zo mogelijk via 
hulpverlening en ondersteuning 
daarvan in het gezin moet worden 
opgelost. Als dat blijkt te mislukken, 
kan een maatregel nodig zijn. Is 
daarin ook geen spanningsveld 
gelegen? Wanneer wordt dus een 

probleem door de hulpverlening aan 
de rechtshulp overgedragen? 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: De 

raad draagt hierin zijn eigen verant-
woordelijkheid. Als de raad van 
mening is dat een gezinssituatie 
daartoe aanleiding geeft en dat het 
belang van de minderjarige, het kind 
het vraagt, is dat het moment waarop 
de raad zal moeten ingrijpen. Een en 
ander moet zo lang mogelijk lopen via 
de vrijwillige hulpverlening. Op een 
gegeven moment moet de raad wel 
zijn eigen verantwoordelijkheid 
nemen. 

De heer Van der Vlies (SGP): De 
frustratie zal echter bij de bepaling 
van dat moment ontstaan. Het zal 
geen eenduidig te definiëren moment 
zijn. Daar voltrekt zich volgens mij het 
spanningsveld. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: Ik 

ben dit met u eens, als het zo gezegd 
wordt. Daarvoor is ook geen compu-
teroplossing te vinden, in die zin dat 
per computer niet het moment is te 
bepalen, dus bij voorbeeld dat het nu 
wel kan, maar gisteren niet en 
morgen ook niet. Het hangt onder 
andere af van deskundigheid, ervaring, 
bekendheid met de lokale en regionale 
situatie en de samenstelling van een 
college. 

Kortom, al deze verschillende 
factoren zullen te zamen zodanig 
vorm moeten geven aan het beleid 
van een raad dat dit het vertrouwen 
wekt van de justitiabelen, enerzijds 
ten opzichte van de ouders en 
anderzijds ten opzichte van de 
kinderen. In mijn notitie heb ik er heel 
nadrukkelijk voor gekozen, dat bij de 
afweging van deze belangen het 
belang van het kind vooropstaat. 

Mevrouw de Voorzitter! Onder 
anderen mevrouw Haas heeft mij 
gevraagd, de scheiding tussen hulp 
en recht bij de raden te bevorderen 
door de jeugdhulpverleningsinstellin-
gen per regio beter te laten samenwer-
ken. Die instellingen dienen er in 
onderling overleg gezamenlijk voor te 
zorgen dat er eerst een vrijwillig-hulp-
verleningsaanbod wordt gedaan. Als 
dat niet lukt, komt de raad aan bod. 
Hiermee ben ik nog verder ingegaan 
op de interventie van de heer Van der 
Vlies. 

Het zal duidelijk zijn dat ik dit 
onderstreep; dit is ook mijn beleid. Ik 
ben van mening dat de raden steeds 
terughoudend moeten zijn en zo 
enigszins mogelijk moeten doorverwij-
zen. In de schriftelijke antwoorden 
heb ik dit ook met cijfers geïllustreerd. 
Door de zorgvuldige bemoeienis van 
de raad komen de mensen dikwijls 

Bijzondere commissie 15317 

Raad voor de Kinderbescherming 

UCV98 

28 mei 1984 98-17 
Korte-van Hemel 

zelf tot een oplossing, liever dan dat 
de zaak aan de rechter wordt voorge-
legd; niet alleen ik heb dat liever, 
maar ook de raden zelf willen dit. Ook 
dit element karakteriseert het werk 
van de raden. 

Ook mevrouw Haas vraagt om een 
geïntegreerd hulpverleningsaanbod in 
de vrijwillige sfeer. Zij heeft terecht 
gezegd dat dit een noodzaak is. Toch 
is dit niet eenvoudig. Op het ogenblik 
ben ik daarmee ook bezig met mijn 
collega's van WVC en O en W. Het is 
bekend dat de rapporten van IWAPV 
en IWRV in dit stadium nog ambtelijk 
zijn. Daarin wordt uitgebreid ingegaan 
op de samenwerking van de jeugd-
hulpverleningsinstellingen. Daarop 
zullen wij binnenkort ingaan in het 
regeringsstandpunt. 

Het eindrapport van IWRV is mij 
onlangs aangeboden. Ik denk dat dit 
van IWAPV op zeer korte termijn 
verschijnt. Hierbij denk ik aan één a 
twee weken. 

Ik moet wel zeggen, dat de ideale 
samenwerking van de particuliere 
instellingen bepaald nog geen regel 
is. Een ieder van deze commissie die 
thuis is in deze wereld en het veld 
kent, zal dit met mij eens moeten zijn. 

Het aanbod aan de cliënt is soms 
meer versnipperd dan gezamenlijk. In 
die situatie is er niet aan te ontkomen 
dat ook een aantal mensen bij de 
Raad terechtkomt, terwijl dat niet 
strikt noodzakelijk is. Het is dan de 
taak van de Raad, de cliënt te verwijzen 
naar de aangewezen particuliere 
instelling en dit doet de Raad ook. Ik 
noem bij voorbeeld de verwijzingen 
bij echtscheidings- en omgangszaken: 
daarbij blijkt dat de Raden op veel 
plaatsen hebben kunnen bereiken dat 
het particulier initiatief zich op deze 
zaken is gaan instellen. 

Ik verwijs ook naar de voorbeelden 
in de antwoorden, zoals Amsterdam. 
De Raden kunnen dan een stap terug 
doen en doen dit ook. Als er een 
betere samenwerking ontstaat tussen 
de vrijwillige hulpverleningsinstellin-
gen, kunnen waarschijnlijk meer 
zaken rechtstreeks naar dit hulpaanbod 
worden verwezen. Ook dat zal 
uiteraard een kwestie van voorlichting 
zijn. 

Tegen de achtergrond van deze 
conclusie denk ik dat het betoog van 
mevrouw Haas in dezen min of meer 
parallel loopt met mijn opvattingen. Ik 
leg de accenten op dit moment iets 
anders. Mevrouw Haas gaat wellicht 
wat meer uit van een bereikte eindsi-
tuatie. Ik ga uit van de werkelijkheid, 
zoals ik deze in het veld constateer, 

waarmee overigens niet tegelijkertijd, 
door uit te spreken dat het zo zou 
moeten zijn, de aanwezige verschillen 
zijn opgelost. 

Ik zal dadelijk op de motie van 
mevrouw Haas ingaan, maar ik wil 
hier alvast zeggen dat ik, gelet op 
mijn opvatting in dezen, geen behoefte 
heb aan die motie, waarin dat andere 
wordt uitgesproken. Ter voorbereiding 
van deze UCV heb ik de Handelingen 
van de UCV van 5 jaar geleden 
nagelezen: als ik dan zie hoe er toen 
nog in het veld van de ambulante 
hulpverlening een soort ochtendmist 
hing, vind ik dat er juist op dit terrein 
van de ambulante hulpverlening 
ontzettend veel is bereikt. Daarmee 
zijn we echter beslist nog niet aan het 
eindpunt van een integraal aanbod 
van ambulante en residentiële 
hulpverlening. 

Ik kom dan ook ten aanzien van dit 
punt tot de conclusie, dat de Raden de 
wettelijke taak op een verstandige 
manier verrichten. Zij rekenen de 
hulpverlening daarbij niet tot hun 
taak, maar zijn juist actief om de 
vrijwillige hulpverlening in te schake-
len. Mede namens mijn collega's van 
O en W en WVC zeg ik toe dat bij de 
eindrapportage en het regeringsstand-
punt zal worden teruggekomen op de 
samenwerking met de jeugdhulpverle-
ningsinstellingen. 

De heer Lankhorst (PPR): Mevrouw 
de Voorzitter! Ik heb de staatssecretaris 
erop gewezen dat er in het kader van 
de wetgeving betreffende WVC een 
motie ligt van de PvdA en het CDA, 
waarin de jeugdhulpverlening een 
bepaalde plaats heeft gekregen. Acht 
de staatssecretaris het niet verstandig 
om daar in dit stadium toch een 
mening over te hebben? Zij kan die 
mening nu natuurlijk nog wel een 
tijdje uitstellen, maar intussen kan de 
besluitvorming in de Kamer wel eens 
zo ver zijn, dat er een duidelijke 
uitspraak van de Kamer ligt. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Mevrouw de Voorzitter! Ik begrijp 
heel goed dat de heer Lankhorst mij 
uit mijn tent wil lokken. Hij heeft het 
vanochtend gedaan en ik zal er bij de 
beantwoording ongetwijfeld op 
terugkomen. Het lijkt mij echter niet 
juist - ook staatsrechtelijk niet - om 
op dit moment, nu bij brief (18 111) 
aan de minister van WVC is gevraagd 
zich schriftelijk tegenover de Kamer 
uit te laten over een aantal moties, 
namens mijzelf een oordeel tegenover 
de Kamer uit te spreken in dezen. De 
regering bereidt, via de minister van 
WVC, het schriftelijk antwoord voor, 
waarom de Kamer heeft gevraagd. 

Welnu, ik denk dat de Kamer op dat 
antwoord moet wachten. 

De heer Lankhorst (PPR): Dit antwoord 
van de staatssecretaris vreesde ik al 
een beetje, mevrouw de Voorzitter. Ik 
had daarom mijn vraag ook nog eens 
zo geformuleerd, of de staatssecretaris 
niet vindt dat de belangen van de 
meest bedreigde minderjarigen 
- daarover hebben we het hier - beter 
beschermd zijn binnen het systeem 
van de Zorgwet dan binnen het 
systeem van de Welzijnsraamwet. 
Zou de staatssecretaris daarop een 
antwoord kunnen geven? 

De Voorzitter: Ik heb net al met enige 
zorg uw vraag gehoord, mijnheer 
Lankhorst, want ze is echt buiten de 
orde. De uitgebreide commissieverga-
dering van vandaag gaat over de 
Raden voor de Kinderbescherming. Ik 
geef graag toe dat de staatssecretaris 
aanleiding tot deze vraag heeft 
gegeven door zelf te vertellen hoe ver 
men is met de onderdelen van de 
jeugdhulpverlening waarop wij 
wachten, maar ik zou het toch op prijs 
stellen als u zich beperkte tot het 
onderwerp dat voor vandaag op de 
agenda staat. 

De heer Lankhorst (PPR): Maar, 
mevrouw de Voorzitter, je kunt toch 
de plaats en de taak van de Raad voor 
de Kinderbescherming niet los zien 
van de andere particulieren instellin-
gen en niet los zien van het gehele 
jeugdhulpverleningsapparaat. Dan 
maken wij het wel uitermate eng, 
waar ik zeker geen voorstander van 
zou zijn. 

De Voorzitter: Maar nu is de notitie 
aan de orde. Dan had u bij het 
bepalen van de agenda van deze 
vergadering moeten zeggen dat u 
deze notitie in het brede kader van de 
jeugdhulpverlening behandeld wilde 
zien. Dat is niet gebeurd, dus nu is 
alleen de notitie aan de orde. 

De heer Lankhorst (PPR): Mevrouw 
de Voorzitter! Maar in de notitie gaat 
een hoofdstuk over de plaats en de 
taak van de Raad voor de Kinderbe-
scherming en daarbij komen dit soort 
vraagstukken bepaald aan de orde. 

Staatssecretaris Korte-Van Hemel: 

Mevrouw de Voorzitter! Ik wijs erop 
dat er voor hulp aan jeugdigen een 
uitstekende wet is, namelijk de 
Beginselenwet voor de kinderbescher-
ming. Ik meen dat die wet er al is 
vanaf 1901. Met dat gegeven werken 
wij op het ogenblik. Voor het overige 
heb ik een antwoord gegeven op een 
wijze die passend is voor iemand die 
staatssecretaris is in dit kabinet. 

Bijzondere commissie 15317 

Raad voor de Kinderbescherming 

UCV 98 
Korte-van Hemel 

Overigens heeft ook mevrouw 
Lucassen over deze zaak gesproken. Ik 
zal hierop dadelijk nog nader ingaan. 

Mevrouw de Voorzitter! Het lijkt mij 
goed om nu mijn reactie te geven op 
het arrest van de Hoge Raad inzake 
het eventueel voortduren van de 
ouderlijke macht dan wel het regelen 
van een vorm van medevoogdij bij 
echtscheiding. De raad houdt zich 
immers ook bezig met omgangsrecht 
bij echtscheidingen en dergelijke. Op 
4 mei 1984 heeft de Hoge Raad een 
beschikking gewezen waaruit je kunt 
opmaken dat in bepaalde gevallen het 
gezag dat beide ouders voor de 
scheiding hadden en toen gezamenlijk 
uitoefenden, ook na de echtscheiding 
kan doorlopen. 

Dit is dan in afwijking van het 
dwingend voorschrift van artikel 161, 
eerste lid, datzegtdat bij een echtschei-
dingsvonnis of bij een latere beschik-
king de rechter over ieder minderjarig 
kind van de echtgenoten één van de 
ouders tot voogd benoemt en dat hij 
tevens een toeziend voogd benoemt. 

De Hoge Raad heeft bij die beschik-
king uitgesproken dat de benoeming 
van één der ouders tot voogd na de 
echtscheiding een inmening oplevert 
in het gezinsleven als bedoeld in 
artikel 8 van de Europese Conventie 
van de Rechten van de mens. Een 
dergelijke inmenging is echter op 
grond van artikel 8, tweede lid, in 
beginsel wel toegestaan nu bij de wet 
artikel 161, eerste lid is voorzien. In 
het algemeen zal, volgens de Hoge 
Raad, in verband met de tussen de 
ouders bij ontwrichting van het 
huwelijk te verwachten spanningen, 
deze inmenging dan ook worden 
gerechtvaardigd door de belangen 
van het kind, dat recht op bescherming 
heeft. 

Echter - dan komt dus het nieuwe -
de Hoge Raad meent dat het anders 
kan zijn als de ouders, zoals was 
aangevoerd in het onderhavige geval, 
zich in staat achten het kind in goede 
onderlinge verstandhouding te blijven 
verzorgen en opvoeden en als zij dus 
op die grond beiden verzoeken en 
opvoeden en als zij dus op die grond 
beiden verzoeken om gezamenlijk met 
het gezag over het kind belast te 
blijven. 

In dat geval, zo meent de Hoge 
Raad, dient door de rechtbank 
onderzocht te worden of ondanks de 
strekking van het gezamenlijk verzoek 
van de ouders om met het gezag 
belast te blijven, het in het belang van 
het kind nodig is, dat de bestaande 
situatie van voor de scheiding door 

benoeming van één der ouders tot 
voogd wordt beëindigd. 

Als de rechtbank zegt dat dit niet 
nodig is in het belang van het kind, 
dan zal de bestaande situatie gehand-
haafd worden, dat wil zeggen dat de 
ouderlijke macht na de scheiding van 
kracht blijft. Volgens de Hoge Raad zal 
de rechtbank toch een eigen toetsing 
moeten behouden. Dit is pas verleden 
week aan het licht gekomen. Het zal 
duidelijk zijn dat een en ander een 
groot aantal vragen oproept op het 
gebied van het familierecht. 

Deze vragen kunnen op zo korte 
termijn nog niet worden beantwoord, 
te meer daar de vragen en de opmer-
kingen van de Hoge Raad terugge-
speeld zijn naar het hof die deze met 
inachtneming van de beschikking van 
de Hoge Raad op omstandigheden 
moet beoordelen. Het lijkt mij erg 
belangrijk welke omstandigheden het 
Hof daarbij in acht zal nemen en op 
welke wijze het daarop zal ingaan. Ik 
kan echter enkele punten noemen die 
niet direct voortvloeien uit dit concrete 
geval maar waarmee, wanneer een en 
ander doorgang vindt, rekening moet 
worden gehouden. 

Ook andere situaties waarin men in 
de wet uitgaat van huwelijkse situaties 
dienen te worden bezien en men zal 
eventueel tot wetswijziging moeten 
overgaan. Ik noem bij voorbeeld de 
plaats waar het kind moet worden 
ingeschreven in een bevolkingsregis-
ter. Ook al blijft de ouderlijke macht 
van kracht, men zal toch de plaats 
moeten kiezen waar het kind zal 
wonen. 

Een ander punt is het beheer van 
het vermogen, waarbij een der ouders 
toch met het feitelijke beheer daarvan 
belast zal moeten worden. Voorts zal 
de alimentatieverplichting bezien 
moeten worden. In de wet wordt 
momenteel in artikel 406 voorgeschre-
ven dat de raad voorde kinderbescher-
ming betrokken kan zijn bij inning van 
alimentatie die opgelegd is aan een 
niet met de voogdij belaste ouder. Dat 
betekent dus dat de raad op dit terrein 
een taak zal verliezen bij de inning 
van de bijdrage. 

Op grond van artikel 408 dienen de 
door de rechter vastgestelde bedragen 
ten behoeve van minderjarigen aan 
de raad te worden betaald en worden 
zij zo nodig door de raad geïnd. 
Voorts kan een en ander nog de 
volgende consequentie hebben. 

Als de ouderlijke macht na echtschei-
ding van kracht blijft dan zal de 
discrepantie tussen bevoegdheden 
van ouders die nooit gehuwd zijn 
geweest alleen nog groter worden. 

Mijns inziens dient goed te worden 
onderzocht of dat gaat ter bescherming 
van de kinderen. Er staat ook heel 
nadrukkelijk dat de ouderlijke macht 
er niet is omdat de wet de ouders 
macht geeft, maar omdat er een 
relatie tussen ouders en kinderen 
bestaat en omdat men over en weer 
verantwoordelijkheid draagt. 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): 
Mevrouw de Voorzitter! De staatsse-
cretaris signaleert terecht deze 
problemen. Wanneer de rechtbank 
echter tot de conclusie komt dat een 
gezamenlijke ouderlijke macht 
mogelijk blijkt, dan indiceert dat eens 
te meer dat wetgeving op dit terrein 
nodig is, want anders wordt het echt 
een bende. 

