54ste vergadering: Bijzondere 
Commissie voor het 
jeugdwelzijnsbeleid* en vaste 
Commissie voor justitie** 

Maandag 17 juni 1991 
Aanvang 11.15 uur 

Voorzitter: Dijkstal 

Aanwezig zijn 11 leden der Kamer, te 
weten: 

Leerling, Lankhorst, Laning-Boerse– 
ma, Doelman-Pel, Soutendijk-van 
Appeldoorn, Vliegenthart, Versnel– 
Schmitz, Van Middelkoop, Van der 
Vlies, Korthals en Dijkstal, 

en de heer Kosto, staatssecretaris 
van Justitie, die vergezeld is van 

enige ambtenaren. 

De voorzitter Ik heet een ieder 
welkom. In overleg met de minister 
van WVC is afgesproken, dat zij hier 
vandaag niet aanwezig zou zijn. Het 

is niet ondenkbaar dat er vragen 
worden gesteld die haar portefeuille 

regarderen. De regering spreekt 

echter met één mond. De staatsse– 

cretaris van Justitie heeft zich ook 

laten vergezellen van ambtenaren 
van het ministerie van WVC. 

Aan de orde is de behandeling van: 

- het rapport van de subcom– 
missie Kinderbescherming: 
Rechtzetten (21818); 
- de nota Justitiële jeugdbe– 
scherming (21980) 
De beraadslaging wordt geopend. 

D 

Mevrouw Laning-Boersema (CDA): 
Voorzitter! Bij de totstandkoming van 
de Wet op de jeugdhulpverlening 
speelden vooral de rapporten IWAPV 
en IWRV een grote rol. Onderliggen– 
de gedachte was de wens om op het 
terrein van de jeugdhulpverlening de 
schotten tussen de onderscheidene 
circuits te doen verdwijnen. Onze 
overleden collega Gerrit Mik 

verwoordde dat namens velen van 
ons, toen hij in 1985 zei: "De 
bastions van Justitie en Volksge– 
zondheid staan nog stevig overeind, 
straks alleen verbonden door 
netwerken van samenwerkingsver– 
banden en nevels van goede wil. Van 
echte samenwerking en een gemeen– 
schappelijke visie op het in moeilijk– 
heden verkerende kind is nog steeds 
geen sprake." 

Het tot stand komen van de Wet 
op de jeugdhulpverlening, enkele 
jaren later, was erop gericht om de 
diverse circuits samen te brengen en 
om één, door alle departementen 
gedragen visie op de jeugdhulpverle– 
ning te bewerkstelligen. Vooral het 
departement van Justitie bleek zeer 
veel moeite te hebben met deze 
benadering. Op dit moment kan de 
CDA-fractie zich niet aan de indruk 
onttrekken dat met het effectueren 
van wat de nota noemt "accentver– 
schuiving naar justitieel ingrijpen" de 
klok weer wat wordt teruggezet en 
een deel van het bij de totstandko– 
ming van de Wet op de jeugdhulp– 
verlening beoogde, teniet wordt 
gedaan. In de nota is meer te 
proeven van repressie en minder van 
preventie. Zeker, in de nota staat dat 
er in dit verband goed moet worden 
samengewerkt met andere jeugd– 
hulpverleningssectoren, maarwij 
blijven van mening dat justitiële 
preventie — voor zover je tenminste 
van justitieel kunt spreken — meer is 
dan het structureel participeren in 
regionale samenwerkingsverbanden. 
Van alle mogelijke maatregelen en 
ideeën die indertijd zijn toegezegd en 
naar voren gebracht, vinden wij in 
deze nota's niets terug. Ik noem de 
nadere ontwikkeling van de metho– 
diek "vindplaats gericht werken", het 
scheppen van laagdrempelige 
pedagogische adviesmogelijkheden 

en het opzetten van het instituut 

"jeugdraadsman". 

Het gebrek aan gedachten over 
preventieve interventie bij ontsporen– 
de allochtone jongeren valt met 
name op als voor deze groep alleen 
de nieuw te scheppen detentiecapa– 
citeit voor Marokkaanse jeugdigen 
als actiepunt wordt opgevoerd. Wij 
vernemen graag hoe het denken over 
de positie van het departement van 
Justitie in de jeugdhulpverlening zich 
ontwikkeld heeft en in hoeverre de 
staatssecretaris nog staat voor wat 
daarover in het voortraject en bij de 
behandeling van de Wet op de 
jeugdhulpverlening, ook door de 
regering, is verwoord. 

De CDA-fractie stemt in met de 
algemene benadering van de 
staatssecretaris, waar hij stelt dat hij 
niet twijfelt aan de inzet, kwaliteiten 
en motivatie van de medewerkers 
van de raden voor de kinderbescher– 
ming. Over de aanwending van die 
inzet en kwaliteit gaat deze UCV. 
Onze fractie acht het een goede zaak 
dat zowel de regering, getuige deze 
nota, als de commissie-Gijsbers in 
opdracht van de regering en de 
commissie-Vliegenthart namens de 
Kamer, dit terrein onderzocht hebben 
om op de maatschappelijke onvrede 
en het maatschappelijk onbegrip een 
bevredigend antwoord te kunnen 
geven. Wij vinden het met name een 
uitstekende zaak dat de Kamer, met 
de rapportage van de commissie– 
Vliegenthart, heeft bewezen duidelijk 
en snel op signalen uit de samenle– 
ving te kunnen inspelen. Wij waarde– 
ren het dat de staatssecretaris 
nadrukkelijk de rapporten van de 
beide commissies in zijn beschou– 
wingen heeft opgenomen. De 
bijlagen waarin de aanbevelingen van 
beide commissies systematisch zijn 
behandeld, zijn helder in hun 
benadering Op de inhoudelijke 

Bijzondere Commissie voor het 
jeugdwelzijnsbeleid en vaste 17 juni 1991 
Commissie voor justitie Justitiële jeugdbescherming UCV54 54-1 


Laning-Boersema 

aspecten komen we in onze bijdrage 

allicht terug. 

Een onvolkomenheid in de nota 
acht de fractie dat de regering niet 
de kans gegrepen heeft om te komen 
tot een fundamentele herbezinning 
op en een eventuele herziening van 
het takenpakket voor de raden voor 
de kinderbescherming. Op grond van 
de overweging, wat tot de primaire 
verantwoordelijkheid van de overheid 
gerekend moet worden, moet er 
sprake kunnen zijn van bezinning op 
de wezenlijke taak van de raden. In 
dat kader stelt de CDA-fractie voor, 
te komen tot een herformulering van 
kerntaken van de raden. Naar ons 
oordeel kunnen de ambtshalve 
functies bij adoptie en echtscheiding, 
alsmede de financiële taken, uit het 
pakket. De eerste zouden kunnen 
overgaan naar de gespecialiseerde 
instellingen die zich met adoptie 
bezighouden, de tweede zouden 
zonder tussenkomst van de raden 
overgelaten kunnen worden aan de 
ouders en de rechter. In gesprekken 
met het veld blijkt dat hiervoor wel 
enig draagvlak te vinden is. Wij 
wijzen in dit verband op een rede van 
de heer A. van Montfoort en op het 
rapport van de Raad voor het 
jeugdbeleid. Mijn collega, mevrouw 
Soutendijk, zal een en ander juridisch 
en cijfermatig nog onderbouwen en 
nader ingaan op de mogelijkheid van 
het overdragen van financiële taken. 

Voorzitter! In het kader van 
harmonisatie en het creëren van 
eenduidig beleid lijkt het ons verder 
goed om te komen tot een harmoni– 
satie van werkwijze na melding van 
ernstige problemen van en met 
jeugdigen. Die melding vindt thans 
plaats op verschillende stations. Hoe 
zo'n melding of noodkreet af te doen, 
vraagt om een vaste code, of zo u 
wilt programmering, zodat zeker is 
dat dergelijke eerste meldingen 
eenzelfde tempo van afhandeling en 
eenzelfde methodiek van behande– 
ling zullen kennen. Naast de justitiële 
kinderbescherming is er een 
hulpverleningsroute ontstaan die je 
als "informal justice" zou kunnen 
duiden, en waarbij in ieder geval de 
waarborgen van het formele recht 
ontbreken. Het heeft de CDA-fractie 
wat verbaasd dat het instituut 
vertrouwensartsen niet ter sprake 
komt in de nota, niet alleen omdat bij 
dat instituut zeer veel deskundigheid 
aanwezig is op dit zo met voetangels 
en klemmen bezaaide terrein, maar 
vooral omdat deze werksoort zeer 
verwant is aan die van de raden voor 

de kinderbescherming. Wat opvalt, is 
echter dat datgene wat wij voor de 
raden zo zorgvuldig trachten te 
regelen, namelijk de juridische basis 
voor hun optreden, ontbreekt bij het 
instituut vertrouwensartsen. De 
commissie, bedoeld om vorm te 
geven aan de juridische grondslag 
van deze werksoort, hult zich al vier 
jaar in stilzwijgen. Wij hadden de 
bedoeling, vandaag voor te stellen 
om deze commissie maar op te 
heffen bij gebrek aan baten. We 
zagen echter dat de regering dit 
weekeinde in een brief aankondigde 
dat begin juli de reeds lang verwach– 
te rapportage zal worden geleverd. 
Daarom wil ik daar voorlopig nog 
even op wachten. 

Hoewel de staatssecretaris stelt 
dat de bescherming van het kind 
centraal staat, komt naar de mening 
van de CDA-fractie het subject van 
de nota, het kind dus, te weinig aan 
bod. Het kind wordt te veel als object 
van zorg, als passieve partij, be– 
schouwd. In het rapport "Rechtzet– 
ten" komt in één van de verslagen 
van de ronde-tafelgesprekken wel 
een vertegenwoordiger van de bond 
van minderjarigen aan bod. De heer 
Van Megchelen stipte naar onze 
mening een kernprobleem aan: "Als 
er een probleem is tussen kind en 
ouders slaat het op beide partijen. 
Het zou goed zijn als er goede 
hulpverleners waren die, zoekende 
naar een oplossing, dit trachten uit te 
praten met zowel ouders als 
kinderen. Ik denk echter dat het 
ontbreekt aan mensen die dit goed 
kunnen, die dus zowel de ouders als 
het kind goed begrijpen en die 
daartussen een goede dialoog op 
gang kunnen brengen". 

Ook dit aspect van hulpverlening 
zal aandacht moeten krijgen bij de 
deskundigheidsbevordering. Er zijn 
instellingen die daar al bewust mee 
bezig zijn. Ze begeleiden in een gezin 
met twee werkers èn kind èn ouders. 
Dit tweesporenbeleid voorkomt in 
ieder geval heel duidelijk het 
isolement van één der partijen, 
meestal de ouders, in problematische 
gezinssituaties. Die methodiek moet 
ons inziens nader uitgewerkt en 
gestimuleerd worden. Het kan veel 
verdriet en werk in een latere fase 
voorkomen Daarnaast is de CDA– 
fractie van mening dat het kind recht 
heeft op een volwaardige benade– 
ring, dat houdt voor ons in dat: 

- goede en begrijpelijke voorlichting 
aan het kind wordt gegeven, en dan 
het liefst in normaaltaal, zoals de 
afgevaardigden naar de VN-kinder– 

top dat zo fraai noemden; 

- een goede toegang tot de klachten– 
regeling ook aan het kind geboden 
wordt; 
- wij op dit moment niet (opnieuw) 
de discussie willen aangaan over de 
wenselijkheid of onwenseiijkheid van 
een (in)formele rechtsingang. Wel 
houden wij de staatssecretaris aan 
zijn toezegging om voor de zomer 
van 1992 te komen met een 
evaluatie van de informele rechtsin– 
gang in het omgangsrecht. Wij 
verzoeken hem dan ook mee te 
nemen een inventarisatie van de 
wijze, waarop de kinderrechters 
thans omgaan, uit eigener beweging, 
met het ontvangen van kinderen op 
het spreekuur. Het gaat dan om 
bijvoorbeeld de frequentie, het 
reageren op brieven, klachten 
enzovoorts. 
Evenals de commissie-Vliegenthart 
stelt de staatssecretaris op diverse 
plaatsen een scherpere wettelijke 
formulering of nadere, duidelijke 
criteria voor. Wij zijn het daar op 
zichzelf niet mee oneens, maar wij 
zijn beducht voor te hoge verwach– 
tingen van wet– en regelgeving. Het 
terrein waar de jeugdbescherming 
betrekking op heeft en de beslissin– 
gen die daar moeten worden 
genomen, hebben een volstrekt eigen 
karakter. De grote gevoeligheid 
daarvan maakt zorgvuldig optreden 
noodzakelijk. Daarom zijn wij van 
mening, dat de aandacht voor 
rapporten, motivering, inzage en 
dergelijke terecht is. Wij pleiten er 
dan ook voor om al in de opleidings– 
fase — dat geldt ook voor de 
docenten — aandacht te besteden 
aan de eisen voor een deugdelijke 
rapportage. Deze rapportage hoeft 
naar de mening van de fractie van 
het CDA niet in alle gevallen te leiden 
tot een nauwkeurig omschreven 
advies aan de rechter. Naar ons 
oordeel heeft het ook een duidelijk 
informerend en voorlichtend 
karakter. De afweging en beslissing 
zijn voorbehouden aan de rechter. 
Dat moet ook duidelijk zichtbaar zijn 
aan partijen in geding. 

De fractie kan zich daarom vinden 
in de door de staatssecretaris 
beargumenteerde afwijzing van het 
recht op contra-expertise in alle 
gevallen. Wel zijn wij van mening, dat 
de procedure bij de rechtbank 
zodanig bij wet dient te worden 
aangepast, dat ruimte wordt 
geboden aan de ouders om voor 
eigen rekening zelf een contra-rap– 

Bijzondere Commissie voor het 
jeugdwelzijnsbeleid en vaste 17 juni 1991 
Oommissie voor justitie Justitiële jeugdbescherming UCV54 54-2 


Laning-Boersema 

port te laten verrichten, ook daar 

waar de rechter zelf geen behoefte 

zegt te hebben aan een dergelijk 

rapport. Dit rapport dient vanzelf– 

sprekend wel door de rechter te 

worden meegewogen in het oordeel. 

Terecht wordt gesteld, dat de 

motiveringsplicht van de rechter 

inhoudelijk dient te worden aange– 

scherpt; geen standaard– en geen 

stempelvonnissen. 

Overigens is onze fractie er bij de 
bestudering van de antwoorden op 
onze vragen over de positie van de 
externe deskundigen nog sterker dan 
voorheen van overtuigd geraakt, dat 
de versterking van de deskundigheid 
van de raadsonderzoekers en de 
toegevoegde interne specialisten 
voorrang moet hebben boven het 
aantrekken van externe deskundig– 
heid, te meer omdat het inzagerecht 
zich kennelijk niet zonder meer 
uitstrekt tot het door externe 
deskundigen uitgebrachte rapport — 
dit is wel het geval als het verwerkt is 
in het andere, maar dat kan nog heel 
wat moeilijkheden opleveren — en 
ook omdat er bij het klachtrecht met 
betrekking tot een externe deskundi– 
ge een andere weg dient te worden 
gevolgd. Dat schept eveneens 
verwarring. 

De CDA-fractie is het met de 
commissies-Gijsbers en –Vliegenthart 
eens, dat er extra waarborgen 
moeten komen voor de ouders. 
Daarom steunen wij de aanbeveling 
om te komen tot extra waarborgen 
voor ouders bij de problematiek van 
wegloopkinderen. Wij vrezen echter 
dat een extra waarborg, bestaande 
uit een toevoeging van artikel 280, 
lid 3 Wetboek van Strafrecht, 
inhoudende "dat melding aan 
degene die het gezag over de 
minderjarige uitoefent zo spoedig 
mogelijk plaatsvindt" onvoldoende is. 
De begrippen "melding" of "op de 
hoogte brengen" duiden echter niet 
op de intentie om bijvoorbeeld het 
behandelingsplan of de aard van de 
hulpverlening met de ouders te 
bespreken. Hier zouden wij zeer voor 
willen pleiten, te meer omdat wij van 
mening zijn, dat er nog zeer veel 
aandacht nodig is voor de relatie 
ouder/kind, juist in het belang van 
het kind, dat in de toekomst wel weer 
losraakt van de hulpverleners, maar 
niet van zijn wortels, het ouderlijk 
gezin. Daarom moet juist in wegloop– 
situaties de band die er naar wij 
hopen nog is, niet worden verbroken. 
De CDA-fractie beoordeelt het 
voornemen van de staatssecretaris 

om het begrip "zorgvuldige hulpver– 

lening" nader te omschrijven, dan 

ook positief. Dit geldt bij wegloopsi– 

tuaties ook voor het openen van de 

mogelijkheid tot toetsing door de 

raad van de noodzaak tot hulpverle– 

ning. 

Wij ondersteunen graag het 
pleidooi voor een onafhankelijke 
interdepartementale inspectie 
jeugdhulpverlening, aangehaakt bij 
het staatstoezicht, het gehele veld 
omvattend. Dat lag ook in de 
bedoeling van de moties die 
mevrouw Soutendijk en ik tot twee 
keer toe met steun van de gehele 
Kamer indienden. De staatssecretaris 
kondigt aan, nader overleg te voeren 
over de noodzakelijke wijzigingen in 
regelgeving en organisatorische 
aanpassing. Volgens de antwoorden 
is dit overleg met de bewindslieden 
van WVC nog steeds niet afgerond. 
Graag enige spoed. Onzes inziens 
zouden ook de justitiële rijksinrichtin– 
gen dienen te gaan behoren tot het 
takenpakket van deze onafhankelijke 
inspectie. Dat vergt aanpassing van 
wetgeving. 

De vraag rijst of het opnemen van 
categorale voorzieningen in het 
justitiële circuit, bijvoorbeeld de 
residentiële behandeling van 
Marokkaanse jongeren, een gewen– 
ste ontwikkeling is. Wij gaan uit van 
de stelling: algemeen waar mogelijk, 
categoraal waar nodig. Wordt hier 
bewust voor deze weg gekozen? 
Maakt de problematiek dit onont– 
koombaar? Werkt de voorrangsrege– 
ling niet? Wel een goede weg lijkt 
ons het mogelijk maken van een 
behandelplan, waarbij gesloten 
opvang kan worden gerealiseerd, 
naast opvang met meer bewegings– 
vrijheid, al naar gelang de behande– 
ling dat vergt. 

Deze nota is een onderdeel van 
justitieel beleid in beweging. Wij 
zouden graag zien dat ook na deze 
nota het beleid in beweging blijft en 
zich permanent verbetert, omdat in 
situaties waar jeugdbescherming in 
welke zin dan ook noodzakelijk is, het 
om zaken gaat die mensen, ouders 
en kinderen, vaak raken in de kern 
van hun bestaan. 

D 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): Mijnheer de voorzitter! 
Ik zal in aanvulling op mevrouw 
Laning enkele opmerkingen maken. 
Ik wil beginnen met de positie van de 
kinderrechter. De CDA-fractie vindt 

het juist dat de staatssecretaris de 
aanbeveling van met name de 
commissie-Vliegenthart volgt om te 
komen tot een volledige scheiding in 
de taken van de rechter en de 
gezinsvoogdij. De kinderrechter zal 
volgens de plannen worden ontheven 
van de uitvoerende taken met 
betrekking tot de ondertoezichtstel– 
ling ten einde aldus een voor alle 
betrokkenen duidelijke scheiding te 
bewerkstelligen tussen recht en hulp. 
Over de uitvoering bestaat bij ons 
echter nog geen algehele duidelijk– 
heid. Wij zouden graag willen weten 
in hoeverre er in de toekomst 
regelmatig over het functioneren van 
de ondertoezichtstelling, het toezicht 
daarop en de uitvoering daarvan door 
de voogdij– en de gezinsvoogdij-in– 
stelling wordt gerapporteerd aan de 
kinderrechter. Wie krijgt, onder welke 
omstandigheden, de bevoegdheid 
om problemen aan te kaarten? Wij 
vragen ons ook af of in die nieuwe 
constructie de kinderrechter 
ambtshalve een bepaalde actiemoge– 
lijkheid wordt toegedacht. Graag 
krijgen wij in deze UCV wat meer 
duidelijkheid over de plannen ter 
zake, zodat wij bij komende wetge– 
ving op dit punt niet voor verrassin– 
gen komen te staan. 

Ik wil nog een opmerking terzijde 
maken over het functioneren van de 
kinderrechter binnen de rechtbank. 
Het lijkt erop dat deze rol zich steeds 
verder ontwikkelt tot een specialis– 
me, waar de andere rechters eigenlijk 
niet in participeren. Specialisatie, 
zeker op dit gebied, lijkt ons niet 
slecht, maar ook het roulatiesysteem 
binnen de rechtbank wordt door ons 
als zeer waardevol beoordeeld. Een 
brede ervaring en breed blikveld 
komen onzes inziens ook het werk 
van de kinderrechter ten goede. 
Bovendien voorkomt het dat men al 
te zeer emotioneel betrokken raakt bij 
de kinderproblematiek. Het voorkomt 
een zekere paternalistische houding 
van de kinderrechters, waarover bij 
ons regelmatig klachten binnenko– 
men. Het voorkomt dat men denkt de 
zaak te kunnen afdoen met standaar– 
dmotiveringen en vergeet dat 
daardoor voor betrokkenen heel 
weinig inzichtelijk wordt wat de 
argumenten zijn voor de beslissing 
van de rechter en het bemoeilijkt de 
aanvaarding door de betrokkenen 
van de beslissing van de rechter, 
omdat men als het ware geconfron– 
teerd wordt met een soort "bezwe– 
ringsformule" en daarmee is de zaak 
afgedaan. Wij doen dus een klem– 

Bijzondere Commissie voor het 
jeugdwelzijnsbeleid en vaste 
Commissie voor justitie Justitiële jeugdbescherming 
17 juni 1991 
UCV54 54-3 


Soutendijk-van Appeldoorn 

mend beroep op de staatssecretaris 

om nadere inlichtingen hierover te 

geven en om zijn invloed aan te 

wenden om te zorgen dat binnen de 

rechtbank het beleid in ieder geval 

ook gericht wordt op een zekere 

roulatie binnen het veld, waarbij ook 

de kinderrechter wordt betrokken. 

De staatssecretaris volgt de 
commissie-Vliegenthart niet wat 
betreft de aanbeveling om de 
ondertoezichtstelling met en zonder 
uithuisplaatsing van elkaar te 
scheiden en evenmin wat betreft het 
leggen van het initiatief daartoe bij 
de verzoeker. De CDA-fractie hecht 
niet zozeer aan de naamgeving — of 
het OTS-plus of OTS-min moet zijn 

— maar wij vinden wel dat aan 
betrokkenen vooraf duidelijk moet 
zijn waaruit de maatregel zal gaan 
bestaan. Daarover moet bijvoorbeeld 
in een werkplan duidelijkheid, maar 
ook gebondenheid worden geboden. 
Een verplicht en bindend werkplan 
moet in overleg met betrokkenen 
vooraf worden opgesteld. Partijen 
dienen zich daarmee te verenigen, 
maar ze dienen zich daar ook aan te 
houden. Een werkplan met een OTS 
zonder een uithuisplaatsing moet niet 
eenzijdig door een gezinsvoogdij-in– 
stelling kunnen worden omgezet in 
een ondertoezichtstelling met een 
uithuisplaatsing. Wil men toch een 
uithuisplaatsing dan zal men opnieuw 
over het werkplan dienen te overleg– 
gen. Duidelijkheid en rechtzekerheid 
dienen in deze zaak aan alle betrok– 
kenen en met name ook aan ouders 
te worden geboden. Komt men er in 
het overleg niet uit, dan zal men naar 
de rechter moeten, die dan de knoop 
moet doorhakken. Deze benadering 
staat ons als meest wenselijk voor 
ogen. Wij vragen ons sterk af of de 
huidige wet daarvoor voldoende 
aanknopingspunten biedt. Als dat zo 
is, is voor ons de OTS-plus of –min 
niet nodig, maar als de wet die 
aanknopingspunten niet biedt, dan 
komt de zaak anders te liggen en 
moeten wij toch overwegen om een 
dergelijke maatregel te introduceren. 
Een min of meer vergelijkbare 
redenering gaat voor de CDA-fractie 
op voor de maatregel van hulp en 
steun. Wij staan tamelijk sceptisch 
tegenover deze nieuwe maatregel. 
Wij zien de problemen wel met de 
huidige maatregelen, maarwij vragen 
ons af of met de voorgestelde 
nieuwe maatregel die problemen uit 
de wereld zijn. 

Het klinkt namelijk nogal idealis– 
tisch als van de hulpverlener wordt 

verwacht dat er een vertrouwens– 
band met hem of haar moet ontstaan 
om de maatregel tot een succes te 
laten worden. Juridisch klinkt het een 
en ander nogal gewrongen als aan de 
ene kant het ouderlijk gezag intact 
blijft, maar aan de andere kant de 
ouders kennelijk onder deze maatre– 
gel niets meer te zeggen lijken te 
hebben. 

Het in de stukken naar voren 
komende enthousiasme van de 
staatssecretaris scheen gebaseerd te 
zijn op buitenlandse ervaringen. Het 
leek ons op zichzelf een goede 
gedachte om op buitenlandse 
ervaringen te teren. Het antwoord op 
onze schriftelijke vragen naar een 
uiteenzetting van deze positieve 
buitenlandse ervaringen doet 
vermoeden dat men in het geheel 
niet van buitenlandse ervaringen op 
de hoogte is, omdat de staatsscreta– 
ris antwoordde dat het veel te veel 
tijd zou vergen om al deze ervaringen 
te verzamelen en weer te geven. 
Aldus is onze aarzeling over deze 
maatregel alleen maar groter 
geworden en kunnen wij vandaag 
nog geen groen licht ter zake geven. 

Ik wil nu iets zeggen over de 
financiële onderbouwing van de 
plannen. Deze wordt grotendeels 
gevonden in herschikking. Een deel 
komt uit gelden die zijn toegezegd in 
het kader van het regeerakkoord. 
Ons is nog steeds niet helemaal 
duidelijk of helemaal niet duidelijk 
geworden wat wij nu inleveren voor 
de kwaliteitsverbeteringsplannen en 
andere plannen zoals die uit de 
voorstellen van de staatssecretaris 
naar voren komen. Graag willen wij 
vandaag een samenhangende 
uiteenzetting hierover krijgen zodat 
wij weten wat wij inleveren en wat wij 
ervoor in de plaats krijgen. 

Meer klemmend is, dat in het kader 
van de Tussenbalans nog eens een 
bedrag van 20 mln. afgaat van het 
geld dat op de een of andere manier 
bij elkaar was gesprokkeld voor 
verbetering van de justitiële kinder– 
bescherming. Over de invulling van 
die 20 mln. in het kader van de 
Tussenbalans hebben wij lange tijd 
niets gehoord. In de brief van 11 
april geeft de staatssecretaris kort 
een uiteenzetting van zijn plannen. 
Inmiddels hebben wij gehoord dat 
het beruchte overleg te Veldhoven 
achter de rug is. Wij menen daaruit 
te kunnen afleiden dat met een 
stuurgroep aan de nadere invulling 
wordt gewerkt. 

Staatssecretaris Kosto Waar haalt 
mevrouw Soutendijk vandaan dat het 
overleg in Veldhoven "berucht" zou 
zijn geweest? Ik zou geneigd zijn, te 
spreken in termen van "beroemd". 
Tijdens dat overleg is een grote 
neiging tot samenwerking tussen 
departement en veld geconstateerd. 

De voorzitter: De staatssecretaris is 
berucht om dit soort vragen! 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): Als u dat overleg als 

"beroemd" wilt betitelen... Wij 

hebben gehoord dat dit echt een 

beruchte bijeenkomst is geweest. 

Over het penitentiair reclasserings– 
werk is in de UCV over Recht in 
beweging al het nodige gezegd. Ik ga 
daarop vandaag dus niet in. Ik wil 
beginnen met iets te zeggen over de 
plannen tot besparing op de 
overheadkosten van de drie sectoren: 
raden voor de kinderscherming, 
instellingen voor gezinsvoogdij en de 
reclassering. Die plannen, Ik kan er 
niet omheen, baren de fractie van het 
CDA zeer veel zorgen. Om eens wat 
te noemen: het plan om de reclasse– 
ring samen te voegen met raden voor 
de kinderbescherming en instellingen 
voor gezinsvoogdij doet nogal 
vreemd aan nu de reclassering 
ternauwernood een verzelfstandi– 
gingsproces en een reorganisatie 
achter de rug heeft. Nu wordt men 
alweer betrokken bij een dergelijke 
operatie. Is dat in lijn met in het 
verleden gewekte verwachtingen? 
Bovendien, en wij vinden dat veel 
ernstiger, zou de reclassering een 
"Fremdkörper" worden in het 
jeugdhulpverleningscircuit waar juist 
de raden voor de kinderbescherming 
en de gezinsvoogdij-instellingen toe 
behoren. Dat zet naar onze mening 
de jeugdhulpverlening op haar kop. 

Aan de andere kant heeft de Raad 
voor de kinderbescherming op 
weloverwogen gronden tot nu toe 
een overheidsstatus. De andere twee 
organisatorisch samen te voegen 
instellingen kennen, terecht, een 
andere private structuur. Hoe valt dit 
nu te rijmen? Moet de raad worden 
geprivatiseerd? Ook over die vraag 
bestaat volgens ons geen duidelijk– 
heid. Aan de andere kant zijn er veel 
gezinsvoogdij-instellingen. Wij 
nemen aan dat daar op de overhead 
aanzienlijk valt te besparen. Ik meen 
echter dat dit proces al in gang is 
gezet met name door de schaalver– 
groting waartoe de Wet op de 
jeugdhulpverlening heeft aangezet. 

Bijzondere Commissie voor het 
jeugdwelzijnsbeleid en vaste 17 juni 1991 
Commissie voor justitie Justitiële jeugdbescherming UCV54 54-4 


Soutendijk-van Appeldoorn 

Bovendien zijn deze instellingen 
veelal niet tot het arrondissement 
beperkt en komen overschrijdingen 
van de arrondissementsgrenzen hier 
regelmatig voor. De vraag is dan: wat 
moet er worden samengevoegd? 
Kortom, er zijn voor ons nog heel wat 
onduidelijkheden met name over de 
gedachte achter deze plannen. Ik 
neem aan, dat de staatssecretaris 
achter deze plannen gedachten heeft 
gehad. Voor ons komt het over, alsof 
de departementale structuur, waar 
reclassering, raden voor de kinderbe– 
scherming en gezinsvoogdij-instellin– 
gen nu eenmaal onder één directie 
vallen, toch van doorslaggevende 
betekenis is geweest. Ik hoop, dat ik 
dat fout zie, want dat zou betekenen, 
dat niet de inhoudelijkheid van het 
werk, maar de structuur op het 
departement beslissend zou zijn 
geweest. Ik hoor graag van de 
staatssecretaris, dat het anders is. 
Dit plan gaat onzes inziens dwars in 
tegen de integratie binnen de 
jeugdhulpverlening, waar de Kamer 
steeds voor heeft gepleit. Integratie 
van de hulp, of die nu valt onder 
Justitie en WVC, was onze opzet. 
Deze plannen lijken, wat dat betreft 
een stap achteruit. De staatssecreta– 
ris zal die dan ook, wat ons betreft, 
moeten heroverwegen. Op overhead 
besparen is goed, maar het moet wel 
passen in het uitgestippelde beleid. 

Ik kom thans te spreken over de 
plannen tot afstoting van de financië– 
le taken van de raad. Het gaat hier 
niet echt om een kerntaak van de 
overheid. Wat de financiële afdelin– 
gen doen, vergemakkelijkt het 
inningsproces, levert dus winst op en 
het voorkonmt veel ellende en 
conflicten, met name omgangsexe– 
cutie. Dank zij de uitgebreide kennis 
en bevoegdheden wordt heel wat 
positiefs bereikt door die financiële 
afdelingen. Desondanks wil de fractie 
van het CDA niet spreken over een 
kerntaak en is afstoting bespreek– 
baar. De staatssecretaris denkt met 
die afstoting zo'n7 mln. te besparen. 
Niet duidelijk is, of daarop al de 
kosten van een sociaal plan en 
wachtgeldverplichtingen in minde– 
ring zijn gebracht. Ook is niet 
duidelijk of de staatssecretaris zich 
zal inzetten voor herplaatsing van de 
250 werknemers, die nu op die 
afdelingen werken. Is er een of 
andere wijze bedacht, waarbij de 
kennis van deze mensen bijvoorbeeld 
bij de gemeentelijke sociale diensten 
verder kan worden benut? 

De CDA-fractie heeft zich, gelet op 

de eerder gememoreerde voordelen 
van de financiële afdelingen gebogen 
over de vraag, of het niet mogelijk is 
deze voordelen in een of andere 
vorm te behouden. Wij zijn tot de 
conclusie gekomen, dat het wenselijk 
is, dat de gedachten, zoals die uit het 
onderzoek van Deloitte en Dien 
destijds naar voren zijn gekomen en 

meer recent weer onder onze 
aandacht zijn gebracht in de reactie 
van de Vereniging van secretarissen 
van de raden voor de kinderbescher– 
ming van mei jl. op de Tussenbalans 
en de financiële taken van de raden 
voor de kinderbescherming, nader 
worden uitgewerkt. Het lijkt ons 
wenselijk te komen tot een zelfstan– 
dig orgaan, dat zorg gaat dragen 
voor de vaststelling en de inning van 
de forfaitaire kinderalimentatie en 
ook voor de vaststelling en de inning 
van de ouderbijdragen, zoals die in 
het kader van de jeugdhulpverlening 
in de toekomst moeten worden 
vastgesteld en geïnd, zoals in het 
wetsvoorstel wordt geformuleerd. 
Dat orgaan moet dus niet alleen de 
taken van de rechter en de financiële 
afdelingen vervangen, maar ook de 
taken, zoals die thans op beide 
departementen worden uitgeoefend. 
Dat is in onze ogen verzelfstandiging, 
efficiency en de trap van bovenaf 
schoon vegen, waarvoor wij altijd 
hebben gepleit. Dat bespaart 
rechterswerk, ongeveer 12 mln., dan 
kan besparen op de financiële taken 
van de raden ter grootte van die 7 
mln. Ik hoor graag van de staatsse– 
cretaris, wat het inhoudt aan 
besparingen op de departementen. 
Ook een volledig automatiseren van 
de berekeningssystematiek, waartoe 
forfaitaire berekening van kinderali– 
mentatie mogelijkheden biedt, moet 
veel geld kunnen besparen. Boven– 
dien zou dat orgaan moeten beschik– 
ken over vereenvoudigde inningsmid– 
delen, zoals de financiële afdelingen 
op dit moment daarover beschikken. 
Voor ons is ook bespreekbaar en 
acceptabel aan de alimentatieplichti– 
ge kosten in rekening te brengen 
voor de incasso. Wij zien heel wat 
mogelijkheden in dit model, waarbij 
wellicht in de toekomst ook de 
studiefinanciering en de verhaals– 
plicht in het kader van de bijstands– 
wet kunnen worden betrokken. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Wie krijgt de boeteclausule? De 
ontvanger van de kinderalimentatie 
of degene die verplicht is die te 
betalen? 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): Degene die daartoe 
verplicht is. 

Onze "opdracht" aan de staatsse– 
cretaris luidt dan ook om te zamen 
met zijn collega van WVC dit model 
nader uit te werken. In deze opzet 
zou in ieder geval een groot deel van 
het personeel van de financiële 
afdelingen weer kunnen worden 
ingezet. 

D 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): 
Voorzitter! De reden dat de kamer– 
commissies anderhalf jaar geleden 
besloten tot het doen van onderzoek 
naar het functioneren van de 
kinderbescherming was dat door 
klachten en kritiek de maatschappe– 
lijke steun voor het bestaan en het 
optreden van organisaties voor 
kinderbescherming in het geding was 
gekomen. Als volksvertegenwoordi– 
gers werden wij daarop direct 
aangesproken. 

Onderwerp van kritiek lijken veelal 
de maatschappelijk werker, de 
kinderrechter en de gezinsvoogd te 
zijn. Bovendien spelen zij ook nog 
onder een hoedje. Bestudering en 
analysering van de klachten leert dat 
die maatschappelijk werker, die 
kinderrechter en die gezinsvoogd 
voor de burger die met de kinderbe– 
scherming in aanraking komt de 
personificatie van het systeem 
vormen. De macht die de overheid bij 
wet gegeven is om in bepaalde 
situaties in te grijpen in het ouderlijk 
gezag wordt ervaren als willekeur en 
een gevoel van machteloosheid 
overheerst. 

Tussen subjectieve beleving en 
objectieve werkelijkheid zitten 
natuurlijk verschillen. De subjectieve 
beleving wordt in hoge mate bepaald 
door de persoonlijke belangen die in 
het geding zijn. De vraag is hoe die 
werkelijkheid in elkaar zit. Zit in de 
subjectieve beleving van de burgers 
die ermee te maken hebben geen 
objectieve kern van waarheid? Het is 
zo gemakkelijk gezegd dat kinderbe– 
scherming nu eenmaal betrekking 
heeft op emotionele en diep 
ingrijpende zaken en dat daarom de 
emoties zo hoog oplopen Hoe vaak 
horen wij niet dat klachten op dit 
terrein erbij horen? Het is ongetwij– 
feld waar, maar mag dat een reden 
zijn om aan die klachten voorbij te 
gaan? 

Een dergelijke houding heeft er 
lang toe bijgedragen dat niet serieus 

Bijzondere Commissie voor het 
jeugdwelzijnsbeleid en vaste 17 juni 1991 
Commissie voor justitie Justitiële jeugdbescherming UCV54 54-5 


Vliegenthart 

geluisterd werd of er geen kern van 
waarheid in de klachten en de kritiek 
school. Dat leverde voor de betrok– 
ken burgers een bevestiging op van 
hun oordeel over het systeem van 
kinderbescherming: een machtsbol– 
werk waar de burger buitenspel 
staat. Ook voor ons is het de vraag of 
er tegenover de macht van het 
systeem wel voldoende controle 
staat. Op basis van een analyse van 
de klachten heeft de subcommissie 
de conclusie getrokken dat het 
systeem van de kinderbescherming 
wat betreft de rechtswaarborgen 
voor de burger te kort schiet. Dit is 
wat mij betreft het eerste kernpunt 
van de discussie over het toekomsti– 
ge beleid ten aanzien van de 
kinderbescherming. 

Het tweede kernpunt is de positie 
van de kinderbescherming, de 
justitiële jeugdbescherming, in het 
totaal van de jeugdhulpverlening. 
Allereerst wil ik iets zeggen over de 
rechtswaarborgen. Rechtswaarbor– 
gen hebben betrekking op de normen 
in de wet op grond waarvan kan 
worden ingegrepen door de over– 
heid, op de procedures en de 
zorgvuldigheid waarmee deze 
toegepast worden en op de mogelijk– 
heden die de burger heeft om zich 
daartegen te verweren. 

