Maandag 16 december 1991 

19de vergadering: Bijzondere 

Commissie voor het Aanvang 16.45 uur 

jeugdwelzijnsbeleid* 

Voorzitter: Esselink 

Aanwezig zijn 10 leden der Kamer, te 
weten: 

Leerling, De Pree, Laning-Boersema, 
Dijkstal, Soutendijk-van Appeldoorn, 
Vliegenthart, Versnel-Schmitz, E. van 
Middelkoop, Van der Vlies en 
Esselink, 

en mevrouw d'Ancona, minister van 
Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, 
en de heer Kosto, staatssecretaris 
van Justitie, die vergezeld zijn van 
enige ambtenaren. 

Aan de orde is de behandeling van: 

- het Rijksplan jeugdhulpver– 
lening 1992-1995 (22343); 
- de onderdelen jeugdwelzijns– 
beleid van de hoofdstukken VI 
en XVI van de rijksbegroting 
voor 1992 (22300-VI en –XVI) 
De beraadslaging wordt geopend. 

D 

De heer Dijkstal (VVD): Voorzitter! 
Toen ik de afgelopen weken over de 
jeugdhulpverlening nadacht, kwam 
elke keer het beeld van een "cracker" 
in mij op. Een "cracker" is een feest– 
artikel dat tegen oudjaar wordt 
gebruikt. Daar kun je aan twee 
kanten aan trekken en dan volgt er 
een knal en een verrassing. Zo is het 
ook in de jeugdhulpverlening. Op 1 
januari wordt de zaak gedecentrali– 
seerd. En aan de ene kant wordt er 
aan de jeugdhulpverlening 
getrokken, doordat er almaar meer 
kinderen zijn met problemen en de 
problemen almaar zwaarder worden, 
terwijl aan de andere kant de 

overheid maar blijft bezuinigen, 
herstructureren, herspreiden en 
reorganiseren. Daartussen zit dan de 
jeugdhulpverlening en ik vrees dat de 
knal wel eens hard kan zijn en dat 
het een vrij chaotische toestand zal 
zijn op 1 januari, tenzij... En deze 
UCV gaat over dat "tenzij". 

Eerst wil ik ingaan op de bezuini– 
gingen. Ik heb natuurlijk nog eens 
nagelezen wat ik in de UCV van 4 
februari van dit jaar over bezuini– 
gingen heb gezegd en dat zal ik kort 
herhalen. Natuurlijk zijn verdere 
bezuinigingen voor de VVD 
bespreekbaar, als aangetoond kan 
worden dat bepaalde zaken doelma– 
tiger aangepakt kunnen worden. 
Maar bezuinigingen zijn niet 
bespreekbaar voor de VVD als zij ten 
koste gaan van de capaciteit. Ik heb 
zelfs - in een heel onbewaakt 
ogenblik - toen een motie ingediend, 
waarin ik vroeg om een financieel 
kader waardoor de mensen die 
werkzaam zijn in de jeugdhulpver– 
lening weten waar zij aan toe zijn. 
Die motie is verworpen. Ik begrijp 
dat wel. Het is overigens wel heel 
vervelend dat zij verworpen is, want 
nu zitten wij een paar weken voor 1 
januari toch met de gebakken peren. 

Ik vind het ook vervelend dat het 
zo moeilijk is om inzicht te krijgen in 
de bezuinigingen in de afgelopen 
jaren. Welke toevoegingen zijn er 
geweest? Wat is meegerekend en 
wat is niet meegerekend? Het blijkt 
zeer moeilijk te zijn om die gegevens 
boven water te krijgen. Dat wordt 
ook voluit erkend in een aantal 
antwoorden. Hetzelfde geldt voor de 
wachtlijsten. Keer op keer wordt 
gevraagd naar het aantal kinderen 
dat hulp nodig heeft en het op dit 
moment niet krijgt. En ook op dat 
punt houdt men in de beantwoording 

vele slagen om de arm. Zo langza– 
merhand is mij trouwens gebleken 
dat er minstens 2.000 kinderen op 
de wachtlijsten staan. 

Desondanks stelt het kabinet voor 
om in 1992 41 mln. te bezuinigen. Ik 
zeg "desondanks", omdat er aan de 
ene kant sprake is van die wacht– 
lijsten en omdat aan de andere kant 
de minister niet weet hoe het precies 
gelopen is met voorgaande bezumi 
gingen in de jeugdhulpverlening. Van 
de zomer heeft het IPO ons daarover 
een brief geschreven, waarin stond 
dat er in het verleden al 173 mln. op 
de jeughulpverlenmg bezumigd is. In 
antwoord op vraag 22, een vraag in 
het kader van het begrotingson– 
derzoek, zegt de minlster dat dat 
bedrag van 56 mln. in 1984 naar 
205 mln. in 1991 gegaan is. De 
vraag is dus: kan dat daar nu 
allemaal bovenop? 

De reacties die wij gekregen 
hebben zijn daar natuurlijk zeer 
sceptisch over. De inspectie heeft 
ons in een gesprek laten weten dat 
lopende processen door deze bezui– 
nigingen worden gefrustreerd, 
worden geblokkeerd. Men vreest dat 
de instellingen geen kinderen meer 
zullen opnemen. Met andere 
woorden: de capaciteit zal inkrimpen. 
Het SOJN wijst erop dat behalve die 
41 mln., die dan oploopt tot 55 mln., 
er nog een paar andere kleine 
problemen zijn. Ik wijs op de maatre– 
gelen in het kader van de Ziektewet 
en de taakstelling van de regering in 
het kader van het ziekteverzuim. Ook 
wijs ik op de WAO-maatregel, op de 
WAGGS. Alles bij elkaar opgeteld, zo 
begrijp ik uit de cijfers van het SOJN, 
komen wij uit op een bezuiniging van 
12% op de jeugdhulpverlening. De 
minister zegt: ik wil dat doen via 
schaalvergroting. Daarbij calculeert 

Bijzondere Commissie voor het 16 december 1991 
jeugdwelzijnsbeleid Leden UCV 19 19-1 


Dijkstal 

zij een opbrengst van 6% a 7%. Het 
SOJN laat ons weten dat dit een 
absolute illusie is. Misschien kun je 
1% a 2% verdienen als je het traject 
van de schaalvergroting ingaat, en 
dan zul je van tevoren waarschijnlijk 
eerst nog moeten investeren voordat 
het iets oplevert. Samenvattend: de 
maatregelen die de regering 
voorstelt, zijn inhoudelijk gesproken 
onverantwoordelijk en zij zijn 
bestuurlijk gesproken waarschijnlijk 
onuitvoerbaar. 

Natuurlijk heb ik met grote belang– 
stelling en rode oortjes in het 
convenant zitten lezen. Daar staat 
natuurlijk helemaal niets in. Ik heb 
daaruit begrepen dat er over alle 
bekende onderwerpen nog een keer 
gesproken is en die zullen in de 
komende jaren weer alle aandacht 
krijgen. Dat heeft mij zeer gerustge– 
steld, dat zal de minister begrijpen. 

Voorzitter! De bezuiniging van 41 
mln. moet gewoon niet doorgaan, zo 
simpel is het. Eigenlijk ben ik 
geneigd om tegen de minister te 
zeggen dat de bewijslast aan haar 
kant ligt. Als zij wil bezuinigen - ik 
begrijp dat zij dat moet vanwege de 
financiële problemen - dan moet zij 
eerst garanderen dat het niet ten 
koste van kinderen gaat die hulp 
nodig hebben. Als zij dat niet kan, 
dan mag zij niet bezuinigen. 

Inmiddels is er misschien een 
andere weg waarlangs wij iets 
zouden kunnen doen, namelijk via de 
motie-Brinkman/Wöltgens die tijdens 
de algemene beschouwingen is 
ingediend. Ik heb geprobeerd 
erachter te komen hoe de regering 
met die motie omgaat. Ik heb dat 
ook gevraagd, maar ik heb geen 
antwoord gekregen. Waarom 
eigenlijk niet? Ik heb expliciet 
gevraagd: hoe wordt die motie uitge– 
voerd? Daarop is geantwoord: 
daarover kunnen wij geen medede– 
lingen doen. Wat is dat voor onzin? 
Ik hoop nu echt van harte dat de 
minister mij vertelt hoe die wordt 
uitgevoerd. Ik heb overigens ook een 
vraag aan het CDA, de eerste onder– 
tekenaar van de motie: wat was nu 
eigenlijk precies de bedoeling van 
die motie? Kan dat ook uitgelegd 
worden? Ik zie natuurlijk ook een 
perspectief om van die bezuiniging 
van 41 mln. af te komen, maar dan 
wil ik weten wat het allemaal precies 
betekent. Die beide vragen leg ik dus 
met grote nadruk op tafel. 

Voorzitter! Met betrekking tot de 
decentralisatie is er van alle kanten 
voor gewaarschuwd dat het veel 

moeite zal kosten om dat per 1 
januari allemaal goed te doen. In 
antwoord op vraag 89 schrijft de 
minister dat begin 1992 een aanvang 
met decentralisatie zal worden 
gemaakt. Dat is onwettig. In de wet 
staat immers dat het op 1 januari 
moet. Dat is een beetje tekenend 
voor het geheel. Het laat zien hoe 
moeizaam deze decentralisatie is 
voorbereid, omdat die onder druk 
staat van al die processen en 
operaties waarover wij al zo vaak 
gesproken hebben. 

Tegen deze achtergrond, zowel 
van de bezuinigingen als van de 
decentralisatie die voor de deur 
staat, zeg ik ronduit dat mijn fractie 
niets voelt voor het op dit moment 
voeren van een discussie over de 
vraag of de landelijke voorzieningen, 
de gezinsvoogdij of de pleegzorg ook 
gedecentraliseerd zouden moeten 
worden. De minister en met name de 
provincies moeten eerst maar eens 
laten zien dat het in de jeugdhulpver– 
lening in de komende jaren orden– 
telijk geregeld is. 

Voorzitter! Ik stap over op de 
kinderbescherming. Daarbij wil ik 
drie punten aan de orde stellen. Ten 
eerste, ik ben een beetje het spoor 
bijster. Bij mijn beste weten is er een 
rapport "Rechtzetten" van de Kamer 
verschenen, waarin staat wat de 
Kamer allemaal veranderd zou willen 
zien op het gebied van de kinderbe– 
scherming, de kinderrechter en 
dergelijke. Er is een UCV over 
geweest en er zijn moties over 
aangenomen. Verder hoor ik niet 
zoveel. Ik heb de indruk, maar ik 
formuleer het voorzichtig, dat de 
uitvoering van de wensen van de 
Kamer op dit terrein traag en met 
weinig enthousiasme gebeurt. Ik heb 
niet de tijd om dat vandaag allemaal 
uit te rafelen. Daarom vraag ik de 
staatssecretaris of hij bereid is, de 
Kamer een voortgangsrapportage te 
overleggen. Wil hij voor alle punten 
die in de UCV en in het rapport aan 
de orde zijn geweest, aangeven wat 
de voortgang is? Op die manier 
weten wij wanneer wij wat kunnen 
verwachten. 

Ten tweede, noem ik de 20 mln. 
die moet worden verkregen door 
samenvoeging van de gezinsvoogdij, 
de jeugdreclassering en de raden 
van de kinderbescherming. Dat is 
door de Kamer inclusief mijn fractie 
afgewezen. Ik ben eigenlijk het spoor 
bijster. Ik weet niet zeker of die 
bezuiniging voor 1992 nu wel of niet 
van de baan is. Er gebeurt dus in 

1992 niets? Ik vraag dat natuurlijk 

omdat in het antwoord op vraag 46 

staat dat er wel een beperkte bezui– 

niging plaatsvindt. Mijn vraag is dan 
ook: hoeveel en waarop? 

Ten derde, noem ik de boeiende 
discussie over de kerntaken. Ik heb 
er absoluut geen zicht op. Ik heb 
alleen onlangs een werkdocument 
van de raden gekregen. Misschien 
kan de staatssecretaris aangeven 
wat de stand van zaken is. Wanneer 
zal besluitvorming door het kabinet 
over dit onderwerp plaatsvinden? Is 
hij bereid om beslissingen over de 
alimentatie-inning door de raden op 
te schorten totdat er duidelijkheid is? 
De staatssecretaris zal net zo goed 
als de Kamer weten, hoe groot de 
bezwaren tegen het weghalen van 
die taken bij de raden zijn. Nu weet ik 
wel dat er een motie is om die kant 
op te gaan, maar voorlopig is nog 
niet duidelijk, waar wij met de 
kinderbescherming überhaupt naar 
toe gaan. Het lijkt mij ordentelijk, 
eerst die discussie goed af te ronden 
en dan eventueel beslissingen te 
nemen. 

Dan de kwestie van de MKD'S en 
MKT's. Daar kan ik zó verschrikkelijk 
kwaad over worden. Het gaat niet 
om de vraag of deze mstellmgen bij 
de jeugdhulpverlening thuis zouden 
horen en al die andere geschiede– 
nissen. Nee, het gaat erom dat het 
ronduit onbehoorlijk is, wat er 
gebeurd is. De minister behoort te 
weten hoe gevoelig de materie 
indertijd bij de MKD's en MKT's lag. 
Er is een deal gesloten over de groei– 
gelden, met een fasering van vijf 
jaar. Men heeft van alles gedaan om 
zich er uiteindelijk bij te kunnen 
neerleggen, maar de minister zet er 
gewoon een streep doorheen! Dat is 
gewoon onfatsoenlijk tegenover die 
mensen, dus ik vraag haar met grote 
klem, die groeigelden voor de MKD's 
de laten bestaan. De provincie 
Noord-Holland is zelfs bereid, de 
zaak voor te financieren, maar zij wil 
wel duidelijkheid op dit punt. 

In vogelvlucht een aantal vragen. 
Wat is de stand van zaken bij het 
opzetten van één Inspectie voor 
Justitie en WVC? 

Wat de arbeidsmarkt betreft, ik 
begrijp dat men in de instellingen 
voor jeugdhulpverlening grote 
moeite heeft met het aantrekken van 
gekwalificeerd personeel. Ik besef 
heel goed dat dit een ingewikkeld 
vraagstuk is, maar ik denk dat de 
minister er toch eens naar moet 
kijken, uiteraard voor zover zij dat 

Bijzondere Commissie voor het 16 december 1991 
jeugdwelzijnsbeleid Jeugdwelzijnsbeleid UCV 19 


Dijkstal 

nog niet gedaan mocht hebben, want 

als er straks steeds meer kinderen 

met problemen zijn terwijl er geen 

mensen meer zijn om hen op te 

vangen, dan wordt het natuurlijk 

helemaal droevig. 

Wij zijn nooit zo dol geweest op 

het NIZW, maar het is er nu 

eenmaal. Nu is het van tweeen éèn: 

öf wij halen het onderzoek op het 

gebied van het jeugdbeleid weg bij 

het NIZW en dragen het over aan de 

instellingen zelf, de VOG of welke 

instantie dan ook, öf wij zetten ook 

mensen uit het particuher initiatief in 

het bestuur, opdat men greep heeft 

op het onderzoek op het gebied van 

het jeugdbeleid. 

Tot slot twee kleine puntjes. Wat 
de Tukker betreft - het is een detail, 
maar het zijn allemaal van die 
enthousiaste mensen in dit veld, 
daarom begin ik er toch maar over vraag 
ik de minister of zij er kans toe 
ziet, met een jaar overbrugging in 
overleg met de provincie en met de 
gemeente Enschede te bekijken, of 
deze kwestie niet op een bepaalde 
manier opgelost zou kunnen worden. 

Mij is gebleken dat de JHAT's niet 
functioneren, dus ik stel de minister 
voor om deze af te schaffen. 

D 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): Voorzitter. Dit is een 
bijzondere begrotingsbehandeling, 
omdat ze in zekere zin voor ons een 
sluitstuk vormt, maar voor de jeugd– 
hulpverlening een nieuw begin. 
Collega Dijkstal sprak al van "een 
knal". Het gaat om een sluitstuk voor 
een groot deel van 's rijks 
bemoeienis en om een nieuw begin 
van beleidsverantwoordelijkheid voor 
provincies en grote steden. Wij 
zouden nu dus moeten praten over 
de ontwikkeling van de aard van de 
hulpverlening, de afstemming en de 
kwaliteit van de hulpverlening, het 
verloop en de voltooiing van het 
decentralisatieproces en de wijze 
waarop dit de kwaliteit en de conti– 
nuering van de hulpverlening 
beïnvloedt. Ook zouden wij moeten 
kunnen praten over de implementatie 
van grote operaties als herspreiding 
en normharmonisatie, die al 
jarenlang worden voorbereid, maar 
die steeds weer worden uitgesteld, 
terwijl ze toch wezenlijk zijn voor 
datgene waarmee wij jaren geleden 
zijn begonnen, nameiijk een betere 
afstemming van de hulp op de vraag 
en het leveren van hulp zo dicht 

mogelijk bij de jongeren. Helaas kan 
hiervan geen sprake zijn, omdat alles 
overschaduwd wordt door de 
discussie over de centen. Er zal 
helderheid moeten ontstaan voordat 
wij verder kunnen gaan. 

In de operatie om de tekorten van 
het Rijk te dekken, de welbekende 
Tussenbalans, heeft de minister van 
WVC een zware taak voor haar 
verantwoording genomen, of moet ik 
zeggen dat die haar opgelegd is? Zij 
heeft het in ieder geval verantwoord 
geacht, 55 mln. te bezuinigen op de 
jeugdhulpverlening. Dat heeft bij ons 
wel enige verwonderïng gewekt, 
omdat er in deze sector al een aantal 
grote operaties op stapel waren 
gezet, zoals de decentralisatie, de 
herspreiding en de normharmoni– 
satie, en ook omdat er in deze sector 
al jarenlang aan bezumigmg, schaal– 
vergroting en ombouw wordt 
gedaan. Kan daar nog wel meer bij? 

De CDA-fractie is ervan uitgegaan 
dat de minister het best zicht heeft 
op de ruimte die een begrotingspost, 
een beleidsterrein nog biedt. Wij 
meenden ook dat deze minister, die 
bij herhaling het belang onder– 
streepte van een goed en toereikend 
jeugdhulpverlenmgsbeleid en die 
met bezieling sprak van de bouw van 
een klantvriendelijk en overzichtelijk 
jeugdgebouw, geen plannen zou 
presenteren die de kwaliteit en de 
capaciteit van de jeugdhulpverlening 
in gevaar zouden kunnen brengen. 

Wij baseren die verwachtingen 
onder andere op uitspraken van de 
minister, verleden jaar gedaan, 
waarbij zij onomwonden te kennen 
heeft gegeven dat de ernst van de 
problematiek en de wachtlijsten 
ertoe dwingen, zo te plannen dat bij 
ombuiging in ieder geval geen 
reducties ontstaan in de huidige 
capaciteit van de semi– en residen– 
tiële hulpverlening. Wij mogen toch 
aannemen dat de minister nog altijd 
achter deze woorden staat. 

Voor alle duidelijkheid: bezuini– 
gingen door efficiëntere organisatie 
en werkwijze zijn voor de CDA-fractie 
geen taboe. In deze sector moet er 
echter, gelet op de onderhavige 
problematiek en na alles wat er al is 
gebeurd, wel voor gewaakt worden 
dat verdere bezuinigingen leiden tot 

capaciteitsverlies of aantasting van 
de kwaliteit. 

Volgens de voorstellen van de 
minister kan er in deze sector nog 
fors bezuinigd worden door een fikse 
schaalvergroting. Gelet op de 
versnipperdheid van het veld, nemen 

wij dat graag van haar aan. Het reali– 
teitsgehalte van de thans ter tafel 
liggende plannen hangt onzes inziens 
mede af van de wijze waarop, de 
omvang waarin en het tempo 
waarmee de schaalvergroting wordt 
doorgevoerd. Op deze punten 
hebben wij diverse vragen en willen 
wij een aantal kanttekeningen 
plaatsen bij de voornemens van de 
minister. 

Eerst iets over de wijze waarop. 
Onze voorkeur gaat uit naar 
vrijwillige samenwerking en/of 
fusering in plaats van wettelijke of 
financiële afdwinging. Dat lijkt ook 
het uitgangspunt van de minister te 
zijn. In ieder geval wordt dat voor de 
regionale voorzieningen in het 
rijksplan en in het convenant op deze 
wijze uitgesproken. 

Voor de landelijke voorzieningen 
ligt dat kennelijk anders. Die moeten 
dit jaar wel al door schaalvergroting 
acht ton inleveren, terwijl vier instel– 
lingen, te weten Nieuw Veldzicht, 
Maria Regina of De Brink, 't 
Wezeveld en Beukenrode, met 
sluiting geconfronteerd worden, zo 
krijgen wij te horen, omdat zij te klein 
zijn. Nu is dat wel wat wrang om te 
horen, juist voor instellingen die als 
gevolg van eerdere bezuinigingen al 
hebben ingekrompen en bijvoorbeeld 
van 55 plaatsen zijn teruggegaan 
naar 33 plaatsen om simpelweg te 
kunnen overleven. 

De sluiting wordt ook verdedigd 
met de stelling dat deze vier instel– 
lingen niets specifieks te bieden 
hebben. Nu is dat, mede gelet op de 
tekorten aan opvang voor meisjes en 
opvang van bijzonder moeilijke 
jongens, tamelijk bout om te 
beweren. Ook is zonder nadere 
toelichting niet in te zien dat de 
observatiefunctie van Beukenrode, 
verdeeld over zes instellingen, 
behouden kan worden. Wij vragen 
ons af waarom voor deze instellingen 
vrijwillige samenwerking of fusering 
niet tot de opties in de plannen van 
de minister horen. Ook vragen wij 
ons af waarom wij niets over deze 
plannen mochten vernemen in het 
rijksplan. Ook voor deze voorzie– 
ningen moet het uitgangspunt van 
vrijwilligheid gehanteerd worden. 
Bovendien moet gelden dat voor 
sluitingsplannen eerst wordt gekeken 
naar mogelijkheden om via samen– 
werking of fusering tot grotere, 
efficiëntere werkeenheden te komen. 

Heeft dit alles consequenties voor 
de capaciteit, zo vragen wij ons af. 
Aan de hand van dit ene voornemen 

Bijzondere Commissie voor het 16 december 1991 
jeugdwelzijnsbeleid Jeugdwelzijnsbeleid UCV 19 19-3 


Soutendijk-van Appeldoorn 

tot sluiting van vier landelijke 
voorzieningen, verdwijnen er sowieso 
80 plaatsen. De uitspraak van de 
minister dat met het toevoegen van 
het restgeld aan andere landelijke 
voorzieningen de capaciteit 
behouden wordt, is niet onderbouwd 
en dus niet erg vertrouwenwekkend. 
Alleen al met het oog op de gebou– 
welijke voorzieningen in de zes 
andere instellingen is het niet 
mogelijk, dat de andere Instellingen 
die capaciteit er simpelweg bij zullen 
creëren. Dan laat ik nog maar even 
het gevaar daar van het verlies van 
het specifieke karakter van de 
hulpverlening. 

Ook de inspectie heeft te kennen 
gegeven dat zij ten gevolge van dit 
voornemen capaciteitsverlies onver– 
mijdelijk acht. De inspectie acht dit 
onverantwoord. Ik hoor graag van de 
minister of en zo ja, waarom zij dit 
anders ziet. 

Hiermee kom ik te spreken over de 
omvang van de voorgenomen 
schaalvergroting. Verleden jaar 
kwam de minister in de nota 
Vernieuwing in het jeugdbeleid op 
basis van de analyse van de 
commissie Normharmonisatie tot de 
stelling dat de minimale ideale 
schaalgrootte bij 60 plaatsen en een 
budget van 3,5 mln. lag. Bespa– 
ringen werden toen geraamd op 25 
mln. na vier jaar. Bij dit 
uitgangspunt, zo werd toen vermeld, 
kon de minister nog garanderen dat 
een en ander niet zou leiden tot 
vermindering van capaciteit. Nog 
geen jaar later is de ideale schaal– 
grootte eenvoudigweg op te rekken 
naar 8,5 mln. en wordt de opbrengst 
maar liefst 53 mln., zonder dat dit 
nader wordt onderbouwd en zonder 
dat de nieuwe capaciteitsgarantie 
nader wordt uitgewerkt. 

Ook gaat de minister voorbij aan 
het feit dat er in sommige delen van 
het land tijdens eerdere exercities al 
schaalvergrotingsoperaties zijn 
gerealiseerd. Daarbij zijn organisaties 
ontstaan die bijvoorbeeld reeds een 
budget van ongeveer 10 mln. 
hebben. Hier valt door schaalver– 
groting onzes inziens niet meer te 
halen. Het integrale karakter van de 
plannen gaat hieraan voorbij en het 
iijkt erop dat deze organisaties 
simpelweg zullen worden aange– 
slagen voor een korting van 6,5%. 
Duidelijk is dat daar dan in leder 
geval niets meer uit de efficiency valt 
te halen. Dan moet het toch onver– 
mijdelijk, zo vrezen wij, uit de 
capaciteit komen. 

Ten aanzien van de capaciteits– 
kwestie wordt de onderbouwing door 
de minister eigenlijk na iedere 
vragenronde zwakker. In antwoord 
13 op de vragen schuift de minister 
de verantwoordelijkheid naar de 
decentrale uitvoerders. Zij kan, zo 
wordt gesteld, gelet op het decen– 
trale karakter van de uitvoering, 
aantasting van de capaciteit niet 
uitsluiten. In antwoord op vraag 41 
zegt zij dat capaciteitsverlies eerst 
moet worden voorkomen door de 
omloopsnelheid te verhogen en door 
ombouw naar lichtere hulpvarianten. 
leder die de aard van de proble– 
matiek kent, beseft dat de realiteits– 
waarde van deze redenering zeer 
beperkt is. Tot nu toe komt ons de 
onderbouwing wat de besparings– 
winst noch de capaciteitsgarantie 
betreft geloofwaardig over. 

Een laatste punt betreft het tempo 
van de schaalvergrotingsoperatie. 
Daarvan merkt de minister terecht 
op dat er tijd voor nodig is. Zij houdt 
daarom voor de regionale voorzie– 
ningen voor 1992 geen rekening met 
enige efficiencybesparing in 1992. 
Waarom dit verhaal niet opgaat voor 
de landelijke voorzieningen - zij 
moeten immers al wèl acht ton 
bezuinigen door vergroting van de 
efficiency - is een zaak die ons niet 
duidelijk wordt. Wij horen daarover 
graag de uitleg van de minister. 

Nog meer moeite hebben wij met 
het feit dat ondanks de redenering 
van de minister dat voor 1992 niet 
met besparingsbezuinigingen kan 
worden gerekend, toch ruim 39 mln. 
wordt bezuinigd door de 
zogenoemde aanvullende maatre– 
gelen die uit het rijksplan blijken. 
Duidelijk is hierbij voor ons in ieder 
geval dat er een korting van 1,5% op 
de doeluitkering zit. Er schijnt echter 
veel meer in het vat te zitten, als wij 
de geluiden uit het veld horen. Kan 
de minister voor ons nog eens preci– 
seren wat er bijvoorbeeld onder de 
27,7 mln. uit het rijksplan valt? 
Begrijp ik het goed, dan zit daarin 
ook het geld voor het opvangen van 
de kosten voor de herspreiding. Wij 
vragen de minister of hierdoor de 
herspreidingsoperatie niet het gevaar 
loopt, wederom met een jaar te 
worden vertraagd. De afspraak in het 
convenant, namelijk dat over de 
fasering later nog zal worden 
besloten, doet zoiets vermoeden. Ik 
zeg wel dat voor de CDA-fractie de 
herspreiding een must is. Zij moet dit 
jaar nu toch eens van stapei lopen. 
Kan de minister dat toezeggen? 

Hetzelfde geldt voor de normharmo– 
nisatie. Jaar na jaar gaat verloren. 
Hierdoor blijven de historisch 
bepaalde rijken rijk en worden de 
armen steeds armer. De financiële 
ruimte wordt oneigenlijk gebruikt om 
de gaten te stoppen. Kunnen wij nu 
met invoering per 1 januari 1993 
rekenen? 

Het verhaal van de MKD-groei– 
gelden wordt geleidelijk aan moeilijk 
te volgen. Vorig jaar had de minister 
dit geld nodig ter financiering van 
haar vernieuwingsbeleid en dit jaar 
heeft de minister het nodig voor het 
dekken van de onvermijdbare kosten 
van de schaalvergrotingsoperatie. Uit 
de antwoorden blijkt dat de onver– 
mijdbare kosten ten opzichte van 
eerdere mededelingen zullen 
meevallen, omdat het kabinet 
inmiddels besloten heeft tot 
compensatie van de wachtgeldsup– 
pletiekosten. Nu zou men 
verwachten dat daardoor wellicht 
enkele van de uitgestelde 
MKD-projecten alsnog zouden 
kunnen doorgaan. De minister zou 
bijvoorbeeld het groene licht kunnen 
geven aan het MKD voor de Zuidhol– 
landse Eilanden, Klavertje 4 en MKD 
Oostvoorne, of aan de plannen die in 
Noord-Holland leven. 
Protocollaire afspraken en eerdere 
bestemmingen rechtvaardigen onzes 
inziens besteding van eventuele 
meevallers aan MKD-wachtkamer– 
projecten, als ik ze zo mag noemen. 
De minister heeft echter andere 
plannen met deze meevaller, 
namelijk ondersteuning van het 
schaalvergrotingsproces. Nu deze 
gelden bij de overgang van de 
MKD's naar de Wet op de jeugd– 
hulpverlening op basis van de daar 
geconstateerde tekorten voor dit 
doel zijn gereserveerd, lijkt het ons 
redelijk dat dit geld daarvoor dan ook 
wordt gebruikt, als het op een 
gegeven moment vrijvalt. Ook vinden 
wij het niet acceptabel dat de 
minister suggereert dat het geld dat 
na verloop van tijd vrijkomt door een 
afname van de onvermijdbare kosten 
en andere kosten, kan worden 
gebruikt voor de MKD-groei of ander 
noodzakelijk nieuw beleid. In principe 
vinden wij dat dit geld weer dient te 
worden besteed aan de projecten 
waar het destijds op goede gronden 
voor was gereserveerd. 

Waar leiden deze opmerkingen nu 
toe? Wijst de CDA-fractie de bezuini– 
gingen van de minister integraal af? 
Nee, dat niet. Een functionele 
schaalvergroting, met een zekere 

Bijzondere Commissie voor het 16 december 1991 
jeugdwelzijnsbeleid Jeugdwelzijnsbeleid UCV 19 


Soutendijk-van Appeldoorn 

efficiencywinst in 1994, lijkt ons in 
ieder geval haalbaar en verantwoord. 
Maar de genoemde randvoor– 
waarden, zoals tempo en capaciteit, 
kunnen er eventueel wel toe leiden 
dat de taakstelling nog nlet dan wel 
voor een deel niet in 1994 wordt 
gehaald Dan ontstaat er dus wellicht 
een beperkt gat en verbreding van 
de decentralisatie, verbreding op 
basis van de motie-Brinkman/ 
Wöltgens, zou dat kunnen dekken. Ik 
waarschuw echter voor al te optimis– 
tische verwachtingen over de 
meeropbrengst van die operatie. 
Bovendien rest dan nog het bedrag 
van 41 mln. voor 1992 en derhalve 
heb ik daar indringende vragen over 
gesteld, om na te kunnen gaan of dit 
zwaar gaat drukken op de capaciteit. 
Voor de 55 mln. van 1993 zie ik op 
dit moment nog geen enkele aanzet 
voor een begin van een alternatieve 
dekking. 

Ik kom vervolgens op de 
pleegzorg. De werkgroep pleegzorg 
heeft haar eindadvies gepresenteerd 
en dat eindadvies gaat gepaard met 
een forse rekening. Voordat er 
daarover een regeringsstandpunt is, 
vind ik dat wij daar niet over kunnen 
spreken. Wij dringen wel aan op een 
snelle standpuntbepaling van de 
regering. Enige zorg willen wij hier 
en nu al bij de regering neerleggen 
over de toekomstige plaats en 
positie van de landelijke voorzie– 
ningen voor pleegzorg. Het schijnt zo 
te zijn dat er in de grootschalige 
toekomstige opzet slechts voor 
enkele uitzonderingen ruimte blijft, 
zoals voor de gehandicapten en de 
asielzoekers. Wij vragen de bewinds– 
personen ook aandacht te willen 
reserveren voor de pleegzorg met 
een levensbeschouwelijke identiteit 
en er zorg voor te dragen dat deze 
bij schaalvergroting niet verloren 
gaat. 

In het convenant is ook een 
bepaling opgenomen voor de 
regionale voorzieningen met een 
bovenprovinciale functie. Dat doet 
ons deugd. De inhoud komt overeen 
met de toezegging van de minister 
van vorig jaar, toen wij de vrees 
uitspraken dat zo'n bovenprovinciale 
status wel eens moeilijkheden zou 
kunnen gaan opleveren. De afspraak 
dat de provincie van vestiging het 
initiatief neemt om afspraken te 
maken met de aangrenzende 
provincies, is in beginsel correct. De 
vraag rest alleen hoe een en ander 
gaat lopen. De minister zal terecht 
opmerken dat wij dit volgend jaar 

wel zien, maar enige indicatie 
kunnen wij krijgen uit de ervaringen 
die het Paedologisch instituut Berk 
en Beuk uit Nijmegen en de stichting 
Jeugdzorg St. Jozef uit Margraten 
de afgelopen maanden hebben 
opgedaan. Deze ervaring leert dat de 
provincies op dit moment 
voornemens zijn die instituten te 
gaan toetsen als regionaal instituut 
en dat de provincies niet rekenen op 
overeenkomsten met andere 
provincies met betrekking tot het 
werken van die instituten voor 
andere provincies. De conclusie 
onzerzijds is dat die provinciale 
afspraken nog enige aandacht 
behoeven; zij lopen nog niet goed. 
Wij vragen de minister daar de 
nodige aandacht aan te besteden. 

Ten aanzien van het bureau 
vertrouwensartsen heeft de minister 
afspraken gemaakt tot decentrali– 
satie. Nu hebben wij daar steeds 
terughoudend tegenover gestaan, 
niet zozeer omdat wij tegen deze 
decentralisatie zouden zijn integendeel, 
zou ik haast willen 
zeggen - maar wel omdat er een 
aantal knelpunten en wensen waren 
met betrekking tot het functioneren, 
die wij liever geregeld hadden gezien 
voor de decentralisatie. 

Voor wat betreft die knelpunten en 
wensen wijs ik op de motie van 
mevrouw Laning-Boersema (stuk nr. 
6, 21980), ingediend bij de UCV van 
17 juni 1991, over het rapport 
Rechtzetten. Later is deze motie 
kamerbreed aangenomen. Wij 
hebben daarin aangegeven dat het 
feit, dat thans bij meerdere instanties 

- denk aan politie, bureaus vertrou– 
wensartsen, raden en dergelijke situaties 
worden gemeld, waarbij 
vrees bestaat dat kinderen worden 
bedreigd met de zedelijke of licha– 
melijk ondergang, dringend vraagt 
om een uniformering van de 
handelwijze van deze instellingen. 
Wij hebben gevraagd om voorstellen 
die leiden tot één herkenbaar 
meldpunt en tevens om voorstellen 
die ertoe leiden dat deze meldingen 
volgens een geprotocolleerde 
methode, met de noodzakelijke 
waarborgen omringd, worden 
behandeld. Wij wachten nog steeds 
op deze voorstellen en houden het 
voor wenselijk deze uitgangspunten 
te regelen voor de decentralisatie. 
De minister heeft er sedert juni toch 
redelijk de tijd voor gehad om 
voorstellen daarover te formuleren, 
zodat wij thans zicht hadden moeten 
kunnen hebben op de uitvoering van 
die motie. Graag verkrijg ik ook infor– 
matie over de inpassing en de 
uitvoering van deze kamerbreed 
gesteunde motie in de decentralisa– 
tieplannen. 

Innovatie wordt door een ieder 
noodzakehjk geacht. De minister laat 
duidelijk merken dat ook zij daarvan 
is doordrongen. Dat is goed, want 
stilstand is achteruitgang. In de 
voornemens kwam dit beleidson– 
derdeel op ons over als een zeer 
sterk van boven naar beneden 
gerichte beleidslijn. Nu heeft de 
minister wel gelijk, als zij de coördi– 
natie in handen wil houden, maar er 
moet voldoende ruimte zijn om van 
onderop met voorstellen en ideeën 
te komen. In het convenant komt dit 
beter tot uitdrukking nu daarin staat 
dat innovatie primair wordt gedragen 
door het particulier initiatief. Het is 
echter de vraag, of dat dragen 
mogelijk is zonder een eigen budget. 
Dat is onzes inziens niet het geval 
indien de rijksoverheid het geld 
heeft. Kan de minister uitleggen hoe 
zij dit ziet? Wordt de rol van het 
NIZW dat de 9 mln. van de Stichting 
spel– en opvoedingsvoorlichting vrij 
van kortingen overgeheveld krijgt, 
niet te overheersend? Ik stel deze 
vraag omdat het voor de Landelijke 
organisaties van de jongerenadvies– 
centra (LOAH) en de projecten voor 
Begeleid wonen voor jongeren 
(LOBW) moeilijk zo niet onmogelijk 
blijkt, werkontwikkeling ten behoeve 
van het JAC en Begeleid wonen als 
projecten door het NIZW geaccep– 
teerd te krijgen. Wie bepaalt en wie 
houdt toezicht op het toewijzings– 
beleid? Kan de minister aangeven 
hoeveel ambtenaren ten behoeve 
van het gedeelte innovatie en experi– 
menten op het departement achter– 
blijven? 