Staatssecretaris Korte-Van Hemel: Op 

de stafafdeling wetgeving privaatrecht 
wordt momenteel een wetsontwerp 
voorbereid dat nadere regelingen van 
gezag na scheiding regelt. In dit kader 
worden de consequenties van deze 
beschikking nader bestudeerd. Bij het 
opstellen van het wetsontwerp zal de 
beschikking van de Hoge Raad 
prioriteit hebben. Mijns inziens zal het 
afstammingsrecht en alles wat 
daarmee samenhangt ook een grotere 
prikkel krijgen. Men zal tot een 
afronding van de gedachtenvorming 
willen komen. 

Ik heb er behoefte aan in te gaan op 
de conclusie van de advocaat-gene-
raal, de heer Moltmaker, die heel 
nadrukkelijk de positie van de raad 
aan de orde stelt. Immers, zowel door 
het Hof als door de rechtbank is het 
advies van de Raad voor de Kinderbe-
scherming gevraagd. In beide gevallen 
heeft de Raad voor de Kinderbescher-
ming, in dit geval in Amsterdam, 
gesteld dat er vanuit sociaal oogpunt 
geen bezwaar was dat er in dit geval 
een dergelijke constructie zou worden 
gekozen, maar dat die het niet kon 
adviseren omdat er geen wettelijke 
mogelijkheden waren. Ik denk dat het 
goed is, daar zo vaak wordt gezegd 
dat de Raad voor de Kinderbescher-
ming behoudend optreedt, dat in de 
stukken heel nadrukkelijk melding 
wordt gemaakt van een positieve 
benadering van de raad ten aanzien 
van dat punt. 

Mevrouw Evenhuis-van Essen (CDA): 
De staatssecretaris vermeldt de 
functie van de Raad voor de Kinderbe-
scherming bij het arrest van de Hoge 
Raad. Welnu, wanneer er onderling 
overeenstemming bestaat, wat heeft 
de raad daarmee dan noq van doen? 
Wanneer de ouders onderling overeen-
stemming hebben bereikt en de 

Bijzondere commissie 15317 

UCV98 
Raad voor de Kinderbescherming 28 mei 1984 98-19 




Korte-van Hemel 

advocaten de zaak onderling regelen, 
vraag ik mij af waarom de raad nog 
nodig is om daarop toe te zien. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: De 

rechtbank en vervolgens het Hof 
hebben nadrukkelijk het advies van de 
raad gevraagd. De raad heeft zich in 
dat geval positief opgesteld. 

Mevrouw Evenhuis-van Essen (CDA): 
Het advies van de raad was dus niet 
doorslaggevend? Het was een advies, 
zoals vele adviezen. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: De 

adviezen van de raad kenmerken zich 
door onafhankelijkheid. De rechter 
beslist. Dat geeft mij tegelijkertijd de 
gelegenheid om de positie van de 
rechter in dit geheel te bezien. Uit de 
interventies van de commissieleden 
van vanmorgen zou men kunnen 
destilleren dat de Raad voor de 
Kinderbescherming een soort van 
eindstation is wat betreft de belangen-
behartiging van minderjarigen. Zo is 
het niet. 

De onafhankelijke rechter, in dit 
geval de kinderrechter met zijn 
speciale bevoegdheden, neemt 
uiteindelijk bij al deze zaken waar het 
juist gaat om vaak moeilijke relaties 
- de heer Mik heeft hierop vanmorgen 
terecht gewezen - de beslissingen. De 
kinderrechter neemt ook in latere 
stadia de beslissingen en beslist 
uiteindelijk tot opheffen enz. De raad 
heeft de door de wet aan haar 
opgedragen taken uit te voeren. 

Er is ook gesproken over de rechts-
positie van de minderjarigen. Me-
vrouw Haas heeft gezegd dat de 
rechtspositie van de minderjarigen 
een versterking behoeft. Zij drong 
verder aan op uitvoering met betrek-
king tot de werkzaamheden van de 
commissie-Wiarda. Ook mevrouw 
Lucassen heeft een dergelijk punt in 
haar motie verwoord. Ik verwijs de 
leden van de commissie naar de 
schriftelijke beantwoording die 
namens de minister en mij is gegeven 
bij de jusititiebegroting van dit jaar. 
Toen werd door mevrouw Wessel 
gevraagd hoe het nu eigenlijk zat met 
die positie en wat er allemaal gebeur-
de. Mevrouw Wessel heeft een 
antwoord gekregen waarop zij tijdens 
de plenaire behandeling van de 
begroting van Justitie niet verder is 
teruggekomen. 

Bij de beantwoording van de 
vragen is de huidige stand van zaken 
weergegeven inzake het horen van 
minderjarigen, de adoptie, het 
klachtrecht van minderjarigen in 

rijksinrichtingen en de wegneming 
van een aantal ongelijkheden tussen 
man en vrouw in personen- en 
familierecht. Daarbij is ook een nader 
standpunt bepaald over de verlaging 
van de leeftijd waarop de meerderja-
righeid wordt bereikt. Er is melding 
gemaakt van de stand van zaken bij 
het wetsontwerp 14167. Er is toen 
gesproken over de wijziging van de 
maatregel van ondertoezichtstelling en 
over de bijdragen in de kosten. Er is 
ook melding gemaakt van de herzie-
ning van het afstammingsrecht en 
van het omgangsrecht in verband met 
scheiding. 

Ik zal nu herhalen wat er toen is 
gezegd. Van de vele gedachten en 
voorstellen met betrekking tot de 
rechtspositie van minderjarigen 
zouden wij nog aandacht willen 
besteden aan de twee hierna volgende. 
Wij achten deze voorstellen, zo zeiden 
de minister van Justitie en ikzelf 
indertijd, niet voor realisatie vatbaar. 
Dat is ten eerste de geleidelijke 
rechtsverkrijging ten behoeve van 
minderjarigen. 

Wij zijn in de eerste plaats van 
mening dat de behoefte aan een 
dergelijke structuur verminderd is en 
wordt doordat enerzijds het horen van 
minderjarigen van twaalf jaar en 
ouder verplicht is gesteld en anderzijds 
de leeftijd waarop de meerderjarigheid 
wordt bereikt, wordt verlaagd tot 18 
jaar. Voorts menen wij dat deze 
gedachten in verband met de daaruit 
resulterende financiële aanspraken 
niet voor realisatie vatbaar is. 

Ten tweede: de bijzondere rechtsin-
gang voor minderjarigen. Deze 
gedachte is niet voor uitvoering 
vatbaar in verband met de klemmende 
problemen ten aanzien van de 
werklast van de rechter en en speciaal 
van de kinderrechter. Bovendien 
kunnen de Raden voor de Kinderbe-
scherming in een groot aantal 
gevallen zelf een procedure aanhangig 
maken, bij voorbeeld bij alimentatie 
en gezag. Er is toen gesteld, dat het 
voorshands niet in ons voornemen 
lag om andere dan de hierboven 
genoemde onderwerpen ter hand te 
nemen. 

Het standpunt van de minister, voor 
zover ik namens hem mag spreken, 
en dat van mij is op dit moment nog 
hetzelfde. Dat sluit echter niet uit dat 
er op deelpunten toch weer een 
andere benadering van de rechtsposi-
tie mogelijk is. Ik verwijs bij voorbeeld 
naar de medische behandeling van 
minderjarigen. Dit onderwerp is twee 
weken geleden hier bediscussieerd. 

Als er nog sprake zal zijn van verdere 
uitbreiding, zal een duidelijke behoefte 
aanwezig moeten zijn. Dit kan het 
geval zijn, bij voorbeeld bij het 
onderwerp van twee weken geleden, 
en als er verder voor de staat geen 
financiële aanspraken uit voortvloeien 
en als de werklast van de rechter niet 
wordt verzwaard. De leden van de 
vaste Commissie voor Justitie hebben 
bij hun rondgang langs de rechtbanken 
hun indrukken kunnen opdoen over 
de werklast van de rechterlijke macht 
op dit moment. 

Ik sta aan de verleiding bloot om de 
vragen van de leden te beantwoorden 
aan de hand van de ingediende 
moties. Deze moties zie ik voor een 
groot deel als een manier van met mij 
en de raden meedenken over de 
voortgang. Ik hoop de leden ervan te 
overtuigen dat hun zorg op dit 
moment niet zo groot behoeft te zijn 
dat deze door een motie tot uitdrukking 
moet worden gebracht. Ik neem nu 
wat moties voor me om daardoor 
mijn betoog wat meer samenhang te 
geven. 

Allereerst de motie-Haas-Berger op 
stuk nr. 6. Ik handel naar mijn gevoel 
in de geest van deze motie. Als het 
ene is gedaan, dan kan het tweede 
ook. 

Als het geïntegreerde hulpverle-
ningsaanbod in de vrijwillige sfeer tot 
stand is gekomen, dan is er inderdaad 
een soort eindsituatie bereikt. Ik heb 
geen behoefte aan deze motie, omdat 
erin staat dat een vrijwillige hulpvraag 
onverhoeds tot een juridische maatre-
gel kan leiden. Dat is niet waar. De 
leden hebben de aardige folders 
gekregen die verspreid worden. 
Vrijwillige hulpaanvragen leiden nooit 
onverhoeds tot juridische maatrege-
len. Bij de schriftelijke beantwoording 
heb ik dat ook duidelijk uiteengezet. 
Er wordt van meet af aan duidelijke 
voorlichting gegeven over de positie 
van de raad en over het mogelijke 
resultaat van de door de wet aan de 
raad opgedragen taken. Dat heeft 
niets met 'onverhoeds' te maken. 

Mevrouw Evenhuis heeft een motie 
ingediend waarin zij stelt dat er 
onduidelijkheid bestaat inzake de 
taken van de Raden voor de Kinderbe-
scherming als gevolg van de dubbele 
functie van rapportage en hulpverle-
ning. Naar mijn mening wordt de 
scheiding tussen hulp en recht 
onterecht gemaakt. 

De Voorzitter: U heeft zojuist gezegd 
dat kinderbeschermingsorganen 
rapporterend zijn en dus geen recht 
hebben, althans geen rechtsbevoegd-
heid. 

Bijzondere commissie 15317 

Raad voor de Kinderbescherming 

UCV98 

28 mei 1984 
Korte-van Hemel 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: Ik 
zal niet ingaan op de discussie over 
de scheiding tussen hulp en recht, 
omdat ik de opvatting niet deel dat er 
door het inroepen van een rechtsmaat-
regel niet een vorm van hulp kan 
worden geboden. Dat de raad als 
zodanig geen hulpverlenende instel-
ling is, is een andere zaak. 

Mevrouw Evenhuis verzoekt de 
regering, de Kamer binnen zes 
maanden een notitie voor te leggen, 
uitgaande van de beoogde scheiding 
en de mogelijkheden die aanwezig 
zijn om de knelpunten die zich daarbij 
voordoen op te lossen. Ik wil daar 
graag een poging toe wagen. Geen 
enkel middel moet onbeproefd blijven 
om de onjuiste opvattingen duidelijk 
te maken. 

De heer Worrell (PvdA): Ik heb uit het 
betoog van de staatssecretaris 
begrepen dat het verschil niet bestaat. 
Er komt dus een notitie over iets dan 
niet bestaat. Dat lijkt mij een aardige 
notitie te worden. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: Er 

zijn opvattingen dat er wel verschillen 
zijn en dat er wel misvattingen over 
en weer zijn. Ik zal proberen om, als 
die verschillen er wel zijn, deze op te 
lossen. 

De heer Worrell (PvdA): Het lijkt mij in 
ieder geval een boeiende notitie te 
worden. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: Het 

recht is dynamisch en notities kunnen 
ook heel boeiend zijn. 

Mijn conclusie is dus dat ik bereid 
ben om die motie uit te voeren. 

De heer Van der Vlies (SGP): De 
staatssecretaris zegt dat zij bereid is 
de motie uit te voeren, maar in het 
dictum is een vooronderstelling 
ingebouwd die door de staatssecreta-
ris ten stelligste wordt afgewezen. 
Accepteert zij de motie in deze vorm 
of zal zij de notitie volgens haar 
interpretatie opstellen? Ik wil daarover, 
voordat ik over de motie moet 
stemmen, graag duidelijkheid hebben. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: De 

raad is geen hulpverleningsinstelling, 
zoals het algemeen maatschappelijk 
werk. Datis duidelijk. Als hetalgemeen 
maatschappelijk werk het kind toch 
niet de vereiste hulp en bescherming 
geeft, kan de raad in de situatie 
komen dat er een maatregel wordt 
uitgelokt. Daarmee komt hulpverlening 
tot stand. De raad is dan geen hulp-
verlenende instantie, maar hij bereikt 
wél dat er hulp verleend gaat worden. 
Duidelijker kan ik het niet uitleggen. 

Er moet hier onderscheid gemaakt 
worden tussen het ervoor zorgen dat 
er hulp wordt verleend en het zijn van 
een hulpverlenende instantie. 

Mevrouw Lucassen-Stauttener (VVD): 
Mag ik daaruit opmaken dat in alle 
gevallen waarin iemand om hulp bij 
de raad aanklopt, verwezen wordt 
naar het particulier initiatief? 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Zoveel mogelijk en zolang mogelijk. 

Mevrouw Lucassen-Stauttener (VVD): 
Maar niet in alle gevallen? Daar zit de 
onduidelijkheid. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: Het 

kan voorkomen dat de nood zo hoog 
is gestegen en de zaak zo acuut is, dat 
het de verantwoordelijkheid van de 
raad is, a la minute een maatregel uit 
te lokken. 

Ik ben het ermee eens als men het 
heeft over een maatregel, gebaseerd 
op in de wet vastgelegde artikelen. 
Een maatregel is niet iets van dwang. 
De raden lokken geen maatregelen uit 
en de rechter legt geen maatregelen 
op, omdat men er behoefte aan heeft 
dat er een machtspositie is, maar de 
rechter beslist omdat een kind hulp 
nodig heeft en die op dat moment 
alleen gegeven kan worden via een 
maatregel, terwijl alle andere middelen 
falen of gefaald hebben. 

Mevrouw Lucassen-Stauttener (VVD): 
En dat zijn dan de wetsartikelen 
inzake zedelijke ondergang en grove 
verwaarlozing. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: U 
zoudt de wet erop kunnen nakijken. 

Mevrouw Evenhuis-van Essen (CDA): 
Als indiener en eerste ondertekenaar 
van de motie kan ik zeggen, dat ik de 
notitie met belangstelling afwacht. Ik 
heb het gevoel dat er aan de ene kant 
duidelijkheid is, maar aan de andere 
kant (bij de Kamer) nog onduidelijkheid. 
Ik zou de notitie liefst binnen zes 
maanden hebben, om de discussie 
hierover opnieuw te beginnen. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: Ik 
Korte-van Hemel 

zijn. Immers, wie garandeert mij, als 
een cliënt een afschrift meekrijgt, dat 
dit afschrift niet in handen van 
anderen terecht komt, dat anderen 
zich daarvan meester maken en dat 
daarover met anderen wordt gespro-
ken? Daarom staat het verlangen dat 
een afschrift van een rapport wordt 
meegegeven haaks op de gedachte 
dat een dossier vernietigd moet 
worden. 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): Denkt 
de staatssecretaris dat de Cliënt, die 
zo'n afschrift heeft om het thuis nog 
eens zorgvuldig te bestuderen, 
daarmee gaat lopen wapperen? Dat 
lijkt mij een vrij onzinnige gedachte. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: Ik 

kan mij voorstellen dat mevrouw 
Haas uitgaat van de optimale benade-
ring dat een cliënt dat niet doet. De 
werkelijkheid is dat er soms toch, 
ondanks een toezegging van de cliënt 
het aan niemand te laten lezen en het 
niet te laten slingeren, ergens ineens 
publikaties komen waarbij zo'n 
rapport duidelijk de eerste aangever 
van de feiten is. 

Mevrouw Lucassen-Stauttener (VVD): 
Als het nu gaat om gegevens vam de 
cliënt zelf Als hij heeft meegewerkt 
om een bepaalde rapportage tot stand 
te brengen, wat zijn er dan voor 
bezwaren tegen om die gegevens van 
die cliënt, - in feite zijn dat zijn eigen 
gegevens - mee te geven? 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Natuurlijk neemt een cliënt een 
verklaring van een eigen arts of een 
schoolrapport, waarmee hij zelf komt, 
ook weer mee terug. Wij moeten er 
echter uiterst zorgvuldig mee zijn. Wij 
moeten het niet doen, en ik weiger 
ook om cliënten, groot of klein, een 
afschrift te geven van de rapporten. 
Die gaan slingeren, die zullen gaan 
slingeren. Daarvan ben ik overtuigd. 
Die komen op enig moment in de 
publiciteit. Die komen dan misschien 
niet het volgende jaar, maar wel over 
vijf, tien of twintig jaar boven water. Ik 
ben daar zo zeker van, daar steek ik 
mijn hand voor in het vuur. 

Mevrouw Lucassen-Stauttener (VVD): 
Dan heb ik toch nog een klemmende 
vraag van mr. Doek. Wat gebeurt er 
dan als je je eigen dossier gaat 
voorlezen, met een klein bandrecorder-
tje erbij? Dat zou een manier kunnen 
zijn. Mag dat niet of wel? Zijn daarvoor 
beperkende bepalingen? 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Mevrouw de Voorzitter! Ik denk dat uit 

de stukken duidelijk is gebleken 
- trouwens ook uit de voorlichtingsfol-
ders blijkt het - dat in toenemende 
mate openheid is betracht in het 
contact tussen de cliënt en degene, 
die het rapport maakt. 

