Dinsdag 21 juni 1994 

79ste vergadering 

Aanvang 14.00 uur 

Voorzitter: Deetman 

Tegenwoordig zijn 140 leden, te 
weten: 

Adelmund, Aiking-van Wageningen, 
Apostolou, Van Ardenne-van der 
Hoeven, Bakker, Beinema, Van den 
Berg, Biesheuvel, Bijleveld-Schouten, 
Blaauw, Blauw, Boers-Wijnberg, 
Bolkestein, Boogaard, Van den Bos, 
Brinkman, M.M. van der Burg, V.A.M. 
van der Burg, Buurmeijer, Van de 
Camp, Cherribi, De Cloe, Cornielje, 
Crone, Dankers, Dees, Deetman, 
Dijksma, Dijksman, Dijkstal, Dittrich, 
Doelman-Pel, Duivesteijn, Van Erp, 
Esselink, Essers, Fermina, Franssen, 
Gabor, Van Gelder, Giskes, De Graaf, 
Groenman, Van Heemskerck 
Pillis-Duvekot, Van Heemst, Heerma, 
Van der Heijden, Hendriks, Hessing, 
Hillen, Hirsch Ballin, Hoekema, Van 
der Hoeven, Van Hoof, Hoogervorst, 
De Hoop Scheffer, Janmaat, 
Jorritsma-Lebbink, Jorritsma-van 
Oosten, Kalsbeek-Jasperse, H.G.J. 
Kamp, M.M.H. Kamp, Koekkoek, 
Kohnstamm, Kok, De Koning, De 
Korte, Korthals, Kosto, Lambrechts, 
Lansink, Leerkes, Leers, Liemburg, 
Lilipaly, Van der Linden, Linschoten, 
Marijnissen, Mateman, Melkert, Van 
Middelkoop, Van Mierlo, Netelenbos, 
Van Nieuwenhoven, Nijpels– 
Hezemans, Noorman-den Uyl, Nuis, 
Oedayraj Singh Varma, Oudkerk, Van 
Oven, Poppe, Pronk, Rabbae, 
Reitsma, Remkes, Van Rey, Van 't 
Riet, Rijpstra, Roethof, Rosenmöller, 
Rouvoet, Scheltema-de Nie, 
Schimmel, Schutte, Schuurman, 
Sipkes, Smits, Soutendijk-van 
Appeldoorn, Stellingwerf, Van der 
Stoel, E.G. Terpstra, G.H. Terpstra, 
Tommei, Van Traa, Ter Veer, Te 
Veldhuis, Verbugt, Verkerk, Ver– 
meend, Versnel-Schmitz, Verspaget, 
Vliegenthart, Van der Vlies, H. Vos, 

M.B. Vos, Voüte-Droste, Vreeman, 
B.M. de Vries, J.M. de Vries, Wallage, 
Weisglas, Van Wingerden, Wolffen– 
sperger, Wolters, Wöltgens, Woltjer, 
Ybema, Van Zijl, Zijlstra en Zonne– 
veld, 
en mevrouw De Graaff-Nauta, 
minister van Binnenlandse Zaken, de 
heer Kosto, minister van Justitie, 
mevrouw Maij-Weggen, minister van 
Verkeer en Waterstaat, de heren De 
Vries, minister van Sociale Zaken en 
Werkgelegenheid, Van Amelsvoort, 
staatssecretaris van Financiën, en 
Heerma, staatssecretaris van 
Volkshuisvesting, Ruimtelijke 
Ordening en Milieubeheer. 

D 

De voorzitter: Ik deel aan de Kamer 
mede, dat zijn ingekomen berichten 
van verhindering van de leden: 

Ter Beek, wegens verblijf buitens– 
lands, de gehele week; 

Van Rooy, wegens verblijf buitens– 
lands, tot en met donderdagochtend; 

Verhagen, wegens ziekte, de gehele 
week; 

Van Dijke, wegens ziekte; 

Van der Ploeg en Van Zuijlen, 

wegens bezigheden elders; 

Noorman-den Uyl, Verspaget en Van 

Nieuwenhoven, wegens bezigheden 

elders, alleen voor de avond– 
vergadering; 

Janmaat en Schuurman, wegens een 
begrafenis. 

Deze berichten worden voor 

kennisgeving aangenomen. 

De voorzitter: Ik geef het woord aan 
de heer Van der Burg tot het 
uitbrengen van verslag namens de 
commissie voor het Onderzoek van 
de Geloofsbrieven. 

De heer Van der Burg, voorzitter 
der commissie: Mijnheer de 
voorzitter! De commissie voor het 
Onderzoek van de Geloofsbrieven 
heeft de eer te rapporteren dat zij, na 
onderzoek van de in haar handen 
gestelde stukken, eenparig tot de 
conclusie is gekomen dat mevrouw 

M.M. van der Burg te Utrecht terecht 
benoemd is verklaard tot lid van de 
Tweede Kamer der Staten-Generaal. 
De commissie heeft derhalve de 
eer, u voor te stellen haar als lid van 
de Kamer toe te laten, nadat zij de bij 
de wet van 27 februari 1992 (Stb. 
120) voorgeschreven eden dan wel 
verklaringen en belofte heeft 
afgelegd. 

De commissie verzoekt u, de 
Kamer voor te stellen om het 
volledige rapport in de Handelingen 
op te nemen. 

De voorzitter: Ik bedank namens de 

Kamer de commissie voor haar 
verslag en stel voor, dienovereen– 

komstig te besluiten. 

Daartoe wordt besloten. 

(Het rapport is opgenomen aan het 
eind van deze weekeditie.)1 

De voorzitter: Mevrouw Van der 

Burg is in het gebouw der Kamer 

aanwezig. 

Ik verzoek de heer griffier haar 
binnen te leiden. 

Nadat mevrouw Van der Burg door 

de griffier is binnengeleid, legt zij in 

handen van de voorzitter de bij de 

21 juni 1994 
Tweede Kamer Leden TK79 79-5405 


voorzitter 

wet voorgeschreven verklaring en 
belofte af. 

De voorzitter: Ik wens u geluk met 
uw herbenoeming. U kent de 
procedure; ik verzoek u, de presentie– 
lijst te tekenen en wederom in ons 
midden plaats te nemen. 

De vergadering wordt enkele 
minuten geschorst. 

De voorzitter: De ingekomen 
stukken staan op een lijst, die op de 
tafel van de griffier ter inzage ligt. Op 
die lijst heb ik voorstellen gedaan 
over de wijze van behandeling. Als 
aan het einde van de vergadering 
daartegen geen bezwaren zijn 
ingekomen, neem ik aan, dat de 

Kamer zich met de voorstellen heeft 
verenigd. 

Regeling van werkzaamheden 

De voorzitter: Het Presidium heeft 

met eenparigheid van stemmen 

besloten, te stellen in handen van: 

a. de vaste commissie voor Justitie: 
- het wetsvoorstel Wijziging van 
Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek 
en van het Wetboek van Burgerlijke 
Rechtsvordering in verband met 
opneming daarin van bepalingen 
voor de registratie van een samenle– 
ving (23761); 
- het wetsvoorstel Wijziging van de 
Wet op de rechterlijke organisatie en 
enige andere wetten (deeltijd en 
anciënniteit) (23764); 
b. de vaste commissie voor 
Binnenlandse Zaken: 
- het wetsvoorstel Gemeentelijke 
herindeling in het samenwerkings– 
gebied 's-Hertogenbosch (23712); 
- het wetsvoorstel Wijziging van de 
Algemene burgerlijke pensioenwet 
en de Wet uitkering wegens vrijwillig 
vervroegd uittreden (Vut-wet) in 
verband met de verhoging van de 
pensioenopbouw bij afzien van het 
recht op vut en wijziging van het 
begrip bezoldiging (23763); 
c. de vaste commissie voor Sociale 
Zaken en Werkgelegenheid: 
- het voorstel van wet van de leden 
Linschoten en Blauw tot wijziging 
van de Algemene 
Arbeidsongeschiktheidswet (Wet 
intrekking bonus/malussysteem) 
(23691). " 
Ik stel voor, overeenkomstig het 
verzoek van de vaste commissies 
voor Justitie en voor Binnenlandse 
Zaken de wens uit te spreken dat het 
ontwerp-besluit punt B 6 van de 
agenda voor de Raad voor Justitie 
en Binnenlandse Zaken van de 
Europese Unie, aangeboden bij brief 
23490, nr. 13, de uitdrukkelijke 
instemming van de Staten-Generaal 

behoeft. 

Het Presidium stelt aan de Kamer 
voor, de vaste commissie voor 
Onderwijs en Wetenschappen 
toestemming te verlenen tot het 

houden van een wetgevingsoverleg 

over de wetsvoorstellen: 

- Wijziging van de Wet op het hoger 
onderwijs en wetenschappelijk 
onderzoek en enkele andere wetten, 
houdende verbeteringen en 
aanvullingen van overwegend 
technische aard (23558); 
- Wijziging van de Wet op het hoger 
onderwijs en wetenschappelijk 
onderzoek in verband met decentrali– 
satie van regelgeving op 
arbeidsvoorwaardelijk terrein 
(23218). 
Voorts stel ik voor, in verband met 
de doorzending van eventueel te 
aanvaarden wetsvoorstellen naar de 
Eerste Kamer, donderdag na de 
lunchpauze te stemmen. De Eerste 
Kamer kan dan, indien men dat daar 
wenst, deze wetsvoorstellen voor het 
zomerreces afdoen. 

Daartoe wordt besloten. 

De voorzitter: Ik bepaal, dat het 
wetgevingsoverleg waarover ik 

zoëven sprak, zal worden gehouden 

op maandag 27 juni van 11.15 uur 
tot uiterlijk 18.30 uur. 

Het woord is aan de heer Blauw. 

De heer Blauw (WD): Voorzitter! Per 
16 juni heeft de Toezichtkamer van 
de Sociale verzekeringsraad een 
advies geformuleerd in de richting 
van de minister van Sociale Zaken en 
Werkgelegenheid dat betrekking 
heeft op de regelingen die ten 
grondslag liggen aan vakantie– 
arbeid. Daardoor is met name in de 
agrarische sector een geweldige 
onrust ontstaan. Over dat probleem 
wil ik graag zo spoedig mogelijk de 
minister van Sociale Zaken en 
Werkgelegenheid interpelleren. 

De voorzitter: Ik stel voor, dit 
verzoek in te willigen. 

Daartoe wordt besloten. 

De voorzitter. Ik stel voor, de 
interpellatie te houden na de 
stemmingen van vanmiddag en de 
spreektijden te bepalen op 5 minuten 
per fractie. 

Daartoe wordt besloten. 

De voorzitter: Het woord is aan 
mevrouw Oedayraj Singh Varma. 

Mevrouw Oedayraj Singh Varma 
(GroenLinks): Voorzitter! Tot ons 
genoegen en het genoegen van 
diverse groeperingen, zoals de 
Vereniging voorkom vernietiging, 
heeft afgelopen donderdag de 
Afdeling bestuursrechtspraak van de 
Raad van State belangwekkende 
uitspraken gedaan over het 
functioneren van de inlichtingen– en 
veiligheidsdiensten en de wijze 
waarop deze worden gecontroleerd. 

In navolging van de Europese 
Commissie voor de rechten van de 
mens constateert de Raad van State 
strijdigheid met artikel 8 van het 
Europese verdrag tot bescherming 
van de rechten van de mens en de 
fundamentele vrijheden, waarin 
onder meer staat dat iedereen recht 
heeft op respect voor zijn privéleven. 
Er moet voor de BVD een wettelijke 
regeling zijn die nauwkeurig is 
geformuleerd zodat de burger weet 
wat hij van de dienst kan verwach– 
ten. De Wet op de inlichtingen– en 
veiligheidsdiensten wordt ondeugde– 
lijk genoemd en buiten toepassing 
verklaard. Sinds donderdag mag de 
BVD op verzoeken op inzage in 
dossiers zich er niet meer vanaf 
maken met de mededeling dat de 
veiligheid van de Staat in het geding 
is. Deze uitspraak opent de weg naar 
een stroom van openbaarmaking van 
dossiers, vergelijkbaar met de 
situatie in Duitsland nadat de 
Stasi-dossiers waren vrijgegeven. 

Ik vraag de regering om een brief 
waarin is aangegeven welke 
consequenties zij verbindt aan de 
vernietigende kritiek op de wetge– 
ving op het gebied van de 
inlichtmgen– en veiligheidsdiensten. 
Hoe wordt de controle verbeterd 
zodat die voldoet aan het Europese 
verdrag? De regering zou bovendien 
in deze brief moeten aangeven op 
welke wijze zij de verzoeken om 
inzage in dossiers gaat honoreren. 

21 juni 1994 
Tweede Kamer Regeling van werkzaamheden TK79 79-5406 


Voorzitter 

Afhankelijk van de inhoud van de 
brief zou ik een plenair debat willen 
voeren en ik vraag u, mijnheer de 
voorzitter, om volgende week 
hiervoor tijd te reserveren. 

De heer Dijkstal (VVD): Voorzitter! 
Als ik mij goed herinner is er al een 
toezegging van de regering om de 
Kamer op de hoogte te stellen van 
haar definitieve standpunt op dit 
punt opdat er daarna een mondeling 
overleg over kan plaatsvinden. Ik wil 
daaraan vasthouden en dan kan de 
vraag van mevrouw Varma daar 
gerust bij meegenomen worden. Laat 
de regering dus vooral reageren op 
het punt dat zij hier naar voren 
brengt. Het lijkt mij vervolgens het 
beste om er eerst in het mondeling 
overleg over te spreken. Daarna 
kunnen we altijd nog bezien of we 
dat ook plenair moeten doen. 

De heer Mateman (CDA): Mijnheer 
de voorzitter! Ik wil mij in algemene 
zin bij collega Dijkstal aansluiten. Ik 
doe dat in goed overleg met collega 
Scheltema. Ik meen dat dit een 
goede weg is om de zaak genuan– 
ceerd te kunnen bezien. 

Mevrouw Scheltema-de Nie (D66): 
Voorzitter! Ik wil inderdaad instem– 
men met wat de heer Mateman al 
zei, nameüjk dat ook ik me het best 
kan vinden in de volgorde die de 
heer Dijkstal heeft aangegeven. 

De heer Brinkman (CDA): Voorzitter! 
Het is waarschijnlijk nuttig voor de 
Kamer te weten, dat de vaste 
commissie voor de Inlichtingen– en 
Veiligheidsdiensten, naar ik meen, 
volgende week woensdag - ik kan 
het een dag mis hebben - een 
bijeenkomst heeft om de problema– 
tiek met de bewindspersoon te 
bespreken. Ik kan mij voorstellen dat 
de Kamer geïnformeerd wil worden 
over het resultaat van dat overleg 
voor zover het op niet-operationele 
gegevens betrekking heeft. Ik ben 
graag bereid, dat te bevorderen. 

Mevrouw Oedayraj Singh Varma 
(GroenLinks): Voorzitter! Ik verzoek u 
om zo snel mogelijk over te gaan tot 
een mondeling overleg, want ik denk 
dat er een lacune in de wetgeving is 
ontstaan. 

De voorzitter: Ik stel voor, het 
stenogram van dit deel van de 
vergadering door te geleiden naar 

het kabinet. Tevens stel ik voor om 

aan de hand van de reacties die wij 
krijgen, te bezien of er behoefte is 
aan overleg en, eventueel aanslui– 
tend aan het overleg in de commis– 
sie, aan een debat in deze Kamer. 
Dat debat zal zo nodig volgende 
week plaatsvinden. Wij hebben 
kennis genomen van de mededeling 
van de waarnemend voorzitter van 
de commissie voor de Inlichtingen– 
en Veiligheidsdiensten, dat er 
overleg zal worden gevoerd en dat 
de Kamer hierover, voor zover 
mogelijk, na afloop zal worden 
geïnformeerd. Ik verzoek de 
waarnemend voorzitter dan ook, te 
bevorderen dat dit zo snel mogelijk 
gebeurt opdat, indien er volgende 
week woensdag of donderdag een 
debat zal plaatsvinden, die gegevens 
zo nodig erbij betrokken kunnen 
worden. 

Overeenkomstig de voorstellen van 
de voorzitter wordt besloten. 

De voorzitter: Het woord is aan 
mevrouw Vos. 

Mevrouw Vos (GroenLinks): 
Voorzitter! Vanmiddag is aan de orde 
de stemming over de wijziging van 
de Bestrijdingsmiddelenwet, 
ingevolge een Europese richtlijn. Ik 
zou de Kamer willen verzoeken, deze 
stemming uit te stellen, en wel om 
de volgende reden. 

In het kader van deze wet zijn de 
uniforme beginselen, genoemd in 
artikel 4 van de richtlijn, van cruciaal 
belang. Vorige week is dit punt ook 
in het kamerdebat aan de orde 
geweest. Die richtlijnen zijn immers 
bepalend voor de toelating van 
bestrijdingsmiddelen op de 
Nederlandse markt. De Raad van 
ministers van landbouw moet een 
besluit nemen over deze uniforme 
beginselen. Hij heeft dat nog niet 
gedaan maar waarschijnlijk zal hij 
dat deze week doen omdat de Raad 
nu in vergadering bijeen is. Ik 
verzoek de Kamer dan ook de 
stemming uit te stellen totdat wij 
zicht hebben op dit besluit over de 
uniforme beginselen en tevens 
verzoek ik de minister om de Kamer 
zo spoedig mogelijk te informeren 
over het besluit dat de Raad van 
ministers zal nemen. 

De voorzitter: Ik stel voor, de 
stemming uit te stellen tot volgende 
week dinsdag en het stenogram van 
dit deel van de vergadering door te 
geleiden naar het kabinet in verband 

met het verzoek om informatie naar 
aanleiding van het beraad van de 
Raad van ministers ter zake. 

Daartoe wordt besloten. 

De voorzitter: Het woord is aan de 
heer Van Traa. 

De heer Van Traa (PvdA): Voorzitter! 
Wij hebben van de ministers van 
Justitie en van Buitenlandse Zaken 
toegezonden gekregen het verdrag 
met Vietnam betreffende de 
terugkeer van Vietnamese asiel– 
zoekers zoals dat nu is getekend Het 
lijkt mij dienstig om daarover nog 
volgende week te debatteren, vooral 
omdat de regering heeft aangekon– 
digd het verdrag direct te zullen 
toepassen. 

Mevrouw Sipkes (GroenLinks): 
Voorzitter! Ik wil mij in zoverre 
aansluiten bij de heer Van Traa, dat 
naar mijn mening het verdrag 
allereerst bediscussieerd moet 
worden door de Kamer. Behelst zijn 
verzoek echter een automatisme 
waardoor wij dan ook de gehele 
schriftelijke voorbereidingen naast 
ons neerleggen? Dat lijkt mij een 
beetje moeilijk. Ik weet dus niet 
precies wat hij wil. Vraagt hij om een 
debat op hoofdlijnen, waarna wij 
alsnog overgaan tot de schriftelijke 
voorbereiding of wil hij het allemaal 
in één week afronden? 

De heer Van Traa (PvdA): Neen, 
formeel wil ik dus alleen een debat 
over de brief met het onderliggende 
verdrag. Natuurlijk kan dit niet 
betekenen, dat het dan formeel is 
goedgekeurd. Er komt eventueel nog 
aen behandeling, opdat elk lid van 
de Kamer het kan bekijken. 

De heer Weisglas (VVD): Voorzitter! 
Ik begeef mij met enige schroom op 
dit pad van het volkenrecht. Ik 
begrijp niet helemaal wat de heer 
Van Traa beoogt omdat, zoals 
mevrouw Sipkes terecht opmerkt, het 
verdrag volgens de normale wegen 
hier behandeld moet worden als wij 
dat althans wensen. De voorlopige 
toepassing zal al plaatsvmden, dus 
wat voegt een behandeling volgende 
week daaraan toe? 

De heer Van Traa (PvdA): Ik zou, 
gezien de laatste stand van zaken, in 
een kort debat willen spreken over 
de modaliteiten, waarmee de 
uitvoering zal plaatsvinden. 

21 juni 1994 
Tweede Kamer Regeling van werkzaamheden TK79 79-5407 


Mevrouw Boers-Wijnberg (CDA) 

De voorzitter: Omdat de heer Van 
Traa om een brief vraagt, stel ik voor, 
ook het stenogram van dit deel van 
de vergadering door te geleiden naar 
het kabinet. 

De heer Van Traa (PvdA): Wij 
hebben de brief! 

De voorzitter: U wilt dus een debat 
volgende week, maar u hebt zich niet 
uitgelaten over de spreektijden. Ik zal 
morgen bij de regeling hierover een 
voorstel doen. Ik stel vast, dat het 
debat alleen over de brief gaat en 
niet over het onderliggende verdrag, 
om het simpele feit dat wij anders 
een dubbele behandeling krijgen. De 
heer Weisglas heeft daar terecht op 
geattendeerd. Ik begrijp evenwel zeer 
goed dat verwezen moet worden 
naar het verdrag om sommige 
aspecten van de brief te kunnen 
bespreken, maar dat wil niet zeggen 
dat wij het verdrag behandelen. 

De heer Van Traa (PvdA): Voorzitter! 
Dat lijkt mij een kunstmatige 
scheiding. Formeel kan de zaak 
worden opgelost door dit een 
hoofdlijnendebat over het voorlig– 
gende wetsvoorstel te noemen. 

De voorzitter: Ik zal morgen 
voorstellen doen over de spreektij– 
den. Het punt zal aan de agenda van 
volgende week worden toegevoegd. 

Daartoe wordt besloten. 

De voorzitter: Het woord is aan 
mevrouw Boers-Wijnberg. 

Mevrouw Boers-Wijnberg (CDA): 
Mijnheer de voorzitter! Gisteren 
hebben wij via de media kunnen 
vernemen, dat de staatssecretaris 
van Onderwijs en Wetenschappen 
maatregelen heeft genomen als 
reactie op de bestuurscrisis aan de 
Rijksuniversiteit te Leiden. Inmiddels 
heeft de staatssecretaris de Kamer 
per brief hierover geïnformeerd. Het 
betreft ingrijpende maatregelen op 
grond van de bevindingen van de 
ingestelde onderzoekscommissie. 

De CDA-fractie heeft er behoefte 
aan, over deze brief met de 
staatssecretaris te debatteren 
voordat de betreffende algemene 
maatregel van bestuur geslagen is. 
Gezien de ernst van de situatie en de 
zwaarte van de beschreven 
maatregelen, verzoek ik u daarom, 
mijnheer de voorzitter, om deze week 
ruimte te creëren op de kamer– 
agenda om een kort plenair debat 
over deze brief te kunnen houden. 

Mevrouw Netelenbos (PvdA): 
Voorzitter! De brief is naar de 
commissie gestuurd. Het is naar mijn 
mening beter om deze week tijdens 
de procedurevergadering te bezien, 
wat wij daarmee zullen doen. Ik heb 
er geen behoefte aan reeds in dit 

stadium te vinden dat er een plenair 
debat moet komen. Wij kunnen 
daarover donderdag in commissie– 
verband uitvoerig van gedachten 
wisselen. 

Mevrouw Boers-Wijnberg (CDA): 
Voorzitter! Gezien de ernst van de 
situatie en de ingrijpendheid van de 
maatregelen, zou ik toch bij mijn 
voorstel willen blijven. Met het oog 
op het tempo dat de staatssecretaris 
hierbij aan de dag legt, vind ik het 
niet verantwoord als deze Kamer 
zoveel tijd zou nemen voor een 
eigenstandige beoordeling van het 
beleid van de staatssecretaris. Het is 
ook in het belang van de staatssecre– 
taris als hierover snel duidelijkheid 
ontstaat. 

De voorzitter: Ik stel voor, dit punt 
aan de agenda toe te voegen, tenzij 
er behoefte is aan beraad in de 
commissie. Gezien de spoed 
waarover mevrouw Boers in haar 
verzoek sprak, zou de commissie 
vanmiddag in procedurevergadering 

bijeen moeten komen. 

Mevrouw Netelenbos (PvdA): Dan 
heb ik liever een aparte procedure– 
vergadering. 

Mevrouw Boers-Wijnberg (CDA): 
Dan zou ik mijn verzoek zodanig 
willen modelleren, dat ik u vraag 
deze week ruimte te creëren voor 
plenaire afhandeling van het 
algemeen overleg dat wij op dit punt 
zullen voeren, althans als de 
procedurevergadering tot die 
beslissing leidt. 

De heer Franssen (VVD): Voorzitter! 

Ik zal de commissie vanmiddag in 
vergadering bijeenroepen. 

De voorzitter: Ik zal er rekening mee 
houden dat het verzoek komt om dit 
punt aan de agenda van deze week 
toe te voegen. 

21 juni 1994 
Tweede Kamer Regeling van werkzaamheden TK79 


Aan de orde is de beantwoording 
van vragen, gesteld overeenkomstig 
artikel 122 van het Reglement van 
orde door het lid Schutte aan de 
minister van Verkeer en Waterstaat, 
over uitspraken van de minister 
over reacties in het buitenland 
op recente discussies met 
betrekking tot de Betuwelijn. 

D 

De heer Schutte (GPV): Voorzitter! 
Zoals bekend heeft de Kamer een 
halfjaar geieden een principebesluit 
genomen met betrekking tot de 
Betuwelijn. leder die erbij was, zal 
zich herinneren dat dit gebeurde na 
een pittig openbaar debat. De laatste 
tijd horen wij dat enkele van onze 
collega's, te gast bij het college van 
informateurs, proberen de discussie 
nog eens over te doen. De discussie 
schijnt opnieuw pittig te zijn, maar 
nu in beslotenheid. 

Dat heeft kennelijk niet kunnen 
verhinderen dat ook buiten ons land 
signalen daarover zijn opgevangen. 
De minister sprak voor de radio van 
"uitingen van bezorgdheid" over het 
niet nakomen van gemaakte 
afspraken. Het lijkt mij van belang 
dat zij ook de Kamer hiervan op de 
hoogte stelt. Dat kan hier in het 
openbaar. Alle vertegenwoordigde 
kleuren, van paars tot groen en 
oranje, kunnen dan de informatie 
krijgen die sommigen nu kennelijk 
nog missen. 

Ik heb enkele vragen. 

1. In welke zin hebben buiten– 
landse collega's van de minister hun 
bezorgdheid uitgesproken? 
2. Welke Europese of bilaterale 
afspraken zijn in het geding als 
besloten zou worden tot uitstel, 
wellicht afstel, van aanleg van de 
Betuwelijn? 
3. Stel dat, bijvoorbeeld om de 
kennelijk aanwezige meningsverschil– 
len binnen paars te verhullen, 
besloten zou worden tot een nieuw 
onderzoek naar alternatieven voor 
het genomen besluit, met welke 
vertraging moet dan rekening 
worden gehouden? 
4. Welke effecten verwacht de 
minister van een voortduren van de 
onzekerheid op de mogelijkheden 
van private financiering en op de 
positie van de overheid als 
onderhandelingspartner bij het 
plannen van grote infrastructurele 
werken? 
D 

Minister Maij-Weggen: Voorzitter! Ik 
dank de geachte afgevaardigde de 
heer Schutte voor zijn vragen. 
Tijdens het overleg in de 
EG-transportraad afgelopen 
maandag en dinsdag heb ik mijn 
Duitse collega gémformeerd - hij 
was daarover ook reeds door de 
media geïnformeerd - over een 
mogelijk uitstel van de aanleg van de 
Betuweüjn door de in aantocht zijnde 
al of niet paarse coalitie. Mijn Duitse 
collega heeft daarover zijn bezorgd– 
heid geuit. Ik kan melden dat mijn 
Duitse collega bij toeval - maar wel 
leuk - vanmorgen bij mij op bezoek 
was en wel om de voorstellen van 
het komende Duitse voorzitterschap 
van de EG aan mij voor te leggen en 
met mij te bespreken. Wij hebben 
toen opnieuw vrij uitvoerig over de 
Betuwelijn gesproken. Opnieuw heeft 
mijn Duitse collega mij gemeld dat 
hij bezorgd was over de voortgang 
van het project. Ik sluit niet uit dat hij 
dlt de media vanavond nog zal 
melden, want de journalisten waren 
kennelijk ook op de hoogte van het 
feit dat mijn Duitse collega op 
bezoek was. Mijn Duitse collega 
heeft vanmorgen gesteld dat hij 
ervan uitgaat dat Nederland zich aan 
de afspraken zal houden die eerder 
zijn gemaakt met Duitsland en die 
ook internationaal zijn gemaakt. 

Ik kom hiermee meteen bij de 
tweede vraag: welke afspraken zijn 
gemaakt met buurlanden en 
internationaal? Wij hebben met 
Duitsland een overeenkomst 
gesloten over de bouw van de 
Betuwelijn. Daarbij heeft Duitsland 
zich gecommiteerd aan zijn deel van 
die lijn. Als er sprake is van uitstel of 
afstel, moet die overeenkomst dus 
verbroken worden. Wij hebben 
bovendien samen met Duitsland het 
project Betuwelijn ingebracht voor 
het pakket Europese infrastructuur 
netwerken in het kader van de 
nieuwe infrastructuurpolitiek van de 
Europese Unie en dus niet de 
Europese Gemeenschap. De 
Betuwelijn behoort tot de projecten 
die de hoogste prioriteit moeten 
krijgen. Duitsland heeft drie 
projecten op dit vlak afgesproken, 
zowel met buurlanden als met de 
Europese Unie: een project met 
Frankrijk, een project met Zwitser– 
land en een project met Nederland. 
Dit betekent dat het project zowel 
vanuit de Europese Unie als vanuit 
Duitsland wordt beschouwd als een 

project dat de hoogste prioriteit moet 
krijgen. 

Wat kan vertraging bewerkstelli– 
gen? Vertraging kan bewerkstelligen 
dat het project later wordt aange– 
legd. Als wordt besloten tot een 
nader onderzoek - wat ik hier en 
daar hoor en lees - kan dat 
consequenties hebben voor de 
planologische kernprocedure. Als die 
moet worden herhaald, betekent een 
halfjaar uitstel feitelijk twee tot drie 
jaar uitstel. Dat kan voor Duitsland 
grote problemen geven, omdat men 
er daar op rekent dat Nederland een 
deel van zijn goederenvervoer 
overzet op de rails. Het kan echter 
ook de subsidie die is toegezegd 
vanuit de Europese Gemeenschap ter 
discussie stellen. De Europese 
Gemeenschap heeft enkele honder– 
den miljoenen guldens aan 
ondersteuning toegezegd, zij het 
onder de voorwaarde dat met het 
project voor 1 januari 1997 wordt 
begonnen. De schop moet voor die 
datum in de grond gaan. Vertraging 
kan dus behalve problemen met het 
buurland, ook de nodige problemen 
met de Europese Unie bewerkstelli– 
gen. 

Wat zal het gevolg zijn voor de 
private financiers? Wij hebben 
morgen aan de Erasmus universiteit 
een grote conferentie over private 
financiering van Nederlandse maar 
vooral ook Europese infrastructuur. 
Ook daar zijn de Betuwelijn en de 
hogesnelheidslijn belangrijke 
projecten die voorliggen. Wanneer er 
vertraging komt, zal de interesse van 
de private financiers voor private 
financiering en medefinanciering van 
Nederlandse projecten zich natuurlijk 
verplaatsen naar andere projecten. 
Dat ligt voor de hand. En aangezien 
er een goedkeuring van de Eerste en 
de Tweede Kamer ligt, zal men zich 
bovendien afvragen wat de 
afspraken die in Nederland worden 
gemaakt eigenlijk waard zijn. Er zal 
een algemeen beeld ontstaan dat 
men niet zeker kan zijn van afspraken 
met Nederland, ook wanneer die 
afspraken in de Eerste en de Tweede 
Kamer geëffectueerd zijn. Dat is een 
heel zorgelijk beeld. Dit zijn mijn 
antwoorden op de vragen van de 
heer Schutte, voorzitter. 

D 

De heer Schutte (GPV): Mijnheer de 

voorzitter! Ik dank de minister voor 

de door haar verstrekte informatie 

die, dunkt mij, erg relevant is als het 

21 juni 1994 
Tweede Kamer Vragen TK 79 79-5409 


De heer Leers ICDA) 

gaat om de uitvoering van belang– 
rijke besluiten die de Kamer heeft 
genomen. Mag ik ervan uitgaan dat 
de minister deze informatie, die haar 
voor een deel ook pas vanmorgen 
geworden is, onder de bijzondere 
aandacht van de minister van 
Financiën wil brengen? In zijn 
verschillende hoedanigheden zal hij 
er belang in stellen. 

Het lijkt mij goed dat ook een 
aantal direct betrokkenen uit de 
Kamer helder formuleren waar zij op 
dit moment staan. Er zijn allerlei 
uitspraken in de pers gedaan die er 
mede toe hebben bijgedragen dat in 
binnen– en buitenland onzekerheid is 
ontstaan. 

De PvdA-fractie heeft een heel 
duidelijke rol gespeeld bij de 
besluitvorming. Zij had een helder 
standpunt. Mede dankzij haar 
stemgedrag is het besluit tot stand 
gekomen. Ik neem aan dat de heer 
Wöltgens graag wil bevestigen dat 
hij vindt dat het besluit van de 
Kamer zo snel mogelijk dient te 
worden uitgevoerd. Als de heer Kok 
spreekt van een beetje uitstel, kan 
dat toch niet betekenen een uitstel 
van twee a drie jaar? 

Van de VVD-fractie krijg ik graag 
een duidelijk antwoord op de vraag 
of zij de Betuwelijn nu wel of niet 
wil. Wil de fractie alleen een 
Betuwelijn als zij niets meer kost dan 
nu? Indertijd heeft deze fractie 
amendementen ingediend die de 

kosten ten opzichte van het 
regeringsvoorstel sterk zouden doen 
stijgen. De heer Bolkestein zegt nu: 
de lijn mag er komen, maar zij mag 
geen extra geld kosten. Tijdens het 
debat in december zei de heer 
Blaauw dat er geen haast bij was. 
Betekent dat dat wij rustig twee, drie 
jaar kunnen wachten? 

D 

Minister Maïj-Weggen: Voorzitter! Ik 
kan toezeggen dat ik mijn bevindin– 
gen van de gesprekken met mijn 
Duitse collega onder de aandacht zal 
brengen van de minister van 
Financiën. Overigens houdt 
laatstgenoemde zich goed op de 
hoogte van het vervolg van het 
project. Ik heb de indruk dat hij groot 
belang hecht aan de doorvoering 
ervan. Die indruk heb ik uit informa– 
tie die ik niet altijd direct ontvang. 

Ik onderstreep dat de VVD-fractie 
indertijd voor zo'n 5 mld. aan 
amendementen heeft ingediend. 
Tegen die achtergrond is het wat 
eigenaardig om te lezen dat men het 
project nu veel te duur vindt en te 
weinig rentabiliteit vindt hebben. Met 
dit probleem moet de VVD-fractie 
zelf maar wegkomen. 

D 

De heer Wöltgens (PvdA): Mijnheer 

de voorzitter! Ik constateer met 

verbazing dat mevrouw Maij in deze 
Europese zaak het Duitse leiderschap 
accepteert, waarvan akte. 

Zoals iedereen weet, worden de 
informateurs en de onderhandelaars 
bedolveri onder alle mogelijke 
adviezen. Ik neem aan dat dit er één 
van is. 

D 

De heer Leers (CDA): Voorzitter! Ook 
bij de CDA-fractie leven vragen over 
mogelijk uitstel van de Betuwelijn, 
waartoe "paars" op dit moment 
schijnt te neigen. Ik wil mij in zijn 
algemeenheid aansluiten bij de 
vragen van de heer Schutte. Ik vind 
dat de heer Wöltgens daar een beter 
antwoord op moet geven. Met het 
antwoord van daarnet kunnen wij 
niks. Misschien is dat zijn bedoeling, 
maar het gaat ook om duidelijkheid 
voor de betrokkenen. Wat betekent 
het geopperde uitstel voor de 
voortgangswerkzaamheden rond het 
Tracébesluit en met name voor de 
mensen die benaderd zuüen worden 
met het oog op onteigening en/of 
schadevergoeding? Worden deze 
mensen niet echt de dupe van de 
besluiteloosheid die op dit moment 
ontstaat? 

D 

Minister Maij-Weggen: Voorzitter! In 
reactie op de heer Wöltgens zeg ik 
dat er een eenvoudige leidraad is. 
Als ons iets van de Duitsers bevalt, 
vinden wij het prima. Als ons iets 
niet bevalt, vinden wij het niet goed. 
Dat laten wij dan ook merken. In het 
algemeen vind ik dit een goede 
houding. 

De procedure rond het Tracébe– 
sluit gaat door, totdat een nieuw 
kabinet blijk geeft van een andere 
mening. Ik deel de zorgen van de 
heer Leers voor de burgers. Hoe 
langer de besluitvorming over dit 
project duurt, hoe langer de 
onzekerheid bij de burgers stand 
houdt. Als ik uit andere projecten 
één les heb geleerd, dan is het wel 
dat alle burgers, van links tot rechts, 
op den duur zeggen: alle discussies 
zijn prima, maar geef ons in 
hemelsnaam zekerheid over datgene 
wat er gaat gebeuren. Ik hoop dat dit 
punt door welke coalitie dan ook in 
overweging zal worden genomen. 

De heer Blaauw (WD): Voorzitter! 

21 juni 1994 
Tweede Kamer Vragen TK79 79-5410 


Blaauw 

Een goed Nederlands spreekwoord 
is: beter ten halve gekeerd dan ten 
hele gedwaald. Misschien dat ik dat 
hierbij mag uitspreken. Verder is het 
natuurlijk interessant dat de heren 
Schutte en Leers willen meeroeien 
bij de informatiepoging, maar deze 
keer zijn zij niet uitgenodigd. 

D 

De heer Van den Berg (SGP): 
Voorzitter! De SGP-fractie constateert 
met groot genoegen dat de paarse 
coalitie, zoals die kennelijk in 
voorbereiding is, steeds verder in de 
richting van de SGP opschuift, 
althans bij dit onderwerp. Wij hopen 
dat dit ook op andere punten zo zal 
zijn, maar dat zal nog moeten blijken. 

Ik wil hierbij één punt benadruk– 
ken: de geloofwaardigheid van de 
overheid. Die stond in de hele 
discussie rond de Betuwelijn al sterk 
onder druk. Mijn fractie heeft destijds 
een nadere onderzoek ter voorberei– 
ding van een beter onderbouwd 
besiuit bepleit. 

Moet de onzekerheid voor de 
burgers nu blijven bestaan? Op dit 
punt sluit ik mij aan bij de woorden 
van de heer Leers, op andere punten 
niet. Mijn fractie vindt ook dat de 
onzekerheid niet moet blijven 
bestaan. Ligt het dan niet op de weg 
van de minister om de nu gaande 
zijnde procedures, met name de 
aangekondigde extra inspraakronde, 
stop te zetten in afwachting van 
definitieve besluitvorming? Er 
worden nu steeds meer gevoelens 
van onrust bij de mensen gecreëerd 
of verwachtingen gewekt die wellicht 
niet zullen worden waargemaakt. 
Kortom, zijn wij op dit moment niet 
bezig, de situatie voor de burger 
alleen maar erger te maken? 

D 

Minister Maij-Weggen: Voorzitter! Er 
is geen aanleiding om de procedure 
stop te zetten. Het demissionaire 
kabinet kan immers de in gang 
gezette projecten voortzetten. Een 
volgend kabinet kan die procedure 
natuurlijk wel stopzetten; dat is dan 
volstrekt de verantwoordelijkheid van 
dat volgende kabinet. Op dit moment 
wordt de onzekerheid niet door het 
demissionaire kabinet veroorzaakt, 
maar door de besprekingen die 
plaatsvmden over de paarse coalitie. 

De heer Blaauw kan ik zeggen dat 
naar mijn oordeel het niet laten 
doorgaan van dit project een van de 

grootste dwalingen aan het einde 
van dit decennium zal betekenen. 
Maar de tijd zal leren wie gelijk heeft. 

D 

De heer Rosenmöller (GroenLinks): 
Voorzitter! Het viel mij op dat de 

heer Schutte een element uit het 
informatieproces nader in de 
openbaarheid bracht. Hij zal zich 

herinneren dat ik een aantal weken 
geleden heb geprobeerd om het 
informatieproces meer in den brede 
aan een tussenbalans... 

De voorzitter: Ik verzoek u wel bij 
het onderwerp te blijven. 

Oe heer Rosenmöller (GroenLmks): 
Dat doe ik zeer zeker, voorzitter. 

De voorzitter: Ik heb het idee dat u 
aan het afdwalen bent. 

De heer Rosenmöller (GroenLinks): 
Ik zal u ervan proberen te overtuigen, 
dat dat een verkeerd idee is. 

De voorzitter: En dat alles binnen 
één minuut? 

De heer Rosenmöller (GroenLinks): 
Zeker, maar ik hoop dat u mij die 
minuut gunt. De woorden van de 
heer Schutte stonden dus wat haaks 
op zijn bijdrage in dat debat van 
toen. 

De minister van Verkeer en 
Waterstaat vraag ik of het niet 
vreemd is om een substantieel deel 
van het overleg met een Duitse 
collega te vullen op basis van 
kranteberichten. Er is, denk ik, beleid 
van het Nederlandse kabinet. Hoe 
verhoudt zich dat tot geluiden die zij 
hoort? Of weet zij meer dan datgene 
wat wij uit de krant weten? 

Tot slot vraag ik de heer Schutte of 
hij een eventueel voorstel van ons 
steunt om het element "publieke 
informatie uit het informatieproces" 
in de laatste week voor het kamer– 
reces te agenderen ter bespreking 
ten principale met de informateurs. 

D 

Minister Maij-Weggen: Voorzitter! 
Het is helemaal niet vreemd dat een 
flink deel van een gesprek met mijn 
Duitse collega wordt gewijd aan het 
belangrijkste project dat wij samen 
op dit moment onderhanden hebben 
en dat kennelijk ter discussie wordt 
gesteld. Dat gebeurde niet alleen in 

kranteberichten, maar ook in 
mondelinge mededelingen van 
mensen die over de paarse coalitie 
overleggen. Ik heb de heer Bolke– 
stein en ook de heren Kok en Van 
Mierlo hier dingen over horen 
zeggen. Er wordt dus niet alleen in 
de kranten over deze kwestie 
geschreven; het is een kwestie die 
gewoon op straat ligt. Het is daarom 
ook volstrekt normaal dat er hier 
over gesproken wordt. 

Verder ben ik het - maar dit is een 
zijdelingse opmerking - volstrekt 
eens met de opmerking van de heer 
Rosenmöller over het gebrek aan 
openheid bij deze informatie. 

De voorzitter: De heer Schutte zal 
de vraag van de heer Rosenmöller 
beantwoorden, uiteraard alleen voor 
zover het om de Betuwelijn gaat. 

D 

De heer Schutte (GPV): Voorzitter! 
Ook als het om de Betuwelijn gaat, 
zal ik mijn standpunt handhaven, dat 
de Kamer de informateurs niet ter 
verantwoording moet roepen. Dit is 
mijn standpunt geweest bij het 
bepalen van mijn stemgedrag over 
de motie-Jurgens/Mateman. Deze 
vraag zou dus met recht gesteld 
kunnen worden aan de vertegen– 
woordiger van de CDA-fractie die 
deze motie mede heeft ingediend. 

De voorzitter: Alleen voor zover het 
om de Betuwelijn gaat. 

Aan de orde is de beantwoording 
van vragen, gesteld overeenkomstig 
artikel 122 van het Reglement van 
orde door het lid Duivesteijn aan de 
staatssecretaris van Volkshuisvesting, 
Ruimtelijke Ordening en Milieube– 
heer, over de stijging van de 
feitelijk te betalen huur die 
uitgaat boven de maximaal 
toegestane huurverhoging. 

De voorzitter De heer Duivesteijn 
zal zijn maidenspeech houden, maar 
het lijkt mij beter dat we de vragen 
toch achter elkaar door doen. Dat 
komt de levendigheid ten goede. 

D 

De heer Duivesteijn (PvdA): 
Voorzitter! Ik heb voor beide slechts 
een half uur nodig. Wat dat betreft is 
het dus geen probleem. 

21 juni 1994 
Tweede Kamer Vragen TK79 79-5411 


Duivesteijn 

Ik wil graag direct tot de kern van 
de zaak komen. In de Amersfoortse 
Courant van 31 mei jl. kwamen de 
eerste berichten door over exces– 
sieve huurstijgingen bij ontvangers 
van de individuele huursubsidie. De 
huurstijging heeft normaal gespro– 
ken een maximum van 6%, maar 
huurders met een individuele 
huursubsidie zouden te maken 
krijgen met huurstijgingen van meer 
dan 25%, soms zelfs 30%. Inmiddels 
heeft de Kamer een brief van de 
Nederlandse Woonbond bereikt, 
waarin deze berichten bevestigd 
worden. En dan zwijg ik nog maar 
van de vele telefoontjes van in 
paniek geraakte ontvangers van 
huursubsidie, die wij inmiddels 
hebben mogen ontvangen. 

De stijging van de te betalen huur 
is gedeeltelijk te verklaren uit de per 
1 juli 1992 en 1 juli 1993 ingevoerde 
bezuinigingsmaatregelen. Er zou 
echter sprake zijn van een cumulatie 
van maatregelen aan het einde van 
de overgangsperiode. Wij hebben 
het dan met name over de franchise 
voor alleenstaanden en over de 
diverse jaarlijks wisselende 
inkomensijkpunten, waaronder het 
arbeidskostenforfait. 

Tijdens de in de Kamer gevoerde 
discussie over het afschaffen van de 
franchise is gesproken over de grote 
effecten van deze maatregelen op 
termijn. Hoewel de nu genoemde 
bedragen en percentages toen niet 
genoemd zijn door de staatssecreta– 
ris, heeft het PvdA-lid de heer De 
Pree gevraagd om een nadere 
precisering van de lange– 
termijneffecten. Door gebrek aan tijd 
bij de behandeling van de betref– 
fende wetswijziging zijn de vragen 
niet afdoende beantwoord. De 
staatssecretaris heeft toegezegd 
schriftelijk te zullen reageren. Voor 
zover ik echter heb kunnen nagaan, 
is deze schriftelijke beantwoording 
nooit gekomen. Wat is de reden dat 
de staatssecretaris de vragen van de 
heer De Pree nooit heeft beant– 
woord? 

Voorzitter! Ik wil graag de 
volgende vragen stellen. Is het juist 
dat een alleenstaande, jonger dan 65, 
met een belastbaar inkomen van 
/ 28.000 en een huur van ƒ 510 die 
in 1993 ƒ 110 IHS kreeg, bij een 
gelijkblijvend inkomen en een huur 
van / 538 in 1994 nog slechts 

ƒ 30 IHS ontvangt? Dit betekent een 
huurverhoging van 23,9% en een 
huurquote van 34,1%. 
Ik noem een tweede voorbeeld. 

De voorzitter: U moet nu echt gaan 
afronden. U bent meer dan een 
minuut over uw tijd. 

De heer Duivesteijn (PvdA): 
Voorzitter! Ik zal dan de vragen toch 
nog even stellen. 

Erkent de staatssecretaris het op 
grote schaal voorkomen van 
dergelijke forse nettohuur– 
verhogingen, waarvan de Woonbond 
hem vele voorbeelden ter beschik– 
king heeft gesteld? Kan de staatsse– 
cretaris daarbij ook ingaan op de 
verhoging van het arbeidskosten– 
forfait, die technisch niet goed in de 
tabellen te verwerken zou zijn? Deze 
zou vooral voor niet werkende 
ontvangers van individuele huursub– 
sidie tot een lagere huursubsidie 
leiden. Wil de staatssecretaris 
aangeven op welke wijze 
huursubsidie-ontvangers op de 
subsidie-achteruitgang per 1 juli zijn 
voorbereid? Wordt hij benaderd door 
verontruste huurders? En hoe is zijn 
reactie daarop? Is de staatssecretaris 
bereid op zeer korte termijn 
maatregelen te overwegen, teneinde 
deze excessieve huurverhogingen als 
gevolg van kortingen op de 
individuele huursubsidie ongedaan 
te maken dan wel te nuanceren? 

D 

Staatssecretaris Heerma: Mijnheer 
de voorzitter! De heer Duivesteijn 
stelt een aantal vragen naar 
aanleiding van de huurverhoging en 
de effecten daarvan voor bepaalde 
groepen mensen die individuele 
huursubsidie ontvangen. De eerste 
vraag luidt: is er op grote schaal 
sprake van zeer forse nettohuur– 
verhogingen, zoals wordt gesigna– 
leerd in een persbericht van de 
Woonbond? Dat is mij in de loop van 
vorige week bekend geworden. De 
heer Duivesteijn heeft daar op 9 juni 
vragen over gesteld. Ik ben de 
afgelopen twaalf dagen niet in staat 
geweest, die vragen te beantwoor– 
den. Deze vragen zijn echter 
vervangen door de nu gestelde 
mondelinge vragen. Voor zover het 
mij in het kader van deze monde– 
linge beantwoording gegeven is, zal 
ik daarop zo goed mogelijk ingaan. 

De nettohuurverhogingen zullen 
effecten hebben - de heer Duive– 
steijn noemt dit aspect in zijn eerste 
vraag - voor ontvangers van 
individuele huursubsidie. Voor 
sommige groepen kunnen die door 
de cumulatie fors zijn. In feite zijn 

hiervoor drie redenen. Ten eerste 
noem ik de normale werking van de 
kwaliteitskorting in de Wet op de 
individuele huursubsidie. Ten tweede 
vermeld ik de wijzigingen die op 1 
juli 1992 in de wet zijn opgenomen 
als uitvloeisel van de Tussenbalans 
en de overgangstabellen die daarin 
zitten. Daarbij ging het om meer 
maatregelen, waarvan de volgende 
vier er enkele zijn: de aanpassing van 
de maximuminkomensgrens aan de 
doelgroepengrens, het afschaffen 
van de franchise voor alleenstaanden 
beneden de 65 jaar, de grondslag 
100/70 bij de verhouding tussen 
alleenstaanden en meerpersoons– 
huishoudens, die in de sociale 
zekerheid ook voorkomt, en het 
brengen van de maximale huurgrens 
voor jongeren naar een huurniveau 
van ƒ 450 maandelijks. Als vijfde 
maatregel noem ik nog de aanpas– 
sing van de grenzen in de huursubsi– 
die op modaal inkomensniveau aan 
de minimumloonontwikkeling. Dat 
ging bij de IHS-tabellen om de 
inkomensijkmomenten: een 
inkomensijkpunt aan de onderkant 
bij het bijstandsinkomen en een 
tweede inkomensijkpunt op modaal 
niveau bij het niveau van de 
minimumloonontwikkeling. 

