Wijziging bepalingen voogdijraden, voorkomende in Burgerlijk Wetboek 14de Vergadering - 22 December '54 2067 

14DE VERGADERING 

VERGADERING VAN WOENSDAG 22 DECEMBER 1954 

(Bijeenroepingsuur 10.30 voormiddag) 

Voorzitter: de heer Jonkman 

Tegenwoordig, met de Voorzitter, 41 leden, te weten: 

de heren Pollema, Mertens, Tjalma, Schipper, Teulings, 
Brandenburg, Geugjes, Roebroek, Nijkamp, De Zwaan, De 
Vos van Steenwijk, Kapteijn, Kraaijvanger, mejuffrouw Tjeenk 
Willink, de heren Vixseboxse, Heflema, Diepenhorst, Molenaar, 
Van Tilburg, Derksen, Oosterhuis, Schermerhorn, De Dreu, 
Van der Himst, mevrouw Verwey—Jonker, de heren Louwes, 
Van Velthoven, Algra, Reijers, Kramer, Kolff, Cammelbeeck, 
Schuurmans, Van Lieshout, Wibaut, Kropman, Rip, Ruijs de 
Beerenbrouck, Sassen, Gerretson, 

en de heer Donker, Minister van Justitie, de heer Algera, 
Minister van Verkeer en Waterstaat, de heer Suurhoff, Minister 
van Sociale Zaken en Volksgezondheid, en de heer Van den 
Berge, Staatssecretaris van Financiën. 

Aan de orde is de behandeling van het wetsontwerp Natu-
ralisatie van Karl Jansen Adelmund; Johan Anton Beckers; 
Ernst Clemens Theodor Bischoff; Lubbert Georg Braunsch-
weiger; Johann Jacobus Federmann; Erwin Kurt Geng; Wal-
ter Grabosch; Franz Theodor Jennissen; Andreas Georg Keg-
reisz; Johann Linhart; Erich Artur Mostert; Hermann Josef 
Otten; Franc Ramsak; Anton Rosing; Julius Franz Rudolf; 
Erich Willi Schubert; Otto August Christian Schuier en Ernst 
Franz Emil Stollhoff (3580). 

Dit wetsontwerp wordt zonder beraadslaging en zonder hoof-
delijke stemming aangenomen. 

De Voorzitter: De Commissie van Rapporteurs voor de wets-
ontwerpen nos 3582 en 3798 heeft een blanco-Eindverslag 
vastgesteld. 

In overeenstemming met het gisteren door de Kamer 
ter zake genomen besluit is thans aan de orde de behandeling 
van de wetsontwerpen: 

Naturalisatie van Wilhelmina Elanora Bossmann; Albertus 
Wilhelmus Bouwense; Cornelis Jacobus Gielbert; Sintio James 
Hope; Henriette Jacobsohn, weduwe van Julius Thalmann; 
Willem Hendrik Bartholomeus Pfennig; Otton Celestijn Rap-
paport; Alma Carmela Rosa Bian; Mariam Tatebossianz; 
Maria Walthera Antoinette Aelberts; Arnoldus Gerardus 
Cohnen; Gijsbert den Daas; Max Rudolph DeSmet; Stanislaw 
Grzeskowiak, met bepaling dat zijn geslachtsnaam en die van 
zijn minderjarige wettige nakomelingen wordt veranderd in 
Greskowiak, en met last op de ambtenaren van de burgerlijke 
stand om in hun registers van de verandering melding te maken 
op de kant der akten, waarin de geslachtsnaam in zijn oor-
spronkelijke vorm voorkomt; Gustaaf Jakobs; Leonardo Ri-
gutto; Joseph Johannes Andreas Saul; Fritz Frans Otto Wald-
rich; Josephus Wilczynski (3582); 

Naturalisatie van Rudi Frans Dhooge; Thomas Torry Gold-
stern; Günter Arnold Walter Holm; Antonie Kaiser; Nicolaas 
Peter Nellissen; Bruno Johann Patelski; Klaus Jürgen Plasterk; 
Mathias Franciscus Pohar; Georg Volavsek; Johann Vornehm; 
Alojzy Bartosik; Antoni Dymanus; Adrianus Silvester 's-Jon-
gers; Martha Bernhardine Jung; Bernard Koperski; Henricus 
Johannes Kraus; Carl Oskar Navest; Bernard Nield; Ernesto 
Pattiselanno; Peter Peil; Franciscus Johannes Cornelis Saanen 
en Maria Vornehm (3798). 

Deze wetsontwerpen worden achtereenvolgens zonder be-
raadslaging en zonder hoofdelijke stemming aangenomen. 

Voorzitter e. a. 

Aan de orde is de behandeling van het wetsontwerp Wijziging 
van hoofdstuk IV der Rijksbegroting voor het dienstjaar 1954 
(Verschillende onderwerpen) (3780). 

Dit wetsontwerp wordt zonder beraadslaging en zonder hoof-
delijke stemming aangenomen. 

Aan de orde is de behandeling van het wetsontwerp Wijzi-
ging van de bepalingen betreffende de voogdijraden, voor-
komende in het Burgerlijk Wetboek, en — in verband daar-
mede — wijziging van andere wetten (2814). 

De beraadslaging wordt geopend. 

De heer Diepenhorst: Mijnheer de Voorzitter! Het voorlig-
gend wetsontwerp betreffende de voogdijraden zal weldra vrij 
fris en monter de eindstreep halen. Onderweg is het door de 
Minister als verzorger ietwat opgekalefaterd. Hij veranderde 
de naam arrondissemenlsraad voor de jeugdbescherming, kromp 
de bevoegdheid van de kinderrechter enigermate in, voegde een 
College van Advies toe en nam de hoofdgedachte van een niet 
gelukkig gesteld amendement over in zake de toestemming der 
moeder bij de vaderschapsactie. De het rugnummer 2814 dra-
gende loper is thans bezig aan de laatste sprint en zal de draad 
breken ongeveer 2 jaar en 3 maanden, nadat op 29 September 
1952 de race inzette: de indiening staat gelijk met het „klaar . . 
af!" en de dreun van een pistoolschot. Het tempo liet over 
het algemeen niets te wensen over en lag zelfs hoog, gelet op 
de moeilijkheden, bij de „training" ondervonden. Het rapport-
Lamers werd ontvangen met een opgewektheid, die herinne-
ringen bij sommigen wekte aan een begrafenispreek over een 
kind, dat nog geboren moest worden. Tijdens de wedloop zelf 
was een nader overleg, aleer langs de tribunes der Tweede 
Kamer gedraafd kon worden, noodzakelijk. De toeschouwers 
hadden reeds voordien misprijzende woorden laten vallen: 
Staatsvoogdij, dirigisme, knechting van het particuliere initia-
tief. Het pleit voor de „verzorgingskunst" van de bewindsman, 
dat hij zonder toediening van pervitine of andere opwekkings-
middelen zijn triumferende pupil straks kan begroeten, een met 
de laurier van de overwinning gekroond „Regeringskind". 

Toch mag deze betrekkelijk voorspoedige gang van zaken het 
oog niet doen sluiten voor een enkel het program van de Minis-
ter in het algemeen bedreigend gevaar. Op 10 Juli 1954 zeide de 
Voorzitter der Tweede Kamer, dat van die plannen „nog slechts 
een klein gedeelte het stadium van de openbare beraadslagingen 
bereiken kon". In zijn jongste Memorie van Antwoord aan de 
Tweede Kamer stemt mr Donker zelf toe, dat hetgeen komen 
moet substantiëler is dan wat werd afgedaan. Voor de Minister 
is de oogsttijd gekomen en vorstverlet, reeds onaangenaam in 
de bouwnijverheid, is verderfelijk, als er gemaaid moet worden. 
Verleden jaar beloofde de Minister aan de Tweede Kamer „bin-
nen een betrekkelijk klein aantal maanden" de regeling der be-
wijzen van goed zedelijk gedrag en het werden er zeven, een 
op zich zelf genomen reeds de normale gewoonte veroorlovend 
getal. Een deugdelijk, door anderen voorbereid, niet al te nete-
lig ontwerp blijkt 2| jaar te vergen. Laat het Departement er 
mede rekenen, dat de Kamers vaak meer tijd nodig hebben 
dan berekend wordt en dat door te zware belasting v^n de 
resterende ambtsperiode van Zijne Excellentie, ook los van de 
lotgevallen van het Burgerlijk Wetboek, diens werk een torso 
zou kunnen worden. Wat in een verminkte Hercules of Venus 
bewonderenswaardig is, behoeft dit nog niet in een Minister 
te wezen. Geenszins uit zucht tot kritiek, slechts ten einde zo-
veel mogelijk weloverwogen arbeid de legislatieve schuren te 
kunnen indragen, werd dit gezegd. 

De onderwerpelijke wet is een kind van deze tijd. De oude 
voogdijraden voldeden naar het oordeel van bevoegde deskun-
digen niet meer. Deze colleges, aanvankelijk uit „vroede man-
nen" samengesteld, en sedertdien met hoogwaardige leden der 
andere kunne aangevuld, stonden in toenemende mate aan ver-
wijten bloot. Men noemde ze traag. De aanpak van het werk 

Deel II Zitting 1954—1955 

EERSTE KAMER 


2068 14de Vergadering - 22 December '54 Wijziging bepalingen voogdijraden, voorkomende in Burgerlijk Wetboek 

Diepenhorst 
verouderde met de dag. Tussen de verschillende raden was 
gering onderling verband aanwezig. Zij hadden niet de be-
schikking over eigen organen ter uitvoering. De gerichtheid 
op een vast doel ontbrak. Het kwam voor, dat een jongen ge-
durende drie jaren in een observatieinrichting verbleef, om-
dat hij eenvoudig vergeten was. Van. vele zijden werd aange-
drongen op het scheppen van nieuwe instellingen, die zelfs in 
de naam zouden tonen, hoe zij aan een andere gesteldheid 
waren ontsproten. Er behoorden lichamen te worden gevormd, 
in staat om de moderne kinderbescherming naar zoveel moge-
lijk kanten te dienen. Men moest voor de toekomst kunnen 
beschikken over een instituut, waar alle gegevens betreffende 
verwaarlozing of wangedrag van minderjarigen binnenstroom-
den, dat werkelijk deskundig adviseren kon, wanneer ingrijpen 
tegenover bedreigde of uit het gareel gelopen jongeren vereist 
was, een centrum, dat de samenhang tussen velerlei geheel uit-
eenlopende arbeid verrichtende stichtingen en verenigingen be-
vorderde, een uitvalspoort voor de Overheid en een invalspoort 
voor het particulier initiatief, een bewaarplaats voor documen-
tatie, een ontmoetingspunt voor overleg en bezinning. Het 
voorgeslacht werd weliswaar nog met de verschuldigde eerbied 
bejegend en men stemde toe, dat er verdienstelijk werk was 
verricht, maar het verlangen ging toch uit naar wat anders, 
naar een meer mogelijkheden ontsluitend en sterker geleed 
apparaat. 

En toch heeft de oude, van zoveel gebreken belichte voogdij-
raad niet afgedaan. De nieuwe raad voor de kinderbescherming 
is naar zijn innerlijke aard het oude instituut. Zelfs de ver-
andering van naam, volgens mevrouw Ploeg—Ploeg een 
„trouvaille" van de bewindsman, maar, naar dieper omwoelen 
van de bodem leert, reeds te vinden in een uit 1950 daterend 
advies der Nationale Federatie, vermag daaraan niet toe of af 
te doen. Het is aldus ook beter. Want wat men de voogdij-
raden ook moge nahouden, zij hebben mede het kinderrecht 
tot de hoogle van heden gebracht sedert 1905, zij hebben de 
kinderrechter zijn ambt vergemakkelijkt, soms de waarneming 
daarvan uitvoerbaar gemaakt sedert 1922, zij stonden als peters 
bij de wieg der ambtenaren voor de kinderwetten in 1908, deze 
bijna altijd hard werkende, niet zelden totaal overbelaste figu-
ren: het is in 1918 gebeurd, dat een hunner gebukt ging onder 
een juk van 255 aan zijn toezicht onderworpen kinderen. On-
loochenbaar is het, dat de voogdijraden zijn krom gegroeid, hun 
krachten versnipperden, geen stelselmatige preventieve arbeid 
verrichtten. Konden zij echter anders, worstelend met stijgend 
gebrek der leden aan tijd, met toenemende schaarste der mid-
delen en dat terwijl zij nooit royaal waren opgezet? Nimmer 
zij vergeten hoe hun talmen soms het voordeel van een meer 
bezonnen overleg betekende tegenover hen, die een voor op-
voeding noodlottige haast wilden betrachten, hoe er vele heil-
zame beslissingen omtrent ontheffing en ontzetting uit de 
ouderlijke macht zijn bewerkstelligd, hoe er waardevolle on-
derzoekingen werden verricht, hoe er ook in ander opzicht 
omvangrijke bemoeiingen waren. Vele buitenstaanders zijn 
tamelijk gevoelig voor geld. De boekhouding van de compta-
bele afdeling der grote voogdijraden kon, samen met de alimen-
tatiegelden en de kinderbijslagbedragen, die werden ontvangen, 
bijkans een millioen belopen. 

Daarom waren er in de voogdijraden wel uiterst zwakke 
plekken aanwijsbaar. In hen voltrok zich het verval, waaraan 
tegenwoordig velerlei vrijwillig werk dreigt te gronde te gaan, 
een wegzinken van de krachten, een uitgeput raken, omdat ge-
vraagd wordt wat men niet geven kan: een te grote mate van 
ook wetenschappelijke kennis van zeer ingewikkelde verhou-
dingen; een voortdurend bijhouden van in getal steeds stijgende 
organisaties, welke arbeid zich verkapselt; de behoefte aan geld, 
altijd meer geld, dat de Overheid wel geeft, maar op bepaalde 
voorwaarden, eisen van behoorlijkheid uitvaardigend, waaraan, 
hoe billijk ook, reeds niet kan worden voldaan. De tijden van 
de Ommerschans met in 1846 één onderwijzer op 500 kinderen 
liggen ver achter ons; echter nog in 1950 kon een voogdijraad 
in zijn ressort onverwachts een aan redelijke eisen niet vol-

doend tehuis ontdekken, waarin voor het merendeel imbecielen 
waren ondergebracht (Jaarverslag voogdijraad, Leiden 1951, 
16); in 1953 trad pas de Pleegkinderenwet in werking, waarbij 
de voogdijraden het toezicht kregen op de behandeling van 
zonder deze controle te dikwijls verwaarloosde jongens en 
meisjes. Het is niet gemakkelijk voor een voogdijraad, ook als 
hij over een uitnemend secretaris, over verscheidene adjunct-
secretarissen, over bureaukrachten, over ambtenaren van de 
gezinsverpleging beschikt, om bij deze plotselinge toeneming 
van verantwoordelijkheid het geheel te blijven overzien. De 
leden kunnen ternauwernood zelfstandig enkele onderzoeken 
instellen, in gevallen, dat de gezinsband moet worden ver-
broken, de ouderlijke macht dient te worden beperkt of opge-
heven. Het is vrij eenvoudig te begrijpen, dat een weduwe zich 
vergist met haar betuiging: „ik ben Jans moeder en mijn zwager 
is zijn voogd" (W. P. C. Knuttel: Kinderrecht. 's-Graveland 
1947, 52), en het onderscheiden van voogdij-, Regerings- en 
officierskinderen levert evenmin zwarigheid. Vat ieder dadelijk, 
dat met artikelkinderen door sommigen de krachtens arti-
kel 372/) B.W. in een Rijksopvoedingsgesticht of andere inrich-
ting opgenomenen worden bedoeld? Niet aanstonds is duidelijk 
wat met „relationship"-therapie wordt bedoeld, wat inafschuwe-
lijk wetenschappelijk bargoens „psychosomatische stressfac-
toren" zijn, en sommigen krijgen bij het horen over een bestrij-
ding der regulatiestoringen in het hormonale systeem ongeveer 
de indruk, dat de mens een reageerbuis is. De taal van het 
Utrechts weeshuis uit 1615, dat gewaagde van „wezen die niet 
schoon konden liggen', is dan verdienstelijker: èn kies èn ver-
staanbaar. Ook in de kinderbescherming bestaat behoefte aan 
een verklarende lijst voor de onderscheiden afkortingen: de 
F.I.O.M. is geen onderlinge maatschappij voor fabrieksinstel-
lingen, maar een hoogst achtbaar lichaam. Tegelijk wordt er-
varen, dat men geld, stom geld, nodig heeft, maar zelfs onbe-
wimpelde voorstanders van de geleide economie duchten — en 
terecht meen ik — de nadelen ener geleide caritas. Hoe de 
particuliere instellingen er voor te vrijwaren, dat de Overheid 
het heft in handen neemt, dat haar toezicht, dat men in zekere 
zin, dat men in bepaalde betekenis aanwendt, geen inbreuk 
maakt op de vrijheid, die door te kort schietende financiën en 
ontstentenis van de benodigde tijd bij niet gesalarieerde krach-
ten, gebrekkig verdedigbaar blijkt? 

De oude voogdijraad bewoog zich op het gebied van het 
burgerlijk recht. Opzettelijk werd evenwel zoeven de vinger ge-
legd bij ingewikkelder verhoudingen. Men moge het verwerpelijk 
vinden — en zelf heb ik bezwaren—, dat de grens tussen burger-
lijk en strafrecht met betrekking tot het kind uitslijt, deson-
danks is dit zo. Zulks geschiedt, opdat ieder de behandeling 
krijgt, die hij nodig heeft, en dit kan slechts worden toegejuicht. 
Hoe jammer het ook moge zijn, dat men min of meer voor 
de noodzaak werd geplaatst, daar het strafrecht tekort schoot 
in veelzijdigheid om ook burgerrechtelijk op te treden, dit ver-
loop van zaken had kunnen leiden tot de ontdekking, dat het 
veel gemaakte onderscheid tussen preventieve en repressieve 
werkzaamheid in het kinderrecht weinig waarde heeft, omdat 
de werkelijkheid bijeenhoudt wat de theorie poogt te scheiden. 

Het strafrecht voor kinderen is van huis uit meer repressief, 
maar werd tegelijk steeds preventiever; het burgerlijk kinder-
recht is nu eens preventief, dan weer repressief, maar zelfs ont-
worden beschouwd, zijn weer preventief wat de voorkoming 
heffing en ontzetting uit de ouderlijke macht, die als repressief 
van strafbare feiten aangaat. In elk geval openbaarde zich een 
streven om zo weinig mogelijk strafrecht en zoveel mogelijk 
burgerlijk recht op kinderen toe te passen. Daartoe droeg bij 
de afschuwelijke regeling ten onzent van de bewijzen omtrent 
goed zedelijk gedrag, ten gevolge waarvan een kruimel-, een 
konijnendiefstal, op 15-jarige leeftijd gepleegd, een vijftien jaar 
later de loopbaan van een gehuwd man kan ruïneren. Maar 
groter invloed nog oefende de overweging, dat een strafrechte-
lijke behandeling tot het 14de of tot het 16de levensjaar niet 
op haar plaats was, omdat milieu en persoonlijkheid bij kinde-
ren de schuld bij deze minderjarigen ingrijpend wijzigden of 

Deel II Zitting 1954—1955 

EERSTE KAMER 




Wijziging bepalingen voogdijraden, voorkomende in Burgerlijk Wetboek 14de Vergadering - 22 December '54 2069 

Diepenhorst 
zelfs wegnamen. Opvoeden, verplaatsen uit de oude omgeving, 
behandelen der vergroeiingen en afwijkingen werd het parool. 