Namens de fractie van het CDA 
heeft collega Esselink indertijd over 
de schoolinternaten gezegd, dat 
decentralisatie naar de provincie de 
fractie een acceptabele oplossing 
leek Daarbij is echter duidelijk 
gesteld dat in principe dan ook de 
financiële middelen gedecentrali– 
seerd moeten worden. Uitgesproken 
is dat daarbij een afkoopsom het 
meest praktisch voor alle partijen 
overkomt. Opgemerkt is daarbij ook 
dat de vraag, of de financiële 
middelen in volle omvang over 
moeten gaan, een kwestie van 
onderhandelen met de betrokken 
provincies werd geacht. De minister 
heeft daarop geantwoord dat zij het 
voortbestaan van de internaten en 

Bijzondere Commissie voor het 16 december 1991 
jeugdwelzijnsbeleid Jeugdwelzijnsbeleid UCV 19 


Soutendijk-van Appeldoorn 

decentralisatie naar de provincie 

graag mogelijk wilde maken. 

Inmiddels blijken de onderhande– 

lingen gestrand te zijn. Eigenlijk zijn 

deze nooit goed van de grond 

gekomen, mede omdat Brabant 

alleen tot onderhandelen bereid was 

bij 100% structureel geld. Dat de 

minister daarop niet is ingegaan, is 

terecht. Dat heeft de Kamer 

inderdaad niet gewild. Wel had zij 

overeenkomstig de wens van de 

Kamer de provincie een bod tot 

afkoop moeten doen. Nu zij dat niet 

heeft gedaan, vragen wij haar dat 

alsnog te doen. Het bod aan de 

schoolinternaten voor een 

70%-financiering nu en daarna nog 

een jaar een financiering tot 50% is 

in ieder geval niet conform de wens 

van de Kamer. Hierbij is geen sprake 

van enige kans op voortbestaan, 

noch van een overdracht aan de 

provincie. Graag de toezegging dat 

de minister nogmaals met de 

provincies over deze problematiek 

gaat onderhandelen. 

Een groot deel van de onder– 
werpen die thans aan de orde 
komen, is al aan de orde geweest in 
de UCV van 17 juni. Ik spreek dan 
met name over het justitiële gedeelte 
van het rijksplan. Daarvoor zijn in 
vaak kamerbreed aanvaarde moties 
beleidsprioriteiten aangereikt, 
waardoor de staatssecretaris mede 
zijn financiële doelstellingen kan 
realiseren. Ik neem aan dat mevrouw 
Vliegenthart de bedoeling en de 
ernst van haar motie over samen– 
voeglng van raden voor kinderbe– 
scherming, gezinsvoogdijinstellingen 
en reclassering nog eens onder de 
aandacht zal brengen. Ik vind het wel 
onvoorstelbaar dat het rijksplan 
koudweg melding maakt van het feit, 
dat er onderzoek wordt verricht naar 
de mogelijkheden van bespanng op 
de overhead van de drie genoemde 
sectoren, doch spijtig genoeg geen 
woord wordt besteed aan de wijze 
waarop de motie een rol zal gaan 
spelen bij dit onderzoek en bij de 
toekomstige besluitvorming. 

Ik kom thans te spreken over de 
uitvoering van mijn eigen motie op 
stuk nr. 8. Ik heb die in diezelfde 
UCV ingediend. De staatssecretaris 
heeft vlak voor de behandeling van 
de begrotmg van Justitie laten 
weten, dat hij vasthield aan zijn 
plannen tot afstoting van de finan– 
ciële taken bij de raden en geen 
aanleiding zag voor een zelfstandig 
orgaan. Eventuele particuliere initi– 
atieven, zo sprak hij geruststellend, 

zou hij welwillend bekijken. De 
manier waarop de staatssecretaris 
de zaak door middel van een brief 
vlak voor de behandeling van de 
begroting van Justitie wilde afdoen, 
vond ik niet elegant. Het spijt mij. 
Het zal duidelijk zijn dat het in de 
brief uiteengezette, geen begin van 
uitvoering van de motie is. Wij zijn 
het met elkaar eens dat het innen 
van kinderalimentatie geen kerntaak 
van de overheid is. Dit leidt er echter 
wat ons betreft niet toe, dat de 
betrokkenen het dan allemaal maar 
zelf moeten zien te regelen. Gelet op 
de problematiek - veelal emotionele 
echtscheidingsconflicten, het belang 
van opgroeiende kinderen en grote 
financiële belangen (er gaat al gauw 
zo'n 165 mln. per jaar om) voor 
zowel ouders, kinderen en overheid is 
echter een zekere verantwoorde– 
lijkheid van de overheid in deze zaak 
wel op haar plaats. Het VN-verdrag 
inzake de rechten van het kind legt 
dat ook met zoveel woorden vast. 

Waaruit moet die "zekere verant– 
woordelijkheid" van de overheid dan 
bestaan? In de eerste plaats uit 
verantwoordelijkheid voor het 
ontstaan van een zelfstandig innings– 
orgaan, waarin de werknemers van 
de huidige financiële afdelingen hun 
ervaring kunnen inbrengen en hun 
werk grotendeels kunnen voort– 
zetten. Bovendien - misschien is dat 
belangrijker - heeft de overheid 
onzes inziens een verantwoorde– 
lijkheid voor het toedienen van 
wettelijke bevoegdheden aan dit 
nieuwe inningsorgaan: onder andere 
bevoegdheden op het gebied van 
een vereenvoudigde parate executie, 
vereenvoudigd loonbeslag en ook 
informatievergaring. In onze 
opvatting kan en moet dat orgaan 
ook worden belast met de 
vaststelling en de inning van de 
ouderbijdrage voor de justitiële èn de 
vrijwillige jeugdhulpverlening. In 
onze ogen moet er dus sprake zijn 
van een interdepartementale taak. Ik 
wil in het midden laten of dit orgaan 
ook de kinderalimentatie moet gaan 
vaststellen. Indien er een goede 
forfaitaire regeling komt, lijkt mij dit 
zelfs nog te prefereren boven de 
door de staatssecretaris voorziene 
vaststelling door de griffies van de 
rechtbanken. De financiële 
afdelingen en het toekomstig 
zelfstandige orgaan hebben, gelet op 
hun ervaring, in ieder geval gevoel 
voor dit soort zaken. Het aantal 
verzetszaken zou wel eens beperkter 
kunnen blijven indien dat 

zelfstandige orgaan hiermee werd 

belast in plaats van de griffies. 

Waar halen wij het geld voor dat 
orgaan vandaan, zult u mij vragen. 
Financiële afdelmgen kosten nu zo'n 
18 mln. Daarvan wordt 7 mln. aan 
besparingen ingeboekt. Een deel van 
het restant zou dus aan het nieuwe 
orgaan moeten worden besteed plus 
de middelen die thans worden 
gebruikt voor de inning van de 
diverse ouderbijdragen op de twee 
departementen, dus zowel bij Justitie 
als bij WVC. Daarnaast vinden wij 
het acceptabel de betalingsplichtige 
en eventueel de gerechtigde te laten 
betalen voor deze vorm van dienst– 
verlening. Bovendien moet worden 
ingecalculeerd, dat indien dit orgaan 
er niet komt, aanzienlijke kosten 
zullen ontstaan voor rechtshulp en 
gerechtelijke procedures. Bij de 
gemeenten zullen kosten ontstaan in 
verband met het bijstandsverhaal. 
Kortom, het gaat hier zeker om een 
levensvatbaar orgaan. Hiermee 
kunnen de emoties en financieel 
nadeel beperkt bhjven. Graag had ik 
gezien dat vandaag de staatssecre– 
taris de contouren van die opzet had 
kunnen aangeven. Nu dit niet het 
geval is, ben ik gedwongen geweest 
hieraan wederom mijn tijd te 
besteden. Ik hoop dat de bewinds– 
lieden vandaag mijn gedachten 
omarmen. Ik vraag namelijk ook iets 
van de minister van WVC. Ik laat 
alvast een waarschuwing horen voor 
het geval dit niet het geval zal zijn. 
Dan zullen wij bij de behandeling van 
aanhangige wetsvoorstellen, bijvoor– 
beeld bij dat voor het echtschei– 
dingsprocesrecht en dat voor de 
ouderbijdrage, de nodige wijzigingen 
aanbrengen om het zelfstandig 
orgaan alsnog in het leven te roepen 
en te voorzien van bevoegdheden. 

Mijnheer de voorzitter! Tot slot wil 
ik nog een paar korte opmerkingen 
maken. Allereerst wil ik iets zeggen 
over de rechtspositie van minderja– 
rigen. De staatssecretaris heeft in 
het mondeling overleg van 5 
december 1990 toegezegd, dat hij in 
de zomer van 1991 zou komen met 
een integrale visie op de kinder– 
rechtswinkels, de ombudsfunctio– 
naris en de kindertelefoons. Ik heb 
nog steeds niet vernomen wat zijn 
visie in dezen is. De zomer valt dit 
jaar zeker heel erg laat. 

Graag zou ik ook opheldering 
krijgen over de fusiedwang waarmee 
de staatssecretaris van Justitie de 
Utrechtse Stichting Argus confron– 
teert als voorwaarde voor het conti– 

Bijzondere Commissie voor het 16 december 1991 
jeugdwelzijnsbeleid Jeugdwelzijnsbeleid UCV 19 


Soutendijk-van Appeldoorn 

nueren van de subsidie die zij krijgt. 

Waarom vergoedt hij de vroeghulp– 

activiteiten in Utrecht niet langer 

krachtens de reguliere regeling maar 

wordt de conditie van fusering met 

een gezinsvoogdij-instellingen 

gesteld? 

Tot slot wil ik een opmerking over 
de inspectie maken. De heer Dijkstal 
sprak hier ook al over. Graag krijg ik 
te horen wat de vorderingen zijn. 
Eigenlijk verwacht ik thans een afron– 
dingsbericht over het tot stand 
komen van de interdepartementaal 
werkende inspectie. Wij zien nog 
steeds geen witte rook, maar 
misschien komt die vandaag. 

D 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Voorzitter! Op de valreep ontving ik 
Opvoedingssteun op maat. Dat is 
een praktische nota van de minister, 
waaruit blijkt dat het beleid vooral 
gericht is op ouders die even of 
langduriger praktische en gemak– 
kelijk bereikbare steun nodig hebben 
bij het opvoeden van hun kinderen, 
opdat zij dat zelf weer aankunnen. 
Dus geen problematisering van "het 
geval". Geen sprake van grote 
nieuwe projecten. Er wordt daaren– 
tegen gebruik gemaakt van 
bestaande organisaties in de buurt, 
zoals het consultatiebureau, de 
kinderopvang, opstapfaciliteiten, de 
school en de schoolarts. Bij het 
aanbieden van die mogelijkheden 
moet echter wel sprake zijn van 
samenhang en, zo mogelijk, een 
buurtnetwerk. De hoofdgedachte is: 
zoveel mogelijk preventie, opdat 
kinderen niet onnodig in hulpverle– 
ningscircuits terechtkomen. Als dat 
toch onverhoopt het geval mocht 
zijn, bijvoorbeeld wanneer het om 
kinderen gaat in meer risicovolle 
omstandigheden, kan meer speci– 
fieke hulp aan ouders en kinderen 
geboden worden. Daarbij gaat het 
om de zogenaamde secundaire en 
tertiaire preventie en de nazorg. 

Wat ons echt groot genoegen 
doet, is dat er nu een einde komt aan 
allerlei losse experimenten zonder 
garantie van overdracht. Hoe zinnig 
ook deze preventieve opzet vooral 
voor het jonge kind is, het kan onze 
ogen niet doen sluiten voor de wat 
oudere kinderen die nu in de 
problemen zitten. Dat brengt ons op 
de bezuinigingen in de jeugdhulpver– 
lenmg. 

Tijdens het mondeling overleg over 
de samenhang in het jeugdbeleid, 

heb ik de bezorgdheid van mijn 
fractie geuit over de voorgenomen 
bezumigmgen in de jeugdhulpsector. 
Tijdens de algemene beschouwingen 
heeft mijn fractievoorzitter die 
herhaald. Het valt wel uiterst 
ongelukkig samen met de decentrali– 
satie en met de uitvoering van 
andere ingrijpende beleidsvoor– 
nemens, zoals herspreiding en 
normharmonisatie. Door anderen is 
dit ook gezegd. Deze voornemens 
worden daardoor nadelig beïnvloed. 
Dat kan zelfs stagnerend werken. Je 
kunt de provincies en de grote 
steden niet de daardoor ontstane 
problemen op laten vegen. Het IPO 
berekende dat in de periode 
1984-1990 circa 20% gekort is op 
het budget van de jeugdhulpver– 
lening en het wijst erop dat de 
nieuwe bezuinigingen bepaald niet 
onderbouwd kunnen worden met een 
teruglopende vraag. Dit zal onvermij– 
delijk leiden tot een aanzienlijke 
capaciteitsreductie van internaats– 
plaatsen en tot vermindering van de 
kwaliteit. De minister is van mening 
dat de bezuiniging in principe niet 
ten koste hoeft te gaan van de 
capaciteit. Immers, door schaalver– 
groting zou meer efficiënt en meer 
effectief gewerkt kunnen worden. 
Daardoor zou de korting opgevangen 
kunnen worden. Toch heeft ook de 
minister, gezien haar antwoord op 
vraag 42 - dat is al eerder genoemd 

- haar twijfel: verhoging van de 
omloopsnelheid en ombouw naar 
lichtere hulpvarianten moeten 
voorkomen dat de capaciteit terug– 
loopt. Pas daarna, zegt de minister, 
kan bezien worden of de capaciteits– 
afname onafwendbaar is. Wat dan? 
Zeggen wij dan: jammer, het zij zo? 
Ik ben het eens met de minister 
dat door schaalvergroting en fusies 
voor grotere multifunctionele 
voorzieningen een besparing bereikt 
kan worden, maar - ik verwijs daarbij 
naar de adviezen van het Bureau 
Andersson, Elffers en Felix - dan wel 
op langere termijn en slechts in de 
orde van grootte van 2% tot 2,5%. 
Dit is een aanzienlijk lager 
percentage dan de 6,5% die de 
minister in 1994 wil bereiken. 
Inderdaad gebeurt de verminde– 
ringen voor de instellingen zelf 
gefaseerd, of dat nu onder het kopje 
landelijk of regionaal, of onder het 
kopje structureel of incidenteel staat. 
In het totaal is hier van 1992 tot 
1994 sprake van een opklimmende 
reeks van 13,8 mln. via 32 mln. naar 
53 mln. bij bezuinigingen op de 

instellingen voor jeugdhulpverlening. 
In 1992 en 1993 wordt de bezuini– 
gingstaak vooral gehaald door de 
bouw van de MKD's en de MKT's te 
laten vervallen en door die door te 
schuiven naar 1994 en later. Dit 
ontmoet, gelet op hetgeen in 1989 
bij de overheveling van de MKD's en 
MKT's van volksgezondheid naar 
jeugdbeleid overeengekomen was, 
ernstige bezwaren bij de fractie van 
D66. Gedurende vijf jaar zouden de 
initiatieven gehonoreerd worden. Wij 
vinden dat men zich aan afspraken 
moet houden! 

Het is nog erger in de 
ISP/PNL-gebieden waar in 1993 nog 
sprake zal zijn van een extra bezui– 
niging van 7 mln. op de jeugdhulp– 
verlening. Is het waar dat de maatre– 
gelen ten aanzien van de Ziektewet 
en de WAO extra negatief uitwerken 
door de snelle burn out van 
medewerkers bij de instellingen voor 
jeugdhulpverlening? 

Voorzitter! Mijn fractie is van 
mening dat de bezuiniglngen op de 
jeugdhulpverlening ongedaan 
gemaakt moeten worden. Daartoe 
zullen wij bij de behandeling van de 
WVC-begroting een amendement 
indienen waarvan de dekking wordt 
geleverd door een reeds bij de 
begroting van Landbouw en Visserij 
ingediend amendement. Wij gaan er 
dan ook wel van uit, dat het bedrag 
van 3,3 mln. uit de nota van wijziging 
bij de ontwerp-begroting, post 0602, 
reeds gedekt is. Anderzijds voegen 
wij 2,5 mln. toe voor de schoolinter– 
naten die nu, zonder structureel 
budget, gedecentraliseerd worden, 
waardoor de provincie Noord– 
Brabant niet in staat is om die over 
te nemen. Het amendement komt 
structureel neer op 40,2 mln. Vorig 
jaar hebben wij ons zeer druk 
gemaakt over de schoolinternaten. Er 
is een uitstekend onderzoek verricht, 
waaruit bleek dat deze internaten 
een zinvolle functie vervullen in de 
lichte jeugdhulpverlening. Daar was 
de minister het mee eens. Hiervoor 
incidenteel geld geven, vindt de 
fractie van D66 niet juist. 

Enkele dagen geleden ontvingen 
wij de tekst van het convenant met 
de provincies en de vier grote 
steden. Interessant is dat beide 
bewindslieden zich zullen inspannen 
om verdere bezuinigingen te 
voorkomen en dat het herspreidings– 
fonds jaarlijks over een bedrag van 5 
mln. beschikt. De vraag is vanaf 
wanneer de bewindslieden zich gaan 
inspannen om de bezuinigingen op 

Bijzondere Commissie voor het 16 december 1991 
jeugdwelzijnsbeleid Jeugdwelzijnsbeleid UCV19 


Versnel-Schmitz 

de jeugdhulpverlening te voorkomen. 
Is dat vanaf de datum van onderte– 
kening, dus 5 december jongstleden? 
Wat heeft dat voor consequenties 
voor deze begroting? 

Hoe zit het met de samenhang 
tussen Justitie en WVC? Wil Justitie 
wel? Wordt er getraineerd? Duurt het 
voorts niet te lang voordat Justitie 
bepaald heeft wat de kerntaken zijn? 
Ik geef wat voorbeelden. Wat de 
kinderalimentatie betreft, heeft de 
Kamer zich in juli jongstleden niet 
voor niets uitgesproken voor een 
verzelfstandigd administratief orgaan 
voor vaststelling en inning van 
alimentatie. Waarom wordt die motie 
niet gewoon uitgevoerd? Waarom 
niet bij dit orgaan de taak van speci– 
fieke deurwaarder voor de kinderali– 
mentatie neergelegd, waarbij degene 
die in gebreke blijft, gewoon betaalt 
voor de extra onkosten, met 
bepaalde bevoegdheden voor de 
deurwaarder, zoals beslaglegging? 
Expertise en banen kunnen 
behouden blijven, en er blijft een 
buffer tussen de betalingsplichtige 
en de ontvanger. Verder ontstaat er 
zekerheid voor de kinderen die van 
de alimentatie athankelijk zijn. 

De tripartiete werkgroep Pleegzorg 
acht 25 mln. extra noodzakelijk: zo'n 
15 mln. voor de kwaliteitsverbetering 
en 10 mln. uit het "gat van Justitie". 
Wat doet de staatssecretaris van 
Justitie aan het verschil met WVC in 
normbedragen per plaatsing? Ons 
voorstel tot niet bezuinigen op de 
jeugdhulpverlening kan wellicht wat 
meer lucht verschaffen aan de 
gedecentraliseerde pleegzorg. Uit 
het veld wordt gesuggereerd, bekos– 
tiging van het landelijk steunpunt 
pleegzorg voorshands te laten bij de 
rijksoverheid. Feitelijk is dat werkont– 
wikkeling. Het steunpunt zou dus bij 
het NIZW zijn plek moeten vinden, 
en dus ook uit het NlZW-budget 
bekostigd dienen te worden. Voor 
het overige betreffende het NIZW 
sluit ik mij graag aan bij datgene wat 
daarover is gezegd door mevrouw 
Soutendijk Eigenlijk ben ik van plan, 
dat morgen bij de begrotingsbehan– 
deling ten principale aan de orde te 
stellen. 

We komen nog apart te praten 
over de pleegzorg. De gedachte van 
de werkgroep om kwalitatief verbe– 
terde pleegzorg tot een herkenbaar 
onderdeel te maken van een grote 
regionale multifunctionele instelling, 
verantwoordelijk voor het totale 
pakket van pleegzorg, spreekt ons 
aan. 

De voorstellen met betrekking tot 
de pleegzorg staan naar ons idee 
haaks op de gedachtengang van de 
staatssecretaris van Justitie om de 
raden voor de kinderbescherming, de 
gezinsvoogdijinstellingen en de 
jeugdreclassering samen te voegen 
De Kamer heeft deze gedachtengang 
van de staatssecretaris al per motie 
afgewezen. Ook anderen, zoals de 
Raad voor het Jeugdbeleid, spreken 
zich hiertegen gefundeerd uit, en 
toch gaat de staatssecretaris van 
Justitie gewoon verder op dat pad, 
althans naar mijn indruk. Als dat 
waar is, vind ik dat dat niet kan. 

lets anders is de samenwerking op 
het gebied van de individuele cliënt, 
zoals die gebeurt door Argus in 
Utrecht bij de justitiële vroeghulp. 
Dat is echt buitengewoon zinvol 
werk om recidive te voorkomen. 
Waarom moet subsidiëring nu afhan– 
kelijk worden gesteld van een 
fusering met de gezinsvoogdij? 
Waarom kunnen de activiteiten van 
Argus, die zich bewegen op het 
snijvlak van Justitie en WVC, niet 
eigenstandig gesubsidieerd worden? 
Misschien moet daartoe wel de Wet 
op de Jeugdhulpverlening van 
toepassing verklaard worden op het 
werkveld. Wij vragen nadrukkelijk, 
per 1 januari aanstaande geen fusie– 
voorwaarden te stellen voor subsi– 
diëring aan Argus en soortgelijke 
instellingen, zoals RBS en Archo. Zo 
nodig kan de circulaire vroeghulp 
hierop van toepassing worden 
verklaard. Ik wil daar graag een 
duidelijk antwoord van de staatsse– 
cretaris hebben; als dat niet gebeurt, 
ben ik van plan om in tweede termijn 
een motie in te dienen. 

Wat de inspectie jeugdhulpver– 
lening betreft, kan ik meedelen dat 
mijn fractie ernstige bezwaren heeft 
tegen decentralisatie van de 
inspectie. Allereerst omdat het hoog 
tijd is dat de kwaliteitstoetsing van 
de jeugdhulpverlening op normen, 
protocollen of een uniform diagnose– 
systeem gebaseerd wordt, opdat 
inderdaad effectmeting en kwaliteits– 
toetsing van de verschillende instel– 
lingen voor jeugdhulpverlening 
mogelijk worden. Voorts omdat de 
fractie van D66 blijft hechten aan 
één gezamenlijke inspectie jeugd– 
hulpverlening voor WVC en Justitie, 
ondergebracht bij het staatstoezicht, 
dus op nadrukkelijke afstand van de 
beleidsmakers van WVC en Justitie. 
Wanneer kan de kamer daartoe 
voorstellen ontvangen? 

De voorzitter: Dit was uw laatste 
vraag? U bent toe aan de voorlaatste 
minuut van uw tweede termijn. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
De secretarissen van de raden voor 
de kmderbeschermmg hebben het 
denken over de toekomst van de 
jeugdhulpverlening fundamenteel 
verrijkt met hun werkdocument 
"Kinderbescherming, maak het 
waar!". Ze stellen zelfs voor, te 
beginnen met zichzelf op te heffen, 
wat een goed discussle-uitgangspunt 
is. Ik verzoek de staatssecretaris van 
Justitie om op basis van dit werkdo– 
cument een fundamentele discussie 
te starten, juist met het oog op de 
kerntaken van zijn departement. 
Voorts sluit dit qua gedachtengang 
zeer goed aan bij de nota van de 
minister van WVC "Opvoeding, steun 
op maat", en daarmee ben ik weer 
gekomen bij het begin van mijn 
verhaal. 

D 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): 
Voorzitter! Het zal misschien voor 
het laatst zijn dat we met zo'n volle 
tribune een UCV hebben, want per 1 
januari wordt de verantwoorde– 
lijkheid voor de jeugdhulpverlening 
gedecentraliseerd naar de provincies 
en de vier grote steden, en dan 
zullen daar misschien de tribunes vol 
zitten! 

Er is een proces van duwen en 
trekken aan voorafgegaan. Het lijkt 
erop dat slechts ternauwernood aan 
de doelstelling van een fatsoenlijke 
overdracht van verantwoordelijk– 
heden en boedel voldaan wordt. Er 
ligt weliswaar een convenant tussen 
de betrokken partijen, maar nog niet 
alles is rond. De aankondiging van 
nieuwe bezuinigingen op de jeugd– 
hulpverlening heeft voor veel nieuwe 
onrust gezorgd, en hopelijk zijn we 
op dit punt in staat, vandaag de 
onrust definitief weg te nemen. 

Ik zal achtereenvolgens ingaan op 
het financiële kader van het rijksplan, 
op een aantal zaken die te maken 
hebben met de overdracht aan de 
provincies en de vier grote steden, 
op de samenhang tussen jeugdbe– 
scherming en jeugdhulpverlening, op 
de pleegzorg, en op een aantal zaken 
die voortvloeien uit de discussie over 
de toekomst van de kinderbe– 
scherming. 

De fractie van de PvdA is buiten– 
gewoon ongelukkig met de bezuini– 
gmgstaakstellmg die de jeugdhulp– 

Bijzondere Commissie voor het 16 december 1991 
jeugdwelzijnsbeleid Jeugdwelzijnsbeleid UCV 19 


Vliegenthart 

verlening is opgelegd. De reden 
hiervoor is enerzijds het feit dat de 
afgelopen jaren al ruim 20% op het 
budget van de jeugdhulpverlening is 
bezuinigd. Er zijn de afgelopen jaren 
zo'n 2600 plaatsen verdwenen in de 
internaten. In de lichtere vormen van 
hulpverlening, zoals bijvoorbeeld de 
dagbehandeling, is er een aantal 
plaatsen bijgekomen, maar veel 

minder dan er elders zijn afgegaan. 
De problemen van jongeren nemen 
echter bepaald niet af. Integendeel, 
er komen nieuwe vraagstukken op 
ons af: het toenemende aantal 
zwerfkinderen, de problematiek van 
groepen allochtone jongeren en het 
aantal jongeren met extreme 
gedragsproblemen is veel groter dan 
de beschikbare capaciteit. 

Uit de gegevens van de inspectie 
begint nu een globaal inzicht te 
ontstaan in de omvang van de 
wachtlijsten. Duizenden kinderen 
wachten op hulp. De problemen om 
jongeren binnen de vrijwillige 
hulpverlening te helpen, leiden tot 
een groeiende druk op de plaat– 
singen via de kinderrechters. Tegelij– 
kertijd laten de kinderrechters ons 
met enige regelmaat weten, dat men 
met name de extreem problema– 
tische jeugd niet meer onderdak 
krijgt. Deze situatie leidt ertoe, dat 
sommige jongeren te laat worden 
geholpen, waardoor situaties verer– 
geren en meer hulp nodig is, dan 
wanneer vroegtijdig was 
bijgesprongen. Kinderen komen in 
jeugdpsychiatrische ziekenhuizen 
terecht, terwijl ze daar niet thuis– 
horen. In sommige gevallen loopt 
het, zoals gezegd, via Justitie. 
Hulpverleners zijn soms dagen bezig, 
kinderen onderdak te brengen, terwijl 
zij hun tijd behoren te besteden aan 
het zorgvuldig beoordelen welke 
hulp het meest aangewezen is, het 
opstellen van adequate hulpverle– 
ningsplannen en het verlenen van 
hulp. Moeilijke jongeren zijn steeds 
moeilijker te plaatsen en worden 
soms in het geheel niet meer 
geholpen. Voor de meeste zwerfkin– 
deren geldt dat zij een mislukte 
hulpverleningscarrière achter de rug 
hebben. Helaas nemen die aantallen 
toe. 

Tegen die achtergrond zijn bezuini– 
gingen niet verdedigbaar. Dat wil 
niet zeggen, dat alles hetzelfde kan 
blijven. Integendeel, maar het zal 
moeite genoeg kosten om binnen 
een gelijkblijvend budget de noodza– 
kelijke veranderingen in het beleid 
door te voeren. De kwaliteit en de 

effectiviteit van de hulpverlening 
moeten omhoog. Ik bestrijd de 
argumenten van de regering, dat 
schaalvergroting het bedrag zou 
kunnen opleveren dat nu staat 
ingeboekt. Anderen hebben daar al 
uitgebreid vragen over gesteld. 
Immers, bij de invoering van de 
budgetfinanciering op grond van de 
normharmonisatie is een grotere 
efficiency verwerkt in de prijsstelling. 
Een verlies aan capaciteit van tussen 
de 700 en 1000 plaatsen dreigt. Dat 
komt bovenop de huidige 
knelpunten. Ook de maatregelen die 
als incidenteel bedoeld zijn, leiden 
tot een ongewild negatief effect op 
kwantiteit en kwaliteit en doorkruisen 
de grote operaties binnen de jeugd– 
hulpverlening, zoals herspreiding en 
normharmonisatie. Wij vinden de 
bezuinigingstaakstelling voor de 
jeugdhulpverlening daarom niet 
verantwoord. Dat standpunt is niet 
nieuw. Bij het debat over de Tussen– 
balans, in het mondeling overleg in 
juni en tijdens de algemene beschou– 
wingen hebben wij dit standpunt ook 
al naarvoren gebracht. Wij hebben 
er begrip voor, dat deze minister niet 
binnen de begroting van WVC een 
alternatieve dekking kan vinden. Dat 
kunnen wij zelf ook niet. Vandaar dat 
wij bij de algemene beschouwingen 
het voorstel hebben gedaan om de 
decentralisatieimpuls te verbreden 
en de taakstelling daarvan op te 
hogen met het bedrag van deze 
bezuiniging, namelijk 55 mln. 
Inmiddels is duidelijk geworden dat 
de eerste tranche van de decentrali– 
satieimpuls in 1994 635 mln. 
oplevert, ruim voldoende structurele 
dekking dus. Via de motie-Brinkman/ 
Wöltgens heeft de Kamer aange– 
geven het daar niet bij te willen 
laten. Een verdere verbreding van 
deze operatie moet gestalte krijgen. 
Hiermee is een perspectief gevonden 
om de jeugdhulpverlening te ontzien. 

De heer Dijkstal (VVD): De 
opbrengst die mevrouw Vliegenthart 
nu noemt, waar heeft zij die vandaan 
gehaald? Dat is namelijk een 
interessant gegeven. 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): Uit 
een brief van mevrouw De Graaff– 
Nauta en uit het mondeling overleg 
van 24 oktober 1991. In de stukken 
die daarbij horen, staat de verwachte 
realisatie van 634,3 mln. in 1994. Op 
het moment dat de verdere 
verbreding plaatsvindt, wordt de 
zaak in feite nog gemakkelijker. 

Voordejaren 1992en 1993 
ontstaat daarmee een incidenteel 
kasprobleem, want de dekking is er 
pas per 1994. Wij zijn van mening, 
dat hiervoor in de richting van de 
Voorjaarsnota, in overleg met de 
minister van Financiën, naar een 
oplossing moet worden gekeken. De 
minister van Financiën heeft bij de 
begrotingsbehandeling al aange– 
geven daartoe bereid te zijn. Ik zal 
morgen namens de Partij van de 
Arbeid een amendement indienen, 
waarmee deze bezuiniging van tafel 
gaat. 

Met de wijziging van het financiële 
perspectief, waarvan ik hoop en 
verwacht dat de Kamer die zal 
steunen, komen een aantal 
knelpunten in een ander perspectief 
te staan. De bezuiniging op de 
doeluitkering aan de provincies is 
dan van de baan. De herspreidings– 
operatie, waarvoor middeien nodig 
zijn - ik denk hierbij aan de bouwpot 
en een herspreidingsfonds - en die 
uitgesteld moest worden ten gevolge 
van de voorgenomen bezuiniging, 
kan nu conform de eerdere overeen– 
stemming tussen de provincies van 
start gaan. Dat is van groot belang, 
omdat bij de ontwikkeling van het 
beleid ten aanzien van zowel het 
samenhangend hulpaanbod per regio 
als de bestuurlijke schaalvergroting 
en de vorming van multifunctionele 
voorzieningen, de duidelijkheid 
omtrent de realisatie van 
herspreiding van groot belang is. 

Ik ga ervan uit dat het budget voor 
de MKD-groeigelden die ingeboekt 
waren als bezuiniging, beschikbaar 
komen voor de regionale budgetten. 
Het medisch kleuterdagverblijf in 
NoordHolland-noord, dat vanaf 1985 
al in de pijplijn zit om gerealiseerd te 
worden, kan dan, gezien de prioriteit 
die de provincie Noord-Holland 
hieraan geeft, eindelijk gerealiseerd 
gaan worden. Er komt daarmee een 
perspectief voor de kinderen die nu 
op een wachtlijst staan, of die ver 
buiten de eigen regio geplaatst 
moeten worden. En datzelfde geldt 
waarschijnlijk voor een aantal soort– 
gelijke gevallen in andere provincies. 

Ik ga er tevens van uit, dat de 
minister haar plannen herziet wat de 
landelijke voorzieningen betreft, waar 
formeel de sluiting van de vier kleine 
instelling nog niet opgenomen was in 
het rijksplan dat nu voorligt, maar de 
instellingen wel een dergelijke 
aankondiging ontvingen. Ik zeg erbij 
dat wij niet op voorhand tegen– 
stander zijn van bestuurlijke schaal– 

Bijzondere Commissie voor het 16 december 1991 
jeugdwelzijnsbeleid Jeugdwelzijnsbeleid UCV 19 


Vliegenthart 

vergroting waarbij verbetering van de 
kwaliteit voorop staat, maar instel– 
lingen sluiten zonder dat uitbreiding 
elders daadwerkelijk gestalte krijgt, 
kan niet op onze steun rekenen. Wij 
zien graag op dit punt in het rijksplan 
van volgend jaar een helder beleid 
geschetst. 

Ten aanzien van de functionele 
benadering in de wetgeving in plaats 
van de voorzieningenbenadering heb 
ik grote aarzelingen, omdat het 
functionele denken als het gaat om 
het vormen van een wettelijke basis 
voor te subsidiëren eenheden en met 
name om de afbakening van wat wel 
of niet onder de reikwijdte van de 
wet behoort, veel te algemeen is. De 
ontwikkeling die nu is ingezet met 
betrekking tot de 
prijs/kwaliteit-afspraken heeft meer 
mijn voorkeur. Die trend moet voort– 
gezet worden op een manier waarbij 
de financiering meer gericht wordt 
op de output, dus op het resultaat. 

Voorzitter! Ik vind dat ten aanzien 
van de Tukker in overleg met de 
provincie Overijssel gezorgd moet 
worden voor een veiligstelling van dit 
zeer succesvolle experiment. De 
schoolinternaten in de provincie 
Noord-Brabant kunnen, als de bezui– 
niging niet doorgaat, in het kader 
van de herspreiding door Noord– 
Brabant overgenomen worden met 
de geleidelijke afbouw zoals voorge– 
steld door de minister. 

Ik kom op de samenhang tussen 
jeugdbescherming en jeugdhulpver– 
lening. Het wordt zo langzamerhand 
een cliché, maar vanaf halverwege 
de jaren zeventig - de 
commissie-Wiersma en de 
werkgroep-Mik, de rapporten IWRV 
en IWAPV van begin jaren tachtig zijn 
wij bezig om schotten binnen de 
jeugdhulpverlening op te heffen. 
Toch is het bijna onvoorstelbaar hoe 
sterk de neiging nog steeds is om 
toko's in stand te houden. Ik wijs op 
de operatie Heroriëntering binnen de 
justitiële jeugdbescherming. 

Ik zou eigenlijk het debat dat wij in 
juni in de UCV gehad hebben, niet 
over willen doen, maar ik ontkom 
daartoch niet helemaal aan. Samen– 
voeging van raden voor de kinderbe– 
scherming, gezinsvoogdij-instel– 
lingen en reclassering is om inhou– 
delijke redenen volstrekt ongewenst. 
Uit de rapportage van de eerste fase 
heroriëntatie blijkt dat deze optie 
toch nog steeds serieus bestudeerd 
wordt, ondanks het feit dat de 
Tweede Kamer een niet voor misver– 
stand vatbare uitspraak heeft gedaan 

en ondanks het feit, dat de sectoren 
deze variant afwijzen. Het lijkt erop 
dat het departement - dat proef ik 
althans uit de stukken en dat merk ik 
ook in gesprekken met betrokkenen ondanks 
de uitspraak van de Kamer 
gewoon doorgaat. Het lijkt mij dat de 
staatssecretaris verstandig moet zijn 
en af moet stappen van dit spoor. 