Mevrouw Van Es (PSP): De staatsse-
cretaris stelt dat ten aanzien van 
cliënten - degenen om wie het gaat, 
naar mijn mening de enigen die in 
aanmerking komen om te kunnen 
beschikken over de dossiers - voor-
zichtigheid moet worden betracht, 
omdat dat soort stukken wel eens in 
handen van anderen kan komen. Mijn 
voornaamste bezwaar is, dat degenen, 
die tot nu altijd hebben beschikt over 
die dossiers, altijd uiterst onzorgvuldig 
zijn omgesprongen met die dossiers, 
waarvan de mensen later nadeel 
hebben ondervonden. 

Het bleek dat het arbeidsbureau 
ineens over de inhoud van een 
dossier kon beschikken, terwijl het er 
niets mee te maken had en er ook 
geen recht op had, over dat dossier te 
beschiken Het nu zeggen dat met het 
geven van het dossier aan de enige, 
die wat mij betreft moet kunnen 
beschikken over het dossier, terughou-
dend moet worden gedaan op gond 
van dit soort argumenten, vind ik 
meer dan bevoogdend. Wil de 
staatssecretaris in dat licht een en 
ander heroverwegen? 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Mevrouw de Voorzitter! Het verwijt, 
dat door degenen, die de bevoegdheid 
hadden om dossiers op te maken en 
de plicht hadden volgens de Archief-
wet 1962 om die dossiers te bewaren, 
onzorgvuldig te werk is gegaan, 
accepteer ik niet. Natuurlijk zullen wel 
eens fouten zijn gemaakt. Dat gebeurt 
overal. Er zijn echter dwingende 
voorschriften inzake het omgaan met 
dossiers. 

Er is al een aanmerkelijke verkorting 
van de bewaartermijn gekomen. De 
heer Lankhorst heeft daarom nog bij 
de behandeling van de begroting 
gevraagd. Ik weet niet of hij zich dat 
nog herinnert. 

De heer Lankhorst (PPR): Ja, wat 
dacht u! 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Mevrouw de Voorzitter! Ik heb 
geantwoord dat de bewaartermijn van 
dossiers bij de Raden voor de Kinder-
bescherming berust op de bepalingen 
van de Archiefwet 1962 waarin de 
termijn van 30 jaar is vastgelegd. De 
ontwerp-wet BOPS kent een termijn 
van 5 jaar na afsluiting van de 
behandeling. 

In feite zijn de dossiers bij de Raden 
na 5 jaar gesloten. Slechts bij wijze 
van uitzondering en onder bijzondere 
omstandigheden zijn zij ter inzage 
voor de cliënt zelf en voorts nog in 
beperkte mate voor wetenschappelijk 
onderzoek en dan slechts geanonimi-
seerd. 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): Dan 
kunnen ze ook vernietigd worden. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Tegen deze achtergrond wil ik graag de 
suggestie van de heer Lankhorst nog 
eens bezien om de bewaartermijn te 
bekorten. 

Ten aanzien van beide moties merk 
ik op dat het in mijn voornemen ligt, 
in de memorie van toelichting op de 
begroting voor 1985 terug te komen 
op de hele problematiek van het 
inzien en het bewaren van de dossiers. 
Korte-van Hemel 

waarvan bedoelde dossiers vernietigd 
kunnen worden. 

Wij weten dat civielrechtelijke 
maatregelen, waaraan de kinderen 
vaak niets kunnen doen, hen heel lang 
worden nagedragen en dat zij er in 
een groot aantal gevallen problemen 
mee houden. Ik vraag mij in gemoede 
af, waarom daarvoor niet een andere 
procedure kan worden gevolgd. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: De 

beide moties zijn vandaag inge-
diend. De materie is complex. Ook een 
opmerking van mevrouw Haas om 
onderscheid te maken tussen straf-
rechtelijke en civielrechtelijke maatre-
gelen moet worden betrokken bij het 
bekijken van het probleem. Mevrouw 
Haas zal ook weten, dat soms civiel-
rechtelijke maatregelen worden 
genomen, terwijl er strafrechtelijke 
feiten aan ten grondslag liggen. Men 
mag hier dus niet gemakkelijk zeggen: 
omdat het een civielrechtelijke 
maatregel is, moet het dossier altijd 
worden vernietigd. De rechter probeert 
vaak, hoewel strafbare feiten aanlei-
ding zijn tot het nemen van een 
maatregel, de zaak op te lossen via de 
civielrechtelijke kant. 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): Dat 
was voor het welzijn van het kind, 
weet u nog wel? 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: Ja 

zeker. 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): Als het 
een civielrechtelijke maatregel is, 
heeft dat er verder niets meer mee te 
maken. De rechter heeft een civielrech-
telijke maatregel uitgesproken. 

Mevrouw Van Es (PSP): De strafzaak 
is geseponeerd. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: Het 

kan zijn - ik filosofeer nu een beetje -
dat een aantal jaren later de rechter 
niet een gat wil laten vallen in de 
voortgaande rapportage. 

Mevrouw Van Es (PSP): Dit is in strijd 
met de justitiële documentatie en met 
alles wat aan regels is gegeven ter 
bescherming van de persoonlijke 
levenssfeer van mensen. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: Ik 

betwijfel of hetgeen op het ogenblik 
wordt gehanteerd, in strijd is met de 
justitiële documentatie. Anders zou ik 
daarvoor al lang op de vingers zijn 
getikt. 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): Wil de 
staatssecretaris nog iets over het 
correctierecht zeggen? 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: Het 

correctierecht is er; dat is heel simpel. 

De motie van mevrouw Lucassen 
bevat veel punten. Daarin wordt 
uitgegaan van overwegingen die ik 
niet deel. Ik kan moeilijk met deze 
motie uit de voeten. Mevrouw 
Lucassen stelt dat er een wet zou 
moeten komen. Zij meent dat daarmee 
een groot aantal problemen zou 
kunnen worden opgelost. 

Mevrouw Lucassen-Stauttener (VVD): 
Ik heb in de toelichting gezet: bij 
voorkeur, daarmee aan de regering 
ruimte latend om het op een andere 
wijze te doen. Het zou mooi zijn als 
alles in een wet zou kunnen. Wij 
hebben nu verschillende onderdelen 
in verschillende wetten. Het gaat er in 
de motie om, dat er in ieder geval 
duidelijkheid komt over de bij wet 
opgedragen taken en bevoegdheden 
van de raden. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: Ik 
denk dat mevrouw Lucassen heel 
duidelijk stelt dat een wet de voorkeur 
geniet. Zij heeft daarover toch wel 
'strong feelings'. In de notitie heb ik 
heel nadrukkelijke geschreven, 
waarom naar mijn mening die ene 
wet er niet hoeft te komen. Ik verwijs 
naar het organisatiebesluit dat twee 
jaar geleden in werking is getreden en 
waarin ten behoeve van de organisatie 
heldere en duidelijke afspraken zijn 
opgenomen. Ik kan de overwegingen 
van mevrouw Lucassen niet onder-
schrijven. 

Mevrouw Lucassen nodigt de regering 
wel tot zeer veel uit. Wij moeten 
voorafgaande aan het begrotingsjaar 
1985 met nadere voorstellen komen. 
Zij zal toch ook wel weten dat het 
begrotingsjaar begint binnen drie 
maanden. Daarom al is het onmogelijk, 
aan haar uitnodiging gehoor te geven. 

Mevrouw Lucassen-Stauttener (VVD): 
Ik ben al blij als de notitie binnen zes 
maanden komt. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Kan ik dan aannemen dat mevrouw 
Lucassen de motie verder intrekt? 
Korte-van Hemel 

besluit aanvulling van de raad met 
bepaalde deskundigheden of kwalitei-
ten noodzakelijk acht. 

Daarop wordt goed toegezien. Ik 
heb in het afgelopen jaar vier of vijf 
keer het voorrecht gehad een nieuwe 
voorzitter van een raad te ontmoeten. 
Ik kan de commissie mededelen dat ik 
ervan overtuigd ben dat er in de 
raden, die ook precies horen welke 
kritiek op hen wordt uitgeoefend, 
uiterst zorgvuldig wordt omgegaan 
met eventuele vacatures binnen het 
college. 

De heer Mik (D'66): De staatssecretaris 
zegt dat er geselecteerd wordt op 
deskundigheid, maar is dit ook het 
geval ten aanzien van bij voorbeeld 
levensbeschouwing en politieke 
overtuiging? Welke criteria hanteert 
men dan? 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: In 

het nieuwe artikel 6, lid 2, van het 
organisatiebesluit staat: 

'Bij de benoeming wordt acht 
geslagen op de betrokkenheid bij het 
maatschappelijk gebeuren van de te 
benoemen personen, op hun bekend-
heid met het jeugdwelzijn en op de 
geestelijke stromingen en maatschap-
pelijke groeperingen, zoals ze in het 
betrokken arrondissement aanwezig 
zijn'. Hierover is uitgebreid gediscus-
sieerd tijdens het mondeling overleg 
over dit onderwerp. Uw fractiegenote 
mevrouw Wessel heeft hierover nog 
vragen gesteld. Een van de wijzigingen 
die toen is aangebracht, betrof de 
verlaging van de maximum leeftijd 
van 70 tot 65 jaar. 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): In 
Groningen worden inderdaad sollici-
tanten per advertentie opgeroepen. 
Omdat de mensen bekendheid 
moeten hebben met het jeugdwelzijn 
en omdat in een aantal sectoren door 
de bezuinigingen de mensen in hun 
werk zwaarder belast worden, hebben 
zij vaak geen tijd meer om in het 
college zitting te nemen. De staatsse-
cretaris weet dit. 

Ik heb echter een andere opmerking 
gemaakt en daarop zou ik nog graag 
de reactie van de staatssecretaris 
vernemen. Het college moet het 
beleid uitvoeren. Naar mijn mening is 
het beter dat men, althans voor een 
gedeelte, mensen in het college 
opneemt die de particuliere instellin-
gen en de belangenverenigingen 
kunnen vertegenwoordigen dan het 
zo maar over te laten aan wat er al 
dan niet binnenkomt per advertentie. 

Het is trouwens ook nog de vraag, wie 
er voor benoeming geselecteerd 
worden. 

Ik zeg dit ook, omdat er toch nog 
wel eens rare dingen gebeuren. In 
Amsterdam kijkt men bij voorbeeld 
nauwelijks naar de wens van de 
mensen zelf, maar heeft men er 
gewoon een letterverdeling op 
nagehouden. Ik denk dat men dit 
soort rare fratsen beter kan voorko-
men, als men vertegenwoordigers 
van instellingen en belangenverenigim 
gen in het college heeft benoemd, 
waaronder ook van alternatieve 
hulpverleningsinstellingen begrepen, 
opdat men gezamenlijk in de vóórfase, 
zoals ik heb voorgesteld, een toewij-
zing naar een inrichting kan doen. Óp 
die manier ontstaat geen verkapte 
hulpverlening van uit de raden. Naar 
mijn mening heeft men op die manier 
een betere vertegenwoordiging van 
mensen die betrokken zijn bij en 
bekend zijn met het hele jeugdwelzijns-
terrein dan op de manier zoals het 
nu gebeurt. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: Ik 

zou hierover twee opmerkingen willen 
maken. Ik denk dat wij moeten 
voorkomen dat het college een 
onderonsje wordt. Het belang van een 
college is, dat het bestaat uit onafham 
kelijke leden. Juist om te voorkomen 
dat het een onderonsje wordt, dienen 
er naar mijn mening geen vertegem 
woordigers van de hulpverleningsin-
stellingen in te zitten. 

In de tweede plaats ben ik van 
mening dat, juist omdat een van de 
taken van de raden bestaat uit het 
houden van toezicht, voorkomen 
moet worden dat er sprake is van 
verwevenheid en ondoorzichtigheid 
van functies. Naar buiten toe draagt 
dit er niet toe bij het college de plaats 
te geven die het behoort te hebben. 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): Ik heb 
echter ook gezegd, dat het toezicht 
door een inspectie moet worden 
verzorgd. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: U 

weet dat de inspectie een taak heeft 
op het gebied van de naleving van de 
voorwaarden voor de subsidies. Het 
lijkt mij niet juist om de inspectie te 
belasten met wat u voorstelt. 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): 
Waarom niet? 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Omdat ik graag het naleven van de 
subsidievoorwaarden daarvan wil 
scheiden. Er is een andere vorm van 
toezicht op de instellingen als zodanig 

dan dat op het naleven van de 
subsidievoorwaarden in de meer 
materiële sfeer. 

Mevrouw Lucassen-Stauttener (VVD): 
Dat is toch te ondervangen door 
afgevaardigden van het maatschappe-
lijke gebeuren of van belangenvereni-
gingen daarin als adviserend lid te 
laten deelnemen? De toezichthouden-
de taak blijft dan bij de door de Kroon 
benoemde leden. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: Als 

een college van mening is dat er, 
mede gelet op de omschrijving in 
artikel 6, lid 2, in die 'setting' plaats is 
voor iemand, wil ik het college graag 
die ruimte laten. De colleges bestaan 
van oudsher, al tientallen jaren, uit 
vrijwilligers, burgers die ook een 
toezichthoudende taak van de overheid 
uitoefenen. Laten wij als centrale 
overheid die colleges die eigen 
verantwoordelijkheid laten invullen! 
Laten wij ook niet betuttelend zeggen 
waaruit dat college moet bestaan. In 
het Organisatiebesluit staat hoe de 
samenstelling moet zijn en waarop 
moet worden gelet. Wij moeten ook 
wat aan de colleges durven overlaten. 

Mevrouw Lucassen-Stauttener (VVD): 
Ja, maar... 
Korte-van Hemel 

van het college, maar niet omdat het 
een gesubsidieerde overheidsinstel-
ling is. 

De heer Worrell (PvdA): Dan moet... 

De Voorzitter: Eerst mevrouw 
Haas-Berger en daarna de heer 
Worrell. 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): De 
staatssecretaris heeft gezegd, dat er 
mensen worden opgeroepen ter 
vervulling van een functie in het 
college. Zij moeten betrokken zijn bij 
het jeugdwelzijnswerk. Zij moeten 
ook deskundig zijn. Als ik voorstel om 
daar vertegenwoordigers uit de 
organisaties te plaatsen, begrijp ik het 
feitelijke verschil niet met het toe-
zicht op de instellingen. Immers, de 
mensen worden uit dezelfde groepe-
ring geput. 

De staatssecretaris kan bovendien 
wel zeggen, dat zij wil dat de inspectie 
alleen naar de vervulling van de 
subsidievoorwaarden kijkt, waarmee 
de kous af is, maar de inspectie kijkt 
ook naar de rijksinrichtingen. Met de 
uitspraak dat daarmee de kous af is, is 
het niet beargumenteerd. Ik wil graag 
dat dit gebeurt. 

Wij zijn van mening dat onafhanke-
lijke inspecties - dit is ook op andere 
terreinen het geval - moeten kijken 
naar de naleving van de subsidievoor-
waarden, de voorwaarden op grond 
waarvan betaald wordt, naar de 
vervulling van de erkenningseisen en 
dat soort fratsen èn naar de kwaliteit 
van het werk. Waarom is dat in dit 
geval niet mogelijk? De staatssecreta-
ris heeft hiervoor geen enkel argument 
aangevoerd. 

Ik vind het geen argument om te 
zeggen: het is altijd zo geweest, dus 
moet het zo blijven. De staatssecretaris 
moet nu inderdaad nagaan wat de 
beste wijze is om te bekijken of aan de 
subsidievoorwaarden wordt voldaan 
en om te letten op de inhoud, de 
kwaliteit van het werk. Het wordt 
betaald, dus mag het werk ook goed 
worden uitgevoerd. Een onafhankelijke 
inspectie is daarvoor een veel beter 
orgaan dan de colleges van de raden. 
Zoeven heb ik daarover al enkele 
opmerkingen gemaakt. Ik wil dit graag 
nader beargumenteerd hebben door 
de staatssecretaris. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: De 

centrale inspectie in Den Haag 
inspecteert onder andere de subsidie-
voorwaarden, ook enigszins qua 
inhoud. Wie zijn ook terecht belast 
met een toezichthoudende taak? Dat 
zijn de colleges in de onderscheiden 

arrondissementen. Zij zijn als geen 
ander juist op de hoogte van de lokale 
omstandigheden, van de verschillende 
afwegingsprocessen en van wat er 
aan de orde is. 

Het zijn mensen - vrijwilligers, 
burgers - die binnen het arrondisse-
ment wonen en die juist op grond van 
hun betrokkenheid bij het maatschap-
pelijk gebeuren, hun bekendheid met 
het jeugdwelzijn en het zijn van 
vertegenwoordiger van geestelijke 
stromingen en maatschappelijke 
groeperingen daarin zitting hebben. 
Welnu, ik denk dat het volstrekt 
oneigenlijk zou zijn om bij hen een 
toezichthoudende taak weg te halen 
en deze over te laten aan de centrale 
overheid. 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): Dat is 
volstrekt onjuist. De colleges, de 
Raden, moeten uiteraard voortreffelijk 
op de hoogte zijn, hoe de zaken in 
feite werken, omdat zij naar de 
rechterlijke macht toe moeten advise-
ren, bij voorbeeld dat een maatregel 
daar en daar moet worden uitgevoerd. 
Zij moeten het dus precies weten. Dit 
betekent echter nog niet dat zij q.q. 
een toezichthoudende taak hebben. 
Welke sancties kunnen zij immers 
hanteren? Ik denk dat dit toezicht 
derhalve veel beter door een onafhan-
kelijke instelling kan gebeuren, die 
daarnaast staat. Als dit niet door de 
centrale overheid kan, kunnen we er 
misschien een regionale inspectie van 
maken. Dat past goed in de decentra-
lisatiegedachte. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 
Daartoe zullen dan extra ambtenaren 
moeten worden aangesteld! 