Nu kan men in het algemeen zeggen: de Overheid straft. Is 
op dezelfde manier vol te houden: de Overheid voedt op? Het 
burgerlijk kinderrecht werd mede voor strafrechtelijke doel-
einden gebezigd. De nadruk ook in wat van nature strafzaken 
waren, kwam te liggen op het behandelen, ten einde in de 
toekomst te verhoeden. Tekenend voor de omzetting der geesten 
is, dat Pro Juventute, een der gaafste vruchten van de soms 
zo gesmade 19de eeuw, van de bestrijding der jeugdcriminaliteit 
overging op de voorkoming van wangedrag en verwaarlozing 
bij kinderen. Behandelen ten einde te verhoeden. Rechtbuigen 
vanuit welke oorzaak dan ook in verkeerde richting opwas-
sende jonge stammen. Opvoeden, het persoonlijkste werk, dat er 
is. Het gebeurde van Staatswege reeds overlang in de Rijks-
opvoedingsgestichten, waar de overgrote meerderheid der be-
volking langs strafrechtelijke weg was beland. Doch elke op-
voeding behoort gedragen te worden door een bepaalde geest, 
door eenheid van overtuiging. De verdeelde gelijkheidsstaat 
Nederland heeft hier in Overheidsinrichtingen soms weinig te 
bieden. Dus zijn de particuliere instellingen het meest verkieslijk 
en laat de Staat slechts aanvullend, slechts subsidiair zich 
gelden. 

Toch drijve men dat subsidiaire karakter niet te sterk. 
De aanleiding voor de Staat om op te treden wordt dikwijls ge-
vormd door een strafrechtelijk feit en ligt anders in ongeregelde 
familietoestanden, welke een gevaar voor de burgerlijke orde 
betekenen en tot overtreding der Strafwet heel gemakkelijk 
voeren. De Staat verheugt zich over het particulier initiatief. 
Het vermag, wat hij niet kan. Het behoedt voor sleurgang en 
verambtelijking, het levert geschikte gelegenheid tot inkrimping 
der rechtstreekse Overheidsbemoeienis. Desondanks geschiedt 
veel particulier werk in wezen in zekere zin op Staatsgezag, 
en wel in sterker mate naargelang het inniger met het strafrecht 
samenhangt of meer rechtstreeks bevestiging der burgerlijke 
orde betekent. Bovendien, de subsidiëring uit de publieke kas 
maakt de Staat, hoe vreemd het klinke, niet tot een subsidiair, 
veeleer tot een in bepaalde opzichten primair belanghebbende. 
Men kan hem de bevoegdheid, ja de plicht niet ontzeggen, toe 
te zien op de besteding der Overheidspenningen. Het woord toe-
zicht duikt op en indien ergens, dan wordt hier bewaarheid 
Goethes woord „Mit Worten lasst sich trefflich streiten.". Toe-
zicht in de zin van bemoeiing met het inwendig beleid, uit-
zetten van de koers kunnen de particuliere instellingen nooit 
aanvaarden, daarin mogen ze ook nimmer bewilligen of ze 
zouden het eigen wezen ontrouw worden. Omdat zulks voor 
mij vanzelfsprekend is, handel ik er niet verder over. Ander-
zijds mag de Overheid geen volledige vrijheid toestaan in deze 
zin, dat bestuur en beheer der desbetreffende stichtingen en 
verenigingen niet aan de algemene eisen van behoorlijkheid 
zouden voldoen. Het begrip toezicht geeft het begrip subsi-
diariteit in veelheid van betekenissen niet toe en deze dubbele 
rijkdom verwart. 

Thans is wel duidelijk op welk een strategisch bijzonder be-
langrijke plaats zich de voogdijraden tot dusver bevonden en 
straks de raden voor de kinderbescherming zullen staan, vooral 
wanneer men nader onderzoekt om hoedanige instituten het 
gaat; om colleges, die in het verleden een vraagbaak voor de 
rechters waren; die burgerrechtelijke beslissingen uitlokten; die, 
samengesteld uit niet ambtelijke personen, het werk der Over-
heid konden verfijnen; die de brug sloegen naar het particulier 
initiatief en die, wordt het huidig ontwerp wet, voortaan alle 
zaken zullen opvangen, waarin maatregelen, ten aanzien van 
het gezag over minderjarigen, dan wel sancties in verband met 
hun gedrag wenselijk schijnen, wat vanzelfsprekend een ruime 
verbreding van de arbeid ten gevolge heeft. Want de vervaging 
der scheidslijn tussen strafrecht en burgerlijk recht leidt als van-
zelf tot groter strafrechtelijke bemoeienis. De toenemende be-
langrijkheid der opvoedingsgedachte legt nauwere verbindingen 
met de particuliere kinderzorg. Er zal veel meer moeten wor-
den onderzocht; de inspectie wordt omvangrijker; dieper in-

dringende studie, uitvoeriger documentatie vallen niet te ver-
mijden. 

Tegen deze achtergrond behoort het aanhangige ontwerp 
nu nader te worden getoetst. Daar is in de eerste plaats de 
kwestie der verandering van naam van de voogdijraden. Ik gaf 
al te kennen, dat er wel is waar restauratie, herstel, dat er ook 
uitbouw, zeer belangrijke uitbouw zelfs, tot stand kwam, maar 
dat er van volslagen nieuwbouw moeilijk kan worden gespro-
ken. Daarom ware het verkeerd, te veel gewicht aan de ge-
wijzigde benaming te hechten; het betreft hier opnieuw de in 
de juridische gaarde zo veelvuldig aangetroffen zelfde roos, 
bloeiend onder een andere naam. De noodzaak van het om-
dopen spreekt weinig toe en wij hebben hier, volgens mij, enkel 
te maken met een vrij onschuldig tijdsverschijnsel, dat overal 
zich voordoet. Harry Hopkins, Roosevelts vertrouwde satelliet 
tijdens de New Deal en in de tweede wereldoorlog, schrijft in 
1943 in een memorandum: 

„Ik herinner mij de tijd, dat men al de namen van lief-
dadigheidsinstellingen wijzigde in „instellingen voor alge-
meen welzijn". Nu probeert men weer van die namen af 
te komen.". 

Bij ons geraakte de philantropie eveneens in discrediet. De 
Armenraad werd verder Sociale Raad en het Maatschappelijk 
Hulpbetoon noemde men later de Gemeentelijke dienst voor 
sociale belangen. Wellicht is leerrijk de onparlementaire be-
tuiging van een naast betrokkene — ik noem, om niet mij 
zelf in moeilijkheden te brengen, de bron: het Tijdschrift voor 
Maatschappelijk Werk van 20 Augustus 1949. 257 —: 

„Bij de sociale diensten neppen ze je nog meer dan 
vroeger bij maatschappelijk hulpbetoon en de armen-
raad.". 

De papieren der voogdijraden waren nog niet zo ongunstig 
en over een aantal jaren heeft ook kinderbescherming weer een 
onaangename klank. Is men in de wetenschap al niet zo ver, dat 
men, het jeugdvraagstuk behandelend, meent niet langer over: 
„het probleem kind" maar over „het probleem ouder" te moe-
ten schrijven? Zulks klinkt, wanneer men zelf nog aan de goede 
kant van de veertig zich bevindt, aantrekkelijk, doch de eer-
lijkheid gebiedt enige eenzijdigheid te erkennen. 

Vervolgens is het zaak restauratie en aanbouw, los van de 
naam, op de wezenlijke verdiensten te beoordelen. Dit is ver 
van simpel, want wij hebben hier ten diepste voor ons een 
mantelwet. De eigenlijke omzetting der voogdijraden gaat ge-
schieden bij algemene maatregel van bestuur en uiteindelijk zal 
de praktijk over de bruikbaarheid der voorstellen beslissen. 
Men kan wel een aantal bepalingen neerleggen, wat de bedoe-
ling der raden voor de kinderbescherming is, doch heeft aan de 
ontwikkeling der dingen over te laten, hoe nader de betrek-
kingen tot de andere Overheidsorganen en de talrijke particu-
liere instellingen zullen worden. Hetzelfde is van toepassing op 
de leiding, die de zevende afdeling van het Departement aan 
de 19 raden bieden wil, op de taak, welke het College van 
Advies vervullen zal. De kinderbescherming is op weg, zonder 
dat iemand kan zeggen, hoe de mars precies verlopen gaat of. 
om tot meer architectonische beeldspraak terug te keren: de 
kinderbescherming komt onder de kap, maar geen mens weet 
hoe de bestekken nog op het laatste moment moeten worden 
gewijzigd. 

Zijn deze bestekken volledig aanvaardbaar? Het bevreemdt, 
dat slechts een 19-tal raden aanzijn verkrijgt, alsof er geen 
algemene behoefte aan zulk een instelling bestaat: neem Hil-
versum of Tilburg — tot 1933 bezat de laatste stad een voogdij-
raad —, plaatsen, die stellig voor een zelfstandige raad rijp zijn; 
neem Leiden, waar de bestaande raad zal verdwijnen. Dit laat-
ste wekt te meer verbazing, omdat zich op het secretariaat 
jaarlijks 2800 bezoekers melden, de geïncasseerde bedragen in 
1953 f259 000 beliepen, en dit jaar tot f280 000 zullen klim-
men. Tegenover het 279 558 zielen tellende arrondissement 
Dordrecht kunnen de kantons Leiden en Alphen aan den Rijn 

Deel II Zitting 1954—1955 

EERSTE KAMER 




2070 14de Vergadering - 22 December '54 Wijziging bepalingen voogdijraden, voorkomende in Burgerlijk Wetboek 

Diepenhorst 
wijzen op een sterkte van 277 603 zielen. In geen enkel stuk 
van de Minister wordt de noodzaak duidelijk om het getal 
raden gelijk te houden aan dat der rechtbanken en door splitsing 
van kamers in regionale behoefte te voorzien, waarbij één ka-
mer oppermachtig wordt en er een opvoedingsconcentratie ont-
staat, die noodlottig schijnt. Er is nog meer dat ter zake van 
getal en samenstelling der raden met verwondering en zelfs 
met zorg vervult. Het schijnt in de bedoeling van de Minister 
te liggen om nogal wat Amerikanen tot leden te benoemen, 
iets, waartegen ik, waarschijnlijk samen met een tweetal andere 
leden dezer Kamer, bezwaar koester, moge het dan op zclf-
standige gronden wezen. Zijne Excellentie verklaart toch in zijn 
Memorie van Antwoord, dat hij nog even wil wachten met in-
lichtingen te verschaffen over wat aan geld en „man-power" 
benodigd zal zijn. Overigens ben ik er van overtuigd, dat de 
ramingen, van 1952 daterend, omtrent personeelsuitbreiding en 
oplopende uitgaven zeer aan de lage kant zijn. De Minister 
heeft de 60 of 70 in Rijksdienst overgaande ambtenaren voor 
de Kinderwetten bij zijn berekeningen inbegrepen. Deze men-
sen verrichten ook andersoortig werk dan waarvoor zij nu 
worden benut. Het Departement zal moeten subsidiëren, ten 
einde de kosten der plaatsvervanging te dekken. Ook in de toe-
komst zal Pro Juventute zich op de ondertoezichtstelling speci-
aliserend, een tachtig ambtenaarlijke krachten nodig hebben, 
om van andere verenigingen, reeds aanwezig of nog op te rich-
ten, voor gezinsvoogdij en patronage maar te zwijgen. Trou-
wens, de gehele wijziging in het kinderbestel ten gevolge van de 
„hervorming der raden" is zonder verhoogde Staatssteun aan 
het particuliere initiatief niet denkbaar. 

De positie van de huidige ambtenaren voor de Kinderwetten 
wordt, als zij in de nieuwe werkkring zijn getreden, eenvoudi-
ger. Niet langer hebben zij vier werkgevers: Pro Juventute, 
voogdijraad, kinderrechter en officier van justitie, wat, als men 
aan Schopenhauers verhandeling over „Die vierfache Wurzel 
des Satzes vom zureichenden Grande" denkt, genoegzaam ver-
duidelijkt, dat er reden, dat er toereikende grond voor enige 
spanning aanwezig was. Daarentegen zal de secretaris, direc-
teur tevens van het bureau, een duivelskunstenaar moeten 
wezen of, om, gelet op 's Ministers „man-power", het even-
wicht weer te herstellen, ein „Wunderknabe". Van hem zijn de 
leden van de jeugdraad voor een goed deel afhankelijk. Hij be-
hoort alles zo te leiden, dat men ten burele werkelijk van de 
kinderbescherming in het ressort op de hoogte is. Zijn apparaat 
moet de juiste adviezen afleveren, het doeltreffend toezicht ver-
oorloven. Wrijvingen met andere figuren en instanties, die 
eveneens op jeugdgebied zich bewegen, moet hij voorkomen of 
wegnemen, en dat, terwijl de band, naar wij zagen, tussen raden 
en strafrechtspleging nauwer werd aangehaald. De grens, welke 
van de kinderpolitie scheidt, behoort te worden afgebakend. De 
laatste, op ongeveer 35 plaatsen in ons land aanwezig, spoort 
natuurlijk strafbare feiten op, maar zij legt het er in het heden 
steeds meer op toe, deze te voorkomen. In de steden, welke een 
jeugdbrigade bezitten, verricht de kinderpolitie uitgesproken 
opvoedingswerk. Ongetwijfeld draagt zij een tweeslachtig ka-
rakter. Vóór alles bevordert zij de rechtsveiligheid. Bij haar is 
repressie het eerste. Echter niet het enige, want hier ziet men 
opnieuw, hoe weinig bruikbaar voor de werkelijkheid de twee-
deling repressie en preventie is. Het gaat te ver, dat de kinder-
politie in ernstige mate onhandelbare jongelui plaatst in obser-
vatiehuizen. Het is inmiddels niet goed, haar sociale betekenis 
te onderschatten, en als zij tracht baldadigheid op straat, ge-
vaarlijk spel, roekeloosheid in het verkeer, ongeregeld gedrag 
te voorkomen, kan men dit pogen slechts prijzen. De wet 
regelt hier niets, de algemene maatregel van bestuur zal het 
waarschijnlijk evenmin doen. Het is de secretaris-directeur, die, 
in nauw overleg met de voorzitter, van de kant der raden een 
soepele omgang met de kinderpolitie kan bevorderen. 

Van de secretarissen zal men buitengewoon veel, van voor-
zitters en leden der raden heel wat vragen. De bemoeienis 
van de raad met kinderzaken ziet zich sterk uitgebreid en er 
wordt een ruime kennis van levensomstandigheid en persoon-

lijkheid der betrokken minderjarigen verlangd. Hij treedt de 
kinderrechter wel zeer na, zo goed als hij de officier van justitie 
over het instellen ener vervolging moet adviseren, waarna 
deze, overlegd hebbende met de kinderrechter, indien hij en de 
raad verschillen van mening, beslist. Deze oplossing is, in acht 
genomen de plaats van het openbaar ministerie in het geheel 
van onze strafrechtspleging, ongetwijfeld de beste en terecht 
uiteindelijk door de Minister gekozen. De raad krijgt ook het 
toezicht op de voorwaardelijk ter beschikking gestelden of 
tot tuchtschool veroordeelden en op hen, die voorwaardelijk 
ontslagen worden. Reeds uit dien hoofde heeft hij geen be-
hoefte ook nog met het toezicht op de onder gezinsvoogdij 
gestelden belast te worden. Al kan het zijn, dat het voor de 
toekomst ook hiertoe komen moet, voorlopig heeft de raad 
het wel dermate volhandig, dat deze werkzaamheid hem beter 
bespaard blijft, gelijk ook de Minister geoordeeld heeft. Als 
ten overvloed verkeert de gezinsvoogdij, hoe hecht reeds in 
Katholieke kring georganiseerd, nog altijd in een stadium 
van ontwikkeling. Nu bedeelde de wet aan de raad al toe het 
instellen van vaderschapsactiën, gelukkig, dank zij de door de 
bewindsman ter elfde ure aangebrachte wijziging, onder toe-
stemming van de moeder of, bij haar minderjarigheid, van 
de wettelijke vertegenwoordiger. Straks volgt misschien de ver-
zoeningstaak bij de op stapel staande wijziging der echtschei-
dingsprocedure. Het is begrijpelijk, dat de — naar ik ver-
meldde — ook al met het toezicht op de gezinsverpleging be-
laste raad enige matiging op prijs stelt. 

Er kan nog genoeg verschil van mening rijzen over de taak, 
die de raad vervullen, de plaats, die hij innemen moet. Daar-
bij wordt niet zozeer gedacht aan de mogelijkheid, dat hij zich, 
geheel tegen de bedoeling, onnodig op de zetel der ouders 
neerzet. De eerbied voor het gezin is ten onzent te diep ge-
worteld, de bescherming van het gezin te krachtig dan dat iets 
dergelijks zich spoedig zou voordoen; te veel organisaties ook, 
die nauwe voeling met leden van de raad onderhouden, waken 
hier. Evenmin behoeft men te vrezen, dat in de verhouding tot 
het Ministerie zich noodzakelijkerwijs moeilijkheden zullen 
voordoen. Ongetwijfeld, nogal eens zijn zij, die van Departe-
mentswege tot leiding geroepen worden, anders geaard dan zij, 
die op de voorgrond treden in de kring der particuliere kinder-
bescherming. Maar, zoals het mij een overwonnen standpunt 
voorkomt, dat de Staat totaal geen bijzondere weldadige zorg 
kan oefenen — of het gewenst mag heten, is een tweede —, 
gaat het ook kwalijk aan te zeggen, dat de Staat volstrekt 
niet, tenzij tot schade van zich zelf en van het werk, waarmee 
hij zich inliet, op zijn wijze, dus voor alles uitwendig, be-
scherming en opvoeding vermag bevorderen. Hij behoort zich 
hier bijzondere beperkingen op te leggen. Hij behoort in te 
zien, dat de eenheid van overtuiging, soms ook — gelukkig 
lang niet altijd — de zelfovergave bij hem ontbreekt, omdat 
hij op minder roepingsbesef rekenen kan dan bij particuliere 
instellingen het geval is. Toch kan hij, indien weerstand — maar 
dan ook sterke weerstand — wordt geboden aan de verleiding 
der „albedisselarij", wel een invloed ten goede oefenen en is 
het niet nodig, dat de raden voor hem beduchtheid koesteren, 
te minder indien het College van Advies zich zo nodig gelden 
laat. 