Tegelijkertijd wil ik hem aansporen 
om de positie van de jeugdbe– 
scherming binnen een breder 
perspectief te bekijken. Wat opvalt is 
dat de omgeving waarbinnen de 
raden voor de kinderbescherming en 
de gezinsvoogdij-instellingen functio– 
neren, volstrekt buiten beeld blijft. 
Ondanks specifieke taken en 
verantwoordelijkheden die deze 
instellingen vervullen, is er een heel 
nadrukkelijke samenhang met het 
veld van de vrijwillige hulpverlening. 
In de heroriëntatie zou de 
samenhang als uitgangspunt voor de 
operatie genomen moeten worden. 

Ik wijs op enkele punten. Wat 
raden betreft het volgende. Het gaat 
om de afstemming op de bureaus 
vertrouwensartsen en op het jeugd– 
hulpadviesteam, dat als multidisci– 
plinair team een functie moet 
hebben voor de vrijwillige hulpver– 
lening. Bij de discussie over de taken 
van de Raad voor de kinderbe– 
scherming en de vormgeving 
daarvan, behoort dus niet alleen 
gekeken te worden naar de 
rechterlijke organisatie, maar ook 
naar het maatschappelijke veld Bij 
de gezinsvoogdij-instellingen is dat 
precies hetzelfde. Veel kinderen die 
onder toezicht zijn gesteld, worden 
door de instelling geplaatst in een 
pleeggezin of in een internaat. 
Afgezien van het feit dat het gezag 
over het desbetreffende kind bij de 
gezinsvoogd berust, is de positie van 
het kind binnen een internaat gelijk 
aan die van andere kinderen, die 
daar op vrijwillige basis zitten. Voor 
ieder kind moet een hulpverle– 
ningsplan opgesteld worden. Er is 
binnen de groep vrijwillig geplaatsten 
evenveel diversiteit als binnen de 
groep justitieel geplaatsten. De 
overeenkomsten tussen beide 
groepen zijn veel groter dan uit de 
begrippen "vrijwillig" of "justitieel" 
geplaatst afgeleid zou kunnen 
worden. Willen de gezinsvoogdij– 
instellingen hun specifieke verant– 
woordelijkheid goed waar kunnen 
maken, dan is het noodzakelijk dat er 
een goede afstemming is op en 
samenwerking met het hulpverle– 
ningsveld. 

Daarnaast heeft een aantal gezins– 
voogdij-instellingen een vrijwillige, 
ambulante hulpverleningspoot, 
namelijk de adviesbureaus voor 
jeugd en gezin. Zij nemen als organi– 
satie een groot deel van de pleeg– 
zorgplaatsingen voor hun rekening. 
De inbedding van deze functies in de 
regionale netwerken - later 
misschien de multifunctionele instel– 
lingen - is noodzakelijk. Een zuiver 
sectoraal organlsatiemodel voor de 
gezinsvoogdijinstelling, zoals nu bij 
de heronentatie aan de orde is, is 
een optie die tekort schiet. Justitie, 
WVC en de provincies moeten op dit 
punt veel meer samenwerken. Zij 
moeten een organisatiestructuur 
ontwikkelen die recht doet aan de 
specifieke taak, die aan de gezins– 
voogdij-instellingen opgelegd wordt 
voor de uitvoering van de ondertoe– 
zichtstelling en die aansluit bij de 
ontwikkeling van multifunctionele 
instellingen op regionaal niveau. Ook 
de buiten-justitiële hulpverlening bijvoorbeeld 
Argus - kan hierdoor 
een reguliere plek in het beleid 
krijgen. Ik stel voor dat er een aantal 
experimenten komt, waarbij de 
beleidsverantwoordelijkheid voor de 
gezinsvoogdij aan een aantal 
provincies of grote steden overge– 
dragen wordt. Tegelijkertijd moet 
hierbij de afspraak gemaakt worden 
dat uitspraken van de rechter ten 
uitvoer worden gebracht. De 
provincies zijn hiertoe bereid, zoals 
zij bereid zijn afspraken te maken 
met het ministerie van Justitie over 
de vormgeving van de gezagscom– 
ponent. Het tot stand komen van 
voorzieningen voor pleegzorg, zoals 
geadviseerd door de tripartiete 
Werkgroep pleegzorg, kan door deze 
ontwikkeling bespoedigd worden. 
Wanneer kunnen wij het regerings– 
standpunt verwachten over het 
eindrapport van deze werkgroep? 
Het lijkt mij dat wanneer instellingen 

- zoals BJ Twente en de Stichting 
jeugd en gezin Enschede- een inten– 
sievere samenwerking willen 
aangaan om daarmee de kwaliteit te 
verbeteren, zij daarvoor ruimte 
moeten krijgen. Ook als het gaat om 
specifiek allochtonenbeleid, om 
versterking van het management, om 
invoering van kwaliteitszorgsys– 
temen, om verbetering van de 
diagnostiek, ligt een gezamenlijke 
aanpak van Justitie en WVC voor de 
hand. Kortom, ik hoop dat de staats– 
secretaris bereid is zijn heroriëntatie 
te verbreden. Ook wil ik graag weten 
hoe de staatssecretaris de proce– 
Bijzondere Commissie voor het 16 december 1991 
jeugdwelzijnsbeleid Jeugdwelzijnsbeleid UCV 19 19-10 


Vliegenthart 

durele gang van zaken verder ziet. 
Het is noodzakelijk dat het zicht op 
de taken die uitgevoerd moeten 
worden vooraf gaat aan de besluit– 
vorming daarover en de organisatie 
ervan. Ik constateer dat de motie van 
mevrouw Laning, waarin gevraagd 
wordt om een onderzoek naar de 
taken op het gebied van 
echtscheiding en adoptie, nog niet 
tot resultaat geleid heeft. Daar is 
echter wel haast mee. 

Voorzitter! Ik kom vervolgens te 
spreken over de financiële taken van 
de raden. In juni jongstleden heeft 
de Kamer uitgesproken dat deze 
financiële taken niet als kerntaak van 
de overheid of van de raden 
beschouwd moeten worden. Met 
name de invoering van een forfaitaire 
vaststelling van kinderalimentaties 
kan een aanzienlijke vereenvoudiging 
en werklastvermindering tot gevolg 
hebben, niet alleen bij de raden maar 
ook bij de rechterlijke macht. Maar 
door de PvdA-fractie en ook door 
anderen in de Kamer is met zeer veel 
nadruk gesteld dat het volledig laten 
vervallen van de verantwoorde– 
lijkheid voor met name de bemidde– 
lings– en incassofunctie onverant– 
woorde maatschappelijke conse– 
quenties heeft. Ook op dit punt 
dreigt een herhaling van het debat 
van juni. Het voorstel dat de minister 
en de staatssecretaris in de brief van 
25 oktober jongstleden doen, komt 
onvoldoende tegemoet aan hetgeen 
door de Kamer gevraagd is. Wij zijn 
van mening dat er een verzelf– 
standigd centraal orgaan voor 
vaststelling en inning van kinderali– 
mentatie en, zo mogelijk, voor de 
uitvoering van de ouderbijdragere– 
geling in de jeugdhulpverlening - en 
als het kan ook voor de problematiek 
van weigerachtige ouders en studie– 
financiering - moet komen. 

Een dergelijk orgaan heeft een 
wettelijke basls nodig. De essentie is 
namelijk dat het centraal orgaan 
beschikt over wettelijke bevoegd– 
heden waarover nu de raden 
beschikken, zoals het verkrijgen van 
informatie bij sociale diensten of bij 
werkgevers, de bevoegdheid met 
betrekking tot het vereenvoudigd 
loonbeslag etc. Het zijn namelijk het 
gezag van de instelling en de 
bevoegdheden die men heeft, die 
maken dat in veel problematische 
gevallen van alimentatiebetaling, 
lichte druk voldoende is om regel– 
matige betaling te verzekeren. 
Wanneer dit vervalt en burgers zelf 
gaan procederen en incasseren, is 

een toenemende druk op de 
rechterlijke organisatie, op de sociale 
diensten in verband met het 
bijstandsverhaal en op de rechtshulp 
het gevolg. De kosten zullen de 
besparingen bij justitie verre 
overtreffen. Ik dring er dus echt bij 
de staatssecretaris op aan om zo'n 
wettelijk bevoegd centraal orgaan in 
het leven te roepen. Wat ons betreft 
behoeft het voorbereidend werk niet 
door de griffies gedaan te worden. 
Aan de beslissing van de rechter 
waarbij de scheiding wordt uitge– 
sproken, kan standaard worden 
toegevoegd dat de kinderalimentatie 
krachtens tabellen in de Wet forfai– 
taire vaststelling kinderalimentaties 
wordt vastgesteld. Ik zou graag zien 
dat de voorstellen van de regering 
met betrekking tot dat centrale 
orgaan zo snel mogelijk aan de 
Kamer worden voorgelegd. 

Voorzitter! Ik kom toe aan een 
aantal losse opmerkingen. Allereerst 
de inspectie jeugdhulpverlening. Ook 
anderen hebben het daarover gehad. 
Er is veel tijd verloren gegaan 
alvorens er een interdepartementale 
stuurgroep in het leven is geroepen. 
Wij dringen er bij de regering dan 

ook op aan dat er zo snel mogelijk 
één onafhankelijke inspectie jeugd– 
hulpverlening komt, zowel voor de 
WVC-voorzieningen als voor de justi– 
tiële voorzieningen. Deze inspectie 
moet toezien op de kwaliteit van het 
beleid en zij moet de verantwoor– 
delijke bestuurders, zowel het Rijk als 
de provincies, gevraagd en 
ongevraagd, kunnen adviseren. 
Organisatorisch kan deze inspectie 
bij het staatstoezicht ondergebracht 
worden, maar dit laatste mag geen 
vertraging opleveren voor het onder– 
brengen van justitie bij de inspectie. 
Ik vraag de regering, binnen een paar 
maanden met voorstellen op dit punt 
te komen. 

Dan een aantal zaken die met de 
positie van cliënten te maken 
hebben. Allereerst is dat de kwestie 
van de contra-expertise. Ik ben niet 
tevreden met het antwoord van de 
staatssecretaris, omdat hij stelt dat 
de rechter wel beoordeelt of een 
tegenonderzoek nog iets toevoegt. 
Mijn stelling is nu juist dat dit onvol– 
doende is, omdat meestal pas 
achteraf blijkt, als het tegenon– 
derzoek heeft plaatsgevonden, dat er 
nieuwe inzichten zijn. Ik wil deze 
discussie nu niet voeren, omdat er 
binnen afzienbare tijd toch 
gesproken zal worden over de 
rechtspositie van cliënten en over 

het procesrecht. Maar ik wil er wel 
melding van maken, opdat de staats– 
secretaris niet denkt dat dit punt is 
afgehandeld. 

Samenhangend hiermee vind ik 
dat er opheldering moet komen over 
de positie van rapportage en 
onderzoek dat door externe deskun– 
digen gedaan wordt. Uit stukken die 
wij van de SOR krijgen, blijkt dat de 
regels voor inzage en correctie hier– 
op niet van toepassing verklaard 
worden, bijvoorbeeld door het PPAR, 
omdat men een dergelijk onderzoek 
in oprdracht van derden doet. 
Aangezien deze stukken relevant zijn 
voor het proces, kan dat niet naar 
mijn oordeel. Ik verzoek de staatsse– 
cretaris, dit duidelijk te maken aan 
alle betrokkenen. 

Op het terrein van de versterking 
van de positie van cliënten is het 
verder van belang dat zij onder– 
steuning kunnen krijgen bij het 
indienen van klachten. Wij moeten 
ons blijven realiseren dat goede 
klachtenregelingen en een adequate 
afhandeling van klachten de kwaliteit 
van de dienstverlening bevorderen. 
Ondersteuning van cliënten hierbij, 
met name als het gaat om ingewik– 
kelde zaken, is gewenst. Hierbij zijn 
verschillende modellen denkbaar: 
een landelijke structuur of één die 
aansluit bij de klachtencommissies. 
Ik vraag de regering om bij de 
vormgeving van het nieuwe klachten– 
recht hiermee rekening te houden en 
voorstellen te doen. 

Mijnheer de voorzitter! Met de 
decentralisatie van verantwoordelijk– 
heden wordt een belangrijke stap 
gezet in de richting van samen– 
hangend jeugdbeleid op regionaal 
niveau. Afstemming tussen jeugd– 
hulpverlening, jeugdwerkgaran– 
tieplan, de aanpak van vroegtijdig 
schoolverlaten, biedt mogelijkheden 
voor een integrale aanpak. Binnen 
die aanpak zal voor specifieke 
groepen extra aandacht nodig zijn. Ik 
denk bijvoorbeeld aan de problemen 
met betrekking tot de Antilliaanse 
jongeren. Zou de minister haar 
coördinerende taak ten aanzien van 
het jeugdbeleid op zodanige wijze 
willen invullen, dat zij de belemme– 
ringen die op lokaal niveau gesigna– 
leerd worden om de problemen aan 
te pakken, voorzover zij een gevolg 
zijn van rijksbeleid, in kaart brengt en 
daarvoor oplossingen aandraagt? 
Sociale vernieuwing en integraal 
jeugdbeleid kunnen en moeten 
elkaar versterken. De minister voor 

Bijzondere Commissie voor het 16 december 1991 
jeugdwelzijnsbeleid Jeugdwelzijnsbeleid UCV 19 19-11 


Vliegenthart 

het jeugdbeleid moet dat proces 
stimuleren. 

Een laatste punt dat ik aan wil 
snijden betreft de hulpverleningsme– 
thoden die toegepast worden in de 
gesloten inrichtingen en in die instel– 
lingen waarin men te maken heeft 
met jongeren met extreem proble– 
matisch gedrag. De laatste tijd 
komen er incidenten naar buiten. 
Eerst was dat Zetten, toen de Dreef 
en nu misschien ook huize 
Alexandra. De vraag is of hier sprake 
is van incidenten of dat er bij de 
behandeling van die extreem 
moeilijke groepen vaker geweld of 
wat dan ook wordt toegepast. Ik zou 
willen dat de inspectie, naast het 
specifieke onderzoek dat in de 
onderhavige gevallen gedaan wordt, 
eens onderzoek doet naar de 
omvang, de aard en de oorzaken van 
deze aanpak. Naar aanleiding van 
een dergelijk onderzoek zou ik dan 
snel met de regering van gedachten 
willen wisselen over het beleid 
terzake. 

D 

De heer Lankhorst (Groen Links): 
Voorzitter! Het is ook voor mij 
onbegnjpehjk dat dit kabinet 
gemeend heeft, toch op de jeugd– 
hulpverlening te moeten bezuinigen. 
Begin dit jaar hield ik de bewinds– 
lieden nog een citaat voor van Joop 
den Uyl. Hij zei in de Volkskrant van 
13 mei 1986 na de bezuinigingen in 
de jaren 1982-1986: "Als ik kijk naar 
de bemoeienis met jongeren, de 
jeugdzorg, dan denk ik dat daar 
kritische grenzen zijn overschreden. 
Daar is een toestand ontstaan 
waardoor mensen vaak heel 
wanhopig zijn. Nee, daar moeten 
ingrepen worden teruggedraaid. 
Daar is de eenzijdigheid van het 
beleid afgewenteld op de meest 
kwetsbare groepen." 

Ik was en ben het met hem eens. 
De situatie is er sinds 1986 zeker 
niet beter op geworden. Luister naar 
de kinderrechters, de maatschap– 
pelijk werkers, de politie of de 
inspectie. 

De stille week, de week voor de 
algemene beschouwingen, heb ik dit 
jaar niet besteed aan het braaf lezen 
van alle begrotingen. Ik ben naar een 
jeugdhulpverleningsinstelling 
gegaan. ik wilde zelf ervaren of de 
noodkreten terecht zijn of dat de 
bewindslieden gelijk hebben dat door 
efficiency-maatregelen bezuini– 
gingen haalbaar zijn zonder tot 

capaciteitsreductie te komen. 

Mijn conclusie is misschien niet 
algemeen geldend, maar voor de 
instelling waar ik was, zonneklaar. 
Bezuinigen betekent personeel 
ontslaan, dus capaciteitsreductie. En 
omdat er al wachtlijsten bestaan, 
betekent dit kinderen in de kou laten 
staan. Op materiële uitgaven valt niet 
meer in te leveren. Als je hoort dat 
er serieus gesproken wordt over een 
verdere beperking van voedingsbud– 
getten en je ziet wat er op tafel 
komt, dan weet je genoeg. Met 
minder personeel deze kinderen 
opvangen en verzorgen, is 
ondenkbaar. Een ding wordt 
steeds vergeten: de verschuiving 
naar ambulante en dagbehandeling op 
zichzelf prima -betekent dat de 
residentiële hulpverlening te maken 
heeft met kinderen die in het 
algemeen uit zeer problematische 
gezinnen komen. Zo zie je dat in de 
schoolvakanties steeds minder 
kinderen gedurende kortere of 
langere tijd naar huis kunnen. De 
thuissituatie is daarvoor te onveilig 
of te explosief. De groepsleiders 
zouden tijdens de vakanties minder 
werk moeten hebben en zelf vrije 
dagen moeten kunnen opnemen, 
maar het tegendeel is het geval. De 
school is dicht en op het internaat is 
meer werk. Het gevolg is dat alle 
roosters in het honderd lopen. Geen 
prijscompensatie, de nieuwe ziekte– 
wetmaatregelen, de bezuinigingen, 
dat gaat dus gewoon niet meer. 

Links– of rechtsom zullen de bezui– 
nigingen deze week van tafel 
moeten. Groen Links heeft daar bij 
de begroting van Binnenlandse 
Zaken ruimte voor gecreëerd. De 
bezuiniging maakt de lopende 
processen van decentralisatie, 
herspreiding, normharmonisatie en 
vernieuwing ook praktisch onuit– 
voerbaar. Ik betreur het zeer dat het 
kabinet er niet in geslaagd is, samen 
met de provincies en de instellingen 
voor 1 januari 1992 die processen in 
samenhang af te ronden. Jaren 
geleden hebben wij daarom 
gevraagd. Herhaaldelijk is het 
toegezegd, maar het afgesloten 
convenant laat zien hoeveel losse 
einden er nu nog zijn. Ik besef dat 
de bewindslieden in overlegsituaties 
het tempo niet uitsluitend zelf in de 
hand hebben. Daar waar dat in 
sterke mate wel het geval is of 
behoort te zijn, is de traagheid 
echter al even groot. De zozeer door 
deze Kamer gewenste interdeparte– 
mentale inspectie is er nog steeds 

niet. Waarom niet? Wanneer wordt 
het verzet daartegen nu eens 
daadwerkelijk gebroken? 

Minister d'Ancona: Voorzitter! De 
heer Lankhorst sprak over de 
begroting van Binnenlandse Zaken. 
Kan hij toelichten wat hij daarmee 
bedoelt? Ik weet niet waar hij naar 
verwijst. 

De heer Lankhorst (Groen Links): 
Zoals de fractie van D66 bij de 
behandeling van de begroting van 
Landbouw een aantal posten doorge– 
streept heeft ten behoeve van de 
begroting van WVC, met name de 
jeugdhulpverlening, zo hebben wij 
dat vorige week bij de behandeling 
van de begroting van Binnenlandse 
Zaken gedaan. Daarmee schep je 
ruimte op een andere begroting. Dat 
is een normaal iets. Wij hebben 
reeds bij de algemene beschou– 
wingen aangekondigd dat wij ook 
tussen de begrotingen tot wijzigings– 
voorstellen zouden komen. Als Groen 
Links dat bij Binnenlandse Zaken 
doet, terwijl anderen dat niet doen, 
dan zijn wij er daarmee nog niet. Dat 

besef ik best. Ik zal dus ook met 
evenveel belangstelling en iiefde 
kijken naar de voorstellen van de 
Partij van de Arbeid, D66 en 
anderen, die hopelijk vandaag nog 
komen. 

Staatssecretaris Kosto Voorzitter! 
Ik begrijp dus goed dat de heer 
Lankhorst zich iets te rijk uitdrukt als 
hij zegt dat Groen Links iets heeft 
gecreëerd. 

De heer Lankhorst (Groen Links): 
Nee, voor Groen Links sprekend, 
klopt het precies. Ik spreek hier 
alleen niet namens een kamermeer– 
derheid. Volgens mij klopt het dus. 

De heer Dijkstal (VVD): Op welk 
onderdeel van Binnenlandse Zaken is 
het amendement ingediend? Als de 
heer Lankhorst dat even aangeeft, 
weten wij waarover het gaat. 

De heer Lankhorst (Groen Links): 
Om een aantal posten, waarvan er 
één de heer Dijkstal zeker zal 
aanspreken. Wij hebben aantal 
miljoen weggehaald bij de BVD, bij 
de post voor geheime uitgaven en bij 
de Rijkspsychologische dienst, die 
dit jaar ook nog veel geld krijgt. Je 
zou zeggen dat je die dienst bij een 
afslanking van het ambtenarenap– 
paraat niet meer helemaal nodig 

Bijzondere Commissie voor het 16 december 1991 
jeugdwelzijnsbeieid Jeugdwelzijnsbeleid UCV 19 19-12 


Lankhorst 

hebt, dus daar hebben wij gelden 

weggehaald Dat lijkt ons allemaal 

veel verstandiger dan bezuinigen op 

de jeugdhulpverlening. 

Voorzitter. De gebeurtenissen in 

De Dreef hebben voor mij nog eens 

aangetoond, hoezeerzo'n gemeen– 

schappelijke inspectie nodig is. 

Welke garantie kan de staatssecre– 

taris ons eigenlijk geven dat De 

Dreef nu naar behoren functioneert? 

De informatie die wij tot nu toe 


overigens na lang aandringen - van 

hem ontvingen, heeft mij niet gerust– 

gesteld. 

In de antwoorden op de vragen 
staat dat onder andere over Nieuw 
Veldzicht en De Brink nog geen 
besluitvorming heeft plaatsge– 
vonden. Wat betekent dat nu voor 
deze instellingen? Wie een instituut 
als Nieuw Veldzicht ziet, gaat dat 
toch niet sluiten? Gelet op de 
populatie van dit huis denk ik dat 
vooral de staatssecretaris van 
Justitie op zijn hoede zou moeten 
zijn. Samenwerken met éèn of meer 
andere instellingen lijkt mij wel een 
terechte eis. En zo iets kan natuurlijk 
ook van De Brink gevraagd worden. 
Met BJ-Brabant moet daar uit te 
komen zijn. 

Er zal ook een adequate moeten 
worden gevonden voor het interes– 
sante en inderdaad goed lopende 
project De Tukker. Dit zeilschip moet 
echt in de vaart blijven. Mag ik de 
minister vragen, een zodanige 
overgangsmaatregel te nemen dat er 
in 1992 geen financieel gat valt? 

Wat de groeigelden voor MKD's 
en MKT's betreft sluit ik mij aan bij 
de collega's. 

Hoe staat het met het overleg met 
en de subsidiëring van de landelijke 
cliëntenorganisaties? Wat wordt er 
bedoeld met bundeling en stimu– 
lering van cliëntenorganisaties? Wat 
betekent dat concreet voor BM, de 
SOR en het platform "laat ouders 
ouder blijven"? Kunnen zulke vrijwilli– 
gersorganisaties nu op structurele of 
op projectmatige subsidie rekenen? 

Het kabinet heeft de motie– 
Vliegenthart over de samenvoeging 
van raden voor de kinderbe– 
scherming, instellingen voor gezins– 
voogdij en jeugdreclasserïng niet 
uitgevoerd. Waarom eigenlijk niet? 
Was de Kamer nog niet helder 
genoeg? Mij is nog steeds niet 
duidelijk hoe samenvoeging of 
samenwerking er uit zou moeten 
zien. Of wil de staatssecretaris na 
alle kritiek op de raden voor de 
kinderbescherming deze raden kwijt 

en wil hij ze onderdeel van het parti– 

culier initiatief maken? Hoeveel 

ambtenaren blijven er na de decen– 

tralisatie bij Jeugdbeleid over? Is 60 

niet erg veel? 

In het convenant las ik dat er geen 
rekening is gehouden met het 
lopende onderzoek in het kader van 
de decentralisatie, maar de verdere 
decentralisatie van de jeugdhulpver– 
lening staat toch hoog op de 
politieke agenda. Het decentralisa– 
tietrio van oud-politici kijkt daar toch 
met voorrang naar. Hoe zit dat nu 
precies? En wat zijn de intenties van 
beide bewindslieden? 

D 

De heer Van der Vlies (SGP): 
Voorzitter. De behandeling van het 
Rijksplan jeugdhulpverlening 1992 
wordt gemarkeerd door een aantal 
bijzondere punten. In de eerste 
plaats treedt per 1 januari 
aanstaande de Wet op de jeugdhulp– 
verlening als nieuw wettelijk kader in 
werking. In de tweede plaats wordt 
de sector geconfronteerd met een 
omvangrijke financiële ombuigings– 
taakstelling en in de derde plaats is 
er het nodige te doen rondom de 
raden voor de kinderbescherming. 

Om met het eerste te beginnen, bij 
ons was aanvankelijk de vraag 
gerezen, in hoeverre alle betrokken 
partij en gereed zijn voor de 
belangrijke wijziging per 1 januari 
aanstaande. Het convenant, dat op 5 
december jongstleden door de 
betrokken overheden is getekend, 
beantwoordt die vraag nog niet 
geheel. Ik leid eruit af dat er op 
enkele onderdelen nog geen 
overeenstemming is, onderdelen die 
gaan over de concrete uitvoering van 
de wettelijke maatregelen. Daarvoor 
zijn slechts procedurele afspraken 
gemaakt. Ik vind wel dat er ook op 
die onderdelen zo snel mogelijk 
duidelijkheid moet worden geboden, 
omdat zaken als normharmonisatie, 
herspreiding en schaalvergroting de 
nodige onrust met zich mee zullen 
kunnen brengen en de voortgang van 
het echte werk zullen kunnen belem– 
meren. Kunnen de bewindslieden 
aangeven, voor wanneer er over de 
door mij genoemde onderdelen 
bestuurlijke afspraken moeten 
worden gemaakt? 

Het tweede markante punt is de 
financiële taakstelling. Ik heb 
eigenlijk niet begrepen hoe de 
bewindslieden kunnen volhouden dat 
deze taakstelling kan worden 

ingevuld zonder dat er gesneden zou 
behoeven te worden in de capaciteit 
van voorzieningen. Ik heb er grote 
twijfel over of door een verbetering 
van de efficiency en de effectiviteit 
dusdanige besparingen gerealiseerd 
kunnen worden dat er geen aanslag 
behoeft te worden gepleegd op de 
capaciteit Ik betrek daarbij nadruk– 
kelijk het gegeven dat de hulpvraag 
in de jeugdhulpverlening groter lijkt 
te worden, onder andere door de 
verruiming van de leeftijdsgrenzen. 
In de sector wordt het verlies op 800 
plaatsen geschat. Dat is toch niet 
verantwoord te noemen? Kunnen de 
bewindslieden nog eens beargumen– 
teerd aangeven waarom zij deze 
keuze hebben gemaakt en kunnen zij 
daarbij aangeven hoe volgens hen de 
aantasting van de capaciteit zou 
kunnen worden vermeden? 

Een belangrijke inzet bij de 
opgelegde bezuinigingen is de 
besparing die kan worden bereikt 
door een proces van schaalver– 
groting. De bewindslieden streven 
naar eenheden die financieel kunnen 
worden vertaald in een budget van 
8,5 mln. Ik vind dat toch wel een erg 
enge financiële redenering. Uiteraard 
zal bij schaalvergroting een bepaalde 
efficiency-winst geboekt kunnen 
worden. Maar het vooraf inboeken 
gaat volstrekt voorbij aan de 
bestuurlijke autonomie van instel– 
lingen die zich op het terrein van de 
jeugdhulpverlening begeven. Hoe is 
men er eigenlijk toe gekomen om 
een besparing te ramen van 6,5%? 
Kan daar wat meer duidelijkheid over 
verschaft worden? 

Ook na 1992 zijn verdere bezuini– 
gingen ingeboekt. Ik sluit mij aan bij 
vragen die daarover gesteld zijn. In 
het kader van de schaalvergroting 
zijn terecht en tot onze erkente– 
lijkheid maatregelen genomen om de 
levensbeschouwelijke en bovenre– 
gionale instellingen niet in een 
nadelige positie te doen geraken. 
Zoals de minister en de staatssecre– 
taris weten, gaat mij dit punt 
bijzonder ter harte. Uiteraard houd ik 
wat dit betreft de vinger aan de pols. 

Daarnaast werpt de discussie over 
een verdergaande decentralisatie van 
voorzieningen schaduwen vooruit. 
Wat ons betreft, is een decentrali– 
satie van landelijke voorzieningen 
naar de provincies niet aan de orde. 
Er wordt dan te veel overhoop 
gehaald. Daarbij denk ik onder 
andere aan de financiering vanuit 
verschillende provincies, het afbreuk 
doen aan een specifieke beleidsregie 

Bijzondere Commissie voor het 16 december 1991 
jeugdwelzijnsbeleid Jeugdwelzijnsbeleid UCV 19 


Van der Vlies 

voor de voorzieningen afzonderlijk. 
Het kost al moeite genoeg om de nu 
afgesproken decentralisatie zonder al 
te veel problemen daadwerkelijk tot 
stand te brengen. Ik vraag de 
bewindslieden deze analyse te 
onderschrijven, mede op basis van 
de vaststelling dat jeugdhulp aan 
minderjarigen, waar de ouderlijke 
taak op kennelijk grenzen stuitte, 
principieel tot de verantwoorde– 
iijkheid van de overheid behoort. 

In juni hebben wij uitgebreid 
gesproken over de taken en de 
functies van de raden voor de kinder– 
bescherming. De brieven hierover 
van de staatssecretaris hebben wel 
wat meer duidelijkheid gegeven, 
maar in elk geval niet die duide– 
lijkheid die gewenst wordt. De 
suggestie van collega Dijkstal over 
een voortgangsrapportage lijkt mij 
dan ook prima. Ook in dit opzicht 
wordt de discussie enigszins 
vertroebeld door de financiële 
randvoorwaarden. Zo wordt in de 
brief van 7 oktober jongstleden 
aangegeven dat er nog geen volledig 
beeld is van de financiële kaders van 
jeugdbescherming en reclassering. Is 
dat inmiddels al beschikbaar? Ik heb 
begrepen dat er bij de raden gewerkt 
wordt aan een visie op hun financiële 
en sociale taken. Het lijkt mij 
gewenst, die te betrekken bij het 
opstellen van een notitie waarin een 
samenhangende visie wordt gegeven 
op een eventuele integratie van het 
werk van de raden met de voogdij– 
instellingen en de reclassering. 

Wat de kinderalimentatieproble– 
matiek betreft, verzoek ik kortheids– 
halve de bewindslieden, te reageren 
op de kritiek die op hun voornemens, 
die overigens niet sporen met de 
inhoud van motie nr. 8 van 17 juni 
jongstleden, is geformuleerd op de 
studiedag die 9 december jongst– 
leden werd gehouden, een kritiek die 
de SGP-fractie grotendeels deelt. 

Recent is het eindadvies over de 
toekomst van de pleegzorg uitge– 
bracht. Dit eindadvies ademt een 
zekere consensus over de vraag wat 
er moet gebeuren in de pleegzorg. 
Dat lijkt mij voor de regering een 
betrekkelijk gemakkelijke positie. 
Wanneer kunnen wij het standpunt 
van de regering vernemen? Ik vraag 
de bewindslieden, hierbij enige 
spoed te betrachten. 

Over de beter te verankeren 
rechten van ouders respectievelijk 
van cliënten wordt nog een pittige 
discussie gevoerd. Ik ga daar nu dan 
ook aan voorbij. 

Wanneer kunnen wij het standpunt 
over de normharmonisatie eindelijk 
tegemoetzien? Ik mag er toch van 
uitgaan dat dit er voor 16 februari 
aanstaande is? Dat is nodig, wil de 
Kamer voor de totstandkoming van 
bestuurlijk commitment met overige 
partijen in het veld, nog met de 
regering van gedachten kunnen 
wisselen. 

D 

De heer Van Middelkoop (GPV): 

Mijnheer de voorzitter! De bewinds– 
lieden hebben het zelden zo gemak– 
kelijk gehad als vandaag, want de 

Kamer is zeldzaam eenstemmig. Dat 
is, zeker met het oog op de duide– 
lijkheid, een stuk makkelijker. Ik heb 
er ook geen behoefte aan, vandaag 
een dissonant te zijn. 

Ook het budget van de jeugdhulp– 
verlening ontkomt blijkbaar niet aan 
het bezuinigingsmes. En zoals bij 
vele bezuinigingen wordt het 
bereiken van die bezuinigingstaak– 
stelling allereerst gezocht in het 
verhogen van de efficiency en de 
effectiviteit van de hulpverlening. 
Volgens het rijksplan Jeugdhulpver– 
lening betekent dit dat de bezui– 
niging "in principe niet ten koste 
hoeft te gaan van de capaciteit." Een 
dergelijke zinsnede wekt, als je haar 
maar vaak genoeg tegenkomt, 
argwaan. Vanuit het hulpverle– 
ningsveld komen berichten dat kwali– 
teits– en capaciteitsverlies de conse– 
quenties zullen zijn. Mijn collega's 
spraken er reeds over. Daarbij richt 
men zich vanuit het veld vooral tegen 
de voorgenomen organisatorische 
schaalvergrotingsoperatie. De 
minister verwacht hier veel van. Te 
veel, lijkt mij. Schaalvergroting 
betekent niet vanzelfsprekend ook 
kwaliteitsverbetering. Ten principale 
is de vraag aan de orde waar de 
grenzen van de schaalvergroting 
kunnen worden gelegd. Graag een 
reactie van de minister op deze 
kritiek. 

Ook nodig ik haar uit, in te gaan 
op de vraag hoe de decentralisatie in 
de jeugdhulpverlening zich nu 
precies verhoudt tot de plannen voor 
de schaalvergroting. Dat zijn toch 
twee tegengestelde bewegingen? 
Wat zal nog de eigen verantwoorde– 
lijkheid van de kleinschalige onder– 
delen in die grootschalige organi– 
satie kunnen zijn? 

Ik concentreer mij nu verder op de 
vorm waarin de schaalvergrotings– 
operatie wordt gegoten. Gestreefd 

wordt naar de vorming van zes 
grootschalige landehjke residentiële 
organisaties, die elk een minimum 
budget van 8,5 mln. moeten hebben. 
Voor de specifiek levensbeschou– 
welijke voorzieningen wordt dit geen 
reële optie genoemd. Zij krijgen 
daarom een budgetkorting van 6,5% 
en zij lijken tevens in een wat aparte 
hoek te worden geplaatst. Die 
organisaties zijn echter volwaardig 
en gelijkwaardig aan de andere zes 
landelijke organisaties. Het onder– 
scheid kan nevenschikkend, maar 
niet onderschikkend zijn. Deelt de 
regering deze opvatting? Is zij het 
met mij eens dat de functie van de 
categorale observatietehuizen ook 
aan de levensbeschouwelijke instel– 
lingen gekoppeld dient te worden? 
Alleen dan praten wij over gelijke 
behandeling en nevenschikking. 

De verwachte 6,5% efficiencywinst 
die wordt doorberekend naar de 
budgetten van de instellingen, is 
volgens een onderzoek van het 
organisatiebureau Andersson, Elffers 
en Felix - mevrouw Versnel noemde 
het al- te optimistisch geraamd Het 
bureau spreekt van maximaal 2 a 
2,5% efficiencywinst bij schaalver– 
groting tot instellingen van 90 
medewerkers. Hoe verhouden deze 
cijfers zich tot de ramingen van de 
regering? 

Het eindadvies van de werkgroep 
Pleegzorg is onlangs gepresenteerd. 
De voorstellen zullen 25 mln. extra 
gaan kosten. Hoe denkt de minister 
deze extra lasten op te vangen? Een 
van de conclusies dle uit het rapport 
kunnen worden getrokken, is dat 
identiteitsgebonden instellingen zeer 
moeilijk aan de vereiste minimum 
capaciteit zullen kunnen voldoen. Bij 
deze instellingen bestaat ook de 
vrees dat na verloop van tijd de 
kwaliteitseisen opnieuw worden 
opgeschroefd, waardoor hun subsi– 
dietitel bedreigd kan worden. Kan de 
minister de betrokkenen gerust– 
stellen dat de minimum eisen die 
gaan gelden, hierna niet nog verder 
worden opgeschroefd? De 
belangrijke functie die deze instel– 
lingen hebben Inzake de ouderlijke 
opvoedingsverantwoordelijkheid in 
het gezinsleven, mag niet verloren 
gaan door efficiencyoperaties en 
schaalvergroting. Deelt de minister 
de opvatting dat deze instellingen 
een eigen positie in de pleegzorg 
dienen te houden? 