Voorzitter! Hier zijn twee elemen– 
ten in de fiscale sfeer bijgekomen. 
De Wet op de individuele huursubsi– 
die - dat is het derde cluster van 
potentiële effecten - gaat uit van het 
belastbaar inkomen en niet van het 
netto-inkomen. Doen zich in de 
fiscale sfeer ontwikkelingen voor 
zoals de aanpassing van het 
arbeidskostenforfait - deze heeft zich 
ook voorgedaan - dan hebben die 
effecten op de opbouw van het 
belastbare inkomen dat in de Wet op 
de individuele huursubsidie wordt 
genoemd. 

Op de vraag die de heer Duiveste– 
ijn op 9 juni schriftelijk heeft 
ingediend, heb ik de effecten 
bekeken, zodat ik mij tegenover de 
Kamer kon verantwoorden in het 
kader van de behandeling van het 
wetsvoorstel dat indertijd aan de 
orde was. Ik ben niet in staat om hier 
verschillende casusposities monde– 
ling te behandelen, maar ik ben wel 
bereid om de Kamer, zo mogelijk 
volgende week het antwoord 
schriftelijk te geven. Dan zal ik er 
dieper op ingaan. Gelet op de 
behandeling van de wet, hecht ik 
eraan mij op dit punt tegenover de 
Kamer te verantwoorden. 

21 juni 1994 
Tweede Kamer Vragen TK79 79-5412 


Heerma 

Voorzitter! De tweede vraag van 
de heer Duivesteijn betrof het 
causale verband tussen de drie door 
mij aangegeven clusters. Dat 
verband wordt gevormd door de 
kwaliteitskorting, de wetswijziging in 
juli 1992 alsmede maatregelen in de 
fiscale sfeer die doorwerken op de 
grondslag van het belastbare 
inkomen. 

Ik meen hiermede de kern van de 
vragen van de heer Duivesteijn te 
hebben beantwoord. 

D 

De heer Duivesteijn (PvdA): 
Voorzitter! Dat waren nog maar een 

paar vragen! Een van mijn belang– 

rijkste vragen is nog niet beant– 
woord. Deze vraag luidde of de 
staatssecretaris kan aangeven op 
welke wijze ontvangers van 

huursubsidie op de subsidie– 
achteruitgang per 1 juli zijn 
voorbereid. Waarom hebben de 
burgers nog geen informatie 
gekregen, terwijl zij toch te maken 
krijgen met subsidieverlagingen van 
soms ƒ 120 a ƒ 135 per maand. 

De staatssecretaris heeft aangege– 
ven dat de subsidieregeling 
buitengewoon complex is, zelfs zo 
complex dat hij haar nu niet kan 
uitleggen. Ik verwacht echter van 
hem dat hij fundamenteler op de 
oorzaken ingaat. Op 1 juli 1994 gaat 
wel voor iedereen de nieuwe huur in, 
ook de nieuwe huursubsidieregeling. 
Is de staatssecretaris bereid, in het 
mondeling overleg dat inderdaad op 
zeer korte termijn zal moeten 
plaatsvinden natuurlijk niet alleen de 
informatie te geven, maar ook 
mogelijkheden aan te reiken om deze 
excessieve en voor zover ik heb 
begrepen onbedoelde huur– 
verhogingen ongedaan te maken? 

D 

Staatssecretaris Heerma: Voorzitter! 
De heer Duivesteijn stelt in tweede 
termijn erg veel elementen aan de 
orde van ongelijksoortig gewicht. Ik 
signaleer dat slechts, zonder dit te 
kwalificeren. Dat laatste zou mij ook 
niet passen. 

Is de staatssecretaris niet in staat 
om een en ander uit te leggen? Ik 
moet de heer Duivesteijn erop wijzen 
dat deze veronderstelling op een 
misverstand berust. Hij heeft op 9 
juni vragen gesteld. Wil ik deze 
vragen op een correcte wijze 
beantwoorden dan heb ik daarvoor 

volgens het Reglement van orde een 
bepaalde termijn. Ik acht mij in staat 
om binnen die termijn mij te 
verantwoorden. Ik heb dat reeds in 
eerste termijn geantwoord. 

De heer Duivesteijn heeft 
gemeend binnen de termijn van drie 
weken, namelijk na twaalf dagen, 
reeds mondelinge vragen te moeten 
stellen. Dat is zijn goed recht. Ik kan 
niet anders dan antwoorden wat nu 
mogelijk is. Vandaar dat ik heb 
voorgesteld volgende week de 
Kamer daarover meer gedetailleerd 
te antwoorden, zij het schriftelijk. 

Het persbericht van de Woonbond 
is genoemd. Van een paar elementen 
in dat persbericht neem ik afstand, 
onder andere dat er sprake zou zijn 
van verkeerde tabellen. 

De heer Duivesteijn (PvdA): Ik heb 

die persberichten niet genoemd. 

Staatssecretaris Heerma: Ik dacht 
dat er gewezen werd op voorbeel– 
den. De bronvermelding neem ik dan 
voor mijn verantwoording. 

Er is een brief aan de Kamer 
gestuurd, inclusief een persbericht 
van de Woonbond waarin staat dat 
er sprake zou zijn van verkeerde 
tabellen. Mij is daarvan niets bekend. 
Mij is ook niet bekend dat er sprake 
is van sluipenderwijze uitgevoerde 
kortingen of van versneld doorge– 
voerde bezuinigingen. Een en ander 
is het gevolg van de implementatie 
van de in deze Kamer behandelde 
wet die is ingevoerd op 1 juli 1992. 

Het tweede cluster dat ik noemde, 
naast kwaliteitskortingen, betreft 
maatregelen in de fiscale sfeer. Als 
voorbeeld noem ik het 
arbeidskostenforfait. Dat werkt door. 

De heer Duivesteijn (PvdA): 
Voorzitter! Mag ik even een 
misverstand uit de weg ruimen? 

De voorzitter: Neen, wij kennen 
geen interrupties bij het vragenuur. 

Staatssecretaris Heerma: De 
conclusie moet dus zijn dat de 
gevolgen een uitvloeisel zijn van de 
wet die op 1 juli 1992 van kracht is 
geworden alsmede van maatregelen 
in de fiscale sfeer. Ik zal de Kamer 
daarover volgende week in een brief 
uitgebreid informeren. 

De heer Duivesteijn heeft voorts 
een vraag gesteld over de voorlich– 
ting. In april is hierover via een 
circulaire aan alle betrokkenen 
reguliere voorlichting gegeven. Dat is 

vorig jaar april ook gebeurd. Bij de 

overgangstabellen is er sprake van 

een periode van drie a vier jaar, 

waarvan dit het tweede jaar is. De 

wet is immers op 1 juli 1992 

ingevoerd. 

Voorzitter! Als er na ommekomst 
van de brief die ik in het vooruitzicht 
stelde, nog nadere vragen zijn, dan is 
het aan de Kamer om het gemeen 
overleg met de regering voort te 
zetten. Ik ben er uiteraard graag toe 
bereid mij verdergaand te verant– 
woorden. 

D 

De heer Van Erp (VVD): Voorzitter! 
De staatssecretaris heeft toegezegd 
dat er een brief over deze materie 
komt. Wil hij in die brief ook ingaan 
op een drietal elementen? Ik noem in 
de eerste plaats de suggestie van de 
heer Duivesteijn dat de huren per 1 
juli met 6% verhoogd worden. Ik 
meen in ieder geval dat dat niet waar 
is. 

In de tweede plaats is de 
staatssecretaris ongetwijfeld op de 
hoogte van de brief van de Woon– 
bond van 17 juni. In die brief wordt 
gesuggereerd dat de stijgingen in 
strijd zijn met de afspraken die met 
de Tweede Kamer zijn gemaakt. Wil 
de staatssecretaris daarop ingaan? 

In de derde plaats wil ik nog iets 
zeggen over de voorlichting. Mij is 
bekend dat regelmatig is geadver– 
teerd met een telefoonnummer van 
het ministerie. Daar kan men 
brochures aanvragen. Hoeveel 
brochures zijn via dat nummer 
aangevraagd? 

D 

Staatssecretaris Heerma: Voorzitter! 
De heer Van Erp heeft allereerst 
gevraagd of ik zicht heb op de 
verwachte gemiddelde huur– 
verhoging als resultaat van de 
huursombenadering per 1 juli a.s. 
Zoals bekend zijn definitieve cijfers 
aan de hand van het Centraal bureau 
voor de statistiek pas in het najaar 
beschikbaar. Een onderzoek van de 
Nationale woningraad leert dat de 
inschatting is dat die verhoging zal 
liggen tussen 4,7% en 4,8%. Dat 
spoort met de verwachting die ik heb 
uitgesproken in de brief van 3 
december aan de Kamer. Daarin 
sprak ik van 4,75%. Ik zal de Kamer 
dit najaar gedetailleerder kunnen 
informeren aan de hand van de 
feitelijke meting van het Centraal 

21 juni 1994 
Tweede Kamer Vragen TK79 


willen doen dat het absoluut 
ongewenst is dat een eventuele 
cumulatie van bepalingen zou 
kunnen leiden tot huurverhogingen 
van 20% of een kleine 25% voor 
bepaalde groepen? Als dat effect 
optreedt, is de staatssecretaris dan 
bereid om daar maatregelen tegen te 
nemen? Wij kunnen dat die groep 
mensen in Nederland immers 

absoluut niet aandoen. 

D 

Staatssecretaris Heerma: Voorzitter! 
De eerste vraag was gericht aan het 
adres van de heer Duivesteijn of aan 
de PvdA-fractie. Ik kan, met de heer 
Rosenmöller, onderstrepen dat er in 
de Kamer vrij brede steun was voor 
het wetsvoorstel, zoals dat op 1 juli 

1992 in werking is getreden. Mij is 

niet ontgaan dat de toenmalige 

fractie van GroenLinks in de totale 

afweging tot de conclusie is 

gekomen, dat wetsvoorstel niet te 

moeten steunen. 

De tweede vraag van de Rosen– 
möller is inderdaad een politieke 
vraag. Als het kabinet, met instem– 
ming van de Kamer, besluit om het 
onderscheid tussen werkenden en 
niet-werkenden te vergroten door in 
de fiscale sfeer te werken met het 
arbeidskostenforfait, dan heeft dat 
gevolgen. De mate waarin dat 
gevolgen heeft, zal blijken uit de 
brief die ik de Kamer voor volgende 
week in het vooruitzicht heb gesteld 
en waarin het effect van de drie 
clusters naar voren komt. De eerste 
twee clusters zijn de gewone 
kwaliteitskorting en de opgesomde 
aanpassingen naar aanleiding van de 
Tussenbalans. Op basis van de ook 
in het wetsvoorstel opgenomen 
ijkpunten kunnen discrepanties 
optreden tussen de jaarlijkse 
inkomensontwikkeling op minimum– 
niveau en de feitelijke inkomens– 
ontwikkeling. Dat levert, als men dat 
door de jaren bekijkt, verschillende 
verhoudingen op, maar dat is een 
uitvloeisel van de wetswijziging. Het 
derde cluster wordt gevormd door 
de fiscale maatregelen, zoals het 
arbeidskostenforfait. 

Als men keuzen maakt zoals voor 

het arbeidskostenforfait en voor de 

maatregelen die zijn opgenomen in 

de wijziging van de op 1 juli 1992 

ingegane Wet op de individuele 

huursubsidie, denk ik niet dat het 

mogelijk is om soms forse inkomens– 

effecten te voorkomen. Daarover is 

toen ook gediscussieerd. Ik vind wel 

Staatssecretaris Heerma van Vo/kshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer 

bureau voor de statistiek. Dat heb ik 
vorig jaar ook gedaan via mijn brief 
van 3 december. 

Voorzitter! De tweede vraag wordt 
gesteld naar aanleiding van de brief 
aan de Kamer waarin tevens het 
persbericht aan de orde is. Ik hecht 
eraan uit dat persbericht te citeren. 
Daarin staat: de uitkomsten lijken - ik 
wijs op het woord "lijken" - in strijd 
met de afspraken over de huursubsi– 
die die staatssecretaris Heerma in 
1992 met de Tweede Kamer heeft 
gemaakt. De bond heeft staatssecre– 
taris Heerma naar aanleiding van die 
schokkende cijfers om opheldering 
gevraagd. Ik dacht dat de heer Van 
Erp zijn vraag stelde naar aanleiding 
van deze passage. Ik ben mij niet 
bewust van een frictie tussen de 
cumulatie van punten die ik zojuist 
naar aanleiding van de vragen van 
de heer Duivesteijn heb gegeven, en 
de informatie die ik bij de behande– 
ling van het wetsvoorstel heb 
gegeven. Ik wil wel wijzen op de 
fiscale wijzigingen, zoals het 
arbeidskostenforfait, die sindsdien 
zijn opgetreden. Ik zal mij daarover 
systematisch verantwoorden in de 
brief van volgende week. Ik hoop dat 
"lijken" dan wordt veranderd in 
"blijken dat het niet zo is". Dat is 
mijn vertrekpunt en ook mijn indruk. 

Naar aanleiding van de laatste 
vraag van de heer Van Erp, zeg ik toe 
dat ik het exacte antwoord in de brief 

zal geven. Ik heb dat op dit moment 
niet paraat. 

D 

De heer Rosenmöller (GroenLinks): 
Voorzitter! De staatssecretaris zal 
zich herinneren dat de afgelopen 
jaren tussen de fractie van Groen– 
Links en hem stevige debatten 
hebben plaatsgevonden over de 
omvang van de huurverhoging. Wij 
vonden de huurverhoging de 
afgelopen jaren te hoog. Ik wil graag 
twee aanvullende vragen stellen. 

De eerste vraag stel ik in de 
richting van de fractie van de Partij 
van de Arbeid. Ik denk dat de heer 
Duivesteijn zelf die vraag moeilijk 
kan beantwoorden. Waarom is die 
fractie akkoord gegaan met het 
wetsvoorstel, waarvan nu blijkt dat 
het een huurverhoging van tientallen 
procenten als mogelijk ongewenst 
effect heeft? Een kleine 25% is 
genoemd. Wij hebben geen steun 
verleend aan het wetsvoorstel. De 
fractie van de Partij van de Arbeid 
heeft dat wel gedaan. Dat vraagt om 
een verduidelijking. Waarom heeft zij 
die steun wel verleend? 

Ik heb nog een laatste vraag aan 
de staatssecretaris. Nadere informa– 
tie is uitermate welkom. Ik heb er 
begrip voor dat niet alle technische 
vragen nu beantwoord kunnen 
worden. Zou de staatssecretaris 
echter in politieke zin de uitspraak 

21 juni 1994 
Tweede Kamer Vragen TK79 79-5414 


Heerma 

dat hierover goede voorlichting moet 
zijn. Dat zal ook afhangen van de 
vraag hoe groot de desbetreffende 
groepen zijn. Ik wijs er nadrukkelijk 
op dat deze effecten zich beneden in 
het IHS-gebouw, bij de lage 
inkomens, niet voordoen of althans 
niet in cumulatieve zin. Dit zal blijken 
uit de brief van volgende week. 

D 

Oe heer Duivesteijn (PvdA): Het 
gaat hier zo goed als zeker niet om 
de toepassing van de wet, maar over 
de optredende cumulatie als gevolg 
van de verschillende maatrcgelen. Ik 
denk ook dat dit duidelijk zal worden. 

D 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Voorzitter! Ik heb een aantal vragen 
voor de staatssecretaris. Als hij 
voorlichting heeft gegeven, dan 

betekent dit ook dat hij keurige 
tabellen heeft opgesteld. Is het op 
het departement niet opgevallen dat 
die tabellen aanmerkelijk verschilden 
van de situatie in het voorafgaande 
jaar, in de mate die door de heer 
Duivesteijn is weergegeven? 

Bij de behandeling van de effecten 
van de Tussenbalans en de 
aanpassingen daarvan hebben wij 
ernstig gewaarschuwd voor de 
effecten op de alleenstaanden. Die 
twee punten heeft de staatssecretaris 
ook genoemd als oorzaak daarvan. Ik 
vraag de staatssecretaris om 
volgende week in de - overigens 
door mij toegejuichte - brief de 
specifieke effecten daarvan in het 
totaal van deze negatieve uitkomst 
uit te lichten. 

Wij hebben ook regelmatig 
gewaarschuwd tegen de ingewikkeld– 
heid van het totaal bij de individuele 
huursubsidie. Op dat punt staat mij 
bij dat er nog steeds een vereenvou– 
diging op tafel moet komen. Ik dank 
de staatssecretaris in ieder geval 
voor het feit dat hij volgende week 
met een uitvoerig antwoord naar de 
Kamer komt en dat hij zich hiervoor 
wenst te verantwoorden. 

Staatssecretaris Heerma: Voorzitter! 
Is het het departement niet opgeval– 
len dat er verschillen waren tussen 
de tabellen die betrekking hebben op 
het tijdvak tussen 1 juli 1994 en 1 juli 
1995 en de tabellen over het tijdvak 
tussen 1 juli 1993 en 1 juli 1994? Het 

antwoord luidt "ja". Het is een 

uitvloeisel van de uitvoering van de 
wet. De invoergegevens vloeien uit 
de wet voort Ik zal de verschillende 
elementen vermelden in de brief die 

ik in het vooruitzicht heb gesteld. 

Voorzitter! Mevrouw Versnel heeft 
gevraagd of ik specifieke aandacht 
wil geven aan de alleenstaanden, de 
éénpersoonshuishoudens in relatie 
tot de meerpersoonshuishoudens. 
Gezien de aard van de wijziging van 
de wet, ligt dat in de rede. 

Voorzitter! Er is sprake van een 
ingewikkeld wetsvoorstel. Bij de 
behandeling van de wijziging die per 
1 juli 1992 is ingevoerd, is daarover 
gesproken. Het is een van de 
elementen die meegenomen worden 
in de studie "Individuele huursubsi– 
die in perspectief", die een jaar 
geleden is aangekondigd. Als ik het 
mij goed herinner, heb ik tijdens die 
gedachtenwisseling de vraag 
opgeworpen, of het niet beter is dat 
bepaalde elementen in een algemene 
maatregel van bestuur worden 
vastgeiegd. Dat is flexibeler dan het 
steeds maar wijzigen van de wet. 
Onder meer van de kant van de 
fractie van D66 werd toen gezegd dat 
het in de wet moest blijven. Dat laat 
onverlet de afspraak, dat wordt 
gekeken naar een generale vereen– 
voudiging. 

D 

De heer Poppe (SP): Mijnheer de 
voorzitter! Ik verbaas mij over dit 
korte debatje. Vier jaar lang heb ik 
mij kwaad gemaakt over de 
gigantische huurverhogingen die de 
coalitie tot stand heeft gebracht. Nu 
heb ik van een coalitiegenoot 
begrepen dat er zelfs twee soorten 
huurverhogingen zijn, namelijk de 
bedoelde en onbedoelde. Ik moet 
vaststellen, dat de onbedoelde 
huurverhogingen voor de alleen– 
staanden krankzinnig zijn. De huren 
gingen in één keer met 25% 
omhoog. Het is evenzeer schandelijk 
dat de afgelopen vier jaar de huur 
voor iedereen met ruim 25% 
omhoog is gegaan, terwijl de 
huursubsidie naar beneden ging. 

Ik zou aan de heer Duivesteijn 
willen vragen of hij afstand neemt 
van het beleid, waarvan de onbe– 
doelde huurverhoging een gevolg is. 
Neemt hij afstand van het beleid van 
zijn partij? Aan de staatssecretaris 
wil ik vragen of hij in zijn antwoord 
een goed onderscheid wil maken 

tussen de bedoelde en de onbe– 

doelde huurverhogingen. 

D 

Staatssecretans Heerma: Mijnheer 

de voorzitter! In mijn verkeer met de 

Kamer is het gebruikelijk een 

onderscheid te maken tussen 

bedoelde en onbedoelde effecten. 

D 

De heer Duivesteijn (PvdA): 
Voorzitter! Een huurverhoging als 
gevolg van bewust handelen is zeer 
goed te verdedigen. Een huur– 
verhoging als gevolg van onbedoeld 
effecten is iets, waarover hier 
gesproken moet worden. Dat lijkt mij 
heel zuiver. 

D 

Mevrouw Van der Burg (PvdA): 
Mijnheer de voorzitter! De Neder– 
landse Woonbond heeft onderzoek 
gedaan naar de stijging van de 
huren, exclusief de individuele 
huursubsidie. Van de kant van het 
ministerie is geconstateerd, dat het 
geconstateerde effect feitelijk juist is. 
Nu hoor ik van de staatssecretaris, 
dat nog moet blijken of het juist is. Ik 
zou daarover helderheid willen 
hebben. 

Zou de staatssecretaris in de 
notitie willen ingaan op de vraag, 
welke maatregelen op korte termijn 
mogelijk zijn om het onbedoelde 
effect - iedereen is het erover eens, 
dat dit niet de bedoeling is geweest weg 
te nemen? 

D 

Staatssecretaris Heerma Mijnheer 
de voorzitter! Het lijkt mij niet goed 
wanneer het departement met twee 
monden spreekt, een ambtelijke 
mond en een bestuurlijke mond. 
Daarvan is dan ook geen sprake. 
Daarnaast moet de Woonbond in een 
collegiale sfeer vrije toegang hebben 
tot het departement om informatie 
uit te wisselen. Dat is een goede zaak 
en dat is ook gebeurd, niet meer en 
niet minder. Voor het overige 
constateer ik dat ik mij hier namens 
het departement heb te verantwoor– 
den over de uitvoering van de 
wetgeving. Tegen die achtergrond 
heb ik geantwoord dat mij niet is 
gebleken dat de voorbeelden, 
gegeven door de Woonbond, in strijd 
zouden zijn met de bedoeling van de 

21 juni 1994 
Tweede Kamer Vragen TK79 


Heerma 

wet. Waar er gesproken is over 
sluipende kortingen, foute tabellen 
enz., onderstreep ik dat mij daarvan 
niets is gebleken. 

Mevrouw Van der Burg vraagt of 
er sprake is van onbedoelde effecten. 
Voorzitter! In antwoord op de 
schriftelijke vragen van de heer 
Duivesteijn van 9 juni was ik al bezig 
met het opstellen van een brief. Het 
formuleren van die brief duurt weer 
wat langer na het verblijf hier, ter 
beantwoording van de mondelinge 
vragen. Uit die brief zal blijken of er 
inderdaad sprake is van onbedoelde 
effecten. Ik neem overigens niet aan 
dat bedoeld wordt dat wijzigingen in 
het fiscale stelsel, onder meer met 
betrekking tot het verschil tussen 
werkenden en niet-werkenden, per 
definitie door middel van de IHS 
moeten worden gecorrigeerd. Zo 
werkt het niet omdat de werking van 
de IHS is gebaseerd op het belast– 
bare inkomen. 

Aan de orde zijn de stemmingen in 
verband met het wetsvoorstel 

Wijziging van de Wet op het 
basisonderwijs en de Interimwet 
op het speciaal onderwijs en het 
voortgezet speciaal onderwijs 
inzake de bevoegdheid voor het 
geven van onderwijs in niet– 
Nederlandse taal en cultuur 
(23553). 

(Zie vergadering van 14 juni 1994.) 

De voorzitter: Mevrouw Netelenbos 
heeft gevraagd om heropening van 
de beraadslaging. Ik stel voor, aan dit 
verzoek te voldoen. 

Daartoe wordt besloten. 

D 

Mevrouw Netelenbos (PvdA): 
Mijnheer de voorzitter! Ik trek het 
amendement op stuk nr. 12 in, niet 
omdat ik plotseling van mening zou 
zijn veranderd, maar omdat er 
tijdens het debat op is aangedron– 
gen, eerst te discussiëren over plaats 
en positie van het onderwijs in eigen 
taal en cultuur alvorens een dergelijk 
verstrekkend amendement in 
bespreking wordt gegeven. Ik geef 
graag gehoor aan dat verzoek. Ik 
kom op deze kwestie nog terug bij 
de behandeling van "Ceders in de 
tuin". 

D 

De voorzitter: Aangezien het 
amendement-Netelenbos (stuk nr. 12) 
is ingetrokken, maakt het geen 
onderdeel van stemming meer uit. 

De beraadslaging wordt gesloten. 

De artikelen I en II worden zonder 
stemming aangenomen. 

In stemming komt het amendement– 
Koekkoek (stuk nr. 13). 

De voorzitter: Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
het CDA, de VVD, de SGP, het GPV, 
de RPF, het AOV en de CD voor dit 
amendement hebben gestemd en die 
van de overige fracties ertegen, 
zodat het is aangenomen. 

Artikel III, zoals het is gewijzigd door 
de aanneming van amendement– 
Koekkoek (stuk nr. 13), wordt zonder 
stemming aangenomen. 

Artikel IV en de beweegreden 
worden zonder stemming aangeno– 
men. 

In stemming komt het wetsvoorstel. 

De voorzitter: Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
het CDA, de VVD, D66, de PvdA, 
GroenLinks, de SGP, de RPF, het GPV, 
de SP en het AOV voor het wets– 
voorstel hebben gestemd en die van 
de overige fracties ertegen, zodat het 
is aangenomen. 

Aan de orde is de stemming over 
een motie, ingediend bij de 
behandeling van de brief van de 

minister van Binnenlandse Zaken 
over de invoering van de Wet 
bevordering evenredige arbeids– 
deelname allochtonen, te weten: 

- de motie-Rosenmöller c.s. over de 
invoering van de WBEAA per 1 juli 
1994 (22581, nr. 15). 
(Zie vergadering van 15 juni 1994.) 

De voorzitter Ik geef gelegenheid 
tot het afleggen van stemverklarin– 
gen vooraf. 

D 

De heer Apostolou (PvdA): 
Voorzitter! Tijdens het debat over de 
datum van invoering van de Wet 

bevordering arbeidsdeelname 
allochtonen heeft de minister 
duidelijk gemaakt dat de politieke wil 
aanwezig is om deze wet te laten 
ingaan per 1 juli a.s. Mijn fractie zag 
hierin een duidelijke toezegging van 
de minister. Nu de indieners deze 
motie alsnog in stemming brengen, 
zal mijn fractie ervoor stemmen, 
omdat wij het met de inhoud 
daarvan eens zijn. Wij willen er 
namelijk op dit punt geen twijfel over 
laten bestaan dat de fractie van de 
PvdA voor invoering van deze wet 
per 1 juli a.s. is. Onze steun aan deze 
motie moet worden gezien als een 
ondersteuning van de reeds door de 
minister gedane toezegging. 

D 

De voorzitter: Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
GroenLinks, de SP, de PvdA, D66, de 
SGP, het GPV en de VVD voor deze 
motie hebben gestemd en die van de 
overige fracties ertegen, zodat zij is 
aangenomen. 

Aan de orde is de behandeling van: 

- het wetsvoorstel Wijziging 
van de Wet van 17 maart 1994, 
houdende opneming in de Wet 
toezicht kredietwezen 1992, de 
Wet toezicht verzekeringsbedrijf, 
de Wet toezicht beleggingsinstel– 
lingen en de Wet toezicht 
effectenverkeer van bepalingen 
betreffende de informatie– 
uitwisseling tussen Nederlandse 
en buitenlandse instanties die 
belast zijn met het toezicht op 
financiële markten of op 
natuurlijke personen en rechts– 
personen die op die markten 
werkzaam zijn (Stb. 235) 
(23751). 
Dit wetsvoorstel wordt zonder 
beraadslaging en, na goedkeuring 
van de onderdelen, zonder stemming 
aangenomen. 

Aan de orde is de interpellatie– 
Blauw, gericht tot de minister van 
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 
over gelegenheidsarbeid in de 
agrarische sector. 

Tot het houden van deze interpellatie 
is verlof verleend in de vergadering 
van heden. 

Gelegenheidsarbeid in de agrarische 21 juni 1994 
Tweede Kamer sector TK 79 


Voorzitter 

(De vragen zijn opgenomen aan het 
eind van deze weekeditie.)2 

D 

De heer Blauw (VVD): Voorzitter! 
Spraken wij tot voor kort regelmatig 
met de minister van Sociale Zaken 
en Werkgelegenheid over de 
vacatureproblematiek in het kader 
van de regeling gelegenheidsarbeid, 
nu gaat het over de regeling zelf. 
Over dit onderwerp discussiëren wij 
al tientallen jaren in onze samenle– 
ving. De discussie tussen werkgevers 
en werknemers spitst zich iedere 
keer toe op de vraag: is onder 
bepaalde omstandigheden het 
verlenen van gelegenheidsarbeid een 
concurrentievervalsing ten overstaan 
van structurele arbeidsplaatsen? Men 
komt niet uit dit dilemma. 

Eind zestiger, begin zeventiger 
jaren hadden wij een regeling waar 
geweldig veel misbruik van werd 
gemaakt. Naarmate de tijd verstreek 
begonnen de politiek en de 
samenleving zich hier in toenemende 
mate mee te bemoeien. Het 
uiteindelijke resultaat is dat er nu 
nog geen oplossing is. En dat is 
wellicht het meest schrijnende. 

Enkele jaren geleden kenden wij 
de zogenoemde 30-dagenregeling. 
Deze bleek op een aantal randvoor– 
waarden volgens het kabinet niet te 
voldoen. Er kwam een alternatief, de 
zogenoemde scholieren– en 
studentenregeling. Deze werd voor 
advies naar de Raad van State 
gezonden, maar is daar feitelijk lek 
geschoten. 

De minister achtte het zinvol om 
niet met dit voornemen door te gaan 
en kwam met een alternatief, de 
vier-wekenregeling. In beginsel zou 
het voor iedere Nederlander mogelijk 
zijn onder randvoorwaarden vier 
weken gelegenheidsarbeid te 
verrichten zonder of onder een 
verlicht premieregime. 

Nu is de verwarring ten top 
gestegen. Ik moet u zeggen dat de 
bedrijfsvereniging correspondentie 
verstuurt waarin gesproken wordt 
over twee soorten regelingen. Het 
ene persbericht gaat over de 
scholieren– en studentenregeling of 
een variant daarop. In een ander 
schrijven informeert men nader over 
de 30-dagenregeling. Kennelijk is het 
voor de bedrijfsvereniging ook niet 
duidelijk wat er precies aan de hand 
is. In ieder geval heeft de Toezicht– 
kamer van de Sociale verzekerings– 
raad per 16 juni vastgesteld dat de 

regeling waarmee wij nu werken, los 
van de vraag welke dat nu precies is, 
aan de minister voorgedragen moet 
worden voor vernietiging. Dat 
betekent dat er een onduidelijke 
situatie ontstaat die ten laste kan 
komen van de rechtspositie van 
werknemers en werkgevers als het 
om kortdurende arbeidsovereenkom– 
sten gaat. Die kortdurende arbeids– 
overeenkomsten zijn al in grote 
getale afgesloten, bijvoorbeeld voor 
asperges, aardbeien, bloembollen en 
fruitteelt. Men gaat immers niet pas 
zondag bedenken hoe de oogst 
binnengehaald moet worden, als op 
maandagmorgen om 6.00 uur die 
oogst aanvangt. Er zijn vele 
kortlopende arbeidsovereenkomsten 
afgesloten. 

Het verbaast de WD-fractie in 
hoge mate dat wij er nu weer over 
moeten discussiëren, te meer omdat 
de minister van Sociale Zaken bij 
diverse gelegenheden heeft 
verklaard, dat hij erkent dat het 
initiatief van het kabinet voor de 
studenten– en scholierenregeling 
geen soelaas biedt, dat hij bereid is 
een nieuwe regeling voor te leggen 
voor advies aan de Sociale 
verzekeringsraad en dat gedurende 
die periode de regeling van eind 
1993 geldt. De minister van Sociale 
Zaken zegt vervolgens dat dit 
weliswaar niet volledig in overeen– 
stemming is met de regelgeving 
maar dat er sprake moet zijn van een 
gedoogsituatie die zo kort mogelijk 
moet duren. 

Voorzitter! Mijn fractie was het 
daarmee eens. Het probleem waar 
wij nu voor staan is, dat er een zeer 
ongewisse situatie ontstaat, dat de 
rechtspositie van werknemers en 
werkgevers in het geding is en dat 
wat er nu gebeurt, haaks staat op 
wat de minister de Kamer heeft 
gesuggereerd c.q. toegezegd. Om die 
redenen heeft de fractie van de VVD 
er behoefte aan om een viertal 
vragen aan de minister te stellen die 
ik nu niet behoef voor te lezen want 
ze zijn op tijd rondgedeeld. 

Graag krijgen wij een reactie van 
de minister op dat viertal vragen. 

D 

Minister De Vries: Voorzitter! Ik wil 
beginnen met te zeggen dat ik, met 
de heer Blauw, ongelukkig ben over 
het feit dat we over deze problema– 
tiek opnieuw moeten discussiëren. 
Ook ik had gehoopt dat er een 
overgangsregime zou zijn, dat in de 

loop van dit jaar geen aanleiding zou 
behoeven te geven tot dit soort 
discussies. Op de achtergronden 
daarvan zal ik nader ingaan tijdens 
mijn antwoord op de vragen van de 
heer Blauw. 

De eerste vraag van de heer Blauw 
lees ik toch maar even voor. Naar het 
oordeel van de Toezichtkamer zal de 
jurisprudentie van de Centrale raad 
van beroep een te wankele basis 
vormen voor de scholierenregeling. 
Dit betekent dat de Toezichtkamer 
erkent, dat er wel een basis is. Is in 
uw zienswijze deze basis voldoende 
voor het handhaven van de regeling? 

Eigenlijk vraagt de heer Blauw, 
voorzitter, of iets wat een te wankele 
basis heeft, er toch kan komen. Ik 
kan mij voorstellen dat dit in deze 
dagen van kabinetsformatie voor de 
heer Blauw een relevante vraag is. 
Voor mij zijn daarvoor een aantal 
afwegingen in het geding. ik kan die 
vraag uiteraard niet voor de heer 
Blauw beantwoorden, maar ik kan 
wel aangeven welke overwegingen 
voor mij gelden. Daarbij speelt 
natuurlijk de voorgeschiedenis een 
belangrijke rol. 

Ik heb de Kamer op 18 februari 
hierover een brief gestuurd, waarin 
ik ook melding heb gemaakt van de 
brief aan de tuinbouworganisaties. 
Daarin is geconstateerd dat er in de 
afgelopen tijd consensus is gegroeid 
dat wijziging in de uitvoering van de 
verzekeringsplicht met het oog op de 
lijn in de afgelopen jaren, vermeden 
moeten worden. Concreet zou dit 
betekenen, dat de toepassing van de 
verzekeringsplicht voor degenen die 
komen te vallen in het overgangs– 
regime in de agrarische sector, in 
belangrijke mate gebaseerd moet 
worden op de praktijk die tot het 
vorig jaar gebruikelijk was. Dat 
hebben wij op 18 februari besproken. 

De vraag die nu aan de orde is, is 
of de regeling die door de bedrijfs– 
vereniging ter goedkeuring aan de 
SVR is voorgelegd, spoort met de 
praktijk die tot het vorige jaar 
gebruikelijk was. De heer Blauw zegt, 
dat er kennelijk twee regelingen in 
discussie zijn, maar naar mijn weten 
is er maar één regeling aan de 
Toezichtkamer van de SVR voor– 
gelegd en dat is de studenten– en 
scholierenregeling. Ik kom daar zo op 
terug. Ik moet vermoeden, dat die 
studenten– en scholierenregeling omdat 
het een nieuwe regeling is niet 
spoort met hetgeen de 
afgelopen jaren praktijk en gebruike– 
lijk was. 

Gelegenheidsarbeid in de agrarische 21 juni 1994 
Tweede Kamer sector TK 79 79-5417 


De Vries 

Voorzitter! De tweede vraag is of 
die studenten– en scholierenregeling 
wel verenigbaar is met die praktijk 
en of die ook verenigbaar is met de 
huidige wetgeving. Een definitief 
antwoord op die vragen kan ik pas 
geven nadat ik het voorstel van de 
SVR heb ontvangen. Dat is tot op 
heden niet het geval geweest. Mij is 
gemeld, dat de SVR op 16 juni dat 
besluit heeft genomen maar ik heb 
het voorstel nog niet ontvangen en ik 
heb dus nog geen kennis kunnen 
nemen van de argumentatie van de 
SVR. Mocht echter het antwoord op 
die twee vragen negatief zijn, dat wil 
zeggen dat deze regeling niet met de 
praktijk van de afgelopen jaren 
spoort en niet verenigbaar is met de 
huidige wetgeving, dan zal er niets 
anders op zitten dan inderdaad dat 
besluit te vernietigen. Tot op zekere 
hoogte is dat een overbodige actie. 
Als namelijk een besluit van een 
uitvoeringsorgaan niet verenigbaar is 
met bestaande wetgeving, zal die 
regeling voor de rechter ook geen 
stand kunnen houden, los van de 
vraag wat de minister doet. Het 
vernietigen heeft echter als functie 
om op dat punt helderheid te 
verschaffen. 

Als dat gebeurt, is daarmee 
uiteraard niet de consensus van 18 
februari van de baan. Die consensus 
was er in de overgangsperiode naar 
het nieuwe systeem, waarover wij 
ook advies hebben gevraagd aan de 
SVR. Er zal een overgangsregime 
moeten komen, dat zo goed mogelijk 
aansluit op de praktijk van de 
afgelopen jaren. Die consensus blijft. 
Mocht het tot vernietiging komen, 
dan blijft de vraag hoe de bedrijfs– 
vereniging alsnog tot een bevredi– 
gende uitwerking van die consensus 
kan komen. 

Voorzitter! Volgt uit een eventuele 
vernietiging automatisch, dat de 
bedrijfsvereniging overgaat tot het 
opleggen van premies? In de eerste 
plaats speelt een rol, dat er een 
periode is geweest waarin men op 
basis van deze regeling contracten 
heeft afgesloten. In de tweede plaats 
zijn er contracten afgesloten, met 
een doorwerking naar de toekomst. 
Indien de bedrijfsvereniging overgaat 
tot het opleggen van premies, is het 
mogelijk dat werkgevers en 
misschien zelfs werknemers het 
gevoel hebben door die aangekon– 
digde en gepubliceerde regeling van 
de bedrijfsvereniging op het 
verkeerde been te zijn gezet. Dat zou 
weer tot gevolg kunnen hebben, dat 

zij wellicht kunnen overwegen om 
schadeclaims in te dienen. Welnu, in 
zo'n situatie zal het bestuur van de 
bedrijfsvereniging - met het gegeven 
dat de regeling weliswaar vernietigd 
is maar toch gesteld voor de vraag, 
of men wel of niet moet overgaan tot 
het opleggen van premies - bij die 
beslissing ook rekening willen 
houden met het risico van schade– 
claims en met de vraag, wat daarvan 
de totale consequenties zullen zijn. 
Deze vragen komen op dit moment 
bij mij op. Ik hoop en verwacht dat 
de Kamer er begrip voor heeft, dat ik 
daarop nu geen definitieve antwoor– 
den kan geven. Ik moet eerst het 
voorstel van de SVR hebben en 
gelegenheid krijgen dat te bestude– 
ren. Pas daarna is het mogelijk in 
meer definitieve zin conclusies te 
trekken. 

De tweede vraag van de heer 
Blauw luidde als volgt: "Bent u van 
opvatting, dat het oordeel van de 
Toezichtkamer niet overeenkomt met 
uw opvatting, zoals verwoord in uw 
brief aan partijen van het tuinbouw– 
akkoord van 18 februari jl., waarin 
gesteld wordt dat voor de over– 
gangsperiode, totdat een wettelijke 
regeling geldt, een overgangsregime 
dient te gelden ten aanzien van de 
toepassing van de verzekerings– en 
premieplicht van gelegenheidsarbeid 
in de agrarische sector?" 

Voorzitter! Zolang ik het voorstel 
van de Toezichtkamer van de SVR 
niet heb ontvangen, kan ik niet 
beoordelen of die opvatting niet in 
overeenstemming is met mijn eigen 
opvatting. Mijn opvatting is 
voorshands dat de Toezichtkamer 
zich uitspreekt tegen één modaliteit 
van een overgangsregime maar niet 
tegen 'n modaliteit van een 
overgangsregime. Het gaat dus met 
name om deze ene, specifieke 
modaliteit waarover de BVTAB de 
Toezichtkamer een oordeel heeft 
gevraagd. 

Dan de derde vraag: "Deelt u de 
mening, dat de eventuele vernieti– 
ging van de regeling de agrarische 
sector, gezien het feit dat de periode 
van oogstpieken reeds gaande is, 
voor onoverbrugbare problemen 
plaatst?" 

Voorzitter! Ik kan mij daar iets bij 
voorstellen. Ik kan mij inderdaad 
voorstellen dat werkgevers die deze 
informatie hebben ontvangen, 
dachten over een regeling voor deze 
overgangsperiode te beschikken en 
op basis daarvan contracten hebben 
gesloten. Als dan op het laatste 

moment zou blijken dat het allemaal 
niet kan, kan men zich inderdaad op 
het verkeerde been gezet voelen en 
zouden er grote probiemen kunnen 
ontstaan. Dat is een van de aspecten 
waarop ik doelde toen ik zei, dat 
mogelijke schadeclaims een relevant 
aspect kunnen zijn dat een rol kan 
spelen bij de besluitvorming van de 
bedrijfsvereniging. 

De vierde vraag luidde: "Bent u 
voornemens alvorens een definitief 
oordeel te geven over het voorstel 
van de Toezichtkamer over dit 
onderwerp met het agrarisch 
bedrijfsleven en de BVTAB van 
gedachten te wisselen?" 

Het antwoord op die vraag is 
bevestigend. Ik ben voluit bereid tot 
zo'n gesprek. Als ik het voorstel van 
de SVR heb ontvangen, zal ik dat 
uiteraard goed bestuderen. Ik neem 
aan dat het agrarisch bedrijfsleven 
en de BVTAB dat ook zullen doen. Ik 
vind dat wij dan met elkaar om de 
tafel moeten gaan zitten. Wij moeten 
dan niet alleen praten over een 
eventuele vernietiging maar ook over 
de vraag, welke gevolgen dat kan 
hebben. Ik wil dit allemaal betrekken 
bij mijn besluitvorming. Ik zal dit 
doen vanuit de achtergrond van de 
brief van 18 februari en vanuit de 
consensus waarvan toen sprake was 
en waarvan naar mijn overtuiging 
nog steeds sprake is, namelijk een 
werkbaar overgangsregime zodat de 
oogstwerkzaamheden dit jaar op een 
redelijke manier voltooid kunnen 
worden. Hoe dat er precies zal 
uitzien, kan ik op dit moment 
uiteraard niet vertellen. Daarbij moet 
het overleg waar de heer Blauw op 
aandringt, een rol spelen. Nogmaals, 
ik ben van harte bereid dat overleg 
te voeren. 

De beraadslaging wordt geopend. 

D 

De heer Blauw (WD): Mijnheer de 
voorzitter! Allereerst dank ik de 
minister van Sociale Zaken en 
Werkgelegenheid voor de beant– 
woording van de vragen. Ik wil nog 
kort stilstaan bij de setjes die de 
agrarische ondernemers krijgen van 
het GUVO. Daarbij is een persbericht 
gevoegd, genaamd "Scholieren– 
regeling agrarische sector". Daarin 
wordt gesteld: de scholierenregeling 
is een uitwerking van de verwachtin– 
gen die door de minister van Sociale 
Zaken en Werkgelegenheid zijn 
gesteld. Daarbij is tevens het 

Gelegenheidsarbeid in de agrarische 21 juni 1994 
Tweede Kamer sector TK 79 


Blauw 

ontwerp-Koninklijk besluit van 24 
december 1986 gevoegd, betreffende 
de 30-dagenregeling. Wie het weet, 
mag het zeggen! 

Het volgende probleem doet zich 
voor: gisteren was de oogst, 
vandaag is de oogst en morgen is de 
oogst. Op deze vierkante kilomr>ter 
discussieren wij. Wij discussiëren in, 
wij discussiëren uit en wij komen 
niet tot een definitieve besluitvor– 
ming. Dat is uitermate zorgelijk. De 
ondernemer die zijn oogst veilig 
moet stellen maar die niet weet wat 
de randvoorwaarden zijn rond de 
rechtspositie van werknemer/ 
werkgever in het kader van de korte 
arbeidsovereenkomst, wordt door 
ons gediscussieer gehinderd in het 
regelen van zijn zaken. Hiermee 
drijven wij deze sector naar de 
zwarte arbeidsmarkt. Dat kan nooit 
de bedoeling zijn. De minister zegt 
dat hij zich de zorgen die de 
VVD-fractie etaleert best kan 
voorstellen, maar dat hij nog niet 
weet hoe een en ander er uiteindelijk 
uit zal zien. Dan zeg ik: wij kunnen 
geen tijd meer verliezen. Wij hebben 
er lang genoeg over gediscussieerd. 
Om die reden en vanwege de 
uitlatingen van de minister in een 
vorig overleg over de gedoogsituatie 
wil ik proberen om enige duidelijk– 
heid te realiseren voor de agrarische 
sector. Ik dien derhalve de volgende 
motie in. 

Motie 

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende, dat het advies van de 
Toezichtkamer van de Sociale 
Verzekeringsraad het voornemen van 
de BVTAB (Bedrijfsvereniging voor 
de tabaksverwerkende en agrarische 
bedrijven) voor te dragen voor 
vernietiging per 16 juni jl., actueel is; 

overwegende, dat het oogstseizoen 
volop gaande is en het besluit van 
de Toezichtkamer slechts leidt tot 
grote verwarring in de agrarische 
sector en tevens een tijdbom is 
onder het tuinbouwakkoord; 

overwegende, dat overname van het 
advies van de Toezichtkamer grote 
risico's met zich meebrengt ten 
opzichte van de rechtspositie van 
werkgevers en werknemers, waarbij 

de zwarte arbeidsmarkt zeer actueel 
wordt; 

van oordeel, dat nu het oogstseizoen 
volop gaande is het noodzakelijk is 
dat zeer snel duidelijkheid wordt 
geboden; 

verzoekt de minister zo spoedig 
mogelijk in overleg met het 
bedrijfsleven te treden teneinde een 
oplossing voor te bereiden en deze 
aan de Kamer uiterlijk 29 juni mede 
te delen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter: Deze motie is 
voorgesteld door de leden Blauw, 
Van der Linden en Van Zijl. Naar mij 
blijkt, wordt zij voldoende onder– 
steund. 

Zij krijgt nr. 1 (23773). 

D 

Mevrouw Schimmel (D66): Mijnheer 
de voorzitter! De fractie van D66 
vindt dat de minister verantwoorde– 
lijkheid draagt voor de ontstane 
situatie. De minister citeert uit de 
brief van 18 februari, waarin een 
overgangsregime wordt bepleit dat 
zoveel mogelijk aansluit bij de 
praktijk van de afgelopen jaren. 
Tijdens een mondeling overleg gaf 
de minister met zoveel woorden aan 
dat er vooruitgelopen mag worden 
op voornemens van de wetgever, dat 
daarbij een gedoogsituatie ontstaat 
en dat de uitvoeringsorganisaties 
niet naar de letter van de jurispru– 
dentie de teugels moeten aantrekken. 
De minister vindt overigens dat de 
gedoogsituatie zo kort mogelijk moet 
duren. De heer Van Hoof en ik 
vragen ons af of dat wel kan, zo'n 
situatie creëren voor de seizoenar– 

beid. Deze hele situatie is eigenlijk in 
het leven geroepen, omdat de 
scholieren– en studentenregeling 
schipbreuk leed bij de Raad van 
State. Nu wordt een regeling van de 

BVTAB ter vernietiging voorgedra– 
gen. Je zou kunnen zeggen dat de 

BVTAB vooruit is gelopen op een 
wettelijke regeling, namelijk een 
scholieren– en studentenregeling. 
Overigens wist niemand dat die 

regeling zo onder druk zou komen te 
staan bij de Raad van State. Slechts 
enkele collega's in de Kamer hebben 
gewezen op het verschil in behande– 

ling tussen werknemers binnen en 
werknemers buiten de agrarische 

sector. 

De BVTAB heeft in feite de 
regeling kunnen maken op basis van 
wat de minister heeft gezegd, 
namelijk dat er mag worden 
vooruitgelopen op regelgeving. Wat 
houdt die regeling van BVTAB in? 
Het is een soort scholieren– en 
studentenregeling binnen de 
30-dagenregeling. Men heeft 
geprobeerd een combinatie te maken 
van de status quo, de 
30-dagenregeling, en een scholieren– 
en studentenregeling. Hoe heeft men 
dat kunnen doen? Ik neem aan 
doordat de minister heeft aangekon– 
digd dat een overgangsregime zal 
gaan gelden. In die zin kun je zeggen 
dat de minister de ellende zelf heeft 
veroorzaakt. In hoeverre heeft de 
minister een en ander zelf over zich 
afgeroepen? In hoeverre mag de 
minister eigenlijk iets voorstellen dat 
buiten de wet staat? Op basis van 
jurisprudentie weten wij dat de 
30-dagenregeling moeilijk is, omdat 
er bijna altijd in een gezagsverhou– 
ding wordt voorzien. Hoe stelt de 
minister zich in godsnaam een 
werkbaar overgangsregime voor dat 
een wettelijke basis heeft en dat past 
binnen de kaders van de jurispruden– 
tie? Zou de minister er niet beter aan 
doen, op dit punt überhaupt niets 
meer te beloven, maar zo snel 
mogelijk voort te gaan met de 
vier-wekenregeling? Wanneer komt 
het advies van de SVR daarover 
binnen? 

Tot slot merk ik op dat ik meen dat 
de Toezichtkamer goed werk heeft 
verricht. Zo'n toezichtkamer hebben 
wij toch allemaal heel lang gewild. 