Mevrouw de Voorzitter! Ik denk dat 
hier het verschil in politieke opvattin-
gen tussen mevrouw Haas en mij een 
rol speelt. Mevrouw Haas wil de 
inspectie uitsluitend in overheidshan-
den laten, terwijl ik van mening ben 
dat wij, daar waar wij eigenlijk al 
tientallen jaren een college bij de 
Raden hebben dat samengesteld is op 
basis van een door het parlement 
goedgekeurd Organisatiebesluit, het 
recht hebben om ter plekke, bij deze 
mensen, toezichthoudende taken te 
laten. 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): Ik vind 
dat daar waar wij deze zaken gezamen-
lijk betalen - de overheid subsidieert 
het -, de overheid de aangewezen 
persoon is om te kijken of de kwaliteit 
van het werk voldoende is. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Mevrouw de Voorzitter! Ik merk 
nogmaals op, dat hier sprake is van 

een politiek verschil van inzicht ter 
zake van de vraag of een college dat 
is samengesteld op basis van het 
Organisatiebesluit, zich minder van 
zijn toezichthoudende taak zou 
kwijten dan een overheidsinspectie. 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): En wat 
gebeurt er, als het college zegt: 'Jullie 
doen het niet goed'? 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Dan is het de taak van het college om 
dit te melden. 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): En 
dan? 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Dan worden er, net zo goed als dit bij 
een overheidsinspectie het geval is, 
maatregelen getroffen. 
Korte-van Hemel 

maatschappelijk denken over het 
functioneren van bij voorbeeld de 
colleges bij de Raden. 

Mevrouw Lucassen heeft gevraagd 
naar het klachtrecht bij de particuliere 
sector. Dit hangt een beetje samen 
met het onderwerp dat ik zojuist 
besproken heb. Het klachtrecht maakt 
onderdeel uit van de voorgenomen 
algemene democratiseringswetgeving 
voor de particuliere instelling. Het is 
mij bekend dat het WIJN in dit opzicht 
gedachten heeft ontwikkeld. De 
ideeën kunnen en moeten bij de 
komende discussies op elkaar worden 
afgestemd. 

Mevrouw Evenhuis heeft een 
belangrijke motie ingediend, de motie 
op stuk nr. 11. Het heeft mij niet 
verbaasd dat zij deze motie heeft 
ingediend na alle besprekingen die ik 
als staatssecretaris belast met 
kindebescherming, maar ook met 
vreemdelingenwetgeving, met de 
Kamer heb gevoerd. Ik heb mij 
hierover al bezonnen en ik kan dan 
ook nu al zeggen dat ik haar opvatting 
deel. 

Ik ben van mening dat het zo kan en 
ik laat ook graag de verantwoordelijk-
heid aan de raden om uit te maken op 
welke wijze zij zich de voor de uitoefe-
ning van hun taak noodzakelijke 
gegevens verschaffen. 

Ik wijs erop dat de circulaire van 
1974 waarin een verplichte consultatie 
van de zijde van de raden met de 
Directie vreemdelingenzaken was 
voorgeschreven, gestoeld was, en dat 
ook mijn opvatting nu gestoeld is, op 
de gedachte dat er geen valse verwach-
tingen moeten worden gewekt, dat 
wanneer de raad zou overgaan tot het 
uitlokken van een maatregel, of 
wanneer er een maatregel tot stand 
zou komen, dit voor de betrokkenen 
tevens een aanzet tot een verblijfsrecht 
betekent. Ik denk dat hierover geen 
misverstand mag bestaan. 

De Raad van State heeft zich 
verleden jaar in die zin uitgelaten dat 
er gescheiden verantwoordelijkheden 
zijn. In reactie op bezwaren die mij 
onder andere van de raad in Amster-
dam hebben bereikt, deel ik mede dat 
ik aan de raad de verantwoordelijkheid 
laat om zich op de hoogte te stellen 
van de verblijfstitel van de betrokkene. 
Wellicht besluit de raad dan toch te 
informeren bij de Directie vreemdelin-
genzaken. Uitgangspunt blijven de 
gescheiden verantwoordelijkheden op 
basis van de vreemdelingenwetgeving 
en wat betreft de functie en de 
verantwoordelijkheid van de Raden 
voor de Kinderbescherming. Ik wil de 

circulaire waarin het verplichte overleg 
is voorgeschreven intrekken en ik zal 
een andere circulaire aan de raden 
voorleggen. 

Mevrouw Lucassen heeft gesproken 
over het inzagerecht bij het Voogdijre-
gister en daarbij gewezen op de door 
haar gevoelde discrepantie en op de 
mogelijkheid van oneigenlijk gebruik 
van de gegevens, die, doordat het 
register openbaar is, iemand zijn 
leven lang kunnen blijven achtervol-
gen. Ik moet u zeggen dan van een 
duidelijke wens tot beperking van het 
inzagerecht tot nu toe niets is gebleken. 
Mocht de regeling op gefundeerde 
bezwaren blijken te stuiten, dan zal ik 
graag bezien hoe aan deze bezwaren 
tegemoet kan worden gekomen. 

Mevrouw Lucassen-Stauttener (VVD): 
Mevrouw de Voorzitter! Ik heb de 
eerste zin van de staatssecretaris niet 
goed gehoord. Zou zij hem willen 
herhalen? 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: U 

hebt, mevrouw Lucassen, gezegd dat 
het wat merkwaardig is dat op basis 
van artikel 10 de gegevens uit het 
Voogdijregister levenslang een 
betrokkene kunnen achtervolgen 
omdat het register voor iedereen 
kosteloos toegankelijk is. Mijn fractie 
daarop was dat tot nu toe nog nooit 
iemand heeft gezegd dat dit onover-
komelijk is. Mocht het echter op 
gefundeerde bezwaren stuiten, dan 
zal ik kijken of er wat aan gedaan kan 
worden. 

Mevrouw Lucassen-Stauttener (VVD): 
Ik heb deze opmerking gemaakt, 
omdat ik van diverse kanten vernomen 
heb, onder andere vanuit de hoek van 
de kinderrechters, dat blijkt dat men 
bij sollicitaties gebruik maakt van die 
gegevens. 

In die zin is het toch een belemme-
ring in de ontwikkeling van een 
persoon. Het is mijns inziens uit de 
tijd dat deze gegevens jarenlang voor 
iedereen toegankelijk blijven, te meer 
daar wij wat de dossiers betreft een 
en ander al hebben teruggebracht van 
70 naar 30 jaar. Ik heb overigens uit 
de woorden van de staatssecretaris 
begrepen dat dit nog meer zal worden 
teruggebracht. Ik zie graag dat de 
staatssecretaris wat meer toezegt. 

Staatssecretaris Korte-Van Hemel: 

Mijns inziens is het inderdaad een 
onderdeel van de toegankelijkheid en 
de blijvende toegankelijkheid van de 
gegevens. Ook hieraan zal ik een 
paragraaf wijden. 

Mevrouw Lucassen-Stauttener (VVD): 
Doet u dat in de notitie die opgesteld 
zal worden? 

Staatssecretaris Korte-Van Hemel: 

Neen, ik zal dat doen in de memorie 
van toelichting. 

Mevrouw Haas informeerde naar de 
richtlijnen voor naamswijziging. Bij de 
behandeling van de begroting van 
verleden jaar, is gesteld dat dit binnen 
afzienbare tijd aan de orde zou 
komen. Er wordt nu een voorontwerp 
van wet voorbereid. In het kader 
hiervan zullen ook de richtlijnen voor 
geslachtsnaamwijziging een herwaar-
dering ondergaan. Wij staan hier dus 
positief tegenover. 

De heer Mik diende een motie in 
over het team van deskundigen. Door 
veel leden is gesproken over de 
deskundigheid van de raden. Wat de 
medewerkers van de raden betreft, 
bekruipt mij het gevoel dat de leden 
niet voldoende geïnformeerd zijn. In 
de notitie heb ik nadrukkelijk gezegd, 
welke opleiding deze medewerkers 
genoten moeten hebben en welke 
kwaliteiten zij moeten hebben 

Het moet mij van het hart, dat soms 
de suggestie wordt gewek dat 
medewerkers van de raden wat 
gemakkelijker fouten en onvolledighe-
den ten toon spreiden dan mensen 
die in dezelfde discipline werkzaam 
zijn binnen het algemeen maatschap-
pelijke werk. Deze gedachte neem ik 
zeker niet graag over. De medewerkers 
bij de raden zijn zich mijns inziens 
uitermate bewust van de kwetsbare 
positie die zij innemen ten aanzien 
van mensen die bij hen komen. 

Ook door interne scholing zijn en 
blijven zij zich bewust van het feit dat 
hun bejegening en de aanpak van de 
problemen levensbepalend kunnen 
zijn, juist in crisismomenten in 
gezinnen. Ik weet dat de medewerkers 
van de raden juist op deze gevoelig-
heden worden geïnstrueerd. Ik heb 
hiervan goede verwachtingen, omdat 
ik weet dat alles goed verloopt. 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): 
Mevrouw de Voorzitter! Kan de 
staatssecretaris zeggen over welke 
door de heer Mik ingediende motie zij 
spreekt? 

De Voorzitter: Dat is motie nr. 13. 
Korte-van Hemel 

De heer Leerling (RPF): Mevrouw de 
Voorzitter! Ik behoef hieruit toch niet 
af te leiden dat de staatssecretaris nu 
alle andere betogen naast zich 
neerlegt? 

Staatssecretaris Korte-Van Hemel: 

Neen, want dat zou een onderwaarde-
ring zijn van de inbreng van degenen 
die niet meenden hun betoog te 
moeten onderbouwen met moties. 

Mevrouw Evenhuis-van Essen (CDA): 
Het gaat hierbij om het ideaal functio-
neren van de raden. Ik prijs de 
staatssecretaris dat zij de ambtenaren 
en de mensen die zitting hebben in de 
raden in zekere zin in bescherming 
neemt en dat zij daarvoor staat. Wij 
staan echter aan de andere kant van 
de lijn, en wel om onze kritiek daarop 
uit te oefenen. Ik heb wat voorbeelden 
genoemd uit de praktijk omdat die het 
meeste aanspreken. Uit die voorbeel-
den blijkt toch wel enige kritiek van de 
kant van de Kamer. Ik maak de 
staatssecretaris daarop opmerkzaam. 
Je krijgt, gelet op het laatste gedeelte 
van het betoog van de staatssecretaris, 
het gevoel dat wij eigenlijk zitten te 
praten over iets dat al zo mooi is. Ik 
heb dat gevoel echter tot op heden 
nog niet. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: Dat 

geeft mij de gelegenheid in te gaan 
op een uitspraak van mevrouw 
Evenhuis, gedaan in de Volkskrant. 
Aan het einde van het desbetreffende 
artikel werd gesteld dat de kinderrech-
ter het kind meenam. Ik wil daarop 
zeggen dat de rechter de beslissing 
nam. Dat is de werkelijkheid. Aange-
zien de raad de uitvoerder is van de 
rechterlijke beslissing, wordt die 
aangezien voor de beslisser. 

Ik behoef maar te herinneren aan 
het Bijbelse verhaal, waarin de 
brenger van de slechte boodschap 
werd omgebracht omdat hij werd 
aangezien voor de degene die de 
boodschap had geformuleerd. Het 
speelt natuurlijk dus vaak een rol dat 
men de raad ais uitvoerder van 
rechterlijke besluiten en beslissingen 
vereenzelvigt met de beslisser. Wij 
moeten ervoor oppassen dat dat 
beeld naar buiten bevestigd wordt. 

Mevrouw Evenhuis-van Essen (CDA): 
Dat is natuurlijk juist. De staatssecre-
taris heeft daarin gelijk. Ik herinner 
dan wel aan mijn inbreng naar 
aanleiding van de situatie in Amster-
dam. Ik doel dan op de klachten 
aldaar dat het verstrekken van informa-
tie door de raad aan de rechter vaak 
moeilijk verloopt. Ik vraag mij dan ook 

af hoe de kinderrechter dan een goed 
besluit kan nemen. Ik wil daarover 
vandaag niet uitweiden. Het gaat 
erom dat, wanneer een kinderrechter 
een besluit moet nemen waarbij hij 
over onvolledige informatie beschikt, 
dat besluit, ongeacht de goede 
bedoelingen van de kinderrechter niet 
op de goede wijze wordt genomen. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Mijns inziens moeten beide zaken 
heel erg goed in het oog worden 
gehouden. Het kan zijn dat het voor 
de raad, juist ter bewaking van de 
dossiers, niet mogelijk is om bepaalde 
gegevens te verschaffen. 

Mevrouw Evenhuis-van Essen (CDA): 
Tot 21 jaar. Daarboven zijn er weer 
nieuwe dossiers mogelijk, wanneer 
men dat wenst. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: Het 

kan gaan om informatie uit dossiers 
van anderen. De rechter zou misschien 
wat meer informatie uit de omgeving 
willen hebben, terwijl de desbetreffen-
de dossiers niet meer toegankelijk 
zijn. Die situaties komen voor. Als een 
rechter zo iets constateert, moeten wij 
ervoor oppassen dat in zijn algemeen-
heid wordt gezegd dat de raden die 
informatie niet willen verstrekken. 
Dergelijke onvolkomenheden kunnen, 
doordat de raad door middel van 
circulaires daarop is gewezen, 
worden voorkomen. 

De heer Mik verzoekt de regering te 
bevorderen dat binnen de Raden voor 
de Kinderbescherming zoveel mogelijk 
multidisciplinaire teams van gedrags-
deskundigen met bedoelde taken 
worden belast. Hij doelt daarbij mijns 
inziens op de objectiviteit en de 
zorgvuldigheid. Het is naar mijn 
oordeel ongewenst om deskundigen 
zoals psychologen in dienst van de 
raad te nemen. 

Er bestaat slechts behoefte aan 
bepaalde deskundigen wanneer de 
eigen disciplines onvoldoende zijn. In 
de praktijk blijkt deze behoefte niet 
zodanig te zijn dat het in dienst 
nemen van deskundigen gerechtvaar-
digd zou zijn, te meer niet omdat de 
raad in de regel in staat blijkt te zijn 
deskundigen van buiten de raad in te 
schakelen. Voor de betrokken cliënten 
kan deze onafhankelijkheid een extra 
waarborg vormen voor de objectiviteit 
van het gegeven advies. Ik moet 
zeggen dat ik dan ook geen behoefte 
aan deze motie heb. 

De heer Mik (D'66): In de inleiding op 
haar conclusie heeft de staatssecretaris 
met nadruk gesproken over de 
deskundigheid van de medewerkers 
van de raden. Ik kreeg de indruk dat 

zij het mij een beetje kwalijk nam, dat 
ik deze motie indiende. In mijn betoog 
heb ik juist de waarde onderstreept 
die ik aan betrokkenen hecht. Ik heb 
ook gezegd en geadstrueerd dat in 
feite één persoon adviseert, namelijk 
de supervisor. Dat was wat overtrok-
ken, maar die heeft in elk geval de 
meeste invloed. Degene die gesuper-
viseerd wordt, heefteen ondergeschik-
te positie. Degene die erboven staat, 
het unithoofd, is geen gedragsdeskun-
dige. 

Ik vraag in deze motie eigenlijk, 
iemand anders in te schakelen die 
tenminste op gelijk niveau mee kan 
bepalen. Anders zitje aan één 
persoon vast. Je kunt dit via een 
andere discipline doen of via een 
andere school van inzicht in het 
maatschappelijk werk. De staatssecre-
taris spreekt direct over het benoemen 
van psychologen en psychiaters bij de 
raden. Je kunt echter ook aan deeltijd-
functies denken. Ik meen zelfs dat de 
staatssecretaris in een vorige functie 
ook voor iets dergelijks heeft gepleit. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: Ik 

wil niet zeggen dat dit een jeugdzonde 
van mij was. Ik wil echter wel de 
inleiding van de heer Mik op zijn 
interventie bestrijden. Hij stelt 
namelijk dat de advisering in feite 
door één persoon tot stand wordt 
gebracht. Ik ben zelf aanwezig 
geweest bij een bespreking door een 
raad van een bepaald geval. 

Ik heb geen enkele reden om aan te 
nemen dat het bij andere raden op 
een andere wijze gaat. Verder had ik 
beslist niet de indruk dat men het 
mooier deed, omdat ik erbij was en ik 
had ook niet de indruk dat de gevoelens 
van één medewerker of -werkster 
doorslaggevend waren bij de totstand-
koming van het advies. Integendeel! 
Uit de wijze waarop men met elkaar 
sprak, bleek nu juist de veelzijdige 
inbreng bij het komen tot een advies, 
waarbij op alle relevante invalshoeken 
werd gelet. Als de mogelijkheid 
bestaat om, desgewenst, een buiten-
staander een nader advies te laten 
geven, dan komt er, mede gelet op de 
aanwezige financiële mogelijkheden, 
een verantwoorde advisering tot 
stand. 

De heer Mik (D'66): Het is natuurlijk 
prachtig dat de staatssecretaris een 
dergelijke ervaring heeft gehad. Ik heb 
die zelf ook gehad. Structureel is dat 
natuurlijk niet gegarandeerd. Daarom 
heb ik die motie ook ingediend, met 
het oog op het antwoord van de 
staatssecretaris op vraag 39. 