Veel meer zorg baart de betrekking der raden tot het particu-
lier initiatief. Ik ga er van uit, dat waar is, wat de offciële stuk-
ken onophoudelijk betuigen: het particulier initiatief vindt voI-
Iedige erkenning en algehele vrijheid. Daarmee werd overigens 
niet elke moeilijkheid uit de weg geruimd. Hoeksteen van de 
kinderbescherming en ook van het werk der raden wordt ge-
noemd het persoonlijkheidsonderzoek. Iedere wat grote raad 
zal waarschijnlijk een deskundige aan zich verbinden, om, wan-
neer op grend der aanvankelijke bevindingen niet beslist kan 
worden over de meest wenselijke weg, uit te maken, hoe en 
door wie zal worden onderzocht, en het is aanstonds duidelijk, 
dat de geestesrichting, waartoe de jeugdige behoort, doorslag-
gevende betekenis toekomt en dat bij een volgende observatie 
of behandeling te waarborgen zij een benadering door gelijk-

Deel II Zitting 1954—1955 

EERSTE KAMER 




Wijziging bepalingen voogdijraden, voorkomende in Burgerlijk Wetboek 14de Vergadering - 22 December '54 2071 

Diepenhorst 
denkenden. Inderdaad, er doen zich hier verbijzondering en 
verfijning voor er is nodig een doordringen, diep in de per-
soonlijkheid, die, als het even mogelijk is, beheerst moet 
worden door levens- en wereldbeschouwing. Wat ligt nu meer 
voor de hand dan, zoals sommigen doen, van het persoonlijk-
heidsonderzoek uit terugblikkend op het in de regel vooraf-
gegane sociale onderzoek, ook millieu-onderzoek geheten, te 
verlangen, dat dit laatste eveneens wordt overgelaten aan het 
particulier initiatief, hetwelk, geputst naar de verschillende 
overtuigingen in Nederland, nagenoeg ieder kan opvangen. 
Hiertegen moet men niet aanvoeren, dat de particuliere instel-
Iingen nog niet rijp zijn, want de voorstanders van genoemde 
gedachtengang willen wachten. Wel houdt steek het verwijt, 
dat bijna niet door middel van hun organen onderzoekende 
raden zich ternauwernood zullen roeren of bewegen. Een 
beslissende betekenis heeft, naar mij dunkt, het feit, dat aldus 
ongenoegzaam de eigensoortige taak van de Staat in het oog 
wordt gehouden. Tenslotte is de voogdijraad toch een publiek, 
toch een Overheidsorgaan, hoezeer ook, wat het lidmaatschap 
betreft, op het beginsel der vrijwilligheid berustend. De Staat 
kan veel overdragen, moet veel overdragen zelfs, maar het 
is aanbevelenswaardig, dat de rechtsstaat, naast straf, ook 
onderzoekt of er te straffen zij, ook onderzoekt of er burger-
rechtelijk diep behoort te worden ingegrepen, hetzij door ont-
zetting, hetzij door ontheffing, of minder diep, hetzij door 
strafrechtelijke, hetzij door burgerrechtelijke onder-toezicht-
stelling, op bepaalde punten aan zich houdt. Men late hem 
derhalve het milieu-onderzoek. Immers, de Staat wordt als 
in laatste instantie dwingende macht door ouders en familie en 
jeugdige persoonen aanvaard; met zijn ingrijpen neemt men 
genoegen, hen omzweeft de reuk van onpartijdigheid, waarin 
beide, zowel het niet optreden als het treffen van maatregelen, 
moeten staan. 

Van persoonlijkheids" en milieu-onderzoek was de rede, en 
op dit punt is het, dat de raden voor de kinderbescherming al-
lernoodlottigst uit de rails kunnen schieten en gevaar lopen in 
een van Nederlands meest bekende geestelijke ravijnen, dat van 
de volmaaktheidsdrift, te storten. Want niet het minst in ver-
band met deze takken van arbeid heeft men zich voorgesteld, 
dat iedere raad te splitsen ware in een juridische, een paedago-
gische, een medische tak, in een tak verder voor de beroeps-
keus, en een voor de milieubeïnvloeding. Hier schiet een boom 
omhoog, in welks takken niet de vogelen des hemels, maar de 
specialisten neerstrijken, waarin, daar een raad voor de kinder-
bescherming als geheel zich onmogelijk dermate specialiseren 
kan, ook de inspecteurs en inspectrices, aan hem verbonden, 
nestelen zullen. En nu ben ik mij er van bewust, dat eensdeels 
deze specialisatie niet is te weerstaan, dat zij het werk ten goede 
komt. Maar stelt zij nooit teleur? Het rapport Maatschappelijke 
verwildering der jeugd heeft geleerd, dat sommigen, van wie 
men anders verwachten zou, weinig gave bezitten een bepaald 
onderzoek uit te voeren en daarover een verslag te schrijven. 
Ik zeg niet, dat het strikt rechtvaardig is, doch men kan zich 
de weerzin voorstellen van ambtenaren voor de kinderwetten, 
die met veel mensenkennis en weinig scholing hun werk vol-
brachten, tegen bepaalde jonge krachten, die geestelijk-cultureel 
gevormd zijn, sociale en economische kennis bezitten, ook juri-
disch in een beperkt aantal uren werden geschoold en die 
tevens weten, weer dank zij een beperkt aantal uren, van ont-
wikkelingspsychologie, karakterologie, dieptepsychologie en so-
ciale psychologie. Over de bijkomstige vakscholing en vaardig-
heden is dan nog niets gezegd, maar het is uit de programma's 
der opleidingsscholen duidelijk, wat een geestelijke rijkdom in 
een cursus van twee jaren over jonge hoofden werd uitgestort. 
Ondertussen zijn de meeste reeds vermelde ambtenaren geneigd 
te aanvaarden, dat het leven nog veel vermag te herstellen, wat 
hen dieptepsychologisch het meest bevredigt, maar ze koeste-
ren desondanks enige zorg, dat hun positie verslechtert, omdat 
genoemde, vooral vrouwelijke krachten voorkeur schijnen te 
krijgen en omdat, gaan zij over naar een nieuwgevormde raad, 
in het algemeen de salariëring lager komt te liggen, terwijl, als 

zij op hun oude post blijven, de promotie toeft. De Minister 
heeft gezegd, dat er voor bezorgdheid geen reden is; de feiten 
maken niettemin een zekere ongerustheid verklaarbaar; althans 
heeft de promotie tot ambtenaar A gestokt. 

Maar ik dreig af te dwalen en keer terug tot de hoofdzaak. 
Wij zien, dank zij een verbijzonderde opleiding, thans vaak 
beter, onderscheiden scherper, handelen en behandelen doel-
treffender dan vorige generaties. Onvoorwaardelijk moet dit 
proces bij de raden voor kinderbescherming worden aanvaard. 
Maar men vrijware zich tegen het teveel en tegen het te een-
zijdig. Tegen het teveel, al zij toegegeven, dat het moeilijk is 
een punt te zetten. In de Tweede Kamer is het pleit gevoerd 
ook voor persoonlijkheidsonderzoek van de ouders. Dit kan 
verrassingen baren; misschien ook opheldering bieden. Ik 
vraag: waar houdt men op en wie betaalt? Tegen het te een-
zijdig. Hoe gemakkelijk verdwijnt het feit bij nauwkeurig ont

: 

leding van het innerlijk niet naar de achtergrond? Uit zeer be-
voegde pen vloeide onlangs de vraag of niet de psychologisch-
paedagogische behandeling werd overschat met verwaarlozing 
van de zakelijke kant van het misdrijf (T. C. W. Lignacè. De 
kinderpolitie van Nederland en daarbuiten, 's-Gravenhage 
1951, 89). Tegenwoordig is er over de gehele line een streven, 
dat ieder alles poogt te ontsluieren. Op grond van enkele regels 
schrift verklaren graphologen of iemand sexucel gefrustreerd is. 
Er zou op de jonge mens heel gemakkelijk psychische vivisectie 
kunnen worden gepleegd. Hoe zal een raad, ofschoon het parti-
culier initiatief hem veel werk uit handen neemt, een schakel 
vormen, de verbindende schakel vormen in het geheel der kin-
derbescherming, waarbinnen optreden observatiehuizen, paedo-
logische inrichtingen, opvoedingsgestichten, tehuizen voor wer-
kende jongens en meisjes, kampen van vorming buiten school-
verband, medische-opvoedkundige bureau's, bureau's voor gees-
telijke volksgezondheid, medici, psychologen, paedagogen, psy-
chiaters en uiteraard — al is de overgang wat zonderling — 
kinderpolitie, officier van justitie, kinderrechter, voogd, gezins-
voogd, patroon. Het is heel gemakkelijk deze reeks met anthro-
pologen, sociologen, sociographen en, als ze goed zijn, de beste 
de theologen, uit te breiden. De tegenwoordige voogdijraden 
delegeerden reeds aan voorzitter en secretaris — tegen de letter 
der wet in —, dat het een aard had, omdat de ganse raad on-
geschikt werd tot optreden. De ongunstige kans is er, dat de 
nieuwe raden van de wettelijk geboden gelegenheid tot delegatie 
een te kwistig gebruik zullen maken, dat door de raden als 
raden de vaste greep verloren wordt, dat bureaucratie en ver-
starring hoogtij zullen vieren, dat men voor het kind niet uit-
trekt wat het kind het meest behoeft: tijd, tenzij . . . ., tenzij 
boven deze wet en de straks ter harer nadere uitvoering op-
gestelde maatregel van bestuur in vlammende letters geschreven 
wordt: „Gebruikt uw gezond verstand", een waarschuwing, 
welke te meer klem verkrijgt, als men leest — en het is Neder-
lands grootste voogdijraad, die deze uitspraak voor zijn rekening 
nam —: „Tegenover het rationeel-logische denken, dat voor-
heen het werk der voogdijraad bepaalde, staat hier nu het 
irrationeel-logische, het psycho-logische denken, het leggen van 
verbanden, die niet rationeel bepaald zijn". Het zal uitnemend 
bedoeld zijn, maar irrationeel-logisch denken lokt niet aan. Ik 
hecht dan groter waarde aan het burgerlijk gezond verstand, 
gelijk zoeven al blijken kon, en ik hoop, dat de Minister dit ook 
doet, moge dan het epitheton „burgerlijk" voor hem niet geheel 
aanlokkelijk zijn, gelet op wat hem in de Tweede Kamer on-
langs van zo niet bevriende, dan toch geestverwante zijde 
wedervoer. 

Uiteraard zal mijn fractie aan deze door de bewindsman, ik 
mag wel zeggen, oudergewoonte vaardig verdedigde wetsvoor-
dracht haar stem geven, hem op het hart bindend steeds voor 
de door mij geschetste gevaren op zijn hoede te zijn. De Neder-
Iandse jeugd is het waard, dat men, ook als zij baldadige, als zij 
verwilderde, als zij misdadige jeugd dreigt te worden, probeert 
om het beste voor haar te bereiken. En het is in dit verband, 
Mijnheer de Voorzitter, dat ik met een laatste algemene op-
merking mijn betoog afrond; het zal overigens een enkele 

Deel II Zitting 1954—1955 

EERSTE KAMER 




2072 14de Vergadering - 22 December '54 Wijziging bepalingen voogdijraden, voorkomende in Burgerlijk Wetboek 

Diepenhorst e. a. 
andersdenkende wel wat hoekig zijn uitgevallen. Met dit ont-
werp zijn wij er niet, zomin als met de aangekondigde vernieu-
wing van het kinderstrafrecht. De kommer van deze tijd, de 
massavorming, het verlies der persoonlijkheid, de vervlakking, 
de onzuivere levenstoon, het puerilisme merkwaardig genoeg 
juist der ouderen, de ontwrichting van het bestaan als gevolg 
van normverlies, dat alles en zoveel meer werpt juist jongeren 
totaal, werpt ze in haar geheel ondersteboven. Daarom raakt 
het jeugdvraagstuk vele Departementen, is het verweven met 
ons ganse samenlevingsbestel en wordt hier meer gevraagd dan 
wetgeving. Een volk, dat bouwt aan zijn toekomst, bouwt aan 
zijn jeugd, als het goed is niet in de eerste plaats uit egoïsme, 
uit zelfbehoud, maar omdat, naar het woord van Israëls psalm-
dichter, kinderen een erfdeel des Heren zijn. 

De heer De Vos van Steenwijk: Mijnheer de Voorzitter! Ik 
kan beginnen met te verklaren, dat wij dit wetsontwerp met 
zeer veel instemming hebben begroet en dat wij ook van harte 
onze stem er aan zullen geven. Met instemming hebben wij 
ook begroet de wijziging, welke de Minister tijdens de be-
handeling in de Tweede Kamer in het wetsontwerp heeft aan-
gebracht naar aanleiding van het door de heer Van Rijckevorsel 
ingediende amendement. Nu zou ik nog een aantal loftuitingen 
aan dit wetsontwerp kunnen wijden, maar de Minister zal wel 
goedvinden, wanneer ik mij tot deze ene beperk en de hoop 
uitspreek, dat dit wetsontwerp o.m. aan de kinderbescherming 
in alle opzichten ten goede zal komen. Dat brengt mij tegelijk 
op de naam, die de nieuwe voogdijraden zullen hebben. Wij 
kunnen die naam niet erg bewonderen. Het komt meer voor, 
dat men aan instellingen, waaraan een minder aangename be-
tekenis kan worden gehecht, een andere naam geeft om die 
instellingen wat aannemelijker bij het publiek te maken. In de 
zestiende eeuw sprak men van dolhuis. Dat woord had een 
zeer onaangename klank. Daarna is men gaan spreken van 
krankzinnigengesticht. Toen dat woord enige lijd was gebruikt, 
vond men het ook onaangenaam klinken en ging toen spreken 
van inrichting voor geesteszieken. Misschien verdwijnt dit 
woord ook weer na enige tijd om plaats te maken voor een 
ander. Hetzelfde hebben wij gehad bij de werkverschaffing. 
Dat vond men eveneens een woord met een onaangename 
klank. Na de bezettingstijd heeft men toen gebezigd de naam 
Dienst Uitvoering Werken (D.U.W.). Dat zou een betere be-
naming zijn. Totdat ook de benaming D.U.W. door het ge-
bruik, dat men van dit woord heeft gemaakt een onplezierige 
klank heeft gekregen en men een aantal letters van het alphabet 
zal gaan gebruiken voor weer een andere naam. Dat waren 
echter alle instellingen, waaraan een minder aangename be-
tekenis kon worden gehecht. Dat is bij de voogdijraden niet het 
geval. De voogdijraden hebben uitstekend werk gedaan. Het 
werk van de leden van de voogdijraden is boven alle lof ver-
heven. Daarom begrijpen wij niet, waarom nu juist die voogdij-
raden een andere naam moeten hebben. Zij hebben een plaats 
in ons burgerlijk recht gekregen. Ik vind het jammer, dat deze 
naam, waaraan zoveel goede herinneringen zijn verbonden, nu 
zal verdwijnen. 

Nu ik het wetsontwerp bekijk —• ik zal van harte er vóór 
stemmen —, kan ik toch niet nalaten een opmerking te maken 
over een punt, waarmee wij ons minder kunnen verenigen, 
nl. de beperking van het aantal voogdijraden, in het bijzonder 
de opheffing van de voogdijraad te Leiden. Bij de invoering 
van de kinderwetten heeft men de voogdijraden, waaronder 
die te Leiden, ingesteld. Het is onbegrijpelijk, dat men, nu de 
werkzaamheden van de voogdijraden aanmerkelijk worden ver-
meerderd, juist tot inkrimping van het aantal overgaat. Ik weet 
wel: er kunnen voogdijkamers komen. Er zal dan ook ver-
moedelijk in Leiden wel een kamer van de Haagse voogdijraad 
worden gevestigd. Maar dat is niet hetzelfde. Het is de vraag 
of, wanneer men zich in Leiden moet vergenoegen met een 
kamer, dit er niet toe kan leiden, dat het geheel te ambtelijk 
wordt en het persoonlijk karakter, het persoonlijk optreden van 
de leden van de voogdijraad daardoor zal achteruitgaan. Het 

De Vos van Steenwijk 

is begrijpelijk, dat er tegen de opheffing van deze voogdijraad 
van verschillende kanten bezwaren zijn ingebracht. Het merk-
waardigste vind ik wel, dat er een collectief schrijven van de 
voogdijraden te Leiden en den Haag is. Niet alleen de Leidse 
voogdijraad heeft dus bezwaar tegen die opheffing, maar ook 
de Haagse. Bij de Haagse voogdijraad vindt men het niet juist, 
dat het terrein van zijn werkzaamheden wordt uitgebreid. Men 
zou kunnen denken, dat de Haagse voogdijraad met plezier 
het gebied van de Leidse voogdijraad zou opslokken, maar dat 
is niet het geval. De Haagse voogdijraad met zijn Leidse zuster-
instelling dienen samen een collectief adres in, dat er toe strekt 
om de voogdijraad te Leiden als een afzonderlijk lichaam te 
behouden. 

Dit is ook begrijpelijk. De mij voorafgaande spreker heeft 
het reeds gezegd: de kantons Leiden en Alphen aan den Rijn 
tellen ruim 277 000 zielen en het arrondissement Dordrecht 
279 000. Dordrecht behoudt zijn voogdijraad, omdat er toevallig 
een arrondissementsrechtbank is. Daarbij komt nog, dat de be-
volking van de kantons Leiden en Alphen aan den Rijn anders 
geaard is dan die te 's-Gravenhage. Dat blijkt ook wel uit het 
feit, dat de kinderrechter en de officier van justitie voor Leidse 
zaken zitting houden te Leiden. Bij combinatie met Leiden zal 
ook de Leidse administratie moeten worden overgebracht naar 
den Haag en zal moeten worden ingewerkt in de Haagse admi-
nistratie. Kortom, het opslokken van de voogdijraad van Leiden 
door de Haagse voogdijraad zal voor de Haagse voogdijraad 
een indigestie medebrengen. 

Aan het slot van de Memorie van Antwoord schrijft de Mi-
nister: 

„De ondergetekende acht dit, nl. het behoud van de 
Leidse voogdijraad, niet gewenst en zeker niet nood-
zakelijk. Voor een afzonderlijke raad te Leiden is even-
min aanleiding als b.v. in de kantons Tilburg, Enschede, 
Apeldoorn, Hilversum, Gouda, Eindhoven, Amersfoort, 
Nijmegen en Winschoten, welke ten opzichte van de arron-
dissementshoofdplaats een soortgelijke verhouding doen 
zien.". 

Dat is inderdaad waar. In die plaatsen is op het ogenblik ook 
geen voogdijraad. De voogdijraad van Winschoten is verleden 
jaar opgeheven, maar Winschoten kan men niet vergelijken met 
Leiden. De werkkring van de voogdijraad van Leiden is veel 
uitgebreider. De voogdijraad van Tilburg is opgeheven, niet 
omdat die minder nodig was, maar uit bezuinigingsoverwe-
gingen. Overigens is het nog iets anders, of men een goed ge-
outilleerde raad opheft of een nieuwe instelt. 

Mijnheer de Voorzitter! Is er niet veel voor te zeggen, dat 
Hilversum en het Gooi, welke streek een ander karakter heeft 
dan Amsterdam, een eigen voogdijraad hebben? Zou het wer-
kelijk zo vreemd zijn, als mettertijd ook Hilversum een eigen 
voogdijraad kreeg? 