D 

De heer Van der Linden (CDA) 
Voorzitter! Wat wij in Nederland ook 
proberen, het lijkt allemaal niet in de 
systematiek te passen. Daarmee 
worden de problemen voor de 
boeren en tuinders niet opgelost. Het 
is merkwaardig dat het buitenland de 
problemen wel weet op te lossen. 
Zeer onlangs heeft de Belgische 
regering een regeling ontworpen die 
de problemen ondervangt. Wat ons 
betreft is er maar één benadering, 
namelijk een benadering waarin de 
sector wordt geholpen. De onzeker– 
heid die nu wederom gecreëerd 
dreigt te worden in het begin van en 
zelfs volop in het oogstseizoen, doet 
denken aan de situatie in de 
aspergeteelt. 

De Toezichtkamer lijkt de Centrale 
raad van beroep nu te overrulen. Wij 

Gelegenheidsarbeid in de agrarische 21 juni 1994 
Tweede Kamer sector TK 79 79-5419 


Van der Linden 

vinden dat merkwaardig. De Centrale 
raad van beroep is immers het 
hoogste rechtscollege. Naar ons 
oordeel moet de minister zich 
houden aan de uitspraken van de 
Centrale raad van beroep. Hoe ziet 
de minister het naast elkaar 
functioneren van uitspraken van het 
college van de raad van beroep en 
van de Toezichtkamer? Een politieke 
beoordeling van deze problematiek 
stellen wij op prijs. Ik plaats daarbij 
enige accenten. 

Het eerste accent is het tuinbouw– 
akkoord zelve. Ik begrijp best dat de 
minister eerst de stukken wil hebben, 
maar er liggen eigenlijk geen nieuwe 
feiten op tafel. 

Ik heb gewezen op het aangren– 
zende buitenland, waar wel 
werkzame regelingen bestaan. In 
Duitsland mag iedere Duitser tot 570 
DM bijverdienen. De werkgever 
betaalt daar 15% kosten voor. 
Betrokkene is niet verzekerd en kan 
geen aanspraak maken op pensioen– 
regelingen. Velen in de land– en 
tuinbouw kunnen hier goed mee uit 
de voeten. Het is merkwaardig dat 
Nederland niet kiest voor een 
dergelijke regeling. 

In de brief van de Bedrijfsvereni– 
ging voor tabakverwerkende en 
agrarische bedrijven wordt verwezen 
naar gerezen verwachtingen, 
grootschalige voorlichting, behoorlijk 
bestuur en het vertrouwensbeginsel. 
Ik vraag de minister graag om een 
oordeel daarover. Wij menen dat 
aanspraak op een regeling moet 
kunnen worden gemaakt. Wat dit 
betreft sluit ik mij gemakshalve aan 
bij de inbreng van collega Blauw. 

D 

Minister De Vries: Voorzitter! Ik heb 
de indruk dat beide regelingen die de 
heer Blauw noemde, iets minder 
onduidelijk zijn dan hij voorstelde. 
Wij kennen de 30-dagenregeling op 
grond van het zogenaamde 
rariteitenbesluit. Wij weten dat de 
Centrale raad van beroep daarover 
uitspraken heeft gedaan, waardoor 
de ruimte om die regeling toe te 
passen steeds krapper is geworden. 
De centrale raad heeft immers 
uitgesproken dat in een gezagsver– 
houding ook sprake is van een 
werknemersverhouding, op grond 
waarvan men van rechtswege 
verzekerd dient te zijn. Daar hoort 
dan een premieplicht bij. Om die 
reden hebben wij geconstateerd dat 
er voor de sector toch een oplossing 

moet komen. Op dat punt sluit ik mij 
aan bij de woorden van de heer Van 
der Linden. Als de rechtspraak de 
ruimte te krap maakt, moet de 
wetgever de ruimte als het ware 
weer oprekken door de wetgeving 
aan te passen. Dat is dan ook de 
achtergrond van de scholieren– 
regeling die wij om advies hebben 
voorgelegd aan de Raad van State 
en van de nieuwe regeling, zoals 
voorgelegd. 

De heer Blauw (WD): Met alle 
respect voor uw toelichting, die ik 
voor een groot deel kan volgen, 
vraag ik mij af wat al die tienduizen– 
den tuinders hier nu uit moeten 
afleiden. Die uitleg over twee 
regelingen in één pakket begrijpen zij 
toch niet? Ik neem ze dat niet eens 
kwalijk, want zij hebben er niet voor 
geleerd. Het kost mij al de grootst 
mogelijke moeite om die uitleg te 
volgen. 

Minister De Vries: Ik begrijp dat. De 
heer Blauw spreekt mij op verwij– 
tende toon toe, alsof ik verantwoor– 
delijk ben voor de wijze waarop het 
bestuur van een uitvoerings– 
organisatie met wet– en regelgeving 
omgaat. Wij moeten hier natuurlijk 
wel duidelijk de scheiding van 
verantwoordelijkheden in het oog 
houden. De heer Blauw zou er dan 
ook verstandig aan doen om dit type 
gevoelens onder woorden te 
brengen in een gesprek met het 
bestuur van de betrokken bedrijfsver– 
eniging. Hij weet dat hij daarmee bij 
mij aan het verkeerde adres is. 

Mevrouw Schimmel (D66): De 
minister heeft in een mondeling 
overleg beloofd dat er een 
overgangsregime komt. Dat zit nu in 
de scholieren– en studentenregeling 
en straks in de vier-wekenregeling. 
Hij zegde toe, de jurisprudentie niet 
zo nauw te zullen nemen en op 
wetten vooruit te zullen lopen. Nu 
zegt hij echter: het is mijn verant– 
woordelijkheid niet dat bedrijfsvere– 
nigingen proberen een en ander met 
elkaar te combineren. Ik vind dat 
juist wel de verantwoordelijkheid van 
de minister, want hij zegt in het 
openbaar: doe maar wat. 

Minister De Vries: Voorzitter! Ik was 
zeker van plan om serieus op de 
vragen van mevrouw Schimmel in te 
gaan. Nu zij die vragen herhaalt, zal 
ik dat natuurlijk met een dubbele 

mate van seneusheid doen. Ik kom 
er dus nog op terug. 

Ik heb er moeite mee als de heer 
Blauw zegt dat de ondernemer die 
geen helderheid heeft, automatisch 
zal kiezen voor de zwarte markt. 
Misschien dat ik zijn woorden nu wat 
chargeer, maar dat is natuurlijk niet 
het geval. Hee! veel werkgevers in dit 
land, ook in de agrarische sector, 
zullen ervoor kiezen om het op een 
legale manier te doen als zij weten 
wat legaal is. 

Dan kom ik op het dictum van de 
motie. De Kamer heeft soms 
behoefte aan het scheppen van nog 
meer helderheid dan ik kan bieden. 
Ik had evenwel in mijn eerste 
antwoord al toegezegd, dat ik bereid 
was om het overleg met het 
bedrijfsleven te voeren. Als de 
Kamer graag voor 29 juni informatie 
wenst op basis van dat overleg, dan 
moet ik bezien of dat nog voor 29 
juni kan. Misschien dat de heer 
Blauw straks nog ingaat op de vraag, 
hoezeer hij daaraan hecht. Ik wil het 
dus zelf even laten afhangen van het 
moment waarop ik het voorstel van 
de SVR krijg en de vraag wanneer 
we een goed moment voor het 
overleg kunnen vinden. Als de 
Kamer dit echter per se wil weten 
voor zij met reces gaat, zal ik 
proberen dit voor 29 juni te doen. 

De heer Blauw (VVD): Voorzitter! Ik 
wil hier graag meteen een reactie op 
geven. Er zijn twee redenen waarom 
we haast hebben. 

In de eerste plaats is, zolang er 
onduidelijkheid is, het risico van de 
zwarte arbeidsmarkt prominent 
aanwezig. Dit geldt natuurlijk niet 
voor iedereen, maar een ieder zoekt 
mdividueel oplossingen die niet 
parallel lopen met de regelgeving. In 
de tweede plaats is de Kamer op 30 
juni voor het laatst bijeen. Weliswaar 
heb ik een blindelings vertrouwen in 
de minister, maar ik zou het proces 
toch graag willen meemaken. 

Minister De Vries: Voorzitter! Als dit 
doorslaggevend is voor de Kamer, 
zal ik proberen om vóór 29 juni niet 
alleen het overleg gevoerd te 
hebben, maar de Kamer hierover ook 
geïnformeerd te hebben. De Kamer 
kan dan desgewenst op de laatste 
dag voor het reces hierover nog met 
mij discussiëren. 

Voorzitter! Ik kom bij mevrouw 
Schimmel. Zij heeft gevraagd of zo'n 
gedoogsituatie eigenlijk wel kan. Wij 
moeten dan even terug naar de 

Gelegenheidsarbeid in de agrarische 21 juni 1994 
Tweede Kamer sector TK 79 


De Vries 

geschiedenis. Er was een 
30-dagenregeling. De ruimte voor 
toepassmg hiervan werd steeds 
krapper, maar de regeling werd in 
zekere mate nog toegepast. Dit gaf 
aanleidmg tot toenemende proble– 
men. De vraag was toen of je op 
basis van de jurisprudentie de 
teugels meteen helemaal moest gaan 
aantrekken in de uitvoeringspraktijk, 
als de wetgever tegelijkertijd een 
aanpassing van de regels aankon– 
digde, die erop gericht was toch 
weer de ruimte te scheppen die de 
rechter weggenomen heeft. Wij 
hebben toen gezegd dat dit een 
beetje een jojo-uitvoeringspraktijk 
zou worden. Wij zouden er begrip 
voor kunnen opbrengen als de 
uitvoeringsorganisatie in deze 
periode met een overgangsregime 
zou werken, waarbij de status quo 
van de afgelopen jaren nog even 
gehandhaafd zou worden in het 
perspectief van de nieuwe regeling. 
Ik ben me er bewust van geweest dat 
dit een zekere spanning op zou 
roepen. Wij hoeven hier niet moeilijk 
over te doen. Ik heb deze lijn echter 
ook gekozen en bevorderd omdat ik 
weet dat een grote meerderheid ook 
in deze Kamer vindt dat die ruimte er 
moet blijven en dat deze op basis 
van de status quo van de afgelopen 
jaren te krap bemeten is. Ik moet 
politiek constateren dat een 
meerderheid van deze Kamer dit nog 
een te zuinige benadering vindt. 
Tegelijkertijd moet ik als wetgever 
zeggen dat ik hiermee al aan de 
grens zit van wat kan. Mevrouw 
Schimmel vindt zelfs dat ik over de 
grens ga door zo'n uitvoerings– 
praktijk te "gedogen". Zij zegt dat ik 
hiermee de vernietiging over mezelf 
heb afgeroepen, waarbij zij overigens 
niet aangeeft wat dan het alternatief 
zou zijn. Want zolang we geen 
alternatief hebben voor de oude 
30-dagenregeling, zou er dus 
helemaal geen ruimte zijn. 

Mevrouw Schimmel (D66): Dit is 
inderdaad juist. Ik ben niet tegen een 
regeling voor seizoenarbeid. Het lijkt 
mij alleen niet juist om een 
contra-legem-situatie te creëren. Nu 
al blijkt dat de BVTAB hierop 
voortbordurend een eigen 
scholieren– en studentenregeling 
heeft gemaakt. Dit konden zij vorig 
jaar bedenken omdat de regeling 
toen in de maak was. Dit jaar is er 
een vier-wekenregeling in de maak. 
De Toezichtkamer draagt dan 
vervolgens al deze regelingen ter 

vernietiging voor. Je zou je dan 

kunnen afvragen wat je hiermee 

opschiet. Kun je dan niet beter 

gewoon meteen een goede, nieuwe 

regeling maken? 

Minister De Vries: Voorzitter! Het is 
inderdaad wat verrassend en 
merkwaardig dat de bedrijfsvereni– 
ging, als het ging om het uitwerken 
van een praktische modaliteit voor 
het overgangsregime, gekozen heeft 
voor een studenten– en scholieren– 
regeling. Het kabinet heeft hier 
eerder aan gedacht. De Raad van 
State heeft hierover geadviseerd op 
een wijze zoals we allemaal kennen, 
hetgeen er vervolgens toe geleid 
heeft dat het kabinet heeft afgezien 
van dit voornemen en hier ook met 
de Kamer over gediscussieerd heeft. 
De regeling was in feite dus van tafel 
en het heeft mij inderdaad verrast 
dat men dacht dat zij in het 
overgangsregime dit jaar nog zou 
kunnen functioneren. 

Mevrouw Schimmel (D66): Denkt de 
minister soms dat een vier– 
wekenregeling die door een andere 
bedrijfsvereniging zou worden 
ingesteld, wel stand zou houden bij 
de Toezichtkamer? 

Minister De Vries: Nee. 

Mevrouw Schimmel (D66): Zou de 
Toezichtkamer zeggen: nou ja, het is 
een overgangsregeling en in de 
Tweede Kamer is het allemaal koek 
en ei? 

Minister De Vries: Er is verschil 
tussen de formulering van mevrouw 
Schimmel en die van mij. Mevrouw 
Schimmel heeft het over anticiperen 
op de nieuwe regeling. Ik heb het 
gehad over handhaven van de status 
quo in afwachting van de nieuwe 
regeling. Daarin zit een niet 
onbelangrijk verschil. 

De heer Van der Linden neemt een 
standpunt in dat nogal ver gaat. Ik 
heb principieel moeite met het 
standpunt dat de sector geholpen 
moet worden los van de gevolgen 
voor het omgaan met wetgeving. Die 
benadering kan ik niet onderschrij– 
ven. 

De heer Van der Linden (CDA): 
Voorzitter! Tot zover kan ik de 
minister volgen. Maar ik heb eerst 
gezegd dat alles dat wij proberen, 
niet past in onze systematiek en dus 
wordt afgewezen. In het buitenland 

is men blijkbaar wel in staat om 
regelingen te treffen. Ik stelde alleen 
maar voor, te kijken hoe het in het 
buitenland is geregeld en te bezien 
of het hier net zo kan. 

Minister De Vries: De heer Van der 
Linden is iets voorbarig. Uiteraard 
was ik van plan om op zijn vragen in 
te gaan. Hoe zit het in het buiten– 
land? Bij de asperges hebben wij 
dezelfde discussie gevoerd. Toen 
kwam de bekende drie– 
maandenregeling in Duitsland aan de 
orde. Ik heb inmiddels laten 
uitzoeken wat die regeling inhoudt. 
Zij is exact gelijk aan de Nederlandse 
regeling: geen vrijstelling van sociale 
premies, belasting of wat dan ook. 
De prioriteit geniet het arbeidsaan– 
bod uit Duitsland, vervolgens dat uit 
de EU, enzovoort. Pas als dat er niet 
blijkt te zijn, kunnen werknemers uit 
derde landen worden toegelaten, en 
dan uitsluitend uit landen waarmee 
Duitsland bemiddelingsafspraken 
heeft. Zulke afspraken bestaan met 
een kleine reeks landen. In die zin is 
de Duitse regeling krapper, want wij 
beperken het niet tot landen 
waarmee bemiddelingsafspraken 
bestaan. Uiteraard is er nog de 
beperking tot een periode van drie 
maanden. Ook dan geldt gewoon 
dezelfde volgorde als in Nederland. 

De heer Van der Linden verwijst 
verder naar de vrijstelling van 580 
DM. In Nederland bestaat daarvoor 
in elk geval de fiscale pendant van 

ƒ 1500 in totaal. Deze pendant is dus 
ruimer dan de Duitse regeling. In de 
adviesaanvrage aan de SVR hebben 
wij voorgesteld, de kring van 
verzekerden zodanig te beperken, dat 
voor mensen die kruimelcontracten 
hebben - dat zijn heel kortdurende 
incidentele arbeidscontracten - geen 
belasting– en premieplicht, en dus 
ook geen verzekeringsplicht geldt. 
Het is uitdrukkelijk de bedoeling 
geweest van het kabinet om 
daarmee een regeling te krijgen die 
de toets van de vergelijking met de 
regeling in de Bondsrepubliek ten 
minste kan doorstaan. Ik kan dus niet 
meegaan met de redenering van de 
heer Van der Linden, dat het 
Nederlandse kabinet niet nadenkt of 
heeft nagedacht over het bevorderen 
van regelingen die ten minste in dat 
opzicht vergelijkbaar of zelfs royaler 
zijn. Wij moeten alleen constateren, 
dat het wat langer duurt dan wij 
gehoopt en verwacht hadden. 
De adviesaanvrage ligt dus bij de 
Sociale verzekeringsraad voor. 

Gelegenheidsarbeid in de sgrarische 21 juni 1994 
Tweede Kamer sector TK 79 79-5421 


De Vries 

Aanvankelijk had ik de hoop dat dit 
advies er voor 1 mei zou zijn. Dat 
heb ik de Kamer ook gemeld. Nu 
moet ik vernemen dat dit advies er 
pas in augustus zal zijn. Dat houdt in, 
dat het een zeer fors karwei zal zijn 
om tijdig voor 1 januari wetgeving te 
realiseren. De vertraging in die 
advisering van drieënhalf tot vier 
maanden kan dus niet worden 
toegerekend aan het traag opereren 
van het kabinet. 

Overigens moet ik constateren dat 
er ook nogal wat afspraken in het 
tuinbouwakkoord zijn waarvan ook ik 
mij met enig ongeduld afvraag 
wanneer zij nu eindelijk eens 
gerealiseerd zullen worden. Dat 
betreft de elementen van de deal 
waarvoor de ondernemers en de 
werknemers in de sector zich garant 
hebben gesteld, zoals de totstandko– 
ming van een centraal meldpunt 
voor handmatige loonbedrijven. Ik 
zou de heer Van der Linden in 
overweging willen geven, de sector 
ook op dat soort afspraken aan te 
spreken. Ook zij kunnen een bijdrage 
leveren aan het oplossen van de 
problematiek van de seizoenarbeid. 

De heer Van der Linden (CDA): 
Voorzitter! Met dat laatste punt heeft 
de minister volkomen gelijk. Voor 
beide partijen geldt: afspraken zijn 
afspraken. Ik wil nog even terugko– 
men op de premievrijstelling en de 
fiscale vrijstelling. Ik spreek over 570 
DM per maand, terwijl de minister 
sprak over ƒ 1500 per jaar. Dat is wel 
een verschil. De situatie in Nederland 
is aanmerkelijk nadeliger dan in 
Duitsland. 

Minister De Vries: Het ligt niet in 
onze bedoeling om arbeidscontrac– 
ten in Nederland met een salaris 
beneden een niveau van 580 DM, dat 
is ruwweg ƒ 650 in de maand niet 
onder de sociale-verzekeringsplicht 
te laten vallen. Ik verneem graag of 
een meerderheid van deze Kamer dat 
ook vindt. Ik heb de afgelopen jaren 
in deze Kamer alleen maar ervaren 
dat de Kamer, inclusief de CDA– 
fractie, die grens wil verlagen. Als er 
een voorstel van de CDA-fractie komt 
dat tot ƒ 650 in de maand er in dit 
land geen verzekeringsplicht moet 
zijn voor de sociale zekerheid, dan 
zou dat nieuw zijn. 

Gevraagd is of de Toezichtkamer 

de Centrale raad van beroep zal 

overrulen. Dat zal niet zo zijn. Ik zal 

ernaar kijken. Ik heb ook gezien dat 

de BVTAB in een brief schrijft dat de 

Centrale raad van beroep een zekere 
beleidsruimte zou hebben gelaten 
waarvan de BVTAB gebruik maakt. 
Die redenering is mij geworden. Ik 
spreek echter op basis van informa– 
tie uit de tweede hand. Mij is 
geworden dat dit punt getoetst is 
door de Toezichtkamer van de SVR. 
De Toezichtkamer van de SVR is tot 
de conclusie gekomen dat de 
jurisprudentie voor deze interpretatie 
geen enkele ruimte laat. Ik zal dat 

uiteraard zorgvuldig nagaan. Naar 

mijn mening kan er dus geen sprake 
van zijn dat een toezichtkamer 

rechters overrulet in dit land. Of wij 
vanuit de politiek rechters kunnen 

overrulen, is weer een geheel andere 

vraag. 

De beraadslaging wordt gesloten. 

De voorzitter: Er is bij dit onder– 
werp een motie ingediend. Ik stel 
voor, donderdagmiddag na de 

lunchpauze over deze motie te 

stemmen. 

Daartoe wordt besloten. 

De voorzitter: Ik dank de minister 
voor de verschafte inüchtingen. 

Aan de orde is de behandeling van: 

- het wetsvoorstel Wijziging 
van de Wet op de 
vennootschapsbelasting 1969 en 
van de Wet op de inkomstenbe– 
lasting 1964 (aanpassing 
gedifferentieerd tarief en 
verhoging van de zelfstandigen– 
aftrek) (23665). 
De algemene beraadslaging wordt 

geopend. 

De voorzitter: Ik geef het woord aan 
mevrouw B.M. de Vries, die haar 
maidenspeech zal houden. 

D 

Mevrouw B.M. de Vries (WD): 
Mijnheer de voorzitter! De allereerste 
keer dat je hier staat, misschien kunt 
u zich dat nog herinneren, is vreselijk 
spannend. Als je het mag hebben 
over het verlagen van het opstapje in 
de vennootschapsbelasting en het 
verhogen van de zelfstandigenaftrek 
in de inkomstenbelasting, dan kun je 
eigenlijk niet anders dan zeggen dat 
het een geweldig begin is. 

Deze maidenspeech wil ik voordat 

ik inga op het wetsvoorstel, 

gebruiken om een hartekreet te 
uiten, een hartekreet van fiscale aard, 
zoals men zal begrijpen. Dat betreft 
de internationale fiscale concurren– 
tiepositie van Nederland. Nog maar 
tien jaar geleden waren wij voor 
internationaal opererende bedrijven 
bijkans vestigingsland nummer 1. Nu 
mogen wij blij zijn als wij bij de 
eerste vijf landen horen. Nederland 
is zijn fiscale concurrentiepositie, zJjn 
koploperspositie kwijt. Het aardige is 
dat wij daar allemaal bij zitten. De 

staatssecretaris heeft weliswaar al 
een aanzet gegeven om te bekijken 

of wij een stukje van onze positie 

kunnen heroveren, maar het mag 

niet blijven bij een aanzet. 

Mijnheer de voorzitter! In de loop 
van dit jaar zullen wij nog een aantal 
voorstellen in deze Kamer behande– 
len. Maar het mag duidelijk zijn dat 
wij de komende periode werkelijk 
alles op alles zullen moeten zetten 
om ervoor te zorgen dat Nederland 
op internationaal-fiscaal gebied weer 
in de race komt. Het gaat immers om 
bedrijvigheid in Nederiand en om 
werkgelegenheid. Als wij het dan 
over werkgelegenheid hebben, dan 
hebben wij het ook over het midden– 
en kleinbedrijf. 

Het voorstel waar wij het nu over 
hebben, is bedoeld als lasten– 
verlichtingsmaatregel voor dat 
midden– en kleinbedrijf. De WD kan 
dan ook instemmen met dat voorstel. 
Echter, al in 1988 hebben wij ons 
verzet tegen het opstapje in de 
vennootschapsbelasting. Dat is het 
feit dat je 40% belasting moet 
betalen, vroeger over de eerste 

ƒ 250.000 winst en nu over de eerste 
ƒ 100.000 winst. Wij liberalen blijven 
streven naar het afschaffen van het 
opstapje in de vennootschaps– 
belasting. 
Ik heb met plezier de argumentatie 
van de staatssecretaris gelezen om 
het opstapje te handhaven. Enerzijds 
zegt hij dat het budgettaire aspecten 
zijn. Dat is heldere taal. Anderzijds 
zegt hij dat in internationaal verband 
het opstapje een uitzonderlijk 
karakter heeft. Het is bijna poëtisch. 
Een ander argument in deze 
discussie is dat het opstapje zou 
voorkomen dat ondernemers wellicht 
onnodig hun onderneming in 
BV-vorm zouden gaan drijven. Ik zou 
willen benadrukken dat het altijd nog 
een beslissing van de ondernemer 
zelf is of hij zijn onderneming in de 
vorm van een eenmanszaak, in 
BV-vorm of hoe dan ook wil drijven. 
Bovendien zijn er ook vele niet– 

Verlaging tariefopstapje 21 juni 1994 
Tweede Kamer vennootschapsbelasting TK79 


B.M. de Vries 
fiscale argumenten om een 
onderneming in een BV-vorm te 
drijven. De VVD betreurt het dat de 
kleine BV'tjes met winsten tot een 
ton in feite in dit voorstel nog steeds 
buiten de boot vallen. 

Dan kom ik op het volgende punt: 
een fiscaal gefacilieerde teruggang 
van BV naar eenmanszaak. De 
D66-fractie heeft er reeds een 
opmerking over gemaakt. Als wij het 
hebben over het versterken van de 
financiële positie van het midden– en 
kleinbedrijf, dan past naar het 
oordeel van de VVD-fractie zo'n 
fiscaal gefacilieerde teruggang– 
mogelijkheid van BV-vorm naar 
eenmanszaak uitstekend in het 
plaatje. Het gaat dan inderdaad om 
gevallen waarin een onderneming in 
BV-vorm niet meer rendeert maar dat 
in de vorm van een eenmanszaak 
wel zou doen. Omdat nu zo'n 
gefacilieerde teruggang er niet is, 
worden er allerlei ingewikkelde 
fiscale constructies bedacht die naar 
hun aard veel te zwaar zijn voor een 
dergelijke onderneming. Misbruik 
van zo'n regeling moet je uiteraard 
voorkomen. Het kan niet zo zijn dat 
je een goed lopende eenmanszaak 
hebt, dat je die geruisloos omzet in 
een BV met een hoog aandelenkapi– 
taal, dat je terugbetaalt op dat 
aandelenkapitaal en dat je vervol– 
gens weer gefacilieerd teruggaat 
naar de eenmanszaak. Daar gaat het 
niet om. Het gaat om de bedrijven 
die ik zojuist heb aangeduid. De 
VVD-fractie wil de staatssecretaris, 
wellicht als afscheid, dan ook vragen 
om na de zomer met een notitie te 
komen waarin hij deze zaak uitwerkt 
met alle voors en tegens. 

Tot slot wil ik nog iets zeggen over 
de verhoging van de zelfstandigen– 
aftrek. Het gaat om een extra aftrek 
van ƒ 1500 op jaarbasis bij een winst 
van maximaal / 85.500. Met die 
verhoging is structureel een bedrag 
gemoeid van 175 mln. Op 
liquiditeitsbasis betekent dit voor een 
ondernemer een netto voordeel van 

ƒ 750 per jaar. Als wij spreken over 
het versterken van de financiële 
positie van het midden– en kleinbe– 
drijf, is het goed als wij gevoel voor 
relativiteit blijven behouden. Dit 
betekent dat wij niet steeds 
individuele voorstellen op zichzelf 
moeten bekijken. Nee, het gaat 
uiteindelijk om het effect van het 
totale lastenverlichtingspakket. Dit 
voorstel is slechts een onderdeel 
daarvan. Wij wachten met spanning 
en belangstelling de volgende 

maatregelen af. 

Afrondend wil ik de staatssecreta– 
ris ten aanzien van de procedure het 
volgende vragen. Had hij verwacht 
dat dit voorstel een hamerstuk zou 
zijn? Nu de Kamer hierover wil 
spreken, is een nota van wijziging 
nodig om de wet alsnog per 1 juli 
1994 in te laten gaan. Op zichzelf 
betreurt de WD dat. 

De voorzitter: Mevrouw De Vries, ik 
wens u van harte geluk met uw 
maidenspeech. 

De vergadering wordt enkele 
ogenblikken geschorst 

D 

De heer Smits (CDA): Voorzitter! Op 
de allereerste plaats wil ik mevrouw 
De Vries van de VVD-fractie van 
harte complimenteren met haar 
uitstekende maidenspeech. Het was 
inderdaad, zoals zij zei, een geweldig 
begin. Ik hoop met haar dat wij hier 
in de voorliggende periode menig 
wetsvoorstel van de regering zullen 
kunnen behandelen dat ertoe leidt 
dat de positie en met name de 
fiscale positie van het midden– en 
kleinbedrijf en de landbouwsector 
wordt versterkt. Ik ben wat dat 
betreft zeer hoopvol gestemd. 

Bij de presentatie van dit 
wetsvoorstel heeft ook de regering 
erkend dat de in dit wetsvoorstel 
neergelegde maatregelen ertoe 
leiden dat de positie van het midden– 
en kleinbedrijf wordt versterkt. De 
regering geeft bij de toelichting op 
het wetsvoorstel nogal hoog op over 
de maatregelen en over de effecten 
daarvan. Het lijkt wel een soort 
Haarlemmerolie die geïnjecteerd 
wordt om de economie te stimule– 
ren. In verband met het effect van de 
maatregelen wordt gesproken over 
de groei van de werkgelegenheid, de 
opleiding van arbeidskrachten en de 
verbetering van de financiële positie 
van het midden– en kleinbedrijf in 
het algemeen. Langs deze weg zou 
dan een impuls worden gegeven tot 
verhoging van de investerings– 
bereidheid. 

De regering heeft ook aangegeven 
dat dit wetsvoorstel leidt tot een 
verbeteringsimpuls met betrekkmg 
tot de liquiditeitspositie en de 
continuïteit van de onderneming in 
de sfeer van het midden– en 
kleinbedrijf en de landbouw. De 
CDA-fractie was daarvan nogal onder 

de indruk en dat is ook zo in het 
verslag neergelegd. De regering 
heeft daar niet op gereageerd. Ik had 
eigenlijk een zowel kwalitatieve als 
kwantitatieve beschouwing verwacht 
over de effecten van al die verschil– 
lende, in het wetsvoorstel voorge– 
stelde maatregelen. 

Bij dit wetsvoorstel is het 
tariefopstapje aan de orde en de 
verhoging van de zelfstandigenaftrek. 
De startersaftrek is niet aan de orde, 
maar die wil ik toch aan de orde 
stellen. Er is een bepaald bedrag en 
een maximumaantal jaren waarin 
men als startende ondernemer 
gebruik kan maken van een 
startersaftrek. Ik wil graag van de 
staatssecretaris horen waarom bij de 
voorstellen in dit wetsvoorstel niet is 
overwogen om maatregelen voor te 
stellen die de startersaftrek verbete– 
ren, bijvoorbeeld het oprekken van 
het beschikbare bedrag of van het 
aantal jaren waarin men er gebruik 
van mag maken. Wellicht kan dit bij 
een volgende tranche wel worden 
meegenomen. 

Wij praten over een aantal fiscale 
zaken en dat betekent, zoals 
mevrouw De Vries al heeft gezegd, 
dat een aantal zaken in samenhang 
moet worden bekeken. Daarom wil ik 
de Bouwstenennotitie aan de orde 
stellen. Die is hier destijds aan de 
orde geweest en daar is door de 
Kamer om gevraagd. Die 
Bouwstenennotitie zou ertoe moeten 
leiden dat het fiscale klimaat wordt 
versterkt. Ik heb die zaak eens 
nagekeken. Er is al geruime tijd 
geleden over gediscussieerd. Toen is 
door de regerïng toegezegd, dat die 
Bouwstenennotitie over een jaar aan 
de Kamer zou worden aangeboden. 
Die nota had dus in het voorjaar 
1993 aangeboden moeten worden. 
Het is inmiddels 1994. De regering is 
derhalve fors achter op het schema. 
Ik wijs erop dat een deel van die 
nota inmiddels is verschenen bij het 
wetsvoorstel Tijdelijke genotsrechten. 
Ik ga ervan uit, dat de nota al gereed 
of bijna gereed is. Ik zou graag zien, 
dat de nota overeenkomstig de 
toezegging van de regering zo 
spoedig mogelijk aan de Kamer 
wordt toegezonden. 

D 

De heer Vermeend (PvdA): Mijnheer 
de voorzitter! Ik wil beginnen met 
een compliment aan het adres van 
de nieuwe collega, mevrouw De 
Vries, voor haar bijdrage. Het 

Verlaging tariefopstapje 21 juni 1994 
Tweede Kamer vennootschapsbelasting TK79 

79-5423 


Vermeend 

enthousiasme van haar eerste 
bijdrage over de fiscaliteit schept 
verwachtingen. Bovendien wil ik de 
VVD complimenteren. Ik heb de 
afgelopen jaren vaak van gedachten 
mogen wisselen met de collega's 
Van Rey en De Korte. Het is een 
verrijking van de fractie van de VVD, 
dat nu de fiscaliteit in die fractie 
wordt versterkt door iemand die er 
echt verstand van heeft. Mevrouw De 
Vries komt uit de sfeer van de 
advieswereld. Ook dat vind ik zeer 
belangrijk. Het is belangrijk dat 
iemand met die kennis van zaken 
een bijdrage kan leveren aan de 
fiscaliteit. Ongetwijfeld zal dit de 
doelmatigheid en de doeltreffend– 
heid van de fiscaliteit in dit huis ten 
goede komen. 

De heer Van Rey (VVD): De kwaliteit 
van de bijdragen. 

De heer Vermeend (PvdA): Zeer 

zeker. 

Voorzitter! Ik sluit mij aan bij de 
vraag van mevrouw De Vries over 
een notitie over terugkeer uit de BV. 
Het is al eerder aan de orde geweest 
in een mondeling overleg. De 
beantwoording van de regering was 
nogal terughoudend. Er werden 
vooral knelpunten gesignaleerd. Het 
viel mij op dat niet werd gezocht 
naar creatieve oplossingen. De 
praktijk laat zien, dat men moet 
zoeken naar gekunstelde constructies 
om de terugkeer mogelijk te maken. 
Ik nodig de staatssecretaris uit om 
op dat punt creatief mee te denken. 

Voorzitter! Ik kom te spreken over 
de WBSO, voorgesteld in de nota 
van wijziging. Ik ben het eens met de 
verlenging van de termijn. Gelet op 
de berichtgeving vraag ik mij af of de 
termijn tot 24 juni niet te kort is. In 
feite wordt nu een aantal weken 
respijt gegeven. Het is mij bekend, 
dat een eerdere datum was 
afgesproken. De praktijk leert - ik 
heb daarover nogal wat telefoontjes 
gehad - dat nogal wat bedrijven 
problemen hebben met de termijn– 
stelling. Waarom is voor die korte 
termijn gekozen? Ik kan mij er iets bij 
voorstellen, als het gaat om de 
vaststelling van het percentage. Is 
een langere termijn overwogen? 

Ten slotte sluit ik mij aan bij de 

vraag van de heer Smits over de 

startersaftrek. 

D 

Staatssecretaris Van Amelsvoort: 

Mijnheer de voorzitter! Het is bij de 
behandeling van dit wetsvoorstel tot 
verlaging van een "tarieftreetje" in 
de vennootschapsbelasting en 
verhoging van de zelfstandigenaftrek, 
dat ik voor het eerst voor de Kamer 
in haar nieuwe samenstelling sta. Ik 
begin dit betoog graag met een 
gelukwens aan het adres van u, 
voorzitter, en de leden van de Kamer, 
met uw en hun verkiezing. Er is een 
fiscaal onderwerp aan de orde en de 
ervaring van de laatste jaren leert dat 
dergelijke onderwerpen vaak 
onderwerp van de beraadslagingen 
zijn. Dat zal in de toekomst niet 
anders zijn. Immers, met de 
belastingheffing wordt er gereageerd 
op ontwikkelingen in de maatschap– 
pij. Op dit terrein moet ook worden 
getracht, ontwikkelingen te voorzien 
en daarop tijdig in te spelen. De 
ontwikkelingen gaan bijzonder snel 
en dat zal wel zo blijven. Ik wens de 
leden van deze Kamer gaarne veel 
succes toe bij hun werkzaamheden. 
Een bijzondere gelukwens richt ik 
aan het adres van mevrouw De Vries. 
Ik heb haar maidenspeech met veel 
genoegen aangehoord. Haar betoog 
was helder en duidelijk. Met andere 
sprekers ben ik van oordeel dat haar 
klare taal goede dingen voor de 
toekomst belooft. 

Voorzitter! Ik dank de Kamer voor 
de voortvarende wijze waarop zij dit 
wetsvoorstel heeft willen behande– 
len, zowel in de oude samenstelling 
als in de nieuwe. Het is op 28 maart 
1994 mgediend en dus is er een 
bijzonder snelle procedure. Naar ik 
heb begrepen kan het wetsvoorstel 
reeds de volgende week door de 
Eerste Kamer worden behandeld. Dit 
betekent dat het bedrijfsleven op 
zeer korte termijn zekerheid zal 
verkrijgen over wat het te wachten 
staat. 

Het voorstel behelst twee 
wijzigingen. Op de eerste plaats 
wordt het winsttraject in de 
vennootschapsbelasting waarvoor 
het 40%-tarief geldt, verkleind van 

ƒ 250.000 tot ƒ 100.000. Ik sprak 
zojuist al over een "tarieftreetje". 
Sommigen noemen het een 
"opstapje" en dat is het ook als het 
wordt bezien tegen de achtergrond 
van de wettekst. Ik noem het graag 
een "afstapje", gelet op de bedoeling 
van de wetgever. Het gaat erom, 
voor degenen die uit een bedrijf 
komen, zonder afgescheiden 
vermogen, en naar de BV-vorm gaan, 
een zeker afstapje te maken, een 
treetje om af te stappen naar het 
lagere tarief van de vennootschaps– 
belasting. Dat heeft de wetgever 
gewild om het niet al te aantrekkelijk 
te maken, voor de BV-vorm te kiezen. 
Hierbij wordt gedacht aan onderne– 
mingen die daarvoor eigenlijk te 
klein zijn. 

On de tweede plaats en daarmee 
samenhangend wordt voorgesteld, 
de zelfstandigenaftrek te verhogen 
met ƒ 1500 per jaar. Het kabinet 
beoogt daarmee een lasten– 
verlichting voor het midden– en 
kleinbedrijf (MKB) ter stimulering van 
de werkgelegenheid. Het MKB is 
uiteraard van zeer groot belang voor 
de Nederlandse economie; het neemt 
meer dan de helft van de totale 
werkgelegenheid voor zijn rekening. 
Ik ben het met de heer Smits eens 
dat de verbeterde liquiditeitspositie 
ten goede komt aan de continuïteit 
van deze ondernemingen. 

Mevrouw De Vries heeft deze 
gelegenheid benut om te spreken 
over de internationale vestigings– 
positie. Die is natuurlijk niet met dit 
wetsvoorstel beoogd. Het wetsvoor– 
stel is gericht op het MKB en niet op 
multinationale ondernemingen die 
overwegen om in Nederland een 
vestiging te realiseren. Ik deel haar 
mening dat Nederland wat dit betreft 
steeds in fiscale zin een voorsprong– 
positie heeft gehad maar dat geldt 
niet voor haar oordeel dat Nederland 
die positie nu kwijt is. Nog onlangs 
heb ik kunnen spreken met leiding– 
gevende mensen van Amerikaanse 
bedrijven. Tot mijn genoegen heb ik 
daarbij kunnen constateren dat men 
in het algemeen zeer tevreden is 
over het Nederlandse fiscale stelsel, 
ook en in het bijzonder in vergelij– 
king met de systemen in andere 
landen. Men prijst het stelsel. Men 
prijst de behandeling van multinatio– 
nale ondernemingen. Tevens prijst 
men de houding van de belasting– 
dienst. Sommigen hebben er 
ongevraagd aan toegevoegd dat zij 
geen prijs stellen op cadeautjes van 
min of meer incidentele aard die in 
andere landen worden beloofd. Zij 
geven er de voorkeur aan om zich, 
ook in fiscaal opzicht, in Nederland 
te vestigen. Dat deed mij uiteraard 
genoegen. 

Ik zal er het mijne aan doen om in 
de mate van het mogelijke de 
voorsprong van Nederland te 
behouden. Waarom zeg ik "in de 
mate van het mogelijke"? Wij 
streven al lang naar harmonisatie in 
Europees verband. Het zal u duidelijk 
zijn dat harmonisatie moeilijk 

Verlaging tariefopstapje 21 juni 1994 
Tweede Kamer vennootschapsbelasting TK79 


Van Amelsvoort 

samengaat met behoud van een 
voorsprong. Als je wilt harmonise– 
ren, wi! je eigenlijk dezelfde 
voorwaarden in de wetgeving 
opnemen als de andere landen van 
de Europese Unie. Harmonisatie 
dient echter niet om zichzelf te 
worden nagestreefd, maar altijd om 
de concurrentievoorwaarden zo gelijk 
mogelijk te trekken. In elk geval dient 
vervalsing van concurrentie– 
voorwaarden te worden voorkomen. 
U hoeft van mij niet te verwachten 
dat ik harmonisatie a outrance 
nastreef. Niettemin, het verklaarde 
streven, ook van deze Kamer, naar 
harmonisatie zal voorsprongen van 
welk land dan ook en op welk terrein 
dan ook verkleinen. 

Ik heb al wetsvoorstellen 
ingediend om de fiscale positie van 
Nederlandse bedrijven en in het 
bijzonder in internationaal opzicht te 
verbeteren. Sommige zijn nog in 
procedure. De tijd zal het leren of ik 
ze nog kan indienen. Ik voel mij in 
dezen gesteund door de oude en de 
nieuwe Kamer. 

Het probleem van de teruggang 
van de BV naar de eenmanszaak 
heeft stellig mijn aandacht. Dat is 
minder eenvoudig fiscaal te 
begeleiden dan de overgang van de 
eenmanszaak naar de BV. Ik heb 
hierover het een en ander geschre– 
ven. Ik heb de voors en tegens in de 
Bouwstenennotitie belicht. De heer 
Smits spoorde mij aan, deze zo 
spoedig mogelijk aan de Kamer over 
te leggen. Ik zal hiervan mededeling 
doen in de ministerraad van 
aanstaande vrijdag. Ik zal de Kamer 
gaarne in staat stellen kennis te 
nemen van mijn gedachten. 

Ik kan de heer Smits nog niet 
zeggen wat de effecten zijn in 
kwantitatieve zin. De effecten in 
kwalitatieve zin zijn duidelijk. 

De heer Vermeend sprak over de 
startersaftrek. Met het oog op de 
budgettaire beperktheid is dit punt 
nu niet opgenomen. Er was een 
bepaald budget beschikbaar voor 
fiscale stimulering en ik heb 
gemeend aan deze twee modaliteiten 
de voorrang te moeten geven. 
Startersaftrek is een idee dat al lang 
leeft. Ik vind het een sympathiek en 
goed idee voor het bevorderen van 
de werkgelegenheid. Er zitten echter 
ook veel haken en ogen aan. Ik heb 
wel eens gezegd: geef mij een goede 
definitie van een starter en ik zal de 
regeling maken. Het is erg moeilijk 
een regeling voor een startersaftrek 
te maken waar geen oneigenlijk 

gebruik van kan worden gemaakt 
zonder buitengewoon veel controle 
en handhavingsmaatregelen. 
Niettemin wil ik graag nog eens 
bekijken of wij iets kunnen bekijken 
dat effectief tot een economische 
aansporing leidt en weinig vatbaar is 
voor misbruik of oneigenlijk gebruik. 
Ik zal het nogmaals in de beschou– 
wing betrekken. 

Op de vraag van de heer 
Vermeend over de S en 0-faciliteit 
kan ik zeggen dat wij inderdaad tot 
de conclusie zijn gekomen dat de 
termijn wat kort was. Het bedrijfsle– 
ven heeft ons daar ook op gewezen. 
Ik ben daarover in overleg getreden 
met de minister van EZ en ik heb 
toen begrepen dat er nog slechts 
enkele aanvragen binnenkomen. Ik 
neem aan, dat dit probleem nu als 
opgelost beschouwd kan worden. 

D 

Mevrouw B.M. de Vries (VVD): 
Mijnheer de voorzitter! Ik dank de 
staatssecretaris voor zijn antwoor– 
den. 

Uit zijn opmerkingen over het 
onderwerp waarmee ik begon, 
namelijk de internationale fiscale 
concurrentiepositie van Nederland, 
kreeg ik bijna het gevoel dat er niets 
aan de hand is. 

Staatssecretaris Van Amelsvoort: 
Dan hebt u slecht geluisterd. 

Mevrouw B.M. de Vries (VVD): Ik 
vind dat u de problemen wat 
wegschuift. U doet alsof het allemaal 
wel meevalt maar ik ben van mening 
dat we toch aan het afglijden zijn. 
Misschien is het aardig om daar eens 
over te debatteren. 

Staatssecretaris Van Amelsvoort: 
Wilt u daar ook het begrip harmoni– 
satie, dat ik heb gebruikt, bij 
betrekken? 

Mevrouw B.M. de Vries (VVD): Die 
harmonisatie speelt inderdaad een 
rol maar dan treden wij nu in details 
die buiten dit voorstel staan. Als we 
kijken naar Duitsland, lerland, 
Luxemburg en België dan zien we 
dat die landen hun eigen regeling 
aanscherpen, waardoor ze ten 
opzichte van Nederland steeds meer 
concurrerend worden. Wij moeten 
zowel voor het internationale als 
voor het nationale bedrijfsleven 
ervoor zorgen dat wij concurrerend 
blijven. De staatssecretaris zegt dat 

Amerikaanse bedrijven ons prijzen. Ik 
zeg niet dat het slecht is, maar ik 
meen dat wij de greep kwijtraken. 
Wat ik in mijn maidenspeech heb 
gezegd is, dat wij er in de komende 
periode voor moeten zorgen dat wij 
alle aanzetten, die gegeven worden, 
oppakken zodat het geheel steviger 
wordt dan het nu is. 

Ik hoop dat wij na de zomer een 
uitgewerkt stuk krijgen. Ik ben blij dat 
de PvdA de gefacilieerde teruggang 
ondersteunt. Inderdaad zitten er 
allerlei haken en ogen aan. Maar aan 
de ene kant menen wij dat er voor 
het bedrijfsleven geen onnodig 
ingewikkelde regelingen moeten zijn 
terwijl wij anderzijds moeten 
constateren dat er in de praktijk een 
bepaalde behoefte blijkt te bestaan 
om van de BV terug te gaan naar de 
eenmanszaak waar nu allerlei 
VOF'jes en CV'tjes te pas moeten 
komen. Daar moeten wij een 
creatieve oplossing voor kunnen 
vinden. 

D 

De heer Smits (CDA): Voorzitter! Ook 
ik dank de staatssecretaris voor de 
beantwoorde vragen. 

Mevrouw De Vries heeft gesproken 
over de wegzakkende internationale 
positie van Nederland in vergelijking 
met landen als lerland en nog enkele 
andere landen. Zij heeft de regering 
aangespoord, daar iets aan te doen. 
Ik wil haar in herinnering roepen dat 
kamerleden een aantal mogelijkhe– 
den hebben, zoals het recht van 
initiatief. Wat let mevrouw De Vries 
om in de voor ons liggende jaren 
een aantal voorstellen in die richting 
te doen? Wij zullen die graag in deze 
Kamer bediscussiëren. 

De heer Van Rey (VVD): Die liggen 
al klaar. 

De heer Smits (CDA): Uitstekend, 
dan kunnen we heel snel van start. 

De staatssecretaris heeft gezegd 
dat hij welwillend wil kijken naar de 
startersfaciliteiten. Ik ben hem daar 
dankbaar voor. Ik wil er nog eens op 
wijzen dat groei in de werkgelegen– 
heid in de afgelopen jaren vooral zat 
bij de startende ondernemingen. Dat 
is een extra reden om dat nog eens 
te bezien. 

Tot slot heb ik begrepen van de 
staatssecretaris dat de Bouwstenen– 
notitie er is en daar ben ik blij om. 
Volgende week vrijdag zal hij die 
notitie in de ministerraad aan de 

Verlaging tariefopstapje 21 juni 1994 
Tweede Kamer vennootschapsbelasting TK79 


Smits 

orde stellen. De Kamer heeft er al 
lang geleden om gevraagd en ik 
neem dan ook aan dat wij na 
volgende week vrijdag over die 
notitie kunnen beschikken. 

Staatssecretaris Van Amelsvoort: 
Voorzitter! Ik heb grote waardering 
voor de ijver van mevrouw De Vries 
die pleit voor verbetering van ons 
fiscale systeem ter bevordering van 
de werkgelegenheid door middel van 
vestiging van internationale 
ondernemingen. Dat sluit aan bij 
pleidooien die in de afgelopen 
periode in deze Kamer gehouden zijn 
en dat sluit ook bij mijn streven aan. 
Ik ben daar blij mee. Men moet 
daarover echter niet te gemakkelijk 
praten. Als mevrouw De Vries een 
woord als "afglijden" in de mond 
neemt, moet ik daartegen proteste– 
ren. Dat is geen juiste beschrijving 
van de werkelijkheid. Ik vind het ook 
te gemakkelijk als men verwijst naar 
andere landen - bijvoorbeeld 
Duitsland, België en lerland - om 
daarmee Nederland te vergelijken. Ik 
vind dat men dat niet zo gemakkelijk 
moet doen. Het is mij bekend dat 
Duitsland een aantal wijzigingen in 
de fiscale wetgeving heeft opgeno– 
men, waardoor het voor internatio– 
nale ondernemingen in zeker opzicht 
aantrekkelijker wordt om zich daar te 
vestigen. Maar het is mij ook bekend 
dat daarbij aanscherpingen in de 
Duitse wetgeving opgenomen zijn 
die verder gaan dan de onze, 
waardoor het weer moeilijker wordt. 
Men moet altijd het evenwicht in het 
oog houden. 

Met landen als België en lerland 
wil ik mij niet vergelijken. Dat is een 
heel ander soort bedenking. Ik vind 
dat wij niet moeten proberen België 
na te volgen met zijn coördinatie– 
centra. Ik vind dat wij nog minder 
moeten proberen lerland na te 
volgen met een tarief van 10% 
vennootschapsbelasting als men zich 
in bepaalde streken vestigt. Ik vind 
dat beneden dat stand van Neder– 
land. Dat bedoelde ik straks ook - ik 
wilde dat echter niet zo openlijk 
zeggen - toen ik gewaagde van mijn 
recente ervaring in de Verenigde 
Staten, waar leiders van onderne– 
mingen uitdrukkelijk zeiden, liever 
het solide fiscale systeem van 
Nederland te hebben, waarbij men 
weet waaraan men toe is, dan die 
cadeautjes die andere landen 
aanbieden. 