Moet de overheid in het belang van 
het kind kunnen ingrijpen in het 
privé-leven van mensen? Het 
antwoord op die vraag luidt onom– 
wonden "ja". Het belang van het 
kind staat voorop in de kinderbe– 
scherming. Het kind heeft recht op 
bescherming door de Staat, omdat 
het zichzelf niet kan beschermen 
indien het in zijn ontwikkeling wordt 
bedreigd Maar over datgene wat 
onder het belang van het kind moet 
worden verstaan, kan verschillend 
gedacht worden Bovendien is het 
belang van het kind altijd verbonden 
met andere belangen, zoals het 
belang van zijn ouders of zijn directe 
verzorgers. Omdat de invulling van 
het begrip "ouderlijk gezag" - de 
rechten en verplichtingen van ouders 
ten opzichte van de rechten en 
verplichtingen van kinderen — 
onduidelijk is, is het moeilijk vast te 
stellen wanneer er sprake is van 
onvoldoende functionerend ouderlijk 
gezag en bedreiging van het kind. 
Die onduidelijkheid geldt met name 
voor de burger, niet zozeer voor 
degenen die beroepsmatig bij de 
kinderbescherming betrokken zijn, 
want in de praktijk zijn bepaalde 
criteria voor het al dan niet ingrijpen 

uitgekristalliseerd. De belangrijkste 

daarvan is misschien wel dat niet 
dient te worden ingegrepen zolang 
vrijvvillige hulpverlening nog tot de 

mogelijkheden behoort. Het is 
vreemd dat zo'n belangrijk criterium 

niet wettelijk verankerd is. Dat zou 
alsnog moeten gebeuren. 

De maatschappelijke ontwikkeling 
ten aanzien van de rechten van 
kinderen is in feite verder dan de 
normstelling in de wet. Opvallend is 
ook dat, indien het ouderlijk gezag 
wordt beperkt, onhelder is waarvoor 
ouders nog wel en waarvoor zij geen 
beslissingsverantwoordelijkheid 
kunnen dragen. Nog onhelderder is 
de positie van pleegouders ten 
opzichte van voogd of gezinsvoogd 
enerzijds en de ouders anderzijds. 
Zijn zij hulpverleners of nemen zij de 
plaats in van de ouders? Zowel vanuit 
de rechtspositie geredeneerd als 
vanuit het beleid is dat problema– 
tisch. Ook hier is verheldering nodig. 
Waar dingen goed zijn, zijn dergelijke 
vaagheden geen probleem, maar 
waar het fout zit, zijn deze vaagheden 
een probleem op zichzelf. 

In het verleden zijn verschillende 
pogingen gedaan om tot vernieuwin– 
gen in het recht te komen. Ik noem 
het voorstel van de zeven jeugd– 
rechtspecialisten. Wij zijn ruim 
vijftien jaar verder en het is nog 
steeds actueel. De PvdA vindt het 
wenselijk om deze slepende kwestie 
tot een einde te brengen. Wij 
wachten de voorstellen van de 
regering, zoals toegezegd in de 
notitie "Rechtspositie van minderjari– 
gen" op dit punt met belangstelling 
af. 

Voorzitter! Rechtszekerheid heeft 
naast de Inhoud van de normen ook 
te maken met de procedures en de 
zorgvuldigheid waarmee de organisa– 
ties voor kinderbescherming 
functioneren en met een duidelijke 
afbakening van taken en verantwoor– 
delijkheden van deze organisaties. 
Vele voorstellen die door de subcom– 
missie zijn gedaan, zijn door de 
regering overgenomen en daar zijn 
wij verheugd over. Ik denk hierbij 
vooral aan de wijzigingen met 
betrekking tot de voorlopige 
maatregelen, de aanpassingen van 
het Normenrapport, de richtlijnen 
voor rapportage enz. 

Het voorstel voor vergroting van de 
deskundigheid bij de raden voor de 
kinderbescherming bevordert een 
zorgvuldige diagnose. De fractie van 
de PvdA heeft hiertegen geen 
bezwaar maar dit is niet dé oplossing 

voor de problemen. In feite wordt de 
macht van het systeem versterkt. De 
subcommissie is tot het oordeel 
gekomen dat er sprake is van een 
zwakke rechtspositie van de burger 
die zich wil verweren tegen een 
inbreuk op zijn privé-leven. Hij heeft 
geen verplichte procesvertegenwoor– 
diging, geen recht om een getuigen– 
verhoor te verzoeken en geen 
zelfstandig uit te oefenen recht op 
het doen uitvoeren van een tegenon– 
derzoek indien men het niet met de 
conclusies van het onderzoek van de 
Raad voor de kinderbescherming 
eens is. 

Het ontbreken van de mogelijkheid 
om met gelijke rechtsmiddelen te 
strijden, is een belangrijke verklaren– 
de factor voor dat gevoel van 
machteloosheid en voor het gevoel 
dat er geen sprake is geweest van 
een open en eerlijk proces. Die 
rechtsongelijkheid staat een goed 
overzicht van feiten en omstandighe– 
den en een goede besluitvorming 
door de kinderrechter in de weg. Het 
heeft tot gevolg dat fouten niet of te 
laat worden rechtgezet. Er worden 
door de Raad voor de kinderbescher– 
ming en door deskundigen beoorde– 
lingsfouten gemaakt. Het versterken 
van de deskundigheid kan dit 
beperken maar mensen blijven 
feilbaar. Burgers die te maken 
hebben met een diep ingrijpende 
maatregel, moeten zich kunnen 
verweren tegen die eventuele fouten. 
De rechter zal uiteindelijk een beter 
gefundeerd en gemotiveerd oordeel 
kunnen vellen. Het zal de aanvaar– 
ding van een rechterlijke uitspraak 
vergemakkelijken indien bij de 
motivering van de beslissing 
nadrukkelijk rekening is gehouden 
met de inbreng die is geleverd. De 
mogelijkheid van een tegenonder– 
zoek is het sluitstuk van een proce– 
dure die aan hoge zorgvuldigheids– 
criteria behoort te voldoen. De 
redenering in de nota dat de rechter 
zelf wel kan uitmaken in hoeverre hij 
voldoende is ingelicht, gaat voorbij 
aan het tegenwicht van de macht, 
dat in het systeem ingebakken 
behoort te zitten Ik zou een beroep 
willen doen op de staatssecretaris 
om zijn standpunt op dit punt te 
heroverwegen. 

Van groot belang is het voorstel 
om een volledige scheiding aan te 
brengen tussen rechtspraak en 
gezinsvoogdij. De twee petten van de 
kinderrechter, de rechtspraak en de 
leiding over de ondertoezichtstelling, 
geven onvoldoende waarborgen voor 

Bijzondere Commissie voor het 
jeugdwelzijnsbeleid en vaste 
Commissie voor justitie Justitiële jeugdbescherming 
17 juni 1991 
UCV54 54-6 


Vliegenthart 

een onafhankelijke positie, hetgeen 

op gespannen voet staat met artikel 

6 van het EVRM. Wij zijn er blij om 

dat de staatssecretaris met ons van 

oordeel is dat hieraan een einde 

moet komen en dat hij ter zake een 

wetsvoorstel voorbereidt. Dit mag 

een belangrijke doorbraak worden 

genoemd. 

Terecht wordt door velen gewezen 
op het feit dat de gezinsvoogdij-in– 
stellingen adequaat moeten worden 
toegerust voor hun taak bij het 
uitvoeren van rechterlijke uitspraken. 
De staatssecretaris kondigt in de 
nota aan dat hij de nodige verbeterin– 
gen zal aanbrengen maar ik betwijfel 
sterk of de middelen die daarvoor in 
de financiële paragraaf zijn uitgetrok– 
ken, daarvoor wel voldoende zijn. 
Graag zou ik nader onderbouwd zien 
hoe de noodzakelijke kwaliteitsverbe– 
tering kan worden gewaarborgd. 

In de nota wordt gesteld dat de 
uithuisplaatsing in beginsel een 
mogelijke vorm is van uitvoering van 
de maatregel van ondertoezichtstel– 
ling. Niet de kinderrechter maar de 
gezinsvoogdij-instelling zal over 
uithuisplaatsing ambtshalve kunnen 
beslissen. Alleen bij verschil van 
mening zou de kinderrechter een 
oordeel moeten worden gevraagd. 
Wij zijn het met een dergelijke 
constructie principieel oneens. De 
uithuisplaatsing is het meest 
ingrijpende onderdeel van de inbreuk 
in het gezinsleven. Een dergelijke 
bevoegdheid bij de gezinsvoogd 
leggen, kan tot nieuwe complicaties 
leiden. De subcommissie heeft 
voorgesteld, de ambtshalve uithuis– 
plaatsing door de kinderrechter te 
vervangen door wat wij hebben 
genoemd de "OTS-plus", een te 
verzoeken en te motiveren beslissing 
van de kinderrechter. Over de naam 
valt natuurlijk te discussiëren. 

In de antwoorden op de schriftelij– 
ke vragen lijkt de staatssecretaris ons 
enigszins tegemoet te komen. Wij 
zijn van oordeel dat, indien een 
beslissing tot uithuisplaatsing niet 
omstreden is, er sprake is van 
vrijwillige uithuisplaatsing. Blijkbaar 
zijn de ouders dan overtuigd van de 
noodzaak van deze vorm van 
hulpverlening en de vraag rijst dan 
welke redenen er zijn voor een 
juridische ingreep, danwel voor de 
voortzetting daarvan. Als het wèl 
omstreden is, behoort het treffen van 
een dergelijke ingreep aan de 
kinderrechter te worden verzocht, die 
vervolgens een gemotiveerde 
beslissing neemt. Daarmee kan 

worden voldaan aan de noodzakelijke 
rechtswaarborgen. 

Wij voelen ons gesteund door 
onder meer het commentaar van de 
Nederlandse vereniging voor 
rechtspraak. Zij wijst terecht op de 
noodzakelijke aandacht voor de 
rechtsbescherming van ouders en 
pupillen. Zij bepleit dat voor de 
conflictbeslechtende rol van de 
kinderrechter gebruik gemaakt moet 
kunnen worden van een informele 
rechtsingang, waarvan het kind niet 
mag worden uitgesloten. De 
PvdA-fractie is het daar van harte 
mee eens. 

De staatssecretaris kiest in dezen 
voor een versterking van het 
klachtenrecht van jeugdigen. Maar 
het klagen is echter iets wezenlijk 
anders dan toegang tot de rechter 
om conflicten voor te leggen. In veel 
gevallen zal uitbreiding van de 
mogelijkheid tot klagen ertoe kunnen 
leiden dat het probleem opgelost 
wordt. Maar als sluitstuk hoort zo'n 
informele rechtsingang erbij. 

Over de rechtspositie van minder– 
jarigen is afgesproken, dat voor het 
zomerreces van 1991 een integrale 
visie op de rechtshulp voor kinderen 
zou volgen. Hoe staat het daarmee? 

De Raad voor het jeugdbeleid 
heeft in zijn advies een beschouwing 
gegeven over de taken van de raden 
voor de kinderbescherming. Op de 
financiële taken en de rol inzake 
echtscheidingszaken, evenals de 
strafrechtelijke taak kom ik later 
apart te spreken. De Raad voor het 
jeugdbeleid stelt dat het takenpakket 
van de raden beperkt moet worden 
tot het doen van onderzoek en zo 
nodig tot het uitlokken van een 
kinderbeschermingsmaatregel. Hier 
is veel voor te zeggen. Het onderzoe– 
ken en het registreren vormen de 
kerntaak van de raden. Alle taken die 
de vermenging van hulp en recht 
bevorderen, komen de duidelijkheid 
niet ten goede en dienen vermeden 
te worden. Zo stelt de Raad voor het 
jeugdbeleid voor, de minderjarigen 
niet langer aan de Raad voor de 
kinderbescherming toe te vertrou– 
wen, maar aan een gezinsvoogdij-in– 
stelling, alwaar hulp verleend kan 
worden. Dat is een goed voorstel. 

In het verlengde van deze redene– 
ring past het dan ook, de mogelijk– 
heid voor de Raad voor de kinderbe– 
scherming om als plaatsende 
instantie op te treden in het kader 
van een onderzoeksplaatsing, uit de 
Wel op de jeugdhulpverlening te 
schrappen, zoals de subcommissie 

heeft voorgesteld. Deze plaatsings– 
taak op grond van de Wet op de 
jeugdhulpverlening is niet van de 
nodige waarborgen voorzien. 
Bovendien is het volstrekt overbodig, 
naast de voorlopige toevertrouwing 
en de voorlopige ondertoezichtstel– 
ling met uithuisplaatsing. 

lets wat naar mijn oordeel ook 
overbodig is en van onvoldoende 
waarborgen is voorzien, is de 
schorsing van een ouder uit de 
ouderlijke macht gedurende een 
echtscheidingsgeding. Er zijn 
alternatieven. Uit de antwoorden 
blijkt dat die ook vaker gebruikt 
worden. Daar zouden wij het dus ook 
toe kunnen beperken. Met het 
gestelde over de hulpverlening aan 
weggelopen minderjarigen en de 
waarborgen voor zorgvuldigheid zijn 
wij het in grote lijnen eens. De 
staatssecretaris neemt in een iets 
andere vorm, maar wel met gelijke 
strekking, de aanbevelingen van de 
subcommissie over, zo concludeer ik 
uit de schriftelijke antwoorden. 

Het is mij echter niet duidelijk, wat 
er beoogd wordt met de toetsing 
door de raad van de noodzaak tot 
hulpverlening. Wij zijn ervan uitge– 
gaan dat, indien hulp wordt verleend 
door een erkende plaatsende 
instantie, de kwaliteit daarvan 
gewaarborgd is. De noodzaak van 
hulpverlening wordt primair door de 
instelling beoordeeld waartoe de 
jongere zijn toevlucht heeft gezocht. 
Daar heeft de raad niets mee te 
maken. 

Wij beschouwen het onderzoeken 
en registreren dus als de kerntaken 
van de Raad voor de kinderbescher– 
ming. Dit impliceert dat de financiële 
taken van de raden niet als kerntaak 
beschouwd worden. De PvdA-fractie 
is voorstander van een forfaitaire 
vaststelling van kinderalimentaties. 
Indien gekozen wordt voor een 
eenvoudige regeling, kan er een 
enorme werklastbesparing, zowel bij 
de raden als bij de rechterlijke macht, 
optreden. Daarnaast is een efficiën– 
tere en doelmatiger organisatie 
mogelijk van de inningstaak. 

Het volledig schrappen van de 
verantwoordelijkheid van de overheid 
voor de incassofunctie is onverant– 
woord ten opzichte van de alimenta– 
tiegerechtigden. Wij moeten er niet 
aan denken dat, als alimentatieplich– 
tigen hun verplichtingen niet 
nakomen, de alimentatiegerechtig– 
den moeten opdraaien voor incas– 
soeprocedures, met de nodige 
kosten voor onder andere rechtshulp 

Bijzondere Commissie voor het 
jeugdwelzijnsbeleid en vaste 
Commissie voor justitie Justitiële jeugdbescherming 
17 juni 1991 
UCV54 54-7 


Vliegenthart 

en deurwaarders, nog even afgezien 
van de psychische belasting en de 

problemen die dat veroorzaakt. 

De Raad voor de kinderbescher– 
ming functioneert op het ogenblik als 
een buffer en heeft het nodige gezag 
om naleving van de alimentatieplicht 
af te dwingen. Het is gewenst dat er 
een centrale organisatie komt die 
deze buffer– en incassofunctie kan 
vervullen. Het is onwenselijk, als aan 
alimentatiegerechtigden hiervoor een 
financiële bijdrage wordt gevraagd. 
Het ligt meer voor de hand, degene 
die zijn verplichtingen niet nakomt, 
daarop aan te spreken. Evenals 
mevrouw Soutendijk wijs ik erop dat 
deze centrale organisatie tevens een 
functie kan vervullen bij de inning van 
de ouderbijdrage op grond van de 
Wet op de jeugdhulpverlening. Graag 
zien wij zo spoedig mogelijk een 
notitie van de staatssecretaris 
tegemoet, waarin hij hier nader op 
ingaat en waarin hij aangeeft op 
welke wijze de gevolgen voor de 
werknemers zullen worden opgevan– 
gen, dus een sociaal plan. 

Als het gaat om het jeugdstraf– 
recht, het vorm geven aan de 
jeugdreclassering, wordt niet geheel 
en al duidelijk waar de regering heen 
wil. De nota stelt niet veel meer dan 
dat de betrokken instanties met 
elkaar in overleg moeten treden. Uit 
de schriftelijke antwoorden blijkt dat 
zij dit ook gedaan hebben. Daar 
overheen zijn de voorstellen uit de 
Tussenbalans gekomen. Hoe staat 
het met de evaluatie van de projec– 
ten op het terrein van de jeugdreclas– 
sering en wanneer kan inhoudelijke 
besluitvorming over de vormgeving 
van de jeugdreclassering tegemoet 
worden gezien? 

Ik merk kort iets op over de 
betrokkenheid van de raden voor de 
kinderbescherming bij echtschei– 
dingszaken. De vraag is of de taak 
van de raden niet beperkt moet 
worden tot het doen van onderzoek, 
zoals ook de Raad voor het jeugdbe– 
leid bepleit. Het voert te ver, nu een 
discussie hierover te voeren zonder 
dat de voor– en nadelen verkend zijn. 
Wij zien graag dat de regering deze 
mogelijkheid onderzoekt en hierover 
aan de Kamer rapporteert. 

In het laatste hoofdstuk van de 
nota schrijft de staatssecretaris, te 
overwegen een nieuwe maatregel in 
te voeren, een maatregel van hulp en 
steun. De fractie van de PvdA heeft 
grote aarzelingen bij deze nieuwe 
maatregel Wij delen de zorg over 
zwerfjongeren, jongeren die ver– 

slaafd zijn dan wel in de prostitutie 
terechtgekomen zijn, maar betwijfe– 
len of deze maatregel een goede 
oplossing voor het probleem is. Het 
gaat om gedwongen hulpverlening, 
terwijl tot dan toe alle hulpverlening 
gefaald heeft. Het gaat niet om 
ingrijpen in het ouderlijk gezag, 
terwijl het gezag niet functioneert. 
Zonder gezagsvoorziening vindt een 
dwingend ingrijpen plaats. Ik begrijp 
niet hoe dit juridisch mogelijk is, 
zeker niet indien geen strafbare 
feiten zijn gepleegd. De Nederlandse 
gezinsraad verwoordt de ambivalen– 
tie heel treffend: "Gezien de 
omstandigheden waar deze maatre– 
gel toegepast zal gaan worden, zijn 
er twee uitersten. Waar de maatregel 
werkt, zal zij hoogstwaarschijnlijk niet 
nodig zijn geweest en waar het niet 
werkt, heeft het geen zin deze op te 
leggen." Wij zijn niet tegen naden– 
ken, maar voor zover wij dit zelf 
gedaan hebben, zijn wij niet over– 
tuigd van het nut en de noodzaak van 
dit voorstel. 

Het laatste deel van mijn verhaal 
gaat over de samenhang in de 
jeugdhulpverlening in relatie tot de 
gevolgen van de Tussenbalans, het 
klachtrecht en de inspectie. De 
doelstelling van het beleid op het 
terrein van de jeugdhulpverlening is 
de laatste tien tot vijftien jaar het 
streven naar een samenhangend 
systeem van jeugdhulpverlening en 
terugdringing van justitieel ingrijpen 
geweest. Hulp diende in de lichtst 
mogelijke vorm zo tijdig mogelijk, zo 
dicht mogelijk bij huis en zo kort 
mogelijk te worden gegeven. Ik krijg 
wel eens het gevoel dat de Kamer 
steeds probeert gas te geven in dit 
streven naar samenhang en dat 
vanuit de departementen het 
rempedaal bediend wordt. 

Het voorstel tot samenvoeging van 
de raden voor de kinderbescherming 
met de gezinsvoogdij-instellingen en 
de reclassering tot één centrum voor 
justitiële zorg staat haaks op het 
streven naar meer samenhang in de 
gehele jeugdhulpverlening. Het is 
ook vreemd, omdat onvervreemdbare 
overheidstaken samengevoegd 
worden met het particuliere initiatief. 
Het is bekend dat de fractie van de 
PvdA vindt dat de voorgestelde 
samenvoeging inhoudelijk ongewenst 
is. Zij past ook absoluut niet in de lijn 
van de voorstellen die gedaan 
worden om de kinderbescherming 
beter te laten functioneren. Wij 
verzoeken de staatssecretaris dan 
ook, dit voorstel terug te nemen. 

Wij zijn voorstanders van de 
schaalvergrotingsoperatie in de 
gezinsvoogdij. Wij zien ook dat van 
onderop initiatieven genomen 
worden om een versterkt manage– 
ment en een betere kwaliteit te 
bieden. Tegelijkertijd vinden wij het 
van groot belang dat de samenwer– 
king op regionaal niveau met de 
vrijwillige hulpverlening geïntensi– 
veerd wordt. Dit moet ook, omdat de 
gezinsvoogdij vaak kinderen in het 
vrijwilligerscircuit zal plaatsen. 

Het regeringsstandpunt over de 
verpleegzorg wachten wij af. Het is 
gewenst dat dit snel komt. 

De subcommissie heeft gepleit 
voor een uniform systeem van 
klachtenbehandeling. Omdat de wet 
nu aan instellingen verplicht om een 
klachtenregeling op te stellen, 
hebben wij gevraagd, criteria te 
ontwikkelen waaraan deze regelingen 
in ieder geval dienen te voldoen. De 
reden hiervoor is dat wij van mening 
zijn dat men niet moet stoppen in 
afwachting van een landelijk 
geldende, wettelijke regeling van het 
klachtrecht. Tegelijkertijd vinden wij 
het van groot belang dat een 
dergelijke uniforme regeling tot stand 
komt. Hoewel het uit de stukken niet 
helemaal duidelijk wordt, meen ik te 
mogen concluderen dat de staatsse– 
cretaris het op dit punt met mij eens 
is. Graag krijg ik een bevesting 
hiervan. 

Een inspectie voor het gehele 
terrein van de jeugdhulpverlening is 
gewenst. Deze inspectie zal onafhan– 
kelijk moeten kunnen functioneren en 
de geboden kwaliteit van de hulpver– 
lening moeten kunnen toetsen. Hoe 
is de stand van zaken in het overleg 
met WVC? Uit informatie blijkt dat 
WVC werkt aan een integratieproces 
van de verschillende zorginspecties, 
waarbij blijkbaar de inspectie voor de 
jeugdhulpverlening is betrokken. Wij 
vinden het van groot belang dat er 
een integrale inspectie voor het 
gehele terrein komt. Ik hoop, eerlijk 
gezegd, dat de voorzieningen van 
Justitie hieronder kunnen vallen. Kan 
de staatssecretaris ons hierover 
nader informeren? 

Kan de staatssecretaris ons een 
planningsoverzicht verstrekken van 
de activiteiten op het terrein van 
wetgeving en overige aanpassing van 
regelgeving en de invoering van de 
verschillende maatregelen om het 
functioneren van de kinderbescher– 
ming te verbeteren? Dan weten wij 
wat wij op welke termijn kunnen 
verwachten. 

Bijzondere Commissie voor het 
jeugdwelzijnsbeleid en vaste 17 juni 1991 
Commissie voor justitie Justitiële jeugdbescherming UCV54 54-8 


Vliegenthart 

D 

De heer Korthals (VVD): Voorzitter! 
Het jeugdbeschermingsbeleid is 
thans volop in discussie. Dat werd 
ook tijd. Ik herinner eraan dat in de 
Kamer al vanaf 1983 voor meer 
aandacht is gepleit, maar dat er in 
die tijd weinig aan gedaan werd. 
Dankzij ook de VVD-woordvoerder en 
ook dankzij de andere grote fracties 
is deze discussie hier vandaag aan de 
orde. 

De heer Leerling (RPF): Sluit de 

heer Korthals de kleine fracties 

zonder meer uit, mijnheer de 

voorzitter? 

De heer Korthals (VVD): Ook dankzij 
de kleine fracties, dankzij iedereen. 
Dit geeft aan hoe geweldig belangrijk 
het onderwerp is. Het gaat dan ook 
om fundamentele vraagstukken, 
zoals de zorgvuldige uitoefening van 
wettelijke taken, bejegening van 
ouders en kinderen, de helderheid 
van wetgeving en de onpartijdigheid 
van de rechtspraak. 

Die aandacht is nodig, omdat het 
een enorm emotionee! terrein 
betreft. Beslissingen worden 
genomen over zaken die het wezen 
van de mens raken. Ouders die in de 
situatie zitten dat zij onmachtig zijn 
om hun kinderen goed te verzorgen, 
worden op een gegeven moment 
geconfronteerd met het feit dat de 
overheid het heft in handen neemt. 
Ook ouders die op een gegeven 
moment zelf voelen dat zij niet in 
staat zijn hun kinderen goed te 
verzorgen, omdat zij in een bepaalde 
crisis geraakt zijn, moeten dan maar 
constateren dat op een gegeven 
moment de Raad voor de kinderbe– 
scherming en de gezinsvoogdij de 
positie overneemt. Dan moeten zij 
maar afwachten wat de consequen– 
ties zijn en of zij, nadat de crisis 
voorbij is, gehoord zullen worden en 
de positie weer terug kunnen nemen. 
Ook kunnen wij constateren dat de 
overheid en hulpinstellingen in het 
geval van wegloopkinderen bereid 
zijn om de belangen van die kinderen 
op zich te nemen. Vaak juist wanneer 
er conflicten zijn over normen en 
waarden zie je dat er ook conflicten 
tussen overheid en ouders kunnen 
plaatsvinden. Het is dus van het 
grootste belang dat er heel duidelijke 
regels gesteld worden. 

Er is dus een verscheidenheid aan 
situaties. Het is onmogelijk overal op 
in te gaan. Maar belangrijker is dat 

wij vooropstellen dat de opvoeding in 
eerste instantie een taak is van de 
ouders. Het belang van het kind 
brengt met zich dat ook de gezagsuit 
oefening in eerste instantie door de 
ouders gebeurt. Wanneer je daar 
inbreuk op wilt maken, zal je daar als 
overheid heel goede gronden voor 
moeten hebben. De overheid zal pas 
tot maatregelen kunnen overgaan als 
de zaak heel duidelijk beargumen– 
teerd is. 

Met andere woorden, opvoeding is 
een taak van de ouders, tenzij er 
bijzondere omstandigheden zijn die 
een overheidsoptreden rechtvaardi– 
gen. Als die overheid dan gaat 
optreden, zal dat moeten gebeuren 
aan de hand van duidelijke criteria, 
met inachtneming van rechtswaar– 
borgen, de overheid zal zoveel 
mogelijk terughoudend moeten zijn 
en als er maatregelen genomen 
worden, zullen die ook effectief tot 
uitvoering moeten worden gebracht. 

In dit verband wijs ik op vragen die 
onlangs door de VVD-fractie zijn 
gesteld. Er is nogal wat commotie 
ontstaan over een kinderrechterpupil 
die na anderhalf jaar in een kortver– 
blijftehuis op straat dreigde te 
worden gezet. Mijn collega Terpstra 
en ik hebben naar aanleiding van 
deze schrijnende zaak, die niet op 
zichzelf staat, schriftelijk vragen 
gesteld over de consequenties van 
een rechterlijke uitspraak, waardoor 
de overheid de verantwoordelijkheid 
overneemt van de ouderlijke macht. 
Het is de vaste overtuiging van de 
VVD dat het niet volledig accepteren 
van de volle verantwoordelijkheid 
voor een adequate woon– en 
behandelsituatie leidt tot het 
wegslaan van de grondslag onder de 
kinderbescherming. In gevallen zoals 
vorige week betekent dit dat de 
overheid gehouden is te zorgen voor 
een goede plek voor een kinderrech– 
terpupil. De problemen waren legio. 
De benaderde instellingen voor 
zwakzinnigenzorg weigerden de 
jongen op grond van hun autonome 
opname bevoegdheid. Wat nodig is, 
en daar wil de VVD dan ook een 
helder antwoord op, is dat de 
overheid regionaal in bestaande 
instelling een aantal verzorgings– 
plaatsen als het ware inkoopt, als 
plaatsen met een landelijke functie, 
bestemd voor deze pupillen. Een deel 
van de reeds in het FOZ voorziene 
capaciteitsuitbreiding voor de jaren 
1991 tot 1 994 zou daarvoor gebruikt 
moeten worden en zo mogelijk naar 
voren gehaald moeten worden in de 

tijdplanning. Gezien de nood - het 
gaat om een zestig– tot zeventigtal 
plaatsen — moet getracht worden, 
de plaatsen te realiseren zonder 
nieuwbouw. Kan niet een klein deel 
van het beschikbaar bouwbudget 
gebruikt worden voor toevoeging van 
extra plaatsen? Naar aanleiding van 
de zojuist door mij genoemde zaak 
hebben meer instellingen dan de 
instelling waar de jongen nu is 
geplaatst, zich gemeld. Zij zijn met 
een extra budget bereid en in staat, 
één of meer extra plaatsen te 
creëren. 

Mijnheer de voorzitter! De 
rechtsgrond om op te treden als 
overheid is het belang van het kind, 
wanneer het bedreigd wordt met 
zedelijke of lichamelijke ondergang. 
Daaraan ten grondslag ligt een 
geweldige pluriformiteit van waarden 
en normen. Het is dus ongelooflijk 
moeilijk om precies vast te stellen 
wat het belang van het kind is. Het 
blijft altijd vaag. De rechter zal 
daaromtrent, indien hij daartoe wordt 
geroepen, een beslissing moeten 
nemen. Er wordt hem een vraag 
voorgelegd. Indien hij niet beslist, 
kan hij vervolgd worden vanwege 
rechtsweigering. Dat betekent ook 
dat er altijd een zekere mate van 
onvrede zal blijven bestaan over de 
situatie. Met andere woorden, geheel 
duidelijke criteria zijn nooit te 
waarborgen. Dat brengt met zich dat 
de overheid in ieder geval de 
randvoorwaarden, het flankerend 
beleid, zo zuiver mogelijk moet 
vastleggen. Dan denk ik allereerst 
aan een heel duidelijke kwaliteit van 
degenen die bij de jeugdbescherming 
betrokken zijn, aan goede raden voor 
de kinderbescherming, aan duidelijke 
gezinsvoogdijen, aan hoge kwaliteit 
van de rechters en aan duidelijke 
rapportages. Er zijn voorstellen in 
deze richting gedaan. De vraag blijft 
bestaan op welke wijze een en ander 
gefinancierd wordt. Ik kom hierop 
nog terug. 

Vervolgens kom Ik bij het punt van 
de rechtswaarborgen. Anderen zijn er 
al op ingegaan. Over het algemeen 
voel je je nogal onmachtig als het je 
betreft. Je probeert zo sterk mogelijk 
te staan tegenover die machtige 
overheid. Er moeten duidelijke 
rechtswaarborgen zijn. Je moet 
weten welke informatie over jou is 
opgetekend. Je moet die gegevens 
ook kunnen inzien. Er moeten 
duidelijke procedures komen. Er 
moet ook een duidelijk inzicht zijn in 
de vraag: wie mag wat doen? Je ziet 

Bijzondere Commissie voor het 
jeugdwelzijnsbeleid en vaste 17 juni 1991 
Commissie voor justitie Justitiële jeugdbescherming UCV54 54-9 


Korthals 

over het algemeen dat er geen 
duidelijk inzicht bestaat in de 
scheiding tussen bijvoorbeeld de 
kinderrechter en de raden voor de 
kinderbescherming. Mijn fractie heeft 
steeds een scheiding tussen hulp en 
recht als één van de belangrijke 
zaken naar voren gebracht. Ik moet 
zeggen dat de positie van de 
kinderrechter een bijzonder moeilijke 
is. In eerste instantie spreekt hij recht 
en in tweede instantie is hij belast 
met het toezicht op de uitvoering. 
Dat hoeft niet een directe partijdig– 
heid te betekenen. Ik weet dat in de 
nota wordt gesteld dat het wellicht in 
strijd is met het EVRM. Ik denk dat 
dat een wat geforceerde redenering 
is. Het neemt niet weg dat de schijn 
bij de samenleving bestaat dat het 
allemaal twee handen op één buik 
zijn, waartegen men moet vechten. Ik 
vind het dan ook een goede zaak dat 
die schijn zoveel mogelijk wordt 
vermeden door een duidelijke 
afbakening te maken. De rechter 
spreekt uitsluitend recht. De 
gezinsvoogdij-instellingen zullen met 
de uitvoering belast worden. 

Het betekent dat er wel een 
gezagsprobleem dreigt te ontstaan. 
Er zullen ook conflicten komen 
tussen de gezinsvoogdij en de 
ouders, die altijd kunnen worden 
voorgelegd aan de rechter. Je kunt je 
echter ook voorstellen dat het gezag 
wordt opgedragen aan de raden voor 
de kinderbescherming. Zij worden 
dan in feite de partij. In geval van 
conflicten spreekt de rechter 
uiteindelijk recht. 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): Lost 
u dan niet het ene probleem op door 
een nieuw probleem te creëren? De 
raden voor de kinderbescherming 
hebben een adviserende functie voor 
de kinderrechter. Zij moeten voorzien 
in eventuele maatregelen voor 
kinderbescherming om de problemen 
op te lossen. Nu wilt u de instantie 
die dat verzoek moet doen aan de 
kinderrechter, belasten met de 
feitelijke uitvoering van het gezag 
Dat vergroot de onduidelijkheid, die 
wij nu juist willen wegnemen. 

De heer Korthals (VVD): Wat ik nu 
wil aangeven, is dat het voorstel om 
de rechter uitsluitend te belasten met 
de rechtspraak, en de gezinsvoogdij 
te belasten met de uitvoering waarbij 
hij op enigerlei wijze gezag zal 
moeten krijgen, ook geen goed 
voorstel is. Dat zal ook nieuwe 
problemen creëren. Ik heb gesugge– 

reerd of het misschien een oplossing 
zou zijn, het gezag bij de raden van 
de kinderbescherming te leggen. 
Overigens zie ik het probleem dat u 
naar voren brengt. Mijn opmerking 
tot slot van dit onderdeel zou dan 
ook geweest zijn, dat wij met 
belangstelling het wetsvoorstel 
dienaangaande afwachten. Toch 
zouden wij in dit stadium al graag 
zien dat de staatssecretaris ingaat op 
de vraag hoe hij dat allemaal ziet. 

Voorzitter! Het is volstrekt duidelijk 
dat de VVD-fractie één inspectie voor 
ogen staat. Die inspecties mogen 
niet verspreid worden over WVC en 
Justitie. Met andere woorden: een 
samenvoeging van de inspectie van 
Justitie en van WVC. 

Over de rechtspositie van de 
minderjarigen wordt al jarenlang 
gepraat. Men wil daar niet aan. Over 
het algemeen is de reden waarschijn– 
lijk van financiële aard. De VVD-frac– 
tie heeft zich uitgesproken voor een 
sterkere rechtspositie van de 
minderjarigen. Wij zijn bereid, te 
wachten tot de zomer van 1992 als 
de staatssecretaris met een nader 
rapport komt. Maar het moet nu al 
duidelijk zijn dat wij vinden dat 
naarmate een minderjarige ouder 
wordt, ook zijn rechten zullen moeten 
toenemen waarbij ook de rechtsin– 
gang voor hem versterkt zal moeten 
worden. Duidelijk is, dat wij het eens 
zijn met een uniforme klachtenrege– 
ling. De staatssecretaris zal ons zo 
snel mogelijk richtlijnen hiervoor 
doen toekomen. Het is echter 
belangrijk voor de mensen dat men 
weet op welke wijze men kan klagen. 
Alles staat en valt natuurlijk met de 
financiële onderbouwing. De 
staatssecretaris heeft gezegd dat die 
op korte termijn niet zo'n geweldig 
probleem is. Kennelijk zal die op 
iangere termijn wel een probleem 
worden. Daarbij is nog de Tussenba– 
lans gekomen. Ik heb de indruk dat 
het vaak veel meer om woorden gaat 
dan om werkelijke daden. 

Voorzitter! Wij kunnen het beleid in 
grote lijnen steunen. Een compliment 
aan het adres van de staatssecretaris 
mag ook wel eens gegeven worden, 
voorzitter, want dan kan de krltiek 
ook des te harder aankomen als dat 
nodig is. Nogmaals, op zichzelf zijn 
wij het in grote lijnen met de 
beleidsvoornemens eens. Rest de 
financiële onderbouwing. Graag krijg 
ik een heel duidelijke uiteenzetting 
over de herschikking die zal plaats– 
vinden. Ten koste waarvan zal dat 
gebeuren? Op welke termijn kan een 

en ander gerealiseerd worden? Als 

wij op deze vragen geen antwoord 

krijgen, praten wij alleen maar over 

een zaak die in feite toch niet tot 

stand komt. 

Tot slot wil ik nog een enkel woord 
wijden aan de inning door de raden 
van de kinderbescherming. Ideëel 
gezien vinden wij dat ook geen taak 
voor de raden van de kinderbescher– 
ming. Ik heb het idee dat het voorstel 
om de inning bij die raden maar weer 
weg te nemen, van financiële aard is. 
Daar geloof ik helemaal niets van. Er 
zijn mijns inziens voldoende klem– 
mende argumenten door alles en 
iedereen naar voren gebracht waaruit 
bhjkt dat dit in feite alleen maar 
duurder wordt. Het betekent dat de 
mensen zelf moeten procederen, zij 
zullen een executoriale titel moeten 
halen, zij zullen gefinancierde 
rechtshulp willen hebben en zij zullen 
weer moeten werken met derden-be– 
slagen. Daarbij komt nog de emotio– 
nele spanning. Op deze wijze is de 
staatssecretaris op de verkeerde 
weg. Als hij dit ziet als een bezuini– 
ging van 7 mln. die weer voor een 
ander doel gebruikt zou kunnen 
worden, dan is de VVD-fractie daar 
tegen. Hij zou een en ander beter 
kunnen laten zoals dat nu is. Wat ons 
betreft, heeft deze verandering geen 
prioriteit. 

D 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Mijnheer de voorzitter! Als burger 
moet je eigenlijk wensen, nooit 
genoodzaakt te worden om je te 
moeten verdiepen in alle ingewik– 
keldheden en onoverzichtelijkheden 
van de wetgeving met betrekking tot 
de verhouding ouders en kinderen. 
Zodra een burger dat wel moet doen, 
is er meestal iets grondig mis. De 
vele verenigingen van ouders en 
minderjarigen, ontstaan omdat men 
zich terecht of ten onrechte te kort 
gedaan voelde door het systeem, 
spreken boekdelen, evenals de 
klachten die de Subcommissie voor 
de kinderbescherming van de 
Tweede Kamer heeft geïnventari– 
seerd en gestructureerd. Daarnaast 
is er nog een fors aantal reacties 
naar aanleiding van de nota inzake de 
justitiële jeugdbescherming. Waar 
het natuurlijk om gaat, is het belang 
van het kind, waarvoor de overheid 
de verantwoordelijkheid draagt in het 
geval dat de ouders daartoe blijkbaar 
niet in staat zijn. De overheid heeft 

Bijzondere Commissie voor het 
jeugdwelzijnsbeleid en vaste 17 juni 1991 
Commissie voor justitie Justitiële jeugdbescherming UCV54 54-10 


Versnel-Schmitz 

dan de plicht om daarmee uiterst 
zorgvuldig om te gaan. 

In dat spanningsveld is een aantal 
wijzigingen noodzakelijk. Daartoe zijn 
inmiddels vele voorstellen gedaan, 
want er is wel iets mis met de 
structuur. Juist omdat ingrepen in de 
verhouding tussen ouders en 
kinderen voor beide partijen funda– 
menteel zijn en traumatiserend 
kunnen werken, moeten deze 
wijzigingen niet al te lang op zich 
laten wachten. De fractie van D66 
gaat er dan ook vanuit, dat op basis 
van de uitkomst van dit debat, kort 
na het zomerreces een overzicht van 
de voorgenomen wijzigingen van de 
wet, van overige regelgeving en van 
organisatorische en inhoudelijke 
maatregelen aan de Kamer in 
samenhang zal worden voorgelegd. 