Zo zijn er ook andere plaatsen. Tilburg is een gemeente, die 
zich sterk uitbreidt en daardoor industriële problemen heeft. Het 
kan toch niet zoveel kosten medebrengen, wanneer men daar 
een voogdijraad heeft, want het is zeer waarschijnlijk, dat in 
dergelijke plaatsen kamers worden gevestigd. Is het niet beter 
in die steden echte voogdijraden te stichten en ze niet te bren-
gen onder de vaan van de hoofdplaats van het arrondissement? 
Ik zie in deze maatregel, die de Minister in het wetsontwerp 
invoert, een centraliserende maatregel. Men wil alles concen-
treren in de hoofdplaatsen van de arrondissementen. Men moet 
op het ogenblik juist waakzaam zijn ten opzichte van die cen-
traliserende geest, die zich op verschillend gebied in ons Staats-
bestel voordoet. Wij zouden het meer geapprecieerd hebben, 
wanneer de Minister enige voogdijraden meer had ingevoerd 
dan er op het ogenblik in ons land bestaan. Ik weet, dat wij 
geen recht van amendement hebben en hieraan dus niets kun-
nen doen. In dit wetsontwerp zit geen mogelijkheid van een 
voogdijraad te Leiden. Wij zouden het wetsontwerp gaarne 
openhakken en de mogelijkheid willen scheppen, dat de voog-
dijraad in Leiden blijft. Kan de Minister niet de toezegging 

Deel II Zitting 1954—1955 

EERSTE KAMER 




Wijziging bepalingen voogdijraden, voorkomende in Burgerlijk Wetboek 14de Vergadering - 22 December '54 2073 

De Vos van Steenwijk e. a. 
doen, deze zaak ampel te overwegen? Wanneer hij dan inder-
daad tot de conclusie zou komen, dat er iets te zeggen is voor 
een voogdijraad te Leiden, althans om de mogelijkheid daarvoor 
te openen, wil de Minister hieraan dan medewerken? 

Dit wetsontwerp treedt nog niet dadelijk in werking; het zal 
op een nader door de Kroon te bepalen tijdstip in werking 
treden. Er is dus nog alle gelegenheid een voorstel tot ver-
ruiming daarvan in te dienen. Dat behoeft geen uitgebreid 
wetsontwerp te zijn. Het kan het kleinste wetsontwerp zijn, dat 
de Minister ooit heeft ingediend. In artikel 461 B.W. zouden 
slechts de woordjes „ten minste" moeten worden ingevoegd. 
Dan zou men niet alleen in Leiden, maar ook elders, waar daar-
aan behoefte bestaat, voogdijraden kunnen stichten. 

Mejuffrouw Tjeenk Willink: Mijnheer de Voorzitter! Het 
motto „Wie zwijgt, stemt toe" zou onze fractie er toe kunnen 
brengen om verstek te laten gaan bij de behandeling van het 
ontwerp tot reorganisatie van de voogdijraden, waarover 
bovendien nauwelijks meer een debat mogelijk is na de alge-
mene instemming, waarvan de Eerste Kamer in het Voorlopig 
Verslag heeft blijk gegeven. Dat is vanmorgen duidelijk gede-
monstreerd door de rede van de geachte afgevaardigde de heer 
Diepenhorst, die ik in vele opzichten bijzonder kan waarderen, 
al was het alleen maar, omdat deze rede om zijn literaire kwali-
leiten ongetwijfeld in aanmerking zou kunnen komen voor een 
bekroning in de boekenweek. Toch zouden wij niet gaarne 
willen, dat een stilzwijgen onzerzijds zou worden beschouwd 
als een bewijs van gebrek aan belangstelling bij het happy-end 
van de lange en niet onbewogen historie van dit ontwerp, 
waaraan de vóór-historie van het rapport der Commissie-
Lamers vooraf is gegaan. Het merkwaardige hierbij is, dat de 
oppositie zowel tegen dit rapport als tegen het wetsontwerp 
telkens als een golfbeweging kwam opzetten en min of meer 
geruisloos wegebde. Na het verschijnen op 9 April 1949 van 
het knappe en inspirerende rapport van de Commissie-Lamers, 
waarvan de voorzitter Katholiek was en waarvan ook de ver-
dere samenstelling representatief mocht worden geacht voor de 
voornaamste geestelijke stromingen in ons land, gonsde de vak-
pers enige maanden zowel van waarderende als van kritische 
geluiden. Wie zich op grond van deze kritiek gespitst had op 
een fel debat tijdens de openbare discussie van deskundigen op 
het gebied van de kinderbescherming, bijeen in de algemene 
vergadering van de Nationale Federatie de Nederlandse Bond 
tot Kinderbescherming op 26 September 1949, kwam bedrogen 
uit. Weliswaar werd door de voorzitter van het Katholiek 
Verbond voor Kinderbescherming en door een representant 
van de Centraal Bond voor Inwendige Zending en Christelijk 
Maatschappelijk Werk en de Nederlands Hervormde Kinder-
zorgbond verontrusting geuit over mogelijke bevoogding van 
het particulier initiatief door de arrondissementsraden en de 
Centrale Raad voor de leugdbescherming, maar van een krach-
tige oppositie was eigenlijk geen sprake. Nadat mr Lamers op 
de hem eigen bekwame wijze als voorzitter der commissie de 
naar voren gebrachte bezwaren met klem van argumenten had 
weerlegd, kon de voorzitter van de Nationale Federatie de 
Nederlandse Bond tot Kinderbescherming, mr Overwater, aan 
het slot der discussie het volgende concluderen: 

„In de eerste plaats wil ik vaststellen, dat hier in deze 
vergadering niets vernomen is van de even sensationele als 
onwezenlijke kritiek, die ons in deze dagen van zekere 
zijde is voorgezet. Ik verheug mij hierover. Die kritiek had 
hedenmiddag hier gelegenheid haar bezwaren uiteen te zet-
ten en zij is weggebleven. 

In de tweede plaats kan ik vaststellen, dat Nederlandse 
kinderbescherming eenstemmig is in het verlangen naar 
een behoorlijke reorganisatie van de Voogdijraden. Ik heb 
in deze vergadering geen enkele stem gehoord, die zich 
daartegen heeft verheven. 

In de derde plaats constateer ik, dat wij het er over eens 
zijn, dat het een van de heilige beginselen is van de kinder-

Tjeenk Willink 

bescherming, dat de geestelijke vrijheid van het particuliere 
initiatief niet aangetast wordt en dat ook een reorganisatie 
van de Voogdijraden daarop geen inbreuk zal mogen 
maken.". 

De kritiek bleef ook na deze vergadering vrijwel zwijgen en 
het rapport der Commissie-Lamers werd gehuld in de plechtige 
stilte van het diepgaande beraad op het Ministerie van Justitie, 
waar achtereenvolgens de Ministers Van Maarseveen, Struycken 
en Mulderije pogingen deden om het wetsontwerp tot reorgani-
satie der voogdijraden „binnen enkele maanden" — zo ver-
klaarde Minister Struycken in December 1950 — en „binnen-
kort" volgens de verklaring van Minister Mulderije in 1951, in 
te dienen. Tenslotte was het Minister Donker, die reeds een 
maand na de aanvaarding van het ministerschap kwam met de 
indiening van hel lang verbeide wetsontwerp, dat dus kennelijk 
„panklaar" door zijn voorganger was achtergelaten. Het be-
hoeft geer, verwondering te wekken, dat het ontwerp, dat drie 
jaar had liggen sudderen in de departementale ketel onder het 
wakend oog van een Katholieke en een Christelijk-historische 
Minister, op andere wijze werd opgedist dan voorgesteld was 
in het rapport van de Commissie-Lamers. 

Aan de destijds van Katholieke en Protestants-Christelijke 
zijde geuite bezwaren was in zo ruime mate tegemoet gekomen, 
dat een vlotte aanneming van het ontwerp gewaarborgd leek. 
In stede daarvan kwam er na de indiening van het ontwerp een 
lange pauze van 1| jaar voor het verschijnen van het Voor-
lopig Verslag der Tweede Kamer, een stilte, welke onderbroken 
werd door de verschijning in April 1953 van een rapport van 
het Katholiek Verbond voor Kinderbescherming. De princi-
piéle bezwaren en eisen, welke in het Voorlopig Verslag van 
de Tweede Kamer door vele leden, die niet tot mijn partij-
genoten behoren, met kracht naar voren werden gebracht, gin-
gen, wonderlijk genoeg, veel verder dan de kritiek tegen de 
voorstellen der Commisie-Lamers, waaraan het ontwerp reeds 
tegemoet was gekomen. Het lijkt een grillige speling van het lot 
of misschien humor van de politiek, dat het een socialistische 
Minister is, die de principiële oppositie van confessionele zijde 
tegen een wetsontwerp, dat onder het bewind van confessio-
nele Ministers was voorbereid, heeft weten te bezweren zonder 
principiële wijziging van het ontwerp. 

In feite is het zo, dat de Minister door zijn deskundige en 
heldere uiteenzettingen zowel bij de schriftelijke als bij de 
mondelinge behandeling in de Tweede Kamer er in geslaagd is, 
spookbeelden te verdrijven, welke zijn voorgangers ongetwijfeld 
niet bij hun partijgenoten hebben willen oproepen, maar welke 
niettemin vele leden der Tweede Kamer er toe hebben gebracht 
de Arrondissements-Jeugdraad, thans de Raad van Kinder-
bescherming, te zien als een boa constrictor van Overheids-
bemoeiing, waardoor het weerloze particulier initiatief op het 
gebied der kinderbescherming dreigt te worden verslonden. 
Wanneer deze angst gegrond zou zijn geweest, zou de fractie 
van de P.v.d.A. in de Tweede Kamer zich tegen het ontwerp 
ongetwijfeld ook met kracht hebben verzet. In het uitvoerige en 
deskundige betoog van mijn partijgenote mevrouw Ploeg— 
Ploeg is duidelijk naar voren gebracht, dat ook naar onze in-
zichten de directe zorg op het gebied van de kinderbescherming 
in handen moet zijn en blijven van het particulier initiatief. Wij 
verwachten van de reorganisatie der voogdijraden dan ook niet 
een belemmering, maar een stimulering en doelmatiger werking 
van het particulier initiatief en het verheugt ons bijzonder, dat 
deze verwachting blijkbaar ten volle gedeeld wordt door de 
K.V.P.-fractie in deze Kamer, die met instemming heeft gecon-
stateerd, „dat de aanvankelijke oppositie was geluwd, zodat het 
tenslotte in de Tweede Kamer zonder amendering en zonder 
hoofdelijke stemming was aangenomen". Dat deze leden ver-
klaard hebben „niet het minste bezwaar te hebben tegen de 
aanvaarding van het ontwerp", hetwelk ook door alle andere 
fracties met waardering is begroet, maakt, dat hier met recht 
gesproken kan worden over een „happy end" van een lange 
geschiedenis, die op gegeven ogenblikken een lijdensgeschiede-
nis dreigde te worden. 

Deel II Zitting 1954—1955 

EERSTE KAMER 




2074 14de Vergadering - 22 December '54 Wijziging bepalingen voogdijraden, voorkomende in Burgerlijk Wetboek 

Tjeenk Willink 
Overigens, Mijnheer de Voorzitter, is dit einde het begin 
van een reorganisatie, welke pas betekenis zal kunnen krijgen, 
wanneer voldoende geld en vooral voldoende bekwame krach-
ten ter beschikking komen, en op dit punt ben ik geenszins 
gerust. Deze ongerustheid, die door ons in het Voorlopig 
Verslag met nadruk naar voren is gebracht, heeft zich wel 
zeer sterk bij mij opgedrongen sinds laatstleden Zondag, toen 
autopech in een dorp met een gesloten garage mij dwong mij 
zelf te helpen. Toen na een uur van dokteren onder de motor-
kap de auto het tegen alle verwachting weer deed, constateerde 
ik met voldoening, dat ik f 1,50, zijnde het uurloon van een 
automonteur, had uitgespaard. Met schrik heb ik me daarna ge-
realiseerd, dat dit ook de verdienste is van een ambtenaar voor 
de Kinderwetten, die als aanvangssalaris f 320 per maand ont-
vangt. Aannemende, dat hij 48 uur per week werkt, hetgeen in 
strijd is met vaak voorkomende werkdagen van 10 uur of 
langer, is zijn salaris, per uur berekend, f 1,53, voor welk bedrag 
de volgende eisen worden gesteld volgens een circulaire van 
het Ministerie van Justitie dd. 3 Augustus 1950 (no. 2422): 

„niet jonger dan 27 jaar; 

in het bezit van een goede gezondheid; bestand tegen 
lange ononderbroken werkuren; behoorlijk voorkomen; 

een goede algemene ontwikkeling; rijpheid van oordeel 
en inzicht in maatschappelijke problemen; 

behoorlijk intelligentiepeil, meer dan een middelmatige 
capaciteit in het verzamelen en schiften van gegevens; 

in staat om zich schriftelijk zowel als mondeling be-
hoorlijk uit te drukken; 

oprecht sociaal gevoel en belangstelling voor mensen en 
hun problemen; 

evenwichtige persoonlijkheid; in staat zich in de ge-
dachtengang van anderen te verplaatsen; zelfstandig kun-
nende werken; geschikt en bereid tot samenwerking: be-
stand tegen teleurstellingen: 

ervaring op het gebied van de Kinderbescherming bij 
voorkeur in een inrichting.". 

Mijnheer de Voorzitter! Als men deze eisen, welke inderdaad 
niet overdreven zijn voor het werk, dat verricht moet worden, 
in aanmerking neemt, dan is het alleen maar te verwonderen, 
dat bij deze salarisregeling nog ambtenaren voor de Kinder-
wetten te vinden zijn. De straatvegers en vuilophalers in deze 
gemeente verdienen f 1.20 per uur en ik gun hun dat graag; 
zij vervullen een onmisbare functie in onze op properheid 
gestelde residentie, die zonder hun arbeid zou verworden tot 
een vuilnisbelt. Maar het voorkomen of tegengaan van de 
verwording van onze jeugd stelt toch wel hogere eisen aan de 
ambtenaren voor de Kinderwetten, die het sociale vuil van onze 
maatschappij moeten helpen opruimen. 

Deze ambtenaar, wiens werk gericht is op moeilijke sociale 
situaties en op subtiele menselijke verhoudingen, verdient vol-
gens de aangehaalde circulaire als aanvangswedde — men 
bedenke echter, dat hij daarvoor 27 jaar moet zijn — ca. f 3840 
per jaar, d.w.z. nog geen f 300 per jaar meer dan melkers en 
veeverzorgers, die volgens de laatste loonregeling (Staatscourant 
193 van 6 October jl.) f66,90 per week of f3478 per jaar 
kunnen verdienen op 23-jarige leeftijd. 

Mijnheer de Voorzitter! Elke vergelijking gaat mank en de 
beroepen van straatveger, melker en veeverzorger zijn boven-
dien geheel onvergelijkbaar met het beroep van ambtenaar voor 
de Kinderwetten, ook al veegt hij het vuil weg en moet hij de 
gegevens, welke hij voor zijn voorlichtingsrapporten nodig heeft, 
vaak met veel moeite uitmelken. En toch meen ik, dat niets 
duidelijker dan deze cijfers kan demonstreren, waarom het zo 
moeilijk is gequalificeerde krachten te vinden voor het werk, 
waarvan het welslagen van de Raden voor de Kinderbescher-
ming voor een zeer groot deel afhankelijk is. Tegen ons plei-
dooi voor een belangrijke verbetering van de huidige salaris-
regeling voert de Minister aan, dat de onderlinge samenhang 
met de salariëring van soortgelijke functies niet uit het oog mag 
worden verloren. Dit klinkt volkomen aanvaardbaar, maar 

stemt niet tot optimistische verwachtingen. Welke zijn deze 
soortgelijke functies? De Minister noemt ze niet, maar ge-
dacht kan, dunkt me, worden aan onderwijzers en beroepsmaat-
schappelijke werkers in andere sectoren. Maar bij de onder-
wijzers is de salariëring steeds een bijzonder netelige kwestie 
geweest, terwijl de functie van maatschappelijk werker in het 
algemeen sterk ondergewaardeerd is. Het lijkt mij dringend no-
dig, dat de functie van ambtenaar voor de Kinderwetten en de 
andere sociale functies bij de Raden voor de Kinderbescher-
ming op zich zelf worden geanalyseerd en gewaardeerd, en dan 
niet op grond van hetgeen sommigen van deze functionarissen 
presteren of liever niet presteren — omdat zij niet voldoende 
gequalificeerd zijn —, maar op grond van hetgeen het werk, 
indien het goed wordt gedaan, vereist. 

Alleen op deze wijze zal men de vicieuze cirkel, de funeste 
cirkel, kunnen doorbreken, waarin de kinderbescherming, even-
als vrijwel het gehele maatschappelijk werk gekluisterd zit: 
onderbetaling van de werkers, tekort aan gequalificeerde krach-
ten, onderwaardering van het werk, onderbetaling, enz. 

Dit zal anderzijds ongetwijfeld niet leiden tot honorering van 
de m.i. sterk overspannen eisen, welke helaas de laatste tijd 
weleens zijn verkondigd in de kring van ambtenaren voor de 
Kinderwetten, waarvan enkelen hun functie op hetzelfde niveau 
wensen te zien als het artsenberoep, en dan nog liefst het 
medisch specialisme. Dit is niet alleen irreëel, maar ook niet 
dienstig aan de gerechtvaardigde desiderata van deze groep. 

Indien wordt overgegaan tot de door ons wenselijk geachte 
verbetering van de financiële positie van de ambtenaar voor de 
Kinderwetten en soortgelijke ambtenaren, in dienst van de Ra-
den voor de Kinderbescherming, zal dit ook nodig zijn voor de 
functionarissen, die in dienst blijven of komen bij de verenigin-
gen van het particulier initiatief, waarbij ik thans speciaal denk 
aan de Vereniging Pro Juventute en de R.K. Vereniging voor 
Gezinsvoogdij en Patronage. Tot onze voldoening heeft de 
Minister in de Memorie van Antwoord aan onze Kamer duide-
lijk verklaard, dat de salarissen (van de ambtenaren), die er de 
voorkeur aan geven in dienst te blijven van Pro Juventute, zul-
len worden gehandhaafd; Pro Juventute zal, zoals ook de ge-
achte afgevaardigde de heer Diepenhorst heeft betoogd, door 
haar toezichtwerk en preventieve arbeid een uitermate belang-
rijke taak kunnen blijven vervullen en daarvoor zal deze orga-
nisatie niet moeten blijven zitten met de kneusjes, die niet te-
recht kunnen bij de Raden voor de Jeugdbescherming. De func-
tionarissen, in dienst van particuliere instellingen, moeten niet 
alleen voor dit ogenblik, maar ook voor de toekomst dezelfde 
financiële perspectieven hebben als de ambtenaren in gelijk-
soortige functies, anders ondermijnt de Overheid het particulier 
initiatief, dat de Minister verklaart te willen steunen. Deze ver-
klaringen blijken helaas nogal platonisch te zijn zodra het er 
om gaat, de financiële consequenties van deze liefde voor het 
particulier initiatief in subsidie-regelingen te materialiseren. 