Voorzitter! De heer Smits heeft 
gelijk als hij stelt dat de groei van de 
werkgelegenheid in Nederland vooral 
komt van bedrijven die zich nieuw 
gevestigd hebben. Dat is juist en dat 
spoort mij te meer aan, al het 
mogelijke te doen in de sfeer van de 
startersaftrek. 

De algemene beraadslaging wordt 
gesloten. 

Het wetsvoorstel wordt, na goedkeu– 
ring van de onderdelen, zonder 
stemming aangenomen. 

Aan de orde is de voortzetting van 
de behandeling van: 

- het wetsvoorstel Herziening 
van de maatregel van ondertoe– 
zichtstelling van minderjarigen 
(artikelen 254 en volgende van 
Boek 1 van het Burgerlijk 
Wetboek) (23O03). 
(Zie vergadering van 16 juni 1994.) 

De algemene beraadslaging wordt 

hervat. 

Voorzitter: Kohnstamm 

D 

De heer Dijkstal (WD): Mijnheer de 
voorzitter! Zonder iets af te doen aan 
de waardenng die ik heb uitgespro– 
ken over de stukken en zeker met 
dank voor de antwoorden van de 
minister op de eerste termijn van de 
Kamer, blijf ik een wonderlijk gevoel 
overhouden. Reeds in de schriftelijke 
behandeling had ik het gevoel dat 
wij zeer sterk langs elkaar heen 
spraken. Vorig week tijdens het debat 
hierover werd dat gevoel alleen maar 
versterkt. Ik begrijp niet goed hoe dat 
komt. 

Vanaf de subcommissie - als ik dat 
zo mag formuleren - is er vanuit de 
Kamer door de verschillende fracties 
en in ieder geval vanuit mijn fractie 
zeer fundamenteel nagedacht en 
gesproken over de plaats van de 
raden voor de kinderbescherming en 
dus de overheid in dat hele 
krachtenveld van kinderbescherming 
en jeugdhulpverlening. Ik mag 
misschien de schriftelijke voorberei– 
ding rond het wetsvoorstel over de 
crisisopvang in herinnering roepen. 
Ik mag misschien wijzen op het 
mondeling overleg dat heeft 
plaatsgevonden over het Bureau 
vertrouwensartsen. Daarin heb ik 

namens mijn fractie de fundamentele 
lijnen uiteengezet voor de positie van 
de raden voor de kinderbescherming 
in ons land, voor zover die er is en 
voor zover die er nog moet komen. 
Ik heb die lijnen consequent 
voortgezet, ook in het debat van 
vorige week. Op deze punten heb ik 
eigenlijk steeds geen reactie 
gekregen. Er kwamen steeds 
antwoorden die ergens anders 
betrekking op hadden. 

Ik wil de minister de kernvraag nu 
weer voorleggen: wordt erkend dat 
slechts een publiek orgaan, dus een 
orgaan dat onder directe ministeriële 
verantwoordelijkheid staat, mag 
rekestreren in zulke ingrijpende 
zaken als het beperken van ouderlijk 
gezag, als dat in het belang van het 
kind noodzakelijk is? Ik heb hiervoor 
telkens de reden aangevoerd dat het 
hier een zeer ingrijpende maatregel 
betreft. Ik heb aangegeven dat ik 
eigenlijk van mening ben dat de 
wetgever nauwkeurig in de wet moet 
aangeven wanneer hij wel of niet 
meent te mogen ingrijpen. Omdat dit 
- om een aantal redenen - nu 
eenmaal niet kan, blijft alleen de 
positie van de Raad voor de 
kinderbescherming over. Deze raad 
treedt namens de samenleving en 
via de overheid op. 

De regering en de fractie van D66 
gaan stelselmatig om die vraag 
heen. Zij voeren argumenten aan 
voor de manier waarop een en ander 
nu in het wetsvoorstel is geregeld. 
Soms is het argument dat de 
gezinsvoogdij dit wel aankan en ook 
heeft bewezen dit werk aan te 
kunnen. De gezinsvoogdij zou 
hebben aangetoond dat zij de taak 
van rekestreren op zich kan nemen. 
Dat is echter niet het antwoord op 
mijn vraag. Ik heb nooit ontkend dat 
de gezinsvoogdij in Nederland heel 
veel aankan, kwalitatief van hoog 
niveau is en deze taak op zich kan 
nemen. Dat is de vraag niet. 

Vervolgens kwamen er enkele 
praktische bezwaren. Praktische 
bezwaren wil ik snel erkennen. Ik zie 
ook best praktische bezwaren als een 
en ander wordt geregeld op de door 
mij voorgestelde manier. Daarover 
kan geen discussie bestaan. Door 
mevrouw Versnel en door de 
minister wordt bovendien gewezen 
op de veilige gedachte dat het altijd 
de kinderrechter is die uiteindelijk de 
uitspraak doet. Dat is echter een zeer 
gevaarlijke redenatie. Dit houdt in 
dat niet de wetgever er zelf voor 
behoeft te zorgen dat hij zijn zaken 

21 juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK79 79-5426 


Dijkstal 

ordentelijk regelt. Immers, er is altijd 
een rechter die een uitspraak doet. 
Natuurlijk erken ik dat er altijd een 
rechter is die een uitspraak doet. Het 
gaat mij echter om de vraag: wat is 
fundamenteel de positie - taak en 
bevoegdheden - van de Raad voor 
de kinderbescherming? Daarbij moet 
ervan worden uitgegaan dat een 
gezinsvoogdij-instelling nu eenmaal 
een particuliere instelling is. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (066): 
Voorzitter! Stel dat er gerekestreerd 
wordt door de raad. Het kind valt 
dan eerst niet onder het regime van 
de kinderbescherming. De raad kan 
de zaak voorleggen aan de rechter, 
die vervolgens een uitspraak doet. 

De raad heeft de zaak dus eerst 
onderzocht en rekestreert dan. De 
ondertoezichtstelling wordt 
uitgevoerd door de gezinsvoogdij– 
instelling. Het kind is dan binnen het 
systeem van de ondertoezichtstel– 
ling. Met andere woorden, de 
feitelijke situatie waarin het kind voor 
die tijd verkeerde, wordt als dreigend 
beoordeeld. Ik verwijs hiervoor naar 
het wetsvoorstel. Het kind heeft dan 
dat stempel, dus binnen het systeem 
van de ondertoezichtstelling. De 
ondertoezichtstelling loopt per 
definitie na een jaar af. Hetzelfde 
geldt bij een uithuisplaatsing. 
Wanneer de ondertoezichtstelling 
afloopt, kan de instelling die voor de 
feitelijke uitvoering zorgt, zeggen: wij 
vinden het nodig dat de ondertoe– 
zichtstelling om bepaalde redenen 
wordt verlengd. Dit is vastgelegd in 
protocollen. De minister heeft 
krachtens de wet hiervoor de 
verantwoordelijkheid. Hij neemt ook 
voor de uitvoering de verantwoorde– 
lijkheid. Door de gezinsvoogdij– 
instelling kan aan de rechter worden 
gevraagd om de ondertoezichtstel– 
ling met een jaar te verlengen. Dan 
moeten de argumenten op tafel 
liggen. Het verschil tussen de heer 
Dijkstal en mij is dat ik denk vanuit 
de praktische situatie. De 
gezinsvoogdij-instelling kan hierover 
een goed oordeel hebben. Ik wijs op 

het evenwicht via de constructie van 
het wetsvoorstel dat bij de Eerste 
Kamer ligt. Het gaat daarbij om de 

kennis die de Raad voor de 
kinderbescherming kan hebben. De 
raad kan optreden of zich voegen. 

De voorzitter: Ik verzoek u, uw 

interruptie nög korter en bondiger te 

maken. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): Ik 
denk dat de heer Dijkstal begrijpt op 
welk verschil in opstelling ik doel. 

De heer Dijkstal (WD): Absoluut. Ik 
snap alleen niet hoe mevrouw 
Versnel tot haar standpunt komt. Zij 
noemt haar eigen benadering 
praktisch. De gezinsvoogdij-instelling 
voert de OTS uit. Na een jaar moet 
er iets beslist worden. Om praktische 
redenen zou je die beslissing daar 
kunnen laten. Wat mevrouw Versnel 
echter onderschat, is de positie van 
de ouders. Die ouders hadden er al 
grote bezwaren tegen dat de OTS 
werd uitgesproken. Als zij die 
bezwaren niet zouden hebben, 
zouden ze er in een vrijwillig traject 
aan hebben meegewerkt. Er is een 
kinderrechter aan te pas gekomen 
om de OTS uit te spreken. De 
uitvoering daarvan is bij de 
gezinsvoogdij-instelling gelegd. Een 
verlenging van de OTS is vanuit het 
oogpunt van de ouder mijns inziens 
minstens zo ingrijpend als de 
beslissing in eerste instantie. Daar zit 
precies het verschil. Het centrale 
punt hierbij moet de Raad voor de 
kinderbescherming zijn en niet een 
particuliere instelling. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): In 
het systeem van checks and balances 
zijn de ouders er in het totale proces 
continu bij betrokken. Zij kunnen 
altijd naar de rechter gaan. Zij 
kunnen altijd vragen om het 
opheffen van aanwijzingen. Zij 
kunnen hun mening geven bij het 
verlengen van de OTS. De zaak moet 
helder bij de rechter ter tafel komen. 
De heer Dijkstal doet net alsof de 
ouders zo boordevol vertrouwen in 
de Raad voor de kinderbescherming 
zijn. Daar kun je best een paar 
vraagtekens bij plaatsen. 

De heer Dijkstal (WD): Dat is juist, 
maar het is niet het argument dat ik 
aanvoer. Wij spreken over ingrij– 
pende bevoegdheden, die naar mijn 
mening slechts toekomen aan een 
publiek orgaan onder directe 
verantwoordelijkheid. Dat is een visie 
op de overheid, de burger en hun 
onderlinge relatie. Op het punt van 
de pragmatiek geef ik mevrouw 
Versnel gelijk. Ik heb echter zwaarder 
wegende belangen en doe als het 
ware wat concessies aan de 
praktische kant. De principiële kant 
wil ik sterk verankeren. 

Ik heb een fax gekregen, waarvan 
ik hoop dat hij van het ministerie van 

Justitie komt, over de kosten van het 
geheel. Ik zal proberen aardig te 
blijven, maar dat valt niet mee. Sinds 
5 juli 1993 heb ik namens mijn fractie 
zeer prominent deze discussie 
gevoerd. Ik heb nooit een argument 
over het geld gehoord. Ik heb geen 
becijferingen gezien, helemaal niks 
Totdat vorige week in het debat 
opeens het geld als een gelegenheids– 
argument uit de lucht kwam vallen. 
Ik heb die fax geprobeerd te 
begrijpen. Ik vind de berekening 
nogal slordig. Er zijn allerlei 
twijfelachtige aannames. Ik neem de 
fax derhalve niet zo verschrikkelijk 
serieus. 

Minister Kosto: De heer Dijkstal zei 
toch dat hij aardig zou blijven? 

De heer Dijkstal (WD): Dan weet u 
niet hoe ik ben als ik onaardig doe! 

Ik vind dat voorbijgegaan is aan 
de vraag in hoeverre je aan een 
private organisatie publieke taken 
kunt geven. In dit geval gaat het om 
gezagstaken. Kunnen private 
organisaties onder het algemene 
bestuursrecht en dergelijke dezelfde 
garanties bieden als publieke 
organen? Dit blijft het hart van de 
zaak. Ik heb nog geen argument 
gehoord op grond waarvan ik zou 
menen dat ik ongelijk heb. 

Misschien is het nog even 
interessant voor de minister om te 
weten dat op 10 juni jl. een 
studiemiddag heeft plaatsgevonden 
van de Vereniging voor familie– en 
jeugdrecht. Ook deze vereniging 
vraagt een nadere specificatie van de 
wettelijke grond voor overheidsing– 
rijpen in het privéleven van ouders 
en kinderen. Die grond kunnen wij 
niet leveren, maar wij kunnen wel 
een hoop garanties bieden als wij 
het regelen op de manier die ik 
voorstel. 

Er zit nog een ander element in de 
discussie. Ik maak mij wat zorgen 
over de manier waarop de minister 
van Justitie tegen de Raad voor de 
kinderbescherming aankijkt. Ziet hij 
de raad als het centrale punt of vindt 
hij het een club die er toevallig ook 
nog is en die ook nog ergens een rol 
in mag spelen? Ik vind dat zij het 
centrale punt moeten zijn: het 
overheidsorgaan bij uitstek. 

De inbreng van mevrouw 
Soutendijk was hierbij voor mij van 
belang, en dat niet alleen in verband 
met mogelijke meerderheden die wij 
in de Kamer kunnen verkrijgen. Als ik 
haar goed heb begrepen, pleitte ook 

21 juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK79 

79-5427 


Dijkstal 

zij voor een intensievere betrokken– 
heid van de raden. Mede daarom is 
zij met het nader gespecificeerde 
voorstel gekomen over de 
rapportageplicht van de gezinsvoog– 
dij aan de raden. Dat punt lijkt mij 
overigens inmiddels opgelost te zijn; 
ik noem het even volledigheidshalve. 
Zij zei in haar termijn dat zij wenst 
dat de raden structureel zicht hebben 
op de voortgang van hulpverlening 
en dus ook op de noodzaak tot 
wijziging van de in eerste instantie 
opgelegde maatrege! Zij was het 
eens met uitbreiding van de 
rekestrerende taak van de raden. Als 
ik haar goed heb begrepen, bleef 
voor haar één probleem over, 
namelijk dat de gezinsvoogdij keurig 
aan de raden heeft gerapporteerd, 
bijvoorbeeld dat de werkingsduur 
van een maatregel moet worden 
verlengd, maar dat de raden ter zake 
een ander oordeel hebben. Zij wenst 
dat de gezinsvoogdij in zo'n 

patstelling de mogelijkheid heeft om 
zelf te rekestreren. Ik vind dat een 

interessant punt waarover ik wil 

nadenken. Uit haar inbreng maakte ik 
evenwel op dat zij langs dezelfde lijn 

redeneert als mevrouw Vliegenthart 

en ik. 

Het is mogelijk dat in deze 
discussie nog onzekerheid bestaat 
over de wijze waarop mijn fractie, en 
misschien ook die van de PvdA, 
aankijkt tegen de gezinsvoogdij. Ik 
wil daarover volstrekt helder zijn. De 
gezinsvoogdij is een zeer belangnjk, 
zeer deskundig en door ons ook zeer 
gewaardeerd onderdeel van het hele 
circuit van kinderbescherming en 
jeugdhulpverlening. Ik heb zelfs voor 
de 5 mln. gepleit, opdat de gezins– 
voogdij verder kan worden vervol– 
maakt zoals men dat zelf wil. Ik ben 
de minister dankbaar voor de wijze 
waarop hij daarop is ingegaan. Hij is 
nu niet in staat, garanties te geven 
voor de begroting van volgend jaar. 
Het enige dat hij kan doen - dat heb 
ik hem ook gevraagd - is naar een 
mogelijkheid te zoeken om dit jaar 
een start te maken. Hij heeft dat 
toegezegd. Ik ben hem daar zeer 
erkentelijk voor. 

Mogelijk bestaat nog de vrees dat 
bij de door mij voorgestelde lijn een 
zekere bureaucratisering in het 
geheel optreedt, omdat de raden er 
toch alle tijd voor zullen nemen en er 
allemaal papieren heen en weer 
zullen gaan. Ik vind dat evenwel een 
miskenning van datgene waarmee de 
raden in de afgelopen jaren bezig 
zijn geweest. Ik geloof daar dus 

absoluut niets van. Ik vind dat ik een 
zeer verantwoordelijke lijn heb 
voorgesteld, wat op twee gedachten 
is gebaseerd. Enerzijds is dat de trias 
politica, de scheiding der machten. 
Anderzijds is dat de strikte scheiding 
tussen rechtspraak en uitvoering, 
waarover de subcommissie van 
mevrouw Vliegenthart rapporteerde. 
Als het gaat om de uitvoering in het 
kader van de gezinsvoogdij, moet er 
ook een ander orgaan komen dat 
toezicht houdt op de rekestrerende 
taak. 

Wat het amendement op stuk nr. 
18 betreft, verwees de minister naar 
het wetsvoorstel Herziening van het 
procesrecht in zaken van personen– 
en familierecht (22487). Ik krijg de 
indruk dat de zaak daarmee naar 
bevrediging geregeld is. Ik houd het 
voor alle zekerheid nog even boven 
water, maar ik vermoed dat de 
discussie in tweede termijn ertoe zal 
leiden dat wij amendement op stuk 
nr. 18 zullen intrekken. Ik wacht nog 
even het standpunt van mevrouw 
Soutendijk, die hierover nadrukkelijk 
sprak, af. 

Ik heb geen antwoord gehad op 
mijn vraag over het hoger beroep. 
Hoger beroep is wel mogelijk bij de 
rechterlijke beslissing, houdende een 
machtiging tot plaatsing. Hoger 
beroep is evenwel niet mogelijk bij 
de rechterlijke beslissing op een 
verzoek tot beemdigmg van de 
plaatsing. Het ontgaat mij waarom 
dat onlogische onderscheid is 
gemaakt. Ik zou het op prijs stellen 
als de minister daarop alsnog ingaat. 

Mijn laatste opmerking is dat ik 
met vreugde heb geconstateerd dat 
ook de minister met grote nadruk 
heeft gezegd dat elk overheids– 
orgaan, ook de rechter, zijn 
beslissingen naar behoren dient te 
motiveren. Zo is het! 

D 

De heer Van den Berg (SGP): 

Mijnheer de voorzitter! Ik wil graag 

beginnen met een woord van dank 

aan de minister voor zijn heldere 

beantwoording. Hierdoor zijn ook 

verschillende vraagpunten van onze 

fractie opgehelderd. Een enkel punt 

resteert echter nog in tweede 

termijn. 

In het begin van mijn betoog heb 
ik, naar aanleiding van een aantal 
opmerkingen van mevrouw prof. De 
Langen, gewezen op een wat 
algemener probleem dat wij op dit 
moment in het hele jeugdrecht zien, 

namelijk dat door de veelheid aan 
wijzigingen de samenhang van het 
geheel enigszins uit beeld zou 
kunnen raken. De minister is hierop 
ingegaan, waarvoor ik hem dank. Hij 
heeft met name gewezen op de door 
de wetgever in het algemeen 
betrachte terughoudendheid. Ik had 
ook op de noodzaak hiervan 
gewezen, maar het ging mij meer 
om de samenhang. In dit debat is 
gebleken dat er op dit moment nog 
veel meer wijzigingen bij de Kamer 
aanhangig zijn op het gebied van het 
familierecht en met name het 
jeugdrecht. Mijn zorg is of wij de 
samenhang van deze voorstellen wel 
voldoende zien en met name de 
effecten. Ik moet eerlijk bekennen dat 
ik het effect niet op alle punten 
voldoende overzie. Ik neem aan dat 
de minister en zijn zeer deskundige 
ambtenaren deze samenhang 
voldoende in het oog houden, maar 
ik wil dit punt van zorg hier nog even 
neerleggen. 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): De 
heer Van den Berg zou misschien de 
nota "Rechtzetten" er nog eens bij 
kunnen pakken. Hierin is de 
samenhang tussen al deze noodzake– 
lijke wijzigingen ook aangegeven. 

De heer Van den Berg (SGP): Ik ben 
dit geheel met u eens. Ik heb ook 
gezegd dat ik datgene wat er op dat 
punt gebeurd is, waardeer. Maar een 
nota is natuurlijk geen wet. Er zijn 
diverse wetgevingstrajecten die toen 
trouwens ook al liepen. Ik denk 
bijvoorbeeld aan de discussie rond 
de kinderbescherming waarop 
voorproefjes zijn genomen. Er zijn 
overigens nog veel meer samenhan– 
gen met ook andere terreinen van 
wetgeving, onder andere op 
strafrechtelijk terrein. Kortom, ik 
erken de juistheid van uw opmer– 
king. Ik meen dit echter toch als een 
punt van blijvende zorg aan de 
minister te moeten meegeven. 

Voorzitter! Er is een ander punt 
van zorg waar ik even de vinger bij 
wil leggen. Ik denk hier iets anders 
over dan de heer Dijkstal. Het betreft 
de vrees voor formalisering en 
bureaucratisering van de verhouding 
tussen de voogdij-instellingen, raden 
voor de kinderbescherming en de 
ouders en het kind. Ook hier hebben 
eerdere discussies invloed op gehad. 
Ik ben hier erkentelijk voor. Ik vraag 
de minister alleen op dit punt de 
vinger goed aan de pols te houden. 

21 juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK79 


Van den Berg 

Over een aantal zaken kan ik kort 
zijn. Ik ben de minister erkentelijk 
voor zijn verduidelijking over artikel 

264. Wij hadden op dit punt zorgen, 
ook in de schriftelijke voorbereiding. 
De minister heeft hier nu een 
zodanig duidelijk antwoord op 
gegeven, dat in ieder geval de vrees 
voor oneigenlijke toepassing van dit 
artikel bij ons op dit moment niet 
meer aanwezig is. 
Ik heb geen duidelijke reactie 
gehad op de vraag, die niet aüeen ik 
maar ook anderen hebben gesteld, 
over de wijze waarop in de praktijk 
het aspect van de godsdienstige 
gezindheid meegewogen wordt. Wij 
hebben dit punt nu in de wettekst 
staan. Dit is een goede zaak. De heer 
Dijkstal heeft hier ook over gespro– 
ken. Ik signaleer in de praktijk dat bij 
conflictsituaties nogal eens de visie 
van de jongeren op dit terrein gaat 
overwegen. Ik heb er begrip voor, als 
anderen hier anders over denken. 
Wij zouden echter ook de andere 
kant goed in het oog willen houden, 
namelijk de verantwoordelijkheid van 
de ouders voor hun minderjarige 
kinderen, ook op het gebied van de 
godsdienstige gezindheid. Dit is 
overigens een punt waarop wij ook 
later vandaag nog hopen terug te 
komen in het debat over het Verdrag 
voor de rechten van het kind. Hierbij 
is ditzelfde punt in feite ook sterk in 
het geding. Ik wil dit punt hier 
nogmaals onder de aandacht 
brengen en de minister onze vragen 
in eerste termijn nog eens in de 
welwillende aandacht aanbevelen. 

Last but not least het hele 
complex van discussie rond 
voogdij-instellingen en raden voor de 
kinderbescherming. Dit plaatst mijn 
fractie voor een moeilijke afweging. 
Ik erken dat eerlijk. Ik heb in eerste 
termijn gesproken over de aan de 
ene kant zorgvuldige scheiding 
tussen publiekrechtelijke en 
privaatrechtelijke sfeer. Een aantal 
opmerkingen die de heer Dijkstal hier 
zojuist nog over gemaakt heeft, 
spreken mijn fractie aan: er dient 
helderheid te zijn op dit punt, een 
goede taakverdeling, de juiste 
kaders. Ik ben aan de andere kant 
echter beducht om te veel zaken naar 
de raden voor de kinderbescherming 
te gaan brengen. We hebben 
hiermee in het verleden niet altijd de 
juiste ervaringen opgedaan. Wij 
kunnen in redelijke mate instemmen 
met de taakverdeling volgens dit 
wetsvoorstel, maar wij houden vol 
dat daarin een gevaar schuilt. 

Overigens is inmiddels een vijfde 
nota van wijziging verschenen. Ik kan 
die niet zien als een volledig 
alternatief van het amendement van 
de heer Dijkstal. Zo wordt zij volgens 
mij wel in de toelichting aangeduid. 
Het is een stap in de goede richting. 
Mijn fractie juicht die nota van 
wijziging toe. Ik denk niet dat zij de 
heer Dijkstal geheel bevredigt, maar 
daarover heb ik hem niet gehoord. 

De heer Dijkstal (VVD): Die nota 
betreft slechts de verlenging van de 
OTS. De uithuisplaatsing zit er niet 
in. Het kan voor mevrouw Soutendijk 
ook niet voldoende zijn. 

De heer Van den Berg (SGP): Ik zeg 
ook niet dat de nota voor mij alles 
oplost. Dat heb ik zoëven niet 
betoogd. De nota is voor mij een 
stapje in de goede richting. Wij 
volgen graag de gedachtenwisseling 
in deze termijn om vervolgens een 
eindafweging te maken over de 
verschillende amendementen. 

Voorzitter! Het geheel overziende, 
moet ik zeggen dat de minister een 
aantal twijfels en kanttekeningen van 
mijn fractie heeft weggenomen. Op 
enkele punten houden wij reserves, 
maar wij zullen dit wetsvoorstel 
steunen. 

D 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): 
Voorzitter! Ook ik dank de minister 
voor het antwoord in eerste termijn. 
Ik zeg erbij dat de minister mij niet 
echt heeft overtuigd. Mij bekroop, 
evenals de heer Dijkstal, het gevoel 
dat wij eigenlijk al een hele tijd langs 
elkaar heen praten. Het verhaal dat 
de minister vorige week hield, was 
opgehangen aan het amendement 
dat wij ingediend hebben. Toen al 
bekroop mij het gevoel dat de 
minister heel hoog van de toren 
blaast. Vooral het bezwaar dat het 
amendement de bodem onder het 
wetsvoorstel zou wegslaan, 
beschouw ik maar als de retoriek in 
het debat. Ik kan niet zeggen dat ik 
onder de indruk ben van dat verbale 
geweld. Ik wil heel graag de 
argumenten van de minister wegen, 
maar tot op heden overtuigen zij 
niet. 

Waarom niet? In ons amendement 
wordt de grondslag van het 
wetsvoorstel consistent doorgetrok– 
ken, door de bevoegdheid van de 
raad, de uithuisplaatsing en bij de 
beslissing om de ondertoezichtstel– 

ling te beëindigen, te regelen. Omdat 
wij die hoofdlijn van het wetsvoor– 
stel doortrekken, kan ik moeilijk 
serieus nemen dat ons amendement 
de bodem onder het wetsvoorstel 
zou wegslaan. 

Het tweede argument van de 
minister was, dat de gezinsvoogdij– 
instelling beroofd zou worden van 
haar mogelijkheden om voorzienin– 
gen aan de kinderrechter te vragen. 
Dat is gewoon niet waar. De 
gezinsvoogdij-instelling blijft 
bevoegd om aanwijzigingen te geven 
en die voor te leggen aan de 
kinderrechter. Wij komen helemaal 
niet aan die bevoegdheden van de 
gezinsvoogdij-instelling. 

Er zou een enorme hoeveelheid 
extra werk moeten worden verricht 
en er zou een enorme papierwinkel 
bijkomen die geen enkel redelijk doel 
zou dienen. Tegelijkertijd stelt de 
minister echter dat hetgeen wij 
feitelijk willen, al geregeld is in 
artikel 810 van het Wetboek van 
Burgerlijke Rechtsvordering. Ik 
begrijp helemaal niet hoe iets wat 
feitelijk al geregeld zou zijn, zoveel 
bezwaar op kan roepen. Ik ben het 
met de minister eens als hij bedoelt 
dat een en ander niet dubbel gedaan 
moet worden. Maar daarvoor is een 
praktische voorziening te treffen. Het 
gaat erom, dat het goed geregeld is. 

Een laatste argument waarvan de 
minister zich bediende - de heer 
Dijkstal noemde dat ook al - was het 
geld. Ik heb de genoemde bereke– 
ning ook gelezen. Ook ik was daar 
niet echt van onder de indruk. Als de 
raad het rekest opstelt, doet de 
gezinsvoogdij-instelling dat dus niet. 
Het kost zeker tijd als de Raad voor 
de kinderbescherming de betrokkene 
moet horen. Maar ook dat zal voor 
de gezinsvoogdij-instelling vervallen. 
Ook bij deze instelling zal een ander 
dan de gezinsvoogd het rekest 
moeten opstellen. Zou dit niet zo 
zijn, dan is dit een extra bezwaar 
tegen de constructie die in het 
wetsvoorstel wordt voorzien. Al die 
praktische argumenten overtuigen 
niet echt. De heer Dijkstal bracht in 
feite al naar voren, dat de minister 
van de door ons aangevoerde 
principiële argumenten afblijft. Die 
principiële argumenten zijn toch het 
belangrijkste. 

Inperking van het recht op gezins– 
en privéleven kan volgens artikel 8 
van het Europees verdrag tot 
bescherming van de rechten van de 
mens alleen op grond van de wet 
door het openbaar gezag plaatsvin– 

21 juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK79 


Vliegenthart 

den. Daarvoor hebben wij de Raad 
voor de kinderbescherming. Artikel 
242 van het Burgerlijk Wetboek stelt 
dat de Raad voor de kinderbescher– 
ming zich in alle gevallen op de 
hoogte stelt van die gevallen waarin 
maatregelen overwogen dienen te 
worden. In dat artikel ligt de 
kernfunctie van de Raad voor de 
kinderbescherming vast. De heer 
Dijkstal heeft ook al gezegd dat de 
overheid daarvoor ten volle 
verantwoordelijk is en moet zijn. 

Het feit dat in individuele situaties 
het ouderiijk gezag is ingeperkt door 
de ondertoezichtstelling wil niet 
zeggen dat daarmee de 
gezinsvoogdij-instelling met 
openbaar gezag bekleed is om 
juridische ingrepen uit te lokken. Het 
gezag dat de gezinsvoogdij-instelling 
heeft, heeft betrekking op de 
uitvoering van de maatregel. Er is 
ten principale geen verschil tussen 
de juridische betekenis van een 
ondertoezichtstelling, die een 
maatregel met een beperkte duur is, 
en de beslissing tot verlenging 
daarvan. Het openbare gezag van de 
gezinsvoogdij-instelling strekt dus 
niet tot het uitlokken van maatrege– 
len en zeker niet tot het doen van 
verdergaande ingrepen zoals de 
uithuisplaatsing. 

Ik wil even doorgaan op het punt 
van de uithuisplaatsing. De minister 
is niet op mijn stelling ingegaan dat 
uithuisplaatsing als een afzonderlijke 
maatregel beschouwd zou moeten 
worden. In de subcommissie 
noemden wij deze maatregel de 
OTS-plus. Uithuisplaatsing is een 
verdergaande inbreuk op het 
privéleven dan alleen de gezags– 
beperking en kan dus naar mijn 
oordeel niet als een kwestie van 
uitvoering beschouwd worden. De 
bevoegdheid tot het verzoeken om 
die uithuisplaatsing dient, consistent 
doorredenerend, bij de Raad voor de 
kinderbescherming te berusten. Deze 
raad is bovendien in staat, op 
afstand een oordeel over de situatie 
te geven. 

Mevrouw Versnel zegt wel dat de 

gezinsvoogdij-instelling daarvoor zo 

handig is, omdat die al met de 

situatie bekend is. Ik werp daartegen 

in dat er heel veel situaties zijn 

waarin de vrijwillige afdeling van de 

gezinsvoogdij-instelling, bijvoorbeeld 

de stichting Jeugd en gezin al een 

gezin begeleidt en op een gegeven 

moment tot de conclusie komt dat 

men er vrijwillig niet uitkomt en dat 

er ondertoezichtstelling moet 

plaatsvmden In dat geval gaat niet 
deze instelling naar de kinderrechter. 
Op dat moment moet de Raad voor 
de kinderbescherming dat verzoek 
indienen. Ik zie dus niet in dat dit nu 
niet mogelijk is. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Maar die vrijwillige afdeling van 
Jeugd en gezin heeft niet de 
wettelijke opdracht, dat verzoek in te 
dienen. Volgens het wetsvoorstel 
heeft de gezinsvoogdij-instelling, 
wanneer de rechter besloten heeft, 
een kind onder toezicht te plaatsen 
de wettelijke opdracht naar de 
rechter te gaan als zich op een 
gegeven moment een breuk 
voordoet in welke vorm dan ook. De 
rechter beslist. 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): Wij 
hebben bezwaar tegen die construc– 
tie. Daarover gaat het verschil van 
mening. Ik deel niet de stelling van 
mevrouw Versnel dat het een 
uitvoeringskwestie betreft. Uithuis– 
plaatsing is een zeer principiële 
inbreuk. Je kunt daarvan niet zeggen 
dat zij een uitvoeringskwestie is. De 
ondertoezichtstelling zelf is een 
maatregel van beperkte duur die 
maximaal een jaar mag duren. Op 
het moment van verlenging is 
opnieuw de beoordeling aan de 
orde: is de grond voor voortzetting 
van de maatregel nog aanwezig? Die 
beoordeling is principieel van een 
zelfde aard als aan het begin van de 
OTS. De kwestie is niet dat de 
maatregel al uitgevoerd wordt. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Natuurlijk wel. De situatie dat een 
kind niet onder toezicht gesteld is, 
bestaat dan niet meer. Het kind staat 
onder toezicht. In dat kader wordt 
bezien of er meer nodig is en of de 
OTS langer moet duren. De vraag 
waarom het gaat, is of de rechter 
daarover beslist. 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): Die 

rechter beslist sowieso. De vraag is 

wie dat verzoek doet. 

Voorzitter! De minister gaf in 
antwoord op de vragen van de heer 
Rouvoet aan dat uithuisplaatsing 
beschouwd zou moeten worden als 
een ultimum remedium. Kan de 
minister bevestigen of bij de toetsing 
van de vraag of uithuisplaatsing 
moet worden toegestaan tevens 
wordt beoordeeld of dit voor de 
jongere een beter alternatief is? 
Kortom, een vastgelopen situatie 

thuis is niet per definitie een 
legitimatie voor uithuisplaatsing. 
Andere vormen van huipverlening of 
de aanwijzing van een andere 
gezinsvoogd kunnen meer aangewe– 
zen middelen zijn dan uithuis– 
plaatsing. Het grote aantal mislukte 
uithuisplaatsingen zou ons te denken 
moeten geven. Wil de minister 
hierop reageren? 

Voorzitter! Bij artikel 810 Wetboek 
van Burgerlijke Rechtsvordering 
heeft de minister ons erop geatten– 
deerd dat ingevolge dat artikel de 
Raad voor de kinderbescherming op 
de hoogte gesteld wordt van de 
verzoekschriften die op grond van 
het wetsvoorstel door de 
gezinsvoogdij-instelling gedaan 
kunnen worden. Ten aanzien van alle 
wezenlijke elementen van de 
ondertoezichtstelling dient de raad 
ook gehoord of in ieder geva! 
behoorlijk opgeroepen te worden 
voor de zitting. Maar een uitzonde– 
ring is gemaakt voor de uithuis– 
plaatsing. Ik heb al eerder gezegd dat 
die uithuisplaatsing in feite 
beschouwd zou moeten worden als 
een aparte maatregel. Ik vind dat dus 
niet terecht. Ik zou dat in het voorstel 
graag gewijzigd zien. Misschien zou 
de minister op dat punt voor een 
nota van wijziging kunnen zorgen? 

Voorzitter! Mevrouw Soutendijk 
heeft er vorige week terecht op 
gewezen dat de gang van de stukken 
via de kinderrechter naar de Raad 
voor de kinderbescherming een 
omweg is en dat de stukken er voor 
de raad veelal te laat zijn om nog 
iets zinnigs te kunnen doen. Zij 
bepleitte een rechtstreekse 
rapportageplicht. Via de vijfde nota 
van wijziging is dat wel vastgelegd 
voor zover de gezinsvoogdij– 
instelling overgaat tot een verzoek 
tot verlenging, maar niet als het gaat 
om een verzoek tot machtiging tot 
uithuisplaatsing. Gezien het belang 
vinden wij dat dit dus ook geregeld 
zou moeten worden. Wij vinden 
eigenlijk dat een dergelijke rappor– 
tage op alle relevante momenten 
naar de Raad voor de kinderbescher– 
ming zou moeten gaan. Wat dat 
betreft, gaat de nota van wijziging 
dus niet ver genoeg. 

De heer Rouvoet heeft een 

amendement ingediend met als doel 

het voorkomen van standaard– 

machtigingen. Hij wil het oneigenlijk 

gebruik van machtigingen tot 

uithuisplaatsing tegengaan. Met dat 

doel zijn wij het op zichzelf natuurlijk 

eens. Dat zal duidelijk zijn. Maar hij 

21 juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK79 


Viiegenthart 

wil dat bereiken door het bekorten 
van de termijnen waaraan men 

gehouden is. Ik wil de heer Rouvoet 

verwijzen naar de memorie van 

antwoord. Daarin heeft de toenma– 

lige staatssecretaris aangegeven dat 

standaardmachtigingen niet mogen 

en dat een expliciete motivering per 

geval noodzakelijk is. Met de uitleg 

die daarin gegeven is, zou het door 

de heer Rouvoet gesignaleerde 

probleem in ieder geval kunnen 
worden voorkomen. 

De heer Rouvoet (RPF): Voorzitter! 
Het ging mij niet zozeer om 
standaardmachtigingen die 
afgegeven zouden worden; het ging 
mij er vooral om te voorkomen dat 
de gezinsvoogdij-instelling zo'n 
machtiging als een soort dreigement 
achter de hand kan hebben. Er kan 
gedreigd worden met alsnog een 
effectuering van die machtiging. Het 
gaat mij dus niet zozeer om die 
standaardmachtigingen, maar om 
hetgeen er vervolgens in de periode 
van drie maanden mee gedaan 
wordt. Daarom heb ik gezegd: het 
zou al flink helpen als die termijn 
fors ingekort zou worden. 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): Dan 
loop je met het huidige plaatsings– 
tekort alleen het risico dat die 
plaatsing niet binnen een maand te 
realiseren is en dat de machtiging 
dan vervalt. Dat is een probleem. Ik 
ben het ten prmcipale wel met de 
heer Pouvoet eens, maar ik geloof 
dat het middel hier erger is dan de 

kwaal. 

Voorzitter! Naar aanleiding van het 
debat van vorige week heb ik dit 
weekend nagedacht over de vraag of 
door een andere vormgeving van 
ons amendement zowel tegemoet 
gekomen zou kunnen worden aan de 
principiële invalshoek die de heer 
Dijkstal en ik verwoord hebben met 
betrekking tot de verantwoordelijk– 
heid van de raad als aan een aantal 
praktische argumenten die de 
minister genoemd heeft en aan het 
"gat" van mevrouw Soutendijk. Ik 
denk daarbij eigenlijk aan een 
combinatie van twee dingen. Ik 
noem enerzijds de verplichting voor 
de gezinsvoogdij-instelling om op 
alle relevante momenten aan de raad 
informatie te verstrekken over het 
verloop van de ondertoezichtstelling. 
Anderzijds noem ik het regelen in de 
wet dat de raad ook op die momen– 
ten dat hij dat nodig acht, de 
bevoegdheid heeft om op te treden. 

Nu heeft de raad in feite alleen de 

bevoegdheid bij het begin van de 

ondertoezichtstelling en verder niet. 

Om te voldoen aan het vereiste 
dat de Raad voor de kinderbescher– 
ming m alle gevallen bevoegd is om 
op te treden, zou dus in het 
wetsvoorstel op alle essentiële 
punten die bevoegdheid geregeld 
moeten worden. Ik vergelijk dat met 
het amendement dat wij hebben 
ingediend. Dan is het niet in plaats 
van een gezinsvoogdij-instelling 
maar nevenschikkend daaraan. De 
rapportageverplichting van de 
gezinsvoogdij-instelling wordt dan 
ook daarnaast geregeld, waardoor de 
raad vervolgens in staat is om te 
beoordelen of men op moet treden 
of niet. In die situatie zou het 
voortouw bij de gezinsvoogdij– 
instelling blijven liggen, maar op het 
moment dat de Raad voor de 
kinderbescherming het niet eens is 
met de conclusies van de 
gezinsvoogdij-instelling en het 
bijvoorbeeld in het belang van het 
kind acht om verzet aan te tekenen, 
dan zou de raad vervolgens dus 
actief kunnen gaan deelnemen in de 
procedure. Ik hoor graag een reactie 
van de minister op dit voorstel. 

Tot slot kom ik nog even op het 
amendement over de vorderings– 
bevoegdheid van het openbaar 
ministerie. In de beantwoording 
maakt de minister het verschil van 
inzicht groter dan nodig, want wij 
verschillen volgens mij niet van 
mening over het feit dat het vaak 
wenselijk is om in plaats van 
strafrechtelijk optreden een 
civielrechtelijke maatregel op te 
ieggen. Daarover zijn wij het heel 
nadrukkelijk eens. 

Mevrouw Soutendijk heeft gesteld 
dat het amendement ertoe zal leiden 
dat een zwaardere maatregel moet 
worden getroffen, omdat het 
openbaar ministerie niet meer over 
de vorderingsbevoegdheid beschikt. 
Met die stelling ben ik het heel 
nadrukkelijk oneens. De raad is in het 
kader van zijn straftaken en de 
vroege hulp natuurlijk al bij die 
situatie betrokken en men draagt dus 
al kennis van die zaak. Ook in de 
huidige situatie draagt het openbaar 
ministerie die zaken gewoon over 
aan de raad. De vraag is dan of het 
OM die vorderingsbevoegdheid nog 
zou moeten hebben als stok achter 
de deur ten behoeve van het 
optreden van de Raad voor de 
kinderbescherming als de raad dat 
niet zou doen. In dat geval heeft het 

openbaar ministerie natuurlijk nog 
altijd zijn strafrechtelijke verantwoor– 
delijkheid als stok achter de deur. Ik 
zie in die zin de bezwaren niet en er 
zijn ook op dit moment geen 
problemen mee. Wat dat betreft, lijkt 
het amendement mij dus geen 
slechte zaak. 

D 

De heer Schutte (GPV): Mijnheer de 
voorzitter! Ik dank de minister voor 
zijn uitvoerige beantwoording van de 
vorige week. De beantwoording was 
sterk geconcentreerd op de 
amendementen, in het bijzonder op 
het amendement op stuk nr. 16. 
Daarmee heeft hij veel eer bewezen 
aan de Kamer en in het bijzonder 
aan de twee kamerleden die dit 
amendement hebben ingediend. Ik 
weet niet of zij ook dankbaar zijn 
voor die eer; dat moeten zij zelf maar 
beoordelen. Ik heb echter zelden 
meegemaakt dat een amendement 
zo grondig bestreden werd en zo de 
grond werd ingeboord als in dit 
geval. Dat kan in het samenspel 
tussen regering en Kamer. 

Ik heb nog maar een paar punten 
waar ik kort op wil terugkomen. Dat 
betreft allereerst de verhouding 
tussen de gezinsvoogd en de 
instelling. Ik heb in dat verband de 
concrete vraag gesteld wat de 
inschatting van de minister is over 
het gebruik van de aanwijzings– 
bevoegdheid door de instelling. Ik 
heb verwezen naar de oude situatie, 
waarin die bevoegdheid ook 
bestond, maar zelden werd gebruikt. 
De argumenten daarvoor zijn 
duidelijk. Ik heb gezegd dat gebruik 
van de aanwijzing naar mijn indruk 
ook in de nieuwe situatie sporadisch 
zal voorkomen. Deelt de minister die 
inschatting? 

Wat betreft de uithuisplaatsing 
heb ik de vraag gesteld hoe in de 
praktijk door de kinderrechter zal 
worden omgegaan met het besluit 
om de benodigde machtiging al dan 
niet af te geven. Welke afweging zal 
de kinderrechter daarbij moeten 
maken? Hoe moet ik mij die 
machtiging voorstellen? Is het een 
blanco machtiging, uiteraard na 
afweging, of is het een machtiging 
waarin al een zekere sturing van de 
kinderrechter is opgenomen? 

Tot slot heb ik een vraag over het 
derde lid van artikel 257. Daarin 
wordt gesteld dat de hulp primair 
gericht kan worden op vergroting 
van de zelfstandigheid van de 

21 juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK79 

79-5431 


Schutte 

minderjarigen als het ouderlijk gezag 
niet meer functioneert. Zowel in de 
schriftelijke voorbereiding als tijdens 
het debat is in dit verband het 
voorbeeld van de zwerfjongeren 
genoemd Het gaat hierbij duidelijk 
om een uitzondering op de hoofdre– 
gel van de wet. Die hoofdregel blijft 
in stand. Ik heb gezegd dat de nu 
gekozen formulering wellicht een 
eigen leven kan gaan leiden. De 
minister heeft daarop gezegd dat het 
artikel niets anders beoogt dan 
ondertoezichtstelling ook mogelijk te 
maken als geen herstel van de 
ouderlijke band meer mogelijk is. Dat 
is duidelijk, maar het element van 
uitzondering op de hoofdregel van 
dat artikel kan ik moeilijk terugvin– 
den. Tegen die achtergrond had ik 
gevraagd of de minister nog eens 
wilde kijken naar de formulering van 
het derde lid: is die formulering op 
zichzelf niet veel ruimer dan beoogd 
wordt met het wetsvoorstel, als het 
gaat om met name zwerfjongeren en 
andere herkenbare categorieën 
jongeren waarbij de band van het 
ouderlijk gezag feitelijk niet meer 
functioneert? 

D 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): Mijnheer de voorzitter! 
Ook ik dank de minister voor de 
antwoorden in eerste termijn en voor 
de bij vijfde nota van wijziging 
ingeloste belofte die ervoor zorgt, 
dat de Raad voor de kinderbescher– 
ming bij de mededelmg, dat de 
gezinsvoogdij-instelling de ondertoe– 
zichtstelling niet zal verlengen, ook 
het verslag - de door mij in eerste 
termijn gevraagde rapportage ontvangt 
over het verloop van de 
maatregel. Daardoor wordt mijns 
inziens aan de raad kenbaar, waarom 
verlenging van de maatregel niet 
wordt verzocht en kan de raad 
besluiten tot interventie of niet. Dat 
acht ik voldoende om de staatsrech– 
telijke verantwoordelijkheid in dit 
geval ten volle waar te maken. Het 
feit dat de raad optreedt of niet, 
houdt in ieder geval in dat de raad 
betrokken is bij en aanspreekbaar is 
op het besluit. 

Maar hiermee ben ik er niet nog. 

Mijn punt van kritiek spitste zich toe 

op nog twee andere momenten, 

waarop ik graag de betrokkenheid 

van de Raad voor de kinderbescher– 

ming nader en beter ingevuld zou 

willen zien. Met de in de nota van 

wijziging en in de toelichting 

uiteengezette werking van artikel 
810, derde lid, ben ik over die twee 
andere punten nog niet gerustge– 
steld en ook niet tevreden gesteld. In 
de gevallen van een verzoek tot 
opheffing, uithuisplaatsing of 
verlenging van de duur van 
uithuisplaatsing zorgt artikel 810, 
derde lid, wel voor de toezending 
van het verzoekschrift, maar de 
garantie, dat de rapportage van de 
gezinsvoogdij-instelling daarbij zit, is 
er niet. Er is ook geen garantie, dat 
die rapportage zodanig tijdig 
toegezonden wordt aan de Raad 
voor de kinderbescherming, dat de 
raad een zinnige afweging kan 
maken, of hij al dan niet op de zitting 
zal verschijnen. Dat is mijns inziens 
wel nodig om de raad een goed 
inzicht te bieden in de noodzaak om 
wel of niet te interveniëren en dus 
met recht en rede te kunnen spreken 
van een inhoudelijk gevulde 
staatsrechtelijke verantwoordelijk– 
heid. Dat het voor de hand ligt, zoals 
de minister in de toelichting bij de 
vijfde nota van wijziging schrijft dat 
die rapportage bij het verzoekschrift 
zit - even daargelaten op het tijdig is 

- is in mijn waarneming niet 
hetzelfde. Als het nu zo voor de hand 
ligt, dat de rapportage bij het 
verzoekschrift zit, rijst de vraag, 
waarom daarover geen helderheid 
kan worden verschaft en waarom 
geen wettelijk voorschrift richting de 
gezinsvoogdij-instelling kan worden 
gecreëerd. 
Ik heb in eerste termijn al gezegd, 
dat ik niet zo ver wil gaan als de 
indieners van de amendementen, 
met name niet omdat ik vrees, dat de 
juridische toets ter zake van het 
verloop en de voortzetting dan wel 
beëindiging van de maatregel 
uiteindelijk aan de rechter kan 
worden onttrokken. Die rechterlijke 
toets was nu juist een van de 
redenen voor het wetsvoorstel. Een 
regeling, waarin in alle gevallen 
waarin de gezinsvoogdij-instelling 
niet tot actie overgaat, aan de Raad 
voor de kinderbescherming een recht 
toekomt om een verzoekschrift in te 
dienen - ik denk aan het moment 
van de opheffing, een machtiging tot 
verlenging van de uithuisplaatsing naast 
het recht dat de gezinsvoogdij– 
instelling heeft en mijns inziens moet 
behouden, zou de CDA-fractie wel 
toejuichen. Via dat mechanisme, het 
wel of niet optreden op grond van 
die bevoegdheid door de Raad voor 
de kinderbescherming loopt de 
staatsrechtelijke verantwoordelijkheid 

toch rond. Een positief en bijkomend 
effect is, dat het niet de praktische 
bezwaren heeft die het voorstel, 
zoals geformuleerd in het amende– 
ment heeft, namelijk aan de ene kant 
veel werk voor niets, omdat de Raad 
voor de kinderbescherming eerst 
moet worden overtuigd door de 
gezinsvoogdij-instelling, alvorens er 
een actie kan volgen en aan de 
andere kant vertraging in de 
termijnen, omdat zeifstandig een 
afweging kan worden gemaakt. 
Wellicht kan ook het bezwaar worden 
weggenomen, dat de staatssecretaris 
nogal omstandig heeft beargumen– 
teerd, namelijk de toegenomen 
kosten. Als het gaat om een 
bevoegdheid van de ene instantie 
naast die van de andere instantie, 
hoeft er geen sprake te zijn van de 
omweg van de gezinsvoogdij– 
instelling via de Raad voor de 
kinderbescherming. Ik vraag de 
minister om een reactie op deze 
gedachte en inhoudelijk zou dit 
commentaar moeten worden 
toegespitst op een dergelijke 
bevoegdheid voor de raad en op de 
extra kosten die het zojuist geformu– 
leerde voorstel met zich zou brengen 
ten opzichte van de optie die 
voortvloeit uit het amendement van 
de collega's Dijkstal en Vliegenthart. 
Voor een dergelijke constructie zou 
mijn fractie wèl zijn omdat daardoor 
een meer compleet net van 
staatsrechtelijke verantwoordelijkhe– 
den via de Raad voor de kinderbe– 
scherming wordt gecreëerd. Dat 
houdt overigens niet te allen tijde in 
dat die raad zal optreden. Het wordt 
voor de raad mogelijk om op de 
momenten dat het noodzakelijk 
wordt geacht - in dat verband is een 
adequate rapportage noodzakelijk wèl 
op te treden. 