De plannen met betrekking tot de 
samenvoeging van de raden voor de 
kinderbescherming, de voogdij– 

Bijzondere Commissie voor het 16 december 1991 
jeugdwelzijnsbeleid Jeugdwelzijnsbeleid UCV 19 19-14 


Van Middelkoop 

instellingen en de reclassering lijken 
ondanks een motie van de Kamer 
toch te worden doorgezet. Mede 
daarom lijkt deze UCV deels een 
herhaling van die 17 juni. Er is zelfs 
een projectbureau ingeschakeld. Kan 
de staatssecretaris aangeven hoe ver 
de samenwerkingsplannen gaan? 
Ongetwijfeld te ver! In dit verband 
heb ik graag een reactie van de 
staatssecretaris op het werkdo– 
cument Kerntakendiscussie, dat de 
Vereniging van secretarissen raden 
voor de kinderbescherming onlangs 
heeft uitgebracht. 

Ten slotte De discussie over het 
afstoten van financiële taken van de 
raden voor de kinderbescherming 
toont aan dat het afwegen van 
kerntaken van de rijksoverheid 
moeilijk te verteren consequenties 
kan hebben. Bij deze afweging dient 
voorop te staan dat de rechtspositie 
van ouders en kinderen niet te zeer 
wordt geschaad. Dat is wel degelijk 
een verantwoordelijkheid van de 
overheid. De vaststelling en de 
inning van de kinderalimentatie en 
de ouderbijdragen jeugdhulpver– 
lening laten zich veel minder dan 
andere taken afstoten naar de parti– 
culiere sector. Daarvoor is de positie 
van betrokkenen te kwetsbaar. Het 
verzoek in de motie van 17 juni is 
dan ook alleszins redelijk en billijk, 
zoals eerder op niet mis te verstane 
wijze door mevrouw Soutendijk 
nogmaals werd verwoord. 

D 

De heer Leerling (RPF): Voorzitter! 

Op het terrein van de jeugdhulpver– 

lening doen zich nog steeds 

problemen voor, niet alleen met 

betrekking tot de bezuinigingen. Bij 

het laatste zet ook ik de nodige 
vraagtekens. Er zijn met name in de 
kinderbescherming scheefgegroeide 
verhoudingen die zo snel mogelijk 

moeten worden gecorrigeerd. Het is 
al ruim een jaar geleden dat de 

Kamer het rapport Rechtzetten 
besprak. In juni van dit jaar was er 
het met spanning tegemoet geziene 
debat met het kabinet. Hoe staat het 
nu precies met de implementatie van 
de aanbevelingen die de subcom– 
missie Kinderbescherming in zowel 
bestuurlijke als wetgevende zin 
deed? Er doet zich hopelijk toch geen 
onnodige vertraging voor? De aanbe– 
velingen uit het rapport Rechtzetten 
waren er immers op gericht dat de 
burgers grotere waarborgen zou 
worden gegeven om hun belangen te 

behartigen en het vertrouwen in de 
herkenbaarheid van de kinderbe– 
scherming te vergroten. De situatie 
is bepaald nog niet zo dat die aanbe– 
velingen als achterhaald kunnen 
worden beschouwd. Ik wijs bijvoor– 
beeld op de zich voortslepende 
problematiek met betrekking tot de 
wegloopjongeren, de smeekbeden 
van grootouders voor een aparte 
bezoekregelmg, de roep om contra– 
expertise en het instellen van een 
interdepartementale inspectie jeugd– 
hulpverlening. Het kan toch niet zo 
zijn dat door tegenstelling tussen 
WVC en Justitie die nieuwe inspectie 
wordt tegengehouden. Kort en goed, 
ik verkrijg graag een tijdpad van de 
regering - ik sluit mij aan bij de heer 
Dijkstal die dit als eerste naar voren 
heeft gebracht, maar ik heb het ook 
in mijn tekst staan - voor wat betreft 
de implementatie van de betreffende 
aanbevelingen uit het rapport 
"Rechtzetten". 

Voorzitter! Voorkomen blijft nog 
altijd beter dan genezen - preventie 
dus - en dat staat ook hoog in het 
vaandel van dit kabinet. Het geldt 
ook voor de onderhavige proble– 
matiek. Opgroeien in een gezond en 
harmonieus gezin, waarin ouders de 
hun als gezagdragers van Godswege 
gegeven opvoedingstaak uitvoeren 
en daarbij de volle aandacht kunnen 
geven aan hun opgroeiende 
kinderen, is voor minderjarigen van 
onschatbare betekenis. Kinderen 
mogen het als een voorrecht 
beschouwen op te groeien in een 
gezin, waarin niet de "vrijheid– 
blijheid-gedachte" opgeld doet, maar 
waarin gezonde gezagsrelaties in 
stand worden gehouden en een 
overdracht plaatsvindt van voor 
iedereen geldende normen en 
waarden. Deze opvatting past mijns 
inziens volkomen in het kader van 
een verantwoord preventiebeleid. 
Delen de bewindslieden die visie? 

Voorzitter! Opgroeien in een 
gezond gezin is, zoals ik al zei, een 
preventiemaatregel, maar helaas 
heeft niet elk kind het voorrecht om 
in zo'n harmonieus gezin op te 
groeien, terwijl er ook in een harmo– 
nieus gezin nog wel eens het een en 
ander fout gaat. Bij conflictsituaties 
tussen ouders en kinderen zal de 
hulpverlening echter voor alles 
gericht moeten zijn op het herstel 
van de gezinsrelatie. Ik waardeer het 
dat de directeur jeugdbeleid WVC, 
de heer Malmberg, onlangs heeft 
aangegeven dat kinderen zolang 
mogelijk in hun eigen omgeving, 

liefst in het eigen gezin, moeten 

worden geholpen. 

In de preventienota "Opvoedings– 
steun op maat", die ik vandaag in 
handen kreeg, wordt erkend dat een 
toenemend aantal jongeren uit de 
verschillende hulpverleningscircuits 
vallen. Ik waardeer het dat de 
bewindspersonen in deze nota 
nieuwe wegen proberen te zoeken in 
de vorm van het bevorderen van 
buurtnetwerken jeugdhulpverlening. 
Preventie lijkt mij ook mogelijk als 
scholen en kruiswerk vroegtijdig 
signalen opvangen. Of worden deze 
bij wijze van voorbeeld genoemde 
instellingen opgenomen in dergelijke 
netwerken? 

Voorzitter! Het is op zichzelf 
verheugend dat de rechtspositie van 
ouders de laatste tijd meer in beeld 
komt. Ouderorganisaties bevechten 
een betere positie. Willen de 
bewindslieden toezeggen dat de 
cliëntenorganisaties meer dan tot nu 
toe bij het beleid worden betrokken? 
Dat is meer dan een jaarlijkse uithuil– 
mogelijkheid, zo zeg ik in de richting 
van de staatsecretaris. Ouderorgani– 
saties zullen volledig moeten kunnen 
participeren. Dit vraagt echter om 
financiële ondersteuning. Wanneer 
valt daarover een beslissing? 

Kan er voorts met spoed iets 
veranderen in de zeer onbevredi– 
gende situatie dat ouders keer op 
keer, de laatste tijd met doorslaand 
succes met behulp van de SOR, 
moeten procederen tegen het 
verhaal van bijstandskosten, betaald 
aan van huis weggelopen minderja– 
rigen? Kan aan die situatie een einde 
worden gemaakt? 

Een ander en recent probleem 
blijkt het bestaan van de PARR te 
zijn. Mevrouw Vliegenthart 
refereerde daar ook aan. Wil de 
staatssecretaris van Justitie in dit 
debat mededelen dat aan deze 
ongewenste toestand, waarin ouders 
vrijwel rechteloos zijn, een einde 
wordt gemaakt? 

Voorzitter! Binnen de jeugdhulp– 
verlening wordt hoge prioriteit 
toegekend aan regionalisering, 
schaalvergroting en kwaliteitseisen. 
Ik heb vragen bij die keuzen. Zo moet 
het kwaliteitsbegrip in de regel niet 
alleen in economische zin worden 
uitgelegd. In de jeugdhulpverlening 
gaat het om meer zaken dan een 
efficiënte organisatie en efficiënte 
aanwending van middelen om het 
gestelde doel te bereiken, hoe 
belangrijk dat ook is. Heel belangrijk 
is dat het kind hulp ontvangt die in 

Bijzondere Commissie voor het 16 december 1991 
jeugdwelzijnsbeleid Jeugdwelzijnsbeleid UCV 19 


Leerling 

lijn ligt met het door de ouders 

voorgestane opvoedingsklimaat. 

Voor een identiteitgebonden 
instelling Is de identiteit een 
belangrijke factor voor het 
vaststellen van de kwaliteit van het 
werk. De identiteit beheerst de hulp 
als geheel en de hulp vanuit een 
identiteitgebonden instelling is meer 
dan die van de algemene hulp met 
een kop erop. Het streven naar 
schaalvergroting dreigt het bestaans– 
recht van levensbeschouwelijke 
organisaties aan te tasten, niet voor 
het eerst overigens. In het nieuwe 
beleid moet de minister naar onze 
mening ruimte laten voor bovenre– 
gionale organisaties op levensbe– 
schouwelijke grondslag, zoals de 
STUW, De Driehoek en anderen. Ik 
ga ervan uit dat die ruimte er is en 
komt. Zo ja, hoe zal deze dan worden 
geconcretiseerd? 

De voorzitter: Dit lijki mij een 

prachtig slot, mijnheer Leerling. U 

bent nu echt door uw spreektijd 

heen. 

De heer Leerling (RPF): Voorzitter! 
Mag ik dan toch -u heeft bij de 
anderen ook wat coulance betracht dit 
stukje afmaken? Ik denk dat ik 
wat dit betreft op uw clementie een 
beroep mag doen. 

Ik wijs er op dat in het kabinets– 
standpunt inzake het 
Heroverwegingsrapport kruiswerk/ 
gezinsverzorging de regering de 
zojuist gevraagde ruimte wel 
aangeeft. Ook artikel 6 van de Wet 
op de jeugdhulpverlening geeft die 
ruimte. Graag een reactie van de 
bewindslieden. 

Willen de bewindslieden ook een 
voorlopige reactie geven op het 
onlangs uitgebrachte advies van de 
NEVIS? Dit advies bevat zeker 
positieve punten. Ik noem in dit 
verband de budgettaire neutraliteit 
en het streven naar het behoud van 
de levensbeschouwelijke identiteit 
van schippersinternaten. 

Voorzitter. De Raad voor de 
kinderbescherming uit Rotterdam 
heeft met toenemende problemen te 
maken. Het blijkt steeds moeilijker 
om de pupillen uit te plaatsen. Heeft 
de regering kennis genomen van die 
problematiek en, zo ja, welke 
oplossing stelt zij voor? 

Ik zou het op prijs stellen als de 
regering een eerste reactie zou 
willen geven op het rapport dat de 
secretarissen van de raden voor de 
kinderbescherming in Breda hebben 

opgesteld met betrekking tot het 

opheffing van de raden en het 

werken aan een nieuwe structuur. 

De vergadering wordt van 18.20 uur 

tot 19.50 uur geschorst. 

De voorzitter: Het woord is nu aan 

de bewindslieden. Zij zullen 

onderling hun spreektijd verdelen. Ik 

vraag hen wel er daarbij rekening 

mee te houden dat nog een tweede 

termijn volgt. Met de tweede termijn 

van de zijde van de Kamer willen wij 

om kwart over negen beginnen. Het 

woord is allereerst aan de minister 

van Welzijn, Volksgezondheid en 

Cultuur. 

D 

Minister d'Ancona Mijnheer de 
voorzitter! Ik dank alle woord– 
voerders voor hun geïnvolveerde 
inbreng in eerste termijn. Speciaal 
denk ik aan de opmerkingen van de 
heer Lankhorst. Hij zei dat hij alle 
documenten en nota's terzijde had 
gelegd en zelf eens was gaan kijken 
in een instelling. Daarna gaf hij een 
goed beeld van wat het zou 
betekenen als wij gaan bezuinigen op 
de manier die wij ons voorstellen. 
Het verhaal van de heer Lankhorst 
was niet alleen goed, maar hij 
maakte daarmee de situatie ook 
invoel– en inleefbaar. Sinds ik deze 
post bekleed, heb ik zelf heel vaak 
bezoeken aan mensen in het veld 
gebracht. Zelfs vandaag ben ik de 
hele dag daarvoor weg geweest. 
Vanmiddag was ik vlak bij, in Den 
Haag. Samen met de wethouders 
van de vier grote steden heb ik in 
een buurthuis een project gelan– 
ceerd. Dat project heet De verlengde 
schooldag. Met dat project proberen 
wij allochtone kinderen langer op 
school te houden en hun iets aan te 
bieden wat niet direct te maken 
heeft met datgene wat je op school 
leert of krijgt aangereikt. Daaren– 
tegen richt men zich met dit project 
veel meer op datgene wat zich als 
het ware om de school heen bevindt. 
Daarbij denk ik aan zaken die heel 
toegankelijk kunnen zijn voor 
niet-allochtone kinderen. Ik noem: 
kunstzinnige vorming, biblio– 
theekwerk, sport en muziek. Het 
aanbod van die dingen wil men in de 
scholen tot uiting laten komen 

Waarom doen wij dat? Bij het 
beantwoorden van die vraag kom ik 
toe aan datgene waarover mevrouw 
Versnel met waardering sprak. In een 

zeer vroegtijdig stadium kan men op 

een algemene manier preventief 

bezig zijn. Daardoor wordt 
voorkomen dat kinderen een beroep 

moeten doen op de jeugdhulpver– 

lening. Die staat vanavond in het 

middelpunt van de belangstelling. 

Ik zeg dit omdat ik onder de indruk 
was van datgene wat ik vanmiddag 
heb gezien. Mij is duidelijk geworden 
wat het buurt– en clubhuiswerk op 
sommige plaatsen doet om voor de 
allochtone kinderen een aanbod te 
verzorgen. Daarmee zou dan iets 
gedaan kunnen worden aan de 
achterstand die deze kinderen 
hebben als zij naar school gaan. Die 
achterstand wordt in de periode 
waarin zij naar school gaan, 
jammerlijk genoeg, groter. Wij willen 
nagaan wat wij naast de mogelijk– 
heden van het bestaande aanbod 
nog kunnen doen. 

In dit verband denk ik ook aan de 
cijfers die weergeven wat er met 
kinderen gebeurt, speciaal met 
kinderen uit achterstandswijken. Ik 
zeg dit met gevoel voor de activi– 
teiten van de heer Lankhorst en denk 
in het bijzonder aan de positie van 
allochtone kinderen. De achterstand 
van deze kinderen neemt alarmerend 
toe terwijl zij gewoon naar school 
gaan. Dat is begrijpelijk als men 
bedenkt welke barrières deze 
kinderen moeten overwinnen. Over 
ondersteuning vanuit het ouderlijk 
milieu praat ik nog niet. Ik denk nu 
slechts aan de barrières die feitelijk 
aanwezig zijn. Ik kan dus echt naar 
eer en geweten zeggen dat de 
problemen van die kinderen, maar 
ook van kinderen in het algemeen, 
mij echt aan het hart gaan. Ik heb 
oog voor deze hardnekkige 
problemen. Ik zie ook dat die 
problemen zich verergeren. Diverse 
leden hebben dat ook gezegd. Het 
uitblijven van een goed preventief 
beleid maakt dat wij aan het eind van 
de rit geconfronteerd worden met 
bijvoorbeeld wachtlijsten, rapporten 
over zwerfkinderen waaruit blijkt dat 
zij een lange en niet succesvolle 
carrière achter de rug hebben en 
met allerlei vormen van drop-out. 
Het niet naar school gaan is nog het 
minste in dezen. Er treden ernstige 
problemen op. Wat er gezegd is, is 
niet aan dovemansoren gezegd. Ik 
heb dit met eigen ogen gezien en ik 
ben mij echt bewust van de ernst van 
de situatie. Toen ik nog maar net 
minister was, heb ik juist daarom 
langdurig en veelvuldig gepraat met 
allerlei mensen over de vraag wat 

Bijzondere Commissie voor het 16 december 1991 
jeugdwelzijnsbeleid Jeugdwelzijnsbeleid UCV 19 19-16 


d'Ancona 

een meer structurele oplossing zou 
kunnen zijn. Ik zou het eerste deel 
van mijn betoog natuurlijk kunnen 
wijden aan bezuinigingen. Dat zal ik 
ook doen omdat iedereen daar de 
meeste aandacht aan besteed heeft. 
Maar ook zonder die bezuinigingen 
konden wij toch niet zeggen dat het 
allemaal zo goed ging en dat het niet 
hard nodig was om ons te herbe– 
zinnen. Aan de zaak moet op een 
fundamenteel andere manier gestalte 
worden gegeven, omdat er ook 
zonder bezuinigingen allerminst 
sprake is van succes. 

De heer Dijkstal (VVD): Voorzitter! 
Tot nu toe kon ik zeer wel meegaan 
met wat de minister zei. Als wij 
nagaan hoeveel grote operatles er in 
de laatste jaren al geweest zijn, weet 
ik alleen niet of zij dat laatste zo 
maar kan zeggen. Je kunt toch niet 
aan de gang blijven met het zoeken 
naar nieuwe structurele oplossingen. 
Dat is een van de grote klachten. Al 
jarenlang rolt men van de ene in de 
andere operatie. 

Minister d'Ancona Wat de heer 

Dijkstal zegt, is juist. Het gaat 

precies om dat zonder meer bezui– 

nigen. Dat is kennelijk in de 

afgelopen jaren gebeurd. Het zet 

geen zoden aan de dijk als wij alleen 

maar bezien hoe wij kunnen bezui– 

nigen. 

De heer Dijkstal (VVD): Nu doet u 
mijns inziens de geschiedenis 
onrecht aan. In de afgelopen jaren 
zijn wij immers juist bezig geweest 
met het zoeken naar een structurele 
oplossing! De hele wet inzake de 
jeugdhulpverlening is toch bedoeld 
geweest om tot een fundamentele 
oplossing te komen. Als u zegt dat u 
in uw periode geprobeerd heeft om 
hier fundamenteel naar te kijken, 
waardeer ik dat. Het probleem is 
echter dat zowel het ministerie als 
de Kamer dat in de periode daarvoor 
fundamenteel gedaan heeft. Wat dit 
betreft, doet u de geschiedenis toch 
wel wat onrecht aan. 

Minister d'Ancona: Zoals u zult 
begrijpen, ben ik daar niet op uit. Het 
zou beter geweest zijn als er minder 
instellingen waren geweest. Dat had 
moeten gebeuren. Daarvan heb ik 
mij althans laten overtuigen en ik 
neem aan dat u daarvan ook 
overtuigd bent, mijnheer Dijkstal. 
Aan de gigantische versnippering 
van het veld zou nodig wat gedaan 

moeten worden. Ik spreek dan echt 
niet over de centen maar over de 
kwaliteit van de zorg. Er is nog 
steeds geen goede aansluiting van 
de lokale voorzieningen in het 
preventieve vlak op bijvoorbeeld de 
regionale voorzieningen. Misschien is 
het moment waarop ik de nota 
"Vernieuwing in het jeugdbeleid" heb 
uitgebracht, niet zo gelukkig 
geweest. Maar in die nota heb ik 
geprobeerd, duidelijk te maken wat 
wij zouden kunnen doen. Dit 
antwoord is ook bestemd voor 
mijnheer Van der Vlies. De inzet van 
de nota "Vernieuwing in het jeugd– 
beleid" was natuurlijk geen gemilli– 
meter over cijfers of het uitpersen 
van een financiële citroen. Neen, 
mijn inzet met die nota was 
inderdaad om op weg te gaan naar 
een samenhangend jeugdgebouw. In 
de eerste plaats moest kwaliteitsver– 
betering worden bereikt, onder 
andere door middel van schaalver– 
groting. Wat mij betreft staat dat 
nog steeds recht overeind. Wat wel 
bleek uit die nota was dat, wanneer 
we zo te werk zouden gaan - ik doel 
dus op het uitgaan van kwaliteitsver– 
betering - we daar een zeker bedrag 
aan over zouden houden. Wat was 
de bedoeling? De bedoeling was om 
het geld dat die kwaliteitsoperatie 
zou opleveren, in te zetten op andere 
terreinen, om daar tot intensivering 
te komen. Maar er bestond nog geen 
Tussenbalans, en toen die er wel 
kwam, was de uitkomst dat, hoe 
jammerlijk ook, die kwaliteitsverbe– 
tering, waar ik nog steeds achter sta, 
niet door zou gaan, en dat de inten– 
sivering getemporiseerd zou worden. 
Dat is, het zal duidelijk zijn, een heel 
moeilijke afweging geweest. 

De meeste aanwezigen hebben 
eigenlijk natuurlijk ook wel 
meegedaan aan die afwegingsope– 
ratie, want de meesten zie ik terug 
als we het hebben over het rijksplan. 
De meesten weten dus ook dat, hoe 
moeilijk die afweging ook moge zijn, 
ze toch wel als verstandig is aan te 
merken. Niemand zegt immers: 
mevrouw de minister, op het terrein 
van welzijn is nog genoeg te halen. 
Nee, we zijn eigenlijk allemaal bezig 
met een behoorlijk armoedig 
gesprek, behalve mevrouw Versnel, 
die vanuit een riante positie aan dat 
gesprek deelneemt. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (066): 
Dat is een politieke keuze. 

Minister d'Ancona: Ja, dat kunt u 

doen, maar ik niet! Maar goed, dat 

komt ook omdat mevrouw Versnel, 

en de heer Lankhorst - die BiZa 

daarop heeft aangesproken 


natuurlijk weten dat dat binnen de 

welzijnsbegroting niet meer is te 

vinden zonder dat allerlei andere 

vernielingen worden aangericht. 

Ondanks de moeilijke bezuini– 
gingsoperatie wil ik de essentie 
overeind houden. In het rijksplan kan 
men nog steeds dat verhaal over het 
kwaliteitsbeleid lezen, want dat is mij 
ernst. De vorm waarin dat gestalte 
moet krijgen via het complementair 
bestuur blijkt ook uit het convenant. 
De aandacht voor preventie moet 
blijven Uit de nota blijkt die continue 
inzet ook. 

De schaalvergrotingsoperatie 
willen we, met of zonder bezuini– 
gingen, mogelijk maken door zelf in 
een drietal pilotprojecten, met het 
particulier initiatief en de lagere 
overheden, de zaak uit te proberen. 
We willen geen onmogelijke 
opdrachten verstrekken, maar samen 
met betrokkenen kijken hoe de zaken 
lopen. In het convenant is daar ook 
aandacht aan besteed. 

De heer Lankhorst (Groen Links): 
De instellingen die al een omvang 
hebben waar u zelf over spreekt -u 
noemde een bedrag van 7 a 8 mln. worden 
ook getroffen door dezelfde 
bezuinigingstaakstelling. Hoe ziet u 
dat dan? Daar kan de efficiency– 
korting immers niet meer worden 
gehaald door (meer) samen te 
werken. Uw verhaal zou logischer 
zijn als aan die instellingen niet 
dezelfde bezuinigingstaakstelling zou 
zijn opgelegd. 

Minister d'Ancona: De enkele 
instellingen die een dergelijke 
omvang hebben - dat heb ik mij 
tenminste laten vertellen - hoefden 
in het verleden, anders dan de 
andere instellingen, niet te voldoen 
aan de eis tot ombuiging. Die zijn 
dus buiten schot gebleven. Als het 
anders ligt, dan hoor ik dat graag, 
maar mij is gezegd: het gaat hier om 
bijzonder jeugdwerk en dat is uit de 
wind gehouden bij vorige bezuini– 
gingsoperaties. 

De heer Lankhorst (Groen Links): 
De instelling waar ik was, was er 
eentje van 7 tot 8 mln. Deze krijgt nu 
dezelfde bezuinigingstaakstelling 
opgelegd, maar in het verleden heeft 
zij wel degelijk ook moeten inleveren. 
De minister heeft zich dus iets laten 
vertellen wat niet helemaal klopt. 

Bijzondere Commissie voor het 16 december 1991 
jeugdwelzijnsbeleid Jeugdwelzijnsbeleid UCV 19 


d'Ancona 

Mmister d'Ancona Ik kan het niet 
direct anders maken. Ik zal het nog 
eens laten nagaan, maar ik ben nog 
steeds van mening, dat ik een en 
ander met cijfers kan adstrueren. Er 
is in ieder geval kamerbreed verzet 
aangetekend tegen deze bezuiniging. 
De Kamer heeft gezegd, dat zij 
binnen WVC, zeker binnen de 
Welzijnsbegroting, geen alterna– 
tieven ziet. De Kamer heeft ook 
gezegd, dat zij mij vanavond of 
morgen - ik weet niet precies 
wanneer dat gebeurt - via een 
amendement zal oproepen om die 
bezuiniging ongedaan te maken. 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 

doorn (CDA): De minister stapt nu 

af van haar verhaal over de 

haalbaarheid van de schaalvergro– 

tingsoperatie, maar ik heb daar nog 

een vraag over. De minister gaat 

pilotprojecten op stapel zetten. Dat 

is wel zorgvuldig, maar hoe lang 

heeft de minister nodig om een en 

ander uit te proberen? Als ik het 

rijksplan goed lees, dan is de 

minister van plan om de schaalver– 

grotingsoperatie in 1994 af te 

ronden. Hoe lang krijgen die 

projecten de tijd? 

Minister d'Ancona: Ik ga straks nog 
verder in op het tempo van de 
schaalvergroting, maar de pilotpro– 
jecten moeten in ieder geval 
voldoende tijd hebben om zo iets 
ingewikkelds in de praktijk gestalte te 
geven. Daarnaast moeten ze als 
voorbeeld kunnen dienen voor 
anderen die ook worden uitgenodigd. 
Ik denk daarbij aan een tot twee jaar. 
De ervaringen die wij met die drie 
pilotprojecten opdoen, willen wij 
gebruiken om het anderen gemakke– 
lijker te maken. Misschien kunnen wij 
op die manier ook fouten 
voorkomen, want men moet niet 
denken dat het meteen goed gaat als 
iets een pilotproject wordt genoemd. 
Daarin kun je ook met mislukkingen 
te maken krijgen. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Die opzet en die instelling zijn reuze 
aardig, ware het niet dat eerst wordt 
bezuinigd en dat vervolgens die 
pilotprojecten gaan draaien. Normaal 
gesproken, gaat het andersom. 

Minister d'Ancona: Ik ben nog niet 
helemaal klaar met het bezuinigings– 
verhaal, maar de fasering van de 
bezuiniging had juist tot doel om de 

omvang ervan, teweeggebracht door 
schaalvergroting, als het ware via 
communicerende vaten bloot te 
leggen, zodat gebruik zou kunnen 
worden gemaakt van de ervarings– 
deskundigheid, opgedaan in de pilot 
projecten. Ik kom daar nog op terug. 

Ik was bezig met een kameruit– 
spraak, die ik echter nog niet voor 
mij heb. Ik begrijp dat de Kamer met 
zo iets komt, maar ik kan in ieder 
geval motiveren waarom ik het zo 
heb gedaan. Daar heeft de Kamer 
ook recht op. Ik sta toch heel sympa– 
thiek tegenover de uitspraak van de 
Kamer, maar als die komt, moet ik er 
desalniettemin mee naar de minister 
van Financiën. In dat gesprek met de 
minister van Financiën hoop ik 
bescheid te krijgen over wat ik aan 
de Kamer kan rapporteren tijdens de 
begrotingsbehandeling. Ik hoop dus 
van harte dat ik met een boodschap 
terugkom waardoor wij inderdaad 
terug kunnen komen op het oude 
spoor, zodat er sprake zal zijn van 
kwaliteitsverbetering, schaalver– 
groting en intensivering op die 
terreinen waar wij het nodig achten. 
Dit alles hoeft dan niet uitgesteld te 
worden, maar kan doorgaan op de 
termijn die wij voor ogen hadden. 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): De minister omarmt 

nu het idee en de kritiek van de 

Kamer. Dat kan ik mij best 
voorstellen, maar zij heeft destijds 
die bezuinigingen toch op de een of 
andere wijze verantwoord geacht. Zij 
zal dan ook moeten aangeven 
waarom zij die verantwoord vond. 

Minister d'Ancona: Daar ben ik mee 
bezig. Ik heb al een lange inleiding 
gehouden die in het teken stond van 
de verantwoording. Ik ben begonnen 
met te zeggen wat de inzet was, wat 
de nota die toen uitgebracht was, 
beoogde met kwaliteitsverbetering 
door schaalvergroting, wat dat 

opleverde en wat wij met dat geld 
zouden doen. Die Tussenbalans 
kwam echter. Daarin stond een grote 
bezuinigingsopdracht. Het geld 
moest dus anders worden besteed 
en daarom zijn de intensiverïngen 
uitgesteld. Daar komt het kort op 
neer. Ik begrijp heel goed dat die 
bezuinigingen keihard aankomen. Ik 
heb begrip voor de bezwaren, maar 
ik moet ook zeggen - nu kom ik aan 
het tweede deel van mijn verhaal dat 
ik geprobeerd heb om die pijn te 
verzachten en wel op twee manieren. 

De heer Dijkstal (VVD): Ik moet 

aannemen dat er in het kabinet 

boeiende discussies hebben plaats– 
gevonden over de motieBrinkman/ 
Wöltgens. Die motie is namelijk niet 
voor niets ingediend. Moet Ik uit de 
woorden van de minister opmaken 
dat tot op heden de minister van 

Financiën niet gevoelig was voor 

hetgeen in die motie is vastgelegd 
en dat de minister hoopt - dat zou 

haar uiteraard sieren - dat als de 

Kamer een amendement indient, de 

minister van Financiën wellicht toch 
nog te overreden is om dan bij 
Voorjaarsnota de dekking voor die 
41 mln. te vinden? Is dit een 
weergave van de werkelijkheid? 

Minister d'Ancona Wat betreft de 
motieBrinkman/Wöltgens bestaat er 
geen misverstand. De minister van 

Financiën en het hele kabinet hebben 
die goed in de oren geknoopt. Het 
enige dat ons dwars zit, is dat de 
revenuen uit de vergrote decentrali– 
satie-impuls pas tot ons komen in 
het jaar 1994. Het probleem waar wij 

nu mee te maken hebben, is een 
incidenteel probleem, maar wel van 
behoorlijke omvang. Wij moeten de 
jaren 1992 en 1993 door willen wij 
van die revenuen kunnen profiteren. 

Ik heb nu het idee dat de Kamer 
voorstelt om een tijdelijke brug te 
slaan. Dat vind ik interessant, maar 
de Kamer zal begrijpen dat ik eerst 
ga horen hoe de zaken erbij staan. 
Daarna zal ik terugkomen met een 
boodschap. Het gaat dus eigenlijk 
maar om twee jaar, want daarna 
gaat de motie-Brinkman/Wöltgens 
werken. Dan zouden wij dus uit de 
problemen zijn. Daardoor is er 
wellicht ook kans op succes. Die 
motie is nu eenmaal aangenomen. 
Het kabinet is het daarmee eens en 
heeft de inzet daarop gericht. In feite 
betreft het nu dus een overbrug– 
gingsperiode. Ik fungeer bovendien 
niet alleen als postbode. Ik zal ook 
de verhalen van de Kamer naar voren 
brengen. Er zijn verder nog een paar 
andere zaken waarom ik meen dat 
het kan. 

De heer Van der Vlies (SGP): De 
minister kan het niet helpen dat haar 
begroting het laatst aan de beurt is. 
Het is echter wel jammer dat tussen 
de week van de algemene beschou– 
wingen en vandaag er nogal wat 
overleg is gevoerd onder de veron– 
derstelling dat de bezuinigingsope– 
ratie voor de overgangsjaren nog 

16 december 1991 
jeugdwelzijnsbeleid Jeugdwelzijnsbeleid UCV 19 19-18 

Bijzondere Commissie voor het 


d'Ancona 

niet van tafel is. Ik vraag mij af of het 
signaal dat uitging van aanvaarding 
van de motie-Brinkman/Wöltgens 
voor het kabinet niet zo duidelijk 
was, dat daaruit de conclusie 
getrokken kon worden dat een en 
ander anders ingevuld moest 
worden. De minister legt dit 
probleem nu weer bij de Kamer. Zij 
gaat mogelijk binnen enkele dagen 
met een boodschap naar de minister 
van Financiën. Naar mijn wijze van 
zien had dit eerder geregeld kunnen 
worden. Het overleg had dan een 
geheel ander karakter gehad en dan 
hadden wij in een betere sfeer zaken 
kunnen doen. Of zie ik dat verkeerd? 

Minister d'Ancona: U ziet het vanuit 
uw optiek, maar ik zit aan de andere 
kant van de tafel. U begrijpt dat ik 
niet de enige ben die bij de minister 
van Financiën komt met de 

mededeling dat bezuinigingen niet 
mogelijk zijn of dat ze zwaar vallen. 
Andere collega's kunnen ook schrij– 
nende verhalen op tafel leggen. Ik 
was blij dat deze motie kamerbreed 
werd aanvaard. Er blijft echter wel 
een probleem over en dat heb ik op 
twee manieren getracht te onder– 
vangen. In de eerste plaats probeer 

ik faciliteiten te bieden voor de 
schaalvergroting in de komende 
jaren. Dit gebeurt onder andere via 
de zogenaamde pilot-projecten. Er 
wordt een aantal zaken uitgesteld, 
maar naar mijn gevoel kon dat. Dat 
wil overigens niet zeggen dat het 
prettig is. In de tweede plaats heb ik 
de bezuinigingen voor het directe 
hulpaanbod verzacht. In 1992 hoeft 
er niet 41 mln. bezuinigd te worden, 
maar 13,3 mln. In 1993 is dat 33 
mln. in plaats van 55 mln. Ik wijs 
erop dat wijzigingen op onderdelen 
van deze incidentele bezuinigingen, 
bijvoorbeeld het herstel van groei– 
gelden voor de medische kleuterdag– 
verblijven, gevolgen hebben voor de 
omvang van de bezuinigingen op de 
structurele subsidie in de genoemde 
jaren. Dat wil zeggen: als de minister 
van Financiën niet gevoelig is voor 
mijn argumenten. 

Vrijwel alle woordvoerders zijn 
ingegaan op de MKD en de 
MKTgelden. Er is sprake van een 
temporisatie. De keuze voor bezuini 
gingen op groeigelden is beter te 
rechtvaardigen dan de keuze voor 
bezumigmgen op bestaande 
capaciteit. Daarnaast zijn er uitzon– 
deringen gemaakt voor de toezeg– 
gingen die al "hard" waren. Mevrouw 
Soutendijk heeft daarover 

gesproken. Deze initiatieven worden 

in elk geval wel uitgevoerd. Er is in 

dit verband over frustratie 
gesproken. Een dergelijke term is op 

zijn plaats als er afspraken zijn 

gemaakt die niet doorgaan. 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): Voor 
het MKD in Alkmaar is al in 1985 
een verklaring van geen bezwaar 
afgegeven. Jaar op jaar volgt er 
echter uitstel. Enige frustratie is dus 
wel te verklaren. 

Minister d'Ancona: Ik kan natuurlijk 
een flauw antwoord geven door te 
zeggen dat er geen "bouwjaar" is 
genoemd. Er zijn geen voorberei– 
dingen getroffen om inderdaad tot 
uitvoering over te gaan. Als er echter 
harde afspraken zijn gemaakt, 
worden zij nagekomen. Ik kan deze 
bezuinigingen niet ongedaan maken, 
want een deel van het geld is 
gebruikt voor de zogenaamde 
verzachting. Nogmaals, ik wil niet dat 
er ingegrepen wordt in de bestaande 
capaciteit. Ik kies voor een uitstel 
van de groei. 

Door verschillende afgevaardigden 
en in het overleg met provincies en 
vertegenwoordigers van het parti– 
culier initiatief zijn vraagtekens 
geplaatst bij de onderbouwing van 
die 55 mln. door efficiencyver– 
groting. De betrokkenen maken 
daarvan verschillende inschattingen. 
Zij gebruiken de cijfers van andere 
bureaus Om in de discussie hierover 
niet in een patstelling te geraken, 
heb ik voorgesteld om komend jaar 
met pilotprojecten te starten. Die 
projecten kunnen nader inzicht 
geven in de mogelijkheden van 
schaalvergroting en ook in de inhou– 
delijke meerwaarde ervan. Bij die 
pilotprojecten wordt er rekening mee 
gehouden dat er sprake moet zijn 
van een samenhang met de 
herspreiding en met de normharmo– 
nisatie. In het convenant dat op 5 
december jongstleden afgesloten is, 
zijn daarover afspraken opgenomen. 
Ik heb dus al het mogelijke gedaan, 
binnen de marges van de noodza– 
kelijke bezuinigingen, om het directe 
hulpaanbod aan jeugdigen zoveel 
mogelijk te ontzien. Welnu, dan 
herhaal ik nog eens wat ik niet voor 
mij kon houden, namelijk dat ik 
desalniettemin meteen in contact zal 
treden met de minister van Financiën 
om hem te vragen of hij gevoelig is 
voor de door de Kamer aangedragen 
argumenten. 