Niet alles is meteen even duidelijk. 
Ik geef een voorbeeld. In de nota 
Justitiële jeugdbescherming staat: 
"De raad dient meer dan thans in zijn 
verzoekschrift inzichtelijk te maken 
waarom de ondertoezichtstelling 
geboden is. Voorts ligt hier een taak 
voor de rechter." De lezer weet 
daarmee niet zeker wat de uitkomst 
zal zijn. Wat is "meer dan thans"? In 
de antwoorden wordt helder dat het 
de bedoeling van de staatssecretaris 
is, dat de raad in zijn verzoekschrift 
en de rechter in zijn beslissing 
duideiijk motiveren waarom de 
ondertoezichtstelling nodig is. Kijk, 
daar heeft de burger wat aan. Het 
motiveren is uitermate belangrijk. Dat 
stelt eisen aan de kwaliteit van het 
raadsrapport, aan de juistheid van de 
feiten en expliciet aan de in het 
rapport gehanteerde normen op 
grond waarvan geconcludeerd kan 
worden dat een kind met zedelijke of 
lichamelijke ondergang bedreigd 
wordt. 

Vooropgesteld zij dat mijn fractie 
het rapport Rechtzetten heeft 
onderschreven. Dat betekent dat ik 
nu niet meer op alle daarin genoem– 
de punten zal ingaan. Ik zal mij 
beperken — dat moet ook wel gezien 
de zeer krappe spreektijd — tot de 
opmerkingen die niet door de 
staatssecretaris worden onderschre– 
ven en tot de opvattingen van D66 
die verder gaan dan het rapport 
Rechtzetten. 

Het stemt tot voldoening dat de 
staatssecretaris de aanbevelingen uit 
het rapport Rechtzetten met 
betrekking tot de klachtenprocedure 
onderschrijft. Het is wel weer vreemd 
dat wij onlangs van de staatssecreta– 
ris van WVC vernamen, dat bij een 

voorstel voor een klachtenprocedure 
voor het gehele terrein van WVC op 
aandrang van Justitie een uitzonde– 
ring gemaakt zal worden voor het 
gehele terrein van de jeugdhulpverle– 
ning, terwijl zowel de criteria uit het 
rapport Rechtzetten als het beroep 
op een regionale, onafhankelijke, 
externe commissie voor het gehele 
veld heel goed samen zouden kunnen 
gaan. In het rapport Rechtzetten is 
de aparte positie voor de gesloten 
inrichtingen overigens erkend. Wat is 
de reactie van de staatssecretaris? 

Klachten ontstaan nadat er iets is 
misgegaan. De hoofdzaak is het 
voorkomen van klachten door het 
systeem helder te laten zijn, door de 
burger op de hoogte te laten zijn van 
zijn rechten en van de mogelijke 
gevolgen van de procedure, en door 
de bejegening fatsoenlijk te laten zijn. 
In het algemeen is er behoefte aan 
meer evenwicht tussen partijen, aan 
meer "equality of arms". Dat brengt 
mij bij de prealabele vraag wat de 
raden gezien hun takenpakket 
eigenlijk zijn. Zij treden op als eisende 
partij, althans voor zover om een 
kinderbeschermingsmaatregel wordt 
gevraagd. Een vraag die bij ons 
gedurende de voorbereidingsperiode 
bleef opkomen was of die taak 
eigenlijk niet behartigd moet worden 
door het openbaar ministerie, met 
alle gevolgen van dien. Dat zou 
betekenen dat procesrechtelijke 
regels moeten worden gehanteerd, 
dat de rapportage een proces-ver– 
baal is, dat het advies een eis is en 
dat de rechterlijke waarborgen 
gelden. Op deze manier ontstaat de 
gewenste "equality of arms". Ook al 
zou je niet zover willen gaan, zijn er 
toch parallellen of elementen van 
overeenkomst die hun gevolgen 
zouden moeten hebben voor de wijze 
waarop een en ander plaatsvindt 
vanaf het intake-gesprek tot aan de 
maatregel, uitgesproken door de 
rechter. Dan is voldaan aan de 
behoefte aan een gelijkwaardiger 
rechtspositie, aan gelijke wapens. 
Het gevecht is anders wel erg 
ongelijk. Wat is de mening van de 
staatssecretaris? 

Nauw hiermee verbonden is de 
rapportage, vooral de kwaliteit ervan. 
Kortheidshalve zeg ik dat de 
rapporten van de raden voor de 
kinderbescherming de basis moeten 
bieden voor het bewijs van feiten en 
het verweer daartegen, dus ook het 
verweer tegen de voorgestelde 
beperking van de opvoedingsverant– 
woordelijkheid. Dat betekent dat de 

inhoud en de vorm in ieder geval aan 
de volgende voorwaarden moeten 
voldoen. Er moet een duidelijke 
scheiding zijn tussen gegevens 
(feitelijke gegevens en meningen van 
derden), conclusies en advies. Het 
verloop van de gesprekken tussen de 
rapporteur en zijn gesprekspartners 
moet zo letterlijk mogelijk worden 
weergegeven. De wijze waarop de 
verificatie van feitelijke gegevens en 
meningen heeft plaatsgevonden 
moet worden weergegeven. De eigen 
mening en de interpretatie van de 
rapporteur moeten worden opgeno– 
men in de conclusies. In het advies 
moet, voor zover aan de orde, 
gemotiveerd worden weergegeven 
waarom en in hoeverre de opvoe– 
dingsverantwoordelijkheid dient te 
worden beperkt. Wij vragen hierover 
de mening van de staatssecretaris, 
om te bezien of een motie in tweede 
termijn noodzakelljk is. 

In scheidingszaken geldt het 
beginsel van equality of arms niet, zo 
vindt de staatssecretaris. Het is zelfs 
oneigenlijk om daarvan te spreken. 
De raad is geen partij, maar heeft 
een adviserende taak. Dit lijkt op 
zichzelf een juiste conclusie. De 
vraag is echter principiëler. Heeft de 
raad een taak in scheidingszaken? 
Wij betwijfelen dat. Scheiden maakt 
nog geen slechte ouder van je, en 
met het kind is niets mis. Alleen de 
ouders hebben ruzie, of ze passen 
niet meer zo goed bij elkaar. En als er 
wel iets mis is met het kind, en er is 
een noodzaak tot ingrijpen, zal de 
raad zijn eigen verantwoordelijkheid 
nemen en een maatregel voorstellen, 
maar dan bevind je je op het terrein 
van de justitiële jeugdbescherming 
Ik ontken niet dat het van belang is, 
in een scheidingsgeding voor het 
kind op te komen, maar het is de 
vraag of de raden daartoe het meest 
geëigend zijn. Weliswaar zou je 
kunnen stellen dat de raad in dat 
geval opkomt voor het belang van 
het kind, maar in feite zou die 
constatering moeten leiden tot de 
conclusie dat het kind een eigen 
rechtsingang moet hebben, met 
daarbij noodzakelijke rechtsbijstand. 
Wat is ten principale hierover het 
oordeel van de staatssecretaris? 

Voor de naastbij gelegen periode 
wil de staatssecretaris het vraagstuk 
van de eigen rechtsingang voor 
minderjarigen laten rusten tot de 
evaluatie van de informele rechtsin– 
gang, zoals die bestaat in het 
omgangsrecht, om dan te bezien, of 
het aanbeveling verdient om op meer 

Bijzondere Commissie voor het 
jeugdwelzijnsbeleid en vaste 17 juni 1991 
Commissie voor justitie Justitiële jeugdbescherming UCV54 54-11 


Versnel-Schmitz 

terreinen in het familieprocesrecht 
analoge voorzieningen te treffen. Wij 
kunnen ermee instemmen, die 
discussie in dat verband te voeren, 
waarbij voor ons de werkelijke eigen 
rechtsingang met rechtshulp, in 
tegenstelling tot de informele voor 
het kind, uitgangspunt is. 

De fractie van D66 hecht sterk aan 
de gefundeerdheid van de adviezen 
van de raden voor de kinderbescher– 
ming. Om dat te bereiken, kan de 
behoefte bestaan aan specifieke 
deskundigheid, waarop een beroep 
gedaan kan worden. Wij zien dat 
beroep meer op externe deskundi– 
gen, omdat dat bijdraagt aan een 
objectieve, onafhankelijke oordeels– 
vorming. Dat te meer, omdat een 
dergelijk beroep op externe deskun– 
digen in ieder individueel geval 
noodzaakt tot zorgvuldige formule– 
ring van de onderzoeksvragen. 
Daartegenover staat de voorkeur van 
de staatssecretaris om meer interne 
deskundigen aan te stellen. Naar ons 
idee zal dat een aanzuigende werking 
kunnen hebben, in die zin dat bij de 
totstandkoming van adviezen een 
beroep op specifieke deskundigheid 
wordt gedaan zonder voldoende 
zorgvuldige formulering van de 
onderzoeksvragen in ieder individu– 
eel geval. Je loopt namelijk de kans 
dat het een soort automatisme 
wordt, waarmee de meerwaarde van 
de specifieke deskundige weer 
verloren gaat. Vandaar dat wij de 
financiële prioriteit willen leggen bij 
de externe deskundige, op wie de 
raden een beroep kunnen doen. Ik wil 
graag een duidelijke reactie van de 
staatssecretaris horen, om te bezien 
of we in tweede termijn daarover een 
motie zullen indienen. 

Los daarvan staat het recht op 
tegenonderzoek, en dit wordt ook in 
hoger beroep door de staatssecreta– 
ris afgewezen. De grenzen van de 
equality of arms nopen hem niet tot 
het toekennen van een recht op 
tegenonderzoek, en dat is echt 
'eleurstellend. De argumenten van de 
staatssecretaris overtuigen niet. 
Vooral het argument van de aanzui– 
gende werking naar hoger beroep, 
doet afbreuk aan het beginsel dat 
hoger beroep per definitie een 
meerwaarde dient te hebben. Dat 
dient dus ook tot uitdrukking te 
komen in de mogelijkheid om de 
rechtswaarborgen in dat geval te 
versterken. Bovendien ga je niet 
zomaar in hoger beroep; het kost 
veel tijd en een hoop eilende. 

De OTS plus uithuisplaatsing was 

één van de belangrijkste aanbevelin– 
gen uit het rapport Rechtzetten. Dat 
wil zeggen dat de rechter alleen op 
verzoek of op vordering een OTS, 
dan wel een OTS plus uithuisplaat– 
sing, kan bevelen, en dus niet 
ambtshalve tot de uithuisplaatsing 
kan beslissen. Juist de uithuisplaat 
sing is zo ingrijpend in het gezinsver– 
band. Het is materieel meer ingrij– 
pend dan ondertoezichtstelling. En 
daarom dient tegen de voorlopige 
OTS plus uithuisplaatsing hoger 
beroep open te staan. De staatsse– 
cretaris ziet geen heil in een schei– 
ding tussen de maatregel van OTS en 
die van OTS plus uithuisplaatsing. 
Wel wil hij een scheiding aanbrengen 
tussen het uitspreken van de OTS en 
de uitvoering van de maatregel. Die 
uitvoering van de maatregel wordt 
opgedragen aan de gezinsvoogdij-in– 
stelling, en dat vinden we op zichzelf 
positief. Maar het uitspreken van de 
maatregel van uithuispiaatsing, dus 
ook een voorlopige, dient ons inziens 
altijd door de rechter en op verzoek 
te gebeuren. Vervolgens zegt de 
staatssecretaris in de nota dat een 
eventuele uithuisplaatsing als een 
mogelijke vorm van uitvoering van de 
maatregel van OTS door de gezins– 
voogdij-instelling moet worden 
gezien, in plaats van de ambtshalve 
beslissing door de rechter, althans 
indien de meningen van betrokkenen 
over uithuisplaatsing niet verschillen. 
Wat ons betreft is dat uit den boze. 
Maar gelukkig blijkt dan weer uit 
antwoorden dat het evenwel niet 
ondenkbaar is dat de uithuisplaatsing 
in alle gevallen gebaseerd is op een 
rechterlijke beslissing. De staatsse– 
cretaris is er dus nog niet uit, ook al 
geeft hij wat meer hoop op een 
goede afloop, tenminste als hij ook 
bedoelt het ambtshalve karakter van 
de rechterlijke beslissing te schrap– 
pen. Graag een reactie daarop. 

Niemand weet echt goed hoe de 
stijgende aantallen allochtone 
jeugdigen met problemen moeten 
worden opgevangen. De opstappro– 
jecten van WVC hebben op de 
langere duur wellicht enig effect, 
maar voor de huidige jongeren blijft 
het zoeken naar meer allochtone 
werkers, die vaak niet tot de 
opleidingen worden toegelaten 
wegens taalproblemen. Dat is ook de 
reden waarom wij vroegen, die 
toelating tot de opleidingen te 
vergemakkelijken, maar dat is 
kennelijk niet echt goed begrepen. 

De voorzitter: Mevrouw Versnel, ik 

wil u er even op wijzen dat u reeds 

over uw spreektijd heen bent. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Voorzitter! Hier dan één zin over: 
Laten wij zuinig zijn op die organisa– 
ties die wel een entree hebben tot de 
allochtone jongeren. Ik doel dan 
onder andere op clubs als Argos en 
deRBS. 

Dan de maatregel over hulp en 
steun. Hoe kan dit een civielrechtelij– 
ke maatregel zijn, als het ouderlijk 
gezag in feite niet meer wordt 
uitgeoefend? Aan de jongeren 
worden immers rechtstreeks 
aanwijzingen gegeven die niet 
vrijblijvend zijn! Wij vragen ons af wie 
dit moet gaan vorderen, wie dit 
toewijst en in welke soort gevallen. 
Als het om strafbare feiten gaat, dan 
kun je je voorstellen dat naast de 
kinderrechter, de officier voorwaar– 
den verbindt aan het afzien van 
strafvervolging. Maar dat is de 
strafrechtelijke weg. Dat betekent dat 
er eigenlijk sprake moet zijn van een 
strafbaar feit. Wij nemen aan, dat de 
staatssecretaris die zwerfjongeren 
dan landloperij ten laste legt, 
waardoor hij een strafbaar feit heeft. 
Vervolgens kan hij die maatregel van 
hulp en steun opleggen. Wij willen 
daar helderheid over van de staatsse– 
cretaris. 

Wij willen de staatssecretaris 
vragen om in het kader van de 
jeugdreclassering niet aan het 
verkeerde eind te bezuinigen door 
het stoppen van de subsidie aan de 
organisaties die zich bezighouden 
met buiten-justitiële hulpverlening. 

Wat betreft het onder één paraplu 
brengen van de organisatie van de 
Raad voor de kinderbescherming, de 
reclassering en de gezinsvoogdij-in– 
stelingen wil ik mij aansluiten bij wat 
de PvdA daarover heeft gezegd. Wat 
betreft de kinderalimentatie sluit ik 
mij aan bij hetgeen zowel de fractie 
van het CDA, als die van de PvdA 
daarover heeft gezegd. 

Ik kom nu aan het slot. Ik heb veel 
onderwerpen moeten laten liggen, 
onder andere het goede voornemen 
van de staatssecretaris om in het 
wetsvoorstel inzake het ouderlijk 
gezag ook een omgangsregeling met 
pleegouders en grootouders vast te 
leggen, alsook de duidelijke uitspraak 
dat het doel van een OTS is, het 
bevorderen van het behoud dan wel 
het herstel van de gezinsband. 
Hoezeer de verhouding ouder/kind 
ook verstoord is, echt los van dit 

Bijzondere Commissie voor het 
jeugdwelzijnsbeleid en vaste 17 juni 1991 
Commissie voor justitie Justitiële jeugdbescherming UCV54 54-12 


Versnel-Schmitz 

soort natuurlijke banden kom je 
nooit, ook al zou je het willen. 

D 

De heer Lankhorst (Groen Links): 
Voorzitter! De klachten over de 
justitiële jeugdbescherming zijn 
eindelijk serieus genomen. Ze zullen 
tot verandering leiden. Er wordt het 
een en ander rechtgezet. Dat staat 
vast. De staatssecretaris is met recht 
in beweging gekomen en heeft in zijn 
nota geen minimale inspanning 
gekozen. Er komen meer rechtswaar– 
borgen voor kinderen en ouders. De 
kinderrechter wordt ontheven van 
zijn leidinggevende rol bij de 
ondertoezichtstelling. Er komt een 
interdepartementale inspectie. Dat 
zijn verbeteringen die ik van harte 
toejuich. Maar mijn Groen-Links-ge– 
juich gaat vergezeld van een vijftal 
bedenkingen. 

1. De rechtswaarborgen worden 
aangepast, gemoderniseerd. Dat is 
nodig. Er mag nu niet veel tijd meer 
overheen gaan. Maar tegelijkertijd 
moet de vraag worden gesteld, of wij 
er met die opknapbeurt wel zijn. 
Moet vandaag of morgen het jeugd– 
en familierecht zelf niet eens aan een 
grondig onderzoek worden onder– 
worpen? Wordt het geen tijd, de 
maatschappelijke ontwikkelingen en 
de veranderende normen en waarden 
met elkaar te bespreken en er als 
wetgever consequenties aan te 
verbinden? Hebben wij de bestaande 
instituties niet te gemakkelijk als 
onmisbaar aanvaard? Kunnen wij het 
parlementair onderzoek hiermee wel 
als afgedaan beschouwen? 
2. De staatssecretaris heeft in zijn 
nota nog steeds te weinig oog voor 
het complex dat de kinderbescher– 
ming vormt en waar kinderen en 
ouders mee te maken krijgen. Het 
gevoel van machteloosheid, het idee 
dat iedereen zich tegen je keert, 
wordt niet weggenomen door de 
Raad voor de kinderbescherming met 
interne en externe deskundigheid uit 
te breiden en de contra-expertise af 
te wijzen. Te vrezen valt dat op die 
manier de jaarlijkse ontmoetingsdag, 
op zichzelf een goed idee, een 
jaarlijkse klachtendag wordt. Als de 
staatssecretaris cliëntenorganisaties 
zo belangrijk vindt, waarom is hij dan 
zo snel met de mededeling, dat die 
alles zelf maar moeten bekostigen? Is 
dat nog redelijk te noemen, als je ziet 
hoeveel werk er moet worden verzet 
en hoeveel procedures er tegen de 
overheid worden gevoerd en nog 
gewonnen ook. 

3. De positie van de jeugdigen is 
ook in het rapport Rechtzetten 
enigszins onderbelicht gebleven. De 
Raad voor het jeugdbeleid en de 
Belangenvereniging minderjarigen 
hebben weer gepleit voor een eigen 
rechtsingang. De staatssecretaris 
wijst op de werklast van de rechter 
en de adviserende instanties. Dat kan 
toch geen doorslaggevende reden 
zijn om de rechtspositie van de 
meest betrokkenen, de jeugdigen, 
niet te versterken? Hoeveel leed kan 
er niet bespaard blijven als de jongen 
en het meisje van het begin af aan 
zelf serieus worden genomen en op 
zijn of haar belangetjes kan wijzen? 
4. De nota Justitiële jeugdbescher– 
ming is per definitie een justitieel 
stuk, maar meer samenhang met de 
jeugdhulpverlening van Welzijn, 
Volksgezondheid en Cultuur was toch 
echt wenselijk geweest. Ik noem als 
voorbeeld de voorgestelde maatregel 
van hulp en steun. De idee achter de 
maatregel lijkt mij wel goed, maar het 
wordt weer veel te snel in de 
justitiële sfeer getrokken. Waarom 
een maatregel? Waarom geen hulp 
en steun op vrijwillige basis? Zoek 
het in grotere maatschappelijke 
betrokkenheid, in mentorschap of in 
het nieuw leven inblazen van het "vrij 
patronaat". Voeg niet meteen een 
maatregel toe, maar probeer buiten 
de kinderrechter om tot eigentijdse 
samenwerking tussen jongeren en 
ouderen te komen. Doe het zo dat 
met name ook allochtone jongeren 
erdoor bereikt worden. De nota legt 
geen verbindingen naar het onder– 
wijs. Was het niet de bedoeling van 
dit kabinet om jeugdhulpverlening en 
onderwijs weer veel meer met elkaar 
in verband te brengen? 
5. Onbegrijpelijk vind ik de 
voorstellen om de raden, de gezins– 
voogdij-instellingen en de jeugdre– 
classering in één organisatorisch 
verband onder te brengen. Een kleine 
bezuinigingstaakstelling haalt het 
totale beleid weer onderuit. Beleid, 
zoals dat ook in de nota van de 
staatssecretaris zelf is uitgestippeld. 
Ik denk aan het opheffen van de 
colleges van de raden. Een beleids– 
bepalend college staat de gewenste 
uniformiteit van uitvoering en de 
rechtszekerheid voor de burger in de 
weg, zo schrijft de staatssecretaris in 
december verleden jaar. Nu denkt hij 
daar blijkbaar ineens heel anders 
over. Kan de staatssecretaris eens 
uitleggen hoe een overheidsorgaan 
als de raden en de particuliere 
voogdij-instellingen organisatorisch 
bij elkaar gebracht kunnen worden? 
Daarmee ontstaat één groot bolwerk 
van justitiële jeugdbescherming en 
isoleert justitie zich nog meer van 
WVC. Het Veldhovense akkoord lijkt 
mij geen volwassen aanzet om tot 
een verbetering van de jeugdhulpver– 
lening te komen. Het akkoord wordt 
overigens ook zeer verschillend 
uitgelegd. Wat ziet de staatssecreta– 
ris er eigenlijk in? 

Ik wil in zeer kort bestek nog de 
volgende opmerkingen maken. De 
gezinsvoogdij-instellingen zullen 
goed voorbereid moeten worden op 
hun nieuwe taak. Daar zijn nog geen 
financiële middelen voor uitgetrok– 
ken. Hoe zit dat precies? In de 
financiële voorstellen ligt een sterke 
nadruk op de residentiële voorzienin– 
gen, een tè sterke, omdat wij ook 
met de bezuinigingen en de vrijwillige 
hulpverlening moeten vrezen dat er 
op deze manier steeds meer justitiële 
maatregelen worden genomen en 
daardoor de druk op de justitiële 
instellingen steeds groter wordt. Dan 
is er weer de vraag om meer geld 
voor justitle. Op die manier is het 
bekende eind zoek. 

De staatssecretaris is erg positief 
over de pleegzorg, maar het gaat niet 
erg goed met die pleegzorg. Hoe 
denkt hij daar verandering in te 
brengen? 

Met betrekking tot het gestelde 
over de OTS-plus sluit ik mij graag 
aan bij wat mevrouw Vliegenthart 
daarover zei. 

Ten aanzien van de hulpverlening 
aan weggelopen minderjarigen wil ik 
graag weten wanneer het kabinet 
komt met de aangekondigde 
wijziging van de Wet op de jeugd– 
hulpverlening. Zullen alle wijzigingen 
in één keer naar de Kamer komen? 

Ten slotte wil ik aan de staatsse– 
cretaris vragen hoe hij aankijkt tegen 
het voorstel van de raden om tot een 
centraal orgaan te komen dat de 
kinderalimentatie vaststelt en op 
verzoek incasseert. Is dat alternatief 
voor hem bespreekbaar? 

D 

De heer Van der Vlies (SGP): 
Mijnheer de voorzitter! Er zijn twee 
diepgravende onderzoeken gedaan 
op het terrein van de kinderbescher– 
ming, een van de zijde van de Kamer, 
door de commissie-Vliegenthart, en 
een geïnitieerd door de regering, 
door de commissie-Gijsbers. Met 

Bijzondere Commissie voor het 
jeugdwelzijnsbeleid en vaste 
Commissie voor justitie Justitiële jeugdbescherming 
17 juni 1991 
UCV54 54-13 


Van der Vlies 

deze rapporten is een aantal 
fundamentele bouwstenen aange– 

reikt voor een visie op justitiële 
jeugdbescherming, neergelegd in de 

regeringsnota die vandaag voorligt 

Discussies over kinderbescherming 
hebben de neiging te blijven hangen 
in een emotioneel beladen sfeer. Dat 
is begrijpelijk. Wij hebben doorgaans 
te maken met relaties tussen 
mensen, jong en oud, die onder grote 
spanning staan. Het is diep ingrijpend 
wanneer de overheid zich gedwon– 
gen ziet, in te treden in de besloten– 
heid van het gezinsleven om 
bepaalde belangen in bescherming te 
nemen. Helaas moet worden 
vastgesteld, alle goedbedoelde inzet 
ten spijt, dat ouders zich niet zelden 
in de steek gelaten voelen en hun 
vertrouwen verliezen in overheidsin– 
stellingen door ontoegankelijkheid, 
weinig open structuren, een ervaren 
tekort aan objectiviteit en een te 
bureaucratisch behoudend systeem. 
Het is daarom goed dat de hele 
situatie eens kritisch wordt bekeken. 

De basis voor ouderlijk gezag is 
gelegen in het "eert uw vader en uw 
moeder" uit de Wet des Heeren. Op 
grond daarvan geldt als belangrijkste 
uitgangspunt voor ons dat het 
ouderlijk gezag moet worden 
gerespecteerd, tot op het moment 
dat wordt vastgesteld dat ouders de 
daaraan verbonden verplichtingen 
niet waar maken. Helaas bestaan er 
ontwrichte gezinssituaties en 
misstanden, zoals incest en kinder– 
mishandeling. Overheidsingrijpen in 
samenspraak met bijvoorbeeld 
pastoraat, wordt dan onontkoom– 
baar. De SGP-fractie vindt dat 
overheidsingrijpen primair gericht 
moet zijn op het herstel van verhou– 
dingen tussen ouders en kinderen. Zij 
heeft er met genoegen kennis van 
genomen dat dit accent ook in de 
stukken is terug te vinden. Dat 
betekent dat noch eenzijdig een 
accent wordt gelegd op de belangen 
van het kind noch op het belang van 
de ouders. Het veronderstelt ook 
onpartijdigheid. 

Het gaat er juist om dat met 
uiterste zorgvuldigheid in procedures 
en beslissingen gezocht wordt naar 
het op een lijn brengen van de 
onderscheiden belangen tot welzijn 
van alle betrokkenen Vanuit deze 
uitgangspunten heeft mijn fractie de 
nota bezien. Er staan verschillende 
zaken in die ik vanzelfsprekend vind 
en/of steun. Ik noem bijvoorbeeld 
automatische toezending van 
verzoekschriften aan ouders die in 

een procedure betrokken raken, het 
opstellen van richtlijnen voor 
rapportages van de raden voor de 
kinderbescherming, het aan termij– 
nen binden van voorlopige maatrege– 
len. 

Kern van de nota is dat het 
functioneren van de raden voor de 
kinderbescherming verbetering 
behoeft en dat het beleid erop 
gericht moet zijn, beslissingen en 
handelingen beter controleerbaar te 
maken. De SGP-fractie onderschrijft 
dit ten volle. Wij doen dit uiteraard 
onder de toevoeging dat niet 
getwijfeld behoeft te worden aan de 
integriteit en de inzet van hen die in 
de kinderbescherming werken. 

Volgens de staatssecretaris kan 
veel verbeterd worden door het 
aantrekken van interne en externe 
deskundigen bij de raden voor de 
kinderbescherming. Ik denk dat bij de 
raden zelf moet worden toegezien op 
de kwaliteit van de onderzoeken. Als 
dat interne scholing en bevordering 
van deskundigheid vereist, dan 
moeten daartoe mogelijkheden 
worden geboden. Heb ik het goed 
begrepen dat aan de raden zelf wordt 
overgelaten op welke wijze zij 
gestalte geven aan de mogelijkheden 
om zich te laten consulteren door 
externe deskundigen? Mijn lichte 
aarzeling bij dit onderdeel wordt 
ingegeven door de stelling dat wij het 
niet moeten zoeken in allerlei 
geïnstitutionaliseerde adviesvormen 
waardoor men de schijn tegen krijgt 
als zou er een machtsblok worden 
gevormd of, zo men wil, verder 
worden uitgebuit. 

De staatssecretaris ziet geen 
aanleiding om contra-expertise ten 
aanzien van een raadsonderzoek in 
de regel voor inwilliging vatbaar te 
maken. Inderdaad moet voorkomen 
worden dat een tegenonderzoek 
beschouwd gaat worden als een 
verkapt hoger beroep. Hoewel de 
contra-expertise op zichzelf voor 
ruimere toepassing dan nu ons 
redelijk voorkomt, hebben wij wel een 
aantal praktische vragen Op wiens 
kosten zou een tegenonderzoek 
moeten plaatsvinden? Zou ook een 
minderjarige om een tegenonderzoek 
mogen vragen? Zou zelfs het geval 
zich kunnen voordoen dat een 
rechter, geconfronteerd met twee 
opinies, voor de weging daarvan de 
behoefte gevoelt aan een derde 
rapportage? De nota is in de 
afweging nogal beknopt op dit punt. 
Graag verneem ik van de staatsecre– 

taris een meer onderbouwd stand– 
punt in dezen. 

De Raad voor het jeugdbeleid 
heeft in zijn advies over de nota een 
pleidooi gehouden voor een eigen 
rechtsingang van de jongere. Ik heb 
op dit punt met de regering zeer 
grote aarzelingen, zij het dat erkend 
moet worden dat er noodsituaties 
zijn. In de eerste plaats zie ik 
moeilijkheden in relatie tot het 
ouderlijk gezag. In de tweede plaats 
vrees ik problemen met de werklast 
van de rechterlijke rnacht. Laat ik 
volstaan met te verwijzen naar de 
informele rechtsingang bij het 
omgangsrecht. Wellicht kunnen met 
de ervaringen daarmee te zijner tijd 
beter gefundeerde beslissingen 
worden voorbereid. 

Wij beoordelen het positief dat de 
positie van de kinderrechter wordt 
verbeterd. De uitvoerende taken 
worden van de rechtsprekende taken 
gescheiden. Op deze wijze komt de 
onpartijdigheid beter uit de verf, zo 
verwacht ik. Wij vinden trouwens dat 
iedere uithuisplaatsing via de rechter 
tot stand moet komen. Waarom 
heeft de staatssecretaris ervoor 
gekozen, dit voor een deel aan de 
instellingen voor voogdij over te 
laten? 

De staatssecretaris heeft een heet 
hangijzer op tafel gelegd na de 
Tussenbalans door de financiële 
taken af te stoten. Ten principale 
delen wij zijn mening dat inning van 
alimentatiegelden niet zonder meer 
een taak is voor de overheid. Aan de 
andere kant zien wij wel forse 
praktische bezwaren om deze taken 
als het ware te privatiseren. De raden 
hebben duidelijke bevoegdheden. Uit 
de kring van de raden is door de 
secretarissen op dit punt een 
alternatief voorstel gedaan. Hoe 
denkt de staatssecretaris daarover? 

De staatssecretaris heeft een 
nieuwe maatregel van hulp en steun 
voorgesteld. Ik heb aangenomen dat 
die maatregel vooral gericht zal zijn 
op jongeren van wie duidelijk is dat 
zij helaas niet meer onder het 
ouderlijk gezag gehouden kunnen 
worden. Mij is niet duidelijk gewor– 
den hoe de maatregel zich precies 
verhoudt tot de vrijwillige jeugdhulp– 
verlening. Evenmin is het mij duidelijk 
waaraan de hulpverlener rechten kan 
ontlenen. Misschien kan ook op dit 
punt meer helderheid worden 
verschaft. 

In de brief van 11 april 1 991 wordt 
voorgesteld om de raden voor de 
kinderbescherming, de voogdij-in– 

Bijzondere Commissie voor het 
jeugdwelzijnsbeleid en vaste 17 juni 1991 
Commissie voor justitie Justitiële jeugdbescherming UCV54 54-14 


Van der Vlies 

stellingen en de reclassering samen 
te voegen. Er zou dan sprake zijn van 
een fundamentele herverkaveling van 
taken en bevoegdheden. Ik erken dat 
intensieve samenwerking nodig is. 
Het gaat mijns inziens echter wel een 
stap te snel om overheids– en 
niet-overheidstaken op een hoop te 
vegen in een nieuw orgaan. Dat zou 
een principieel onaanvaardbare 
vermenging kunnen opleveren. Wat 
mij betreft, kan hierover vandaag 
geen definitief oordeel worden 
geveld. Ik verzoek de staatssecretaris 
om dit onderdeel ten principale te 
heroverwegen en afzonderlijk alle 
consequenties te bezien en daarover 
de Kamer te rapporteren. 

D 

De heer Van Middelkoop (GPV): 
Mijnheer de voorzitter! Na het van 
vele kanten met waardering begroete 
rapport van de subcommissie-kinder– 
bescherming is nu de staatssecreta– 
ris van Justitie aan de beurt, die over 
de aanbevelingen van de subcom– 
missie gelukkig geen gras heeft laten 
groeien. Daarvoor mijn waardering. 
In zijn nota wordt een aantal 
belangrijke aanbevelingen van die 
subcommissie en ook van de 
commissie-Gijsbers overgenomen. 
Vooral de scheiding tussen de 
uitvoerende en de rechtsprekende 
taken van de kinderrechter inzake 
ondertoezichtstelling springt hierbij 
in het oog en daar was ook kamer– 
breed om gevraagd. De staatsrechte– 
lijke zuivering van de rol en de status 
van de kinderrechter heeft als 
consequentie, dat de leiding over de 
uitvoering van de gezinsvoogdij komt 
te berusten bij de instelling voor 
gezinsvoogdij. De kinderrechter dient 
echter verantwoordelijk te blijven 
voor de beslissing tot bijvoorbeeld 
uithuisplaatsing. De beslissing en de 
uitvoering dienen strikt gescheiden 
taken te blijven. Alleen de rechter 
mag in noodgevallen beslissen tot 
ingrijpen in verstoorde gezinsverhou– 
dingen. Daarna komt het particulier 
initiatief pas aan bod. Kan de 
instelling deze verantwoordelijkheid 
aan en beschikt zij wel over voldoen– 
de autoriteit tegenover de ouders? 
Mag ik hierover de staatssecretaris 
horen? 

Dat de betrokkenen beter zullen 
worden voorgelicht en meer interne 
en externe deskundigen kunnen 
worden ingeschakeld, is een goede 
zaak, maar kijk wel eerst welke 
deskundigheid er voorhanden is en 

schakel daarna eventueel andere 
deskundigen in, indien bijvoorbeeld 

blijkt, dat sprake is van ernstige 

psycho-sociale problemen. Niet alles 
kan worden opgelost door het 
aantrekken van nog meer deskundi– 
gen. Een bedrag van 2,5 mln. is wel 
veel tegen de achtergrond van de 
noodzaak van bezuinigen. 

Met genoegen constateer ik dat de 
staatssecretaris zich de kritiek van de 
subcommissie op het functioneren 
van artikel 280 van het Wetboek van 
Strafrecht heeft aangetrokken. Extra 
waarborgen zullen in de wet worden 
opgenomen voor een zorgvuldige 
hulpverlening aan minderjarigen en 
om te voorkomen dat ouders in 
onzekerheid verkeren. Voor het 
overige wil ik mij graag aansluiten bij 
de kritische opmerkingen van 
mevrouw Laning ter zake. 

Het niet opnemen van de aanbeve– 
ling van de subcommissie om een 
zelfstandig recht op tegenonderzoek 
toe te kennen, kan ik begrijpen en 
billijken. 

In de nota wordt verondersteld, dat 
schaalvergroting noodzakelijk is om 
de kwaliteit van de gezinsvoogdij-in– 
stellingen te garanderen. Daarboven– 
op stelt de staatssecretaris voor de 
instellingen organisatorisch samen te 
voegen met de raden voor de 
kinderbescherming en de reclasse– 
ring. Ik neem aan, dat het niet de 
bedoeling is een super jeugdbescher– 
mingsinstelling te creëren, waarin 
bijvoorbeeld identiteitsgebonden en 
categorale instellingen geen ruimte 
meer hebben. Ook de persoonsge– 
bondenheid van sommige kleine, 
goed functionerende instellingen 
noopt tot voorzichtigheid. 

In de nota lees ik, dat de gezins– 
voogdij-instellingen zullen worden 
aangesteld als voorzieningen voor 
pleegzorg. Hoe verhoudt zich dit tot 
de activiteiten van de Werkgroep 
pleegzorg, die nog geen definitief 
advies heeft uitgebracht? En loopt de 
voorgenomen beëindiging van 
subidie van 3 mln. aan de pleegzorg 
met ingang van 1 januari I992, zoals 
verwoord in de WVC-nota Vernieu– 
wing in het jeugdbeleid niet vooruit 
op de voorstellen van het interimad– 
vies van de werkgroep? Ik hoor 
hierop graag een reactie van de 
staatssecretaris. 

Voorzitter! Zojuist refereerde ik al 
aan de voorgestelde samenvoeging 
van de raden, de voogdij-instellingen 
en de reclassering. Het is toch 
jammer, dat de voorstellen in het 
kader van de Tussenbalans de 

discussie over de structuur dreigen 
te vertroebelen. De voorgestelde 
organisatorische samenvoeging — 
daar gaat het mij ten principale om 

- lijkt op verwrongen wijze particu– 
lier initiatief en overheidsbevoegd– 
heid te willen verenigen en — en dat 
is zeker zo bezwaarlijk - er zouden 
dan per arrondissement monopolie– 
posities kunnen ontstaan, die de 
keuzevrijheid van ouders onaanvaard– 
baar reduceren. Vooralsong ben ik 
niet overtuigd van de samenvoeging– 
splannen, zeker niet als dit een 
fusering gaat inhouden. 
Kan de staatssecretaris reageren 
op de suggestie, de Bureaus 
vertrouwensartsen en de raden voor 
de kinderbescherming te integreren, 
gelet op de elkaar overlappende 
taken? 

Ten slotte zou ik graag een reactie 
willen vernemen op de berekening 
van de Vereniging van secretarissen 
van de raden voor de kinderbescher– 
ming, dat het afstoten van de 
financiële taken van de raden een 
veelvoud aan kosten voor de 
overheid met zich zal brengen. Alleen 
al daarom lijkt mij de suggestie om 
voor de inning van kinderalimentatie 
een centraal orgaan in te richten, 
aanbevelenswaardig. Het ging toch 
allemaal om een betere rechtspositie 
van de ouders? Welnu, dan past 
daarbij niet vooral vrouwen - daar 
komt het in de praktijk wel op neer — 
te dwingen zelf voor hun financiële 
rechten te laten opkomen. Dat lijkt 
mij een ernstige terugval qua 
rechtsbescherming. 

D 

De heer Leerling (RPF): Mijnheer de 
voorzitter! Het is geen alledaags 
gebeuren, dat zowel de regering als 
de Tweede Kamer onafhankelijk van 
elkaar op grond van aanhoudende 
klachten in de samenleving een 
onderzoek instelt. De gang van zaken 
in de kinderbescherming gaf daartoe 
echter aanleiding. Afgaande op de 
aanbevelingen van zowel de commis– 
sie-Gijsbers als de commissie-Vlie– 
genthart en de voorstellen die de 
staatssecretaris zelf doet, moet 
worden geconcludeerd, dat ouders 
niet ten onrechte aan de bel hebben 
getrokken en jarenlang actie hebben 
gevoerd. Het zou de staatssecretaris, 
die nu eenmaal politiek verantwoor– 
delijk is voor de kinderbescherming, 
niet misstaan als hij dat openlijk 
toegaf De op komst zijnde verande– 
ringen in de kinderbescherming zijn 

Bijzondere Commissie voor het 
jeugdwelzijnsbeleid en vaste 17 juni 1991 
Commissie voor justitie Justitiële jeugdbescherming UCV54 54-15 


Leerling 

meer dan zoals hij stelt "aanpassin– 
gen aan maatschappelijke ontwikke– 
lingen". De titels van onderscheiden 
rapporten sprekran in dezen voor 
zichzelf. Er valt iets "recht te zetten" 
in de kinderbescherming en met 
recht, zeg maar terecht, komt er 
beweging in de justitiële kinderbe– 
scherming. Ik stel dit niet in verwij– 
tende, maar in constaterende zin en 
ik vraag de staatssecretaris daarop te 
reageren. 