Ik wil op dit gevaar met nadruk wijzen ook in verband met 
subsidieregeling voor het toezichtwerk, waarover volgens 's Mi-
nisters verklaring in de Memorie van Antwoord thans overleg 
gaande is met de gezinsvoogdij-verenigingen, waarbij als basis 
zou gelden het salaris van het beroepspersoneel. Het zou uiter-
aard niet opportuun zijn hierop thans in te gaan en ik volsta dus 
met het uitspreken van de wens, dat de reeds door mij gesigna-
leerde onderwaardering van het maatschappelijk werk zich hier 
niet al te zeer zal doen gelden. 

Mijnheer de Voorzitter! Mijn partijgenote mevrouw Ploeg— 
Ploeg heeft aan de overzijde deze reorganisatie van de voogdij-
raden vergeleken met de revisie van een schip, dat na een 
trouwe dienst van ruim 50 jaar op de helling moet worden ge-
zet om gemoderniseerd te worden. De technische kant van deze 
revisie is in de Tweede Kamer zo van alle kanten bekeken, 
dat ik daarop hier niet verder hoef in te gaan. Maar wat baat 
het, of men de kiel en steven stroomlijnt en de motoren ver-
zwaart ter verkrijging van meerdere snelheid, radio en radar-
installaties plaatst om de navigatie in mist en donker te ver-
gemakkelijken, wanneer de bemanning in kwantiteit en kwali-
teit te kort schiet? Vandaar dat ik mijn opmerkingen geheel 

Deel II Zitting 1954—1955 

EERSTE KAMER 




Wijziging bepalingen voogdijraden, voorkomende in Burgerlijk Wetboek 14de Vergadering - 22 December '54 2075 

Tjeenk Willink 
heb geconcentreerd op de personeelsformatie, waarvoor te 
meer reden is, nu de Minister tijdens de openbare behandeling 
in de Tweede Kamer en in zijn Memorie van Antwoord aan 
onze Kamer heeft medegedeeld, dat de personeelsformatie van 
de Raden voor de Kinderbescherming een onderwerp van 
studie uitmaakt in de 7de Afdeling van zijn Departement, tot 
dat doel tijdelijk geassisteerd door de secretaris van de Amster-
damse voogdijraad, terwijl de resultaten van dit onderzoek en 
beraad door een werkgroep zullen worden verwerkt tot een 
advies aan de Minister. Afgezien van de opmerking, dat de 
qualificatie „werkgroep" mijns inziens ook goed zou passen 
op de functionarissen van de 7de Afdeling, die een hard wer-
kende groep vormen, zou ik willen vragen, hoe de door de 
Minister bedoelde werkgroep zal worden samengesteld en in 
het bijzonder of hierin de kring van ambtenaren voor de 
Kinderwetten ook vertegenwoordigd zal zijn. 

Het op zich zelf zeer begrijpelijke en te waarderen feit, dat 
de personeelsformatie nog een onderwerp van studie moet 
vormen voor de 7de Afdeling en de in te stellen werkgroep, im-
pliceert mijns inziens toch wel, dat de in 1952 gemaakte schat-
ting van de door de reorganisatie vereiste personeelsuitbreiding 
op 25 pet. van het aantal functionarissen en de daarmede ge-
paard gaande kosten van f 800 000 op bijzonder losse gronden 
heeft plaats gehad. Vandaar dan ook, dat wij in het Voorlopig 
Verslag hebben gevraagd, hoe de Minister destijds tot deze 
schatting is gekomen. De Minister heeft een vergeefse poging 
gedaan om deze vraag te beantwoorden door te verwijzen naar 
zijn aan ons uiteraard bekende mededeling in de Memorie van 
Toelichting aan de Tweede Kamer, dat deze schatting „was ge-
baseerd op een berekende formatie van het benodigde personeel 
van alle Raden met inbegrip van een verbetering van salaris-
positie waar nodig". 

Een vraag te beantwoorden met een verwijzing naar twee 
grote onbekenden, betekent er twee vragen voor in de plaats 
stellen, namelijk: welke criteria hebben gegolden bij deze be-
rekening der personeelsformatie en welke normen zijn gesteld. 
Ik zou de Minister daarom graag verder uit zijn tent willen 
lokken, maar ik vrees, dat hij opnieuw gedwongen zal zijn om 
mij met een kluitje in het riet te sturen, gezien zijn bekentenis, 
dat de personeelsformatie nog een onderwerp van departemen-
taal onderzoek en beraad is, waarbij een speciaal te creëren 
werkgroep te hulp zal moeten worden geroepen. Onder deze 
omstandigheden geef ik er de voorkeur aan om de Minister in 
zijn tent te laten en mij zelf uit het riet te houden. Ik zou er 
alleen nog op willen wijzen, dat de sterkte van de personeels-
formatie ten nauwste samenhangt met verschillende vragen van 
praktisch beleid der Raden; ik denk hierbij b.v. speciaal aan het 
onderzoek en de rapportage. Ik zou er voor willen pleiten om 
dit werk te beschouwen als een taak van daarvoor speciaal ge-
schoolde ambtenaren, hetgeen impliceert, dat meer personeel 
nodig is dan wanneer de leden van de Raden voor de rappor-
tering zorgen, zoals vroeger algemeen het geval was en thans 
bij sommige voogdijraden nog vrij frequent voorkomt, maar bij 
steeds meerdere Raden mijns inziens terecht plaats maakt voor 
de rapportage door functionarissen, die beschikken over de 
kundigheden en methodieken, welke het beroepsmaatschappe-
lijk werk hiervoor tegenwoordig kan opleveren. Natuurlijk zijn 
er leden van de Raden, die door vroegere opleiding of eigen 
werkkring even bedreven zijn in dit werk als de beroepskrach-
ten, maar dit is ongetwijfeld meer uitzondering dan regel. Ik 
zou daarom ook de rapportage door de leden willen zien als 
uitzondering en als regel willen stellen, dat het onderzoek ge-
beurt door ambtenaren. 

In de beschouwingen van de Minister meen ik tussen de 
regels door te hebben gelezen, dat hij het met deze visie wel 
eens is, maar ik zou hierover zijn mening toch gaarne expressis 
verbis willen vernemen. 

In verband met het onderzoek wil ik nog met een enkel 
woord terugkomen op de geforceerde scheiding, die de Minis-
ter in de Memorie van Antwoord aan de Tweede Kamer (blz. 
3) en volgens het verslag van de vaste Commissie voor Justitie 

gemaakt heeft tussen het voorlichtingsrapport over de levcns-
omstandigheden en het milieu en het persoonlijkheidsonder-
zoek. 

De Minister heeft naar aanleiding van onze desbetreffende 
opmerking in het Voorlopig Verslag gezegd, dat de grenzen zo 
scherp getrokken zijn om misverstanden te voorkomen. Ik vrees 
echter, dat er nieuwe misverstanden rijzen, doordat de indruk 
wordt gewekt, dat het voorlichtingsrapport over de levensom-
standigheden en het milieu niet tevens zou inhouden een be-
schrijving en beoordeling van de persoonlijkheid. De door de 
Minister gemaakte onderscheiding is alleen aanvaardbaar, in-
dien men onder het door hem bedoelde persoonlijkheidsonder-
zoek verstaat het specialistische, psychiatrische of'psycholo-
gische onderzoek. Het zou een volkomen ondoelmatige en zelfs 
funeste uitholling zijn van het voorlichtingsrapport, indien men 
het onderzoek naar de levensomstandigheden en hel milieu zou 
degraderen tot een fotografisch beeld van uitwendige omstan-
digheden. Het gaat hierbij niet alleen om de financiële welstand 
en woninginrichting, maar niet minder, zelfs meer, om de per-
soonlijkheid van het kind en de gezinsleden en om de tussen-
menselijke verhoudingen. 

De geachte afgevaardigde prof. Diepenhorst heeft er voor 
gewaarschuwd om bij het onderzoek vooral niet te perfectio-
nistisch te werk te gaan en hij heeft daarbij gesproken over het 
ravijn van perfectionisme, waarin de kinderbescherming zou 
kunnen verongelukken, indien men al te veel opgeleide be-
roepskrachten het werk zou laten doen, dat tot dusverre in 
hoofdzaak door de niet ambtelijke leden van de voogdij-
raden zelf werd verricht. Hij heeft daarbij gesproken over de 
bomen, waarin niet de vogelen des hemels neerstrijken, maar 
de specialisten, inspecteurs en inspectrices van de raden voor 
de kinderbescherming. Mijnheer de Voorzitter! In de woestijn 
van de maatschappelijke nood, waarin het werk van de raad 
voor de kinderbescherming zich afspeelt, heb ik over het alge-
meen zeer weinig bomen zien groeien. Daarvoor is de grond 
er te bar en in ieder geval heb ik er nooit de vogelen des 
hemels neer zien strijken, maar wel dilettanten, die fouten 
maken, welke vaak gevaarlijker zijn dan de perfectionistische 
grensoverschrijdingen van de specialisten. Zijn dit niet de kin-
derziekten van elke jonge wetenschap en van elk nieuw be-
roep? Het beroep van maatschappelijk werker is nieuw en lijdt 
ongetwijfeld nog aan kinderziekten. Moet men het beroepswerk 
daarom kleineren door de punten te chargeren en te conclu-
deren, dat men met de gewone burgermanswijsheid even ver 
komt. Ik zie de geachte afgevaardigde prof. Diepenhorst ge-
lukkig ontkennend met zijn hoofd schudden. Blijkbaar heb ik 
de portee van zijn betoog niet helemaal goed begrepen. Ik 
herinner mij echter in ieder geval, dat hij heeft gezegd, dat het 
voor de oudere, in de praktijk ervaren ambtenaren van de 
Kinderwetten soms moeilijk is en weerstanden wekt, wanneer 
zij naast zich gesteld krijgen jonge gediplomeerde krachten van 
de scholen voor maatschappelijk werk of andere specialistisch 
getrainde werkers. Ik geloof, dat men deze tegenstelling niet zo 
mag maken. 

Is het destijds b.v. ook niet zo geweest, dat men zonder meer 
verpleegster kon worden uit de aandrang des harten en met 
een paar handen, die van aanpakken wisten? Toen men een 
behoorlijke beroepsopleiding eiste en de gediplomeerde ver-
pleegsters hun intrede deden, leidde dit soms tot moeilijkheden 
bij ervaren verpleegsters, die deze jonge, gediplomeerde en mis-
schien ook iets te veel van zich zelf vervulde collega's weleens 
beschouwden als ongewenste concurrenten. En toch is er nie-
mand meer, die de noodzaak van deze beroepsopleiding zou 
'durven ontkennen. 

Zo is het ook onvermijdelijk, dat er fricties ontstaan, wan-
neer in het korps van de ambtenaren voor de kinderwetten en 
van andere maatschappelijke werkers, die geen speciale be-
rocpsopleiding genoten hebben, maar zich door persoonlijke 
aanleg en ervaring vaak tot bijzonder goede krachten heb-
ben ontwikkeld, de gediplomeerde krachten hun intrede doen. 

Deel II Zitting 1954—1955 

EERSTE KAMER 




2076 14de Vergadering - 22 December '54 Wijziging bepalingen voogdijraden, voorkomende in Burgerlijk Wetboek 

Tjeenk Willink 
Dit laatste zal niettemin hoe langer hoe meer onvermijdelijk 
worden. 

De geachte afgevaardigde prof. Diepenhorst heeft vele woor-
den met „loog" genoemd, zoals: psycholoog, psycho-somato-
loog, socioloog, theoloog. Hij heeft bezwaar tegen al te veel 
specialisten met de uitgang „loog" in hun titel voor het werk 
van de kinderbescherming. Ik zou er echter op grond van mijn 
praktische ervaring bijzonder op willen aandringen, om van 
deze „logen" ten volle gebruik te maken in de kindcrbescher-
ming, omdat deze specialisten toch ook nog wel kunnen be-
schikken over de diepergaande logos, waarvan sprake is in de 
aanhef van het Johannes-evangelie. 

Een enkel woord nog over de witte raven, die men moet 
vangen om te voorzien in de functie van directeur-secretaris 
van de raden voor de kinderbescherming, aan wie eigenlijk 
de volgende eisen moeten worden gesteld: juridische opleiding, 
sociologische kennis, psychologisch inzicht, doorzettingsvermo-
gen, constructief denken, tact en begrip voor menselijke ver-
houdingen en praktische ervaring op het gebied van de kinder-
bescherming. Deze opsomming, die ik hier improviseer, is tot 
nu toe niet neergelegd in een circulaire van het Departement 
van Justitie, maar in vergelijking tot de eisen, welke men van 
die zijde stelt voor de ambtenaren voor de Kinderwetten, is 
deze bagage zeker niet te zwaar voor degene, die leiding moet 
geven aan alle functionarissen, die werkzaam zijn bij de raden 
voor de kinderbescherming. 

Indien de secretarissen van de voogdijraden deze opsomming 
lezen —• ik vrees echter, dat zij zich niet al zeer in de Kamer-
verslagen zullen verdiepen; daartoe ontbreekt hun de tijd —, 
zouden zij een minderwaardigheidscomplex kunnen krijgen, 
omdat vrijwel niemand van hen aan deze veelheid van eisen 
zal voldoen. Ik moge hen dan troosten met hen te verwijzen 
naar de rede van de geachte afgevaardigde de heer Diepsn-
horst, die er op wees, dat goede burgermanswijsheid meer 
waard kan zijn dan een teveel aan specialistische kennis. Maar 
ik zou die wijsheid dan willen zien tegen de achtergrond van 
die wezenlijke logos, die de bezieling moet geven aan dit moei-
lijke ambt. 

Niettemin zou ik toch gaarne van de Minister willen ver-
nemen, welke vooropleiding zijns inziens voor deze topfunctio-
narissen van de raden voor de kinderbescherming de meest 
gewenste is. Is het de juridische opleiding of wellicht de oplei-
ding aan de zevende faculteit in Amsterdam, met name sectie 
C? Indien men inderdaad voor deze functie de witte raven wil 
vangen, die hiervoor eigenlijk nodig zijn, geloof ik, dat dit niet 
alleen vrijwel onmogelijk, maar ook onbetaalbaar zal zijn. In 
dit verband hebben wij in het Voorlopig Verslag aangedrongen 
op een verdere verhoging van de salarissen van de secretarissen 
van de voogdijraden, de toekomstige directeuren van de raden 
voor de Kinderbescherming. De Minister heeft geantwoord, 
dat in dit opzicht inmiddels verbeteringen zijn aangebracht. 
Maar het zou ook wel ernstig zijn geweest, als dat niet was ge-
beurd, want de vroegere salariëring was eigenlijk een aanflui-
ting voor deze functie. Het probleem is bovendien met het 
salaris niet opgelost. Het gaat ook om de positie van de secre-
taris in zijn verhouding tot de raad. Hoe zal die geregeld 
worden? Zijn de secretarissen in dienst van de raden? Zij 
worden benoemd door de Minister van Justitie en met deze 
regeling heeft men destijds bedoeld, hun een onafhankelijke 
positie t.a.v. de raad te geven. Niettemin is het bij sommige 
voogdijraden zo, dat het soms meer lijkt op het zijn van dienst-
knechtje van de raad dan op het vervullen van een onafhanke-
lijke functie. Vooral in de toekomst, waarin deze positie meer 
gewicht zal moeten krijgen en hogere eisen aan deze functio-
narissen zullen moeten worden gesteld, rijst de vraag: Moet de 
directeur-secretaris lid zijn van de raad? Het ware mijns inziens 
te wensen geweest, dit in de wet neer te leggen. Maar nu dit 
niet gebeurd is, zou ik graag willen vernemen of de Minister wil 
bevorderen, dat de positie van de directeur-secretaris duidelijk 
wordt. Ziet hij het zo, dat de directeur-secretarissen in ieder 
geval nevengeschikt zijn aan de raad of zijn zij hiërarchisch 

Tjeenk Willink e. a. 

ondergeschikt met hieruit voortvloeiende conflictmogelijkheden, 
welke zich meermalen in de praktijk voordoen? Ik geloof, dat 
de positie van de directeur-secretaris van de raad voor de kin-
derbescherming een onderwerp moet zijn van bijzonder ernstige 
overweging zowel bij de raden zelf als ten Departemente, 
waar men ongetwijfeld intermediair zal kunnen optreden bij 
het ontstaan van competentie- of beleidsmoeilijkheden. Het 
komt bij herhaling voor, dat de positie van de directeur-secre-
taris zich wijzigt naargelang het voorzitterschap van de raad 
van persoon verandert of andere persoonlijke invloeden zich 
in de raad doen gelden. Dit maakt het vervullen van deze 
ambtelijke topfuncties in de raad soms bijzonder moeilijk. 
Ik meen op het ogenblik te kunnen volstaan met op het be-
lang van een goede personeelsformatie te wijzen, omdat het 
gereviseerde voogdijraads-schip wel van de wal zal komen, 
maar dat het toch geen voorspoedige reis zal hebben, wanneer 
de bemanning niet voor haar moeilijke taak berekend is. Ik 
spreek gaarne het vertrouwen uit, dat de Minister in dit op-
zicht al het mogelijke zal doen om te voorkomen, dat deze wet, 
welke een zo belangrijke bijdrage kan leveren tot de verbete-
ring van onze kinderbescherming, geen dode letter zal worden. 

De heer Kropman: Mijnheer de President! Na de door-
wrochte en deskundige rede van de geachte afgevaardigde me-
juffrouw Tjeenk Willink en na de interessante redevoering van 
de geachte afgevaardigde de heer Diepenhorst zal de Kamer 
het misschien wel als een heilzame afleiding willen beschou-
wen, als ik mij slechts tot enkele opmerkingen beperk. Ik ver-
trouw, dat ook de Minister dit zal goedvinden. 

Dit ontwerp is in de Tweede Kamer en ook in deze Kamer, 
blijkens de sprekers, die mij zijn voorafgegaan, over het alge-
meen gunstig ontvangen. 

Toch zou ik enkele opmerkingen willen maken. 

Het werk van de kinderbescherming neemt nog steeds toe, 
zowel in omvang als in intensiteit. De vraag is hoe en door 
wie dat omvangrijke en intensieve werk het best kan worden 
verricht. Op dit gebied moet zoveel mogelijk concentratie en 
verambtelijking worden vermeden. Naar onze mening moet de 
kinderbescherming liefdewerk blijven, d.w.z. liefdewerk met 
voldoende deskundige krachten, en dat is niet helemaal, maar 
toch ook een kwestie van subsidie. Mijnheer de Voorzitter! 
Wij menen en ook de Minister neemt, naar ik meen, dat stand-
punt in, dat de particuliere verenigingen primair zijn, maar 
dan moeten ook de subsidies zó zijn, dat het particulier initia-
tief de deskundige krachten kan aantrekken, die het nodig 
heeft voor de vervulling van zijn taak. 