Mevrouw Soutendijk heeft 

gevraagd naar de landelijke voorzie– 
ningen. Zij vroeg of ik van plan ben 
de vier kleine instellingen te sluiten. 
Ook wilde zij weten waar ik de 
plaatsen vind die hierdoor gezocht 
moeten worden. Zij had het over 80 
plaatsen. Ik heb niet de afspraak 
gemaakt dat die kleine mstellmgen 
dichtgaan. In de notitie inzake bezui– 
niging jeugdhulpverlening heb ik een 
aantal voorstellen gedaan om de 
bezuinigingen door de schaalver– 
groting bij de landelijke voorzie– 
ningen te realiseren. Dat betekent 
dat er geen concrete voornemens 
zijn over de manier waarop dat moet 
gebeuren. Om die reden heb ik dit 
punt ook niet in het rijksplan 
vermeld. Zo spoedig mogelijk na 
deze vergadering en na de behan– 
deling van de begroting van WVC 
aanstaande woensdag en donderdag 
zal met de instellingen in het kader 
van de landelijke voorzieningen, 
waaronder natuurlijk ook de instel– 
lingen op levensbeschouwelijke 
grondslag, het overleg hierover 
worden gestart Als die instellingen 
met andere voorstellen komen, 
bijvoorbeeld fusie, dan is dat 
bespreekbaar, mits natuurlijk aan een 
aantal andere voorwaarden, zoals 
schaalgrootte en het capaciteits– 
behoud, is voldaan. De capaciteit en 
dat ben ik met mevrouw 
Soutendijk eens - moet zoveel 
mogelijk behouden blijven, maar wij 
moeten natuurlijk ook al het 
mogelijke doen aan de kwaliteit. 
Schaalvergroting in het kader van 
kwaliteit is mijn motto. 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): Voorzitter! Die 
capaciteit blijft natuurlijk niet 
behouden door simpelweg een 
spreuk van de kant van de minister. 
Zij zal dan toch andere voorstellen 
moeten doen. Voor de landelijke 
voorzieningen gaat zij voor het 
komend jaar uit van een efficiency– 
besparing van ƒ 800.000. Daar 
hebben die pilotprojecten geen 
enkele invloed meer op. Er kan 
nauwelijks van resultaten op dat 
gebied gebruik worden gemaakt. Ik 
vraag me dus af hoe die besparingen 
tot stand moeten komen, op zo'n 
korte termijn. 

Minister d'Ancona Mijnheer de 
voorzitter! Het is waar. De landelijke 
voorzieningen kunnen niet van die 
pilotprojecten profiteren. Mevrouw 
Soutendijk zei echter - en dat 
bestrijd ik - dat de bezuinigingen 

Bijzondere Commissie voor het 16 december 1991 
jeugdwelzijnsbeleid Jeugdwelzijnsbeleid UCV 19 


d'Ancona 

uitsluitend tot stand kunnen worden 
gebracht doordat de vier kleintjes 
worden gesloten. Dat is nietwaar. 
Wij zullen moeten bezien of er 
andere wegen zijn. Ik denk aan fusie. 
Ik denk ook aan de zwaar omstreden 
operatie binnen de vormingsinsti– 
tuten, waarvoor ik laatstelijk nog zo 
innig bedankt ben, omdat een aantal 
zwakke broeders en zusters uitein– 
delijk voor de ondergang behoed zijn. 
Het is mogelijk dat wij in gesprek 
met elkaar tot andere ideeën komen 
dan simpelweg het sluiten van de 
vier kleinste instellingen. Ik ben het 
met mevrouw Soutendijk eens, zo 
simpel zit het leven nu ook weer niet 
in elkaar. Het gaat bij de landelijke 
voorzieningen vaak om heel specia– 
listische vormen van hulpverlening. 
Daarop heeft zij terecht de aandacht 
gevestigd. Daarvoor ben ik ook 
gevoelig. Zoals de Kamer weet, heb 
ik heel ruimhartig een aantal 
landelijke voorziemngen alsnog 
gedecentraliseerd. Dat is ongeveer 
het eerste wat ik deed toen ik 
aantrad, omdat ik daarvan de 
noodzaak niet inzag. Van de nog 
bestaande landelijke voorzienmgen 
kun je zeggen dat zij hun landelijk 

bestaan te danken hebben aan het 
feit dat zij een zeer gespecialiseerde 

aanpak hebben. Die is niet gediend 

bij het simpelweg sluiten van vier 

kleintjes. Dat zou een te mager 
criterium zijn. Ik ben het dus met 

mevrouw Soutendijk eens. Wij zullen 

dus moeten zien hoe het wel moet, 

als het moet. 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): Voorzitter! De minister 
heeft echter wel degelijk aan deze 
instellingen een brief geschreven, 
waarin werd aangekondigd dat 
sluitmg de optie was en dat de 
capaciteit door de andere voorzie– 
ningen zouden worden "herge– 
creëerd". Hoe dat zou gaan, weet ik 
ook niet. Nu zegt de minister: Het 
was maar een voorstel, er kunnen 
nog andere voorstellen komen. Is dat 
nu zorgvuldig? 
Is dat de manier waarop wij met 
elkaar moeten omgaan? 

Minister d'Ancona: Wanneer je 
denkt aan schaalvergroting, dan kan 
de optie zijn dat de kleinere 
dichtgaan. Wij hebben echter 
nergens gezegd dat het het einde 
van het gesprek was. Wij worden 
natuurlijk wel eens in een situatie 
gedwongen om voornemens bekend 
te maken en daar op een bepaalde 

manier over te denken. Nogmaals, 
het is niet het einde van het gesprek. 
Daarom staat het niet in het 
rijksplan. Ik ga dat gesprek aan. 
Misschien gaat er wel eens een 
dicht, dat zou best kunnen, maar het 
was niet de vooringenomen 
bedoeling om vier instellingen 
zonder meer te sluiten. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Voorzitter! Mij bekruipt een beetje 
het gevoel dat de minister, ondanks 
de redelijke dankbaarheid over 
mogelijke amendementen die haar 
uit de puree halen, in feite doorgaat 
op het principe van de nota 
"Vernieuwing in het jeugdbeleid", 
terwijl wij daar eigenlijk helemaal niet 
over gesproken hebben, laat staan 
dat wij daar iets aan goedgekeurd 
hebben. In de korte tijd waarin wij er 
überhaupt enige aandacht aan 
hebben kunnen besteden, hebben wij 
alleen gezegd: ho, ho, zo maar 55 
mln. in het water gooien, dat vinden 
wij niet verstandig. Dat kun je niet zo 
maar in een slag doen. Stel dat de 
minister het geld krijgt, dat minister 
Kok het allemaal prachtig vindt en 
dat het kabinet akkoord gaat, wat 
gaat de minister dan doen? Ik verwijs 
hierbij naar het meest kans 
hebbende amendement in die sector, 
hoewel het mijne deugdelijker is. 
Gaat zij dan echt dat zelfde pad met 
hetzelfde tempo belopen als zij nu 
voornemens is, of verandert er iets? 
Het is de wens van de Kamer dat ook 
de snelheid waarmee het pad wordt 
belopen, anders wordt. 

De voorzitter: Zullen wij met elkaar 
afspreken dat interrupties zo min 
mogelijk zullen plaatsvinden en dat 
wij die beperken tot het stellen van 
een toelichtende vraag? Er moeten 
geen beschouwingen worden 
gehouden. Gelet op het draaien van 
de klok tot nu toe, nodig ik de 
minister uit enige voortgang in de 
beantwoording te maken. Anders 
komen wij niet over. Daarmee wil ik 
overigens niet zeggen dat alles wat 
tot nu toe gezegd is, niet van zeer 
groot belang was. 

Minister d'Ancona In antwoord op 
de opmerking van mevrouw Versnel 
wil ik zeggen: dit is mijn visie. Op 
uitnodiging van de Kamer heb ik 
toegezegd om daarover een gesprek 
te openen met het particuliere initi– 
atief en de lagere overheden, de vier 
grote steden en de provincies. U 
heeft dat dus zelf gezegd, u heeft 

gezegd dat ik daarover een gesprek 
moet voeren. Dat zal ik ook doen, 
maar als u zegt "ho ho, tut tut" - aan 
wie doet mij dat toch denken? - dan 
wil ik er geen doekjes om winden dat 
ik daarvoor sta. Als u er anders over 
denkt, wil ik daar graag over discus– 
siëren, maar ik vind wat er in de nota 
staat, niet hetzelfde als 55 mln. in 
het water gooien. Het ging nu om de 
manier waarop ik verandering en 
kwaliteitsverbetering in de jeugd– 
hulpverlening zie. Daarvoor dient ook 
de Preventienota. Vanzelfsprekend 
kunnen wij daarover praten, maar het 
is wel mijn visie en die wens ik te 
verdedigen. Dat moet nu in het kader 
van de gekozen bezuinigingslijn, 
maar het zou interessanter zijn om er 
ook eens met de kwaliteit als 
uitgangspunt over te dlscussiëren. 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA) 
Voorzitter, dan rijst toch de vraag 
hoe zich dat verhoudt tot de verant– 
woordelijkheid voor het beleid, die 
na 1 januari aanstaande gedecentra– 
liseerd wordt en aan de provincies 
wordt overgedragen. Het lijkt mij dat 
na die datum de provincies bevoegd 
zijn tot het ontwikkelen van beleid. 
En als zij van onderop kiezen voor 
schaalvergroting en efficiënter 
werken, dan is dat prima, maar dat is 
een andere invalshoek dan die van 
de minister. 

Minister d'Ancona Zoals ik al zei in 
antwoord op de vraag van mevrouw 
Versnel, heb ik naar aanleiding van 
een wens van de Kamer toegezegd 
dat ik daarover met het particulier 
initiatief en de provincies zal praten. 

Natuurlijk hebben wij daarover ook al 
gesproken, maar ik moet zeggen dat 
die gesprekken meteen al in het licht 
van de bezuinigingen stonden. Het 
ging inderdaad alleen nog maar over 
centen, zoals de heer Van der Vlies 
zei, terwijl wij met de nota een heel 
andere bedoeling hadden. Natuurlijk 
spelen wij na 1 januari een veel 
bescheidener rol, maar het was de 
bedoeling om daarover met elkaar 
van gedachten te wisselen. Nu heb ik 
een aantal behoorlijk emotionele 
gesprekken gehad in het gestructu– 
reerd overleg met zowel het parti– 
culier initiatief als het IPO. Ik stel het 
bijzonder op prijs dat men ondanks 
de donderwolken bereid is, met die 
pilot-projecten mee te doen. Men 
heeft dus de deur niet dichtge– 
smeten, terwijl men toch terecht heel 
teleurgesteld was over hetgeen 
direct na die nota op tafel kwam. 

Bijzondere Commissie voor het 16 december 1991 
jeugdwelzijnsbeleid Jeugdwelzijnsbeleid UCV 19 19-20 


d'Ancona 

Daar heb ik ook waardering voor. Dat 
doet niets af aan de weerstand die 
gerezen is, maar men is wel bereid 
om eens na te gaan, welke inhou– 
delijke verbetering samenwerking en 
schaalvergroting zou kunnen hebben. 

Bijna iedereen heeft over De 
Tukker gesproken en het lijkt wel 
alsof ook bijna ledereen een 
persoonlijk gesprek heeft gehad met 
degenen die zich daarvoor inzetten. 
Nu, ik ook! Wij hebben dus allemaal 
met eigen ogen gezien hoe met 
betrekkelijk weinig geld iets heel 
nuttigs overeind kan worden 
gehouden. Op grond van de intentie 
en de al getroffen voorbereidingen 
om met financiële bijdragen van 
anderen voortzetting van De Tukker 
mogelijk te maken ben ik bereid, 
voor 1992 eenmalig een overbrug– 
gingssubsidie van ƒ 135.000 aan De 
Tukker te doen toekomen. Dat was 
ook het verzoek. 

De Kamer heeft een brief gehad 
waarin wij aangegeven hebben dat 
wij voor de schoolinternaten nog één 
keer van 70% uitgaan en dan van 
50%. Mevrouw Soutendijk vroeg zich 
af wat er aan de hand is, omdat er 
naar haar mening sprake zou zijn van 
een afkoopsom. Er is echt in de 
lengte en de breedte over 
gesproken, maar de provincie Noord– 
Brabant is gewoon niet bereid, voort– 
zetting mogelijk te maken, behalve 
als het volledige benodigde bedrag 
structureel wordt overgemaakt. Wij 
hebben het er een aantal keren over 
gehad. Dat kan niet, dat wil ik niet en 
dat is niet met de Kamer overeenge– 
komen. Wij hebben het onderzocht; 
wij hebben ook alles gedaan om het 
uit te stellen. Wij hebben ten slotte 
na de gesprekken gezegd dat, als 
een afkoopsom ook niet 
bespreekbaar is, wij er in deze 
afbouwperiode voor zorgen dat de 
kinderen die daar nu zitten er in ieder 
geval niet tussentijds af hoeven en 
naar iets anders moeten zoeken. 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): Ik waardeer de inzet 
van het departement op dit gebied 
en ik erken dat de problemen 
gedeeltelijk bij de provincie Brabant 
liggen, maar ik verzoek de minister 
om nogmaals met de provincie 
Brabant in onderhandeling te treden 
om toch een andere regeling tot 
stand te brengen. Ik heb namelijk de 
indruk dat deels door verkeerd 
gewekte verwachtingen de provincie 
Brabant deze houding heeft aange– 
nomen. Ik heb evenwel ook 

begrepen dat er geen getallen 

genoemd zijn. 

Minister d'Ancona U zult begrijpen 
dat dezelfde getallen genoemd zijn 
als in de brief aan de Kamer. Wij 
blijven niet onderhandelen. Wij 
hebben echt heel lang en intensief 
met de provincie gesproken. Daarbij 
zijn alle mogelijke voorstellen gedaan 
om de overgang naar de provincie 
mogelijk te maken. Maar wanneer de 
provincie daartoe alleen bereid is, als 
het bedrag structureel wordt overge– 
heveld, dan houdt het een keer op. Ik 
doe hier ter zake geen toezegging. 
Wij hebben nog maar weinig ambte– 
naren. Er is namelijk gevraagd 
hoeveel er nog zijn. Wij moeten dus 
zuinig met ze omspringen. Wij gaan 
natuurlijk niet voor de vaak onder– 
handelen. Laten wij even redelijk 
blijven! Nogmaals, er zijn gesprekken 
geweest. Ik heb de uitkomst meege– 
deeld. De betrokkenen hebben een 
brief gehad, evenals de Kamer. De 
Kamer kan de uitkomst betreuren; 
welnu, ik vind het ook jammer dat de 
provincie die opstelling heeft 
gekozen. Maar het houdt dus wel 
een keer op. Wij gaan niet door tot in 
het oneindige. 

Een groot deel van mijn antwoord 
is gewijd aan bezuinigingen en mijn 
motivatie en afweging daaromtrent. 
Dit is toch ook een vrij historisch 
debat. Verschillende woordvoerders 
hebben namelijk gezegd, dat dit aan 
de vooravond is van datgene wat 
lang verwacht is: de grote decentrali– 
satie van de jeugdhulpverlening naar 
de provincies en de vier grote steden 
per 1 januari. De afgelopen jaren 
hebben wij er heel hard aan gewerkt, 
ook ik. Er zijn commissies ingesteld, 
er zijn rapporten opgesteld en er is 
overleg geweest. Er zijn ook 
belangrijke voorwaarden gemaakt. Zo 
is er voor de herspreiding een eerste 
fase van 13 mln. afgesproken. Na 
uitputtend overleg is er overeen– 
stemming bereikt over de verdeling 
tussen de regionale en de landelijke 
voorzieningen. De verdeelsleutel, 
waarbij wordt uitgegaan van de 
behoefte, voor een optimale 
verdeling van de budgetten over de 
provincies moet nog ontwikkeld 
worden. Op grond daarvan moet 
bekeken worden of en zo ja, op 
welke manier de definitieve 
herspreiding mogelijk is. 

Voor de normharmonisatie zijn er 
twee modellen. Een model is 
afkomstig van de commissie voor de 
harmonisatie van normen. Daarop 

heeft het particulier initiatief een 
reactie gegeven. Met name tussen 
de provincies en de vertegenwoor– 
diging van het particulier initiatief 
worden op korte termijn afspraken 
gemaakt over te hanteren prijzen in 
de komende planperiode. Daarmee is 
niet gekozen - ik kijk nu naar 
mevrouw Vliegenthart - voor een 
volledige doorvoering van de 
functionele benadermg Ik denk dat 
zij blij zal zijn; zij was geen 
voorstander van die benadering. 

Ook de structuurversterking van de 
sector is in de afgelopen jaren op 
gang gekomen. Dat heeft, zoals de 
heer Lankhorst heeft opgemerkt, in 
een aantal gevallen geleid tot groot– 
schaliger, multifunctionele organi– 
saties. Maar wij zijn er nog niet uit. 
Wij moeten toe naar een funda– 
mentele versterking van de structuur. 

Ter illustratie hiervan wijs ik op de 
voorstellen waarmee een goed 
functioneren van de pleegzorg kan 
worden bereikt. Men heeft het 
rapport "Voorzien in pleegzorg" van 
de tripartiete werkgroep gezien. 

De drie partijen, dat wil zeggen het 
rijk, de provincies en het particulier 
initiatief, zijn van mening dat een 
zorgvuldige voorbereiding en 
uitvoering van de overdracht van de 
verantwoordelijkheden noodzakelijk 
is om de start van de decentralisatie 
zo goed mogelijk te laten verlopen. 
Daarom hebben de staatssecretaris 
en ik met betrokkenen op 5 
december jl. het convenant onder– 
tekend. Ik heb nog allerlei aanteke– 
ningen over het convenant voor mij 
liggen, maar ik meen dat de leden 
het convenant allemaal toegestuurd 
hebben gekregen. Misschien kan ik 
het daarom en in verband met de tijd 
een beetje kort houden. 

In het convenant staat ook iets 
over het innovatiebeleid. Mevrouw 
Soutendijk stelde daar een aantal 
vragen over. Zij vroeg met name naar 
de betrokkenheid van het particulier 
initiatief. In het convenant is 
vastgelegd dat zowel over de hoofd– 
lijnen van het meerjarenbeleid van 
WVC als over de jaarlijkse concrete 
invulling daarvan via de subsidiëring 
van experimenten en steunfuncties 
voorafgaand overleg plaatsvindt met 
de andere overheden en met het 
particulier initiatief. Dit betekent - ik 
dacht dat mevrouw Soutendijk 
daarover in verwarring verkeerde dat 
initiatieven voor vernieuwende 
projecten aan bepaalde concrete 
criteria moeten voldoen, zoals in het 
rijksplan staat, en dat men er 

Bijzondere Commissie voor het 16 december 1991 
jeugdwelzijnsbeleid Jeugdwelzijnsbeleid UCV 19 19-21 


d'Ancona 

subsidie voor kan krijgen, als men 
aan de criteria voldoet. Over de 
betrokkenheid van het particulier 
initiatief bij de programmering van 
het NIZW - het NIZW krijgt 
overigens geen 9 mln. van de 
stichting Spel– en opvoedingsvoor– 
lichting, maar helaas slechts circa 7 
ton - kan ik melden dat met het 
NIZW de vaste afspraak is gemaakt 
dat jaarlijks tripartiete met het NIZW 
overlegd zal worden over de hoofd– 
lijnen van het beleid en de conse– 
quenties voor de programmering van 
het NIZW. De heer Dijkstal stelde 
daar een concrete vraag over. Ik vind 
persoonlijk deze afspraak belang– 
rijker dan bestuurlijke deelname. Ik 
vind het belangrijker dat het NIZW 
daadwerkelijk luistert naar en ingaat 
op de vragen van het veld. Wij 
hebben daar nu een goede afspraak 
met elkaar over gemaakt. 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): De minister heeft 
vorig jaar gezegd dat de projecten 
van de jongerenadviescentra en van 
het begeleid wonen voor jongeren 
wat hun werkontwikkeling betreft 
maar bij het NIZW te biecht 
moesten. Ze zijn daar geweest en er 
is simpelweg gezegd: nee, dat 
onderdeel hoort niet bij ons thuis. 
Daar doelde ik op met mijn vraag 
over het NIZW. 

Minister d'Ancona: Wij zullen dit 
even uitzoeken en daarna zullen wij 
er een brief over sturen hoe het 
precies in elkaar zit. Ik heb nu onvol– 
doende informatie over de ins and 
outs van deze concrete gevallen. Ik 
beloof mevrouw Soutendijk dat ik er 
even naar zal kijken. 

Wat de pleegzorg betreft hebben 
collega Kosto en ik op 2 december jl. 
het presentexemplaar van het 
rapport van de werkgroep gekregen. 
Vandaag zijn de rapporten van de 
drukker gekomen. Ze zijn vanochtend 
naar de Kamer gestuurd. Het 
eindrapport is dus letterlijk vers van 
de pers. Mijn eerste indruk is dat er 
nu een gedegen advies ligt over de 
mogelijkheden voor verbetering van 
de pleegzorg in Nederland. De 
voorstellen van de werkgroep zijn 
buitengewoon ingrijpend, zowel op 
organisatorisch vlak - ik denk aan 
verandering van taken en posities als 
in financieel opzicht. In het 
convenant waar ik net over sprak, 
dat wij op 5 december hebben 
ondertekend, zijn door de drie onder– 
tekenende partijen de uitgangs– 

punten neergelegd voor de 
vernieuwing in de pleegzorg. Deze 
uitgangspunten sporen met de 
hoofdlijnen uit het advies. Wij 
hebben er in het gestructureerd 
overleg een eerste bespreking over 
gehad en ik kan zeggen dat de 
reacties op het rapport positief zijn. 
Afgesproken is dat de standpuntbe– 
paling met voortvarendheid ter hand 
zal worden genomen. Partijen gaan 
eerst in eigen kring overleggen en 
begin februari wordt het tripartiete 
overleg voortgezet. Ik vind dat ik de 
Kamer zo spoedig mogelijk daarna 
een regeringsstandpunt moet doen 
toekomen. 

De heer Lankhorst heeft 
gesproken over het overleg met de 
cliëntenorganisaties en ook anderen 
hebben daar indringende vragen 
over gesteld, bijvoorbeeld de heer 
Leerling. In het Rijksplan heb ik 
aangegeven dat ook op landelljk 
niveau overleg met de cliëntenorga– 
nisaties zal plaatsvinden. Het gaat 
hierbij niet over het subsidiëren van 
afzonderlijk bestaande organisaties, 

~maar meer over de vraag hoe wij dat 
overleg moeten organiseren. Onder 
meer zal daarbij de relatie met het 
gestructureerd overleg aan de orde 
zijn, maar ook - dat is een belangrijk 
vraagstuk - de representativiteit van 
die organisaties. Voor wie staan zij 
nu precies? Ik zal het komende jaar 
hiermee aan de slag gaan; dat zeg ik 
toe. Ik kom er in het komende 
rijksplan in ieder geval op terug. Ik 
ben er overigens al mee bezig; ik ga 
ermee door en ik ben best bereid om 
de Kamer tussentijds mede te delen 
hoever wij ermee zijn. 

Een andere vraag, die eigenlijk 
door een ieder is gesteld, betreft de 
inspectie van de jeugdhulpverlening. 
Ik kan te dien aanzien een aantal 
ontwikkelingen melden. In overleg 
met de staatssecretaris van Justitie, 
mijn collega Kosto, heb ik een inter– 
departementale werkgroep ingesteld 

- dit was mijns inziens reeds bekend 
bij de Kamer - die onderzoekt of de 
integratie van het toezicht op de 
kwaliteit bij de vrijwillige jeugdhulp– 
verlening en bij de hulpverlening in 
het kader van de maatregelen van 
justitiële kinderbescherming mogelijk 
is en, zo ja, welke uitgangspunten en 
randvoorwaarden bij een dergelijke 
integratie gehanteerd moeten 
worden. 
Een van de uitgangspunten die al 
door de staatssecretaris en mij zijn 
verwoord, is bijvoorbeeld dat de 
inspectie weliswaar opereert onder 

ministeriële verantwoordelijkheid, 
maar dat er sprake dient te zijn van 
een zo groot mogelijke onafhanke– 
lijkheid ten opzichte van beleidsdi– 
recties. Ik verwacht in janauri 1992 
een rapportage van deze werkgroep. 
De instellingsbeschikking van de 
werkgroep voorziet ook in een 
zogenaamde tweede fase, waarin 
onderzocht zal worden of dit geïnte– 
greerde toezicht ofte wel deze 
integrale inspectie jeugdhulpver– 
lening kan worden geïntegreerd in 
het staatstoezicht. 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): 
Voorzitter! Het lijkt mij dat de Kamer 
al een aantal malen gezegd heeft, 
dat een geïntegreerde inspectie er 
moet komen. Dat te onderzoeken, 
lijkt mij een enigszins overbodige 
actie, want wij hebben inmiddels 
keer op keer vastgesteld dat dit 
wenselijk is. Dat er een aantal 
organisatorische aspecten aan 
vastzitten, kan ik mij voorstellen, 
maar de principiële vraag staat, zo 
neem ik aan, niet meer ter discussie 

Minister d'Ancona: Nee, die princi– 
piële vraag eigenlijk niet, maar de 
werkgroep onderzoekt de 
voorwaarden waaronder dat kan 
gebeuren. Er is nog een ander punt, 
dat nog niet uitgedokterd is. Ik wees 
er reeds op dat er nog een tweede 
fase bestaat, die bij de instellingsbe– 
schikking is afgesproken. Daarbij 
wordt de relatie met het staatstoe– 
zicht onderzocht. Daar is nog niet 
een feitelijk, principieel besluit over 
genomen. 

De heer Lankhorst (Groen Links): 
Voorzitter! Ik begrijp dit punt ook 
niet. Ik dacht dat de bewindsper– 
sonen toch eerder van mening 
waren, dat het onder het staatstoe– 
zicht zou moeten gaan vallen. 
Waarom hebben wij dan een eerste 
en een tweede fase nodig? Dat duurt 
en duurt allemaal maar. Waarom 
kunnen die fasen niet in elkaar 
geschoven worden? Als het 
uitgangspunt van kabinet en Kamer 
in dezen zo duidelijk is, begrijp ik 
absoluut niet waarom er zo lang over 
gedaan moet worden. 

Minister d'Ancona Het is vandaag 

16 december. Ik zei u dat de 
werkgroep in januari 1992 met een 
rapportage komt. Dat is een vrij 
uitgebreid werkstuk. 

De heer Lankhorst (Groen Links): 

Bijzondere Commissie voor het 16 december 1991 
jeugdwelzijnsbeleid Jeugdwelzijnsbeleid UCV 19 19-22 


d'Ancona 

Over de eerste fase! Daarna begint 

de tweede fase dus eens rustig? 

Minister d'Ancona Wij hebben 
inderdaad de volgorde der dingen 
aangehouden. Wij hebben gezegd 
dat eerst de randvoorwaarden 
beschreven moesten worden 
waaronder de integratie van deze 
twee inspecties kan plaatsvinden. 
Vervolgens komt vraag 2 aan de 
orde: in hoeverre kan dat onder het 
staatstoezicht. Ik begrijp dat de heer 
Lankhorst ongeduldig is omdat hij er 
al zolang op wacht. U moet echter 
ook niet vergeten dat het staatstoe– 
zicht op dit moment ook zelf in een 
reorganisatie zit. Het is niet zo 
eenvoudig. Het komt aan de orde, 
maar het is iets ingewikkelder dan de 
heer Lankhorst denkt. Integratie in 
een zich heroriënterende instelling 
vereist wel enig nadenken. Ik beloof 
u dat in januari de rapportage van 
het eerste stuk komt. Dat is ook heel 
belangrijk. Als wij die hebben, 
kunnen wij weer verdergaan. 

De heer Lankhorst (Groen Links): 
Nogmaals, voorzitter, ik geloof dat 
niet. Je hebt ook die tweede fase 
nodig. Het heeft mijn voorkeur, niet 
te wachten op de hele reorganisatie 
van het staatstoezicht, want dat kan 
ook weer een hele tijd duren. Als de 
Kamer en het kabinet vinden dat het 
onder het staatstoezicht gebracht 
moet worden, moet dit zo snel 
mogelijk gebeuren en kan het later in 
de reorganisatie meegenomen 
worden. Dat lijkt mij een betere 
keuze dan eerst die hele reorgani– 
satie af te wachten. 

Minister d'Ancona: Dat doen wij 
ook niet. Ik kan u wat dat betreft 
geruststellen, mijnheer Lankhorst. 
Het ligt alleen iets ingewikkelder 
omdat het om een zich reorganise– 
rende institutie gaat. Wij wachten 
echter niet totdat die reorganisatie 
voltooid is. De opdracht ligt er. De 
rapportage zit in een eindfase, dus 
laten wij niet zo wanhopig doen als 
de heer Lankhorst. In januari 1992 
komt het eerste stuk van die 
rapportage beschikbaar. Daarna gaat 
men direct door met het vervolg der 
werkzaamheden. Wij moeten eerst 
maar eens zien waarmee men in 
januari 1992 komt. 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): Aan 
welke termijn denkt de minister bij 
de tweede fase? 

Minister d'Ancona Het eerste 

kwartaal van 1992. 

Voorzitter! Mevrouw Soutendijk 
heeft een vraag gesteld over de 
decentralisatie van de vertrouwens– 
artsenbureaus en over de unifor– 
mering van meldingsprocedures. In 
de beleidsbrief van 4 december 
1990 werd de decentralisatie van die 
bureaus ten principale onder– 
schreven. Bij de behandeling van de 
briefvan 10april 1991 steunde de 
Kamer die opvatting. WVC, Justitie 
en het IPO legden in het convenant 
inzake de decentralisatie een aantal 
afspraken vast die de komende jaren 
worden uitgewerkt. Het Rijk zal 
samen met de provincies bevorderen 
dat samenwerkingsrelaties tussen 
hulpverlening en gezondheidszorg de 
komende drie jaar uitmonden in een 
aanvaardbaar en doelmatig model. 
Daarin zitten ook afspraken voor de 
meldingsprocedures en werkaf– 
spraken met betrekking tot de 
hulpverlening. Wij zullen daarin ook 
dat ene meldingspunt meenemen 
waarover mevrouw Soutendijk sprak. 
Het NIZW is nu bezig met de 
uitwerking van een protocol voor 
melding. Het NIZW doet dat samen 
met vijf beroepsgroepen uit het veld. 

Bovendien verwacht ik binnenkort 
op dit punt een advies van de 
Gezondheidsraad. Op basis van de 
adviezen van het NIZW en de 
Gezondheidsraad zullen wij de 
Kamer in het voorjaar berichten. 

Ten slotte wil ik reageren op een 
ontzettend belangrijke vraag die door 
verschillende leden is gesteld. Wat 
zijn onze inspanningen en visies met 
betrekking tot de arbeidsmarktpro– 
blematiek? Hoe kom je aan gekwalifi– 
ceerd personeel? Mevrouw Versnel 
wees er in dit verband op dat de 
mensen in deze sector snel 
opbranden. Zij gebruikte daarbij een 
Engelse term. Ik ben nu echter zo 
gepokt en gemazeld door de 
Taalunie dat ik die niet zal gebruiken. 

Wat deze problematiek betreft 
maak ik mij zorgen voor de gehele 
sector. Ik heb daarover al een aantal 
gesprekken gehad met mensen uit 
het veld. Daarbij heb ik de vraag aan 
de orde gesteld waarom het werk in 
deze sector zo zwaar is. Ik ben van 
plan om hierover in overleg te treden 
met de sociale partners en een goed 
onderzoek naar dit probleem te laten 
verrichten. Daarbij zou het gaan om 
een analyse waarmee wordt aange– 
toond wat het werk in deze sector zo 
bijzonder zwaar maakt. Het 
onderzoek zou er niet moeten zijn 

voor het onderzoek zelf. Op basis 

van de uitkomst zouden wij moeten 

nagaan wat aan de problemen te 

doen is. 

Vooruitlopend op deze analyse en 
de maatregelen merk ik wel het 
volgende op. Als je komt tot grotere, 
multifunctionele voorzieningen 
waarbij veel meer sprake is van 
samenwerking en netwerkvorming, 
zou het misschien in de sector nog 
interessanter zijn dan nu om tot 
loopbaanplanning te komen. Binnen 
de sector zou je dan van de ene 
functie naar de andere kunnen gaan 
en op die manier carrière kunnen 
maken. Hiermee wil ik aangeven dat 
ik aandacht heb voor het probleem 
dat de geachte afgevaardigde aan de 
orde stelde. Ik ben ook van plan 
hieraan iets te gaan doen. 

Voorzitter! Hiermee rond ik af, 
want het is precies negen uur. 

D 

Staatssecretaris Kosto: Mijnheer de 
voorzitter! Ik zal de opmerkingen van 
de sprekers beantwoorden in de 
volgorde waarin zij aan het woord 
zijn geweest. Twee grote vraag– 
stukken wil ik speciaal aan de orde 
stellen, omdat die verband houden 
met ingediende moties. Daarbij gaat 
het om de heroriëntatie en de finan– 
ciële taken voor de raden. 

Ik zeg de heer Dijkstal toe, dat de 
stand van zaken ten aanzien van de 
beleidsvoornemens door mij nog 
eens zal worden aangegeven. Ik denk 
hierbij aan het rapport Rechtzetten 
en de nota over de justitiële jeugd– 
bescherming Met recht in beweging, 
die aanstaande vrijdag een jaar 
geleden is uitgebracht. De brief 
waarin de stand van zaken wordt 
aangegeven, zal de leden na het 
kerstreces bereiken. Op 7 oktober 
heb ik ook al een brief naar de 
Kamer gestuurd waarin de stand van 
zaken is aangegeven. Het lijkt mij 
redelijk dat er een vervolgbrief komt. 

Voorzitter! Dan kom ik te spreken 
over de financiële taken voor de 
raden voor de kinderbescherming. 
Mevrouw Soutendijk heeft daarover 
een motie ingediend die kamerbrede 
steun heeft gekregen. Zij heeft zich 
nu vriendelijk doch kritisch uitgelaten 
over de benadering van de staatsse– 
cretaris. Uit haar woorden maakte ik 
op, dat zij de staatssecretaris een 
beetje eigenwijs vond. Hij zou maar 
doen, terwijl er toch zo'n duidelijke 
uitspraak van de Kamer is. 

Ik heb op de motie naar beste 

Bijzondere Commissie voor het 16 december 1991 
jeugdwelzijnsbeleid Jeugdwelzijnsbeleid UCV 19 


Kosto 

weten gereageerd en daarbij 
ingehaakt op de mening van de 
Kamer die in de motie-Soutendijk is 
verwoord. Het gaat hier namelijk niet 
om een kerntaak van de overheid. 

Dat staat ook in de motie. Daaruit 

heb ik de meest zuivere conse– 
quentie getrokken door te zeggen: 
dit betekent dat de gewone voorzie– 
ningen in de samenleving bij privaat– 
rechtelijke verhoudingen - en het 
huwelijk is zo'n verhouding - en bij 
het mislopen daarvan een gerech– 
telijke uitspraak vergen en dat 
vervolgens de deurwaarder de 
alimentatie int. Dit is de meest 
zuivere invulling van de gedachte: 
hier is geen kerntaak van de 
overheid. In de motie-Soutendijk 
wordt gesproken over een centraal 
orgaan. Daar is ook al eerder over 
gepraat. Dat centrale orgaan dat dit 
eigenlijk zou moeten doen, zou 
bepaalde bevoegdheden moeten 
krijgen die ook gehanteerd worden 
door de raden voor de kinderbe– 
scherming. Een vereenvoudigd 
loonbeslag is daar een voorbeeld 
van, informatie krijgen van een 
overheidsinstelling is een ander. Als 
wij de bevoegdheden die nu nog 
door een overheidsorgaan worden 
uitgevoerd, aan een zuiver privaat 
orgaan, een stichting, zouden 
toekennen, zullen wij mijns inziens 
klanten op de stoep krijgen. De 
mensen van het gas, het licht en de 
waterleiding willen dan ook wel zo'n 
mooie voorziening hebben en die 
willen ook dat er snel wordt 
ingegrepen, of dat er snel beslag kan 
worden gelegd op loon van achter– 
stallige betalers. Als een private 
organisatie bevoegdheden krijgt die 
ook de deurwaarders hebben, zou er 
ten opzichte van die deurwaarders 
een vreemde situatie ontstaan. Er 
zou concurrentie kunnen ontstaan. 