Bijzondere commissie 15317 
Korte-van Hemel 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: Ik 

heb bezwaar tegen die motie, omdat 
de heer Mik ervan uitgaat dat de 
huidige regeling de objectiviteit en de 
zorgvuldigheid niet garandeert. Ik heb 
geprobeerd, uit te leggen dat bij de 
huidige gang van zaken en met de 
aanwezige menskracht, de objectiviteit 
en de zorgvuldigheid optimaal 
worden gewaarborgd. 

De heer Mik heeft ook gesproken 
over het probleem van de afstemming 
bij de indeling van de regio's in 
verschillende sectoren. Zijns inziens 
zouden de regio van de raad en die 
van de overige jeugdhulpverlening op 
elkaar moeten zijn afgestemd. Ging 
het maar alleen om de regio van de 
raad en die van de jeugdhulpverlening. 

De provincies hebben mij enige tijd 
geleden al gevraagd om de afstenv 
ming van de regio's nader te bezien. 
Op dit moment is het volstrekt 
onduidelijk hoe de regio-indeling er 
nu uitziet. Ik wil de leden om geduld 
vragen. De zaak is in onderzoek, ook 
omdat de provincie een belangrijke 
taak in de jeugdhulpverlening erbij 
heeft gekregen. 

De raad werkt ook nauw samen met 
de andere justitiële instanties, bij 
voorbeeld de reclassering, die ook per 
arrondissement zijn georganiseerd. 
Als er meer duidelijkheid bestaat over 
de regio-indeling in de jeugdhulpver-
lening, zal ik bevorderen dat de 
samenwerking vanuit de raden tot 
stand komt. 

Mevrouw Lucassen heeft nog 
gesproken over de bemoeiing van de 
raad met weggelopen minderjarigen. 
Ook anderen hebben daar opmerkin-
gen over gemaakt. In die bemoeiing is 
in de afgelopen jaren weinig verande-
ring gekomen. De praktijk is dat 
weggelopen minderjarigen en hun 
ouders zich in eerste instantie tot 
hulpverlenende instellingen wenden. 

Als de raad door weggelopen 
minderjarigen of door de ouders 
wordt benaderd, wordt naar hulpver-
lenende instanties verwezen, tenzij 
het ernstige vermoeden bestaat dat 
de belangen van de minderjarige 
geschaad worden of zullen worden en 
dat daarom een maatregel van de 
raad noodzakelijk is. Alleen in die 
gevallen wordt er een onderzoek 
ingesteld. Mevrouw Lucassen zei dat 
haar informatie had bereikt waaruit 
zou blijken dat het alleen uit financiële 
overwegingen zo zou zijn en dat 
daardoor toch een maatregel van 
kinderbescherming, dus een OTS, zou 
worden uitgelokt. Het is mijn standpunt 
dat het niet zo moet zijn dat uitsluitend 

om financiële overwegingen een 
ondertoezichtstelling moet worden 
uitgelokt. Ik ben daar tegen. 

Mevrouw Lucassen-Stauttener (VVD): 
Het schijnt toch te gebeuren. Die 
berichten zijn althans toch te veel bij 
ons binnengekomen. Ik deel de 
mening van de staatssecretaris dat 
het niet mag. Wat wordt er gedaan 
om het te voorkomen? 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: Ik 

ben van mening dat het niet gebeuren 
moet. Als het wel gebeurt, zal ik dat 
onderzoeken. 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): Dat 
helpt niet meer, want alle inrichtings-
plaatsen gaan eruit. Bovendien is er 
geen aanvullend beleid. 

Mevrouw Lucassen-Stauttener (VVD): 
Ik heb nog wel een pakket brieven 
voor de staatssecretaris. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: U 

kunt ons helpen door ons die brieven 
te geven. Ik zal die graag in ontvangst 
nemen. 

Mevrouw de Voorzitter! Een aantal 
leden heeft gesproken over het 
klachtrecht, over de wijze waarop het 
klachtrecht functioneert. Men zou 
graag een andere samenstelling van 
de klachtcommissies willen. Ik verwijs 
naar mijn antwoord op schriftelijke 
vragen en naar de resultaten van de 
klachten die op het ogenblik worden 
onderzocht en behandeld, met 
inachtneming van het klachtrecht dat 
gebaseerd isop hetOrganisatiebesluit. 
Als ik dan zie wat de uitkomst daarvan 
is, dan ben ik minder negatief dan de 
commissie. 

Ik heb gezegd dat er aan het eind 
van dit jaar een evaluatie komt over 
de klachtencommissies, zoals die op 
het ogenblik functioneren. Alle 
wensen die geuit zijn door de verschil-
lende leden met betrekking tot het 
klachtrecht, onder andere een onafhan-
kelijke klachtcommissie, - ook 
door de afdeling familie- en jeugd-
rechtspraak van de Nederlandse 
Vereniging voor Rechtspraak is 
daarover een opmerking gemaakt -
zullen worden meegenomen bij de 
evaluatie van het klachtrecht. Ik heb 
die evaluatie al toegezegd. Dat staat 
ook in de stukken. 

Terecht is men er nu wat dieper op 
ingegaan. Ik heb geen reden om 
ongerust te zijn over de wijze waarop 
de klachtencommissie op dit moment 
met de klachten omgaat. Ik heb ook 
zorg over een te sterke juridificering 
van de hele benadering van klachten 
over het een en ander, maar ik ben 
bereid de opmerkingen die de 

commissie gemaakt heeft mee te 
nemen bij de evaluatie die is toege-
zegd. 

De heer Leerling (RPF): Ik wil die 
evaluatie graag afwachten, maar als 
er iets niet gebeurt, kun je het niet 
evalueren. Ik heb namelijk gevraagd, 
waarom het niet mogelijk is te klagen 
over de werkwijze. Wil de staatssecre-
taris bevorderen dat er alsnog een 
klachtrecht komt voor de werkwijze? 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: Als 

ik zeg dat de opmerkingen van 
vandaag worden meegenomen bij de 
evaluatie, hoort daar ook deze 
opmerking van de heer Leerling bij. 
Kennelijk mist hij de mogelijkheid om 
te klagen over de werkwijze van de 
raden, maar die mogelijkheid is er. 
Klachten kunnen bij mij worden 
gedeponeerd, maar bereiken mij 
nauwelijks of niet. Ik wil er bij de 
evaluatie nader op ingaan. In dat 
verband moet ik werwijzen naar de 
wijze waarop'de kinderrechter omgaat 
met de produkten van de raden, 
namelijk advisering, controle enz. 

Mevrouw Evenhuis-van Essen (CDA): 
In de schriftelijke antwoorden lees ik: 
De klachten dienen zich echter te 
beperken tot de persoonlijke bejege-
ning. Wat dat betreft, sluit ik mij aan 
bij collega Leerling. Het beleid van de 
raad kan niet in het geding zijn. Zou 
de staatssecretaris dat ook willen 
meenemen haar onderzoek? 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: Ik 
Korte-van Hemel 

komen om te zeggen: schrijf nu maar 
eens een briefje naar de Koningin of 

Mevrouw Van Es (PSP): Nee, het gaat 
niet om de rechtshelpers, maar om de 
mensen zelf. 

Mevrouw Lucassen-Stauttener (VVD): 
Is dat het onafhankelijk klachtrecht, 
als je je tot de staatssecretaris kunt 
wenden? 'Zo is dat', hoor ik. Een 
andere suggestie kreeg ik net van 
mijn rechterbuurvrouw: misschien 
kan het meegenomen worden in de 
folder als die in herdruk gaat. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: Ik 

denk dat het geheel van het klachtrecht 
bij de evaluatie goed tot zijn recht zal 
kunnen komen, ook als zou blijken dat 
het niet in de folders staat. 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): Maar 
dan is het ook nuttig om precies te 
bepalen waar wél of niet over geklaagd 
kan worden. Gesteld dat iemand 
kwaadwillig is - wat ik niet veronder-
stel -, dan kan hij een aantal dingen 
die normaliter onder de bejegening 
zouden vallen, omdat hij geen soesa 
aan zijn hoofd wil hebben onder de 
werkwijze of onder het beleid schuiven. 
Daar zal ook grote duidelijkheid over 
moeten ontstaan. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: Dat 

is een heel terechte opmerking van 
mevrouw Haas. Daar mag geen 
onduidelijkheid over bestaan. Ook de 
opmerking over de twee maanden, 
terwijl de zaak nog in behandeling is, 
sprak mij aan. Dat is ook een actuali-
teitsprobleem. Ik kan mij heel goed 
voorstellen dat men niet bereid is zich 
helemaal te uiten, terwijl men weet 
dat de behandeling nog niet is 
afgelopen. 

De heer Mik (D'66): Mag ik nog wat 
vragen over de evaluatie? Hoe denkt 
de staatssecretaris degenen te 
bereiken die een klacht hebben, maar 
die deze klacht in het huidige systeem 
niet hebben durven indienen? 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Dan zal ik een beroep moeten doen 
op de publiciteit. De pers weet altijd 
alles te vinden wat de moeite waard is 
om bekend te maken. Bij een informa-
tieronde bij de Raden en de medewer-
kers van de Raden zullen wij vragen 
hoe zij over deze problematiek 
denken. Ik sta open voor suggesties 
om achter deze informatie te komen. 

De heer Mik (D'66): Dan komt u 
wetenschappelijk toch wel op bijzon-
der glad ijs. 

De heer Leerling (RPF): Misschien 
kunnen wij de staatssecretaris helpen 
door daarover een motie aan te 
nemen. Ik wil haar wel ontwerpen als 
zij daaraan behoefte heeft. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Hetgeen hier vandaag is gezegd, 
zowel door de Kamer als door mij, 
lijkt mij voldoende om tot een verant-
woorde evaluatie van het klachtenrecht 
te komen. Ik heb bij voorbaat al geen 
behoefte aan deze motie met alle 
begrip voor het ondersteunende 
element dat erin zou kunnen worden 
gebracht. 

Ik heb hier nog voor mij liggen de 
motie van de heer Mik op stuk nr. 15. 
Ik heb al gezegd hoe moeilijk het is de 
indeling van de regionale organisaties 
te koppelen aan de arrondissementen. 
Ik heb al toegezegd daaraan optimaal 
mee te werken. Het zal duidelijk zijn 
dat ik aan deze motie geen behoefte 
heb, ook omdat zij niet uitvoerbaar is. 
Het kan gewoon niet en daarom vind 
ik het op dit moment een premature 
motie. Ik denk dat de heer Mik meer 
behoefte heeft aan voldragen moties 
dan aan moties waarop ik, omdat ze 
prematuur zijn, niet kan ingaan. 

De heer Mik (D'66): Mijn diagnostiek 
is dat deze motie bijzonder voldragen 
is. Het is al tien jaar een probleem. Zij 
wordt al bijna belegen. De motie kan, 
als ik de staatssecretaris zo hoor, ook 
best dienen als ondersteuning van 
haar beleid. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: Het 

lijkt wel een soort olifantsdracht. 
Misschien kan het in de toekomst toch 
nog iets moois worden. 

Verschillende leden, onder andere 
de heer Van der Vlies, hebben nog 
gesproken over de voorlopige 
toevertrouwing. In verschillende 
commentaren wordt weleens de 
indruk gewekt dat bij de voorlopige 
toevertrouwing dat woord 'voorlopig' 
haaks staat op het begrip tijdelijk. De 
ervaring zou zijn dat als men eraan 
begint het een eeuwige zaak is. 

Naar mijn beste weten is het aantal 
toevertrouwingen in de loop der jaren 
ongelooflijk teruggelopen. De voorlo-
pige toevertrouwing is, volgens de 
wet, van korte duur. Zij dient om de 
belangen van de minderjarige te 
beschermen in de periode voorafgaan-
de aan de definitieve voorziening van 
het gezag, of voorafgaande aan de 
beslissing van de rechter tot ontzetting 
of gedwongen ontheffing. Zij wordt, 
behalve in geval van scheiding, 
gegeven door de officier van justitie. 

Als de voorlopige toevertrouwing 
aanleiding vindt in feiten die tot een 

ontzetting of gedwongen ontheffing 
van de ouderlijke macht kunnen 
leiden, dan moet zij binnen veertien 
dagen bekrachtigd worden door de 
rechter. Gebeurt die bekrachtiging 
door de rechter niet, dan vervalt de 
maatregel. 

Als er sprake is van een voorlopige 
toevertrouwing bij open staan van 
gezag of in een situatie waarin een 
kind beneden de leeftijd van zes 
maanden, niet staande onder voogdij 
van een rechtspersoon, zonder 
schriftelijke toestemming van de Raad 
voor de Kinderbescherming, als 
pleegkind is opgenomen, dan wendt 
de Raad zich binnen zes weken tot de 
rechter om een voorziening in het 
gezag te krijgen. Ik denk dat deze bij 
de wet voorgeschreven termijnen 
haaks staan op de opvatting dat 
voorlopige toevertrouwingen aan de 
raad iets zijn voor de eeuwigheid. . 
Korte-van Hemel 

wordt gedoeld. Ik meen dat de raad 
vanuit eigen verantwoordelijkheid 
handelt, hoewel de minister van 
Justitie de eindverantwoordelijkheid 
heeft. 

De heer Leerling (RPF): Vindt u het 
een eigenlijk gebruik van dit middel? 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: Ik 

acht het in dat geval geen oneigenlijk 
gebruik. 

Mevrouw Lucassen-Stauttener (VVD): 
Ik heb berichten gehoord, dat de 
financiële consequenties daarna op 
de ouders worden verhaald. Klopt 
dat? 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: In 

het algemeen dragen de ouders tot 
aan de meerderjarigheid van hun 
kinderen de financiële verantwoorde-
lijkheid daarvoor. 

Mevrouw Lucassen-Stauttener (VVD): 
De medische beslissing gaat buiten 
hen om, maar zij blijven wel financieel 
verantwoordelijk? 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: Het 

lijkt mij niet juist op zo'n punt een 
uitzondering te maken. Dit strookt in 
het algemeen ook niet met de gedachte 
van de algemene verantwoordelijkheid 
van de ouders, onder andere ook voor 
de financiën voor de opvoeding van 
hun kinderen. Het is echter zeer 
uitzonderlijk en er is een eindverant-
woordelijkheid van de minister van 
Justitie, casu quo de staatssecretaris 
van Justitie. 

Mevrouw de Voorzitter! Ik wil nu 
met uw goedvinden overgaan tot de 
bespreking van motie nr. 16. Als ik nu 
moet nagaan of ik alle vragen heb 
beantwoord, zou ik een pauze van vijf 
minuten nodig hebben. Wellicht kan 
in tweede termijn nog op een aantal 
zaken worden ingegaan. Het is niet 
mijn bedoeling om vragen onbeant-
woord te laten. 

De heer Leerling (RPF): Ik heb daarmee 
moeite. Bij interruptie heb ik gevraagd 
of de staatssecretaris niet alleen wilde 
ingaan op hetgeen leden die moties 
hebben ingediend hebben gezegd, 
maar ook wilde reageren op de 
inbreng van de andere leden van de 
commissie. Deze vraag is bevestigend 
beantwoord. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: Ik 

zal bekijken welke antwoorden ik nog 
schuldig ben. 

Motie nr. 16 is commissiebreed 
ondersteund. Hieraan ligt ten grond-
slag het verschil van behandeling van 
jongens en meisjes in de kinderbe-
scherming. Het is goed hiernaar te 

kijken. Ik verzoek mevrouw Van Es, de 
informatie die zij heeft mij te verstrek-
ken. Ik zal de verstrekte informatie 
dan voorleggen aan het WODC en 
vragen of en op welke wijze een en 
ander kan worden onderzocht. Ik zal 
vragen, mij te adviseren. 

De heer Leerling heeft gevraagd of 
de Europese Commissie het gezinsle-
ven boven het privé-leven van de 
enkeling stelt. Zoals de heer Leerling 
zijn vraag stelt, stelt hij haar te 
absoluut. Het Europese Verdrag 
bevat grondrechten voor individuen. 
Dat houdt ook bescherming van het 
gezinsleven in. Tot het gezin behoren 
enerzijds de ouders en anderzijds de 
kinderen. 

Naar mijn gevoelen heeft ook een 
kind behorend tot een gezin recht op 
bescherming op basis van het 
Europese Verdrag. De ouders hebben 
hetzelfde recht. Als dat recht conflic-
teert met de belangen die het kind 
meent te hebben, zal de rechter tot 
een uitspraak moeten komen. Ik denk 
dat het Europees Verdrag een uitleg 
dat het privé-belang van een lid van 
een gezin prevaleert boven de andere 
niet verdraagt. In de praktijk doet de 
rechter ook wel uitspraak in een 
conflictueuze situatie. 

De heer Leerling heeft gevraagd of 
de circulaires in strijd zijn met artikel 
238, lid 5, van boek 1 van het BW. Het 
artikel delegeert voor een aantal met 
name genoemde onderwerpen 
vaststelling van een regeling aan een 
algemene maatregel van bestuur. Dat 
zijn de samenstelling van de raden 
van de kinderbescherming, hun zetel 
en werkwijze en de verantwoording 
en de betaling van de door de raden 
gemaakte kosten. Naar mijn gevoelen 
verhindert dit niet, dat per circulaire 
het beleid van de raden op andere 
punten wordt verduidelijkt. Ik zie dan 
ook geen strijd met het genoemde 
artikel. 