Wat de praktijk betreft, menen wij, dat er geen unfaire 
concurrentie, zelfs geen gewone concurrentie mag zijn tussen 
de voogdijraden en de verenigingen. Een deskundige moet niet 
om financiële reden bij voorkeur naar het Departement of de 
voogdijraad gaan, want dan zou het gevolg zijn: bloedarmoede 
der verenigingen en verlegging van het zwaartepunt naar de 
voogdijraden. Er behoort ook geen verschil gemaakt te worden 
tussen Pro Juventute en de andere verenigingen. Het verleggen 
van het zwaartepunt zou te betreuren zijn, want wij moeten 
vasthouden aan de grondslag: het eigenlijke werk der kindér-
bescherming en dus de zorg voor en het direct toezicht op de 
kinderen in het algemeen dienen te berusten bij de particuliere 
instellingen en personen! De Overheid oefent een algemeen 
toezicht uit vooral om te waarborgen, dat de Overheidsgelden 
goed worden besteed. 

Houdt de Minister hieraan vast? In het Voorlopig Verslag 
wordt een suggestie gedaan in een andere richting. Men spreekt 
van een „geforceerde scheiding in het voorlichtingsrapport" en 
wil het persoonlijkheidsonderzoek door de ambtenaren van de 
raden laten geschieden. Verder wordt er in het Voorlopig 
Verslag gesproken van het toezichtwerk als een "deel van de 
taak der raden; de wens wordt geuit, dat de ambtenaren een 
veelzijdige werkkring behouden, en tenslotte wordt gevreesd, 
dat de particuliere verenigingen niet bereid en in staat zouden 
zijn zich metterdaad sterk te maken haar „taak van overwegend 
belang" in de kinderbescherming te vervullen. 

Dee! II Zitting 1954—1955 

EERSTE KAMER 




Wijziging bepalingen voogdijraden, voorkomende in Burgerlijk Wetboek 14de Vergadering - 22 December '54 2077 

Kropman e. a. 
Mijnheer de Voorzitter! Dit zijn uitingen van een tendenz, 
waartegen ik wil waarschuwen, en het heeft mijn fractie ietwat 
teleurgesteld, dat de Minister in zijn Memorie van Antwoord 
daartegen niet krachtiger is opgetreden. 

Wat de veelzijdige werkkring betreft, geeft de Minister toe, 
dat de ambtenaren van de raden „ook wel met bepaalde 
vormen van toezicht worden belast". Wat betreft de voorlich-
tingsrapporten, geeft de Minister toe, dat deze zich ook moeten 
uitstrekken tot persoonlijkheidsonderzoek „zonder een speciaal 
daartoe ingesteld onderzoek". Wat dat precies is, hebben wij 
niet begrepen. Ik heb het gevoel, dat de Minister zich hier op 
een hellend vlak begeeft. Mijn fractie dringt er op aan, dat de 
Minister vasthoudt aan wat hij even tevoren heeft gezegd: 
bij de taakverdeling tussen de raden en de particuliere instel-
lingen moeten de lijnen scherp getrokken, het persoonlijkheids-
onderzoek zou bij de particuliere instellingen blijven. 

Daarom zou ik graag een verduidelijking willen horen van 
hetgeen de Minister zegt in zijn Memorie van Antwoord, blz. 
3, tweede kolom. De Minister zegt, dat de rapporten der 
ambtenaren indicaties kunnen bevatten, die leiden kunnen tot 
het z.g. persoonlijkheidsonderzoek, d.w.z. naar de persoonlijk-
heidsstructuur van de minderjarige zelf, te verrichten door een 
psychiater, een psycholoog, medisch-opvoedkundig bureau, een 
kliniek of een observatiehuis. Bedoelt de Minister bij de op-
somming van deze deskundige instanties nu het particulier ini-
tiatief, ja of nee? 

Ik hecht er grote waarde aan, deze dingen nog eens duidelijk 
te zeggen. Wij bevinden ons hier in een zeer delicate materie: 
de verhouding tussen de caritas — of wil men liever: particu-
lier initiatief — en de Overheid. Nu staan daar die raden tus-
senin, maar zij dragen toch meer het karakter van Overheid 
dan van particulier initiatief, vooral omdat te verwachten is, 
dat het zwaartepunt van de arbeid der raden bij de ambtenaren 
zal komen te liggen. Ik zei: een delicate materie. Het primaat 
behoort te blijven bij de particuliere zorg, al moet vooropstaan, 
dat dit gewichtige werk goed moet zijn. Maar dat kan, mits de 
instellingen daartoe financieel in staat worden gesteld. 

Zo zien wij dit wetsontwerp, waaraan wij in deze zin onze 
stem zullen geven, in deze zin: dat door deze wet en de sedert 
jaren bestaande en gegroeide verhouding tussen de Overheid 
en het particulier initiatief geen enkele wijziging wordt ge-
bracht. Als de bedoeling van het wetsontwerp een andere zou 
zijn, dan zou mijn fractie tegen het wetsontwerp wel zeer ern-
stige bezwaren hebben en haar stem er zeker niet aan kunnen 
geven. 

De beraadslaging wordt geschorst. 

De vergadering wordt voor 45 minuten geschorst. 

De vergadering wordt hervat. 

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van het 
wetsontwerp Wijziging van de bepalingen betreffende de voog-
dijraden, voorkomende in het Burgerlijk Wetboek, en — in 
verband daarmede — wijziging van andere wetten (2814). 

De beraadslaging wordt hervat. 

De heer Donker, Minister van Justitie: Mijnheer de Voor-
zitter! Het verheugt mij, dat het onderhavige wetsontwerp bij 
de mondelinge gedachten wissel ing in deze Kamer met evenveel 
instemming is begroet als reeds in het Voorlopig Verslag het 
geval was. Het is zonder enige twijfel juist, dat dit wetsontwerp 
een belangrijke materie bestrijkt en dat, wanneer het eenmaal 
wet .is geworden, het van grote betekenis zal zijn voor de verdere 
ontwikkeling van de raden voor de kinderbescherming, zoals 
de voogdijraden in de toekomst zullen heten, in het bijzonder 
en voor de kinderbescherming in het algemeen. Ik wil beginnen 
met een opmerking te herhalen, die ik ook reeds in de Tweede 
Kamer heb gemaakt, en wel de volgende. Het wetsontwerp 
heeft betrekking op de reorganisatie van de voogdijraden en 
dat heeft er toe geleid, dat in de Memorie van Toelichting op 

Minister Donker 

zeer uitvoerige wijze is ingegaan op de taak en betekenis van 
de voogdijraden, omdat dat het onderwerp was, dat in het 
wetsontwerp werd behandeld, maar dit had tegelijkertijd het 
nadeel, dat aan de betekenis van deze reorganisatie ten op-
zichte van de verhouding particulier initiatief en Overheid op 
het gebied van de kinderbescherming verhoudingsgewijze slechts 
geringe aandacht is besteed. Dat is een ongewild gevolg ge-
weest van de aard van het wetsontwerp en van de wijze, waar-
op de Memorie van Toelichting was opgezet. Omdat die ver-
houding particulier initiatief—Overheid in de kinderbescher-
ming zulk een belangrijke zaak is, is het dus zeer begrijpelijk, 
dat destijds in de Tweede Kamer en nu ook in deze Kamer 
door verschillende geachte afgevaardigden nog eens op dit 
aspect de aandacht is gevestigd. 

Met name bij voorbeeld de geachte afgevaardigde de heer 
Kropman heeft zijn betoog besloten met te zeggen, dat hij van 
de gedachte uitging, dat het vanzelfsprekend was, dat er geen 
enkele wijziging zou worden gebracht in de zovele jaren be-
proefde verhouding particulier initiatief—Overheid en dat, als 
dit inderdaad het geval was, hij en zijn fractiegenoten van harte 
vóór zouden stemmen, maar dat zij, indien dit niet het geval 
zou zijn, ernstige bedenkingen zouden hebben. Ik kan deze ge-
achte afgevaardigde en voor zover er andere leden van deze 
Kamer zijn, die dezelfde opvatting toegedaan zijn, ook hen 
volledig geruststellen. Dit wetsontwerp beoogt niet om ook 
maar enige verandering te brengen in die oude beproefde basis, 
waarop onze kinderbescherming rust. 

Wat nu deze materie, in het wetsontwerp behandeld, zelf 
betreft: het komt hierop neer, dat men in de loop der jaren 
heeft moeten constateren, dat de in het begin van deze eeuw 
in functie getreden voogdijraden, die zeer verdienstelijk werk 
hebben gedaan, toch bepaaldelijk in zekere mate dienden te 
worden aangepast aan de groeiende behoeften op dit gebied. 
Het is eigenlijk een herhaling van hetgeen zich destijds in 1905 
heeft afgespeeld. Een taak, die oorspronkelijk in de sfeer van 
het openbaar ministerie lag, is toen overgedragen aan de voog-
dijraden, die men mede door hun samenstelling meer geschikte 
organen voor deze taak vond. In de loop der jaren is intussen 
weer de noodzakelijkheid gebleken om aan deze voogdijraden 
een bredere basis te geven en hen meer geschikt te maken 
voor de taak, die zij op het ogenblik te vervullen hebben. 

In de eerste plaats geschiedt dit door een concrete wijziging 
van de desbetreffende wettelijke regeling. Ik heb met genoegen 
geconstateerd, dat noch in het Voorlopig Verslag, noch bij de 
mondelinge behandeling in deze Kamer dit voorstel tot ver-
andering van de wettelijke regeling een onderwerp van dis-
cussie heeft uitgemaakt. Daarnaast komt dan de verbetering 
en uitbreiding, die aan de outillage, het apparaat van de 
voogdijraden, zal worden gegeven, hetgeen zal geschieden, na-
dat dit wetsontwerp tot wet is verheven. Gelijk reeds is mede-
gedeeld, wordt op het ogenblik op het Departement onder-
zocht in welke vorm dit het beste kan geschieden. Daarbij 
komt dan nog — dat zou men misschien een derde onderdeel 
van de reorganisatie kunnen noemen —, dat de werkwijze en 
de organisatie van de raden zelf nader geregeld zullen worden 
in een algemene maatregel van bestuur op grond van de alge-
mene beginselen, zoals die in de wet en de Memorie van Toe-
lichting zijn neergelegd. 

In dit verband is gesproken over de naam van deze colleges. 
Er zijn geachte afgevaardigden geweest, die blijkbaar met enige 
weemoed afscheid nemen van de naam „voogdijraad". Toch ge-
loof ik, dat het verdwijnen van deze naam wel logisch is, want 
mocht de naam „voogdijraad" in 1905 overeenstemmen met de 
taak, die de voogdijraden toen kregen, dit is op het ogenblik 
—• en zeker met de nieuwe wettelijke regeling, die de voogdij-
raden krijgen — bepaald niet meer het geval. Ik moge in dit 
verband noemen de uitvoering van de Pleegkinderenwet, die 
reeds aan de voogdijraden is opgedragen, en de voorlichting in 
strafzaken, waar de raden voor de kinderbescherming in de 
toekomst bemoeiing mee krijgen. Het is duidelijk, dat een en 
ander niet meer gedekt wordt door de oude naam „voogdij-
raad". Het is moeilijk geweest, een nieuwe geschikte naam te 

Deel II Zitting 1954—1955 

EERSTE KAMER 




2078 14de Vergadering - 22 December '54 Wijziging bepalingen voogdijraden, voorkomende in Burgerlijk Wetboek 

Minister Donker 
vinden, omdat hier veel ideeën over geopperd zijn. Toch heb ik 
hel gevoel, dat de uiteindelijk gekozen naam ,,raden voor de 
kinderbescherming" wel zijn aantrekkelijke zijde heeft, want 
het is een naam, die bij de terminologie, die op dit terrein vrij 
algemeen gebruikelijk is, waar men spreekt van kinderbcschcr-
ming, van kinderrechter, van kinderpolitie. Het is, geloof ik, 
een naam, die in dit kader wel acceptabel is en die wel de juiste 
betekenis en de omvang van het werk, dat deze colleges zullen 
hebben te verrichten, aangeeft. 

Ik kan nu met mijn antwoord twee kanten uit, Mijnheer de 
Voorzitter. Als ik de redevoering van de geachte afgevaardigde 
de heer Diepenhorst de revue laat passeren, dan zie ik, dat hij 
vrijwel elk onderdeel van de materie heeft aangestipt. Indien ik 
daarop zou ingaan, zou mij dat ongetwijfeld enige uren kosten. 
Ik heb intussen de indruk, dat de geachte afgevaardigde dit 
niet heeft bedoeld, maar dat hij veel meer heeft willen geven 
een verantwoording, als ik het zo mag noemen, van zijn stand-
punt ten opzichte van dit wetsontwerp en dat hij dit standpunt 
heeft willen illustreren door een aantal vraagstukken aan te 
stippen en daarover zijn opinie te zeggen, zonder een recht-
streekse discussie met mij te willen uitlokken. Als ik zijn rede-
voering zo mag interpreteren, kan ik volstaan met de geachte 
afgevaardigde dank te zeggen voor de steun, die hij aan het 
wetsontwerp heeft willen geven, en mij beperken tot een reactie 
op enkele zijner opmerkingen, waarover ik mijnerzijds ook wel 
gaarne iets wil zeggen. 

De geachte afgevaardigde heeft gesproken over de secrctaris-
sen van de voogdijraden en hij heeft gezegd: dat zullen dan 
toch eigenlijk wel een soort van duivelskunstenaars moeten zijn, 
willen zij de taak, die zij krijgen opgedragen, goed verrichten. 

Mijnheer de Voorzitter! De geachte afgevaardigde moet dit 
niet overdrijven. De secretarissen zullen voor hun taak zeer 
goed onderlegd moeten zijn en zeer veelzijdig moeten zijn. Het 
zullen bekwame mensen moeten zijn, maar bekwame mensen 
hebben wij voor vele andere ambtelijke posten ook nodig en wij 
slagen er wel in op de meeste plaatsen de geschikte krachten 
te krijgen. Ik kan hieraan verbinden een antwoord op een op-
merking, die door de geachte afgevaardigde mejuffrouw Tjeenk 
Willink is gemaakt, die, ook sprekende over deze witte raven, 
die de secretarissen van de raden voor de kinderbescherming 
zouden moeten zijn. mij deze vraag heeft gesteld: welke vóór-
opleiding vindt de Minister nu de meest gewenste voor een 
secretaris van een raad voor de kinderbescherming? Zij noemde 
in dit verband met name de juridische opleiding en de opleiding 
van de 7de faculteit, sectie C. 

Ik zou op deze vraag beslist niet een antwoord in één be-
paalde richting willen geven. Het wil mij toch voorkomen, dat 
een van de belangrijkste vereisten voor een dergelijke functie is, 
dat iemand belangstelling heeft voor het werk, dat hij de alge-
meen menselijke eigenschappen bezit, welke nodig zijn om dit 
werk goed te kunnen doen, en dat zijn wetenschappelijke basis 
niet in de eerste plaats beslissend is. Hij moet natuurlijk een 
wetenschappelijke basis hebben, die verband houdt met het 
werk, dat spreekt vanzelf, maar de aard van die basis is niet in 
de eerste plaats beslissend. 

Ik zou mij dus wel kunnen voorstellen — op het ogenblik 
zijn, naar ik meen, alle secretarissen van voogdijraden jurist —, 
dat ook iemand, die de opleiding van de 7de faculteit heeft 
genoten, secretaris van een raad voor de kinderbescherming 
zou kunnen zijn. Anderzijds moeten wij natuurlijk wel in het 
oog houden, dat de secretaris van een raad voor de kindcrbc-
scherming tenslotte veel aanraking heeft met de juridische be-
handeling van zaken, waarin een rechterlijke beslissing moet 
worden gegeven. Wanneer intussen een raad voor de kinder-
bescherming een secretariaat heeft, bestaande uit een secretaris 
en een adjunct-secretaris, dan lijkt het mij. dat, wanneer iemand, 
die geen zuiver juridische opleiding heeft gehad, van dat secre-
tariaat deel zou uitmaken, er voldoende compensatie zou zijn 
gelegen in het feit, dat een ander lid van het secretariaat wel 
jurist is. Dan toch zouden de juridische kwaliteiten van het 
secretariaat als zodanig voldoende gewaarborgd zijn. 

Deel II Zitting 1954—1955 

Mijnheer de Voorzitter! Een van de vraagstukken, welke zijn 
aangeroerd, met name door de geachte afgevaardigden de heren 
Diepenhorst en De Vos van Steenwijk, is de kwestie van de 
voogdijraad te Leiden. De stand van zaken op het ogenblik is 
deze, dat het ressort van de voogdijraden correspondeert met de 
arrondissementen, maar dat er in het arrondissement den Haag 
twee voogdijraden zijn. Verschillende geachte afgevaardigden 
betreuren, dat daaraan door opheffing van de voogdijraad te 
Leiden een einde wordt gemaakt. Ik geloof, dat men dit iels te 
zwaar ziet. In de eerste plaats wordt de regeling van de werk-
wijze en de organisatie van de raden voor de kinderbescher-
ming in de toekomst aanmerkelijk anders dan zij op het ogen-
blik is. Ik denk hier aan de delegatieregeling. Het wordt moge-
lijk, dat men voor een gedeelte van een arrondissement e^'n 
afzonderlijke kamer instelt, dat men een zekere decentralisatie 
lot stand brengt. Wanneer men nu in het geval Leiden zou 
afwijken van de regeling, dal elk arrondissement één raad voor 
de kinderbescherming heeft, dan zie ik, zo moet ik eerlijk zcg-
gen, weinig reden om die afwijking te beperken tot Leiden, 
want de andere voorbeelden, die in de Memorie van Antwoord 
zijn genoemd, zijn niet minder sprekend. 

Ik zou b.v. willen wijzen op een plaats als Eindhoven, die 
groter is dan de hoofdstad van het arrondissement. Ik ben er 
van overtuigd, dat, als men in Leiden de toestand Iaat, zoals 
hij is, men niet aan de consequentie zou kunnen ontkomen, 
dat men in een belangrijk aantal andere gevallen een soort-
gclijke figuur zou moeten aanvaarden. 

De heer Kolff: Dat zou toch niet zo erg zijn, Excellentie. 

De heer Donker, Minister van Justitie: Daar kom ik op. 
Wat is eigenlijk de grondgedachte geweest om het aantal raden 
voor de kinderbescherming te beperken tot 19? Dat is, dat men 
is uitgegaan van het verband tussen de raden voor de kindcr-
bescherming en de arrondissementsrechtbanken. Ik geloof, dat 
dit uitgangspunt volkomen juist is. Nu is dus de vraag, of men 
verder zou moeten gaan in die zin, dat men in een bepaald 
arrondissement meerdere raden voor de kinderbescherming zou 
hebben. De geachte afgevaardigde de heer Kolff zegt: Dat zou 
niet erg zijn. Mijnheer de Voorzitter! Het is hiermee precies 
eender als op vele andere terreinen. Men moet tenslotte bij elke 
decentralisatie trachten een evenwichtspunt te vinden. Men 
moet daarbij verschillende belangen tegen elkaar afwegen en 
aldus tot een redelijke oplossing trachten te komen. Ik geloof, 
dat, wanneer ik hier de woorden rechtbanken en kantongerech-
ten laat vallen, de geachte afgevaardigde de heer Kolff het 
direct met mij eens zal zijn, dat daar het probleem in principe 
gelijk ligt. Er zijn voor en na vele pleidooien gehouden voor 
een zelfstandig kantongerecht in een bepaalde streek des lands 
met een eigen kantonrechter, omdat zulks in hel belang van de 
justitiabelen zou zijn, die aldus gemakkelijker hun rechter kun-
nen bereiken, omdat die rechter, in het kanton wonende, dan 
de verhoudingen beter kent, omdat hij daar een intellectueel 
centrum vormt, enz., enz. Ook bij de afbakening der kantons 
moet men steeds komen tot een afweging tussen locale bclan-
gen en — om een belangrijk element te noemen — de kosten 
van het geheel. Het is volkomen duidelijk, dat, hoe verder men 
met die decentralisatie doorgaat, men enerzijds zal bereiken, 
dat men aan de locale belangen tegemoet komt, maar dat 
anderzijds de kosten ook aanzienlijk hoger worden. Dat blijft 
dus altijd een kwestie van beleid, een kwestie van afweging. 