Voorzitter! De door mij gestelde 
vragen over de werking van artikel 
257, derde lid, handelend over het 
moment waarop de hulp meer op 
het vergroten van de zelfstandigheid 
van minderjarigen mag worden 
gericht, zijn niet ten volle tot 
tevredenheid van mijn fractie 
beantwoord. De fractie van het CDA 
vindt het in dit onderdeel van het 
artikel gestelde een positieve 
grondgedachte, maar zij meent 
niettemin dat de mogelijkheid die 
hiermee de gezinsvoogdij-instelling 
wordt geboden, onvoldoende is 
afgebakend. Ik doel hierbij op de 
wijze waarop wordt bepaald wanneer 
de bedoelde situatie zich voordoet en 
op de vraag wie controleert of een 

21 juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK79 


Soutendijk-van Appeldoorn 

dergelijke situatie terecht wordt 
geconstateerd. Dit blijven voor ons 
cruciale ijkpunten waarmee kan 
worden voorkomen dat de actie van 
de gezinsvoogdij-instelling te snel op 
het vergroten van de zelfstandigheid 
van de minderjarige wordt gericht. 
Collega Rouvoet zal in dit verband 
een motie indienen, waarin wordt 
bepleit de werking van dit onderdeel 
van het artikel over enige tijd te 
evalueren. Daarmee krijgen wij zicht 
op de wijze waarop het in de praktijk 
werkt. 

Vervolgens richt ik mij op de 
motiveringsplicht en de Wet BIG. Het 
is ronduit teleurstellend dat het 
"tijdstip na Pasen", waarop het 
gesprek over de motivering van 
uitspraken zou plaatsvinden, pas in 
juli aan de orde komt. Dat geldt te 
meer daar de Kamer op dit punt een– 
en andermaal op maatregelen heeft 
aangedrongen. Hetzelfde geldt min 
of meer voor het onder de werking 
van de Wet BIG brengen van de 
psychologen, in dienst van bijvoor– 
beeld van particuliere onderzoeks– 
bureaus. Het MO waarin dit alles ter 
sprake kwam en er ook mijns inziens 
heldere afspraken werden gemaakt, 
vond al zeer lang geleden plaats. Het 
wordt dus tijd dat er iets concreets 
op tafel komt en dat er niet wordt 
volstaan met de mededeling dat een 
overleggroep is geformeerd en dat 
een gesprek volgt. Ik dring aan op 
het spoedig treffen van maatregelen 
waarmee tegemoet wordt gekomen 
aan de kamerbreed geformuleerde 
wensen. 

De heer Rouvoet heeft een 
amendement ingediend dat erop is 
gericht, de werkingsduur van de 
machtiging te beperken tot één 
maand. Die termijn vind ik sympa– 
thiek, want het is ook mijn opvatting 
dat onzekerheid zo kort mogelijk 
moet duren. Echter, ik moet de 
minister toegeven dat één maand 
aan de krappe kant kan zijn, gelet op 
de plaatsingsmogelijkheden. Daar 
staat weer tegenover dat die krapte 
niet eeuwig een rechtvaardiging kan 
vormen voor het oprekken van de 
termijn. Wij zijn nu doende met een 
project om te komen tot een 
structurele, substantiële uitbreiding 
van de capaciteit. Tegen die 
achtergrond vraag ik mij af of het 
niet mogelijk is om één of twee jaar 
te werken met de termijn van drie 
maanden en vervolgens een moment 
te bepalen waarop wordt nagegaan 
of de termijn niet kan worden 
teruggeschroefd tot één of twee 

maanden. Gelet op de lopende 

uitbreidingsprogramma's mag toch 

worden verwacht dat men tegen die 

tijd op orde is. 

D 

De heer Rouvoet (RPF): Voorzitter! 
Ook ik dank de minister voor zijn 
uitgebreide en duidelijke antwoord. 
Ik kom nog terug op twee belangrijke 
punten. Als eerste noem ik het hoger 
beroep bij artikel 263, de beëindiging 
van de uithuisplaatsing. Ik heb 
gevraagd of het voor de hand ligt 
om het aantal gevallen waarin hoger 
beroep mogelijk is uit te breiden. Ik 
dacht hierbij aan dit artikel dat over 
de beëindiging van de uithuis– 
plaatsing gaat. De indruk bestaat dat 
het beëindigen van een maatregel 
als de uithuisplaatsing van een 
wezenlijk andere orde is dan de 
andere situaties waarin volgens dit 
wetsvoorstel geen hoger beroep 
mogelijk is. Het gaat daarbij vooral 
om het vervangen van een 
gezinsvoogdij-instelling door een 
andere instelling of hoger beroep 
tegen bepaalde aanwijzingen. Een 
diep mgnjpende maatregel als 
uithuisplaatsing, en de beëindiging 
daarvan, is van een wezenlijk andere 
orde. Wil de minister ons zijn 
zienswijze op de mogelijkheid van 
het in hoger beroep gaan in dit 
verband mededelen? Deze zaak is 
voor mij zwaar genoeg om te 
overwegen op dit punt alsnog een 
amendement in te dienen. 

Ik wil nog spreken over de 
zelfstandigheids-OTS. Het betreft hier 
niet een aparte vorm van ondertoe– 
zichtstelling. Het gaat om de 
uitvoering van de maatregel met een 
specifieke gerichtheid die afwijkt van 
wat in het algemeen als generieke 
doelstelling van deze maatregel in 
het wetsvoorstel staat. De heer 
Schutte sprak in dit verband over 
een uitzondering op de regel. In 
eerste termijn heb ik vragen gesteld 
over de te verwachten toepassing 
van artikel 257, derde lid. Ik sprak 
toen over de afdwingbaarheid en de 
relatie met het vierde lid. Ik vroeg of 
het gevaar bestaat dat wij met een 
lege huls te m&ken krijgen. De 
overgang van een gewone ondertoe– 
zichtstelling naar een 
zelfstandigheids-OTS kan onmerk– 
baar gebeuren. Vindt de minister dat 
in dezen de vinger aan de pols moet 
worden gehouden? Kan hij mij 
toezeggen dat hij dit artikel na 
verloop van tijd wil evalueren? 

Mede namens collega Soutendijk 
dien ik een motie in. 


Motie 

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende, dat artikel 257, lid 3 
ziet op een specifieke gerichtheid van 
de maatregel van ondertoezichtstel– 
ling; 

constaterende, dat deze specifieke 

gerichtheid - waarvoor in de 

bedoelde situaties goede gronden 

aanwezig kunnen zijn - afwijkt van 

hetgeen in artikel 257, lid 2 als 

algemene doelstelling van de 

maatregel van ondertoezichtstelling 
wordt geformuleerd; 

van oordeel, dat in het geheel van de 
onderhavige herziening van de 
maatregel van ondertoezichtstelling 
de in artikel 257, lid 3 neergelegde 
specifieke doelstelling in individuele 
toepassingen niet (zonder meer) in 
de plaats behoort te treden van de 
algemene doelstelling van de 
maatregel; 

verzoekt de regering de toepassing 
van artikel 257, lid 3 na verloop van 
twee jaar na inwerkingtreding te 
evalueren en de Kamer ter zake van 
haar bevindingen te rapporteren, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter: Deze motie is 
voorgesteld door de leden Rouvoet 
en Soutendijk-van Appeldoorn. Naar 
mij blijkt, wordt zij voldoende 
ondersteund. 

Zij krijgt nr. 23 (23003). 

De heer Rouvoet (RPF): Voorzitter!... 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): Ik 
wilde de heer Rouvoet eigenlijk 
eerder interrumperen. Het gaat om 
de volgorde in artikel 257. Volgens 
mij meent de heer Rouvoet dat het 
derde lid van artikel 257 inhoudt dat 
alle contacten met de ouders 
verbroken blijven. Ik denk dat het 
tegendeel het geval moet zijn. 
Doordat afstand wordt genomen van 
de dagelijkse omgang kan wat ooit 
mooi en goed was gemakkelijker tot 
uiting komen. Dat gebeurt juist door 
die afstand. 

21 juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK79 79-5433 


Rouvoet 

De heer Rouvoet (RPF): Ik weet niet 
precies waaruit mevrouw Versnel zo 
snel heeft kunnen afleiden dat ik die 
mening zou zijn toegedaan, want die 
mening ben ik niet toegedaan. Ik heb 
dat er niet achter gezocht. Ik heb wel 
geconstateerd dat wat er in artikel 
257, derde lid, staat een afwijking is 
van de algemene doelstelling van de 
ondertoezichtstelling die in het 
tweede lid van dat artikel wordt 
geformuleerd. In die zin zei ik, dat 
het niet goed zou zijn als het een 
gemakkelijk kon overgaan in het 
andere. In leder geval vind ik dat de 
Kamer na verloop van tijd moet 
kunnen bekijken hoe het in zijn werk 
is gegaan bij die gevallen waarop 
artikel 257, lid 3, wordt toegepast en 
of dat aan de verwachtingen 
beantwoordt die de Kamer op dit 
punt van dat derde lid had. 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): 
Voorzitter! Het voorstel van de heer 
Rouvoet impliceert dat er een 
uitvoerige registratie moet komen 
van de uitvoering van de ondertoe– 
zichtstelling. Anders kun je achteraf 
niet beoordelen hoe het gewerkt 
heeft. Hoe ziet hij dat precies voor 
zich? Moet dat een kwantitatieve of 
een kwalitatieve evaluatie zijn? 

De heer Rouvoet (RPF): Het zou 
vereisen dat de gezinsvoogdij– 
instellingen bijhouden in welke 
gevallen en op welke wijze er wordt 
overgegaan tot toepassing van het 
derde lid van artikel 257. Bij de 
evaluatie wordt dat door de Kamer 
meegenomen zodat gekwantificeerd 
kan worden in welke gevallen er 
sprake is van een stilzwijgende, 
automatische overgang naar de 
bijzondere vorm zodat de Kamer er 
zicht op heeft of dit inderdaad 
beantwoord aan wat wij en ook aan 
wat de memorie van toelichting met 
dit lid voor ogen heeft. 

De heer Rabbae (GroenLinks): 
Voorzitter! Ziet de heer Rouvoet deze 
evaluatie als een eenmalige actie bij 
de invoering van deze wet of denkt 
hij bij het indienen van zijn amende– 
ment aan een structureel gegeven. In 
het laatste geval zou dit in de kortste 
tijd aanzienlijk oplopen. 

De heer Rouvoet (RPF): De motie 
spreekt zich uit voor een evaluatie na 
afloop van twee jaar na inwerkingtre– 
ding. Twee jaar na inwerkingtreding 
lijkt mij het aangewezen moment om 
te bezien of er reden is om de vinger 

aan de pols te houden bij de werking 
van dit lid. 

Ik wil nog een enkele opmerking 
maken over het amendement dat ik 
heb ingediend op stuk nr. 15, over de 
machtiging tot uithuisplaatsing, ook 
naar aanleiding van de vragen die 
gesteld en de opmerkingen die 
gemaakt zijn zowel door de minister 
als door de collega's in tweede 
termijn. 

Om alle misverstanden weg te 
nemen, de strekking van dit 
amendement is om dichter bij de 
intentie van de OTS-plus uit het 
rapport "Rechtzetten" te komen. Los 
van de standaardmachtigingen, is die 
OTS-plus-gedachte van het rapport 
"Rechtzetten" dat zo'n machtiging 
niet boven de markt blijft hangen, 
maar dat ze ook ingezet wordt voor 
het doel waarvoor ze is aangevraagd. 

Het argument van bestaande 
wachtlijsten is natuurlijk praktisch 
relevant. De minister heeft in zijn 
argumentatie om het amendement 
niet al te warm te ontvangen dan wel 
te ontraden, vooral op die wachtlijs– 
ten gewezen. Ook mevrouw 
Vliegenthart gaf dat argument. 
Tegelijkertijd meen ik dat het onjuist 
zou zijn om een hopelijk tijdelijke 
zaak als bestaande wachtlijsten en 
knelpunten, als uitgangspunt te 
nemen bij het treffen van wettelijke 
voorzieningen. Bij de herziening van 
een wettelijke maatregel als de OTS 
moet je niet bij een hopelijk tijdelijke 
toestand je vertrekpunt zoeken. Ik 
zou dat argument niet graag 
doorslaggevend laten zijn bij het 
treffen van die wettelijke voorzienin– 
gen. 

Mijn tweede opmerking is dat ik 
de indruk heb dat veel voorwerk 
rondom het effectueren van die 
machtiging heel goed gedaan kan 
worden voordat feitelijk de machti– 
ging wordt aangevraagd. Het zoeken 
van een instelling dan wel een 
pleeggezin, kan zelfs voor het 
moment van aanvraag van een 
machtiging liggen. Als de noodzaak 
van artikel 261, eerste lid, zich 
inderdaad voordoet, zodat in het 
belang van de verzorging en 
opvoeding van de minderjarige of 
het onderzoek van diens geestelijke 
of lichamelijke gesteldheid uithuis– 
plaatsing wordt nodig geacht, is het 
zaak om zo spoedig mogelijk na 
aanvraag en verlening van die 
machtiging, haar te effectueren. 
Vandaar dat ik in het amendement 
tot uiting heb gebracht dat die 
termijnen zo kort mogelijk moeten 

zijn. Nogmaals, ik heb aangegeven 
hoe ik tegen de problematiek van de 
wachtlijst in dat verband aankijk. 

Mijn laatste opmerkmg betreft de 
amendementen van de heer Dijkstal 
en mevrouw Vliegenthart. Zoals ik in 
eerste termijn al gesteld had, vind ik 
het niet overtuigend aangetoond dat 
het inschuiven van de raden voor de 
kinderbescherming werkelijk iets 
toevoegt. Er is gesproken over het 
praktische en het principiële 
argument, met name door de heer 
Dijkstal. Wat het praktische argument 
betreft, de raden voor de kinderbe– 
scherming zullen toch moeten 
afgaan op de informatie die hen 
bereikt vanuit de gezinsvoogdij– 
instellingen. Zij brengen vervolgens 
advies uit aan de kinderrechter. Wat 
het principiële argument betreft, 
hamerde de heer Dijkstal er nogal op 
dat het om een publieke instantie 
gaat. Het woord legitimatie is in 
eerste termijn gevallen. Hij stelde dit 
nogal scherp tegenover de particu– 
liere gezinsvoogdij-instellingen. Het 
ontgaat mij een beetje in welke zin 
die raden voor de kinderbescherming 
als onmiskenbare publieke instanties 
iets toevoegen aan de aanwezigheid 
van de kinderrechter. De heer Dijkstal 
heeft daarover het zijne gezegd. Ik 
vind zijn argumenten niet overtui– 
gend. Er is een publieke instantie in 
de persoon van de kinderrechter. De 
publieke legitimatie neemt niet toe 
als wij daar de raden voor de 
kinderbescherming nog tussen 
schuiven. Daardoor wordt die 
legitimatie naar mijn mening niet 
sterker. 

De heer Dijkstal (VVD): Maar de 
heer Rouvoet moet toch erkennen 
dat in de leer van de scheiding der 
machten de rechterlijke macht een 
andere verantwoordelijkheid en 
bevoegdheid heeft dan in dit geval 
de uitvoerende macht? Ik spreek over 
de uitvoerende macht! 

De heer Rouvoet (RPF): Dat realiseer 
ik mij. U zult dan echter moeten 
aangeven, mijnheer Dijkstal, dat in 
uw ogen de publieke legitimatie van 
de kinderrechter van een lager 
gehalte is dan de publieke legitimatie 
van de raden voor de kinderbescher– 
ming. U stelt in mijn ogen ten 
onrechte de raden voor de kinderbe– 
scherming als publieke instantie bij 
uitstek tegenover de particuliere 
instanties van de voogdij– 
instellingen. Dan zult u de gradatie 
tussen uitvoerende en rechtspre– 

21 juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK79 


Rouvoet 

kende macht als publieke instanties 
nog wat overtuigender moeten 
neerzetten. 

De heer Dijkstal (WD): Even met 
alle respect, ik denk dat u twee 
discussies door elkaar haalt. Er staat 
aan de ene kant de uitvoerende 
macht, in dit geval de minister met 
zijn raden voor de kinderbescher– 
ming, die de wet uitvoert op de 
essentiële punten waarover wij 
spreken en aan de andere kant is er 
de onafhankelijke rechter die daar 
een oordeel over geefi en natuurlijk 
de ouders of pleegouders als 
partijen, dat is duidelijk. De discussie 
tussen gezinsvoogdij en raden voor 
de kinderbescherming gaat over de 
vraag, hoe publiek een particuliere 
organisatie is die een publieke taak 
krijgt. Daarover hebben wij in het 
verleden al vele discussies gevoerd. 
Ik denk dat die niet publiek genoeg 
is, als ik het zo mag zeggen. Dat is 
het fundamentele verschil tussen een 
particuliere instelling met een 
publieke taak en een publiek orgaan. 

De heer Rouvoet (RPF): Ik denk dat 
het verschil daar wel om cirkelt maar 
iets anders ligt dan de heer Dijkstal 
nu aangeeft. Het gaat mij erom dat 
bij ingrijpen in een gezinssituatie 
vanwege omstandigheden die 
daartoe nopen, de overheid daarbij 
door middel van een publieke 
instantie betrokken is. In mijn ogen is 
daarvoor de kinderrechter het bij 
uitstek aangewezen kanaal. Als de 
heer Dijkstal daarnaast via het kanaal 
van de uitvoerende macht nog een 
andere publieke legitimatie wil 
toevoegen, is dat zijn goed recht. Ik 
zie daarvan echter de noodzaak niet 
in. 

De heer Dijkstal (WD): Nog even 
voor alle zekerheid, in uw visie is de 
overheid en de rechter toch niet 
hetzelfde, mijnheer Rouvoet? 

De heer Rouvoet (RPF): Ook in de 
door u naar voren geschoven trias 
politica, mijnheer Dijkstal, maakt de 
rechter wel degelijk deel uit van dè 
overheid. De trias politica is nu juist 
verdeeld in wetgevende, rechtspre– 
kende en uitvoerende macht. 

De heer Dijkstal (WD): Het gaat 
inderdaad om de scheiding der 
machten. U gooit het nu op één 
hoop! 

D 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Mijnheer de voorzitter! Het voordeel 
van het indienen van zo'n amende– 
ment, zoals dat van de heer Dijkstal 
en mevrouw Vliegenthart, is dat de 
discussie daardoor goed wordt 
aangescherpt, de argumenten 
helderder op tafel komen te liggen 
en er een beter inhoudelijk debat 
ontstaat. Daarvoor wil ik de indieners 
van het amendement prijzen, 
ongeacht van wat men feitelijk van 
het amendement vindt. Ik vind dit 
ontzettend belangrijk en wil het 
daarom duidelijk zeggen. Het 
amendement heeft niet alleen het 
debat gedomineerd maar het heeft 
ook de kwaliteit van het debat 
verhoogd. 

Voorzitter! De minister heeft een 
vijfde nota van wijziging ingediend. 
Hierbij wordt het derde lid van artikel 
256 uitgebreid, zodat in de gevallen 
waarin een gezinsvoogdij-instelling 
niet tot verlenging van de ondertoe– 
zichtstelling wil overgaan, deze niet 
alleen de Raad voor de kinderbe– 
scherming daarvan op de hoogte 
stelt, maar ook een verslag van het 
verloop van de ondertoezichtstelling 
verstrekt. In eerste aanleg leek mij 
dat een gesleep met stapels papier, 
maar tijdens het debat vond ik dat 
mevrouw Soutendijk toch een punt 
had. Als een ondertoezichtstelling na 
een jaar haar geldigheid conform de 
wet verliest en de gezinsvoogdij– 
instelling geen verzoek tot verlenging 
aan de rechter voorlegt, kan het heel 
praktisch zijn als de raad op grond 
van de overgelegde stukken - die 
goed moeten zijn gemotiveerd en die 
moeten voldoen aan het protocol kan 
beoordelen of de ondertoezicht– 
stelling terecht is beëindigd. Zo 
nodig kan de raad zijn eigen 
verantwoordelijkheid nemen en een 
rekest aan de rechter voorleggen. Ik 
merk wellicht ten overvloede op dat 
dit wat anders is dan de raad als 
enige de mogelijkheid geven om te 
rekestreren, zoals voorgesteld in het 
amendement-Dijkstal/Vliegenthart. 
Want als in hun voorstsl de 
gezinsvoogdij-instelling een 
verlenging van de ondertoezichtstel– 
ling of een uithuisplaatsing wil en de 
raad ziet daartoe geen noodzaak, kan 
het verzoek niet eens aan de rechter 
worden voorgelegd. Hiermee wordt 
de gezinsvoogdij-instelling bij 
voorbaat geheel afhankelijk van het 
oordeel van de raad. Zo gaat de 
zelfstandigheid van de gezinsvoogdij– 

instelling, die ingevolge het 
wetsvoorstel tot stand zou komen, 
geheel en al verloren. Immers, de 
taak van de rechter wordt beperkt tot 
recht spreken. De gezinsvoogdij– 
instelling zou dan gaan leunen, niet 
op de rechter maar op de raad. Dat 
is niet de bedoeling. Overigens 
onderstreep ik de uitspraak van de 
minister dat de ministeriële 
verantwoordelijkheid voor het 
functioneren van de gezinsvoogdij– 
instellingen onverkort blijft bestaan. 
Ik vind dit een heel belangrijke 
uitspraak. 

In de toelichting bij de vijfde nota 
van wijziging geeft de minister 
duidelijk aan dat op grond van artikel 
810, derde lid- voorheen 902a Wetboek 
van Burgerlijke Rechtsvor– 
dering de raad toch al over het 
verzoekschrift beschikt en in de 
praktijk ook beschikt over het verslag 
van de ondertoezichtstelling of de 
uithuisplaatsing. Mevrouw Souten– 
dijk merkte praktisch op dat het zo 
laat binnenkomt. Ik zou het verstan– 
dig vinden als dit probleem werd 
opgelost. Het is in die situatie aan de 
raad om te bepalen of hij ter zitting 
wil verschijnen. De rechter kan ook 
de raad om advies vragen. Naar mijn 
mening loopt het systeem zo rond. 
De raad is altijd geïnformeerd over 
acties of het nalaten daarvan. De 
raad heeft bovendien de beschikking 
over het feitelijke verslag. Deze 
constructie komt overeen met het 
facultatief horen van de raad. Ik vond 
dat dit punt terecht op tafel werd 
gelegd. In het systeem van checks 
and balances is er uiteraard bij 
iedere actie de betrokkenheid van 
ouders, pleegouders en kind. Ook 
hun opvattingen moeten in 
beschouwing worden genomen. Op 
grond van het ingebrachte beslist de 
rechter. En daar zit de kern van de 
verantwoordelijkheid. De anderen 
dragen aan. De Raad voor de 
kinderbescherming draagt aan op 
grond van onderzoek, meestal aan 
het begin van het traject, en zo nodig 
ook op grond van verslagen of 
andere informatie. De gezinsvoogdij– 
instelling draagt aan op grond van 
de praktijkervaring. Het gaat daarbij 
om de uitvoerende verantwoordelijk– 
heid. Ik benadruk dat dit nevenschik– 
kend is. Het een is niet ondergeschikt 
aan het ander. Het doel blijft 
natuurlijk het belang van het kind. 
Die opvatting heeft iedereen. De 
kwestie van de nevenschikkendheid 
en het niet ondergeschikt zijn is erg 
wezenlijk. Als mevrouw Vliegenthart 

21 juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK79 79-5435 


Versnel-Schmitz 

de suggestie doet om met elkaar tot 
een dergelijke regeling te komen, 
moet ik zeggen - hoewel het nog 
niet op schrift vastligt - dat de 
richting waarin wordt gedacht mij 
wel degelijk bevalt. Dan is er een 
goed evenwicht. Het is wel de vraag 
in hoeverre de vijfde nota van 
wijziging en artikel 810 te kort 
schieten waar het gaat om de 
nevenschikkendheid, de verantwoor– 
delijkheden en de checks and 
balances waarover mevrouw 
Vliegenthart sprak. Ik dacht dat een 
en ander nu voldoende was 
geregeld. Mevrouw Vliegenthart 
heeft dit echter ontkend. Ik hoor 
daarop graag een reactie. 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): Het 
is heel makkelijk. Er is wel geregeld 
dat de informatie wordt verstrekt aan 
de Raad voor de kinderbescherming. 
De Raad voor de kinderbescherming 
heeft echter niet de bevoegdheid om 
vervolgens op te treden, bijvoorbeeld 
als het gaat om uithuisplaatsing. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): In 

de toelichting op de vijfde nota van 
wijziging staat expliciet dat het ook 

over de uithuisplaatsing gaat. Het 

lijkt mij zinnig als de minister 

hierover helderheid verstrekt in zijn 

repliek. 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): Er moeten op twee 
punten aanvullingen komen. In de 
eerste plaats gaat het om de 
rapportageverplichtingen in de 
gevallen waarin de gezinsvoogdij 
niet besluit tot het indienen van een 
verzoek. Er moet een sluitend 
netwerk komen, zodat de raad op de 
hoogte is van de rapportage van de 
gezinsvoogdij-instelling en zelf kan 
afwegen of hij een verzoek indient. In 
de tweede plaats moet in aanvulling 
daarop de bevoegdheid worden 
gecreëerd dat de Raad voor de 
kinderbescherming in alle gevallen 
waarin hij nu niet zelfstandig de 
bevoegdheid heeft om een verzoek 
in te dienen - bijvoorbeeld bij 
opheffing van de ondertoezichtstel– 
ling, bij de verlenging van de 
machtiging tot uithuisplaatsing, bij 
de beëindiging van de uithuis– 
plaatsing of bij het intrekken dan wel 
bekorten van de uithuisplaatsing ook 
het recht krijgt om een verzoek 
in te dienen. In al die gevallen moet 
de raad op een of andere manier 
over een rapportage beschikken. Er 

ligt immers geen verzoek aan de 
kinderrechter. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
De daadwerkelijke rapportage moet 
tijdig bij de Raad voor de kinderbe– 
scherming liggen. Daar zijn wij het 
over eens. 

Het tweede punt slaat op hetgeen 
in de toelichting op de vijfde nota 
van wijziging aan de orde is. 
Mevrouw Soutendijk wil de 
rapportage in dat geval verplicht 
stellen. 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): Nee, in het genoemde 
geval is er al een rapportage– 
verplichting. Ik plaats er een 
vraagteken bij of het op tijd is, maar 
goed. Daarnaast kan in een aantal 
gevallen een verzoekschrift worden 
ingediend. Ook daar moet een 
verplichte rapportage bij zitten. De 
minister schrijft in de vijfde nota van 
wijziging dat hij hiervan uitgaat, 
maar ik wi! het graag zeker weten. 
Wederom vraag ik of de indiening 
van het verzoekschrift wel het juiste 
tijdstip daarvoor is. Verder moet er 
een bevoegdheid voor de raad 
worden gecreëerd in alle gevallen 
waarin de gezinsvoogdij-instelling de 
bevoegdheid heeft om een verzoek 
in te dienen, maar dit niet doet. De 
Raad voor de kinderbescherming 
moet dan de bevoegdheid hebben 
om het verzoek alsnog in te dienen. 
De raad heeft dus een aanvullende 
bevoegdheid nodig, gecombineerd 
met een rapportageverplichting. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Volgens mij is dit in de nota van 
wijziging geregeld. Maar goed, dat 

hoor ik graag van de minister. 

Voorzitter! Ook ik heb de twee 
velletjes met onduidelijke herkomst 
gelezen. Graag hoor ik er wat meer 
over van de bewindsman. Ik heb het 
geld niet als argument gebruikt. Voor 
mij gaat het om de vraag in hoeverre 
dubbel werk ontstaat. 

Ik vind het teleurstellend dat de 
taakopdracht van de ambtelijke 
commissie die de adviestaken van de 
raden voor de kinderbescherming in 
echtscheidingszaken onderzoekt, niet 
bevat een streven om alleen bij 
echtscheidingen op te treden als het 
belang van kinderen aan de orde is 
en er dus sprake is van ernstige 
opvoedingsproblemen, zoals de 
toenmalige staatssecretaris in de 
UCV van 23 november 1992 heeft 
gezegd. Ik hoop dat het resultaat van 

het werk van de ambtelijke commis– 
sie zal wijzen in de richting van de 
toenmalige opvatting van de 
toenmalige staatssecretaris. 

Ik vind het jammer dat het 
wetsvoorstel pas over een jaar zal 
worden ingevoerd. Als het eerder 
kan, moet het ook eerder. Ik hoop dat 
de minister dat zal bevorderen. 

Ik zou het op prijs stellen als de 
minister alsnog zou willen reageren 
op wat ik in eerste termijn gezegd 
heb over de mogelijkheid om in het 
kader van een ondertoezichtstelling 
feitelijk door te gaan met een 
bestaand hulpverleningsplan en 
dezelfde hulpverlener als bij de 
voorafgaande vrijwillige jeugd– 
hulpverlening. Ik heb verwezen naar 
de gedachte van de task force en 
naar de praktijk in het Nijmeegse. Uit 
de praktijk blijkt dat een ouder.de 
vrijwillige jeugdhulpverlening soms 
niet accepteert, terwijl dezelfde opzet 
van het plan en zelfs dezelfde 
hulpverlening wel worden geaccep– 
teerd als het door de rechter is 
opgelegd. Het kan een groot 
voordeel zijn om een ingezette lijn te 
kunnen voortzetten. Uiteraard hoort 
een en ander pas te gebeuren na een 
beslissing van de rechter en nadat 
eerst rekestrering door de Raad voor 
de kinderbescherming heeft 
plaatsgevonden. Ik sluit mij aan bij 
de vragen die over de aankruis– 
formulieren zijn gesteld; in eerste 
termijn heb ik al over het late tijdstip 
ter zake gesproken. 

Ik heb het gevoel dat zowel het 
amendement als de motie van de 
heer Rouvoet duidt op iets dat 
inherent moet zijn aan het totaal van 
het wetsvoorstel, namelijk een echte 
evaiuatie van de feitelijke effecten 
van de wijziging. Ik weet niet of wij 
al over twee jaar moeten evalueren; 
misschien moeten wij daarvoor een 
iets langere periode nemen. De 
opmerkingen van de heer Rouvoet 
vind ik hierbij van belang. Het is 
echter wel te lastig om de termijn 
inzake de machtiging te bepalen op 
een maand in plaats van drie. Als je 
evenwel een evaluatie inbouwt, dan 
moet je ook bereid zijn om op grond 
daarvan tot wijzigingen over te gaan. 
De evaluatie lijkt mij dus zinnig. 
Hetzelfde geldt voor de door de heer 
Rouvoet voorgestelde evaluatie van 
het derde lid van artikel 257. Wij 
hebben een hele tijd sterk tegen de 
hulp– en steunmaatregel aangekeken. 
Ik dacht dat het nu redelijk in de wet 
is geplaatst. Maar toen ik wat minder 
aan dat idee gewend was, had ik er 

21 juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK79 


Versnel-Schmitz 

wat meer moeite mee. Het lijkt mij 
goed om te evalueren hoe dat 
feitelijk uitpakt. Kortom, ik vraag de 
minister om over een jaar of drie het 
totale wetsvoorstel te evalueren. 

D 

De heer Rabbae (GroenLinks): 
Voorzitter! Ik heb anderhalf uur 
geleden tegen de minister gezegd 
dat ik dit debat niet kon bijwonen 
wegens andere verplichtingen. De 
Kamer beslist natuurlijk over 
iedereen, dus ook over mij. Gelukkig 
was mijn andere afspraak afgelopen, 
vandaar dat ik het debat alsnog kan 
meemaken. 

Ik dank de minister voor zijn 
antwoord op mijn in eerste termijn 
gestelde vragen. Wel wil ik hem erop 
attenderen dat hij op twee vragen 
van mijn kant nog niet is ingegaan. 

De eerste vraag betrof het hoger 
beroep. De minister zegt dat het 
wetsvoorstel bepaalt dat het hoger 
beroep niet toegankelijk is voor 
minderjarigen, omdat de beslissing 
van de rechter altijd zorgvuldig met 
waarborgen is omkleed. Ik heb 
gezegd dat wij daar per definitie in 
alle rechtssectoren van uitgaan, dus 
ook bij dit gebied. Ik vraag de 
minister om daar alsnog op in te 
gaan. 

Mijn tweede vraag betreft de 
minderjarigen, jonger dan 12 jaar. In 
het huidige regime, straks het oude 
regime, bestaat voor hen de 
mogelijkheid om via een spreekuur 
toegang te krijgen tot de rechter. In 
het nieuwe systeem is dat niet meer 
mogelijk. Ik ben geïnteresseerd naar 
de kijk van de minister op deze 
categone jongeren in het nieuwe 
systeem. 

Fundamenteel hierbij is de 
verantwoordelijkheid van de Staat 
als het gaat om het interveniëren in 
privézaken van de burger. Daar gaat 
het om bij de maatregelen voor 
ondertoezichtstelling van minderjari– 
gen. Ik krijg uit het wetsvoorstel en 
met name uit de discussie in eerste 
termijn de indruk, dat een schakel 
ontbreekt in de aansprakelijkheids– 
keten van de Staat in de richting van 
de burgers als de raden voor de 
kinderbescherming buitenspel 
worden gezet. De Staat gebruikt deze 
raden als eigen "organen" om te 
interveniëren in het privéleven van 
burgers in dit land. Welnu, mevrouw 
Soutendijk heeft de minister in eerste 
termijn een opening geboden om uit 
een impasse te geraken. Dat zou 

zeker het geval zijn als het veel geld 
kan kosten, zoals de minister heeft 
gezegd en later in een anoniem stuk 
is becijferd. Misschien kan hij dat 
evenwel nog verifiëren. 

De minister is in zijn nota van 
wijziging creatief tegemoet gekomen 
aan de kritiek van de Kamer op dit 
punt en ook enigszins aan het 
amendement van de heer Dijkstal en 
mevrouw Vliegenthart. Toch zou er 
volgens mij een betere oplossing 
mogelijk zijn, als de minister, creatief 
als hij is, zou kijken in hoeverre de 
rapportage tussen de raden en de 
gezinsvoogdij-instelling anders 
georganiseerd kan worden. Opgeteld 
bij de mogelijkheid van de Raad voor 
de kinderbescherming om te 
interveniëren als het nodig is, 
kunnen beide elementen die vandaag 
uit de discussie naar voren zijn 
gekomen, naar mijn opvatting best 
een basis vormen voor een 
oplossing. Ik hoop in ieder geval dat 
de minister dit ook inziet en dat hij in 
deze richting een antwoord zal willen 
geven. 

De voorzitter: De minister van 
Justitie heeft enige tijd gevraagd om 
zijn antwoord te kunnen voorberei– 
den. Ik stel de Kamer voor, de 
behandeling voort te zetten na de 
schorsing. 

Daartoe wordt besloten. 

De vergadering wordt van 18.09 uur 
tot 19.40 uur geschorst. 

Voorzitter: Deetman 

D 

Minister Kosto Voorzitter! Ik heb 
met veel belangstelling geluisterd 
naar de opmerkingen van de Kamer. 
Ik maak een enkele opmerking 
vooraf. Hier en daar bestond het 
gevoel dat er wel erg veel werd 
gepraat over het amendement en 
weinig meer over het wetsvoorstel. 
Ik hoop dat de collega's in de Kamer 
het mij niet kwalijk nemen dat ik wijs 
op de zeer zorgvuldige en uitvoerige 
schriftelijke behandeling die er ook 
geweest is. Die hoeft toch niet op 
alle onderdelen te worden overge– 
daan. Het is dus niet zo gek dat ik 
naar het nieuwe kijk, in dit geval het 
amendement, en daaraan mijn 
betoog ophang. 

Mevrouw Vliegenthart vindt dat de 
minister hoog van de toren blaast en 
verbaal geweld gebruikt. Het is 

uiterst nuttig dat de Kamer aan de 

minister een spiegel voorhoudt. Als 

het een lachspiegel wordt, krijg je 
een karikatuur. Zo moet je een 
gesprekspartner niet neerzetten. Ik 
heb geprobeerd met de nodige 
hartstocht mijn standpunt te 
verdedigen in de hoop dat het 
daardoor duidelijker werd. Als dat 
niet is gebeurd, betreur ik dat. Ik zal 
mij daarom beperken tot een rustig 
betoog. Toch zal ik wellicht veel 
dingen zeggen die ik al gezegd heb. 

Ik begin met de ondertoezichtstel– 
ling. De Raad voor de kinderbescher– 
ming treft een situatie aan en komt 
tot de diagnose dat - ik parafraseer de 
lichamelijke en geestelijke 
gezondheid van het kind in gevaar is. 
De raad vordert dan een maatregel 
bij de kinderrechter. Hier is de raad 
de eerst aangewezene. Daarna komt 
een heel ander traject. In dit 
wetsvoorstel wordt bepaald dat de 
verantwoordelijkheid voor dat traject 
ligt bij de gezinsvoogdij-instelling. De 
raad houdt daarbij betrokkenheid op 
elk vitaal moment; daarop ga ik 
straks in. In feite komt het daarop 
neer. Daarin voorziet deze wet. 
Daarin voorzien ook de Wet op de 
jeugdhulpverlening en het wetsvoor– 
stel inzake het familieprocesrecht, 
dat ter behandeling bij de Eerste 
Kamer voorligt. Dit alles garandeert 
inderdaad een zeer gedegen en in 
mijn ogen absoluut verantwoorde 
behandeling van het gezag, dat de 
overheid moet voeren subsidiair 
uitlokken als het in de van nature 
gegeven situatie misgaat. Laat ik het 
zo maar zeggen. Volgens artikel 256, 
lid 2, kan de raad een ondertoezicht– 
stelling uitlokken. 

De raad krijgt het rekest tot en het 
verslag van het verloop van de 
ondertoezichtstelling. Ik heb dat 
betoogd; dat blijft zo. Mevrouw 
Vliegenthart had veel belangstelling 
voor de uithuisplaatsing, en terecht, 
want het is een diepe ingreep. Om 
uithuisplaatsing kan niet door de 
Raad voor de kinderbescherming 
worden verzocht. Alleen door de 
gezinsvoogdij-instelling kan daarom 
worden verzocht. Daarvoor moet een 
rechterlijke machtiging gegeven 
worden. De gezinsvoogdij-instelling 
kan binnen die machtiging met een 
zekere marge van vrijheid concrete 
besluiten nemen. Dat kan voor de 
gezinssituatie op zichzelf ingrijpend 
zijn. Dat heeft de Kamer trouwens 
niet weersproken. 

De heer Dijkstal zei heel princi– 
pieel: ik heb op mijn centrale vraag 

21 juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK79 79-5437 


Kosto 

eigenlijk nooit goed antwoord gehad. 
De stelling van de heer Dijkstal is, 
dat bij het ingrijpen in een gezins– 
situatie geen privaatrechtelijke 
instelling, maar een publiekrechte– 
lijke mstelling, dus een raad voor de 
kinderbescherming, actief moet zijn. 
Ik ben mij ervan bewust dat ik mijn 
woorden herhaal, maar ik zeg het 
toch nog eens in alle helderheid. Dat 
antwoord is wel gegeven. Het is niet 
het vragen om een beslissing dat de 
inbreuk maakt, het is de beslissing 
zelve die dat doet. En die wordt 
genomen door de rechter. Ik herinner 
mij uit de eerste termijn dat de heer 
Dijkstal bij interruptie zei dat de 
minister weer met de rechter 
aankomt. Ja, dan komt de minister 
inderdaad met de rechter aan. Het 
vragen van een voorziening is niet 
de inbreuk, het geven van de 
voorziening, de beslissing van de 
rechter, is de inbreuk. En die is zo 
publiekrechtelijk als men zich maar 
kan wensen. 

Los daarvan, als het gaat om het 
rekestreren of om beschermings– 
maatregelen in het familierecht ten 
gunste van kinderen: de ouders 
kunnen dat doen, of de pleegouders. 
Dat zijn geen publiekrechtelijke 
instellingen. Dat is mogelijk. Een 
voorbeeld is ook de curatele die door 
derden kan worden aangevraagd. 
Een niet-publiekrechtelijk lichaam 
vraagt dan om een ingreep. Dat is 
altijd gerechtvaardigd. Dat is zo 
wezenlijk als men maar wil. De heer 
Dijkstal vindt daarin zijn gelijk. De 
feitelijke inbreuk is gebaseerd op de 
beslissing van de rechter en deze is 
publiekrechtelijk. 

Ik heb dat amendement afgewe– 
zen. Ik heb dat met overtuiging 
gedaan, met zoveel overtuiging dat 
mevrouw Vliegenthart daarvan een 
beetje geschrokken is. Toch meen ik 
het. Er is sprake van geweest dat het 
amendement gewijzigd zou worden 
in de zin van een compromis, zoals 
is verwoord door mevrouw 
Vliegenthart. Ook dat gewijzigde 
amendement geeft de raad een 
rekestreerbevoegdheid over de 
uithuisplaatsmg. Waarom moet dat 
nou? Het gaat om een dubbele 
bevoegdheid. Waarom moet dat 
niet? Omdat controle op de instelling 
door de raad niet nodig is. Immers, 
het betreft een beslissing van de 
rechter waardoor die uithuisplaatsing 
kan voortduren. Die controle bestaat 
nu juist uit een beslissing door een 
overheidsorgaan, namelijk de 
rechter. De heer Dijkstal voerde het 

argument aan van de trias politica. 
Dat argument is hierbij volstrekt niet 
aan de orde. Met hem ben ik een 
kind van de Franse revolutie. Ik mag 
graag Montesquieu citeren, maar dat 
is hierbij niet aan de orde. 

Laten wij ook niet vergeten dat, 
publiekrechtelijk gesproken, wij ook 
nog de inspectie hebben, die op de 
mstellmgen toezicht houdt van 
overheidswege! Ik ben dus van 
mening dat, zoals in het oorspronke– 
lijke amendement staat, er geen 
exclusieve bevoegdheid voor de 
Raad voor de kinderbescherming 
moet zijn en ook geen gedeelde 
bevoegdheid. Ik vind het wetsvoor– 
stel, zoals het er nu ligt na de vijfde 
nota van wijziging, een wetsvoorstel 
dat naar mijn eerlijke opvatting ook 
tegemoet komt aan de verlangens en 
de wensen die de Kamer heeft op dit 
punt, zoals destijds in de commissie 
Rechtzetten. 

De heer Dijkstal (VVD): Voorzitter! Ik 
wil voorkomen dat dit argument een 
eigen leven gaat leiden. De inspectie 
heeft hiermee niets te maken. De 
inspectie heeft inderdaad een 
toezichthoudende functie. Deze 
betreft de inhoud en de kwaliteit van 
het werk en misschien het naleven 
van de subsidievoorwaarden. De 
inspectie gaat niet na of een 
kindermaatregel naar behoren is 
toegepast. 

Minister Kosto In dat geval is de 
rechter de eerstgeroepene. De 

instellingen worden, zoals de heer 
Dijkstal zegt, in hun reilen en zeilen 
door de inspectie beoordeeld. Het 
discussiepunt van de publiekrechte– 
lijke tussenkomst en de kwaliteits– 
bewaking is in dit geval een 
gegeven. Ik denk eigenlijk dat de 
vijfde nota van wijziging, die ik de 
vorige keer al heb aangekondigd in 
het debat met mevrouw Soutendijk, 
voldoende is om te bereiken wat de 
Kamer en de regering willen. 

Ik wijs op de toelichting. Daaruit 
blijkt dat meer in het bijzonder de 
uithuisplaatsing en de verlenging 
van de uithuisplaatsing een zaak is 
van artikel 810, lid 3, Wetboek van 
Burgerlijke Rechtsvordering. De raad 
krijgt dus het verzoekschrift. Op de 
voet van artikel 265, lid 2, zal de 
kinderrechter het rapport over het 
verloop van de ondertoezichtstelling 
krijgen. Door een werkafspraak zal de 
griffie van de kinderrechter het 
rapport over de ondertoezichtstelling 
kunnen sturen aan de raad. Ook kan 

in de protocollen ten behoeve van de 
gezinsvoogdij-instellingen worden 
opgenomen dat de gezinsvoogdij– 
instelling op het moment dat zij het 
verslag van het verloop van de 
ondertoezichtstelling met haar 
verzoekschrift aan de kinderrechter 
zendt, gelijktijdig een afschrift van dit 
verslag aan de Raad voor de 
kinderbescherming zendt. 

De raad heeft, zo concludeer ik, 
dus voldoende materiaal om te 
bezien of hij de rechter zelf wil 
adviseren. Het is ook denkbaar dat 
de rechter de Raad voor de 
kinderbescherming zelf roept. Dat 
hele aspect is verzekerd. 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): Mijnheer de voorzitter! 
Dat kan allemaal wel kloppen, maar 
dat het kan, garandeert niet dat het 
gebeurt. Ik zou zo graag zien dat ook 
gegarandeerd wordt dat het gebeurt. 

Minister Kosto: Dat kan. Die garantie 
wil ik wel geven. Voor zover nodig 
zullen wij met de griffie of met de 
directeur gerechtelijke voorzieningen 
de afspraak maken dat dat zo 
gebeurt. Wij zullen daar een protoco! 
voor afsluiten. 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 

doorn (CDA): Maar wat is dan het 

bezwaar om die verplichting in de 
wet op te nemen? 

Minister Kosto Die verplichting is in 
de wet opgenomen. De Wet op de 
jeugdhulpverlening, het familie– 
procesrecht en het wetsvoorstel dat 
nu aan de orde is, bieden in hun 
samenhang de garantie dat de Raad 
voor de kinderbescherming te allen 
tijde in de gelegenheid is om tussen 
te komen op eigen initiatief en op de 
merites van de zaak. Voor zover er 
nog een leemte zou zijn, lossen wij 
dat op door een protocol met de 
griffie. Dat is dan een kwestie van 
tijd, want het wetsvoorstel inzake het 
familieprocesrecht ligt nog bij de 
Eerste Kamer. Dit wetsvoorstel is nog 
onderweg. Ik sta een sluitend 
systeem voor. 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 

doorn (CDA): Maar de wet spreekt 

toch van het overleggen van het 

verzoekschrift. Dat garandeert toch 

niet dat de rapportage van de 

gezinsvoogdij-instelling daarbij 

inbegrepen is, de vraag of het ook 

tijdig is nog even daargelaten. 

21 juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK79 


Kosto 

Minister Kosto: Ik zal garanderen dat 
die gegevens inderdaad ook tijdig 
worden overgelegd. 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): Waarom wordt het dan 
niet in de wet opgenomen? Wat is 
daar dan op tegen? 

Minister Kosto Omdat het naar mijn 
gevoel op dit moment sluitend in de 
wet is neergelegd. Dit hele systeem 
is sluitend. De Raad voor de 
kinderbescherming kan tussenkomen 
op basis van de benodigde gege– 
vens. Ik garandeer dat die gegevens 
er zijn op het moment dat het nodig 
is. 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): In 
artikel 810 van het Wetboek van 
Burgerlijke Rechtsvordering is heel 
nadrukkelijk een uitzonderings– 
bepaling geforrnuleerd. De beslissing 
over uithuisplaatsing wordt daarbij in 
het vierde lid uitgesloten. De stelling 
van de minister dat het allemaal 
sluitend is geregeld, gaat dus 
gewoon niet op. Er zit hier een 
uitzonderingsbepaling in. 

Minister Kosto: Ik zie dat niet. De 
voorzieningen die in het oog van de 
Raad voor de kinderbescherming 
getroffen moeten worden, kunnen 
tijdig door die raad worden 
beïnvloed. Het is niet nodig dat de 
wet een bepaling bevat. Ik noemde 
net het protocol. Dat is voldoende. 

Mevrouw Versnel heeft gevraagd 
om een evaluatie van die wet. Dat is 
een uitstekend idee. Ik zou wel willen 
spreken in termen van een lustrum. 
Je moet toch wel vijf jaar nemen om 
ervaring op te doen. Dat biedt 
tegelijkertijd een beetje de garantie 
dat de twijfels die er nu nog zijn laat 
er geen misverstand over 
bestaan: ik heb die niet - dan ook ter 
toetsing kunnen komen. Dat lijkt mij 
op zichzelf alleszins redelijk. 

Tegen mevrouw Vliegenthart zeg 
ik het volgende. Het verzoek tot 
uithuisplaatsing is niet de inbreuk op 
het ouderlijk gezag. De beslissing 
van de rechter is pas de inbreuk. 
Daarom is het niet nodig dat de raad 
dat verzoek doet. Het verzoek is bijna 
neutraal. Het is pas de beslissing van 
de rechter die het feit schept. Ook de 
feitelijke hulpverlening van de 
gezinsvoogdij-instelling kan een 
inbreuk zijn, bijvoorbeeld via 
aanwijzing of via tenuitvoerlegging 
van een machtiging tot uithuis– 
plaatsing. Ik heb mogen vaststellen 

dat de heer Dijkstal op dit punt geen 
bezwaar maakt. 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): 
Voorzitter! Als de redenering van de 
minister opgaat, dan vraag ik mij 
eigenlijk af waarom er überhaupt 
nog een Raad voor de kinderbescher– 
ming is. 