De Kamer zou tot de conclusie 
kunnen komen dat hier sprake is van 
een kerntaak. Als het gaat om de 
inning van de kinderalimentatie, 
wordt het belang van het kind in het 
geding gebracht. Als de Kamer dit 
argument aanvoert, raakt zij ook het 
hart van het werk van mijn 
medewerkers en mijzelf in deze 
portefeuille. Is het belang van het 
kind nu zo gemoeid met het feit dat 
de raden voor de kinderbescherming 
de kinderalimentatie innen? 
Persoonlijk vind ik dit een buiten– 
gewoon ruime interpretatie van het 
begrip belangen van het kind. Als wij 
hierover in de kinderbescherming 
zouden spreken, spreken wij eigenlijk 

over andere belangen dan wanneer 
de moeder van dat kind op een vlotte 
wijze de alimentatie van de vader 
krijgt. Dat is in de meeste situaties 
het geval. De Kamer kan tegen mij 
zeggen dat ik die motie moet 
uitvoeren en dat een en ander niet 
door een private organisatie 
geregeld moet worden. Dat heb ik 
immers voorgesteld. De Kamer vindt 
dat er iets gebundeld of opgericht 
moet worden. Ik heb gezegd dat ik 
bezien zal in hoeverre ik faciliteren 
kan dat de kennis inzake de finan– 
ciële taken die nu bij de raden voor 
de kinderbescherming aanwezig is, 
overgebracht wordt op de private 
organisaties. De Kamer vindt dat 
onvoldoende en wil een centraal 
orgaan. Het is mijn stelling dat dit 
geen privaat orgaan kan zijn en dat 
het toch een overheidsorgaan zal 
worden. De raden voor de kinderbe– 
scherming hebben in het verleden al 
geadviseerd over zo'n centraal 
orgaan. Met de raden denk ik dat 
zo'n centraal orgaan ook decentraal 
zal gaan werken. In diverse delen van 
het land zal dat orgaan afdelingen 
hebben die contact moeten onder– 
houden met de belastingdienst, de 
sociale dienst en de werkgever van 
de vader, die misschien juist weer 
van werkgever veranderd is. Ter 
plaatse heeft men dat in de gaten, 
maar bij een centraal orgaan ziet 
men dat niet. Als dat het geval is, 
voorzitter, ben ik niet zo ver 
verwijderd van de huidige situatie, te 
weten een overheidsorgaan dat 
gedecentraliseerd werkt. Dat is nu 
juist wat wij niet willen en daar ligt 
mijn probleem. Als de Kamer zegt 
dat zij dit zo wil, moet zij wel 
rekening houden met datgene wat ik 
gezegd heb. Ik zal mij daar dan 
verder niet tegen verzetten. Ik heb 
geprobeerd, uitvoering te geven aan 
een groot ideaal dat meer dan eens, 
ook in de Kamer, besproken is. Dat 
was overigens ook al voor deze 
kabinetsperiode het geval. De 
overheid zou zich mijns inziens 
moeten beperken tot kerntaken. Zij 
moet aan de samenleving bepaalde 
structuren, bijvoorbeeld de recht– 
spraak of een deurwaardersvoor– 
ziening, overlaten. Die samenleving 
moet een en ander zelf uitvoeren. Als 
de Kamer in het belang van het kind 
wil dat er een overheidsorgaan komt, 
weet ik dat dit onontkoombaar is, 
want zij zou mijn wetsvoorstellen niet 
steunen. De Kamer is in haar opvat– 
tingen heel breed want de motie is 
ook heel breed gesteund. Nogmaals, 

voorzitter, ik wil hier heel nadruk– 
kelijk vastgesteld hebben dat de 
Kamer in deze samenstelling de 
conclusie trekt, dat het innen van de 
kinderalimentaties een kerntaak van 
de overheid is. Dat is dan de conse– 
quentie. Ik zou natuurlijk een model 
kunnen uitwerken. Daarbij zou het 
volgende betrokken kunnen worden. 
Voortaan moeten mensen toch iets 
betalen. Dat is nieuw want dan komt 
er wat geld binnen. Dit zou bepaald 
wat centraler uitgewerkt kunnen 
worden dan alleen binnen de 
negentien raden. Misschien zou er 
wat aan het model van het ressort 
gedaan moeten worden. Vijf raden 
voor de kinderbescherming zouden 
bijvoorbeeld aangewezen kunnen 
worden voor dit werk en een speciale 
raad zou de inningstaken die de 
overheid heeft op basis van 
verdragsverplichtingen kunnen 
bezien. Dat wil ik wel bekijken. Ik stel 
de Kamer voor, dat ik deze gedach– 
tengang op papier zal uitwerken. 
Nogmaals, de motie van mevrouw 
Soutendijk die door de hele Kamer 
gesteund is, zou heel nadrukkelijk tot 
haar recht kunnen komen maar dan 
wel vanuit mijn opvatting dat de 
Kamer toch van een kerntaak wenst 
te blijven spreken, alhoewel in de 
motie staat dat die kerntaak niet in 
het geding is. Nogmaals, ik zou dit 
kunnen uitwerken in een brief. Als de 
Kamer terugkomt van het kerstreces 
zou zij die brief in haar bezit kunnen 
hebben. Over het uitgewerkte model 
zouden wij daarna kunnen spreken. 
Echt, ik wil, dat is heel duidelijk, het 
goede, maar we moeten het erover 
eens zijn dat je niet kunt blazen en 
het meel in de mond kunt houden. 
Met andere woorden: wel of geen 
kerntaak, daar gaat het om. De 
Kamer stelt zich dusdanig op dat ik 
moet vaststellen dat zij van oordeel 
is dat het van overheidswege innen 
van kinderalimentatie klaarblijkelijk 
toch een kerntaak is. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Er is een, zij het moeilijk te onder– 
scheiden, verschil tussen taken en 
kerntaken. Echt waar! Er is bijvoor– 
beeld een veelgebruikt middel 
waarbij organen of organisaties op 
enige afstand van de overheid 
worden gezet; ze worden dan een 
zelfstandig bestuursorgaan, waaraan 
de desbetreffende minister aanwij– 
zingen kan geven. Ook de Kamer kan 
aan de minister vragen: hoor eens 
hier, zoudt u geen aanwijzingen 
geven? Dat is een structuur waarbij 

Bijzondere Commissie voor het 16 december 1991 
jeugdwelzijnsbeleid Jeugdwelzijnsbeleid UCV 19 


Kosto 

sprake is van enige afstand tot de 
overheid, een structuur die heel goed 
mogelijk is voor dlt orgaan. Dat is 
dus geen kerntaak waarmee uw hele 
departement zich bemoeit. 

Staatssecretans Kosto: Ik zie dat 
dus niet zo. Omdat we weinig tijd 
hebben, stel ik de Kamer voor, het 
debat hierover te houden aan de 
hand van de brief. Ik maak volstrekt 
helder dat ik een andere opvatting 
heb, en dat ik volkomen te goeder 
trouw en in de geest van de motie– 
Soutendijk heb willen handelen. De 
Kamer vindt dat dat niet ver genoeg 
gaat, en dat dat niet in een 
opkomende stichting uit het parti– 
culier initiatief moet worden onder– 
gebracht. De Kamer vindt dat de 
overheid iets moet stichten, en dat 
het daardoor opgerichte orgaan 
moet worden bekleed met bevoegd– 
heden die anders bij overheidsin– 
stanties thuishoren. Daar wringt iets. 
Laten we dan concluderen dat het 
klaarbhjkelijk toch een kerntaak is, en 
laten we de zaak dan anders organi– 
seren: een eigen bijdrage (dat zou 
moeten, zo duidelijk wil ik nu al zijn) 
en een iets meer centrale aanpak. 
We moeten verder kijken wat er 
moet gebeuren met de vaststelling. 
Gezegd is dat dat door de griffies 
zou moeten gebeuren. Inmiddels 
denk ik dat het goed is dat we dat 
gewoon, ook al is het forfaitair, in 
een lichte vorm door de rechter laten 
doen, omdat we anders één element 
uit dat hele pakket van beslissingen 
rond de echtscheiding bij de rechter 
weghalen Laten we dat allemaal 
systematisch bij elkaar zetten, vanuit 
mijn goede intentie, voorzitter, dat ik 
de Kamer ter wille wil zijn. Maar we 
moeten wel weten waar we het over 
hebben! De discussie kunnen we 
voeren aan de hand van de brief die, 
daar zal ik voor zorgen, er ligt als de 
Kamer terugkomt van het kerstreces. 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): Een begin van een 
positief antwoord! Om de gedachten 
te kunnen bepalen wil ik van u weten 
of u bijvoorbeeld de deurwaarder, de 
notaris of het CBR ook ziet als 
overheidsorganen. 

Staatssecretaris Kosto: Nou, daar 
zouden we aardig over kunnen 
discussiëren! De notarissen worden 
door H.M. de Koningin in hun positie 
benoemd, zoals u wellicht weet, en 
ze zitten eigenlijk ergens tussen 
ondernemer en openbaar ambtenaar. 

Er is dan ook een speciale 
Notanswet, die ik, zoals u wellicht 
bekend is, op het punt sta te 
vernieuwen. Zo zijn er nog wel een 
paar andere voorzieningen. Het zal 
helder zijn dat ik streef naar de 
zuiverheid in de discussie: ik wil het 
goede, maar de Kamer en ik moeten 
weten waar we het over hebben. Ik 
kan de motie-Soutendijk in haar 
consequenties niet anders uitleggen 
dan als de erkenning dat, omwille 
van de kinderen, een kerntaak van de 
overheid moet worden gehandhaafd. 
Omdat ik de Kamer volgen moet - zij 
is onontkoombaar, en ik respecteer 
dat - wil ik dat zo invullen dat ik daar 
toch een aantal miljoenen uithaal ter 
fine van mijn structurele bezuini– 
gingen voor het jaar 1994. Ik heb het 
gevoel dat we er met elkaar 
uitkomen als we daar de tijd voor 
nemen, en dat kan in het nieuwe 
jaar. Nogmaals, ik zal ervoor zorgen 
dat, als de Kamer terugkeert van het 
kerstreces, die brief er ligt. 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): Het gaat er mij maar 
om dat u erkent dat een privaat 
orgaan ook overheidstaken kan 
uitvoeren. Dat daarvoor een 
wettelijke basis nodig is, hebben wij 
allen erkend, en dat is dus ook het 
probleem niet. Wat dat betreft 
akkoord. Het gaat mij om het 
principe. Graag krijg ik daarbij ook 
nog de toezegging dat ook de ouder– 
bijdrage in overleg met de minister 
van WVC in de notitie wordt meege– 
nomen. 

Staatssecretaris Kosto Ik zal de 
minister aanspreken. Zoals u weet 
werken wij innig samen; ik hoop met 
haar op dit punt een goede frase te 
kunnen opstellen voor die brief. Nog 
één ding: ik heb gezegd dat mijn 
bezwaar zou zijn dat het risico van 
willekeur ontstaat, dat er anderen 
zijn die zeggen: luister eens, wij zijn 
een openbaar nutsbedrijf, bij mij 
wordt de rekening niet betaald, ik wil 
eigenlijk ook wel zo'n makkelijke 
inning. Dat zou tot een heilloze 
situatie kunnen leiden. Ik stel 
nogmaals voor om die discussie in 
den brede en goed gedocumenteerd 
te voeren. 

Mevrouw Soutendijk van Appel– 
doorn (CDA): Dan rekt u het belang 
van het kind wel heel erg ver op. 

De heer Van der Vlies (SGP): Om in 
januari of februari snel tot zaken te 

kunnen komen, zou het goed zijn als 
de staatssecretaris ook toezegt, dat 
hij in die brief expliciet ingaat op de 
tegenargumenten die door de 
diverse organisaties zijn aangevoerd. 
Ik noem de Vereniging van secreta– 
rissen van de raden voor de kinder– 
bescherming en de Vereniging van 
schooldecanen. Ik noem ook de 
studiedag die onlangs is gehouden, 
vanuit hetzelfde métier, waarbij een 
keur aan tegenargumenten naar 
voren is gekomen. Ik treed daar nu 
niet in, maar misschien kan de 
staatssecretaris er in zijn brief 
meteen op reageren, want dan 
kunnen wij snel tot zaken komen. 

Staatssecretaris Kosto: Dat lijkt mij 
een zeer billijk verlangen van de heer 
Van der Vlies. Ik zal dit gaarne 
vervullen. 

Dan het andere grote punt, 
namelijk de heroriëntatie. Mevrouw 
Vliegenthart heeft er indertijd een 
motie over ingediend. De Kamer 
heeft ook kritisch gesproken over de 
samenvoeging van de raden voor de 
kinderbescherming, reclasseringsin– 
stellingen en gezinsvoogdij-instel– 
lingen. Dat mag niet, zegt de Kamer. 
Ik geef toe, dat ik ooit in het begin 
van deze discussie zelfs het begrip 
"fusie" gebruikt heb. Ik heb in juni al 
gezegd, dat ik dit begrip eerst aan de 
rand van de tafel, toen op een bijzet– 
tafeltje heb gelegd. Ik heb onlangs 
mogen vaststellen, dat ik zelfs geen 
bijzettafeltje meer had. Er is geen 
sprake van fusie of van samen– 
voeging. Ik ben geneigd, te spreken 
in termen van "samenwerking". Daar 
moeten wij elkaar ook kunnen 
vinden. Die samenwerking laat de 
verantwoordelijkheden, zoals die zijn 
verdeeld binnen de overheden, 
onverlet. Wij kunnen samenwerken 
met de provincies en hun instel– 
lingen. Justitie kan samenwerken 
met WVC. Dit gebeurt ook op grote 
schaal. Ik ben nu, in het kader van 
mijn bezuinigingsopdracht, bezig, te 
onderzoeken in hoeverre de instel– 
lingen die onder de verantwoorde– 
lijkheid van Justitie vallen zo kunnen 
samenwerken, dat efficiencybe– 
sparing mogelijk is, met behoud van 
de eigen identiteit van de 
werksoorten. Geen misverstand 
daarover: met behoud van de eigen 
identiteit. 

De Vereniging van secretarissen 
van de raden voor de kinderbe– 
scherming heeft onlangs een 
bijzonder aardige exercitie gehouden 
en een aardige nota uitgebracht, 

Bijzondere Commissie voor het 16 december 1991 
jeugdwelzijnsbeleid Jeugdwelzijnsbeleid UCV 19 


Kosto 

waar wij heel goed mee kunnen 
werken. Daar staan goede dingen in. 
Een ander voorbeeld. De reclas– 
sering, nu niet zozeer ter discussie, 
heeft wat meer tijd gevraagd. Men is 
daar bezig met het verkennen van de 
eigen interne kerntaken. De Kamer 
heeft er iets over in de krant kunnen 
lezen, omdat er stukken naar buiten 
zijn gekomen. Ik denk in termen van 
samenwerking. 

Laat ik op dit punt ook een 
concreet voorstel doen. Er is nog een 
exercitie aan de gang buiten mijn 
directe verantwoordelijkheid. De 
wijze mannen zijn al genoemd. De 
gezinsvoogdij-instellingen zijn 
voorwerp van onderzoek ter fine van 
een eventuele decentralisatie naar 
provincies en grote steden. Dat heeft 
zo zijn eigen loop. Er komt in maart 
een rapportage. Er wordt dan gerap– 
porteerd aan Binnenlandse Zaken en 
aan de ministerpresident. Dat zal zo 
zijn eigen discussie krijgen De 
reclassering is nog bezig. Dat heeft 
nog wat tijd nodig. Wij zijn nog 
steeds op weg naar 1994 wat betreft 
de bezuinigingen, maar wij zijn ook 
op weg naar het verwerven van meer 
middelen om de taken die Justitie 
moet doen in het kader van de 
jeugdbescherming beter te vervullen. 
Ik zal in dit geval niet na, maar voor 
het Paasreces, met een brief komen, 
waarin wij de resultaten verwerken 
van de verkenningen die in deze 
sectoren zijn gedaan, de bezinning 
op de eigen kerntaken van die 
werksoorten, de mogelijkheden voor 
samenwerking en de mogelijkheden 
van bezuiniging. Fusiegedachten en 
samenvoegingsgedachten zijn niet 
aan de orde. De eigen identiteit van 
de werksoorten blijft bestaan, maar 
er moet toch - dat is mijn vaste 
overtuiging - efficiencywinst te 
boeken zijn. 

Ik ben er overigens geenszins op 
uit om de wensen van de Kamer te 
negeren, maar ik moet ze wel 
proberen in te passen in het beleid 
dat ik moet voeren. De Kamer heeft 
nooit ontkend, dat ik in 1994 een 
structurele bezuiniging van 20 mln. 
moet hebben. Ik ben daar nu mee 
bezig. Overigens, ik heb zojuist 
gehoord, dat mevrouw Vliegenthart 
een amendement van 55 mln. wil 
indienen op de begroting van WVC. 
Die begroting moet nog worden 
behandeld. De begroting van Justitie 
is behandeld, maar er is nog niet 
over gestemd. Mevrouw Vliegenthart 
heeft dus nog alle gelegenheid om 
een vergelijkbaar amendement in te 

dienen op de begroting van Justitie, 

niet tot zo'n gigantisch bedrag van 

55 mln., maar slechts voor 20 mln. 

Ik zou mevrouw Vliegenthart erken– 

telijk zijn voor het indienen en de 

Kamer voor het steunen van het 

amendement. Dan komen natuurlijk 

veel dingen in een ander licht te 

staan. 

De heer Dijkstal (VVD): Dat 

betekent dan dat u die 20 mln. drie 

jaar eerder krijgt. In het antwoord 

staat dat in het jaar 1992 al een 

bedrag zal worden bezuinigd. Is dat 

waar? Zo ja, om wat voor bedrag 

gaat het dan? 

Staatssecretaris Kosto: Zolang die 
bezuinigingen in het kader van de 
Tussenbalans nog niet nader zijn 
geconcretiseerd, is er sprake van een 
voorlopige oplegging van een 
aanslag. Voor de raden van de 
kinderbescherming gaat het voor 
1992 om een bedrag van 2,8 mln. en 
voor de reclassering om 4,2 mln. Dat 
is bij elkaar inderdaad 7 mln. Dat zijn 
voorlopige aanslagen die natuurlijk in 
hoge mate beïnvloed zouden kunnen 
worden door de effecten van de 
heroriëntatie, maar die zouden 
aanmerkelijk kunnen worden gefacili– 
teerd als mevrouw Vliegenthart haar 
gebaar maakt. 

Voorzitter! Mevrouw Soutendijk 
heeft gevraagd wat mijn visie is op 
het punt van de kinderrechtswinkels, 
de ombudsfunctie en de kinderte– 
lefoon. Die zou ik voor de afgelopen 
zomer al hebben gegeven. Dat is 
waar. Ik moet dat erkennen. Veel van 
de voorstellen uit de nota Rechtspo– 
sitie minderjarigen, die door de 
Kamer zijn geaccordeerd, hebben 
hun realisering gevonden in het 
voorstel Ouderlijk gezag en omgang. 
De ministerraad is akkoord gegaan 
met dat voorstel en het is naar de 
Raad van State gestuurd. Ik ben de 
Kamer inderdaad nog een bericht 
schuldig over de kinderrechtswinkel, 
de jeugdombudsfunctie en de 
kindertelefoon. Ik zeg toe dat ik 
uiterlijk in februari een brief zal 
schrijven over deze zaken. 

Mevrouw Soutendijk en mevrouw 
Versnel hebben vragen gesteld over 
de fusiedwang. Het gaat daarbij om 
de Utrechtse stichting Argus, de 
raden Binnensingel in Groningen en 
Archo. Met de stichting Argus 
hebben wij onlangs overeen– 
stemming bereikt over de finan– 
ciering in 1992 van hun hulpactivi– 
teiten tot ongeveer een ton. In 1987 

heeft mijn ambtsvoorgangster op het 
punt gestaan om die subsidiëring te 
beëindigen. Er is toen, onder druk 
van de Kamer, besloten om er toch 
mee door te gaan. Daarbij is wel 
afgesproken dat er te zijner tijd een 
inbedding zou plaatsvinden in het 
reguliere werk. Daar is men nu mee 
bezig. Er is geen sprake van dat wij 
nu een bepaalde fusie afdwingen, 
maar wij trekken nu de conse– 
quenties uit de afspraken van 1987. 
Die afspraken zijn toen gemaakt met 
de Kamer, die voor een deel dezelfde 
samenstelling had als nu. Het heeft 
dus een voorgeschiedenis. 

Archo in Nijmegen heeft al 
geruime tijd geleden besloten tot een 
fusie met de stichting Jeugd en 
gezin Nijmegen. Daarvoor wordt op 
dit moment een juridische structuur 
ontwikkeld. Het gaat daarbij om een 
holdingstichting en een aparte 
werkstichting Brede jeugdreclas– 
sering. Ik ben een tijd geleden in 
Nijmegen op bezoek geweest en 
toen heeft men mij dat verteld. 

De raden Binnensingel Groningen 
zullen niet worden gecontinueerd. 
Daarvoor is een andere oplossmg 
gevonden met de Groningse organen 
van de jeugdbescherming en met de 
stichting Sprint die op provinciaal 
niveau de vrijwillige jeugdhulpver– 
lening rond delinquente jongeren 
coördineert. Daarmee zijn goede 
afspraken gemaakt, die de voortgang 
van de bejegening van deze 
categorie jeugd garandeert. 

De gemeente gaat in het kader van 
de decentralisatie de stichting Argus 
mede financieren. Wij hebben daar 
goede gesprekken over gevoerd. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Dit alles is gebeurd onder voorzitter– 
schap van de heer Roethof. Hij zou 
dit soort afspraken dus moeten 
hebben gemaakt en daaraan moeten 
hebben gerefereerd in de stukken die 
hij ons heeft toegestuurd. Door de 
positie waarin men komt te verkeren 
door die fusie, is de subsidiëring 
door de gemeente ook niet meer zo 
erg zeker. Dat maakt het geheel 
buitengewoon vervelend. Ik vraag de 
staatssecretaris daarom dringend om 
die dwang nu niet uit te oefenen, te 
meer daar er toch allerlei 
bewegingen zullen plaatsvinden, 
waar hij ons het komende half jaar 
brïeven over zal schrijven. Het is 
volgens mij niet zo verstandig om het 
op deze manier vast te spijkeren. 

Staatssecretaris Kosto: Voorzitter! 

Bijzondere Commissie voor het 16 december 1991 
jeugdwelzijnsbeleid Jeugdwelzijnsbeleid UCV 19 


Kosto 

Dit wordt niet als dwang ervaren. 
Men is zich ervan bewust dat er in 
het verleden een afspraak is 
gemaakt. Wij hebben met Argus 
overeenstemming bereikt. Overigens 
is het niet de gemeente maar de 
provincie Utrecht die mee wil finan– 
cieren. Deze berichten dateren van 
vorige week. Mogelijkerwijs is de 
informatie van mevrouw Versnel van 
oudere datum. Ik zal dit nagaan. 

Mevrouw Versnel heeft gesproken 
over het tekort van 10 mln. voor de 
pleegzorg. Voorzitter! Ik zit ermee 
dat ik niet meer geld kan overdragen 
dan ik heb. Er is op dit punt een 
afspraak met het IPO gemaakt. 
Binnen de financiën die met de 
uitvoering van de maatregel kinder– 
bescherming gemoeid zijn, is een 
bedrag afgezonderd dat toegerekend 
kan worden aan de pleegzorgtaken. 
Duidehjk is dat dit bedrag niet 
overeenkomt met het tarief dat aan 
de voorziening pleegzorg is toebe– 
dacht. Nu is tussen Rijk en provincies 
overeengekomen dat hierover in 
1992 nader overleg wordt gevoerd 
teneinde de ontvlechting van 
maatregel– en pleegzorgtaken in de 
periode daarna wat makkelijker te 
maken. Met de vertegenwoordiger 
van de provincies, het IPO, is 
hierover overeenstemming bereikt. 

Mevrouw Vliegenthart heeft 
gesproken over de problemen tussen 
de SOR en het Psychiatrisch psycho– 
logisch pedagogisch adviesbureau 
randstad. Rapporten van de 
genoemde instelling en van soort– 
gehjke onderzoeksinstellingen aan 
raden voor de kinderbescherming, 
gezinsvoogdij-instellingen of aan de 
rechters, vallen onder de normale 
regels van de Wet openbaarheid van 
bestuur. Alle bescheiden die zich in 
de dossiers van de raden van kinder– 
bescherming bevinden vallen daar 
ook onder. Nu kan het zijn dat er 
bijzondere aspecten van privacybe– 
scherming aan de orde zijn, maar die 
moeten dan wel worden opgevoerd. 
In ieder geval kan het niet zo zijn dat 
het reglement van een onderzoeksin– 
stelling boven de Wet openbaarheid 
van bestuur gaat. 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): Wilt 
u ervoor zorgen dat al de instituten 
die onderzoek op dit terrein 
verrichten daarmee bekend zijn? 

Staatssecretaris Kosto: Het zijn toch 
Nederlanders en die worden geacht 
de wet te kennen. Ik zeg echter 
mevrouw Vliegenthart toe, dat wij dit 

nog eens duidelijk zullen maken. 

Mevrouw Vliegenthart heeft ook 
gevraagd om de inspectie een 
algemeen onderzoek te laten doen 
naar extreem moeilijke, zich proble– 
matisch gedragende jeugdigen in 
gesloten instellingen en naar het 
voorkomen van geweld of Intimidatie 
bij de behandelmg Er zijn enkele 
vervelende voorbeelden van gevallen 
waarin dit laatste het geval is. Ik heb 
er echter moeite mee, een algemeen 
onderzoek naar al dit soort instel– 
lingen in gang te zetten. Dat maakt 
iedereen verdacht. Ik vind dat een te 
zwaar middel. Er wordt echter wel 
gewerkt aan de vormgeving van een 
zorgvuldig klachtrecht en aan de 
vormgeving aan een onafhankelijke 
inspectie jeugdhulpverlening. Ik denk 
dat die instrumenten voor het bevor– 
deren van een zorgvuldige hulpver– 
lening van groot belang en ook 
toereikend zijn. Ik denk dat de 
inspectie alleen maar moet worden 
ingeschakeld bij een vermoeden of 
bij een gesignaleerde misstand. Ik 
ben overigens voornemens de 
komende jaren evaluatieonderzoeken 
te laten verrichten naar de aard en 
de effectiviteit van de in de verschil– 
lende justitiële jeugdinrichtingen 
gehanteerde behandelmethodieken. 

Ik zeg tegen de heer Lankhorst dat 
de pedagogische klap voor mij niet 
een aanvaard instrument in de 
jeugdhulpverlening is, ook niet als 
dat de justitiële jeugdbescherming 
is. De heer Lankhorst vraagt 
garanties van mij voor het behoorlijk 
functioneren van De Dreef. Deze 
instelling was in de publiciteit omdat 
daar volgens sommigen wel op 
pedagogisch verantwoorde wijze een 
klap kon worden gegeven. Ik ben dat 
niet met De Dreef eens. Op basis 
van het aan de Kamer vertrouwelijk 
toegezonden samenvattend rapport 
van de waarnemer heb ik besloten 
het waarnemerschap bij De Dreef te 
continueren. Ik heb zeer kort geleden 
een niet voor tweeërlei uitleg vatbare 
brief gezonden aan het bestuur van 
De Dreef, waarin ik ook bepaald niet 
vrijblijvend een aantal dringende 
aanbevelingen heb gedaan ten 
opzichte van de kwaliteit van de 
geleverde zorg. Ik wijs er dan nog op 
dat het justitieel onderzoek naar de 
gebeurtenissen en een onderzoek 
dat door het bestuur zelf is geënta– 
meerd nog gaande zijn. Maar ik houd 
dat scherp in de gaten. Het is een 
particuliere organisatie, die afhan– 
kelijk is van de pupillentoelevering 
door justitie. Ik stel daar mijn eisen 

aan en daar past geenszins in dat 
men handtastelijkheden als peda– 
gogisch instrument ziet, natuurlijk 
daargelaten dat in een acute noodsi– 
tuatie proportioneel fysiek geweld 
denkbaar is om die noodsituatie te 
keren. Maar dat is onder alle 
omstandigheden het geval, zelfs in 
de vrije maatschappij. 

De heer Lankhorst (Groen Links): 
Zou de staatssecretaris de brief die 
hij aan het bestuur van De Dreef 
geschreven heeft, eventueel vertrou– 
welijk aan de kamercommissie willen 
zenden? 

Staatssecretaris Kosto: Dat zou dan 
op z'n minst vertrouwelijk moeten 
gebeuren, want het is natuurlijk toch 
een brief waar een andere partij bij 
betrokken is. Het is natuurlijk mijn 
plicht om de Kamer behoorlijk te 
informeren. Ik moet nog nadenken 
over de wijze waarop ik hieraan vorm 
zal geven. Ik kom hier binnenkort op 
terug. Maar ik begrijp de achter– 
grond van de vraag en die is alleszins 
respectabel, uiteraard. 

Voorzitter! Mevrouw Vliegenthart 
heeft gevraagd naar ondersteuning 
van mensen die gebruik maken van 
de klachtenregeling. Ik zal dit punt 
graag meenemen in de werkgroep 
die zich bezighoudt met de voorbe– 
reiding van de klachtenregeling. 

De heer Leerling vroeg naar de 
participatie van ouderorganisaties. 
Het overleg met particuliere organi– 
saties in het kader van de jeugdhulp– 
verlening vindt plaats via het 
zogenoemde gestructureerde 
overleg. Daar ontmoeten de minister 
en ik het particulier initiatief. Het lijkt 
mij niet juist om wat dat betreft een 
uitzondering te maken, maar ik wijs 
nog graag op de jaarlijkse ontmoe– 
tingsdag, waarover gesproken wordt 
in de nota over justitiële jeugdbe– 
scherming, waarin ook de ouderor– 
ganisaties een plaats krijgen. In het 
kader van de werkgroep die zich 
bezighoudt met de medezeggen– 
schap in de jeugdhulpverlening neem 
ik graag de gedachte mee hoe 
ouderorganisaties hier ook een rol in 
kunnen spelen. 

Op de vraag van de heer Van 
Middelkoop over de samenvoeging 
ben ik impliciet al ingegaan. Ik heb 
hem gezegd dat het eerder een 
kwestie van samenwerking is. De 
heer Van der Vlies heeft mij 
gevraagd, in te gaan op de 
conclusies van de studiedag over de 
financiële taken. Dat heb ik net dus 

Bijzondere Commissie voor het 16 december 1991 
jeugdwelzijnsbeleid Jeugdwelzijnsbeleid UCV 19 


Kosto 

uitvoerig beantwoord. 

De plaatsingsproblemen in de 
justitiële jeugdbescherming 
waarover de raad van Rotterdam zich 
bezorgd heeft geuit, zijn mij helaas 
maar al te zeer bekend. Het blijkt 
telkens bijzonder moeilijk te zijn om 
een geschikte plaatsing te vinden 
voor problematische jeugdigen. Dat 
is geen nieuw verschijnsel, maar ik 
heb wel het gevoel dat het in ernst 
toeneemt. Enerzijds wordt hieraan 
tegemoet gekomen door het uitbrei– 
dingsplan van de justitiële jeugdin 
richtingen JR 120. Dat gebeurt ten 
dele privaat en ten dele via het Rijk. 
Daarover hebben wij al een keer 
gediscussieerd. Anderzijds wordt 
zeer binnenkort door het Weten– 
schappelijk onderzoek– en documen– 
tatiecentrum van Justitie gerappor– 
teerd over een onderzoek naar de 
kwalitatieve en kwantitatieve 
tekorten bij het plaatsen door kinder– 
rechters en voogdij-instellingen. Op 
basis van dat onderzoek zal het 
overleg met de andere overheden, 
die dus vanaf 1 januari verantwoor– 
delijk zijn voor de planning en de 
financiering van de regionale 
voorzieningen, worden geïntensi– 
veerd. Ook het servicepunt moeilijke 
plaatsbare jongeren, dat zich in het 
bijzonder op de plaatsing in 
landelijke voorzieningen richt, kan 
daaraan bijdragen 

De heer Leerling wil de bijstands– 
kosten verhalen op de ouders van 
weggelopen minderjarigen. Het gaat 
hier niet om hulpverleningskosten. 
Met betrekking tot de hulpverle– 
ningskosten bestaat voor de ouders 
de mogelijkheid om geen bijdrage te 
hoeven betalen, namelijk wanneer zij 
bezwaar hebben tegen de hulpver– 
lening. In de wegloopsituatie hoeft 
echter geen sprake te zijn van 
hulpverlening. Dan lijkt het ook 
volstrekt juist indien verleende 
bijstand op de ouders wordt 
verhaald. 

De vergadering wordt enige 
ogenblikken geschorst. 

D 

De heer Dijkstal (VVD): Voorzitter. 
Ik wil in de eerste plaats de bewinds– 
lieden danken voor de redelijk 
complete beantwoording. Ik weet 
niet hoe het hen vergaan is, maar na 
de eerste termijn dacht ik: Als het zo 
doorgaat, hebben wij er 100 mln. bij 
in plaats van 55 mln. tekort. Er kwam 
immers geld uit de ruilverkaveling, 

uit de geheime diensten en uit de 
grote decentralisatie. Het was 
fantastisch, maar zo werkt het 
natuurlijk niet. Het is dus de vraag, 
hoe hetgeen ons allen bindt, het best 
geregeld zou kunnen worden. En met 
alle respect voor de ruilverkaveling 
van mevrouw Versnel en de geheime 
diensten van de heer Lankhorst, wij 
voelen niet zo verschrikkelijk veel 
voor die oplossingen, dus de grote 
decentralisatie is de enige oplossing 
die voor ons bespreekbaar is. Wij 
zouden de minister dus alle steun 
willen geven tegenover het ministerie 
van Financiën. Ik heb van mevrouw 
Vliegenthart begrepen dat die steun 
morgen gestalte zal krijgen in de 
vorm van een amendement. 

Eerlijkheidshalve moet ik er nog 
wel een kanttekening bij plaatsen. 
Toen verleden jaar februari de 
Tussenbalans werd besproken, 
diende de VVD een correctieplan in. 
Sommige bezuinigingen namen wij 
over, andere niet. De VVD-fractie 
heeft bij die gelegenheid wel gezegd 
dat het haar een raadsel was, hoe 
dat bedrag van 550 mln. met de 
grote decentralisatie behaald zou 
kunnen worden, maar dat zij 
voorlopig geen reden had om 
daaraan te twijfelen, aangezien de 
regering daarvan uitging. Met andere 
woorden, het probleem lag bij de 
regering. Op grond van gegevens die 
mevrouw Vliegenthart zojuist in een 
interruptiedebatje verstrekte, begrijp 
ik dat het kabinet van oordeel is dat 
er zelfs meer dan 550 mln. op de 
rijksbegroting terug zal komen. Wel, 
daar ga ik dan ook maar van uit, 
zodat de weg van het amendement 
dat mevrouw Vliegenthart wil 
indienen, voor ons aanvaardbaar is. 

Voorzitter. Ik heb met grote 
belangstelling geluisterd toen de 
minister uitlegde, hoe zij haar beleid 
gestalte geeft. Naar mijn idee is het 
toch een beetje anders gegaan: alle 
ministeries moesten inleveren bij de 
Tussenbalans, dus ook WVC, en dat 
was natuurlijk een gigantische 
opgave. Er moeten dus keuzen 
gemaakt worden, maar om nu 
schaalvergroting te presenteren als 
de grote vondst als het gaat om 
verbetering van de kwaliteit van de 
jeugdhulpverlening, die dan ook nog 
wat geld oplevert, dat gaat mij wat te 
ver. Zo is het natuurlijk niet. Ik ben 
het met de minister eens dat onder– 
zocht moet worden of door betere 
samenwerking en schaalvergroting 
geen geld vrijgemaakt zou kunnen 
worden in de overhead. Als dat lukt, 

is het natuurlijk de vraag, waarvoor 

dat geld gebruikt wordt; voor verbe– 

tering van de kwaliteit van de jeugd– 

hulpverlening - is er op dat terrein 

nog erg veel te doen - of voor de 

vermindering van het financierings– 

tekort, een op zichzelf legitiem doel. 

Ik vond de redenering van de 

minister dus wat gekunsteld. 

Wat het NIZW betreft was het 
antwoord van de minister mij niet 
geheel duidelijk. Als ik het goed 
begrepen heb, is er onlangs een 
tripartiet overleg gestart van 
overheid, het NIZW zelf en de verte– 
genwoordigers uit het veld van de 
jeugdhulpverlening. Men komt van 
tijd tot tijd bijeen om het onderzoek 
een beetje te kunnen sturen. Is dat 
juist? Als dat zo is, wil ik de zaak 
best het voordeel van de twijfel 
geven. Ik blijf mij afvragen of het niet 
verstandig is om een directe lijn in 
dat bestuur aan te brengen, maar dat 
kan altijd nog als dit mislukt. 