Voorzitter! Ik ben de staatssecreta– 
ris er erkentelijk voor dat hij een niet 
gering aantal aanbevelingen uit het 
rapport Rechtzetten geheel of 
gedeeltelijk heeft overgenomen. Ik 
dank hem voor de antwoorden op de 
vele schriftelijk gestelde vragen. Het 
is toe te juichen dat het kabinet op zo 
kort mogelijke termijn maatregelen 
wil nemen en wetswijzigingen wil 
doorvoeren die voor alles de 
rechtspositie van ouders moeten 
versterken. Dat acht ik dringend 
gewenst. Ook al gaat het in tachtig of 
meer van de honderd gevallen waarin 
de kinderbescherming moet optre– 
den goed, toch doen er zich in de 
praktijk van alledag keer op keer 
schrijnende situaties voor. Ouders 
voelen zich niet zelden machteloos 
en vinden geen of weinig gehoor 
voor hun opvattingen, terwijl 
gerechtelijke procedures ongelooflijk 
lang kunnen duren. Kortom, men 
voelt zich slachtoffer van willekeur in 
een rechtsstaat. Een zaak als de 
Bolderkar-affaire heeft aangetoond 
dat het goed mis kan gaan. De 
kwaliteit van de rechtsstaat wordt 
daarmee aangetast. 

Voorzitter! Ik kan mij in dit geheel 
bepaald niet aan de indruk onttrek– 
ken dat er bij de bescherming van het 
kind scheefgroei is ontstaan. Prof. 
Hoefnagels heeft gelijk als hij stelt: 
"Het is juridisch gezien niet moeilijk 
ieder kind in Nederland bedreigd te 
achten met zedelijke en lichamelijke 
ondergang" ... "Het hangt er maar 
van af hoe je de relaties, vooral de 
gezinsrelaties, beschrijft". Wil de 
staatssecretaris op die uitspraak 
reageren? 

Het probleem zit naar mijn wijze 
van zien vooral in het feit dat in de 
loop der jaren het belang van de 
minderjarige te ruim is uitgemeten, 
waarbij in afnemende mate gewicht 
is toegekend aan het bepaalde in 
artikel 245 Boek 1 BW. Ik besef dat 
wij hierbij te maken hebben met 
normen en waarden en met uiteen– 
lopende opvattingen daarover in 
onze samenleving, maar niettemin 

zijn jongeren tot hun achttiende jaar 
eerbied en ontzag verschuldigd aan 
hun ouders en opvoeders, ook al is 
het ouderlijk gezag niet absoluut, zeg 
ik de staatssecretaris graag na. Aan 
de ouders de taak op verantwoorde 
wijze inhoud te geven aan de 
verplichtingen, die zij tegenover 
opgroeiende jongeren hebben. Ik stel 
dit in de wetenschap dat het in onze 
steeds meer ontredderde samenle– 
ving helaas maar al te vaak voorkomt 
dat ook ouders zich misdragen en in 
hoge mate te kort schieten — ik wijs 
bijvoorbeeld op de grote schade die 
met echtscheiding wordt toege– 
bracht — waardoor het noodzakeljk 
is, een kinderbeschermingsmaatregel 
uit te lokken. Het belang van het kind 
behoort dan centraal te staan, maar 
ingrijpen in de gezinssituatie is alleen 
toelaatbaar als er evident sprake is 
van bedreiging met zedelijke en 
lichamelijke ondergang. 

Voorzitter! Ik ben de staatssecreta– 
ris er erkentelijk voor — ik zei het al 

— dat hij een groot aantal van de 
door de Kamer unaniem gedragen 
aanbevelingen uit het rapport 
Rechtzetten heeft overgenomen. Ik 
vraag hem nog een paar stappen 
verder te gaan. Vanwege de beperkte 
spreektijd formuleer ik mijn wensen 
heel kort. 
1. Contra-expertise moet voor 
ouders mogelijk worden nu de 
praktijk leert, dat hun positie en hun 
oordeel in een probleemsituatie niet 
altijd voldoende worden gehono– 
reerd. Het aanstellen van meer 
deskundigen bij de raad lost dat 
probleem niet op. Sterker, het 
probleem zal eerder groter worden, 
want het principe van "equality of 
arms" zal anders nog meer geweld 
worden aangedaan. Het machtsblok 
waar ouders zich tegenover voelen 
staan, zal groter worden. 
2. Meer dan tot nu toe moet in een 
probleemsituatie gewerkt worden 
aan herstel van de relatie tussen 
ouders en minderjarigen. Als dat niet 
kan, zal dat nadrukkelijk in een 
rapportage moeten worden gemoti– 
veerd. Ik ondersteun op zichzelf de 
voornemens die de staatssecretaris 
in antwoord op de vragen 1 6 en 17 
heeft aangekondigd. Op welke 
termijn kunnen die worden gereali– 
seerd? 
3. Het rapport dat de maatschap– 
pelijk werker, straks de raadsonder– 
zoeker, opstelt zal meer het karakter 
moeten krijgen van een proces-ver– 
baal, waarin voornamelijk de feiten 
zijn weergegeven en minder een 
subjectieve beschrijving van de 

situatie. Wil de staatssecretaris zich 
daarvoor inzetten? 

4. Er moet met spoed verbetering 
komen in de omgangsregeling, zodat 
met name ook toeziend voogden en 
grootouders de kans krijgen contact 
te onderhouden met vooral jonge 
(klein)kinderen. Er doen zich in de 
praktijkvan alledag nu uiterst 
schrijnende situaties voor. De 
staatssecretaris kent deze. Ik vraag 
hem alles in het werk te stellen om 
die te voorkomen. 
5. Ik ben de staatssecretaris er 
zeer erkentelijk voor dat hij de 
meldingsproblematiek bij wegloopge– 
vallen onderkent. De schriftelijke 
antwoorden maken dat duidelijk. 
Hebben hulpverleners dan helemaal 
geen oog, zo vraag ik, voor de 
situaties waarin ouders verkeren als 
zij volstrekt onnodig in grote onrust 
en onzekerheid worden gelaten 
indien hun kind om welke redenen 
dan ook van huis is weggelopen? Kan 
er ook langs een andere weg dan 
wetgeving op de kortst mogelijke 
termijn op dit punt iets ten goede 
veranderen? Dat moet met enige 
goede wil mogelijk zijn. 
6. Ik bepleit met kracht enigerlei 
financiële tegemoetkoming voor de 
ouderorganisaties die zich inzetten 
voor het belang van de rechten van 
ouders. Kan daartoe worden geput 
uit de fondsen die de jeugdhulpverle– 
ning ter beschikking staan? 
Ten slotte sluit ik mij graag aan bij 
de degenen die hebben gevraagd, zo 
snel mogelijk een planningsoverzicht 
te geven. Met betrekking tot het 
afstoten van taken op het terrein van 
de inning van alimentatie heb ik nog 
geen duidelijk standpunt. Ik denk dat 
de consequenties hiervan nog nader 
moeten worden bekeken. Hetzelfde 
geldt voor het plan van de staatsse– 
cretaris om tot samenvoeging van 
allerlei instanties te komen. Dat is 
een zeer ingrïjpende maatregel en ik 
denk dat wij daar zeer voorzichtig 
mee moeten zijn. 

De voorzitter Ik heb de staatsse– 
cretaris gevraagd, na de schorsing zo 
direct mogelijk op de vragen en 
opmerkingen van de commissie in te 
gaan. Hij heeft dat toegezegd en wij 
weten dat hij daartoe ook in staat is. 
Als wij wat "spelen" met de tijd zou 
een opzet mogelijk zijn die ik nu aan 
de commissie wil voorleggen. De 
fractie van het CDA heeft nog 11 
minuten spreektijd, die van de PvdA 
nog 16, die van de VVD r og 7 en die 

Bijzondere Commissie voor het 
jeugdwelzijnsbeleid en vaste 17 juni 1991 
Commissie voor justitie Justitiële jeugdbescherming UCV54 54-16 


Leerling 

van Groen links nog 3. Voor de 

overige fracties varieert het van min 

1 tot 0 minuten. Ik stel voor, dat de 

fractie van Groen Links nog 4 

minuten krijgt en de overige kleine 

fracties elk 2 minuten, zodat er nog 

enige ruimte wordt geboden Mij 

blijkt dat men met deze werkwijze 

kan instemmen. 

De vergadering wordt van 1 2.56 uur 
tot 13.45 uur geschorst. 

De voorzitter Ik moet een verzuim 

goed maken. Vanmorgen had ik nog 

in het bijzonder willen vermelden dat 

de twee externe deskundigen van de 

subcommissie vandaag ook de 

vergadering bijwonen. Dat zijn 

mevrouw Stegerhoek en mevrouw 

Richters. 

De staatssecretaris heeft ons net 

een stuk gegeven, dat wordt 

rondgedeeld. Dat bevat een kort 

overzicht van de planning van de 

beleidsvoornemens uit de nota van 

de staatssecretaris. 

D 

Staatssecretaris Kosto: Mijnheer de 
voorzitter! Met de zojuist door u 
aangeduide papieren, bevattende 
een kort overzicht van de planning 
van de beleidsvoornemens uit de 
nota Justitiële jeugdbescherming: 
met recht in beweging, heb ik recht 
gedaan aan een verzoek van 
mevrouw Vliegenthart ter zake. Het is 
een stuk van drie pagina's. Wellicht 
kan dat nog tot opmerkingen leiden. 
Die zal ik dan graag naar vermogen 
beantwoorden. 

Terecht heeft mevrouw Laning 
gewezen op de voorgeschiedenis van 
de nota Justitiële jeugdbescherming: 
met recht in beweging. Die staat 
vandaag ter discussie in deze Kamer. 
Dit geldt evenzeer voor het rapport 
Rechtzetten, dat tot stand gekomen 
is door de activiteiten van een 
commissie uit deze Kamer. Ten 
grondslag aan de nota van de 
regering ligt de nota van de commis– 
sie-Gijsbers van mei van het vorige 
jaar. 

Lang, in tijd gemeten, wordt er 
gesproken over kinderbescherming, 
jeugdhulpverlening en justitiële 
jeugdbescherming. De Kamer heeft 
in het verleden vele malen gevraagd 
om een notitie naar aanleiding van 
het functioneren van de raden voor 
de kinderbescherming. Er is sprake 
geweest van vele initiatieven uit deze 
Kamer, een kroon vindend in een 

wetsvoorstel dat wet geworden is, 

namelijk de Wet op de jeugdhulpver– 

lening. Daaruit blijkt ten minste 

hoezee– de politiek te allen tijde bezig 

is geweest met de problemen 

omtrent de jeugdbescherming, in de 

brede zin van het woord. 

Dat wij vandaag toegespitst de 
justitiële jeugdbescherming bespre– 
ken, buiten aanwezigheid van de 
verwante bewindsvrouwe op dit 
beleidsterrein, de minister van WVC, 
is mede daarom te rechtvaardigen, 
omdat de verstandhouding tussen 
beide departementen en beide 
bewindslieden een positief gegeven 
is: wij overleggen regelmatig met 
elkaar en kennen op het punt van 
onze inzichten en onze inzet geen 
verschillen die tot een soort strijdsi– 
tuatie zouden leiden en tot het 
spreken in termen van strijd. Dat trof 
ik overigens nog wel aan in de schets 
van het verleden die mevrouw Laning 
gaf. Zij had het namelijk over 
bolwerken. Die pleegt men te moeten 
nemen; die vallen niet spontaan. Dat 
is bekend. Ik kijk naar de heer 
Leerling; hij denkt misschien aan 
Jericho, waar het wel een keer 
gebeurde. Maar dat is iets heel 
speciaals geweest. 

De heer Leerling (RPF): Ja, dat ging 
op een heel speciale wijze. 

Staatssecretaris Kosto: Precies. 

De heer Leerling (RPF): Ik hoop dat 

u niet zeven keer rond de problemen 

hoeft te lopen. 

Staatssecretaris Kosto: Dat is ook 
zeker niet de bedoeling. Mijn 
compliment voor het inknallen van de 
bal, mijnheer Leerling! 

De heer Leerling (RPF): Als er 
goede voorzetten zijn, ben ik 
daarvoor in. 

Staatssecretaris Kosto Hiermee 
heb ik evenwel willen aangeven dat 
wij niet moeten denken in termen van 
verschil, van strijd in de boezem van 
de overheid. Integendeel. Wij zijn in 
het kabinet, in de regering, heel 
nadrukkelijk bezig om de belangstel– 
ling voor de positie van de jeugd 
concreet gestalte te geven in 
concrete maatregelen. Zo hoort dat 
ook. 

Dat wij op de weg daar naartoe 
bestaande dingen misschien moeten 
herzien of een andere opzet geven en 
dat wij rekening moeten houden met 

ontwikkelingen van deze tijd, ook van 
deskundigheden die iets nieuws 
kunnen bijdragen aan wat tot 
dusverre altijd als geijkt is gezien, 
opvattingen die veranderd zijn, is 
alleen maar positief. Mevrouw Laning 
zei vanochtend nog: laten wij hopen 
dat het recht in beweging blijft, dat 
er geen verstarring optreedt. Welnu, 
dat moet inderdaad niet gebeuren; 
wij moeten vooruit. Wij staan nu op 
het punt dat er inderdaad een aantal 
veranderingsvoorstellen zijn, die 
soms hun wortels in een vrij ver 
verleden hebben. Ik kom er straks op 
terug, maar ik duid nu even op de 
veranderde inzichten in de positie 
van de kinderrechter. De heer Van 
Middelkoop zei terecht dat er 
kamerbrede instemming met de 
voorstellen op dit punt is. Dit was in 
1979 nog niet mogelijk, toen 
dezelfde voorstellen aan de orde 
waren. Inmiddels zijn wij zover dat 
het wel kan. Ik hecht er ook bijzon– 
dere betekenis aan, maar dit zal ik 
duidelijk maken, wanneer ik er straks 
op terugkom. 

Vanuit deze positieve aanloop naar 
de discussie van vandaag wil ik na 
nog enkele opmerkingen de vragen 
concreet beantwoorden. De eerste 
betreft de ontvangst van de nota 
Justitiële jeugdbescherming. Ik heb 
mogen vaststellen dat er heel veel 
commentaar op gegeven is, vanuit 
verschillende hoeken. Ook de Kamer 
heeft in verband met de eigen nota al 
af en toe in de media erop gerea– 
geerd. Ik neem de vrijheid, te zeggen 
dat de hoofdtoon van de commenta– 
ren positief is. Men is positief over 
het feit dat er wat gebeurt en over de 
wijze waarop het gebeurt. Er blijven 
misschien enkele punten van 
discussie en verschillen van inzicht 
over; daar zullen wij het over kunnen 
hebben. 

Ik hecht eraan, iets wat ik buiten 
deze Kamer gedaan heb, ook binnen 
de Kamer te doen, namelijk een 
woord van oprechte bewondering en 
waardering uit te spreken voor het 
werk van de subcommissie onder 
leiding van mevrouw Vliegenthart, 
die door de opzet van het onderzoek, 
de wijze waarop mensen erbij 
betrokken zijn en de kwaliteit van het 
werk een prima stuk, als ik het zo 
populair mag uitdrukken, parlemen– 
tair werk heeft neergelegd. Ik heb 
hierop inderdaad gereageerd in mijn 
nota. Ik hecht eraan, te zeggen dat er 
ook als de subcommissie dat 
werkstuk niet gemaakt had, een nota 
van de staatssecretaris gekomen zou 

Bijzondere Commissie voor het 
jeugdwelzijnsbeleid en vaste 17 juni 1991 
Commissie voor justitie Justitiële jeugdbescherming UCV54 54-17 


Kosto 

zijn. Het stuk van de staatssecretaris 
is dus niet reactief, maar werd al 
aangekondigd in de regeringsverkla– 
ring. 

Mevrouw Laning-Boersema vroeg 
of de taken die de raden ambtshalve 
ingeval van adoptie hebben, daar niet 
weggehaald moeten worden. Het 
gaat om de advisering van adoptie– 
verzoeken die op een goed moment 
bij de rechter liggen. Mijn standpunt 
blijkt uit een wetsvoorstel dat 
aanhangig is. Dit raakt artikel 902a 
Wetboek van Rechtsvordering; slaat 
u het maar na. Het houdt in dat de 
raad alleen adviseert indien hij 
hieraan behoefte heeft, waarbij het 
richtsnoer natuurlijk weer het belang 
van het kind is, of indien de rechter 
behoefte heeft aan advies van de 
raad. In dit opzicht tekent de 
afstandelijke raad zich ook af. 

lets anders is het onderzoek ten 
behoeve van de beginseltoestem– 
ming nodig voor de opneming van 
een buitenlands pleegkind. Deze 
onderzoekstaak wil ik handhaven. Ik 
zie er op basis van praktijkervaringen 
geen reden voor om het aan een 
andere organisatie van de Raad voor 
de kinderbescherming toe te delen. 
Ik neem in aanmerking dat de 
voorlichting over interlandelijke 
adoptie reeds door een andere 
organisatie van de raad wordt 
gedaan. Dat is een centrale organisa– 
tie die in Utrecht zetelt. 

Mevrouw Laning pleit voor aparte 
aandacht voor kind en ouders bij het 
onderzoek. Ik onderschrijf dat in 
sommige situaties een tweesporen– 
benadering nodig is. Nu zijn er bij een 
aantal raden HBOJ'ers in dienst, die 
zich specifiek met het kind bezighou– 
den. Dat zijn mensen uit een 
bepaalde discipline van het hoger 
beroepsonderwijs. Zoals in de nota 
staat aangegeven, ben ik voor 
doorbreking bij de raden van de 
monocultuur van het maatschappelijk 
werk om een casus vanuit verschil– 
lende disciplines te kunnen benade– 
ren. Ik hecht eraan, te zeggen dat dit 
absoluut geen depreciatie, gebrek 
aan waardering, voor de werksoort 
maatschappelijk werk is. Er is echter 
meer deskundigheid dan vroeger 
voorhanden. De gevallen zijn soms 
heel specifiek en veel zwaarder dan 
ooit. Dit is een van de problemen 
waarmee wij zitten. Het binnen de 
raden en daarbuiten erbij betrekken 
van de deskundigheid die nu 
eenmaal voorhanden is, zie ik als 
positief, verhoogt de kwaliteit en zal 

in theorie en, naar ik hoop, ook in de 
praktijk conflicten verminderen. 

Mevrouw Laning-Boersema (CDAj: 
De staatssecretaris heeft nu twee 
punten uit mijn betoog met elkaar 
verbonden. Waar ik sprak over "in de 
hulpverlening ouder en kind apart 
begeleiden" had ik niet direct het 
oog op de raden, maar op de 
gezinsvoogdij. Waar ik sprak over 
"deskundigheidsbevordering" in 
dezelfde zin als de staatssecretaris 
zoëven ook schetste, had ik vooral de 
raden op het oog. Het waren twee 
heel verschillende passages uit mijn 
betoog, die de staatssecretaris nu op 
heel ingenieuze wijze aan elkaar 
koppelt, maar helaas op een manier 
die niet helemaal overeenkomt met 
mijn bedoeling. Ik ben van oordeel 
dat het heel goed zou zijn als in het 
proces van het onder toezicht stellen 
ouders en kind apart begeleid 
worden. 

Staatssecretaris Kosto: Mijnheer de 
voorzitter! Mevrouw Laning heeft 
terecht in mijn beantwoording een 
geweldige hang naar samenhangend 
beleid opgemerkt. Zij vindt dat ik 
daarin een stap te ver ga. De 
begeleiding van ouders en kinderen 
zal uit de aard der zaak in de praktijk 
nogal eens op een gescheiden circuit 
plaatsvinden. De opvatting van de 
Kamer luidt dat de ouders waar dat 
mogelijk is weer ouders moeten 
blijven — ik heb dat ook de heer 
Korthals nadrukkelijk horen betogen 

— en dat de gezinseenheid weer tot 
stand moet worden gebracht waar 
dat mogelijk is. In de praktijk zal de 
tendens ook zijn dat de beide circuits 
op een goed moment toch weer bij 
elkaar komen lopen. Ik begrijp nu niet 
goed wat mevrouw Laning nu 
expliciet wil, omdat wat ik nu schets, 
de realiteit van het werk is. 
Mevrouw Laning Boersema (CDA): 
Mijn pleidooi was er ook op gericht 
om die twee circuits bij elkaar te 
krijgen. Maar dan is het heel goed 
dat de ouders aan de ene kant en het 
kind aan de andere kant niet door 
dezelfde persoon begeleid worden. 

Staatssecretaris Kosto 0, dat 
bedoelt u. Dat is iets wat ik niet 
zonder meer als een vanzelfspre– 
kendheid zou willen zien. Ik kan mij 
juist niet voorstellen dat het, in het 
belang van het weer samenbrengen 
van dat gezin in een goed functione– 
rend verband, noodzakelijk is dat er 

gescheiden hulpverleningscircuits 
zijn, die door verschillende hulpverle– 
ners tot stand gebracht worden. 
Maar hier wreekt zich dat ik in ieder 
geval niet in de dagelijkse praktijk 
verkeer, hoewel ik veel bezoeken 
afleg en ook veel in gesprek raak met 
mensen die werken bij instellingen 
voor gezinsvoogdij. Ik zou mij zelfs 
kunnen voorstellen dat begeleiding 
door een enkele hulpverlener nog 
eerder herstel van de gezinssituatie 
mogelijk maakt dan wanneer men de 
hulpverleners uit elkaar haalt. Maar 
dat is theorie. Ik zie nu bijna aan 
mevrouw Laning dat haar deskundig– 
heid op dit punt op dit moment 
groter is dan de mijne. Ik zal hier 
graag in tweede termijn op terugko– 
men, als ik mij deskundig heb kunnen 
laten adviseren. Men zal zich buiten 
deze tafel even over een goed 
antwoord buigen. 

Mijnheer de voorzitter! Ik denk dat 
er op het punt van de contra-experti– 
se een verschil van inzicht ligt tussen 
mij en een aantal geachte afgevaar– 
digden, maar niet tussen mij en 
mevrouw Laning. Mevrouw Laning 
heeft namelijk gezegd wel te 
begrijpen dat het recht op contra-ex– 
pertise niet zo goed kan worden 
geregeld. Dat is ook mijn opvatting. 
Ik wil daar toch nog een paar 
opmerkingen over maken. 

Het gaat er niet om dat ouders 
helemaal geen contra-expertise 
zouden mogen uitbrengen. De 
rechter kan rapporten ontvangen van 
deskundigen die door de ouders zijn 
aangedragen. Die rapporten zouden 
het karakter van een contra-expertise 
kunnen hebben. Ze moeten dan 
echter wel tot stand worden ge– 
bracht op kosten van die ouders zelf. 
De rechter betrekt dat wel of niet in 
zijn overwegingen. Ik zeg dit 
enigszins nadrukkelijk, want de 
rechter is onafhankelijk en de rechter 
oordeelt over wat hij of zij nodig 
heeft om tot een oordeel te komen. 
Dit is dus geen afwijzing van de 
contra-expertise als zodanig, maar 
wel een afwijzing van het in de wet 
vastleggen van een recht daarop, ook 
als het zou gaan om een recht dat 
men dan in hoger beroep zou willen 
effectueren. Wat het laatste betreft 
vrees ik dat er in voorkomende 
gevallen een aanzuigende werking 
van het hoger beroep zal zijn om de 
contra-expertise te krijgen. Het gaat 
mij allereerst om het principiële punt 
dat de rechter oordeelt of hij 
contra-expertise nodig heeft. Vindt 
de rechter dat er een contra-experti– 

Bijzondere Commissie voor het 
jeugdwelzijnsbeleid en vaste 17 juni 1991 
Commissie voor justitie Justitiële jeugdbescherming UCV54 54-18 


Kosto 

se moet zijn op het rapport van de 
raad, dan zal hij daar zelf om vragen. 
Ik denk dat nu de roep om een 
contra-expertise vooral wordt gevoed 
door het volgende. De ouders 
ervaren de overheid, optredend via 
de raden en via de kinderrechter in 
zijn huidige wijze van werken, als een 
bolwerk. Wij zullen het erover eens 
zijn dat de kinderrechter weer de 
klassieke taak van het rechtspreken 
moet worden toebedeeld en dat de 
raad als adviseur dan wel als 
rekwirerende instantie moet optre– 
den. Dat bolwerk zal dan als zodanig 
gebroken zijn. De rechter is weer een 
rechter geworden. De rechter zal zich 
dan ook als rechter gedragen en een 
contra-expertise gelasten als hij zich 
onvoldoende beoordeeld vindt. 

Daar komt nog iets bij. Daar komen 
nog veel dingen bij. Ik wil dit echter 
niet onvermeld laten, hoewel het van 
een andere orde is. Als wij een recht 
op contra-expertise in de wetgeving 
vastleggen, zijn wij gehouden om die 
contra-expertise te financieren voor 
degenen die niet kunnen betalen. 
Daar heb ik ook nogal wat problemen 
mee. Die zijn van budgettaire aard en 
derhalve van een andere orde. Mijn 
hoofdargument tegen is het principe 
dat een rechter zelf oordeelt wat hij 
of zij nodig heeft om tot een oordeel 
te komen. Heeft de rechter een 
contra-expertise nodig, dan zal hij 
daarom vragen. Dat is duidelijk. 
Bovendien ben ik bang voor prece– 
denten. Dat is dus ook een punt van 
principiële aard. Het feit dat iemand 
een contra-expertise mag aandragen, 
is zonder precedenten. Maar ik denk 
dat partljen nu op meer punten van 
de rechtspraktijk een contra-experti– 
se zullen vragen. Dat staat dan 
allemaal nog los van de vraag wie 
dan eigenlijk het recht heeft op een 
contra-expertise: vader, moeder of 
allebei? Misschien moet aan derden 
worden gedacht? Ik ontraad de 
Kamer ernstig om verder aan te 
dringen op het codificeren van een 
recht op contra-expertise. 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): 
Voorzitter! Het gaat erom of er in de 
gevoerde procedure ruimte is voor 
het houden van een tegenonderzoek. 
De staatssecretaris zegt dat er in 
feite ruimte bestaat op het moment 
dat de rechter vindt dat het noodza– 
kelijk is om een dergelijk onderzoek 
te houden. De rechter acht zich dan 
niet voldoende voorgelicht. Het gaat 
in de kern om het volgende. Als 
oudars of verzorgers de conclusies 

van een onderzoek van de Raad voor 
de kinderbescherming willen 
aanvechten, hebben zij daarvoor 
veelal de deskundigheid nodig die 
kan staan tegenover de deskundig– 
heid die door de Raad voor de 
kinderbescherming is opgebracht. De 
rechter kan waarschijnlijk niet op 
voorhand het oordeel vellen dat hij 
zich niet voldoende voorgelicht acht. 
Immers, hij heeft niet aangetoond 
gekregen dat het onderzoek op 
sommige punten inderdaad te kort 
schiet. Op dit punt is er een funda– 
menteel verschil van mening. Het 
gaat om de rechtsmiddelen om in 
zo'n proces de rechter de kans te 
bieden om tot zijn onafhankelijke 
oordeelsvorming te komen. Je moet 
concluderen dat er in de huidige 
situatie sprake is van een ongelijk– 
heid in rechtspositie van enerzijds de 
Raad voor de kinderbescherming en 
anderzijds de ouders. Wij vinden dat 
daarin meer evenwicht moet worden 
aangebracht door wel de mogelijk– 
heid in de procedure te bieden. 

Staatssecretaris Kosto Heel veel 
toe te voegen, heb ik niet. Het zal de 
rechter op een goed moment bekend 
zijn dat de ouders het niet eens zijn 
met het advies van de raad. Dat zal 
de rechter op scherp zetten. In dat 
geval kan de rechter zelf gelasten, als 
hij denkt dat er enige grond zit in die 
twijfel, om een contra-expertise in te 
stellen. Mijn bezwaar richt zich niet 
tegen de contra-expertise als 
zodanig. Mijn bezwaar richt zich 
tegen het vastleggen in de wet dat 
ouders altijd recht hebben op een 
contra-expertise. Er komt nog iets bij. 
Mevrouw Vliegenthart gebruikte de 
woorden niet, maar andere sprekers 
hebben ze wel gebruikt: equality of 
arms. Ik denk dat het een bepaalde 
kijk geeft op de positie van de Raad 
voor de kinderbescherming, die 
enigszins uit het gesloten-bolwerk– 
denken stamt. De Raad voor de 
kinderbescherming, namens ons 
allen bezig zijnde en namens de 
overheid bezig zijnde, richt zich op 
het belang van het kind. De raad is 
nadrukkelijk geen partij in het conflict 
van de ouders. Hij heeft maar een 
ding voor ogen en dat is het belang 
van het kind veiligstellen en dat 
bevorderen waar dat maar kan. Dat is 
een eigen taak. Ten onrechte wordt 
gedacht in de sfeer van "conflictden– 
ken". Als je die lijn zou doortrekken, 
zou de Raad voor de kinderbescher– 
ming in het denken in equality of 
arms plotseling de pool worden van 

het belang van het kind tegenover 
dat van de ouders. Het element 
polariserend denken moet er niet 
inzitten en dat zit er naar mijn vaste 
overtuiging ook niet in. De Raad voor 
de kinderbescherming heeft een 
eigen, in zekere zin ook onafhankelij– 
ke, taak namens de samenleving. Hij 
richt het oog op het belang van het 
kind. Dat daar automatisch een 
conflict met de ouders uit voort kan 
vloeien, is een gegeven. Wij moeten 
de raad echter niet zien als een partij 
tegenover de ouders. Hij heeft een 
voorlichtende en rekwirerende taak 
tegenover de rechter. Er is niets 
tegen contra-expertise als men die 
vrij wil aandragen. Men zal die 
overigens ook zelf moeten betalen. 
Mijn bezwaar is, het vastleggen in de 
wet van dat recht dat ook gebruikt 
zou kunnen worden in die gevallen 
waarin de rechter naar recht en 
reden daaraan niet de minste 
behoefte heeft, omdat hij ten volle 
overtuigd is. Toch moet het recht op 
contra-expertise dan nog een keer 
vervuld worden. In die situatie die 
zich overigens nog vaak zal voor– 
doen, zullen de ouders in ieder geval 
het gevoel hebben dat zij een 
contra-expertise voorgelegd hebben 
en in het proces heeft dat verder 
niets meer van doen. Dus, voorzitter, 
contra-expertise, ja, als de rechter 
dat vraagt, het staat ouders vrij om 
die, mits op eigen kosten, aan te 
dragen, maar het is geen recht waar 
men zich op kan beroepen, dat 
neergelegd wordt in de wet. Dat is 
mijn standpunt. Ik kan daar verder 
niets aan toevoegen. Ik wacht af hoe 
de meerderheid van de Kamer dit te 
zijnertijd zal beoordelen. 

De voorzitter: Ik denk dat het goed 
is, dat wij nu even doorgaan met dit 
punt want anders moeten wij 
hierover straks weer praten. Ik geef 
daarom allereerst het woord aan de 
heer Korthals. 

De heer Korthals (VVD): Voorzitter! 
Voor een belangrijk deel kan ik mij 
vinden in datgene wat mevrouw 
Vliegenthart gezegd heeft. Wat de 
staatssecretaris nu doet, is in feite 
aangeven waar men zoveel bezwaar 
tegen heeft, namelijk het bevoog– 
dend karakter van alles. Zoals men 
weet moet de rechter in civiele 
procedures in het algemeen maar 
lijdelijk afwachten wat partijen hem 
voorleggen. Ouders zijn heel 
belangrijke partijen die inderdaad het 
recht moeten hebben om hun 

Bijzondere Commissie voor het 
jeugdwelzijnsbeleid en vaste 17juni 1991 
Commissie voor justitie Justitiële jeugdbescherming UCV54 54-19 


Kosto 

mening naar voren te brengen. Of de 
rechter daarvan vervolgens gebruik 
zal maken, is zijn zaak. Misschien 
vindt hij het irrelevant, maar hij kan 
ook achteraf denken dat iets een hele 
nuttige aanvulling geweest had 
kunnen zijn. Wat dit betreft, ben ik 
het met mevrouw Vliegenthart eens. 
Ik begrijp echter haar probleem wel. 

In feite is dat wie dat zal moeten 
betalen. Er zijn echter ook tussenop– 
lossingen. Op het ogenblik kan een 
rechter doorgaan met de procedure 
en hij behoeft zelfs niet eens een 
contra-expertise, die door de mensen 
zelf betaald wordt, af te wachten. Als 
men binnen twee weken te kennen 
geeft dat men een contra-expertise 
wil, bijvoorbeeld een politieagent uit 
de buurt of de hoofdonderwijzer van 
de lagere school, moet de rechter die 
afwachten. 

Staatssecretaris Kosto: Voorzitter! 
Het eerste deel van de opmerking 
van de heer Korthals kan ik bepaald 
onderschrijven. De rechter zal 
natuurlijk ook afwachten of partijen 
inderdaad met een contra-expertise 
zullen komen. Hij zal die zelf gelasten 
als zij daar niet mee komen. De heer 
Korthals heeft er behoefte aan, dit 
laatste te laten doen. Mijn bezwaar 
richtte zich ertegen, partijen het 
recht in de wet te geven, om dat te 
codificeren. Nogmaals, daar heb ik 
bezwaar tegen. Of de heer Korthals 
mij nu bijvalt of niet, helder is hij hier 
niet over. Ik heb geen bezwaar tegen 
datgene wat de rechter nodig heeft, 
maar ik heb er wel bezwaar tegen dat 
dit een wettelijke plicht wordt. Voorts 
zegt de heer Korthals dat de rechter 
niet op de contra-expertise behoeft 
te wachten. Er kunnen zich bepaalde 
omstandigheden voordoen dat de 
rechter vooral niet moet wachten. De 
situatie zou met zich mee kunnen 
brengen dat er een zeer dringende 
noodzaak is dat de rechter wel een 
oordeel geeft. Men kan dan niet 
wachten. Als de rechter zou kunnen 
wachten tot het zover is, zouden 
diverse situaties opgerekt worden. 
Dat lijkt mij ook duidelijk ongewenst. 
Op z'n minst zou ik de opvatting van 
de heer Korthals willen amenderen. 
Als men aangekondigd heeft, met 
een contra-expertise te komen — ik 
moet helaas nog eens benadrukken 
dat men die zelf moet bekostigen — 
geldt ook het criterium: mits het 
belang van het kind zich daartegen 
niet verzet. 

Mevrouw Laning-Boersema (CDA) 

Die laatste zin onderschrijf ik. Wij 
hebben echter ook andere manieren 
om meteen maatregelen te nemen 
wanneer de nood erg hoog is. Ik was 
blij met de opmerking van de 
staatssecretaris dat hij de indruk had, 
dat ik zijn betoog in de stukken 
geheel ondersteun. Nadat ik echter 
zijn argumenten dat het niet moet 
gaan om "equality of arms" had 
ondersteund, heb ik gezegd dat wij 
van mening zijn dat in de procedures 
bij de rechtbank bij wet een zodanige 
verandering moet worden aange– 
bracht, dat ruimte wordt geboden. 
Die ruimte is er op dit moment niet. 
Het is in zekere zin een compromis 
tussen het verhaal van de staatsse– 
cretaris en het verhaal van het recht 
op contra-expertise. Er moet bij wet 
iets gebeuren om die ruimte te 
scheppen. 

Staatssecretaris Kosto Dat betwijfel 
ik nu juist. Die ruimte is er wel. De 
rechter kan de contra-expertise die 
aangedragen wordt door partijen, 
aanvaarden. Hij kan daartoe ook zelf 
gelasten. Daar behoeft de wet niet 
voor te worden veranderd. De 
rechter maakt zelf uit wat hij nodig 
heeft om tot een overtuiging te 
geraken. Dat kan gebeuren door 
stukken te aanvaarden die door 
partijen worden aangedragen of door 
alsnog een onderzoek te gelasten. 
Het gaat mij om het punt, met 
vergaande gevolgen, dat er een 
onwrikbaar recht in de wet komt te 
staan, op grond waarvan ouders een 
contra-expertise met bijbehorende 
financiering kunnen eisen, ook als de 
rechter de zaak zo helder vindt als 
maar mogelijk is. Daar heb ik 
bezwaar tegen. Ik denk dat wij het in 
wezen met elkaar eens zijn. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Het hangt van de invalshoek af. Wat 
is je positie in het krachtenveld? Er 
zijn ouders die het gevoel hebben dat 
de raad een onjuist pad bewandelt. 
Zij merken — dat gebeurt vaak - dat 
de rechter het advies van de raden 
vrij gemakkelijk volgt. Er is behoorlijk 
wat kritiek op de raden en niet 
geheel en al ten onrechte. Ouders die 
in deze situatie verkeren, ervaren hun 
rechtspositie als verschillend van die 
van de raden. Het is zinnig om daar 
tegenwicht aan te bieden. De 
staatssecretaris zegt: dat kan als je 
geld hebt. In het rapport Rechtzetten 
staat vrij nadrukkelijk dat het daar 
niet aan gebonden zou moeten zijn. 
In het rapport is hierop vrij uitvoerig 

ingegaan. Wordt het niet waanzinnig 
duur als dit bij alle zaken in eerste 
aanleg gebeurt? Dat kan inderdaad 
onbeheersbare vormen aannemen 
Zou het dan niet moeten worden 
beperkt tot het hoger beroep? Ik 
denk dat niet klakkeloos in hoger 
beroep wordt gegaan. Hoger beroep 
heeft een meerwaarde. Hoe kijkt de 
staatssecretaris tegen die mogelijk– 
heid aan? 

Staatssecretaris Kosto: Ik ben van 
mening dat wij de problematiek 
waaruit de wens van een wettelijk 
vastgelegde contra-expertise 
voortvloeit, in haar samenhang 
moeten bezien. Wat is de klacht? De 
ervaringen van degenen die te maken 
hebben met de kinderrechter en met 
de Raad voor de kinderbescherming 
zijn dat men staat tegenover een 
gesloten bolwerk van de overheid, 
een machtsbolwerk waar niet 
doorheen te breken valt. Wat stellen 
wij voor in de nota? Waarover 
hebben wij in hoge mate overeen– 
stemming als wetgever en medewet– 
gever? Het bolwerk moet op een paar 
manieren worden doorbroken, 
althans de schijn van een bolwerk, 
want ik neem dit niet zonder meer 
voor mijn rekening. 

Het terugbrengen van de rechter 
naar zijn rechterlijke taak en het 
wegnemen bij de rechter van het 
leiding geven aan de uitvoering van 
de eigen maatregelen zijn al een 
wezenlijke bijdrage aan het doorbre– 
ken van het vermeende bolwerk. Dat 
is één. 

Verder kan het bevorderen van de 
deskundigheid van de raden door het 
betrekken van in– en externe 
advieskwaliteit van andere disciplines 

— dit punt, genoemd in de nota, is 
niet weersproken, hooguit genuan– 
ceerd - ook bijdragen aan een hoger 
kwaliteitsniveau van de rapportage, 
waardoor de problemen zouden 
kunnen worden verminderd. 
Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
En daar is nu juist kritiek op; het 
bolwerk zou dan versterkt worden. Ik 
hoop dat het tot u doordringt dat het 
zo gevoeld wordt. 