Minister Kosto: Met alle respect, dit 
getuigt toch van enig onbegrip. Ik 
heb nu en de vorige keer gezegd dat 
de Raad voor de kinderbescherming 
aan het begin van alles staat. Als er 
op een goed moment sprake is van 
een situatie waarin een kind de 
bekende gevaren loopt, dan is het de 
Raad voor de kinderbescherming die 
geroepen is op te treden als 
bijvoorbeeld eigen ouders of 
pleegouders dat niet doen. Daar 
begint het en daar is inderdaad ten 
opzichte van de gezinsvoogdij– 
instellingen die Raad voor de 
kinderbescherming de exclusieve. 
Waar wij het nu in dit hele wetsvoor– 
stel over hebben, is het vervolg– 
traject. Daarbij is de stelling van de 
regering dat de gezinsvoogdij– 
instellingen, bekleed met de 
verantwoordelijkheid om de 
maatregel van de kinderrechter uit te 
voeren op een goed moment aan de 
rechter mogen vragen om verlen– 
ging, beëindiging of wat dies meer 
zij. Daarbij hoort een pakket van 
garanties dat de Raad voor de 
kinderbescherming - die autoriteit 
van het eerste uur, die dat blijft eventueel, 
ter correctie van wat de 
gezinsvoogdij-instelling doet in het 
concrete desbetreffende geval, zelf 
de rechter tegemoet kan treden. De 
rechter zegt bij eigen twijfel: laat ik 
de Raad voor de kinderbescherming 
nog eens horen. Dat is en blijft een 
heel wezenlijk instituut. De vraag of 
de raad nog nodig is, kan ik van een 
deskundige als mevrouw Vliegent– 

hart niet plaatsen. 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): Dat 
komt doordat ik het niet met uw 
conclusie eens ben. De stelling die 
een aantal kamerleden hebben 
vertolkt, is dat bijvoorbeeld een 
verzoek tot een uithuisplaatsing niet 
zomaar een uitvoeringskwestie is. In 
uw redenering is dat zo en daarom 
hebt u gelijk, maar ons argument is 
dat de inbreuk van de uithuis– 
plaatsing dermate vergaand is dat zij 
niet tot de uitvoerings– 
verantwoordelijkheid van een 

gezinsvoogdij-instelling kan worden 
gerekend. 

Minister Kosto: Ik herhaal nogmaals 
dat dit alleen maar kan op basis van 
een rechterlijke machtiging. Daarmee 
heeft mevrouw Vliegenthart in mijn 
ogen een tot tevredenheid leidend 
antwoord gekregen; althans: het zou 
tot tevredenheid moeten leiden. Laat 
ik het nog een keer zeggen: het is 
niet de vraag die de inbreuk maakt, 
maar de beslissing van de rechter, 
die vervolgens wordt uitgevoerd. Dat 
is het punt: de rechter is zo 
publiekrechtelijk als men maar wil. Ik 
begrijp simpelweg niet waarom dit 
onderscheid wordt gemaakt en 
waarom dit misverstand tussen ons 
kan bestaan. Het is niet het vragen 
dat de inperking maakt, maar de 
beslissing. 

De heer Dijkstal (VVD): Volgt de 
minister dezelfde redenering ten 
aanzien van ons strafrecht en het 
openbaar ministerie? 

Minister Kosto: Ik vind dat die vraag 
maar even moet worden toegelicht. 

De heer Dijkstal (VVD): Nou, de 
vraag is nogal duidelijk. Men zou op 
dat punt dezelfde redenering kunnen 
volgen: waarom moet het openbaar 
ministerie rekestreren in een 
strafrechtelijke zaak en waarom laten 
wij ook dat niet aan een instelling 
over? Het is dan uiteindelijk de 
rechter die de inbreuk moet plaatsen. 

Minister Kosto In dit geval is het 
antwoord simpel: het OM heeft dat 
recht, omdat de wet het OM 
evenzeer aanwijst als het wetsvoor– 
stel nu de gezinsvoogdij-insteiling 
aanwijst. 

De heer Dijkstal (VVD): Dat is op 
zichzelf juist, maar de kernvraag is 
nu: is het terecht dat wij ons 
bedienen van een particuliere 
organisatie die een publieke taak 
krijgt met een vage controle daarop, 
gelet op het feit dat wij in het 
strafrecht, gegeven het zeer 
ingrijpende karakter daarvan, 
daarvoor een publiekrechtelijk 
orgaan hebben onder directe 
ministeriële verantwoordelijkheid? 
Het gaat hier om 
kinderbeschermingsmaatregelen die 
wat mij en anderen betreft, minstens 
zo ingrijpend zijn. 

Minister Kosto: Ik ben bijna geneigd 

21 juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK79 79-5439 


Kosto 

om te zeggen dat ik dit van een 
liberaal als de heer Dijkstal ongeveer 
als laatste verwacht had, met name 
de verwarring tussen privaatrecht en 
publiekrecht. De overheid heeft 
inderdaad exclusief de strafvordering 
en de macht van het politie-apparaat 
in handen, maar ik zeg maar alvast 
van tevoren dat dit punt een 
avondvullend programma kan 
opleveren De politie is de sterke arm 
van de overheid, met een gewelds– 
monopolie; het openbaar ministerie 
heeft het monopolie van de 
strafvordering en de strafvervolging 
en de rechter oordeelt. Dat is het 
strafrechtelijk circuit en dat is met 
alle waarborgen omgeven; daar zijn 
hele wetboeken voor geschreven. 
Hier hebben wij een privaatrechte– 
lijke situatie en ik had mij juist van 
de heer Dijkstal kunnen voorstellen 
dat hij - om het maar eens huiselijk 
te zeggen - heel sterk voor het 
particulier initiatief zou zijn. Nee, de 
heer Dijksta! zegt dat dit publiekrech– 
telijk moet zijn, niet alleen in de 
beslissing, zoals nu, maar ook bij het 
uitlokken van die beslissing. Ik 
begrijp dat simpelweg niet. 

De heer Dijkstal (VVD): Nou, dat is 

dan precies het kernpunt. U 

bagatelliseert het ingrijpende 

karakter en u wilt niet zien dat de 

overheid de enige is die dit namens 

de samenleving kan doen en dat 

daarom ooit de raden voor de 

kinderbescherming zijn opgericht. 

Sterker nog: zij vallen om die reden 

onder het ministerie van Justitie. 

Minister Kosto: Ik bagatelliseer 
helemaal niets, want ik weet dat dit 
een belangnjk onderwerp is. Ik doe 
een beroep op het logisch denken en 
vraag om adhesie voor de stelling 
dat het niet het vragen van de 
beslissmg is die de inbreuk maakt, 
maar dat het de beslissing zelf is die 
de inbreuk maakt. Die beslissing zelf 
is met alle waarborgen omgeven; zij 
wordt gegeven door een onafhanke– 
lijke, voor het leven benoemde 
rechter, met alle rechtswaarborgen 
die de wet biedt. Het gaat erom wie 
het mag vragen. Zoals gezegd: als 
het gaat om een ondertoezichtstel– 
ling mag een particulier - een ouder, 
een pleegouder en volgens dit 
wetsvoorstel de gezinsvoogdij– 
instelling - dat doen. De heer Dijkstal 
zegt: nee, die vrager moet publiek– 
rechtelijk van aard zijn. De Kamer 
heeft er geen bezwaar tegen, dat de 
rechter geen uitvoering meer geeft 

aan zijn eigen beslissingen, maar dat 
de gezinsvoogdij-instellingen dat 
mogen doen. In het kader van de 
tenuitvoerlegging van de maatregel 
moet de gezinsvoogdij-instelling ook 
het instrument hebben om de rechter 
weer te hulp te roepen. Nee, zegt de 
heer Dijkstai, ik laat dat systeem 
intact, maar hier voeg ik de Raad 
voor de kinderbescherming in. De 
Kamer heeft altijd het vanuit de 
burger gezien angstwekkende 
bolwerk, dat de overheid dan zou 
zijn, bestreden. De heer Dijkstal 
betichtte mij er toen van, dat ik de 
Raad voor de kinderbescherming tot 
een bolwerk had verklaard. Dat was 
niet het geval. Ik wilde vanuit het 
oogpunt van de justitiabelen 
duidelijk maken, dat er met dat kind 
gehandeld wordt. De gezinsvoogdij– 
instelling wil dat er een maatregel 
wordt verlengd. Nu komt plotseling 
de Raad voor de kinderbescherming 
daartussen. De mensen zien dan de 
optelsom van rechter, gezinsvoogdij– 
instelling en de Raad voor de 
kinderbescherming. Dat is pas een 
bolwerk. Ik begrijp niet, waarom de 
Kamer vanuit die optiek niet kiest 
voor die meer simpele en overzichte– 
lijke regeling. In het kader van de 
tenuitvoerlegging van de maatregel 
kunnen de gezinsvoogdij-instellingen 
tot conclusies komen die opnieuw 
een rechterlijke beslissing nodig 
maken. De rechter spreekt recht en 
hij is de enige die de beslissing 
neemt. De Raad voor de kinderbe– 
scherming is niet weg. Hij blijft 
volstrekt alert. Wij garanderen dat de 
alertheid kan functioneren, doordat 
wij ervoor zorgen, dat de stukken er 
zijn, de datum van de zitting bekend 
is, enz. Er is een samenhang 
gegeven in de kinderbescherming en 
jeugdbescherming die respectabel is 
en die aan modern denken recht 
doet. 

De heer Dijkstal (VVD): Vindt de 
minister dan ook, dat een residen– 
tiële instelling moet kunnen 
rekestreren? 

Minister Kosto: Waarom komt de 
heer Dijkstal toch altijd met 
vergelijkingen? 

De heer Dijkstal (VVD): Omdat 
justitiële plaatsing daar plaatsvindt. 

Minister Kosto: Als bij die instelling 
een voogdij zou berusten, zou dat 
denkbaar zijn. Nu kan een ouder het 
ook. De wet kiest in dit systeem voor 

die gezinsvoogdij-instelling na een 
zeer langdurige en weloverwogen 
afweging die in 1971 is begonnen. 
Toen hebben wij gezegd, dat de 
rechter geen uitvoering kon geven 
aan zijn eigen beslissingen. Nu komt 
de regering met een voorstel en zegt 
de heer Dijkstal: de gezinsvoogdij– 
instellingen zijn particuliere 
instellingen en geen publiekrechte– 
lijke instellingen. So what? Als die 
gezinsvoogdij-instellingen zelf de 
beslissing zouden nemen, dan zou ik 
nog wel wat zien in het verhaal van 
de heer Dijkstal. Maar dat is niet zo. 
Zij vragen alleen. Dat mag toch? Het 

is de rechter die beslist. Dat is de 
inbreuk. Dat is publiekrechtelijk, met 
alle waarborgen van wetboeken 
omgeven. Wat wil hij nog meer? Het 
is helemaal m de geest van wat de 
heer Dijkstal wil, ook waar het gaat 
om het betrokken blijven van de 

Raad voor de kinderbescherming. Ik 

ben zo langzamerhand op het punt, 
dat ik alleen maar kan zeggen: let's 
agree to disagree. Ik ben er erg 
verbaasd over. Ik ben erg blij, dat ik 

in mevrouw Versnel nog iemand heb 

gevonden die mij begrijpt. 

Voorzitter! Mevrouw Vliegenthart 
had nog twijfels over de berekening 
van de kosten van het amendement, 
dat door de heer Dijkstal met haar 
steun is ingediend. Zij suggereerde, 
dat in het amendement ook nog een 
besparing bij de gezinsvoogdij– 
instellingen gelegen zou kunnen zijn. 
Ik denk, dat dit niet het geval is. De 
gezinsvoogdij-instelling zal in de 
visie van het amendement alles 
moeten voorbereiden, tot en met het 
verzoek zelve. Zij moet tot het inzicht 
komen, dat er een verzoek gedaan 
moet worden. Wil de raad de hem 
opgedragen taak serieus nemen, dan 
moet hij zich ook in de zaak 
verdiepen. Hij zal het niet klakkeloos 
overnemen, want anders heeft het 
amendement al helemaal geen 
functie. De verantwoordelijkheid voor 
het verzoek ligt dan bij de raad. Het 
betreft hier extra werkzaamheden, 
die extra kosten met zich brengen. Ik 
heb die laten berekenen. De cijfers 
hebben de Kamer bereikt op een 
papiertje dat haar niet zo welgevallig 
was. Mijn excuses daarvoor. De 
drager van de boodschap was niet, 
zoals hij had mogen zijn, maar de 
boodschap blijft hetzelfde. De extra 
werkzaamheden brengen extra 
kosten met zich. De hoogte is erg 
afhankelijk van de invulling van de 
taak door de raad. Ik heb een 
minimumvariant van 5 mln. en een 

21 juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK79 


Kosto 

maximumvaiïant van 17 mln. tot 20 
mln. De heer Dijkstal zei zojuist dat 
er ineens, na die lange schriftelijke 
voorbereiding, geld uit de lucht 
kwam vallen. Voorzitter! Ik heb bij de 
vervulling van dit ambt goed geleerd 
dat bij Justitie geld een uitermate 
relevante factor is. Ik heb de Kamer 
al eens met onorthodoxe voorstellen 
bejegend in verband met dat geld. Ik 
was blij, deze Kamer mee te krijgen 
maar aan de overkant lukte dat niet. 
Ook ik vind het niet prettig en niet 
chic, maar geld is wel degelijk 
relevant. Het is geen principieel 
aspect, maar voor iemand die een 
begroting moet beheren en die 
ervoor moet zorgen dat de rechts– 
handhaving op peil blijft, is geld wel 
degelijk een reëel gegeven. 
Overigens oogst ik de waardering die 
de heer Dijkstal uitsprak voor mijn 
poging om die 1,5 mln. te vinden die 
er nog rfioet zijn. Wij zijn er het 
verder over eens dat ik in budget– 
taire zin niet naar de verre toekomst 
kan kijken. Wellicht is hij daar op dit 
moment nog wat meer in geverseerd 
dan ik zelf. 

Mevrouw Vliegenthart vraagt of bij 
uithuisplaatsing wordt nagegaan of 
er grond aanwezig is om dat te doen. 
Natuurlijk, voorzitter, wordt dat 
gedaan. Voor uithuisplaatsing is 
vereist dat een bekende formule 
wordt gerespecteerd: de uithuis– 
plaatsing is noodzakelijk in het 
belang van de verzorging en 
opvoeding van de minderjarige of tot 
onderzoek tot diens geestelijke of 
lichamelijke gesteldheid. Men vindt 
dit terug in artikel 261. 

Ik ben het voorts eens met de 
evaluatietermijn van vijf jaar, zoals 
gevraagd door mevrouw Versnel. 
Daarmee kom ik toe aan de motie 
van de heer Rouvoet. Ik meen dat ik 
die motie kan "meenemen", gelet op 
de toezegging die ik zojuist heb 
gedaan, zij het dat ik de termijn van 
vijf jaar wil handhaven. Dat is echt 
nodig om tot een redelijk oordeel te 
komen. Het is in die zin dat ik deze 
motie zou kunnen uitvoeren. 

De heer Van den Berg vraagt hoe 
rekening wordt gehouden met de 
godsdienstige gezindheid. Voorzitter! 
De rechter is verplicht, te letten op 
de levensovertuiging van de 
minderjarige en het gezin waartoe 
die minderjarige behoort. Men treft 
dit in artikel 254, derde lid, en in 
artikel 261, vijfde lid, aan. Het staat 
dus in de wet. Met andere woorden: 
ook de levensovertuiging van de 

ouders komt nadrukkelijk bij de 

overweging aan de orde. 

De heer Van den Berg stelde 
voorts een vraag over de relatie met 
de wetswijziging familie– en 
jeugdrecht. Mevrouw Vliegenthart 
verwees in een interruptie naar haar 
rapport waarin dit aspect kon 
worden teruggevonden. Voorzitter! 
Mijn antwoord is dat wij de 
samenhang met de aanhangig zijnde 
wetswijziging op het terrein van het 
familie– en jeugdrecht echt nauwlet– 
tend in het oog houden. Op hoog 
niveau staat de Raad van State ons 
ter zijde en ook beide Kamers van de 
Staten-Generaal zullen zich niet 
onbetuigd laten. 

Mevrouw Versnel stelt een typisch 
existentiële vraag: is de minister nog 
altijd op dezelfde manier over de 
adviestaken van de raden aan het 
denken als de toenmalige staatsse– 
cretaris? Voorzitter! In een brief aan 
de Kamer, gedateerd 4 maart 1994, 
heb ik met nadruk vermeld dat de 
voorlichtende en adviserende taak 
ten opzichte van de rechterlijke 
macht inzake onder meer voogdij– 
voorziening, voorzieningen in het 
gezag na echtscheiding en vaststel– 
ling van de omgangsregeling, 
wettelijk is opgedragen aan de Raad 
voor de kinderbescherming. Bij brief 
van 29 april 1994 heb ik de voorzitter 
van de bijzondere commissie 
Jeugdwelzijnsbeleid, toen nog de 
heer Lankhorst, bericht dat een 
ambtelijke commissie werd ingesteld 
om mij te adviseren op welke wijze 
die adviestaken beter en efficiënter 
zouden kunnen worden uitgevoerd. 
Die commissie wordt geleid door 
mijn medewerkster mevrouw 
Daalmeijer. De namen van de leden 
heb ik bij de hand maar daarover 
beschikt de Kamer ook, gelet op de 
brief van 29 april. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Het ging vooral om de opdracht. De 
vraag rijst of de opdracht die deze 
ambtelijke commissie is gegeven, 
spoort met wat de toenmalige 
staatssecretaris aangaf in de 
desbetreffende UCV. Die uitspraak 
hield in dat de raden in principe 
nauwelijks nog behoefden op te 
treden bij echtscheiding tenzij de 
bekende gevaren voor het kind 
dreigden. 

Minister Kosto: Ik dacht van wel. U 
heeft die brief gekregen en u kunt 

het dus checken. Ik dacht dat u 
daarover niet ontevreden behoefde 

te zijn. Nogmaals, de brief is op 29 

april aan u verzonden, maar ik heb 

een nieuw exemplaar voor u bij me. 

Mevrouw Versnel maakte melding 
van een werkwijze die in Nijmegen 
wordt gevolgd. De hulpverlener die 
op vrijwillige basis hulp heeft 
verleend, gaat hiermee door, zo 
nodig als gezinsvoogd in een 
gedwongen kader. Zij vroeg naar 
mijn oordeel hierover. Ik heb de 
sterke neiging dit ongewenst te 
vinden. Er moet een goede scheiding 
bestaan tussen de vrijwillige hulp en 
de maatregel. Immers, de vrijwillige 
hulp heeft geen soelaas geboden. De 
hulpverlener is er niet in geslaagd de 
ouders en/of de minderjarigen te 
motiveren om goed van de geboden 
hulp gebruik te maken. Het lijkt mij 
dan niet juist om, daar waar de 
vrijwillige hulp is vastgelopen, 
dezelfde hulpverlener met dwang te 
laten doorgaan. Het is dan beter een 
nieuwe start te laten maken door een 
andere persoon die vanuit een 
gezagspositie kan opereren. Ik wil 
hiermee geen oordeel vellen over de 
individuele hulpverlener die 
vastgelopen is. Deze kan in een 
andere situatie bij uitstek degene zijn 
die erin slaagt de vrijwillige 
hulpverlening te laten functioneren, 
zodat de maatregel niet nodig is. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): In 
dit geval ging het om een buiten– 
lands gezin. De vader accepteerde 
het niet dat er iemand van buitenaf 
zaken binnen zijn gezin ging regelen. 
Binnen het kader van een OTS liep 
echter het hulpverleningsplan, met 
dezelfde hulpverlener, gesmeerd. Het 
zou zonde zijn als wij dat kwijtraken. 

Minister Kosto: Dit kan zich bij deze 
gevallen voordoen. De heer Rabbae 
vraagt om studie en aandacht voor 
de allochtone reactie op onze 
kinderbeschermingsmaatregelen. 
Deze maatregelen zijn trouwens ook 
op allochtonen van toepassing. Deze 
groep kan wellicht deze maatregelen, 
gelet op een andere cultuur– 
achtergrond, niet zo gemakkelijk 
aanvaarden als straks onze kinderen 
en kleinkinderen dat wel kunnen 
doen. Indien voor zo'n situatie iets 
extra's nodig is, kan dat bezien 
worden. In het algemeen echter heb 
ik de neiging om dit punt van een 
kritische noot te voorzien. 

De heer Schutte vroeg of een 
machtiging tot uithuisplaatsing door 
de kinderrechter gestuurd wordt. Is 
deze een sturende factor? In het 

21 juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK79 79-5441 


Kosto 

verzoek dat bij de kinderrechter 
wordt gedaan, moet al worden 
aangegeven voor welke voorziening 
de machtiging wordt gevraagd. De 
kinderrechter kan met een machti– 
ging tot plaatsing in een voorziening 
waar de gezinsvoogdij niet om 
verzocht heeft, toch tot plaatsing 
aldaar overgaan Er kan dus onder 
omstandigheden enigszins worden 
gestuurd, omdat de kinderrechter 

niet honoreert waarom werd 
gevraagd. 

Mevrouw Soutendijk en de heer 
Rouvoet vroegen of artikel 257, 
derde lid, te ruim geformuleerd is. 
Dat artikel heeft betrekking op een 
grote en diverse groep jongeren. De 
redactie van het derde lid houdt daar 
rekening mee. Ik kan niet zeggen dat 
de redactie te ruim is. De heer 
Schutte meende dat de 
gezinsvoogdij-instellingen in de 
toekomst sporadisch van hun 
aanwijzingsbevoegdheid gebruik 
zullen maken. Hij vroeg naar mijn 
mening hierover. Ik vind het moeilijk 
om in de toekomst te kijken. De 
aanwijzing krijgt een andere plaats 
dan nu. Ik kan mij voorstellen dat dit 
instrument, na terugtreding van de 
kinderrechter, meer gebruikt zal 
worden. In de nieuwe situatie 
ontstaat via de schriftelijk geformali– 
seerde aanwijzingsprocedure de 
mogelijkheid voor de ouders om de 
kinderrechter daarover een uitspraak 
te laten doen. Overigens wijs ik erop 
dat een dergelijke aanwijzing pas 
noodzakelijk is wanneer na overleg 
en overreding de gewenste 
medewerking van ouders en 
minderjarigen niet verkregen wordt. 
Ik vind het van belang om de 
ontwikkelingen op dit punt, na 
aanvaarding van het wetsvoorstel, 
nauwlettend te volgen. Ik heb zojuist 
die evaluatie toegezegd en daar kan 
die vraag goed in worden meegeno– 

men. 

De heer Rouvoet (RPF): Voorzitter! 
Met het oog op de motie die ik 
samen met mevrouw Soutendijk heb 
ingediend, wil ik de volgende vraag 
stellen. De minister zegt de evaluatie 
over vijf jaar toe die mevrouw 
Versnel heeft voorgesteld. Kan hij 
ook de toezegging doen om binnen 
de algemene evaluatie van het totale 
wetsvoorstel over de maatregel van 
de ondertoezichtstelling, aparte 
aandacht te besteden aan de 
problematiek van artikel 257, derde 
iid? Het lijkt mij namelijk zinvol voor 

de Kamer wanneer juist dat punt 
expliciet wordt geëvalueerd. 

Minister Kosto Ik wil die toezegging 
graag doen. 

De heren Rabbae en Rouvoet 
hebben gevraagd waarom er geen 
hoger beroep mogelijk is bij 
beëindiging van de uithuisplaatsmg 
en wei bij de machtiging tot 
uithuisplaatsing. 

Voorzitter! Een machtiging tot 
uithuisplaatsing is een inbreuk in het 
gezinsleven van ouder en kind, voor 
welke beslissing hoger beroep 
inderdaad wenselijk wordt geacht. 
De beëindiging van een uithuis– 
plaatsing zal er doorgaans toe leiden 
dat het kind terugkeert naar zijn 
ouders omdat het weer mogelijk 
wordt geacht. In deze omstandigheid 
is hoger beroep dan ook duidelijk 
minder nodig. 

De heer Rouvoet (RPF): Ik had in 
tweede termijn met collega Dijkstal 
op dit punt een amendement 
aangekondigd omdat het voor ons 
zwaar weegt dat het hoger beroep bij 
beëindiging van de uithuisplaatsing 
niet mogelijk was. Ik begrijp nu uit 
de woorden van de minister dat hij 
weinig ziet in de mogelijkheid van 
hoger beroep bij artikel 263. In dat 
geval kondig ik aan dat het amende– 
ment, mede namens de heer Dijkstal, 
zal worden ingediend om hoger 
beroep in deze situatie wel degelijk 
mogeiijk te maken. 

Minister Kosto Voorzitter! Ik wacht 

deze parlementaire handeling af. Ik 

meen overigens dat ik met het 

laatste antwoord dat ik gaf aan de 

heer Rabbae en, na interruptie, aan 

de heer Rouvoet, mijn tweede 

termijn heb kunnen afsluiten. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Voorzitter! Misschien is het wel een 
rare manier van doen, maar ik wil de 
heer Rouvoet eigenlijk vragen wat 
het nut van een hoger beroep kan 
zijn tegen beëindiging van een 
uithuisplaatsing. Wie zou dat hoger 
beroep moeten indienen? De ouders 
die het kind weer terugkrijgen? 

De heer Rouvoet (RPF): Voorzitter! 

Dat lijkt mij evident. Artikel 941 van 

het Wetboek van Burgerlijke 

Rechtsvordering bepaalt dat aan 

belanghebbenden in de zin van de 

wet het recht toekomt om hoger 

beroep aan te tekenen. Artikel 263 

wordt in dit wetsvoorstel daarvan 

uitgesloten. Door dat te wijzigen 
komt aan de belanghebbenden - de 
ouders maar ook de andere 
belanghebbenden die genoemd 
worden bij de mogelijkheid om dat 
aan te vragen - het recht toe om 
hoger beroep in te stellen tegen 
beëindiging van de uithuisplaatsing 
indien dat niet in het belang van de 
minderjarige wordt geacht. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Die ouders gaan dan beroep 
aantekenen tegen het feit dat ze het 
kind terugkrijgen of het kind gaat 
beroep aantekenen tegen het feit dat 
het weer naar huis terug moet gaan? 
Daar zijn toch andere wegen voor? 
De raden kunnen toch altijd 
verzoeken om het weer te doen. 

De heer Rouvoet (RPF): Voorzitter! Ik 
heb in tweede termijn gesteld dat de 
beslissing waar het om gaat van een 
duidelijk andere orde is dan de 
andere beschikkingen waarvoor geen 
hoger beroep wordt ingesteld. Dit 
betreft de maatregel van de 
uithuisplaatsing zelf. Het leek collega 
Dijkstal en mij in ieder geval 
wenselijk daarvoor hoger beroep 
mogelijk te maken voor de belang– 
hebbenden, inclusief, maar niet 
uitsluitend, de ouders. 

De heer Rabbae (GroenLinks): 
Voorzitter! Ik heb begrepen dat de 
minister aan het einde van zijn 
tweede termijn is gekomen. Kan hij 
nog ingaan op mijn vragen over de 
kinderen onder de 12 jaar die nu wel 
toegang hebben tot de rechter, via 
het spreekuur, maar dan niet meer? 

Minister Kosto: Wilt u de laatste 

volzin nog even herhalen? 

De heer Rabbae (GroenLinks): 
Minderjarigen die jonger zijn dan 12 
jaar, hebben op dit moment toegang 
tot de rechter door middel van het 
spreekuur. Straks hebben ze dat niet 
meer. Denkt de minister dat deze 
jongeren straks ook deze mogelijk– 
heid blijven behouden of is dat 
uitgesloten? 

Minister Kosto: Die mogelijkheid 
blijft behouden. Overigens, voorzit– 
ter, ik was klaar met de beantwoor– 
ding. Ik wil echter nog even afsluiten 
als u mij toestaat. 

Ik heb met de Kamer schriftelijk en 
mondeling uitvoerig over dit 
wetsvoorstel gedebatteerd, soms 
met stemverheffing, maar in ieder 

21 juni 1994 
Tweede Kamer Ondertoezichtstelling minderjarigen TK79 79-5442 


Kosto 

geval met een grote inzet. Het begon 
met de opmerking: wij zijn blij met 
dit wetsvoorstel maar er zijn nog een 
paar kleinigheden. Ik heb moeten 
vaststellen, dat wat de indieners van 
het amendement als kleinigheden 
typeerden, in mijn opvatting geen 
kleinigheden waren. Ik heb in de 
dialoog met de Kamer, in het 
gemeen overleg zoals dat plechtig 
heet, ruimte gevonden nog met een 
vijfde nota van wijziging te komen. 
Naar mijn eerlijke overtuiging is het 
wetsvoorstel zoals het er met die 
nota ligt, een wetsvoorstel dat aan 
de eisen van de praktijk voldoet - dit 
geldt voor de mensen die er in de 
praktijk mee moeten werken maar 
naar mijn eerlijke opvatting ook voor 
de Kamer - en dat het wetsvoorstel 

het verdient het Staatsblad te halen. 
Mevrouw Vliegenthart zei al dat er in 
deze kabinetsperiode verdraaid veel 
gedaan is. Daar hoort dit wetsvoor– 
stel bij. Het is een hele duideüjke 
afsluiting. Ik doe dus een beroep op 
de Kamer om de amendementen– 
Dijkstal/Vliegenthart niet te steunen. 
Sterker, ik zou graag willen dat de 
geachte afgevaardigden die 
amendementen niet in stemming 
zouden brengen en zouden kiezen 
voor het wetsvoorstel zoals dat tot 
stand gekomen is, nogmaals, in 
gemeen overleg met vruchten en 
sporen van dat gemeen overleg in 
nota's van wijziging. 

De heer Dijkstal (VVD): Voorzitter!... 

De voorzitter: Voordat u gaat 
interrumperen, ik heb het gevoel dat 
wij langzamerhand in herhaling 
vervallen. Ik heb op dit onderdeel het 
laatste half uur over en weer geen 
nieuwe argumenten gehoord heb. 

De heer Dijkstal (WD): Nee. 

De voorzitter: Dat kan ik mij niet 
indenken en dat zie ik aan uw ogen. 
U mag alleen een vraag stellen als u 
die nog niet heeft gesteld. 

De heer Dijkstal (VVD): Dat was ik 
ook van plan. Ik wil mijn opmerking 
in vragende vorm stellen. Ik hoop 
natuurlijk dat mijn amendement wel 
wordt aangenomen. Ik kan de 
minister echter verzekeren dat 
overigens er nog zoveel belangrijke 
dingen in dit wetsvoorstel staan die 
wij nu niet hebben besproken omdat 
wij het daarmee eens waren, dat hij 
er wat onze fractie betreft best op 

mag rekenen dat wij uiteindelijk wel 

voor die wet zullen stemmen. 

Minister Kosto: Dit, voorzitter, maakt 
mijn avond goed! 

De heer Rouvoet (RPF): Voorzitter!... 

De voorzitter: Ik heb er toch 

problemen mee, dat er een derde 
termijn komt. U mag één vraag 

stellen in één zin. 

De heer Rouvoet (RPF): Kan de 
minister alsnog op mijn argumenta– 
tie betreffende mijn amendement op 
stuk nr. 15 ingaan? Het gaat daarbij 
om een verkorting van drie maanden 
naar één maand, omdat de 
wachtlijstproblematiek niet als 
uitgangspunt van een wettelijke 
herziening genomen kan worden. 

Minister Kosto: ik heb gewezen op 
de tekorten in de voorzieningen. Ik 
heb gezegd dat een periode van drie 
maanden zelfs aan de korte kant 
was. Zodra het kan, ligt het in de 
rede dat wij ernaar streven die 
termijn zo kort mogelijk te laten zijn. 
Op andere beleidsterreinen die ik 
onder mijn beheer heb, is het ook 
wel gelukt om termijnen die de wet 
vroeg aanmerkelijk korter te doen 
zijn in de praktijk. Ik zal daarnaar 
streven, maar zelfs drie maanden 
vind ik al aan de korte kant. De 
praktijk is hier wat sterker dan de 
ieer. Wij moeten de praktijk dichter 
bij de leer brengen en daarvoor zal ik 
mij inzetten met mijn medewerkers. 

De algemene beraadslaging wordt 
gesloten. 

De voorzitter: De heer Rouvoet 
heeft meegedeeld dat hij met de 
heer Dijkstal nog een amendement 
zal indienen. Ik ga ervan uit dat dit 
amendement uiterlijk morgen voor 

12.00 uur is ingediend en dat het 
amendement geen reden meer is 
voor heropening van de beraadsla– 
ging. Als dat wel het geval mocht 
zijn, verzoek ik u, mij dat donderdag 
voor 12.00 uur te melden, dan 
kunnen wij dat donderdag zo nodig 
nog doen. Ik lok u daartoe overigens 
niet uit. Ik doe dit procedurevoorstel 
om u ten slotte voor te stellen 
aanstaande dinsdag te stemmen. 
Daartoe wordt besloten. 

De voorzitter: Gelet op het feit dat 
wij deze week een vrij zware agenda 

hebben, zou ik vooralsnog de agenda 
voor vanavond willen handhaven en 
zien hoever wij tot 23.00 uur kunnen 
komen. 

Aan de orde is de behandeling van: 

- het wetsvoorstel Bepalingen 
inzake de landelijke werving, de 
selectie en het onderwijs voor 
de politie (LSOP-wet) (23446). 
De algemene beraadslaging wordt 

geopend. 

D 

De heer Van den Berg (SGP): 

Mijnheer de voorzitter! Het wetsvoor– 
stel Bepalingen inzake de landelijke 
werving, de selectie en het onderwijs 
voor de politie (LSOP-wet) is een 
klein wetsvoorstel, maar zeker niet 
onbelangrijk, alleen al omdat de 
werving en de selectie van politie– 
personeel nauw verbonden is met 
een problematisch en daardoor 
helaas zeer actueel thema als de 
politiesterkte. Recent is dit onder– 
werp nog weer eens scherp in het 
daglicht gesteld door het rapport van 
de Algemene Rekenkamer. ilit het 
onderzoek dat de Algemene 
Rekenkamer heeft gehouden, bleek 
dat in de jaren 1988 en 1989 de 
instroomcapaciteit maar zeer ten 
dele werd benut. In 1991 en 1992 
was dat iets beter, maar in 1993 
daalde de benutting weer tot 67%. Er 
was in die jaren echter alle reden en 
ook formatieve ruimte en capaciteit 
om het aantal agenten sterk te 
vergroten. Mijn fractie heeft daar in 
die jaren steeds op aangedrongen, 
ook op het volledig benutten van de 
capaciteit op de politie-opleidingen. 

Dat er toen niet voldoende 
inspanningen zijn gepleegd om meer 
politie te krijgen, had verschillende 
oorzaken. Wij hebben daar op 22 
maart over gesproken. In ieder geval 
is duidelijk dat de werving en de 
selectie een bepaalde sluiswerking 
kunnen hebben. Die sluiswerking 
moet natuurlijk wel in overeenstem– 
ming zijn met de feitelijke behoefte 
en de politieke wens. Onze vraag is 
hoe het in de praktijk zal gaan, nu 
landelijke werving, selectie en 
onderwijs worden verzelfstandigd. 
Het is duidelijk dat de politiesterkte 
een politiek gevoelig punt is. 
Daarover hebben wij in de afgelopen 
jaren vele malen gediscussieerd. Ook 
gezien de uitspraken van de grotere 
politieke partijen mag worden 

21 juni 1994 
Tweede Kamer LSOP TK79 79-5443 


Van den Berg 

verwacht dat de politiesterkte in de 
nabije toekomst flink zal worden 
opgevoerd. Emdelijk, zo zeg ik 
daarbij. De vraag in het kader van dit 
debat is of het LSOP daarop is 

berekend. 

Voorzitter! Ik kom bij een punt dat 
mijn fractie steeds heeft beziggehou– 
den bij dit wetsvoorstel en dat ertoe 
heeft geleid dat mijn fractie in een 
eerder stadium met de afdoening bij 
hamerstuk van dit voorstel niet kon 
instemmen. Wat is het geval? Met 
het voorliggende wetsvoorstel wordt 
gekozen voor een afzonderlijke 
wettelijke regeling van het 
opleidingsgebeuren buiten de 
Politiewet. Wij hebben daarbij in de 
schriftelijke voorbereiding ai 
principiële vraagtekens geplaatst. Wij 
zien de noodzaak en de wenselijk– 
heid van deze richting niet in. !n de 
oude Politiewet was een en ander 
ook geïntegreerd. In de toelichting 
worden wel enkele argumenten 
genoemd, namelijk de geheel eigen 
structuur van werving, selectie en 
onderwijs, de specifieke organisatie 
van het LSOP-instituut en het feit dat 
het LSOP ook taken uitvoert voor 
anderen dan politieambtenaren. 
Maar wij zien nog niet in dat daaruit 
noodzakelijkerwijs moet voortvloeien 
dat een en ander in een aparte wet 
wordt geregeld. Ook in het advies 
van de bestuursraad van het LSOP 
wordt gepleit voor opname in de 
Politiewet. Ik wijs erop dat ook het 
Korpsbeheerdersberaad, bij brief van 
25 januari 1994, zich bij deze 
opvatting heeft aangesloten. Mijn 
fractie zou in dit debat een klem– 
mend beroep willen doen op de 
bewindslieden. Willen zij hun visie 
op dit punt heroverwegen? Ik zie nog 
steeds opname van dit onderwerp 
als vanouds in de Politiewet als de 
fraaiste oplossing. Ik denk daarbij 
aan de beleidsmatige kant, dus aan 
de politie-opleiding in het kader van 
het gehele politiegebeuren, maar ook 
aan de formeel-juridische kant. 

De second-best-oplossing kan zijn 
een koppeling tussen dit wetsvoor– 
stel en de Politiewet. In de Politiewet 
zou dan een bepaling moeten 
worden opgenomen waarin 
uitgedrukt wordt dat de landelijke 
werving en selectie en de door de 
ministers aan te wijzen opleidingen 
worden verzorgd door het LSOP. In 
de memorie van toelichting en in de 
nota naar aanleiding van het verslag 
verwerpen de bewindslieden deze 
suggestie, maar de argumenten 
waarmee dat gebeurt zijn naar ons 

idee niet sterk. Er wordt gesproken 
van overbodigheid, van dubbele 
regeling. Wij vinden het niet 
overbodig. Als in de Politiewet een 
bepaling staat en de LSOP-wet 
daarnaar verwijst, dan is er toch 
geen sprake van een dubbele 
regeling? Dan is juist sprake van een 
goede koppeling van wetgeving. Het 
doet recht aan de verbondenheid 
tussen de politie-organisatie als 
geheel en de werving, selectie en 
opleiding die daar onlosmakelijk mee 
verbonden zijn. Wij vragen de 
regering, op dit punt haar afwijzende 
houding te heroverwegen. Ik heb 
gezien dat collega Apostolou op dit 

punt een amendement heeft 
ingediend. Vanuit mijn benadering is 
het duidelijk dat dit mijn sympathie 
heeft, zij het dat het mijns inziens de 
second-best-oplossing is. Ik vraag de 

regering om de koninklijke weg te 

bewandelen. 

Meer in het algemeen vragen wij 
ons af of het LSOP niet te ver van de 
politie ais geheel af komt te staan. Ik 
zie dan even af van de juridische 
vormgeving. Worden de politie– 
opleidingen niet te veel als een 
gewone vorm van onderwijs gezien, 
waar je ook wel "gewone" docenten 
voor kunt inhuren? Is er wel 
voldoende relatie met de praktijk, 
bijvoorbeeld door het aantrekken van 
docenten die zelf uit de praktijk van 
de korpsen komen? 

Vanuit het veld maakt men zich 
zorgen over de teloorgang van 
specialistisch politie-onderwijs als 
gevolg van een drastische reorgani– 
satie van het LSOP. Volgens recente 
persberichten - ik verwijs naar De 
Politieambtenaar van februari 1994 moeten 
volgens een principebesluit 
van de bestuursraad de bestaande 14 
LSOP-instituten binnen vier jaar 
worden omgevormd tot 5 multifunc– 
tionele opleidingscentra. Daarnaast 
zouden specialistische eenheden 
blijven bestaan. Hoe staat het nu 
precies met deze besluitvorming? 
Achten de bewindslieden het behoud 
van specialisme en specifieke 
deskundigheden voldoende 
gewaarborgd? Kan een en ander ook 
gevolgen hebben voor de belangstel– 
ling voor het volgen van een 
politie-opleiding, dus voor het 
potentieel? Hoe zit het overigens met 
de relatie tussen de 25 korpsen en 
het LSOP? Kan voldoende worden 
gegarandeerd dat de opleidingseisen 
van de korpsen worden doorvertaald 
door het LSOP? Er zijn vragen te 
over. 

Er wordt gezocht naar mogelijkhe– 
den voor meer integratie van het 
politie-onderwijs in het reguliere 
onderwijs. Op zichzelf is dat een 
goede zaak. Onnodige versnippering 
moet worden voorkomen, maar ook 
hier geldt natuurlijk dat de specifieke 
aard van de politie-opleidingen 
voldoende tot zijn recht moet komen. 
In ieder geval zal de eigen structuur 
als zodanig met de eigen wettelijke 
regeling moeten worden gehand– 
haafd, zoals de bewindslieden zelf 
overigens ook zeggen. Hoe staat het 
met het project herstructurering 
hoger politie-onderwijs? 

Voorzitter! De inhoud van de 
wettelijke regeling roept bij mij op 
zichzelf geen grote problemen op. 
Dat zal duidelijk zijn. Ik heb slechts 
een aantal meer beleidsmatige 
vragen gesteld. Voor mij is bij deze 
behandeling cruciaal de meer 
wetstechnische vraag waar regeling 
moet plaatsvinden en hoe koppeling 
met de Politiewet tot stand moet 
worden gebracht. Vooral op dat 
laatste punt hoor ik graag een 
duidelijke visie, bij voorkeur een 
heroverweging van het regerings– 
standpunt. 

D 

De heer Apostolou (PvdA): 
Voorzitter! Bij de behandeling van 
het wetsvoorstel tot wijziging van de 
Politiewet in verband met de 
verzelfstandiging van de uitvoering 
van het politie-onderwijs in 1992 is 
ons in het vooruitzicht gesteld dat er 
na de invoering van de nieuwe 
Politiewet een aanpassing van de 
bepalingen, veelal van redactionele 
aard, over het politie-onderwijs zou 
komen. De regering heeft nu gekozen 
voor een afzonderlijk wetsvoorstel. 
De fractie van de PvdA heeft tijdens 
de plenaire behandeling van het 
eerdergenoemde wetsvoorstel een 
pleidooi gehouden om deze wet als 
een afzonderlijk hoofdstuk in de 
nieuwe Politiewet op te nemen. Bij 
de schriftelijke behandeling van het 
onderhavige wetsvoorstel heeft mijn 
fractie alsnog gepleit voor opneming 
in de nieuwe Politiewet. De regering 
heeft om wetstechnische redenen 
niet willen ingaan op ons voorstel. 
Wij vinden de argumentatie van de 
regering op dit punt niet overtui– 
gend. De fractie van de PvdA vindt 
het van belang dat tot uitdrukking 
wordt gebracht dat het LSOP een 
dienstverlenende organisatie van en 
voor de politie is. Om dit aspect nu 

21 juni 1994 
Tweede Kamer LSOP TK79 79-5444 


Apostolou 

reeds in deze wet vast te leggen, heb 
ik een amendement ingediend. 
Voorgesteld wordt, na artikel 14 een 
nieuw lid in te voegen waarmee de 
nauwe samenhang tussen de 
politie-organisatie en het politie– 
onderwijs wordt vastgelegd. Wij 
willen ook dat de LSOP-wet op 
termijn alsnog als een apart 
hoofdstuk deel gaat uitmaken van de 
nieuwe Politiewet. ik vraag de 
ministers of zij op korte termijn een 
voorstel willen indienen tot integratie 
van de LSOP-wet in de Politiewet 

1993. 

De PvdA-fractie vraagt ook de 
aandacht van de ministers voor de 
formulering van artikel 3, lid 1a. In 
dit artikel wordt onzes inziens 
afgeweken van de tekst van artikel 
66, de leden 1a en 1b, van de oude 
Wet op het politie-onderwijs. Dit 
houdt een wezenlijke wijziging in 
met betrekking tot het verzorgen van 
de basisopleidingen. In de oude tekst 
staat dat het LSOP de verzorging van 
de basisopleidingen tot taak heeft. 
Dit betekent dat het LSOP zonder 
meer de basisopleidmgen verzorgt. 
Het is mij niet duidelijk of de 
regering de formulering van artikel 3, 
lid 1a, in de afzonderlijke LSOP-wet 
bewust heeft gekozen. Uit de 
memorie van toelichting kunnen wij 
dat niet concluderen. Integendeel. 
Daar wordt in de artikelsgewijze 
toelichting gesteld: "Het LSOP 
verzorgt de basis– en de aangewezen 
vervolgopleidingen voor de politie". 
Het lijkt mij nodig dat ieder 
misverstand, veroorzaakt door de 
wettekst, wordt weggenomen. 
Daarvoor heb ik een amendement op 
artikel 3, lid 1, ingediend. Nogmaals, 
daarmee wordt tot uitdrukking 
gebracht dat de basisopleidingen 
zonder meer door het LSOP worden 
verzorgd naast andere door de 
ministers aan te wijzen opleidingen. 
Voor het overige is dit wetsvoorstel 
min of meer identiek aan de wet die 
wij in 1992 in de Kamer hebben 
behandeld. Derhalve heeft het onze 
instemming. Wel vraag ik de 
ministers op een aantal punten nog 
om een verduidelijking. 

Ten eerste heb ik een vraag over 
de consequenties van de in gang 
gezette herstructurering van het 
LSOP voor een aantal politiescholen. 
Naar ik heb begrepen, heeft het 
LSOP plannen om een vijftal 
multifunctionele centra in het leven 
te roepen, waarvan er één nieuw 
moet worden opgebouwd in de 
Randstad. Mede door deze herstruc– 

turering en de gehele reorganisatie 
van de politie komen de instituten De 
Harne in Harlingen en De Cloese in 
Lochem in een positie waarin zij op 
termijn niet meer zelfstandig kunnen 
functioneren en wellicht moeten 
fuseren of worden opgeheven. Ik 
vraag de ministers, hoe de bewaking 
van dit proces door het ministerie 
plaatsvindt en of de belangen van de 
politiescholen in het noorden en 
oosten van het land worden 
gewaarborgd. Uit een oogpunt van 
werkgelegenheid in de regio's 
Noord– en Oost-Nederland lijkt het 
de fractie van de PvdA van groot 
belang dat deze vragen in de nu in 
de maak zijnde plannen worden 
verdisconteerd. 

In verband met de reorganisatie 
van het LSOP is het mijns inziens 
noodzakelijk dat de Kamer in een 
afzonderlijk overleg met de ministers 
uitvoeriger ingaat op het politie– 
onderwijs en de ontwikkelingen die 
momenteel gaande zijn. Ik doel dan 
op de vorming van de multifunctio– 
nele centra, de ontwikkelingen in de 
werving en selectie en de eventuele 
knelpunten daarbij. Dit is te meer 
relevant nu de verschillende politieke 
partijen in deze Kamer een forse 
uitbreiding van de politie voorstaan 
en derhalve het nieuwe kabinet, in 
welke samenstelling dan ook, 
waarschijnlijk zal besluiten om een 
uitbreiding te bewerkstelligen. Ik 
vraag de ministers of zij kunnen 
toezeggen dat voor het einde van dit 
jaar een afzonderlijke notitie wordt 
uitgebracht over de ontwikkelingen 
in het politie-onderwijs. Deze notitie 
zal voor een groot gedeelte 
informatief van karakter zijn omtrent 
de plannen van het LSOP, maar zal 
met name enkele beleidsvoornemens 
moeten bevatten ten aanzien van de 
visie van de regering op de 
verhouding van het politie-onderwijs 
tot het reguliere onderwijs. Verder 
impliceert de aanwijzings– 
bevoegdheid van de ministers dat zij 
naast de basisopleidingen keuzes 
maken over de opleidingen die zij 
willen voorschrijven of stimuleren. 

Een punt dat ook tijdens het 
vorige debat over deze wet aan de 
orde kwam, is de positie van de 
politieambtenaren die permanent 
werkzaam zijn bij het LSOP. In artikel 
9 van het wetsvoorstel dat wij 
vandaag behandelen, wordt gesteld 
dat uitgangspunt voor het nieuwe 
politiebestel is één uniforme 
rechtspositie voor alle politie– 
ambtenaren. Verwezen wordt naar 

artikel 50, eerste lid, van de nieuwe 
Politiewet. Mijn vraag aan de 
ministers is of hiermee de knelpun– 
ten die het LSOP signaleerde, van de 
baan zijn. Voigens mijn informatie 
brengt het in dienst blijven van 
executief personeel bij de eigen 
korpsen praktische problemen met 
zich mee, met name met betrekking 
tot het personeelsbeleid. Wordt 
hierover met het LSOP gesproken en, 
zo ja, welk standpunt nemen de 
ministers in deze zaak in? 

Over de werving en selectie van 
vrouwen en allochtonen hebben wij 
de afgelopen periode niet altijd 
gunstige berichten gehoord. De 
berichten over leerlingen van de 
Nederlandse politie-academie en de 
voorvallen van discriminatie, de 
aankondiging van het Rotterdamse 
politiekorps dat de selectie van 
allochtonen voor de politie strenger 
moet worden en de begeleiding 
intensiever, zijn signalen dat met de 
werving en selectie van allochtonen 
een aantal zaken misgaat. Enkele 
jaren geleden is met de Kamer 
afgesproken dat 1000 politie– 
functionarissen van allochtone 
afkomst in dienst zouden worden 
genomen. Wat is de stand van zaken 
van dit plan? 

De Landelijke politie– 
emancipatiecommissie heeft in haar 
advies "Regionale emancipatienota" 
een aantal behartigenswaardige 
suggesties gedaan over de positie 
van vrouwen bij de korpsen. Verder 
heeft deze commissie naar aanlei– 
ding van de reorganisatieplannen 
van het LSOP in een brief aan de 
ministers een aantal punten onder de 
aandacht gebracht. Gaan de 
ministers op deze adviezen reageren 
en, zo ja, op welke termijn? Wellicht 
is het een idee om de reactie van de 
ministers op deze punten te 
vervatten in de door mij gevraagde 
notitie over het politie-onderwijs in 
de toekomst. 

De voorzitter: Ik geef het woord aan 
de heer De Graaf, die zijn maiden– 
speech zal houden. 