Mevrouw Lucassen-Stauttener (VVD): 
Mevrouw de Voorzitter! Ik heb nog 
twee vragen gesteld die niet zijn 
beantwoord. Ik had gevraagd op 
welke voorwaarden gastgezinnen 
worden aangetrokken en getoetst. De 
tweede vraag was er een naar de 
inventarisatie en de analyse van de 
jaarverslagen van hulpverlenende 
instanties, met name de Jongeren. 
Advies Bureaus. Daarmee zou kunnen 
worden bezien welke problemen in de 
toekomst kunnen ontstaan. Met die 
wetenschap kan preventief worden 
gewerkt. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: De 

Pleeggezincentrale neemt een 

centrale plaats in bij de toetsing van 
de pleeggezinnen en de gastgezinnen. 
De Pleeggezincentrale werft. Zij wordt 
daarvoor gesubsidieerd. Door de 
ervaringen en de werkwijze daar is er 
voldoende garantie, dat er gezonde 
en goede opvattingen aan de selectie 
ten grondslag liggen. 

Mevrouw Lucassen-Stauttener (VVD): 
Dat zal best gebeuren, maar ik heb 
toch ook een advertentie toegestuurd 
gekregen waarin jongerenadviesbu-
reaus alleenstaanden of anderen 
vroegen, zich bereid te verklaren als 
gastgezin te functioneren. Ik heb echt 
brieven gekregen over vaders op 
spijkerbedden en over allerlei andere 
toestanden, ten gevolge waarvan 
kinderen toch weer wegliepen. Hoe 
vinden in die gevallen toetsingen 
plaats? Zijn er toetsingscriteria of zijn 
zij er niet? Moeten wij maar hopen dat 
het goed gaat? Ik heb er iets te veel 
over gehoord, dus ik meen dat wij 
erop moeten letten. 
Korte-van Hemel 

de aard van de hulpverlening graag 
een zeker inzicht hebben. Dat behoe-
ven de raden niet te doen. U kunt de 
opdracht geven aan wie u wilt. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: Dat 

is geen eenvoudige zaak. Mevrouw 
Lucassen zou eigenlijk een doorlichting 
willen van de hele vraag naar hulp, op 
welk terrein dan ook, aan jeugdigen. 
Op een aantal terreinen verrichten het 
WODC en CWOK al onderzoekingen. 
Wellicht zou ik mevrouw Lucassen 
mogen verwijzen naar reeds gedane 
onderzoekingen. Mocht zij naar 
aanleiding daarvan tot de conclusie 
komen dat bepaalde terreinen nader 
belicht zouden moeten worden dan 
verzoek ik haar daarop nader terug te 
komen. 

Mevrouw Lucassen-Stauttener (VVD): 
Laat ik het dan meteen toespitsen. Ik 
doel namelijk op weggelopen minder-
jarigen. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Ook het weglopen van minderjarigen 
is een symptoom, waaraan velerlei 
problemen ten grondslag kunnen 
liggen. Ik meen dat het CWOK in zijn 
algemeenheid over verschillende 
onderdelen al wel publikaties het licht 
heeft doen zien. 

De Voorzitter: Nog twee leden 
wensen een korte, aanvullende 
opmerking te maken. Ik wijs erop dat 
de tweede termijn uiterst kort zal 
moeten zijn, omdat wij deze vergade-
ring moeten sluiten om18.00uur. 

De heer Van der Vlies (SGP): Mevrouw 
de Voorzitter! Ik heb nog geen 
antwoord gekregen op mijn vraag 
over de effecten van de bezuinigingen. 
Ik kreeg daar temeer behoefte aan 
toen de staatssecretaris naar aanlei-
ding van de moties van de heer Mik 
tot twee keer toe zei (en in haar 
positie is dit terecht): 'binnen de 
budgettaire randvoorwaarden zo 
optimaal mogelijke besluitvorming'. Ik 
kan dit begrijpen, maar men vraagt 
zich af of dit optimum niet te ver 
verwijderd ligt van wat eigenlijk het 
gewenste maximum is, als u begrijpt 
wat ik bedoel. Kortom, wat zijn de 
effecten van de bezuinigingstaakstel-
lingen, die nu al zijn geïntroduceerd, 
c.q. die er straks aankomen? 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: Ik 
dank u wel, want de heer Lankhorst 
heeft er ook over gesproken. 

De heer Lankhorst (PPR): Ik zou hier 
een aanvullende vraag over willen 
stellen. Ik heb de staatssecretaris over 
dit punt inderdaad niet horen spreken. 

Mevrouw Evenhuis heeft een motie 
ingediend, die de staatssecretaris als 
het ware omarmd heeft (stuk nr. 9). 
Deze motie dringt erop aan dat er 
binnen zes maanden een nieuwe 
notitie komt. Welke relatie legt de 
staatssecretaris nu tussen de project-
groep, de bezuinigingen (waarop wel 
en waarop niet bezuinigen?) en de 
motie van mevrouw Evenhuis? Zou 
de staatssecretaris daarin enige 
samenhang kunnen brengen? Als er 
eerst bezuinigd wordt en daarna 
wordt de motie van mevrouw Evenhuis 
uitgevoerd, dan vrees ik dat het 
niet goed gaat. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: Ik 

heb niet het idee dat de motie van 
mevrouw Evenhuis gepaard gaat met 
belangrijke financiën. Volgens mij is 
die meer bedoeld om duidelijkheid te 
brengen waar die nu niet wordt 
verondersteld. 

Ik heb al gezegd, dat de projectgroep 
bezig is om naar beste vermogen 
vorm te geven aan de bezuinigingen 
die ook binnen de Raad voor de 
Kinderbescherming moeten worden 
doorgevoerd. De suggestie van de 
heer Lankhorst dat de projectgroep 
het toekomstige beleid en de taak 
invult, is niet juist. Ik heb eigenlijk al 
aangegeven hoe het moet. De taken 
die ik in de notitie heb opgenomen, 
moeten kunnen worden uitgevoerd. 

Ik heb nu juist de projectgroep 
ingesteld om mij te adviseren over de 
wijze waarop de wettelijke taken van 
de raad, die mijns inziens niet mogen 
worden aangetast, ondanks de 
gekrompen middelen, toch kunnen 
worden uitgevoerd. Ik verwacht van 
de projectgroep dat deze mij voorstel-
len aanreikt die dit uitgangspunt zo 
min mogelijk aantasten. De project-
groep en de uitvoering van de motie 
van mevrouw Evenhuis liggen dus 
niet in eikaars verlengde. Nogmaals, 
ik heb de projectgroep gevraagd om 
mij voorstellen te doen om vooral ook 
mijn uitgangspunten zo goed mogelijk 
staande te kunnen houden. 

De heer Leerling (RPF): Ik heb een 
vraag gesteld over de uitbreiding van 
de toezichthoudende taken van de 
raad, met name betreffende de 
ambulante hulpverlening. Op dit 
moment gebeurt dat niet. Waarom 
niet? Ziet de staatssecretaris aanlei-
ding om hiertoe over te gaan? 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Zeker gelet op wat er zich ontwikkelt 
bij IWRV en IWAPV is dit daarvoor 
niet het juiste moment. Bovendien zie 
ik daartoe nu geen mogelijkheid. 

De Voorzitter: Hiermee wil ik de 
eerste termijn als beëindigd beschou-
wen en overgaan tot de tweede 
termijn. Ik verzoek de commissie, die 
toch wat kort te houden, want anders 
krijgen wij waarschijnlijk geen 
antwoord meer. Er zijn leden die nog 
ongeveer een half uur spreektijd 
hebben. Zij zouden daarmee de tijd 
tot het aangegeven sluitingsuur van 
deze vergadering volledig kunnen 
vullen. Mag ik een ieder vragen, zeer 
wijze zelfbeperking te betrachten? 

Mevrouw Lucassen-Stauttener (VVD): 
Wat zijn de resterende spreektijden? 
Ik heb namelijk geen idee van wat 
mijn spreektijd nog is. 

De Voorzitter: U hebt onzettend veel 
geïnterrumpeerd, dus u moet, als ik 
nu zeg hoeveel spreektijd u nog hebt, 
die niet volledig gebruiken. De fractie 
van de Partij van de Arbeid heeft nog 
16 minuten, het CDA 29 minuten, de 
VVD 19 minuten en de PSP nog 1 
minuut. C'est tout! 

D 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): 
Mevrouw de Voorzitter! De staatsse-
cretaris is haar verhaal begonnen met 
de opmerking dat de mensen bij de 
raden voor de kinderbescherming 
onder erg moeilijke omstandigheden 
werken. Daarin heeft zij gelijk. Gezien 
de komende bezuinigingen zal die 
situatie voor hen nog veel moeilijker 
worden. Toch is mij nog niet helemaal 
duidelijk op welke manier een en 
ander in elkaar gepast moet worden 
met het oog op de werkzaamheden 
van de projectgroep. Het lijkt wel een 
raamvertelling, want hiermee hebben 
wij onze bijdrage in eerste termijn 
beëindigd. Het is mij ook niet helemaal 
duidelijk hoe het moet gaan met de 
scheiding tussen hulp en recht in 
dezen. 

De staatssecretaris heeft de motie 
van mevrouw Evenhuis in feite als 
een ondersteuning van haar beleid 
aangemerkt. Zij zal die in haar notitie 
verwerken. Wat is eigenlijk het 
uitgangspunt van die notitie? Gaat de 
staatssecretaris er inderdaad van uit 
dat de raden voor de kinderbescher-
ming niet meer de taak van de 
hulpverlening verrichten? Ik heb de 
indruk, dat zij het gehele verhaal ter 
zake niet goed heeft begrepen. Ik zal 
proberen, mij deze keer wat duidelijker 
uit te drukken. 
Haas-Berger 

raden wordt uitgevoerd. De Raad zal 
op een goed moment, in een bepaalde 
situatie, om een maatregel vragen: hij 
is procespartij daarbij. Dit is een 
wetttelijke taak, die, naar mijn smaak, 
daar moet blijven. 

Maar wat gebeurt er? Mensen 
- kinderen, ouders - komen bij de 
Raden voor de Kinderbescherming. 
Op dat moment gaat de Raad iets 
doen en deze mensen geraken in de 
veronderstelling dat er hulp wordt 
geboden door de hulpverleners: dit 
heeft ook te maken met de opleiding 
van de mensen die bij de Raad 
werken. Men wil in die situatie hulp 
verlenen en er iets aan doen. Ik 
begrijp dit. De Raad zal proberen om 
zelf conflictoplossend te werken in 
bepaalde situaties. Dat kan korter of 
langer duren en betrokkenen hebben 
intussen vertrouwen in de Raad. 

Op een goed moment blijkt echter 
dat de zaak 'klapt' en dat het niet 
meer wil. Dan is diezelfde hulpverlener 
genoodzaakt, om een maatregel te 
vragen. Dit is nu juist wat niet mag, 
want dit is het punt waarop het 
vertrouwen in de hulpverlening door 
de Raden wordt geschokt. Nu kan de 
staatssecretaris wel zeggen dat de 
Raden vertrouwenwekkend moeten 
optreden en dat zij dit wel ziet zitten, 
maar in de praktijk blijkt dat dit niet 
werkt. 

Wij zeggen dat de Raden dit 
hulpverleningswerk niet mogen doen. 
Vanaf het eerste ogenblik dat de 
hulpvraag binnenkomt, hetzij bij een 
instelling, hetzij bij de Raad, moet er 
worden gekeken waar op dat moment 
de hulpverlening kan worden gestart 
door een particuliere instelling. Mocht 
de hulpverlening misgaan, dan is het 
niet dezelfde hulpverlener die de 
mensen in de kou laat staan. Dat is 
het probleem waar het om gaat, want 
dit breekt het vertrouwen van de 
cliënt, van de ouders van de kinderen, 
in de hulpverlening als zodanig. Waar 
het om gaat, is dat de mensen die bij 
de Raad werken - ik begrijp best dat 
dit een heel beroerde positie is -
degenen zijn die, opgezadeld zijnde 
met de justitiële taak, alleen die taak 
moeten verrichten. 

Nu zegt de staatssecretaris dat dit 
ook haar beleid is, maar in de praktijk 
is het anders. Als de staatssecretaris 
aan de hand van brieven wil onderzoe-
ken hoe het is gesteld met de OTS'en 
die wellicht niet op financiële gronden 
zouden worden uitgesproken, zou ook 
de fuikwerking eens moeten worden 
onderzocht aan de hand van brieven 
die binnenkomen. 

Het gaat hier immers om een reëel 
gegeven. Zowel in de notitie, als in 
het antwoord van de staatssecretaris, 
wordt dit spanningsveld, dit probleem, 
weggeschreven, c.q. weggepraat. Ons 
uitgangspunt is dat de Raden die 
hulpverlening beslist niet mogen 
verrichten. Als de staatssecretaris 
toezegt een notitie te schrijven, moet 
zij hiervan uitgaan, namelijk dat het 
inderdaad niet meer zo zal gebeuren. 
Ik hoop dat de staatssecretaris daar 
nu heel duidelijk over zal zijn en in 
ieder geval zal vertellen wat haar 
uitgangspunt is achter haar visie op 
de positie van de Raden. 

De staatssecretaris ontraadt de 
motie over de rechtspositie van 
jeugdigen. Ik wil hierover nog het 
volgende opmerken. Een aantal 
wetten die zij heeft opgenoemd en die 
bij de Justitiebegroting zijn opge-
noemd, waren reeds gerealiseerd, 
maar een aantal verkeert al jaren in 
het stadium van de departementale 
voorbereiding. Het gaat er dan om, 
dat deze wetsontwerpen het departe-
ment eindelijk eens verlaten, want het 
duurt te lang. Wat ons betreft, is dat 
laatste niet de bedoeling. 

Dan zijn er nog een aantal andere 
punten, waarvan de staatssecretaris 
zegt, dat zij niet gerealiseerd kunnen 
worden, zoals de glijdende schaal bij 
de versterking van de rechtspositie 
van de jeugdigen, met daaraan 
gekoppeld een grotere handelingsbe-
kwaamheid. Ik vraag mij af, waarom 
het onmogelijk is dit te realiseren. 
Ook zegt de staatssecretaris dat een 
bijzondere rechtsingang voor jeugdi-
gen niet nodig is. Zij voegt daaraan 
toe, dat de Raden dan wel kunnen 
optreden. Nu, ik denk dat de Raad niet 
de bij uitstek geschikte organisatie is, 
gezien de functie die hij op grond van 
de wet heeft, om als vertegenwoordi-
ger van de jeugdige op te treden in 
een proces. 

Bovendien denk ik dat het op een 
goed moment, op een bepaalde 
leeftijd, zeker wel nodig is dat kinderen 
een eigen rechtsingang hebben, waar 
wij hen ook in andere wetten de 
bevoegdheid en het recht geven om 
gehoord te worden. Ik wijs toch nog 
maar eens op de Wet op het omgangs-
recht, op grond waarvan jeugdigen op 
een bepaald moment zelf naar de 
rechter konden lopen als de zaken 
door de ouders niet zo werden 
geregeld als zij wilden. Ik denk dat dit 
op een goed moment best een heel 
belangrijke zaak is, te meer omdat wij 
in het verleden ook altijd gezegd 
hebben dat op dit punt wel degelijk 
het recht voor de minderjarige op een 

bepaalde leeftijd geregeld moest 
worden. 

De staatssecretaris heeft gezegd dat 
er nieuwe regelingen komen waarin 
de jeugdigen rechten gegeven 
worden. Wij hebben bij voorbeeld 
twee weken geleden in het kader van 
de Nota Patiëntenbeleid gesproken 
over het recht van de jeugdige zelf te 
beslissen over medische behandeling. 
Maar het is geen nieuw verhaal; heel 
lang geleden heeft prof. Rood er ook 
al over geschreven en gesproken. 

De staatssecretaris heeft gezegd dat 
de rapporten en de dossiers een 
complexe materie vormen, die pas 
later zal worden behandeld. Maar ik 
wil toch nog even op een paar 
aspecten wijzen, zoals ik ook al tijdens 
een vorige uitgebreide commissiever-
gadering heb gedaan. De staatssecre-
taris heeft gezegd dat het correctie-
recht bestaat. Akkoord, dat mag dan 
bestaan. Volgens de circulaire is er bij 
voorbeeld inzage in zo'n correctierecht. 
In de praktijk echter geschiedt het niet 
overal. 

Ik meen dat hier heel duidelijk een 
taak voor de staatssecretaris casu quo 
de inspectie ligt om erop toe te zien 
dat het inderdaad wel gebeurt. Het 
heeft namelijk weinig zin om allerlei 
rechten in circulaires neer te leggen, 
als daarna blijkt dat de mensen 
problemen hebben om dat recht te 
effectueren. De problemen in de 
praktijk zijn er niet voor het eerst, na 
deze uitgebreide commissievergade-
ring hopelijk wel voor het laatst. Mijn 
verdere opmerkingen zal ik om der 
tijdswille dan maar opschorten, totdat 
de staatssecretaris hierover iets in de 
memorie van toelichting heeft 
gezegd. 

Ik blijf met de staatssecretaris van 
mening verschillen over de democra-
tische samenstelling van de raden. 
Als de colleges van de raden het 
beleid moeten voeren dan kan naar 
mijn oordeel een combinatie van 
mensen in de raad die echt onafhan-
kelijk zijn en vertegenwoordigers van 
de mensen die in de instellinqen 
zitten - bij voorbeeld vertegenwoordi-
gers van de besturen van de instellin-
gen en inrichtingen of van de alterna-
tieve hulpverlening, als wij dat nog zo 
mogen noemen - beter een beleid op 
poten kunnen zetten dan mensen die 
zomaar via een advertentie of anders-
zins worden aangetrokken. Want de 
eersten zijn veel beter bekend met de 
problematiek die op dat moment in de 
instellingen en inrichtingen heerst. Ik 
voeg hier overigens aan toe dat het 
werven van mensen door middel van 
advertenties nog een behoorlijk open 

Bijzondere commissie 15317 

Raad voor de Kinderbescherming 

UCV98 

28 mei 1984 98-32 




Haas-Berger 

manier is om te proberen nieuwe 
leden van de colleges te verkrijgen. 