Dan stap ik over naar de 
antwoorden van de staatssecretaris. 
Ik moet heel eerlijk zeggen dat zijn 
redenatie inzake kinderalimentatie en 
financiële taken wel een beetje hout 
snijdt. Dat het kabinet naarmate het 
meer moet bezuinigen, een grotere 
behoefte heeft om intern over 
kerntaken te praten, begrijp ik 
natuurlijk wel, maar iets is een taak 
van de overheid of niet. Het verschil 
tussen een taak en een kerntaak is 
mij niet duidelijk. De indieners van de 
motie hebben gezegd: als men toch 
belang hecht aan de positie van het 
kind, is de vraag wie dat dan het 
best kan bewaken. Wat mij betreft, 
zijn dat op dit moment eerder de 
raden dan iets anders. Ik weet ook 
geen betere oplossing. Ik wijs erop 
dat wij de motie mede om die reden 
niet gesteund hebben. 

Ik begnjp dat de staatssecretaris 
daarover nog met een brief of een 
notitie komt. Als ik mij niet vergis, 
heeft hij in een bijzin de gedachte 
uitgesproken om uit te gaan van vijf 
raden, verspreid over het land, die de 
taak vervullen, waardoor de andere 
raden ontlast worden. Daarmee is 
bereikt wat je wilde. Dat is een 
interessante gedachte. Ik hoop dat 
hij die ook uitwerkt in de brief, de 
notitie aan de Kamer. 

Door de aanvankelijke gedachte 
over fusie en nu samenwerking 
tussen de gezinsvoogdij, de raden en 
de reclassering wordt het volgens mij 
onduidelijker. ledereen mag van mij 
samenwerken. Zo kan ik mij ook wel 
voorstellen dat de reclassering met 

Bijzondere Commissie voor het 16 december 1991 
jeugdwelzijnsbeleid Jeugdwelzijnsbeleid UCV 19 


Dijkstal 

het gevangeniswezen samenwerkt en 
de gezmsherenigmg met de 
instanties die zich bezighouden met 
asielzoekers. Maar daar gaat het 
natuurlijk niet om. In de gevoelige 
materie van de kinderbescherming 
wil de Kamer zo graag dat de 
posities heel zuiver zijn, zoals die van 
de kinderrechter, van de raad en van 
de gezinsvoogdij. De lijn die de 
staatssecretaris volgt, lijkt daar 
echter een beetje dwars op te staan. 
Natuurlijk wacht ik nu de brief af; dat 
ben ik zeker aan de staatssecretaris 
verschuldigd. Maar toch houd ik ter 
zake voorlopig grote twijfel. 

In eerste termijn heb ik geen 
affaires genoemd als aanleiding om 
te discussiëren over het gebruik van 
geweld bij de jeugdhulpverlening. Ik 
heb dat niet gedaan, omdat in de 
commissie is aangegeven dat wij 
daar na het reces nog eens over 
willen praten. Dat is dan mogelijk 
aan de hand van stukken die de 
staatssecretaris ons nog doet 
toekomen. 

Het is jammer dat de staatssecre– 
taris de gedachte van mevrouw 
Vliegenthart afwijst om de inspectie 
nog eens wat te laten onderzoeken. 
Dat hoeft geen algemeen onderzoek 
te zijn. Maar ik kan mij voorstellen, 
dat er contact wordt opgenomen 
met een aantal instellingen om te 
informeren naar de ervaringen. Dat 
kan bijdragen aan een zinvolle 
discussie over dit onderwerp. Het 
gaat namelijk niet over incidenten 
met een excessief karakter. Het is 
heel duidelijk dat wij allen van 
mening zijn dat daar iets tegen 
gedaan moet worden. Nee, het gaat 
om een veel groter probleem. 
Opvoeden is het stellen van grenzen. 
Welke methodes zijn daarbij nog 
toelaatbaar? Wat doe je, wanneer de 
grens een heel klein beetje is 
overschreden? Dit soort vragen 
betreffen moeilijke en gevoelige 
materies. Ik herhaal dat het 
misschien nuttig is om hierover met 
elkaar van gedachten te wisselen. 

D 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): Voorzitter! Ook ik 
dank de minister en de staatssecre– 
taris voor de gegeven antwoorden. 

Ik moet eerlijk bekennen dat ik de 
uiteenzetting van de minister over 
haar visie op het jeugdgebouw zeer 
interessant heb gevonden. Verleden 
jaar had ik daar al met belangstelling 
naar geluisterd, toen de nota over 

vernieuwing in het jeugdbeleid vlak 
voor de begrotingsbehandeling 

gepresenteerd werd. Nogmaals, die 

visie is zeer interessant. Maar van 

een aantal ideeën hebben wij 
verleden jaar al gezegd, dat wij die 

richting liever niet op gaan. 

Toen is met name zeer kritisch 
gesproken over de schaalvergro– 
tingsoperatie. Wij waren in ieder 
geval zeer huiverig om tegen de 
achtergrond van die nota weer met 
iets nieuws te komen voor dit 
beleidsveld, waar toch al zoveel op 
stapel was gezet, omdat een en 
ander in het verleden niet goed 
functioneerde. Wij hadden dat 
allemaal al geconstateerd. Wij 
hadden de beleidslijnen voor de 
toekomst daarop afgestemd. 
Vandaar de Wet op de jeugdhulpver– 
lening en dit pad dat wi] allen ingezet 
hebben. 

De minister verwoordt terecht haar 
filosofie over het jeugdgebouw. 
Maar dat is meer interessant en 
bruikbaar voor het voortraject voor 
de jeugdhulpverlening. Je moet niet 
verwachten, dat je de jeugdhulpver– 
lenmg daarmee nu weer op een 
geheel nieuwe en geheel andere 
wijze gestalte kunt of moet geven 
dan waartoe wij nog niet zo lang 
geleden besloten hebben. In het 
kader van de jeugdhulpverlening is 
mijn boodschap evenwel: laten wij 
gewoon proberen, de Wet op de 
jeugdhulpverlening uit te voeren en 
te laten werken; vervolgens moeten 
wij nagaan of het gekozen model 
aansluit op de geconstateerde 
behoefte. 

Dan kom ik bij het verhaal van de 
minister over de bezuinigingen. De 
minister zei ronduit dat zij daarvoor 
staat. Zij heeft echter van het begin 
af aan toch moeten merken dat het 
een heel moeilijke operatie zou 
worden en dat ook de Kamer er veel 
moeite mee zou hebben. Dat is 
kamerbreed uitgesproken in het 
mondeling overleg dat wij in het 
voorjaar hebben gehouden. Ik 
noemde al de nota Vernieuwing in 
het jeugdbeleid. Ook daarbij is 
kritisch gereageerd op de 
voornemens tot schaalvergroting. 
Tegen die achtergrond is het 
verwonderlijk dat de minister op 
deze manier kwam met haar plannen 
om de operatie in het kader van de 
Tussenbalans gestalte te geven. Ik 
herinnerde al aan het mondeling 
overleg dat wij in het voorjaar 
hebben gehouden. Mijn vraag aan de 
minister is wat zij na het mondeling 

overleg heeft ondernomen om 
datgene wat de Kamer toen al 
uitsprak te veranderen in de beleids– 
voornemens die zij had liggen. Heeft 
het gevolgen gehad? Vervolgens 
kwam de motie-Brinkman/Wöltgens. 
Heeft de minister daarop in het 
kabinet op een of andere manier een 
claim gelegd op mogelijke compen– 
satie voor de problemen die zij op 
zich af zag komen? Nu er in deze 
Kamer alom kritiek wordt geuit op de 
gepresenteerde plannen, begrijp ik 
wel dat de minister de oplossing 
omarmt die door mevrouw 
Vliegenthart is gepresenteerd. Wat 
het gedeelte van de verbreding van 
de decentralisatie-impuls betreft kan 
ik die omarming best nog volgen. Te 
dien aanzien hebben wij niet zo gek 
veel problemen met deze oplossing, 
omdat die verbreding wellicht meer 
geld oplevert. Dan is er voor 1994 
mogelijkerwijze een dekking te 
vinden voor de bezuinigingsopdracht 
die de minister heeft geaccepteerd. 
Voor 1992-1993 is de redenering 
van mevrouw Vliegenthart toch een 
heel moeilijke. Dat is althans in onze 
visie het geval. Er wordt immers min 
of meer een blanco cheque 
afgegeven, waarbij men voor dekking 
naar minister Kok moet. Mevrouw 
Versnel en collega Lankhorst hebben 
alternatieven aangegeven, maar 
mevrouw Vliegenthart geeft geen 
dekking aan. Dat is voor ons een 
problematische oplossing. 

De heer Dijkstal (VVD): Voor ons is 
het problematisch dat het CDA in 
twee termijnen zegt dat het allemaal 
niet kan. Er is zelfs een motie– 
Brinkman ingediend. Dat is toch niet 
voor niks gebeurd? Waar staat het 
CDA op dit moment? Ik vind het 
werkelijk met twee monden spreken. 
Met veel compassie wordt gepraat 
over de problemen, maar tegelij– 
kertijd geeft mevrouw Soutendijk niet 
thuis als de boter bij de vis moet 
komen. Politiek gesproken vind ik het 
dan ook beneden peil. 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): Ik zou inderdaad net 
zo graag als mevrouw Vliegenthart 
de mogelijkheid hebben om op de 
een of andere wijze van de minister 
van Financiën de toezegging te 
krijgen dat er straks alternatieve 
dekking wordt gevonden. Tot nu toe 
heeft hij dat niet gedaan. Ik zit dus 
vast aan het probleem dat wij zonder 
de medewerking van de minister van 

Bijzondere Commissie voor het 16 december 1991 
jeugdwelzijnsbeleid Jeugdwelzijnsbeleid UCV 19 19-29 


Soutendijk-van Appeldoorn 

Financiën geen dekking zien voor het 
gat dat wij slaan. 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): 
Maar als wij met elkaar uitspreken 
dat wij die bezuinigingen niet willen 
en dat wij vanaf 1994 een structurele 
dekking hebben om het probleem op 
te lossen, dan is er een incidenteel 
probleem dat opgelost moet worden. 
Wij spreken vervolgens uit: los dat 
incidentele probleem op. Dat is een 
politieke uitspraak die de Kamer kan 
doen. Het feit dat mevrouw 
Soutendijk vindt dat men in gebreke 
is gebleven, is een persoonlijk 
oordeel. De Kamer staat er nu voor 
om uit te spreken wat zij al dan niet 
acceptabel acht voor het komende 
jaar. De heer Dijkstal heeft dan een 
beetje gelijk met zijn opmerking dat 
het antwoord op de kritische vragen 
die mevrouw Soutendijk gesteld 
heeft, eigenlijk voor de hand ligt. 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): Jawel, maar ik heb die 
vragen gesteld, omdat ik ervan 
uitging dat de mmister kon aange– 
geven dat datgene wat zij had gepre 
senteerd handen en voeten had. Nu 
blijkt dat het schaalvergrotings– 
verhaal van de minister niet klopt. Oe 
pilotprojecten moeten nog op stapel 
worden gezet. Er moet worden uitge– 
probeerd wat schaalvergroting aan 
resultaten zal opleveren. Dat 
resultaat verwacht de minister rond 
1993. Dan moet het nog ingevoerd 
worden. Als het gebeurt zoals de 
minister heeft uiteengezet, lijkt het 
ons in ieder geval onuitvoerbaar of 
onhaalbaar. Als je in 1993 resultaten 
krijgt van een pilotproject over de 
mogelijkheden en de haalbaarheid 
van schaalvergroting en als je 
verwacht daarmee in 1994 al 55 
mln. in te kunnen boeken, dan zijn 
dat inderdaad vogels in de lucht. Dat 
is niet haalbaar. Vandaar dat mijn 
vragen erop gericht waren, te onder– 
zoeken hoe hard de mogelijkheden 
zijn die door de minister in de 
stukken zijn aangereikt Als die niet 
hard zijn, kiezen wij voor zekerheid 
ten aanzien van het behoud van de 
capaciteit en dan gaat ons de zorg 
om de jeugdhulpverlening boven 
alles. Uit het betoog van de minister 
bleek overigens dat een aantal 
elementen uit de Tussenbalans– 
invutlmg, zoals de sluiting van de vier 
instellingen, toch weer gewoon ter 
discussie konden worden gesteld en 
van tafel konden gaan. 

Over de MKD-gelden heb ik 
opmerkingen gemaakt en ik ben niet 

geheel tevreden met de antwoorden 
die de minister daarover heeft 
gegeven. Ik begrijp haar redenering, 
maar mijn punt was het volgende. De 
minister heeft de MKD-gelden 
ingezet om er bepaalde bezuini– 
gingstaakstellingen of andere doelen 
mee te financieren. Dat is op zichzelf 
een keuze waar wij ons vorig jaar op 
de een of andere manier niet al te 
sterk tegen hebben verzet. Maar nu 
komt uit de stukken naar voren dat 
de minister op de een of andere 
manier weer ruimte krijgt in de 
MKD-groeigelden. Daar komt, 
gedeeltelijk doordat een aantal van 
de wachtgeldverplichtingen niet ten 
laste van haar departement komen, 
ruimte. Ook wordt een uitspraak 
gedaan over het vrijvallen van 
MKD-gelden, nadat de wachtgeld– 
verplichtingen of de afkoopverplich– 
tingen op een gegeven ogenblik ten 
einde zijn gekomen. Wij vinden dat 
de minister dan die vrijkomende 
gelden primair zou kunnen en 
moeten besteden aan 
MKD-projecten die destijds al waren 
ingediend. Mevrouw Vliegenthart 
heeft gewezen op een project in 
Noord-Holland; ik wijs op een project 
in Zuid-Holland, dat door toevallige 
omstandigheden, door condities 
zoals die door het departement zijn 
geformuleerd, niet tot stand kon 
komen. Aanvankelijk was er namelijk 
de toestemming voor de bouw van 
een MKD op Oost-Voorne. Het 
departement formuleerde toen een 
aanvullende voorwaarde, namelijk 
samenwerking met een klavertje vier 
in Hellevoetsluis. Daardoor viel men 
net na de deadline van het depar– 
tement en kon een MKD niet tot 
stand komen. Ik vind dat de minister 
dergelijke grensgevallen opnieuw 
moet bekijken en dat, als er gelden 
vrijvallen, zij dit geld daaraan moet 
besteden en het niet aan andere 
doelen kan besteden. Dat was mijn 
punt. 

Ten aanzien van de mspectie heeft 
de minister toegezegd dat er in 
januari een stuk komt over de inter– 
departementale opzet van de 
inspectie. Ik denk dat dit een heel 
cruciaal punt is. Ik ben blij dat dit al 
op zo korte termijn te verwachten is. 
En dan is de tweede stap, integratie 
bij het staatstoezicht in het eerste 
kwartaal van het komende jaar, een 
stap die onvermijdelijk en zonder al 
te veel problemen volgt. 

Mijnheer de voorzitter! Ik ben 
ingegaan op de bureaus vertrou– 
wensartsen en ik heb melding 

gemaakt van en de aandacht 
gevestigd op de motie van mevrouw 
Laning. Met name het punt van het 
gestroomlijnde meldpunt en de 
geprotocolleerde verwerking is van 
wezenlijk belang op het moment dat 
deze bureaus worden gedecentrali– 
seerd. Het kan dus niet zo zijn dat de 
minister nog jaren moet werken aan 
het systeem van het ene meldpunt 
en de protocollaire afdoening. Daar 
moet haast mee gemaakt worden en 
dat moet op korte termijn worden 
gerealiseerd. 

Mijnheer de voorzitter! Ik heb van 
de staatssecretaris begrepen dat 
deze niet van plan is om terug te 
gaan naar de provincie Noord– 
Brabant om nogmaals over de 
schoolinternaten te onderhandelen. 
Ik wijs erop dat het bod dat gedaan 
wordt, redelijk laag is. Maar 
bovendien heeft de Kamer de staats– 
secretaris destijds in het mondeling 
overleg verzocht om niet met de 
schoolinternaten te onderhandelen, 
maar met de provincie. Wij 
verzoeken de regering dus nogmaals 
een bod te doen bij de provincies. 

Minister d'Ancona: Ik wijs mevrouw 
Soutendijk op de brief die zij heeft Ik 
heb het hier ook duidelijk gemaakt: 
er is overleg gevoerd met de 
provincie, precies zoals zij dit 
gevraagd heeft. De provincie, zo heb 
ik heel duidelijk gezegd, is niet van 
plan iets anders te accepteren dan 
structurele dekking voor de voort– 
zetting van de internaten, dat wil 
zeggen structurele dekking voor het 
volledige bedrag. 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): Dan heeft men mij in 
ieder geval tot nog toe anders 
voorgelicht, omdat daar gezegd is 
dat er geen financieel bod is gedaan. 

Er rest mij nog één vraag voor de 
minister, voorzitter. Ik heb een vraag 
gesteld over de gang van zaken bij 
de bovenprovinciale voorzieningen. 
Daar heeft zij afspraken over 
gemaakt in het convenant. Ik heb 
gewezen op problemen die zich op 
dit moment voordoen bij het paedo– 
logisch instituut in Nijmegen, daar 
waar het betreft de onderhandelings– 
positie van de provincie Gelderland. 
Een vergelijkbaar geval doet zich 
voor bij de provincies Noord-Brabant 
en Limburg. Ik vroeg de aandacht 
van de minister voor de problematiek 
die bij die provmciale voorzieningen 
kan ontstaan, als provincies niet tot 
die afspraken komen, waar de 

Bijzondere Commissie voor het 16 december 1991 
jeugdwelzijnsbeleid Jeugdwelzijnsbeleid UCV 19 19-30 


Soutendijk-van Appeldoorn 

minister hen toe oproept in het 

convenant. 

Ten slotte wijd ik nog een enkel 
woord aan de opmerkingen van de 
staatssecretaris over met name de 
financiële taken van de raden voor 
de kinderbescherming. Het aanbod 
zowel van Justitie als van WVC om 
de gedachten uit te werken en op 
papier te zetten, inclusief de inning 
van de ouderbijdrage, moeten wij in 
deze fase accepteren. 

Ik ben het niet eens met de 
analyse van de staatssecretaris dat 
als een privaat orgaan bepaalde 
bevoegdheden toegedeeld krijgt, het 
dan automatisch een overheids– 
orgaan wordt. Dat is naar mijn 
mening onjuist. Ik heb in dit verband 
gewezen op de notarissen en op het 
Centraal bureau voor afgifte van 
rijvaardigheidsbewijzen. Dat zijn 
private organen met overheidsbe– 
voegdheden. Naar mijn mening is het 
derhalve niet terecht te constateren 
dat, als wij de richting van zo'n 
orgaan opgaan, wij het innen van 
deze bijdrage als een kerntaak van 
de overheid blijven zien. Het is de 
taak van een zelfstandig orgaan 
waarvoor de overheid zich verant– 
woordelijk voelt omdat het belang 
van het kind in het geding is. Het 
gaat daarbij niet alleen om een finan– 
cieel belang, het gaat ook om het 
belang van een rustige opvoeding 
die niet geteisterd wordt door 
emoties rondom de inning van de 
financiële bijdrage en rondom het 
daaraan ten grondslag liggende 
echtscheidingsconflict. Wij gaan die 
discussie nog voeren Daar kunnen 
wij alleen maar blij mee zijn. 

Ik ben blij dat de staatssecretaris 
nog komt met een standpunt over de 
kindertelefoon. Ik wijs hem erop dat 
wij voor de zomervakantie ook een 
standpunt verwachten over de 
informele procesgang bij de 
omgangsregeling. 

Ik wil nog een vraag stellen over 
de problematiek rondom Argus in 
Utrecht. De staatssecretaris zegt dat 
er overeenstemming is over het 
bedrag van ƒ 100.000. Dat is mooi 
als dat zo is. Ik geloof de staatsse– 
cretaris onvoorwaardelijk. Om te 
kijken of hetgeen de staatssecretaris 
vertelt, klopt met hetgeen wij graag 
zouden willen, vraag ik de staatsse– 
cretaris of de toezegging voor die 
ton zonder fusiedwang tot stand is 
gekomen. 

D 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 

Voorzitter! Ik wil eerst even iets 

rechtzetten. Ik heb niet willen 

zeggen, doch het waarschijnlijk wel 

gedaan, dat er bij de vernieuwing 

van het jeugdbeleid geld wegge 

gooid zou worden. Mijn bedoeling is 

nu te zeggen, dat het naar mijn 

gevoel niet juist zou zijn als er met 
welk amendement dan ook op 

centraal niveau geld zou worden 

afgehouden dat decentraal is 

bedoeld. Kan de minister dit 

beamen? 

In het amendement van D66 
kunnen de schoolinternaten met het 
volledige bedrag bediend worden. Ik 
zou dat amendement in de aandacht 
willen aanbevelen. 

Ik kom morgen tijdens de begro– 
tingsbehandeling ten principale terug 
op het NIZW. 

Ik vind het erg plezierig dat 
minister zo serieus is ingegaan op 
het punt van de burn-outs. 

Mevrouw Soutendijk is uitvoerig 
ingegaan op de kwestie van de 
kerntaken. Kortheidshalve sluit ik mij 
bij haar opmerkingen aan. Ook ten 
aanzien van Argus wil ik mij 
aansluiten bij de vraag van mevrouw 
Soutendijk of er geen sprake is 
geweest van fusiedwang. 

Ik vraag mij af hoe reëel het 
voorstel van de PvdA is, met name 
wat het financiële aspect betreft. Ik 
begrijp dat er in 1993 sprake is van 
een cumulatie van het bedrag tot 96 
mln., in 1994 is dat 151 mln. Dat zal 
op de een of andere manier uit de 
decentralisatie moeten komen. Het 
gaat daarbij om een bedrag van 41 
mln. van 1992, 55 mln. van 1993 en 
55 mln. van 1994. 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): Dat 
begrijpt u verkeerd. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Dan mag u dan uitleggen. Wij 
hebben nog geen amendementen 
gekregen. Dat is heel vervelend. 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): Ik 
kan het u heel kort uitleggen, 
mevrouw Versnel. 

De voorzitter: Graag in uw eigen 
termijn! 

D 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): 
Voorzitter! Ik begin met de bewinds– 

lieden te danken voor hun beant– 
woording. De minister gaf, mede 
naar aanleiding van de ervaringen 
die zij dezer dagen heeft opgedaan, 
een beschouwing over de prioriteiten 
van het preventiebeleid. Het lijkt mij, 
dat de Kamer haar opmerkingen 
daarover volledig kan onderschrijven. 
De discussies die wij over dit 
onderwerp de afgelopen jaren 
hebben gevoerd hielden in, dat 
voorkomen beter is dan genezen. Op 
het moment dat mensen genezen 
moeten worden, kan men hen echter 
niet in de kou laten staan. Dat is de 
kern van de discussie van vandaag. 
Bij deze discussie zijn bezuinigingen 
aan de orde. 

Voor de uitgangspunten die de 
Kamer in de afgelopen jaren heeft 
gehanteerd, bestond dezelfde 
consensus die zich ook nu aftekent 
Daarbij was de opvatting: hulp moet 
zo dicht mogelijk bij huis geleverd 
worden. Er moet daarbij sprake zijn 
van hulp op maat. De individuele 
hulpvraag is dan bepalend Verder 
moet de hulpverlening kwalitatief 
goed zijn en zij moet resultaat 
hebben. 

De minister zegt een meer struc– 
turele aanpak voor te staan om de 
versnippering in het gehele veld van 
de jeugdhulpverlening tegen te gaan. 
De wens om versnippering tegen te 
gaan, ligt volgens mij ten grondslag 
aan de Wet op de jeugdhulpver– 
lening. Oaarin zijn de financierings– 
stromen bijeengebracht. Met die wet 
wordt het voorzieningenpatroon 
gedecentraliseerd naar de 
provincies. Die moeten de 
samenhang in het aanbod 
aanbrengen. Die zouden dat ook 
beter kunnen dan de centrale 
overheid. Het ging dus om: één 
financieel kader, decentralisatie en 
samenwerking. De wet kent de 
bepalingen om dat af te dwingen. Nu 
krijgen deze onderwerpen een 
vertaling in een discussie over al dan 
niet bestuurlijke samenwerking en 
schaalvergroting. Het gaat hierbij 
echter om zaken die in elkaars 
verlengde liggen. Naar mijn mening 
had mevrouw Soutendijk volkomen 
gelijk toen zij zei, dat het erom gaat 
de wet ook uit te voeren. 

Over de uitgangspunten zijn wij het 
dus eens. Vervolgens denk ik dan 
aan de bezuinigingen. Ik ga niet 
opnieuw zeggen waarom deze bezui– 
nigingen onverantwoorde conse– 
quenties hebben. Dat heb ik al in 
eerste termijn gedaan. De minister is 
met een intrinsieke verdediging van 

Bijzondere Commissie voor het 16 december 1991 
jeugdwelzijnsbeleid Jeugdwelzijnsbeleid UCV 19 


Vliegenthart 

haar voorstellen gekomen. Een 
aantal leden van deze Kamer heeft 
daar ook om gevraagd Ik wil nu nog 
een paar kanttekeningen plaatsen. Ik 
vraag mij af wat er gebeurt op het 
moment dat het amendement dat ik 
zal indienen, wordt aangenomen. 
Wat zal dat betekenen voor een 
aantal geplande operaties? Hiermee 
kom ik ook toe aan de uitleg die ik 
mevrouw Versnel zou geven. Laat ik 
daarmee beginnen. 

Bij de decentralisatie-operatie is 
vanaf 1994 een structurele dekking 
aanwezig voor de 55 mln. die struc– 
tureel opgebracht zou moeten 
worden door de jeugdhulpverlening. 
Dat bedrag is overigens ook al 
zonder uitvoering van de motie– 
Brinkman/Wöltgens beschikbaar. Uit 
de brieven over de eerste tranche 
van de decentralisatie-operatie blijkt, 
dat de taakstelling die uit de Tussen– 
balans volgt, nameiijk die van 550 
mln. voor het pakket dat aan de orde 
was, in 1994 634,3 mln. zal zijn. Het 
verschil tussen 634,3 en 550 is 84,3 
mln. In de eerste tranche zit dus al 
voldoende ruimte om de structurele 
dekking te realiseren. Dat betekent 
dat wij praten over een incidenteeel 
probleem in het jaar 1992 en 1993. 
Mevrouw Versnel telt de verschil– 
lende posten bij elkaar op. Dat moet 
je niet doen. De 41 mln. in 1992 is 
ook de 41 mln. in 1993 plus 14 mln. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Je moet wel betalen. 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): 
Omdat het een incidenteel kaspro– 
bleem is, zal het ook bij de oplossing 
om een uitgave op kasbasis moeten 
gaan. Volgens onze politieke keus is 
de consequenties van het 
doorvoeren van de bezuiniging niet 
acceptabel. Daarom geven wij de 
regering de opdracht voor de 
problemen in 1992 en 1993 een 
oplossmg aan te geven. Bij de Voor 
of Najaarsnota - dat zal afhankelijk 
zijn van de uitvoering van de 
begroting - kan men met een 
oplossing komen. Ik wijs erop dat in 
het afgelopen jaar bij de uitvoering 
van de begroting van Onderwijs en 
Wetenschappen - deze begroting is 
gekweld door enorme overschrij– 
dingen - geld \$ overgebleven, maar 
liefst 850 mln. Dat betekent dat zich 
in de uitvoering van de begroting 
ontwikkelingen voordoen die 
meevallen of tegenvallen. Dit valt in 
de termen van het financieel beheer 
dus tegen, maar er zijn elders 

meevallers. Wij vinden dat de Kamer 
daarover geïnformeerd moet worden. 
Geprobeerd moet worden, een 
oplossing op incidentele basis te 
zoeken. Ik wijs op de effecten die dit 
anders zou kunnen hebben. 

Mevrouw Versnel Schmitz (D66): 
Ik ben op een verkeerd been gezet 
door het gebruik van het woord 
"kasprobleem". Er is immers gezegd 
dat het hier om een incidenteel 
probleem gaat, dus om een 
incidenteel tekort dat op de een of 
andere manier opgelost zal worden 
U gebruikte dat woord. U sprak over 
kasschuiven. In latere jaren betaal je 
dan wat je in vorige jaren niet 
betaald heb Dat is een verschil. 
Vandaar dit misverstand, voorzitter! 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): Dat 

is dan bij dezen opgehelderd. 

De heer Lankhorst (Groen Links): 

Mevrouw Vliegenthart moet deze 
week wel helderheid verschaffen, 
want de instellingen moeten echt 
aan het eind van deze week weten 
waaraan zij toe zijn. 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA) 
Vandaar ook dat ik geen motie zal 
indienen maar een amendement. 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): Komt minister Kok 
deze week dan ook met een 
toezegging dat hij die cheque dekt? 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): Wat 
mij betreft, is het voldoende als de 
minister van Financiën zegt dat hij 
daarvoor in de Voorjaarsnota met 
een oplossing zal komen. 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): Dat moeten wij er dus 
wel bij hebben. 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): Ik 
ga er gewoon van uit dat dit gebeurt 
Dat zijn de gewone regels van het 
spel. Het lijkt mij een open deur. 

De heer Van der Vlies (SGP): 
Voorzitter! Ik had uit het betoog van 
mevrouw Vliegenthart begrepen dat 
zij de opstelling van het kabinet in 
dezen in die zin irrelevant vindt, dat 
de begroting van WVC deze week 
gestemd wordt, inclusief het 
amendement dat voorziet in dat 
kasprobleem. 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): Het 

voorziet in de ophoging van het 
bedrag. Door middel van een 
amendement wordt weer terugge– 

haald wat verdwenen is door de 
bezuinigingstaakstelling. Daarmee 
wordt de bezuiniging ongedaan 
gemaakt. Vervolgens ligt de bal 

mderdaad bij het kabinet. Dat moet 
dit incidentele probleem in 1992 en 

1993 dekken. Dat is wel vaker 
gebeurd. Ik herinner mij dat de heer 

De Vries regelmatig hiermee kwam. 

Dat is een goede traditie. 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): Voorzitter! Er was een 
motie die ingediend is tijdens de 
algemene beschouwingen, waarop 
voortgeborduurd zou kunnen 
worden. 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): Die 
motie is er nu ook. De discussie over 
de verbreding van de decentralisatie 
had een inhoudelijke kant, namelijk 
het belang van decentralisatie als 
zodanig. Door mijn fractievoorzitter 
is deze operatie heel nadrukkelijk in 
verband gebracht met het ongedaan 
maken van de bezuinigingen op de 
jeugdhulpverlening. U kunt niet 
zeggen dat deze zaken los van elkaar 
staan. Dit is overigens niet de eerste 
keer dat wij dit naar voren brengen. 
Het kabinet kende onze opvattingen. 
Het wist dat wij grote problemen 
hebben met deze bezuinigingen. 

Ik vind het relevant om in relatie 
tot het verhaal van de minister over 
de intrinsieke betekenis van mijn 
voorstellen toch nog iets te zeggen. 
Allereerst zijn de bezuinigingen op 
de doeluitkering aan de provincies 
daarmee van de baan. De schaalver– 
grotingsoperatie als zodanig is niet 
van de baan. Ik heb namelijk grote 
twijfel bij de aannames die door de 
bewindslieden gehanteerd worden. 
Ik weet niet wat daar uitgehaald kan 
worden. Al het geld dat de overheid 
uitgeeft en alle subsidies die zij 
verstrekt, moeten zo doelmatig 
mogelijk besteed worden. Daarover 
kan geen twijfel bestaan. In de 
afspraken die over de prijzen en de 
kwaliteit tussen het particulier initi– 
atief en de overheid gemaakt worden 
in het kader van de normharmoni– 
satie is natuurlijk van een zekere 
inboeking van de efficiency sprake. 
De voorzieningen die anders te 
weinig geld krijgen - die zijn er 
immers ook - kunnen niet verhoogd 
worden. Een aantal andere voorzie– 
ningen zullen moeten inleveren als 
men die norm wil bereiken. Dit 

Bijzondere Commissie voor het 16 december 1991 
jeugdwelzijnsbeleid Jeugdwelzijnsbeleid UCV 19 


Vliegenthart 

betekent dat de mogelijkheden om 
via schaalvergroting nog eens een 
bedrag van 55 mln. te vinden, 
uitermate beperkt zijn en zeker als er 
ook rekening mee gehouden wordt 
dat een groot gedeelte van het geld 
nu al naar grote instellingen gaat. Er 
zijn veel kleine instellingen, maar er 
zijn ook een paar heel grote instel– 
lingen die veel geld krijgen. Om 
zomaar 6,5% of 7% op dit geheel in 
te boeken, is niet realistisch, 
voorzitter! Ik vind dan ook dat de 
provincies, in overleg met het Pl, en 
het liefst gezamenlijk in het kader 
van de afspraken over normharmoni– 
satie, tot een efficiëntere besteding 
van die middelen zouden moeten 
komen. Daarmee krijgen zij de ruimte 
om voor een aantal problemen die ik 
gesignaleerd heb - allochtone 
jongeren en zwerfkinderen - oplos– 
singen te zoeken. Het decentrali– 
seren van verantwoordelijkheden 
houdt ook in dat men de proble– 
matiek moet aanpakken waarmee 
men geconfronteerd wordt, en dat 
het aanbod dat op regionaal niveau 
tot stand komt, aansluit op de 
hulpvraag die zich ontwikkelt, en dat 
men niet bij ieder nieuw probleem 
met de hand omhoog bij het depar– 
tement aankomt. De mogelijkheden 
die de provincies hebben om 
doelmatiger te gaan werken, moet 
men besteden om de problemen 
waarmee men geconfronteerd wordt, 
op te lossen. 

Ik kom op het punt van de 
MKD-groeigelden en de bouwpot in 
het kader van het herspreidings– 
fonds. Ik ben het eens met iedereen 
die gezegd heeft dat de toestanden 
rond de MKD's te lang hebben 
geduurd. De wachtlijsten in een 
aantal regio's zijn behoorlijk, en de 
toezeggingen die in het verleden zijn 
gedaan, moeten gerealiseerd kunnen 
worden. Als de middelen die zijn 
gereserveerd voor de bouwpot en de 
MKD-groei worden ingezet voor 
temporisering van de bezuinigingen, 
kunnen de problemen niet worden 
opgelost en kan aan de herspreiding 
niet worden vorm gegeven. Dat 
betekent dat de schaalvergrotings– 
operatie er nog doorheen loopt, wat 
het allemaal aanzienlijk moeilijker 
maakt. Op het moment dat je die 
herspreiding door kunt voeren daarvoor 
heb je middelen uit de 
bouwpot en de MKD nodig - kan 
gestalte worden gegeven aan het 
beleid door de realisatie van een uit 
kwalitatief oogpunt beter aanbod. Al 
met al moeten we dus geen 

overspannen verwachtingen hebben. 
Terecht heeft de minister gezegd dat 
zij in overleg met het particulier initi– 
atief en de provincies tot een 
gezamenlijke aanpak wil komen. Ik 
hoop dat de projecten die zij voor wil 
stellen, het effect hebben dat zij 
ervan verwacht. 

Wat de schoolinternaten betreft, 
denk ik dat het probleem bij 
aanneming van het amendement iets 
kleiner wordt, omdat in dat geval de 
provincie Noord-Brabant natuurlijk 
extra middelen krijgt uit de hersprei– 
dingsoperatie, ter grootte van 5 mln. 
De afkoop van WVC is in dat 
verband reëel, omdat binnen dat 
kader de provincie voor een 
oplossing kan zorgen. 

Ik hoop dat we inderdaad per 1 
januari over de inspectie kunnen 
praten, en dat we daarna heel snel 
de tweede fase in kunnen gaan. 

Ik kom toe aan het betoog van de 
staatssecretaris. Hij heeft gezegd dat 
de Kamer onontkoombaar is. Ik moet 
zeggen dat mi] dat genoegen deed, 
en wel op twee punten. Ik begin met 
de fmanciele taken. Ik heb geen 
behoefte aan een semantische 
discussie over kerntaken of taken; de 
bedoeling van de Kamer is heel 
duidelijk. Ik ben het wat dat betreft 
eens met mevrouw Soutendijk dat 
een zelfstandig orgaan kan worden 
toegerust met bevoegdheden, 
waarmee het een functie kan 
vervullen, waarbij het niet de 
overheid is die dat doet, nee, zij 
schept de voorwaarden daarvoor. 
Dat is iets anders dan wanneer de 
overheid dat zelf doet. Ik vind het 
een goed voorstel om vlak na het 
kerstreces over dat punt, op basis 
van uitgewerkte voorstellen, te 
discussiëren. 