D 

De heer De Graaf (D66): Voorzitter! 

Het aan de orde zijnde wetsvoorstel 

geeft slechts aanleiding tot een korte 

beschouwing, omdat het inmiddels 

grotendeels gaat om een wets– 
technische aanpassing als gevolg 

van de inwerkingtreding van de 

Politiewet 1993 per 1 april jl. 

21 juni 1994 
Tweede Kamer LSOP TK79 


De Graaf 

De LSOP-wet bevat nagenoeg alle 
bepalingen die reeds in hoofdstuk 7 
van de oude Politiewet stonden. Nu 
over de structuur en de verzelfstandi– 
ging van het politie-opleidingsbestel 
ruim twee jaar geleden in de Kamer 
uitvoerig is gesproken, behoeven we 
dat nu niet opnieuw ten principale te 
doen. Daarom wil ik alleen enkele 
opmerkingen maken over het 
wetsvoorstel zelf en over het 
politie-onderwijs. 

Ik wil allereerst iets zeggen over 
de vorm. Al bij de behandeling van 
wat ik maar zal noemen de eerste 
LSOP-wet in februari 1992, speelde 
de vraag of bij de invoering van de 
nieuwe Politiewet de regeling van 
een politie-opleidingsbestel 
onderdeel van die wet zou moeten 
zijn of een zelfstandige verschijnings– 
vorm zou moeten hebben. 

De toenmalige minister van 
Justitie hield een slag om de arm en 
wees op afwegingen van wets– 
technische aard. Het voorstel 
voorziet nu in een aparte LSOP-wet 
die dus los van de oude Politiewet 
komt te staan. Dit is weliswaar 
prettig voor de uitgevers die reeds 
mooie en zelfs gebonden edities van 
de nieuwe Politiewet hebben 
verzorgd, maar mijn fractie betwijfelt 
of dit wenselijk is. De argumentatie 
van de regering is op zijn minst 
magertjes te noemen. Het onderwijs 
is inderdaad apart georganiseerd in 
een zelfstandige organisatie, maar dit 
was echter ook al zo in 1992 en dit 
kan dus nauwelijks een nieuwe reden 
zijn voor aparte wetgeving. 

Een ander argument dat de 
ministers hanteren, is het feit dat het 
LSOP ook voor andere dan de politie 
de opleidmg kan verzorgen Dat lijkt 
mij een meer principieel argument, 
dat echter ook voor discussie vatbaar 
is. Bij de oprichting van het LSOP is 
toch een betrekkelijk dwingende 
gedachte geweest dat verzelfstandi– 
ging en overkoepeling van de 
politie-opleidingen, inclusief de 
werving en selectie, geen markt– 
gerichte beweging kon zijn. Met 
andere woorden: de politiekorpsen 
hebben niet zomaar de vrijheid om 
te bepalen waar zij hun mensen laten 
opleiden. Hoewel niet werd 
uitgesloten dat zogenaamde 
niet-verplichte opleidingen ook 
elders kunnen worden gevolgd, is 
het uitgangspunt toch steeds 
geweest dat politie en LSOP 
onlosmakelijk met elkaar zijn 
verbonden. De ontwikkelingen 
hoeven niet stil te staan. Met name 

is nog in discussie in hoeverre het 
politie-onderwijs aansluiting kan 
vinden bij het reguliere beroepson– 
derwijs, vooral in de primaire sfeer. 
Toch moeten wij vooralsnog aan dit 
uitgangspunt vasthouden. Het lijkt 
mij daarom nog steeds logisch als de 
wet die de instelling, de organisatie, 
de verantwoordelijkheden en de 
taken van de politie beschrijft, ook de 
regelmg voor de opleiding en de 
selectie zou omvatten. Ook uit het 
oogpunt van eenvoud van wetgeving 
verdient dit volgens mij de voorkeur. 

Ik nodig de ministers uit om in 
hun reactie een minder summiere 
verklaring over dit aparte wetsvoor– 
stel te geven dan hun voorgangers 
hebben verschaft in de memorie van 
toelichting. Ik wijs er in dit verband 
op dat de bestuursraad van het 
LSOP, die toch geacht wordt het hele 
pohtieveid te omspannen, uitdrukke– 
lijk heeft gepleit voor opname in de 
Politiewet zelf, juist om uit te 
drukken dat het LSOP een dienstver– 
lenende instantie is voor de 
Nederlandse politie. De heer Van den 
Berg heeft er al op gewezen dat een 
zelfde geluid van de verzamelde 
korpsbeheerders kwam. 

Hetzelfde geldt voor het Korps 
landelijke politiediensten, dat ook 
grotendeeis dienstverlenend is aan 
de regionaie korpsen. Daarvoor 
hebben wij toch ook geen aparte wet 
gemaakt. 

Mijn fractie pleit er daarom voor, 
de LSOP-wet te integreren in de 
Politiewet van 1993. Dat kan op korte 
termijn worden geregeld via een 
apart wetsvoorstel. In de tussentijd 
kan met het amendement dat de 
heer Apostolou heeft aangekondigd, 
in elk geval een verbinding worden 
gelegd tussen de LSOP-wet en de 
Politiewet van 1993. 

Voorzitter! De behandeling van dit 
wetsvoorstel is aanleiding om kort 
stil te staan bij de ontwikkeling van 
het LSOP tot op heden. De afgelopen 
jaren is het, althans in de Kamer, 
behoorlijk stil geweest rond het 
LSOP. Geconstateerd werd, dat de 
primaire opleidingen minder mensen 
hadden opgenomen dan wenselijk is 
voor de sterktegroei. Dat leek mij 
echter niet zozeer een probleem van 
het onderwijs als wel van de 
regionale korpsbudgetten. Ook heeft 
de Kamer enige malen bezorgdheid 
geuit over de positie van allochtonen 
in opleiding. Daarop kom ik nog 
terug. Inzicht in de positie van het 
LSOP heeft de Kamer echter tot 
dusver nauwelijks gekregen. ik zeg 

dat tegen de achtergrond van de 
discussies van ruim twee jaar 
geleden Uitdrukkelijk heeft de 
toenmalige minister van Justitie de 
Kamer toegezegd, dat jaarlijks bij de 
begroting een rapportage over het 
LSOP zou worden gepresenteerd. Ik 
vrees dat een dergelijke rapportage 
de Kamer tot op heden niet heeft 
bereikt. Misschien kunnen de 
ministers aangegeven, wanneer dat 
wel het geval zal zijn. In dit verband 
wijs ik graag op het derde lid van 
artikel 11 van dit wetsvoorstel, dat de 
bestuursraad verplicht tot het 
jaarlijks opstellen van een overzicht. 
Is dat overzicht er eigenlijk? En zo ja, 
waarom is dat nog nooit naar de 

Kamer gestuurd? 

Dergelijke rapportages zouden ons 
inzicht kunnen geven in de 
reorganisatieplannen van het LSOP. 
Daarvan stonden de kranten vol, 
maar de Kamer is daarvan tot op 
heden onkundig gebleven. Ik begrijp 
dat die plannen gedeeltelijk zijn 
bijgesteld, maar zij hebben een hoop 
onrust veroorzaakt, vooral op de 
scholen en instituten die met sluiting 
worden bedreigd. Ik noem Harlingen 
en de school in Zuid-Limburg. Ook is 
publiekelijk de vrees geuit, dat het 
LSOP verstrikt raakt in een grote 
mate van bureaucratie met het 
instituutsbureau als een "beheers– 
waterhoofd". Het moge duidelijk zijn, 
dat ingrijpende reorganisatieplannen 
van het LSOP de warme belangstel– 
ling van mijn fractie hebben. Na alle 
onrust die gepaard ging met de 
reorganisatie van de politie zie ik nu 
niet uit naar onrust en verwarring bij 
de politie-opleidingen. De politie 
heeft de afgelopen jaren al te veel in 
de frontlinie van chaos en onzeker– 
heid gestaan. Dat hoeven we niet 
nog eens op kleine schaal te beleven. 

Dat er lange-termijnplannen 
worden ontwikkeld die rekening 
houden met flexibiliteit, efficiency en 
de taakontwikkeling bij de politie lijkt 
mij zinvol. Sterker nog: dat is de 
primaire taak van de bestuursraad en 
de directie van het LSOP. Ik zag wel 
graag dat dit in tijd wordt gefaseerd 
en dat het gebeurt onder een aantal 
randvoorwaarden. Zo zal bijvoor– 
beeld het streven naar een uitbrei– 
ding van de substantiele sterkte van 
de politie niet gefrustreerd mogen en 
kunnen worden door institutionele 
veranderingen. De beschikbare 
opleidingscapaciteit mag met andere 
woorden niet in de verdrukking 
komen. Eerder moet het omgekeerde 
gebeuren. 

21 juni 1994 
Tweede Kamer LSOP TK79 79-5446 


De Graaf 

Eeri andere randvoorwaarde lijkt 
mij, dat geografische spreiding van 
de opleidingscentra gewaarborgd 
blijft. Ik zeg dat met nadruk omdat 
het niet alleen in het belang van de 
regiokorpsen zelf is, maar ook 
relevant is voor de spreiding van 
centrale voorzieningen over het land 
en de daarbij behorende werkgele– 
genheid. Ik heb begrepen dat de 
voorstellen tot reorganisatie van het 
LSOP nagenoeg afgerond, maar nog 
niet definitief zijn. Hoewel het hierbij 
om een primaire bevoegdheid gaat 
van de bestuursraad van het LSOP is 
ook de verantwoordelijkheid van 
beide ministers aan de orde. De 
LSOP-wet verschaft de ministers 
immers ultieme bevoegdheden die, 
indien nodig, ook daadwerkelijk 
kunnen worden uitgeoefend. 

Daarom zou ik van de ministers ter 
gelegenheid van de behandeling van 
dit wetsvoorstel willen vernemen of 
zij inmiddels met de bestuursraad 
hebben overlegd over de plannen en 
wat hun al dan niet voorlopige 
oordeel hierover is. Ik zou het op 
prijs stellen indien zij tevens willen 
aangeven of gegarandeerd kan 
worden, dat indien een nieuw 
kabinet besluit tot substantiële 
sterkte-uitbreiding van de politie, dat 
wil zeggen tot fors meer politieagen– 
ten en fors meer surveillanten, het 
LSOP ook daadwerkelijk in staat is, in 
de werving, de selectie en de 
opleidingscapaciteit te voorzien. 

Voorzitter! Ik heb nog een paar 
vragen over het wetsvoorstel. De 
huidige wet vraagt van beide 
ministers de aanwijzing van 
verplichte opleidingen. De nieuwe 
tekst spreekt in artikel 3, eerste lid, 
onder a, nadrukkelijk over basis– en 
vervolgopleidingen. Kunnen de 
ministers aangeven hoe het staat 
met deze aanwijzing? In het 
bijzonder is mijn fractie geïnteres– 
seerd in de criteria die voor de 
aanwijzing van verplichte opleidin– 
gen gelden en in het antwoord op de 
vraag of de aanwijzing ook budget– 
taire gevolgen voor het LSOP zal 
hebben Ik doel daarbij op de 
mogelijke vermindering van budget. 

Bij de aanwijzing van de basisop– 
leidingen sluit ik mij aan bij de 
opmerkingen van de heer Apostolou. 
Zijn amendement op artikel 3, eerste 
lid, onder a, kan dan ook op onze 
steun rekenen. 

Voorzitter! Tot slot van mijn 
betoog wil ik de zorg van mijn fractie 
uitspreken over de selectie, de 
opvang en begeleiding van 

allochtonen in de Nederlandse 
politie. Het loflijke streven om de 
politie een afspiegeling te laten zijn 
van de samenieving heeft kennelijk 
bijeffecten die niet goed zijn 
voorzien. De problemen rond de 
allochtone studenten op de 
Nederlandse politie-academie zijn 
bekend en worden thans, zo begrijp 
ik, onderzocht. Dat onderzoek lijkt mij 
erg lang te duren. Hoewel zorgvul– 
digheid voor alles gaat, vraag ik mij 
af of de situatie op de Nederlandse 
politie-academie langer uitstel van 
maatregelen kan dulden. Waarom 
kan er bijvoorbeeld niet nu al een 
vertrouwenspersoon voor allochtone 
studenten worden aangesteid, 
vooruitlopend op de resultaten van 
het onderzoek? 

Er is meer. De afgelopen week 
heeft het korps Rotterdam/Rijnmond 
de knuppel in het hoenderhok 
gegooid. Een aantal allochtone 
politiemensen blijken in de politie– 
dienst soms tegen belangen– 
conflicten en cultuurverschillen op te 
lopen, waar zij soms moeizaam mee 
kunnen omgaan. Ik citeer commissa– 
ris Van Gils van het Rotterdamse 
korps uit de Volkskrant van 31 mei jl.: 
"Wij hebben de problemen waarmee 
allochtone collega's kunnen kampen 
onderschat. Wij hebben allochtone 
agenten slecht voorbereid." 

Het pakket aan maatregelen dat de 
korpsen zelf kunnen toepassen 
daargelaten, geven de kennehjke 
problemen, bijvoorbeeld in Rotter– 
dam ook aanleiding tot de vraag in 
hoeverre de primaire opleidingen 
mede debet zijn aan de situatie van, 
soms, ontsporende politiemensen 
van allochtone herkomst. Het komt 
mij wenselijk voor dat de minister 
van Binnenlandse Zaken daarnaar 
onderzoek laat doen en de mogelijk– 
heden beziet om in selectie en 
opleiding nog meer rekening te 
houden met de specifieke positie van 
allochtonen. Kwaliteit en kwantiteit 
moeten immers hand in hand gaan. 

Voorzitter! Ik vraag nadrukkelijk 
om de reactie van de minister van 
Binnenlandse Zaken. Ik ga ervan uit 
dat zij met mij van mening is dat dit 
soort alarmerende signalen niet 
kunnen worden genegeerd. 
Tegelijkertijd wil ik graag voorkomen 
dat een beeld ontstaat van alloch– 
tone politiemensen die niet zouden 
deugen. Ik prijs de openheid van het 
Rotterdamse korps, maar ik ga er 
tevens van uit dat de minister van 
Binnenlandse Zaken de eventuele 
incidenten in de juiste proporties kan 

plaatsen en waar nodig actie 

onderneemt of reeds heeft onderno– 

men. 

Het behoeft, gelet op de aard van 
het wetsvoorstel, geen betoog dat 
mijn fractie de LSOP-wet zal steunen, 
hoewel met name een latere 
inpassing in de Politiewet ons 
wenselijk voorkomt. Voor het overige 
wacht ik met interesse de beant– 
woording van mijn vragen af. 

De voorzitter: Ik wens collega De 
Graaf oprecht geluk met zijn 
maidenspeech. 

De vergadering wordt enkele 
ogenblikken geschorst. 

D 

De heer Van der Heijden (CDA): 
Voorzitter! Ik wil mij allereerst 
aansluiten bij de gelukwensen die u 
heeft gericht aan de heer De Graaf. 
Wij hebben nu in de praktijk gezien 
wat de bewindslieden van politie 
moeten missen. Daarvan mogen wij 
vandaag en, naar ik hoop, vele jaren 
profiteren. 

Voorzitter! De CDA-fractie had 
aanvankelijk niet de bedoeling om 
aan een uitgebreid kamerdebat over 
de landelijke werving, selectie en 
opleiding van de politie deel te 
nemen. In wezen hadden wij geen 
problemen. Dat blijkt ook uit onze 
schriftelijke bijdrage. Wij hebben 
weliswaar wel eens de gedachte 
geopperd om de landelijke opleiding 
echt in de grote volwassen Politiewet 
op te nemen, en die gedachte is ook 
vandaag druk besproken, maar nu de 
CDA-fractieleden vandaag moeten 
constateren dat dit niet is gebeurd, 
zullen zij daar ook niet op aandrin– 
gen. 

Immers, er zijn nu een paar 
redenen om daar toch op z'n minst 
iets minder haast mee te maken. 
Allereerst noem ik de differentiatie 
binnen de politie-opleidingen. Die 
vinden wij heel erg belangrijk, omdat 
daarmee ruimte wordt geschapen 
voor verschillende functies in de 
opleiding. Dat geldt natuurlijk zowel 
naar boven als naar beneden. Je zou 
ook kunnen zeggen dat de politie– 
surveillant via een basisopleiding nu 
alle ruimte in die opleiding zou 
kunnen krijgen. Wij vinden dat de 
politiesurveillant volwaardige 
politietaken moet kunnen vervullen 
en naast de gewone agent inzetbaar 
moet zijn. Het is dus een volwaar– 
dige opstapfunctie met doorgroei– 

21 juni 1994 
Tweede Kamer LSOP TK79 


Van der Heijden 

mogelijkheden. Wij vinden dat dat 
dan ook eigenlijk in de opleiding al 
tot uitdrukking moet kunnen komen. 

Een andere overweging is de 
volgende. De opleiding moet 
gefaseerd gevolgd of vervolgd 
kunnen worden. Na een opleiding en 
een inwerkperiode moet men als het 
ware de politie-opleiding kunnen 
vervolgen of in nascholing of in 
specialisatie of als het ware weer in 
een opstap naar een betere positie 
binnen het politieapparaat. Het is 
voor ons van het grootste belang dat 
het LSOP via een modulair opbouw– 
systeem een breed pakket van 
onderwijsvakken biedt, zodat men 
uitermate flexibel kan reageren op de 
vraag naar opleiding vanuit zowel de 
mensen die het willen volgen als de 
korpsen die daar belang bij hebben. 

De CDA-fractie vindt het als het 
ware essentieel voor de vervulling 
van de basispolitiezorg. Ik kan de 
bewindslieden dan ook verzekeren 
dat wij daar bij de evaluatie op terug 
zullen komen en dan ook echt zullen 
proberen na te gaan in hoeverre die 
opleiding dan ook die kansen 
geboden heeft. 

Voorzitter! De derde overweging 
om dit onderdeel niet in de grote 
Politiewet op te nemen, is dat wij 
eigenlijk tot de conclusie komen dat 
elk korps en zeker de grote korpsen 
steeds meer om specifieke opleidin– 
gen vragen en die ook als het ware 
zelf een eigen accent willen geven. Ik 
heb de indruk dat zij daarin zelfs nog 
wel eens verder willen gaan. Het is 
van wezenlijk belang dat de 
basisopleiding voor het overgrote 
gedeelte uniform wordt georgani– 
seerd en dat de kwaliteit ervan is 
gewaarborgd, maar wij moeten toch 
constateren dat er specifieke 
regiogebonden accenten zullen 
worden gevraagd. Die zullen dan ook 
moeten kunnen worden aangebracht. 

Voorzitter! In het verslag heeft de 
CDA-fractie aandacht gevraagd voor 
het onderbrengen van een deel van 
het politie-onderwijs binnen het 
reguliere onderwijs. Ik moet zeggen 
dat die wens van de CDA-fractie 
natuurlijk niet spoort met de 
gedachtengang die de heer 
Apostolou hier vandaag heeft 
uiteengezet. Wij kunnen dan ook de 
argumentatie voor zijn amendement 
voorlopig niet delen. 

De heer Apostolou (PvdA): Mijn 

voorstel is dat de basisopleiding in 

ieder geval door het LSOP zal 

worden gegeven. Bent u het daar 

niet mee eens? Zo staat het immers 
nu in de wet zoals wij die in 1992 
hebben vastgesteld. 

De heer Van der Heijden (CDA): 
Daar kan ik mij natuurlijk niet van 
losmaken, maar wij hebben steeds 
het gevoel dat het mogelijk zou 
moeten zijn en waarschijnlijk ook 
mogelijk zal worden om een deel van 
de politie-opleiding in het reguliere 
onderwijs - laat ik maar zeggen: het 
middelbaar beroepsonderwijs –te 
stoppen. Om te voorkomen dat 
hetgeen u met uw amendement 
beoogt als een absolute dam zal 
werken, moet dit, hoewel het waar is 
wat u zegt, niet nog eens versterkt 
worden met hetgeen u daarover in 
de toelichting op het amendement 
hebt opgemerkt. 

De heer Apostolou (PvdA): De heer 
Van der Heijden wil het evaluatie– 
moment afwachten. Ik weet dat die 
bepaling in 1992 in de wet is 
opgenomen. In die wet staat dat de 
basisopleiding in ieder geval door 
het LSOP zal worden gegeven. Dat 

betekent dus dat de heer Van der 
Keijden afwijkt van hetgeen wij in 

1992 hebben afgesproken. 

De heer Van der Heijden (CDA): 
Hoe dan ook, ik probeer duidelijk te 
maken dat het amendement van de 
heer Apostolou niet spoort met onze 
gedachten op dat punt. Ik heb geen 
behoefte om een gedachtengang te 
onderstrepen die niet de onze is, 
want wij zouden onze gedachten– 
gang juist overeind willen houden, of 
dat op dit moment nu wettelijk 
mogelijk is of niet. Wij geloven en 
menen dat aanzetten tot politie– 
opleiding niet altijd in de politie– 
opleiding van het LSOP behoeft te 
worden genoten. Hoe het wordt 
uitgewerkt, zien wij nog wel. 

Voorzitter! Evenals andere 
collega's vragen wij aandacht voor 
de positie van de politieambtenaren 
binnen de opleiding. Men maakt nu 
gebruik van executieven, zoals zij 
zojuist zijn genoemd. De CDA-fractie 
heeft een voorkeur voor executieven 
die vanuit de korpsen worden 
gedetacheerd bij het LSOP. Wij 
geloven dat de dageiijkse praktijk op 
die manier beter kan worden 
ingepast in de basisopleiding en 
eventueel ook in de vervolg– 
opleidingen. Ook dat is dus een iets 
andere benadering dan de zojuist 
gepresenteerde benadering. 

Voorzitter! Het feit dat de 
CDA-fractie dit wetsvoorstel steunt 
en dus accepteert dat het een aparte 
wet wordt, is hiermee aangeduid. Bij 
de evaluatie van de wet voor 1998 
zouden de door mij genoemde 
elementen - differentiatie, fasering 
en eventueel kijken in hoeverre 
absolute uniformering van de 
basisopleiding nodig is, in hoeverre 
regionale accenten kunnen worden 
aangebracht en of zich misschien bij 
andere opleidingen mogelijkheden 
voordoen die daar duidelijk om 
vragen - kunnen worden bekeken 
om te bepalen in hoeverre het nodig 
is om deze wet dan op te nemen in 
de grote Politiewet. Bij de evaluatie 
kunnen ook elementen naar voren 
komen die daar, als wij dan toch een 
wetswijziging onder handen hebben, 
een rol in kunnen spelen. 

Tot slot twee opmerkingen naar 
aanleiding van bijdragen van 
collega's. De eerste heeft betrekking 
op allochtonen. Ik sluit mij aan bij 
hetgeen de heer De Graaf heeft 
gezegd over het mogelijke probleem 
dat ontstaat bij onvoldoende 
voorbereiding en onvoldoende 
opvang van allochtone politiemensen 
in grote korpsen. Kortheidshalve 
stem ik ook in met het verzoek om 
daar uiterst serieus naar te kijken en 
er uiterst serieus op te reageren. 

Er is ook een ander aspect aan 
deze zaak. Ik ben het zeker eens met 
een inhaalmanoeuvre die gemaakt 
moet worden en ook werkelijk 
gemaakt wordt om allochtone 
mensen in de politiedienst te krijgen. 
Dat vind ik zonder meer een goede 
zaak, maar hier zit ook een kritisch 
kantje aan. Ik denk dat het goed is 
om ons te realiseren dat een al te 
strakke benadering van dat stand– 
punt - ik zou haast zeggen: een al te 
straffe en ongenuanceerde benade– 
ring - op dit moment er al toe kan 
leiden dat autochtone jongelui in 
wezen geen toegang meer kunnen 
krijgen tot de politiedienst. Dat is niet 
alleen heel erg vervelend voor 
jongens die daarin hun toekomst 
zoeken, maar zou ook heel nadelig 
kunnen uitpakken voor de opbouw 
van menig pclitiekorps. Ik wil die 
waarschuwing graag laten horen. 

Voorzitter! Er is even gesproken 
over de sluiting van opleidingen. Ik 
ben het daarmee eens. Ik meen, dat 
het goed is dat wij even inspelen op 
wat is genoemd de verwachting van 
de uitbreiding van de politie, hetgeen 
nu al een frustratie van de heer De 
Graaf zou kunnen zijn. 

21 juni 1994 
Tweede Kamer LSOP TK79 


Van der Heijden 

De voorzitter: Ik deel met het oog 
op de verdere gang van zaken aan 
de Kamer mee, dat wij vanavond niet 
meer beginnen aan de behandeling 
van het Verdrag inzake de rechten 
van het kind (22855, R1451). 
Morgenmiddag om drie uur zal die 
behandeling aanvangen. 

D 

De heer Van Erp (WD): Voorzitter! Ik 
sluit mij aan bij de felicitaties aan het 
adres van de heer De Graaf in 
verband met zijn maidenspeech. 

Uit het verloop van de schriftelijke 
voorbereiding hebben de bewindslie– 
den kunnen merken, dat de fractie 
van de VVD van mening was dat het 
onderhavige wetsvoorstel een 
hamerstuk zou kunnen zijn. Van 
belang was voor ons, of het 
onderhavige wetsvoorstel en het 
LSOP een goed instrument vormen 
om tijdig voldoende politiemensen 
goed op te leiden, die voor hun taak 
zijn berekend. Nu blijkt, dat de 
discussie niet gaat over de inhoud 
van het wetsvoorstel, maar om de 
techniek van wetgeving. In de 
memorie van toelichting en in het 
antwoord van de regering zijn door 
de bewindslieden argumenten 
aangegeven, waarom gekozen is 
voor een aparte wet en geen 
integrale opneming in de huidige 
Politiewet. Het ging om drie 
argumenten: de geheel eigen 
structuur van de werving, selectie en 
het onderwijs voor de politie, de 
specifieke organisatie van het met de 
uitvoering belaste Landelijk selectie– 
en opleidingsmstituut politie en het 
gegeven dat het LSOP ook taken 
uitvoert voor anderen dan politie– 
ambtenaren. Dat laatste is erg 
essentieel. Wij gingen ervan uit, dat 
de bewindslieden met de bestuurs– 
raad van het LSOP, die een andere 
mening is toegedaan, gediscussieerd 
hadden. Deze is van mening, dat het 
in de Politiewet moet worden 
geïntegreerd. Is hierover een 
discussie geweest met de bestuurs– 
raad? In het voorlopig verslag heeft 
de PvdA die vraag opgeworpen. 
Naar aanleiding van de nota naar 
aanleiding van het eindverslag 
hebben de bewindslieden geant– 
woord, dat het argument van 
beperking van regelgeving in 
algemene zin kan worden onder– 
schreven. Zij zeggen verder: "Wij zijn 
evenwel van oordeel, dat voor de 
onderhavige regeling de duidelijk– 
heid meer is gediend met een aparte 

LSOP-wet." Wanneer wij dit gaan 
veranderen omdat het integraal in de 
Politiewet moet worden opgenomen, 
duidt dat erop, dat de argumenten 
van de bewindslieden ons niet zo 
aanspreken Ik heb daarover nog 
geen afgerond oordeel. Deregulering 
spreekt mij wel aan. De heer Van der 
Heijden vraagt zich af, of dit niet 
beter kan worden bekeken bij de 
evaluatie die in 1990 volgt. Wat de 
wet betreft heb ik begrepen dat de 
stukken al zijn gedrukt. Je kunt het 
oplossen met een paperclip. Je hecht 
de zaken aan elkaar en dan ben je 
ook een heel eind. Kortom, ik ben er 
nog niet uit en ik wacht met 
belangstelling het antwoord van de 
bewindslieden af. 

De heer Apostolou heeft een 
amendement ingediend, voorkomend 
op stuk nr. 8, dat reguliere onderwijs– 
opleidingen betreft. Ik vrees dat 
daarmee bepaalde andere mogelijk– 
heden zouden worden afgeremd. 
Ook wat dit betreft krijg ik graag een 
reactie van de bewindslieden. De 
heer Van der Heijden wees er ook al 
op dat het niet uitgesloten is dat 
andere mogelijkheden worden 
afgeremd. 

De heer Apostolou (PvdA): Het was 
in 1992 nota bene de heer Franssen 
die juist met betrekking tot dit artikel 
een amendement indiende. Hij 
verlangde dat er een onderscheid 
werd gemaakt tussen basisopleiding 
en vervolgopleidingen. In mijn 
amendement gaat het om de 
basisopleidmg Als ten aanzien 
daarvan een wijziging moet 
plaatsvmden, vind ik dat de Kamer 
daarover moet spreken. Daarom wil 
ik dit in de wet vastleggen. Dat is de 
bedoeling van mijn amendement. 
Het gaat mij er niet om, beperkingen 
op te leggen. 

De heer Van Erp (VVD): Ik ben u 
dankbaar voor deze reactie. Als er 
geen sprake is van het opleggen van 
beperkingen, kan ik waarschijnlijk 
wel met u meegaan. 

Voorzitter! Ten slotte richt ik mij 
op een zaak die alles te maken heeft 
met werving, selectie en onderwijs. 
Het betreft het opleidingsinstituut De 
Harne in Harlingen, in de politieregio 
Noord-Holland-Noord. Ik zou graag 
de aandacht van de bewindslieden 
willen vragen voor de personele 
problemen en de opleidingscapaciteit 
van De Harne. Door de LSOP– 
bestuursraad is op 27 januari 1994 
een principebesluit genomen om vrij 

drastisch te gaan reorganiseren. 
Waar het om De Harne gaat, blijkt 
dat dit idee ten koste gaat van de 
opleidingscapaciteit. Op langere 
termijn gaat dit natuurlijk ten koste 
van het aantal op te leiden agenten. 
Wat is de reactie van de bewindslie– 
den op deze reorganisatie? Hoe 
denken zij over de plannen tot 
beperking van de opleidings– 
capaciteit tegen de achtergrond van 
de gedachte dat er meer agenten op 
straat moeten komen? Ik denk dat wij 
het allemaal over de noodzaak 
daarvan wel eens zijn. 

D 

Minister De Graaff-Nauta: Mijnheer 
de voorzitter! Ik dank de woordvoer– 
ders voor hun inbreng en feliciteer 
graag de heer De Graaf met diens 
maidenspeech. Zijn betoog handelde 
over een hem welbekend onderwerp. 
Hij is daarin goed thuis en ik hoop 
dat wij daarvan de vruchten kunnen 
plukken. De heer De Graaf maakte 
een fundamentele en juiste 
opmerking toen hij stelde dat wij in 
feite te maken hadden met een 
wetstechnische wijziging. Dat is 
waarheid in alle eenvoud maar de 
praktijk is er ook nog. Die praktijk 
houdt in dat, als een bepaald 
onderwerp op de agenda staat aan 
de hand van een wet, de actuele 
ontwikkelingen daaromheen een rol 
spelen bij de beoordeling en de 
besprekingen. Dat kan niet anders. 
Met betrekking tot het onderwerp 
waarover wij nu spreken, zijn 
bepaalde zaken stevig in beweging. 
Dat betekent dat op de diverse 
vragen die over bepaalde ontwikke– 
lingen zijn gesteld, vanavond niet 
een zodanig antwoord kan worden 
gegeven dat wij van dat onderwerp 
af zijn. De Kamer heeft er echter 
volledig recht op nauw betrokken te 
blijven bij wat op dit terrein gebeurt. 
Mede namens mijn collega zeg ik 
graag toe dat wij al het mogelijke 
zullen doen om de Kamer zo goed 
mogelijk te informeren en bij de 
ontwikkelingen te betrekken. Het is 
de bedoeling dat in goed gemeen 
overleg deze ontwikkelingen aan de 
eisen worden aangepast. 

Er komt nog een aantal stukken. 
Bepaalde zaken kunnen ook voor een 
nieuw kabinet niet zodanig vast– 
getimmerd worden dat zij voor het 
blok komen te staan. Onze demissio– 
naire status betekent ook dat wij op 
een bepaald moment een zekere 
terughoudendheid moeten betrach– 

21 juni 1994 
Tweede Kamer LSOP TK79 79-5449 


De Graaff Nauta 

ten voor wat betreft de standpunten 
en de ontwikkelmgen op middellange 
en langere termijn. 

De heren Apostolou, De Graaf en 
Van der Heijden vroegen wat de 
andere redactie van artikel 3 uit de 
oude Politiewet, hoofdstuk VII, voor 
dit wetsvoorstel betekent. De 
ontwikkelingen met betrekking tot 
het politie-onderwijs maken het 
gewenst dat de wet ruimte biedt 
voor toekomstige veranderingen. De 
tekst van het eerste lid van artikel 3 
van het wetsvoorstel biedt deze 
ruimte. Deze ruimte is zeer welkom. 
Ik duid hierbij op de woorden: "de 
door Onze Ministers aan te wijzen 
basis– en vervolgopleidingen". Wij 
hebben met deze zin redactioneel 
samengevoegd wat in de oude 
Politiewet in twee onderdelen was 
gesplitst. Het voordeel van deze 
samentrekking was onder meer dat 
op deze wijze werd aangegeven dat 
de ministers uitdrukkelijk moeten 
aangeven wat basisopleidingen zijn. 
Dat ligt op dit ogenblik niet duidelijk 
vast. 

De wijziging is niet ingegeven 
door een voornemen om op deze 
wijze basisopleidingen weg te halen 
bij of niet toe te wijzen aan het LSOP. 
Het LSOP, en ik benadruk dit graag, 
is ons politie-opleidingscentrum bij 
uitstek. Veranderingen in het 
politiebestel, zo u wilt in de 
politiecultuur, moeten ook in de 
onderwijsfase plaatsvinden. Het is 
goed denkbaar dat in de nabije 
toekomst ook andere onderwijsinstel– 
lingen bij de basisopleiding 
betrokken worden. Met de bepaling 
dat het LSOP de aan te wijzen 
opleidingen verzorgt, ontstaat de 
ruimte om bepaalde opleidingen, of 
delen daarvan, niet door het LSOP te 
laten verzorgen. Het zal echter enige 
tijd duren voordat het zover komt. Ik 
hecht eraan om op deze interpretatie 
nadrukkelijk de aandacht te vestigen. 
Als de Kamer ermee instemt, 
hetgeen ik hoop, wordt op deze wijze 
de bedoeling van de wetgever 
duidelijk. De heer Apostolou en 
anderen hebben gelijk wanneer zij 
zeggen dat de memorie van 
toelichting zwijgt op dit punt. Ik ben 
daar heel eerlijk in omdat oorspron– 
kelijk de wijziging van dit artikel 
louter redactioneel bedoeld was. 
Daaruit moet duidelijk blijken dat ik 
niet anders kan dan verklaren dat ik 
grote moeite heb met de opvatting 
van de heer Apostolou die een heel 
exclusieve taak voor het LSOP op het 
gebied van basisopleidingen van 

ambtenaren van politie in de wet wil 
vastleggen. In het amendement 
spreken de woorden "zonder meer" 
wat dit betreft absolute duidelijkheid. 
Wanneer wij de heer Apostolou 
volgen, zal er een wetswijziging 
nodig zijn indien in de toekomst de 
verzorging van basisopleidingen 
anders wordt ingericht dan wij nu 
voor ogen hebben. Uiteraard zullen 
de ontwikkelingen op dit terrein met 
de Kamer besproken worden maar 

het is praktischer om dit aan de hand 
van beleidsnotities te doen dan in 
het kader van wetgeving. Ik 
concludeer, dat wij op dit punt de 
zaak niet moeten dichttimmeren. Ik 
kan mij erg goed vinden in wat de 

heer Van der Heijden hierover 
gezegd heeft. Hij stelt voor om bij de 
evaluatie over een paar jaar de 

noodzaak van wetswijziging of een 

andere opzet zoveel mogelijk te 

betrekken.-Wij hebben dan de tijd 

om na te denken en om aan te zien 

hoe het gaat en wij kunnen er dan 

rustig met elkaar over praten. 

De heer Apostolou (PvdA): 
Voorzitter! Wij hebben die bepaling 
voor evaluatie niet voor niets in de 
wet van 1992 opgenomen. Wij deden 
het juist met de bedoeling die toen 
in artikel 3 beschreven was. Wij 
zouden inderdaad bij de evaluatie 
kunnen bekijken hoe het met de 
basisopleiding gaat en bezien of we 
er meer ruimte aan moeten geven. 
Mijn bezwaar is dat met deze 
tekstuele wijziging er ook een 
beleidswijziging komt zonder dat wij 
de gang van zaken in de afgelopen 
tijd geëvalueerd hebben. Daarom 
grijp ik terug op de tekst die in 1992 
is vastgesteld en stel ik voor om de 
evaluatie af te wachten. Daarna 
kunnen we zien welke andere 
beleidswijzigingen wij kunnen 
aanbrengen. 

Minister De Graaff-Nauta: Mijnheer 
de voorzitter! Wat de heer Apostolou 
zegt is helder. Dit hebben wij in 1992 
met elkaar, bij ons volle verstand, 
besloten. Nu zegt de heer Apostolou 
dat wij het aanbrengen van enige 
ruimte daarin pas later aan de hand 
van ontwikkelingen kunnen bekijken. 
Wij zijn van mening dat wij nu de 
zaak niet vast moeten timmeren. 
Door de redactionele wijziging is de 
mogelijkheid om dat kleine beetje 
ruimte er tussen te krijgen, ons 
eigenlijk in de schoot geworpen. 
Daar wordt absoluut geen misbruik 
van gemaakt. We spreken er met 

elkaar over hoe wij die ruimte 
invullen. Daarom heb ik moeite met 
het accepteren van het amendement 
op stuk nr. 8. 

De heer Apostolou (PvdA): 
Voorzitter! Ik stel er toch prijs op om 
de dingen in de juiste volgorde te 
doen. Als de regering in een nota 
een beleidswijziging zou voorstellen, 
konden wij erover praten. Wij zouden 
dan de wet kunnen wijzigen. Nu 
wijzigen wij de wet voordat wij 
enigszins geëvalueerd hebben hoe 
het met de opleidingen gaat. Op die 
manier volgt het een niet helemaal 
logisch uit het andere. 

Minister De Graaff-Nauta: Over 
logica valt te twisten. Wij vinden het 
wel praktisch. Wij weten ook dat er 
erg veel tijd nodig is voor wetswijzi– 
ging en voor de bespreking daarvan. 
De wet geeft nu de mogelijkheid; wij 
zorgen voor een soepel verloop. Ik 
denk dan ook dat wij het niet eens 
worden. 

De heer De Graaf (D66): Voorzitter! 
Mag ik de minister voorhouden dat 
de tekst van de LSOP-wet die in 1992 
werd aangenomen niet alleen de 
ministers enigszins beperkt in de 
ruimte om basisopleidingen aan 
anderen dan het LSOP toe te kennen 
maar dat het ook een zekere 
waarborg biedt aan het LSOP als 
institutie om de komende jaren de 
basisopleidingen van de Nederlandse 
politie te verzorgen. Daarin kunnen 
dat instituut en de bestuursraad een 
beleidslijn en een plan ontwikkelen. 
Als die wet min of meer onverwacht 
die ruimte gaat bieden, ontstaat ook 
onzekerheid voor zowel de politie– 
korpsen als voor het LSOP zelf ten 
aanzien van de vraag, welke 
basisopleidingen men in de toekomst 
nog zelf kan verzorgen en wat op 
een andere manier wordt verzorgd, 
bijvoorbeeld in het reguliere 
beroepsonderwijs. Als wij besluiten 
basisopleidingen ook door anderen 
te laten verzorgen- mijn fractie zegt 
niet dat wij dat nooit moeten doen moeten 
wij dat weloverwogen en 
zorgvuldig doen. Het is dan ook niet 
een al te groot gebaar om op dat 
moment de wet ten principale te 
wijzigen. Wij moeten dat echter niet 
nu doen als wij niet weten welke 
koers de regering überhaupt kiest. 

Minister De Graaff-Nauta Ik heb er 
geen behoefte aan het zwaarder te 
maken dan het is. De woorden 

21 juni 1994 
Tweede Kamer LSOP TK79 79-5450 


De Graaff-Nauta 

"weloverwogen en zorgvuldig" van 
de heer De Graaf spreken mij erg 
aan. Wanneer wij op die manier 
werken, zullen wij met het artikel 
zoals dat in dit wetsvoorstel staat, 
niet ontsporen. 

Ik wil nog iets zeggen over de 
herstructurering van het onderwijs. Ik 
heb daarbij met name op het oog het 
rapport-Krapels. De heer Van der 
Heijden vroeg daarnaar. In oktober 
1993 is een project van start gegaan 
voor de herstructurering van het 
onderwijs voor de hogere leiding– 
gevenden bij de Nederlandse politie, 
opgeleid op de NPA. Drie onderwer– 
pen stonden daarbij centraal: 
toelatings– en aanstellingseisen van 
het hogere politiepersoneel; 
instroom– en doorstroombeleid en de 
mate waarin de hogere politie– 
opleiding politiespecifiek is en dus 
verzorgd moet worden door het 
LSOP. De eindrapportage van dit 
project "Van beroepsprofiel naar 
basisopleiding" wordt de Kamer eind 
deze week of volgende week 
aangeboden. Het rapport is door een 
klankbordgroep besproken. Daarin 
zaten vertegenwoordigers van het 
Korpsbeheerdersberaad, de Raad van 
hoofdcommissarissen, het 
Hoofdofficierenberaad, de bestuurs– 
raad van het LSOP en de politie– 
vakorganisaties. Het rapport kon daar 
op een brede steun rekenen. Nu zal 
die instanties worden gevraagd zich 
nader te beraden op de inhoud van 
het rapport en mee te denken over 
de verdere vormgeving van de 
uitvoering van de aanbevelingen. Het 
LSOP zal de feitelijke uitvoering ter 
hand nemen. Deze procedure moet u 
zien als een voorbereiding van de 
definitieve standpuntbepaling over 
de uit te zetten koers met betrekking 
tot de herstructurering van het hoger 
politie-onderwijs. Die moet door het 
volgend kabinet plaatsvinden. 

Voorzitter! De heer Van der 
Heijden en anderen hebben 
gevraagd de Kamer te betrekken bij 
de verdere voortgang van deze zaak. 
Er zullen afzonderlijke notities 
verschijnen. Het lijkt mij goed, 
wanneer de Kamer eerst kennis 
neemt van de inhoud van het 
rapport. 

Over de reorganisatie van het 
LSOP zijn ook vragen gesteld. Ik kan 
daarop slechts kort ingaan, omdat de 
reorganisatie van het LSOP nog niet 
in een zodanig concreet stadium is 
dat het zinvol is hierover nu 
uitspraken te doen. Dat heb ik m het 
begin van mijn inleiding reeds 

aangegeven. Een aantal zaken is 
stevig in beweging. Die moeten 
verantwoord, zorgvuldig en goed 

met elkaar worden doorgesproken. 

Over het sluiten of in stand houden 
van voorzieningen moeten nog 
beslissingen worden genomen. De 
voorzitter van de bestuursraad van 

het LSOP heeft laten weten dat de 
reorganisatieplannen in overleg met 
de departementen verder zullen 
worden ontwikkeld. In antwoord op 
diverse vragen merk ik op dat in dit 
kader in het bijzonder zal worden 
gelet op elementen die op rijks– 
niveau van bijzonder belang geacht 
worden. Die elementen zijn 
vanavond in deze Kamer nog eens 
onderstreept: spreiding, werkgele– 
genheid, aandacht en activiteiten 
voor voorkeursgroepen. Wij zeggen 
graag toe dat wij daarbij ook het 
advies van de Landelijke politie– 
emancipatiecommissie zullen 
betrekken. Die commissie heeft in 
april met het oog op de 
reorganisatieplannen van het LSOP 
aan de Kamer laten weten dat er 
bijzondere aandacht moet worden 
geschonken aan de positie van de 
vrouwen die betrokken zijn bij de 
reorganisatie, in zowel uitvoerende 
en onderwijsgevende als leidingge– 
vende functies. 

Voorzitter! De heer De Graaf heeft 
gevraagd of de gedane toezegging 
nu echt kan worden nagekomen. Het 
gaat daarbij om de toezegging om 
de diverse rapportages van de kant 
van het LSOP aan de Kamer toe te 
zenden. De heer De Graaf heeft gelijk 
als hij zegt dat dit in 1992 is beloofd 
maar dat de Kamer er nog te weinig 
van heeft gezien. Zo is het. Het had 
gemoeten. Maar omdat de toezeg– 
ging zo dicht bij het eerste jaar zat, 
was het moeilijk om dat in het eerste 
jaar te doen. Wij zullen ervoor 
zorgen dat op een goede manier aan 
de toezegging wordt voldaan. 

De heer De Graaf heeft ook 
gevraagd of er bijzondere budget– 
taire gevolgen zijn verbonden aan de 
aanwijzing van de opleiding. Zolang 
de aanwijzing nog geen gestalte 
heeft gekregen, is het weinig zinvol 
om al over de budgettaire gevolgen 
te spreken. De heer De Graaf mag 
ervan uitgaan dat het LSOP een 
adequate financiering voor de taken 
ontvangt. 

De heer Apostolou stelde een 
vraag over de werving van allochto– 
nen. Ik heb op het ogenblik geen 
cijfers ter beschikking over de 
uitvoering van het wervings– 

programma voor allochtonen. Ik zeg 
toe dat de Kamer hierover nader zal 
worden geïnformeerd zodra de 
cijfers beschikbaar zijn. 

De heer De Graaf stelde een vraag 
over de verwikkelingen op de 
Nederlandse politie-academie. 
Inderdaad, het gaat hier om een 
gevoelige zaak die met de grootst 
mogelijke zorgvuldigheid en met de 
nodige voortvarendheid moet 
worden behandeld. Ik vind het niet 
raadzaam om, vooruitlopend op het 
onderzoek, vertrouwenspersonen aan 
te stellen. Met betrekking tot de 
medezeggenschapsregeling voor de 
studenten wijs ik op het besluit 
overleg medezeggenschap politie. 
Daarin is voorzien in de instelling 
van een dienstcommissie. Daaronder 
vallen ook de aspiranten. 

De overige vragen van met name 
de heer De Graaf over de allochto– 
nen en over de rol van de primaire 
opleiding bij hun opvang zijn zeker 
een nadere studie waard. Het moet 
dan niet gaan om een studie op 
lange termijn. Ik deel de uitgespro– 
ken zorg, maar ik kan nog niet over 
concrete voornemens praten. Er kan 
ook nog moeilijk een begin worden 
gemaakt, gelet op de beperkte 
periode van ons ministerschap. In 
het begin van de volgende periode 
zal dit zeker een van de belangrijke 
prioriteiten zijn. 

!k kom op de mogelijkheden van 
het LSOP bij substantiële uitbreiding 
van de politie. Tussen de departe– 
menten en het LSOP is overleg 
gaande over een plan van aanpak 
voor het geval de capaciteit van het 
LSOP ontoereikend zou blijken te 
zijn. Er worden verschillende 
scenario's uitgewerkt. Wij zullen de 
financiële gevolgen hiervan goed op 
een rij moeten zetten. Zodra wij hier 
verder mee zijn, zal de Kamer 
daarover worden geïnformeerd. 

De heer Van den Berg (SGP): De 
minister spreekt nu over uitbreiding 
van de capaciteit. Ik heb erop 
gewezen dat men de bestaande 
capaciteit lang niet volledig heeft 
gebruikt. Moeten wij daar niet nu al 
mee beginnen? Die uitbreiding is ook 
nodig, maar laten wij maar eens 
beginnen met het gebruiken van de 
bestaande capaciteit. 

Mmister De Graaff-Nauta: Ik wilde 
net beginnen met het antwoord op 
de vraag van de heer Van den Berg 
over landelijke werving en selectie. 
Begin 1991 heeft de Kamer een 

21 juni 1994 
Tweede Kamer LSOP TK79 79-5451 


De Graaff-IMauta 

notitie aangeboden gekregen met de 
titel "Herbezinning op werving, 
selectie en primaire opleiding voor 
de politie". Toen is aangegeven dat 
de toenmalige wijze van selecteren 
aan actualisering toe was. Het 
Landelijk selectiecentrum politie 
heeft op basis van onderzoek de 
wijze van selecteren zodanig 
aangepast dat niet alleen de 
doorlooptijd van werving en selectie 
aanmerkelijk verbeterd is, maar ook 
het aantal afvallers sterk afgenomen 
is. Ik vind het van belang om te 
vermelden dat van kandidaten een 
potentieel-beoordeling wordt 
opgemaakt. Bij het niet volledig 
voldoen aan de selectie-eisen krijgen 
ze alsnog de kans, het bedoelde 
niveau te halen. Ook worden nog 
steeds de selectie-instrumenten 
afgestemd op de optimalisering van 
de instroom van allochtonen. 

De heer Van den Berg heeft 
gevraagd naar de relatie met de 25 
korpsen. De bestuursraad van het 
LSOP is op het ogenblik bezig met 
de inrichting van het dagelijks 
bestuur. Een van de redenen 
daarvoor is het meer direct kunnen 
anticiperen op vragen vanuit de 
politiepraktijk. Die vragen zijn er. 

Ik heb het ook gehad over het te 
verzorgen pakket aan vervolg– 
opleidingen. Op de departementen is 
een project van start gegaan om vast 
te stellen voor welke werkzaamheden 
bekwaamheidseisen moeten worden 
gesteld. Dit project zal in nauwe 
samenwerking met de korpsen 
worden gerealiseerd. 

Er is een vraag gesteld over de 
positie van de executieve ambtena– 
ren van politie die werkzaam zijn bij 
het LSOP. Er zijn ambtenaren van de 
politie, werkzaam bij het LSOP, die 
niet in dienst zijn bij het LSOP. Zij 
zijn niet in dienst en willen vaak ook 
liever niet in dienst zijn van het 
LSOP, omdat het LSOP geen 
ambtenaren van politie met een 
executieve taak in dienst kan hebben. 
Juist die status willen zij behouden. 
Zij zijn bij de reorganisatie van de 
politie niet opgenomen in een 
politiekorps. Daarom wordt nu in 
goed overleg met betrokkenen 
gewerkt aan een constructie waarbij 
die personen wel formeel, zij het 
boven de formatie, worden 
aangesteld bij één regionaal korps. 
De beheerder van dat korps wordt 
het bevoegd gezag van deze 
ambtenaren. Maar in de feitelijke 
werkverhouding ten opzichte van het 
LSOP komt geen verandering. Een 

voorstel hiervoor is op 10 maart aan 
de politiebonden gedaan. Ik verwacht 
over enkele weken in het georgani– 
seerd overleg van het LSOP hun 
mening te horen. Ik ga ervan uit dat 
dan vrij spoedig daarna de afhande– 
ling kan plaatsvinden. Ik ben graag 
bereid om de Kamer daarover zo 
spoedig mogelijk in te lichten. 