Staatssecretaris Kosto: Het tot me 
door laten dringen van gevoelens 
behoort inderdaad ook tot mijn taak, 
maar ik vind dat we dit terug moeten 
brengen tot redelijke proporties. Er is 
veel te zeggen voor de redenering 
dat het rapport over de kwaliteit van 
de raden de kans op conflicten 

Bijzondere Commissie voor het 
jeugdwelzijnsbeleid en vaste 17 juni 1991 
Commissie voor justitie Justitiële jeugdbescherming UCV54 54-20 


Kosto 

vermindert. Wat u nu formuleert -u 
zegt althans dat anderen dat zo 
voelen - is een soort angst voor 
deskundigheid. Ik vind niet dat we 
daarin zonder meer mee moeten 
gaan; we moeten die zaken in hun 
samenhang zien. De bedoeling is dat 
er een kwalitatief hoger raadsprodukt 
komt. De rechter oordeelt over 
conflicten als een zeer onafhankelijke 
rechter, die niet betrokken is door 
uitvoering bij de maatregelen die hij 
zelf heeft opgelegd. De contra-ex– 
pertise die daar nog bijkomt, zal 
welkom zijn, mits zij niet als recht in 
de wet staat en gefinancierd moet 
worden. 

Ik kom toe aan de opmerking van 
mevrouw Versnel over het hoger 
beroep, waarbij zij voorbijging aan 
een opmerking van mij, dat ik vrees 
dat, als hoger beroep de opening 
geeft naar contra-expertise, dit een 
aanzuigende werking zal hebben op 
het in hoger beroep gaan. Ik denk dat 
heel wat mensen de volgende 
houding zullen aannemen: de wet 
geeft me het recht op hoger beroep 
en contra-expertise, dus ik zal die 
contra-expertise ook hebben, ik ga 
alleen daarom al in hoger beroep. 
Voorzitter! Ik denk dat dat in de 
praktijk het effect zal zijn, wat is 
gebaseerd op enige ervaring met het 
hoger beroep in het algemeen. 
Nogmaals, iets dergelijks zal een 
geweldige aanzuigende werking op 
het hoger beroep hebben, en 
derhalve ook weer in hoge mate 
kostenverzwarend werken. 

De voorzitter: Ik zie dat verschillen– 
de leden willen interrumperen. Ik 
geef eenieder daartoe de gelegen– 
heid, waarbij ik verzoek, een herha– 
ling van argumenten te vermijden. 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): Ik 
houd problemen met de redenering 
van de staatssecretaris. Zijn stelling 
is dat de rechter kan beoordelen, in 
hoeverre hij behoefte heeft aan een 
tegenonderzoek. Onze stelling is dat 
in het belang van het proces en het 
afwegen van feiten en omstandighe– 
den, en van de interpretatie die 
daaraan gegeven moet worden, de 
mogelijkheid voor ouders bevorderd 
zou moeten worden dat zij in eerste 
aanleg een tegenonderzoek kunnen 
laten verrichten, opdat de rechter 
vervolgens een zorgvuldige beslis– 
sing kan nemen. De stelling dat op 
voorhand, als de Raad voor de 
kinderbescherming onderzoek heeft 
gedaan, de feiten en omstandighe– 

den bekend zijn, gaat ervan uit dat de 
Raad voor de kinderbescherming 
altijd gelijk heeft, en een juiste 
beoordeling maakt van de situatie. 
Ons zijn gevallen bekend - wij 
hebben tenslotte een onderzoek 
verricht - waarin achteraf bezien 
toch wel degelijk sprake is geweest 
van vergissingen, niet met opzet, 
maar omdat er beoordelingsfouten 
gemaakt werden. Het versterken van 
de positie van de ouders in dat 
proces biedt de mogelijkheid om 
ervoor te zorgen dat fouten op dat 
vlak voorkomen kunnen worden. Met 
het oog op rechtswaarborgen en een 
zorgvuldige procedure is het 
derhalve gewenst — het gaat immers 
om zeer diep ingrijpende zaken dat 
dit zo zorgvuldig mogelijk 
geschiedt, en daarom hechten wij er 
zeer aan dat die mogelijkheid in het 
proces geboden wordt, en dat dit 
niet alleen afhangt van de opvatting 
van de kinderrechter of hij zich al dan 
niet voldoende voorgelicht acht. 

De voorzitter: De staatssecretaris. 

Staatssecretaris Kosto: Die, 
ondanks uw vermaan, mijnheer de 
voorzitter, toch niet veel anders kan 

doen dan zichzelf te herhalen. Het 
gaat om een fundamenteel verschil 
van opvatting over wat een rechter is 

en hoe hij moet functioneren. Men 
denkt hier erg in conflicten; men 

blijft, met permissie, wel erg hangen 

in dat conflictdenken, dat in de kritiek 
op de raden zo vaak heeft doorge– 

klonken. Ik ben geneigd, te gaan naar 
de klassieke positie van de rechter 
als een onafhankelijk oordelend 
wezen namens de gemeenschap, 
waar wij nlet bijkomen. De rechter 
heeft de mogelijkheden, middels de 
wet, om zich van het materiaal te 
voorzien, nodig om een onafhankelijk 
oordeel te vellen. Dat moeten wij, 
zoals wij hier zitten, naar mijn volle 
overtuiging aan die rechter overlaten. 
Mevrouw Vliegenthart zegt dat de 
mogelijkheid moet worden bevor– 
derd, dat er een contra-expertise 
komt. Die mogelijkheid is absoluut 
niet uitgesloten. De rechter kan het 
vragen, de ouders kunnen het zelf 
aandragen. Laat nu geen misverstand 
bestaan over waar mijn bezwaar zich 
werkelijk en bij uitsluiting tegen richt, 
dat is namelijk tegen het in de wet 
vastleggen van een recht daarop 
voor die ouders. Dat is volstrekt 
contra de systematiek die wij bij de 
rechtspraak kennen. Ik vrees dan ook 
dat er, als wij dit doen, meer plekken 

in de wet zullen zijn, op basis 
waarvan partijen eisen, dat er een 
tegenonderzoek mag worden 
gedaan. Er zit verder, maar nogmaals 
dat is een argument van een andere 
orde — ik erken dat terstond — een 
kostenfactor achter. Mijn hoofdbe– 
zwaar is, dat je de rechter te veel 
geleidt op een plek waarin hij of zij 
traditioneel niet geleid moet worden, 
omdat dit volgens de wet, het recht 
en de reden van die beroepsuitoefe– 
ning niet nodig is. Het is straks, vrees 
ik, een gebaar naar de ouders, terwijl 
het voor de rechtspraktijk eigenlijk 
niet nodig is. Daar heb ik een beetje 
moeite mee. 

De heer Van der Vlies (SGP): 
Tredend in de gedachtengang van de 
staatssecretaris lijkt mij materieel ten 

minste nog één punt van verdere 
doordenking tussen zijn opvatting en 
die van mijn fractie aanwezig. Ik 
begrijp, dat de staatssecretaris zegt, 
dat het recht niet bij wet aan 
iedereen moet worden toegekend. 
Vervolgens zegt de staatssecretaris, 
dat de rechter het kan vragen. Dan 
zal hij het dossier niet afwegen, 
voordat het er is. Maar nu het geval 
dat de ouders zich vanuit het 
beginsel "hoor en wederhoor" nog 
niet voldoende gehoord achten en 
om een tegenonderzoek vragen. 
Welke garantie heeft de staatssecre– 
taris dan, dat de rechter het dossier 
niet afweegt tot op het ogenblik dat 
materieel kennis genomen kan zijn 
van het tegenonderzoek van de 
ouders; niettredend in de onafhan– 
kelijkheid van de rechter — de 
SGP-fractie zou dat bepaald niet 
willen — ook niet tredend in de 
autonome besluitvorming over de 
vraag, of het belang van het kind al 
dan niet wordt geschaad, wanneer 
de eindbeslissing uitblijft. 

Staatssecretaris Kosto: De rechter 
zal in de meeste gevallen in redelijk– 
heid een tegenonderzoek afwachten, 
als dat is aangekondigd of door hem 
is gevraagd. Ik heb zojuist al tegen 
de heer Korthals gezegd, dat dit 
natuurlijk wel afhangt van de 
concrete casuspositie. Als de rechter 
op een goed moment in billijkheid 
niet kan komen tot dat besluit om te 
wachten, omdat het belang van het 
kind dat vordert, dan zal de rechter 
doen waar het om gaat en het belang 
van het kind voor laten gaan. Dat is 
de enige grens. 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 

Bijzondere Commissie voor het 
jeugdwelzijnsbeleid en vaste 17 juni 1991 
Commissie voor justitie Justitiële jeugdbescherming UCV54 54-21 


Kosto 

doorn (CDA): Voorzitter! Het verschil 
van mening tussen de staatssecreta– 
ris en de Kamer komt naar mijn idee 
hierop neer: in de woorden van de 
staatssecretaris "kan" de rechter 
afwachten, terwijl de Kamer wil dat 
de rechter "zal" afwachten, totdat 
die second opinion binnen is. Dat is 
een wezenlijk andere benadering. Het 
is overduidelijk dat er gevallen zullen 
zijn, waarbij de termijn om die ruimte 
in het geding te bieden, uitermate 
kort is, maar er moet in ieder geval 
aan de ouders de gelegenheid 
worden geboden om die second 
opinion te verzamelen en om die in 
het geding te brengen, zodat de 
rechter inderdaad onafhankelijk kan 
oordelen. Dat kan hij dan doen, niet 
alleen op basis van één rapport, maar 
ook op basis van een tweede. Dat is 
geen recht, maar op die manier 
wordt in de procedure de gelegen– 
heid gecreëerd om het rapport te 
kunnen indienen. Daar gaat het om. 

Staatssecretaris Kosto: Als regel 


ik zei dat al — zal de rechter dat 

doen. Deze zal daartoe ook niet door 

een wetsartikel behoeven te worden 

aangespoord, tenzij het belang van 

het kind zich daartegen verzet. Wat 

uw fractie en mij van mening doet 

verschillen, lijkt mij heel weinig te 

zijn. 

Mevrouw Laning-Boersema (CDA) 

Niets inhoudelijk. 

Staatssecretaris Kosto "Niets", 

zegt mevrouw Laning. Ik haal dat 

ogenblikkelijk naar mij toe. Dat 

betekent naar mijn opvatting, dat niet 

in de wet behoeft te worden 
vastgelegd wat al praktijk is bij de 
zorgvuldige rechtspleging. Als toch 

in de wet zou moeten worden 
opgenomen, dat er ruimte moet zijn, 
opdat ouders een contra-expertise 
tot stand kunnen brengen en 
materiaal kunnen verzamelen, dan zit 
daar onmiddellijk de kwestie achter: 
Dat moet iedereen hebben, dus dit 
moet kunnen worden betaald. In 
ieder geval wordt de financiering dan 
binnen gehaald. Naar mijn beschei– 
den opvatting behoeft niet in de wet 
te worden vastgelegd wat de rechter 
volgens de kunst van zijn discipline al 
doet. Hij zal tot een redelijk produkt 
komen en niet overhaast doorhame– 
ren. Als hij weet dat er nog materiaal 
onderweg is dat zijn oordeel kan 
beïnvloeden, zal hij daarop wachten, 
tenzij spoedeisendheid is geboden in 
het belang van het kind. Dan zal hij 

zeggen: hoezeer het mij ook spijt, ik 

kan niet wachten. Zo zal het in de 

praktijk gaan. 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): Het betreft een 
familierechtelijk geding en geen 
rolprocedure waarin de mogelijkheid 
wordt geboden om die rapporten in 
te dienen. Het is een heel andersoor– 
tig geding en daarin wordt die 
gelegenheid niet gegeven. Dan is de 
kans voorbij. Zo'n deskundigenverkla– 
ring kost enige tijd en die moet 
worden ingebouwd. Dat is niet het 
geval bij deze vorm van procedures. 
Vandaar dat wij pleiten voor een 
moment in die procedure waarin die 
gelegenheid wordt geboden en waar 
de rechter wordt opgedragen om die 
gelegenheid te bieden. 

Staatssecretaris Kosto: Het is een 
lang verhaal, met steeds weer 
dezelfde stellingen. Ik kan mij niet 
losmaken van de gedachte dat wij de 
rechter in zijn waarde moeten laten 
en in het recht dat hij heeft om 
volgens zijn vak en normen die in de 
wet zijn vastgelegd tot een oordeel te 
komen. Ik ga uit van de redelijke 
rechter die niet blind zal varen op 
één enkel rapport als hij daar twijfels 
over heeft. Die rechter zal zelf tot 
actie overgaan en zorgen dat er een 
contra-expertise komt. Ik zal de 
ruimte die mevrouw Soutendijk 
vraagt, zorgvuldig bekijken. Zij komt 
namelijk met procesrechtelijke 
bezwaren. Dat laat echter mijn 
opvatting onverlet dat het recht op 
een contra-expertise niet moet 
worden gecodificeerd. Dat wil 
mevrouw Soutendijk ook niet. Zij zegt 
dat er praktische bezwaren zijn die 
voortvloeien uit het proces– en 
familierecht. Die zal ik bekijken, maar 
ik wil om meer dan eens uitgespro– 
ken redenen, niet een codificatie van 
het recht op contra-expertise. Ik zie 
dat ik op dat punt onder andere de 
CDA-fractie aan mijn zijde heb 

De heer Lankhorst (Groen Links): 
De staatssecretaris sprak over de 
angst voor deskundigheid. Volgens 
mij gaat het daar niet om. Het gaat in 
wezen om de vraag of die deskundig– 
heid aan jouw kant staat of niet. Hij 
praat nu opeens over objectieve 
deskundigheid, maar als die altijd zo 
objectief was, zou er in de verdere 
rechtsgang nog heel wat te bezuini– 
gen zijn. Er zijn echter deskundigen 
en deskundigen. Je wilt natuurlijk 
graag dat ze aan jouw kant staan. 

Dat is volgens mij het wezen van de 
wens om er deskundigen bij te halen. 

Staatssecretaris Kosto: Als het gaat 
om de bevordering van de deskun– 
digheid bij de raden — en daar 
spraken wij over, want dat is een van 
de maatregelen die in de nota wordt 
aangekondigd — dan staat die 
deskundigheid aan de kant van het 
kind. Ik wil nog eens heel nadrukkelijk 
stellen dat de nota Justitiële 
jeugdbescherming uitgaat van het 
belang van het kind, in ieder opzicht 
en altijd. Er zijn critici die hebben 
gezegd dat de nota te weinig uitgaat 
van het belang van het kind en te 
veel van dat van de ouders en van 
anderen dan het kind. Dat is echter 
niet zo. Het was echter niet zo nodig 
om dat accent in de nota te leggen, 
omdat dat a priori al het geval is. 
Justitiële jeugdbescherming richt 
zich op het kind en de deskundigheid 
bij de raden staat aan de kant van het 
kind. Daar gaat het om. Als men gaat 
bekijken aan welke kant die deskun– 
digheid staat, dan doet men aan 
partijdenken. Dat is op zichzelf 
geoorloofd, maar het is wel strijdig 
met het uitgangspunt van waaruit wij 
hier de materie bespreken. 

De voorzitter: Ik sta straks in 
tweede termijn geen interrupties over 
dit onderwerp meer toe. Ik meen 
namelijk dat alle argumenten wel zijn 
uitgewisseld. De enige die nog niet 
heeft gesproken, maar wel het woord 
heeft gevraagd, is de heer Leerling. 
Hij krijgt nu nog de gelegenheid. 

De heer Leerling (RPF): Ik wil een 
cruciale opmerking van de staatsse– 
cretaris bij de kop pakken. Hij stelt 
dat het rapport van de kinderbe– 
scherming objectief is. De kinderbe– 
scherming heeft in de gesprekken die 
wij als commissie hebben gevoerd 
echter het tegendeel gesteld. Zij 
kiezen partij voor het kind. Daar ligt 
het probleem van de ouders. Die 
voelen zich tekort gedaan. Vandaar 
het verzoek om contra-expertise. 
Laten wij het woord "contra-experti– 
se" nu schrappen en zoeken naar 
een mogelijkheid, eventueel in de 
raadsrapportage, om ouders aan hun 
rechten te laten komen. Ik meen dat 
dan het vertrouwen, dat er nu niet is, 
kan worden hersteld. 

Staatssecretaris Kosto: Als dat het 
probleem zou zijn... Het rapport 
wordt opgesteld aan de hand van de 
aanwijzingen die de raden hebben. 

Bijzondere Commissie voor het 
jeugdwelzijnsbeleid en vaste 17juni 1991 
Commissie voor justitie Justitiële jeugdbescherming UCV54 54-22 


Kosto 

Daarin dient inderdaad het standpunt 
van de ouders tot zijn recht te 
komen. Onverlet moet blijven dat de 
rechtsgrond voor het ingrijpen door 
de overheid in zulke primaire 
menselijke verhoudingen als de 
relaties tussen ouders en kinderen 
alleen maar gerechtvaardigd kan 
worden door bezorgdheid over de 
positie van het kind. Daarover zullen 
de heer Leerling en ik niet van 
mening verschillen. De heer Lecrling 
knikt. Hij is het dus met mij eens. 

Dat vertrekpunt brengt de raden 
primair aan de kant van het kind. Dat 
is de opdracht. De reden om van 
overheidswege in te grijpen in die 
zeer particuliere verhouding is de 
vrees dat het niet goed zou kunnen 
gaan met het kind. Ik herhaal dat dit 
betekent dat de raden inderdaad aan 
de kant van het kind staan. Zij doen 
dat dusdanig dat zij de belangen en 
de inzichten van de ouders daarbij 
niet ter zijde werpen of veronachtza– 
men. De belangen en inzichten van 
de ouders moeten wel degelijk bij het 
geheel betrokken worden. Over de 
keuze a priori van de raden kan geen 
misverstand bestaan: dat is de 
positie van het kind. 

Mijnheer de voorzitter! Als u mij 
toestaat, door te gaan met het 
beantwoorden van de diverse vragen, 
dan kom ik bij een vraag van 
mevrouw Laning. Zij vroeg wie de 
bevoegdheden krijgt om problemen, 
populair gezegd, bij de kinderrechter 
aan te kaarten. Zowel ouders als 
minderjarigen zullen tot de rechter 
toegang krijgen. De gezinsvoogdij-in– 
stelling zal geen beslissing aan de 
rechter kunnen vragen over haar 
beleid in het geval de ouder of de 
minderjarige het daarmee niet eens 
is. Zij zal immers bindende beslissin– 
gen aan de ouders kunnen opleggen. 
Het is de ouder of, boven een zekere 
leeftijd, de minderjarige die zich tot 
de rechter zal moeten wenden 
Verder zal aan de pleegouder een 
mogelijkheid worden gegeven, in 
bepaalde omstandigheden de 
beslissing van de rechter in te 
roepen. Dit laatste onderwerp, waar 
het gaat over de pleegouders, is nog 
dermate in de fase van voorbereiding 
dat ik daarop op dit moment niet kan 
doorgaan. Ik kan deze mogelijkheid 
nu niet verder concretiseren. Dit 
onderstreept weer de opmerking van 
mevrouw Laning dat wij in beweging 
blijven. Op dit onderwerp zullen wij 
later terugkomen. 

Mevrouw Laning heeft voorts 
gevraagd of de categorale opzet van 

een voorziening voor behandeling 
van Marokkaanse jongeren een 
wijziging van het algemene beleid is. 
Wat houdt algemeen beleid in? Dit 
houdt in dat het algemeen moet zijn 
waar mogelijk en categoraal waar 
nodig. Het antwoord op haar vraag 
moet zijn dat het voorstel geheel past 
in het algehele beleid van algemeen 
waar mogelijk en categoraal waar 
nodig. Geconstateerd werd dat juist 
de start van de hulp aan Marokkaan– 
se jongens in algemeen kader 
problematisch was mede, dat ligt 
voor de hand, vanwege de grote 
culturele verschillen. Het experiment 
in Amsterdam met zestien plaatsen 
speciaal voor Marokkaanse jongeren 
beoogt na te gaan of voor deze 
categorie categorale hulp nuttig is en 
kan bijdragen aan een positief 
resultaat van de vervolghulp in 
algemene voorzieningen. 

Het gaat hierbij om behandeling 
die plaatsvindt in een voor deze 
jongens wat meer vertrouwde setting 
dan een algemene voorziening. Het is 
de bedoeling dat als zij in de 
categorale voorziening in eerste 
aanleg zijn opgevangen en er komt 
een vervolgtraject, zij weer in de 
algemene voorzieningen insluizen. 
Het is een oprechte poging iets bij te 
dragen aan het oplossen van een 
werkelijk bijzonder grote problema– 
tiek waarover ik ook wel op andere 
momenten met de Kamer heb 
gesproken. 

Mevrouw Laning vraagt of bij 
evaluatie van de informele eigen 
rechtsingang inzake het omgangs– 
recht ook de vraag wordt meegeno– 
men hoe kinderrechters nu omgaan 
met verzoeken van kinderen gedaan 
op hun spreekuur. Ik zal dat aspect 
graag in de evaluatie opnemen 
omdat het hierbij gaat om de positie 
van het kind bij de nieuwe opzet van 
de ondertoezichtstelling. Thans kan 
het kind op het spreekuur zijn mening 
kenbaar maken en aldus bijvoorbeeld 
een uithuisplaatsing of beëindiging 
daarvan uitlokken. Uiteraard is het 
nuttig, de daarmee opgedane 
ervaringen te leren kennen. 

Ik kom te spreken over het betoog 
van mevrouw Soutendijk. Zij was de 
eerste, maar niet de enige, die sprak 
over de bezuinigingsoperatie ex 
Tussenbalans en over het samengaan 
van drie grootheden, de raden voor 
de kinderbescherming, voogdij-in– 
stellingen en de stichtingen voor 
reclassering. Zij sprak in dit verband 
over de beruchte conferentie van 
Veldhoven. Ik hecht eraan om op dit 

punt mevrouw Soutendijk en ook 
andere afgevaardigden, in feite de 
gehele Kamer, te antwoorden. 

Ik bracht de nota Justitiële 
jeugdbescherming uit in december, 
vlak voordat de discussies over de 
Tussenbalans begonnen. Het mag 
misschien een klein beetje een 
politiek wonder worden genoemd, 
dat ik toch nog een beetje geld 
meekreeg, dat die nota mocht 
begeleiden. Daarna kwam de 
Tussenbalans. Na heel veel overleg 
en beraad — waarvan ik de ins en 
outs niet kan en mag vertellen - is 
daar dan ineens voor de staatssecre– 
taris van Justitie de opdracht om 
structureel in 1994 20 mln. te 
bezuinigen op de justitiële jeugdbe– 
scherming en de reclassering. Hoe 
wordt dat nu ingevuld? 

Toen de tekst van de Tussenbalans 
bij de Kamer bekend was - en de 
voornemens van het kabinet ter zake 
er lagen — heb ik de drie sectoren in 
Utrecht uitgenodigd en heb ik 
verteld, wat naar mijn opvatting de 
invulling van deze opdracht zou 
moeten zijn. Bij die gelegenheid heb 
ik gezegd, dat de justitiële jeugdbe– 
scherming, wat de inhoudelijkheid 
van het werk betreft, geheel buiten 
schot zou moeten blijven, sterker 
nog: dat daar zelfs nog wat aan zou 
moeten worden toegevoegd. Ik werk 
dat straks uit. Ik heb de reclassering 
moeten verdrieten met de medede– 
ling, dat op het reclasseringswerk in 
de inrichtingen structureel 8 mln. 
moet worden bezuinigd. Ik stel voor, 
dat wij dat hier niet verder in 
discussie brengen, al was het maar 
omdat ik dat vorige week met de 
Kamer heb gedaan, toen ik te zamen 
met de minister in tweede termijn 
over Recht in beweging sprak. Toen 
heeft deze materie geleid tot een 
motie, die mogelijk in stemming 
komt, mogelijk ook niet, want 
tegenover de Kamer heb ik enkele 
opmerkingen kunnen maken, die naar 
mijn gevoel tot een heroverweging 
zouden kunnen leiden. Ik kom 
daarover nog te spreken. 

In Utrecht heb ik mededelingen 
gedaan, waaruit uiteraard nogal wat 
onrust voortvloeide. Die mededelin– 
gen omvatten mede mijn opvatting 
op dat moment, dat wij ook een 
efficiency-besparing tot stand 
zouden moeten brengen door het op 
arrondissementaal niveau bijeenbren– 
gen van de drie werksoorten tot in dit 
geval 19 centra van justitiële zorg, 
een fusiegedachte. Er ontstond nogal 
wat commotie. Dat heeft geresul– 

Bijzondere Commissie voor het 
jeugdwelzijnsbeleid en vaste 17 juni 1991 
Commissie voor justitie Justitiële jeugdbescherming UCV54 54-23 


Kosto 

teerd - ook vanwege andere 

opmerkingen van mij - in de 

conferentie van Veldhoven. 

Ik heb in Utrecht ook gezegd, dat 
wij een moeilijk pad opgaan, waar 
zich heel veel problemen voordoen. 
Die zijn hier vandaag ook aangeduid. 
Het gaat om ambtenaren bij de raden 
voor de kinderbescherming, particu– 
liere voogdij-instellingen met hun 
eigen geschiedenis en herkomst, die 
niet zijn georganiseerd op arrondis– 
sementaal niveau, reclassering, in 
1986 zelfstandige stichtingen. 
Kortom, simpel is het niet. Wij gaan 
die weg op met elkaar. Er is geen 
sprake van dictaten, wel van 
uitgangspunten en randvoorwaarden. 
Wij gaan dat met elkaar bezien. 

Hieruit is de conferentie van 
Veldhoven voortgevloeid. Onder 
leiding van de directeur-generaal van 
het departement, de heer Greven, is 
toen gesproken met vertegenwoordi– 
gers uit de werksoorten op het 
niveau van de directies. En inder– 
daad, de eerste dag is het er, zo is 
mij bericht, nogal stormachtig aan 
toe gegaan. Ik begrijp dat alleszins. 
Dat is absoluut noodzakelijk. Het is 
nogal een schok, het is nogal 
vervelend. Men moet zijn hart 
luchten en ook zijn oprechte 
bezorgdheid uitspreken. Dat is op die 
eerste dag gebeurd. Maar er was ook 
een belangrijke ondertoon van 
constructief meedenken. Dat bleek, 
toen laat op de avond van die eerste 
dag er overeenstemming kwam in die 
zin, dat alle aanwezigen uitgingen 
van de noodzaak om structureel 20 
mln. om te buigen in 1994. Daar 
konden wij niet omheen; dat moest 
gebeuren. Men was ook van oordeel 
dat de fusiegedachte geen gelukkige 
was en men heeft gevraagd of die 
fusiegedachte wat naar de rand van 
de tafel geschoven mocht worden, 
opdat midden op de tafel wat ruimte 
vrij zou komen om alternatieven uit te 
werken. Daartoe is besloten. Het 
departement heeft die gedachte 
nadrukkelijk niet van tafel wegge– 
haald en heeft gezegd: laat een 
stuurgroep aer.s inventariseren wat 
bij die drie werksoorten de kerntaken 
zijn, waar knelpunten zitten en waar 
samenwerkingsmogelijkheden over 
de grenzen van de organisaties heen 
mogelijk zijn en laat die stuurgroep 
het resultaat ervan in september a.s. 
bekend maken. 

Die stuurgroep studeert op 
winstmogelijkheden, uit efficiency 
voortvloeiend, als er sprake is van 
enigerlei vorm van samenwerking 

tussen de drie organen, waarbij de 
meest extreme door het departement 
op tafel is gelegd. Er worden echter 
ook andere mogelijkheden bestu– 
deerd. Ik hoop dat ik daarmee zoveel 
middelen kan vrijmaken dat een 
bijdrage wordt geleverd aan die 
bezuining van 20 mln. structureel en 
dat ook middelen ingezet kunnen 
worden voor inhoudelijk werk. 

Naast die stuurgroep zijn nog twee 
werkgroepen bezig. De ene kijkt naar 
die 8 mln. die moet worden bezui– 
nigd bij de reclassering en de 
inrichtingen, maar niet om die 8 mln. 
weg te poetsen - daar leek vorige 
week even een misverstand over te 
zijn in de pers; ik heb dat inmiddels 
bij ingezonden brief rechtgezet want 
daar is geen sprake van. 
Bekeken moet worden hoe het moet. 
Ik denk dat wij dit punt vandaag 
buiten de discussie kunnen houden. 
De andere werkgroep bekijkt hoe de 
invulling van de financiële taken, nu 
door de raden uitgevoerd, anders kan 
en hoe besparingen zijn te verkrijgen. 
Straks kom ik daarop nog even terug. 

Die twee werkgroepen zullen in 
september ook met een produkt 
komen. Van die drie groepen komen 
dan de produkten samen. Vervolgens 
zal aan de Kamer een brief worden 
gestuurd, waarin het resultaat wordt 
vermeld en waarbij mijn opvatting 
erover wordt vermeld, evenals mijn 
conclusies. Dit heb ik vorige week 
aan de Kamer beloofd, toen zij zich in 
een andere samenstelling aan mij 
voordeed, namelijk in de vorm van de 
vaste Commissie voor justitie, en met 
de minister en mij sprak over de nota 
"Recht in beweging". Er lag toen een 
motie, waarin mij werd gevraagd, aan 
de stuurgroep ook de bezuinigings– 
opdracht als werkopdracht mee te 
geven. Het was nieuw voor de Kamer 
dat er al twee aparte werkgroepen 
waren, dat het werk van die drie 
groepen in september a.s. bijeen– 
komt in een nota, dat mijn oordeel 
daarover komt en dat een en ander 
vervolgens naar de Kamer wordt 
gestuurd. Ik hoop en verwacht dat de 
commissie die motie nu overbodig 
vindt. 

Kortom, de hele discussie over 
hetgeen wij aan moeten met de 
uitkomsten van de baspreking van de 
Tussenbalans is vorige week gevoerd 
met deze uitkomst. Wat ik nu 
duidelijk wil maken, is dat ik voor 
oktober a.s. met een brief kom, 
waarin een en ander wordt uitge– 
werkt en waarbij ook de gedachte die 
vandaag is geuit - dat er geen 

denken aan fusie is - wordt 
meegenomen. Daarop zal ook 
gereageerd worden in dat stuk, 
waarbij ik niet zeg dat ik zwicht voor 
die gedachte. Ik heb al gezegd: die 
gedachte is niet van tafel, maar wel 
zo terzijde gelegd dat er daarnaast 
ruimte is voor andere mogelijke 
oplossingen, waaraan op dit moment 
constructief gewerkt wordt. Dat 
gebeurt door een werkgroep onder 
voorzitterschap van de directeur-ge– 
neraal Greven, waarin twee vertegen– 
woordigers uit de sfeer van de 
reclassering zitting hebben, twee 
vertegenwoordigers uit de raden voor 
de kinderbescherming en twee 
vertegenwoordigers uit de gezins– 
voogdij-instellingen. Het betreft dus 
een werkgroep van het departement 
en wat wij plegen te noemen het 
veld. Ik hoop dat in september de 
resultaten hiervan bekend zijn. 
Daarna zal ik ze aan de Kamer 
voorleggen. 

Men is dus uitgegaan van de 
randvoorwaarde van de noodzaak om 
voor 20 mln. te bezuinigen. Wat ik 
erbij wil zeggen — en dat is in het 
belang van wat wij vandaag bespre– 
ken — is dat het mijn randvoorwaar– 
de is dat de bezuiniging die de 
Tussenbalans ons op dit terrein 
oplegt, aan het inhoudelijke werk van 
de justitiële jeugdbescherming niet 
zal raken. De benodigde bedragen 
zullen moeten worden verkregen met 
behulp van verhoogde efficiency, in 
het kader van het inhoudelijke werk 
in de inrichting bij de reclassering en 
wellicht zal er ook geld vrijkomen in 
het raam van de financiële taken. 
Wat hier niet is besproken maar wèl 
in de nota is opgenomen, is een 
zekere verhoging van de ouderbijdra– 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): Wij 
zullen hierover inderdaad niet 
vandaag voor het laatst spreken maar 
ik wil niettemin enkela vragen stellen. 
Van de genoemde 20 mln. wordt 
voor ongeveer 8 mln. naar alternatie– 
ven gezocht. De discussie gaat dus 
over de maatregelen, te treffen ten 
aanzien van de 12 mln. die te maken 
heeft met de taakstelling in het kader 
van de Tussenbalans.U hoopt dat 
door maatregelen op het terrein van 
efficiency en overhead bedragen 
vrijkomen, nodig voor nieuwe 
investeringen in de kwaliteit van deze 
sector. Daarmee erkent u in feite 
achteraf dat de financiële paragraaf 
van deze nota onvoldoende is om de 
noodzakelijke kwaliteitsverbeteringen 

Bijzondere Commissie voor het 
jeugdwelzijnsbeleid en vaste 17 juni 1991 
Commissie voor justitie Justitiële jeugdbescherming UCV54 54-24 


Kosto 

te realiseren. Hoe groot is naar uw 
oordeel het bedrag dat noodzakelijk 
is om die verbeteringen wèl tot stand 
te brengen? 

Vandaag is gebleken dat de 
fusiegedachte geen van de fracties 
aanspreekt. Er is met nadruk 
aangegeven dat men daarvoor niet 
voelt. U wenst die gedachte nog niet 
van tafel te halen maar het ligt wèl 
aan de rand. Het is van belang dat u 
zich realiseert dat de Kamer inhoude– 
lijke bezwaren heeft tegen die 
samenvoeging en dat wat ons betreft 
die maatregel dus wèl van tafel moet. 

Vervolgens zegt u dat in verband 
met alternatieven ook gezien moet 
worden naar samenwerking over de 
eigen organisaties heen. Graag 
verkrijg ik hierop een toelichting. 
Wordt er wat dit betreft alleen 
gekeken naar de eigen organisaties 
binnen Justitie of wordt gedoeld op 
de samenhang binnen het totaal van 
de jeugdhulpverlening? 

De voorzitter Ik constateer dat, als 
het zo doorgaat, de commissie wèl 
diep op deze zaak ingaat terwijl 
hierover in september nogmaals 
wordt gesproken. Ik meen dat wij ons 
op dit punt toch een beetje moeten 
beperken, gelet op de mededeling 
van de staatssecretaris. 

Staatssecretaris Kosto Mijnheer de 
voorzitter! Mevrouw Vliegenthart 
verlangt van mij de erkenning dat er 
met deze nota te weinig geld is 
meegegeven. Welnu, ik heb er niet 
zo'n moeite mee om dit te erkennen. 
Ik heb al aangegeven dat het een 
soort politiek wonder is dat ik vlak 
voor de discussies over de Tussenba– 
lans - daarmee kwam de noodzaak 
aan de orde om voor 17,5 mld. om te 
buigen — wat geld meekreeg. Ik 
verwijs in dit verband ook naar de 
inleiding van de nota, waar wordt 
gesteld: "Naast wetgeving en 
beleidsbepaling zullen ten behoeve 
van de uitvoering van de hierna te 
presenteren voornemens ook tijd en 
financiële middelen nodig zijn. Deze 
zijn voor de korte termijn voorhan– 
den. Binnenkort zal worden bezien 
hoe door herschikking additionele 
middelen voor de langere termijn 
kunnen worden vrijgemaakt.". Ik 
voeg daaraan nog het volgende toe. 
Soms wordt de noodzaak van 
veranderingen geboren uit een zaak 
die men negatief zou kunnen 
waarderen, waarbij ik aan bezuinigin– 
gen denk. Soms komen door een 
dergelijke noodzakelijke impuls 

plotseling inzichten en krachten vrij, 
naast mogelijkheden om tot samen– 
werking te komen, waarover men 
achteraf een zeer positief oordeel 
heeft. Daardoor kan er uiteindelijk 
sprake zijn van een nieuwe aanzet, 
die goedkoper en efficiënter werkt. 
Welnu, daar hoop ik een beetje op en 
ik heb enig vertrouwen dat het zo ook 
zal gebeuren. 

Na haar behartigenswaardige 
woorden over haar opvattingen over 
wat wel en niet kan samengaan, 
vraagt mevrouw Vliegenthart of een 
en ander beperkt blijft tot wat men 
binnen die drie organisaties kan 
samendoen. Jawel, voorzitter, zoals 
de opdracht aan de stuurgroep nu 
aangeeft, gaat het om die drie. 
Echter, meer in het algemeen blijkt 
bijvoorbeeld uit "Recht in beweging" 
dat men bij Justitie in belangrijke 
mate hecht aan netwerkvorming. De 
teneur bij Justitie bij het inzetten van 
middelen — vaak is er sprake van 
een dwingend karakter - is altijd dat 
eerst moet worden nagegaan of het 
niet op een lichtere manier kan. 
Daarbij komt men automatisch uit bij 
andere voorzieningen dan die 
waarvoor Justitie verantwoordelijk– 
heid draagt. Het begrip "netwerkvor– 
ming" kwam dertig jaar geleden 
nooit in een justitieel stuk voor maar 
wordt nu met nadruk vermeld als een 
na te streven zaak. Ik meen toch dat 
dit mevrouw Vliegenthart moet 
aanspreken. In concrete zin gaat het 
bij de opdracht in het raam van de 
Tussenbalans om de drie werksoor– 
ten die ik heb genoemd. Maar 
overigens kijkt Justitie graag over 
eigen grenzen heen in de richting van 
het oplossen van problemen met 
lichtere middelen dan die Justitie 
helaas soms moet inzetten, omdat in 
het voortraject de preventie gefaald 
heeft. Ook waar wij dat kunnen, 
proberen wij altijd nog preventief 
bezig te zijn. Ook binnen het eigen 
raam van instrumenten proberen wij 
altijd het lichtste middel te vinden, 
geschikt voor het doel. Nogmaals, wij 
kijken ook graag daarbuiten. 

De heer Lankhorst (Groen Links): 
Als de staatssecretaris over de 
fusiegedachte spreekt, heeft hij het 
steeds over het departement waar 
die gedachte leeft. Daar hij daarvan 
de politieke leiding heeft, mag ik hem 
er wel op aanspreken. Er zijn 
inhoudelijke vragen gesteld over het 
particulier initiatief van de voogdij-in– 
stellingen. De staatssecretaris heeft 
de raden voor de kinderbescherming 

als overheidsorgaan tot nu toe een 

paar keer beklemtoond. Hoe ziet hij 

dat alles via een fusie in één 

organisatie samengaan? In zijn nota 

van december staat nog, dat de 

colleges van de raden voor de 

kinderbescherming worden opgehe– 

ven. Dat heeft hij inmiddels terugge– 

nomen. Dit betekent toch dat hij nu 

mogelijkerwijs een heel andere visie 

heeft op de raden voor de kinderbe– 

scherming? Dat is toch ook precies 

het onderwerp waarover wij nu 

praten? Daarom horen deze vragen 

hier thuis. 

Staatssecretaris Kosto: Niet alleen 
het recht is in beweging, maar ook 
het denken. Dat is duidelijk. Het geld 
is helaas vaak een vreselijk obstakel. 
Het gaat er echter om, dat wij 
creatief denken. Ik heb de problemen 
die zich voordoen, zojuist ook 
aangegeven. Ik heb ze niet verdoe– 
zeld. Zo heb ik gezegd: de ene 
medewerker is een ambtenaar en de 
andere is in dienst van een particulie– 
re instelling. De instellingen, vaak op 
confessioneel bepaalde basis, komen 
op grotere schaal voor dan de raden 
of de reclassering. 

De heer Lankhorst (Groen Links): 

Maar als u dat voorstelt, zult u toch 
een begin van een antwoord op die 
vraag hebben? 

Staatssecretaris Kosto: Welzeker. 