Ik meen, dat, wat de raden voor de kinderbescherming bc-
treft, het, mede gezien hun nauwe binding aan de arrondisse-
mentsrechtbanken, op het ogenblik de aangewezen weg is te 
starten met 19 van deze raden. Daarmee wil ik niet zeggen, 
dat, indien in de toekomst zou blijken, dat daaruit mocilijk-
hcden zouden voortspruiten, dit dan niet weer nader bezien 
zou kunnen worden, maar voorshands meen ik, dat er geen 
klemmende argumenten zijn om tot een uitbreiding op dit ge-
bied over te gaan. De argumenten, die ik tot nog toe heb ge-
hoord, zijn naar mijn oordeel daartoe niet van voldoende ge-
wicht, mede omdat, één uitzondering geïntroduceerd zijnde, de 

EERSTE KAMER 




Wijziging bepalingen voogdijraden, voorkomende in Burgerlijk Wetboek 14de Vergadering - 22 December '54 2079 

Minister Donker 
aandrang om verder te gaan moeilijk gekeerd zal kunnen 
worden met het gevolg, dat de kosten hoog zullen gaan oplopen 
en men in een situatie zal komen, die niet verantwoord is. 

De heer De Vos van Steenwijk: Als u de mogelijkheid voor 
uitbreiding maar openhoudt, Excellentie. 

De heer Donker, Minisier van Justitie: De geachte afgevaar-

digde verwijst met deze interruptie nog eens naar het slot van 
zijn redevoering, waarin hij gezegd heelt: Zou de Minister de 
zaak toch nog niet willen overwegen en zo mogelijk met een 
novelle willen komen, die de mogelijkheid op dit gebied zou 
openlaten? Mijnheer de Voorzitter! Ik zou voorlopig toch maar 
liever willen starten met het wetsontwerp, zoals het op het 
ogenblik luidt, en eens kijken, hoe dit gaat. Ik voor mij heb 
bepaald vertrouwen, dat het wel zal lopen. 

Ik zou thans nog iets willen zeggen over enkele opmer-
kingen, die gemaakt zijn door de geachte afgevaardigde mejuf-
frouw Tjeenk Willink. Zij heeft gesproken over de salarissen 
van de ambtenaren voor de kinderwetten en heeft uitgerekend, 
op grond van een recente ervaring, die zij tijdens een motor-
panne heeft opgedaan, dat het salaris van een ambtenaar voor 
de kinderwetten gelijk is aan dal van een monteur. De geachte 
afgevaardigde had daar toch wel zeer nadrukkelijk bij moeten 
zeggen, dat zij het daarbij had over het mininnmisalaris van de 
ambtenaren voor de kinderwetten. Dit is een element, dat daar-
bij niet uit het oog mag worden verloren, omdat het maximum-
salaris beduidend hoger is. Intussen heb ik het gewaardeerd, 
dat de geachte afgevaardigde de taak van de ambtenaren voor 
de kinderwctlcn als zo belangrijk heeft geschilderd en argu-
menten heeft aangevoerd voor een behoorlijke honorering van 
deze ambtenaren. Ik zou er de geachte afgevaardigde intussen 
toch wel op willen wijzen, dat salarisregclingen nu eenmaal 
moeilijk kunnen worden vastgesteld met het uitsluitend bezien 
van de categorie in kwestie. Ik weet wel, dergelijke betogen 
worden in de Statcn-Gcneraal herhaaldelijk gehouden. Afge-
vaardigden, die belangstelling hebben voor de politic, bepleiten, 
dat per se de salarissen der politie omhoog moeten, en afge-
vaardigden, die belangstelling hebben voor de rechterlijke 
macht, zeggen zelfs, dat de functie van de rechterlijke macht 
een zo uitzonderlijke is in ons Staatsbestel, dat de salarissen 
van de rechtelijke ambtenaren moeten worden bezien los van 
de salarissen van alle andere ambtenaren. Dat is een ervaring, 
die ik meermalen heb opgedaan op het terrein van mijn eigen 
Departement. Ik veronderstel, dat mijn ambtgenoten soortgc-
lijke discussies met de Kamers hebben op hun terrein. Het zal 
intussen wel duidelijk zijn, dal men lot een oplossing en rcdc-
lijkc afweging alleen kan komen, wanneer men een bepaalde 
functie beziet in het geheel van het salarisbelcid, in het geheel 
van de honorering van de verschillende functies van de ambtc-
naren, die in dienst van de Overheid zijn. Dat gebeurt ook zo. 
Daarvoor is een coördinatie geschapen bij Binnenlandse Zaken. 
Daarvoor is de taakanalyse, een methode van benadering van 
de betekenis van de functie, waarvan ik helemaal niet wil 
zeggen, dat die op het ogenblik al volmaakt is, maar die onge-
twijfcld op den duur grote mogelijkheden biedt, met name om 
willekeurige standpunten en verlangens tot de juiste proporties 
terug te brengen. De geachte afgevaardigde mejuffrouw Tjeenk 
Willink heeft in dit verband al gesignaleerd de opvatting van de 
ambtenaren voor de kinderwetten zelf, die gezegd zouden heb-
ben, dat hun functie eigenlijk zou moeten worden gelijkgesteld 
met die van artsen. Het is duidelijk, dat men deze zaak alleen 
kan benaderen in een algemeen verband en dat men op deze 
wijze alleen tot een juiste oplossing kan komen. 

Het enige, dat ik de geachte afgevaardigde op dit punt kan 
toezeggen, is, dat zij zich er van overtuigd kan houden, dat in 
de discussie met de Minister van Binnenlandse Zaken de 
Minister van Justitie zal trachten de positie van de ambte-
naren, die onder hem ressorteren, zo duidelijk en zo reëel 
mogelijk naar voren te brengen en gerechtvaardigde salariseisen 
te steunen. Maar de Minister van Justitie moet daarbij ook er 
van uitgaan, dat salariseisen alleen gerechtvaardigd zijn, wan-

Dcel II Zitting 1954—1955 

neer zij passen in het algemene salarisbeleid. Als hij dat niet 
zou doen, zou hij elke dag met zijn ambtgenoot van Binncn-
landse Zaken overhoop liggen, wat niet prettig zou zijn. 

De geachte afgevaardigde heeft gezegd: Hoe zal de wcrk-
groep samengesteld zijn, die de organisatorische opzet van de 
verschillende voogdijraden nader zal bezien? De taak van die 
werkgroep zal belrekking hebben op de bezetting van de 
„griffies" van de voogdijraden en op andere vraagstukken van 
dien aard; die werkgroep — zo stel ik mij voor — zal worden 
samengesteld uil vertegenwoordigers van het Departement, van 
de voogdijraden, terwijl verder daarin vertegenwoordigd zullen 
zijn de kinderrechters en de gezinsvoogdijverenigingen, zoals 
Pro Juventute. Ik geloof niet, dat het juist is ambtenaren voor 
de Kinderwetten als zodanig daarin zitting te doen hebben. Op 
een soortgelijke opmerking heb ik bij de behandeling van mijn 
begroting in de Tweede Kamer reeds geantwoord, dat een 
organistatie als Pro Juventute, zittende in die werkgroep, zeer 
geschikt is om op te komen voor de positie van de ambtenaren 
voor de Kinderwetten. Ik heb mij voorts bereid verklaard de 
werkgroep contact te laten opnemen met de ambtenaren voor 
de Kinderwetten, door hen Ie horen. 

Over de taxatie van f «S(M) 0(K) per jaar, die indertijd is ge-
geven van de kosten van de vergroting van het apparaat in 
personeel opzicht met 25 pet. en een verbetering van de sala-
rissen, behoef ik niet te spreken, omdat de geachte afgevaar-
digde mejuffrouw Tjeenk Willink hierover mijnerzijds geen 
nadere uiteenzetting verlangt, zulks op de grond, dat zij het 
weinig aantrekkelijk vindt zich te nestelen in het riet met een 
kluitje. Deze taxatie is al van geruime tijd geleden en in die 
tussentijd hebben er belangrijke veranderingen plaats gehad. 
Aan die taxatie kan men dus niet zoveel waarde meer toeken-
nen. Het is een benadering van toentertijd geweest, die waar-
schijnlijk in de omstandigheden van dit ogenblik niet helemaal 
meer past. 

Aan de andere kant is het zo, dat de werkzaamheden, die 
op het ogenblik worden verricht om te komen tot een juiste 
bezetting van de bureaux van de raden voor de kindcrbcschcr-
ming en de beoordeling van de resultaten daarvan door een 
werkcommissic, misschien wel kunnen leiden tot een meer cffi-
ciente indeling en bezetting. Ik zal zeker deze kant van de zaak 
ook in het oog houden. 

Vervolgens heeft de geachte afgevaardigde mejuffrouw 
Tjeenk Willink gevraagd, waaraan ik de voorkeur geef: aan 
rapportage door geschoolde, deskundige krachten en in aan-
sluiting daarop rapportage door leden van de voogdijraden bij 
hoge uitzondering, of aan het omgekeerde systeem. Het was 
haar niet uit de stukken duidelijk, wat mijn standpunt zou zijn 
op dit punt. Ik heb mij daarover toch wel vrij duidelijk reeds 
enige malen uitgelaten. Dat kon ook niet anders, want een 
van de elementen van de reorganisatie van de voogdijraden is, 
dat de leden van de raden voor de kinderbescherming in de 
toekomst ontlast zullen worden van de rapportage. Hun taak 
zal in hoofdzaak in de beleids- en beslissingssfccr komen te 
liggen, waarbij dan nog een verlichting van het werk wordt aan-
gebracht door middel van delegatie. Dat alles uit de over-
wcging, dat het anders wel onmogelijk zal zijn, de geschikte 
krachten te vinden om de raden voor de kinderbescherming 
te bezetten. Dat is herhaalde malen zeer nadrukkelijk uitge-
sproken en daarin ligt — niet implicite, maar zeer duidelijk — 
opgesloten de opvatting, dat de rapportage door de leden van 
de raden voor de kinderbescherming tot uitzonderingen beperkt 
dient te blijven. 

Vervolgens is door haar en ook door de geachte afgevaar-
digde de heer Kropman nog ter sprake gebracht de onderschei-
ding, die in de discussie in de Tweede Kamer een grote rol heeft 
gespeeld, tussen het onderzoek, dat de voogdijraden instellen 
naar het milieu en de levensomstandigheden en het persoon-
lijkheidsonderzock in engere zin. In de Memorie van Antwoord 
aan deze Kamer heb ik daaromtrent nog enige verduidelijking 
gegeven. Ik zou daaraan thans nog willen toevoegen, dat, als 
een ambtenaar van de voogdijraad een onderzoek instelt naar 

EERSTE KAMER 




2080 14de Vergadering - 22 December '54 Wijziging bepalingen voogdijraden, voorkomende in Burgerlijk Wetboek 

Minister Donker 
een bepaald geval, hij natuurlijk behalve de beschrijving van 
het milieu en de levensomstandigheden, ook een beschrijving 
geeft van de persoon van het betrokken kind, zoals hij het heeft 
aangetroffen. Dat is iets anders dan een persoonlijkheidsonder-
zoek, waarover wij het in deze discussie hebben gehad, want 
daarmede wordt bedoeld een onderzoek van veel diepgaander 
aard, naar de persoonlijke structuur van het kind, dat niet in 
alle gevallen nodig is, maar in bepaalde gevallen zeer zeker 
noodzakelijk zal zijn. Zo moet men deze tegenstelling zien. 

Duidelijk blijkt dit uit een passage in de Memorie van Ant-
woord — het is dezelfde passage, die door de geachte afge-
vaardigde de heer Kropman is geciteerd —, die als volgt luidt: 

„Het zijn juist dergelijke indicaties in de voorlichtings-
rapporten, welke zullen kunnen leiden tot een z.g. per-
soonlijkheidsonderzoek, waarmede in dit verband bedoeld 
is een speciaal onderzoek naar de persoonlijkheidsstructuur 
van de minderjarige zelf, te verrichten door een psychiater, 
een psycholoog, een medisch-opvoedkundig bureau, een 
kliniek of een observatiehuis.". 

Nu heeft de geachte afgevaardigde de heer Kropman ge-
zegd: Hierin staat niet — en dat zou ik zo graag van de 
Minister vernemen — of hiermede een onderzoek door par-
ticulieren of particuliere instellingen wordt bedoeld. Inder-
daad wordt hiermede vrijwel over de gehele lijn een onder-
zoek door particulieren of particuliere instellingen bedoeld. 
Wanneer hier sprake is van een observatiehuis, dan is het 
denkbaar, dat in een bepaald geval het Rijksobservatiehuis 
in Zeist daarvoor zou kunnen worden aangewezen, maar als 
regel zal het een ander observatiehuis zijn. Wanneer het gaat 
over een medisch-opvoedkundig bureau, dan is het zonder 
meer duidelijk, dat het hier een particuliere instelling betreft. 
Wanneer er sprake is van een kliniek, dan kan het ook een 
universiteitskliniek zijn. Maar de teneur van deze passage 
is, dat in het algemeen het persoonlijkheidsonderzoek zal 
plaats vinden door particuliere instellingen. 

Voorts heeft de geachte afgevaardigde mejuffrouw Tjeenk 
Willink nog een vraag gesteld, die niet gemakkelijk is te 
beantwoorden. Zij heeft namelijk gezegd: Wat is eigenlijk 
de positie van de secretaris van de raad voor de kinder-
bescherming; is de secretaris in dienst van de raad? Neen, 
zei zij, hij wordt benoemd door de Minister van Justitie. 
Neen, zeg ik, hij wordt benoemd door de Kroon. 

De taak van de secretaris zou men wellicht, globaal ge-
nomen, kunnen onderscheiden in twee onderdelen: 

A. de leiding van het administratieve orgaan, dat hij 
onder zich heeft, dus van zijn bureau en van het bureau-
personeel; 

B. de taak, die hij heeft op het gebied van de voorberei-
ding en de executie van beslissingen van de voogdijraden. 

Wat het eerste onderdeel van zijn taak betreft, lijkt zijn 
taak veel op die van een griffier van een rechtbank of een 
ander rechterlijk college, die ondergeschikt is aan de Minister 
van Justitie. Dit lijkt mij ook hier de logische figuur, want 
de Minister moet oordelen over de bezetting van het bureau, 
over het personeel, dat ter beschikking wordt gesteld, en de 
gelden, die voor het bureau van de voogdijraad worden uit-
getrokken. 

Wat het tweede deel van zijn taak betreft, lijkt de zaak in-
gewikkelder. De secretaris moet samenwerken met de voogdij-
raad. Anderzijds is zowel hij als de voogdijraad een onderdeel 
van de executieve. De voogdijraad is niet, gelijk de rechterlijke 
macht, een onafhankelijk collese, waarvoor de Minister geen 
verantwoordelijkheid draagt. Als door de voogdijraad beslis-
singen worden genomen, die in de Kamer kritiek ontmoeten, 
zal men de Minister daarvoor ter verantwoording kunnen 
roepen. De Minister van Justitie zal niet kunnen zeggen, gelijk 
bij de rechterlijke macht: U bent bij mij aan het verkeerde 
adres, ik heb hiermee niet van doen. 

Hiermede is de zaak echter nog niet volledig gesteld, want 
de voogdijraad is een orgaan, waarin particulieren worden be-

Deel II Zitting 1954—1955 

noemd, mensen van verschillende levensbeschouwing en maat-
schappelijke positie, die men daarin heeft willen samenbrengen 
om het werk van de voogdijraad niet zuiver ambtelijk, doch 
zoveel mogelijk afgestemd op de verhoudingen in de maat-
schappij te doen zijn. Het spreekt dan ook vanzelf, dat, al is 
formeel gesteld de Minister van Justitie verantwoordelijk voor 
het werk van de voogdijraden en kan hij hun aanwijzingen 
geven, hij hun toch zoveel mogelijk armslag moet laten, aan-
gezien anders dat levensbeschouwelijke en particuliere element 
niet voldoende tot zijn recht zou komen. Voor wat. betreft dit 
zoveel mogelijk tot zijn recht laten komen van het eigen 
initiatief ligt het ongeveer zoals bij de officier van justitie. De 
Minister kan een officier van justitie opdrachten geven, maar 
in het algemeen zal de Minister van Justitie zich met het dage-
lijkse beleid van de officier van justitie niet bemoeien. Terecht, 
want slechts op die manier kan iemand met verantwoordelijk-
heidsgevoel een functie van dien aard op een bevredigende 
wijze uitoefenen. Zo ligt het ook naar mijn gevoelen bij de 
voogdijraden. Wat nu de juiste afbakening van de verhouding 
tussen de voogdijraad en de secretaris betreft, ben ik van 
mening, dat in het algemeen er naar gestreefd moet worden, 
dat hier in de praktijk de oplossing wordt gevonden. Vanzelf-
sprekend is, dat de secretaris zich zelf en het gehele ambtelijke 
apparaat ten dienste van de voogdijraad moet stellen ter 
effectuering van het door de raad te voeren beleid. In laatste 
instantie, wanneer er iets mis zou lopen, kan de Minister van 
Justitie gebruik maken van zijn bevoegdheid om in te grijpen, 
zowel ten opzichte van de secretaris als ten opzichte van de 
voogdijraad. Daarin zou dan de correctie kunnen worden ge-
vonden, maar het is uitermate wenselijk, dat de praktijk zo is, 
dit een ultimum remedium kan zijn. 

Mijnheer de Voorzitter! Ik hoop, dat ik hiermede duidelijk 
heb gemaakt, dat deze zaak niet zo eenvoudig is, dat op de 
vraag van de geachte afgevaardigde zonder meer met „ja" of 
„neen" kan worden geantwoord. Het is een vrij gecompliceerde 
en ook een delicate verhouding. 