De staatssecretaris heeft erop 
gewezen dat de colleges toezicht 
moeten houden op de instellingen en 
inrichtingen. Akkoord! Ik zeg dat zij 
moeten weten hoe die instellingen en 
inrichtingen functioneren. Maar de 
colleges hebben ook te maken met 
instellingen en inrichtingen die aan de 
andere kant van het land liggen, met 
name bij de uithuisplaatsingen. Hoe 
kunnen de raden daar nu in feite 
toezicht op houden? 

Verwacht de staatssecretaris van 
particulieren die dat in hun vrije tijd 
doen, dat zij toezicht houden op een 
instelling of inrichting waar zij 
kinderen wel eens plaatsen, verwacht 
de staatssecretaris echt van al die 
vrijwilligers, die per advertentie 
geworven zijn, uit Groningen, waar 
vandaan dan ook, toezicht houden op 
het functioneren van bij voorbeeld 
Rekken of Zetten of weet ik wat voor 
plaats die niet zo verschrikkelijk 
dichtbij ligt? 

Afgezien van de principiële bezwa-
ren die ik zojuist heb genoemd, dat de 
overheid, als de instelling door de 
overheid gesubsidieerd wordt, ook de 
plicht heeft om toezicht te houden op 
die inrichting, is het naar mijn mening 
praktisch gezien niet juist om te 
zeggen dat de colleges van de raden 
dat toezicht moeten uitoefenen. 
Daartoe zijn ze niet geëquipeerd. Dat 
kan je ook niet van particulieren 
verwachten. Het is een onjuiste eis. 

Over het klachtrecht krijgen wij een 
nadere evaluatie. Op dit moment zal 
ik hierover dus niets meer zeggen. En 
dan denk ik dat ik zo coöperatief ben 
als de pest. 

D 

Mevrouw Evenhuis-Van Essen (CDA): 
Na deze kernachtige uitroep van mijn 
collega wil ik mij aansluiten bij haar 
opmerking over de fuikwerking van 
de Raden voor de kinderbescherming. 
Het mag namelijk bekend verondersteld 
worden dat de raden inderdaad in 
eerste instantie hulp verlenen en dat 
zij voorts een maatregel voorbereiden. 
Met hetgeen ik heb gesteld in motie 
nr. 9 die blijkbaar zo opzienbarend 
was dat alle leden erover hebben 
gesproken, bedoelde ik ook, dat men 
moet uitgaan van de beoogde 
scheiding tussen twee punten, te 
weten de dubbele functie van de 
raden, namelijk de rapportage en de 
hulpverlening, en de mogelijkheid om 
knelpunten weg te nemen. Zij veron-
derstellen immers al dat er knelpunten 

zijn, omdat de raden buiten hun 
bevoegdheden gaan. Ik bemoei mij 
dus niet met projectgroepen en 
dergelijke. De staatssecretaris heeft 
mij toegezegd dat zij deze motie zal 
uitvoeren. 

Waneer alles ideaal was, dan zou ook 
de Raad voor de Kinderbescherming 
ideaal zijn. Helaas is dat niet het 
geval. Ik herinner aan het punt dat ik 
aan de orde heb gesteld over kinderen 
die weglopen en die met medewerking 
van de raad in het niet verdwijnen. Ik 
begrijp dat de staatssecretaris 
daarover nu geen cijfers beschikbaar 
heeft. Wij weten echter heel goed 
waarover het gaat. Wij ontvangen 
hierover brieven. 

Het is mijns inziens belangrijk dat 
de belanghebbenden naar de staatsse-
cretaris worden verwezen. Het betreft 
immers klachten. Deze klachten kan 
de staatssecretaris betrekken in de 
evaluatie over het klachtenrecht. Er 
staat toch duidelijk dat niet alleen de 
persoonlijke bejegening doch ook het 
beleid niet in het geding kunnen zijn. Ik 
wijs erop dat het beleid nu juist wel in 
het geding is en niet het feit dat 
iemand minder aardig is dan een 
ander. 

Ik ben de staatssecetaris bijzonder 
erkentelijk dat zij zo positief staat 
tegenover de door mij ingediende 
motie, nr. 11. De fractie van het CDA 
heeft zich voor hetgeen daarin wordt 
gezegd ook altijd ingespannen. Zij is 
blij dat ook de staatssecretaris dit zo 
positief benadert. Wij weten immers 
dat het ook in het kader van het 
vreemdelingenbeleid een punt is. 

Wat de bewaartermijn betreft, 
zullen wij een en ander graag aanhou-
den tot wij een verslag hebben ontvan-
gen of een memorie van toelichting 
bij de begroting. 

Mevrouw de Voorzitter! Ik ben zo 
coöperatief geweest dat ik de mij 
gegeven spreektijd niet helemaal zal 
gebruiken. Ik doe dat natuurlijk in het 
belang van de staatssecretaris en haar 
collega. Ik herinner mevrouw Lucassen 
even aan de tijd dat mevrouw Haas-
Berger en de heer Roethof op artikel 
280 een aanvulling voorstelden. Zij 
hadden juist met de hulpverlening 
bezwaren. De fractie van de VVD heeft 
toentertijd voorgestemd. Ik ben een 
goed democrate en leg mij neer bij de 
meerderheid van de Kamer en van de 
wet. Af en toe denk ik echter wel 
eens: hadden wij niet wat genuanceer-
der met elkaar moeten spreken over 
een zourgvuldige hulpverlening. 

D 

Mevrouw Lucassen-Stauttener (VVD): 
Mevrouw de Voorzitter! Allereerst 

dank ik u dat ik zoveel interruptietijd 
heb gekregen. 

De Voorzitter: Daarvoor behoeft u mij 
niet te danken. Een volgende keer 
krijgt u misschien nog meer en dat 
mag niet. 

Mevrouw Lucassen-Stauttener (VVD): 
Ik weet dat er een jaar of vier 
geleden een wijziging is aangebracht. 
Er heeft een amendement-Haas-Ber-
ger/Roethof drie jaar lang boven de 
Kamer gezweefd. Het is de verdienste 
van de heer Nijpels geweest een 
dusdanige formulering te vinden, dat 
een minderjarige waarmee incest 
gepleegd was of die lichamelijk of 
geestelijk mishandeld werd, kon 
weglopen en kon worden onderge-
bracht bij mensen die daardoor niet 
strafbaar werden gesteld door de wet 
voor het onderbrengen van een 
minderjarige. 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): In het 
kader van de zorgvuldige hulpverle-
ning. 

Mevrouw Lucassen-Stauttener (VVD): 
Inderdaad. Dan komt het; degene die 
de minderjarige huisvest, meldt dat 
aan de raad. Mijns inziens ontstaat er 
dan een gat. De raad doet namelijk 
niets met die melding. Misschien moet 
de raad niets met die melding doen, 
of wel maar ik denk dat daardoor heel 
veel problemen ontstaan. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: Dat 

mag volgens de wet niet. 

Mevrouw Lucassen-Stauttener (VVD): 
Er zit inderdaad een gat in. Daarom 
zijn er ook veel problemen ontstaan. 
Daarover praten wij nu. Daarom zijn 
er suggesties gedaan waarvan ik 
hoop dat de staatssecretaris die zal 
betrekken bij haar beschouwingen. 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): Dan 
was het amendement van de heer 
Nijpels toch niet zo goed. 
Lucassen-Stauttener 

Mevrouw Lucassen-Stauttener (VVD): 
Ik kom daarop nog terug. 

Verheugend is het, dat de staatsse-
cretaris vandaag een aantal zaken 
heeft toegezegd. De bewaartermijn 
van de dossiers zal waarschijnlijk 
verlaagd worden. De staatssecretaris 
zal daaraan in ieder geval haar 
aandacht besteden. Het is ook 
verheugend dat het klachtrecht in 
de particuliere instellingen door het 
WIJN wordt bekeken en dat dienaan-
gaande binnenkort ook voorstellen 
zullen worden gedaan. 

Ik merk nog iets op over de voogdij-
registers. Ik heb begrepen dat de 
staatssecretaris ervan uitgaat dat er 
daarover tot op heden geen klachten 
zijn. Ik heb goede moed te geloven 
dat in het stukje in de memorie van 
toelichting dat ze daaraan zal wijden, 
met mijn opmerkingen rekening 
gehouden wordt. Ik zie dat in ieder 
geval met vertrouwen tegemoet. 

Ik blijf het merkwaardig vinden dat 
wanneer de medische verantwoorde-
lijkheid van de ouders tijdelijk wordt 
afgenomen de ouders wel financieel 
verantwoordelijk blijven. Ik kan mij 
voorstellen dat ouders daarmee grote 
problemen hebben. Ik kom dan 
tegelijkertijd te spreken over de 
scheiding van recht en hulp en de 
fuikwerking. Een en ander is mij nog 
niet helemaal duidelijk. Om wille van 
de tijd sluit ik mij echter aan bij de 
vragen van mevrouw Haas. 

Ik merk nog iets op over het 
jeugdrecht. Ik betreur het in hoge 
mate dat daarin geen schot komt. Ik 
noem het voorbeeld van de minderja-
rige als consument. Wanneer een 
minderjarige een aankoop doet 
waarna blijkt dat hij of zij geen geld 
heeft, zegt de wettelijke vertegenwoor-
diger voor de rechter: mijn kind was 
minderjarig en ik heb geen zin om dat 
bedrag te betalen. De ene rechter zegt 
dan: mijnheer, u heeft gelijk. De 
andere rechter zegt dan dat het voor 
de verkoper duidelijk was dat de 
minderjarige de jaren des oordeels 
had bereikt. Dan krijgt de verkoper 
gelijk. Zo is ook daarbij sprake van 
een 'grijs' juridisch niemandsland. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Mevrouw Lucassen zal toch niet 
willen dat ik op de stoel van de 
rechter ga zitten? 

Mevrouw Lucassen-Stauttener (VVD): 
Neen, ik vraag met klem om de 
rechtspositie voor minderjarigen te 
regelen, waarover in diverse kringen 
en ook in deze Kamer een aantal jaren 
wordt gediscussieerd. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: De 

rechtspositie als zodanig geeft hem 
geen geld. 

Mevrouw Lucassen-Stauttener (VVD): 
Er is dan wel een duidelijke scheiding 
in verantwoordelijkheden bij ouders 
en minderjarigen. Ik hoorde de 
staatssecretaris overigens de financië-
le consequenties noemen. Ik begrijp 
dat best, wanneer men die meerderja-
righeidsgrens verlaagt van 21 jaar 
naar 18 jaar. Daar gaat het in dit geval 
ook niet om. Dat komt misschien nog 
wel eens in betere tijden. 

Ik blijf het verder een beetje merk-
waardig vinden dat hulpverleningsin-
stanties voor jongeren subsidie 
krijgen en er geen evaluatie van 
hulpvragen kan komen. Ik hoop dat de 
staatssecretaris daar toch nog eens 
naar kan kijken. Ik heb dezelfde vraag 
overigens vorig jaar in oktober tijdens 
de UCV over de jeugdhulpverlening 
aan de staatssecretaris van WVC 
gesteld. Hij beloofde mij er eens naar 
te zullen kijken. Misschien kunnen de 
staatssecretarissen dit te zamen doen. 

'Het ei van Columbus' van de heer 
Nijpels vind ik overigens helemaal 
geen koekoeksei. Ik vind het bijzonder 
goed dat er in ieder geval door een 
meerderheid van de Kamer getracht is 
om een soort hulpverlening te creëren 
voor kinderen bij wie geestelijke en/of 
lichamelijke mishandeling en incest 
heeft plaatsgevonden. Dat is mijns 
inziens een eerste stap voorwaarts in 
de jeugdhulpverlening. 

Mevrouw Evenhuis-van Essen (CDA): 
Mevrouw de Voorzitter! Mag ik als 
spijtoptant nog een opmerking 
maken? Ik heb namelijk een motie 
aangekondigd over het klachtrecht. Ik 
moet echter eerlijk zeggen dat de 
motie van de heer Mik dermate goed 
is, dat ik het onnodig vind om onnodige 
moties in te dienen. Ik kom dus terug 
van het aankondigen van een motie, 
die ik dan ook niet heb ingediend. Uit 
de Handelingen over de behandeling 
van artikel 280 in de Tweede en Eerste 
Kamer is mij duidelijk geworden, dat 
ik deze motie niet behoef in te 
dienen, niet omdat ik helemaal 
tevreden was met het antwoord van 
de staatssecretaris, maar wel omdat ik 
de motie van de heer Mik graag zal 
steunen. 

D 

De heer Mik (D'66): Mevrouw de 
Voorzitter! Ik dank de staatssecretaris 
voor haar antwoorden. Er zijn echter 
nog enkele vragen blijven liggen. 
Door mij en anderen is gesproken 
over de mogelijkheid van contra-exper-

tise. Daar heb ik geen reactie op 
gehoord. 

Ik heb verder gesproken over de 
suggestie die het WIJN heeft gedaan 
om de verplichting op te leggen, in 
het jaarverslag aan te geven welke 
maatschappelijke oorzaken van de 
problemen waarmee de raad werd 
geconfronteerd, werden geconsta-
teerd. Kan de staatssecretaris haar 
mening hierover geven? 

Ik heb ook ter discussie gesteld dat 
de raad zich met adoptie bezighoudt. 
Daar worden vraagtekens bij gezet en 
ik heb dat in eerste termijn ook 
gedaan. Wil de staatssecretaris hier 
nog op reageren? 

D 

De heer Leerling (RPF): Mevrouw de 
Voorzitter! Ik dank de staatssecretaris 
voor haar antwoorden, al vond ik die 
niet in alle opzichten bevredigend. Ik 
zeg dit met name met het oog op het 
feit dat de staatssecretaris in dit debat 
en in de nota niet is ingegaan op 
mijns inziens fundamentele zaken als 
het uithollen van de ouderlijke macht 
en de nood bij tal van ouderen die 
hun kinderen verliezen aan zogeheten 
hulpverleners. Daaris heel nadrukkelijk 
onze aandacht voor gevraagd met het 
oog op dit debat, omdat zoveel 
ouders grote zorgen en verdriet 
hebben in dit opzicht. De staatssecre- • 
taris zou mij zeer verplichten als zij 
daar nog iets over wil zeggen en ook 
wil aangeven wat nu criteria zijn om 
vast te stellen wat welzijn is en kan 
zijn voor minderjarigen. 

Hoe reageert de staatssecretaris op 
de veel gehoorde klacht dat niet op 
voorhand wordt gewerkt aan het 
herstel van de gebroken relatie tussen 
ouders en kind, uitgaande van de 
rechten die ouders op grond van de 
wet hebben? 

Wil de staatssecretaris maatregelen 
nemen opdat de folder 'Uw rechten' 
persoonlijk wordt overhandigd? Daar 
bestaan nog steeds misverstanden 
over. 

Ten slotte acht ik het gewenst dat 
de ambulante en met name de 
alternatieve hulpverlening wordt 
betrokken bij de toezichthoudende 
taak van de raad. In dit opzicht vraag 
ik de Kamer om een uitspraak. 
Voorzitter 

overwegende, dat de Raden voor de 
Kinderbescherming verschillende 
toezichthoudende taken hebben; 

constaterende, dat ambulante voorzie-
ningen niet bij dat toezicht zijn 
betrokken; 

verzoekt de regering, het daarheen te 
leiden dat ambulante voorzieningen 
onder het toezicht van de Raden voor 
de Kinderbescherming worden 
gebracht, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

Deze motie krijgt nr. 17 (18 122). 

De heer Worrell (PvdA): Hoe denkt de 
heer Leerling te bereiken dat zelfstan-
dige organisaties voor ambulante 
hulpverlening onder toezicht komen 
van de Raden voor de Kinderbescher-
ming? Een zelfstandig bestuur van 
een ambulante instelling voor jeugd-
hulpverlening zou dan toezicht krijgen 
van de Raad voor de Kinderbescher-
ming. De heer Leerling moet de 
moeite doen om na te gaan wat er 
precies in deze motie staat. De motie 
is naar mijn mening strijdig met de 
normale praktijk. Bovendien is ze niet 
uitvoerbaar. 

De heer Leerling (RPF): Ik heb er 
behoefte aan dat de ambulante en 
met name de alternatieve hulpverle-
ning onder toezicht komt van de raad. 
Ik heb dat zojuist ook bij interruptie 
aan de staatssecretaris gevraagd. Zij 
heeft gezegd dat zij het moment er nu 
niet juist voor acht. Er zit dus ruimte 
in. Daarom heb ik de motie ingediend. 

De vergadering wordt van 17.23 uur 
tot 17.30 uur geschorst. 

D 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Mevrouw de Voorzitter! Ik zeg de 
leden die in tweede termijn het woord 
hebben gevoerd daarvoor dank, 
omdat zij met hun interventies het 
belang van de raden toch weer 
hebben onderstreept. 

Mevrouw Haas heeft gevraagd waar 
de notitie over gaat en wat de raden 
mogen doen. Heel beeldend heeft zij 
gezegd: de mensen komen bij de 
raad, de raad wil er wat aan doen en 
dat mag niet. In de notitie, in het 
schriftelijk antwoord en in de beant-
woording van vandaag, heb ik 
geprobeerd tot uitdrukking te brengen, 
dat dit inderdaad ook niet moet, ook 
al was het wellicht zo. Als de mensen 
bij de raad komen, hoort de raad 
natuurlijk waar het over gaat. 