Ik kom toe aan samenwerking c.q. 
samenvoeging c.q. fusie, ofte wel 
het woord dat via het bijzettafeltje 
verdwenen is. In aansluiting op wat 
de heer Dijkstal zei vind ik het 
allemaal, na de discussie die het 
afgelopen half jaar is gevoerd, een 
beetje gemakkelijk om maar te 
zeggen, wat de staatssecretaris 
deed, namelijk met iedereen samen– 
werken. Van een intersectorale 
benadering, zoals het in de notitie 
over heroriëntatie is genoemd, zijn 
we naar een sectorale benadering 
gegaan (behoud van de eigen 
identiteit), en ik denk dat met onder– 
kenning van de eigen taak en verant– 
woordelijkheid die zowel voor de 
Raad als voor de gezinsvoogdij– 
instellingen gelden, datgene van 

belang is wat ik gezegd heb over het 
bredere perspectief waarin dat moet 
gebeuren. Ik hoop dat bij de verdere 
uitwerking die de staatssecretans 
daaraan geeft, hij dat wat meer laat 
zijn dan "we werken met iedereen 
samen". Fantastisch, maarwel graag 
op de wijze die wij geschetst hebben 

De staatssecretaris heeft mij tot 
slot uitgenodigd om een 
amendement in te dienen. Hij wil 
namelijk ook wel af van die 20 mln. 
De beoordeling of je dat al of niet 
zou moeten doen, is afhankelijk van 
de vraag, of het bedrag waar die 20 
mln. voor staat, verantwoord is op te 
hoesten. Ik kijk dus even naar de 
onderdelen van de taakstelling van 
de staatssecretaris van Justitie. Eerst 
het punt van de financiële taken. Op 
dit moment wordt 17 tot 18 mln. 
besteed aan de financiële taken. Met 
een centraal orgaan, zoals wij dat 
voor ogen hebben, met de forfaitaire 
vaststelling van de kinderalimentatie, 
die een enorme werklastvermin– 
dering voor de raden en de rechters 
betekent, kan een aanzienlijke 
besparing worden bereikt. Datgene 
wat de staatssecretaris ter zake zelf 
heeft ingeboekt in zijn brief, namelijk 
7 mln., achten wij zeer wel haalbaar. 

Dan de harmonisatie van de 
ouderbijdragen met betrekking tot 
beide departementen. Als het 
centraal orgaan zich belast met de 
inning en de vaststelling van die 
ouderbijdragen, dan is daar voor 
Justitie zeker een opbrengst uit te 
halen. Dan de reclassering. Deze 
heeft zelf aangeboden om 8 mln. op 
te sporen. Daarvoor is wel enige tijd 
gevraagd, maar wij zijn daarmee al 
een aardig eind in de buurt van die 
20 mln. Met betrekking tot datgene 
wat zich afspeelt in de sector van de 
gezinsvoogdij-instellingen, de schaal– 
vergroting die zich daar aftekent en 
de wens die men daar heeft om 
samen te werken, ook met andere 
instellingen, kan onzes inziens ook 
een soort besparing worden gereali– 
seerd. Deze kan vervolgens worden 
geherinvesteerd in de sector van de 
gezinsvoogdij, want het is heel hard 
nodig om de kwaliteit daar te verbe– 
teren. Het staat voor mij op dit 
moment dus nog niet vast, dat de 
taakstelling die de staatssecretaris 
opgelegd heeft gekregen, geheel en 
al onhaalbaar is en tot die onaan– 
vaardbare consequenties leidt, 
waarvan binnen de sector WVC wel 
sprake is. 

De heer Dijkstal heeft fantastisch 
verwoord wat ik eigenlijk bedoelde 

Bijzondere Commissie voor het 16 december 1991 
jeugdwelzijnsbeleid Jeugdwelzijnsbeleid UCV 19 


Vliegenthart 

met mijn voorstel om te praten over 
de behandelingsmethodieken voor 
die extreem problematische jongeren 
en het al dan niet toepassen van 
geweld. Het gaat er mij niet om, dat 
de inspectie overal diepgaand gaat 

onderzoeken hoe het allemaal 
gebeurt. Ik vind het wel relevant om 
te weten wat de methodes zijn en 
wat je kunt bereiken. Misschien 
kunnen de instellingen wel van elkaar 
leren. Misschien gebeurt het op een 

bepaalde plaats heel goed, zonder 

dat soort zaken en misschien is men 
daar op andere plaatsen niet toe in 
staat. Ik zou willen dat de inspectie, 
die toezicht moet houden op de 
kwaliteit van de hulpverlening - dit is 
één van de kwaliteitsaspecten - deze 
kwestie eens in kaart brengt, vooral 

om daar verder mee te komen. 

D 

De heer Lankhorst (Groen Links): 
Voorzitter. Ik begrijp de positie van 
de minister in dit debat wel, maar ik 

begrijp de voorstellen, ook na de 
beantwoording, eerlijk gezegd nog 
steeds niet. Ik zal er nu verder niet 
veel woorden meer aan vuil maken, 
maar ik hoop dat deze bezuiniging, 
na de duidelijke stellingname van alle 
fracties, deze week van tafel gaat. 

Dan kunnen wij weer verder praten 
over een aantal zaken. 

De staatssecretaris daagt de 
Kamer eigenlijk uit om ook met een 
amendement te komen. Vindt hij bij 
nader inzien, dat zijn bezuimgings 
taakstelling niet verantwoord is? 
Anders zou hij die vraag niet in onze 
richting stellen. 

De eenmalige bijdrage van 

ƒ 135.000 aan De Tukker lijkt mij op 
zichzelf prima, maar er moet nog wel 
verder overleg met de provincie en 
het ministerie van Justitie plaats– 
vinden om ervoor te zorgen, dat De 
Tukker in 1992 en de jaren daarna in 
de vaart kan blijven. Ik weet dus niet 
of wij er met deze toezegging van de 
minister van WVC wel helemaal zijn. 
Dan de cliëntenorganisaties. De 
minister zegt, dat wij naar de repre– 
sentativiteit moeten kijken. Dat is op 
zichzelf terecht, maar zoiets kan ook 
weer zijn bedoeld om eindeloos te 
zeuren. Ik neem aan, dat dit niet is 
bedoeld, maar ik stel de vraag nog 
iets anders. Als die representativiteit 
van een aantal cliëntenorganisaties is 
vastgesteld, komen die organisaties 
dan ook in aanmerking voor project– 
subsidie? 

De minister vindt mij ongeduldig 

op het punt van de inspectie. Mogen 
wij er echter op rekenen dat deze 
inspectie in ieder geval in de tweede 
helft van 1992 werkelijk van start kan 
gaan? Ik begrijp best dat de staats– 
secretaris op de vragen van 
mevrouw Vliegenthart en de heer 
Dijkstal niet zo gemakkelijk "ja" zegt, 
omdat de Inspectie jeugdhulpver– 
lening geen toegang heeft tot 
bijvoorbeeld De Dreef. Wij hebben 
namelijk met een inspectie van WVC 
te maken. Dat onderzoek kan dan 
ook pas plaatsvinden als wij die 
interdepartementale inspectie 
hebben. Dat geeft nog eens aan 
hoezeer en hoe snel wij die inspectie 
nodig hebben. 

Wij krijgen veel brieven van de 
staatssecretaris. Ik heb ook om een 
brief gevraagd. De brievenbus staat 
open. 

Over de samenwerking tussen de 
raden voor de kinderbescherming, de 
voogdij-instellingen en de reclas– 
sering het volgende. !k sluit mij 
volledig aan bij hetgeen de heer 
Dijkstal daarover heeft gezegd. De 
staatssecretaris heeft uitdrukkelijk 
gezegd dat hij uitgaat van het 
behoud van de eigen identiteit. Bij 
mij roept dat de vraag op of de 
samenwerking dan wel enige 
budgettaire voordelen met zich 
meebrengt. Als je die identiteit echt 
als uitgangspunt neemt, heb ik grote 
twijfels of een aantal dingen kan 
worden gedaan, gezien de uitspraken 
die zijn gedaan. Dat zullen wij echter 
in de desbetreffende brief lezen. 

D 

De heer Van der Vlies (SGP): 
Mijnheer de voorzitter! Ik wil de 
bewindslieden graag dankzeggen 
voor hun beantwoording. 

Over de opheffing van de bezui– 
niging zal overleg worden gevoerd 
met minister Kok. Hij zal wel iets 
mompelen als: zijn wij weer terug in 
de tijd dat de Kamer gaten gaat 
schieten? Het ene gat is echter het 
andere niet. Ik ben het overigens 
inhoudelijk met de opheffing eens. 
Morgen zal de begroting worden 
behandeld. Misschien zijn er wel 
andere dingen waarvoor de 
verplichting om een dekking aan te 
geven een keer kan wegvallen. Dat 
zou mij goed uitkomen. 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): Dit 
is overigens wel een uitzondering. 

De heer Van der Vlies (SGP): Dit is 

dan ook een gelegenheidsoptiek. 

Morgen gaan wij de begroting van 
WVC behandelen. De minister zei 
dat zij binnen WVC geen mogelijk– 
heden meer ziet. Dat is natuurlijk een 
politieke keuze. Ik hoop daar morgen 
in een ander verband op terug te 
komen. De minister herinnert zich 
misschien wel enkele amendementen 
van mijn zijde, die overigens niet zijn 
aangenomen, waarin een keuze– 
moment werd aangegeven. Ik hoop 
daar morgenavond op terug te 
komen. 

De betrokkenheid van het particu– 
liere initiatief, de overlegstructuur, 
levensbeschouwelijke instellingen, 
landelijke voorzieningen, dit zijn 
allemaal ijkpunten voor de 
SGP-fractie. Ik ben blij dat op dit 
moment helder is dat die betrok– 
kenheid is geïnitieerd in het tripartite 
overleg. 

Over de arbeidsproblematiek en 
het onderzoek naar de achter– 
gronden van de werklast het 
volgende. Er zijn vaker pakketverge– 
lijkingen uitgevoerd op dit punt, ook 
in de zorgsector. Ik vind dat de 
minister zich dan ook moet reali– 
seren dat er perspectief moet 
bestaan op het verzilveren van 
eventuele achterstanden met 
betrekking tot onevenwichtigheden 
in de werklast. Daar hangt namelijk 
meestal een prijskaartje aan. 

De staatssecretaris wil ik graag 
dankzeggen voor zijn constructieve 
suggesties ter zake van enkele 
brieven. In januari krijgen wij een 
brief over de kinderalimentatie, 
rondom het paasreces een over de 
jeugdbescherming en de reclas– 
sering en ten slotte krijgen wij een 
soort voortgangsrapportage over een 
heleboel zaken, zoals de rechtspo– 
sitie van de ouders, clientenorgani 
saties, klachtrecht, omgangsrecht en 
rechtspositie minderheden. Ik zie die 
voortgangsrapportage graag 
tegemoet. 

D 

De heer Van Middelkoop (GPV): 
Mijnheer de voorzitter! De staatsse– 
cretaris heeft mij aangenaam verrast 
met zijn bereidheid om een wat 
verouderd handwerk weer op te 
pakken, namelijk het schrijven van 
brieven. Mijn waardering overigens 
voor de resoluutheid waarmee hij ter 
zake kwam bij de voor de Kamer zo 
aangelegen punten. Ik wacht het 
resultaat met belangstelling af. 

Ik wil twee opmerkingen maken 

Bijzondere Commissie voor het 16 december 1991 
jeugdwelzijnsbeleid Jeugdwelzijnsbeleid UCV 19 19-34 


Van Middelkoop 

aan het adres van de minister. Ik 
sluit mij hierbij aan bij het hetgeen 
de heer Van der Vlies zoëven heeft 
gezegd. De minister zei over het 
rijksplan dat ook de Kamer niet meer 
goed weet aan te geven waar het 
geld vandaan gehaald zou moeten 
worden, als men een bepaalde bezui– 
niging zou willen redresseren. Ik wil 
niet kinderachtig zijn, maar ik herhaal 
toch dat ik mij erover blijf verbazen 
dat het enorme bedrag dat voor 
kmderopvang in het njksplan is 
opgenomen nog verhoogd wordt. Dit 
staat in schril contrast met de bezui– 
nigingen op de veel kleinere posten. 

Ik heb zitten bladeren in het 
eindrapport van de Werkgroep 
pleegzorg. Eind februari krijgen wij 
daar het standpunt van de regering 
over. Ik ben geschrokken van het 
ruwe advies om het pleegzorgbe– 
stand en de capaciteit van de 
landelijk werkende organisaties met 
een levensbeschouwelijke achter– 
grond over te dragen aan de nieuwe 
voorzieningen. Met permissie, maar 
dit betekent het einde van deze 
instellingen. Het komt mij voor dat je 
hier niet zo mee om mag gaan, ook 
niet tegen de achtergrond van de 
verplichtingen die in de Wet op de 
jeugdhulpverlenmg zijn opgenomen. 
Daarin wordt uitgegaan van een 
overheidsverantwoordelijkheid, ook 
voor de pluriformiteit van de 
landelijke voorzieningen. Voor mijn 
fractie is dit een zeer belangrijk punt 
en dat hangt samen met de aard van 
de activiteit, namelijk pleegzorg. Ik 
beveel de minister aan dit punt met 
nadruk te betrekken bij haar 
standpunt over dit rapport. 

D 

De heer Leerling (RPF): Voorzitter! 

Ik dank de bewindslieden voor de 
gegeven antwoorden. Ik kan leven 
met de toezegging dat begin 1992 
een beslissing wordt genomen over 
de Inspectie jeugdhulpverlening. Het 
antwoord van de staatssecretaris 
inzake het Psychiatrisch psycholo– 
gisch pedagogisch adviesbureau 
randstad was op zichzelf juist, maar 
daarmee is het verhaal niet geheel 
verteld. De kwestie is iets ingewik– 
kelder dan de staatssecretaris deed 
voorkomen. Ik vraag hem zich nog 
eens nader te laten informeren over 
de knelpunten die op dat terrein 
worden gesignaleerd. 

Ik acht een grotere participatie van 
ouderorganisaties dringend gewenst. 
Toch worden sommige ouderorgani– 

saties - vooral op rijksniveau - nog 
steeds buiten de deur gehouden. Ik 
sluit mij aan bij hetgeen collega 
Lankhorst hierover heeft gezegd. Ik 
vraag de bewindslieden hieraan extra 
aandacht te besteden. 

Mijn vraag over het verhalen van 
de bijstandsuitkering is niet geheel 
tot mijn tevredenheid beantwoord. 
Nog steeds geven gemeenten een 
ongecontroleerde uitkering aan 
weggelopen minderjarigen. Heb ik de 
staatssecretaris goed begrepen dat 
hij vindt dat in zo'n situatie de 
ouders dan maar op grond van 
artikel 55 van de Bijstandswet via de 
rechter hun verhaal moeten zien te 
halen? In de praktijk gebeurt dit al 
veel en iedere keer wordt dit proces 
gewonnen. Ik vind echter dat deze 
procedure veel te omslachtig is en 
daarom moet er een andere regeling 
komen. Dan hoeven de betrokken 
ouders niet al deze ellende mee te 
maken. 

Kan er nog een reactie komen op 
het advies van de NEVIS? Ik stel het 
zeer op prijs stellen als een van de 
bewindslieden nog iets wil zeggen 
over de positie van de grootouders in 
het kader van de kinderbescherming. 

G 

Mmister d'Ancona: Voorzitter! De 
heer Dijkstal is teruggekomen op het 
tripartiete overleg tussen NIZW, de 
overheid en het veld. In mei 
aanstaande wordt er gesproken over 
de programmering voor het volgend 
jaar. Ik stel voor de resultaten 
daarvan af te wachten. Als blijkt dat 
dit minder soepel verloopt dan ik nu 
verwacht, weten wij dat vrij snel. 

Veel sprekers zijn teruggekomen 
op de wijze waarop ik de bezuini– 
gingen heb verantwoord. Het punt 
waarover de meeste twijfels bestaan, 
is of een schaalvergrotingsoperatie 
kwaliteitsverbeterend werkt - dat 
was namelijk mijn verhaal - en of die 
wel zo veel geld oplevert. Die schaal– 
vergroting is verschillende malen aan 
de orde geweest in het kader van het 
gestructuurd overleg. Ook weet ik 
dat dit punt in het Pl heel vaak naar 
voren is gebracht. Men meende dat 
een dergelijke schaalvergroting, het 
creëren van dergelijke jeugdge– 
bouwen, heel goed past in hun visie. 
De Kamer moet echter wel begrijpen 
dat ik noch met haar, noch met het 
gestructureerd overleg vrijelijk over 
de kwalitatieve verbetering van zo'n 
operatie kan spreken als er, nog 
voordat dat gesprek goed op gang 

gekomen is, een ombuigingstaak– 
stelling naast ligt. Maar het is geen 
onbespreekbare optie. Ik wil mij heel 
graag verdedigen en doorgaan met 
het gesprek wanneer dat mogelijk is. 
Daarom ook heb ik gevraagd of het 
veld bereid is met ons na te gaan of 
de drie proefgebieden waar ik over 
sprak iets opleveren. Niet alleen 
uitgedrukt in geld, maar ook in de 
vraag of de samenwerking kan leiden 
tot een verbetering van de kwaliteit 
die ik voor ogen heb. 

Er is wel degelijk een samenhang 
tussen mijn voornemens op het 
gebied van vernieuwingen op het 
gehele terrein van het jeugdwelzijns– 
beleid - dus de opvoedingsonder– 
steuning op maat - en mijn 
voornemens voor het vervolgbeleid. 
Mevrouw Vliegenthart ging daarop 
in. Zij beaamde dat het inderdaad 
gaat om een groot traject, dat voor 
sommige kinderen aanvangt bij de 
geboorte en dat doorloopt tot aan de 
jonge volwassenheid. Hoe goed je 
dat beleid ook voert, zei mevrouw 
Vliegenthart, altijd zal er sprake zijn 
van een groep die je niet in de kou 
kunt laten staan, omdat al die mooie 
preventieve maatregelen en alle 
begeleiding niet voldoende bleken te 
zijn. Over die groep hebben wij het 
vandaag. Mevrouw Vliegenthart is er 
niet zo van overtuigd als ik dat het 
zou helpen wanneer vanaf de zeer 
jeugdige leeftijd veel meer gedaan 
zou worden aan preventie en aan het 
vroegtijdig signaleren van 
problemen. Naar mijn mening 
hebben de instellingen, doordat er in 
het voortraject te weinig wordt 
gedaan, te maken met een groeiend 
probleem. En dat zou ook zo zijn als 
er niet bezuinigd wordt. 

Dat neemt niet weg, of dat verhaal 
over mhoud en kwaliteit van de zorg 
nu wel of niet deugt, dat de Kamer 
meent dat er te hoog gegrepen 
wordt met de voorgenomen ombui– 
gingstaakstelling en dat de ingreep 
te pijnhjk zal zijn. Ik probeer in het 
eerste jaar verzachtende maatre– 
gelen te nemen in het kader van een 
zekere gewenning voor de instel– 
lingen aan dat hogere bedrag. Maar 
men heeft natuurlijk heel goed in de 
gaten dat die maatregelen ook weer 
onplezierige effecten hebben voor 
een aantal andere zaken. Je kunt dan 
spreken van temporiseren; dan klinkt 
het niet zo hard. Mevrouw 
Soutendijk en mevrouw Vliegenthart 
hebben in dit verband gevraagd naar 
de MKD's, omdat die ook ingeboekt 
staan voor een bedrag van 2,1 mln. 

Bijzondere Commissie voor het 16 december 1991 
jeugdwelzijnsbeleid Jeugdwelzijnsbeleid UCV 19 


d'Ancona 

om die zogenoemde verzachting 
teweeg te brengen. Dat is waar, 
maar ik heb in eerste termijn al 
gezegd dat de MKD's niet opgevoerd 
zijn, omdat er geen bindende 
afspraken waren. Toen hebben zowel 
mevrouw Soutendijk als mevrouw 
Vliegenthart gesproken over de 
suppletiekosten in het kader van de 
wachtgeldregeling, waardoor er 
sprake is van een "meevaller". Zij 
vroegen of dat geld dan wel in die 
sector kan worden besteed. Daarop 
kan ik bevestigend antwoorden. 
Vanzelfsprekend ben ik daartoe 
bereid. Hiermee heb ik in het kort 
gezegd wat ik hiervoor mij op papier 
heb, maar degenen die geïnteres– 
seerd zijn, zullen met name geïnte– 
resseerd zijn in deze ene zin. 

Mijnheer de voorzitter! Wij zullen 
gesprekken voeren met de provincies 
Limburg en Gelderland over de 
problemen met de pedologische 
instituten. Dat zeg ik mevrouw 
Soutendijk toe. Mevrouw 
Vliegenthart kwam terug op de 
schoolinternaten en de provincie 
Brabant. Het misverstand dat wij niet 
met de provincie gesproken zouden 
hebben, is wel uit de wereld. Als die 
beoogde bezuimgmgen niet 
doorgaan, dan is het toch mogelijk 
dat de provincie iets anders aankijkt 
tegen het bod dat wij gedaan 
hebben. Het is natuurlijk toch een 
bod, die 70% en die 50%. Ik ben 
bereid om onder die omstandig– 
heden terug te gaan naar de 
provincie en te vragen of zij, nu de 
zaken er iets anders uitzien, het nog 
eens wil overwegen. Ik zal de 
boodschap en de sterke aandrang 
van de Kamer meenemen. Alhoewel, 
als de Kamer onontkoombaar graag 
iets wil, dan is het natuurlijk wel een 
sterke stimulans voor de staatssecre– 
taris, maar het is de vraag of de 
provincie zich in dezen zo gebonden 
weet aan de onontkoombare wil van 
de Kamer. Ik zal het in ieder geval 
wel zeggen. 

De heer Lankhorst vroeg met 
betrekking tot de cliëntenorgani– 
saties: wanneer de minister de repre– 
sentativiteit et cetera bestudeert, 
doet zij het dan om het nog een 
beetje op te rekken? Hij sprak zelfs 
over treiteren. Hoe komt hij daarbij? 
Treiteren doe ik zelden als ik het kan 
voorkomen. Daarom gaat het 
natuurhjk helemaa! niet. Ik wil 
gewoon echt graag uitgezocht zien 
wie wij om de tafel hebben en 
namens wie die mensen daar zitten. 
Vanzelfsprekend is het dan ook 

mogelijk om in het kader van bijvoor– 
beeld deskundigheidsbevordering 
ook te kijken of wij zoiets kunnen 
subsidiëren. 

Volgens de heer Van der Vlies heb 
ik gezegd dat het geld binnen de 
WVC-begroting niet te vinden is. Hij 
zei: maar er zijn toch altijd keuzemo– 
menten. Ik heb het wel gezegd, maar 
gelukkig heeft hij ook uit de monden 
van zijn collega's kunnen horen dat 
er, gezien de taakstellmg die er voor 
de welzijnssector lag, sprake was van 
een bijzonder zware klus en dat zo'n 
hoog bedrag niet elders te vinden 
was. Natuurlijk heb ik gekozen. Er is 
altijd sprake van een keuze. Ik heb 
niet alleen getracht om die hier te 
verantwoorden, maar ook in de 
beleidsbrief over het samenwerken 
langs nieuwe wegen en het welzijns– 
beleid in de jaren negentig heb ik het 
de Kamer mogelijk gemaakt, op 
basis van mijn referentiekaders de 
gemaakte keuzen te kunnen beoor– 
delen. 

De heer Van der Vlies heeft voorts 
een heel interessante vraag gesteld 
over de werklast en het opbranden 
van mensen in de sector. Wij kunnen 
daar natuurlijk niet, vooruitlopend op 
een onderzoek, al uitspraken over 
doen, maar ik heb wel een 
hypothese. In de sector werken hoog 
opgeleide mensen, de helft heeft 
HBO en de andere helft MBO. 
Misschien gaat er straks een niet te 
onderdrukken gesis op van de 
publieke tribune, maar gezien het 
hoge opleidingsniveau is het mijn 
indruk dat het niet aan het 
pryskaartje vastzit. Er is een aantal 
andere zaken waardoor men het 
werken in die sector als zo zwaar 
ervaart. Dat heeft gelukkig niet altijd 
te maken met een paar centen meer. 
Het heeft natuurlijk met het volgende 
te maken: het is zwaar werk, het 
biedt misschien te weinig carriére– 
perspectieven en het is misschien 
ook heel vaak teleurstellend. Ik 
verwijs naar de recidive in die hoek, 
Ik heb gelukkig, net zoals de heer 
Lankhorst, veel contacten met 
mensen die in die sector werken. Ik 
geef je het te doen, met ontzettend 
veel inzet zie je ze toch zo vaak weer 
terugkomen en in het oude patroon 
vervallen. Dan moet je uit stevig hout 
gesneden zijn, wil je daar jaar in jaar 
uit tegen kunnen Ik wil het graag 
uitzoeken. Het probleem is natuurlijk 
de moeite waard. 

De heer Van der Vlies (SGP): 
Voorzitter, ik zou graag de indruk 

wegnemen die kennelijk bij de 
minister heeft postgevat, dat ik 
beweerd zou hebben dat met geld al 
dit soort zaken goed te maken zijn. 
Dat heb ik niet gezegd, maar het 
omgekeerde is naar mijn bescheiden 
wijze van zien wel waar Als je naar 
oplossingen streeft, hangt daar 
doorgaans een prijskaartje aan. Zie 
bijvoorbeeld de toch enigszins verge– 
lijkbare discussies op het depar– 
tement van 0 en W ter zake van 
bijvoorbeeld de oudere leraren. 

Minister d'Ancona Akkoord 

Voorzitter. De heer Van 
Middelkoop heeft over die keuzen 
gezegd dat het mij niet zal verbazen 
dat hij de kinderopvang wel eens 
aangesproken zou willen zien, al gaat 
het daarbij om een ander rijksplan. 
Maar nee, dat past echt absoluut 
niet in de totale vernieuwing van het 
jeugdbeleid, waarbij juist in de 
kinderopvang een van de aankno– 
pingspunten ligt om in een zeer 
vroegtijdig stadium te ontdekken, of 
er iets mis is met kinderen zelf, met 
het opvoedingsmilieu etc. De kinder– 
opvang moet daarbij een zeer 
belangrijke rol kunnen vervullen. Het 
is dus geen particuliere hobby. Ik 
heb in mijn lange carnere op dit 
terrein ook nooit bepleit dat kinder– 
opvang er alleen zou zijn om het 
moeders mogelijk te maken misschien 
wordt de heer Van der 
Vlies nu ook nog blij - buitenshuis 
betaalde arbeid te verrichten. Nee, ik 
heb altijd bepleit, ook verleden jaar 
nog in overleg met de sociale 
partners, dat kinderopvang ook 
intrinsieke waarde voor de kinderen 
zelf heeft, dat deze voorziening 
kinderen een gelijke start in het leven 
verschaft Ik heb altijd aangegeven 
dat ik ook dat een zeer belangrijke 
doelstelling vindt. Ik zal de heer Van 
Middelkoop misschien niet zo gauw 
overtuigen, maar bij het onderwerp 
van vandaag kan de kinderopvang 
een zeer belangrijke rol spelen. 

De heer Van Middelkoop (GPV): 
Voorzitter, ik ben niet tegen kinder– 
opvang als zodanig, het ging mij 
even om de hoogte van het bedrag 
dat daarmee gemoeid is. Ook de 
minister zal toch niet kunnen 
ontkennen dat de kinderen over wie 
zij zich blijkbaar ook zoveel zorgen 
over maakt en die nu profiteren van 
de gelden voor de kinderopvang, 
bijlange na niet te vergelijken zijn 
met de categorie jongeren waarover 

Bijzondere Commissie voor het 16 december 1991 
jeugdwelzijnsbeleid Jeugdwelzijnsbeleid UCV 19 19-36 


d'Ancona 

wij praten als het om jeugdhulpver– 
lening gaat. 

Minister d'Ancona Ik vind dat een 
moeilijke vergelijking, ik zou dat niet 
op voorhand willen steilen Er gaat 
de suggestie van uit dat het om 
verschillende soorten kinderen zou 
gaan, maar mijn ervaring is dat je 
niet kunt stellen dat de categorie die 
van kinderopvang gebruik maakt, een 
totaal andere categorie zou zijn dan 
die van degenen die onverhoopt in 
de jeugdhulpverlening terechtkomen. 
Het zijn tegenwoordig geen gefavori– 
seerde kindertjes meer in de kinder– 
opvang; dat is nu juist de reden 
waarom wij deze voorziening onder– 
steunen. 

De heer Van Middelkoop heeft 
verder nog gevraagd, bij de 
bespreking van de pleegzorg te 
betrekken wat hij gezegd heeft over 
de gebondenheid aan een bepaalde 
identiteit. Dat zullen wij in ieder 
geval doen. 

Ten slotte de heer Leerling. Wij 
hebben veel contact met de ouderor– 
ganisaties. Het is niet zo dat wij niet 
zouden weten wie het zijn, noch 
laten wij hen aan hun lot over. Zij 
hebben zeer geregeld contact met 
het ministerie. 

D 

Staatssecretaris Kosto: Voorzitter! 
Omdat de Kamer zo vriendelijk is, 
met mij te willen debatteren op basis 
van uitgewerkte modellen en 
gedachten over de financiële taken 
en over de heroriëntatie, kan ik 
betrekkelijk kort zijn. Ik heb brieven 
aangekondigd Ik heb aangegeven 
wanneer die te verwachten zijn. Dan 
zal ik ook praten over het verschil 
tussen een op te richten orgaan met 
privaatrechtelijk karakter, maar met 
overheidstaken, en een notaris die 
met openbaar gezag bekleed is, 
alsook het Bureau uitgifte rijbewijzen 
dat een monopoliepositie bekleedt. 
Hier praten wij evenwel over situaties 
waar de maatschappij een structuur 
voor kent, neergelegd in de wet, 
namelijk de uitspraak van de rechter 
en de deurwaarder die deze 
vervolgens eventueel uitwerkt. Ik 
herhaal dat wij daarover komen te 
praten. Ik ben de Kamer erkentelijk 
voor deze wens. 

De heer Dijkstal heeft opmer– 
kingen gemaakt over de samen– 
werking. De heer Lankhorst ging 
daar later op een heel speciale 
manier op in. Mevrouw Vliegenthart 

heeft over de samenwerking gezegd: 
dat is mij iets te gemakkelijk. Zo zie 
ik het echter absoluut niet. 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA) Na 
alles wat er gebeurd is. 

Staatssecretaris Kosto: Er is al een 
hele tijd een oriëntatie aan de gang 
ter zake van de kerntaken, de eigen 
taken van de diverse grootheden. Ik 

noem de raden voor de kinderbe– 
scherming, gezinsvoogdij-instel– 
lingen en de reclassering. Ik ben er 
diep van overtuigd dat het inzicht 
rijpen zal dat er efficiency-winst te 
boeken is. Die zal ik nodig hebben 
voor de taakstelling voor 1994 
ingevolge de Tussenbalans. 

Maar ik heb van meet af aan 
gezegd, dat ik meer wil. Zo wil ik ook 
winst bereiken om de inhoudelijke 
taken beter te kunnen uitvoeren. Dat 
zou je een verlegging van een vorm 
van bureaucratie kunnen noemen 
naar het inhoudelijke werk. Als ik niet 
voor 1994 een verplichting ingevolge 
de Tussenbalans had, zou ik nog een 
exercitie als de onderhavige nodig 
achten om geld te kunnen sluizen 
naar het inhoudelijk werk. Dit is van 
groot belang. Dat moet kunnen. Ik 
heb dat ook nooit onder stoelen of 
banken gestoken. 

Ik heb ook begrepen dat, hoewel ik 
een werker van het elfde uur ben, ik 
toch niet de gelijke beloning krijg als 
de minister van WVC. Dat betreur ik 
in hoge mate, vooral als mevrouw 
Vliegenthart een beetje suggereert 
dat de staatssecretaris van Justitie 
het makkelijk kan verstouwen in zijn 
begroting. In alle ernst zeg ik dat dit 
toch een misvatting is. 

De heer Lankhorst vroeg: is de 
staatssecretaris eigenlijk van mening 
dat de bezuinigingen ten onrechte in 
gang zijn gezet? Ik denk niet anders 
dan de minister van WVC. Ik ben 
ervan overtuigd dat de tendens is dat 
de taak inzake de justitiele jeugdbe– 
scherming alleen maar zwaarder 
wordt. De problematiek groeit in 
getal en in zwaarte. Ik meen een 
zekere verschuiving te zien van de 
lichtere - helaas, zo voeg ik eraan 
toe - naar de zwaardere hulpver– 
lening. Daarbij komt Justitie al gauw 
om de hoek kijken. Immers, er zijn 
rechterlijke uitspraken gedaan, hetzij 
in het strafrechtelijk, hetzij in het 
civielrechtelijk circuit. Dat duidt 
echter wel op een ernstige proble– 
matiek. 

Ik moet dus zeggen dat er voor de 
taken die Justitie moet uitvoeren, 

eerder meer dan minder geld nodig 
is. Overigens hebben alle ministers 

in de Tussenbalans de opdracht 
gekregen om te bezuinigen. Ik wijs 
erop, dat ik van meet af aan heb 
gezegd dat ik inhoudelijk niet wil 
bezuinigen op de justitiële jeugdbe– 
scherming en dat ik er geld bij wil 
doen. Ik heb er nog op gewezen dat 
ik ook bepaalde werksoorten wil 
ontzien in de penitentiaire inrich– 
tingen van de reclassering. Daartoe 
wil ik een groot deel halen uit de 
efficiency-besparing. Nogmaals, 
daarbij is de zeer nadrukkelijke notie 
dat ik op het inhoudelijk werk van de 
justitiële jeugdbescherming niet wil 
bezuinigen. Als ik zie op welke wijze 
de problematiek zich ontwikkelt, 
denk ik eerder meer dan minder 
nodig te hebben. Ik zeg dit in alle 
ernst en vol bezorgdheid. 

De heer Dijkstal heeft gesproken 
over de kwetsbaarheid van relaties, 
vooral in gesloten inrichtingen. In het 
plan dat voorligt, is een notitie over 
de justitiële jeugdinrichtingen 
toegezegd. De notitie zal er uiterlijk 
in het vroege voorjaar komen. In die 
notitie neem ik het aspect dat de 
heer Dijkstal heeft aangesneden, 
graag mee. Ik kom er dus gericht op 
terug, in dat kader ingebed. 

Ik maak nu een grote sprong naar 
de heer Leerling, want ik heb met 
mijn opmerkmgen al een aantal 
andere woordvoerders geantwoord. 
De heer Leerling sprak over Argus. Ik 
heb niet de minste aanwijzing dat 
Argus zich gemanipuleerd of onder 
druk gezet voelt waar het gaat om de 
fusie met de gezinsvoogdij-instel– 
lingen. Integendeel, men heeft het in 
goede harmonie genomen. Ik heb 
daar zeer sterke verklaringen over 
aangereikt gekregen. 

Ten aanzien van de PPPAR zei de 
heer Leerling: alles wat de staatsse– 
cretaris over de openbaarheid van 
bestuur zegt is wel waar, maar er zijn 
toch nog problemen en daarom moet 
de staatssecretaris dat nog maar 
eens uitzoeken. Ik zou eigenlijk willen 
zeggen: de heer Leerling moet mij 
eens laten weten wat die problemen 
zijn, want dan kan ik er aandacht aan 
besteden. Het is een beetje moeilijk 
om iets uit te zoeken waarover ik al 
een vaste overtuiging heb. 

De heer Leerling (RPF): Ik zal de 
staatssecretaris wat dat betreft te 
zijner tijd bedienen. 

Staatssecretaris Kosto: Daarvoor 
dank ik de heer Leerling. 

Bijzondere Commissie voor het 16 december 1991 
jeugdwelzijnsbeleid Jeugdwelzijnsbeleid UCV 19 


Kosto 

De kwestie van de bijstandsuit– 

kering zal ik nog eens nagaan. Wat ik 
zei klopte, maar ik zal nog eens even 
nagaan hoe het precies zit met de 
wetsartikelen. 

Er is gevraagd naar de omgang 
van grootouders met hun kleinkin– 
deren. Ik wijs erop dat de Kamer dit 
kan aantreffen in het wetsvoorstel 
ouderlijk gezag en omgang. De 
Kamer kan zich daarover dus 
binnenkort als medewetgever 
buigen. Het wetsvoorstel is 
onderweg naar de Kamer. Dit 
waren enkele punten die ik nog 
moest beantwoorden. Ik weet zeker 
dat ik de Kamer in deze samen– 
stelling binnenkort weer mag 
ontmoeten bij de behandeiing van 
een aantal stukken die ik heb 
toegezegd. Ik sluit af met de Kamer 
hartelijk dank te zeggen voor de 
heuselijke wijze waarop zij met mij 
wil debatteren, wetende dat ik van 
dezelfde intenties doortrokken ben 
als de Kamer, namelijk het belang 
van het kind in de justitiële jeugdbe 
scherming. 

De beraadslaging wordt gesloten. 

De voorzitter: Hiermee zijn wij 
gekomen aan het einde van deze 
vergadering. Ik dank de minister en 
de staatssecretaris voor hun 
bijdrage, de aanwezigen op de 
publieke tribune voor hun belang– 
stelling en de collega's voor hun 
gedisciplineerde maniervan doen. 

Sluiting 22.55 uur. 

Bijzondere Commissie voor het 16 december 1991 
jeugdwelzijnsbeleid Jeugdwelzijnsbeleid UCV 19 19-38 