Mijnheer de Voorzitter! Ik meen, dat ik hiermede de con-
crete opmerkingen over dit wetsontwerp, met name de con-
crete vragen, welke zijn gesteld, heb beantwoord. Ik wil nog 
slechts een opmerking maken over het onderwerp, waarmede 
de geachte afgevaardigde de heer Diepenhorst zijn rede is be-
gonnen. De geachte afgevaardigde heeft gesproken — dat 
was in het Voorlopig Verslag ook reeds gebeurd over mijn 
wetgevend program. Hij heeft gezegd: De situatie is zo, dat 
voor de realisatie van dat program de Kamers in tijdnood 
zouden kunnen geraken, uitgaande dus, zo begrijp ik, van 
de vierjarige periode. Daarin lag een zeker verwijt — zo heb 
ik het tenminste gevoeld — ten opzichte van de Minister, dat 
hij alle wetsontwerpen, die hij bij de Kamers wilde brengen, 
niet op een zodanig tijdstip bij de Staten-Generaal heeft weten 
te doen indienen, dat de Kamers volledig de tijd zouden heb-
ben om in de vierjarige periode alles af te werken. Dat ver-
wijt moet ik toch bepaald van de hand wijzen, want, voordat 
een wetsontwerp bij de Staten-Generaal kan worden inge-
diend, moet het worden gemaakt, moet het ook nog de interne 
gang van zaken — Ministerraad, Raad van State — door-
lopen, om niet te spreken van het interdepartementale overleg, 
dat bij vele wetsontwerpen tijdens het maken ook nog een be-
langrijke en tijdrovende rol speelt. Ik hecht er daarom aan, 
op deze opmerking van de geachte afgevaardigde de heer 
Diepenhorst in te gaan, omdat de betrokken afdelingen van 
mijn Departement in de eerste twee jaren van de huidige vier-
jarige periode een fantastische hoeveelheid werk hebben verzet 
om deze wetsontwerpen te maken. De opmerking van de ge-
achte afgevaardigde zou een soort van verwijt tegenover de af-
deling Wetgeving kunnen inhouden, een verwijt, dat ik bepaal-
delijk moet afwijzen, omdat er daar op sommige momenten dag 
en nacht wordt gewerkt. Zoals gezegd: wetsontwerpen kunnen 
nu eenmaal niet worden ingediend voordat zij gemaakt zijn. De 
tijd daarvoor had ik dus in de eerste plaats nodig. Ander-
zijds vlei ik mij met de hoop, dat bij nadere beschouwing 

EERSTE KAMER 




Wijziging bepalingen voogdijraden, voorkomende in Burgerlijk Wetboek 14de Vergadering - 22 December '54 2081 

Minister Donker e. a. 
ook de geachte afgevaardigde de heer Diepenhorst, als hij het 
lijstje eens bekijkt van hetgeen er op het ogenblik bij de Tweede 
Kamer ligt, tot de conclusie zal komen, dat er inderdaad in 
die twee jaren in dit opzicht heel wat is gepresteerd en dat de 
Staten-Generaal toch ook nog wel een aantal wetsontwerpen 
zullen kunnen afhandelen. 

Mijnheer de Voorzitter! Ik wil eindigen met datgene, waar-
mede ik ben begonnen, nl. dat het mij bijzonder heeft ver-
heugd, dat dit wetsontwerp in deze Kamer een zo gunstig ont-
haal heeft gehad. 

Mejuffrouw Tjeenk Willink: Mijnheer de Voorzitter! Een 
korte opmerking om uiting te geven aan mijn erkentelijkheid 
voor het antwoord van de Minister, dat in vele opzichten zeer 
verhelderend is geweest. Ik denk daarbij in de eerste plaats aan 
hetgeen de Minister heeft gezegd over de directeur-secretarissen 
van de raden voor de kinderbescherming. 

Blijkbaar vindt de Minister de naamsverandering, waartegen 
de heren Diepenhorst en De Vos van Steenwijk in eerste ter-
mijn bezwaren hebben gemaakt, ook moeilijk, want hij sprak 
nog telkens over voogdijraden. Misschien heeft een formele 
overweging hem daartoe gebracht, want zolang deze wet nog 
niet van kracht is geworden, zijn er nog geen raden voor de 
kinderbescherming! 

De directeur-secretarissen van de toekomstige raden hebben 
inderdaad een positie, die, zoals de Minister heeft gezegd, bij-
zonder gecompliceerd en delicaat is, speciaal wat betreft hun 
verhouding tot de raad zelf. De Minister heeft hierbij een 
splitsing gemaakt in twee taken, waarop ik thans niet verder 
zal ingaan. De Minister heeft er ten slotte op gewezen, dat voor 
de tweede taak, nl. de voorbereiding en de executie van de be-
slissingen van de raad, de directeur-secretaris op gelijke voet 
als de raad verantwoording schuldig is aan en staat onder het 
gezag van de Minister van Justitie, die hierover uiteindelijk ter 
verantwoording kan worden geroepen door de Staten-Generaal. 

Ik zou mij willen beperken tot het uitspreken van de wens, 
dat zowel de leden van de raden voor de kinderbescherming 
— en ik denk in het bijzonder aan de voorzitters — als de 
directeur-secretarissen een zo juist inzicht in hun samenspel 
zullen hebben, dat het nooit nodig zal zijn, dat deze Kamer of 
de Kamer aan de overzijde zal behoeven op te treden als 
scheidsrechter tussen partijen. Ik geloof, dat door een samen-
werking in wederzijds vertrouwen, zonder het stellen van 
prestigekwesties en zonder formeel antwoord op de vraag of de 
secretarissen onder, met of in de raden werken, de belangen 
van de raden het beste gediend zullen zijn; team spirit is het 
verlossende woord voor het delicate vraagstuk van de positie 
van de directeur-secretarissen van de raden. 

Ten aanzien van hun vooropleiding heeft de Minister zich 
wat op de vlakte gehouden, maar ik meen te hebben beluisterd, 
dat hij eep zekere voorkeur heeft voor de juridische opleiding. 
Ik zou mij daarbij wel willen aansluiten, gezien het veelvuldig 
contact met de rechterlijke macht en het voortdurend hanteren 
van wettelijke bepalingen. Dan komt echter onmiddellijk de 
vraag aan de orde naar de wenselijkheid van specialisatie bij de 
opleiding van juristen, waaraan de Minister overigens in een 
algemeen verband reeds aandacht besteedt, zodat ik hierop 
thans niet behoef in te gaan. 

Ten aanzien van de ambtenaren voor de kinderwetten en 
hun salariëring, waaraan ik in eerste termijn veel aandacht heb 
besteed, heeft de Minister een antwoord gegeven, dat op het 
eerste gezicht bevredigend lijkt. Hij heeft namelijk gezegd, dat 
hij de belangen van deze ambtenaren met kracht zal bepleiten 
bij zijn ambtgenoot van Binnenlandse Zaken, die over hun 
classificatie zal moeten oordelen. Ik vermoed, dat de Minister 
van Financiën hier tenslotte ook een woord zal hebben mee 
te spreken. Ik vraag mij echter toch wel af, of er van een 
salarisverbetering sprake zal zijn, als ik denk aan het gewicht, 
dat de Minister van Justitie blijkbaar aan het werk van deze 
ambtenaren toekent. In de Memoire van Antwoord aan onze 
Kamer schrijft hij naar aanleiding van de kwestie van de 

Tjeenk Willink e. a. 

vooronderzoeken en van de vraag, in hoeverre in het sociale 
onderzoek van de ambtenaren voor de kinderwetten ook 
onderzoek naar de persoonlijkheid besloten is: 

„Zo zullen zij" — dat zijn de ambtenaren voor de 
kinderwetten — „b.v. zonder een speciaal daartoe inge-
steld onderzoek kunnen gewagen van ernstige debiliteit, 
zeker wanneer het hoofd van een b.l.o.-school hen daar-
over heelt ingelicht.". 

Mijnheer de Voorzitter! Ik geloof, dat, wanneer een ambte-
naar voor de kinderwetten de inlichtingen van het hoofd van 
een b.l.o.-school nodig heeft om te kunnen beoordelen of een 
kind ernstig debiel is, hij bepaaldelijk geen salarisverhoging 
verdient. Ik zou hem zelfs in het geheel niet in aanmerking 
willen laten komen voor een aanstelling bij de nieuwe raden 
voor de kinderbescherming. Ik kom op deze zinsnede even 
terug, omdat ik haar tegenover de ambtenaren voor de kinder-
wetten wel wat erg kleinerend vind. Indien dergelijke uitlatingen 
door het Ministerie van Justitie zouden worden gedaan bij de 
functie-analyse, dan zal het Ministerie van Binnenlandse Zaken 
zeker geen hoge dunk van dit werk krijgen en bepaald niet tot 
een juiste salariswaardering komen! 

Mijnheer de Voorzitter! Nu ik hier toch sta, zou ik nog een 
enkel woord willen zeggen, omdat de heren Diepenhorst en 
De Vos van Steenwijk dit niet in tweede termijn deden, over 
de kwestie van de Leidse voogdijraad. De Minister heeft de 
deur voor meer raden in één arrondissement nog wel ergens 
op een kier opengehouden door te zeggen, dat de moeilijke 
kwestie van decentralisatie van werkzaamheden een onderwerp 
van nadere studie zal moeten vormen. Als dat zo is, zou ik het 
jammer vinden, dat men eerst de voogdijraad te Leiden, die 
thans zeer nuttig functionneert, om zeep zou helpen om dan, 
nadat er stukken zijn gemaakt, misschien later te concluderen, 
dat hij weer in het leven zou moeten worden geroepen. 

De Minister heeft gewaarschuwd tegen uitbreiding van het 
aantal voogdijraden. Ik ben het hiermede voorshands wel eens, 
maar in deze Kamer is ook niet gepleit voor uitbreiding met 
nieuwe raden, maar voor het behoud van de bestaande raad 
te Leiden. De consequentie, dat, wanneer de voogdijraad te 
Leiden wordt gehandhaafd, ook in andere plaatsen een raad 
zou moeten komen, beschouw ik eerder als een voor- dan als 
een nadeel van de handhaving van de raad te Leiden. De 
tendenz zal naar mijn mening op den duur toch moeten zijn, 
dat — met inachtneming van mogelijke gevaren van verspilling 
van geld en arbeidskrachten door te ver gaande decentralisatie 
— de raden voor de kinderbescherming niet per se gefixeerd 
blijven aan de ressorten van de arrondissementsrechtbanken. De 
vergelijking van de Minister met de moeilijkheden, welke zich 
voordoen bij de uitbreiding van het aantal kantongerechten gaat 
niet helemaal op. Daar gaat het om een kwestie van praktische 
beoordeling. Hier is in eerste instantie de principiële vraag aan 
de orde, of de raden voor de kinderbescherming geheel moeten 
samenvallen met de arrondissementsrechtbanken, of dat binnen 
het ressort van één rechtbank meerdere raden kunnen bestaan. 
Ik meen, dat de massificatietendenzen van onze tijd ook op dit 
punt wel meer tegengegaan zouden moeten en kunnen worden 
dan de Minister thans doet. 

De massale behandeling van gevallen, waarmede sommige 
grote voogdijraden thans reeds zijn overbelast, leidt gemakkelij-
ker tot automatisme en verambtelijking, waartegen de beide Ka-
mers in het verband van dit wetsontwerp met zoveel klem en 
met instemming van de Minister hebben gewaarschuwd, indien 
het werk bij slechts 19 raden gecentraliseerd blijft, dan wanneer 
door een weloverwogen decentralisatie meer raden in de grote 
bevolkingscentra in het leven zouden worden geroepen. 

Ten aanzien van dit probleem zou ik als wens willen uit-
spreken „Bij Leiden begint de victorie!" 

De heer Diepenhorst: Mijnheer de Voorzitter! Ik zou mij 
willen aansluiten bij de geachte afgevaardigde mejuffrouw 
Tjeenk Willink om eveneens de bewindsman er op te wijzen, 
dat werkelijk de massificatie van deze tijd het mij zeer gewenst 

Deel H Zitting 1954—1955 

EERSTE KAMER 




2082 14de Vergadering - 22 December '54 Wijziging bepalingen voogdijraden, voorkomende in Burgerlijk Wetboek 

Diepenhorst e. a. 
doet voorkomen, niet meer voogdijraden op te heffen, doch 
ook in andere steden, die daarvoor in aanmerking komen, 
dergelijke instellingen op te richten. Ik heb in eerste instantie 
gesproken over de gevaren van concentratie, juist omdat de 
voogdijraden in de grote steden te massaal worden. Voorshands 
vind ik mij in deze opinie bevestigd. 

Bij de discussie in eerste instantie heeft men mij eigenlijk 
min of meer in de schoenen geschoven in de eerste plaats, dat 
ik mij, wat de ambtenaren voor de kinderwetten betreft, geheel 
en al zou stellen op een standpunt, dat zich keerde tegen iedere 
specialisatie. Dat heb ik niet gedaan. Ik heb alleen op een 
gegeven ogenblik ter verlevendiging van wat ik zeide de ge-
dachten van de ambtenaren voor de kinderwetten weergegeven. 
Ik heb echter toegegeven, dat ik zulks niet geheel rechtvaardig 
acht. Ik heb vervolgens daaraan zelfstandig verbonden een 
beschouwing van deze inhoud: de specialisatie is niet te keren; 
die juich ik ook ten zeerste toe; alleen is op haar plaats een 
waarschuwing tegen een te veel en tegen een te eenzijdig. 

Dit laatste brengt mij een ogenblik op de beantwoording van 
de Minister zelf. Hij heeft gezegd, dat hij op een aantal punten 
van mijn betoog niet zou ingaan. Ik juich dat alleen maar toe, 
alleen had ik gaarne een antwoord vernomen op de vraag, hoe 
de bewindsman denkt over mijn beschouwingen, juist ten op-
zichte van die specialisatie en van het te veel inschakelen van 
deskundigen, welke kwestie ik aan de hand van een aantal 
voorbeelden heb toegelicht. De Minister heeft gezegd, dat be-
antwoording van mijn betoog enige uren zou vragen. Mocht 
dat met deze vraag ook het geval zijn, dan wil ik wel gaarne 
onbevredigd blijven, al bedoel ik hiermede geen enkele on-
hoffelijkheid ten opzichte van Zijne Excellentie. Zou het zijn, 
dat deze vraag in een enkele minuut is te beantwoorden, dan 
zou ik een nader bescheid zeer waarderen. 

De heer Donker, Minister van Justitie: Mijnheer de Voor-
zitter! De kwestie van de decentralisatie is nogmaals ter sprake 
gebracht door de geachte afgevaardigde mejuffrouw Tjeenk 
Willink. De geachte afgevaardigde de heer Diepenhorst heeft 
zich bij haar betoog aangesloten. Door haar is thans een nieuw 
argument naar voren gebracht, nieuw in die zin, dat het eerst 
in tweede termijn is genoemd, nl. dat een verdergaande decen-
tralisatie in de vorm van meer raden voor de kinderbescher-
ming zou tegengaan de massaficatie. Dat is zonder twijfel een 
argument, dat zijn betekenis heeft. Ik zou hier onmiddellijk, 
nu wij tot een verdere verdieping van de discussie overgaan, 
een ander argument tegenover willen stellen om te onder-
steunen mijn opvatting, dat wij niet verder moeten gaan dan 
19 raden voor de kinderbescherming, en dat is de moeilijkheid 
om goede leden en het geschikte personeel te vinden. Ik heb in 
het Voorlopig Verslag en ook in de gedachtenwisseling van 
vandaag van verschillende geachte afgevaardigden bezorgde 
klanken vernomen ten opzichte van de vraag, of het wel moge-
lijk is om de raden voor de kinderbescherming in de toekomst 
met deskundige krachten, in het bijzonder met deskundige top-
figuren, te bezetten. Ik onderschrijf die bezorgdheid ten volle. 
Het is op het ogenblik, juist in de periode, waarin wij nu leven, 
een periode van full employment, vaak moeilijk geschikte 

Minister Donker e. a. 

krachten te vinden voor de bezetting van bepaalde posities. 
Wanneer men het aantal raden voor de kinderbescherming 
zou uitbreiden, zou men dit probleem op aanzienlijke wijze ver-
zwaren. Met betrekking tot de voogdijraad te Leiden wil ik 
— om geen misverstand te laten bestaan — nog opmerken, dat 
ik niet gezegd heb, dat ik deze zaak in nadere studie wil nemen. 
Ik heb gezegd, dat ik wil starten met de regeling, zoals die 
op het ogenblik is. Ik heb daaraan, in alle bescheidenheid, 
wetende, dat elke regeling in de toekomst zijn feilen kan 
blijken te hebben, toegevoegd, dat, indien dat het geval zou 
zijn, de zaak opnieuw bekeken zal moeten worden. Ik ben er 
van overtuigd, dat dit niet nodig zal zijn en dat zal blijken, dat 
met de 19 raden de zaak goed zal lopen. Het spreekt vanzelf, dat, 
wanneer over een aantal jaren zou blijken, dat met 19 raden 
niet behoorlijk in de behoeften zou kunnen worden voorzien, 
elke ambtsopvolger van mij bereid zou zijn, dat vraagstuk op-
nieuw te bezien, zoals wij herhaaldelijk vraagstukken opnieuw 
in het licht van nieuwe situaties en behoeften bezien. Ik wil 
evenwel nadrukkelijk de gedachte wegnemen, dat ik vandaag 
de dag zou willen beginnen om het vraagstuk van Leiden 
nog eens te bezien. Dat is mijn bedoeling beslist niet. 

De geachte afgevaardigde de heer Diepenhorst heeft mij ge-
vraagd, op een opmerking zijnerzijds in eerste termijn gemaakt 
nog een reflex te geven. Deze beschouwing behoefde geen twee 
uren te duren, maar zou beperkt mogen blijven, zo mogelijk, tot 
één minuut. Het is intussen niet zo eenvoudig over een vraag-
stuk als dat, hetwelk hij aan de orde heeft gesteld, het vraag-
stuk namelijk, in hoeverre men de deskundigheid moet inscha-
kelen en of men dat in sommige gevallen op het ogenblik wel-
eens niet tot in de perfectie, ja zelfs tot over de perfectie doet, 
in enkele woorden een duidelijk oordeel te geven. ' 

Ik kan daarop dan ook alleen maar in het algemeen ant-
woorden. Deskundigheid is een zeer belangrijk artikel in het 
leven, maar de persoonlijke kwaliteiten en de persoonlijke be-
langstelling van de mensen wegen bij mij toch ook zeer zwaar. 
Ik vind deskundigheid in het algemeen — men kan ze zeker 
niet missen — een van de hulpmiddelen, die komen bij die 
andere eigenschappen, die ik primair acht, daarbij onderstre-
pende, dat er tal van functies zijn, waarvoor men nu eenmaal 
ook deskundigheid moet bezitten. 

Wat de deskundigheid op dit bijzondere gebied betreft — de 
geachte afgevaardigde de heer Diepenhorst heeft naar ik meen, 
als voorbeeld van vergaande toepassing er van over de grafo-
logie gesproken —, er zijn ook daar verschillende nieuwe 
methoden en nieuwe wijzen van onderzoek, die haar bruikbaar-
heid voor de toekomst moeten bewijzen. Of en in hoeverre dat 
op het ogenblik met de grafologie het geval is, daarover kan 
ik moeilijk in enkele woorden een gefundeerd oordeel geven. 
Dat echter een vrij grote mate van reserve tegenover de resul-
taten daarvan op het ogenblik nog gewenst is, zou ik intussen 
wel durven zeggen. 

De beraadslaging wordt gesloten. 

Het wetsontwerp wordt zonder hoofdelijke stemming aan-
genomen. 

Deel II Zitting 1954—1955 

EERSTE KAMER 