Maar laat ik nog even citeren wat wij 
naar buiten hebben gebracht: de 
stuurgroep zal tijdens een eerste fase 
een grondige analyse verrichten van 
de huidige en de te verwachten taken 
en knelpunten van de drie sectoren; 
het zal daarbij ook gaan om het 
leggen van verbanden daartussen. 
Het gaat om het adviseren over een 
efficiënte en optimale invulling van 
de taken van jeugdbescherming en 
reclassering en de daarbij passende 
organisatorische vormgeving. 
Hiermee wil ik zeggen, dat in principe 
alles ter discussie staat. Ik zie dus 
niet dat medewerkers van de 
gezinsvoogdij-instellingen ambte– 
naren worden. Ik zie voorts niet in, 
dat medewerkers van de reclassering 
ambtenaar worden. Dit is een 
indicatie dat ik eerder denk, zonder 
dat ik dit nu als laatste woord 
uitspreek, in de richting van een 
meer geprivatiseerde instelling, ook 
als het om de raden gaat. Nogmaals, 
ik zeg niet dat dit de uitkomst is. Dat 
wordt besproken Het zou wel passen 

Bijzondere Commissie voor het 
jeugdwelzijnsbeleid en vaste 17 juni 1991 
Commissie voor justitie Justitiële jeugdbescherming UCV54 54-25 


Kosto 

in een denken dat bij de overheid 

over het algemeen nu wat centraler 

is. 

Dat zou problemen hebben, alsook 
rechtsgevolgen. Een en ander moet 
zorgvuldig worden bekeken. Wij zijn 
er absoluut niet uit. Het is ook nog 
denkbaar dat je met behoud van de 
eigensoortigheid van de rechtspositie 
van de functionarissen tot dusdanige 
samenwerkingsvormen komt - dat 
wordt nu bestudeerd — dat je 
evidentelijk met kostenbesparingen 
komt, die je kunt gebruiken voor 
ombuigingen en voor inhoudelijk 
werk. Dat alles staat nu ter bestude– 
ring. 

De heer Lankhorst (Groen Links): 
Als wij over een geprivatiseerde Raad 
voor de kinderbescherming praten, 
hebben wij het toch over heel iets 
anders dan wat er in de nota van de 
staatssecretaris staat, uitgebracht in 
december, ook over heel iets anders 
dan wat er in de nota-Gijsbers en de 
nota-Vliegenthart staat? Dat maakt 
de discussie vandaag natuurlijk 
buitengewoon moeilijk. 

Staatssecretaris Kosto Daar ben ik 

het absoluut niet mee eens. Het 
maakt de discussie hooguit interes– 
sant en boeiend. Ik ontken niet dat 
wij met de Tussenbalans die over 
deze nota heen viel, op een goed 
moment in een bepaalde richting zijn 
gestuwd: de noodzaak tot bezuini– 
gen. Ik heb ook duidelijk willen 
maken, dat ik dat niet schuw. Zo heb 
ik net aangegeven dat uit verande– 
ring iets heel positiefs kan voortvloei– 
en. Laat ik het sterker zeggen: als de 
Tussenbalans er niet was geweest, 
zou vroeg of laat ook de vraag zijn 
opgekomen, of wij de opzet niet 
anders zouden moeten maken, 
omdat er mogelijkerwijs besparingen 
zouden zijn te vinden. Als je dan geen 
donatie aan de schatkist hoeft te 
doen, zou het ook in dat geval voor 
het inhoudelijk werk hebben kunnen 
gelden. Wij moeten daarbij op 
zichzelf niets schuwen, ook geen a 
priori stellen. U ziet een staatssecre– 
taris tegenover u die op een goed 
moment zegt: laten wij daar nu eens 
onbevangen naar kijken. 

De heer Lankhorst (Groen Links): 
Dan is het natuurlijk de vraag 
waarom u het niet in uw nota van 
december deed. Als u er zo onbevan– 
gen naar had willen kijken, had het in 
dat stuk al kunnen staan. 

Staatssecretaris Kosto: Ik had in 
december nog de hoop dat ik niet 
getroffen zou worden door de 
noodzaak, aan de ombuigingen bij te 
dragen, maar later bleek het wel zo 
te zijn. Dat is nu eenmaal zo. Ik heb 
tegen de vele medewerkers van 
Justitie op dit punt gezegd: laten wij 
er heel positief tegenover staan en 
proberen, het beste ervan te maken. 
Ik hecht eraan, te zeggen dat dit ook 
de geest is die ik in het akkoord van 
Veldhoven aantref. Men heeft op een 
goed moment in de eindconclusie 
gezegd dat het een randvoorwaarde 
is dat 20 mln. bezuinigd moet 
worden, dat men bezwaren heeft 
tegen de fusie in de meest extreme 
vorm, maar wel met mij wil verken– 
nen wat mogelijk is. Men is op dit 
moment constructief aan de gang. 
De staatssecretaris is iemand met 
een open mind, die de Kamer in 
september met de resultaten van het 
denken tegemoet zal treden. Ik kan 
mij voorstellen dat de discussie op 
dit punt, zoals u net al suggereerde, 
voorzitter, inderdaad naar dat 
moment verlegd wordt. 

De voorzitter Daarom mag 
voorlopig ten slotte de heer Van der 
Vlies interrumperen. 

De heer Van der Vlies (SGP): Een 
open mind en onbevangenheid zijn 
constructieve uitgangspunten, maar 
ik meen dat wij moeten vaststellen 
dat de teneur van de inbreng van de 
Kamer is dat de kinderbescherming 
als wettelijk verankerde doelstelling 
zo voornaam is dat zij niet kan 
worden geprivatiseerd. Dit woord viel 
daarnet. Dan hevel je een dergelijke 
taak uit het publieke domein over op 
een ander terrein en dat kan naar 
mijn wijze van zien niet. Dit is een 
randvoorwaarde die ik de staatsse– 
cretaris wil meegeven. Ik heb nog 
twee concrete vragen. 

Het is op zichzelf billijk dat de 
staatssecretaris ruimte vraagt om in 
september, tegen oktober, met een 
notitie bij de Kamer te komen. De 
taakstelling uit de Tussenbalans is 
een bezuiniging van 20 mln., in 1994 
te halen. Hoe is het nu over de 
daarvoor liggende jaren ingeboekt? 
Immers, als de brief op 1 oktober 
komt, is de begroting voor het 
dienstjaar 1992 er al. 

Verder vraag ik de staatssecretaris 
hoe flexibel het bedrag van 20 mln. 
is. Ik denk hierbij aan de interdepar– 
tementaliteit, een slecht woord 
waarschijnlijk, van dit beleidsterrein. 

Het gaat dus om de inverdien– en 

uitverdieneffecten van het weghalen 
van de financiële taken bij de raden 
voor de kinderbescherming, waar– 

door er een overflow naar Sociale 
Zaken en Werkgelegenheid zal zijn, 

zoals uit de commentaren blijkt. 

Staatssecretaris Kosto De positie 
van kinderen is een zorg voor de 
overheid en dat blijft zij ook. Daar is 
geen misverstand over. Ik wijs erop 
dat wij nu, bijvoorbeeld bij de 
residentiële voorzieningen van 
Justitie en ook bij WVC, werken met 
de tenuitvoerlegging van rechterlijke 
oordelen in private instellingen. Dit 
komt al voor. Onder de inrichtingen 
voor justitiële jeugdbescherming heb 
je rijksinrichtingen, maarook 
particuliere inrichtingen. Daar wordt 
het rechterlijke oordeel ten uitvoer 
gelegd. De gedachte is dus niet 
nieuw, maar er moeten wel waarbor– 
gen zijn. Deze worden geformuleerd 
en zo nodig door het rechterlijke 
oordeel bewaakt. 

Met de geest van de opmerkingen 
van de heer Van der Vlies ga ik mee, 
maar zijn bezorgdheid deel ik niet. Hij 
trok deze draad uit de kluwen van de 
discussie over de effecten van de 
Tussenbalans. Dit is zeer begrijpelijk 
en ik respecteer het. Ik zal de geest 
van zijn opmerkingen scherp voor 
ogen houden, al deel ik op dit 
moment niet zijn bezorgdheid, zoals 
voortvloeit uit de opmerking die ik 
zojuist maakte. 

De opdracht aan de staatssecreta– 
ris van Justitie is, in 1994 structureel 
20 mln. in zijn portefeuille te 
bezuinlgen. Wij lopen de komende 
jaren daarheen op. Ik kan mij 
voorstellen dat wij na de discussie 
die in september wordt gevoerd, 
conclusies trekken die tot een 
bepaalde uitvoering leiden en dat 
hier of daar een vacaturestop wordt 
ingesteld. Ik wil er nu niet op 
vooruitlopen. Op een goed moment 
zullen wij het zo moeten inrichten dat 
in 1994 kan worden geconstateerd 
dat 20 mln. structureel is omgebo– 
gen volgens de regels van de 
Tussenbalans. Ik hoop van harte dat 
vervolgens blijkt dat wij de inhoude– 
lijkheid van werk, zelfs op het punt 
van de kwaliteit, hebben laten 
winnen. Dat is mijn inzet en dat is 
mijn hoop. 

Dan werd gevraagd hoe het 
intersectoraal zit met de kosten die 
Justitie maakt. Maar het is anders– 
om. De vraag moet zijn of de 
besparing die Justitie oogst niet tot 

Bijzondere Commissie voor het 
jeugdwelzijnsbeleid en vaste 17 juni 1991 
Commissie voor justitie Justitiële jeugdbescherming UCV54 54-26 


Kosto 

meer kosten elders leidt. Dat is in 
theorie niet ondenkbaar. Dat zal van 
geval tot geval bekeken moeten 
worden. Dit is een exercitie waar de 
Kamer ten dele ook zelf bij is. Ik 
herinner mij uit een langjarige 
ervaring in dit huis dat die vraag heel 
vaak opkwam. Dan bleek vaak dat de 
schotten tussen de diverse departe– 
mentale begrotingen heel reële 
waren, waar ik indertijd als kamerlid 
tegenaan liep en die ik nu op zijn 
minst ook zie staan nu ik mijn huidige 
ambt vervul. Ik denk dat wij op dit 
punt een gemeenschappelijke 
verantwoordelijkheid hebben. Ik stel 
mij voor dat ook deze kwestie 
gemakkelijker en beter bediscussi– 
eerd kan worden tegen de tijd dat hier 
in september het resultaat van die 
werkgroepen ligt met mijn oordeel 
daarover. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Voorzitter! Is de staatssecretaris met 
mij van mening dat hij, wanneer hij 
dit pad opgaat van de privatisering 
van de raden voor de kinderbescher– 
ming, zijn opvattingen over het 
tegenonderzoek volledig zal moeten 
herzien? 

Staatssecretaris Kosto: Mijnheer de 
voorzitter! Ik sta op een soort pleintje 
in het bos, waar vele lanen op 
uitkomen. Ik heb nu juist duidelijk 
gemaakt dat er een commissie aan 
het werk is die precies de route zal 
moeten wijzen die het best belopen 
kan worden om het resultaat te 
bereiken. Ik heb, daartoe uitgelokt 
door de heer Lankhorst, een 
uiteenzetting gegeven, die, zoals wij 
zojuist besloten hebben, in septem– 
ber in een dialoog met de Kamer zal 
worden voortgezet. Mevrouw Versnel 
haalt daar nu één puntje uit. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Voorzitter! Het gaat niet om "een 
puntje". Wij hebben hier zojuist een 
forse discussie over gehad en ik 
verbind nu twee forse discussies met 
elkaar. Dat lijkt mij redelijk in dit 
debat. 

Staatsssecretaris Kosto: Nee, het is 
een tè hypothetische gedachtengang 
om op dit moment uit te werken. Ik 
dacht dat ik dit zoëven duidelijk 
uiteen had gezet, verwijzende naar 
een moment in september of 
oktober, waarop met meer vrucht 
daarover gepraat kan worden, omdat 
er dan meer inzicht bestaat. Ik vind 
het persoonlijk, maar ik schik mij 

natuurlijk naar het oordeel van de 
voorzitter, nlet zo opportuun om nu 
op deze hypothetische mogelijkheid 
in te gaan, waar wij nu juist afgespro– 
ken hebben dat wij in september, na 
het werk van die stuurgroep, op 
concrete stellingnamen, op betere 
grondslagen, beter kunnen discussië– 
ren, dan dat wij nu speculatief 
doorwandelen op een pad dat 
mogelijkerwijs nooit betreden zal 
worden. 

De heer Van Middelkoop (GPV): 
Voorzitter! Ik merk nu toch dat de 
staatssecretaris via de band van de 
bezuinigingen iets op de rails zet dat 
structureel zeer ingrijpend zou 
kunnen zijn. Daarom is het goed op 
dit moment te weten waaraan de 
partijen, alle partijen, zich gecommit– 
teerd hebben. Ik hoorde de staatsse– 
cretaris in zijn geschiedschrijving van 
Veldhoven opmerken dat alle 
aanwezigen uitgingen van 20 mln. 
aan bezuinigingen. Ik meen begrepen 
te hebben dat de rolverdeling zo was, 
dat de ene partij, in casu de overheid, 
"dicteerde" dat er 20 mln. bezuinigd 
moest worden en dat de andere 
partijen met niet meer dan voldongen 
feiten te maken hadden. Maar dit 
mag er toch niet toe leiden dat de 
staatssecretaris, als de zaak op een 
gegeven moment structureel 
vastloopt, tegen de Kamer en alle 
overige partijen zegt dat die 20 mln. 
echt wel bezuinigd moeten worden 
en dat bovendien alle partijen eraan 
gebonden zijn. 

Staatssecretaris Kosto: Laat 
daarover geen misverstand bestaan: 
het stond juist als harde randvoor– 
waarde, omdat het dat van meet af 

aan was. Het was alleen even 
moeilijk, omdat in het veld de 
gedachte leefde dat het misschien 
wel niet nodig zou zijn. En waar komt 
die gedachte vandaan? Laat ik dat nu 
ook maar eens in alle openheid 
vertellen. Die gedachte was ontstaan 
doordat kamerleden nogal eens in de 
media roepen dat zij het niet met die 
bezuiniging eens zijn. Dan zegt het 
zogeheten veld: 0, de Kamer is het 
er niet mee eens, dus het hoeft niet. 
Zo kunnen wij op een goed moment 

niet meer verder. Dan komt er zo'n 
conferentie, waarop even duidelijk 
wordt gemaakt dat het een harde 
randvoorwaarde is, dat er 20 mln. 
moet worden bezuinigd, precies 
zoals de heer Van Middelkoop 
zoëven zei. Dat erkent men dan en 
vervolgens komt in de slotconclusie 

de bereidheid om, uitgaande van die 
gegevenheid, mee te denken over 
een wijze waarop dat dan wel 
mogelijk zou zijn. Dan wordt er 
gedacht over een fusie, maar dan 
zeggen alle medewerkers uit het veld 
dat dat te ver gaat. Men wil dan 
graag de gelegenheid krijgen om nog 
andere gedachten uiteen te zetten. 
Dat wordt dan ook opgenomen, dat 
mag, maar de bezuiniging van 20 
mln. moet wel gehaald worden. 
Bovendien staat in die verklaring van 
Veldhoven, om haar zo maar even te 
noemen, als randvoorwaarde de 
intentie om nog meer aan middelen 
uit die exercitie te halen dan nodig is 
voor de Tussenbalans, om daarmee 
het inhoudelijk werk te herstellen. 
Dat is gewoon het werkdocument. Er 
mag geen misverstand over bestaan 
dat in Veldhoven nog eens is 
vastgesteld wat een a priori is. Het 
komt vaak voor dat tegen betrokke– 
nen moet worden gezegd: het moet 
echt. Dan is er iemand uit deze 
Kamer voor de radio of de televisie 
geweest, hetgeen ik uiteraard 
respecteer. 

De heer Lankhorst (Groen Links): 

Hoho! Het was de fractievoorzitter 
van de PvdA die bij de behandeling 
van de Tussenbalans in deze Kamer 
afstand genomen heeft van deze 
bezuiniging. Dat is iets anders dan 
dat de kamerleden iets voor de radio 
roepen, wat zij overigens mogen. 

Staatssecretaris Kosto Vergist u 
zich niet; de fractievoorzitter van de 

PvdA zit ook in deze Kamer. Ik 
begrijp dat "hoho" niet. De heer 
Lankhorst onderstreept eigenlijk 
alleen maar wat ik zeg! 

De voorzitter: Ik wijs er voor alle 
volledigheid op dat de regering haar 
verantwoordelijkheden heeft en moet 
houden. Dat neemt niet weg dat de 
Kamer en de fracties in de Kamer 
hun verantwoordelijkheden hebben. 
Laten wij die wederzijds respecteren! 

Staatssecretaris Kosto: Dat wordt 
ook volledig gerespecteerd. Ik heb 
lang aan uw kant gezeten, veel langer 
dan aan deze kant. Ik kom dit nu in 
de praktijk tegen. Misschien vindt u 
het leuk om eens te horen hoe dat 
gaat! Mensen die zich slachtoffer van 
de bezuinigingen voelen, willen er 
eigenlijk van af. Zij zeggen: het hoeft 
niet, want Wöltgens in de Kamer en 
kamerleden voor radio en tv zijn het 
er ook niet mee eens. Er wordt dan 

Bijzondere Commissie voor het 
jeugdwelzijnsbeleid en vaste 17 juni 1991 
Commissie voor justitie Justitiële jeugdbescherming UCV54 54-27 


Kosto 

twijfel geuit. Ik moet dan zeggen: de 
randvoorwaarde is en blijft 20 mln. 
Dat geldt uiteraard tot het moment 
dat de Kamer de regering zo ver 
krijgt dat het niet meer hoeft. Ik moet 
op dit moment echter die 20 mln. 
verdedigen. Dat moet ik duidelijk 
maken. Ik ontmoet dan meer 
weerstand dan wanneer er ether-stil– 
te zou zijn geweest. Dat laat onverlet 
dat ieder zijn eigen verantwoordelijk– 
heid heeft. Ik kom het in de praktijk 
wèl tegen. Daarop komt het eigenlijk 
neer. 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): 
Voorzitter! Wij hebben inderdaad het 
verzoek gedaan aan de regering om 
deze bezuiniging te heroverwegen. 
Wij hadden en hebben namelijk 
inhoudelijke problemen met de 
voorstellen die voorliggen. Dat neemt 
niet weg dat de regering vervolgens 
een eigen verantwoordelijkheid heeft 
om daarmee al dan niet iets te doen. 
Ik constateer vervolgens hier dat de 
Kamer tot op heden een andere 
opvatting heeft dan de regering. Het 
komt de duidelijkheid ten goede als 
de regering aangeeft wat zij van de 
opvatting van de Kamer vindt. Wij 
kunnen formeel natuurlijk een 
kameruitspraak vragen. Dan is alles 
bekeken. Dat staat los van de vraag 
hoe de bezuinigingstaakstelling moet 
worden ingevuld. Dat bedrag van 20 
mln. kan wellicht voor een groot deel 
worden gevonden. Het gaat nu om 
het inhoudelijke oordeel over het plan 
dat voor ons ligt. De staatssecretaris 
zegt dat uiteindelijk iedereen zich 
erbij heeft neergelegd op die 
conferentie. Men kon ook niet 
anders. Een deel is ambtenaar en zal 
zich dus altijd hebben te schikken 
naar de opvatting van de politieke 
leiding van een departement. Als dat 
niet het geval was, zouden wij daar 
problemen mee hebben! Maar dat is 
dus wel verklaarbaar. Gezien de 
positie van betrokkenen is duidelijk 
dat zij niet anders konden. De vraag 
is uiteindelijk met welke inzet de 
staatssecretaris het proces verder in 
gaat. Daarvoor hebben wij een 
duidelijke richting aangegeven. 

Staatssecretaris Kosto: Voorzitter! 

Ik kan niet duidelijker zijn dan ik 
zojuist was. Ik heb de opdracht 
voorgelezen die aan de stuurgroep is 
gegeven. Dat is mijn inzet en geen 
andere. Daarop heeft men kritiek. Ik 
heb zojuist uit uw mond gehoord, 
voorzit*er, dat het vruchtbaarder zou 
zijn om Je discussie toegespitst voort 

te zetten als het produkt van de 
stuurgroep er is. Mijn inzet is geen 
andere dan de opdracht aan de 
stuurgroep. De suggestie dat men 
het in het veld met alles eens is en 
dat de mensen van de raden 
ambtenaren zijn en zich dus moeten 
schikken naar hetgeen het departe– 
ment wil, onderschrijf ik niet. Ik ga 
zodanig met de mensen om dat zij 
hun eigen opvatting en hun eigen 
oordeel in alle vrijheid en onafhanke– 
lijkheid kunnen uitspreken, hoe 
afhankelijk zij in hun positie ook 
mogen zijn. Op een goed moment is 
een akkoord tot stand gekomen 
waarin wordt gesproken van een 
stuurgroep. Bovendien wordt 
aangegeven hoe die stuurgroep dient 
te werken. Er zijn harde randvoor– 
waarden opgelegd, ook aan mij. Ik 
ben echter deelgenoot in het 
opleggen, want ik ben uiteraard 
betrokken geweest bij de kabinetsbe– 
sluitvorming. Daarover zal geen 
misverstand bestaan. Maardat 
uitgangspunt staat! Ik heb gezegd 
dat de oplossing van "het harde 
samengaan" ter zijde wordt gelegd. 

Er komt ruimte voor iets anders. Dat 
duidt erop dat ik niet met dictaten 
werk, maar opensta voor alternatie– 
ven die tot hetzelfde doel kunnen 

leiden. Dat doel is het voldoen aan 
de eisen die mij gesteld zijn in het 
kader van de Tussenbalans en tevens 
het vrijmaken van meer middelen om 
het inhoudelijk werk van met name 
de justitiële jeugdbescherming nog 
breder te kunnen verbeteren dan met 
het betrekkelijk geringe aantal 
middelen dat ik meekreeg toen ik de 
nota uitbracht. Dat is de doelstelling. 
Wat dat betreft, is er een open 
dialoog aan de gang van verantwoor– 
delijke mensen die bovendien zeer 
deskundig zijn. Zij zullen mij advise– 
ren, waarna ik weer met het resultaat 
en mijn opvatting daarover bij de 
Kamer zal terugkomen. Die belofte 
heb ik vorige week tijdens een andere 
UCV al gedaan en die bevestig ik 
hier. 

Voorzitter! Dit was een lang 
intermezzo, waarbij de tijd waarbin– 
nen ik mijn betoog zou afronden, 
ruimschoots overschreden is. U ziet, 
ik kon niet anders. 

De voorzitter Misschien kunnen wij 
de afspraak maken dat wij nu verder 
afzien van interrupties en dat de 
staatssecretaris probeert zijn betoog 
om half vier af te ronden, opdat wij 
nog een tweede termijn kunnen 
houden. 

Staatssecretaris Kosto: Ik zal met 
groot genoegen nog een kwartier 
volspreken, voorzitter! 

Mevrouw Soutendijk vroeg welke 
bevoegdheden de kinderrechter 
ambtshalve zal houden. De rechter 
zal zijn bevoegdheden om beslissin– 
gen over de uitvoering van de 
ondertoezichtstelling te nemen ook 
als niemand daarom gevraagd heeft, 
verliezen. Ik overweeg wel om 
bepaalde ambtshalve bevoegdheden 
van de kinderrechter te behouden om 
de informele toegang van ouders en 
minderjarigen te behouden, bijvoor– 
beeld wanneer ouders en/of 
minderjarigen van twaalf jaar of 
ouder verlenging van de OTS wensen 
en de gezinsvoogdij-instelling een 
dergelijke verlenging niet nodig zou 
achten. 

Vervolgens vroeg mevrouw 
Soutendijk of er over het verloop van 
de OTS aan de rechter gerapporteerd 
zal worden. Bij scheiding van de 
uitvoerende taken in de OTS en de 
rechtspraak zal door de gezinsvoog– 
dij-instelling aan de rechter worden 
gerapporteerd wanneer een beslis– 
sing door de rechter genomen moet 
worden. Zo zal de gezinsvoogdij-in– 
stelling moeten rapporteren over het 
verloop van de ondertoezichtstelling 
wanneer om verlenging of opheffing 
van de maatregel wordt verzocht. 
Het ligt niet in mijn bedoeling, de 
gezinsvoogdij-instelling te verplich– 
ten, de rechter op gezette tijden te 
rapporteren. Een dergelijke verplich– 
ting past niet in het voornemen, de 
leiding over de uitvoering van de OTS 
bij de rechter weg te halen en deze 
bij de gezinsvoogdij-instellingen te 
leggen. 

Mevrouw Vliegenthart vroeg 
toegang voor de minderjarigen in 
OTS tot de rechter. Mijnheer de 
voorzitter! Naast het klachtrecht zal 
ook de minderjarige bij bepaalde 
beslissingen die genomen moeten 
worden. toegang tot de rechter 
krijgen. Hierbij zal de toegang dan 
informeel moeten zijn. Gedacht 
wordt aan het handhaven van de 
ambtshalve beslissingsbevoegdheid 
van de rechter in daarvoor speciaal 
aangewezen gevallen. 

Ik kom nog even terug bij mevrouw 
Soutendijk. Men moet mij dit maar 
niet kwalijk nemen want de volgorde 
van mijn papieren is wat dooreenge– 
raakt. Dat zal de kwaliteit van mijn 
antwoord echter niet raken. Mevrouw 
Soutendijk stelde een vraag over 
kinderrechters die rouleren. Zij zal 
begrijpen, voorzitter, dat ik geen 

Bijzondere Commissie voor het 
jeugdwelzijnsbeleid en vaste 17 juni 1991 
Commissie voor justitie Justitiële jeugdbescherming UCV54 54-28 


Kosto 

garanties kan geven voor het 
rouleren van kinderrechters binnen 
de rechtbank. De onafhankelijkheid 
van de rechter raakt ook in hoge 
mate de organisatie. De selectie van 
voor bepaalde werkzaamheden 
geschikt geachte rechters ligt 
simpelweg bij de rechterlijke macht. 
Wanneer de rechter niet langer 
verantwoordelijk wil zijn voor de 
uitvoering van de OTS, ligt het in de 
verwachting dat een aantal specifie– 
ke eisen waaraan een kinderrechter 
zal moeten voldoen, zullen vervallen. 
Hij hoeft dat werk immers niet meer 
te doen. Ik zeg: een aantal en niet 
allemaal! Dit neemt niet weg dat het 
terrein van het kinderrecht een apart 
rechtsgebied blijft. Dat is heel 
duldelijk. Het is aan de rechterlijke 
macht zelf, die rechters die geschikt 
zijn en belangstelling voor dit 
rechtsgebied hebben, voor dit terrein 
te selecteren. In tegenstelling tot nu, 
zal het echter wel mogelijk worden 
dat de alleensprekende kinderrechter 
zaken die de OTS betreffen, verwijst 
naar de meervoudige kamer. Dat 
vindt men ook terug in de nota. Dit 
zal een integratie van de werkzaam– 
heden van de kinderrechter in de 
familiekamer vergroten en mogelijk, 
als gevolg daarvan, ook de door haar 
gewenste roulatie. 

Diverse leden hebben vragen 
gesteld over de inning van de 
kinderalimentatie. Ik hoop nog dit 
kalenderjaar een wetsvoorstel aan de 
ministerraad voor te leggen. Ik denk 
niet dat dit wetsvoorstel de Kamer dit 
jaar zal bereiken. In het kader van 
een afslankende overheid, is besloten 
de inningstaken van de raden voor de 
kinderbescherming af te stoten. Ik 
merk dat een kamermeerderheid dat 
als zodanig niet afwijst. Het gaat dan 
om de inning ten behoeve van 
particulieren en gemeenten. De 
inning ten behoeve van het Rijk, in dit 
geval Justitie en de inning in gevolge 
het Verdrag van New York voor 
mensen die buiten Nederland 
verblijven — dat is een verdragsver– 
plichting — blijven een taak van de 
overheid. Zoals bekend sta ik een 
forfaitaire administratieve vaststel– 
ling van de kinderalimentaties voor. 
Daarbij wordt onder andere aan de 
mogelijkheid gedacht, dit te doen 
verrichten door de griffies van de 
rechtbank. Dit zou, als het mogelijk 
is, tot een grote besparing kunnen 
leiden. Er wordt daarmee ook 
aangesloten bij de systematiek van 
verbetering van de ouderbijdrage. 

Zo wordt een besparing bereikt, 

die niet in die mate aan de orde is bij 
het creëren van een centraal orgaan. 
In mijn model gaat het niet om het 
verschuiven van taken, maar om het 
niet meer verrichten van de innings– 
taak ten behoeve van particulieren 
en gemeenten. Bij de besparing van 
7 mln. is uitgegaan van het goed 
opvangen van het personeel van de 
financiële afdelingen van de raden. 
Daarvoor wordt gestudeerd op en 
gewerkt aan een sociaal plan, zoals 
het ook hoort. Er is een ambtelijke 
werkgroep bezig om een en ander uit 
te werken. Deze werkgroep heb ik 
net al even aangeduid in de interrup– 
tiedebatten die wij hebben gevoerd. 
In het werk van de werkgroep wordt 
ook de mogelijkheid onderzocht om 
de inning van de nijpende gevallen 
tegen betaling door een instantie te 
doen verrichten. Dat is waar de 
medewerkers van de financiële 
afdelingen van de raden mij regelma– 
tig mee hebben geconfronteerd. Dat 
heeft bepaald indruk op mij gemaakt. 
Ik bezoek nogal eens raden en kom 
daar steeds buitengewoon moeilijke 
inningsgevallen tegen. Ik wil 
onderzoeken of in nijpende gevallen, 
deze inning door een instantie tegen 
betaling kan worden verricht. 
Onderzocht wordt wat de gevolgen 
zijn van het wegvallen van de 
financiële afdelingen van de raden. 
De prognose die verwooord is door 
de vereniging van secretarissen van 
de raden voor de kinderbescherming, 
deel ik voorshands niet. De volwas– 
senenalimentatie pleegt ook niet tot 
chaos te leiden. 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): Dat is natuurlijk... 

De voorzitter: Ik verzoek u, niet 
meer te interrumperen. Anders 
komen wij in grote moeilijkheden. 

Staatssecretaris Kosto: Mevrouw 
Vliegenthart heeft gevraagd waar de 
integrale visie op de rechtshulp aan 
kinderen blijft. Deze is toegezegd 
voor de zomer van 1 991. Een 
evaluatie van de informele rechtsin– 
gang bij het omgangsrecht wordt 
voor de zomer van 1 992 verricht. Dat 
is mevrouw Laning toegezegd in een 
eerdere commissievergadering. Bij 
de integrale visie op de rechtshulp 
gaat het onder andere om een 
ombudsman voor kinderen en om de 
rechtswinkels. Het is de vraag of wij 
uit een oogpunt van eigen rechtsin– 
gang en rechtshulp iets aan zo'n 
ombudsman hebben. In Noorwegen 

heeft de ombudsman geen bevoegd– 
heid in individuele zaken; hij heeft 
meer een waakhondfunctie voor de 
belangen van het kind in het 
algemeen. Ik herinner mij een mooie 
dag in mei toen ik in mijn toenmalige 
kwaliteit van voorzitter van de vaste 
Commissie voor justitie een kinder– 
rechtswinkel in Utrecht mocht 
openen. Ik vond die winkels toen en 
ik vind die winkels nog steeds nuttig. 
Helaas, ik heb het geld niet om ze te 
financieren. In het licht van de vorige 
discussie zal dat de Kamer niet als 
vreemd voorkomen. 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): 
Komt dat stuk er nog voor de zomer? 

Staatssecretaris Kosto: Ik zal bezien 
hoe snel ik het u kan doen toekomen. 
Het gaat om twee dingen. De eerste 
notitie staat voor de zomer van 1992 
gepland, maar deze kan eerder 
verschijnen. Ik zal zien wat ik kan 
doen om de Kamer zo snel mogelijk 
van een notitie te voorzien. 

Mevrouw Vliegenthart heeft 
ondertoezichtstelling vrijwel een 
ultimum remedium genoemd. Het 
mag alleen gebeuren als vrijwillige 
hulpverlening niet mogelijk is. Het ligt 
in mijn bedoeling in de wet een 
criterium op te nemen waaruit blijkt 
dat het gezag van ouders alleen dan 
beperkt moet kunnen worden, als 
oplossing van de problemen van het 
kind niet op minder ingrijpende wijze 
mogelijk is. Dat krijgt als volgt 
gestalte. Ik denk aan een toevoeging 
aan artikel 254 van Boek 1 van het 
Burgerlijk Wetboek. Daar wordt aan 
toegevoegd: "En andere middelen of 
voorzieningen ter afwending van dit 
gevaar hebben gefaald of naar is te 
voorzien zullen falen". Ze hebben dus 
een primaat. Hiermee wordt aange– 
geven dat de OTS die een inbreuk op 
het gezinsleven van ouders en kind 
betekent, eerst aan de orde is 
wannneer hulpverlening in de 
vrijwillige sfeer niet tot resultaten 
heeft geleid of naar verwachting tot 
resultaten zal leiden 

Mevrouw Soutendijk was weer de 
eerste - zij heeft, als vertegenwoor– 
digster van de grootste partij, dat 
voorrecht — die iets zei over de 
uithuisplaatsing, maar ook anderen 
hebben daaraan aandacht besteed. 
Het hulpverleningsplan zal de basis 
zijn voor de binnen de OTS te 
verlenen hulp. Dit plan vindt zijn 
begrenzing binnen de wettelijke 
bepalingen rond de OTS, die gericht 
zijn op hulp aan het gezin in zijn 

Bijzondere Commissie voor het 
jeugdwelzijnsbeleid en vaste 17 juni 1991 
Commissie voor justitie Justitiële jeugdbescherming UCV54 


Kosto 

totaliteit. Indien de gezinsvoogdij-in– 
stelling het aanvankelijk hulpverle– 
ningsplan zou willen bijstellen, zal zij 
dit pas doen na overleg met de 
ouders en de oudere minderjarige. 
Herziening van mijn standpunt over 
de beslissing omtrent de uithuis– 
plaatsing impliceert dat, voordat het 
gewijzigd hulpverleningsplan kan 
worden geëffectueerd, de rechter 
een beslissing zal nemen over de 
vraag of de uithuisplaatsing noodza– 
kelijk is. De wet schrijft voor dat 
ouders en een minderjarige van 12 
jaar of ouder, tevoren door de 
rechter worden gehoord. De Kamer 
kan hierin de toezegging mijnerzijds 
in zien, uithuisplaatsing alleen met 
rechterlijke tussenkomst toe te staan, 
tenzij het evident op vrijwillige basis 
gebeurt. 

De heer Korthals vroeg of kan 
worden voorzien in de noodzakelijke 
plaatsen voor onder toezicht gestelde 
jeugdigen. Op dit moment wordt 
onderzocht of de voorrangsregeling 
voor justitieplaatsingen, die al van 
toepassing is in de voorzieningen van 
de jeugdhulpverlening, ook in de 
zwakzinnigenzorg, waar het door de 
heer Korthals genoemde geval 
plaatsvond, geëffectueerd kan 
worden. Er liggen vragen van 
mevrouw Terpstra en de heer 
Korthals, die beantwoord zullen 
worden. Ik stel me voor daar nu niet 
verder op in te gaan, omdat dit 
onderwerp mede het beleidsterrein 
van de staatssecretaris van WVC 
raakt. Ik kan de Kamer wel vertellen 
dat ik zelf, samen met één van mijn 
ambtenaren, indringend met dit geval 
bezig ben geweest, op een moment 
waarop het door ons door de 
kinderrechter, bij wijze van nood– 
kreet, werd voorgelegd. 

De heer Lankhorst vroeg, wat er 
aan de pleegzorg verbeterd kan 
worden. Voorzitter! De tripartiete 
werkgroep pleegzorg - het Rijk, de 
lagere overheden en het particulier 
initiatief — heeft een interimadvies 
uitgebracht, dat aanbevelingen bevat 
voor een deugdelijke vormgeving van 
de voorzieningen van pleegzorg. Het 
regeringsstandpunt over dit interim– 
advies is in voorbereiding; er wordt 
overlegd met de andere partijen in de 
tripartiete werkgroep. In mijn tekst 
staat dat dit standpunt nog voor de 
zomer de Kamer zal bereiken. Ik 
hoop dat degenen die mij geadvi– 
seerd hebben, weten wat ze doen: de 
zomer begint reeds over vier dagen, 
al kunnen we dat, ik geef het toe, niet 

opmaken uit de weersomstandighe– 
den! 
De heer Van der Vlies heeft... 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Voorzitter! Ik heb nog gevraagd, of... 

Staatssecretans Kosto: Ik kom nog 
aan u toe, hoor. De vragen liggen wat 
door elkaar. 

Er is een technische vraag gesteld 
over de contra-expertise. We hebben 
daarover zeer uitvoerig met elkaar 
gesproken. Ik stel voor, dat nu niet te 
herhalen. Stel je voor dat ik nadere 
interrupties uitlok, die dan weer door 
de voorzitter moeten worden 
afgehamerd! 

Mevrouw Vliegenthart zei dat de 
schorsing van de ouders gedurende 
het echtscheidingsgeding niet nodig 
is, en vroeg of die schorsing daarom 
niet kan worden afgeschaft. Voorzit– 
ter! De schorsing van ouders 
gedurende een scheidingsgeding 
komt in de praktijk weinig voor. Dat 
betekent echter niet dat ze helemaal 
kan worden afgeschaft. We spreken 
hier over een voorlopige maatregel; 
in dit verband zal ik deze vraag 
meenemen. 

Over de uithuisplaatsingen, niet 
door de gezinsvoogdij-instellingen, 
heb ik al van harte een duidelijke 
buiging gemaakt voor de opvatting 
van de Kamer, zodat ik hier niet 
verder op in zal gaan. Ik zou alleen 
maar iets wat mooi is, kunnen 
bederven! 

De heer Lankhorst vroeg, wanneer 
de wijzigingen van de Wet op de 
jeugdhulpverlening betreffende de 
zorgvuldigheid van hulpverlening bij 
de Kamer komen. Ik denk dat hij dat 
vindt in het stuk dat inmiddels is 
uitgereikt. Het streven is erop 
gericht, dat in het begin van 1992 te 
doen geschieden. Overleg, ook met 
de provincies, is nodig. 

Mevrouw Vliegenthart vroeg of de 
onderzoeksplaatsing door de raad 
niet kan worden afgeschaft. Ik meen 
nog steeds dat de Raad voor de 
kinderbescherming als plaatsende 
instantie moet zijn erkend, opdat hij 
ten behoeve van de onderzoeksplaat– 
sing ook de indicatie daartoe kan 
vaststellen. Wijziging van de Wet op 
de jeugdhulpverlening, waarin deze 
bevoegdheid van de raad is opgeno– 
men, zal ik dus niet bevorderen. 

Uithuisplaatsingen. De door de 
kinderrechter te nemen beslissing tot 
uithuisplaatsing zal niet een ambts– 
halve besiissing zijn De beslissing zal 

slechts op verzoek kunnen worden 

genomen. 

In mijn antwoord op de schriftelijke 
vragen ben ik al uitvoerig ingegaan 
op de interne en de externe deskun– 
digen bij de raad. Ik meen, dat wij 
geen exclusieve voorkeur voor de 
ene of de andere groep kunnen 
uitspreken. Beide soorten deskundi– 
gen zijn nodig. Ik ben graag bereid de 
kwestie van de kwaliteitseisen voor 
rapportage mee te nemen bij de 
uitwerking. Dat is dus ook weer een 
toezegging. 