Vervolgens zal hij het zich tot een 
eer rekenen om ervoor te zorgen dat 

de betrokkene bij die hulpverlenende 
instantie binnen het arrondissement 
terechtkomt, die ook echt iets voor 
deze cliënt kan doen. Overigens is het 
voor mijn gevoel dan nog niet eens 
een echte cliënt. De raad functioneert 
daarbij als een EHBO-er, iemand die 
eerste hulp verleent en zegt: u moet 
daar-en-daar zijn voor een tegemoet-
koming in uw klachten. 

In het antwoord staat: De notitie 
laat er geen twijfel over bestaan dat 
de raad geen hulpverlenende instelling 
is en dat de hulpverlening bij andere 
instellingen thuishoort. Hiermee 
probeer ik niet de problemen weg te 
schrijven of weg te praten. Neen, naar 
mijn stellige overtuiging moet het zo 
zijn en is het in het overgrote deel van 
de gevallen ook zo. Ik denk dat ook 
de basis van de notie zal zijn. 

Het voorgaande laat natuurlijk 
onverlet dat er situaties bij de raad 
komen, waarin de problematiek al zo 
is toegespitst - omdat men al een an-
dere weg heeft bewandeld, via goede 
vrienden, de dokter enz. - dat een 
verwijzing gewoon niet meer 
kan. Dan kan het zijn dat de raad, 
vanuit zijn verantwoordelijkheid en 
niet vanuit macht, vindt dat het 
moment voor een maatregel is 
aangebroken. Het is niet de bedoeling 
om dan onverhoeds te werken, maar 
juist vanuit de verantwoordelijkheid 
met betrekking tot de jeugdige. 

Dat zal ook het uitgangspunt zijn bij 
de notitie. En ik meen de motie van 
mevrouw Evenhuis ook zo te mogen 
vertalen dat, wanneer dit nog eens 
precies verwoord wordt, het ook 
overeenkomt met de bedoeling van 
die motie. 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): Eerst 
merkte de staatssecretaris terecht op 
dat de raad geen hulpverleningsinstan-
tie is en dat er verwezen moet 
worden. Vervolgens nam zij dat toch 
weer een beetje terug door te zeggen 
dat er situaties kunnen ontstaan 
waarin het anders is. Als er een 
dergelijke opening is en blijft, zal er 
mijns inziens toch weer insluipen dat 
de raad conflictoplossend en hulpver-
lenend te werk gaat. 

Als je de scheiding tussen recente 
hulpverlening direct aanbrengt, zal de 
raad - ook wanneer er moeilijke 
omstandigheden zijn en er al situaties 
zijn geweest waarin hulp geboden is 
en die gefaald heeft - de plicht 
hebben om meteen in het overleg 
volgens de IWAPV en IWRV, waar al 
die instanties de zaak met elkaar 
zullen moeten bespreken, te zeggen: 
dit is mislukt; die instelling zal de 
hulpverlening moeten overnemen. 

Dat is toch een ander uitgangspunt 
of een ander startpunt. Ik denk dat de 
staatssecretaris haar notitie vanuit die 
conceptie zal moeten schrijven. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: Ik 
denk dat de notitie de uiterste duide-
lijkheid zal moeten geven ook over 
situaties zoals mevrouw Haas die nu 
beschrijft. Ook daarin zal het duidelijk 
moeten zijn waar de Raad, vanuit zijn 
verantwoordelijkheid staat. De Raad 
mag naar mijn gevoel niet mensen 
wegsturen. Hijmag niet tegen mensen 
die in het water liggen zeggen: leer 
eerst maar zwemmen en kom dan 
maar terug. 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): U zegt 
heb ik nooit gezegd. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: Ik 

chargeer, maar het toont wel aan wat 
ik bedoel. 
Korte-van Hemel 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: Wij 

moeten nu niet het wetsontwerp gaan 
behandelen. Het zou echter interessant 
zijn na te gaan hoe verschillende 
fracties op verschillende momenten 
verschillend hebben gedacht over die 
financiële gehoudenheid. Er staat mij 
nog een mondeling overleg in de 
Schepelzaal voor ogen, waar alle 
betrokken bewindslieden de toenmali-
ge commissie hebben toegesproken. 

Dit zal voorlopig wel niet aan de 
orde komen, vanwege enerzijds die 
financiële mogelijkheden die voor 
jeugdigen moeten worden geschapen 
en anderzijds de werkverzwaring voor 
de rechterlijke macht. Dit laat onverlet 
dat er op dit moment beslist geen 
stilstand in het denken is over proble-
men zoals het betrokken zijn van 
jeugdigen bij medische ingrepen. Dat 
is niet omdat dit zaken zijn die geen 
geld kosten, maar omdat het in het 
algemeen goed is over dit soort zaken 
na te denken. 

Mevrouw Haas heeft nog gesproken 
over de dossiers en de rapporten en 
over de klachten die bij de commissie 
binnenkomen. Misschien is het goed 
erop te wijzen dat er per jaar ongeveer 
17.000 rapporten door de Raden tot 
stand worden gebracht. Natuurlijk 
worden er dan weleens fouten 
gemaakt. Ook het maken van rapporten 
is mensenwerk. 

Bij de beoordeling van de rapportage 
van de Raden moeten wij niet tot 
uitgangspunt nemen de berichten die 
de commissie, mij, de klachtenconv 
missies en soms, in laatste instantie, 
de Nationale Ombudsman bereiken 
van de mensen die met een rapport 
van de Raad volstrekt niet uit de 
voeten kunnen. Ik wil niet zeggen dat 
zij niet serieus moeten worden 
genomen. Ik zie ze als een signaal, 
maar zij zijn niet kenmerkend voor de 
rapportage van de Raad. Dan zou ik 
de Raden onrecht doen. Ik ben 
mevrouw Evenhuis dankbaar voor de 
door haar geuite positieve grondhou-
ding ten opzichte van de Raden. 

Mevrouw Haas is op het principiële 
punt van de samenstelling van de 
colleges teruggekomen. Zij heeft 
gesuggereerd: vertegenwoordigers 
van de instellingen, eventueel voorge-
schreven. Hoe kunnen de colleges 
toezicht houden? 

Als de instellingen, gelet op artikel 
6.2 van het organisatiebesluit van 
mening zijn, dat zij erin thuishoren 
zeg ik: laat ze meesolliciteren. Laat ze 
door sollicitatie het het college 
onmogelijk maken, om hen heen te 
gaan. Ik acht dit de juiste betrokken-

heid. Zij zouden anders slechts een 
gedeelte: één instelling vertegenwoor-
digen, terwijl er wellicht in het 
desbetreffende arrondissement 
ettelijke zijn. De openheid voor 
toetreding tot het college moet zo zijn, 
dat met inachtneming van de uitgangs-
punten er een mogelijkheid ter zake 
is. Er moet geen dwang zijn naar mijn 
gevoel. 

Mevrouw Haas heeft gezegd, dat 
men van vrijwilligers geen toezicht op 
de justitiële inrichtingen kan verlan-
gen. Als de raad toezicht houdt op 
een pupil die elders verblijft, is dat al 
een onderschrijving van het huidige 
beleid, dat ook door de fractie van 
mevrouw Haas wordt onderschreven. 
Wij moeten trachten het kind, als het 
tot een uit-huis-plaatsing moet 
komen, zo dicht mogelijk bij huis te 
laten blijven. Daarop is ons beleid 
gericht. Het bureau van de raad 
neemt in het betrokken arrondisse-
ment de geformuleerde vragen van 
het college over en pleegt als een 
soort rogatoire commissie het 
onderzoek. Dat zal naar mijn idee goed 
kunnen gaan. 

Mevrouw Haas-Berger (PvdA): Bij het 
functioneren van de instellingen gaat 
het om de vraag of de pupil ergens 
terecht is geplaatst en of de plaatsing 
moet blijven. Dat is in eerste instantie 
de taak van de instelling. Ook de raad 
zal moeten weten, hoe de tent aldaar 
functioneert. Er is toch een principieel 
bezwaar, waar de staatssecretaris aan 
voorbijgaat. Er moet een inspectie 
zijn, die bekijkt of aan de subsidievoor-
waarden wordt voldaan en ook de 
kwaliteit van het werk als zodanig 
blijkt. Dat is een taak voor de inspectie 
en niet voor de colleges. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: Ik 
ben daarop naar mijn gevoel in mijn 
beantwoording in eerste termijn zeer 
uitvoerig ingegaan. Wij moeten 
constateren, dat wij een verschil van 
inzicht hebben. Ik handhaaf mijn 
opvattingen die ik naar voren heb 
gebracht. 

Mevrouw Evenhuis heeft nog over 
de weggelopen kinderen gesproken. 
Ik heb met zeer veel belangstelling 
naar het interruptiedebat van vertegen-
woordigers van verschillende partijen 
geluisterd. Hier ligt inderdaad een 
bron van conflicten en er kunnen 
zorgen voor ouders zijn. De motie van 
de heer Leerling heeft hierop betrek-
king. In de tot stand gekomen wet 
wordt volstaan met de zorgvuldigheid 
die de hulpverlening aan de dag 
legt. 

Als de hulpverlener volgens de wet 
heeft gehandeld, ligt er voor de raad 

geen taak meer. Ik zou het een 
oneigenlijke taak vinden en een 
uitholling van de wet, als de raad een 
invulling geeft die haaks staat op de 
bedoeling van de wet. Dat kan niet en 
dat mag ook niet. Iets anders is dat de 
raad bij andere mogelijkheden 
probeert gezinsverhoudingen die stuk 
zijn te doen repareren. Ik meen 
echter dat de raad ertegen moet 
waken, op te treden op een wijze die 
nu net niet de bedoeling van de 
wetgever is. De raad moet, net als 
ieder ander, de wet uitvoeren zoals 
dat de bedoeling is. 

De heer Leerling meende dat ik met 
mijn uitspraken ruimte overliet, 
omdat ik in het algemeen verwees 
naar de eindrapportage van de IWRV 
en de IWAPV en het regeringsstand-
punt daarbij. Hij mag daaruit niet 
distilleren, dat het in mijn voornemen 
ligt, de ambulante voorzieningen onder 
toezicht van de raden voor de kinder-
bescherming te brengen. Dat is 
wellicht een wishful thinking van de 
indieners van de motie-Leerling. Het 
ligt niet in mijn voornemen. Ik meen 
ook dat het oneigenlijk zou zijn. 

Mevrouw Evenhuis heeft juiste 
opmerkingen gemaakt. Als zij zich 
aansluit bij de motie van de heer Mik 
en zich verder bepaalt tot de drie door 
haar ingediende moties ben ik haar 
daarvoor dankbaar. Ik heb al gesteld dat 
ik de gedachte verwoord in motie nr. 14 
van de heer Mik, zal betrekken bij de 
evaluatie van de klachten. De gedachte 
achter de motie is mijns inziens 
voldoende geweest om mevrouw 
Evenhuis ervan te weerhouden zelf 
een motie in te dienen en haar voorts 
vertrouwen te geven in de evaluatie. 

Mevrouw Lucassen heeft een opmer-
king gemaakt over de toevertrouwing en 
de financiële gehoudenheid van de 
ouders. In de wet staat, dat bij 
toevertrouwing de ouders de aansprake-
lijkheid houden die zij in het algemeen 
al hebben. Gaat het om medische 
ingrepen of ziekenhuisopnamen - ik 
denk dat mevro Lucassen op die 
situaties doelt - dan zullen in feite de 
kosten meestal gedekt worden door 
de verzekering. De ouders zullen dan 
niet in het kader van de toevertrouwing 
voor de kosten worden aangesproken. 

Mevrouw Lucassen-Stauttener (VVD): 
Het ging om het principe. Het gaat 
natuurlijk niet altijd om ziekenhuisop-
namen. Soms blijkt een kind overigens 
niet verzekerd te zijn of uit de verzeke-
ring te zijn gehaald. Dan komt het 
toch hard aan. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: Ik 

ontken de problematiek niet. Ik ontken 
ook niet de zorg die de ouders kunnen 

Bijzondere commissie 15317 

Raad voor de Kinderbescherming 

UCV98 

28 mei 1984 98-36 
Korte-van Hemel 

hebben. Een gezin kan in zo'n geval 
gebroken zijn. De situatie zou zo 
moeten zijn dat, wellicht na verloop 
van jaren, de gezinssituatie kan 
worden hersteld. Dat is voor volwassen 
wordende mensen toch ook de meest 
gewenste situatie. 

De heer Leerling (RPF): Mevrouw de 
Voorzitter! Ik ben erg blij dat de 
staatssecretaris nu eindelijk onder-
schrijft, dat er zorg en verdriet kunnen 
zijn bij ouders. Ik heb dat echt gemist 
in het debat. Er zijn vele ouders echt 
in de problemen. Ik ga er nu niet meer 
over discussiëren, maar ik ben ervan 
overtuigd dat het recht van de ouders 
die zij als bevoegd gezag hebben 
onvoldoende wordt onderkend bij de 
hulpverlening. Ik hoop dat in het 
beleid van de staatssecretaris, die ik 
daarop toch mag aanspreken, iets zal 
zijn terug te vinden, ook bij de 
evaluatie die er binnenkort komt. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Ouders hebben geen absoluut recht 
op kinderen. 

De heer Leerling (RPF): Dat heb ik ook 
niet gezegd! 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: Het 

recht van het kind, een ander individu 
dan de ouders, wordt steedsa afgewo-
gen. Er is een spanningsveld. Ik heb 
er echter begrip voor dat het ouders, 
maar ook kinderen, verdriet kan doen 
dat het op een bepaalde manier 
moest gaan. 

De heer Mik heeft nog een nadere 
vraag gesteld over de mogelijkheid 
van een contra-expertise. Ik meen dat 
ik al gezegd heb dat de rechter niet in 
de onmogelijkheid verkeert om, 
wanneer hij van mening is dat er 
behalve het rapport van de raad nog 
nader informatie moet komen, die ook 
te vragen. In het algemeen schept de 
wet echter op dit moment niet de 
mogelijkheid om een 'contra-expertise' 
aan te vragen. 

Dan heeft de heer Mik mij gevraagd 
nog eens in te gaan op de rapportage 
inzake de adoptie. Mevrouw Haas 
heeft in eerste termijn mijn beleid ten 
deze ondersteund, waarbij zij er 
begrip voor opbracht dat de gezinson-
derzoeken in dit kader door de raad 
moeten worden uitgevoerd. Hierover 
is al vaak gesproken; ik denk onder 
andere aan de uitgebreide commissie-
vergadering van 12 november 1979 
over de Adoptienota. 

Steeds is inderdaad het standpunt 
ingenomen dat het, mede in verband 
met de bijzondere verantwoordelijk-
heid tegenover het land waar de 

kinderen vandaan komen, gewenst is 
dat een overheidslichaam voor die 
onderzoeken verantwoordelijk is en 
deze onderzoeken ook doet. Het zal de 
leden van de commissie ook niet 
onbekend zijn dat landen die nog 
steeds bereid zijn hun kinderen te 
laten gaan, in toenemende mate 
strengere eisen stellen aan het 
ontvangende land en daarom ook aan 
de rapportage die uit het ontvangende 
land verschijnt. Daarom vind ik ook 
dat de raad met deze onderzoeken 
belast moet blijven. 

Daarnaast denk ik aan het aspect 
van het vreemdelingenrecht. De 
verantwoordelijkheid van de minister 
van Justitie voor het vreemdelingen-
beleid speelt hier een belangrijke rol. 
Ik meen dat de vraag of door de 
minister van Justitie een beginseltoe-
stemming kan worden afgegeven, die 
de toelating van de jeugdige vreem-
deling waarborgt, wordt beantwoord 
aan de hand van dat gezinsrapport 
van de raad. Daarbij speelt tevens een 
rol dat de raden ter zake van de 
voorziening in de voogdij (dit is nog 
altijd een voorwaarde voor adoptie) 
en als adviesorgaan van de rechter bij 
adoptie een wettelijke taak hebben. 
De naar mijn gevoel blijvende keuze 
voor de raden in de vóórfase die leidt 
tot de opneming van een buitenlands 
adoptief pleegkind in het gezin, ligt 
dan ook het meest voor de hand. 

De heer Mik (D'66): Ik mis nog een 
reactie van de staatssecretaris op mijn 
suggesties rond de verplichtstelling 
van opname in het jaarverslag van de 
raden van een antwoord op de vraag, 
of er maatschappelijke oorzaken zijn 
geconstateerd voor de problemen 
waarmee de raden te maken hebben 
gehad. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: Ik 

zou moeite hebben met het opleggen 
van een verplichting ter zake aan de 
raden. Aan de verslagen van de 
onderscheiden raden gaat altijd een 
inleiding vooraf, waarin ik niets 
anders lees dan over zorg van de 
betrokkenen in hun arrondissement. 
Die zorg wordt vaak nader uitgewerkt 
naar aanleiding van de knelpunten die 
de raad is tegengekomen bij zijn 
functioneren. 

De heer Mik (D'66): En dat betreft dan 
ook maatschappelijke oorzaken? 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Jazeker. 

De heer Mik (D'66): U behoeft ook 
niet direct een verplichting op te 
leggen, hoewel ik dit wel prettig zou 
vinden. U zoudt het ook kunnen 
suggereren. 

Staatssecretaris Korte-van Hemel: 

Daartoe ben ik best bereid. 

De beraadslaging wordt gesloten. 

De Voorzitter: Ik zeg de staatssecreta-
ris en haar medewerkers van harte 
dank voor de gegeven antwoorden. 

Sluiting 17.55 uur. 