De heer Van der Heijden (CDA): Ik 
kan mij zeer wel vinden in hetgeen 
de minister zojuist aangaf, maar ik 
vroeg ook het omgekeerde: is het 
niet goed om mensen uit de 
regiokorpsen voor kortere of langere 
tijd les te laten geven op de 
opleidingen, zonder dat zij daar een 
dienstverband hebben? Daarmee kan 
hun praktijkervaring tot recht worden 
gebracht, zonder dat de opleiding 
daaraan verplichtingen verbindt. 

Minister De Graaff-Nauta: Mijnheer 
de voorzitter! Die suggestie spreekt 
mij aan. Mag ik haar verder in 
positieve zin meenemen? 

De heer Van der Heijden (CDA): 
Graag. 

D 

Minister Kosto Mijnheer de 
voorzitter! Ook ik wil de heer De 
Graaf graag complimenteren met zijn 
maidenspeech en, zo mag ik eraan 
toevoegen, met zijn maideninterrup– 
tie die inmiddels ook heeft plaatsge– 
vonden. 

Er is veel aandacht geschonken 
aan het kiezen voor een aparte 
LSOP-wet in plaats van opneming in 
de nieuwe Politiewet. Die keuze 
hangt ten nauwste samen met het 
feit dat de Politiewet 1993 een 
raamwet is. De bepalingen over het 
LSOP zijn eigenlijk te gedetailleerd 
om in de Politiewet 1993 te worden 
opgenomen. Het gaat dus om een 
wetssystematisch bezwaar, wat 
typisch een type bezwaar is waar wij 
op Justitie zwaar aan tillen. Ook 
heeft het LSOP een heel eigen 
structuur, zoals mijn collega net zei, 
met een bestuursraad en een 
directie. Deze structuur is niet te 
vergelijken met die van een 
regionaal politiekorps of het mij zo 
dierbare Korps landelijke politiedien– 
sten. Verder kan het LSOP ook voor 
anderen dan de politie taken 
uitvoeren. Dat is de reden om vast te 
houden aan een afzonderlijke 
LSOP-wet. Wel acht ik het bij nader 
inzien zinvol, een koppeling te 

leggen tussen dit wetsvoorstel en de 
Politiewet 1993. In zo'n bepaling zal 
worden uitgedrukt dat de landelijke 
werving, de selectie en de door de 
ministers aan te wijzen opleidingen 
worden verzorgd door het LSOP, 
precies zoals is verwoord in het 
amendement van de heer Apostolou 
op stuk nr. 9. Ook de heer Van den 
Berg heeft hieraan adhesie betuigd, 
zij het dat hij het een second-best– 
oplossing vond. 

Met deze woorden heb ik al 
aangegeven, dat ik niet voel voor de 
suggestie van de woordvoerder van 
D66 om de LSOP-wet te integreren in 
de nieuwe Politiewet. Naast de door 
mij aangegeven bezwaren, zou ik ook 
nog een ander argument willen 
noemen, namelijk dat we vandaag al 
een heel eind op weg zijn met het 
wetgevingstraject. Bij het opstellen 
van een nieuw voorstel dat ertoe zou 
strekken om deze wet op te nemen 
in de Politiewet 1993 kunnen zich 
allicht weer nieuwe vraagpunten 
voordoen, met alle risico van 
oponthoud. Al met al is het dan niet 
zeker dat zo'n wetsvoorstel op zeer 
korte termijn weer bij de Kamer 
aanhangig kan worden gemaakt. 
Daarom redeneer ik pragmatisch. Dat 
zal de heer De Graaf zeker aanspre– 
ken. Nu wij eenmaal zover zijn en er 
goede argumenten zijn voor een 
aparte regeling, blijf ik - en de 
collega met mij - er de voorkeur aan 
geven vast te houden aan de 
gekozen optie met dien verstande 
dat ik mij geheel kan vinden in een 
koppeling tussen deze wet en de 
nieuwe Politiewet. 

De vraag naar de incorporatie van 
de LSOP-wet in de Politiewet op 
termijn, mijnheer de voorzitter, 
zouden wij natuurlijk zeer wel 
kunnen meenemen in de evaluatie 
die is aangekondigd in artikel 13 van 
de wet, namelijk in juli 1998. Zowel 
de heer Van der Heijden als de heer 
Van Erp heeft verwezen naar de 
evaluatie ingevolge artikel 13. 

De heer Van den Berg, mijnheer 
de voorzitter, heeft gevraagd naar 
het project herstructurering hoger 
politie-onderwijs en de integratie van 
het politie-onderwijs in het reguliere 
onderwijs. Het eindrapport getiteld 
"Van beroepsprofiel naar basisoplei– 
ding" van het zogeheten project– 
Krapels is onlangs aan de collega en 
mij uitgebracht. Het eindrapport kan 
rekenen op brede steun bij korps– 
beheerders, korpschefs, openbaar 
ministerie, het LSOP en aan deze 
kant van de tafel. Momenteel wordt 

21 juni 1994 
Tweede Kamer LSOP TK79 79-5452 


Kosto 

op de beide ministeries gewerkt aan 
de gezamenlijke aanbiedingsbrief bij 
het rapport aan de Tweede Kamer. 
De verdere uitwerking zal uiteraard 
in goed overleg met het LSOP en de 
overige betrokkenen, zoals het 
Korpsbeheerdersberaad en het 
Hoofdofficierenberaad, plaatsvinden. 
Op die manier wordt het nodige 
voorbereidende werk verricht voor 
een definitieve standpuntbepaling 
over de uit te zetten koers met 
betrekking tot de herstructurering 
van het hoger politie-onderwijs. Deze 
koers zal uiteindelijk door het 
volgende kabinet moeten worden 
uitgezet. Daar heeft ook de collega 
op gewezen. 

Er is een toezegging van mijn 
ambtsvoorganger in de herinnering 
gebracht. Ik weet niet of mijn collega 
precies hierop doelde. De collega 
heeft hier al op geantwoord. Wij 
zullen ons op dat punt naar de geest 
van die wensen uitspreken. 

Mijnheer de voorzitter! Daar waar 
de collega van Binnenlandse Zaken 
haar antwoord gegeven heeft, dacht 
ik dat ik met deze aanvullende 
woorden samen met haar de eerste 
termijn van het antwoord van de 
regering heb vervuld. 

De heer Van Erp (VVD): Voorzitter! 
De minister zegt dat hij akkoord is 
met het amendement op stuk nr. 9. 
Naar mijn opvatting - maar ik zal het 
waarschijnlijk verkeerd hebben doet 
hij dan toch een beetje geweld 
aan artikel 3, waar de minister van 
Binnenlandse Zaken zo aan hecht. 
Want aan de tekst, die exact 
hetzelfde is al die van artikel 49a, 
wordt vervolgens toegevoegd: of 
andere door ons ministers aan te 
wijzen categorieën van personen. Dit 
staat niet in het amendement op stuk 
nr. 9. 

Minister Kosto: Het laatste wat ik 
heb willen doen, is geweld aan wat 
dan ook, voorzitter. Laat dat even 
vaststaan. Voor het overige moet ik 
natuurlijk in dit duet dat nu eenmaal 
een gegeven is bij regelgeving als 
deze, afstemmen. Ik meen niet dat er 
een probleem is. Ik heb het 
amendement op stuk nr. 9 omhelsd. 

De heer Van Erp (VVD): Artikel 49a 
zou dan in ieder geval ook moeten 
omvatten 3a, zoals het thans in de 
wet luidt. 

Minister Kosto: Ik stem even af met 
de collega. 

De heer Van Erp (VVD): Neemt u mij 
niet kwalijk. 

Minister Kosto: Ik neem u helemaal 
niets kwalijk, maar de minister van 
Binnenlandse Zaken zal hier iets op 
zeggen. 

Minister De Graaff-Nauta: 
Voorzitter! Zoals de collega zegt, 
verzetten wij ons niet tegen een 
koppeling. Wij houden vast aan de 
tekst zoals deze in het wetsvoorstel 
is gegeven. U zult dan ook deze 
tekst, als de meerderheid van de 
Kamer hiermee instemt, zodanig 
moeten maken dat het wetsvoorstel 
tot haar recht komt en dat we niet de 
tekst uit de oude wet nemen. Er zal 
even goed bekeken moeten worden 
of dit spoort wat ons beiden betreft. 

Minister Kosto: Samen staan we 
sterk, voorzitter! Ik zie de tevreden– 
heid op het gelaat van de heer Van 
Erp. 

D 

De heer Van den Berg (SGP): 
Mijnheer de voorzitter! Ik dank beide 
bewindslieden voor hun heldere 
beantwoording en voor een aantal 
toezeggingen dat daarin was vervat. 
Ik denk daarbij vooral aan de 
toezegging van de minister van 
Binnenlandse Zaken om de Kamer 
op de hoogte te houden van verdere 
ontwikkelingen rond de herstructure– 
ring van het LSOP. Die informatie 
hebben wij tot nu toe gemist. Wij 
hebben die van anderen moeten 
krijgen. Wij hebben er begrip voor 
dat de ministers op het ogenblik 
geen verdere informatie kunnen 
geven, maar wij hopen dat wij in de 
toekomst wel geïnformeerd kunnen 
worden. 

Ik hecht er ook aan om nog eens 
nadrukkelijk de aandacht van de 
ministers te vragen voor het gebruik 
van de capaciteit van de politie– 
opleidingen. Bij interruptie heb ik dat 
al gedaan. Dat onderwerp en de 
uitbreiding van de capaciteit zullen 
de komende tijd zeker de aandacht 
hebben van zowel de regering als de 
Kamer. Daarom ga ik daar nu niet 
verder op in. 

Ik heb er behoefte aan nog even 
stil te staan bij het amendement op 
stuk nr. 8. In de eerste termijn heb ik 
in algemene zin bepleit dat de 
basisopleidingen zovecl mogelijk 
politie-opleidingen moeten blijven. 
Daarom heb ik een duidelijke 

sympathie voor dit amendement. Ik 
heb ook wel oog voor de juridische 
problemen die de minister van 
Binnenlandse Zaken heeft genoemd. 
Zij heeft gewezen op de wens om 
ruimte open te laten, omdat anders 
voor elke verandering een wetswijzi– 
ging nodig is. Maar het argument 
van de heer De Graaf op dit punt 
spreekt mij ook aan. De huidige 
wettekst schept een zekere waarborg, 
ook voor het LSOP. Is de evaluatie 
geen goed moment om te beoorde– 
len of wij deze tekst moeten 
veranderen? Ik vind op dit moment 
dat mijn fractie het amendement op 
stuk nr. 8 zou moeten steunen. 

Voor mijn fractie is de integratie 
van deze wet in de Politiewet een 
hoofdpunt. Ik ben blij dat nu meer 
fracties het standpunt delen dat mijn 
fractie al tijdens de schriftelijke 
voorbereiding heeft ingenomen. Ik 
betreur het dat de regering nu niet 
tot integratie bereid is. Door de stand 
van de invoering van de Politiewet 
zou het een buitengewoon ingrij– 
pende amendering vergen om dat nu 
alsnog te doen. Ik hecht eraan, de 
verbinding tussen deze materie en 
de Politiewet toch nu reeds tot stand 
te brengen door steun te verlenen 
aan het amendement op stuk nr. 9 
van de heer Apostolou. Dat is op dit 
moment de next-best-oplossing. 
Daarnaast blijft mijn fractie van 
mening, dat wij in ieder geval op 
termijn een integratie van het 
opleidingsbestel in de Politiewet 
moeten realiseren. Die intentie 
moeten wij nu duidelijk uitspreken. 

De argumenten die door de 
ministers zijn genoemd, vooral de 
argumenten van de minister van 
Justitie, spreken mij toch niet aan. 
Voor mij is het opleidingsbestel een 
onderdeel van de politie. Dat was het 
ook volgens de oude Politiewet. Wij 
hebben toch voor die structuur 
gekozen? Dat is niet eens zo lang 
geleden. Mijn mening daarover is 
nog onveranderd. Die lijn wil mijn 
fractie ook nu graag bepleiten. Het 
lijkt mij goed, dat de Kamer dat nu 
tot uitdrukking brengt. Ik heb 
begrepen dat collega Apostolou op 
dit punt straks een motie zal 
indienen. Deze motie heeft mijn 
warme instemming. 

D 

De heer Apostolou (PvdA): 
Voorzitter! Ik dank de ministers voor 
hun antwoorden. De minister van 

Binnenlandse Zaken dank ik voor 

21 juni 1994 
Tweede Kamer LSOP TK79 79-5453 


Apostolou 

haar toezegging, dat zij de Kamer 
uitvoerig zal informeren en dat de 
Kamer in de komende tijd van de 
regering een aantal nota's zal 
ontvangen. 

Mijn amendement op stuk nr. 8 
gaat over de basisopleidingen en de 
andere door de minister aan te 
wijzen opleidingen. Volgens de 
minister van Binnenlandse Zaken is 
het niet de bedoeling van de 
regering, de basisopleidingen nu 
weg te halen bij het LSOP. Zij zegt 
daarbij dat zij ruimte wil scheppen 
om op ontwikkelingen in het 
onderwijs te kunnen ingaan, zodat 
hierop flexibeler kan worden 
ingespeeld. 

Ik heb daarmee problemen. Ik heb 
deze in mijn interruptie naar voren 
gebracht. De heer De Graaf heeft 
gezegd dat wij sinds 1992 geen 
jaarlijks overzicht meer hebben 
gekregen. Wij hebben nooit 
fundamenteel gesproken over het 
politie-onderwijs of over de 
verhouding tussen politie-onderwijs 
en regulier onderwijs. Ik vind het 
jammer dat nog voor de evaluatie de 
wet die in 1992 is aangenomen, op 
een substantieel punt wordt 
gewijzigd. Ik handhaaf dan ook mijn 
amendement. Ik heb het in eerste 
instantie over de basisopleidingen. 
Voor de vervolgopleidingen is 
ruimte. Het is goed, het evaluatie– 
moment af te wachten. Pas dan 
kunnen wij ordentelijk beslissen. 
Naar mijn oordeel zouden de fracties 
van de WD en het CDA die in 1992 
hebben ingestemd met de wijze 
waarop de wet toen is vastgelegd, 
hiervan nu geen afstand moeten 
nemen. Het betreft immers een 
fundamentele wijziging met 
betrekking tot de basisopleidingen. 

De regering had in de memorie 
van toelichting moeten vermelden 
dat het niet de bedoeling was, enige 
wijziging aan te brengen. De tekst 
zoals die nu in de wet staat, heeft 
fundamentele consequenties. 
Waarom moet de tekst gewijzigd 
worden, nog voordat de evaluatie 
door de Kamer heeft plaatsgevonden 
en nog voordat de jaarlijkse 
overzichten met ons besproken zijn. 

De heer Van Erp (VVD): Twijfelt de 
heer Apostolou aan de zorgvuldig– 
heid waarover de minister heeft 
gesproken? In uitzonderlijke gevallen 
zou het mogelijk moeten zijn. Als je 
deze mogelijkheid inbouwt in de wet, 
is dat op zichzelf toch wel redelijk. 

gezien de veranderende omstandig– 
heden waarover de minister sprak? 

De heer Apostolou (PvdA): In wezen 
is de argumentatie van de minister 
een pleidooi voor mijn amendement. 
Daarin wordt heel duidelijk gesteld 
hoe de zaken liggen. Als er een 
wijziging moet komen: wij zijn hier! 
Wij kunnen daarover in de Kamer 
spreken en die wijzigingen aanbren– 
gen. Ik zie niet in waarom de 
bedoeling van de regering niet zuiver 
in de wet kan worden vastgelegd. 

De heer Van der Heijden (CDA): 
Voorzitter! Is het niet zo, mijnheer 
Apostolou, dat nu de weg is 
vrijgemaakt om met een experiment 
te beginnen in het MBO, bijvoor– 
beeld in een grote scholengemeen– 
schap, gezien de zorgvuldige 
procedure die de minister van 
Binnenlandse Zaken heeft voorge– 
steld? Bij de evaluatie kunnen wij die 
mogelijkheid toch benutten? De door 
hem voorgestelde weg maakt dat op 
voorhand onmogelijk. Pas na 1998 
zou dat mogelijk zijn. 

De heer Apostolou (PvdA): Mijnheer 
Van der Heijden, als de minister 
voornemens is, aan een MBO– 
opleiding delen van de basisopleidin– 
gen toe te vertrouwen, dan vind ik 
het belangrijk dat de Tweede Kamer 
daarin gekend wordt. Dat is ook de 
bedoeling van mijn amendement. De 

Kamer heeft het recht van amende– 
ment. Als wij ergens in gekend 
moeten worden, moeten wij ook 
toestemming kunnen geven. Dat is 
mijn bedoeling. Ik wil niet de weg 
voor het reguliere onderwijs 
afsluiten. Ik wil zorgvuldigheid. Wij 
hebben dit instituut twee jaar 
geleden verzelfstandigd. Wij moeten 
keurig met deze mensen omgaan. 
Daarom pleit ik voor handhaving van 
de tekst uit de wet van 1992. 

Minister De Graaff-Nauta: De heer 
Apostolou zegt geen weg te willen 
afsluiten. Ik heb heel duidelijk in 
diverse bewoordingen gezegd dat de 
deur wagenwijd openstaat. Ik heb 
ook gezegd dat goed onderling 
overleg noodzakelijk is voordat je 
iets doet. Ik ben dan geneigd, te 
zeggen dat enig vertrouwen in elkaar 
en in de gedane toezeggingen bij 
een goede manier van omgaan met 
elkaar hoort. Ik zeg niet dat de heer 
Apostolou wantrouwig is. 

De heer Apostolou (PvdA): Het gaat 

mij om de duidelijkheid. Waarom 
zouden wij de bedoelingen van de 
minister niet in de tekst vastleggen? 
Wij roepen daarover dan in elk geval 
geen misverstanden op. Mij lijkt dat 
logisch. 

De heer Van der Heijden (CDA): Wij 
staan tegenover elkaar. 

De heer Apostolou (PvdA): 
Voorzitter! De minister van Binnen– 
landse Zaken heeft gezegd dat het 
reorganisatieproces van het LSOP 
zorgvuldig zal worden gevolgd. Ik 
stel het zeer op prijs dat spreiding en 
werkgelegenheid essentiële 
elementen zijn, die verdisconteerd 
zullen worden in die reorganisatie 
van het LSOP. Ik heb er ook nota van 
genomen dat het advies van de 
Landelijke politie– 
emancipatiecommissie betrokken zal 
worden bij verdere plannen. Voorts 
is toegezegd dat het allochtonen– 
vraagstuk bij de politie hier een keer 
uitvoeriger aan de orde zal komen. 

Mijn amendement op stuk nr. 9 
gaat over de verbinding van deze 
wet met de Politiewet. Ik dank de 
minister van Justitie voor zijn 
opmerking dat hij mijn amendement 
ziet zitten. Het heeft in ieder geval 
zijn instemming. Toch wil ik in 
aansluiting op mijn woorden in 
eerste termijn opmerken dat mijn 
fractie van mening is dat deze wet 
een integraal onderdeel zou moeten 
zijn van de nieuwe Politiewet. Ik wil 
dat dat op termijn gaat gebeuren. 
Dat betekent geen oponthoud voor 
deze wet, want die zullen wij nu 
aannemen, maar op termijn is het 
goed om deze wet onder te brengen 
bij de nieuwe Politiewet. Daartoe wil 
ik mede namens de heren De Graaf 
en Van den Berg een motie indienen. 

Motie 

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

van oordeel, dat het LSOP een 
onderdeel vormt van de Nederlandse 
politie-organisatie en dat verzelfstan– 
diging van het beheer, van de 
selectie– en opleidingsinstituten 
daarin geen wijziging brengt; 

verzoekt de regering op termijn een 
voorstel in te dienen tot integratie 
van de LSOP-wet in de Politiewet 
1993, 

21 juni 1994 
Tweede Kamer LSOP TK79 


Apostolou 

en gaat over tot de orde van de dag. 

Oe voorzitter Deze motie is 
voorgesteld door de leden Aposto– 
lou, Van den Berg en De Graaf. Naar 
mij blijkt, wordt zij voldoende 
ondersteund. 

Zij krijgt nr. 10 (23446). 

D 

De heer De Graaf (D66): Voorzitter! 
Ik dank de ministers en de collega's 
voor alle felicitaties die ik in 
ontvangst heb mogen nemen. Voorts 
dank ik de ministers voor hun 
ruimhartige beantwoording van 
vragen. Die beantwoording was zo 
ruimhartig en zo anticiperend dat er 
zelfs antwoorden zijn gegeven op 
vragen die ik niet heb gesteld, 
althans niet heb uitgesproken. 

Ik wil nog even ingaan op de 
basisopleidingen. Ik denk dat de heer 
Apostolou ook namens mij heeft 
gesproken toen hij vasthield aan zijn 
amendement en daar ook een 
argumentatie voor gaf. De minister 
van Binnenlandse Zaken wil ruimte 
hebben voor ontwikkelingen. Die 
geven wij haar graag. Zij vraagt ook 
vertrouwen. Ook dat willen wij haar 
graag geven. 

De tekst, zoals die in het amende– 
ment van de heer Apostolou is vorm 
gegeven, biedt wel degelijk de 
mogelijkheid om bijvoorbeeld het 
experiment waar de heer Van der 
Heijden over sprak, aan te gaan. Dat 
amendement maakt echter duidelijk 
dat wij er, net zoals in 1992, van 
uitgaan dat de basisopleidingen van 
de Nederlandse politie door het 
LSOP als instituut voor het Neder– 
landse politie-onderwijs worden 
vorm gegeven. Indien experimenten 
en nadere gedachtenontwikkelingen 
ertoe leiden dat wij het politie– 
onderwijs substantieel op de schop 
moeten nemen, bijvoorbeeld een 
aansluiting bij het middelbaar 
beroepsonderwijs, dan is er alle 
reden om uitvoerig met de Kamer te 
overleggen en te komen tot een 
wetswijziging om die meer structu– 
rele ruimte te scheppen. 

Voorzitter! Er is gesproken over de 
ontwikkelingen binnen het LSOP ten 
aanzien van het hoger politie– 
onderwijs en de voorgenomen 
reorganisaties. !k dank de minister 
van Binnenlandse Zaken voor de 
toezegging om de Kamer daar 
uitvoerig over te informeren en 
overigens ook geen stappen te zetten 
dan in goed overleg met de Kamer. 

Dat lijkt mij goed. Ik hoop dat ook 
een volgend kabinet die toezegging 
zal willen overnemen. Ik denk dat het 
toch wel zinvol zal zijn om, indien 
dat mogelijk is, op vrij korte termijn 
de concept-plannen van het LSOP 
aan de Kamer te overhandigen. Er is 
inmiddels toch ruimschoots overlegd 
met de medezeggenschapsraad en 
anderen. Concept-plannen hebben in 
alle tijdschriften en bladen gestaan. 
Eigenlijk wordt het dus tijd dat wij 
daar hier eens over worden 
geïnformeerd. Dan kunnen wij 
daarna spreken over het standpunt 
van de minister. 

De minister heeft er gelijk in dat zij 
zeer serieus aandacht wil besteden 
aan de kwestie van de allochtonen 
en er ook studie naar wil laten 
verrichten. Ik vraag mij af of dit moet 
wachten tot een volgend kabinet; ik 
kan mij voorstellen dat de minister 
thans al nagaat of de problemen die 
gesignaleerd zijn in het korps 
Rotterdam/Rijnmond, zich ook in 
andere korpsen, met name in de 
grote korpsen in de Randstad, 
hebben voorgedaan. Ik heb daar 
geen informatie over kunnen krijgen, 
maar als hetgeen in Rotterdam wordt 
gesignaleerd, ook het geval zou zijn 
in Amsterdam/Amstelland, Haag– 
landen en andere grote korpsen, lijkt 
het mij zinvol dat de maatregelen, 
met name ten aanzien van de 
opleidmg en de werving, meer 
urgentie krijgen. Dat zou de minister 
op korte termijn kunnen nagaan. 

Tot slot de kwestie van de aparte 
wet. De minister van Justitie heeft 
gezegd dat de Politiewet eigenlijk 
een raamwet is. Dat is inderdaad zo. 
Wellicht ben ik het ook nog met de 
minister eens dat de LSOP– 
bepalmgen gedetailleerd zijn en ik 
zou er ook geen bezwaar tegen 
hebben als een poging wordt 
ondernomen om het aantal en de 
omvang van die bepalingen terug te 
brengen, maar ten principale meent 
mijn fractie dat wetgeving op het 
gebied van primair voor de politie 
bestemde opleidingen toch 
onderdeel uitmaakt van de totale 
wetgeving op het gebied van de 
politie-organisatie. Vandaar dat wij 
de motie van de PvdA-fractie graag 
mede hebben ondertekend. Die 
motie bepaalt dat de minister en 
mogelijke opvolgers in een nieuw 
kabinet kunnen bezien wat het juiste 
en geëigende tijdstip is om een 
dergelijke integratie te bewerkstelli– 
gen. 

D 

De heer Van der Heijden (CDA): 
Mijnheer de voorzitter! Ik wil nog iets 
zeggen over de ruimte die geboden 
kan worden aan andere opleidingen 
dan alleen de politie-opleiding die 
wij vandaag bespreken. Ik stel vast 
dat in het verslag over deze wet 
zowel de PvdA-fractie als de 
CDA-fractie heeft gevraagd naar de 
relatie tussen het politie-onderwijs 
en het reguliere onderwijs. Met 
name de PvdA-fractie vroeg of dat 
ook een plaats kon knjgen in 
toekomstperspectieven van de 
politie-opleiding. Daaruit concludeer 
ik dat de nu, blijkens de toelichting 
door de minister van Binnenlandse 
Zaken met dit wetsvoorstel geboden 
weg toch niet geheel onbegaanbaar 
zou moeten zijn. Dat zou aanleiding 
kunnen zijn om toch nog eens 
kritisch te kijken naar het amende– 
ment dat de heer Apostolou op stuk 
nr. 8 heeft ingediend. Ik kan mij heel 
goed vinden in het bieden van 
ruimte die niets blokkeert, zoals de 
minister van Binnenlandse Zaken het 
noemde. De heer Apostolou probeert 
dat toch terug te halen, want hij 
heeft gezegd: als er van alles moet 
gebeuren, moeten wij hier maar over 
praten. Daar hebben wij bij 
interruptie al even over gesproken en 
dat zal ik niet herhalen. Ik zal er nu 
dus kort over zijn: ik denk dat het 
amendement-Apostolou in ieder 
geval door de CDA-fractie niet zal 
worden gesteund. Althans: ik zal 
mijn fractie in die zin adviseren. 

De heer Apostolou (PvdA): Heeft de 
heer Van der Heijden geen behoefte 
om te praten over de verhouding 
tussen het politie-onderwijs en het 
reguliere onderwijs? Wij hebben daar 
nooit expliciet over gesproken. Dat 
was een vraag van zijn en van mijn 
fractie. Ik heb behoefte om daarover 
te praten voordat een voorschot 
wordt genomen door nu al, in welke 
zin dan ook, te experimenteren. Ik zal 
daar geen bezwaar tegen hebben, 
maar ik vind dat wij er eerst over 
moeten praten voordat wij het 
wijzigen. 

De heer Van der Heijden (CDA): Er 
is geen enkel bezwaar tegen om hier 

met elkaar over te praten. De weg 

die de minister van Binnenlandse 
Zaken daarvoor opende, is daarvoor 

de goede weg, maar die hoeft niet 
neer te komen op praten op basis 
van een wetswijziging. Dat lijkt mij 

21 juni 1994 
Tweede Kamer LSOP TK79 79-5455 


Van der Heijden 

immers te veel eer voor een 
eenvoudig experiment dat mogelijk 
moet leiden tot een andere visie, die 
ook volgens de PvdA-fractie wel 
degelijk moet worden gezien in een 
structureel onderzoek naar de vraag 
of een integratie van het politie– 
onderwijs en het reguliere onderwijs 
mogelijk is. Ik haal hiermee 
nogmaals de partijgenote van de 
heer Apostolou aan. 

Voorzitter! Wat het amendement 
op stuk nr. 9 betreft, heeft de 
minister van Justitie gezegd, dat de 
koppeling goed zou kunnen worden 
aangebracht. Ik wil mij daartegen 
niet op z'n hardst verzetten. Ik zal 
mijn fractie adviseren om daar nog 
eens goed naar te kijken. Er zal zorg 
moeten worden gedragen voor een 
goede verwijzing in artikel 14a naar 
artikel 49a. Daar moet exact staat, 
wat onder artikel 3a van het 
onderhavige wetsvoorstel staat. 

D 

De heer Van Erp (WD): Mijnheer de 
voorzitter! Ik dank de bewindslieden 
hartelijk voor het gegeven antwoord. 

De minister van Binnenlandse 
Zaken zei, dat een demissionair 
kabinet terughoudend moet zijn. Wat 
betekent dat? Stel, dat het amende– 
ment op stuk nr. 8 en de motie 
worden aangenomen. Betekent die 
terughoudendheid, dat de bewinds– 
lieden het wetsvoorstel niet in de 
Eerste Kamer zullen verdedigen? 

Ik denk dat het wetsvoorstel kan 
inspelen op actuele ontwikkelingen. 
Het moet ruimte bieden voor 
veranderingen. De minister heeft 
gezegd, dat het LSOP het politie– 
opleidingscentrum bij uitstek is en 
dat dit zo moet blijven. Dat houdt in, 
dat artikel 3a alleen zal worden 
gehanteerd in bijzondere omstandig– 
heden. 

De reorganisatieplannen van het 
LSOP worden in overleg met de 
departementen gerealiseerd. De 
Kamer kan daarover spreken. 
Betekent dat, dat onomkeerbare 
besluitvorming pas na overleg kan 
plaatsvinden? Wij zijn daarvoor. Het 
houdt in, dat bijvoorbeeld de situatie 
in De Harne met de Kamer bespro– 
ken kan worden. 

D 

Minister De Graaff-Nauta: Mijnheer 
de voorzitter! De heer Van Erp wil 
geen onomkeerbare beslissingen, 
voordat er met de Kamer over is 

gesproken. Dat is inderdaad het 
geval. Ik houd vast aan de toezeg– 
gmg, die ik in eerste instantie heb 
gedaan, namelijk dat een goed en 
open overleg noodzakelijk is over 
diverse ontwikkelingen. Het is daarbij 
wel zaak elkaars verantwoordelijkhe– 
den in de gaten te houden. 

De heer De Graaf vroeg of de 
concept-plannen van het LSOP aan 
de Kamer overgelegd kunnen 
worden, opdat er eventueel over 
gesproken kan worden. Die plannen 
zijn nog niet in een zodanig stadium 
dat ze rijp genoeg zijn voor overleg. 
De Kamer zal er weinig aan hebben. 
Het zou verwarring kunnen veroorza– 
ken wanneer plannen in concept 
besproken gaan worden. Ik zeg toe 
dat wanneer die plannen inderdaad 
plannen zijn - een plan betekent dat 
er van uitvoering nog geen sprake is 

- ze op tijd aan de Kamer zullen 
worden gegeven, zodat zij de ruimte 
krijgt om erover te praten. 
De heer De Graaf vraagt of wij 
naar aanleiding van de ontwikkelin– 
gen in Rotterdam nog eens goed 
willen kijken naar wat in andere 
korpsen gaande is om na te gaan of 
daar dezelfde problemen aan de orde 
zijn. Voorzitter! Wij hebben een open 
oog voor de ontwikkelingen die 
gaande zijn. Wij zullen er enerzijds 
met elkaar voor moeten zorgen dat 
bestaande problemen worden 
aangepakt maar wij moeten er 
anderzijds niet een zo zwaar accent 
aan geven dat de zaken worden 
overtrokken. Overigens heb ik niet 
gezegcl dat dit hier het geval is. 
Nogmaals, de nodige voorzichtigheid 
is geboden en wij zullen trachten om 
hiermee goed om te gaan, onderzoek 
te verrichten waar dat nodig is en in 
goed overleg met de mensen na te 
gaan wat het gewicht van de 
problemen is. 

D 

Minister Kosto Mijnheer de 
voorzitter! Ik dacht de heer Aposto– 
lou tevreden te stellen met mijn 
reactie op zijn amendement, 
voorkomend op stuk nr. 9. Met dat 
amendement wordt een koppeling 
gelegd tussen de Politiewet en het 
onderhavige wetsvoorstel. De 
discussie geeft aan dat het onderha– 
vige wetsvoorstel niet aanstonds 
geïncorporeerd dient te worden in de 
Politiewet. Ik gebruik de woorden 
"niet aanstonds" omdat ik heb 
verwezen naar artikel 13 van de wet, 
waarin het evaluatiemoment wordt 

aangegeven. Die evaluatie zal voor 1 
juli 1998 moeten plaatsvinden. Ik heb 
al gezegd dat in dat kader zeer wel 
kan worden nagegaan of men dan 
tot een dergelijke beslissing zou 
moeten komen. 

Blijkbaar is dit voor de heer 
Apostolou niet genoeg. Hij vindt dit 
"second best" en dat is ook het 
oordeel van de heer Van den Berg. 
De heer Apostolou komt met een 
motie en omdat die direct "uit de 
keuken" komt, kan men zien dat 
eerst de woorden "op korte termijn" 
waren vermeld en dat daarna het 
woord "korte" is geschrapt. 
Voorzitter! Ik vraag mij af waarom 
die motie er is gekomen, aangezien 
de termijnbepalmg in alle redelijk– 
heid door mij is aangegeven. In het 
licht van mijn opmerkingen en 
toezeggingen vind ik dat het 
aanvaarden van deze motie moet 
worden ontraden. Gelet op mijn 
toeschietelijkheid met betrekking tot 
het amendement op stuk nr. 9 en 
mijn verwijzing naar de toekomst die 
in de wet een horizon krijgt met 
behulp van de datum 1 juli 1998, 
vraag ik de indieners om deze motie 
terug te nemen. Als dat niet gebeurt, 
vraag ik de Kamer om deze motie te 
verwerpen. 

De heer De Graaf (066): Is mijn 
conclusie juist dat de minister 
hiermee toezegt dat er op termijn 
een voorstel komt, gericht op 
integratie van de LSOP-wet en de 
Politiewet? Als die conclusie juist is, 
kan ik mij voorstellen dat de 

indieners zich nader beraden. Als de 
minister heeft bedoeld dat te zijner 
tijd zal worden bezien of die 

integratie gewenst is, is dat iets 

anders dan in de motie wordt 
gevraagd. 

Minister Kosto: Ik heb erop gewezen 
dat artikel 13 betrekking heeft op een 
evaluatie en dat in het licht daarvan 
kan worden bezien of de wens inzake 
de integratie in de Politiewet 
gerechtvaardigd is. Dat is wat ik 
toezeg. Daarmee zeg ik niet dat die 
integratie op termijn hoe dan ook 
plaatsvindt. Als ik die toezegging zou 
doen, zou ik nu al van die wenselijk– 
heid zijn overtuigd. Het lijkt mij een 
goede gedachte om dat toekomstige 
evaluatiemoment als uitgangspunt te 
nemen. Dan kan op basis van 
ervaring tot een weloverwogen 
beslissing worden gekomen Daar 
heb ik naar verwezen. 

21 juni 1994 
Tweede Kamer LSOP TK79 79-5456 


Kosto 

De heer Apostolou (PvdA): De 
minister ontraadt aanvaarding van 
de motie, maar in wezen is dit een 
technische motie. De regering vindt 
haar wetstechnisch niet zo fraai, 
maar ik vraag mij af waarom 
aanvaarding wordt ontraden. Het 
gaat toch meer om een wets– 
technische dan om een principiële 
kwestie? 

Minister Kosto Ik heb een paar 
overwegingen gegeven ter zake van 
de systematiek van de Politiewet, die 
een raamwet is, waarin deze 
gedetailleerde regeling niet past. !k 
heb zelfs het genoegen mogen 
smaken dat de heer De Graaf mij op 
een aantal punten bijviel. Ik heb het 
amendement op stuk nr. 9 van de 
heer Apostolou dat de koppelmg legt 
omhelsd. Voorts wijs ik op het 
evaluatiemoment in de toekomst dat 
bij uitstek geschikt is om ons hierop 
nogmaals te bezinnen. De motie past 
niet goed in het hele beeld. Ik houd 
de Kamer dit voor en daarbij gebruik 
ik de klassieke term dat ik aanvaar– 
ding van de motie ontraad. 

De heer Van der Heijden (CDA): Als 
de motie wordt aangenomen, 
betekent dit dat uw toegevendheid 
voor de koppeling daarmee vervalt? 

Minister Kosto: Als de motie wordt 
aangenomen heb ik respect voor de 
wil van de Kamer. Er is op zichzelf 
geen verband met het amendement 
dat eventueel wordt aangenomen. Ik 
kruip dan niet achter mijn woorden 
weg. Ik meen dat aanvaarding van 
het amendement een aardige 
oplossing geeft. Er wordt een 
koppeling in artikel 49a gelegd. Het 
gaat daarin overigens louter om 
politie-opleidingen. Daarom is het 
niet relevant om te spreken over 
artikel 3. Daarin is sprake van door 
de ministers aan te wijzen opleidin– 
gen. Maar nogmaals, wanneer de 
motie wordt aangenomen, is dat een 
feit. Ik val daar niet van om. Ik heb, 
mede namens mijn collega van 
Binnenlandse Zaken, de Kamer onze 
systematiek voorgehouden. 

De algemene beraadslaging wordt 
gesloten. 

De voorzitter: Ik stel voor, aan– 
staande dinsdag te stemmen. 

Daartoe wordt besloten. 

Sluiting 22.23 uur 

D 

Lijst van ingekomen stukken, 

met de door de voorzitter ter 
zake gedane voorstellen: 

1. drie koninklijke boodschappen, ten 
geleide van de volgende voorstellen 
van (rijks)wet: 
Gemeentelijke herindeling in het 
samenwerkingsgebied 
's-Hertogenbosch 123712); 

Wijziging van de Algemene 
burgerlijke pensioenwet en de Wet 
uitkering wegens vrijwillig vervroegd 
uittreden (Vut-wet) in verband met 
de verhoging van de pensioen– 
opbouw bij afzien van het recht op 
vut en wijziging van het begrip 
bezoldiging (23763); 

Wijziging van de Wet op de 
rechterlijke organisatie en enige 
andere wetten (deeltijd en anciënni– 
teit) (23764). 

Deze koninklijke boodschappen, met 
de erbij behorende stukken, zijn al 
gedrukt en rondgedeeld; 

2. de volgende brieven: 
twee, van de minister van 
Buitenlandse Zaken, te weten: 
een, inzake het voornemen tot 
opzegging van de Overeenkomst 
betreffende de oprichting ener 
internationale vereniging tot uitgave 
der douanetarieven en Protocol tot 
wijziging van de Overeenkomst 
(23765, R1504, nr. 1); 
een, ten geleide van wijzigingen van 
het Verdrag nopens de Internationale 
Maritieme Organisatie (23766, R1505, 
nr. 1); 

twee, van de minister van 
Onderwijs en Wetenschappen, te 
weten: 
een, inzake het wetsvoorstel 
Onderwijs in niet-Nederlandse taal 
(23553, nr. 14); 
een, ten geleide van een besluit 
houdende wijziging van het 
Inrichtingsbesluit v.w.o.-h.a.v.o.– 
m.a.v.o.-v.b.o. in verband met nadere 
voorschriften voor de toetsen ter 
afsluiting van de basisvorming 
(toetsen basisvorming) (23768, nr. 1); 

twee, van de minister van 
Financiën, te weten: 
een, ten geleide van het verslag van 
de vergadering van de Ecofin-Raad 
van 6 juni 1994 (21501-07, nr. 113); 
een, over financiële conglomeraten 
(23400-IXB, nr. 21); 

een, van de staatssecretaris van 
Financiën, over misbruik van afkoop 

van tijdelijke winstbewijzen na 

emigratie (23083, nr. 10); 

twee, van de minister van 
Volkshuisvesting, Ruimtelijke 
Ordening en Milieubeheer, te weten: 
een, over het risicobeleid (22666, nr. 
6); 
een, over de Wet bodem– 
bescherming (22727, nr. 11); 

een, van de minister van Verkeer 
en Waterstaat, ten geleide van de 
beleidsnota bromfiets en snorfiets 
(23769, nr. 1); 

een, van de staatssecretaris van 
Economische Zaken, ten geleide van 
het verslag van de XVIe ITHO– 
Raadszitting voor Certificering van 
Hout en Houtprodukten (23400-XIII, 
nr. 35); 

een, van de minister van 
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, 
ten geleide van de agenda voor de 
Raad van visserijministers op 10 juni 
1994 te Luxemburg (21501-17, nr. 
34); 

een, van de staatssecretaris van 
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 
over de behandeling van het 
wetsvoorstel Tewerkstelling 
vreemdelingen (23574, nr. 9); 

een, van de minister van Welzijn, 
Volksgezondheid en Cultuur, over de 
problematiek van de zgn. witte 
vlekken in de spreiding van 
voorzieningen voor maatschappelijke 
opvang (23400-XVI, nr. 92). 

Deze brieven zijn al gedrukt en 
rondgedeeld; 

3. de volgende brieven: 
een, van de ministers van 
Buitenlandse Zaken en van Defensie, 
ten geleide van het advies dat de 
Adviesraad voor Vrede en Veiligheid 
dezer dagen de Regering heeft 
aangeboden onder de titel "Ambitie 
en middelen: Defensie in de 
gevarenzone"; 

een, van de minister van Justitie, 
ten geleide van het rapport van de 
Overleg– en adviescommissie 
alternatieve sancties "Rechtspositie 
Taakstraffen"; 

drie, van de minister van 
Binnenlandse Zaken, te weten: 
een, ten geleide van de tekst van de 
algemene maatregel van bestuur 
inzake de Ambtsinstructie van de 
commissaris van de Koning, die op 
21 juni 1994 in het Staatsblad zal 
worden geplaatst; 
een, ten geleide van de juni– 
circulaires die verzonden zijn aan de 
gemeente– en provinciebesturen; 
een, ten geleide van de tekst van de 

21 juni 1994 
Tweede Kamer Ingekomen stukken TK79 79-5457 


Lijst van ingekomen stukken 

algemene maatregel van bestuur 
inzake het Rechtspositiebesluit 
commissaris van de Koning, die op 
23 juni 1994 in het Staatsblad zal 
worden geplaatst; 

een, van de staatssecretaris van 
Financiën, ten geleide van het 
Bedrijfsplan 1995-1999 van de 
Belastingdienst; 

twee, van de minister van 
Volkshuisvesting, Ruimtelijke 
Ordening en Milieubeheer, te weten: 
een, ten geleide van het eindrapport 
van de evaluatie van de Wet en het 
Besluit op de Ruimtelijke Ordening 
"Van plannen, projecten en de 
praktijk"; 
een, ten geleide van de Jaar– 
rapportage april 1993-april 1994 van 
de Overleggroep Chemische 
industrie; 

een, van de minister van 
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, 
ten geleide van het jaarverslag van 
de voorlopige Commissie Ethische 
Toetsing Genetische Modificatie van 
Dieren 1993; 

twee, van de minister van 
Economische Zaken, te weten: 
een, ten geleide van het rapport 
inzake de administratieve verplichtin– 
gen bij bedrijven; 
een, ten geleide van een 
documentatiemap over technologie 
voor ouderen; 

drie, van de minister van Sociale 
Zaken en Werkgelegenheid, te weten: 
een, ten geleide van de nota "Het 
Activerend Arbeidsmarktbeleid voor 
Jongeren: een Tussenbalans"; 
een, ten geleide van een rapport van 
de Loontechnische Dienst inzake een 
LTD-onderzoek naar de beloning in 
het laagste segment van de 
arbeidsmarkt; 
een, ten geleide van het rapport 
"Repeterende bewegingen en 
gezondheidseffecten" (Repetitive 
strain injuries); 

twee, van de staatssecretaris van 
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 
te weten: 
een, ten geleide van het rapport 
"Normvervaging en sociale 
zekerheid"; 
een, over de voortgang van de 
Landelijke Veranderingsorganisatie 
(LVO); 

een, van de minister van Welzijn, 

Volksgezondheid en Cultuur, ten 

geleide van het convenant met 

betrekking tot de huisvesting, 

verzorging en opvoeding van 

kinderen van binnenschippers en 

kermisexploitanten; 

een, van de minister van Welzijn, 
Volksgezondheid en Cultuur en de 
staatssecretaris van Onderwijs en 
Wetenschappen, ten geleide van het 
advies van de Begeleidings– 
commissie Experimentele Visitaties 
Gezondheidsonderzoek, getiteld 
"Kwaliteit Verzekerd"; 

een, van de minister van Welzijn, 
Volksgezondheid en Cultuur en de 
staatssecretaris van Landbouw, 
Natuurbeheer en Visserij, ten geleide 
van het Projectplan voor de 
uitvoering van het Kabinetsstandpunt 
over het advies van de commissie– 
Hendriks/De Zeeuw. 

De voorzitter stelt voor, deze brieven 

door te zenden aan de betrokken 
commissies ter afdoening en niet te 

drukken; 

4. een brief van de Raad voor 
verkeer en waterstaat, ten geleide 
van het interim-advies "Trans– 
Europese netwerken". 
Deze brief ligt op de griffie ter 

inzage. Kopie is gezonden aan de 

betrckken commissie; 

5. de volgende brieven: 
een, van H. Bos, over onder 
andere de democratie; 
een, van A.C. Voogt, ten geleide 
van zijn oproepkaart voor de 
verkiezingen van het Europees 
Parlement; 

een, van G.J. Westers, over de 
Europese verkiezingen. 

Deze brieven liggen op de griffie ter 

inzage. 

21 juni 1994 
Tweede Kamer Ingekomen stukken TK79 


Noten 

Noot 1 (zie blz. 5405) 

De Commissie voor het onderzoek 
van de geloofsbrieven heeft de eer 
het volgende te rapporteren. 

In handen van de commissie is 
gesteld, behalve de geloofsbrief van 
mevrouw M. M. Wehmeijer-van der 
Burg te Utrecht, de volgende missive 
van de voorzitter van het Centraal 
Stembureau voor de verkiezing van 
de leden van de Tweede Kamer der 
Staten-Generaal: 

een afschrift van zijn besluit van 
20 juni 1994, waarbij in de vacature 
ontstaan door het ontslag van de 
heer E. Rozenblad te Diemen, wordt 
benoemd verklaard tot lid van de 
Tweede Kamer der Staten-Generaal 
mevrouw M. M. Wehmeijer-van der 
Burg te Utrecht. 

Volgens het in handen van de 
commissie gestelde besluit van de 
voorzitter van het Centraal Stembu– 
reau van 20 juni 1994 is genoemde 
gelet op artikel W1 van de Kieswet 
benoemd verklaard tot lid van de 
Kamer. 

Het is onze commissie gebleken, 
dat ten aanzien van haar die door het 
Centraal Stembureau tot lid der 
Kamer benoemd verklaard is, die 
verklaring terecht is geschied. 

Uit de bij de geloofsbrief 
gevoegde stukken blijkt, dat zij de 
vereiste leeftijd heeft bereikt. Voorts 
blijkt uit een verklaring van de 
benoemde, dat zij geen betrekkingen 
bekleedt welke onverenigbaar zijn 
met het lidmaatschap der Kamer, 
terwijl aan de commissie ten aanzien 
van haar niet is gebleken van enige 
omstandigheid welke haar Nederlan– 
derschap in twijfel zou moeten doen 
trekken, noch van enige omstandig– 
heid, ten gevolge waarvan zij op 
grond van artikel 54 der Grondwet 
van het kiesrecht ontzet zou zijn. 

De commissie stelt derhalve voor 
als lid der Kamer toe te laten, nadat 
zij de bij de wet van 27 februari 1992, 
Stb. 120, voorgeschreven eden zal 
hebben afgelegd, mevrouw M. M. 
Wehmeijer-van der Burg te Utrecht. 

Noot 2 (zie blz. 5417) 

Interpellatievragen van het lid Blauw 
(WD) aan de minister van Sociale 
Zaken en Werkgelegenheid over 
gelegenheidsarbeid in de agrarische 
sector. 

1 
Naar het oordeel van de Toezicht– 
kamer zal de jurisprudentie van de 
Centrale Raad van Beroep een te 
wankele basis vormen voor de 
scholierenregeling. Dit betekent dat 
de Toezichtkamer erkent dat er wel 
een basis is. Is in uw zienswijze deze 
basis voldoende voor het handhaven 
van de regeling? 

Bent u van opvatting, dat het oordeel 
van de Toezichtkamer niet overeen– 
komt met uw opvatting, zoals 
verwoord in uw brief aan partijen 
van het tuinbouwakkoord van 18 
februari jl., waarin gesteld wordt dat 
voor de overgangsperiode, totdat 
een wettelijke regeling geldt, een 
overgangsregime dient te gelden ten 
aanzien van de toepassing van de 
verzekerings– en premieplicht van 
gelegenheidsarbeid in de agrarische 
sector? 

Deelt u de mening, dat de eventuele 
vernietiging van de regeling de 
agrarische sector, gezien het feit dat 
de periode van oogstpieken reeds 
gaande is, voor onoverbrugbare 

problemen plaatst? 

Bent u voornemens alvorens een 
definitief oordeel te geven over het 
voorstel van de Toezichtkamer over 
dit ontwerp met het agrarisch 

bedrijfsleven en de BVTAB van de 
gedachten te wisselen? 

BVTAB = Bedrijfsvereniging voor de 
Tabaksverwerking en agrarische 

bedrijven. 

23juni 1994 
Tweede Kamer Noten TK81 