Vrijwel iedereen heeft gesproken 
over de inspectie. Eén integrale 
inspectie jeugdhulpverlening, ook 
voor de justitiële jeugdinrichtingen, 
dat staat voorop. Ik verwacht 
hierover snel verder te kunnen 
overleggen met de minister van 
WVC. Zo mogelijk zal nog dit 
kalenderjaar een uitgewerkt voorstel 
aan het gestructureerd overleg 
jeugdhulpverlening worden voorge– 
legd. 

Het is niet de bedoeling om de 
bureaus vertrouwensartsen kinder– 
mishandeling en de raden voor de 
kinderbescherming te integreren. 
Aan mijn integreerdrift is dus een 
einde gekomen, althans die heeft zo 
haar grenzen. Het standpunt van de 
regering hierover is neergelegd in de 
beleidsbrief "Bestrijding kindermis– 
handeling", waarover op 10 april 
jongstleden mondeling overleg met 
de Kamer heeft plaatsgevonden. 

Justitie, zo zei mevrouw Laning, 
heeft met de nota eigenlijk de klok 
teruggezet: accentverschuiving naar 
justitieel ingrijpen, meer repressie 
dan preventie, justitiële preventie 
ontbreekt geheel. Dit alles zou in 
strijd zijn met het doel van de Wet op 
de jeugdhulpverlening: Het samen– 
brengen van diverse circuits via het 
bewerkstelligen van een door alle 
departementen gedragen visie op de 
jeugdhulpverlening. Ik bestrijd de 
teneur van deze opmerking. Ik heb 
dat zojuist eigenlijk ook al gedaan, in 
een ander wat meer spontaan 
verband, niet geleid door de vragen 
uit de eerste termijn. De beleidslijn 
van Justitie is, dat preventie zeer 
belangrijk, maar niet primair justitie– 
gericht is. Ik zeg dat ook vaak in het 
openbaar: justitie komt vaak in het 
geding, als preventie in het voorcir– 
cuit gefaald heeft. Zelfs dan probe– 
ren wij ons handelen nog zo in te 
richten, dat preventie een gegeven is. 
Preventie is dus vooral een taak van 
maatschappelijke organisaties en 
andere overheden. Preventie moet 

Bijzondere Commissie voor het 
jeugdwelzijnsbeleid en vaste 17 juni 1991 
Commissie voor justitie Justitiële jeugdbescherming UCV54 54-30 


Kosto 

vooral worden uitgevoerd op het 
maatschappelijke, bestuurlijke niveau 
waar de problemen zich ook feitelijk 
voordoen. Deze visie past in het 
regeringsbeleid en ook in de sociale 
vernieuwing. Justitie speelt met 
name een rol voor die gevallen, 
waarin dit beleid helaas onvoldoende 
vruchten heeft afgeworpen. Dat is 
bedoeld met de accentverschuiving 
naar justitieel ingrijpen. Dus niet 
meer justitieel ingrijpen, integendeel, 
alleen dan justitieel ingrijpen, als 
andere maatschappelijke voorzienin– 
gen geen soelaas bieden. Ik consta– 
teer kwantitatief gewoon dat dit falen 
en dit tekort schieten — ik zeg dit 
niet in verwijtende zin, maar als 
vaststelling - zo vaak voorkomt. Met 
andere woorden, ik zou dus liever 
veel minder bij justitie hebben dan ik 
nu krijg. 

Ik benadruk overigens, dat deze 
visie niets afdoet aan het belang dat 
ook ik hecht aan samenwerking 
tussen justitiële instanties en andere 
maatschappelijke organisaties en 
instellingen op regionaal niveau; de 
bekende netwerkvorming. Ik denk 
hierbij aan de gezinsvoogdij-instellin– 
gen, de raden voor de kinderbescher– 
ming en ook aan de officieren van 
justitie. 

Verscheidene leden hebben 
gesproken over de maatregel hulp en 
steun. De in de nota Justitiële 
jeugdbescherming gesignaleerde 
problematiek van de jongeren die 
een zwervend bestaan leiden, 
verslaafd raken en ook in de prostitu– 
tie belanden, verdient onze speciale 
aandacht. Nadere bestudering van 
het probleem leert, dat de bestaande 
hulpverlening binnen en buiten de 
OTS kan worden verbeterd Hierbij 
zal het gehele netwerk van jeugd– 
hulpverlening moeten worden 
betrokken. Een geheel nieuwe 
kinderbeschermingsmaatregel lijkt 
hiervoor niet nodig te zijn, maar wel 
overweeg ik om in de wettelijke 
regeling betreffende de OTS de 
bepaling op te nemen dat de 
minderjarige zijn medewerking dient 
te verlenen aan de door de gezins– 
voogd aan de ouders gegeven 
aanwijzing, voor zover deze aanwij– 
zing zich rechtstreeks tot de 
minderjarige richt. Ik ben dus niet 
van mening dat de gezinsvoogdij-in– 
stelling rechtstreeks aanwijzingen 
kan geven aan de minderjarige. De 
aanwijzing wordt gericht aan de 
ouder Is deze het eens met de 
aanwijzing dan zal de minderjarige 
zijn medewerking moeten verlenen. 

Is de ouder het niet eens met de 
aanwijzing, dan zal hij de rechter om 
een beslissing kunnen vragen. Indien 
de rechter de aanwijzing van de 
gezinsvoogdij-instelling niet onge– 
daan maakt, zullen ouder en 
minderjarige moeten meewerken aan 
de aanwijzing van de gezinsvoogd. 
De civiele maatregel betreffende 
deze jongere zal dus steeds binnen 
het systeem van beperking van het 
gezag van de ouders worden 
gerealiseerd. 

Mevrouw Laning en mevrouw 
Vliegenthart hebben nog gevraagd 
naar de kwestie van weggelopen 
minderjarigen. Zoals in de schriftelij– 
ke beantwoording van de vragen 88 
tot en met 93 en 150 reeds is 
vastgesteld, wordt nog onderzocht of 
bij verwezenlijking van de voorgestel– 
de wijziging van de Wet op de 
jeugdhulpverlening, de noodzaak van 
toezicht door de Raad voor de 
kinderbescherming op zorgvuldigheid 
van de verleende hulp nog echt nodig 
is. Ik wil nu niet op de uitkomst van 
de gedachtenvorming hieromtrent 
vooruitlopen. Datzelfde geldt voor de 
wijziging van artikel 280 van het 
Wetboek van Strafrecht. Hierbij geldt 
dat de zorgvuldigheid van door de 
overheid gesubsidieerde hulpverle– 
ning gewaarborgd dient te zijn en dat 
zonodig de Wet op de jeugdhulpver– 
lening daartoe gewijzigd moet 
worden. Tevens geldt dan dat 
overheidshandelen, dat door de 
wetgever zorgvuldig wordt geacht, in 
beginsel geen voorwerp van strafvor– 
dering dient te zijn. 

Het indertijd door de toenmalige 
leden van de Kamer, Haas-Berger en 
Roethof, ingediende wetsvoorstel 
had tot doel een noodoplossing te 
bieden voor de niet in de wet 
geregelde hulpverlening, die onder 
de strafbepaling inzake kinderdie– 
verij, het verbergen van minderjari– 
gen die zich aan het gezag onttrok– 
ken hadden, bleek te vallen. Men 
wilde deze hulpverlening liever niet in 
de strafwet regelen. Dit is inmiddels 
wel gebeurd in de Wet op de 
jeugdhulpverlening. Verbeteringen 
worden voorgesteld. Het is nog de 
vraag of artikel 280 van het Wetboek 
van Strafrecht nog aanpassing 
behoeft. 

Het evaluatie-onderzoek van het 
WODC inzake jeugdreclassering is 
nagenoeg afgerond en zal spoedig in 
druk verschijnen. De activiteiten van 
instellingen als ARGUS, ARCHO 
enzovoort op het terrein van de 
jeugdreclassering kunnen ook in de 

toekomst worden gesubsidieerd, 
voor zover deze instellingen werken 

in het verband van gezinsvoogdij-in– 
stellingen. Het onderdeel jeugdre– 
classering zal aan de orde komen bij 
de taakanalyse in het kader van de 
Tussenbalans, waarover zojuist 
uitvoerig is gesproken. Ik verwacht 
dat op basis daarvan tot een nadere 
structurering kan worden gekomen. 

Ten slotte wil ik nog iets zeggen 
over het klachtrecht. In goede 
samenwerking met de minister van 
WVC wordt door mij riu gewerkt aan 
een uniforme opzet van het klacht– 
recht in de vrijwillige en justitiële 
hulpverlening. Dit in tegenstelling tot 
hetgeen mevrouw Versnel kennelijk 
verleden week heeft beluisterd in het 
mondeling overleg over het demo– 
cratisch functioneren van zorginstel– 
lingen. Ik zeg graag dat uniformiteit 
uitgangspunt is. Daarover hoeft dus 
geen misverstand te bestaan, 
ondanks wellicht de uitspraken van 
een collega-staatssecretaris in de 
bijeenkomst waar mevrouw Versnel 
haar inspiratie naar ik aanneem 
opdeed voor de vraag die zij stelde. 

Mijnheer de voorzitter! Ik heb niet 
binnen de tijd die u aangaf, maar wel 
zo snel mogelijk en naar beste weten 
de vragen van de Kamer beantwoord. 

De vergadering wordt enkele 
ogenblikken geschorst. 

De voorzitter: Ik stel voor het 
overzicht van de planning van de 
beleidsvoornemens, waarnaar de 
staatssecretaris verwees als noot in 
de Handelingen op te nemen. Naar 
mij blijkt bestaat hiertegen geen 
bezwaar. 

(De noot is opgenomen aan het eind 
van deze editie.)1 

De voorzitter: In tweede termijn zal 
ik scherp op de spreektijden moeten 
letten. 

D 

Mevrouw Laning-Boersema (CDA): 
Mijnheer de voorzitter! Met genoe– 
gen heb ik de staatssecretaris horen 
spreken over zijn uitstekende 
verstandhouding met zijn collega's 
van het ministerie van Welzijn, 
Volksgezondheid en Cultuur. Op deze 
woorden na hebben wij verder weinig 
bespeurd van concrete symptomen, 
laat staan van aangekondigde daden 

Bijzondere Commissie voor het 
jeugdwelzijnsbeleid en vaste 17 juni 1991 
Commissie voor justitie Justitiële jeugdbescherming UCV54 54-31 


Laning-Boersema 

Toch zouden daden voor de hand 

liggen, gezien onze vragen. 

Zo hebben wij gevraagd om te 
komen tot harmonisatie van de 
werkwijze na de eerste melding van 
ernstige problemen van en met 
jeugdigen. Deze problemen worden 
nu op verschiilende plaatsen gemeld: 
bij politie, crisiscentra, gezinsvoogdij, 
vertrouwensartsen, raden voor de 
kinderbescherming etc. Er zou een 
code voor meldingen moeten komen 
Wij hoopten dat op den duur het 
geprotocolleerde handelen in het 
volgende traject zou kunnen 
geschieden vanuit één meldpunt. 
Daarvoor is overleg nodig. De 
belangrijkste gesprekspartners bij dat 
overleg zijn de raden voor de 
kinderbescherming en de vertrou– 
wensartsen. Omdat de staatssecreta– 
ris niet echt op deze vraag is 
ingegaan, wil ik haar vastleggen in 
een uitspraak van de Kamer die 
gesteund wordt door mevrouw 
Vliegenthart, mevrouw Versnel, de 
heren Van der Vlies, Van Middelkoop 
en Leerling. De heer Lankhorst heb ik 
nog niet kunnen consulteren. 

Motie 

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende, dat thans bij meerdere 
instanties situaties gemeld worden 
waarbij de vrees wordt geuit voor 
bedreiging met zedelijke en lichame– 
lijke ondergang van kinderen; 

verzoekt de regering het daartoe te 
leiden, dat deze meldingen volgens 
een geprotocolleerde methode 
omringd met de noodzakelijke 
waarborgen worden behandeld; 

verzoekt de regering voorts in 
overleg met de Raden voor de 
Kinderbescherming en de Bureaus 
Vertrouwensartsen te komen met 
voorstellen die leiden tot één 
herkenbaar meldpunt, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter: Deze motie is 
voorgesteld door de leden Laning– 
Boersema, Vliegenthart, Versnel– 
Schmitz, Van der Vlies, Van Middel– 
koop en Leerling. 

Zij krijgt nr. 6 (2181 8 en 21980) 

Mevrouw Laning-Boersema (CDA): 

Ons tweede voorstel dat de staatsse– 

cretaris kan nopen tot overleg met 

zijn collega's van WVC is om, ter 

wille van het behandelingsplan, in 

één instituut gesloten capaciteit 

mogelijk te maken naast open 

capaciteit, omdat dit in het belang is 

van het kind. De staatssecretaris kan 

dit misschien realiseren met de 

nieuwe plaatsen waaraan hij nog 

werkt. 

Dit zijn slechts enkele punten die 
zeer dicht raken aan het gebied dat 
wij vandaag onder de loep nemen. Ik 
heb niets opgemerkt over echte 
preventie ter voorkoming van veel 
problemen waarvoor wij vandaag 
naar een juridisch verantwoorde 
oplossing zoeken. Het is misschien 
goed als de staatssecretaris daaraan, 
weliswaar in overleg met de collega 
van WVC meer aandacht zou 
besteden. De staatssecretaris sprak 
bijvoorbeeld over gesloten capaciteit 
voor Marokkaanse jongeren. Wat 
vindt hij van een jeugdraadsman uit 
de Marokkaanse groepen voor 
Marokkaanse jongeren? Zo'n 
jeugdraadsman kan op de "vind– 
plaatsen" aan het werk ter voorko– 
ming van problemen. Al deze ideeën 
dateren al uit vroeger tijden. 

Ik wil nog een enkele opmerking 
maken betreffende de rapportage 
van deskundigen die ouders graag 
aan de rechter willen aanbieden 
naast het officiële rapport. De 
staatssecretaris lijkt het inhoudelijk 
eens te zijn met hetgeen wij in eerste 
termijn naar voren hebben gebracht. 
Hij meent echter dat er nu al genoeg 
ruimte in de procedure is om een 
dergelijk rapport van de ouders tijdig 
in te brengen. Wij zijn van mening 
dat die ruimte gemaakt moet 
worden. Om die reden hebben wij 
voor de zekerheid de motie die 
mevrouw Vliegenthart straks zal 
indienen mede ondertekend. Deze 
motie betreft de contra-expertise. 

In de derde plaats zouden wij 
graag wat meer duidelijkheid krijgen 
over de visie van de staatssecretaris 
op de kerntaken. Hij heeft vrij weinig 
gezegd over echtscheiding. Wij 
hebben daarom gezamenlijk een 
motie opgesteld die als volgt luidt. 

Motie 

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

constaterende, dat binnen de 

gewijzigde taakuitvoering van de 

Raden voor de Kinderbescherming 

concentratie op de kerntaken van 

groot belang is; 

verzoekt de regering de mogelijkheid 
te onderzoeken, rapportage en 
advisering bij adoptie en in gevallen 
van echtscheiding, zonder inschake– 
ling van de Raad voor de Kinderbe– 
scherming af te laten doen; 

verzoekt de regering tevens de 

Kamer op zo kort mogelijke termijn, 

maar in elk geval nog in het jaar 

1991, hierover en over eventueel 

wettelijke regelingen te informeren, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter: Deze motie is 

voorgesteld door de leden Laning– 

Boersema, Vliegenthart en Versnel– 

Schmitz. 

Zij krijgt nr. 7 (2181 8 en 21 980). 

Mevrouw Laning-Boersema (CDA): 
Mijnheer de voorzitter! Vandaag lijkt 
mij de tijd te beperkt om een 
uitvoerige beschouwing te houden 
over de goede resultaten van een 
werkwijze, waarbij ouders en kind 
ieder een eigen steun en toeverlaat 
hebben binnen een hulpverlenings– 
plan, dat er één gezinsvoogdij 
uitvoert. In de gezinstherapie is dat 
een vruchtbare wijze van werken. Het 
gaat er toch om, ouders te helpen bij 
hun ouderlijke taak. Ik moet zeggen 
dat ik op dat punt - ik heb het al 
eens eerder gezegd — toch een klein 
beetje de constante inbreng van 
collega Mik mis. Hiervoor heeft hij 
steeds gepleit. Hij is degene ge– 
weest, die pleitte voor de mogelijk– 
heid van behandeling van het totale 
gezin in eerste fase in de Triangel. 

D 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): Mijnheer de voorzitter! 

Ik wil nog terugkomen op de 
organisatorische samenvoeging van 
de raden voor de kinderbescherming, 
gezinsvoogdij-instellingen en de 
reclassering. De kwalificatie "be– 
ruchte conferentie" blijkt na de 
uiteenzetting van de staatssecretaris 
toch wel te kloppen. Het is natuurlijk 
heel goed, dat thans overleg is 
gestart. In september zal een analyse 
worden afgerond. Eind 1991 zal de 
studie worden afgerond. De voorstel– 
len rond de organisatorische 
vormgeving kunnen dan ook 

Bijzondere Commissie voor het 
jeugdwelzijnsbeleid en vaste 17 juni 1991 
Commissie voor justitie Justitiële jeugdbescherming UCV54 54-32 


Soutendijk-van Appeldoorn 

tegemoet worden gezien. Dit is is 
een stap op de goede weg. 

Staatssecretaris Kosto: Kunnen wij 
het, wat de kwalificatie betreft, 
afmaken op "geruchtmakend"? 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): Daarover zijn wij het 
dan eens. 

Ik ben het niet met de staatssecre– 
taris eens over de opvatting dat de 
fusiegedachte op tafel moet blijven. 
De staatssecretaris heeft aangege– 
ven, dat de organisaties de taakstel– 
ling van die 20 mln. hebben aan– 
vaard. Ik moet in alle duidelijkheid 
zeggen, dat de fractie van het CDA 
die ook heeft aanvaard. Wij hebben 
ons het recht voorbehouden om ten 
aanzien van de invulling ons oordeel 
nog te geven. Is het nodig om, gezien 
het feit, dat de organisaties die 
taakstelling van 20 mln. hebben 
aanvaard, die fusiegedachte nog op 
tafel te houden, gelet ook op 
datgene, wat in de Kamer is gezegd 
over de bezwaren, die aan die 
fusiegedachte kleven? Ik noem niet 
alleen de problematiek rond de 
positie en de plaats van de Raad voor 
de kinderbescherming, maar ook het 
bereiken van de samenhang in de 
jeugdhulpverlening. Die kan op grond 
van deze organisatorïsche samen– 
voeging en vanwege de vreemde 
eend in de bijt, de reclassering, niet 
tot stand worden gebracht. Vandaar, 
dat ik mij in gemoede afvraag, of de 
staatssecretaris met recht en rede 
kan en moet vasthouden aan de 
fusiegedachte. 

Wat de financiën betreft, ben ik 
nog niet helemaal voorgelicht over 
de ruimte, die er komt en de extra 
middelen, die de staatssecretaris in 
totaliteit nodig heeft voor dit plan. 

Ik wil nog ingaan op de inning van 
de kinderalimentatie en de afschaf– 
fing van de financiële taken bij de 
raden voor de kinderbescherming. 
De staatssecretaris geeft aan, dat zijn 
voorkeur uitgaat naar een forfaitaire 
berekening en dat deze taak moet 
worden gelegd bij de griffies. Hij zegt 
in één zin, dat dit ook gelijk de 
problematiek ter zake van de inning 
van de ouderbijdrage zal verbeteren. 
Waarom is mij niet duidelijk. Ook de 
redenering, dat forfaitaire berekening 
door de griffiers meer besparing zal 
opleveren dan ingeval een centraal 
orgaan dat doet, is mij niet duidelijk. 
Het valt mij tegen, dat het alternatief, 
aangereikt door de Vereniging van 
secretarissen van de raden voor de 

kinderbescherming zo weinig 
aandacht krijgt. De staatssecretaris 
lijkt niet bereid te zijn om dat 
alternatief nader uit te bouwen. Hij 
heeft gezegd, dat voor een innings– 
betrokkenheid van de overheid bij de 
kinderalimentatie geen reden is. 
Chaos is niet te verwachten. 
Volwassenalimentatie is ook geen 
chaos. Dat is natuurlijk een vergeüj– 
king van appels en peren. De 
kinderalimentatie wordt in deze sfeer 
vaak gebruikt als een machtsmiddel 
om de omgangsregeling af te 
dwingen. Ik vind dat een uitermate 
slechte zaak. In dat soort gevallen is 
namelijk de sussende rol van de 
financiële afdeling wel degelijk van 
wezenlijke betekenis. Bovendien 
hebben wij het wetsvoorstel inzake 
de verhaalsplicht geaccordeerd met 
veel pijn en moeite, vooral omdat het 
met de volwassenalimentatie wel 
degelijk een chaos is. Ik verzoek de 
staatssecretaris om het voorstel dat 
uiteengezet is in het alternatief van 
de Vereniging van secretarissen van 
de raden voor de kinderbescherming 
toch nog nader te laten uitwerken. 
Met het oog hierop wil ik de Kamer 
de volgende motie voorleggen. 

Motie 

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende, dat de vaststelling en 
de inning van de kinderalimentatie en 
de ouderbijdragen jeugdhulpverle– 
ning aan een fundamentele herzie– 
ning worden onderworpen; 

van oordeel, dat deze bezigheden 
niet tot de kerntaken van de overheid 
hoeven te worden gerekend; 

van mening, dat verzelfstandiging 
derhalve wenselijk is; 

bovendien van mening, dat in een 
verzelfstandigde opzet het personeel 
en dus de deskundigheid van de af te 
stoten financiële afdelingen van de 
Raden voor de Kinderbescherming 
zoveel mogelijk kan worden geconti– 
nueerd; 

verzoekt de regering op korte termijn 
voorstellen uit te werken tot een 
zelfstandig orgaan, waarin eerderge– 
noemde elementen tot hun recht 
komen en aan de Kamer voor te 
leggen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter: Deze motie is 
voorgesteld door de leden Souten– 
dijk-van Appeldoorn, Vliegenthart, 
Versnel-Schmitz, Van Middelkoop, 
Van der Vlies, Leerling en Lankhorst. 

Zij krijgt nr. 8 (2181 8 en 21 980). 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 

doorn (CDA): Voorzitter! Met name 
de samenhang met de ouderbijdra– 
gen en met de integratie van de 
problematiek op de departementen 
van WVC en van Justitie maakt naar 
mijn idee deze mogelijkheid tot de 
meest wenselijke variant voor het 

innen en het vaststellen van de 
ouderbijdrage en de kinderalimenta– 
tie. 

D 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): 
Voorzitter! Aangezien er al zoveel 
rapporten op tafel liggen en er al 
zoveel discussie heeft plaatsgehad, is 
het logisch dat de discussie zich nu 
toespitst op een aantal verschillen 
van inzicht die nog overgebleven zijn. 
Dat wil niet zeggen dat er over tal 
van zaken geen overeenstemming 
zou bestaan. Het maakt alleen het 
karakter van de discussie wat anders 
dan het geval zou zijn als wij over het 
totaal zouden praten. 

Ik loop de taken van de raden even 
langs. Op het punt van de financiële 
taken ben ik het eens met wat 
mevrouw Soutendijk daarover 
gezegd heeft. Dat zal duldelijk zijn, 
ook uit mijn eerste termijn. Ik zal 
daarom niet nader beargumenteren 
waarom ik haar motie mede heb 
ondertekend. 

Op de taken op het gebied van 
echtscheinding en op de strafrechte– 
lijke taken is de staatssecretaris niet 
echt ingegaan. Het verdient aanbeve– 
ling dat er een samenhangend 
verhaal komt over de toekomstige 
kerntaken van de raden voor de 
kinderbescherming. Dat is ook 
logisch in samenhang met de 
discussie over de gevolgen van de 
Tussenbalans op het moment dat een 
en ander duidelijk onderbouwd 
wordt. 

Op het punt van de plaatsingstaak 
van de raden voor de kinderbescher– 
ming in het kader van onderzoek of al 
dan niet uithuisplaatsing dan wel een 
maatregel noodzakelijk is, verschillen 
wij van mening. Wij zijn van mening 
dat wij zoveel mogelijk moeten 
proberen om de scheiding van hulp 

Bijzondere Commissie voor het 
jeugdwelzijnsbeleid en vaste 17 juni 1991 
Commissie voor justitie Justitiële jeugdbescherming UCV54 54-33 


Vliegenthart 

en recht binnen het activiteitenpak– 

ket van de raden voor de kinderbe– 

scherming tot stand te brengen. Je 
zou kunnen zeggen dat het voorlopi– 

ge maatregelenpakket voldoende 

ruimte biedt aan de raden om, indien 

dat noodzakelijk is, in het kader van 

een voorlopige ondertoezichtstelling 

bijvoorbeeld een uithuisplaatsing te 

realiseren, waarvoor dan ook de 

noodzakelijke waarborgen zijn. Wat 
dit betreft, is het een overbodige taak 
die niet van de nodige waarborgen 
voorzien is. Wij hopen dan ook dat de 

staatssecretaris zijn opvattingen ter 
zake wat bijstelt. Wij kunnen altijd als 
een wijziging van de Wet op de 
jeugdhulpverlening aan de orde is 
een dergelijk amendement zelf 

indienen. 

Dan kom ik tot de contra-expertise. 
Daarover heeft een zeer uitgebreid 
interruptiedebat plaatsgehad. Ik zal 
niet allemaal herhalen wat gezegd is. 
Wel wil ik opmerken dat de hardnek– 
kigheid waarmee de staatssecretaris 
probeert iets van tafel te houden, mij 
enigszins stoort Zowel de commis– 
sie-Gijsbers als de commissie uit 
deze Kamer die het onderzoek heeft 
gedaan, heeft het voorstel gedaan 
om tot een vorm van tegenonderzoek 
te komen, niet ter genoegdoening 
van boze mensen — zodat zij op die 
manier naar de mond gepraat 
worden — maar in het kader van 
zorgvuldige procedures, waarbij 
feiten en omstandigheden goed 
afgewogen kunnen worden. Het gaat 
erom dat er in de procedure ruimte 
wordt ingebouwd en dat het geen 
uitzondering maar een regel is. 
Uiteraard kan van die regel worden 
afgeweken als er ernstig nadeel voor 
de minderjarige wordt gevreesd Dat 
betekent overigens dat een en ander 
op dat moment moet worden 
gemotiveerd. Ik heb de eer wat dit 
betreft de Kamer om een uitspraak te 
vragen. 

Motie 

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende de inhoud van het 
rapport Rechtzetten met betrekking 
tot de mogelijkheden en garanties 
voor tegenonderzoek en getuigenver– 
hoor; 

van mening, dat het beginsel van 
rechtsgelijkheid vergt dat een ouder 

of voogd in de gelegenheid wordt 
gesteld om, ter onderbouwing van 
zijn bezwaren tegen de conclusie van 
het raadsrapport gebaseerd op het 
deskundigenonderzoek, een tegenon– 
derzoek te laten verrichten; 

verzoekt de regering de procedurere– 
gels hiertoe aan te passen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter Deze motie is 
voorgesteld door de leden Vliegent– 
hart, Laning-Boersema, Leerling, 
Van der Vlies, Korthals en Lankhorst. 

Zij krijgt nr. 9 (2181 8 en 21980). 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): 
Mijnheer de voorzitter! Vervolgens ga 
ik in op de positie van de kinderrech– 
ter en de scheiding van rechtspraak 
en gezinsvoogdij. Ten aanzien 
hiervan kan worden geconstateerd 
dat er brede overeenstemming is 
ontstaan. Dat geldt ook voor het feit 
dat de uithuisplaatsing in priricipe 
wordt gebaseerd op een rechterlijke 
beslissing, tenzij iedereen het ermee 
eens is maar dan is er sprake van een 
vrijwillig karakter. Ik heb voorts 
vastgesteld dat de staatssecretaris 
het met mij eens is dat ook de 
minderjarige bij conflictsituaties 
toegang tot de rechter zou moeten 
hebben, zij het een informele 
rechtsingang. Ik ben er blij om dat wij 
elkaar ook hier hebben weten te 
vinden. 

Ook ben ik er blij om dat de 
staatssecretaris aan de criteria voor 
de ondertoezichtstelling wil toevoe– 
gen dat dit middel moet worden 
gehanteerd als een ultimum remedi– 
um. Ik denk dat het heel belangrijk is 
dat dit principe ook wettelijk wordt 
verankerd. 

Voorzitter! Bij het debat over de 
Tussenbalans zijn door mijn fractie 
twijfels geuit over de voorstellen die 
verband hielden met de zaak 
waarover wij nu spreken. Ik heb het 
gevoel dat de discussie hierover in 
de Kamer een wat semantisch 
karakter heeft gekregen. Formeel is 
het voorstel niet ter zijde geschoven, 
in de praktijk is dat misschien wél 
gebeurd maar tegelijkertijd blijft 
onduidelijk waarmee de stuurgroep 
zich nu precies moet bezighouden. Ik 
wijs erop dat over een aantal 
onderdelen van de financiële 
taakstelling overeenstemming 
bestaat Men is het erover eens dat 
de kinderalimentatie forfaitair zou 
moeten worden vastgesteld, hetgeen 

op zichzelf een geweldige werklast– 
verlichting oplevert, zowel voor de 

raden als voor de rechterlijke 

organisatie. Men is het erover eens 

- dat geldt althans voor de Kamer 
- dat de inning via een centrale 
organisatie zou moeten geschieden, 
hetgeen als gevolg van doelmatig– 
heidsvergroting ook een besparing 
oplevert. Er is ook overeenstemming 
op het punt van de ouderbijdrage. De 
conclusie kan zijn dat er op tal van 
punten al sprake is van een invulling 
voor de bezuinigingstaakstelling die 
op steun van de Kamer zou kunnen 
rekenen. 
Het verschil van inzicht spitst zich 
toe op de kwestie van de fusie van de 
instellingen. Ik ben wat dit betreft 
wat wantrouwig geworden omdat de 
staatssecretaris zich liet ontvallen dat 
wij onbevangen zouden moeten 
kijken naar de positie van de Raad 
voor de kinderbescherming. Mijn 
oordeel is dat het ingrijpen in 
gezinssituaties een onvervreemdbare 
taak van de overheid is en dat de 
Raad voor de kinderbescherming dan 
ook direct onder de ministeriële 
verantwoordelijkheid moet functione– 
ren. Privatisering van die taak kan 
niet aan de orde zijn. 

De inhoudelijke bezwaren tegen de 
hier bedoelde fusie hebben te maken 
met de verschillende karakters van 
de raden en de gezinsvoogdij-instel– 
lingen maar ook met de samenhang 
in het geheel van de jeugdhulpverle– 
ning: het isolement van Justitie ten 
opzichte van het isolement van de 
vrijwillige hulpverlening. Wij willen 
dat die samenhang wordt vergroot. 
Om misverstanden te voorkomen, om 
niet het verwijt te krijgen dat het 
allemaal slechts voor de pers wordt 
geroepen en om duidelijk te maken 
wat de Kamer hiervan vindt, heb ik 
ook wat dit punt betreft een motie 
voorbereid. 

Motie 

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

van mening, dat de voorgenomen 
samenvoeging van Raden voor de 
Kinderbescherming, gezinsvoogdij– 
instellingen en reclassering in één 
organisatorisch verband op arrondis– 
sementsniveau haaks staat op het 
streven naar meer samenhang tussen 
vrijwillige en justitiële jeugdhulpver– 
lening; 

Bijzondere Commissie voor het 
jeugdwelzijnsbeleid en vaste 17 juni 1991 
Commissie voor justitie Justitiële jeugdbescherming UCV54 54-34 


Vliegenthart 

voorts van mening, dat de voorgeno– 
men samenvoeging in strijd is met de 
principiële lijn uit onder andere het 
rapport Rechtzetten, gericht op 
scheiding en ontvlechting van taken 
en verantwoordelijkheden van de 
onderscheiden organisaties op het 
terrein van de justitiële jeugdbe– 
scherming; 

verzoekt de regering dit beleidsvoor– 

nemen in te trekken, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter: Deze motie is 

voorgesteld door de leden Vliegent– 

hart, Soutendijk-van Appeldoorn, 

Versnel-Schmitz, Lankhorst, 

Korthals, Van der Vlies, Van Middel– 

koop en Leerling. 

Zij krijgt nr. 10 (21 818 en 21980). 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): 
Voorzitter! Voor het verrichte 
onderzoek en de voornemens van de 
regering, is toch een grote steun in 
de Kamer te vinden. Over veel dingen 
waarover niet is gesproken, zijn wij 
het wel met elkaar eens. Daarmee is 
in feite een draagvlak gecreëerd voor 
de noodzakelijke verbetering van de 
kwaliteit van ons systeem van 
kinderbescherming. Dat was hard 
nodig. Dat gaat nu ook gebeuren. Tot 
nu toe gaat alles in een tempo waar 
wij eigenlijk niet aan gewend zijn. 
Immers, sommige veranderingspro– 
cessen gaan langzaam. Je kunt dus 
zeggen dat er in dezen vaart gemaakt 
is. Dat is heel belangrijk. Wij hopen 
dat de staatssecretaris die vaart erin 
houdt. Wij hebben daar ook alle 
vertrouwen in. 

D 

De heer Korthals (VVD): Voorzitter! 
Allereerst spreek ik mijn dank uit aan 
de staatssecretaris voor de beant– 
woording van de in eerste termijn 
gestelde vragen. 

Het standpunt van de VVD blijkt in 
sommige gevallen uit medeonderte– 
kening van moties. Voor alle 
duidelijkheid zeg ik nog eens, dat de 
VVD er altijd een voorstander van is 
geweest om een scheiding aan te 
brengen tussen hulp en recht, 
waarbij de Raad voor de kinderbe– 
scherming de justitiële functie heeft 
en de hulpverlening bij de voogdij-in– 
stellingen ligt. Daarom is het des te 
merkwaardiger dat er toch besparin– 
gen beoogd worden door samenvoe– 
ging van de reclassering, de kinder– 

bescherming en de gezinsvoogdij. 

Dat is nog steeds niet van tafel. Het 

is weliswaar naar de rand van de 

tafel geschoven, maar de VVD vindt 

dat het helemaal van tafel moet, 

omdat het niet past in de toekomsti– 

ge structuur die ons voor ogen staat. 

Vandaar dat wij de motie van 

mevrouw Vliegenthart mede hebben 

ondertekend. 

Overigens, het akkoord van 
Veldhoven, of dat nu geruchtmakend, 
spraakmakend, berucht dan wel 
beroemd is, is ook merkwaardig. Er 
worden dan altijd van die merkwaar– 
dige akkoorden gesloten; het is 
gewoon een dictaat van de regering: 
jongens, met z'n allen 20 mln. 
zoeken Dat krijgt vervolgens de 
eretitel van "akkoord". Er is natuurlijk 
helemaal niets waar van een akkoord. 
ledereen is als een gek aan het 
zoeken geslagen. Ik ben dan ook 
benieuwd naar de uitkomst. 

Ik benadruk nog eens dat het wat 
de preventie betreft natuurlijk van 
belang is om in een zo vroeg mogelijk 
stadium in te grijpen. In het belang 
van het kind mag het evenwel pas, 
wanneer het kind met zedelijke 
ondergang wordt bedreigd. Dit 
betekent dat de preventiemogelijkhe– 
den in feite beperkt zijn. Als wij 
spreken over preventie, bedoelen wij 
bij de VVD dat, wanneer iemand met 
de raden voor de kinderbescherming 
of überhaupt met Justitie in aanra– 
king komt, hij of zij in een zo vroeg 
mogelijk stadium de adequate hulp 
krijgt. Dat moet ook zware, goede en 
deskundige hulp zijn. 

Wij moeten namelijk vaak ervaren, 
dat de meest bekwame hulp pas aan 
het eind van die justitiële carrièrelijn 
zit in plaats van aan het begin. 
Vandaar ook onze instemming met 
het aantrekken van nog meer externe 
en interne deskundigen. Maar weer 
doet zich het volgende voor: veel 
woorden, maar de vraag is uiteinde– 
lijk of daar geld voor is. Daar zijn ze 
in Veldhoven echter naar aan het 
zoeken. 

Nog een enkel woord over de 
positie van de kinderrechter. Het 
moet duidelijk zijn dat het voor alle 
partijen gunstig is, wanneer hij 
rechtsprekend is. Maar nu krijgt hij 
toch weer een positie, want kinderen 
kunnen informeel naar de kinderrech– 
ter gaan. Betekent dit dat zij alleen 
met de kinderrechter kunnen praten 
of dat hij vervolgens weer eigener 
beweging beslissingen kan nemen? 
Ben je dan als kinderrechter niet via 
een omweg in feite toch weer 

toezicht aan het houden op de 

uitvoering door de gezinsvoogdij-in– 

stellingen? 

De staatssecretaris heeft er erg 
veel moeite mee dat de contra-ex– 
pertise in de wet geregeld wordt. 
Normaal leggen partijen in civielrech– 
telijke procedures alles voor wat zij 
van belang vinden en de rechter 
houdt er al dan niet rekening mee. 
Het moet de partijen toegestaan 
worden, dit te doen. De rechter moet 
niet op voorhand uitmaken wat hij 
wel en wat hij niet wil zien, al zou hij 
het goed doen. Al was het alleen 
maar voor de bevrediging van de 
mensen zelf, zij moeten de mogelijk– 
heden hiertoe hebben. Het is dan ook 
van het allergrootste belang dat zij 
een contra-expertise kunnen 
aanvragen, dat hun een redelijke 
termijn gegund wordt om dit bij de 
rechter voor te brengen en dat hij 
hiermee rekening houdt. Dit betekent 
naar mijn gevoel niet zozeer dat het 
bij wet geregeld moet worden, als 
wel dat het in de procedure geregeld 
moet worden. Daarom ondersteun ik 
de motie van deze strekking van 
harte. 

De indiening van de kinderalimen– 
tatie is weer een van de schijnverto– 
ningen waarmee wij te maken 
hebben. Het lijkt allemaal mooi: een 
besparing van 7 mln. Wij moeten 
tenslotte besparen en beginnen daar 
dan maar mee. Het is echter geen 
werkelijke besparing; financieel kost 
het allemaal waarschijnlijk meer dan 
het bespaart. Ideëel kan ik ermee 
instemmen dat iedereen ervoor zorgt 
dat hij zijn eigen kinderalimentatie te 
pakken krijgt, maar financieel heb ik 
er nauwelijks enig begrip voor. Wat 
betekent het als partijen het zelf gaan 
doen? Behalve de emotionele situatie 
dat men tegen eigen familie moet 
procederen, heeft men over het 
algemeen geen, wat men noemt, 
executoriale titel. Men zal dus weer 
naar de rechter moeten gaan. De 
rechter wordt dus belast. Als men 
naar de rechter gaat, zal men 
bijstand van advocaten moeten 
krijgen. Over het algemeen betreft 
het mensen met lage inkomens, dus 
gaat het ook weer om gefinancierde 
rechtshulp. Eén eenvoudige oplos– 
sing van de staatssecretaris die 7 
mln. oplevert, kost waarschijnlijk een 
veelvoud ervan, als men het goed 
narekent. Het financiële argument 
spreekt mij dus op generlei wijze aan. 

Ik ben van oordeel dat de plannen 
die in de nota zijn verwoord, over het 
algemeen onze insteming kunnen 

Bijzondere Commissie voor het 
jeugdwelzijnsbeleid en vaste 
Commissie voor justitie Justitiële jeugdbescherming 
17 juni 1991 
UCV54 54-35 


Korthals 

hebben. Ik heb er wat op– en 
aanmerkingen bij gemaakt, maar er 
wordt inderdaad een beleid gevoerd 
en er is een zekere mate van visie. 
Hiervoor heb ik in eerste instantie 
ook een compliment aan de staatsse– 
cretaris gegeven. Het gaat er echter 
om dat deze beleidsvoornemens niet 
blijven steken in mooie woorden, 
maar daadwerkelijk effectief zijn, 
maar er is voor mij geen enkele 
duidelijkheid over hoe het gefinan– 
cierd zal worden. Op korte termijn 
zijn er oplossingen en op langere 
termijn moeten wij maar wachten op 
herschikkingen. Het geeft geen 
duidelijk beeld. Ik had er een motie 
over willen indienen, waarin ik de 
staatssecretaris wilde vragen om een 
duidelijk plaatje van een dekking voor 
1 oktober aanstaande. Ik hoef dit niet 
te doen, want de Veldhoven-groep is 
nog tot 1 september aan het zoeken. 
Ik neem aan dat de staatssecretaris 
ertoe bereid is, in tweede instantie 
toe te zeggen, de financiële dekking 
van de nota die hij ons heeft 
voorgelegd, voor 1 oktober aan de 
Kamer toe te zenden. Dan kunnen wij 
het werkelijk op zijn merites beschou– 
wen. 

D 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Voorzitter! Geld kun je maar één keer 
uitgeven. Daarom dien ik een motie 
in, die ik in eerste termijn heb 
gemotiveerd. 

Motie 

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

overwegende: 

- dat ten behoeve van de gefun– 
deerdheid van de adviezen van de 
Raden voor de Kinderbescherming 
behoefte kan bestaan aan specifieke 
deskundigheid waarop een beroep 
kan worden gedaan; 
- dat beroep op externe deskundigen 
bijdraagt aan een objectieve, 
onafhankelijke oordeelsvorming; 
- dat beroep op externe deskundigen 
in ieder individueel geval noodzaakt 
tot zorgvuldige formulering van de 
onderzoeksvra (a)g (en), 
- dat de aanstelling van interne 
deskundigen mogelijk een aanzuigen– 
de werking heeft, in die zin dat bij de 
totstandkoming van adviezen een 
beroep op de specifieke deskundig– 
heid wordt gedaan zonder voldoende 
zorgvuldige formulering van de 
onderzoeksvra (a)g (en) in ieder 
individueel geval; 

verzoekt de regering af te zien van 

haar voornemen tot het instellen van 

interne deskundigen bij de Raden 
voor de Kinderbeschermlng en de 
financiële prioriteitstelling te richten 

op het bevorderen van een ruimere 

beschikbaarheid van externe 

deskundigen op wie de raden een 

beroep kunnen doen, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

De voorzitter: Deze motie is 
voorgesteld door het lid Versnel– 

Schmitz. 

Zij krijgt nr. 11 (2181 8 en 21980). 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Voorzitter! Ik heb de motie van 
mevrouw Laning met betrekking tot 
de kerntaken van de raden voor de 
Kinderbescherming gesteund, vooral 
ook met het oog op de echtscheiding 
en de al dan niet terechte bemoeie– 
nis van de raden daarmee. Ik ben 
benieuwd naar de uitkomst van het 
geheel. In eerste termijn was ik 
redelijk duidelijk over de wensen van 
mijn fractie in dat opzicht. 

ik heb de motie van mevrouw 
Vliegenthart over het tegenonder– 
zoek niet medeondertekend, maar ik 
zal wel voor deze motie stemmen. 
Laat ik dat onderscheid even maken. 
In de praktijk komt het er toch op 
neer dat deze motie alleen voor 
draagkrachtigen bestemd is. Ik wilde 
het niet op mijn geweten hebben een 
dergelijke motie mede te onderteke– 
nen. 

Ik ben erg tevreden met het 
duidelijke antwoord van de staatsse– 
cretaris dat de beslissing inzake 
OTS-plus altijd door de rechter 
genomen zal worden en dan nog 
alleen op verzoek. 

De voorzitter Uw spreektijd is nu 
echt voorbij. Ik geef nu het woord 
aan de heer Lankhorst. 

Mevrouw Versnel-Schmitz (D66): 
Die maatregel van hulp en steun, 
neem jij die mee? 

D 

De heer Lankhorst (Groen Links): 

Ja, die neem ik mee. 

Het antwoord van de staatssecre– 
taris over de nieuwe maatregel van 
hulp en steun was nogal vaag. Wat 
hij in zijn procedureschema schrijft, is 
al even vaag. Kan hij er iets duidelij– 
ker over zijn, of kunnen wij stellen dat 
het van tafel is, dat het een leuk idee 
was, maar dat het bij nader inzien 
toch geen stand hield? 

Dat geldt hopelijk ook voor de 
afspraken die in Veldhoven zijn 
gemaakt. Ik ben natuurlijk erg 
benieuwd naar de reactie van de 
staatssecretaris op de motie-Vliegent– 
hart, omdat de Kamer in die motie 
nogal duidelijk is. Ik neem aan dat de 
fusiegedachte daarmee wel van tafel 
is, maar ik wil hier wel uitgesproken 
hebben dat verregaande organisato– 
rische samenwerking tussen de drie 
verschillende instellingen ook beslist 
niet zo eenvoudig zal zijn. Er moet 
dus niet een situatie ontstaan dat 
besloten wordt dat de fusie niet 
doorgaat, maar dat de staatssecreta– 
ris toch gaat kijken op welke wijze hij 
alles bij elkaar kan vegen. Ik denk dat 
hij dan tegen precies dezelfde 
moeilijkheden aanloopt. Het is 
bovendien maar zeer de vraag of dat 
alles zo veel geld in het laatje brengt. 

De goede verstandhouding met 
WVC waarover mevrouw Laning 
sprak blijft wat mij betreft wel erg 
binnenskamers. Laat ik er nog een 
punt aan toevoegen. De staatssecre– 
taris zou kunnen laten zien dat het er 
heel goed mee gaat door ervoor te 
zorgen dat die interdepartementale 
inspectie er nu snel komt en wat mij 
betreft ook het liefst zo snel mogelijk 
bij het staatstoezicht wordt onderge– 
bracht. Daaraan kunnen wij zien dat 
er een goede samenwerking bestaat 
en dan wordt die goede verstandhou– 
ding wat beter zichtbaar voor ons. 

Er is niet ingegaan op de cliënten– 
organisaties en de financiële 
ondersteuning daarvan. Erzal wel 
geen geld zijn, maar daar moeten wij 
dan maar bij de begroting op 
terugkomen. Wat vindt de staatsse– 
cretaris er eigenlijk van dat die 
organisaties zo veel procedures 
tegen de overheid voeren en ze nog 
vaak winnen ook? 

In reactie op het rapport van de 
Vereniging van secretarissen van de 
raden voor de kinderbescherming, al 
die deskundigen, over de inning van 
de kinderalimentatie, zei de staatsse– 
cretaris wel erg gemakkelijk daar een 

Bijzondere Commissie voor het 
jeugdwelzijnsbeleid en vaste 17 juni 1991 
Commissie voor justitie Justitiële jeugdbescherming UCV54 54-36 


Lankhorst 

ander oordeel over te hebben. Dat 

kan natuurlijk; hij heeft zijn eigen 

deskundigen. Maar het deed mij wel 

even denken aan die ouder die ook 

graag die eigen deskundigen zou 

willen hebben bij dat tegenonder– 

zoek. Het lijkt mij dat dat dan ook 

maar mogelijk gemaakt moet 

worden. Daarom heb ik die motie 

medeondertekend. 

Ten slotte de categorale opvang 
van Marokkaanse jongens, die 
behandeling voor korte tijd. Wat is 
"kort"? 

D 

De heer Van der Vlies (SGP): 

Voorzitter! Ik wil graag de staatsse– 

cretaris dankzeggen voor zijn 

beantwoording. Het hebben van 

beperkte spreektijd heeft nogal wat 

nadelen. Eén ervan is dat je je 

noodwendig wat richten moet op de 

punten van kritiek. Dat zou ertoe 

kunnen leiden dat bij de staatssecre– 

taris een verkeerd beeld ontstaat. Ik 

wil toch gezegd hebben dat er heel 

veel voornemens zijn die de SGP– 

fractie wel degelijk steunt. 

Maar er bestaat inderdaad ook op 
enkele punten verschil van mening. 
Dit blijkt doorgaans uit het medeon– 
dertekenen van enkele ter zake 
ingediende moties. Eén punt toch 
nog even wat nader gepreciseerd: de 
staatssecretaris gaf toch wel een 
wending aan de zaak door zijn open 
mind ter zake van "de mogelijke 
privatisering" van het gehele 
gebeuren. Ik was het volstrekt eens 
met wat mevrouw Vliegenthart 
daarnet zei: een kinderbeschermings– 
maatregel is een inbreuk op gezags– 
verhoudingen binnen de gezinssitua– 
tie waar het gaat om het ouderlijk 
gezag. Dat kan onontkoombaar zijn, 
maar is dan van een zodanig gewicht 
dat er daarvoor een politiek-verant– 
woordelijke dient te zijn. De staatsse– 
cretaris zegt dan: moet je eens goed 
luisteren, SGP-fractie, in die 
uitvoeringssfeer zijn ook private 
instellingen die een stukje werk doen. 
Jawel, maar het is de uitvoering van 
een gerechtelijke uitspraak die de 
randvoorwaarde meegeeft. De 
kinderbescherming zit ook in het 
voortraject van de voorbereiding van 
die gerechtelijke uitspraak, die zo'n 
geweldige inbreuk doet. Dat is een 
slag anders, hetgeen mij aanleiding 
geeft om te zeggen: staatssecretaris, 
die weg moeten wij niet inslaan. 

Ik heb de motie inzake het 
tegenonderzoek mee ondertekend. Ik 

heb bij interruptie al aangegeven hoe 
de SGP-fractie ertegenaan kijkt. Dan 
kom ik bij de financiële taken van de 
raden voor de kinderbescherming. 
De oplossing van de staatssecretaris 
houdt in: forfaitaire administratieve 
regel griffies rechtbanken. Voor de 
nijpende situaties moet er een 
instantie zijn. Ik heb mijn oog eens 
laten gaan over de berichtgeving in 
een ochtendblad. De heer Ouwens, 
hoofd van de alimentatie-afdeling 
van de Rotterdamse Raad voor de 
kinderbescherming, is daarin aan het 
woord. Als ik al zijn argumenten 
daarnaast leg, kan ik niet zien dat de 
oplossing van de staatssecretaris een 
toereikende en ook een rendabele zal 
zijn. Dan bedoel ik dat het niet meer 
kost dan het hoeft te kosten. Daarom 
heb ik de motie van mevrouw 
Soutendijk ter zake ondertekend. 

D 

De heer Van Middelkoop (GPV): 
Voorzitter! Het gemeen overleg over 
de goede nota van de staatssecreta– 
ris is meer confronterend dan ik en 
misschien ook de staatssecretaris 

- vooraf had gedacht. Ik moet 
zeggen dat hij zijn zaak met verve 
heeft verdedigd. Daarin is hij, wat mij 
betreft, deels geslaagd bij zijn 
principiële verweer tegen het 
voorstel om een wettelijk recht op 
contra-expertise in te stellen. Ik heb 
de desbetreffende motie daarom niet 
mede ondertekend. Mochten de 
meerderheid van de Kamer en de 
staatssecretaris elkaar op dit punt 
toch nog weten te vinden, is dat des 
te beter. 
De staatssecretaris heeft mij niet 
overtuigd met zijn betoog over de 
samenvoeging van raden, reclasse– 
ring en gezinsvoogdij. Ik denk dat de 
sensitivity-trainingen a la Veldhoven 
toch niet te vaak moeten plaatsvin– 
den, wil de relatie tussen justitie en 
het particulier initiatief goed blijven. 
Ik vind het moeilijk aanvaardbaar dat 
een zo ingrijpende structuurhervor– 
ming op bezuinigingsgronden kan 
worden doorgevoerd. Gezinsvoogdlj– 
instellingen, particulier initiatief dus, 
kun je niet integreren met instellin– 
gen die wezenlijke overheidstaken 
behartigen. Dat wordt corporatisme 
in justitieland. Daaraan moeten wij 
niet beginnen. Een samenvoeging zal 
met extra kracht de kritiek genereren 
van de fuikwerking van de instituties. 
Wil de staatssecretaris op dat punt 
van kritiek nog een keer reageren? 

Bezwaar blijf ik houden tegen een 

deel van de voorstellen inzake de 
kinderalimentatie. Ik blijf een 
voorkeur houden voor een centraal 
orgaan. Daarom heb ik ook de motie 
van mevrouw Soutendijk mede 
ondertekend. De staatssecretaris 
dacht misschien royaal te zijn, maar 
was dat niet toen hij toezegde om 
voor moeilijke gevallen nog wel een 
instantie voor de inning aan te wijzen. 
Maar wel tegen betaling, zo zei hij in 
een tussenzinnetje. Dat is geen recht 
in beweging, maar recht tegen 
betaling. Ik denk dat de mensen die 
het aangaat dat niet echt als sociale 
vernieuwing zullen ervaren. Wil de 
staatssecretaris ten slotte nog een 
antwoord geven op mijn vraag inzake 
de relatie tussen de activiteiten van 
de werkgroep pleegzorg en de 
WVC-bezuinigingen van 3 mln. per 1 
januari 1992? 

D 

De heer Leerling (RPF): Voorzitter! 
Ook ik dank de staatssecretaris. Ik 
heb met enige teleurstelling moeten 
vaststellen dat een aantal vragen die 
ik in eerste termijn heb gesteld, 
onbehandeld is gebleven. Welllcht 
kan de staatssecretaris het lijstje nog 
even langslopen. Veel tijd hoeft dat 
niet te vergen. Ik herinner met een 
enkel steekwoord aan punten die 
voor mij zeer belangrijk zijn: profes– 
sor Hoefnagels met zijn uitspraak die 
heel prikkelend was voor de staatsse– 
cretaris, karakter van het raadsrap– 
port meer in de vorm van processen– 
verbaal en op zeer korte termijn een 
verbetering van de omgangsregeling 
voor toeziend voogden en grootou– 
ders. Het kan om heel pijnlijke en 
schrijnende situaties gaan. Ik sluit mij 
bovendien aan bij collega Lankhorst 
die vroeg naar een financiële 
tegemoetkoming richting ouderorga– 
nisaties dan wel cliëntenorganisaties. 

Mijn algemene indruk van de nota 
en van het debat van heden is dat de 
staatssecretaris met zijn voornemens 
en plannen op de goede weg is. 
Daarvoor past een compliment. 
Echter, hij onderschat de ernst van 
bepaalde noodsituaties. Ik denk dat 
de zaken op papier prima kloppen. 
Echter, in de praktijk werkt het helaas 
anders uit. Dat ondervinden ouders 
die al jarenlang bij ons aankloppen 
met het verzoek om de situatie te 
veranderen. Het gaat dieper dan de 
staatssecretaris op een aantal punten 
veronderstelt. Het gaat in het 
overheidsbeleid om recht en 
gerechtigheid, in dit geval jegens de 

Bijzondere Commissie voor het 
jeugdwelzijnsbeleid en vaste 17 juni 1991 
Commissie voor justitie Justitiële jeugdbescherming UCV54 54-37 


Leerling 

ouders en de gezagsdragers. Daarbij 

mag de positie van de minderjarigen 

niet worden ondergesneeuwd. Maar 

daarover is al genoeg gezegd. 

Voorzitter! Afrondend, stel ik dat 
wij met de uitvoering op een goede 
weg zijn. Mede gelet op een aantal 
moties, hoop ik toch dat de staatsse– 
cretaris verder wil gaan. Ik heb 
enkele van die moties dan ook met 
overtuiging mede ondertekend. 

D 

Staatssecretaris Kosto: Mijnheer de 
voorzitter! Toen het ging over de 
contra-expertise, zei mevrouw 
Vliegenthart dat de hardnekkigheid 
van de staatssecretarïs stoort Zelf 
ervaar ik dat als standvastigheid. Dat 
zal duidelijk zijn. Ik zou toch even met 
een waardering willen komen. De 
uitgebrachte nota werd in de Kamer 
niet slecht ontvangen. Er was een 
aantal zaken waarover de Kamer ook 
best tevreden was. Erkend werd dat 
werd ingegaan op de gedachten die 
ook in de Kamer leefden. Dat was 
een pluspunt, dat was winst. Het was 
ook mevrouw Vliegenthart die zojuist 
opsomde wat ik staande deze 
vergadering aan de Kamer heb 
toegegeven, omdat ik inderdaad tot 
de overtuiging ben gekomen dat het 
een goede zaak zal zijn. Alweer 
winst! En dan, zoals buiten warme 
regen valt, zes moties van de Kamer. 
Ik zou bijna zeggen: hardnekkig als 
de Kamer is, wil zij nog meer dan al 
verworven is. Ik stel u voor, voorzit– 
ter, dat ik in de negen minuten die ik 
nog tot mijn beschikking heb, eerst in 
zal gaan op de ingediende moties. 
Mocht ik niet genoeg tijd hebben om 
ook nog op de gestelde vragen in te 
gaan, dan zal ik die schriftelijk 
beantwoorden. Ik maak overigens 
mijn verontschuldiging aan de heer 
Leerling voor wie ik inderdaad een 
aantal antwoorden klaar had liggen, 
maar die ik, ook alweer vanwege de 
tijdsklem, niet heb kunnen uitspre– 
ken. 

De eerste motie werd ingediend 
door mevrouw Laning en velen 
hebben die mede ondertekend Die 
motie gaat over een herkenbaar 
meldpunt voor mishandeling van 
kinderen. Ik wacht het advies van de 
juridische commissie bureaus 
vertrouwensartsen af Afgesproken 
was, dat de bewindslieden van WVC 
en ik een standpunt zouden bepalen 
als dat advies ontvangen is Nu heb 
ik het gevoel dat deze motie daar een 
beetje op vooruitloopt. Ik zit hier wel 

mee, want het is toch een beetje gek 
dat deze motie wordt ingediend 
terwijl wij gezegd hebben dat wij dat 
advies afwachten. Ik geef de Kamer, 

met alle schroom die mij past, in 
overweging, deze motie aan te 

houden totdat de vertrouwenscom– 

missie geadviseerd heeft en wij ons 
standpunt bepaald hebben. 

Mevrouw Laning-Boersema (CDA): 
Het kon niet anders, voorzitter. Wij 
hebben immers al vier jaar lang op 
dat rapport aangedrongen. Wij 
hebben zelfs gezegd dat wij de 
vergadering zouden willen uitstellen 
als het juridische rapport nog niet 
verschenen zou zijn. Wie schetst 
onze verbazing dat er geen interim– 
rapportage mogelijk was en dat wij 
nu, in het afgelopen weekend, een 
briefje krijgen dat die toch binnen 
drie weken klaar zal zijn. Daarom 
hebben wij alvast richting willen 
geven aan de discussie. Daarvoor 
diende deze motie. 

Staatssecretaris Kosto: U brengt mij 
daarmee niettemin in een wat 
moeilijk parket Ik zou namelijk eerst 
graag het advies van de commissie 
willen afwachten om daarna mijn 
standpuntte bepalen. Kunt u niet 
overwegen, deze motie aan te 
houden? Ik vraag dit op praktische 
gronden omdat de lopende procedu– 
res anders verstoord zullen worden. 

De voorzitter: Mevrouw Laning zei 
mij zojuist dat zij dit zal overwegen. 

Staatssecretaris Kosto: Dank u wel, 
mijnheer de voorzitter! 

Een andere motie is ondertekend 
door mevrouw Laning en mevrouw 
Soutendijk. Het dictum daarvan luidt: 
"en verzoekt de regering, de Kamer 
op zo kort mogelijke termijn, maar in 
ieder geval nog in het jaar 1991, 
hierover en over eventueel wettelijke 
regelingen te informeren". Die motie 
gaat overigens over de rapportage en 
advisering bij adoptie. 

Voorzitter! Ik kan het met die motie 
als zodanig helaas niet eens zijn, 
omdat er voor echtscheidingen op dit 
moment eigenlijk nauwelijks andere 
instanties beschikbaar zijn. Uiteraard 
zal ik deze hele kwestie nauwkeurig 
bezien en de Kamer nader informe– 
ren. Een van de problemen is, dat ik 
geen alternatieve countervailing 
power, een vervangende instelling 
hiervoor, zie. Maar ik zal dit bestude– 
ren en ik zal de Kamer mijn mening 
daarover laten horen 

Voorts de motie van mevrouw 
Soutendijk over de inning van de 
kinderalimentatie en de ouderbijdra– 
ge, die mede ondertekend is door 
alle leden, met uitzondering van de 
heer Korthals. Het dictum luidt: 
"verzoekt de regering op korte 
termijn voorstellen uit te werken tot 
een zelfstandig orgaan waarin eerder 
genoemde elementen tot hun recht 
komen en aan de Kamer voor te 
leggen". 

Ik heb de Kamer gezegd dat dit 
wordt uitgewerkt in een werkgroep. 
Wij zijn hiermee bezig. Ik heb ook 
gezegd dat ik de Kamer op een 
bepaald moment met wetgeving in 
dezen zou benaderen. Het is goed 
mogelijk om deze gedachte voor te 
leggen aan de werkgroep die 
hiermee aan de gang is. Bezien kan 
dan worden wat voor een advies dat 
oplevert. Ik wil dit dus zeker bestude– 
ren. Zoals al is toegezegd, zal ik de 
uitkomst van die studie aan de Kamer 
voorleggen. Eventueel volgt later een 
wetsvoorstel. Eind september kom ik 
bij de Kamer terug met een rapporta– 
ge van het werk van de commissies 
en een standpunt mijnerzijds 
daarover. Ik heb de ondertekening 
van de motie goed bekeken. Ik zal 
haar mede in de beschouwing 
betrekken. Ik wil daar graag in 
september op ingaan. Laten wij dan 
oordelen. Er zal een keuzepakket aan 
mij worden voorgelegd. Ik wil die 
alternatieven ook graag in de 
beschouwing kunnen betrekken. 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): Doelt de staatssecreta– 
ris nu op de stuurgroep? Gaat het 
idee van het vaststellen door een 
griffier in ieder geval van tafel of 
misschien voorlopig? 

Staatssecretaris Kosto: Ik kan mij 
goed voorstellen dat het verwarrend 
werkt. Er zijn drie adviesorganen voor 
mij aan het werk. Zij moeten mij 
straks bedienen, opdat ik de Kamer 
kan bedienen Ik zal de Kamer het 
resultaat van het werk, voorzien van 
mijn opvatting erover, eind septem– 
ber voorleggen Allereerst is er de 
stuurgroep die bestudeert in 
hoeverre de drie grootheden (raden 
voor de kinderbescherming, voogdij–/ 
gezinsvoogdij-instellingen en 
reclassering) kunnen samenwerken. 
Dit werk is gericht op een efficiency– 
winst Misschien gaat het om zoveel, 
dat wij er ook nog iets inhoudelijks 
mee kunnen financieren. Ten tweede 
is er een werkgroep aan de gang met 

Bijzondere Commissie voor het 
jeugdwelzijnsbeleid en vaste 17 juni 1991 
Commissie voor justitie Justitiële jeugdbescherming UCV54 54-38 


Kosto 

een financiële taak voor de raden. 

Ten derde is er een werkgroep bezig 

om de 8 mln., die bezuinigd moet 

worden bij de reclassering, precies in 

te vullen. De stuurgroep vormt de 

hoofdstroom. De twee werkgroepen 

vormen de zijrivieren. Zij monden 

straks uit in één rapportage aan mij. 

Ik zal aan die rapportage een 

opvatting verbinden en beide zaken 

vervolgens aan de Kamer voorleg– 

gen. Een voorstel als in de motie 

neergelegd, kan hierin worden 

meegenomen. Ik stel voor, eind 

september gericht over dit alles te 

discussiëren. 

Mevrouw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): Ik heb er geen bezwaar 
tegen als de motie wordt uitgevoerd 
en de voorstellen worden voorbereld 
en begeleid door de werkgroep. Ik 
wil wél dat dit voorstel aan ons wordt 
voorgelegd. Ik zie geen probleem 
met de motie. Ik wil haar dan ook 
niet van tafel halen. Ik wijs op het 
wetsvoorstel inzake de ouderbijdra– 
ge. De inning en vaststelling moeten 
in de voorgestelde regeling worden 
meegenomen. Ik zie niet dat de 
werkgroep die nu studeert op de 
financiële taken, eventjes en passant 
de problematiek van de ouderbijdra– 
ge, die Justitie en WVC regardeert, 
meeneemt. De integrale benadering 
moet ons worden voorgelegd. 

Staatssecretaris Kosto: Daar ben ik 
toe bereid. Ik vraag de Kamer 
slechts, mij niet te verbieden om 

alternatieven uit te werken. De keuze 
van de Kamer op dit moment is 
helder. Die zal ook uitgewerkt 
worden. Het is echter mogelijk dat de 

Kamer in september, bij een nadere 
afweging van de samenhang, van 
mening is dat het ook anders kan. 
Dat wil ik niet uitsluiten. Ik vraag de 
Kamer een "open mind" te tonen. De 
discussie komt in september ten 
principale terug. Ik wil die discussie 
voeren op basis van een aantal op dit 
moment denkbare motieven. In 
september kunnen de uitgewerkte 
alternatieven met elkaar worden 
vergeleken. 

Mevronw Soutendijk-van Appel– 
doorn (CDA): Ik vind dit een aardige 
suggestie, maar ik zie niet in waarom 
deze motie niet zou kunnen worden 
aanvaard ter ondersteuning van de 
plannen van de staatssecretaris. 

Staatssecretaris Kosto: Ik zei al dat 
ik de uitwerking van de motie zal 

meenemen. Ik vraag alleen om deze 
oplossing niet a priori zaligmakend te 
achten. Ik wil ook de andere moge– 
lijkheden laten uitwerken. Dat is mijn 
betoog. De motie is richtinggevend; 
zo wordt zij ook door mij ervaren. Dit 
sluit overigens niet de mogelijkheid 
van andere voorstellen uit. Ik denk 
dat we dezelfde intentie hebben. 

Ik kom toe aan de motie op stuk nr. 
6, handelend over de contra-experti– 
se, waarin de regering wordt 
verzocht, de procedureregels aan te 
passen. We hebben daar buitenge– 
woon uitvoerig over gediscussieerd. 
Toen heeft mevrouw Vliegenthart 
gezegd dat het recht op contra-ex– 
pertise in de wet moet worden 
neergelegd. Nee, zei de CDA-fractie, 
dat moet niet, maar je moet wel in de 
procedure de mogelijkheid openen 
dat men met een contra-expertise 
kan komen. Moet ik de motie zo 
uitleggen dat mevrouw Vliegenthart 
hierbij afziet van haar opvatting, dat 
het een in de wet gecodificeerd 
artikel moet zijn "gij hebt recht op 
een contra-expertise", en dat er 
alleen maar in de geest van de 
CDA-fractie gevraagd wordt om 
opening in de procedures, of ligt het 
anders? Ik kan me niet voorstellen 
dat die twee standpunten in één 
motie samenkomen, en ik zie dat dat 
nu wel gebeurt, en daarom vraag ik 
om opheldering. 

Mevrouw Vliegenthart (PvdA): Dat 
kan heel goed, omdat de procedure– 
regels hun basis in de wet vinden. 
Het gaat mij erom dat de mogelijk– 
heid tot het doen van een tegenon– 
derzoek geboden wordt binnen de 
procedure. In mijn tweede termijn 
heb ik eraan toegevoegd: tenzij 
daarvan ernstig nadeel voortvloeit 
voor de minderjarige. Er kunnen 
dringende omstandigheden zijn, 
waardoor dat nodig is. Daar moet 
dan gemotiveerd van worden 
afgeweken. In principe is het een 
normale zaak dat het kan gebeuren, 
en het is een uitzondering als het niet 
gebeurt. Nu is het een uitzondering 
als het wel gebeurt, terwijl de regel is 
dat het niet gebeurt. 

Staatssecretaris Kosto: Ik zal de 
motie bestuderen, zoals ik heb 
toegezegd toen ik in dialoog was met 
de leden van de CDA-fractie: als er in 
de procedures belemmeringen zijn 
om tot een contra-expertise te 
komen, wil ik dat bekijken. Ik blijf 
mijn bezwaren houden tegen het in 
de wet vastleggen van een recht op 

contra-expertise. Ik hoor mevrouw 

Laning zeggen dat haar fractie 

dezelfde mening is toegedaan, dus 

wat dat betreft zal ik de motie 

uitleggen in de zin die eraan wordt 

gegeven door de CDA-fractie. 

Aangezien de motie als eerste 

ondertekenaar mevrouw Vliegenthart 

heeft, ligt daar wellicht een pro– 

bleem. Dit moet even uitgepraat 

worden. 

De voorzitter: Maar niet nu. 
Wellicht kan de staatssecretaris 
schriftelijk aan de Kamer laten weten, 
hoe hij de motie uitlegt en wat hij 
ervan vindt. Als de Kamer het daar 
niet mee eens is, heeft zij nog altijd 
de gelegenheid, daarin corrigerend 
op te treden. 

Staatssecretaris Kosto Ik meen dat 

uit de Handelingen zal blijken dat ik 

mijn opvattingen hierover al gegeven 

heb. 

Over de motie op stuk nr. 7 wil ik 
het volgende kwijt. Geen misver– 
stand: ik heb op dit moment geen 
concreet voornemen tot een fusie. 
Dat was de open mind waar ik over 
sprak. In de stuurgroep wordt de 
mogelijkheid bestudeerd van een 
dusdanig samengaan, dat er 
wezenlijke besparingen uit voortvloei– 
en. Ik heb het persbericht op dit punt 
ook voorgelezen: een bezinning op 
de kerntaken. Op verzoek van de 
mensen die aan het werk zijn gegaan, 
met name die uit het veld, die niet 
aan het werk zouden zijn gegaan als 
ik opgelegd dat er een fusie moest 
worden uitgewerkt, is dat terzijde 
gelegd, om ruimte te maken voor 
alternatieven. Een motie waarin de 
Kamer kamerbreed onderschrijft dat 
een bepaalde richting echt niet kan, 
is natuurlijk richtinggevend, en 
daarmee zal rekening worden 
gehouden. Ik denk dat de mensen die 
in de stuurgroep aan het werk zijn, de 
fusiegedachte op een bijzettafeltje 
hebben gelegd, maar van de 
hoofdtafel hebben weggehaald, en 
zich meer zullen concentreren op 
andere mogelijkheden van samen– 
werking die een besparing kunnen 
effectueren, met een beter produkt 
van de drie gezamenlijke organisaties 
dan vroeger mogelijk was. Het blijft 
namelijk mijn overtuiging, dat uit die 
samenwerking, uit die verandering, 
nieuwe impulsen, nieuwe inzichten, 
nieuwe ideeën en nieuwe kwaliteit 
kunnen voortvloeien. 

Dan ten slotte de motie van 
mevrouw Versnel op stuk nr. 9. Het 

Bijzondere Commissie voor het 
jeugdwelzijnsbeleid en vaste 17 juni 1991 
Commissie voor justitie Justitiële jeugdbescherming UCV54 54-39 


Kosto 

was nr. 8, maar het is nu nr. 9. Deze 
motie is alleen en uitsluitend door 
mevrouw Versnel ondertekend. 
Daarin wordt de regerir.g verzocht, af 
te zien van haar voornemen tot het 
instellen van interne deskundigen bij 
de raden voor de kinderbescherming 
en de financiële prioriteitstelling te 
richten op het bevorderen van een 
ruimere beschikbaarheid van externe 
deskundigen. Nee, voorzitter, zowel 
de verbreding van de interne 
deskundigheid als de mogelijkheid 
van een ruimer beroep op externe 
deskundigheid acht ik van gelijkelijk 
belang. In voorkomende omstandig– 
heden zal het een dan wel het andere 
worden benadrukt, maar ik wil nu 
geen onderscheid maken in de "all 
over" kijk erop. Ik vind dat van een 
gelijkelijk belang, dus ik moet de 
aanneming van die motie sterk 
ontraden. 

Voorzitter, ik kom tot de conclusie, 
dat de door u beschikbaar gestelde 
tijd voorbij is, zodat ik terugval op 
mijn toezegging, dat ik zorgvuldig zal 
nagaan welke vragen niet zijn 
beantwoord om die vervolgens 
alsnog schriftelijk te beantwoorden. 
Ik denk daarbij met name aan de 
door de heer Leerling gestelde 
vragen, die inderdaad op de achter– 
hand zat en een beetje het slachtof– 
fer van de tijdsdruk is geworden. 

De heer Korthals (VVD): Voorzitter! 
Moties die toch niet in stemming 
komen, heb ik niet meeondertekend. 
Ik heb echter één motie niet inge– 
diend, betrekking hebbend op het 
financiële plaatje, in de hoop dat de 
staatssecretaris de toezegging zou 
doen dat het uiteindelijke financiële 
plaatje voor 1 oktober aanstaande bij 
de Kamer zou komen. 

Staatssecretaris Kosto: Dat is een 
misverstand, voorzitter, want ik heb 
die toezegging gedaan, vandaag, 
maar ook vorige week toen ik de 
Kamer in een andere samenstelling 
ontmoette. 

De beraadslaging wordt gesloten. 

De voorzitter: Wij zijn de staatsse– 
cretaris dankbaar voor zijn toezeg– 
ging, dat hij de nog niet beantwoorde 
vragen alsnog schriftelijk zal 
beantwoorden. Ik wijs de leden erop, 
dat door een fout op de griffie, de 
nummering van de moties niet goed 
is. Alles schuift één nummer op. In 
de gedrukte moties zal men straks 
alles correct aantreffen. 

Ik dank de staatssecretaris en zijn 
medewerkers voor de verstrekte 
informatie. Ik dank de medewerkers 
van de Kamer voor hun hulp en de 
pers en het publiek voor hun 
belangstelling. 

Sluiting 16.38 uur. 

Bijzondere Commissie voor het 
jeugdwelzijnsbeleid en vaste 17 juni 1991 
Commissie voor justitie Justitiële jeugdbescherming UCV54 


Noot 

Noot 1 (zieblz. 31) 

Behorend bij stukken voor de UCV 

d d 17 juni 1991. 

Kort overzicht van de planning van 

de beleidsvoornemens uit de nota 

Justitiële jeugdbescherming: met 

recht in beweging. 

Hoofdstuk 2 

2.2 tot en met 2.5: Interne en 
externe deskundigen raden voor de 
kinderbescherming 
- notitie thans ter bespreking bij de 
raden voor de kinderbescherming 
HoofdstuU 3 

3.2: Verbeterde publieksvoorlichting 
en voorlichting aan direct betrok– 
kenen bij raadsonderzoek 
- oktober 1991: nieuwe folders 
gereed; 
- extra formatie die beschikbaar is 
gekomen voor individuele 
voorlichting aan de cliënten 
gedurende het onderzoek door de 
raad voor de kinderbescherming is 
over de 1 9 raden verdeeld. 
Toezending verzoekschrift aan 

ouder/voogd 

- voorstel van wet Herziening van 
het familieprocesrecht, waarin een 
bepaling omtrent dit voornemen is 
opgenomen, wordt voor prinsjesdag 
aan de Raad van State voorgelegd. 
Normen II en verkorte versie Normen 
II 

- medio november 1991: definitieve 
tekst Normen II gereed; 
- medio maart 1992: definitieve 
tekst verkorte versie Normen II 
gereed 
Richt/ijnen rapportage raad voor de 
kinderbescherming en 
(gezinsjvoogdij-instelling 

- december 1991: richtlijnen gereed 
3.4: Toetsing of verzoekschrift of 
advies in de besluitvormingsfase 
door de interne deskundige 
- zie hoofdstuk 2 
Voorlopige maatregelen worden aan 
een termijn gebonden 
- januari 1992: voorstel van wet aan 
de Ministerraad voor te leggen 
Hu/pver/en/ng aan weggelopen 
minderjarigen 

- januari 1992: voorstel van wet aan 
de Ministerraad voor te leggen 
35 Klachtbehandeling 

- december 1991: voorstel van wet 
aan de Ministerraad voor te leggen 
Inspectie 
- overleg gaande. 

3.6: Stimuleren van cliëntenorgani– 
sat/es en cliëntenraden bij instel– 
lingen en inrichtingen 
- nog dit jaar voorstel van wet aan 
de Ministerraad voor te leggen. 
Jaarlijkse ontmoetingsdag 

- eind dit jaar zal de ontmoe– 
tingsdag plaatsvinden. 
Hoofdstuk 4 

4.2: Scheiding rechtsprekende en 
uitvoerende funktie van de kinder– 
rechter in geval van ondertoezicht– 
stelling 
- eind 1991: voorstel van wet aan 
de Ministerraad voor te leggen. 
Verwijzing naar meervoudige kamer 

- nog geen planning vastgesteld. 
4.3: Het management van de instel– 
lingen wordt beter toegerust 
- wordt nader bezien in verband met 
de voorgenomen reorganisatie in het 
kader van de Tussenbalans. 
Schaalvergroting 

- zie hierboven. 
Er wordt een nieuw subsidiesysteem 
ingevoerd 
- dit voorjaar is een nieuwe 
«maatlat» gekoppeld aan het Gezins– 
voogdij Informatie Systeem 
ontwikkeld; 
- in 1992 zal eerst met deze nieuwe 
«maatlat» worden proefgedraaid, 
alvorens definitieve effectuering in 
1993 kan plaatshebben. 
4.4: Uitbreiding aantal plaatsen 
therapeutische gezinsverpleging 
(TGV) 
- 1991: voorgenomen capaciteits– 
uitbreiding van 35 plaatsen gereali– 
seerd; 
- 1992-1993: verdere uitbreiding te 
realiseren tot 100. 
Experiment TGV voor te adopteren 
buitenlandse kinderen 

- project in 1991 gestart voor de 
duur van drie jaren. 
4.5: Uitbreiding aantal plaatsen in 
de inrichtingen 
- zieJR120. 
Beleidskader voor de justitiële jeugd– 
inrichtingen 
- eind 1991: presentatie nieuw 
beleidskader. 
Intercollegiale of interinstitutionele 
toetsing in de justitiële jeugdinrich– 
tingen 

- wordt meegenomen in het in 
voorbereiding zijnde beleidskader. 
Hoofdstuk 5 

5.1: Nieuwe maatregel van hulp en 
steun 
- afhankelijk van de in gang zijnde 
voorbereiding zal een planning 
worden gemaakt. 
5.2: Jeugdreclassering 
- eind 1991 duidelijkheid over 
organisatorische vormgeving. 
5.3: Forfa/taire berekening en 
vaststelling kinderalimentatie 
- voorstel van wet nog dit kalen– 
derjaar aan de Ministerraad voor te 
leggen. 
5.4: Opheffen colleges van de raden 
voor de kinderbescherming 
- wordt nader bezien in verband met 
de voorgenomen reorganisatie in het 
kader van de Tussenbalans. 
5.5: Interlandelijke adoptie 
- concepten m.b.t. het uitzonderin– 
genbeleid worden besproken met de 
vergunninghouders 
- voorstel van wet gereed inzake de 
wijziging van de wettelijke procedure 
m.b.t. de mogelijkheid herziening te 
vragen bij afwijzing van een verzoek 
om afgifte van een beginseltoe– 
stemming. 
Tussenbalanstraject: 

- september 1 991: grondige 
analyse van de huidige en de te 
verwachten taken en knelpunten van 
de drie sectoren raden voor de 
kinderbescherming, (gezins)voogdijinstellingen 
en reclasseringsinstel– 
lingen afgerond; 
- eind 1991: studie naar organisato– 
rische vormgeving afgerond. 
Bijzondere Commissie voor het 
jeugdwelzijnsbeleid en vaste 17 juni 1991 
Commissie voor Justitie Noot UCV54 54-41 


